Het bericht dat het Vrouw-Moeder-Kind centrum in het Atriumziekenhuis Atrium ziekenhuis in Heerlen er niet komt |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het vorig jaar met veel trots aangekondigde Vrouw-Moeder-Kind-centrum (VMK) van het Atrium ziekenhuis in Heerlen er vanwege bezuinigingen niet komt?1
De Raden van Bestuur van Atrium en Orbis hebben mij laten weten dat het bericht, dat het Vrouw-Moeder-Kind-centrum in Heerlen van de baan is, onjuist is en dat ze de genoemde percentages niet herkennen. In Heerlen is nog steeds in een verloskundig centrum voorzien, met maternity rooms en een afdeling Neonatologie die van alle moderne faciliteiten zijn voorzien. Van deze voorzieningen kan straks ook door de 1e lijns verloskundigen gebruik worden gemaakt voor bevallingen. Dit centrum komt in de nieuwbouw en wordt eind volgend jaar in gebruik genomen.
Bent u, gelet op de ligging van Heerlen in het verzorgingsgebied, van mening dat de centralisatie van verloskundige zorg in die stad een goed idee is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik hecht veel waarde aan de bereikbaarheid van acute verloskundige zorg. Zowel het Atrium als Orbis is echter geen gevoelig/cruciaal ziekenhuis volgens de analyse gevoelige ziekenhuizen van het RIVM die ik u op 20 september 2013 heb toegezonden (32 854, nr. 20).
Herkent u de in het artikel genoemde percentages en weet u welke vertrouwelijke stukken hier bedoeld worden? Zo nee, bent u bereid die te achterhalen en te delen met de Kamer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken en ken de vertrouwelijk stukken niet. Het is aan de Raden van Bestuur van Atrium en Orbis om de verdere invulling van het centrum voor te bereiden. Ik heb hier geen rol in.
Wat is uw reactie op het feit dat men bij de afweging van het centraliseren van de verloskundige zorg in Heerlen, men het voor lief nam dat er 20% minder bevallingen zouden plaatsvinden dan wanneer dit in Sittard zou gebeuren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u, gelet op de mening van ingewijden dat de ruimte beschikbaar in Heerlen eigenlijk te klein is voor verloskundige zorg, van oordeel dat centralisatie in die stad eigenlijk niet wenselijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is de verantwoordelijkheid van de Raden van Bestuur van Atrium en Orbis, in overleg met betrokken partijen, om te zorgen voor een adequate infrastructuur die voldoet aan de relevante richtlijnen en regelgeving.
Zou het naar uw mening, nu het Atrium ziekenhuis in Heerlen zich niet langer kan profileren met een nieuw VMK, niet veel verstandiger zijn verloskundige zorg in zowel Heerlen als bij het Orbis ziekenhuis in Sittard aan te blijven bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat «het ziekenhuis van de 21e eeuw» – zoals het Orbis ook wel wordt genoemd – zonder verloskundige zorg kan? Is dat uw definitie van een hypermodern ziekenhuis?
De toedeling van functies dient bezien te worden in de locale context. Het gaat hier om afspraken tussen aanbieders, zorgverzekeraars en andere betrokken partijen. Ik heb hier geen rol in.
In welk stadium en hoe concreet zijn de fusieplannen van het Atrium ziekenhuis in Heerlen en het Orbis ziekenhuis in Sittard-Geleen?
De ziekenhuizen Atrium en Orbis werken toe naar een fusie per 1 januari 2015. De banken hebben op hoofdlijnen overeenstemming bereikt over de financiering. De centrale ondernemingsraad, de verpleegkundige adviesraad, de centrale cliëntenraad en medische staven van de ziekenhuizen hebben ingestemd met de fusie.
Op welke wijze is met bewoners, zorgverleners en andere betrokkenen overleg gevoerd over de fusie van deze twee ziekenhuizen? Zijn zij gelukkig met deze voornemens? Kunt u uw antwoord toelichten?
De centrale ondernemingsraad, de verpleegkundige adviesraad, de centrale cliëntenraad en medische staven en medische staven van de ziekenhuizen zijn akkoord gegaan met de fusie. De NZA toetst (fusietoets) op dit moment of bij het betrekken van de stakeholders de juiste werkwijze is gevolgd.
Is het gezien deze recente ontwikkelingen niet verstandiger om de fusieplannen nu voor eens en voor altijd af te blazen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de besturen van de betreffende ziekenhuizen hierop aan te spreken?
Mijn beleid is er op gericht dat patiënten voldoende alternatieven hebben in een regio, opdat ze kunnen kiezen. Voor patiënten is het belangrijk om een keuze te hebben tussen verschillende ziekenhuizen, zodat zij weg kunnen als een zorgaanbieder niet bevalt. Voor verzekeraars is het op hun beurt goed wanneer zij een keuze kunnen maken om de beste zorg voor hun verzekerden in te kopen tegen een redelijke prijs. Daarom is het van belang dat er voldoende onderscheidend aanbod overblijft en er niet wordt gefuseerd om het fuseren. Raden van bestuur beslissen of ze wel of niet willen fuseren en het is aan toezichthouders om dit te toetsen. Ik ben hier verder geen partij in.
In welke regio’s ligt er op dit moment een (concept-)regioplan van zorgverzekeraars waarin er wordt gekoerst op het sluiten dan wel samenvoegen van afdelingen voor verloskundige en spoedeisende zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat betreft de concentratie van spoedzorg heeft Zorgverzekeraars Nederland (ZN) in februari 2013 de gezamenlijke uitgangspunten bekend gemaakt. Op basis daarvan zijn vervolgens per regio verkennende gesprekken gevoerd tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De uitgangspunten van de zorgverzekeraars zijn te raadplegen via de website van ZN.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft zorgverzekeraars er inmiddels op gewezen dat hun gezamenlijke plannen voor de concentratie van spoedeisende ziekenhuiszorg de keuzemogelijkheden voor patiënten en verzekerden te veel kunnen verminderen. Op basis hiervan heeft ZN op 16 juli 2014 laten weten het gezamenlijke traject rond complexe spoedeisende zorg voor dit moment af te ronden. Er is op dit moment dus geen sprake meer van een gezamenlijk traject van de zorgverzekeraars. Het is nu aan iedere zorgverzekeraar afzonderlijk om hier het eigen inkoopbeleid op te formuleren. Het inkoopbeleid van zorgverzekeraars is een individuele verantwoordelijkheid, waarbij een zorgverzekeraar moet voldoen aan de zorgplicht jegens zijn verzekerden.
Het is nu aan ZN om aan te tonen dat het collectief stellen van kwaliteitseisen per saldo goed is voor de verzekerden. Zorginstituut Nederland is door ZN verzocht om vanuit zijn onafhankelijke positie de partijen te verzoeken om zo snel mogelijk gezamenlijk de kwaliteitsstandaarden voor spoedeisende hulp te formuleren. Wat Zorginstituut Nederland betreft, zullen de kwaliteitsstandaarden waar alle partijen het over eens zijn, nog dit jaar in het register bij het Zorginstituut worden opgenomen. Voor de standaarden waarover nog geen overeenstemming bestaat, verwacht Zorginstituut Nederland dat deze in de loop van 2015 worden geregistreerd. Als de partijen daar niet uitkomen, zal het Zorginstituut zelf een expertcommissie instellen om voorstellen te doen.
Kunt u de Kamer deze (concept-)plannen voor elke regio doen toekomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u bij elk plan aangeven hoever de uitvoering ervan gevorderd is?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht dat een docente de Tweede Kamer niet op de hoogte mocht stellen van fouten in rekentoetsen van het Cito |
|
Paul van Meenen (D66), Michel Rog (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Censuur Cito, fouten worden verdoezeld»?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op het bericht dat docenten fouten in rekentoetsen van het Cito niet mogen aankaarten in de Tweede Kamer en daarover zelfs niet met elkaar mogen discussiëren? Vindt u dit een correcte gang van zaken en meent u dat hiermee recht wordt gedaan aan de aanbevelingen van de commissie-Bosker met betrekking tot rekentoetsen in het voortgezet onderwijs en het mbo2?
Anders dan wordt gesuggereerd, staat het docenten vrij met elkaar te discussiëren over vermeende fouten in opgaven en hun opvattingen daarover te delen met leden van de Tweede Kamer. Wat het CvTE van docenten vraagt is om dat niet op schriftelijke wijze te doen en niet via openbare kanalen, zoals internet of social media, omdat daarmee de geheimhouding wordt doorbroken.
Deze geheimhouding is belangrijk, omdat anders dan bij de centraal schriftelijke examens bij de rekentoets opgaven worden hergebruikt, zowel in verschillende varianten gedurende de afnameperiodes, als in toekomstige examenjaren. Door het hergebruik van de rekentoetsopgaven wordt de gelijkwaardigheid van de rekentoetsen over de jaren heen gerealiseerd en geldt bovendien dat de rekentoetsen voor het voortgezet onderwijs gelijkwaardig zijn aan de centrale examens rekenen in het middelbaar beroepsonderwijs. Omdat opgaven uit toekomstige centrale toetsen en examens niet van tevoren bekend mogen zijn, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) regels opgesteld om die geheimhouding te waarborgen, waaronder het verbieden van de bespreking van deze vragen via internet of social media. Dit alles komt overeen met de al bestaande regels voor digitale examens in het vmbo.
Daarnaast zijn reacties op de opgaven van docenten natuurlijk wenselijk. Het is altijd mogelijk dat een minder deugdelijke opgave in een toets terecht komt. Daarom wordt van alle afgenomen toetsen achteraf gecontroleerd welke opgaven aan de kwaliteitseisen van een examen voldoen. Deze controles zijn inhoudelijk, wetenschappelijk en psychometrisch. Alleen de opgaven met voldoende kwaliteit op alle vlakken tellen mee in de beoordeling van de prestatie van een leerling. Docenten kunnen vermeende onvolkomenheden in de rekentoets doorgeven aan het Examenloket en deze opmerkingen worden door het CvTE behandeld. Docenten krijgen van het CvTE altijd een reactie op hun melding. Het Examenloket heeft tot op heden enkele meldingen van vermeende onvolkomenheden in de rekentoets doorgegeven gekregen van docenten.
Per referentieniveau wordt elk jaar een aantal varianten van de rekentoets gemaakt. Na afloop van een schooljaar publiceert het CvTE per type rekentoets twee varianten van de afgenomen rekentoetsen, inclusief de antwoordmodellen en de normering. Eén van deze twee voorbeeldtoetsen is alleen voor scholen toegankelijk, de andere wordt via internet verspreid. De opgaven uit de overige varianten worden opgeslagen in een opgavenbank ten behoeve van hergebruik in komende examenjaren. Als de opgavenbank groot genoeg is kunnen in de toekomst alle opgaven openbaar gemaakt worden.
De commissie-Bosker heeft geadviseerd om na elke rekentoets zo veel mogelijk opgaven openbaar te maken. Aan dit advies is gehoor gegeven door van het afgelopen examenjaar per referentieniveau niet één maar twee voorbeeldrekentoetsen beschikbaar te stellen, bestaande uit daadwerkelijk gestelde vragen. Het dilemma daarbij was dat dit natuurlijk ten koste gaat van de snelheid waarmee de opgavenbank wordt opgebouwd, vandaar dat dit compromis is gezocht. Gegeven het belang van geheimhouding van toekomstige opgaven vind ik dat hiermee recht gedaan is aan de aanbevelingen van de commissie.
