Illegale casino’s op Curaçao. |
|
Renske Leijten , Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money over de illegale goksector op Curaçao?1
Ja.
Hoe verklaart u dat er circa twaalfduizend illegale gokwebsites gevestigd zijn op Curaçao en dat 40% van het wereldwijde ongereguleerde aanbod via Curaçao loopt?
Genoemde cijfers en percentages kan ik niet bevestigen. Curaçao heeft eigen kansspelwet- en regelgeving. De vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het aanbod van offshore kansspelen vallen daarmee sinds 10-10-10 binnen de autonomie van het land Curaçao. Op basis van lokale wet- en regelgeving is er door de autoriteiten van Curaçao een klein aantal masterlicenties verstrekt waarmee de economische exploitatie van de vergunning aan andere partijen kon worden overdragen zonder tussenkomst van een overheidsorgaan. Hierdoor is een groot aantal sublicenties ontstaan, hetgeen het aanbod van online kansspelen vanaf Curaçao verklaart.
Op dit moment verkrijgt een vergunninghouder in Curaçao op basis van lokale wet- en regelgeving het recht om in het buitenland kansspelen op afstand aan te mogen bieden (offshore). Tegelijkertijd stellen andere landen regels aan het mogen aanbieden van online kansspelen in het desbetreffende land. De vergunninghouders gevestigd in Curaçao bieden dus illegaal aan in die landen waarop zij zich richten indien zij niet aan de nationale wet- en regelgeving in die landen voldoen. Dat zij in Curaçao een vergunning hebben doet daar niet aan af.
Het kabinet neemt de zorgen omtrent illegaal kansspelaanbod op Curaçao serieus en zet zich in om het illegaal kansspelaanbod vanuit Curaçao in te perken. Curaçao en Nederland maakten daarom afspraken in het landspakket Curaçao over de modernisering en hervorming van het aanbod van online-kansspelen (maatregel H.19), waarin is opgenomen dat Curaçao voorziet in:
Curaçao werkt momenteel aan een getrapt plan van aanpak om het offshore kansspelaanbod in te perken en beter te kunnen reguleren. Naar verwachting wordt dit plan van aanpak deze maand vastgesteld.
Hoe kan het dat een bedrijf dat bijna overal ter wereld als illegaal is bestempeld, op Curaçao wel gewoon een vergunning heeft om weddenschappen en casinospellen aan te bieden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u reflecteren op de rol die de Nederlandse staat, PricewaterhouseCoopers, Ernst & Young, Maduro & Curiel’s Bank eind jaren »90 hebben gespeeld in het opzetten van een nieuw fiscaal raamwerk voor Curaçao en in hoeverre dit raamwerk volgens u debet is aan de huidige hoeveelheid aan casinocowboys op het eiland?
De landen van het Caribische deel van het Koninkrijk zijn, net als voorheen het land de Nederlandse Antillen, fiscaal autonoom. Dat betekent dat de Nederlandse staat geen directe bemoeienis heeft (gehad) met de inhoud van de lokale belastingwetgeving in het algemeen, en met het Nieuw Fiscaal Raamwerk (NFR) in het bijzonder. De Nederlandse Antillen hebben, op advies van de Commissie Nationaal Herstelplan, in de jaren voordat het NFR werd ingevoerd wel met Nederland fiscaal overleg gevoerd om de inhoud van het NFR op een zodanige wijze in te richten dat de Antillen van de indertijd gepubliceerde OESO-lijst van «tax havens» zou verdwijnen. Nederland heeft in dat kader de Nederlandse Antillen juist aangemoedigd om schadelijke belastingregimes buiten werking te stellen, of te ontdoen van schadelijke elementen (door het invoeren van hogere tarieven, betere informatievoorzieningen, meer transparantie).
De online-casino’s die thans op Curaçao actief zijn maakten tot en met 2019 gebruik van de wetgeving omtrent economische zones; een belastingfaciliteit die in 2001 in werking trad maar formeel buiten het NFR viel. De afgifte van vergunningen om binnen de economische zones een online-casino te mogen exploiteren wordt verzorgd door de Gaming Control Board, een onafhankelijke stichting die zelfstandig opereert op Curaçao. Voor de invoering van de Landsverordening economische zones in 2001 heeft het land de Nederlandse Antillen actief steun gezocht bij het lokale bedrijfsleven. PwC, E&Y en de MCB-bank hebben indertijd zitting gehad in een adviescommissie die voor dat doel is opgezet.
Thans maken onlinecasino’s op Curaçao gebruik van een faciliteit in de Curaçaose wetgeving die (kort gezegd) winst behaald buiten Curaçao vrijstelt van winstbelasting. Curaçao heeft naar aanleiding van een beoordeling van de EU Code of Conduct Group de faciliteit zodanig vormgegeven dat dubbele niet-heffing wordt voorkomen.
Herkent u het beeld dat de (online) goksector op Curaçao hard gegroeid is nadat het in 2010 werd uitgeroepen tot onafhankelijk land binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Zo ja, hoe heeft dat kunnen gebeuren en wat had de Nederlandse overheid daar tegen kunnen doen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat de Nederlandse Kansspelautoriteit (Ksa) wel boetes op kan leggen, maar ze niet kan innen, nota bene bij bedrijven die gevestigd zijn in een land dat onderdeel uitmaakt van ons Koninkrijk? Heeft de Ksa wel voldoende bevoegdheden om hier goed door te kunnen pakken en dus de Nederlandse consument te beschermen tegen illegale goksites? Zo ja, waaruit blijkt dat?
De Kansspelautoriteit (Ksa) kan aanbieders die in Nederland zonder vergunning online kansspelen aanbieden onder andere een last onder dwangsom of een boete opleggen, ongeacht waar ze zijn gevestigd. Het is echter niet altijd eenvoudig om boetes die zijn opgelegd aan in het buitenland gevestigde aanbieders ook daadwerkelijk te verhalen. Om de betaling van een bestuurlijke boete in het buitenland af te dwingen moet een daar geldige executoriale titel worden verkregen. Met betrekking tot de boetes aan partijen gevestigd op Curaçao heeft de Kansspelautoriteit mij laten weten dat het hier vrijwel steeds gaat om brievenbusfirma’s en dat het tot nu toe niet mogelijk is gebleken om vermogensbestanddelen te achterhalen, waarop bijvoorbeeld beslag kan worden gelegd.
Het opleggen van een last onder dwangsom of boete is echter maar één van de middelen die kunnen worden ingezet om illegale aanbieders te stoppen. Met de inwerkingtreding van de Wet Koa op 1 april 2021 heeft de Ksa zoals bekend een aantal nieuwe bevoegdheden gekregen voor het tegengaan van illegaal online aanbod. De Ksa kan aan dienstverleners van illegale aanbieders, zoals betaaldiensten of internetproviders, een bindende aanwijzing geven om met die dienstverlening te stoppen. In het uiterste geval kan een website worden geblokkeerd. Hiermee kan het aanbieden van illegale kansspelen aan spelers in Nederland ernstig verstoord worden.
Over de inzet van deze nieuwe bevoegdheden kan nu nog geen uitspraak worden gedaan. Op 15 november 2021 heeft de Ksa aangekondigd dat zij een onderzoek gaat doen naar 25 illegale kansspelwebsites, waarbij de eerdergenoemde, nieuwe bevoegdheden kunnen worden toegepast indien daartoe aanleiding is. Binnen deze selectie zitten ook enkele websites uit Curaçao.
Welke andere mogelijkheden zijn er, naast het opleggen van boetes, om illegaal opererende goksites uit Nederland te weren? Hoe vaak worden die middelen ingezet? . Bent u bereid Curaçao hulp aan te bieden in de strijd tegen de casinocowboys, bijvoorbeeld door de Ksa ter plekke haar deskundigheid aan te laten bieden of samen met Curaçao te werken aan betere wetgeving zodat beter toezicht gehouden kan worden op de goksector?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken met betrekkint tot de uitvoering van de motie van de leden Van Raak en Bosman die de regering verzocht met een voorstel te komen om het Team Bestrijding Ondermijning te continueren? In hoeverre levert het onderzoek van dat team op dit moment een bijdrage aan het aanpakken van de illegale gokindustrie op Curaçao? Bent u bereid te bezien of deze bijdrage kan worden uitgebreid? Zo nee, waarom niet?2
Op het moment dat er sprake is van een onafhankelijke toezichthouder met adequate bevoegdheden kan de Ksa een bijdrage leveren in deskundigheidsbevordering en haar kennis en ervaring delen. Zie verder de beantwoording van vragen 3 en 5.
De Kamerbrief 'Financiële compensatie voor het tekortschieten in de informatievoorziening bij wijziging van de SBF-regeling' |
|
Michiel van Nispen , Hilde Palland (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de brief van de belangengroep «SBF moet eerlijk» met kenmerk JHV/GJG/11102021/01 van 11 oktober 2021?
De kern van het bezwaar uit de brief van de belangengroep «SBF moet eerlijk» (hierna SBF-groep) van 11 oktober 2021 gaat over de vormgeving van de SBF-regeling. Deze regeling is in 2008 tot stand gekomen in overleg tussen de toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst en de vakbonden. Deze regeling is door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie uitgevoerd.
De belangengroep SBF-groep merkt in de brief van 11 oktober 2021 op dat er sprake is van «een technisch verhaal» dat «slechts de loop der dingen, die heeft geleid tot het ontstaan van de SBF-regeling, weergeeft». Het klopt dat er sprake is van een technisch verhaal. Dat heeft te maken met de vormgeving en de aard van de SBF-regeling en de aanpassingen na invoering van de regeling waardoor er niet ontkomen wordt aan een technische uitleg.
Ook stelt de SBF-groep in de brief dat de Minister de motie Palland/Van Nispen niet wil uitvoeren. Bij deze motie gaat het echter eerst over de vraag of er daadwerkelijk sprake is geweest van pensioenschade door de wijziging van de SBF-regeling of bij het ontwerp van de SBF-regeling ten opzichte van de eerdere regelingen. Ik heb om deze vraag te beantwoorden navraag gedaan bij de deskundigen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Zij hebben duidelijk aangegeven dat er geen sprake is van pensioenschade. Die conclusie neem ik over. Hoe tot deze conclusie is gekomen heb ik u in mijn brief van 8 oktober 2021 aan de hand van een technische uitleg aangegeven.
De SBF-groep merkt ook op dat er wel compensatie is toegekend voor het gebrek aan informatie bij de wetswijziging van 1 januari 2013, maar niet voor de invoering van de SBF-regeling op 1 januari 2010. Dat is niet juist, de compensatie is conform de aanbevelingen van de hoogleraren. Daarbij merk ik op dat de SBF-groep in verband met de nieuwe SBF-regeling in 2010 al eerder een compensatie heeft ontvangen van twee maanden SBF-uitkering. Dit op grond van een akkoord dat het toenmalige Ministerie van Veiligheid en Justitie met de vakbonden op 26 juni 2014 heeft gesloten. De vakbonden hebben voor «het tekortschieten van de zijde van de werkgever op het gebied van voorlichting» een voorstel Inzet Samenwerkende Centrales voor het Overheidspersoneel (SCO) sector Rijk (d.d. 19 december 2013) ingediend en deze compensatie is in het overleg tussen het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de vakbonden tot stand gekomen met een ondertekend akkoord van 26 juni 2014. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 26 mei 2014. En ik ben daar ook op ingegaan in mijn brief van 8 oktober 2021.
Kent u de motie van het lid Gesthuizen (SP) van 6 juli 2012, die met vrijwel algemene stemmen is aangenomen, waarin melding wordt gemaakt van pensioenschade voor SBF-ers als gevolg van de SBF-verlofregeling, aangezien u in uw Kamerbrief van 8 oktober 2021 concludeert dat er in financieel-technische/inhoudelijke zin geen sprake is van pensioenschade voor SBF-ers als gevolg van de invoering van de SBF-verlofregeling?1, 2
Ja, ik ken de motie.
Is het u bekend dat, mede vanwege bovengenoemde motie van het lid Gesthuizen, de toenmalige Minister van Wonen en Rijksdienst in een voorstel van 17 april 2014 aan de vakbonden onder andere heeft aangegeven de gevolgen van de SBF-verlofregeling voor de pensioenen van de SBF-ers ongewenst te vinden? Is het u bekend dat hij mede daarom een nieuwe SBF-regeling wilde invoeren? Is daarmee niet toen al vastgesteld en erkend dat er inderdaad sprake was van pensioenschade?
De toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft op 17 april 2014 een voorstel aan de vakbonden gestuurd voor een nieuwe SBF-regeling. Daarin doet hij – mede indachtig de motie Gesthuizen – een voorstel, waarin de SBF-medewerker zelf kon bepalen vanaf welke leeftijd hij gebruik wilde maken van de SBF-regeling. Dit kan sindsdien vanaf de leeftijd van 60 jaar. Hiermee kwam de Minister van Wonen en Rijksdienst tegemoet aan de wens van de vakbonden om medewerkers zelf te laten bepalen wanneer iemand kon stoppen met werken, gebruik kon maken van de SBF-uitkering en dus zelf te bepalen wanneer de medewerker het pensioen wilde laten ingaan. Die keuzemogelijkheid was voordien niet opgenomen in de SBF-regeling; niet in de SBF-ontslagregeling (voor 1 januari 2010) en ook niet in de SBF-verlofregeling (na 1 januari 2010). Daarmee is niet vastgesteld en erkend dat er sprake is van pensioenschade.
Klopt het dat u heeft aangegeven de conclusies over te nemen uit het rapport van de hoogleraren Boot en Lubbers, waarin wordt gesteld: «Ter beantwoording van deze vraag hebben wij onderzocht of DJI in het dossier van de SBF-ers in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat zowel de informatievoorziening door DJI rondom de invoering van de SBF-regeling per 1 januari 2010 als de handelwijze van DJI rondom de naleving van de wetswijziging per 1 januari 2013 kan worden aangemerkt als strijdig met het goed werkgeverschap.»? Erkent u dat de hoogleraren Boot en Lubbers in hun rapport over de invoering van de SBF-verlofregeling tevens het volgende aangeven: «SBF-ers zijn daarover door hun werkgever volstrekt onvoldoende geïnformeerd. Zij hebben daardoor niet de kans gehad andere keuzes te maken dan is gebeurd, zoals het niet of op een later moment laten ingaan van het verlof.»? Is daarmee niet impliciet vastgesteld door de hoogleraren dat er pensioenschade is geleden?3
Met mijn brief van 25 juni 2021 (Kamerstuk 31 066, nr. 853) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inhoud van het rapport van de hoogleraren Boot en Lubbers. De conclusie van de onderzoekers komt erop neer dat de overheid vanuit de fiscale kant niets te verwijten valt maar dat op grond van de arbeidsrechtelijke invalshoek (goed werkgeverschap) de overheid als werkgever qua informatievoorziening tekort is geschoten. Dit had beter gekund en daarvoor hebben de hoogleraren een compensatie voorgesteld. Ik heb deze conclusies van de hoogleraren overgenomen en deze compensatie uitgekeerd. Dit betekent niet dat er aangetoond is dat er sprake is van pensioenschade.
Kunt u aangeven of de volgende bewering van de belangengroep «SBF moet eerlijk» correct is: «De SBF-regeling = circa 36 maanden 70% van het laatstverdiende netto-salaris. Ouderdomspensioen met ingang van het 63ste jaar (met daarbij een gigantisch pensioen- en AOW-gat). De noodzaak om ouderdomspensioen naar voren te halen teneinde gedurende de overbruggingsperiode het hoofd boven water te houden, hetgeen betekent, dat de SBF-er tot aan zijn dood honderden euro’s pensioen netto per maand minder ontvangt.»?
