Het opnieuw houden van een foeigesprek met een doodsbedreiger. |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie (OM), Arrondisementsparket Amsterdam, mij per brief van 23 januari 2023 informeerde dat de bedreiger die me liet weten «Ik maak je af hoer», niet strafrechtelijk wordt vervolgd maar een reprimandegesprek door de politie krijgt want «Er is een betere oplossing dan straf», aldus de Officier van Justitie?1
Ik ben mij ervan bewust dat u dit soort berichten wekelijks krijgt en wil hier nogmaals benadrukken dat bedreigen, en in het bijzonder bedreigingen van volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis hoort in onze samenleving. Dit ondermijnt onze democratie, en heeft bovendien een enorme impact op de volksvertegenwoordigers zelf. Dit heeft dan ook mijn volste aandacht als Minister van Justitie en Veiligheid.
Weet u dat ik dit soort brieven inmiddels wekelijks krijg?
Zie antwoord vraag 1.
Is het OM gek geworden?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat het OM meestal niets onderneemt tegen personen die mij vanuit een land buiten Europa – meestal islamitische landen – met de dood bedreigen? Weet u dat dit soort bedreigingen honderden keren per jaar plaatsvinden? Weet u dat die mensen – zoals een Pakistaan eerder daadwerkelijk heeft geprobeerd – dus onder de radar blijven en ieder moment naar Nederland kunnen komen om hun bedreigingen in de praktijk te brengen?
Uw stelling dat het Openbaar Ministerie meestal niets onderneemt tegen personen die u bedreigen uit een land buiten Europa onderschrijf ik niet.
Het Openbaar Ministerie beoordeelt aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid.
In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Wilders van de PVV van 22 april 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2620) is bijvoorbeeld aangegeven dat er rechtshulpverzoeken aan Pakistan zijn gericht met het verzoek om medewerking te verlenen aan het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek. Ondanks herhaaldelijk aandringen van de Nederlandse overheid zijn die rechtshulpverzoeken tot op heden onbeantwoord gebleven. Dit is vervolgens diverse malen op verschillende niveaus bij Pakistan onder de aandacht gebracht. Dit zullen we blijven doen. Daarnaast zijn vanwege de Nederlandse overheid op alle niveaus regelmatig ernstige zorgen geuit over de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders. Ook dit zullen we continueren.
Het Openbaar Ministerie zet zich blijvend in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Voor het identificeren van verdachten die bedreigingen uiten via met name sociale media, waarbij veelal geen gebruik wordt gemaakt van de eigen personalia en niet de volledige personalia zijn genoemd, is nagenoeg altijd nader onderzoek nodig. Wanneer een verdachte zich in een ander land dan Nederland bevindt, is voor dat onderzoek rechtshulp nodig. Uiteindelijk is het aan het betreffende land zelf om te bepalen of en in hoeverre uitvoering kan worden gegeven aan een rechtshulpverzoek. Het Openbaar Ministerie kan – als er door het buitenland geen rechtshulp wordt verleend – alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen.
Kunt u bij het OM nagaan wanneer ze hebben besloten mij vogelvrij te verklaren?
Ik wil vooropstellen dat bedreigingen, en in het bijzonder bedreigingen van volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis horen in onze samenleving. Dit ondermijnt onze democratie, en ik kan mij voorstellen dat dit enorme impact heeft op de heer Wilders. Dit heeft dan ook mijn volste aandacht als Minister van Justitie en Veiligheid. Ik verzet mij dan ook tegen de suggestie dat het Openbaar Ministerie de heer Wilders vogelvrij verklaard zou hebben. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten zich continu in te zetten om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Het Openbaar Ministerie heeft mij bovendien verzekerd dat aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid worden beoordeeld.
De keuze om een strafbaar feit op een bepaalde manier af te doen is aan het Openbaar Ministerie; meer in het bijzonder aan de desbetreffende officier van justitie. Daarbij maakt de officier van justitie een beslissing op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. Hierbij speelt de identiteit of politieke kleur van de volksvertegenwoordiger geen rol. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele zaken om politieke bemoeienis te voorkomen. Dat geldt niet alleen hier en in dit soort zaken, maar in alle individuele zaken van het Openbaar Ministerie.
Het is tot slot ook aan het Openbaar Ministerie om betrokkenen goed en zorgvuldig te informeren over hun afwegingen die leiden tot het nemen van een sepotbeslissing. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten altijd zijn uiterste best te doen om zo goed mogelijk zijn beslissingen te motiveren en ook altijd bereid te zijn te kijken waar dat beter kan.
Fatwa’s en bedreigingen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert de Minister-President zich zijn antwoorden van 3 mei 2022 op mijn vragen van 22 april 2022 aangaande tegen mij uitgesproken fatwa’s en dreigementen?
Ik ben op de hoogte van de beantwoording van 3 mei 2022 op de vragen van 22 april 2022.
Kunt u aangeven of er aangaande de volgende zaken inmiddels mensen zijn opgespoord, aangehouden, vervolgd, veroordeeld of uitgeleverd: – de over mij uitgesproken fatwa uit 2018 uit Pakistan waarin opgeroepen werd mij te vermoorden, – de uitspraak van Al Qaida uit 2020 waarin ik als mede-doelwit werd verklaard bij hun dreigementen aan het adres van het Franse blad Charlie Hebdo en de vele doodsbedreigingen uit 2022 uit islamitische hoek na de aanslag op Salman Rushdie in de VS, waarin gesteld werd dat ik de volgende ben, – de over mij uitgesproken recente fatwa uit 2022 uit Pakistan waarin opnieuw werd opgeroepen mij te vermoorden, – de uitspraak van voormalig premier Khan van Pakistan die mij publiekelijk een blasphemist noemde, waar daar en elders in de islamistische wereld de doodstraf op staat, – de uitspraak van Pakistaanse TLP-leider Jalali die opriep mij te executeren? Kunt u dat voor alle in deze vraag genoemde zaken apart benoemen?
Ik kan niet ingaan op individuele zaken, het Openbaar Ministerie is de aangewezen instantie om u, als betrokkene, vertrouwelijk over dergelijke zaken te informeren of vragen over specifieke zaken te beantwoorden.
Wel kan ik verwijzen naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Wilders van de PVV van 22 april 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2620) waarin is gemeld dat er rechtshulpverzoeken aan Pakistan zijn gericht met het verzoek om medewerking te verlenen aan het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van onder andere de fatwa uitgesproken in 2018. Die rechtshulpverzoeken zijn tot op heden onbeantwoord gebleven. Dit is diverse malen op verschillende niveaus bij Pakistan onder de aandacht gebracht. Ook uit de Nederlandse overheid op alle niveaus regelmatig ernstige zorgen over de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders.
Het Openbaar Ministerie zet zich blijvend in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat veelal niet kan worden vastgesteld welke personen uitlatingen hebben gedaan of in welk land deze zouden verblijven, zodat geen rechtshulpverzoek kan worden gedaan.
Het Openbaar Ministerie kan alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen. Zelfs in die gevallen zijn de mogelijkheden voor vervolging afhankelijk van de medewerking van het betreffende land waar de verdachte woonachtig is of verblijft, bijvoorbeeld naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan het betreffende land. Het OM weegt voortdurend alle factoren af om te beoordelen welke mogelijkheden er zijn.
Wat heeft u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD in al deze zaken concreet gedaan om opsporing, aanhouding, vervolging, veroordeling of uitlevering gerealiseerd te krijgen?
Zoals in het vorige antwoord benoemd heeft de Nederlandse overheid bij de Pakistaanse autoriteiten herhaaldelijk aangedrongen op een reactie op de rechtshulpverzoeken die naar Pakistan zijn gestuurd. Dit zal de Nederlandse overheid blijven doen.
Ik kan verder niet ingaan op de stand van zaken en voortgang in lopende individuele strafzaken. Over specifieke zaken doet de AIVD in het openbaar ook geen uitspraken.
Bent u ervan op de hoogte dat ik daarnaast vorig jaar bijna 1.000 keer met de dood ben bedreigd door moslims in binnen- en buitenland? Wat doet u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD hiermee gedaan? Hoevaak zijn betrokkenen vervolgd, hoe vaak zijn ze niet vervolgd en hoe vaak hebben ze slechts een reprimande of foei-gesprek gehad? Kunt u deze cijfers ook geven met bedreigingszaken richting politici die lid zijn van een coalitiepartij?
Ik ben er van op de hoogte dat het lid Wilders bedreigd wordt en ik keur deze bedreigingen stellig af. Zoals in deze en eerdere beantwoording op uw Kamervragen van 16 december 2022 gesteld, horen bedreigingen en in het bijzonder bedreigingen van onze volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis in onze samenleving.
Ik kan echter niet ingaan op zaken betreffende bedreigingen richting individuele volksvertegenwoordigers. Het is niet aan mij als Minister in te gaan op individuele zaken, juist om politieke bemoeienis te voorkomen. Het Openbaar Ministerie gaat over de vervolging van strafbare feiten.
In zijn algemeenheid kan ik u het volgende melden. Het Openbaar Ministerie en de politie zetten zich continu in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken. Wanneer de bedreiging wordt beoordeeld als strafbare bedreiging, wordt door het team bedreigde politici in beginsel aangifte opgenomen en wordt nader onderzoek verricht. Het Openbaar Ministerie beoordeelt iedere aangifte van mogelijke bedreiging van een politicus op strafbaarheid en beslist welke afdoening aangewezen is. Welke afdoening in een individueel geval passend is, wordt door het Openbaar Ministerie beoordeeld op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. De vraag of betrokkene al dan niet lid is van een coalitiepartij speelt daarbij absoluut geen enkele rol.
Voor het identificeren van verdachten die bedreigingen uiten via met name sociale media, waarbij veelal geen gebruik wordt gemaakt van de eigen personalia en niet de volledige personalia zijn genoemd, is nagenoeg altijd nader onderzoek nodig. Wanneer een verdachte zich in een ander land dan Nederland bevindt, is voor dat onderzoek rechtshulp nodig. Wanneer met een land geen rechtshulpverdrag bestaat, leert de ervaring dat die rechtshulp in dit soort zaken moeizaam gaat. Het Openbaar Ministerie kan – als er door het buitenland geen rechtshulp wordt verleend – alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen.
Zoals in de voorgaande beantwoording gegeven, spreekt de Nederlandse overheid op alle niveaus regelmatig ernstige zorgen uit over de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders. Onlangs gebeurde dit nog tijdens het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met zijn Pakistaanse collega op 18 januari jl., tijdens de hoogambtelijke politieke consultaties met Pakistan op 8 februari jl. en het gesprek tussen de Minister-President met de premier van Pakistan op 20 februari jl.
Alle ontvangen berichten met (vermeende) bedreigingen van personen in het Rijksdomein, worden door de NCTV ter duiding doorgestuurd aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De AIVD kijkt vanuit zijn onderzoeksgebieden of er concrete of voorstelbare dreigingen zijn tegen een persoon, object of dienst die valt in het zogenoemde Rijksdomein. De inlichtingen van de AIVD dragen bij aan het stelstel dat onder meer politici, bewindspersonen en diplomatieke objecten bewaakt en beveiligt. De AIVD stelt in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen dreigings- en risicoanalyses op. Ook kan de AIVD in inlichtingenonderzoeken informatie verkrijgen over een persoon of organisatie die zich mogelijk schuldig maakt aan strafbare feiten. De AIVD kan dan een ambtsbericht uitbrengen aan het Openbaar Ministerie.
Hoeveel interesse hebben het OM en de AIVD überhaupt in zaken betreffende een politicus van de oppositie?
Het gegeven dat een bedreigde volksvertegenwoordiger onderdeel is van de oppositie of de coalitie speelt absoluut geen enkele rol voor de uitvoering van de taken van de AIVD of het Openbaar Ministerie.
Bent u ervan op de hoogte dat ik wekelijks, zo niet dagelijks, filmpjes krijg toegestuurd met beelden die vaak op de meest grove en beeldende manier laten zien dat en hoe ik moet worden vermoord? Heeft u zelf wel eens de moeite genomen ze te bekijken? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan en wat doet u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD hiermee gedaan?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik heb meerdere van deze weerzinwekkende filmpjes en berichten gezien. Vooropgesteld, ik keur deze bedreigingen ten zeerste af. Naast dat ik me kan voorstellen dat het een enorme impact op de heer Wilders heeft, ondermijnt het onze democratie wanneer volksvertegenwoordigers worden bedreigd. Het Openbaar Ministerie beoordeelt aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid.
Zoals gesteld in de beantwoording op vraag 4, worden alle ontvangen berichten met (vermeende) bedreigingen van personen in het Rijksdomein, door de NCTV ter duiding doorgestuurd aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Voor de taak van de AIVD verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Die snuivende zanger maakt drugsgebruik doodnormaal’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Die snuivende zanger maakt drugsgebruik doodnormaal»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zo openlijk gebruiken van drugs, dat letterlijk een podium heeft gekregen in een zaal vol jonge mensen, een verdere normalisering van drugsgebruik laat zien? Wat is uw reactie hierop?
Ja dit incident draagt inderdaad bij aan de beeldvorming dat drugsgebruik «normaal» zou zijn. We kunnen dit incident dan ook niet hard genoeg afwijzen. Gezien de vele reacties wordt de opvatting dat dit niet normaal is breed gedragen. De bandleden hebben achteraf in diverse media ook in hun reactie duidelijk gemaakt dat ze dit niet hadden moeten doen.
Vindt u dat dit incident niet op zichzelf staat, maar juist nog zichtbaarder maakt hoe «ingeburgerd» het drugsgebruik in Nederland is? Wat is volgens u de huidige publieke moraal als het gaat om het gebruiken van drugs?
Na het verschijnen van het filmpje met het drugsgebruik ontstond er terecht grote ophef en hebben heel veel mensen zich negatief uitgelaten over het incident. Dit laat zien dat veel Nederlanders zich verzetten tegen deze manifestatie van drugsgebruik. Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking gebruikt geen drugs als cocaïne of XTC. Uit de Nationale Drug Monitor (NDM) van het Trimbos Instituut blijkt dat XTC en cocaïne het afgelopen jaar door 3%, respectievelijk 2% van de volwassen Nederlanders werd gebruikt. Tegelijkertijd wijst onderzoek uit dat drugsgebruik onder bepaalde groepen, voornamelijk jongeren, wel flink hoog ligt. Mede daarom vind ik de actie van deze zanger ook zo verwerpelijk. Het geeft een onbegrijpelijk en volledig verkeerd beeld aan jongeren.
Deelt u de mening dat de overheid niet stil kan blijven en actief moet laten zien dat het gebruiken van (hard)drugs niet zonder gevolgen is, nu eerder genoemd incident veel stof doet opwaaien, talloze mensen er schande van spreken maar er ook mensen zijn die menen dat er niet zoveel aan de hand is?
Die mening deel ik. U heeft kunnen zien dat ik dit incident in stevige bewoordingen heb veroordeeld. Elke snuif cocaïne draagt bij aan de instandhouding van een gewelddadige, criminele industrie waar we met onze hele rechtsstaat tegen strijden.
Ook vanuit het perspectief van de volksgezondheid is het kabinet het met u eens dat de overheid een belangrijke taak heeft op het gebied van het effectief ontmoedigen van drugsgebruik. Daarom vind ik het van belang te benadrukken dat de overheid geenszins stil zit wanneer het om drugspreventie gaat. De Staatssecretaris van VWS heeft in de Kamerbrief2 over zijn aanpak drugspreventie in juli vorig jaar breed uiteengezet wat er vanuit dat ministerie gebeurt om drugsgebruik te ontmoedigen. Volgende maand ontvangt u van de Staatssecretaris van VWS weer een brief over dit onderwerp.
Het kabinet vindt het belangrijk te benadrukken dat de drugspreventie-activiteiten zijn gericht op de doelgroepen waar het meeste wordt gebruikt. Deze gerichte strategie is minder zichtbaar dan een brede publiekscampagne, maar wel effectiever. Onderzoek wijst uit dat een brede publiekscampagne niet effectief is in het streven naar gebruiksreductie. Tegelijkertijd draagt ongerichte voorlichting bij aan het beeld dat drugsgebruik normaal is. Dit zou niet alleen ineffectief zijn, maar zelfs een averechts effect kunnen hebben.
Welke kansen ziet u om de maatschappelijke verontwaardiging over dit incident te benutten om de gemeenschappelijke moraal ten aanzien van drugsgebruik te veranderen en te verbeteren, met meer oog voor de schadelijke gevolgen van drugsgebruik? Ziet u het belang van een breed maatschappelijk offensief, met ambassadeurs uit verschillende disciplines, om de trend van normalisatie te keren en bewustwording te vergroten, ter bescherming van de gezondheid en kansen van jongeren en ter verdediging van de (hoeders van onze) rechtstaat en veiligheid? Zo ja, welke stappen bent u van plan te zetten? Zoekt u hierbij ook de samenwerking op met artiesten, influencers en rolmodellen?
Net als u acht ik het vanuit het oogpunt van zowel de aanpak van drugscriminaliteit als de volksgezondheid van belang om uit te dragen dat drugsgebruik geen onderdeel uitmaakt van een normale, gezonde leefstijl. Voor het zo effectief mogelijk uitdragen van deze norm worden door JenV en VWS veel gesprekken gevoerd met preventieexperts. Uit deze gesprekken is gebleken dat de meest effectieve preventie specifiek gericht is op de groepen waar het gebruik en de norm het meeste afwijkt. Een breed gesprek over drugs kan juist de boodschap versterken dat gebruik normaal is. Immers, als er zoveel aandacht voor is, is de impliciete boodschap dat er zeer veel mensen gebruiken. Uit de cijfers blijkt echter dat dit niet zo is. Daarom richten de Staatssecretaris van VWS en ik preventie-activiteiten op de groepen waar deze het meeste uit kunnen richten.
Bent u bekend met het bericht ««Bloed aan je neus»; Kritiek op openlijk drugsgebruik van zanger Milo Driessen: «Voorbeeldfunctie voor jong publiek»? Op welke manier(en) kunt u aan de samenleving duidelijk maken dat achter iedere XTC-pil en achter elk grammetje cocaïne een crimineel netwerk schuilgaat, waarin regelmatig sprake is van liquidaties, zware criminaliteit en ondermijning?2
Ja, dit bericht heb ik gelezen. Zoals u ook uit mijn reactie op het incident heeft kunnen opmaken, heb ik mij hardop afgevraagd hoe iemand niet kan weten dat wij in een fundamentele strijd met de georganiseerde drugscriminaliteit zijn verwikkeld. Dat ik mij niet kan voorstellen dat iemand niet weet dat zijn vraag naar drugs het aanbod ervan in stand houdt. Meedogenloze criminelen met bloed aan hun handen verdienen zo goud geld. Ik blijf deze boodschap herhalen, maar om gedragsveranderingen bij gebruikers tot stand te brengen zetten we daarnaast in op een meer effectieve, op de doelgroep gerichte aanpak (zie hiervoor 4 en 5).
Welke stappen gaat u zetten richting organisatoren van evenementen/uitbaters van feesten waarbij het vele drugsgebruik onder het publiek vanzelfsprekend is? Welke verantwoordelijkheid legt u bij hen en welke gevolgen zijn er als er geen effectieve maatregelen worden genomen om drugsgebruik tegen te gaan?