Hoe duidt u de uitspraak van de docente dat een WOB-procedure3 is afgewezen door het College van Examens, omdat openbaarmaking zou leiden tot «onevenredige benadeling van de Staat», en dat «openbaar gemaakte opgaven dan niet meer hergebruikt zouden kunnen worden»?
Ik stel voorop dat ik niet kan treden in de besluitvorming van zelfstandige bestuursorganen, zoals het College voor Toetsen en Examens, naar aanleiding van bij hun ingediende Wob-verzoeken. U vraagt mij echter waaruit de onevenredige benadeling van de Staat kan bestaan in geval van openbaarmaking van de opgaven de rekentoets.
Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft verstrekking van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. In de rechtspraak is erkend dat het openbaar maken van examens die als referentie-examen in gebruik zijn of recentelijk als zodanig zijn gebruikt, kan leiden tot onevenredige benadeling bij de uitoefening van wettelijke taken, in casu door het College voor Toetsen en Examens. Een examen waarvan bekend wordt dat het als referentie-examen wordt of recentelijk is gebruikt, is daarvoor niet langer geschikt. 4
Openbaarmaking van afgelegde rekentoetsen zou leiden tot onevenredige benadeling in de uitoefening van de wettelijke taken, omdat de openbaar gemaakte opgaven dan niet meer hergebruikt kunnen worden. Het hergebruik is van belang voor het normeren, construeren en de ontwikkeling van de rekentoets. Hier is een analogie te trekken met een referentie-examen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Overigens stel ik vast dat belanghebbenden tegen de beslissing van het College voor Examens op het bezwaarschrift naar aanleiding van het afgewezen Wob-verzoek geen beroep bij de rechtbank hebben ingesteld.
Kunt u toelichten welke procedures docenten kunnen doorlopen om fouten in toetsen van het Cito aan te kaarten? Acht u deze procedures voldoende?
Bij de rekentoets kunnen dezelfde procedures worden doorlopen als bij de centrale examens. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid in uw komende beleidsstuk over de rekentoets uw visie te geven op het gebied van openbaarheid van de opgaven van de rekentoets en het inzagerecht?
Mijn opvatting over openbaarheid van de rekentoetsopgaven heb ik in het antwoord op vraag 2 weergegeven. Op verruiming van het inzagerecht zal ik ingaan in de brief die ik in december aan uw Kamer zal zenden, zoals ook al eerder aangekondigd in de voortgangsrapportage invoering referentieniveaus taal en rekenen van 13 juni 2014.5
Het bericht ‘Mensen met schulden zijn een melkkoe’ |
|
Michiel van Nispen (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mensen met schulden zijn een melkkoe»?1
Ja.
Deelt u de in het artikel opgeworpen stelling dat er lucht zit in bepaalde tarieven en dat het onwenselijk is als burgers meer betalen dan noodzakelijk is?
De kosten die op de schuldenaar verhaald mogen worden, zijn gelimiteerd tot bij AMvB vastgestelde tarieven welke zijn gebaseerd op kostprijs met een opslagpercentage voor redelijke winst.2 Deze tarieven worden jaarlijks geactualiseerd met behulp van een objectieve indexering, waarin de loonkostenstijging en productiviteitsstijging zijn verdisconteerd.3 De eerste factor (loonkostenstijging) werkt prijsverhogend; met de lonen stijgen ook de kosten van een productief uur en daarmee de productkosten. De tweede factor (productiviteitsstijging) werkt prijsverlagend; met de stijging van de productiviteit per medewerker, dalen de tijdsbesteding per product en de arbeidskosten. De kosten en de baten van de automatisering worden geacht hierin te zijn verdisconteerd. Overigens zijn de tarieven in 2007 en 2012 verlaagd in verband met de toegenomen arbeidsproductiviteit.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 7.
In welke mate houdt de indexatie van de deurwaarderstarieven rekening met de werkelijke kosten die een deurwaarder maakt?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de kosten en de baten van de automatisering niet worden meegenomen in de indexatie? Zo ja, waarom gebeurt dat niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de overheid in toenemende mate een prijsdruk legt op de gerechtsdeurwaarders? Welke risico’s ten aanzien van het eigenbelang van de deurwaarders bij een vordering en de onafhankelijkheid van het ambt brengt dat met zich mee?
De gerechtsdeurwaarder oefent zijn beroep uit op het snijvlak van ambt en ondernemerschap. Door de economische omstandigheden, de toegenomen concurrentie en prijsdruk van opdrachtgevers – waaronder overheidsinstanties – kan onder omstandigheden een onafhankelijke ambtsbediening onder druk komen te staan. Bijvoorbeeld doordat de gerechtsdeurwaarder zijn relatie met de opdrachtgever laat prevaleren boven de belangen van de schuldenaar. Mede met het oog daarop wordt met het wetsvoorstel tot Wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet4 het toezicht door het Bureau Financieel Toezicht uitgebreid tot algemeen toezicht. Dit betekent niet alleen een controle op de financiële handel en wandel van gerechtsdeurwaarders, maar ook dat zaken als integriteit en de onafhankelijkheid van de ambtsbediening door de toezichthouder onder de onder loep wordt genomen. Het wetsvoorstel voorziet er tevens in dat bij een ernstig vermoeden van klachtwaardig handelen, het Bureau Financieel Toezicht, of de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders of de Minister van Veiligheid en Justitie, de tuchtrechter kan vragen de betrokken gerechtsdeurwaarder direct te schorsen.
Acht u het wenselijk als een overheidsinstantie, zoals het Centraal Administratie Kantoor (CAK), een aanbesteding probeert te doen waarin de deurwaarder een bedrag moet betalen voor het winnen van de opdracht? Zo nee, waarom is dit desondanks gebeurd?
Door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is eerder dit jaar een aanbestedingstraject gestart voor gerechtsdeurwaardersdiensten. Het doel van deze aanbesteding was het selecteren en contracteren van drie kantoren voor de verrichting van incassowerkzaamheden en ambtshandelingen ten behoeve van de vorderingen van het CAK. Deze aanbesteding had betrekking op de wettelijke taken die het CAK uitvoert voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namelijk het vaststellen, opleggen en incasseren van de wettelijk verplichte eigen bijdragen voor geleverde zorg. Bij deze aanbesteding heeft het CAK aan offrerende gerechtsdeurwaarders gevraagd een commercieel belang bij de te gunnen opdrachten aan te geven. Het CAK is er vervolgens op gewezen dat het in verband met een goede en onafhankelijke vervulling van het gerechtsdeurwaardersambt het de gerechtsdeurwaarder niet is toegestaan vorderingen direct of indirect voor eigen rekening te innen. Het CAK heeft daarop besloten de aanbesteding in te trekken.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de deurwaarderstarieven en de wijze waarop deurwaarders en opdrachtgevers met elkaar samenwerken?
Voor het goed functioneren van de gerechtsdeurwaarder is het van belang dat er geen discussie is over de redelijkheid van de kosten voor ambtshandelingen die aan schuldenaren in rekening worden gebracht. In overleg met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders wil ik daarom de mogelijkheid verkennen door middel van een beperkte steekproef van veelvoorkomende ambtshandelingen, vast te stellen of de thans gelden tarieven nog voldoen aan het uitgangspunt dat deze zijn gebaseerd op kostprijs met een opslagpercentage voor een redelijke winst.
De informatie aan mensen die nu nog AWBZ-zorg krijgen en die te maken krijgen met wijzigingen per 2015 |
|
Tjitske Siderius (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de zorgkantoren van plan waren om de mensen die nu nog zorg via de AWBZ ontvangen een brief te sturen met daarin uitleg over de wijzigingen per 2015?
Ja, het klopt dat de zorgkantoren dit van plan waren.
Klopt het tevens dat de zorgkantoren verschillende brieven hadden gemaakt, zodat doelgroepen op maat geïnformeerd zouden worden over wie verantwoordelijk zou worden voor hun zorg per 2015?
Het klopt dat de zorgkantoren conceptbrieven hebben gemaakt voor diverse doelgroepen. Aanvankelijk werd aan brieven voor veertien verschillende doelgroepen gedacht, zodat informatie op maat gegeven kon worden. Echter de uitvoerbaarheid van verzending naar veertien afzonderlijke doelgroepen bleek een obstakel. Dit was de reden om vervolgens brieven voor vier doelgroepen op te stellen. Het betrof vier brieven voor cliënten die komen te vallen onder respectievelijk de verantwoordelijkheid van a) het zorgkantoor, b) de gemeente, c) de zorgverzekeraar of d) de zorgverzekeraar en de gemeente. Over zowel de opzet als inhoud van deze brieven zijn tussen Zorgverzekeraars Nederland, namens de zorgkantoren, en VWS meerdere overleggen gevoerd. Ook andere partijen, waaronder de landelijke koepelorganisaties van zorgaanbieders ActiZ en VGN, de VNG en de patiëntenorganisaties NPCF en Per Saldo, waren hierbij betrokken.
Kunt u de brieven aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Als bijlagen bij deze antwoorden stuur ik u de laatste versies van de conceptbrieven mee. Deze zijn op 16 september aan VWS verstuurd ter beoordeling.1
Waarom is afgezien van het versturen van de brieven? Kunt u uitleggen waarom u niet wilde dat 800.000 mensen persoonlijk geïnformeerd zouden worden over de veranderingen in hun zorg per 2015?
Het persoonlijke informeren van mensen over veranderingen in hun zorg vind ik van groot belang. Echter, de conceptbrieven van zorgkantoren bevatten slechts algemene informatie voor cliënten. De brieven konden geen persoonlijke informatie op maat bevatten. Ik heb hierover met diverse partijen gesproken en ben tot de conclusie gekomen dat een dergelijke algemene brief geen meerwaarde bood. Een brief aan cliënten met algemene informatie in deze vorm heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde ten opzichte van de reeds ingezette communicatiemiddelen.
Een andere overweging was dat een grote groep cliënten ten onrechte een brief zou ontvangen. Het beoogde moment van verzending van de brieven was de tweede helft van oktober. Door dit moment was er geen afbakening mogelijk met de groep van 14.000 mensen met een indicatie voor extramurale zorg die een brief van CIZ zouden ontvangen, inhoudende dat zij voor de Wlz kunnen kiezen. Het gevolg daarvan zou zijn dat zij zowel de brief van het CIZ zouden ontvangen waarin staat dat zij de Wlz in kunnen, als een brief van het zorgkantoor waarin zou komen te staan dat zij vanaf 1 januari hun zorg op grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet of hun zorgverzekering zouden kunnen ontvangen. Dat zou veel verwarring wekken.
In het Wlz-debat in de Tweede Kamer op 10 september jl is het versturen van brieven vanuit zorgkantoren aan cliënten ook aan de orde geweest. In het debat heb ik aangegeven dat het versturen van brieven met een algemene boodschap naar cliënten niet wenselijk is, maar dat specifieke informatie beschikbaar moet komen over wat voor mensen persoonlijk verandert vanuit de nieuwe verantwoordelijke partijen. De publiekscampagne is op 16 oktober jl. van start gegaan. Als vervolg op de publiekscampagne kunnen cliënten door zowel gemeenten, zorgverzekeraars als zorgkantoren nader geïnformeerd worden over wat er in hun persoonlijke situatie verandert. In de antwoorden op de vragen van mevrouw Keijzer2 van 20 juni 2014 heb ik deze communicatie inzet beschreven.