De bewering van de SBF-groep dat er minder pensioen wordt ontvangen is niet juist. De SBF-verlofuitkering duurde gemiddeld 36 maanden ofwel 3 jaar. Daarna kon de SBF-verlofmedewerker met zijn FPU-overgangsrecht tot zijn AOW-leeftijd (65 jaar) een vroegpensioenuitkering financieren van 80% van zijn laatst verdiende bezoldiging. De SBF-verlofmedewerker heeft dan twee jaar zijn pensioen naar voren gehaald. De SBF-ontslagmedewerker ontving maandelijks een FPU-uitkering aangevuld met een SBF-ontslaguitkering. De twee jaar vervroeging van het pensioen van de SBF-verlofmedewerker komt in pensioen technische zin overeen met de vijf jaar die de SBF-ontslagmedewerker aan SBF-uitkering ontving. Deze nieuwe uitwerking vanaf 2010 is niet ten koste gegaan van zijn ouderdomspensioenuitkering na de AOW-leeftijd. De pensioenuitkering na AOW-leeftijd van de SBF-verlofmedewerker kwam hiermee op hetzelfde niveau als de pensioenuitkering van de SBF-ontslagmedewerker.
Erkent u dat er in dit dossier dus niet alleen sprake is van inhoudelijke problemen met de toenmalige SBF-verlofregeling die tot pensioenschade hebben geleid, maar dat de DJI daarnaast door in procedurele/arbeidsrechtelijke zin nalatig te zijn geweest heeft bijgedragen aan het ontstaan van de pensioenschade, omdat zij door haar nalatigheid de SBF-ers de mogelijkheden heeft ontnomen om tegen die regeling op te komen?
Ik erken niet dat er sprake is van pensioenschade. Ik erken wel zoals ook al eerder gemeld dat op grond van de arbeidsrechtelijke invalshoek (goed werkgeverschap) de overheid als werkgever qua informatievoorziening tekort is geschoten bij de wijziging van de SBF-regeling. Dit had beter gekund en daarvoor is een compensatie uitgekeerd. De SBF-medewerkers hebben vanzelfsprekend conform de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid gehad bezwaar- en beroepsprocedures te voeren en zij hebben daar ook gebruik van gemaakt. Er zijn diverse uitspraken van rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep heeft op 28 februari 2014 een uitspraak gedaan over de SBF-regeling en de gevolgen hiervan voor het pensioen. Die hebben niet tot een andere zienswijze geleid.
Hoe kan het, dat u naar aanleiding van het rapport van de hoogleraren Boot en Lubbers slechts voor één aspect tot compensatie komt (namelijk de wetswijziging per 1 januari 2013) en niet voor het andere aspect (invoering SBF-regeling per 1 januari 2010)? Bent u van mening dat u met deze gedeeltelijke compensatie recht doet aan de – door u overgenomen – conclusies van het rapport van hoogleraren Boot en Lubbers? Erkent u, dat u hiermee de motie van het lid Omtzigt van 2 juli 2020 slechts zeer ten dele en dus onvolledig heeft uitgevoerd?4
Zie antwoord bij vraag 1.
Wat zijn de door u voorgenomen vervolgstappen richting de SBF-gedupeerden? Is er overleg met hen gepland? Zo nee, bent u alsnog bereid tot overleg?
Ik heb voor de beantwoording van deze vragen navraag gedaan bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hieruit blijkt dat er met de invoering van de nieuwe regeling in 2010 geen nadelige gevolgen van de SBF-regeling op het pensioen zijn.
Ik heb geen overleg of vervolgstappen gepland met de SBF-medewerkers die gebruik hebben gemaakt van de SBF-verlofregeling of van de belangengroep «SBF moet eerlijk» gepland staan. Dit lijkt me gelet op bovenstaande beantwoording niet opportuun.
De afschaffing van het directe klachtrecht van consumenten bij de Tuchtraad financiële dienstverlening |
|
Michiel van Nispen |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op mijn vragen over wettelijk tuchtrecht voor verzekeraars en heeft u kennis genomen van de blog «Had Hoekstra wel de juiste documenten toen hij antwoord gaf aan Van Nispen». Zo ja, bent u na het lezen van het blog nog steeds van mening dat verzekeraars de mogelijkheid tot het indienen van (directe) tuchtklachten niet hebben willen beperken?1, 2
Ja, ik heb kennis genomen van het genoemde blog en blijf van oordeel dat er geen sprake is van beperking door verzekeraars van de mogelijkheid tot het indienen van tuchtklachten. Het recht van consumenten om een tuchtklacht over hun verzekeraar in te dienen geldt onverkort. Bij de oprichting van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) is alleen de wijze waarop verzekerde consumenten een tuchtklacht over hun verzekeraar kunnen indienen gewijzigd.
Voor de oprichting van het Kifid in 2007 konden verzekerden zowel klachten die gaan over een geschil met hun verzekeraar (de materiële klachten) als klachten van tuchtrechtelijke aard over hun verzekeraar indienen bij de Raad van Toezicht Verzekeringen. Bij de oprichting van het Kifid is de beoordeling van materiële klachten van consumenten naar het Kifid gegaan, zodat de beoordeling van materiële geschillen met alle financiële dienstverleners aan één geschilleninstantie is. De leden van het Verbond van Verzekeraars wilden aanvankelijk het tuchtrecht voor verzekeraars ook onderbrengen in het Kifid maar dit verhield zich niet goed met de taak van het Kifid van beslechting van materiële geschillen met alle financiële dienstverleners. Het Verbond van Verzekeraars hechtte er evenwel aan het tuchtrecht in stand te laten en heeft dit vervolgens ondergebracht in de daartoe in 2008 opgerichte Tuchtraad. Omdat klachten over verzekeraars veelal materieel van aard zijn en een extra loket belastend kan zijn voor consumenten, is gekozen voor één centrale klachtenplaats voor klachten over de eigen verzekeraar. Dit betekent dat sinds de oprichting van het Kifid alle klachten van consumenten3 over hun verzekeraar, waaronder tuchtklachten – vanuit de één-loketgedachte – kunnen worden ingediend bij het Kifid.4 Het Kifid filtert hierop de klachten. Klachten die gaan over het materiële geschil zal het in behandeling nemen, tuchtklachten zal het Kifid doorgeleiden naar de Tuchtraad. Dit laat het recht van verzekerde consumenten om een tuchtklacht over hun verzekeraar in te dienen onverlet.
Bent u het, na het lezen van bovengenoemd blog, met mij eens dat afschaffing van het directe klachtrecht van consumenten door het Verbond van Verzekeraars tegen de zin van de Tuchtraad heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet?
De huidige wijze waarop verzekerde consumenten een tuchtklacht over hun verzekeraar kunnen indienen is niet tegen de zin van de Tuchtraad (of voorgaande raden) doorgevoerd. Zoals ik in mijn beantwoording van eerdere schriftelijke vragen5 noemde, was de Tuchtraad er aanvankelijk voorstander van dat tuchtklachten rechtstreeks bij de Tuchtraad zouden kunnen worden ingediend. Dit is ook vermeld in de in het blog genoemde jaarverslagen van de Tuchtraad uit 2008 en 2009. Na overleg hierover had de (voorloper van de) Tuchtraad destijds – nog voor de oprichting van de Tuchtraad – begrip voor de wens van één loket om te borgen dat een consument met een klacht over diens verzekeraar bij het juiste adres terechtkomt en niet zelf moet gaan zoeken met welke klacht hij waar naartoe moet. Dat is naar ik van de Tuchtraad begrijp thans nog steeds het geval.
Hoe verklaart u dat in de periode 1 januari 2008 tot 1 april 2009 geen enkele klacht van verzekerde consumenten direct bij de Tuchtraad is binnengekomen, terwijl dat in die periode nog wel tot de mogelijkheden behoorde en de Tuchtraad in eerdere jaren, aldus vóór die periode, ook daadwerkelijk regelmatig klachten binnenkreeg? Heeft het Verbond van Verzekeraars wellicht in feite het klachtrecht per 1 januari 2008 afgeschaft, echter zonder het reglement per die datum aan te passen?
Het Kifid is opgericht in 2007; de Tuchtraad op 1 januari 2008. Vanaf dat moment konden consumenten6 zich tot het Kifid wenden voor alle klachten over hun verzekeraar waarbij de interne klachtenprocedure van de verzekeraar geen uitkomst heeft geboden7. Het Kifid filtert hierop de klachten. Klachten over het materiële geschil zal het in behandeling nemen, tuchtklachten zal het Kifid doorgeleiden naar de Tuchtraad.
In de periode van 1 januari 2008 tot 1 april 2009 zijn er – via het Kifid – geen tuchtrechtklachten van consumenten over hun verzekeraar bij de Tuchtraad binnengekomen. Mij is de reden hiervan niet bekend. Het Verbond van Verzekeraars en de Tuchtraad hebben me verzekerd dat er geen sprake is van tussentijdse aanpassingen van het reglement van de Tuchtraad gericht op afschaffing of beperking van het klachtrecht. Een mogelijke verklaring voor het uitblijven van door het Kifid doorgezonden klachten kan zijn dat het Kifid in die tijd nog een tweefasenprocedure had, met eerst beoordeling door de ombudsman en als de consument dat wilde dan de geschillencommissie van het Kifid. Met dit proces was enige tijd gemoeid alvorens klachten werden doorgezonden naar de Tuchtraad. Ook is denkbaar dat destijds – ook bij consumenten – bovenal veel aandacht is uitgegaan naar het Kifid als (nieuw) geschilleninstituut voor alle financiële dienstverleners, waaronder verzekeraars. Ik constateer dat klachten na die periode wel bij de Tuchtraad zijn doorgekomen c.q. doorkomen en de uitspraken van de Tuchtraad openbaar worden gemaakt onder meer om bij te dragen aan de normontwikkeling binnen de sector en kenbaarheid van de gedragsnormen waaraan verzekeraars zich committeren.
Erkent u dat, net als de Tuchtraad zelf constateerde, het Verbond van Verzekeraars met de afschaffing van het directe klachtrecht de onafhankelijkheid van de Tuchtraad heeft aangetast? Zo nee, waarom niet?
Bij de toegang tot het tuchtrecht voor verzekeraars is een afweging gemaakt tussen het belang van rechtstreekse toegang tot de Tuchtraad enerzijds en het belang van één loket voor consumenten anderzijds. Bij het tuchtrecht voor verzekeraars is gekozen voor één centrale klachtenplaats voor klachten over de eigen verzekeraar, net zoals voor de oprichting van het Kifid het geval was. Consumenten8 kunnen zich tot het Kifid (of de burgerlijke rechter) wenden in geval van een geschil met hun verzekeraar waarbij de interne klachtenprocedure van de verzekeraar geen uitkomst heeft geboden. Het Kifid zorgt voor doorgeleiding van tuchtklachten naar de Tuchtraad. De filterfunctie voor het tuchtrecht, die ook andere tuchtrechtelijke stelsels kennen, is daarmee belegd bij een andere onafhankelijke instantie, het Kifid. Deze centrale loketfunctie doet geen afbreuk aan de onafhankelijkheid van de Tuchtraad: de inhoudelijke beoordeling van de tuchtklacht is en blijft exclusief aan de tuchtraad voorbehouden.
Zoals ik in de beantwoording van vraag 2 schreef, was de Tuchtraad er aanvankelijk voorstander van dat tuchtklachten rechtstreeks bij de Tuchtraad zouden kunnen worden ingediend, maar had zij destijds begrip voor de wens van één loket voor consumenten. Dat is naar ik van de Tuchtraad begrijp thans nog steeds het geval.
Hoe kan het dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) als toezichthouder de afschaffing van het directe klachtrecht bij de Tuchtraad heeft laten gebeuren, terwijl de Tuchtraad haar bezwaren over de nieuwe regeling kenbaar had gemaakt?
Het bestuursrechtelijk toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (de AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) is gericht op de naleving van wet- en regelgeving op het terrein van de financiële markten, zoals de Wet op het financieel toezicht. Dit omvat wat de AFM betreft onder meer toezicht op de naleving van het provisieverbod voor complexe financiële producten, de eisen die aan het productontwikkelingsproces worden gesteld, een integere en beheerste bedrijfsvoering gericht op een zorgvuldige behandeling van klanten, en verschillende transparantieverplichtingen. Als er sprake is van schending van deze wet- en regelgeving, kan de toezichthouder handhavend optreden en een sanctie opleggen.
Het tuchtrecht voor verzekeraars heeft betrekking op de gedragsnormen die de verzekeringssector c.q. verzekeraars zelf – al dan niet tezamen met andere organisaties – ontwikkelen en waaraan ze zich committeren, zoals de Gedragscode Verzekeraars. Dit vormt geen onderdeel van de wet- en regelgeving waar de toezichthouder (risicogeoriënteerd) op toeziet.
Zoals aangekondigd wordt wel ingezet op wettelijke verankering van het tuchtrecht voor verzekeraars. Hierdoor worden alle verzekeraars met zetel in Nederland onderworpen aan tuchtrecht en worden hieraan wettelijke waarborgen verbonden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang en het opdragen van de toepassing en uitvoering van de tuchtrechtelijke regeling aan een onafhankelijke en deskundige externe instantie. DNB zal er (risicogeoriënteerd) op toezien dat verzekeraars zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen.9
Voor de positie van de Tuchtraad verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 2 en 4.
Kunt u bevestigen dat het tuchtrecht bij verzekeraars het enige tuchtrecht in Nederland is waarbij voor consumenten geen directe klachtenprocedure openstaat? Wat vindt u daar van?
Bij het tuchtrecht voor verzekeraars is gekozen voor één centrale klachtenplaats bij het Kifid voor klachten van consumenten over de eigen verzekeraar, net zoals voor de oprichting van het Kifid het geval was. Achtergrond hiervan is dat klachten over verzekeraars veelal materieel van aard zijn en een extra loket belastend kan zijn voor consumenten doordat ze niet weten met welke klacht ze waar naartoe moeten. Deze zogenaamde loketfunctie, waarbij er een soort voorportaal is, komt ook in andere tuchtrechtstelsels voor. Ook daar bleek dat er veel klachten bij de tuchtrechter terecht komen die zich meer lenen voor behandeling door een geschillencommissie, zoals bij het tuchtrecht voor advocaten en het tuchtrecht voor banken.10 Mede om die reden is bijvoorbeeld in de advocatuur gekozen voor één loket voor degenen die zich onjuist behandeld voelen door – in dat stelsel – een advocaat: een tuchtklacht over een advocaat moet ingediend worden bij de lokale deken. In de parlementaire geschiedenis is toegelicht dat voor de cliënt niet altijd duidelijk is waar hij zich in geval van een klacht of geschil dient te melden en dat door zich te kunnen melden bij één loket, een adequate informatievoorziening en doorverwijzing kan plaatsvinden11.
Kunt u aangeven hoe en waar consumenten en anderen op eenvoudige wijze kennis kunnen nemen van het geldende tuchtrecht in de verzekeringsbranche en hoe zij een klacht in kunnen dienen? Is dit volgens u voldoende duidelijk? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, wat gaat u hier aan doen?