Het uitgaansleven is een belangrijke setting wanneer het gaat om drugspreventie. Samen met de Staatssecretaris van VWS ondersteun ik bijvoorbeeld het Oost-Brabantse «Skip», een breed gedragen regioproject dat ook samen met evenementenorganisatoren een duidelijke norm wil stellen over drugsgebruik. Ook heeft het Trimbos-instituut de online interventie Festival Oneliners ontwikkeld gericht op festivalgaande jongeren. Ik roep evenementenorganisatoren op deze interventie te verspreiden onder hun achterban.
Het Ministerie van VWS heeft samen met de uitgaans- en evenementenbranche CelebrateSafe ontwikkeld, een platform met tips en betrouwbare informatie over veilig feesten. Ik moedig evenementen aan om, voor zover zij dit nog niet gedaan hebben, kennis te nemen van de beschikbare materialen over drugspreventie op evenementen die door het Trimbos-instituut zijn gepubliceerd (zie ook vraag 8). Er wordt organisatoren veel aangereikt, maar zij dragen natuurlijk zelf ook een verantwoordelijkheid voor het drugsgebruik op hun feesten en evenementen. Zij kunnen ook zelf initiatieven ontplooien om te laten zien dat zij het zich aantrekken dat mens en maatschappij zoveel schade ondervinden van drugsgebruik.
Wat vindt u van het voorstel van het CDA om gemeenten te stimuleren om drugspreventieplannen onderdeel te maken van de vergunningverlening voor festivals en andere evenementen, waarbij de vergunning kan worden geweigerd of ingetrokken wanneer de plannen niet op orde zijn of niet worden nageleefd? Bent u bereid hierover met gemeenten in gesprek te gaan?
Veel gemeenten nemen al voorwaarden wat betreft drugspreventie op in de vergunningverlening. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van VWS een lijvige Leidraad alcohol, drugs en tabak voor evenementen gepubliceerd die gemeenten en evenementen voorziet van bruikbare informatie en helpt hier werk van te maken. De gemeenten die hier nog geen gebruik van maken roep ik van harte op dit alsnog te doen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor het eerstvolgende commissiedebat drugsbeleid, nu gepland op 22 februari a.s., beantwoorden?
Ja.
De aanhouding van klimaatactivisten |
|
Corinne Ellemeet (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat vanochtend vroeg een zestal klimaatactivisten door de politie is gearresteerd wegens opruiing? Zo ja, klopt dit bericht? Waarom zijn precies deze klimaatactivisten aangehouden? Is deze aanpak normaal in dit soort situaties? Welke concrete dreiging rechtvaardigde precies deze ingrijpende aanpak? Kunt u aangeven hoe het besluit om tot de arrestatie over te gaan tot stand is gekomen?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht en kan bevestigen dat het klopt dat er die ochtend zes mensen zijn aangehouden. In totaal zijn er acht personen voor opruiing aangehouden voorafgaand aan de demonstratie. In mijn antwoord op vraag 2 zal ik ingaan waarom deze mensen zijn aangehouden.
Houden deze arrestaties en de eerdere aanhouding van een woordvoerder van Extinction Rebellion verband met een aangekondigde actie om aandacht te vragen voor de klimaatcrisis? Zo ja, deelt u de mening dat dit preventief aanhouden op gespannen voet staat, zo niet in strijd is met de in artikel 9 Grondwet verankerde demonstratievrijheid? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van vorig jaar, waarin werd gesteld dat het oproepen tot een blokkade geen strafbaar feit is, betrekken?
De acht aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking tot een strafbaar feit, namelijk opruiing. De opruiing had op dat moment al plaatsgevonden. De verdachten zijn dezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. Wel is aan deze verdachten een gedragsaanwijzing in de vorm van een gebiedsverbod opgelegd waardoor zij zich niet op of bij de Utrechtsebaan (de A12) mochten begeven. Vijf van de acht opgelegde gedragsaanwijzingen zijn inmiddels door de rechtbank in stand gehouden.2 Deze verdachten mogen zich gedurende een bepaalde periode niet op de Utrechtsebaan begeven, zij mogen wel weer in de naastgelegen straten komen. De gedragsaanwijzing van de andere drie verdachten is niet in stand gehouden. De verdachten konden op 28 januari jl. wel demonstreren op andere plekken die door de gemeente zijn aangedragen. Door de rechtbank Den Haag is bovendien onlangs nog geoordeeld dat een blokkade van de A12 gevaarlijk is en strafbaar kan zijn.3 Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met het demonstratierecht en de vreedzaamheid van de voorgenomen actie en geoordeeld dat het ingrijpen van de politie noodzakelijk en proportioneel was. Het Gerechtshof Amsterdam heeft eerder geoordeeld dat de oproep tot het blokkeren van wegen een potentieel strafbaar feit is, maar dat de verdachte in deze specifieke zaak niet strafbaar was aangezien naar het oordeel van het Hof niet bewezen kon worden dat de verdachte opzet had op het aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe op de koop heeft toegenomen.4
Deelt u de mening dat deze handelwijze intimiderend is en valt te kwalificeren als een poging om demonstranten te ontmoedigen om uiting te geven aan hun zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven zijn deze aanhoudingen verricht als gevolg van een verdenking van een strafbaar feit dat al had plaatsgevonden. Deze demonstranten zijn niet ontmoedigd om uiting te geven aan hun zorgen en konden demonstreren op de andere aangewezen plekken door de gemeente. In het kader van de aanhouding treedt de politie op onder het gezag van de officier van justitie. De politie maakt zelf een operationele afweging in de wijze van aanhouden.
In hoeverre zijn in dit geval de door het College voor de Rechten van de Mens, Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties geformuleerde uitgangspunten voor demonstraties gevolgd? Is bijvoorbeeld in dit geval een afweging gemaakt of ingrijpen in de demonstratievrijheid gerechtvaardigd en noodzakelijk is? Vindt u dat dit ingrijpen is gebaseerd op voldoende informatie? Welke informatie is nog meer gebruikt, naast de oproepen tot vreedzame demonstraties op sociale media? Deelt u de mening dat het preventief arresteren van klimaatactivisten ter voorkoming van verkeershinder een disproportionele maatregel is? Zijn andere minder vergaande opties overwogen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoorden op de vragen 1, 2 en 3.
Deelt u de mening dat deze preventieve arrestatie van deze klimaatactivisten indruist tegen de beginselen van de democratische rechtstaat? Zo nee, waarom niet en wordt dit staand beleid bij (aangekondigde) demonstraties? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om vrijlating te bespoedigen en de aangekondigde klimaatactie volgens de regels van de Grondwet en de Wet openbare manifestaties te laten plaatsvinden?
Zoals in de beantwoording op de vragen 1, 2 en 3 opgenomen zijn de aanhoudingen verricht als gevolg van de verdenking van een strafbaar feit dat op dat moment al was gepleegd, namelijk opruiing. De verdachten zijn diezelfde dag nog in vrijheid gesteld, met een gedragsaanwijzing om zich gedurende een bepaalde periode niet te begeven op of bij de Utrechtsebaan te Den Haag. Het stond hen vrij om op andere door de gemeente aangewezen plekken te demonstreren.
Bent u bereid om deze vragen per omgaande (in elk geval voor de aanvang van de aangekondigde demonstratie) en afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Het is mij niet gelukt om uw vragen binnen één dag te beantwoorden.
Het niet-vervolgen van doodsbedreigers |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat iemand die mij met de dood bedreigde geen straf, maar een reprimandegesprek krijgt?1
Ik ben bekend met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de betreffende bedreiger niet te vervolgen.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat iemand die zegt «als ik jou tegenkom krijg jij een kogel door je hoofd heen» geen enkele straf maar slechts een foei-gesprek bij de politie krijgt? Zo nee, waarom niet?
Ik wil vooropstellen dat bedreigingen, en in het bijzonder bedreigingen van volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis horen in onze samenleving. Dit ondermijnt onze democratie. Ik kan mij voorstellen dat dit een enorme impact heeft op de heer Wilders. Dit heeft dan ook mijn volste aandacht als Minister van Justitie en Veiligheid. U vraagt mij echter om in te gaan op een beslissing van het Openbaar Ministerie in een individuele zaak. Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik niet ingaan op individuele zaken, dit om politieke bemoeienis te voorkomen. Dat geldt niet alleen hier en in dit soort zaken, maar in alle individuele zaken van het Openbaar Ministerie.
De keuze om een strafbaar feit op een bepaalde manier af te doen is aan het Openbaar Ministerie; meer in het bijzonder aan de desbetreffende officier van justitie. Daarbij maakt de officier van justitie een beslissing op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. Hierbij speelt de identiteit of politieke kleur van de volksvertegenwoordiger geen enkele rol. Het Openbaar Ministerie heeft mij verzekerd dat aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid worden beoordeeld.
Bent u het ermee eens dat het bij een doodsbedreiging onacceptabel is dat de Officier van Justitie stelt dat er een «betere oplossing is dan straf»? Waarom heeft het Openbaar Ministerie (OM) veel sympathie voor de dader en niet voor het slachtoffer van bedreigingen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe past dit besluit van het OM in uw toezegging dat de strijd tegen bedreigingen van politici geïntensiveerd wordt?
Ik kan u verzekeren dat ik onverkort achter mijn toezegging blijf staan. De heer Wilders heeft het recht om, net als iedere volksvertegenwoordiger, in vrijheid zijn standpunten en mening te verkondigen. Dat recht moet door ons allen worden beschermd. Ik heb mede daarom meerdere malen aangegeven dat de versterking en de hervorming van het stelsel bewaken en beveiligen urgent is en daarmee een van mijn prioriteiten is. In mijn brief van 1 november 20222 heb ik uw Kamer nog geïnformeerd over de voortgang van deze versterking.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 en 3 kan ik mij niet uitlaten over individuele beslissingen van het Openbaar Ministerie, om politieke bemoeienis te voorkomen.
Herinnert u zich mijn recente vorige vragen waar het OM besloot iemand die mij bedreigde met de tekst: «Kga vrijdag met mijn school naar de Tweede Kamer, knoop voor je dat je er dan ni bent want deze Turken slaan je dood», eveneens niet te vervolgen? Bent u ermee bekend dat het OM bij mij veel vaker besluit mensen die me met de dood bedreigen niet te vervolgen en straffen? Wat is uw oordeel daarover?
Het is van het grootste belang dat volksvertegenwoordigers in veiligheid hun werk kunnen doen. Ik heb hierover regelmatig contact met het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie beoordeelt aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid. Daarbij speelt de politieke voorkeur van de volksvertegenwoordiger geen rol. De keuze om een strafbaar feit op een bepaalde manier af te doen is aan het Openbaar Ministerie; meer in het bijzonder aan de desbetreffende officier van justitie. Daarbij maakt de officier van justitie een beslissing op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele zaken om politieke bemoeienis te voorkomen. Dat geldt niet alleen hier en in dit soort zaken, maar in alle individuele zaken van het Openbaar Ministerie.
Kunt u uitleggen waarom personen die u als premier en u als vicepremier bedreigen altijd hard worden aangepakt en gestraft en vaak zelfs van hun bed worden gelicht, terwijl mensen die mij met de dood bedreigen vaker een foei-gesprek krijgen?
De politieke voorkeur van de bedreigde volksvertegenwoordiger mag nooit een rol spelen bij de beslissing of er vervolging wordt ingesteld. Het Openbaar Ministerie heeft mij bevestigd zich continu volop in te zetten om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Het Openbaar Ministerie doet dit met uiterste zorgvuldigheid. Welke afdoening in een individueel geval passend is, wordt door het Openbaar Ministerie beoordeeld op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. Hierbij speelt de identiteit of politieke kleur van de volksvertegenwoordiger geen rol.
Deelt u de mening dat hier sprake is van pure rechtsongelijkheid?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom worden bedreigers van de premier en vicepremier, zijnde politici van VVD en D66-huize strenger gestraft en anders behandeld dan de leider van de grootste oppositiepartij PVV? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 6.
Wat heeft het voor zin voor mij om aangifte te doen als het resultaat is dat mensen die mij met de dood bedreigen vaak niet vervolgd worden?
Ik ben mij ervan bewust dat u wekelijks bedreigingen ontvangt en wil hier nogmaals benadrukken dat bedreigen, en in het bijzonder bedreigingen van volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis hoort in onze samenleving. Dit ondermijnt onze democratie, en heeft bovendien een enorme impact op de volksvertegenwoordigers zelf. De heer Wilders heeft het recht, net als iedere volksvertegenwoordiger, in vrijheid zijn standpunten en mening te verkondigen. Daar zal ik mij altijd voor inzetten.
Het Openbaar Ministerie en de politie zetten zich continu in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Het Openbaar Ministerie heeft mij verzekerd dat aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid worden beoordeeld.
Wat betreft de AIVD: de AIVD heeft mij laten weten dat hij vanuit de onderzoeksgebieden kijkt of er concrete of voorstelbare dreigingen zijn tegen een persoon, object of dienst die valt in het zogenoemde Rijksdomein. De AIVD stelt in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen dreigings- en risicoanalyses op. De inlichtingen van de AIVD dragen bij aan het stelstel dat onder meer politici, bewindspersonen en diplomatieke objecten bewaakt en beveiligt. Ook kan de AIVD in onderzoeken aanlopen tegen een persoon of organisatie die zich mogelijk schuldig maakt aan strafbare feiten. De AIVD kan dan een ambtsbericht uitbrengen aan het Openbaar Ministerie, zodat het Openbaar Ministerie indien nodig kan acteren.
Over het kennisniveau, de werkwijze of de bronnen van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten doet de AIVD in het openbaar geen uitspraken.
Wat voor signaal geeft u aan de bijna duizend personen die mij vorig jaar met de dood bedreigden en de mullahs die afgelopen jaren verschillende fatwa’s over mij hebben uitgesproken met de oproep mij te vermoorden, en de mensen die dat ook overwegen te doen, als ze zien dat doodsbedreigingen aan mij vaak onbestraft blijven en de daders er zonder straf mee wegkomen? Realiseert u zich dat dit de veiligheid van mij en mijn gezin schaadt? Heeft de AIVD hier aandacht voor?
Zie antwoord vraag 9.
Aanhoudingen door de politie |
|
Renske Leijten , Michiel van Nispen |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de zorg van Amnesty International over het demonstratierecht naar aanleiding van de preventieve aanhouding van activisten van Extinction Rebellion?1, 2
Er is geen sprake geweest van preventieve arrestaties. De aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking wegens een gepleegd strafbaar feit, namelijk opruiing. Aan hen is tevens een gedragsaanwijzing in de vorm van een gebiedsverbod opgelegd waardoor zij zich niet op of bij de Utrechtsebaan (de A12) mochten begeven. Vijf van de acht opgelegde gedragsaanwijzingen zijn inmiddels door de rechtbank in stand gehouden.3 Deze verdachten mogen zich voor een bepaalde periode niet op de Utrechtsebaan begeven, zij mogen wel weer in de naastgelegen straten komen. De gedragsaanwijzing van de andere drie verdachten is niet in stand gehouden. De rechter heeft bovendien eerder geoordeeld dat een blokkade op de A12 een voorzienbaar te duchten gevaar voor de verkeersveiligheid als bedoeld in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren.4 Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met het demonstratierecht en de vreedzaamheid van de voorgenomen actie en die afgewogen tegen het gevaar voor de verkeersveiligheid dat er met die blokkade zou worden veroorzaakt.
Verder zijn wij bekend met de geuite zorgen van Amnesty International. We zullen voor de zomer van 2023 komen met een integrale reactie op het rapport «Demonstratierecht onder druk» van Amnesty International en verschillende moties en verzoeken die met betrekking tot het demonstratierecht zijn ingediend.
Wat is het protocol om over te gaan tot aanhoudingen bij aangekondigde demonstraties, zelfs als er is aangegeven dat er bereidheid is van eventuele verdachten om in gesprek te treden met het Openbaar Ministerie (OM) en/of de politie?3
Het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht. Het uitoefenen van dat recht is echter geen vrijbrief voor het plegen van een strafbaar feit. De aangehouden verdachten worden er van verdacht te hebben opgeroepen tot een gevaarlijke en ontwrichtende blokkade van de Utrechtsebaan/A12 in Den Haag. Het Openbaar Ministerie heeft dit beoordeeld als opruiing.
Er zijn eerder demonstranten voorafgaand aan een demonstratie aangehouden voor opruiing, het oproepen tot het plegen van strafbare feiten tijdens een demonstratie. Dit is onder meer gebeurd bij de coronademonstraties en de boerenprotesten.
Ook zijn eerder demonstranten voorafgaand aan een demonstratie aangehouden wegens andere verdenkingen, bijvoorbeeld wanneer zij voorbereidingshandelingen verrichten om misdrijven te plegen tijdens een voorgenomen demonstratie. Begin dit jaar heeft de rechtbank in Den Haag zulke aanhoudingen nog rechtmatig bevonden en de demonstranten veroordeeld voor het bezit van auto’s die bestemd waren om de A12 te blokkeren. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met hun demonstratierecht en de vreedzaamheid van hun voorgenomen actie en die afgewogen tegen het gevaar voor de verkeersveiligheid dat er met die blokkade zou worden veroorzaakt.6
Is er contact geweest tussen de gemeente Den Haag en de actiegroep om in overleg te treden over de aangekondigde demonstratie? Kunt u het verloop van dit contact weergeven?
Het is aan het lokale gezag om een demonstratie in goede banen te leiden en de noodzakelijke afwegingen te maken. Het is ook in beginsel aan het lokale gezag om met de demonstranten in gesprek te gaan daarover. Bij eerdere acties van Extinction Rebellion is meerdere malen de Utrechtsebaan betreden en geblokkeerd. Daardoor is de veiligheid van zowel actievoerders als anderen in gevaar gekomen. Om die reden heeft gemeente verschillende keren contact gezocht om alternatieven aan te bieden voor de blokkade van de A12. Echter was Extinction Rebellion niet bereid om hierover in gesprek te gaan.
Uiteindelijk heeft na lang aandringen op vrijdagmiddag een gesprek plaatsgevonden tussen een vertegenwoordiging van de actievoerders en de gemeente. Tijdens dit gesprek zijn standpunten uitgewisseld, maar zijn de gemeente en de vertegenwoordiging van Extinction Rebellion helaas niet nader tot elkaar gekomen.
Heeft het OM geprobeerd contact te leggen alvorens over te gaan tot aanhoudingen? Zo nee, waarom niet?
Er is voorafgaand aan de aanhouding geen contact geweest tussen het OM en de demonstranten. In dit specifieke geval hebben twee agenten bij de verdachten in de ochtend aangebeld, hebben zij de verdachten aangehouden en is hen daarop verzocht om mee te gaan. Het is aan de politie om hier een eigen operationele afweging in te maken.
Vindt u het wenselijk dat er in de vroege ochtend arrestatieteams bij gezinnen op de stoep staan als het beoogde doel op andere wijze kan worden bereikt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
De politie maakt zelf een operationele afweging in de wijze van aanhouden. In dit specifieke geval hebben twee agenten bij de verdachten in de ochtend aangebeld en hen verzocht mee te gaan omdat ze waren aangehouden.