Denkt u werkelijk dat de gekleurde reclames in dagbladen alle 800.000 mensen bereiken die nu via de AWBZ zorg ontvangen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De advertenties zijn slechts één onderdeel van de publiekscampagne. Hiernaast zetten we diverse websites en radio en televisiespots in om mensen te informeren. Verschillende informatiekaarten en brochures zijn beschikbaar. De algemene informatiebrochure voor cliënten zal te vinden zal bij gemeenten, huisartsen, apotheken en bibliotheken. Mensen kunnen daarnaast gratis bellen met het Informatiepunt langdurige zorg en jeugd met vragen over de wijzigingen per 2015, met vragen over welke instantie vanaf 2015 verantwoordelijk is voor hun zorg en ondersteuning en over hoe het overgangsrecht is ingericht.
Tevens ondersteunen we partijen bij het informeren van hun doelgroep. Een voorbeeld hiervan is de app en mobiele website die op verzoek van en voor zorgaanbieders door VWS is ontwikkeld. Deze hebben als doel dat zorgaanbieders en hun medewerkers gemakkelijk over de juiste informatie beschikken om vragen van cliënten te kunnen beantwoorden. Mijns inziens is er hiermee een intensieve publiekscampagne ingezet, waarmee ik verwacht mensen goed te kunnen bereiken.
Vindt u het wenselijk dat 800.000 mensen in onzekerheid verkeren over wat er precies verandert in hun zorgsituatie? Beseft u dat deze mensen afhankelijk zijn van zorg, onder andere om hun leven te organiseren, en dat onzekerheid niet bijdraagt aan de gezondheid en het welbevinden van deze mensen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik informeer alle mensen in Nederland over de veranderingen in de zorg per 1 januari 2015 via de publiekscampagne. Alle partijen die vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk zijn voor zorg en ondersteuning, zijn hard aan de slag om cliënten te informeren over wat er voor hen persoonlijk verandert. Ik faciliteer deze partijen daarbij waar kan en waar nodig.
De berichten dat huishoudens met financiële problemen de samenleving jaarlijks elf miljard euro kosten |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schulden kosten Nederland 11 mld»1 en het rapport «Overkoepelende blik op de omvang en preventie van schulden in Nederland» van het Nibud?2
Ja.
Herkent u zich in de cijfers uit het onderzoek van het Nibud dat 1,1 miljoen huishoudens in Nederland met ernstige financiële schulden kampen en dat deze schulden de samenleving jaarlijks 11 miljard euro kosten? Verwacht u in lijn met de inschatting van het Nibud dat het aantal huishoudens met ernstige betalingsachterstanden de komende jaren zal stijgen?
De cijfers in het rapport van het Nibud, waar u naar verwijst, zijn gebaseerd op deskresearch, dat wil zeggen, op bestaande onderzoeken, waaronder dat over «Huishoudens in de rode cijfers». Uit het onderzoek Huishoudens in de rode cijfers 2012 (Kamerstuk, 2012–2013, 24 515, nr. 254) blijkt dat iets meer dan één op de zes Nederlandse huishoudens een risico loopt op problematische schulden, problematische schulden heeft of in een schuldhulpverleningstraject zit. Het grootste deel van deze huishoudens (tussen de 719.000 en 961.000 huishoudens) loopt een risico op problematische schulden. Tussen de 373.000 en 531.000 huishoudens hebben problematische schulden. Het Nibud heeft de aantallen huishoudens vertaald naar personen. Het Nibud heeft in zijn rapport de uitvoeringskosten van de schuldhulpverlening, de kosten van het verlies van arbeidsparticipatie, huisuitzettingen en afsluiting door energiemaatschappijen en het afschrijven van vorderingen uiteen gezet. Deze cijfers zijn gebaseerd op bestaand onderzoek. Een optelling tot 11 miljard wordt in het rapport niet gemaakt. Maar buiten kijf staat dat preventie van problematische schulden goed is voor mensen zelf en de samenleving als geheel.
Er zijn ontwikkelingen die van belang zijn voor de financiële positie van mensen: de huizenmarkt komt voorzichtig weer op gang en de werkloosheid is langzaam aan het dalen. Toch is het niet onrealistisch om te verwachten dat het aantal huishoudens met ernstige betalingsachterstanden de komende jaren nog zal stijgen. Eind dit jaar verschijnt in opdracht van mijn ministerie de vierde meting van de Monitor Betalingsachterstanden. In oktober 2015 volgt de tweede meting van Huishoudens in de rode cijfers. De resultaten van deze onderzoeken zullen een beeld geven van de ontwikkeling van het aantal huishoudens met ernstige betalingsachterstanden.
Deelt u de mening dat deze onderzoeksresultaten de ernst van de problematiek laten zien en de noodzaak om maatregelen te nemen aantonen? Deelt u de conclusie van het rapport van het Nibud dat de huidige aanpak van de schuldhulpverlening onvoldoende werkt? Zo nee, waarom niet?
In het rapport geeft het Nibud zijn overkoepelend beeld van de schuldenproblematiek in Nederland weer en laat het de ernst van de situatie voor mensen en de maatschappij zien. Het Nibud vindt dat er binnen de schuldhulpverlening meer op individueel niveau gekeken zou moeten worden naar de persoonlijke omstandigheden waarin iemand schulden krijgt en het gedrag. De nadruk zou moeten liggen op het vergroten van de financiële zelfredzaamheid van de consument om zo te voorkomen dat er financiële problemen ontstaan. Het Nibud schrijft te vinden dat het tijd is om als samenleving achter deze problematiek te gaan staan en te investeren in schuldpreventie op een breder niveau. Hierbij zou er volgens het Nibud meer aandacht moeten zijn voor de verantwoordelijkheid van de omgeving. Hoe komt iemand in de financiële problemen en wat kan de samenleving in brede zin bijdragen om schulden te voorkomen.
Ik onderschrijf het belang dat Nibud hecht aan een brede aanpak van preventie van schulden met daarin specifieke aandacht voor het zelfredzaam maken van mensen en inzicht in het gedrag. Preventie en vroegsignalering zijn speerpunten binnen mijn schuldenbeleid. Hiervoor is dan ook aandacht binnen de huidige wetgeving en daarnaast ondersteun ik vanuit mijn rol gemeenten bij het vormgeven van hun regie bij het voorkomen van schulden.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden u ziet om de preventie van schulden een sterkere plaats te geven in het landelijke beleid en wetgeving? Bent u bereid om te onderzoeken op welke wijze de continuïteit en waarborging van de preventie van schulden via wet- en regelgeving, voorzieningen en commerciële aanbieders van producten en diensten verbeterd kan worden? Zo ja, op welk termijn kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, kunt u uitleggen waarom u niet bereid bent om dit te onderzoeken?
Het voorkomen van schulden is verankerd in bestaande wetgeving. Zo zijn in de Wet op het financieel toezicht (Wft) regels opgenomen voor verantwoorde kredietverstrekking (kredietwaardigheidtoets). De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geeft gemeenten de kaders voor het aanbieden van (integrale) schuldhulpverlening. Preventie is hiervan nadrukkelijk onderdeel. Er worden maatregelen genomen die stimuleren dat zorgverzekeraars meer aan preventie van schulden gaan doen. De compensatie voor het verzekerd houden van mensen met betalingsachterstanden op de zorgpremie wordt afhankelijk gesteld van de mate waarin zorgverzekeraars preventieve activiteiten uitvoeren. Daarnaast wil het kabinet het toeslagenstelsel hervormen om zo ook het aantal toeslagen dat potentieel terugbetaald moet worden te verminderen. Deze hervorming loopt mee in de bredere fiscale stelselherziening. In ons rechtssysteem wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de contractvrijheid van partijen en de bescherming van de (financiële) belangen van de consument. Mensen kunnen niet altijd door wet- en regelgeving worden beschermd tegen het maken van verkeerde financiële keuzes en beslissingen. Ook kan niet worden voorkomen dat mensen door veranderde omstandigheden, zoals het verliezen van een baan, hun financiële verplichtingen niet langer kunnen voldoen. Wel kan de gemeente deze mensen hulp aanbieden bij het oplossen van hun financiële problemen.
Preventie van schulden kent een belangrijke plek in lokaal en landelijk beleid. Vanuit mijn rol ondersteun en faciliteer ik gemeenten om hun regierol bij de preventie van schulden te versterken, in nauwe samenwerking met de VNG, Divosa en NVVK. Hier heb ik eerder al op ingezet met o.a. de Schuldpreventiewijzer3 en de handreiking «Voorkomen is beter dan genezen»4. En dit jaar heb ik gemeenten ondersteund met de publicatie van de businesscases preventie en vroegsignalering van schulden5 en de Preventiebundel6.
Zoals het Nibud ook opmerkt, kent het hebben van schulden een grote gedragscomponent. Dit maakt dat voorkomen van problematische schulden niet met wetgeving alleen bereikt kan worden. Vele partijen kunnen een bijdrage leveren: de overheid, ouders en het onderwijs als het gaat om kinderen leren omgaan met geld en schuldeisers die tijdig betalingsachterstanden signaleren.
Er veel maatschappelijke organisaties die het armoede- en schuldenbeleid van de gemeenten kunnen ondersteunen. De afgelopen jaren heb ik vele van deze initiatieven ondersteund om daarmee de inzet van vrijwilligers te stimuleren (o.a. Humanitas, SchuldHulpMaatje en Stichting Thuisadministratie). Op grond van de Regeling ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek kunnen maatschappelijke organisaties weer een subsidie-aanvraag indienen.
Ik ben samen met onder andere partijen uit de financiële sector en het Nibud partner in Wijzer in Geldzaken en ik organiseer ieder jaar een activiteit tijdens de Week van het Geld. Een week waar overigens inmiddels ook bedrijven, waaronder telecombedrijven, en veel vrijwilligers aan meedoen.
Bent u daarnaast bereid om met gemeenten te overleggen op welke wijze zij de continuïteit en waarborging van preventie binnen het gemeentelijke beleid voor de schuldhulpverlening kunnen verbeteren? Kunt u de Kamer dan op korte termijn informeren over de uitkomsten van dit overleg?
Gemeenten moeten in hun beleidsplan voor integrale schuldhulpverlening ook ingaan op preventie. In de praktijk blijken sommige gemeenten nog te zoeken naar hoe zij daar het beste invulling aan kunnen geven. Om die reden organiseer ik in overleg met de VNG en Divosa vanaf volgend jaar, naast de al lopende ondersteuning, platformbijeenkomsten voor gemeenten waarbij aandacht is voor het delen van goede voorbeelden en verschillende aanpakken. Hierbij speel ik in op de ondersteuningsbehoefte die bij gemeenten bestaat en help ik hen de continuïteit en waarborging van preventie te verbeteren. Tijdens de jaarlijkse Gemeentedagen, waar ik op verschillende plaatsen in het land met wethouders sprak, stond het onderwerp preventie prominent op de agenda.
Het bericht ‘Bonus directeur regionale omroep L1 onder de loep’ |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), John Kerstens (PvdA), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bonus directeur regionale omroep L1 onder de loep»?1
Ja.
Is het waar dat de regionale omroep L1 een bonus heeft uitgekeerd aan een directeur ter hoogte van ruim 26.000 euro?
Het Commissariaat voor de Media onderzoekt dit momenteel.
Hoe beoordeelt u de opmerking van de commissarissen van de betreffende omroep die suggereren dat bonussen ook onder het overgangsrecht van de WNT2 vallen? Zijn bij u meer gevallen bekend waarin het uitkeren van bonussen door instanties gekoppeld is aan het overgangsrecht? Zo ja, hoeveel en hoe is hier tegen opgetreden?