Het is van belang dat consumenten op de hoogte zijn van het tuchtrecht van verzekeraars en de wijze waarop zij een tuchtklacht kunnen indienen. Op de website van het Verbond van Verzekeraars12 en op de website van de Tuchtraad13 staat wat het tuchtrecht omvat en op welke wijze consumenten klachten over verzekeraars, waaronder tuchtklachten, kunnen indienen. Bij een Google-zoekopdracht verschijnt (vrijwel) meteen de betreffende webpagina van het Verbond van Verzekeraars (gevolgd door de webpagina van de Tuchtraad) bij het intoetsen van zoekopdrachten als «tucht en verzekeraars» en «klachten en verzekeraars». Ik hecht er echter voor de kenbaarheid van het tuchtrecht bij consumenten aan dat verzekeraars dit zelf ook kenbaar maken. Ik heb hiervoor dan ook aandacht gevraagd bij het Verbond van Verzekeraars en verzekeraars opgeroepen om de mogelijkheid tot het indienen van tuchtklachten voldoende kenbaar te maken in hun interne klachtenprocedure en op hun website.14 Ik zal dit nauwgezet volgen.
Bent u van mening dat de grote mate van zelfregulering in de verzekeringsbranche heeft bijgedragen aan een betere bescherming voor consumenten tegen misstanden van verzekeraars? Zo ja, kunt u dat nader onderbouwen? Zo nee, wat gaat u doen om consumenten alsnog betere bescherming te bieden?
Tuchtrecht heeft bij uitstek betrekking op gedragsnormen die binnen een groep (behoren te) gelden. Gedrag, een goede governance en gezonde cultuur kunnen niet met regelgeving alleen worden bevorderd. Integendeel, een gezonde cultuur moet juist komen vanuit de sector zelf. Uit de evaluatie van de algemene zorgplicht15 volgt dat er binnen de (verzekerings)sector meer bewustwording is over c.q. meer bewustzijn is van het borgen van het klantbelang en het belang van cultuurverandering binnen de onderneming. Ook in de beleidsdoorlichting financiële markten16 is opgemerkt dat er veranderingen in gedrag en cultuur hebben plaatsgevonden. Er is bewustwording, transparantie en verantwoordelijkheid bij beleidsbepalers van financiële ondernemingen waargenomen.
Verzekeraars hebben zelf belangrijke stappen gezet, initiatieven ontplooid en lessen getrokken uit het verleden. Zo heeft de verzekeringssector via het Verbond van Verzekeraars een integraal programma ontwikkeld ter versterking van de positie van de klant. Dit omvat onder meer het direct opzegbaar maken van verzekeringen, de verbetering van de interne klachtenprocedures en klantcommunicatie alsmede het actief bijdragen aan financiële educatie. Daarnaast hebben verzekeraars via zelfregulering onder meer de transparantie verbeterd. Ook is de Gedragscode Verzekeraars aangescherpt en uitgebreid en houdt de onafhankelijke Stichting toetsing verzekeraars toezicht op de naleving van deze gedragscode (evenals op andere codes). Daarnaast hebben verzekeraars via het Verbond van Verzekeraars een tuchtrechtstelsel ingevoerd, en dit recentelijk aangescherpt, met als doel dat de aangesloten verzekeraars de goede naam van of het aanzien van en het vertrouwen in de bedrijfstak in stand houden. Ik sta positief tegenover deze initiatieven vanuit de sector die – in aanvulling op wet- en regelgeving – gericht zijn op verbetering van de positie van de klant danwel het vertrouwen in verzekeraars.
Om het belang van de consument beter te beschermen is de afgelopen decennia een groot aantal (Europese en nationale) wettelijke maatregelen getroffen in de financiële sector. Deze maatregelen waren er voor wat betreft de verzekeringssector onder meer op gericht om de klant en het belang van de klant meer centraal te laten staan, zoals de invoering van het provisieverbod, regels voor een betere informatievoorziening en meer transparantie voor verzekeringen met een beleggingscomponent alsmede de introductie van de algemene zorgplicht in de Wft. Consumentenbescherming heeft doorlopend mijn aandacht en waar nodig heb ik ook de afgelopen periode maatregelen genomen en zal ik dat blijven doen.
Bent u het met de schrijver van het blog eens dat het Verbond van Verzekeraars bij de afschaffing en het verbergen van het klachtrecht, misbruik heeft gemaakt van de ruimte die zij had in het kader van zelfregulering? Zo nee, kunt u nader onderbouwen waarom niet?
Zoals hiervoor is toegelicht, herken ik het beeld niet dat verzekeraars de mogelijkheid tot het indienen van tuchtrechtklachten zouden hebben afgeschaft of beperkt. Ik verwijs hierbij in het bijzonder naar de beantwoording van de vragen 1 en 7.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de wijze waarop het Verbond van Verzekeraars de zelfregulering uitvoert, en ook in het verleden heeft uitgevoerd, en tevens naar de wijze waarop de AFM het toezicht op deze zelfregulering uitoefent?
In aanvulling op wet- en regelgeving heeft de verzekeringssector via het Verbond van Verzekeraars zelfregulering ontwikkeld bestaande uit circa 80 codes, regelingen en convenanten.17 De AFM is niet aangewezen als toezichthouder op de zelfregulering. Zelfregulering is primair van en voor de sector. Het toezicht op de naleving hiervan is op verschillende manieren georganiseerd. De Stichting toetsing verzekeraars toetst periodiek de naleving van 55 bindende regelingen.18 Daarnaast kunnen klachten over verzekeraars worden ingediend bij het Kifid waarbij het Kifid de materiële klachten beoordeelt en de Tuchtraad (na doorgeleiding) oordeelt over tuchtrechtelijke klachten. Ook kan een geschil met een verzekeraar ter beoordeling worden voorgelegd aan de civiele rechter en kunnen klachten over verzekeraars onder de aandacht worden gebracht bij de toezichthouder. Deze signalen kunnen aanleiding zijn voor de toezichthouder tot het starten van een onderzoek naar de naleving van wet- en regelgeving. De verzekeringssector heeft laten zien dat zij haar zelfregulering actualiseert en aanscherpt19, waaronder op het terrein van tuchtrecht.20 Gelet op het voorgaande zie ik geen aanleiding voor nader onderzoek.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De recorduitgaven aan de landsadvocaat |
|
Sandra Beckerman , Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er afgelopen jaar een record hoeveelheid geld uit is gegeven aan de landsadvocaat?1
De kosten zijn in 2020 ten opzichte van 2019 gestegen met 2,5 miljoen euro. Zie ook de tabel bij het antwoord op vraag 2. De kosten voor de meeste ministeries zijn gemiddeld genomen gedaald met uitzondering van de kosten van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische Zaken en Klimaat. De kosten van deze ministeries gezamenlijk zijn met in totaal 3,3 miljoen euro gestegen. Kosten voor de inzet van de Landsadvocaat zijn vaak incident gedreven. Zo zijn in 2020 meerdere gerechtelijke procedures gevoerd over de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 en de gaswinning Groningen, hetgeen mede kan verklaren waarom de kosten voor juist de drie genoemde ministeries in 2020 hoger zijn uitgevallen. Ook worden dossiers omvangrijker en complexer, waardoor er meer werk moet worden verricht om de belangen van de staat te verdedigen.
Kunt u de uitgaven aan de landsadvocaat specificeren en uitsplitsen?
In de onderstaande tabel zijn de kosten over de jaren 2019 en 2020 uitgesplitst per jaar en per ministerie. De bedragen zijn afgerond op miljoenen euro’s.
Algemene Zaken
0,1
0,01
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
3,0
2,9
Buitenlandse Zaken
0,2
0,4
Defensie
4,2
4,0
Economische Zaken en Klimaat
5,6
6,8
Financiën
2,7
2,4
Infrastructuur en Waterstaat
4,4
3,7
Justitie en Veiligheid
7,0
8,2
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
0,5
0,9
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
0,7
0,6
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
0,2
0,3
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
1,8
2,7
Het Ministerie van Algemene Zaken heeft de landsadvocaat wel ingehuurd in 2020, echter komt het bedrag in de afronding uit op 0,0.
Welke uurtarieven betaalt de overheid eigenlijk aan de landsadvocaat?
Rijksbreed worden standaarduurtarieven gehanteerd. In 2021 was het laagste tarief voor advocaat-stagiairs (tarief II) € 174 en het hoogste uurtarief € 405 (partners). Conform het landscontract worden deze tarieven verhoogd met 4,9% kantoorkosten en BTW.
Hoe kan het dat de overheid afgelopen jaar zoveel geld aan de landsadvocaat heeft uitgegeven en dat dit al jaren stijgt?
Er wordt kritisch gekeken naar de kosten die gemoeid zijn met het inhuren van de landsadvocaat en andere advocaten of juridische dienstverleners. Als uitgangspunt geldt dat de Staat en zijn bestuursorganen ervoor zorgdragen dat voldoende juridische deskundigheid aanwezig is binnen de rijksoverheid, zodat gepaste terughoudendheid kan worden betracht bij het inschakelen van de landsadvocaat en andere externe juridische bijstandsverleners in zaken waarin bijstand niet in de wet is voorgeschreven. Het merendeel van de juridische aangelegenheden wordt binnen de ministeries zelf afgehandeld. Niettemin zijn de kosten voor de inhuur van de Landsadvocaat gestegen. Zie hierover het antwoord op vraag 1.
Hoe verhouden deze sterk stijgende uitgaven zich tegenover de ambitie van de regering om de kosten van rechtsbijstand terug te brengen en juridisering tegen te gaan?
Zoals geantwoord op vraag 1 wordt kritisch gekeken naar de kosten die gemoeid zijn met de inhuur van de landsadvocaat. Die kosten zijn echter niet altijd te voorkomen, met name niet bij civiele procedures waarin vertegenwoordiging door een advocaat wettelijk verplicht is en de overheid als gedaagde partij optreedt. Zoals aangegeven in de contourenbrief rechtsbijstand, is in bestuursrechtelijke procedures het voorkomen van onnodige juridisering een belangrijke inhoudelijke prioriteit.
Overigens zijn de inzet van de landsadvocaat enerzijds en het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand anderzijds twee naar hun aard verschillende zaken. Het stelsel van rechtsbijstand voorziet in een subsidie voor burgers die minder draagkrachtig zijn. Daarvoor geldt een bepaald tarief. Gelet op artikel 42a van de Wet op de rechtsbijstand en artikel 5 van het Subsidiebesluit Raad voor Rechtsbijstand worden op basis van de begroting van de Raad voor Rechtsbijstand jaarlijks voorschotten verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontwikkelingen in het volume van de toevoegingen en piketregelingen. Advocaten zijn vrij in hun keuze om voor dit tarief al dan niet hun diensten aan te bieden. De rechtsbijstand die de Staat afneemt van de landsadvocaat is geen subsidie. Het is een dienst die moet worden ingekocht. Daarom wordt de landsadvocaat tegen een marktconform tarief vergoed.
Kunt u in het bijzonder de hoge kosten voor juridische bijstand inzake de gaswinning in Groningen verklaren?
De maatschappelijke, juridische en financiële aspecten van de aardbevingsproblematiek in Groningen zijn complex. De kennis en de expertise van de landsadvocaat wordt daarom ingezet door zowel het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna EZK) als door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
Het Ministerie van EZK vraagt de landsadvocaat voornamelijk voor advisering en procesvoering zoals het neerleggen van de kosten voor schade en versterken bij NAM en bij het verdedigen van het winningsbesluit voor de afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Het kabinet heeft eerder aangegeven dat het er streng op zal toezien dat alle kosten die bij NAM in rekening kunnen worden gebracht, ook in rekening zullen worden gebracht (Kamerstuk 33 529, nr. 866 over het op afstand plaatsen van NAM en Kamerstuk 33 529, nr. 908 over gedeeltelijke betaling NAM). De mogelijkheid dat de discussies met NAM uitmonden in juridische procedures is reëel. In lijn met de motie Beckerman c.s. zet het kabinet alle juridische middelen in om de kosten waar NAM verantwoordelijk is op NAM te verhalen (Kamerstuk 33 529 nr. 854). Het kabinet bereidt zich daar met de landsadvocaat op voor.
De inzet van het kantoor van de landsadvocaat bij het IMG en NCG is voor het grootste gedeelte gericht op inhoudelijke advisering bij het ontwerpen, het uitvoeren en het optimaliseren van de werkwijze voor de schadeafhandeling en de uitvoering van de versterking. Bij de NCG is de landsadvocaat tot nu toe niet ingezet bij procedures.
Tijdens het Wetgevingsoverleg van 29 november jl. heeft de Minister van EZK uw Kamer toegezegd bij het IMG na te gaan in hoeverre een meer gedetailleerde uitsplitsing van de kosten voor de landsadvocaat mogelijk is. Deze treft u hierna aan. Bij het IMG gaat het om het op een goede en zo voortvarend mogelijke wijze afhandelen van de meer dan 100.000 aanvragen. De in de Tijdelijke wet Groningen neergelegde combinatie van een bestuursrechtelijke procedure, waarin op basis van het privaatrecht de aansprakelijkheid en de omvang van de schade moet worden beoordeeld, is uniek en kent geen precedenten. Het IMG diende en dient aan een en ander zorgvuldig uitwerking te geven. Dit is een omvangrijke werkzaamheid waarbij veel specialistische juridische kennis is vereist. Daarnaast zet het IMG het kantoor van de landsadvocaat voor een veel kleiner deel in voor juridische bijstand bij beroeps- en hoger beroepsprocedures. Dit zijn procedures die bewoners kunnen starten als zij het niet eens zijn met het besluit tot schadevergoeding van het IMG of de uitspraak die de rechtbank daarover heeft gedaan. De met deze bijstand gemoeide kosten worden niet afzonderlijk geadministreerd bij het IMG, maar de inschatting van het IMG is dat hiermee in de periode van medio 2018 tot en met 2020 circa 5% van de totale kosten was gemoeid.
Waarom trekt de regering wel zoveel geld uit voor de eigen juridische bijstand voor de gaswinning in Groningen, maar weigert u gedupeerden de kosten voor juridische bijstand te vergoeden?
In het wetsvoorstel Versterking Groningen, dat momenteel bij de Eerste Kamer ligt, is een artikel opgenomen betreffende juridische, bouwkundige en financiële bijstand voor eigenaren in álle fasen van het schade- en versterkingstraject. Dit artikel is bij amendement in het wetsvoorstel opgenomen (Kamerstuk 35 603, nr. 38). Bij brief van 29 juni jl. (Kamerstuk 35 603, nr. 81) is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en door de Minister van EZK aangekondigd dat een novelle in procedure wordt gebracht om onder meer dit onderdeel te wijzigen zodat het uitvoerbaar wordt. Uw Kamer ontvangt deze novelle, waarmee bewoners die te maken hebben met schade of versterking kosteloos gebruik kunnen maken van bouwkundige, financiële en juridische bijstand, binnenkort.
Hoe verhouden deze uitgaven zich tot de eerdere toezegging dat er een einde zou komen aan de juridisering van de problemen in het gaswinningsgebied?
In de contourenbrief rechtsbijstand is aangegeven dat het terugdringen van onnodige juridisering, op het terrein van bestuursrecht, begint bij de overheid die zelf het goede voorbeeld moet geven. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, wordt de landsadvocaat door EZK onder andere ingezet voor procesvoering betreffende het neerleggen van de kosten voor schade en versterken bij NAM. Bij het IMG wordt de landsadvocaat vooral ingezet voor inhoudelijke ondersteuning bij de (door)ontwikkeling van de werkwijze voor de afhandeling van schade om Groningers te ontzorgen. Gezien de complexiteit en grootschaligheid van de schadeafhandeling is het verstandig dat het IMG en NCG vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid zich bij de ontwikkeling van zijn organisatie en werkwijzen laat bijstaan door externe adviseurs.
Bent u alsnog bereid om ook extra geld uit te trekken voor juridische bijstand aan de gedupeerden van de gaswinning? Zo ja, hoe gaat u dat regelen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om het beroep op de landsadvocaat nu echt terug te brengen?