Erkent u dat het doel om de bezetting van de A12 te voorkomen volledig mislukt is nu blijkt dat juist meer organisaties zich hebben aangesloten bij de actie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven, is het recht om te demonstreren geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. De rechter heeft eerder geoordeeld dat het blokkeren van de A12 kan kwalificeren als een strafbaar feit.8 In dit geval heeft de gemeente Den Haag verschillende mogelijkheden om te demonstreren gefaciliteerd, maar niet op de A12.
Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven de aanloop naar de blokkade te evalueren en daarbij het oordeel van de rechter te betrekken.
Kunt u uiteenzetten wat er wel of niet geoorloofd is bij (het aankondigen van en het oproepen tot) demonstraties, waarbij het gaat om het bezetten van wegen, gebouwen of openbare voorzieningen zeker in relatie tot de uitspraak van de Hoge Raad?
Het antwoord op de vraag of een specifieke actie onder de reikwijdte van het demonstratierecht valt, zal sterk afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval en is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
In algemene zin kan ik het volgende melden. Een bezetting of een wegblokkade waarbij de gemeenschappelijke meningsuiting op de voorgrond staat en niet de fysieke dwang, wordt in beginsel beschermd door het demonstratierecht. Op basis van de Wet openbare manifestaties kan een demonstratie worden beperkt als dat nodig is om de gezondheid te beschermen, in het belang van het verkeer of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij (verkeers)onveilige situaties. Het demonstratierecht is echter geen vrijbrief om regels te overtreden. De hoofdregel is dat alle gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, ook strafbaar zijn tijdens een betoging.
Het doodrijden van wolven |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Wolf doodgereden in Hoogersmilde in Drenthe» en «Vrachtwagenchauffeur rijdt wolf dood op A2 bij Beesd»?1, 2
Ja, deze berichten zijn mij bekend.
Hoeveel wolven zijn er in Nederland doodgereden sinds de wolf weer terug is in Nederland?
Er hebben vanaf 2017 tot en met januari 2023 in totaal 11 vastgestelde aanrijdingen met een wolf plaatsgevonden.
Hoe komt het dat wolven vaak de dood vinden door aanrijding?
Een eenduidige reden voor aanrijdingen is niet aanwijsbaar. Wolven zijn zeer mobiele dieren die zowel bekende als onbekende trekroutes hanteren. Tijdens dit trekgedrag kunnen wolven, net als andere dieren, slachtoffer worden van verkeersaanrijdingen.
Welke maatregelen heeft u getroffen of gaat u treffen om aanrijdingen met wolven te voorkomen?
Het treffen van maatregelen ligt niet binnen de bevoegdheid van mijn ministerie. In algemene zin wordt er zowel door het rijk (Rijkswaterstaat) als provincies en andere overheden ingezet op ontsnipperende maatregelen en/of mitigerende maatregelen ter voorkoming van aanrijdingen met dieren in het algemeen. Het plaatsen van waarschuwingssystemen, waarschuwingsborden of faunarasters ten behoeve van geleiding richting faunapassages zijn maatregelen die worden getroffen. Met deze maatregelen worden ook aanrijdingen met wolven zo veel mogelijk voorkomen.
Klopt het dat het de automobilist bij de aanrijding van de wolf bij Hoogersmilde doorreed en dat doorrijden na een aanrijding met een wild dier strafbaar is? Zo ja, welk gevolg is hieraan gegeven?
De automobilist is na de aanrijding gestopt en de politie is gebeld. De politie arriveerde 9 minuten na de melding ter plaatse. De betrokken bestuurder was toen nog op de plek van de aanrijding aanwezig. Na controle van de politie is de wolf veiliggesteld door een provinciaal medewerker en overgedragen aan het Dutch Wildlife Health Centre van de Universiteit Utrecht.
Het gebruik van alcohol tijdens het jagen |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Frankrijk verbiedt jagen met een borrel op, jagers schieten te vaak mensen neer»?1
Ja.
Deelt u de mening dat jagen na alcoholconsumptie onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u alcoholconsumptie door jagers en sportschutters ontmoedigen?
Ja, het jagen na alcoholconsumptie is onwenselijk en gevaarlijk. Immers, de jachtaktehouder kan na het nuttigen van alcohol een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid vormen.
Voor wat betreft het ontmoedigen doen de Minister van Justitie en Veiligheid en ikzelf allereerst een dringend beroep op het gezond verstand van alle wapenvergunninghouders zelf en de mensen in hun omgeving tijdens het jagen of het beoefenen van de schietsport op de schietvereniging. Daarnaast druist het gebruik van alcohol in tegen de weidelijkheidsregels, die de jagers hanteren voor een goede en betamelijke uitvoering van de jacht. Bovendien trekt de toezichthouder, de politie, een wapenvergunning in indien geconstateerd wordt dat er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Is het waar dat in verschillende EU-lidstaten het gebruik van alcohol tijdens en voorafgaand aan jachtpartijen op verschillende wijze is gereguleerd en dat dit ook geldt voor het in bezit hebben van een vuurwapen bij verkeersdeelname? Zo nee, wat is dan de algemene regel ten aanzien van dit onderwerp?
Het is mij niet bekend of en hoe in andere EU-lidstaten het gebruik van alcohol rondom de jacht is gereguleerd. Volgens de Europese vuurwapenrichtlijn dient het nationale recht onder andere te voorzien in criteria voor passende opslag en voor veilig vervoer, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal en de categorie van de vuurwapens en munitie in kwestie. Het is mij niet bekend hoe andere EU-lidstaten deze richtlijn hebben geïmplementeerd in hun nationaal recht.
Deelt u de mening dat nul promille alcohol tijdens de jacht (zoals in Hongarije de norm is) het minimale uitgangspunt moet zijn, zolang u de jacht nog toestaat?
Ja, zoals ik in mijn antwoord op vraag twee aangeef is alcoholconsumptie romdom het jagen onwenselijk en gevaarlijk. Het is mij niet bekend of en hoe in andere EU-lidstaten het gebruik van alcohol rondom de jacht is gereguleerd.
Kunt u uitleggen waarom er geen zerotolerancebeleid (nul promille alcohol) is ten aanzien van jacht in Nederland en in welk opzicht en waarom dit verschilt van strengere regelgeving in andere EU-landen? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u invulling geven aan een dergelijk zerotolerancebeleid?
Er geldt vanuit de Wet wapens en munitie een algemeen uitgangspunt dat het niet verantwoord is om aan iemand die onder sterke psychische druk staat, wat onder meer tot uitdrukking komt door alcoholmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Naast dit uitgangspunt zijn er in Nederland vanuit de Wet wapens en munitie, en onderliggende regels, en de Wet natuurbescherming geen expliciete regels gesteld ten aanzien van het gebruik van alcohol rondom de jacht en rondom het vervoer van jachtwapens. Dat neemt niet weg dat de politie kan optreden tegen een jachtaktehouder indien alcohol wordt of is genuttigd rondom de jacht. In artikel 7 van de Wet wapens en munitie is opgenomen dat een wapenvergunning, waaronder de jachtakte, in elk geval wordt ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Het is mij niet bekend of en hoe in andere EU-lidstaten het gebruik van alcohol rondom de jacht is gereguleerd.
Deelt u de mening dat nul promille alcohol tijdens het vervoer van jachtwapens (zoals in Duitsland de norm is) daarnaast een minimaal uitgangspunt zou moeten zijn voor vervoer van jachtwapens, zolang u de jacht nog toestaat?
Ik deel de mening dat nul promille alcohol uitgangspunt zou moeten zijn tijdens het vervoer van jachtwapens. Zoals aangegeven is het mij niet bekend of en hoe in andere EU-lidstaten het gebruik van alcohol rondom de jacht is gereguleerd.
Kunt u uitleggen waarom er geen zerotolerancebeleid (nul promille alcohol) is ten aanzien het vervoer van jachtwapens in Nederland en in welk opzicht en waarom dit verschilt van strengere regelgeving in andere EU-landen? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u invulling geven aan een dergelijk zerotolerancebeleid?
De norm van nul promille alcohol is niet wettelijk vastgesteld. Desalniettemin kan er stevig worden opgetreden tegen een jachtaktehouder indien onder invloed van alcohol wapens worden vervoerd. De jachtaktehouder kan na het nuttigen van alcohol een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid vormen. De toezichthouder, de politie, zal een wapenvergunning intrekken indien geconstateerd wordt dat er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Zoals aangegeven in antwoord 3 krijgen EU-landen vanuit de Europese Vuurwapenrichtlijn de ruimte om in het nationale recht te voorzien in criteria voor passend vervoer. Dit zou eventuele verschillen tussen EU-landen kunnen verklaren.
Bent u bereid een algemeen verbod uit te vaardigen voor het aanprijzen, serveren en/of gebruiken van alcohol tijdens jachtevenementen waar vuurwapens aanwezig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De Minister van Justitie en Veiligheid en ik zien geen aanleiding om in wetgeving voor een dergelijk verbod te voorzien. Immers, staande wetgeving en jurisprudentie geven genoeg mogelijkheden voor het bevoegd gezag om handelend op te treden.
Het bericht ‘Bijna kwart jongere Nederlanders twijfelt aan Holocaust’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Bijna kwart jongere Nederlanders twijfelt aan Holocaust»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van het onderzoek van de Claims Conference over de kennis en het bewustzijn over de Holocaust onder Nederlanders?
Ik ben geschokt over het gebrek aan kennis van de ondervraagde Nederlanders. De gruwelijkheden van de Holocaust mogen, ook meer dan 75 jaar na dato, onder nieuwe generaties, niet vergeten worden.
Zijn de uitkomsten van het onderzoek vergelijkbaar met eerdere onderzoeken met dit onderwerp?
Er is mij geen onderzoek bekend dat precies hetzelfde onderzocht heeft. Desalniettemin stel ik vast dat er in de wetenschap reacties zijn die duiden op herkenning van het beeld dat uit het Claims Conference onderzoek komt; meerdere onderzoeken laten zien dat er een tekort is aan kennis en bewustzijn. Bijvoorbeeld het onderzoek «Oorlog in de klas» van de historicus Marc van Berkel, dat in opdracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is uitgevoerd. Daarin wordt geconcludeerd dat de kennis onder jongeren van de Holocaust en de aanloop tot de Holocaust klein is en afneemt.
Bent u bereid aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar de kennis en het bewustzijn van minderjarigen en de oorzaken van het verminderde bewustzijn en afnemende kennis omtrent dit onderwerp?
Verschillende onderzoeken laten reeds zien dat er een tekort is aan kennis van en bewustzijn over de Holocaust onder minderjarigen. Ik acht het effectief om vooral direct in te zetten op verdere kennisvergroting onder deze groep. Dat gebeurt onder andere via het onderwijs. In mijn antwoord op vraag 5 ga ik hier verder op in.
Verder heeft de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding oktober vorig jaar zijn Werkplan gepresenteerd. Onderdeel van dat plan (p. 14) is het stimuleren van onderwijs over de Holocaust.
Deelt u de mening dat met name de resultaten onder jongere respondenten schokkend zijn en vragen om goede educatie op scholen over dit onderwerp?
Ik vind de resultaten onder alle leeftijdsgroepen zorgelijk. Iedereen, jong en oud, mag verondersteld worden gedurende hun leven te hebben gehoord over de Holocaust en feiten daarover.
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs heeft, als uitwerking van de motie Ellian/Segers2 (die oproept om de persoonlijke verhalen van overlevenden en nabestaanden van de Holocaust een structurele plek te geven in het onderwijs) en het amendement Ellian/Segers3, besloten om de stichting Na de Oorlog een eenjarige subsidie toe te kennen4. Na de Oorlog leidt gastsprekers op die op professionele wijze met leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs hun oorlogsverhaal delen en maakt matches tussen scholen en gastsprekers. Met deze middelen kunnen zij hun netwerk aan gastsprekers uitbreiden en verder professionaliseren. Zo komt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs tegemoet aan de wens van de Kamer om deze persoonlijke verhalen een structurele plek te geven in het onderwijs.
Voor jongeren is het vooral belangrijk, zeker nu de verschrikkelijke gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog steeds verder in het verleden komen te liggen, dat die informatie hen op school wordt aangereikt. In het onderwijs wordt volop aandacht besteed aan de Tweede Wereldoorlog, Holocaust en de Jodenvervolging. Deze onderwerpen zijn verplicht onderdeel van het curriculum voor alle leerlingen in primair en voortgezet onderwijs en worden regelmatig besproken in mbo-burgerschapslessen.
Daarnaast is in 2021 de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs aangescherpt. Daarin moeten scholen leerlingen kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtstaat bijbrengen. Die basiswaarden zijn vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Ook moeten scholen leerlingen sociale en maatschappelijke competenties bijbrengen, en zelf als oefenplaats hiervoor fungeren. De Inspectie houdt hier sinds dit schooljaar ook toezicht op. Scholen kunnen ondersteuning aanvragen bij het in 2022 opgerichte Expertisepunt Burgerschap (EB). Het EB ondersteunt scholen in het funderend onderwijs en het mbo met voorlichting, praktische handvatten en trainingen om het burgerschapsonderwijs vorm te geven.
Bent u bereid om de overige aanbevelingen van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) op te volgen om het bewustzijn onder de Nederlandse bevolking te vergroten rondom dit onderwerp?
Het kabinet onderschrijft het werk van de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding. De Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding stimuleert, jaagt aan, adviseert en agendeert. Hij voert gesprekken met relevante actoren, binnen en buiten de overheid. Het bewustzijn over de Holocaust onder de Nederlandse bevolking is daarbij een belangrijk speerpunt. Het kabinet steunt de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding daarin en onderschrijft zijn adviezen over Holocaust-educatie en herdenking.
Erkent u dat gebrek aan feitenkennis uiteindelijk kan leiden tot ontkenning van de feiten en gebeurtenissen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan?
Ja. Daar waar de feitenkennis tekort schiet, kunnen alternatieve, niet op de feiten gebaseerde verhalen ontstaan. Zeker op social media is er een risico dat dergelijke verhalen zich vervolgens snel verspreiden en aanhang vinden.
Wanneer wordt het verbod op expliciete ontkenning van de holocaust, waar de SGP-fractie in juni 2021 reeds aandacht voor heeft gevraagd, geëffectueerd?2
Het wetsvoorstel zal naar verwachting voor de zomer van 2023 bij uw Kamer worden ingediend.
Het bericht ‘Aboutaleb: ‘Jonge drugsuithaler is meer gebaat bij gedwongen opvang in gesloten instelling dan met een taakstraf’’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aboutaleb: «Jonge drugsuithaler is meer gebaat bij gedwongen opvang in gesloten instelling dan met een taakstraf»»?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de uitspraak van burgemeester Aboutaleb van Rotterdam dat minderjarigen een meer passende straf zouden moeten krijgen als ze met drugs worden betrapt dan het opgelegd krijgen van een taakstraf, omdat dit zou leiden tot een grote kans op recidive?
Wij zijn het met burgemeester Aboutaleb eens dat het van groot belang is dat minderjarigen die betrapt worden met drugs, een passende straf moeten krijgen om recidive te voorkomen. Het uitgangspunt is dat minderjarige uithalers via het jeugdstrafrecht worden berecht. In alle gevallen brengt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) een advies uit over de persoon van de verdachte. Daarvoor wordt onder andere een risicotaxatie opgesteld, waarin een inschatting wordt gemaakt van de kans op herhaling en wordt geadviseerd welke straf een positieve gedragsbeïnvloeding kan hebben om de kans op herhaling te verkleinen. Binnen het jeugdstrafrecht bestaan verschillende mogelijkheden voor het opleggen van een passende straf. Dat kan jeugddetentie zijn, maar ook een taakstraf behoort tot de mogelijkheden of een combinatie van een (deels) voorwaardelijke sanctie met voorwaarden als jeugdreclasseringsbegeleiding of een locatieverbod. Uit een meta-analyse onderzoek blijkt overigens dat de recidive bij jeugdigen die een taakstraf opgelegd hebben gekregen lager is dan bij een vrijheidsbenemende staf.2 Het is aan de rechter om in individuele gevallen een goede afweging te maken. Daarbij wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en is altijd sprake van maatwerk. Naast het strafadvies kan de RvdK bijvoorbeeld ook opvoedingsondersteuning of gezinstherapie adviseren. Voorts biedt het adolescentenstrafrecht in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid om 16- en 17-jarigen volgens het volwassenenstrafrecht te berechten.
Bent u het met de stelling eens dat naast taakstraffen ook straffen als onderwijs achter gesloten deuren of opvoedingsondersteuning voor de ouders van deze minderjarigen effectief kunnen zijn om minderjarige drugsuithalers uit de criminaliteit te halen en te houden? Zijn hier onderzoeken naar gedaan?
Er zijn diverse mogelijkheden om jeugdigen, als onderdeel van een straf, onderwijs te laten volgen. In een justitiële jeugdinrichting zijn jeugdigen verplicht om het dagprogramma te volgen dat bestaat uit het volgen van onderwijs, hetzij andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming (bijvoorbeeld arbeid). In een kleinschalige voorziening justitiële jeugd kunnen jeugdigen buiten de inrichting onderwijs volgen. Daarnaast kan de rechter het volgen van onderwijs afdwingen door middel van een gedrag beïnvloedende maatregel, waarbij het volgen van onderwijs wordt opgelegd, of op grond van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling (door het verplicht stellen van het hebben van een zinvolle dagbesteding). Tot slot zijn er diverse leerstraffen die de rechter op kan leggen gericht op het trainen van vaardigheden van jeugdigen, bijvoorbeeld het omgaan met boosheid of sociale vaardigheden.
Wij zien de noodzaak om ouders te betrekken bij het voorkomen van strafbaar gedrag van hun kinderen. Er is eerder een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden hiertoe, waarbij is gekeken naar zowel civielrechtelijke als strafrechtelijke maatregelen, en waarin ook een beschouwing is opgenomen van de juridische mogelijkheden in Groot-Brittannië. Hierover is uw Kamer in 2021 geïnformeerd. In Groot-Brittannië zijn met het aanbieden van opvoedondersteuning aan ouders relatief goede ervaringen opgedaan, waarbij opvoedondersteuning in een vrijwillig kader de voorkeur heeft en in de praktijk betere resultaten boekt dan opvoedondersteuning in gedwongen kader. Opvoedondersteuning in vrijwillig kader is sinds kort in Nederland beschikbaar in de vorm van het Halt-traject «Ouders aan zet».
Welke maatregelen worden op dit moment concreet genomen om te voorkomen dat jongeren de criminaliteit worden ingezogen?
Om te voorkomen dat jongeren en jongvolwassenen de (georganiseerde en ondermijnende) criminaliteit worden ingezogen, zetten wij – samen met de gemeenten, departementen en andere partners – fors in op Preventie met gezag.
Dat doen we enerzijds door jongeren structuur en perspectief te bieden, zodat het aantrekkelijker is om op het rechte pad te blijven of om hun crimineel leven achter zich te laten. Anderzijds grijpen we ook in als jongeren dreigen af te glijden, stellen we grenzen aan risico- en crimineel gedrag en corrigeren we wanneer die grens wordt overschreden.
Hiervoor is vanaf 2025 structureel 143 miljoen beschikbaar. De middelen worden gericht ingezet, in wijken waar de problematiek het hevigst is. De aanpak bestaat uit drie pijlers: een domeinoverstijgende en gebiedsgerichte preventieve aanpak jeugdcriminaliteit; een aanvullende flexibele aanpak met inzet van kansrijke en effectieve interventies in aanvullende gebieden en gemeenten; versterking van de jeugdstrafrechtketen.