Sinds de inwerkingtreding van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) mogen bonussen niet meer worden overeengekomen. Het overgangsrecht regelt wel dat afspraken over een bonusbetaling die voor 6 december 2011 zijn gemaakt voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van de wet worden gerespecteerd (artikel 7.3, zesde lid, in samenhang met het elfde lid). Een in 2013 uitbetaalde bonus die niet voor 6 december 2011 is afgesproken, is dus in strijd met de WNT en onverschuldigd betaald.
Over de toepassing van de WNT in 2013, inclusief de toezichts- en handhavingsacties, wordt de jaarrapportage WNT opgesteld die eind dit jaar naar de Tweede Kamer zal worden verzonden.
Wat is de procedure bij het terugvorderen van een onverschuldigd betaalde bonus? Is deze procedure voor alle instellingen die onder de WNT vallen hetzelfde? Moeten onverschuldigd betaalde bedragen door de bestuurder aan de instelling worden terugbetaald? Zo nee, op welke wijze wordt dan recht gedaan aan de WNT?
Bij onverschuldigde betaling rust op de instelling de plicht om het onverschuldigde bedrag terug te vorderen en op de topfunctionaris de plicht om het onverschuldigde bedrag aan de instelling terug te betalen. Indien dat uit blijft en ook na een verzoek tot herstel door de verantwoordelijk Minister, geen correctie plaatsvindt, heeft de verantwoordelijk Minister de bevoegdheid de partijen een last onder dwangsom op te leggen, waarvan mededeling wordt gedaan in de Staatscourant (artikel 5.4 WNT). Indien de last onder dwangsom niet wordt uitgevoerd, kan de verantwoordelijk Minister zelf de onverschuldigde betaling opeisen (artikel 5.5 WNT). Deze procedure is voor alle WNT-instellingen gelijk.
Welke financiële gevolgen heeft deze onrechtmatig betaalde bonus voor het omroep-programmabudget van de betreffende omroep?
Het moet nog blijken of er sprake is van een onrechtmatig betaalde bonus. Indien dat het geval is dient betrokkene het teveel betaalde bedrag terug te betalen aan de instelling. Alle inkomsten van een publieke media-instelling dienen te worden gebruikt voor het verzorgen van media-aanbod.
Op welke wijze ondervinden semipublieke instellingen nadelen van door hen onrechtmatig betaalde bonussen (bezoldigingen of vertrekpremies)? Deelt u de mening dat ook bij semipublieke instellingen een (financiële) prikkel moet worden toegepast om te voorkomen dat zij in strijd handelen met de WNT? Zo nee, waarom niet?
De WNT beoogt dat juist te voorkomen en regelt dat onrechtmatig betaalde bonussen onverschuldigd betaald zijn en door de betrokken instelling moeten worden teruggevorderd. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Alhoewel het voldoen aan de WNT een eigen verantwoordelijkheid is van de instellingen waarop de WNT van toepassing is, stel ik initiatieven van subsidieverlenende decentrale overheden om bij te dragen aan maatschappelijk aanvaardbare beloningsverhoudingen op prijs. Dat kan door vooraf in de subsidieverordening voorwaarden op te nemen ten aanzien van inkomens van bestuurders bij de instelling die om een subsidie verzoekt. Ik ben met de VNG en het IPO in overleg over hoe we hen kunnen faciliteren bij het uitwerken van modelverordeningen- of regelingen over dit onderwerp. Ik verwijs ook naar de antwoorden op Kamervragen van de Leden Kerstens en Fokke (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel, nr. 2914). De uiteindelijke beslissing om wel of geen gebruik te maken zo’n instrument behoort tot de autonomie van de subsidieverstrekkende overheidsorganisatie.
Het uitblijven van informatie over de nadere vormgeving van ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom heeft u besloten1 het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop meer dan de met de Kamer afgesproken tijd te geven om te komen met een visie op de vormgeving van de ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector in plaats van invulling te geven aan de dringende vragen van de Kamer over dit onderwerp, die tijdens het Algemeen overleg Externe veiligheid / Handhaving op 12 december 2013 gesteld zijn?
De primaire verantwoordelijkheid voor veiligheid, en daarmee ook voor veiligheid in de keten, ligt bij het bedrijfsleven. Ik krijg signalen dat hier op het niveau van individuele bedrijven invulling aan wordt gegeven. Aan een overkoepelende visie wordt op dit moment door het samenwerkingsverband voor veiligheid in de chemiesector (Veiligheid Voorop) gewerkt, en deze wordt binnen afzienbare tijd gepubliceerd. Dat zijn positieve ontwikkelingen waar ik niet op vooruit wil lopen om helder te houden waar de verantwoordelijkheid ligt.
Betekent de stellingname van het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop dat zij sinds 12 december 2013 – de dag van het algemeen overleg Externe veiligheid / Handhaving – nog niet het begin van een visie op de vormgeving van de ketenverantwoordelijkheid had?
Het uitgangspunt: geen zaken doen met bedrijven die het met de veiligheid niet nauw nemen, is onderschreven in het actieplan van Veiligheid Voorop. Het is een complex proces om dit – op zichzelf heldere – uitgangspunt concreet handen en voeten te geven. Die slag wordt nu sectorbreed gemaakt. Daarnaast is het essentieel dat voor de visie, als basis voor het handelen van individuele bedrijven, draagvlak bestaat. Het gaat om een cultuuromslag, die niet vanzelf tot stand komt. De bij Veiligheid Voorop aangesloten bedrijven realiseren zich dat terdege en bereiden maatregelen voor om die omslag tot stand te brengen.
Kan de Kamer voorafgaand aan de behandeling van de begroting 2015 Infrastructuur en Milieu een meer inhoudelijke brief ontvangen over de stand van zaken van zowel de inhoud van de ketenverantwoordelijkheid, de reden waarom het samenwerkingsverband Veiligheid Voorop meent meer tijd te kunnen nemen om te komen tot een visie, de stand van zaken rond het commitment bij bedrijven, en uw visie over de ketenverantwoordelijkheid, zodat tenminste een begin van een inhoudelijke discussie kan worden gemaakt?
Zie mijn antwoord op de voorgaande vragen. Ik zal u in het eerste kwartaal van 2015 over de door het bedrijfsleven voorgestane visie informeren, er van uitgaande dat deze dan is afgerond.
Het stopzetten van een succesvolle opleiding voor kwetsbare leerlingen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «ROC1 mag opleiding voor Moeilijk Lerenden niet schrappen»?2
Ik heb kennisgenomen van dit bericht. Ik heb inmiddels van ROC Midden Nederland (ROCMN) vernomen dat zij het voornemen heeft om de opleiding voor Moeilijk Lerenden (ML-opleiding) niet te schrappen. De ML-opleiding van ROCMN, nu XL Entree, bestaat al twintig jaar als een tweejarige bbl-opleiding op niveau 1. Deelnemers komen uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs (samen ongeveer 40% van de instroom) en omvatten verder nog de zogenoemde zij-instromers (18 tot 27 jaar, 60% van de instroom) die al enige jaren het voorliggende onderwijs hebben verlaten. ROCMN heeft het voornemen de XL Entree-opleiding in de bbl- en bol-variant voort te zetten, in nauwe samenwerking met het praktijkonderwijs. Daarmee wordt de doelgroep van de opleiding verbreed.
Wat is uw oordeel over het rapport «School2Work rapportage moeilijk lerenden»3, waaruit blijkt dat deze opleiding kwetsbare jongeren op een effectieve manier aan een diploma en werk helpt?
Het rapport «School2Work rapportage moeilijk lerenden» beschrijft de resultaten van de ML-opleiding. ROCMN heeft dan ook aangegeven dat deze uitkomsten worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van de opleiding.
Bent u ervan op de hoogte dat juist deze opleiding door een samenwerkingsovereenkomst (tussen diverse gemeentes in de regio Utrecht, ROC Midden Nederland en Praktijkscholen) op het punt staat beëindigd te worden?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven, is het voornemen om de opleiding niet te beëindigen. Er is een concept-samenwerkingsovereenkomst opgesteld waarin nadere (regionale) afspraken worden uitgewerkt. ROCMN heeft mij geïnformeerd over het uitgangspunt en aangegeven dat met het nieuwe scenario de kennis en kunde van de XL Entree behouden blijft en er een breder aanbod ontstaat voor de groep moeilijk lerende jongeren in een bbl- en bol-variant. De overeenkomst wordt op 20 november aanstaande ondertekend.
Is het waar dat het bestuur van ROC Midden Nederland dit besluit heeft genomen zonder rekening te houden met de opvatting van de ondernemingsraad en de studentenraad? Deelt u de mening dat dit soort bestuurlijke arrogantie gemeden dient te worden?
Zie voor de beantwoording van deze vraag, ook de het antwoord op vraag 1. De uitwerking van de afspraken in de concept-samenwerkingsovereenkomst vindt momenteel plaats door een werkgroep. ROCMN heeft mij verzekerd dat de uitwerking zal worden voorgelegd aan zowel de ondernemingsraad als de studentenraad. Daarnaast heeft de wethouder Onderwijs van de gemeente Utrecht toegezegd de Gemeenteraad over deze ontwikkeling te informeren. Deze ontwikkeling zal voor komend schooljaar zijn afgerond.
Deelt u de mening dat ROC Midden Nederland hiermee zijn verantwoordelijkheid ontloopt voor jongeren die juist steun nodig hebben bij het halen van een diploma en het vinden van werk?
Nee, die mening deel ik niet. ROCMN spant zich juist in om deze doelgroep, in samenwerking met het praktijkonderwijs, te onderwijzen en te begeleiden naar het behalen van een diploma.
Is dit plan in tegenstrijd met uw visie dat ROC’s juist hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor kwetsbare jongeren?4
Ik verwijs u voor het antwoord naar vraag 5.
Vindt u het ook gênant dat de MBO Raad goede sier maakt met een opleiding die op het punt staat gesloten te worden?5
Deze vraag is niet van toepassing, omdat het voornemen is de XL Entree te continueren.
Bent u bereid bij de gemeente Utrecht en ROC Midden Nederland aan te dringen op behoud van deze opleiding? Zo nee, waarom niet?
Nee, want het voornemen is de XL Entree te continueren.
Het bericht ‘Cogas gooit Ziggo van de kabel, abonnees moeten naar Caiway’ |
|
Eddy van Hijum (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht bericht «Cogas gooit Ziggo van de kabel, abonnees moeten naar Caiway»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat tienduizenden bestaande ZIGGO-abonnee’s in Twente, die jarenlang hun vaste telefoon- en internetaansluitingen via de Cogas-kabel bij ZIGGO hadden ondergebracht, door Cogas min of meer verplicht worden om over te stappen naar Caiway als zij een vaste telefoon- en internetaansluiting via de kabel willen houden?
Ja.
Bent u op de hoogte dat de keuze voor het nieuw aangelegde glasvezelnet voor alle klanten vooralsnog eveneens beperkt is tot Caiway en dat pas in de loop van 2015 alternatieven op glasvezel ontstaan?
Ja.
Vindt u het gewenst dat een netwerkbeheerder de keuze voor een provider op deze wijze aan de klant oplegt? Bent u bereid om de Autoriteit Consument en Markt (ACM) te vragen in hoeverre het belang van de klant hiermee wordt geschaad?