Hoewel het uitgangspunt is om spaarzaam om te gaan met overheidsgelden, is het terugbrengen van het beroep op de landsadvocaat geen doelstelling op zichzelf. Het is in het belang van Nederland dat de Staat in procedures effectief verweer kan voeren. Daarvoor is de inzet van een advocaat vaak vereist. In procedures waarin bijstand niet in de wet is voorgeschreven, geldt als uitgangspunt dat de Staat en zijn bestuursorganen ervoor zorg dragen dat voldoende juridische deskundigheid aanwezig is binnen de rijksoverheid, zodat gepaste terughoudendheid kan worden betracht bij het inschakelen van de landsadvocaat en andere externe juridische bijstandsverleners. Ook wordt binnen de juridische functie van het Rijk samengewerkt en over en weer een beroep op elkaar gedaan bij sommige gecompliceerde adviesvragen om een onnodig beroep op de landsadvocaat te voorkomen. Tot slot heeft een aantal ministeries en uitvoeringsorganisaties eigen advocaten in dienst, zodat voor de verplichte procesvertegenwoordiging in veel voorkomende civiele zaken niet langer in alle gevallen van externe juridische dienstverlening gebruik gemaakt hoeft te worden.
Het besluit om coronatoegangsbewijzen verplicht te stellen voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen |
|
Maarten Hijink , Michiel van Nispen |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om het coronatoegangsbewijs (CTB) ook van toepassing te laten zijn voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen?
Vanwege de epidemiologische situatie en de toenemende druk op de zorg heeft het kabinet 2 november jl. op basis van het 128e OMT-advies besloten een aantal maatregelen te verscherpen. Het OMT heeft onder andere een bredere toepassing van het coronatoegangsbewijs (CTB) geadviseerd, aangezien dit een gerichte maatregel is die effect kan hebben op de transmissie. De bredere inzet van het CTB zorgt ervoor dat activiteiten door kunnen gaan op een veiligere manier, in plaats van weer beperkt of gestopt te moeten worden. Daarom heeft het kabinet in lijn met het OMT-advies ervoor gekozen ook het CTB in de binnenruimte te verplichten voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen.
Hoeveel ouders zullen zich naar verwachting moeten laten testen om hun kind naar zwemles te mogen brengen?
Jaarlijks halen ongeveer 300.000 kinderen hun zwemdiploma. Uitgaande van een begeleidende ouder per kind dat les volgt zal een vergelijkbaar aantal ouders hun kind van en naar de zwemles willen begeleiden. Bij een vaccinatiegraad van 84,1 (cijfer op 31-10-2021) gaat het om circa 47.700 ouders die moeten testen voor zij hun kind naar zwemles brengen. Maar deze ouders hebben ook andere, praktischer alternatieven.
Bent u het ermee eens dat zwemlessen een essentiële activiteit zijn?
Goed leren en kunnen zwemmen is van groot belang voor Nederlanders. Zowel vanwege de redzaamheid in de grote variëteit van water dat ons land rijk is, maar ook omdat zwemmen tot op late leeftijd een zeer belangrijke beweegactiviteit is.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als kinderen zwemlessen missen en hierdoor minder goed leren zwemmen, doordat ouders de toegang wordt geweigerd tot zwembaden?
Als kinderen zwemlessen missen omdat hun ouders geweigerd worden is dit uiteraard onwenselijk. Ik wil echter wel benadrukken dat ouders niet geweigerd worden maar dat ze gevraagd worden een geldige QR-code te tonen. Deze code kan middels volledige vaccinatie, genezing of testen verkregen worden.
Herinnert u zich dat u op 8 maart jl. juist een kleine aanpassing van de coronamaatregelen hebt doorgevoerd om ervoor te zorgen dat de zwemlessen doorgang konden vinden? Hoe verklaart u het dat u er deze keer juist voor kiest om de coronamaatregelen rondom zwemlessen te verzwaren, terwijl u destijds deze expliciet uitzonderde?
De situatie van 8 maart is anders dan de huidige. Toen waren zwembaden gesloten voor alle activiteiten en is voor zwemles een uitzondering gemaakt. In de huidige situatie kunnen kinderen gewoon zwemles volgen en kunnen hun ouders ook mee naar binnen mits ze een geldige QR-code kunnen tonen net zoals dat voor andere sporten geldt.
Bent u bereid om een uitzondering te maken op de verplichting van het CTB voor ouders die hun kinderen komen halen of brengen naar zwemles en bijvoorbeeld in plaats daarvan het dragen van mondkapjes te verlangen of 1,5 meter afstand te bewaren?
Nee. Ik kies ervoor om hier geen uitzondering voor te maken. Mijn inziens is op dit moment het risico op transmissie te groot. Het OMT adviseert om het risico op transmissie te reduceren het door het CTB breder in te zetten en daar houd ik aan vast.
Bent u bereid deze vragen met de grootst mogelijke spoed te beantwoorden?
Ja.
Het strafmaximum voor het onttrekken van een lijk aan nasporing |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van een rechter die het strafmaximum te laag vindt voor het op gruwelijke wijze wegmaken van een lijk (het «onttrekken van een lijk aan nasporing»)?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit duidelijke signaal van de rechter, die zich te beperkt voelt in het opleggen van een straf en het strafmaximum op de overtreding van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht te laag vindt?
Op dit moment doet het WODC onderzoek naar een eventuele verruiming van de strafbaarstelling van lijkschennis. Daarbij wordt ook de strafbaarstelling van het onttrekken van een lijk aan nasporing (artikel 151 Wetboek van Strafrecht) betrokken. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af en zal te zijner tijd met een reactie daarop komen, waarover ik uw Kamer zal informeren.
Bent u van mening dat het onttrekken van een lijk aan nasporing, nu gerubriceerd als «misdrijf tegen de openbare orde», niet alleen een probleem vormt voor de betrouwbaarheid van de registers van de burgerlijke stand en de bewijslast in strafzaken, maar dat het ook gevolgen heeft voor de rechten en gevoelens van nabestaanden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het Wetboek van Strafrecht onvoldoende handvatten biedt om bij het onttrekken van een lijk aan nasporing rekening te houden met het oogmerk en de gruwelijke wijze waarop het lijk is onttrokken aan nasporing?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het strafmaximum van het onttrekken van een lijk aan nasporing zoals dat is neergelegd in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht te verhogen? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Advocaten MH17-zaak geïntimideerd, hoogstwaarschijnlijk door Rusland’ |
|
Michiel van Nispen , Hilde Palland (CDA) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Advocaten MH17-zaak geïntimideerd, hoogstwaarschijnlijk door Rusland»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de in het nieuwsbericht genoemde intimidatie – bijvoorbeeld het volgen van advocaten van nabestaanden na de zitting tot aan de privéwoning of anderszins – heeft plaatsgevonden? Hoeveel gevallen zijn hiervan bekend? Bij hoeveel van de advocaten? Zijn er ook voorvallen bekend / gemeld die nabestaanden betreffen?
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik geen uitspraken doen over individuele casuïstiek. Wel kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de inlichtingen-en-veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen.
Kunt u bevestigen dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) met de leden van de advocatengroep Rechtsbijstandsteam (RBT) hierover heeft gesproken? Is door de NCTV aangegeven dat Rusland al dan niet indirect verantwoordelijk is voor de dreigingen?
Als Minister van Justitie en Veiligheid heb ik een bijzondere verantwoordelijkheid voor personen, objecten en diensten die wegens het belang voor de nationale veiligheid dat met hun veilig en ongestoord functioneren is gemoeid, onderdeel zijn van zogenoemde Rijksdomein. Deze verantwoordelijkheid heb ik gemandateerd aan de NCTV. In algemene zin kan ik zeggen dat alle betrokken partijen rond het proces zich bewust zijn van de (digitale) risico’s en mogelijke dreigingen en daar waar nodig maatregelen treffen. Over individuele casuïstiek kan ik vanwege veiligheidsoverwegingen geen uitspraken doen.
Kunt u het gestelde in het nieuwsbericht bevestigen dat intimidatie «hoogstwaarschijnlijk» door of vanuit Rusland plaatsvond? Wordt hier nader onderzoek naar gedaan; zo ja wanneer verwacht u resultaat van dit onderzoek?
Zoals eerder gezegd, kan ik uit veiligheidsoverwegingen niet ingaan op individuele casuïstiek en kan ik geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken. Wel staan betrokken ministeries en opsporingsdiensten en inlichtingen-en-veiligheidsdiensten in nauw contact met elkaar om eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren te onderkennen en te duiden.
Welke vervolgacties onderneemt het kabinet om Rusland hierop aan te spreken? Onderneemt het kabinet ook actie hieromtrent in internationaal verband om in gezamenlijkheid hierin op te treden?
In geval van specifieke, aantoonbare incidenten waar de Russische Federatie bij betrokken is, treft het Kabinet vanzelfsprekend maatregelen. Ook in internationaal verband spreken we met partners over statelijke dreigingen in den brede, om ervaringen te delen en kennis uit te wisselen.
Het is van groot belang dat de brede inzet voor waarheidsvinding, gerechtigheid en rekenschap voor de 298 slachtoffers van het neerhalen van vlucht MH17 en hun nabestaanden niet door inmengingsactiviteiten wordt gehinderd.
Hebben deze gebeurtenissen gevolgen, en zo ja welke, voor de strafzaak die nu loopt, voor de betrokken advocaten en nabestaanden?
De inhoudelijke behandeling van het strafproces is thans gaande. Deze gebeurtenissen hebben vooralsnog geen effect op de strafzaak en de betrokkenheid van de advocaten en nabestaanden hierin.
Hoe wordt er voor gezorgd dat de bedreigde advocaten niet gehinderd worden in hun werk? Wordt er op enige wijze bescherming geboden voor hen? Wat doet u in het geval de advocaat aangeeft geen beveiliging te willen?
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik geen uitspraken doen over individuele casuïstiek en eventuele beveiligingsmaatregelen. Door de rijksoverheid wordt de veiligheidssituatie van betrokkenen in het MH17-proces nauwlettend in de gaten gehouden. Daarnaast kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat de NCTV, gezamenlijk met andere relevante ministeries, de betrokken partijen bewust maakt van de (digitale) risico’s en mogelijke dreigingen en dat waar nodig passende maatregelen worden getroffen om de weerbaarheid te verhogen.
Bent u bereid om de Kamer proactief te informeren, al dan niet vertrouwelijk, over ontwikkelingen op dit terrein?
Uit veiligheidsoverwegingen kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek. Via een besloten, vertrouwelijke technische briefing kan de Tweede Kamer meegenomen worden in de werkwijze en de ontwikkelingen op dit terrein.
Het handelen van de politie inzake overleden minderjarige slachtoffers van mensenhandel |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Bent u bekend met de eerdere Kamervragen over de dood van Hieu en Quyen?1
Wat vindt u ervan dat de versie van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betwist wordt door de verhalen van het Nederlandse Openbaar Ministerie (OM) en die van uw Belgische, federale collega?2
Blijft u erbij dat er sprake was van een verdenking van mensensmokkel en dat het doorlatingsverbod niet van toepassing was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is uw reactie op de verhalen van het OM en de Belgische regering?
Wat is uw standpunt over de legitimiteit van de grensoverschrijdende observatie en het niet toepassen van het doorlatingsverbod? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid, nu er drie verschillende verhalen zijn, een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de observatie van de taxi, het doorlaten van de taxi met daarin mogelijke slachtoffers van mensenhandel en het voorkomen van de dood van Hieu en Quyen? Wilt u daarbij in ieder geval de volgende onderzoeksvragen opnemen: wat was de feitelijke gang van zaken, hoe is de samenwerking tussen Nederland en België verlopen en had de dood van Hieu en Quyen voorkomen kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
De praktijk van het uitsluiten door Jehova’s Getuigen van afvallige leden |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de praktijk van excommunicatie (ook wel «shunning» genoemd) die door de gemeenschap van Jehova’s Getuigen wordt gehanteerd bij oud-leden van de gemeenschap? Ziet u ook in dat dit handelen extreem schadelijk kan zijn voor degenen die dit overkomt? 1
Ja, ik ben bekend met deze praktijk die schadelijk kan zijn voor degenen die dit overkomt.
Kunt u uiteenzetten op welke manier mensen die te maken krijgen met shunning vanuit de overheid hulp wordt geboden op zowel mentaal als praktisch vlak?
Ik kan mij voorstellen dat de mensen die dit overkomt hiervan psychische schade ondervinden. Op eerdere Kamervragen van de leden van Nispen (SP) en Ellian (VVD) heb ik aangegeven dat politie en betrokken instanties goed in staat zijn mistanden en strafbare feiten adequaat aan te pakken.2 Organisaties als Slachtofferhulp kunnen ondersteuning bieden bij de verwerking van strafbare gedragingen. Indien gewenst kunnen GGZ-instellingen geestelijke gezondheidszorg bieden. Het uitsluiten van ex-leden door de gemeenschap der Jehova’s Getuigen is echter op zichzelf geen strafbaar feit. Slachtoffers van shunning komen dan ook niet in aanmerking voor de hulp aan slachtoffers van strafbare feiten zoals die door Slachtofferhulp Nederland wordt geboden. Voor de psychologische effecten van deze praktijken staat aan slachtoffers bij wie deze geïndiceerd zijn wel de weg naar de reguliere zorg open.
Kunt u verduidelijken wat de overheid op dit moment doet om shunningspraktijken een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 2.
Biedt de wet op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om shunningspraktijken tegen te gaan? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, bent u bereid te bezien hoe de wet zou moeten worden aangepast om adequaat op te kunnen treden tegen shunning?
Zie het antwoord op vraag 3. Shunning is voor degene die daar slachtoffer van is, mogelijk kwetsend en beschadigend, evenwel, het fenomeen «sec» is niet strafbaar gesteld. Dat is wel het geval als andere feiten zoals bedreiging aan de orde zijn. Tot dusverre hebben mij geen signalen bereikt dat een vorm van strafbaarstelling van dit fenomeen aangewezen of van toegevoegde waarde zou kunnen zijn.
Hoe ver bent u met de oprichting van het meldpunt voor slachtoffers van sektes en hun familieleden, waar de Kamer per motie om vroeg?2
Op de eerdere schriftelijke Kamervragen van de leden Van Nispen (SP) en Elian (VVD) over de oprichting van een meldpunt voor sektesignalen heb ik uw Kamer laten weten dat ik gefundeerd en zorgvuldig de ingediende motie (Kamerstuk 25 570 VI, nr. 54) conform de bedoeling zal uitvoeren.4 Hierbij betrek ik ook de uitkomsten van de werkzaamheden van de commissie-Hendriks, die in het voorjaar van 2022 worden verwacht.
Het artikel 'Hoe een verkrachter opnieuw kon toeslaan alle alarmsignalen ten spijt' |
|
Michiel van Nispen , Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerdere vragen over een zaak waarbij een verkrachter opnieuw kon toeslaan terwijl er allerlei alarmsignalen waren dat het weer fout zou gaan met deze man?1
Ja.
Klopt het dat de Inspectie Justitie en Veiligheid geen nader onderzoek gaat doen naar een Bredase verkrachter die toesloeg terwijl hij onder verscherpt toezicht stond? Zo ja, waarom gaat de Inspectie hiernaar geen nader onderzoek doen?2
De Inspectie Justitie en Veiligheid geeft desgevraagd aan dat zij naar aanleiding van voor haar nieuwe informatie uit de krant (over het verkrachten van de vrouw in het park), vragen heeft gesteld aan de politie en de reclassering. Op basis van de antwoorden ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid geen aanleiding om deze casus nog nader te onderzoeken.