Met de gebiedsgerichte aanpak zetten wij in op 20 gebieden waar de problematiek het grootst is, waaronder in Rotterdam-Zuid. De aanpakken van de 20 gebieden zijn aangepast op de lokale situaties. Zoals de burgemeester zelf aangeeft in het interview bieden we deze jongeren enerzijds een positief en aantrekkelijk toekomstperspectief, door te investeren in bijvoorbeeld jongerenwerk, de inzet van gemeentelijke toezichthouders (Jeugd BOA’s) die samenwerken met de wijkagent, begeleiding naar opleiding of werk en in te zetten op bewezen effectieve gedragsinterventies.
Anderzijds versterken we de justitiële functie in de wijk. Dit doen we door te investeren in meer zichtbaar formeel gezag, juist in die kwetsbare wijken. Voorbeelden hiervan zijn extra politiecapaciteit en wijkrechtspraak. Op deze manier kan het formeel gezag beter aansluiten bij de lokale behoeften en wordt de uitoefening van de justitiële functie juist in deze wijken effectiever en zichtbaarder, bijvoorbeeld doordat de reclassering beter samenwerkt met school, gemeente en de directe omgeving van de jongere. Zo wordt crimineel gedrag ook effectief bestraft.
Daarnaast is Preventie met gezag een lerende aanpak, waarin we continu reflecteren op wat werkt en niet werkt en waarbij er nadrukkelijk wordt gekeken naar de praktijk, wetenschappelijke kennis en ontwikkelingen.
Kunt u bevestigen dat sinds 1 januari 2022 tientallen minderjarigen zijn aangehouden die verdacht worden van het bezit van drugs in de haven van Rotterdam?
Uit de cijfers van de Zeehavenpolitie blijkt er in 2022 in totaal 14 minderjarige verdachten zijn aangehouden voor overtreding van het nieuwe artikel 138aa, wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit, dat wil zeggen voor het onbevoegd aanwezig zijn op havens en luchthavens. Eén van deze 14 verdachten was op het moment van aanhouding in het bezit van drugs.
In de afgelopen vijf jaar zijn er in heel Nederland 874 minderjarige verdachten vervolgd voor het in bezit hebben van soft- of harddrugs. Onder dit cijfer valt een grote diversiteit aan gevallen, van dealers met kleine hoeveelheden softdrugs in bezit tot en met grotere hoeveelheden harddrugs. Het ging om in totaal 1.065 zaken. Er lijkt sprake van een (zeer) licht stijgende trend.
Afgelopen vijf jaar waren er in totaal 105 minderjarige verdachten die recidiveerden, dit staat gelijk aan 12% van het totaal.
Bent u bereid te onderzoeken of aan minderjarige drugsuithalers naast taakstraffen ook andere, meer passende, straffen opgelegd kunnen worden wanneer zij worden betrapt met drugs in hun bezit?
Wij zetten alles op alles om te voorkomen dat jonge jongens grote criminele worden. Hiervoor zetten wij enerzijds in op preventie en anderzijds op het stellen van duidelijke grenzen. Zo kunnen we voorkomen dat jongeren de criminaliteit in gaan (zoals uithalers) of hier juist nog verder in doorgroeien. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, bestaan er onder de huidige wet- en regelgeving genoeg mogelijkheden om effectief op te treden tegen minderjarige criminelen, onder wie jonge drugsuithalers. Wij zien dan ook nu geen aanleiding om dit nader te onderzoeken.
Het bericht ‘Gebruik lachgas ondanks verbod nog onbestraft’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Gebruik lachgas ondanks verbod nog onbestraft»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het landelijk lachgasverbod nog niet volledig kan worden gehandhaafd?
Allereerst is het belangrijk om te vermelden dat er op dit moment wel degelijk tegen het bezit van lachgas wordt opgetreden. De politie neemt sinds 1 januari 2023 aangetroffen lachgas in beslag. Er zijn sinds 1 januari diverse relatief kleine, maar ook diverse grote partijen gasflessen met lachgas in beslag genomen.2 Het gaat bij grote hoeveelheden om bijvoorbeeld ruim 200 tot bijna 500 gasflessen met lachgas. Voor gebruikershoeveelheden geldt dat deze na inbeslagname vernietigd worden. Als de politie een grote hoeveelheid lachgas aantreft, wordt dit in beslag genomen in het kader van waarheidsvinding, waarbij eventuele vervolging op grond van de Opiumwet later plaatsvindt.
Handhaven gebeurt daarnaast ook al op grond van andere geldende wet- en regelgeving, namelijk APV-bepalingen (waar het gaat om overlast en het ventverbod) en bijzondere strafwetgeving, zoals rijden onder invloed volgens de Wegenverkeerswet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en milieuwetgeving. Met de plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is een extra mogelijkheid om te handhaven gecreëerd, naast de al geldende wet- en regelgeving.
Er zijn goede redenen om voor de volledige handhaving van het nieuwe verbod een ingroeimodel te hanteren. De termijn tussen de afkondiging en de invoering van het verbod was kort, desalniettemin is vanwege de grote risico’s van lachgasgebruik en de noodzaak van het verbod, destijds besloten het lachgasverbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Bovendien was er overeenstemming dat er zou worden opgetreden per 1 januari 2023, en zoals ik hierboven aangeef gebeurt dat ook. Het is echter wel erg belangrijk dat in het hele land op een gelijke manier wordt omgegaan met het verbod. Daarom zijn er landelijke instructies en aanpassingen van processen nodig.
Welke concrete knelpunten zijn er waardoor de handhaving en vervolging niet volledig kunnen worden opgepakt?
Bij strafbaarstelling via de Opiumwet van het bezit van een middel, dient bij strafrechtelijke handhaving het middel altijd in beslag te worden genomen en veilig gesteld te worden voor strafrechtelijk onderzoek. Dit stelt andere eisen aan de uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in het commissiedebat van 2 juni 2021 en per Kamerbrief op 18 juni 20213 benadrukt en aangegeven dat de voorbereidingen voor de implementatie tijd kosten. Zoals toegezegd in de brief, zijn we vooruitlopend op het voorgenomen verbod in overleg gegaan met betrokken partijen over hoe zij zich zo goed mogelijk kunnen voorbereiden, zodat een verbod zo spoedig mogelijk in werking kan treden.
Bij de politie gaat het vooral om het inrichten van het gehele logistieke proces rondom lachgas: transport, opslag, stofonderzoek en vernietiging. Lachgas is een gevaarlijke stof, waardoor extra eisen worden gesteld aan de wijze van opslag, beslaglegging, vervoer en vernietiging.
Ook het proces van het Openbaar Ministerie rondom de vervolging wordt op dit moment aangepast en ingevoerd. Zo moet het Openbaar Ministerie lachgas hebben opgenomen in de strafvorderingsrichtlijn softdrugs Opiumwet. Daarnaast wordt er met input van de politie een Richtlijn voor de vervolging gemaakt. Dit alles heeft ook gevolgen voor de ICT-systemen van het Openbaar Ministerie en de politie.
Daarnaast is het op dit moment nog niet mogelijk om makkelijk te kunnen testen of het daadwerkelijk om de stof lachgas gaat. Er loopt in opdracht van de politie een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid lachgas te detecteren in ademlucht. De eerste resultaten van het onderzoek naar detectie van lachgas in ademlucht zijn positief en er wordt op dit moment nader onderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten van dit nader onderzoek bekend zijn zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u het eens met de stelling dat uitstel van de handhaving van het lachgasverbod, dat per 1 januari 2023 van kracht is, een enorme tegenvaller is, waardoor het schadelijke middel nog langer zonder directe consequenties kan worden verkocht en gebruikt?
Bij strafbaarstelling via de Opiumwet van het bezit van een middel, dient bij strafrechtelijke handhaving het middel altijd in beslag te worden genomen en veilig gesteld te worden voor strafrechtelijk onderzoek. Dit stelt andere eisen aan de uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in het commissiedebat van 2 juni 2021 en per Kamerbrief op 18 juni 20214 benadrukt en aangegeven dat de voorbereidingen voor de implementatie tijd kosten.
Daarnaast lopen overtreders nu ook al risico op bestraffing. Zie ook mijn toelichting bij vraag 2. Naast het verbod opgenomen in de Opiumwet kan er ook worden gehandhaafd op lachgas op basis van bestaande APV’s in gemeenten en reeds geldende wet- en regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet, milieuwetgeving en de Wet op het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Aangetroffen lachgas (waarvoor geen wettelijke uitzondering is) wordt per 1 januari 2023 in beslag genomen. Eventuele vervolging voor zaken met grote hoeveelheden lachgas vindt later plaats, in afstemming met het Openbaar Ministerie.
Hoe kan het dat na de inwerkingtreding van het lachgasverbod de handhaving nog niet mogelijk blijkt te zijn wegens praktische bezwaren, terwijl het lachgasverbod al jarenlang in de lucht heeft gehangen?
Het Openbaar Ministerie en de politie zijn tijdens het wetgevingstraject betrokken in het proces. Uitvoeringsorganisaties beginnen niet eerder met het aanpassen van hun processen dan dat een wetswijziging definitief is. Er kan immers altijd nog iets veranderen of een voorgenomen wetsvoorstel kan helemaal niet doorgaan. Bij sommige trajecten worden met uitvoeringsorganisaties afspraken gemaakt over een specifieke implementatiefase.
De termijn tussen de afkondiging en de invoering van het verbod was kort, desalniettemin is vanwege de grote risico’s van lachgasgebruik en de noodzaak van het verbod, destijds besloten het lachgasverbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Bovendien was er overeenstemming dat er zou worden opgetreden per 1 januari 2023, en zoals bij vraag 2 aangegeven, gebeurt dat ook. Het is echter wel erg belangrijk dat in het hele land op een gelijke manier wordt omgegaan met het verbod. Daarom zijn landelijke instructies en aanpassingen van processen nodig. Door middel van het ingroeimodel hebben de uitvoeringsorganisaties de benodigde tijd voor de implementatie van de wetswijziging in de werkprocessen.
Zijn in aanloop naar de invoering van het verbod deze knelpunten niet eerder boven tafel gekomen?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 5 voor nadere duiding.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het lachgasverbod zo snel mogelijk te kunnen handhaven en daarmee te voorkomen dat er nog meer slachtoffers vallen als gevolg van het gebruik van lachgas?
Het Openbaar Ministerie en de politie doen er alles aan om op 1 juli 2023 alle logistieke en procesmatige aspecten gereed te hebben, zodat er dan volledig en uniform gehandhaafd wordt op het lachgasverbod.
Daarnaast heb ik met een tijdelijke ontheffingsregeling van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) geregeld dat opsporingsdiensten het ingenomen lachgas kunnen vervoeren. De ontheffing is per 1 januari jl. afgegeven en gedeeld met de relevante uitvoeringsorganisaties. De tijdelijke ontheffing geldt tot 1 juli 2023. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt momenteel aan een structurele ontheffing.
Wat zijn de te verwachten gevolgen ten aanzien van overlast en slachtoffers door gebruik van lachgas in de periode dat de politie en het Openbaar Ministerie het lachgasverbod nog niet kunnen handhaven?
Er wordt wel degelijk gehandhaafd op het lachgasverbod door de politie en Openbaar Ministerie. Bij overtreding van bijvoorbeeld de APV, de Wegenverkeerswet, milieuwetgeving of de wet op het vervoer van gevaarlijke stoffen kan er direct een boete worden uitgedeeld of op een andere manier vervolging ingesteld. Als het gaat om een grotere hoeveelheid vervolgt het Openbaar Ministerie op een later moment mogelijk op grond van het verbod in de Opiumwet. Daarnaast gaat ook inbeslagname overlast en slachtofferschap tegen, want per 1 januari 2023 neemt de politie de door haar aangetroffen lachgas (waarvoor geen wettelijke uitzondering is) in beslag.
De plaatsing van distikstofmonoxide (lachgas) op Opiumlijst II en de handhaving daarvan. |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kritiek op nieuw uitstel lachgas-ban: «Verbod komt niet uit de lucht vallen»»?1
Ja.
Zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) klaar voor de handhaving nu distikstofmonoxide (lachgas) verboden is per 1 januari 2023 door plaatsing op lijst II van de Opiumwet? Zo nee, waarom niet?
Allereerst is het belangrijk om te vermelden dat er op dit moment wel degelijk tegen het bezit van lachgas wordt opgetreden. Zie daarover verder vraag 6.
Er zijn daarnaast goede redenen om voor de volledige handhaving van het nieuwe verbod een ingroeimodel te hanteren. De termijn tussen de afkondiging en de invoering van het verbod was kort, desalniettemin is vanwege de grote risico’s van lachgasgebruik en de noodzaak van het verbod, destijds besloten het lachgasverbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Bovendien was er overeenstemming dat er zou worden opgetreden per 1 januari 2023, en zoals ik hierboven aangeef gebeurt dat ook. Het is echter wel erg belangrijk dat in het hele land op een gelijke manier wordt omgegaan met het verbod. Daarom zijn er landelijke instructies en aanpassingen van processen nodig.
Bij strafbaarstelling via de Opiumwet van het bezit van een middel, dient bij strafrechtelijke handhaving het middel altijd in beslag te worden genomen en veilig gesteld te worden voor strafrechtelijk onderzoek. Dit stelt andere eisen aan de uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in het commissiedebat van 2 juni 2021 en per Kamerbrief op 18 juni 20212 benadrukt en aangegeven dat de voorbereidingen voor de implementatie tijd kosten. Zoals toegezegd in de brief, zijn we vooruitlopend op het voorgenomen verbod in overleg gegaan met betrokken partijen over hoe zij zich zo goed mogelijk kunnen voorbereiden, zodat een verbod zo spoedig mogelijk in werking kan treden.
Met het Openbaar Ministerie en politie is daarom afgesproken een zogenaamd ingroeimodel te hanteren voor de handhaving van het lachgasverbod op grond van de Opiumwet. Dit heeft te maken met de impact op de organisaties, mede veroorzaakt door het feit dat het de eerste gasvormige drug is die verboden wordt op grond van de Opiumwet en lachgas is geclassificeerd als gevaarlijke stof, waardoor extra eisen worden gesteld aan handelingen met lachgas.
Het is niet ongebruikelijk om een ingroeimodel te hanteren bij nieuwe wetgeving. Het gaat hier concreet om het inrichten van het gehele proces rondom lachgas: transport, opslag, stofonderzoek en vernietiging. Ook het proces van het Openbaar Ministerie rondom de vervolging wordt op dit moment ingericht.
Wat is nodig om dit verbod op een effectieve wijze te handhaven?
Bij de politie gaat het vooral om het inrichten van het gehele logistieke proces rondom lachgas: transport, opslag, stofonderzoek en vernietiging.
Lachgas is een gevaarlijke stof, waardoor extra eisen worden gesteld aan de wijze van opslag, beslaglegging, vervoer en vernietiging.
Ook het proces van het Openbaar Ministerie rondom de vervolging wordt op dit moment aangepast en ingevoerd. Zo moet het Openbaar Ministerie lachgas hebben opgenomen in de strafvorderingsrichtlijn softdrugs Opiumwet. Daarnaast wordt er door het Openbaar Ministerie met input van de politie een Richtlijn voor de vervolging gemaakt. Dit alles heeft ook gevolgen voor de ICT-systemen van het Openbaar Ministerie en de politie.
Daarnaast is het op dit moment nog niet mogelijk om makkelijk te kunnen testen of het daadwerkelijk om de stof lachgas gaat. Er loopt in opdracht van de politie een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid lachgas te detecteren in ademlucht. De eerste resultaten van het onderzoek naar detectie van lachgas in ademlucht zijn positief en er wordt op dit moment nader onderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten van dit nader onderzoek bekend zijn zal ik uw Kamer hierover informeren
Klopt het dat het ontwerpbesluit tot plaatsing van lachgas op lijst II reeds in 2021 is gepubliceerd? Zijn het OM en de politie toen begonnen te anticiperen op de handhaving van een eventueel verbod?
Het Openbaar Ministerie en de politie zijn tijdens het wetgevingstraject betrokken in het proces. Uitvoeringsorganisaties beginnen niet eerder met het aanpassen van hun processen dan dat een wetswijziging definitief is. Er kan immers altijd nog iets veranderen of een voorgenomen wetsvoorstel kan helemaal niet doorgaan. Bij sommige trajecten worden met uitvoeringsorganisaties afspraken gemaakt over een specifieke implementatiefase.
Bent u ervan op de hoogte dat er bij de begroting van 2022 structureel geld is vrijgemaakt voor de kosten van implementatie van dit verbod? Hoe is dit geld tot op heden besteed?
Daar ben ik van op de hoogte. Bij de uitvoeringsorganisaties zijn in 2022 voorbereidingen getroffen in afwachting van het te nemen besluit over het lachgasverbod. Bij deze voorbereidingen voor de implementatie kwamen nog geen kosten kijken.
In mijn Kamerbrief van 15 juni 2022 heb ik aan uw Kamer laten weten dat voor de versterking van de handhaving van het lachgasverbod structureel 14 miljoen euro wordt vrijgemaakt.3 Na de afkondiging van het lachgasbesluit worden de middelen structureel beschikbaar gesteld aan de uitvoeringsorganisaties.
Dit geld wordt jaarlijks via een bijzondere bijdrage overgemaakt aan de politie op basis van een bestedingsplan met daarin geplande uitgaven en activiteiten vanaf 1 januari 2023. Middelen die op de begroting van 2022 waren gereserveerd voor eventuele inwerkingtreding vóór 1 januari 2023 zijn niet nodig gebleken en herbesteed binnen de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit of breder binnen de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Hierover wordt gerapporteerd binnen de reguliere begrotingsverantwoording.
Hoe vindt handhaving plaats als OM en politie er per 1 januari 2023 niet in geslaagd zijn om de noodzakelijke wijzigingen voor een effectieve handhaving te implementeren?
Er wordt op dit moment opgetreden tegen het bezit van lachgas. De politie neemt sinds 1 januari 2023 aangetroffen lachgas (waarvoor geen wettelijke uitzondering is) in beslag. Er zijn sinds 1 januari diverse relatief kleine, maar ook diverse grote partijen gasflessen met lachgas in beslag genomen.4 Het gaat bij grote hoeveelheden om bijvoorbeeld ruim 200 tot bijna 500 gasflessen met lachgas. Voor gebruikershoeveelheden geldt dat deze na inbeslagname vernietigd worden. Als de politie een grote hoeveelheid lachgas aantreft, wordt dit in beslag genomen in het kader van waarheidsvinding, waarbij eventuele vervolging op grond van de Opiumwet later plaatsvindt.
Handhaven gebeurt daarnaast nu ook al op grond van andere geldende wet- en regelgeving, namelijk APV-bepalingen (waar het gaat om overlast) en bijzondere strafwetgeving, zoals rijden onder invloed volgens de Wegenverkeerswet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en milieuwetgeving. Met de plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is een extra mogelijkheid om te handhaven gecreëerd, naast de al geldende wet- en regelgeving.
De rol van notarissen bij dubieuze grondhandel |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Tienduizenden Nederlanders slachtoffer van dubieuze grondhandel»?1
Ja
Herkent u de geschetste problematiek waarbij dubieuze grondhandelaren stukken grond opknippen en deze verkopen met de belofte dat hier spoedig gebouwd mag worden?