Het is op grond van het Europese telecomkader aan de ACM om binnen het kader van de Telecommunicatiewet te beoordelen wat de noodzakelijke toegangsregulering is om effectieve concurrentie op de Nederlandse telecommunicatiemarkten te borgen. De ACM heeft geconcludeerd dat het niet mogelijk is om op het kabelnetwerk dezelfde vorm van toegang te bieden als op het koper- en glasvezelnetwerk van KPN. Op grond van het marktanalysebesluit ontbundelde toegang wordt alleen KPN verplicht om toegang te bieden. Daarmee staat het de beheerder van een coaxkabelnetwerk vrij om zelf te kiezen welke provider hij toegang biedt tot zijn netwerk, op basis van commerciële contractonderhandelingen. De klant behoudt wel de mogelijkheid om te kiezen voor een van de alternatieve providers die hun diensten aanbieden via het koper- en glasvezelnetwerk van KPN, en voor tv ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Cogas biedt op het glasvezelnetwerk dat het aanlegt ook de mogelijkheid aan alternatieve providers om diensten aan te bieden. Overigens zou het kabinet het aantrekkelijk vinden wanneer ook kabelbedrijven de verplichting zou kunnen worden opgelegd om concurrenten toe te laten op hun netwerk2. Gezien eerder genoemde conclusie van de ACM vereist dit aanpassing van het Europese ex-ante marktreguleringskader.
Welke mogelijkheden heeft u om een grotere keuzevrijheid voor de klant af te dwingen, bijvoorbeeld door te eisen dat een verplichte overstap naar Caiway op de reguliere kabel pas aan de orde kan zijn als er alternatieven voor deze provider via de glasvezel beschikbaar zijn?
Ik heb daartoe geen mogelijkheden. Zoals onder vraag 4 werd opgemerkt staat het de kabelnetwerkbeheerder vrij om zelf te kiezen welke provider hij toegang biedt. Wel kunnen klanten voor verschillende aanbieders op de netwerken van KPN kiezen, en voor TV-diensten ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Overigens is het zo dat Caiway verschillende pakketten aanbiedt. Zo kunnen consumenten alleen een TV-dienst afnemen bij Caiway of andere combinaties van diensten.
Op welke wijze is de onafhankelijkheid van de netwerkbeheerder bij de selectie van providers in het huidige stelsel gewaarborgd? Acht u die waarborgen afdoende met het oog op het klantbelang?
De beheerder van een coaxkabelnetwerk mag zelf kiezen welke provider hij toegang biedt tot zijn netwerk. Caiway probeert zijn aanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten bij het aanbod van Ziggo, zodat consumenten zo min mogelijk nadeel ondervinden. De klant heeft ook de mogelijkheid om te kiezen voor een van de alternatieve providers die hun diensten aanbieden via het koper- en glasvezelnetwerk van KPN, en voor tv ook voor aanbieders via satelliet of Digitenne. Het klantbelang is daarmee afdoende gewaarborgd.
De huisvesting van de belastingdienst in Tilburg |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom bent u tot de conclusie gekomen dat het pand van Defensie in Tilburg geen optie is voor de huisvesting van de belastingdienst?1
Bij het opstellen van het masterplan Noord-Brabant is zorgvuldig gekeken hoe vraag en aanbod rond rijkskantoren zich ontwikkelen. Daarbij is ook gesproken over het pand van Defensie in Tilburg. Op dat moment kon geen match worden gemaakt met een vragende partij aan de kant van het Rijk. Aan de vraagkant bleek dat de Belastingdienst in een beperkter aantal plaatsen kantoor ging houden. De Belastingdienst bundelt zijn kantorenfunctie voor Noord-Brabant in Eindhoven en Breda. Voorafgaand aan vaststelling van het masterplan Noord-Brabant is overleg gevoerd met de commissaris van de Koning en de burgemeesters van de vijf grootste steden in de provincie. Inmiddels is aan de wethouder van Economische Zaken toegelicht dat de mogelijkheden van de rijksoverheid in Tilburg nogmaals zullen worden bekeken bij de actualisering van de masterplannen.
Waarom stelt u dat «gesproken is over het pand van Defensie in Tilburg» terwijl de gemeente Tilburg «dit blijft betwisten»?2
Om het aanbod van rijkskantoren goed in beeld te krijgen is indertijd ook gesproken met vertegenwoordigers van het Ministerie van Defensie. Inmiddels is aan de wethouder van Economische Zaken toegelicht dat de mogelijkheden van de rijksoverheid in Tilburg nogmaals zullen worden bekeken bij de actualisering van de masterplannen.
Waarom houdt u de optie extra «aanhuur» in Eindhoven en Breda open, terwijl in Tilburg een geschikt pand beschikbaar is dat eigendom is van het Rijk?
Bij het invullen van de vraag van de Belastingdienst in Eindhoven is op dit moment geen extra aanhuur voor de Belastingdienst in Eindhoven nodig. Dit als gevolg van efficiënt huisvesten. Voor de Belastingdienst vestiging in Breda wordt passende huisvesting opgeleverd in het derde kwartaal 2016. De huisvesting bevindt zich in de zogenaamde OV-terminal boven het station. Mochten de feiten veranderen, dan is in de actualiseringsronde per 2016 die ik dit jaar start, ruimte om deze nieuwe feiten af te wegen.
De invoering van de maximumsnelheid van 100 km/u op de A1/A35 nabij Borne en Hengelo |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over de invoering van de maximumsnelheid van 100 km/u op de A1/A35 nabij Borne en Hengelo?1 Zo ja, herinnert u zich de toezegging aan de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van 19 februari 2014 om vóór het Algemeen overleg MIRT op 18 juni 2014 een schriftelijke reactie over de uitkomst van het meldpunt A35 naar de Kamer zenden?
Ja, zowel de antwoorden als de toezeggingen zijn mij bekend.
Klopt het dat deze schriftelijke reactie tot nu toe niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, bent u bereid om deze schriftelijke reactie alsnog zo spoedig mogelijk naar de Kamer te zenden?
In mijn brief2 van 13 juni 2014 ter voorbereiding op het algemeen overleg MIRT van 18 juni 2014 heb ik onder punt 5 een reactie gegeven op de uitkomsten van het meldpunt A35 welke hieronder verkort is weergegeven.
Misbruik van de innovatiebox |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Het negatieve vennootschapsbelastingtarief»?1
Ja.
Deelt u de analyse van de auteur dat er een lek zit in de innovatiebox?
Naar mijn mening bevat de innovatiebox in de praktijk geen lek. In de situatie waar in de genoemde column op wordt gedoeld, kan wel sprake zijn van een onduidelijkheid over de toepassing van de innovatiebox. Om de onduidelijkheid en eventuele onwenselijke gevolgen van de toepassing van de innovatiebox in de beschreven situatie weg te nemen, zal ik in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 een voorstel tot aanpassing van de innovatiebox doen.
Klopt het dat bij een buitenlands belastingtarief van 10% (zoals in het Verenigd Koninkrijk) een Nederlands bedrijf 20% of 25% Nederlandse vennootschapsbelasting terugkrijgt als de in het buitenland ontwikkelde innovatie naar Nederland wordt overgebracht?
Onder de objectvrijstelling is bepaald dat de (wereld)winst van een belastingplichtige wordt verminderd met de positieve en negatieve bedragen van de winst uit de andere staat. Op deze manier wordt voorkomen dat winst die al in het buitenland belast is in Nederland voor een tweede maal belast wordt. Deze regeling resulteert er niet in dat Nederlandse vennootschapsbelasting wordt teruggegeven, maar voorkomt dubbele belastingheffing over het deel van de winst van een belastingplichtige dat niet toerekenbaar is aan het Nederlandse deel van de onderneming.
Klopt het dat met een investering van € 1 miljoen een belastingvoordeel van enkele tonnen behaald kan worden?2
In de situatie waar in de genoemde column op wordt gedoeld, wordt een immaterieel activum ontwikkeld in een vaste inrichting in het buitenland en wordt dit activum vervolgens overgebracht naar het hoofdhuis in Nederland. De toerekening van activiteiten en activa, zoals (de ontwikkeling van) een immaterieel activum, aan het hoofdhuis of een vaste inrichting is geen vrije keuze van de ondernemer. Een dergelijke toerekening vindt op basis van de zogenoemde authorized OECD approach plaats op objectieve gronden. Volgens deze benadering worden de activiteiten en activa toegerekend aan de aanwezigheid in verschillende landen op basis van de zogenoemde significant people functions.
De voor toerekening van (de ontwikkeling van) een immaterieel activum relevante functies zullen hierbij in de regel daar worden uitgeoefend waar het personeel aanwezig is dat bevoegd en in staat is tot het nemen van beslissingen met betrekking tot het aangaan en beheren van de risico’s die verband houden met (de ontwikkeling van) het immateriële activum. Het verplaatsen van deze functies en dus het verplaatsen van het immateriële activum zal daarmee in veel gevallen niet eenvoudig zijn en kan praktisch bezwaarlijk zijn. Er zijn mij dan ook geen gevallen bekend waarin bovenstaande constructie in de praktijk is toegepast.
Ingeval het toch mogelijk is om deze constructie toe te passen, kan er niet bij voorbaat van worden uitgegaan dat daarmee het in het rekenvoorbeeld geschetste resultaat wordt bereikt. Zo kan worden gesteld dat de waarde in het economische verkeer van het immateriële activum op het moment dat dit activum wordt overgebracht naar Nederland voor de innovatiebox moet worden aangemerkt als voortbrengingskosten, zodat de belastingplichtige geen voordeel heeft van de constructie.
Of er een voordeel behaald kan worden en de hoogte daarvan is dus afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook de waardeontwikkeling van het activum en de belastingdruk in de vaste inrichting. De uitkomsten uit het voorbeeld zeggen daarom weinig over het werkelijk te behalen belastingvoordeel, mocht de constructie worden toegepast. Een eventueel voordeel zou voornamelijk afhankelijk zijn van de waarde van het activum in het economische verkeer op het moment van overdracht en niet zozeer van het investeringsbedrag.
Is het waar dat, ook al heeft de innovatie niet in Nederland plaatsgevonden, dit bedrijf vervolgens toch slechts 5% belasting betaalt over de opbrengsten?
Een belastingplichtige kan gebruikmaken van de innovatiebox als hij een immaterieel activum zelf heeft voortgebracht. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar de locatie waar de activiteiten plaatsvinden. Als de voordelen uit het activum worden toegerekend aan een buitenlandse vaste inrichting, zal de belastingplichtige evenwel per saldo geen voordeel genieten door de innovatiebox, omdat deze activiteiten niet in Nederland, maar in het buitenland aan belastingheffing zijn onderworpen. Als de winst in Nederland belast wordt en aan de voorwaarden van de innovatiebox is voldaan is het effectieve tarief 5% over het deel van de winst dat toerekenbaar is aan het innovatieve immateriële activum.
Klopt het dat het teruggekregen bedrag aan vennootschapsbelasting niet hoeft te worden ingehaald?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de innovatiebox op deze manier een prikkel vormt om innovatie en werkgelegenheid in het buitenland in plaats van in Nederland te stimuleren?
Innovatie is een bron voor duurzame economische groei en levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het concurrentievermogen. De innovatiebox speelt daarbij een belangrijke rol, omdat de innovatiebox innovatieve bedrijven aanzet tot het doen van meer onderzoek en ontwikkeling. Daarmee vormt de innovatiebox een stimulans voor innovatie en hoogwaardige werkgelegenheid in Nederland. Uit de praktijk blijkt niet dat de genoemde constructie voorkomt en deze leidt er dus op dit moment niet toe dat de innovatiebox een prikkel vormt om juist in het buitenland te innoveren.