Bent u bereid te delen welke nieuwe informatie de Inspectie heeft opgehaald, waarop zij haar besluit heeft gebaseerd om geen nader onderzoek te doen? Zo nee, waarom niet?
Die informatie kan niet worden gedeeld. Deze informatie heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid van de politie en de reclassering gekregen in het kader van haar taakuitoefening als toezichthouder. Die informatie is toezichtvertrouwelijk en kan zodoende niet gedeeld worden.
Waarom acht u een onderzoek, om te leren en te voorkomen dat zoiets weer gebeurt, niet nodig?
Bij eerdere vragen over deze zeer ernstige delicten heb ik aangegeven dat er voorafgaand aan de verkrachting op 7 september 2017 geen sprake was van het schenden van reclasseringsvoorwaarden en betrokkene zich coöperatief toonde. Er was op dat moment geen aanleiding om (alsnog) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de in 2012 opgelegde jeugddetentie te vorderen. Er kwam na de verkrachting informatie uit de politie databank ViCLAS beschikbaar, maar dit beoogt richting te geven aan opsporingsonderzoeken en geldt niet zelfstandig als bewijs. In de periode tot het geweldsdelict en aanhouding op 13 september 2017 was er onvoldoende verdenking jegens betrokkene om de Reclassering hiervan in kennis te stellen. Ik zag op basis van de mij bekende informatie over het handelen van de reclassering en de andere betrokken instanties eerder geen aanleiding om dit als onzorgvuldig te bestempelen en de zaak nader te (laten) onderzoeken. Er is mij sindsdien geen nieuwe informatie bekend geworden die alsnog aanleiding geeft om onderzoek te starten.
Het bericht dat door de huidige vorm van geboorteaangifte bij de burgerlijke stand de risico’s op fraude of illegale adoptie groot zijn. |
|
Michiel van Nispen |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuws dat verschillende instanties bezorgd zijn over de mogelijkheden om te frauderen bij de geboorteaangifte, wat kan resulteren in illegale adopties?1
Ja.
Herkent u het risico, zoals door FIOM, Defence for Childrenen en de voormalig speciale VN-rapporteur kinderhandel gesignaleerd, op illegale adopties of in ieder geval valse geboorteaangiftes dat bestaat bij de huidige manier van het doen van geboorteaangifte? Zo nee, waarom niet?
In de betreffende berichtgeving worden twee verschillende situaties belicht: de (frauduleuze) aangifte van de geboorte van een kind in Nederland en de inschrijving van een in het buitenland valselijk opgemaakte geboorteakte.
Door de waarborgen waarmee de procedure voor geboorteaangifte in Nederland thans is omgeven en de ruime mogelijkheden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om nadere informatie te vragen, meen ik dat het risico op mogelijke fraude bij geboorteaangifte in Nederland afdoende is ondervangen. Ik licht die procedure hier nader toe.
De aangifte kan in persoon worden gedaan en sinds 1 januari 2020 ook digitaal. Bij de aangifte in persoon dient een aantal gegevens te worden verstrekt over het kind, de moeder en andere ouder. Ook controleert de ambtenaar van de burgerlijke stand de identiteit van de aangever. Het is gebruikelijk dat het ziekenhuis of -bij een thuisbevalling- de verloskundige een korte verklaring meegeeft waarop de gegevens omtrent de geboorte staan vermeld, waaronder het tijdstip van geboorte. Bestaat er bij de ambtenaar van de burgerlijke stand twijfel over de aangifte dan kan deze vragen om een door de arts of de verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld gekomen, dan kan de ambtenaar vragen om een door een zodanige hulpverlener nadien opgemaakte verklaring (artikel 1:19e, lid 11, BW).
Deze verklaring wordt door de arts/verloskundige in een gesloten envelop meegegeven aan de betrokkene om te overleggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Naar aanleiding daarvan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand nog contact opnemen met de arts/verloskundige in kwestie. Naast deze verklaring kan hij ook om andere stukken vragen als hij dat nodig vindt. Hij kan de verstrekte gegevens ook checken met de gegevens die in de Basisregistratie Personen (BRP) zijn opgenomen (artikel 1:18, leden 2 en 3, BW). Ontbreekt de verklaring, dan doet de ambtenaar van de burgerlijke stand hiervan mededeling aan het Openbaar Ministerie (artikel 1:19e, lid 12, BW).
Voor digitale geboorteaangifte gelden ter voorkoming van fraude aanvullende voorwaarden, omdat de aangifte «op afstand» gebeurt en er geen direct contact is met de ambtenaar van de burgerlijke stand. De aangifte kan alleen door de moeder of de vader van het kind worden gedaan met gebruik van DigiD. Daarbij moet ook het eigen BSN worden verstrekt. Als de vader aangifte doet, moet hij ook het BSN van de moeder verstrekken. Als extra waarborg is de verklaring van een arts/verloskundige in deze gevallen verplicht gesteld. De openstelling van de mogelijkheid tot digitale geboorteaangifte is voorafgegaan door een uitgebreide test in pilotvorm en de digitale geboorteaangifte zal worden geëvalueerd uiterlijk 3 jaar na inwerkingtreding (1 januari 2023).
Voor wat betreft de inschrijving van een in het buitenland opgemaakte geboorteakte geldt dat deze kan worden ingeschreven in het geboorteregister van Den Haag, mits de akte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt. Ook kan een dergelijke akte worden gebruikt voor de registratie van het kind in de BRP. De invloed van de Nederlandse overheid reikt niet zo ver dat het risico op fraude in het buitenland kan worden uitgesloten. Ambtenaren van de burgerlijke stand en burgerzaken kunnen bij twijfel wel nadere informatie dan wel bewijsstukken verlangen. Als er sprake is van fraude kan inschrijving van de geboorteakte c.q. registratie worden geweigerd. Ik meen dat de risico’s op fraude op deze wijze, ook in geval van een in het buitenland opgemaakte geboorteakte, voldoende kunnen worden ondervangen.
Heeft u zicht op hoe groot het probleem van mogelijk frauduleuze geboorteaangiftes en daaraan gekoppelde illegale adopties is in Nederland? Zo ja, wat is de omvang van dit probleem? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van dit probleem?
Bij frauduleuze geboorteaangiften kunnen twee situaties worden onderscheiden. Enerzijds gevallen waarin (frauduleuze) aangifte van de geboorte van een kind in Nederland wordt gedaan. Anderzijds de inschrijving van in het buitenland valselijk opgemaakte geboorteakten. De berichtgeving over frauduleuze geboorteaangiften in Nederland die leiden tot illegale opneming van een kind in een gezin betreft een zeer beperkt aantal gevallen in het verleden. Ik heb geen indicaties dat dergelijke situaties zich nu voordoen of onlangs nog hebben voorgedaan in Nederland. De aangehaalde berichtgeving noch navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken bieden hiervoor concrete aanknopingspunten.
Voor zover het valse geboorteaangiften in het buitenland betreft, heeft zoals u bekend de Commissie Joustra onderzoek gedaan naar interlandelijke adoptie in het verleden. Zij heeft in haar rapport gevallen beschreven waarbij sprake was van ernstige misstanden bij interlandelijke adoptie, zoals in het buitenland valselijk opgemaakte geboorteakten om de interlandelijke adoptieprocedure te omzeilen. De betrokkenen werden in die gevallen als ouders in de buitenlandse geboorteakte van het kind opgenomen in plaats van de biologische ouders c.q. moeder. Op basis van de buitenlandse geboorteakte vond daarna in Nederland inschrijving van het kind plaats in het bevolkingsregister, thans BRP, van de woongemeente van de adoptiefouders.
Bent u bereid in gesprek te gaan met bijvoorbeeld FIOM, Defence for Children en de Nederlandse vereniging voor Burgerzaken, om te bespreken wat er, wellicht al op korte termijn, gedaan kan worden om de risico’s op frauduleuze geboorteaangiftes en illegale adopties te verminderen?
De in de recente berichtgeving genoemde gevallen, betreffen gevallen die zich in het verleden hebben voorgedaan. Ik heb geen indicaties dat dergelijke situaties zich nu voordoen. Zie ook het antwoord op vraag 3. Dat neemt niet weg dat de overheid mogelijke signalen over illegale opneming van kinderen in gezinnen in Nederland scherp in de gaten houdt. Over mogelijke signalen van recente gevallen van illegale opneming ga ik graag in overleg met de betrokken organisaties.
De veiligheid van registertolken- en vertalers en anonimiteit |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Als ervoor wordt gekozen bij beruchte strafzaken de namen van de personen die betrokken zijn bij strafzaken (OM, rechters, etc.) te anonimiseren, waarom wordt dan wel altijd bij de beëdigde vertaling van documenten de NAW-gegevens en het inschrijvingsnummer van de registervertaler benoemd?
De veronderstelling dat de namen van officieren van justitie en rechters worden geanonimiseerd is onjuist. Ook van andere procesdeelnemers als getuigen en deskundigen worden persoonsgegevens in principe (behalve bijvoorbeeld bij beschermde getuigen) niet geanonimiseerd.
Indien registertolken en of vertalers betrokken bij rechtszaken bedreigd worden, welke regeling gaat u dan treffen om hen te beschermen?
Het OM zal alsdan in overleg met de politie bezien welke maatregelen opportuun zijn. Het Stelsel bewaken en beveiligen vormt hiertoe het kader.
Hoe worden interceptietolken beschermd tegen openbaring van hun persoonsgegevens?
In het openbaar deel van het Register beëdigde tolken en vertalers wordt niet zichtbaar of iemand de specialisatie interceptietolk (en/of overigens ook verhoortolk) heeft. In het intermediairsportaal van het register, waarin afgeschermde gegevens zijn opgenomen, is wel zichtbaar of iemand interceptietolk is. Toegang tot dit portaal hebben de opdrachtgevers en de intermediairs die werken voor afnameplichtige instanties. Deze zichtbaarheid is nodig om de matching tussen de opdrachtgever en de interceptietolk mogelijk te maken.
In samenspraak met het OM heeft de politie besloten om alle interceptietolken die voor de politie werken te voorzien van een anoniem tapaccount. Het accountnummer dient tevens als anoniem (persoons)nummer. Deze zijn niet te herleiden naar het Register beëdigde tolken en vertalers of de administratie van een bemiddelaar. Het beheer en inzage van deze accounts en nummers, met andere woorden de koppeling daarvan met de identiteit van de interceptietolken, ligt uitsluitend bij het landelijk tolken coördinatiepunt (LTCP). Alle interceptietolken hebben inmiddels hun afgeschermde account ontvangen.
Welke afspraken worden gemaakt met de bedrijven die deelnemen aan de aanbestedingen van tolk- en vertaaldiensten over het beschermen van tolken en -vertalers? Zijn dergelijke gevoelige gegevens überhaupt wel veilig bij commerciële partijen?
Alle medewerkers van de intermediairs die voor de tolkdienstverlening van de politie worden ingezet moeten een geheimhoudingsverklaring tekenen die aan de eisen van de politie voldoet. De geheimhoudingsplicht blijft onverminderd bestaan na beëindiging van de overeenkomst van de intermediair met de politie, de inzet voor de tolkdienstverlening of het dienstverband van de betreffende medewerker. De politie behoudt het recht om een medewerker van de intermediair alsnog te screenen als de politie daartoe aanleiding ziet.
Het OM zal bij de aanbesteding van tolk- en vertaaldiensten het veiligheidsaspect meenemen. Bij vertaaldiensten voor het OM geldt overigens dat de intermediairs noch de te vertalen documenten noch de vertalingen zien. Die worden uitsluitend uitgewisseld tussen het OM, de Rechtspraak en de vertaler.
Hoe zorgt u ervoor dat de GEH-nummers niet buiten de rechtbank geraken, zodat niemand buiten de rechtbank deze aan de TLK-nummers of NAW-gegevens kan koppelen?
Kan de openbaarheid van het register van registertolken en -vertalers een potentieel gevaar vormen?
Openbaarheid van gegevens over beëdigde tolken en vertalers is om diverse redenen van belang. In de eerste plaats biedt een openbaar register opdrachtgevers de mogelijkheid een gekwalificeerde tolk/vertaler in te schakelen. Dit is niet alleen van belang voor afnameplichtige organisaties maar bijvoorbeeld ook voor notarissen en deurwaarders die behoefte kunnen hebben aan de dienstverlening van een beëdigde vertaler of tolk. Daarnaast geeft het openbaar deel van de gegevens de nodige transparantie aan de werking van de wet. Belanghebbenden kunnen zo immers vaststellen dat opdrachtgevers binnen het domein van justitie en politie hun afnameplicht zijn nagekomen, en als zou blijken dat dit niet het geval is, daarop actie ondernemen. Tegelijkertijd moet recht worden gedaan aan de zorg van een aantal tolken en vertalers die in gevoelige justitiële onderzoeken actief zijn en derhalve veiligheidsrisico’s lopen. De contactgegevens van deze tolken en vertalers mogen niet te gemakkelijk via deze weg hun weg vinden naar het criminele milieu. Tolken en vertalers hebben daarom de mogelijkheid zelf te kiezen of hun contactgegevens via het openbare deel van het register te vinden zijn of niet.
Opdrachtgevers en intermediairs met een afnameplicht dienen in overeenstemming met de doelstelling van de wet alle mogelijkheden te hebben om de meest geschikte tolk of vertaler te selecteren. Dit uitgangspunt verhoudt zich niet met het afschermen van een deel van de gegevens voor deze categorie. Van instellingen uit het domein van justitie en politie mag bovendien worden verwacht dat zij in het kader van hun reguliere werkzaamheden zijn ingericht op vertrouwelijke behandeling van gevoelige informatie en inspelen op de kwetsbaarheid van functionarissen die bij juridische procedures betrokken zijn. Opdrachtgevers met een afnameplicht hebben daarom toegang tot alle informatie die over ingeschreven tolken en vertalers is geregistreerd. De bewerker van het register heeft de taak om alleen toegang tot deze gegevens te verschaffen als vaststaat dat een verzoek daartoe is ingediend door een in de wet genoemde of door de Minister van Justitie op basis van artikel 28, tweede lid, van de wet aangewezen opdrachtgever of intermediair binnen het domein van justitie en politie.
Deelt u de mening dat, wanneer dit nodig is, ook de namen van gerechtstolken en -vertalers geanonimiseerd moeten kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Indien het antwoord op de vorige vraag ja is, wat gaat u doen om de veiligheidsrisico’s te verminderen?
Wanneer dit nodig lijkt is het mogelijk om tolken en -vertalers die een rol hebben in het gerechtelijke proces te anonimiseren. Wel dient voor de partijen in een proces vast te staan dat de tolk of vertaler gekwalificeerd is. Het OM zal in voorkomende gevallen in overleg met de opsporingsinstanties en de Rechtspraak bezien hoe gegevens van de tolk of vertaler, op overeenkomstige wijze als van andere procespartijen, geanonimiseerd kunnen worden.
Zie voorts de antwoorden op de vragen 2 tot en met 6.
Openbaarheid van het onderzoek naar afluisterapparatuur |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Kunt u aangeven waarom het onderzoek naar afluisterapparatuur dat gebruikt wordt door de politie niet openbaar gemaakt wordt?1
Het onderzoeksrapport is op vrijdag 29 oktober jl. gedeeltelijk openbaar gemaakt. Tevens is het onderzoeksrapport op 29 oktober aangeboden aan uw Kamer2.