Ja, al strookt het gestelde in de vraag over de «belofte dat er op korte termijn gebouwd mag worden» niet met de praktijk waarbij deze handelaren dit omzichtiger formuleren dan een «belofte».
Het opknippen van deze percelen is een uitwas van grondspeculatie. Wat gaat u doen om grondspeculatie verder tegen te gaan?
Bij het opknippen van percelen wijst het artikel erop dat het vaak gaat om percelen waarop geen concrete bouwbestemming is voorzien en dat de handelaren die percelen opknippen en deze snippers aanbieden, veelal een te positief beeld schetsen van de potentie. De kopers zijn ingegaan op een speculatieve mogelijkheid in de hoop hiermee geld te verdienen. Dat mensen ingaan op zulke speculatieve mogelijkheden is geen nieuw fenomeen. Nieuwe regelgeving moet echter afgewogen worden tegen de hinder die andere markttransacties hiervan kunnen ondervinden. Zo zijn er geen instrumenten om het opknippen van agrarische percelen zonder meer tegen te gaan. Over hoe kan worden omgegaan met versnippering als toekomstige ruimtelijke doelen zoals woningbouw toch geraakt worden, heeft de Minister van Financiën eerder geantwoord op de vragen van lid Van Eijs (18 maart 2021). De overheid kan met het voorkeursrecht versnippering voorkomen als zij een bouwmogelijkheid voorziet, en zij kan tevens op reeds versnipperde grond een eerste recht van koop vestigen. Daarnaast staat haar onteigening ter beschikking wanneer de eigenaren van de snippers niet bereid en/ of in staat zijn het plan met bouwmogelijkheden dat de overheid voor ogen staat te realiseren.
Hoe beoordeelt u de rol van notarissen en de zorgplicht die bij hun beroep hoort in het licht van deze grondhandel?
De Minister voor Rechtsbescherming hecht een groot belang aan de naleving van de zorgvuldigheidsnormen zoals deze gelden voor het notariaat. De beoordeling van de rol van notarissen en de daarbij behorende zorgplicht in het licht van grondhandel is voorbehouden aan de notariële tuchtrechter. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen. Die omstandigheden dient een notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen waakt de tuchtrechter.
In dat kader kan worden gewezen op drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 20222, 12 juli 20223 en 22 november 20224 waarin de tuchtrechter heeft geoordeeld dat de notaris bij de koop van grond in lijn heeft gehandeld met de vereiste informatieplicht en zorgplicht. Tevens wijst de Minister voor Rechtsbescherming op de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2021, waarin is geoordeeld dat er sprake is van een zeer ernstige tekortkoming van de betrokken notaris en van structureel laakbaar handelen gedurende een langere periode. Het Gerechtshof heeft, gelijk aan de uitspraak in eerste aanleg de maatregel van ontzetting uit het notarisambt opgelegd. In een andere (civiele) uitspraak over grondinvesteringen heeft het Gerechtshof Amsterdam op 21 januari 2020 geoordeeld dat zich geen situatie voordeed op grond waarvan de betrokken notaris zijn ministerieplicht had moeten weigeren en dat geen schending van de zorgplicht van de notaris werd vastgesteld. Ook in de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 22 april 20145 en de civiele uitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 20156 is geoordeeld dat de betrokken notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
Over dubieuze grondhandel en de rol die notarissen hierbij spelen zijn eerder vragen gesteld door het lid Van Eijs («Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel», 10 februari 2021). Toen gaf het kabinet aan zich niet te herkennen in de signalen dat notarissen particulieren onvoldoende beschermen tegen de risico’s bij grondinvesteringen. Hoe kijkt u hier nu naar?
Het beeld over dubieuze grondhandel en de rol van notarissen dienaangaande is ongewijzigd. Onder verwijzing naar mijn antwoord onder vraag 4 zal er bij de beoordeling van dit soort zaken altijd sterk naar de omstandigheden van het geval moeten worden gekeken en de rol die de notaris daar bekleedde. Die omstandigheden dient de notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen zal de tuchtrechter waken. In de drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 24 mei 2022, 12 juli 2022 en 22 november 2022 is geoordeeld dat de notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
In de eerdere beantwoording kwam naar voren dat om aan de zorgplicht te voldoen‘actieve wilscontrole, kritische beoordeling van de onderliggende transacties, doorvragen, onafhankelijke advisering en alertheid op onverklaarbare prijsstijgingen» hierbij van belang zijn. In de praktijk wordt bij de levering van de grond vaak gebruik gemaakt van een volmacht. Hoe beoordeelt u de mogelijkheden van notarissen om te voldoen aan deze zorgplicht bij een (schriftelijke) volmacht? Zou een verplichte voorlichting van de kopers door de notaris bij dit soort zaken wenselijk zijn?
De informatieplicht en zorgplicht van de notaris bij een (schriftelijke) volmacht wordt aan dezelfde maatstaven beoordeeld als wanneer een koper zelf verschijnt bij het verlijden van de akte.
De notaris moet de koper informeren over het speculatieve karakter van de koop en de risico’s daarvan en moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil. De notaris geeft die informatie altijd in een rechtstreeks contact met de koper. De notaris kan dit schriftelijk of mondeling doen. Het heeft de voorkeur dat de koper daartoe wordt uitgenodigd op het kantoor van de notaris. De zorgplicht van de notaris brengt met zich mee dat hij in zijn dossier schriftelijk vastlegt dat en op welke wijze hij de koper heeft geïnformeerd en dat de koper zich bewust is van het speculatieve karakter van de transactie, en dat de koper deze transactie wil. Die zorgplicht brengt ook met zich mee dat de notaris een en ander schriftelijk bevestigd aan de koper. De notaris geeft de koper tijdig tevoren de gelegenheid van de inhoud van de akte van levering kennis te nemen door hem een ontwerp van de akte toe te sturen. De notaris volgt deze handelwijze ook als de koper niet zelf wil verschijnen bij het verlijden van de akte, maar daarvoor een volmacht wil geven7. Deze omschreven handelwijze is met voldoende waarborgen omkleed om de notariële zorgplicht uit te voeren, ook wanneer de koper middels een volmacht het verlijden van een akte laat plaatsvinden.
In het recente verleden werden al een aantal keren tuchtzaken aanhangig gemaakt tegen notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel. De tuchtrechters oordeelden in vergelijkbare zaken zeer verschillend. Hoe beziet u het feit dat tuchtrechters hierin niet uniform oordelen? Is een aanscherping van de wet noodzakelijk om meer uniformiteit in de beoordeling door tuchtrechters te bewerkstelligen?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 en 5 ook al is aangegeven is de beoordeling door de tuchtrechter van de rol van notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat houdt in dat de notaris in elke zaak door de tuchtrechter aan dezelfde maatstaf wordt getoetst of deze heeft voldaan aan zijn informatieplicht en zorgplicht die voortvloeit uit het notarisambt, maar dat de beoordeling van de rol van de notaris door de omstandigheden van het geval een andere uitkomst kunnen hebben. Dit houdt dus niet in dat tuchtrechters niet uniform oordelen, maar dat de aan hen voorgelegde gevallen niet gelijk zijn. Een aanscherping van de wet is derhalve niet aan de orde.
Uit de beantwoording van de eerdere vragen bleek verder dat de ACM en de AFM toezicht houden op de naleving van de regels omtrent het beschermen van particulieren tegen misleidende informatie bij verkoop, waaronder de verkoop van grond. Toen waren er nauwelijks meldingen bij de ACM en AFM bekend over dit onderwerp. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft meldingen bij ACM en AFM hieromtrent? Mochten er wederom weinig meldingen bekend zijn, hoe kunnen ACM en AFM proactief particulieren beschermen bij de verkoop van grond?
De ACM ontvangt nog steeds nauwelijks meldingen over dit onderwerp. Via de website ACM ConsuWijzer geeft de ACM proactief voorlichting over de rechten van consumenten. Het betreft praktisch advies gericht op algemene onderwerpen (zoals misleiding bij verkoop) en een aantal specifieke onderwerpen (zoals de energietransitie). Consumenten kunnen bellen of de website raadplegen.
Ook de AFM ontvangt nauwelijks signalen over dit onderwerp. Daarnaast blijkt bij het beoordelen van een dergelijk signaal regelmatig dat de aanbieding waarover dit signaal gaat buiten haar toezicht valt, aangezien deze aanbieding bijvoorbeeld niet voldoet aan de criteria die gelden voor een beleggingsobject. De AFM en ACM blijven individuele casussen op dit terrein beoordelen en op grond van hun mandaat daartegen optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De betrokkenheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid en de NCTV bij de zaak Engel |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de zaak Engel (dossiernummer 10-043746-22)?
De Minister van Justitie en Veiligheid wordt door het Openbaar Ministerie op hoofdlijnen geïnformeerd over het verloop van bepaalde strafrechtelijke onderzoeken voor zover de Minister deze nodig heeft zoals wettelijk is geregeld in artikel 129 Wet op de rechterlijke organisatie. Door mij te informeren over de hoofdlijnen van een strafzaak word ik in staat gesteld mijn politieke verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de gedragingen van het Openbaar Ministerie. Ik ben echter niet betrokken bij de inhoudelijke afwegingen die het Openbaar Ministerie in zaken heeft gemaakt of zal maken. De zaak die u in vraag 1 noemt valt hieronder en dus ben ik over die zaak zoals voornoemd geïnformeerd.
Is er contact geweest tussen het Openbaar Ministerie (OM) en het ministerie over de zaak Engel?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u op de hoogte gebracht van het onderzoek van het OM en de rechtszaak? Zo ja, waarom?1, 2, 3
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, hoe lang is de Minister al betrokken bij deze zaak?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, kunt u al het email-, SMS-, WhatsAppverkeer of enige andere communicatie aangaande de zaak Engel openbaar maken?
Ik lees in deze vraag aldus dat er door het lid Van Haga een beroep wordt gedaan op artikel 68 van de Grondwet teneinde gevraagde informatie van het Openbaar Ministerie aan de Tweede Kamer te doen verstrekken. De Tweede Kamer heeft op grond van artikel 68 van de Grondwet recht op inlichtingen van het kabinet en zulks kan slechts worden geweigerd indien de verstrekking daarvan in strijd is met het belang van de Staat. In dit geval doet zich zo’n belang voor, alleen al omdat de gevraagde informatie gaat over een strafzaak die nog niet onherroepelijk is. Gelet daarop zal ik niet tot verstrekking overgaan.
Zo ja, bent u ook betrokken bij andere strafzaken?
Zoals ik in antwoord op de vragen 1 tot en met 4 heb aangegeven word ik op grond van artikel 129 Wet op de rechterlijke organisatie door het Openbaar Ministerie geïnformeerd over strafrechtelijke onderzoeken zodat ik in staat ben mijn politieke verantwoordelijkheid te nemen voor gedragingen van het OM.
Heeft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) contact gehad met het OM en het ministerie inzake de zaak Engel? Zo ja, waarom?
Nee.
Verzamelt de NCTV data over actiegroepen?4 Zo ja, waarom en op basis van welke juridische grondslag wordt dit gedaan?
De NCTV verzamelt voor zijn coördinatiefunctie alleen gegevens gericht op het in beeld brengen van trends en fenomenen op het terrein van nationale veiligheid. Het kan voorkomen dat bij de uitoefening van die functie ook gegevens van actiegroepen in beeld komen als die onlosmakelijk verbonden zijn met fenomenen die voor de taken van de NCTV relevant zijn. Er zijn echter geen op organisaties gerichte dossiers opgebouwd.
In afwachting van de totstandkoming van het voorstel van wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid is de NCTV gestopt met het signaleren en duiden van dergelijke ontwikkelingen die onlosmakelijk verbonden zijn met (uitingen en gedragingen van) personen op sociale media.
Worden specifieke accounts gemonitord?5 Zo ja, waarom en op basis van welke juridische grondslag wordt dit gedaan?
Nee, de NCTV monitort geen specifieke accounts van organisaties.
Houdt de NCTV zich bezig met individuele rechtszaken?6 Zo ja, waarom?
Waar het strafrechtelijke onderzoeken betreft waarbij sprake is van een verdenking van een terroristisch misdrijf verloopt de informatievoorziening van het Openbaar Ministerie richting de Minister via de NCTV. De reden hiervoor is dat de NCTV verantwoordelijk is voor het beleidsterrein contraterrorisme.
Het bericht ‘Regelwerk weerhoudt boeren van melden drugsafval: ‘Er moet een vliegende brigade komen die het opruimen overneemt’’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Regelwerk weerhoudt boeren van melden drugsafval: «Er moet een vliegende brigade komen die het opruimen overneemt»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat door veel regelwerk en hoge kosten die komen kijken bij het melden en laten opruimen van gedumpt drugsafval, gedupeerden worden ontmoedigd om dumpingen te melden?
Dit beeld is bekend sinds de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) de zorgen van de boeren onder de aandacht bracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). Het is de intentie van het kabinet om, onder andere met de verruiming van de subsidieregeling voor de opruimkosten van drugsafval tot een bedrag van 200.000 euro2, gedupeerden juist te ontlasten en tegemoet te komen in hun kosten. Het signaal dat de ZLTO afgeeft wordt dan ook serieus genomen.
Tegelijkertijd blijft het van belang melding te maken bij de politie van het aangetroffen drugsafval. Het kabinet is zich terdege bewust van de lastige en soms schrijnende situaties voor perceeleigenaren die zich geconfronteerd zien met de gevolgen van criminele praktijken en tegelijkertijd op grond van de Wet Bodembescherming verantwoordelijk zijn voor de bodemkwaliteit op hun eigendom. Dit is ook de reden dat het kabinet zich inspant middels de verruimde subsidieregeling om gedupeerden te ontlasten en tegemoet te komen in de kosten. Daarnaast is het dumpen van drugsafval een strafbaar feit dat dient te worden onderzocht en willen we dat mensen hier melding van maken. Zonder melding levert een dergelijk onderzoek vertraging op. Vertraging is ook met het oog op de volksgezondheid en het milieu zeer onwenselijk. Drugsafval is veelal chemisch afval dat door specialisten moet worden opgeruimd om het risico op (verdere) schade aan mens en natuur te beperken.
Is bekend in welke mate gedupeerden om deze reden(en) afzien van het melden van drugsafvaldumpingen? Is bekend in welke mate op een andere plaats dan de originele dumpingplek drugsafval wordt aangetroffen?
Over zowel het afzien van meldingen als het verplaatsen van drugsafval zijn geen gegevens bekend. Het verplaatsen van drugsafval is een kwalijke zaak en keur ik ten zeerste af. Sporenonderzoek wordt hierdoor gehinderd en er kunnen additionele risico’s voor mens en milieu ontstaan. Mensen die drugsafval verplaatsen kunnen hiermee zelf een strafbaar feit begaan. Ook kunnen zij worden gezien als de oorspronkelijke vervuiler. Daarom wordt aanbevolen bij het aantreffen van drugsafval melding te doen bij de politie. Perceeleigenaren van het terrein waar een drugsdumping heeft plaatsgevonden zijn dit, zoals reeds toegelicht in antwoord 2, op grond van de Wet Bodembescherming ook verplicht.
Deelt u de zorgen dat het vele regelwerk dat onschuldige particulieren hebben aan het melden en laten opruimen van drugsafval van criminelen een drempel vormt om aan de bel te trekken, waardoor schade aan de natuur en aan waterwingebieden blijft bestaan? Vindt u dat deze regeldruk een averechts effect heeft op het melden en opruimen van drugsafvaldumpingen?
Drugsafval is vaak chemisch afval. Voor de verwerking, het vervoer en vernietiging van chemisch afval gelden, om goede redenen, strenge regels. Juist ook om milieuschade te voorkomen of te beperken. Het is dan ook zeer onverantwoord dat criminelen zich op deze wijze van hun illegale afval ontdoen. Zoals ook in antwoord 2 is toegelicht springt het Rijk bij om gedupeerden financieel te ontlasten. Het subsidiestelstel is zo ingericht dat aanvragen worden getoetst aan de hand van facturen. Dit om fraude te voorkomen en gemaakte kosten te verantwoorden. De regels zijn er niet voor niets, maar JenV zet graag het gesprek met ZLTO en andere betrokken partijen voort om te bekijken waar administratieve lasten kunnen worden verlicht. Ook wordt gekeken hoe de drempel voor het indienen van een subsidieaanvraag kan worden verlaagd.
Kunt u een reactie geven op de suggestie van de land- en tuinbouworganisatie ZLTO om een «vliegende brigade» op te richten, waarbij er één aanspreekpunt is van samenwerkende organisaties en overheden waar gedupeerden terechtkunnen als zij te maken krijgen met dumpingen van drugsafval op hun grond?
Dit is een interessante suggestie die in overleg met betrokken partners wordt besproken. In de opzet van een nieuwe Rijksregeling ter vervanging van de huidige provinciale regeling wordt al bekeken hoe de regie over bodemsanering van druggerelateerde stoffen meer kan worden gecentraliseerd.3 Het voorstel van de ZLTO wordt in het verlengde hiervan verder onderzocht.
Bent u het eens met de stelling dat een vliegende brigade eraan kan bijdragen dat gedupeerden sneller en vaker aan de bel durven te trekken als zij te maken krijgen met drugsafvaldumpingen op hun terrein, dat de natuur sneller kan herstellen en dat de politie een beter inzicht krijgt in het aantal drugsafvaldumpingen en hierop beter kan acteren?
We gaan met de betrokken partijen bespreken of de suggestie van de ZLTO een goede aanvulling kan zijn op de rollen die nu door de politie en medeoverheden worden vervuld.
Bent u bereid om, in samenwerking met provincies en waterschappen, met betrokken organisaties in gesprek te gaan over het oprichten van een vliegende brigade voor gedupeerden van drugsafvaldumpingen en de Tweede Kamer hierover vóór 1 april 2023 te informeren?
Samen met de betrokken organisaties en medeoverheden zal ik de mogelijkheid van een vliegende brigade bespreken en gezamenlijk beoordelen of dit een effectief middel kan zijn. Over de uitkomst van deze gesprekken zal ik u in mei 2023 per brief informeren. In deze brief komt de voortgang op de gehele aanpak van ondermijning aan bod. De omgang met de drugsafvalproblematiek maakt hier deel van uit.
De ernstige verwaarlozing van tientallen dieren bij een bedrijf dat in het verleden ook al herhaaldelijk in de fout ging en al onder verscherpt toezicht stond |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat dacht u toen u hoorde dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meer dan 70 koeien, stieren en kalfjes «in bewaring heeft genomen» nadat deze dieren sterk vermagerd en vervuild werden aangetroffen, naast de twee dieren die al waren gestorven?1
Een dergelijk bericht doet mij veel. Het roept vragen bij mij op over hoe het zo ver heeft kunnen komen. Ik vind het volstrekt onacceptabel dat dieren zo worden verwaarloosd en vind het belangrijk dat hier kordaat tegen wordt opgetreden. Mijn beleid is hier ook op gericht en de Inspecteur General van de NVWA staat voor het toezicht.