Desondanks ben ik het met de vraagsteller eens dat het ongewenst zou zijn als deze constructie inderdaad tot ongerechtvaardigde voordelen zou leiden. Daarom zal ik in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 een voorstel tot aanpassing van de innovatiebox doen, om onduidelijkheid en mogelijke onwenselijke gevolgen van de toepassing van de innovatiebox in de beschreven situatie weg te nemen.
Bent u bereid zo snel mogelijk – bijvoorbeeld door middel van een nota van wijziging op het Belastingplan 2015 – dit heffingslek te dichten of anders dit mee te nemen in de geplande evaluatie van de innovatiebox?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht “Gehandicapte niet welkom in Utrecht door milieuregels” |
|
Bas van 't Wout (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gehandicapte niet welkom in Utrecht door milieuregels»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht.
Hoe oordeelt u over het feit dat mensen met een gehandicaptenvoertuig door milieuregels worden belemmerd in hun deelname aan de samenleving?
Europa heeft milieurichtlijnen2 afgesproken ter bescherming van de gezondheid van de Europese inwoners omdat gebleken is dat gezondheidsschade door vervuilde lucht een belangrijke doodsoorzaak is. In honderden Europese steden zijn milieuzones ingevoerd omdat hiermee een grote bron van vervuiling wordt aangepakt door alleen die voertuigen uit de binnensteden te weren die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de gezondheidsschadelijke uitstoot. In Nederland is Utrecht de eerste gemeente die een milieuzone voor personen- en bestelauto’s invoert, omdat de gemeente Utrecht verwacht dat zonder deze maatregel niet aan de grenswaarden kan worden voldaan. Door deze maatregel wordt 2% van de voertuigen geweerd (personen- en bestelvoertuigen van voor 2001 rijdend op diesel en van voor juli 1992 rijdend op benzine), hetgeen naar verwachting leidt tot een reductie van roet van 30% van het vervoer. De milieuzone geldt voor alle personen- en bestelvoertuigen die niet aan de toelatingseisen voldoen. Het selectiecriterium is dus het voertuig en niet de gebruiker ervan.
Naast de verantwoordelijkheid om voor schone lucht voor de ingezetenen te zorgen heeft de gemeente ook de verantwoordelijkheid om mensen met een beperking de mogelijkheid te geven om te participeren in de samenleving. Gelet op die laatste verantwoordelijkheid heeft de gemeente Utrecht verschillende mogelijkheden voor mensen met een beperking die gebruik maken van een oudere dieselauto, om hen te ondersteunen bij vervanging of om ontheffing te verkrijgen. Zo kunnen eigenaren van voertuigen die niet voldoen aan de voorwaarden van de milieuzone in de gemeente Utrecht in aanmerking komen voor een sloopsubsidie en een stimuleringssubsidie bij vervanging van hun auto door een schonere auto. Daarnaast zijn er, onder voorwaarden, mogelijkheden op grond waarvan het college van B&W ontheffing kan verlenen voor voertuigen in de milieuzone. Voor de in het artikel van de Telegraaf belichte casus loopt er momenteel binnen de gemeente een procedure; voor de betreffende mevrouw wordt bezien of zij in aanmerking kan komen voor een ontheffing. Naast de hiervoor genoemde mogelijkheden van subsidie en ontheffing kunnen mensen met een beperking via de Wmo en – in geval van woon-werkverkeer via het UWV – in aanmerking komen voor een vergoeding voor een aanpassing aan de auto.
Ik ben van mening dat maatregelen die ten goede komen aan het milieu in beginsel zowel voor mensen met als zonder een beperking dienen te gelden. Indien als gevolg hiervan de participatie aan de samenleving van een persoon met een mobiliteitsbeperking zou kunnen worden beperkt, dient de gemeente in goed overleg met betrokkene te bezien welke alternatieven voorhanden zijn. Op basis van de door mij verkregen informatie stel ik vast dat de gemeente Utrecht in deze specifieke casus haar verantwoordelijkheid neemt.
Hoe weegt u de mobiliteit van mensen met een om medische redenen aangepast voertuig ten opzichte van de regels omtrent milieuzones?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de regels omtrent milieuzones de participatie van mensen met een gehandicaptenvoertuig niet onnodig mogen beperken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke acties gaat u ondernemen om buitenproportionele gevolgen van regels omtrent milieuzones voor mensen met een gehandicaptenvoertuig tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de beschuldiging van de Turkse oppositieleider Kılıçdaroğlu over wapenleveranties van Turkije aan terroristische organisaties, waaronder IS?1
Ja.
Klopt het dat Kılıçdaroğlu officiële schriftelijke verklaringen getoond heeft van de hoofdofficier van justitie in Adana en vrachtwagenchauffeurs die de wapens geleverd zouden hebben? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Oppositieleider Kılıçdaroğlu heeft naar verluidt dergelijke verklaringen getoond tijdens zijn wekelijkse, besloten, fractievergadering over deze kwestie die vorig jaar speelde. De Turkse regering ontkent de aantijgingen.
Zijn deze verklaringen, nota bene van de hoofdofficier van justitie in Adana, waar de Nederlandse Patriots gestationeerd zijn, voor u aanleiding om hierover opheldering te vragen bij de Turkse regering over de wapenleveranties? Zo nee, waarom niet?
Nee, de Turkse autoriteiten hebben deze aantijgingen altijd ontkend.
Bent u bereid contact op te nemen met de Turkse oppositie en de hoofdofficier van justitie in Adana?
Zie antwoord vraag 3.
Blijft u zelfs met deze bewijzen volhouden niet over «indicaties» te beschikken over steun van Turkije aan jihadisten in Syrië en Irak? Zo ja, waarom?
Het kabinet is net als de Kamer op de hoogte van deze berichten, maar kan, zoals ook in eerdere antwoorden op Kamervragen aangegeven, deze niet bevestigen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de antwoorden op eerdere vragen van uw lid Omtzigt van 22 september over steun van Turkije aan Al Qaeda. Hierin wijst het kabinet er onder meer op dat Turkije ISIS op de lijst van terroristische organisaties heeft geplaatst en dat het zich bereid heeft verklaard de coalitie tegen ISIS militair en logistiek te steunen.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in onder meer Newsweek2 en de New York Times3 dat IS rekruteringscentra opzet in Ankara en andere plekken in Turkije, zonder dat de Turkse regering daar iets tegen onderneemt?
De Turkse overheid heeft deze berichten en aantijgingen ontkend. Het kabinet heeft geen reden hieraan te twijfelen.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Turkije een deal met IS gesloten heeft waarbij 180 IS-terroristen vrijgelaten zijn in ruil voor het door IS gevangen genomen personeel van het Turkse consulaat in Mosul?4
Het kabinet is bekend met de mediaberichtgeving hierover. Het kan deze berichten niet bevestigen en het ligt daarom niet voor de hand de Turkse regering om opheldering hierover te vragen.
Klopt het dat er onder deze 180 vrijgelaten terroristen ook EU-burgers zitten? Bent u net als de Britse regering bereid hierover opheldering te vragen bij de Turkse regering?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de Turkse regering de vermeende leider van de Turkse vleugel van terreurgroep IS, Halis Bayancuk, heeft vrijgelaten? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Halis Bayancuk is voorwaardelijk vrijgelaten op last van de lokale rechtbank nadat de officier van justitie geen aanklacht tegen hem had ingediend. Er is geen nadere informatie beschikbaar waarom geen aanklacht is ingediend.
Hoeveel en welke signalen over mogelijke steun van Turkije aan IS hebben u de afgelopen twee maanden bereikt?
Het kabinet is bekend met de diverse mediaberichten die hierover in deze periode zijn verschenen. Het heeft geen eigenstandige informatie die deze berichten kan bevestigen, zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid alsnog te pleiten voor onafhankelijk internationaal onderzoek naar de mogelijke steun van Turkije aan jihadisten in Syrië en Irak?
Nee, het kabinet ziet daartoe geen noodzaak.
Tekortkomingen voor militairen in Mali |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Gevoelstemperatuur: 67 graden Celsius; bijna alle WC’s kapot»?1
De strekking van het artikel en de daarin aangehaalde uitspraken worden niet breed gedragen door de militairen die momenteel zijn uitgezonden naar Mali.
Voelt u zich aangesproken door de uitspraak van een anonieme militair: «Ik ben nu zes keer uitgezonden geweest en dit heb ik nog nooit meegemaakt. Je wordt gewoon de woestijn ingetrapt en verder zoek je het maar uit»?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom slapen de militairen bijna een jaar na aanvang van de missie nog steeds in tenten? In hoeverre is de veiligheid in het geding, vanwege het risico van raketaanvallen op het kamp?
Aangezien het Nederlandse kamp van de grond af aan moest worden gebouwd, zijn de Nederlandse militairen aanvankelijk in tenten gelegerd. Met de Kamerbrief van 28 maart 2014 (Kamerstuk 29 521 nr. 241) heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de tenten zouden worden vervangen door beschermende containers. Eind september konden de eerste Nederlandse militairen worden gelegerd in woonchalets. Vanaf begin december kunnen, in geval van nood, alle Nederlandse militairen van het detachement worden gelegerd in beschermde onderkomens. Vanaf eind januari 2015 is er voor alle Nederlandse militairen standaard een onderkomen in deze containers. De veiligheid van het Nederlands personeel is niet in het geding, aangezien er op het kamp onderkomens («shelters») zijn gebouwd waarin kan worden geschuild tijdens raketaanvallen. Nederland is overigens het enige land binnen MINUSMA dat zijn personeel in dergelijke beschermende containers onderbrengt. De dreiging van beschietingen op het Nederlandse kamp in Gao is begin oktober vanwege het lage aantal incidenten bovendien teruggebracht van significant naar matig. De huidige beschermingsmaatregelen op het kamp zijn hiermee voldoende.
Deelt u de mening van de voorzitter van vakbond AFMP dat de situatie in Gao «onacceptabel» is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse militairen werken in Mali onder moeilijke omstandigheden. Dit geldt vooral voor de militairen die zijn geplaatst in Gao, waar de afgelopen maanden de hoge temperatuur en het stof de werk- en leefomstandigheden hebben bemoeilijkt. Defensie stelt alles in het werk om de bouw van het Nederlands kamp, inclusief alle voorzieningen, zo spoedig mogelijk te voltooien. Omdat de logistieke aanvoerlijnen naar Gao lang zijn en de klimatologische omstandigheden zwaar, duurt de bouw van het Nederlands kamp langer dan aanvankelijk was voorzien. Volgens de huidige planning zal het Nederlands kamp in Gao eind april 2015 gereed zijn. Kritieke reservedelen, zoals voor het sanitair, worden versneld naar Mali vervoerd. Ook zijn er alternatieve sanitaire voorzieningen gemaakt. Het standaard VN-voedselrantsoen wordt door Nederland aangevuld tot een meer gevarieerd menu. Vanwege de warme weersomstandigheden in Mali zijn de werktijden aangepast, vooral voor het personeel dat fysieke arbeid verricht. Nieuw personeel neemt deel aan een acclimatisatieprogramma om gefaseerd te wennen aan het werken in een heet klimaat. Met deze maatregelen wordt de situatie in Gao als acceptabel gezien. Overigens zijn Nederlandse militairen opgeleid om onder moeilijke omstandigheden te opereren.