Kunt u er alsnog voor zorgen dat het onderzoek openbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de politie niet reageert op het bezwaar dat is aangetekend door Bits of Freedom? Zo ja, wat is daar de reden van?
De politie heeft op 29 oktober jl. een besluit genomen op het bezwaarschrift dat is ingediend door Bits of Freedom.
Zie ook het antwoord op vraag 2.
In hoeveel gevallen reageert de politie niet of te laat op ingediende bezwaren bij klachten?
Ik interpreteer uw vraag als een vraag over de ingediende bezwaren binnen de WOB-procedure. De politie reageert altijd op bezwaren, en de termijnen worden bijgehouden op het niveau waar de verzoeken behandeld worden, dit kan op eenheidsniveau zijn en sommige wobverzoeken worden landelijk opgepakt. Er is geen centraal systeem wat bijhoudt in hoeveel gevallen de politie niet of te laat reageert.
Waarom wordt er geen gevolg gegeven aan de gerechtelijke uitspraak? Klopt het dat de dwangsom inmiddels is opgelopen tot 15.000 euro? Waarom wordt er zoveel gemeenschapsgeld verspild?
De politie heeft op 29 oktober jl. een besluit genomen op het bezwaarschrift dat is ingediend door Bits of Freedom. De verbeurde dwangsom voor het overschrijden van de termijn om een besluit op bezwaar bekend te maken bedraagt € 15.000. De politie is zich ervan bewust dat dit een onwenselijke situatie is. De politie streeft ernaar om zoveel mogelijk te voldoen aan de reactietermijnen. Helaas blijkt dit in de praktijk niet altijd haalbaar en de politie werkt dan ook aan de verbetering van het proces.
Kunt u aangeven hoeveel zaken er in de afgelopen vijf jaar zijn behandeld bij de rechter waarbij de politie een dwangsom is opgelegd vanwege het te laat of niet reageren op verzoekschriften en bezwaarschriften? In hoeveel van deze gevallen is er een dwangsom betaald? Hoeveel geld is er in totaal betaald aan dwangsommen over de afgelopen vijf jaar?
De afgelopen 5 jaar zijn er 6 zaken behandeld bij de rechter. In totaal is er een bedrag van € 35.700 aan dwangsommen uitbetaald.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over politie op 3 november aanstaande? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is niet gelukt om deze vragen voor 3 november te beantwoorden. Het achterhalen van de gevraagde informatie van vraag 6 vergde meer tijd.
Gerechtsdeurwaarders die discutabele incasso’s proberen te incasseren. |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Radar waarin een gerechtsdeurwaarder geld terugeist van een bedrijf met een dubieuze reputatie?1
Ja
Klopt het dat gerechtsdeurwaarders in verhouding meer geld verdienen met incassopraktijken dan met het uitvoeren van wettelijke ambtshandelingen? Zo ja, ziet u hierin ook een perverse prikkel in het systeem, en acht u dit wenselijk?
Uit het jaarverslag van het Bureau Financieel Toezicht (hierna: BFT), de toezichthouder op de gerechtsdeurwaarders, uit 2020 blijkt dat het bruto honorarium van gerechtsdeurwaarders uit de ambtelijke praktijk hoger lag dan die uit de niet-ambtelijke praktijk. Hieruit blijkt ook dat het honorarium uit de ambtelijke praktijk verschuift naar de niet-ambtelijke praktijk.2 De incassoactiviteiten van de gerechtsdeurwaarder zijn een wettelijk toegestane nevenactiviteit en passen ook bij wat maatschappelijk van schuldeisers en incassodienstverleners (inclusief gerechtsdeurwaarders) wordt verwacht, namelijk om namens de schuldeiser juist eerst pogingen te ondernemen om zaken minnelijk te regelen. Een voorbeeld hiervan is het treffen van een betalingsregeling of een laatste aanschrijving voordat een dagvaarding wordt uitgebracht. Daarbij is de hoogte van de kosten in de minnelijke fase wettelijk vastgesteld, namelijk door de Wet Incassokosten (WIK). Daarmee zorgt de gerechtsdeurwaarder er ook waar mogelijk voor dat de kosten voor een schuldenaar niet te sterk oplopen. Wat mij betreft is dat het uitgangspunt; bij het incasseren van vorderingen dient een minnelijke oplossing tussen partijen centraal te staan. Waar een minnelijke oplossing niet mogelijk blijkt te zijn, kan de schuldeiser ervoor kiezen om de gerechtsdeurwaarder in te schakelen voor de wettelijke taak.
Erkent u dat het voor een consument die een brief krijgt van een gerechtsdeurwaarder verwarrend kan zijn of dat vanuit de staatstaak, het executeren van rechterlijke vonnissen, of vanuit het ondernemerschap, het incasseren namens bedrijven, gebeurt en dat mensen van een brief van de deurwaarder kunnen schrikken, wat tot oneigenlijke druk om te betalen kan leiden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer niet duidelijk zou zijn in welke hoedanigheid een gerechtsdeurwaarder zijn taken in een specifiek geval uitoefent, kan ik me voorstellen dat dit tot verwarring kan leiden bij een consument. Gerechtsdeurwaarders dienen vanuit de geldende beroeps- en gedragsregels zeer zorgvuldig te communiceren naar schuldenaren. Zij mogen geen maatregelen aankondigen aan iemand, die zij gezien de fase van de vordering en de rol die zij dan vervullen, niet mogen treffen. Wanneer een gerechtsdeurwaarder dat wel doet en daarmee oneigenlijke druk uitoefent, is de betreffende gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk aansprakelijk.
In aanvulling op hetgeen reeds bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet geldt voor de beroepsgroep, gelden straks voor de gerechtsdeurwaarders die incassowerkzaamheden verrichten ook de kwaliteitseisen die aan de incassodienstverlening worden gesteld. Het wetsontwerp Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) waarin deze kwaliteitseisen zijn opgenomen, ligt ter behandeling in uw Kamer. Zo is onder meer als eis opgenomen dat een incassodienstverlener alle relevante informatie aan zowel schuldenaren als schuldeiser verstrekt en in de communicatie en omgang met deze betrokken partijen transparant, ondubbelzinnig, herkenbaar en correct is. Bij algemene maatregel van bestuur worden nog nadere regels hieromtrent vastgesteld.
Op 3 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gesprekken die hebben plaatsgevonden in het kader van de uitwerking van de motie Van Beukering-Huijbregts c.s.3 Die motie verzocht het kabinet om te kijken naar het huidige stelsel van maatschappelijk verantwoorde incasso- en deurwaardersactiviteiten en partijen hierbij te consulteren. De partijen zelf hebben een paper met tien punten meegegeven. In mijn brief heb ik een aantal acties genoemd die dit jaar al in gang worden gezet en aangekondigd dat schulden een thema is dat, zeker gelet op de post-corona gevolgen, de komende jaren aandacht blijft vragen. De verschillende rollen van de gerechtsdeurwaarder en de perceptie bij schuldenaren worden meegenomen in deze verdere uitwerking.4
Wat mag van een gerechtsdeurwaarder, die beëdigd is en aan beroepsregels is gebonden, zoals zorgvuldig handelen, integer en onafhankelijk, volgens u worden verwacht bij het werken voor een bedrijf waarover veel klachten binnen zijn gekomen? In hoeverre is het aan gerechtsdeurwaarders onderzoek te doen naar de reputatie of achtergrond van het bedrijf of de gegrondheid van een openstaande factuur? Met andere woorden, hoe wordt voorkomen dat een gerechtsdeurwaarder zich voor het karretje laat spannen van bedrijven met een dubieuze reputatie?
Vanwege de bijzondere positie en taken van de gerechtsdeurwaarder, als openbaar ambtenaar met bijzondere bevoegdheden, zijn op hem/haar specifiek toegesneden regels van toepassing. Op de naleving van die regels wordt onafhankelijk toezicht uitgeoefend door het BFT. Die borging is belangrijk, juist omdat de gerechtsdeurwaarder een bijzondere en belangrijke rol heeft in ons rechtsbestel.
In deze casus trad de gerechtsdeurwaarder op als incasso-gemachtigde van het bedrijf. Het uitgangspunt van de KBvG is dat als de gerechtsdeurwaarder signalen ontvangt dat zijn opdrachtgever niet integer handelt, de gerechtsdeurwaarder zich dient te distantiëren van die opdrachtgever, zodat geen schade wordt berokkend aan eer en aanzien van het ambt. Indien aan een gerechtsdeurwaarder een vordering ter incasso wordt voorgelegd en een debiteur daartegen bezwaar maakt, moet de gerechtsdeurwaarder die bezwaren bespreken met zijn opdrachtgever. Het is vaste rechtspraak van de tuchtrechter voor gerechtsdeurwaarders dat indien de opdrachtgever zich vervolgens op het standpunt stelt dat de vordering juist is, de deurwaarder daar in beginsel van uit dient te gaan en de behandeling mag voortzetten.5 Wanneer de schuldenaar en de schuldeiser van mening verschillen over de vordering, kan dit worden voorgelegd aan de rechter. Consumentenkoop- en consumentenkredietzaken kunnen voorgelegd worden aan de kantonrechter waardoor de schuldenaar niet verplicht is zich te laten bijstaan door een procesvertegenwoordiger. Pas als de schuldeiser een titel heeft, kan de gerechtsdeurwaarder overgaan tot executie.
Ik vind het belangrijk dat een invordering door schuldeisers of door hem ingeschakelde organisaties op een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde wijze gebeurt. Het maakt daarbij niet uit of dat gebeurt door de schuldeiser zelf, door een incassodienstverlener of door een gerechtsdeurwaarder. Met de Wki zorg ik ervoor dat de incassodienstverlening op een begrijpelijke wijze de opbouw van de vordering en de specificatie inzichtelijk maken voor de schuldenaar.
Mag van een gerechtsdeurwaarder net zoveel, of méér worden verwacht ten aanzien van de achtergrond van de opdrachtgever of de gegrondheid van de factuur als van een willekeurig commercieel incassobureau?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat het slecht is voor het vertrouwen in de gerechtsdeurwaarders, die een bijzondere rol hebben in onze rechtsstaat, als zij als verlengstuk fungeren, of zo worden gezien, van bedrijven met een dubieuze reputatie?
Het is zeker niet goed als de gerechtsdeurwaarder als verlengstuk wordt gezien van bedrijven met een dubieuze reputatie. Daarom wordt onafhankelijk toezicht uitgeoefend door het BFT en wordt er strikt op toegezien dat gerechtsdeurwaarders zich aan de wet houden.
Hoe zou volgens u, beter dan nu, de rol van een gerechtsdeurwaarder enerzijds en een incassobureau anderzijds verduidelijkt kunnen worden? Wat vindt u van het idee de incassopraktijken los te koppelen van de praktijk van gerechtsdeurwaarders, om meer duidelijkheid te scheppen voor consumenten? Bent u bereid op dit punt met voorstellen te komen en hierover in gesprek te gaan met onder andere de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)?
Zoals bij vraag 2 genoemd, is het belangrijk dat een gerechtsdeurwaarder duidelijk aangeeft in welke hoedanigheid hij/zij optreedt. Ik ben er voorstander van dat een schuldeiser eerst tracht om een (onbetwiste) vordering in een minnelijk traject door de debiteur betaald te krijgen voordat een gerechtsdeurwaarder wordt ingeschakeld en deze ambtshandelingen inzet. Over de verschillende rollen van de gerechtsdeurwaarder ben ik in gesprek met partijen zoals onder antwoord vraag 3 aangegeven en wordt u in dat kader verder geïnformeerd.
Wat vindt u ervan dat een gerechtsdeurwaarder zich klaarblijkelijk op het standpunt stelt dat een consument maar aan moet tonen dat een factuur ongegrond is? Bent u het ermee eens dat het juist aan de schuldeiser is duidelijk te maken waarom de factuur gegrond is? Zo ja, bent u bereid dit standpunt nog eens extra onder de aandacht te brengen onder de gerechtsdeurwaarders?
Zowel een schuldeiser als een schuldenaar heeft rechten en plichten. Zo mag van de schuldenaar worden verwacht dat hij reageert op brieven van de schuldeiser, incassodienstverlener of gerechtsdeurwaarder. Vice versa verwachten wij van een schuldeiser, incassodienstverlener of gerechtsdeurwaarder dat zij de schuldenaar adequaat informeren over de vordering. Bij het uitblijven van een betaling zal een schuldeiser, incassodienstverlener of gerechtsdeurwaarder contact zoeken met de schuldenaar en zich netjes opstellen als deze aangeeft dat hij nu niet kan betalen.
Wanneer iemand door een schuldeiser, direct of indirect – via een incassodienstverlener of een gerechtsdeurwaarder – wordt benaderd om een vordering te betalen en het daar niet mee eens is, kan hij/zij zich daar altijd tegen verweren. Een dergelijk verweer dient door de schuldeiser, incassodienstverlener of gerechtsdeurwaarder in behandeling te worden genomen. De schuldenaar dient vervolgens een reactie te ontvangen op zijn verweer. Indien dit niet leidt tot een gezamenlijke oplossing en de schuldeiser van mening blijft dat de vordering terecht is, dan is het vervolgens aan de schuldeiser, als eisende partij, om bij de rechter te bewijzen dat er sprake is van een toewijsbare vordering. De schuldenaar wordt dan gedagvaard. Ik zie in de praktijk dat het relatief vaak voorkomt dat vorderingen aan de rechter worden voorgelegd, zonder dat de schuldenaar verweer voert waardoor er vervolgens een verstekvonnis volgt. Zeker in het geval er sprake is van een dubieuze vordering kan verweer voeren bij de rechter lonen.
Zoals hiervoor aangegeven zet ik me ervoor in dat schuldeisers en schuldenaren in een zo vroeg mogelijk stadium contact met elkaar hebben over de herkomst en hoogte van de vordering en de betalingsmogelijkheden hierbij. Juist door de focus op een minnelijke oplossing voorkomen we dat schulden gejuridiseerd worden en zowel schuldeisers als schuldenaren de gang naar de rechter moeten maken met alle daartoe bijkomende kosten. Er zijn verschillende mogelijkheden waarmee schuldenaren, zowel personen als bedrijven, gratis informatie kunnen vinden over het traject van minnelijke incasso of een vordering die zij niet (h)erkennen. Denk bijvoorbeeld aan voorbeeldbrieven, toegang tot verschillende gemeentelijke initiatieven voor snelle hulp bij een schuld en natuurlijk hulp van het Juridisch Loket. Niet alles hoeft via een advocaat of rechtsbijstandverzekering te lopen.
Overigens geldt ook nog dat wanneer een schuldenaar van mening is dat hij geen of onvoldoende informatie heeft gekregen of bijvoorbeeld niet netjes te woord is gestaan, hij daarover een klacht kan. Deurwaarders en straks ook incassobureau op grond van de Wki zijn verplicht een klachten- en geschillenregeling te hebben.
Vindt u het eerlijk dat mensen die in verweer komen tegen een factuur, met hulp van een advocaat of het aanspreken van de rechtsbijstandsverzekering, vaak de factuur niet hoeven te betalen, maar dat dit voor veel mensen niet is weggelegd omdat zij niet voldoende geld hebben om bijstand te regelen of niet weten hoe dit zit? Erkent u dan dat hier mogelijk een vorm van rechtsongelijkheid ontstaat, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 8.
De complexe schadevergoeding van benadeelden in strafzaken |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de rechter op 18 december 2020?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering van de rechter dat artikel 335 Strafvordering (Sv) geen ruimte biedt in een tussenvonnis de schuldvraag te beantwoorden en daarna pas te kijken naar de vorderingen van de benadeelde partijen?