In het geval van dierverwaarlozing is er vaak sprake van (sociale) problemen bij de houder. Dit verexcuseert het verwaarlozen van dieren geenszins, maar is wel een onderliggend probleem waar we ook oog voor moeten hebben. Er wordt in de begroting van mijn ministerie jaarlijks een bedrag opgenomen voor het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren. Het loket heeft tot doel verminderde zorg bij landbouwhuisdieren terug te dringen en tijdig een halt toe te roepen. Meldingen door erfbetreders zijn daarbij van cruciaal belang. Het Vertrouwensloket begeleidt de ondernemer op vrijwillige basis bij het oplossen van het probleem. Voor dit specifieke geval, waarbij de ondernemer reeds onder verscherpt toezicht stond, is het goed dat zowel bestuursrechtelijk, als ook strafrechtelijk onderzoek is ingesteld.
Wat ging er door u heen toen u de foto zag die de NVWA deelde bij de melding, waarop te zien is dat koeien tot diep in hun eigen ontlasting staan en niet de beschikking hebben over schoon drinkwater en droog voedsel?
Bij het zien van deze foto ging er afschuw door mij heen. Ik vind het niet acceptabel dat dieren op deze wijze worden gehouden. Als mensen hebben we een zorgplicht voor de dieren die ons zijn toevertrouwd.
Klopt het dat dit betreffende bedrijf onder verscherpt toezicht van de NVWA zou staan?2
Ja, het betreffende bedrijf staat onder verscherpt toezicht van de NVWA.
Hoe bestaat het dat bij een bedrijf dat onder verscherpt toezicht staat nog steeds dieren ernstig kunnen worden verwaarloosd?
Dat op een bedrijf al meermaals overtredingen zijn aangetroffen wil niet zeggen dat bij toepassing verscherpt toezicht een veehouder zijn bedrijfsvoering snel aanpast. Dit betreft een aanpak/traject met bestuursrechtelijke of strafrechtelijke inzet of een combinatie daarvan en is niet een eenmalige interventie. Bij opleggen van maatregelen in het kader van verscherpt toezicht moet veehouder ook een redelijke termijn worden gegeven om aanpassingen door te voeren. Bovendien is op deze bedrijven vaak ook sprake van perioden waarin het wel beter gaat (bijvoorbeeld in weideseizoen), afgewisseld met perioden waarin het (ook soms heel snel) slechter gaat. Een houder is primair zelf verantwoordelijk voor een goede verzorging van zijn dieren. Verscherpt toezicht is een maatwerkaanpak die wordt toegepast bij bedrijven met grazers (runderen, paarden, schapen, geiten) en vindt plaats als er herhaald overtredingen zijn geconstateerd en er, ondanks inzet van het interventiebeleid, nog geen zicht is op verbetering van het naleefgedrag. Door de toezichtintensiteit op het bedrijf te verhogen en middels inzet van mogelijke maatregelen wordt gestreefd naar aanpassing van de naleving van welzijnsregels door de houder.
Een bestuursrechtelijk instrument heeft als doel om overtredingen te herstellen. Bij bedrijven die onder verscherpt toezicht vallen, wordt veelal ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Dat is een apart traject.
De maatregelen ter verbetering van de situatie op het bedrijf worden opgebouwd. Er worden vaak zowel herstelsancties als punitieve (bestraffende) sancties ingezet, die worden afgestemd op de situatie op het bedrijf. In het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing van de Ministers van Justitie en Veiligheid en mijzelf (Kamerdossier 35 892), wordt het toepassingsbereik van artikel 5.12 van de Wet dieren uitgebreid met de toevoeging van «het welzijn van het dier» als reden om maatregelen te kunnen treffen. Wanneer het dierenwelzijn wordt geschaad – bijvoorbeeld door slechte verzorging – kan dan op grond van dat wetsartikel dan worden overgegaan tot geheel of gedeeltelijke sluiting van het bedrijf.
In het voorliggende geval heeft de NVWA geconstateerd dat de inzet van verscherpt toezicht er niet toe heeft geleid dat de houder tijdens het stalseizoen niet opnieuw overtredingen ten aanzien van dierenwelzijn heeft begaan. Hierop heeft de NVWA besloten de dieren in bewaring te nemen.
Kunt u aangeven waaruit het verscherpte toezicht van de NVWA bestaat?
Een primair bedrijf waar rundvee wordt gehouden, wordt onder verscherpt toezicht gesteld als het bedrijf structureel niet naleeft. Verscherpt toezicht is een traject waarin zowel vanuit bestuursrecht als ook strafrechtelijk maatregelen kunnen worden toegepast. Dit is het geval indien:
Een dergelijke «entreecontrole» voor verscherpt toezicht vindt plaats indien bij inspecties op het bedrijf minimaal drie inspecties niet-akkoord zijn bevonden binnen de afgelopen twee jaar en deze niet-akkoorden leidden tot de opmaak van rapport(en) van bevindingen en/of processen-verbaal; of
Een bedrijf blijft onder verscherpt toezicht totdat er bij drie achtereenvolgende controles geen overtredingen meer van de Wet dieren en/of onderliggende regelgeving op het bedrijf worden vastgesteld.
Bij bedrijven die onder verscherpt toezicht vallen, wordt veelal ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Bent u, gegeven het feit dat de koeien sterk waren vermagerd en tot diep in hun eigen ontlasting stonden, van mening dat dit verscherpte toezicht op adequate wijze heeft plaatsgevonden?
Ik betreur het dat de houder, ondanks het verscherpte toezicht, niet voor een acceptabele verzorging van de dieren heeft kunnen zorgen. Helaas kan ook het zware instrument van verscherpt toezicht niet in alle gevallen voor verbetering van de situatie leiden.
Deelt u de mening dat kennelijk langdurige dierverwaarlozing die kan plaatsvinden onder verscherpt toezicht twijfels oproept over de kwaliteit van toezicht en handhaving bij veehouderijen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie wilt u ondernemen om toezicht en handhaving bij primaire bedrijven substantieel te verbeteren?
Het instrument verscherpt toezicht is helaas geen panacee. Een situatie zoals aangetroffen op het betreffende bedrijf kan in een korte tijd ontstaan. Er heeft frequent toezicht bij dit bedrijf plaatsgevonden, waarbij bestuursrechtelijk meerdere maatregelen zijn opgelegd die niet tot structurele verbetering hebben geleid. Een veehouder dient de gelegenheid te krijgen verbeteringen aan te brengen, maar wanneer na herhaling blijkt dat maatregelen niet tot verbetering leiden en de dieren ernstig lijden, zal de NVWA de dieren in bewaring nemen. Bij de laatste inspectie is die maatregel voor 70 runderen toegepast. Als bij een bedrijf dat onder verscherpt toezicht staat geen overtredingen meer worden geconstateerd, vinden er nog meerdere herinspecties plaats om een eventuele terugval tijdig te constateren
Ik vind dat de toezichthouder de juiste instrumenten ter beschikking moet hebben om haar toezicht doelmatig te kunnen uitvoeren.
De Minister van Justitie en Veiligheid en ik willen dit mogelijk maken middels het in het antwoord op vraag 4 genoemde wetsvoorstel.
Kunt u bevestigen dat de NVWA in 2018 meer dan 300 «aandachtsbedrijven» ofwel «risicobedrijven» heeft geïdentificeerd waar sprake was van structurele dierenwelzijnsproblemen en dat sinds een wijziging in de werkwijze van de NVWA in 2019 slechts een klein deel van deze bedrijven onder verscherpt toezicht staat?3
Ja, ik kan bevestigen dat niet alle bedrijven die waren aangemerkt als aandachtbedrijf onder verscherpt toezicht zijn gesteld. Zoals ook in de beantwoording op de Kamervragen waaraan wordt gerefereerd (Kamerstuk 33 835, nr. 197) is aangegeven.
Is er volgens u voldoende zicht op deze voormalige risicobedrijven? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Veel van de voormalige aandachtbedrijven vallen onder het reguliere toezicht. Bezoeken aan deze bedrijven vinden risicogebaseerd plaats op basis van meldingen (bijvoorbeeld van erfbetreders) of in het kader van naleefmetingen. De NVWA heeft ook samenwerkingsafspraken met andere erfbetreders, zodat signalen over dierverwaarlozing worden doorgegeven. De bron van een melding en de inspectiehistorie wegen mee bij het beoordelen van meldingen. Een risicoselectie of een specifiek project kan eveneens aanleiding vormen om een bedrijf te bezoeken. Indien bij een bedrijf een overtreding wordt vastgesteld, volgt ook in het reguliere toezicht een herinspectie.
Hoeveel controles zijn er na 2019 nog uitgevoerd bij de risicobedrijven die niet onder verscherpt toezicht zijn geplaatst?
Bij bedrijven die sinds 2019, onder de destijds geldende criteria, zijn aangemerkt als risicobedrijf zijn de onderstaande inspecties uitgevoerd. In 2019 en 2020 was er sprake van een overgangsperiode, waardoor ook bedrijven die nu als verscherpttoezichtbedrijf worden aangemerkt (veto) nog geschaard werden onder risicobedrijven. In 2021 is dit uitgesplitst in risicobedrijven en veto-bedrijven. Enkel de veto-bedrijven vallen, vanwege de inspectiehistorie, onder het verscherpte toezichtregime.
2019
69
2020
46
2021
21
2019
111
2020
64
2021
24
In 2020 en 2021 zijn door de NVWA minder inspecties uitgevoerd in verband met coronamaatregelen.
De analyse van de inspecties die in 2022 zijn uitgevoerd is gaande, de data zijn pas kortgeleden beschikbaar gekomen.
Inspectieresultaten zullen, zodra de analyse gereed is, zo spoedig mogelijk op de NVWA-website worden gepubliceerd. Ik verwacht dat deze in het tweede kwartaal van 2023, rondom de aanbieding van de verantwoordingsstukken van de NVWA, gepubliceerd zijn.
Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen de één na laatste en de meest recente inspectie van de NVWA bij het bedrijf waar nu verwaarloosde dieren zijn aangetroffen?
Tussen de meest recente inspectie in februari en de één na laatste inspectie in januari bij dit bedrijf zat ongeveer een maand tijd. Het betreft inspecties die hebben plaatsgevonden na de in bewaring name van de runderen op 4 januari.
Is het waar dat dezelfde veehouder in 2018 in hoger beroep werd veroordeeld vanwege het verwaarlozen van runderen? Kunt u toelichten wat de overtredingen destijds waren en welke sancties er zijn genomen?4
Dat klopt. Het is echter staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om, in het kader van de privacy, geen uitspraken over eerdere veroordelingen in individuele zaken te doen.
Hoe vaak heeft de NVWA sinds de veroordeling in 2018 de dieren van deze veroordeelde veehouder bezocht?
Vanaf het moment van de uitspraak van het Hof in 2018, tot en met de dag van de controle op 4 januari 2023, is het bedrijf op 13 verschillende dagen bezocht.
Wanneer hebben deze inspecties precies plaatsgevonden? Bent u bereid de inspectierapporten met de beantwoording van deze vragen naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
De inspecties vanaf de uitspraak van het Hof in 2018 vonden plaats in het vierde kwartaal van 2020, het eerste kwartaal van 2021, het derde kwartaal van 2021, het tweede kwartaal van 2022, het derde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023.
Aangezien de inspectierapporten bedrijfsspecifieke informatie bevatten, die in ieder geval deels nog onderwerp is van lopende procedures, kan ik deze niet bijvoegen. Ik hecht er echter wel aan zoveel mogelijk tegemoet te komen aan informatieverzoeken uit de Kamer. Daarom ben ik bereid in inhoud voor u samen te vatten. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u uiteenzetten welke overtredingen er de laatste tien jaar bij dit bedrijf zijn geconstateerd en of dit geleid heeft tot sancties? Zo ja, welke en wanneer en hoe is hierop toegezien? Zo nee, waarom niet?
Er hebben vanaf 2013 tot heden meerdere inspecties plaatsgevonden, 30 in het totaal in deze periode. De runderen werden door de houder voor een groot deel van het jaar 2022 buiten gehuisvest. Het risico op nieuwe overtredingen was hierdoor kleiner. Hier is ook rekening mee gehouden bij (her)inspecties. Aangezien de inspectierapporten bedrijfsspecifieke informatie bevatten worden deze niet bijgevoegd.
Samengevat zijn er overtredingen gezien ten aanzien van de hygiëne, water, voer en huisvesting. Deze overtredingen hebben tot meerdere maatregelen geleid, zoals lasten onder dwangsom en lasten onder bestuursdwang. Met een last krijgt overtreder een termijn waarbinnen de geconstateerde overtreding moet zijn opgelost. De NVWA houdt toezicht op de gestelde termijnen. Bij het niet naleven van de lasten zal een dwangsom worden verbeurd of zal de NVWA ingrijpen door bijvoorbeeld dieren mee te voeren en op te slaan. Daarnaast is het bedrijf ook via een zogenaamde randvoorwaardenkorting gekort op de Unierechtelijke inkomenssteun.
Hieronder wordt in een tabel weergeven hoe vaak het bedrijf is bezocht in het desbetreffende kalenderjaar:
Jaar
Aantal keer bezocht
2013
9
2014
1
2015
3
2017
2
2018
1
2019
0
2020
1
2021
3
2022
7
2023
3
Is het waar dat na het «in bewaring stellen» van de 70 runderen, de veehouder vrijwel onmiddellijk andere dieren heeft geplaatst? Zo ja, wat vindt u hiervan?5
De houder heeft na het in bewaring nemen van de 70 runderen op 4 januari jl. niet opnieuw dieren aangevoerd. De veehouder hield ten tijde van de controle op 4 januari op twee verschillende locaties runderen; een deel werd geweid en het grootste deel stond op stal. De wijze waarop de dieren die binnen werden gehuisvest en verzorgd, werd als dusdanig ernstig beoordeeld dat het noodzakelijk werd geacht deze dieren in bewaring te nemen. De (15) dieren buiten werden op het moment van controle op adequate wijze gehouden. Deze dieren zijn ook niet in bewaring genomen.
De NVWA heeft medio januari opnieuw een inspectie uitgevoerd bij dit bedrijf om te bezien hoe de situatie voor de 15 runderen die nog bij de houder aanwezig waren was. Deze controle wees uit dat de dieren op dat moment op stal stonden en in orde waren. Medio februari is opnieuw een inspectie uitgevoerd, en was er opnieuw geen aanleiding voor in bewaring name van aanwezige runderen. Het bedrijf blijft onder verscherpt toezicht.
Welke maatregelen heeft u genomen om te voorkomen dat de verantwoordelijke van dit bedrijf dezelfde overtredingen opnieuw begaat?
Het bedrijf staat onder verscherpt toezicht en wordt regelmatig geïnspecteerd. Tevens hebben NVWA-inspecteurs de veehouder gewezen op beschikbare ondersteuning. Vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vindt een «keukentafelgesprek» plaats. In het verleden is de veehouder ook doorverwezen naar het Vertrouwensloket. De locoburgemeester is geïnformeerd over de situatie.
Bent u van plan om met de kennis van nu, op zeer korte termijn nieuwe en onaangekondigde inspecties te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen zijn dit?
Het verscherpttoezichtregime blijft van toepassing op dit bedrijf. Ik doe vooraf geen mededeling over inspecties die nog gaan plaatsvinden.
Zijn het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de overtredingen voorgelegd aan de rechter? Bent u bereid de resultaten van deze onderzoeken naar de Kamer te sturen?
Het is staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om geen uitspraken te doen over individuele zaken in het strafrecht. Voor wat betreft het bestuursrechtelijk traject is het niet aan de NVWA om de onderzoekresultaten aan de bestuursrechter voor te leggen. Dat is een recht van de houder. Deze kan in bezwaar en beroep gaan tegen een opgelegde maatregel.
Vindt u het verstandig of wenselijk dat een bedrijf of persoon die herhaaldelijk ernstige dierenwelzijnsovertredingen begaat, de mogelijkheid behoudt om dieren te houden gegeven het grote risico dat deze dieren opnieuw het slachtoffer worden van ernstige verwaarlozing?
Ik ben het met de vragenstellers eens dat voorkomen moet worden dat daders van dierverwaarlozing of diermishandeling opnieuw in de fout kunnen gaan, met alle nare gevolgen daarvan voor de dieren. Om mijn aanpak te versterken heb ik daarom samen met de Minister van Justitie en Veiligheid een wetsvoorstel gemaakt dat de mogelijkheid introduceert om aan daders van dierenmishandeling en daders van andere strafbare feiten als zelfstandige maatregel een houdverbod op te kunnen leggen. Dat betekent dat de rechter als onderdeel van de veroordeling aan de dader een verbod op kan leggen voor een bepaalde periode om dieren te houden. Dit wetsvoorstel is momenteel aanhangig bij de Tweede Kamer. Het houdverbod kan voor de duur van maximaal tien jaar worden opgelegd en in het geval van recidive voor de duur van twintig jaar. Het wetsvoorstel voorziet tevens in de uitbreiding van de mogelijkheid om bedrijven, inrichtingen en locaties te sluiten, indien het welzijn van het dier in gevaar kan worden gebracht.
Heeft de NVWA contact gehad met het Functioneel Parket over het opleggen van een tijdelijk houdverbod als voorlopige maatregel?
Het is staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om geen uitspraken te doen over individuele zaken in het strafrecht.
Kunt u uiteenzetten wat in het afgelopen jaar de gemiddelde doorlooptijd is geweest bij het afhandelen van boeterapporten? In hoeveel gevallen is de termijn verstreken voor het opstellen van een boeterapport? Is het waar dat de overtreder in zo’n geval wegkomt met de overtreding?
De gemiddelde doorlooptijd van de rapporten van bevindingen ten behoeve van afdoening met een bestuurlijke boete in relatie tot de wet Dieren is op dit moment 19 weken. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien van een overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen 13 weken moet beslissen over het opleggen van de bestuurlijke boete. Dit betreft een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt.
Bent u bereid om het toezicht bij primaire bedrijven te betrekken bij de uitwerking van het «three strikes out»-principe, waarbij zwaarder zal worden opgetreden bij herhaalde overtredingen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?6
De NVWA werkt aan de aangenomen motie Van Campen en Eerdmans (JA21) over een three strikes out handhavingsvoorstel in de procedure voor verscherpt toezicht op slachthuizen (Kamerstuk 28 286, nr. 1249). Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat het herziene interventiebeleid en de procedure verscherpt toezicht in de eerste helft van 2023 in uitvoering zullen zijn, waarna de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over de uitwerking van de motie Van Campen en Eerdmans.
De invulling van verscherpt toezicht verschilt per domein. Voor bijvoorbeeld slachthuizen waarbij permanent toezicht wordt gehouden, is dit anders dan bij primaire bedrijven. In het algemeen geldt dat de NVWA zowel kwantitatieve aspecten (aantallen «strikes») als ook kwalitatieve aspecten (ernst van de feiten en omstandigheden) in aanmerking neemt om te bepalen of een bedrijf onder verscherpt toezicht wordt geplaatst en welke sancties daarbij zo nodig passend zijn. Een kwantitatieve benadering alléén aan de hand van aantallen «strikes» zou onvoldoende recht doen aan een evenredige sanctionering zoals vereist door wetgeving en rechtspraak. Dit laat onverlet dat het aantal eerdere overtredingen van belang is voor de vraag of verscherpt toezicht wordt ingesteld, en of, zoals in de vraag wordt gesteld, zwaarder moet worden opgetreden. Dit geldt ook bij de primaire bedrijven.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Beantwoording van de vragen heeft langer geduurd in verband met benodigde afstemming met meerdere departementen.