Deelt u de mening dat goede voorzieningen voor militairen nooit ondergeschikt mogen zijn aan de politieke wens om deel te nemen aan een missie? Zo ja, waarom horen we keer op keer dat uitgezonden militairen met tekortschietende voorzieningen worden geconfronteerd?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat militairen, vanwege angst voor baanverlies, niet snel zullen klagen over de omstandigheden tegenover hun leidinggevende? Wat onderneemt u om te achterhalen hoe militairen werkelijk over de omstandigheden denken?
Nederlandse militairen zijn goed opgeleid en zijn in staat om hun werkzaamheden uit te voeren. In het missiegebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om problemen kenbaar te maken aan leidinggevenden. Ook andere kanalen staan tot hun beschikking, onder meer de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht.
Defensie peilt daarnaast periodiek de mening van militairen en burgers over de werkomstandigheden en werkbeleving. Het betreft de monitor werkbeleving (halfjaarlijkse rapportage over de werkbeleving van militairen en burgers), het medewerkertevredenheidsonderzoek «PICTURE/SCOPE» (periodiek onderzoek naar de werkbeleving van personeel per eenheid) en moreelonderzoeken in de missiegebieden, waaronder ook Mali. In deze onderzoeken kunnen militairen open, eerlijk en anoniem hun mening over de werkomstandigheden en werkbeleving geven. Deelneming aan de onderzoeken geschiedt op vrijwillige basis. De uitkomsten van de onderzoeken worden door commandanten (en veelal ook door medezeggenschapsraden) gebruikt om, waar mogelijk, verbeteringen aan te brengen in de werkomstandigheden en/of werkbeleving van het personeel.
Bent u bereid om de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) onderzoek te laten doen naar de omstandigheden op het kamp?
Ik zie gezien het bovenstaande geen aanleiding tot een aanvraag voor een onderzoek door de IMG. De IMG kan echter ook op aanvraag van de bonden onderzoek verrichten. Indien hij zelf aanleiding ziet het kamp te bezoeken, zal hem dit uiteraard worden toegestaan. Momenteel ziet de IMG geen aanleiding het kamp op korte termijn te bezoeken.
Hebben de Nederlandse troepen in Mali inderdaad «niet de beste uitrusting en de voertuigen voor een gevaarlijke missie»? Hoe wordt dit probleem opgelost? Waarom staat dit niet in de laatste voortgangsrapportage over MINUSMA?
De Nederlandse militairen werken met kwalitatief goed materiaal dat toereikend is om hun werkzaamheden in Mali uit te voeren. De logistieke voorraden zijn in de afgelopen maanden verder aangevuld. Deze aanvoer neemt enige tijd in beslag omdat veel zaken over zee moeten worden aangevoerd.
De doorgaande ellende in de Oostvaardersplassen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oostvaardersplassen wacht nieuw leed»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het gegeven dat er de afgelopen jaren duizenden dieren zinloos de hongerdood zijn gestorven? Welke kosten hangen hiermee samen?
Er is geen sprake van dat er de afgelopen jaren duizenden grote grazers in de Oostvaardersplassen de hongerdood zijn gestorven. Na het advies van de commissie-Gabor (ICMO-2; zie Kamerstuk 32 563, nr. 1) heeft Staatsbosbeheer in de Oostvaardersplassen het zogeheten vroeg-reactief beheer ingevoerd dat als doel het minimaliseren van onnodig lijden van de grote grazers heeft. De Kamer is de afgelopen jaren regelmatig geïnformeerd over de wijze waarop het beheer is uitgevoerd (zie Kamerstuk 32 563, nrs. 10, 25, 26, 27, 28, 29, 39 en 41). Het beheer conform ICMO-2, waarvan vroeg-reactief beheer een onderdeel is, kost Staatsbosbeheer jaarlijks ca. 250 duizend euro.
Bent u, in navolging van de natuurbeschermingsorganisaties, van mening dat het experimentele beheersplan is mislukt? Zo neen, waarom niet?
Ik ben nog in afwachting van een evaluatie door de Beheeradviescommissie Oostvaardersplassen van het grotegrazersbeheer gedurende de afgelopen vier winterseizoenen. Ik zal mijn mening over het grotegrazersbeheer in de Oostvaardersplassen mede daarop baseren.
Bent u bereid in te (laten) zetten op de verkoop van alle grazers zodat de onzalige situatie, zoals we die kennen, resoluut wordt opgelost? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Compensatie voor slachtoffers van de ramp bij de kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Bram van Ojik (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is het resultaat van de oproep van u en uw collega's van Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland, Spanje en Denemarken om verantwoordelijke bedrijven aan te sporen de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp te compenseren?1 2
Sinds de oproep en de Statement on Compensationvoor de Rana Plaza slachtoffers (26 juni 2014, tijdens OESO Global Forum in Parijs) is er een additionele 2 mln USD in het compensatiefonds gestort. Het totaal bedrag komt hiermee op 19,4 mln USD, de helft van het benodigde bedrag van 40 mln USD.
Op welke wijze spant u zich in voldoende donaties in het Rana Plaza-fonds te krijgen, aangezien het fonds nog niet voor de helft is gevuld?
Het is belangrijk dat het resterende bedrag voor het compensatiefonds zo snel mogelijk wordt betaald. Die verantwoordelijkheid ligt zowel bij de bedrijven die afnamen in Rana Plaza als bij de Bengaalse overheid en fabriekseigenaren.
De zes mede-ondertekenaars van het statement, Italië, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Denemarken en Spanje, hebben per brief een appèl voor het betalen van deze compensatie aan bedrijven, gevestigd in hun landen, gedaan. Het gaat hier om bedrijven waarvan sterke aanwijzingen bestaan dat zij zaken deden met Rana Plaza ten tijde van de ramp. Ik blijf dit onderwerp bij mijn collega’s en de overheid in Bangladesh agenderen.
Daarnaast heb ik op 13 oktober jl. de textielbrancheorganisaties en het Veiligheidsakkoord voor brand- en gebouwveiligheid gevraagd of zij bij hun achterbannen kunnen aandringen op het betalen van compensatie. Hierbij moet in acht worden genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederlandse bedrijven inkochten bij Rana Plaza. Het gaat hier dan ook om een vrijwillige bijdrage aan het fonds.
Ook tijdens de EU bijeenkomst voor de evaluatie van het Sustainability Compact voor Bangladesh op 20 oktober heeft Nederland in sterke bewoordingen ongenoegen uitgesproken over de ontbrekende middelen in het compensatiefonds.
Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat bedrijven die op de Nederlandse markt kleding afzetten, zoals Benetton, een bijdrage aan het fonds leveren, en anderen, zoals Mango en C&A, hun bijdrage voor de slachtoffers verhogen? Gaat u deze bedrijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat alle Nederlandse bedrijven die in Bangladesh kleding inkopen (zoals Mexx, Hunkemöller en Scapino) het Bangladesh Veiligheidsakkoord moeten tekenen? Wat bent u voornemens te doen tegen bedrijven die weigeren het Bangladesh Veiligheidsakkoord te ondertekenen?
Bedrijven geven op verschillende manieren invulling aan hun keten-verantwoordelijkheid. Het ondertekenen van het Veiligheidsakkoord is één van de instrumenten. Inmiddels hebben 23 Nederlandse bedrijven het Veiligheidsakkoord getekend. Ik blijf alle achterblijvende textielbedrijven in Nederland maar ook internationaal oproepen om het Veiligheidsakkoord te tekenen.
Op welke manier valt het recht op compensatie binnen het convenant dat u van plan bent af te sluiten voor de kledingindustrie?
Op dit moment wordt met textiel- en kledingsector gesproken over de inhoud van het IMVO convenant. Een van de gespreksonderwerpen is het opnemen van een bepaling over het herstellen van de negatieve effecten op mensenrechten als gevolg van bepaalde bedrijfsactiviteiten. De verwachting is dat het IMVO convenant begin 2015 wordt gefinaliseerd. Uw kamer wordt hierover geinformeerd.
Wat vindt u van het gebrek aan verantwoordelijkheid voor compensatie van slachtoffers bij andere bedrijfsrampen, zoals de fabrieksbrand bij Tazreen Fashions in Bangladesh en fabrieksbrand bij Ali Enterprises in Pakistan?
Het is schrijnend om te moeten constateren dat het bij deze rampen moeilijk is om de bedrijven te traceren die via hun keten medeverantwoordelijk zijn voor het leed dat is aangericht. In de EU en in mijn overleg met het bedrijfsleven breng ik daarom nadrukkelijk het belang van ketentransparantie aan de orde. Direct na de instorting van het Rana Plaza complex is er gestart met het traceren van de bedrijven die in Rana Plaza afnamen. Mede daarom is het onbegrijpelijk en teleurstellend dat anderhalf jaar later het compensatiefonds nog maar voor de helft gevuld is.
Overigens heeft de Bengaalse overheid ook een verantwoordelijkheid om grip te krijgen waar, en met betrokkenheid van welke partijen, zich misstanden voordoen. In Bangladesh werkt de ILO daarom samen met de Bengaalse overheid en de werkgeversorganisatie BGMEA aan een sociaal zekerheidsstelsel om schrijnende omstandigheden, zoals we zien bij o.a. Rana Plaza, in de toekomst te kunnen ondervangen.
Ziet u de uitgangspunten en opzet van het Rana Plaza Arrangement als een mogelijk model voor andere gevallen van nalatigheid van bedrijven voor due diligence binnen de toeleveringsketen?
Het Rana Plaza Arrangement is een belangrijk instrument, in het leven geroepen na de ramp van Rana Plaza, met nauwe betrokkenheid van de ILO. Het arrangement is een voorbeeld voor de organisatie van compensatie na rampen als Rana Plaza. Het arrangement bevat positieve aanknopingspunten waaronder het monitoren van compensatiestromen en het in kaart brengen van de slachtoffers, inclusief de hen toekomende financiële compensatie, die wordt vastgesteld op basis van ILO-normen.
Echter, het arrangement raakt niet direct aan due dilligence. Het arrangement stelt namelijk dat doneren aan het compensatie fonds los staat van iedere vorm van betrokkenheid. Oftewel: het betalen van compensatie na een ramp kan ofwel uit liefdadigheid als ook uit een daadwerkelijke verantwoordelijkheid komen. Hiermee legt het arrangement geen directe link met de (nalatigheid van) due diligence van bedrijven.
Deelt u de mening dat er een vangnet moet komen voor arbeiders die op het moment van non-compliance in de kledingfabriek op het gebied van fabrieksonveiligheid, kinderarbeid en andere arbeidsrechtenschendingen hun baan verliezen?
Ja, een vangnet is belangrijk. Het Veiligheidsakkoord en Amerikaanse Alliance hebben een goed voorbeeld gesteld met hun vangnet voor het doorbetalen van lonen ten tijde van gebouwrenovaties. Het vangnet is in dit geval de verantwoordelijkheid van zowel de inkopende merken als de lokale fabrikanten.
Deelt u de mening dat consumenten recht hebben op informatie over de totstandkoming van de kleding die zij kopen en over de mensenrechtensituatie in de fabrieken? Deelt u de mening dat de verbeterplannen in de kledingindustrie die voort moeten komen uit de sectorrisicoanalyse, alleen kunnen slagen als bedrijven transparant zijn over hun toeleveringsketen?