Ik stel vast dat de rechter met zijn constatering aansluit bij de wetsgeschiedenis.
Artikel 335 Sv bepaalt: «Behoudens toepassing van artikel 333, doet de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij uitspraak gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak.» Dit artikel is in zijn huidige vorm vastgesteld bij wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29). De memorie van toelichting merkt ten aanzien van het artikel op:
«Volgens dit artikel is de rechtbank, behoudens toepassing van artikel 333, verplicht gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak zich uit te spreken over de civiele vordering. De rechter dient derhalve twee zelfstandige beslissingen te nemen die vervolgens in één strafvonnis worden neergelegd.»
Denkt u ook dat het in sommige strafzaken kan helpen eerst de schuldvraag te beantwoorden en daarna pas naar de vorderingen van de benadeelde partijen te kijken? Bijvoorbeeld vanwege spijtoptanten die na het vaststellen van de schuldvraag wel bereid zijn om mee te werken aan de schadevergoeding, kunt u uw antwoord toelichten?
De rechter kan bepalen dat de vordering van een benadeelde partij niet ontvankelijk is als de behandeling van de vordering naar zijn oordeel een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding (artikel 361, derde lid, Sv). Het is in het belang van de benadeelde partij dat niet-ontvankelijkverklaringen zo veel mogelijk worden voorkomen. Ook de rechtbank Rotterdam onderkent dit belang; zo blijkt uit de uitspraak. Ik leid uit het vonnis af dat de door de rechtbank gesuggereerde innovatieve aanpak tot doel heeft niet-ontvankelijkverklaring te voorkomen en tevens de verdachte voldoende gelegenheid te bieden de vorderingen te betwisten.
Om in deze behoefte te voorzien is in het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (in een voorlopige vorm) de mogelijkheid opgenomen om vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij af te splitsen van de hoofdzaak en in een afzonderlijke procedure in het strafrecht te behandelen. De behandeling van de vordering vindt in dat geval plaats na de uitspraak van het eindvonnis in de strafzaak. Afzonderlijke behandeling in een aparte schadevergoedingskamer moet behandeling in het strafproces mogelijk maken in gevallen waarin volgens de huidige regeling de vordering van een benadeelde partij niet ontvankelijk zou worden verklaard.
Ten aanzien van de afzonderlijke behandeling werd van verschillende zijden aangevoerd dat de introductie van een afgesplitste procedure alleen zinvol zou zijn als ook de voorschotregeling van toepassing zou worden verklaard. De regering heeft aan het WODC een onderzoeksopdracht gegeven om na te gaan wat de publieke kosten zouden zijn van toepassing van de voorschotregeling op de voorgestelde afgesplitste schadevergoedingsprocedure. Als het resultaat van dit onderzoek bekend is, of in een later stadium, kan een beslissing worden genomen over de mogelijkheid om de voorschotregeling toe te passen bij de afgesplitste procedure. De consequenties van deze beslissing zullen worden verwerkt in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering ligt momenteel voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Gezien de geschetste stand van zaken ten aanzien van het genoemde wetsvoorstel vind ik het niet opportuun om nu voor te stellen in de wet de mogelijkheid op te nemen om door middel van een tussenvonnis eerst de schuldvraag te beantwoorden en daarna pas naar de vorderingen van de benadeelde partijen te kijken. Ik verwacht dat het voorstel voor de afgesplitste procedure tegemoetkomt aan het gesignaleerde probleem.
Denkt u ook dat het wijzen van een tussenvonnis een brug kan slaan tussen eenvoudige schadevergoedingen die tegelijk met het eindvonnis kunnen worden toegewezen en complexe schadevergoedingen die door de schadevergoedingskamer dienen te worden beoordeeld, zoals het adviesrapport van de commissie Donner adviseert?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
De in het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorgestelde afgesplitste procedure, waarbij een schadevergoedingskamer complexe vorderingen beoordeelt, kan een goede voorziening bieden voor gevallen waarin de strafrechter nu geen uitkomst kan bieden aan de benadeelde partij.
Ik heb geen redenen om te concluderen dat er – in aanvulling op deze voorziening voor een afgesplitste procedure – behoefte is aan een brug tussen eenvoudige vorderingen tot schadevergoeding die tegelijk met het eindvonnis in de strafzaak kunnen worden toegewezen en complexe vorderingen tot schadevergoeding die door de schadevergoedingskamer dienen te worden beoordeeld.
In het rapport van de Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten («Commissie Donner») wordt een voortgezette behandeling van complexe vorderingen binnen het strafproces bepleit. Het rapport (blz. 99) wijst daarbij onder meer op het voorstel in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Ook de suggestie van de rechtbank Rotterdam komt aan de orde en het rapport zegt daarover dat deze slechts een oplossing zou bieden indien het enkel om een kwestie van tijd gaat. «Ontkoppeling of koppeling op afstand biedt echter geen oplossing indien nadere bewijsvoering of getuigen-deskundigen nodig zijn».
Het is belangrijk om goed af te wegen of een afgesplitste procedure en de instelling van een schadevergoedingskamer kunnen worden gerealiseerd. Dit vergt niet alleen zorgvuldige wetgeving, maar vraagt ook voorbereidingen met het oog op invoering in de praktijk van het strafrecht. De modernisering van het Wetboek van Strafvordering biedt daarvoor het passende kader. Ik vind het nu niet aan de orde om daarop vooruit te lopen met een voorstel voor een mogelijkheid om door middel van een tussenvonnis de vordering van de benadeelde partij pas na een schuldigverklaring te behandelen.
Deelt u de mening dat aanvullend daarop de mogelijkheid van een tussenvonnis wel degelijk een toegevoegde waarde kan hebben, naast het bestaan van een schadevergoedingskamer voor de echt complexe zaken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de mogelijkheid van een tussenvonnis op te nemen in de wet, omdat er situaties denkbaar zijn waar dit zowel voor de effectieve rechtspleging als voor het slachtoffer meerwaarde kan hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Veroordeelde criminelen die vrij rondlopen in Turkije |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Kent u de zaak van de veroordeelde A. die zijn nichtje in 2004 wurgde, bij verstek onherroepelijk veroordeeld werd tot tien jaar gevangenisstraf, maar al die jaren uit handen is gebleven van politie en justitie?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is aan de nabestaanden dat de dader nog altijd niet is gepakt, al 17 jaar vrij rondloopt in Turkije, terwijl de politie zelfs nauwkeurig weet waar de veroordeelde verblijft? Deelt u de mening dat dit een vorm van straffeloosheid is die we niet kunnen accepteren?
Ik deel de mening dat het niet aan de nabestaanden en de maatschappij uit te leggen is dat de dader nog altijd niet is opgepakt en dat dit een vorm van straffeloosheid is die we niet kunnen accepteren. Over de kennis bij de politie omtrent de verblijfplaats van de veroordeelde doe ik in het kader van de opsporing geen uitspraken.
Wat is al ondernomen om deze man achter de tralies te krijgen? Hoe heeft Turkije daar tot nu toe op gereageerd?
Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, doe ik geen mededelingen. In het algemeen kan ik wel zeggen dat Turkije geen onderdanen uitlevert aan andere landen voor de tenuitvoerlegging van een straf. De enige mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een straf is het overdragen van die straf, zodat de straf in Turkije kan worden uitgevoerd. Nederland verzoekt in die gevallen op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) aan de Turkse autoriteiten om straffen over te nemen. De Turkse autoriteiten nemen normaal gesproken alleen Wots-verzoeken in behandeling als er een adres of verblijfplaats bekend is. Deze is niet altijd voorhanden. Daarnaast worden deze veroordeelden internationaal (wereldwijd) gesignaleerd.
Hoeveel vaker komt het voor dat mensen, die in Nederland veroordeeld worden, zich in Turkije ophouden en zo uit handen van justitie blijven? Hoe wordt druk uitgeoefend op Turkije om daders niet zonder straf weg te laten komen met hun misdrijven?
In 2019 waren bij Fugitive Active Search Team NL (FAST) 56 zaken met een (resterende) straf van minimaal 120 dagen bekend waarbij de veroordeelde zich mogelijk in Turkije zou bevinden. Deze zaken worden regulier onder de aandacht gebracht op verschillende niveaus bij de Turkse autoriteiten.
Op dit moment is in 16 zaken aan de Turkse autoriteiten gevraagd om een opgelegde straf ten uitvoer te leggen. Indien een reactie te lang op zich laat wachten, verstuurt de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen een rappel. Dit is in 6 zaken ten minste één keer gebeurd. Verder wordt waar nodig langs diplomatieke weg aandacht gevraagd voor openstaande zaken.
Bij welke andere landen speelt dit probleem nog meer?
Voor verschillende landen geldt dat veroordeelde onderdanen niet worden uitgeleverd aan andere landen, maar opgelegde straffen wel kunnen worden overgedragen. Met al de betreffende landen wordt op de best mogelijke manier samen gewerkt om tot uitvoering van de opgelegde straffen te komen. Op nadere bijzonderheden wil ik in het antwoord op deze vraag niet ingaan, omdat dit een onnodige negatieve impact zou kunnen hebben op de samenwerking met deze landen.
Deelt u de mening dat de vraag of het recht zijn beloop heeft eigenlijk niet hoort af te hangen van de politiek en de internationale betrekkingen tussen landen?
Ja, ik deel uw mening.
Wat kunt u doen om dit soort straffeloosheid in het algemeen te voorkomen?
Om te kunnen zorgen dat een rechterlijke uitspraak ook ten uitvoer wordt gelegd indien de veroordeelde in het buitenland verblijft, zijn er verschillende instrumenten, zoals diplomatie, uitlevering of overlevering van de veroordeelde aan Nederland of het overdragen van het strafvonnis aan een ander land.
De mogelijkheden hier verschillen per land. Als er eisen gesteld worden waaraan Nederland (juridisch) niet kan voldoen, dan is het overdragen van de straf niet mogelijk.
Daarnaast zet ik in op het voorkomen dat veroordeelden naar het buitenland vluchten. Vorig jaar is daarvoor bijvoorbeeld samen met het OM, de Rechtspraak en het CJIB een risicotaxatie-instrument ontwikkeld, om de kans op onttrekking te voorspellen. Bij een hoge kans kan bijvoorbeeld worden besloten om via (super-)snelrecht de straf direct aansluitend aan de uitspraak ten uitvoer te leggen. Dit instrument is met pilots getoetst, en ik ben nu met het OM in gesprek of en hoe deze werkwijze kan worden opgenomen in de reguliere werkprocessen.
Wat kunt u specifiek nog doen in deze zaak, om er voor te zorgen dat deze dader zijn straf niet ontloopt en er gerechtigheid komt, wat zeker ook voor de nabestaanden van bijzonder groot belang is?
Deze zaak blijft onderwerp van gesprek met de Turkse autoriteiten.
Opgepakte journalisten bij demonstraties |
|
Peter Kwint , Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Klopt het dat er drie journalisten zijn opgepakt in de afgelopen week bij demonstraties voor een beter klimaatbeleid?1, 2
Ja.
Wat is de toegevoegde waarde van een perskaart als journalisten alsnog opgepakt worden als ze verslag doen van een demonstratie?
Het beschikken over een (politie-)perskaart kent een journalist extra rechten en vrijheden toe. De journalist is echter ook aan (gedrags-)regels gebonden.
Kunt u aangeven welke regels en protocollen er zijn als journalisten kenbaar maken tijdens een aanhouding dat zij journalist zijn? Zijn die in deze gevallen voldoende in acht genomen?
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding, waarbij er naderhand een beoordeling plaatsvindt van de aanhouding. In de voornoemde zaken is gebleken dat de aanhouding rechtmatig was. Bij de beoordeling tot vervolging zal de journalistieke status altijd worden meegewogen. In voornoemde zaken is besloten géén verdere vervolging in te stellen.
Bent u het ermee eens dat het belangrijk is in een vrije democratie dat journalisten niet belemmerd worden in een goede uitvoering van hun werk? Hoe beoordeelt u in dat licht deze incidenten?
De journalistieke vrijheid is een groot goed, hier zetten wij ons met volle toewijding voor in. Dit laat onverlet dat er ook grenzen zitten aan de vrijheid van een journalist bij de uitoefening van zijn vak.
Bent u het ermee eens dat het op z’n minst ongelukkig is dat, zeker in een tijd waarin de bedreiging tegen journalisten toeneemt, er in korte tijd journalisten worden opgepakt door de overheid bij de uitvoering van hun werk?
Zie de antwoorden op vraag 2, 3 en 4.
Bent u bereid deze incidenten met onder andere de politie te bespreken in het kader van PersVeilig? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u ons hierover informeren?
De Nederlandse Vereniging van Journalisten, het Genootschap van Hoofdredacteuren, de politie en het openbaar ministerie werken samen in de stuurgroep PersVeilig. In die stuurgroep wordt onder andere gesproken over veiligheidsvraagstukken met betrekking tot journalisten. Ik ga ervan uit dat dit onderwerp daar ook geagendeerd wordt, en dat betrokken daar met elkaar van gedachten wisselen hoe dergelijke situaties op een goede manier aangepakt kunnen worden.
Het strafontslag van een agente die grensoverschrijdend gedrag van een leidinggevende aankaartte |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Kunt u uiteenzetten wat de meldprocedure is voor grensoverschrijdend gedrag binnen een politieteam?1
De procedure voor het melden van een misstand is vastgelegd in paragraaf 2.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP). Een werknemer doet in principe eerst een interne melding bij zijn werkgever, tenzij dit niet in redelijkheid van hem kan worden gevraagd. De korpschef en ik hechten veel waarde aan een veilige en inclusieve politieorganisatie waarin zoveel als mogelijk wordt gedaan om ongewenst gedrag door medewerkers te voorkomen en misstanden worden gemeld. Door een misstand te melden draagt de medewerker bij aan het onthullen of voorkomen van dergelijke inbreuken, waardoor deze een belangrijke bijdrage levert aan het maatschappelijk welzijn van alle medewerkers.
Politiemedewerkers die op de hoogte zijn van gedragingen of activiteiten binnen de organisatie die het algemeen belang kunnen schaden of bedreigen, worden beschermd als zij dit melden. Dit zogenaamde «benadelingsverbod» is opgenomen in artikel 47 van de Politiewet 2012. Als de gedane melding niet of niet naar tevredenheid is afgehandeld, kan de werknemer een melding doen bij een externe instantie zoals de afdeling Onderzoek van het Huis voor klokkenluiders en een verzoek tot het doen van onderzoek indienen. Daarnaast kan er een klacht worden ingediend of aangifte worden gedaan. Klachten en aangiften met betrekking tot de politie worden onderzocht door een onafhankelijke klachtencommissie en indien nodig door het OM. Zij beoordelen het gedrag en optreden van de politie.
Hoeveel klokkenluiders binnen de politie zijn er in de afgelopen vijf jaar overgeplaatst naar een ander team?
Er hebben in de afgelopen 5 jaar totaal 14 klokkenluiders die voldoen aan de definitie, aandacht gevraagd voor een casus.
Er kunnen tal van redenen zijn waarom politiemedewerkers zich verplaatsen binnen de organisatie (bijvoorbeeld door een carrièrestap te maken of in geval van een gedwongen overplaatsing). Er is in één casus sprake geweest van een gedwongen overplaatsing. Ik kan over deze casus echter geen uitspraken doen omdat het hier een aangelegenheid tussen werkgever en werknemer betreft.