De rechtsstaat en beloofde verbeteringen na het toeslagenschandaal |
|
Renske Leijten , Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
Herinnert u zich dat de Raad voor de Rechtspraak op 11 mei 2022 haar jaarverslag presenteerde en daarin (bron: https://jaarverslagrechtspraak.nl/) 11 buikpijn dossiers benoemde?
Ja
Herinnert u zich dat bij de regeling van werkzaamheden van 17 mei een groot aantal oppositiepartijen een plan vroeg om aan te geven (of en) wat de regering per dossier zou gaan doen?
Ja
Kunt u voor elk van de 11 dossiers aangeven wat de stand van zaken is?
Op 31 oktober 2022 heeft de Minister voor Rechtsbescherming een reactie gegeven op de buikpijndossiers.1 Daarin zijn abusievelijk drie dossiers niet meegenomen. Het gaat om de Basisregistratie Personen, Bijzondere bijstand en het Dagloonbesluit WW. Deze zijn op 30 november 2022 aan de Raad voor de rechtspraak doorgegeven. Ten aanzien van de Basisregistratie Personen zijn de eigenschappen van het signaal al langere tijd bekend bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie. Het is om die reden dat BZK bezig is met het traject «Mogelijke herziening van het brondocumentenstelsel i.v.m. voor burgers knellende situaties in relatie tot het brondocumentenregime van de Wet BRP». Daarnaast is het onderdeel van de Ontwikkelagenda van het programma Toekomst BRP met de naam: Verbeteren weergave burgerlijke staatgegevens.
Ten aanzien van de signalen op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geldt eveneens dat de signalen bekend zijn bij SZW. Deze worden onder andere meegenomen in het traject Participatiewet in balans (zie hierover de brief van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 28 november 2022 over de stand van zaken).2 Voor wat betreft het knelpunt inzake rijbewijszaken heeft de Raad voor de rechtspraak het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat eind 2022 laten weten dat dit niet langer als knelpunt wordt ervaren, omdat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over de evenredigheid rechters nu ruimte laat voor het maken van een belangenafweging.
Herinnert u zich dat u in de brief over het aftreden van het kabinet-Rutte-III schreef: «Daarnaast is de inzet van het kabinet om strikt gebonden bevoegdheden in sectorale wetten waar nodig te vervangen door bevoegdheden met beoordelingsruimte of hardheidsclausules.»?1
Ja
Kunt u aangeven welke wetten zijn aangepast en nu bevoegdheden met beoordelingsruimte of hardheidsclausules bevatten en welke wetten nog aangepast zullen worden?
In het kader van een schriftelijk overleg beantwoordde ik mede namens de Minister voor Rechtsbescherming op 18 januari 20234 enkele vragen vanuit uw Kamer over mijn brief van 11 juli «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»5, onder meer over het onderzoek naar hardvochtige effecten van wetten en regels bij de departementen. Dit verloopt verder via de betreffende beleidsdomeinen. Zo heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Kamer geïnformeerd over ontwikkelingen in het kader van de Participatiewet (zie ook het antwoord op vraag6 en de Wet inkomen naar arbeidsvermogen7 en heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 22 december 2023 een brief gestuurd over o.a. beleidswijzigingen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.8
Herinnert u zich dat u in dezelfde brief stelde: «Het kabinet gaat daarnaast in gesprek met de Rijksinspecties, waaronder ook de nieuwe Inspectie Belastingdienst, Toeslagen en Douane, met de Nationale ombudsman, de hoogste bestuursrechters, de advocatuur, cliëntenraden en de Raad voor de rechtspraak om te bezien hoe we daarbij aanvullend signalen kunnen krijgen over wet- en regelgeving en de uitvoeringspraktijk, als die ertoe leiden dat mensen in de knel komen.»?
Ja
Kunt u aangeven welke signalen de inspecties, de ombudsman, de bestuursrechters, de advocatuur en cliëntenraden afgegeven hebben, hoe die zijn opgepakt en tot welke wets-en beleidswijzigingen dit geleid heeft of nog zal leiden?
In de eerder genoemde brief van 11 juli 2022, heb ik, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, aangegeven hoe de betreffende departementen ingaan op de door de Hoge Raad en de Raad voor de rechtspraak gegeven signalen over knelpunten in (de uitvoering van) wetgeving.9 Bij brief van 31 oktober10 heeft de Minister voor Rechtsbescherming u aanvullend geïnformeerd over de reactie op de zogeheten buikpijndossiers uit het jaarverslag van de Raad voor de rechtspraak. Tevens heeft de Minister voor Rechtsbescherming uw Kamer bij brieven van 30 juni 202111 en 16 december 202112 geïnformeerd over de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid naar aanleiding van de signalen van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland en de Raad voor Rechtsbijstand.
Op welke wijze volgt het kabinet of de verschillende beloften uit de reactie op het rapport «Ongekend onrecht» gestand worden gedaan? Kunt u deze voortgang met de Kamer delen?
In de reactie13 op de motie van het lid Omtzigt14 is toegelicht op welke wijze de Kamer geïnformeerd wordt over de verschillende acties die lopen in reactie op het rapport «Ongekend onrecht». Dit is een doorlopend proces, waarvan ik de stand van zaken van zaken per onderwerp aangeef.
De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en ik zonden uw Kamer op 18 januari 2023 de eerste Staat van de Uitvoering 15, alsmede de eerste Voortgangsrapportage Werk aan Uitvoering, met tevens een overzicht van de stand van zaken van de op dit terrein door uw Kamer aangenomen moties. Voorafgaand aan de eerstvolgende dag van de publieke dienstverlening (22 juni 2023) zal uw Kamer de beleidsreactie ontvangen op de Staat van de Uitvoering en de Voortgangsrapportage Werk aan Uitvoering.
Bij brief van 16 december 202216 heeft de Minister voor Rechtsbescherming uw Kamer geïnformeerd over de voorgenomen opzet en de planning van de Staat van de wetgevingskwaliteit. Dezelfde Minister stuurde uw Kamer op 21 april 202217 en 23 september 202218 brieven over de invoeringstoets en op 20 oktober 2022 over de introductie van het beleidskompas19. Over de acties van het kabinet gericht op de bevordering van de menselijke maat in en bij de toepassing van wetten en regels informeerde ik uw Kamer, zoals eerder aangegeven, per brief van 11 juli 2022, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.20 In het kader van een schriftelijk overleg beantwoordde ik mede namens de Minister voor Rechtsbescherming op 18 januari 202321 enkele vragen vanuit uw Kamer over deze brief, onder meer over het onderzoek naar hardvochtige effecten van wetten en regels bij de departementen. Dit verloopt zoals eerder aangegeven via de betreffende beleidsdomeinen (zie het antwoord op vraag22. Verder stuurde ik uw Kamer op 20 januari 2023 ter kennisneming de teksten voor de preconsultatie van het wetsvoorstel versterking waarborgfunctie Awb.23
Op 22 april 202224 informeerde ik uw Kamer over de instelling van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme en vervolgens op 1 juli 202225 over de samenstelling ervan. Bij brief van 19 september 202226 zond ik samen met vijf andere bewindspersonen uw Kamer het Nationaal Programma tegen discriminatie en racisme toe, opgesteld onder coördinatie van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Op 13 december 202227 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de totstandkoming van dit programma.
Ten aanzien van de verbetering van de informatiehuishouding heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 12 december 2022 een brief aan uw Kamer gestuurd met antwoorden op vragen uit een verslag van een schriftelijk overleg.28 Daarin staat aangegeven dat uw Kamer in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk jaarlijks geïnformeerd zal worden over de voortgang van de verbetering van de informatiehuishouding. Over de implementatie van de Wet open overheid heb ik uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd, waaronder op 8 juli 202229 en 28 november 202230. Met betrekking tot de uitvoering toezegging om bij het verzenden van stukken aan het Parlement onderliggende departementale beslisnota’s te verstrekken, heb ik uw Kamer bij brief van 13 juni 202231 op de hoogte gebracht van de stand van zaken.
In voornoemde brief van 29 juni 2021 is aangegeven dat uw Kamer over het vervolg van de inspanningen op het gebied van ambtelijk vakmanschap in algemene zin geïnformeerd zal worden via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk over het jaar 2021 is uw Kamer voor het eerst over de stand van zaken geïnformeerd.32 Bij brief van 20 januari 202333 heb ik uw Kamer daarnaast op de hoogte gebracht van de uitvoering van de motie van de heer Ellian om de ambtseed voor rijksambtenaren te wijzigen.
De inzet is om de hersteloperatie zo snel mogelijk af te ronden. Wij willen allemaal dat gedupeerde ouders en hun kinderen zo snel mogelijk verder kunnen met hun leven. Op 21 oktober 202234 zond de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane uw Kamer de 12e Voortgangsrapportage hersteloperatie Toeslagen. Op 2 december 202235 zond zij uw Kamer antwoorden op vragen over de elfde en de twaalfde voortgangsrapportage, alsmede een toelichting op een aantal aspecten rondom de hersteloperatie. De volgende Voortgangsrapportage bevat de mogelijkheden die het kabinet ziet om de hersteloperatie te verbeteren en te versnellen en de effecten daarvan op planning. Deze rapportage ontvangt uw Kamer begin februari.
Hoe vaak is de Landsadvocaat in 2021 en 2022 ingeschakeld voor procedures van overheidsdiensten ten opzichte van burgers die in beroep gaan?
Daarvan zijn geen overzichten beschikbaar. In het algemeen kan het volgende worden aangegeven. Zoals eerder aan uw Kamer is medegedeeld36 betreft het grootste deel van de zaken waarin de landsadvocaat wordt ingeschakeld civiele procedures waarin vertegenwoordiging door een advocaat wettelijk verplicht is. Anders dan in het civiele recht geldt in het bestuursrecht in beginsel geen verplichte procesvertegenwoordiging. Uitgangspunt is dat bestuursorganen in deze gevallen vertegenwoordigd worden door ambtenaren die werkzaam zijn bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen waartegen het beroep is gericht. In bijzondere gevallen wordt de landsadvocaat ook ingeschakeld in bestuursrechtelijke zaken. Bijvoorbeeld daar waar de specifieke expertise van de landsadvocaat gewenst is of de complexiteit van de zaak daar aanleiding toe geeft.
Hoe vaak is de Landsadvocaat in 2021 en 2022 ingeschakeld om te adviseren bij overheidsdiensten over juridische kaders als het gaat om besluitvorming omtrent diensten of toekenningen aan burgers?
Daarvan zijn geen overzichten beschikbaar. In het algemeen kan het volgende worden aangegeven. De adviezen van de landsadvocaat hebben overwegend betrekking op te voeren procedures, af te sluiten contracten of voorgenomen besluiten in beleidskwesties. De Landsadvocaat kijkt in die gevallen naar de juridische aspecten en adviseert over de proceskansen en procesrisico's.
Hoe vaak komt de Ministeriële Commissie Herstel Toeslagen (MCHT) bijeen? Kunt u besluitenlijsten en de lijsten van deelnemers van de MCHT delen met de Kamer?
De Ministeriële Commissie Toeslagen en Herstel (MCTH) is sinds de oprichting op 9 februari 2021 twaalf keer bijeen gekomen, waarvan drie keer in 2022. De laatste vergadering vond plaats op 31 mei 2022 en de eerstvolgende zal plaatsvinden op 31 januari 2023. De MCTH heeft, net als andere ministeriële commissies, geen vaste vergaderfrequentie, maar komt bijeen wanneer hier aanleiding toe is. De besluiten uit de MCTH maken onderdeel uit van de besluitenlijst van de ministerraad die openbaar wordt gemaakt. De volgende bewindspersonen hebben zitting in de MCTH: de Minister-President, de Ministers van BZK, FIN, SZW en VWS, de Ministers voor APP, RB en VRO, en de Staatssecretaris van FIN (T&D). Daarnaast kan de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uitgenodigd worden voor besprekingen in de MCTH om het perspectief van de gemeenten te betrekken.
Wilt u deze vragen beantwoorden op 17 januari in verband met het debat over de rechtstaat op 19 januari 2023?
Zoals aangegeven in het debat is beantwoording voorafgaand aan het debat niet mogelijk geweest, met het oog op zorgvuldige afstemming met de diverse betrokken departementen.
De racistische leuzen op de Erasmusbrug |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het NOS bericht aangaande de racistische leuzen op de Erasmusbrug in Rotterdam die live te zien waren tijdens de jaarwisseling?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat rechts-extremistische groepen erin slagen hun gedachtegoed zo publiekelijk te verkondigen? En dat dit weerklank vindt in de politiek? Is dit door de regering afgekeurd? Zo ja, wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat er absoluut geen plaats is voor rechts-extremistische en racistische uitingen of opvattingen in onze democratische rechtsorde. Zowel de Minister van Justitie en Veiligheid als de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben zich herhaaldelijk uitgesproken tegen racisme en extremisme. Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid direct na de jaarwisseling heeft gezegd, horen racistische uitingen niet in ons land thuis2. In het debat met uw Kamer over de staat van de rechtsstaat heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties recentelijk uitgebreid stilgestaan bij de dreiging die het kabinet uit ziet gaan van rechts-extremisme.3
De projecties op de Erasmusbrug laten zien dat er geprobeerd wordt om rechts-extremistisch gedachtegoed onder de aandacht te brengen bij een breed publiek. Het kabinet maakt zich hier om twee redenen zorgen over. Ten eerste gaat er een dreiging uit van het normaliseren van het uitsluiten van minderheden. Dit tast de sociale cohesie aan en kan de democratische rechtsorde op termijn ondermijnen. Zoals in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) beschreven draagt het openlijk en kritiekloos bespreken van racistisch gedachtegoed bij aan de sociale acceptatie ervan4. Ten tweede bestaat het risico dat verspreiding van dergelijk gedachtegoed inspireert tot (voornemens voor) geweldpleging.
De AIVD heeft in het Jaarverslag 2021 beschreven dat er een groei is waargenomen van het rechts-extremisme in Nederland.5 Daarnaast heeft de NCTV in het meest recente DTN6 beschreven dat de verspreiding van rechts-extremistische content kan bijdragen aan het normaliseren van het gedachtegoed. In de brief van 7 november jl.7 onderschrijft het kabinet tevens het belang van gericht en daadkrachtig optreden tegen rechts-extremisme.
Het gaat om leuzen die gebruikt worden in neonazistische en Amerikaanse witte racistische kringen. Is u bekend wie dit zijn en hoe groot deze groep is in Nederland? Het Openbaar Ministerie doet nu onderzoek naar het strafrechtelijk karakter van deze actie; kunnen de uitkomsten daarvan spoedig worden verwacht?
De politie is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de uitingen die zijn geprojecteerd op de Erasmusbrug tijdens de jaarwisseling. Over lopende strafrechtelijke onderzoeken kunnen wij geen verdere uitspraken doen.
De AIVD doet onderzoek naar personen of organisaties waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat. Zoals eerder door de AIVD is beschreven kan in algemene zin wel worden gesteld dat rechts-extremistische groepen meer aanhang krijgen en proberen zij hun wereldbeeld normaal te laten lijken voor een groter publiek.8 Over specifieke organisaties of personen doet de AIVD in het openbaar geen uitspraken.
Om zijn coördinerende rol goed uit te kunnen voeren, kijkt de NCTV naar trends en fenomenen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, zoals rechts-extremisme. De NCTV heeft geen zicht op specifieke personen binnen deze kringen of de omvang van de groep. Daarnaast geldt dat de NCTV gebeurtenissen, zoals de projectie op de Erasmusbrug, beperkt kan duiden in afwachting van de Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid, die een grondslag moet creëren voor het verwerken van persoonsgegevens.
Via berichten uit een Telegramgroep kan worden opgemaakt dat er mogelijk meer acties gaan komen, zoals tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Hoe bent u voornemens dit soort schandalige acties te voorkomen? Wat gaat u daarvoor ondernemen?
Het kabinet is van mening dat er in Nederland absoluut geen plaats is voor racistische en rechts-extremistische uitingen. Hier past een gericht en daadkrachtig optreden. Uw kamer is over deze aanpak nader geïnformeerd in de brief van 7 november jl.9 Het kabinet blijft zich inzetten om te voorkomen dat jongeren radicaliseren en verstrengeld raken in het rechts-extremistische gedachtegoed. In het antwoord op vraag 6 wordt hier nader op ingegaan. Er is door het kabinet breed geïnvesteerd in het vergroten en versterken van kennis en bewustwording bij veiligheidspartners en professionals en er wordt nationaal en zeker ook internationaal gewerkt aan het tegengaan van extremistische en terroristische content online. Daarnaast bent u met de brief van 23 december jl.10 geïnformeerd over de bevoegdheden van burgemeesters ten aanzien van het tegengaan van (online) radicalisering en extremisme. Hierin zijn onder meer de instrumenten benoemd waar aan wordt gewerkt om lokale bestuurders in staat te stellen om online aangejaagde openbare orde verstoringen aan te pakken. Deze kunnen ook relevant zijn voor de aanpak van extremisme.
Indien soortgelijke acties zich opnieuw voordoen zal het Openbaar Ministerie per actie beoordelen of er een strafrechtelijk onderzoek gestart dient te worden. Het uitgangspunt is dat waar er door middel van een aangifte om vervolging wordt verzocht, het OM daartoe bij bewijsbare en strafbare discriminatie opportuniteit heeft. Ook zonder aangifte kan het Openbaar Ministerie optreden ter bescherming van de belangen zoals die door de wetgever in de discriminatieartikelen opgenomen zijn.
Ook is te lezen dat de groep soortgelijke samenwerking graag wil zien «tussen andere groepen in onze Blanke landen» wat wijst op een internationaal opererende club. Welke acties gaat u ondernemen om met uw collega’s in het buitenland (o.a. in Duitsland) hierover het gesprek te voeren om toekomstige acties te voorkomen?
Uiteraard werken we op internationaal, en zeker Europees, vlak nauw samen. Binnen Europese, en bilaterale, samenwerkingsverbanden, zoals de EU-raadswerkgroepen op het gebied van terrorisme en extremisme en het Radicalisation Awareness Network, zijn de ontwikkelingen en de aanpak van rechts-extremisme geprioriteerd en een vast onderwerp van gesprek. Zo organiseert dit netwerk sessies voor eerstelijns professionals over dit thema.
Rechts-extremisme is ook onderwerp van gesprek in het terrorisme comité van de Raad van Europa (CDCT) en de onderliggende werkgroepen op het gebied van extremisme. Nederland neemt hier actief deel aan. Ook binnen het Global Counterterrorism Forum (GCTF) en Verenigde Naties (VN) verband, waar het thema eveneens aan prioriteit heeft gewonnen. Zo is er door de Verenigde Staten en Noorwegen in GCTF verband een toolkit met beleidsaanbevelingen ontwikkeld die lidstaten kan ondersteunen bij de aanpak van rechts-extremisme en -terrorisme. Daarnaast heeft de Secretaris-Generaal van de VN een sessie georganiseerd over de internationale dreiging van rechts-extremisme waarin prioriteiten en aanbevelingen worden gedeeld.
Incidenten, zoals de uitingen op de Erasmusbrug, kunnen in dergelijke gremia ook worden besproken om kennis en ervaring te delen. Nederland zal zich in internationaal verband actief in blijven zetten in het tegengaan van rechts-extremisme. Dit doen we zowel bilateraal, o.a. met Duitsland, als in Europese en andere internationale samenwerkingsverbanden.
Vooral kwetsbare jongeren kunnen vatbaar zijn voor dit soort rechts-extremistisch gedachtengoed. Hoe wilt u deze jongeren in bescherming nemen? Welke plannen zijn daarvoor in de maak of worden al uitgevoerd?
Het is zorgelijk en kwalijk dat rechts-extremistisch gedachtegoed breed verspreid wordt en een aantrekkingskracht uitoefent op met name kwetsbare jonge mannen, niet zelden minderjarig. Het kabinet is er alles aan gelegen om jongeren hiertegen te beschermen en weerbaar te maken, niet alleen vanwege de dreiging van extremistisch en/of terroristisch geweld maar ook voor de kansen en toekomst van deze jongeren. In het voorkomen en tegengaan van rechts-extremistische radicalisering wordt dan ook de aansluiting gezocht met partners in het sociale- en zorgdomein en gemeenten.
Als er sprake is van radicalisering of zelfs mogelijk terroristische activiteiten kunnen ook jongeren worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak. Daar waar nodig kan en zal, passend bij de leeftijd van betrokkene, het bestaande instrumentarium uit de contraterrorisme aanpak ingezet worden met interventies die hun effect inmiddels hebben bewezen. Zo biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) advies en ondersteuning aan organisaties en professionals die met (rechts-) extremisme te maken krijgen.
Aangezien het online domein een belangrijke rol speelt bij rechts-extremistische radicalisering, is het van belang te voorkomen dat kwetsbare jongeren op alternatieve en gesloten platformen steeds extremere content tegenkomen. De implementatie van de EU-verordening ter voorkoming van de verspreiding van terroristische online inhoud (TOI-verordening) en de inrichting van de Autoriteit online Terroristisch Materiaal (ATKM) dragen hieraan bij. De Minister van Justitie en Veiligheid informeert u dit voorjaar over een onderzoek naar de versterkende werking van algoritmen.
Zoals onder vraag 2 aangegeven is in de brief van 7 november jl. uitgebreid ingegaan op de huidige inzet van het kabinet op het tegengaan van deze vormen van extremisme en -terrorisme. In deze brief is ook aangekondigd dat medio 2023 zowel de verdere uitwerking van de aanpak van online radicalisering als de strategie tegen extremisme gereed zullen zijn.
Het geweld tegen hulpverleners. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving dat ondanks toenemende aandacht voor het onderwerp het geweld tegen hulpverleners in het afgelopen jaar niet is afgenomen?1
Ja.
Deelt u de mening van de voorzitter van V&VN Ambulancezorg dat het onacceptabel is dat geweld tegen hulpverleners niet afneemt en, als je kijkt naar het aantal agressie-incidenten tegen ambulancepersoneel en politieagenten, sinds 2017 zelfs gestaag is toegenomen?
Er is geen plaats voor agressie en geweld tegen hulpverleners. Dit geweld is onacceptabel. Politiemensen, ambulancepersoneel, brandweerlieden en andere hulpverleners zijn elke dag aan het werk voor onze veiligheid en voor ons welzijn. Zij staan vooraan wanneer het moet en zij helpen andere mensen wanneer die in nood verkeren. Ik vind het onacceptabel dat zij bij de uitoefening van hun taken keer op keer te maken hebben met agressie en geweld.
Ik deel dan ook de mening van de voorzitter van V&VN Ambulancezorg. Het grote aantal incidenten van agressie en geweld tegen hulpverleners en de steeds verder stijgende lijn die we al enkele jaren op rij hierin zien, vind ik zeer verontrustend. De aanpak van agressie en geweld tegen hulpverleners en anderen die belast zijn met de uitvoering van een publieke taak is een prioriteit van het kabinet. Wij treden op tegen agressie en geweld met een harde aanpak richting de daders en met maatregelen ter voorkoming van agressie en geweld. Werkgevers hebben en nemen een belangrijke verantwoordelijkheid in het beschermen van hun werknemers. Werkgevers zijn verantwoordelijk voor het nemen van preventieve maatregelen richting hun werknemers en het zorgen voor goede ondersteuning en nazorg van slachtoffers als een incident met agressie en geweld heeft plaatsgevonden. In de navolgende antwoorden zal ik nader ingaan op de aanpak richting daders en de rol van de werkgevers.
Deelt u de mening dat daders van geweld tegen hulpverleners, zoals ambulancepersoneel, extra straf moeten krijgen en dat gemeenten de mogelijkheid moeten hebben ze uit hun huis te zetten en te korten op de bijstand, los van de straf die de rechter oplegt? Zo ja, heeft u de bereidheid om dit met burgemeesters nader uit te werken? Graag een gedetailleerd antwoord.
Werknemers met een publieke taak dienen hun werk veilig en onbelemmerd te kunnen uitoefenen. Personen die agressie en geweld gebruiken tegen hulpverleners moeten daarom met voorrang worden vervolgd en streng worden bestraft. Indien iemand wordt verdacht van agressie en geweld tegen hulpverleners, betrekt het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dit bij het bepalen van de strafeis. Het OM eist dan een 200% hogere straf. Met deze flinke strafverzwaring (verdrievoudiging) wordt een duidelijk signaal afgegeven dat dit soort crimineel gedrag niet wordt getolereerd.
In het strafrecht bepaalt de rechter de strafsoort en de hoogte van de straf die, alle omstandigheden van de concrete zaak in ogenschouw nemend, passend en geboden wordt geacht. Het in aanvulling op een strafrechtelijke veroordeling opleggen van een extra straf door de burgemeester of ander overheidsorgaan is in strijd met het una via-beginsel. Dit algemene rechtsbeginsel houdt in dat indien een gedraging zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kan worden afgedaan, gekozen dient te worden voor ofwel bestuursrechtelijke ofwel strafrechtelijke bestraffing. Straffen uit beide stelsels kunnen dus niet worden gecombineerd.
Worden de richtlijnen van het Openbaar Ministerie (OM) om een dubbele straf te geven voor geweld tegen hulpverleners voldoende nagekomen? Graag een gedetailleerd antwoord.
In lijn met de toezegging die ik heb gedaan aan uw Kamer naar aanleiding van vragen van het lid Michon-Derkzen tijdens het Commissiedebat Politie van 17 februari 2022 en in een brief over deze toezegging2, heb ik het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) verzocht een onderzoek uit te laten voeren naar de vraag hoe de officier van justitie en de rechter een strafeis, strafbeschikking of strafvonnis formuleren in zaken waarbij sprake is van agressie en geweld tegen mensen die zijn belast met de uitvoering van een publieke taak. Dit onderzoek moet tevens inzicht bieden in de straffen die worden geëist en opgelegd bij deze zaken en de mate waarin een strafverhoging wordt toegepast. Het WODC verwacht het onderzoek in september 2023 aan mijn ministerie aan te bieden. Ik zal het onderzoek, vergezeld van een beleidsreactie, nadien aan uw Kamer toesturen.
Graag geef ik wel nog het volgende mee. De toepassing van een strafverzwaring door een 200% hogere strafeis bij delicten tegen functionarissen met een publieke taak is vastgelegd in de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen van het OM. Bij het bepalen van de strafeis (of sanctie bij het opleggen van een strafbeschikking) neemt de officier van justitie de in richtlijnen voorgeschreven sanctie met 200% als uitgangspunt, waarna de officier van justitie ook andere strafverzwarende en strafverminderende elementen vanuit de wet, jurisprudentie en andere factoren betrekt bij het bepalen van de strafeis. Denk hierbij aan recidive, de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en andere elementen waarover in de Aanwijzing is opgenomen dat die strafverhogend of strafverlagend kunnen werken. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om strafverhogende factoren zoals het gebruik van wapens, een evenement of voetbalgeweld, maar ook om strafverlagende aspecten zoals de psychische gemoedstoestand van de verdachte en andere omstandigheden ten tijde van het feit en omtrent de persoon van de verdachte. De rechter is niet gehouden aan de richtlijnen van het OM. De rechter maakt een eigen afweging. In iedere zaak wordt dus maatwerk toegepast.
Wordt er voldoende prioriteit gegeven aan het aanpakken van het toenemende geweld door instanties als justitie? Graag een gedetailleerd antwoord.
Het kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van agressie en geweld tegen hulpverleners. In de Eenduidige Landelijke Afspraken zijn afspraken vastgelegd over de opsporing en vervolging van verdachten van agressie- en geweldsdelicten tegen functionarissen met een publieke taak. In de Eenduidige Landelijke Afspraken zijn onder meer een harde daderaanpak en het geven van prioriteit aan aangiften door politie en het Openbaar Ministerie afgesproken.
De werkgevers hebben een belangrijke verantwoordelijkheid in de preventie en nazorg. Bij hulpverleners zijn de werkgevers vaak overheidspartijen. Het kabinet zet zich dan ook vanuit die eigen werkgeversverantwoordelijkheid in voor de bescherming van zijn werknemers en ondersteunt andere partijen die ook deze werkgeversverantwoordelijkheid dragen zoals in de zorg. Dit doen we onder meer via de Taskforce Onze hulpverleners veilig. Begin 2021 is de Taskforce Onze hulpverleners veilig opgericht. In de Taskforce werken politie, BOA’s, brandweer, wetenschappen, het OM en mijn ministerie samen aan het terugdringen van geweld tegen hulpverleners en beogen dat politiemensen, brandweerlieden en BOA-handhavers hun werk veilig kunnen uitvoeren.
De Taskforce Onze hulpverleners veilig maakt er zich hard voor dat hulpverleners hun werk veilig moeten kunnen doen. Komende jaren richt de Taskforce zich voornamelijk op Veilig Werkgeverschap, Jeugd, en Kennis en Onderzoek. Met een diversiteit aan werkgevers richt de Taskforce zich op het versterken van de werkgeversverantwoordelijkheid in het voorkomen van agressie en geweld, het vergroten van de melding- en aangiftebereidheid, en het bieden van goede (na)zorg aan de werknemers die slachtoffer zijn geworden en hun thuisfront. De ambulancebranche (Verpleegkundigen en Verzorgen Nederland Ambulancezorg, V&VN AZ) en Ambulance Zorg Nederland (AZN) zijn als agendalid aangesloten bij de werkgroep en werken constructief mee aan de initiatieven op zorg en nazorg vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid.
Werkgevers in de zorg worden ondersteund in het (door)ontwikkelen van een eigen branchegerichte aanpak van agressie binnen het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). In de huidige fase van deze aanpak zijn vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn aan zet om – onder andere met behulp van onderzoek en subsidiegelden vanuit VWS – gericht aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een aanpak die aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche. De ambulancezorg heeft aangegeven via een andere weg – namelijk via de eigen branchevereniging – de eigen branchegerichte aanpak verder te ontwikkelen. Het Ministerie van VWS monitort de ervaren agressie op de werkvloer in zorg en welzijn via jaarlijkse werknemerspanels. Ook wordt er een lerend netwerk opgezet om kennis en ervaring rond de aanpak van agressie en ongewenst gedrag uit te wisselen. AZN neemt deel aan de voorbereidende gesprekken rondom dit netwerk. De bovengenoemde Eenduidige Landelijke Afspraken zijn ook van toepassing op zorgmedewerkers.
Wat gaat u doen om maatregelen te nemen om de aangiftebereidheid te vergroten? Graag een gedetailleerd antwoord.
Het is inderdaad zeer belangrijk dat slachtoffers aangifte doen van agressie en geweld, en dat zij hierin geen belemmeringen ervaren. Hier ligt ook weer een belangrijke rol voor de werkgever. Door de Taskforce Onze hulpverleners veilig worden in 2023 en 2024 regionale sessies in heel het land gehouden om vanuit de werkgevers de meldings- en aangiftebereidheid onder werknemers te vergroten door bewustwording over het onderwerp en over de mogelijkheden die de werkgever biedt. Deze sessies zijn gericht op de beroepsgroepen waar de Taskforce Onze hulpverleners veilig zich op richt: politie, BOA’s domein 1 en brandweer. Ook andere partijen, zoals de ambulancesector, kunnen aansluiten bij deze sessies en de opbrengsten kunnen ook benut worden door andere beroepsgroepen. Het Openbaar Ministerie en het Bureau slachtofferhulp zullen tevens deelnemen aan de sessies. Ook wordt er momenteel met het Ministerie van VWS, de sector zorg en welzijn, politie en het OM verder verkend hoe de meldings- en aangiftebereidheid in de zorg en welzijn verder kan worden vergroot. De inzet van het Ministerie van VWS is om dit jaar (regionale) bijeenkomsten te organiseren waar werkgevers in zorg en welzijn bijeengebracht worden met politie en het OM om de juiste kennis en informatie uit te wisselen over de ELA en gezamenlijk te bezien waar er verbeteringen in het aangifteproces kunnen worden doorgevoerd. Daarnaast geven de portefeuillehouders Veilige Publieke Taak van het OM en de politie regelmatig voorlichting en advies aan de betreffende beroepsgroepen, onder meer over het aangifteproces.
De situatie in Den Haag Zuidwest |
|
Olaf Ephraim (FVD), Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de situatie in Den Haag Zuidwest waar rivaliserende jongeren elkaar zo ernstig bedreigen dat de burgemeester naar aanleiding van een steekpartij een samenscholingsverbod heeft ingesteld1?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat buurtbewoners politiek en gemeente verwijten de toenemende spanningen te bagatelliseren? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
De gemeente Den Haag laat weten de problematiek serieus te nemen en beleidsmatig sterk in te zetten op het tegengaan van wapenbezit en geweld onder jongeren. Om het aantal steekincidenten terug te dringen is er het Haags actieplan wapens en jongeren met preventieve en repressieve acties. Voor de veiligheid en leefbaarheid in Den Haag Zuidwest is een integrale aanpak gestart. Met bestuurlijke maatregelen, zoals; een samenscholingsverbod, een sluiting van een winkel, extra openbare orde camera’s. Maar ook gerichte inzet van jongerenwerk en straatcoaches, buurtbijeenkomsten voor bewoners en voorlichtingen/lessen op scholen. De gemeente richt zich vooral op minderjarigen en jongeren en zet daarbij groot in op preventie. Ook worden er huisbezoeken afgelegd bij (ouders van) problematische jeugdgroepen om te voorkomen dat jongeren afglijden richting de criminaliteit. Zie ook de brief aan de gemeenteraad van Den Haag hierover.
Deelt u de mening dat deze onveilige situatie mede het gevolg is van de mislukte droom van een multiculturele samenleving, daar het vooral migrantenjongeren zijn die zich bewapen met messen zo groot als halve zwaarden? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Er zijn meerdere redenen aan te wijzen waarom jongeren met een wapen op zak lopen. In eerder onderzoek worden drie categorieën motieven voor het dragen van een wapen onderscheiden, die gerelateerd zijn aan expressief geweld. Het merendeel van de jongeren heeft een wapen bij zich voor het geval er iets gebeurt. Ze zeggen er alleen in uiterste nood mee te willen dreigen, om zich te verdedigen. Sommigen waren eerder slachtoffer van geweld en willen herhaling voorkomen. Het dieperliggende motief van deze categorie is angst om (opnieuw) slachtoffer te worden van geweld. Ze willen zich minder weerloos voelen.
Het is zorgelijk dat jongeren onveiligheid voelen en dat gevoel willen wegnemen door het dragen van een wapen. Daar wordt de situatie immers alleen maar onveiliger van. Anders dan menig jongere denkt, leidt het dragen van een wapen juist tot een grotere kans dat er wapengerelateerd geweld plaatsvindt. De drager van een wapen voelt zich zelfverzekerder en is met een wapen op zak minder geneigd een conflict te sussen of uit de weg te gaan.
Binnen de groep wapendragers zijn er ten tweede ook jongeren die het wel cool vinden met een wapen rond te lopen. Ze imponeren hun vrienden en vriendinnen door ermee te showen. Hun dieperliggende motief is vooral stoerdoenerij.
En er is ten derde een zeer kleine groep die doelbewust met een wapen rondloopt om het te gebruiken «als dat zo uitkomt». Deze kleine groep ziet een wapen als extra garantie om in een gevecht de andere partij ontzag in te boezemen. Ze imponeren door ermee te dreigen. Specifiek gerelateerd aan het plegen van instrumenteel geweld is er een enkeling die een wapen draagt om het te gebruiken in een beroving of overval. Het dieperliggende motief is dat een wapen vooral functioneel handig is voor de jongeren die bij voorbaat de intentie hebben tot daadwerkelijk gebruik van het wapen.
Heeft u de laatste cijfers van het toenemende wapenbezit onder jongeren? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de twintig grootste steden van ons land?
Tussen 2019 en 2022 bedroeg het totaal aantal inbeslaggenomen wapens 3509. Het exacte wapenbezit onder jongeren is niet bekend2. Het betreft dus niet het aantal minderjarigen, maar het aantal inbeslaggenomen wapens bij minderjarigen. De toename in de afgelopen jaren betekent niet per se dat het wapenbezit bij jongeren in gelijke mate is toegenomen. Het kan ook door extra acties/aandacht van de politie komen.
Wat gaat u doen om de veiligheid in wijken met weinig sociale cohesie, verloedering, overbewoning, een kwetsbare bevolking, armoede, werkloosheid en schooluitval, te verbeteren? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven met ook hier een plan van aanpak voor de twintig grootste steden?
Den Haag Zuidwest is één van de 16 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Deze wijken worden als kwetsbaar beschouwd, omdat de criminaliteit er hardnekkig is en de sociale problematiek zich opstapelt. De focusgebieden zijn wijken die steeds meer achteropraken ten opzichte van de gemiddelde positieve trend in Nederland. Hierdoor vormen deze kwetsbare wijken een voedingsbodem voor (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit.
Om te voorkomen dat jongeren en jongvolwassenen de (georganiseerde en ondermijnende) criminaliteit ingaan of hier verder in afglijden, zet de Minister van JenV samen met de Minister voor Rechtsbescherming, gemeenten, departementen en andere partners structureel in op preventie van (ondermijnende en georganiseerde) jeugdcriminaliteit, onder de noemer van Preventie met gezag.
Preventie met gezag is een brede domeinoverstijgende preventieve aanpak die moet voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 8 tot en met 27 jaar in aanraking komen met criminaliteit of daarin verder doorgroeien. Dat doen we door ze weerbaar te maken, een netwerk, structuur en perspectief te geven, zodat het aantrekkelijker is om op het rechte pad te blijven of om hun crimineel leven achter zich te laten. Dit alles niet vrijblijvend: we grijpen in als jongeren dreigen af te glijden, stellen grenzen en corrigeren samen met onze justitiële partners wanneer die grens duidelijk wordt overschreden. Op deze manier geven we een helder signaal dat criminaliteit niet loont.
Preventie met gezag is vorig jaar gestart in de 16 focusgebieden die tot het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid behoren. Later dit jaar volgen nog meer gemeenten.
Wat is de status van uitvoering van ons aangenomen tien-puntenplan bij de laatste Begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid?2 Kunt u een gedetailleerd antwoord geven mét tijdspad?
Het laatste bestuurlijke overleg voor de uitvoering van het actieplan Wapens en Jongeren staat gepland voor 28 maart 2023. Dan zal, mede aan de hand van de evaluatie en jaarcijfers van politie, gesproken worden over het vervolg. Bij het vormgeven van het vervolg wordt bezien hoe het tienpuntenplan hierin kan worden opgenomen.