Hoeveel klokkenluiders zijn er binnen de politie geweest in de afgelopen vijf jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wanneer contact met de media een schending is van de ambtseed en de geheimhoudingsplicht? Is dat bijvoorbeeld ook het geval als iedere stap doorlopen is in het meldproces en er geen of onvoldoende stappen zijn ondernomen? Is dat ook het geval wanneer er voldoende reden is om te twijfelen aan de bereidheid van de organisatie deze klacht serieus te behandelen of als er gevreesd moet worden voor repercussies als er gemeld wordt?
In de Ambtenarenwet zijn de verplichtingen van de ambtenaar opgenomen. Hierin staat dat de ambtenaar is gehouden de bij of krachtens de wet op hem rustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De ambtenaar legt hiervoor een eed of belofte af. In de Beroepscode politie zijn daarnaast de vier kernwaarden integer, betrouwbaar, moedig en verbinden verwoord. De vier kernwaarden vormen een toetssteen voor hetgeen van de politie als goed ambtenaar wordt verwacht. In de ambtseed zweert of verklaart de aspirant of de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak onder meer de kennis die hij/zij vanuit de ambt kennis draagt en die als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan hij/zij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen niet zal openbaren aan anderen dan aan hen aan wie hij/zij volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht is. In de beroepscode is opgenomen dat zorgvuldig met (vertrouwelijke) informatie moet worden omgegaan. Het delen van vertrouwelijke politie-informatie (als ook met de media) kan, afhankelijk van de omstandigheden een schending van de ambtseed/belofte en de geheimhoudingsplicht opleveren.
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 1 doet een medewerker in principe intern melding van een misstand bij de werkgever (direct leidinggevende of andere leidinggevende), tenzij dit niet in redelijkheid van hem of haar kan worden gevraagd. Daarnaast heeft de politie een uitgebreid stelsel van vertrouwenspersonen in de eenheden, waarmee geborgd is dat eenieder die een melding van omgangsvormen aan de orde wil stellen dat altijd veilig en beschermd kan doen. Ook heeft de politie een ombudsfunctionaris waar mensen terecht kunnen die zich niet gehoord voelen. Als de gedane melding niet of niet naar tevredenheid is afgehandeld, kan de werknemer besluiten om melding doen bij een externe instantie zoals de afdeling Onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of door het indienen van een klacht of aangifte.
Zijn er – gezien het feit dat zowel in Den Haag als in Noord-Holland meerdere problemen spelen, zoals blijkt uit onder andere de rechterlijke uitspraken, en gezien dit al eerder bleek in Rotterdam2 – meer lokale teams waarbij problemen van deze omvang spelen? Zo ja, hoeveel zijn dat er schat u in? Zo nee, waar baseert u dit op?
Goed politiewerk vraagt om een veilige en inclusieve werkomgeving waar verschillen worden erkend en gewaardeerd. Waar mensen werken zullen ook fouten gemaakt worden waarvan moet worden geleerd. De medewerkerstevredenheidsmonitor vormt daarbij een waardevol hulpmiddel. Zoals ik meermalen aan uw Kamer heb medegedeeld, laatstelijk nog in mijn brief van 20 mei 20213, is de korpsleiding daarnaast zeer alert op relevante signalen. Ik heb daarbij aangegeven dat het onderwerp regelmatig aan de orde komt in mijn gesprekken met de politie en met burgemeesters. In deze brief is tevens ingegaan op de maatregelen die de politie in dat verband neemt. Centraal hierin staat het programma Politie voor Iedereen, dat is gericht op een korps dat divers is opgebouwd en goed met diversiteit kan omgaan, waarin oog is voor de verschillende culturen, leefstijlen en aandachtsgebieden in onze samenleving en geen ruimte is voor discriminatie en grensoverschrijdend gedrag. Alleen zo kunnen teams samen sterk staan en in verbinding blijven met elkaar en met burgers in de samenleving.
Hoeveel adviesaanvragen zijn er in de afgelopen drie jaar binnengekomen bij de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening politieambtenaren? Hoeveel van deze adviezen zijn rechtstreeks opgevolgd?3
De Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren (AGFA) publiceert al haar adviezen op de website en in haar jaarverslagen. Vanaf 2018 tot heden zijn er 15 zaken voorgelegd aan de AGFA-commissie. De adviezen t.a.v. 14 van deze zaken zijn gepubliceerd op de website van de AGFA. In één zaak is nog geen besluit genomen. Pas daarna zal publicatie plaatsvinden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat Politie op 3 november?
De beantwoording van deze vragen kan niet binnen de gevraagde termijn worden gematerialiseerd.
Slachtoffers van oplichting en het verhaal van de schade na civiele vonnissen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u het verhaal van Chedwa Polak, van wie de erfenis van haar moeder is afgenomen door een oplichter, maar die zelfs nadat ze in het gelijk is gesteld door een civiele rechter feitelijk niets kan ondernemen richting haar oplichter?1
Ja
Erkent u dat het vaker voorkomt dat mensen die civiel in het gelijk zijn gesteld, door een werkwijze die moeilijk anders dan oplichting kan worden genoemd, zich machteloos voelen tegenover de oplichter die zich voordoet als «kale kip» waar niet van te plukken valt?
Naar de ervaringen van mensen die via een civiele procedure getracht hebben hun schade vergoed te krijgen is in het verleden vaker onderzoek gedaan. Zo heeft het WODC in opdracht van JenV verschillende onderzoeken naar schadeverhaal voor slachtoffers van strafbare feiten uitgevoerd, waarbij onder andere is gekeken naar ervaringen van slachtoffers met het verhalen van schade via een civiele procedure.2 Eén van de geconstateerde knelpunten voor slachtoffers om hun schade te verhalen via deze weg is het uitblijven van betaling van de schadevergoeding door de veroordeelde partij, omdat toewijzing van de vordering niet garandeert dat de dader ook kan betalen. Ook in het recente advies van de Commissie Donner «Op verhaal komen, naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit»3 staat dat het civiel proces niet altijd uitkomst biedt wanneer de dader geen of onvoldoende financiële middelen heeft. Op dit moment wordt met de ketenpartners in voorbereidende zin gesproken over de verschillende voorstellen in het advies.4
Snapt u het ongenoegen bij slachtoffers dat de overheid eigenlijk niets voor ze kan betekenen in dergelijke situaties en dat ze er alleen voor staan?
Ja, ik begrijp dat er ongenoegen is bij gedupeerden als een partij die tot het betalen van een bedrag is veroordeeld, niet betaalt.
Erkent u dat de overheid beter in staat zou zijn dan de slachtoffers zelf om inzage te krijgen in de werkelijke vermogenspositie en de verhaalsmogelijkheden bij de mensen die geld verschuldigd zijn en tevens het onderscheid kunnen maken tussen «niet kunnen» of «niet willen» betalen, zoals ook het CJIB bijvoorbeeld doet bij bedragen die verschuldigd zijn op strafrechtelijke titel?
Voor de executie van een civielrechtelijk vonnis kan de eisende partij – indien de veroordeelde partij niet vrijwillig betaalt – een gerechtsdeurwaarder inschakelen. Bij de executie van civiele vonnissen handelt de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar. In die hoedanigheid heeft de gerechtsdeurwaarder bevoegdheden om ten behoeve van de eisende partij een vonnis gedwongen ten uitvoer te kunnen leggen. De gerechtsdeurwaarder kan beslag leggen op inkomsten en/of vermogen. Voordat een gerechtsdeurwaarder dat doet, zal hij in het kader van de uitoefening van de ambtshandeling inventariseren welke verhaalsmogelijkheden de veroordeelde partij biedt. Hierbij baseert hij zich op gegevens van bijvoorbeeld het UWV of van banken. Ook zal hij het Digitaal Beslagregister (DBR) raadplegen of er niet al andere beslagen zijn gelegd. Indien er beslag is gelegd, is de tot betaling veroordeelde partij verplicht om zijn bronnen van inkomsten op te geven. Daarnaast is de deurwaarder bevoegd aan iedereen van wie hij vermoedt dat deze aan de veroordeelde partij periodieke betalingen verricht, zoals loon of uitkering, te vragen of dat zo is. De bevraagden zijn verplicht hierop schriftelijk te antwoorden. De deurwaarder kan tenslotte aan een bank vragen of deze geldmiddelen van de veroordeelde partij onder zich heeft. De deurwaarder heeft naar mijn mening voldoende mogelijkheden om inzage te krijgen in de werkelijke vermogenspositie en om te beoordelen of er sprake is van niet kunnen of niet willen betalen.
In de televisiereportage waarop de vragensteller zich baseert komt naar voren dat de veroordeelde partij eigendommen zou hebben in Spanje. Een civielrechtelijk vonnis van een Nederlandse rechter is rechtstreeks uitvoerbaar in elke andere lidstaat van de EU op grond van de Verordening Brussel I Bis (1215/2012). Deze uitspraak kan in Spanje ten uitvoer worden gelegd, ook zonder medewerking van de partij die moet betalen, bijvoorbeeld door een beslag op bankrekeningen of op onroerende zaken van die partij. Het Europese E-Justice Portaal bevat informatie over hoe dit in Spanje in zijn werk gaat (Europees e-justitieportaal – Hoe kan ik de naleving van een uitspraak afdwingen? (europa.eu)).5
Bent u bereid te bezien of de overheid in dergelijke situaties slachtoffers kan helpen met het verhaal van de schade na civielrechtelijke vonnissen, of bijvoorbeeld een deel van het schadebedrag voor kan schieten aan slachtoffers en de vordering (deels) over kan nemen omdat de overheid beter in staat kan worden geacht te innen bij de betalingsplichtige dan het benadeelde individu? Zo niet, waarom niet?
Nee, ik zie op dit moment geen aanleiding voor de overheid om hierin een rol te vervullen.
Bij een civiele procedure, zoals in voornoemde casus, gaat het niet om publiekrechtelijke straffen of maatregelen en is er dan ook geen rol voor de overheid. Het ligt daarom niet in de rede dat de overheid helpt om schadevergoeding te innen die in een civiele procedure is toegewezen en evenmin om in dat kader voorschotten te verstrekken. Ik verwijs tevens naar het advies van de Commissie Donner, waarin de Commissie concludeert dat de inning door het CJIB in strafzaken geen ongerechtvaardigde bevoordeling is van deze groep slachtoffers ten opzichte van de slachtoffers die een schadevergoeding via het civiele proces trachten te verkrijgen en daar geen vergelijkbare voordelen genieten. Ook de Commissie Donner stelt in dat verband dat de schadevergoedingsmaatregel bij het strafproces hoort en dat deze als onderdeel van de gehele sanctie moet worden begrepen. In een civiele procedure worden civielrechtelijke vorderingen tussen partijen toegewezen.6
Dat de schadeveroorzaker niet of niet voldoende in staat is om de schade te vergoeden, rechtvaardigt evenmin dat de overheid een rol moet spelen in het verhalen van de schade op basis van een civiel vonnis. Bij de executie van civiele vonnissen handelt de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar. In die hoedanigheid heeft de gerechtsdeurwaarder naar mijn oordeel voldoende bevoegdheden om ten behoeve van de eisende partij een vonnis gedwongen ten uitvoer te kunnen leggen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wat kunt u betekenen voor dergelijke slachtoffers? Bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Ik zie geen grondslag voor de overheid om een rol te vervullen in het verhaal van een vordering die is toegekend in een civiel vonnis.
Het grote tekort aan zwemleraren en de risico’s voor de zwemveiligheid |
|
Michiel van Nispen |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Weet u dat veel zwemscholen en zwembaden op dit moment personeelstekorten hebben? Bent u er van op de hoogte dat de meeste zwemscholen en zwembaden met allerlei noodmaatregelen en kunstgrepen de boel overeind houden maar dat dit nauwelijks lukt, vooral door een tekort aan zweminstructeurs en toezichthouders?1
Naast de berichtgeving in de media ontvang ik van de Nationale Raad Zwemveiligheid ook signalen dat (goed) zwembadpersoneel schaars is en dat zwembadexploitanten zich genoodzaakt zien om in creatieve noodverbanden oplossingen te vinden.
Hoe ernstig is het probleem volgens u precies? Wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
De oorzaken van deze krapte op de arbeidsmarkt zijn divers en beperken zich niet tot de zwembadbranche. Het CBS becijferde dat Nederland in het derde kwartaal van 2021 vrijwel alle branches te maken hebben met een groot personeelstekort. Voor iedere 100 werkzoekenden bestaan 106 vacatures. Gemiddeld geeft ongeveer een kwart van de ondernemers (23%) aan dat personeelstekort op dit moment de voornaamste belemmering voor hun bedrijfsvoering is.
Voor ondernemers uit de cultuur, sport en recreatie is dit lager dan het gemiddelde, namelijk 14 procent. De inventarisatie van ZwembadBranche bevestigt het beeld dat op veel plekken geschoold personeel moeilijk te vinden is en dat dit evenzo geldt voor zwembadpersoneel.
Weet u dat veel genoemde oorzaken van dit tekort onderbetaald werk is (relatief laag salaris voor belangrijk werk, met hoge werkdruk en verantwoordelijkheden), maar ook dat de administratieve taken zijn toegenomen en dat het beroep de laatste jaren aan gezag heeft ingeboet, onder andere door de versnippering aan taken en de marktwerking?2, 3, 4, 5
In het contact dat ik heb met de branche merk ik dat veel zwembadmedewerkers dit werk doen vanuit een roeping en het grote zwemhart dat ze hebben. Daar profiteren hele generaties van op weg naar zwemveiligheid en zwemplezier.
Hoewel ik de geluiden herken kan ik moeilijk inschatten in hoeverre het beroep aan gezag heeft ingeboet als gevolg van versnippering aan taken, aangezien exploitatie van zwembaden lokaal geregeld is.
Welke gevolgen kan het grote tekort aan zwempersoneel volgens u hebben?
Een groot tekort aan zwembadpersoneel leidt uiteindelijk mogelijk tot (langere) wachtlijsten voor zwemles en beperkte bruikbaarheid van het beschikbare zwemwater.
Deelt u de mening dat het ernstig is dat zowel de zwemveiligheid als de maatschappelijke functie van het zwembad onder druk komen te staan als er te weinig zwemleraren zijn, daardoor groepen groter worden, zwembaden gedeeltelijk dicht gaan (waardoor het zo belangrijke onderhouden van vaardigheden minder plaats kan vinden), en ook activiteiten zoals bewegen voor ouderen of mensen met chronische aandoeningen geschrapt worden?
Ik deel de mening dat zwembaden een belangrijke maatschappelijke functie hebben voor jong en oud en dat het onwenselijk is als deze onder druk komt te staan.
Welke oplossingen ziet u voor dit probleem? Welke maatregelen kunt u vanuit uw rol en verantwoordelijkheid nemen om hier iets aan te doen?
Het tekort aan personeel laat zich niet van de ene op de andere dag oplossen, omdat op de gehele arbeidsmarkt krapte heerst en voor deze functies scholing vereist is. De oplossing begint bij een inzet op instroom en behoud van geschoold personeel.
Aangezien zwemmen een publieke taak is die bij de gemeenten belegd is, zie ik voor de rijksoverheid vooral een faciliterende en ondersteunende rol weggelegd. Om die reden heb ik het nationaal plan zwemveiligheid ondersteund waarin ruim aandacht is voor oplossingsrichtingen voor dit probleem.
Enkele concrete voorbeelden van de werkzaamheden die plaatsvinden zijn:
Tot slot verkent de NRZ samen met de WiZZ, mbo’s en bonden hoe zwemopleidingen beter op elkaar kunnen aansluiten en of een gezamenlijk opleidingscentrum van betekenis zou kunnen zijn voor de branche.
Kunt u deze vragen in ieder geval beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Sport en Bewegen?
Ja.