Transparantie is een goed middel om de arbeids- en milieuomstandigheden in de internationale textiel- en kledingketen te verbeteren. Bedrijven hebben hierin een belangrijke verantwoordelijkheid, zoals ook is vastgelegd in de OESO-Richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Consumenten willen informatie over de totstandkoming van de kleding die zij kopen. Er zijn al bedrijven die openbaar maken met welke fabrieken zij werken, als onderdeel van hun business case. Het is goed dat er steeds meer kleding op de markt komt waarover die openheid wordt gegeven.
Naheffingen door de Belastingdienst over de afdrachtvermindering onderwijs |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Transportbedrijven failliet door naheffingen»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de criteria zijn voor het opleggen van naheffingen bij bedrijven die achteraf onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de WVA2 en of dit landelijk beleid is, of op initiatief van lokale afdelingen van de belastingdienst?
Een naheffingsaanslag wordt opgelegd als de Belastingdienst constateert dat de afdrachtvermindering onderwijs (AV Onderwijs) ten onrechte is toegepast. Voor de constatering of daarvan sprake is toetst de Belastingdienst of voldaan is aan de in de wet gestelde voorwaarden voor de AV Onderwijs. Het gaat daarbij om de voorwaarden uit Wet vermindering afdrachten loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Het opleggen van de naheffingsaanslagen is niet lokaal of regionaal geïnitieerd, maar een gevolg van een landelijk aanpak.
Kunt u aangeven hoeveel er tot nu toe is opgehaald door de naheffing bij bedrijven en hoeveel er naar schatting nog zal worden teruggevorderd?
In alle sectoren tezamen zijn naheffingsaanslagen opgelegd voor een bedrag van circa € 70 miljoen. Bij nog lopende onderzoeken zijn correcties van de AV Onderwijs aangekondigd voor een bedrag van circa 80 miljoen euro. In hoeverre deze aanslagen daadwerkelijk tot betaling leiden is op dit moment niet aan te geven.
Kunt u aangeven welke sectoren naast de genoemde transportsector geraakt zullen worden door de naheffingen en hier dus de zware gevolgen van zullen kennen?
Van relatief veel voorkomende naheffingen is sprake in de zorgsector, de uitzendbranche en de bouwsector.
Erkent u dat om te beoordelen of er op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de gemaakte afspraken ten aanzien van het opleidingsprogramma, er specifieke kennis van onderwijs moet zijn?
De Belastingdienst toetst of voldaan is aan de in de WVA neergelegde voorwaarden. Dit houdt ondermeer in of voldaan is aan een aantal formele vereisten, zoals de aanwezigheid van een rechtsgeldige praktijkovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.2.8 van de WEB. Verder kan de Belastingdienst controleren of het gevolgde onderwijsprogramma dat de deelnemer volgt voor een erkend kwalificerend diploma overeenstemt met het volledige onderwijsprogramma van de opleiding zoals opgenomen in het officiële register, het CREBO-register.
De beoordeling voert de Belastingdienst zelfstandig uit. Mocht er onderwijskundige kennis nodig zijn, dan kan de Belastingdienst een advies vragen aan de Inspectie van het Onderwijs.
Bent u van mening dat de belastingdienst genoeg kennis van onderwijs heeft om te kunnen oordelen over de uitvoering van de gemaakte afspraak?
Zie antwoord vraag 5.
Ten bate van welke instanties zijn de naheffingen en heeft de belastingdienst «het incentive» om een negatief oordeel te geven ten bate van het kunnen vorderen van naheffingen?
De opbrengst van de naheffingen komen, als onderdeel van de belastingheffing, ten bate van de algemene middelen van het Rijk.
In acht nemend het feit dat veel bedrijven te goeder trouw hebben gehandeld maar nu wel hoge naheffingen krijgen, bent u van mening dat economische gevolgen van de omzetting van de WVA naar een subsidieregeling voor bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de WVA terecht zijn en binnen het redelijke liggen?
Het doel van de subsidieregeling praktijkleren is werkgevers te stimuleren leerwerkplekken aan te bieden, zodat zij over de gehele linie van de arbeidsmarkt kunnen beschikken over beter opgeleid personeel. Een subsidieregeling op de begroting van OCW kan beter worden gericht en onbedoeld gebruik van de regeling veel effectiever tegengaan. Door een juiste focus van beoogde doelgroepen van de nieuwe subsidieregeling, zal zij niet averechts werken, maar juist het aantal leerwerkplekken bevorderen daar waar ze het hardst nodig zijn (zoals bij mbo-bbl opleidingen waarin praktijkleren een substantieel deel uitmaakt van de opleiding of voor sectoren waarin knelpunten in de personele voorziening worden verwacht).
Bent u van mening dat er genoeg actie is ondernomen om de financiële en economische impact op te vangen bij bedrijven die niet bewust onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de WVA en om de naheffing geen schadelijke neveneffecten te laten hebben voor de economie, die na een zware recessie een zeer broos herstel kent?
De AV Onderwijs is vormgegeven als onderdeel van de loonheffingen. Door deze keuze valt de afdrachtvermindering onder de regels die gelden voor de wijze van heffing, waaronder de regels rond de handhaving. Dit houdt onder meer in dat in het geval de Belastingdienst onregelmatigheden constateert er naheffing bij de inhoudingsplichtige plaatsvindt. Ook bij de AV onderwijs is deze werkwijze gevolgd. Indien een dergelijke naheffing bij bedrijven tot financiële problemen leidt kan hieraan tegemoet worden gekomen door het bedrijf binnen de grenzen van het gebruikelijke invorderingsbeleid van de Belastingdienst een betalingsregeling aan te bieden. Bedrijven kunnen zich hiervoor melden bij hun belastingkantoor.
Gaat u verdere actie ondernemen om te voorkomen dat transportbedrijven en andere bedrijven failliet gaan door de omzetting van de WVA naar een subsidieregeling en de onverwachte financiële gevolgen hiervan? Zo ja, wat voor actie zal dit zijn?
De naheffingsaanslagen AV onderwijs die aan transportbedrijven worden opgelegd waardoor sommige van deze bedrijven volgens Transport en Logistiek Nederland in financiële problemen komen, staan geheel los van de omzetting van de afdrachtvermindering onderwijs naar een subsidieregeling. De naheffingsaanslagen hebben betrekking op de periode voor invoering van de subsidieregeling praktijkleren.
Het bericht “Tweetal steelt AOW via DigiD-fraude” |
|
Perjan Moors (VVD), Foort van Oosten (VVD), Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tweetal steelt AOW via DigiD-fraude»?1
Ja.
Klopt het dat de fraude heeft plaatsgevonden via «phishing»? Hoe ging dit in zijn werk?
De FIOD is onder leiding van het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart. Hierin zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat DigiD inloggegevens zijn verkregen via phishing. De phishing heeft vermoedelijk plaatsgevonden via mailverkeer dan wel via een telefonische benadering.
In het onderzoek zijn ongeveer 5.000 DigiD’s naar voren gekomen die mogelijk onbevoegd gebruikt zijn. Met circa 180 DigiD’s zijn gegevens gewijzigd op websites van overheidsorganisaties. In veel gevallen kon de betrokken overheidsorganisatie op tijd ingrijpen en/of konden handelingen worden teruggedraaid. De betrokken burgers zijn direct geïnformeerd. De 5.000 gecompromitteerde DigiD’s zijn verwijderd.
In het onderzoek zijn tevens 70 verdachte bankrekeningen naar voren gekomen. Deze bankrekeningen zijn door de betreffende banken geblokkeerd.
Deelt u de mening dat het stelen van uitkeringen door misbruik te maken van DigiD-gegevens van mensen die dit niet kunnen voorkomen bijdraagt aan het gevoel van onveiligheid van mensen en hun wantrouwen in ICT en de overheid voedt? Hoe gaat u dit wantrouwen wegnemen?
Het kabinet heeft continu aandacht voor veilige digitale dienstverlening middels DigiD. Burgers worden via diverse campagnes erop gewezen zorgvuldig met hun DigiD account om te gaan. De overheid zal nooit per email of telefoon persoonlijke gegevens vragen.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft u in de brief aan uw Kamer over aanhoudingen fraude met DigiD d.d. 16 oktober 2014 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 26 643, nr. 329) toegezegd om uw Kamer op zo kort mogelijke termijn een overzicht te doen toekomen met de verschillende (mogelijke) maatregelen om het gebruik van DigiD nog veiliger te maken. Ik verwijs u in dat kader tevens graag door naar het antwoord op vraag 5.
Zijn de gedupeerden schadeloos gesteld voor het gehele fraudebedrag? Wordt het fraudebedrag verhaald op de daders?
De schade is relatief beperkt gebleven vanwege de snelle waarneming van de fraude door de SVB en de effectieve samenwerking daarop van de gezamenlijke overheidsdiensten. In het kader van de Rijksbrede fraude aanpak en de daaruit ontstane geïntensiveerde samenwerking kon Logius samen met onder andere de SVB de omvang van de fraude snel detecteren. Daarna is alles in het werk gesteld om schade voor de slachtoffers te voorkomen en te minimaliseren. Alle gedupeerden hebben hun uitkering of toeslag alsnog ontvangen.
De totale omvang van de financiële schade wordt geschat op 50.000 euro. Deze zal waar mogelijk verhaald worden op de daders.
Wat gaat u doen om phishing van DigiD’s en deze soort fraude in de toekomst voorkomen?
Logius doet er alles aan om het gebruik van DigiD veilig te houden. Bij ontdekking van zogeheten phishing sites wordt contact opgenomen met het Nationaal Cyber Security Center (NCSC). Notice and TakeDown (NTD)-verzoeken worden daarbij ingezet om te bewerkstelligen dat deze websites niet langer voor phishing-doeleinden gebruikt worden. Gebruikers kunnen zelf ook meehelpen om het gebruik van DigiD veilig te houden. Op de website van DigiD wordt door Logius advies gegeven over het veilig omgaan met DigiD. Daarbij wordt onder meer gewezen op het belang dat de gebruiker controleert dat hij/zij daadwerkelijk inlogt op de echte inlogpagina van DigiD. Ook wordt gewaarschuwd voor valse e-mails waarin wordt gevraagd om inloggegevens in te vullen. Bovendien wordt uitgelegd hoe de gebruiker misbruik van zijn account kan herkennen en welke actie hij kan ondernemen bij geconstateerd misbruik. Tenslotte wordt verwezen naar de ondersteuning die kan worden geboden onder meer via de helpdesk van DigiD, het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en het Meldpunt Slachtoffers Fraude van de Belastingdienst.
Ook in de lopende Alert-Online-campagne wordt uitgebreid aandacht besteed aan veilig internetten, onder andere via de in deze periode gepresenteerd website www.veiliginternetten.nl.
De vuurwerkopslag in Heerde |
|
Carla Dik-Faber (CU), Kees van der Staaij (SGP), Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u garanderen dat, naar aanleiding van uw antwoord op eerdere vragen1 dat er explosiegevaar bestaat met betrekking tot de vuurwerkopslag in Heerde, bij een explosie van deze opslag enkel schade optreedt aan de opslag zelf en niet aan (onder meer) het zorgcentrum en de supermarkt die zich binnen een straal van 100 meter bevinden?
Het Vuurwerkbesluit stelt eisen aan de (buffer)bewaarplaatsen van consumentenvuurwerk. Deze moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de effecten van een mogelijke drukopbouw als gevolg van een calamiteit in de (buffer)bewaarplaatsen via de deuropening worden afgelaten. Deze deur moet zelfsluitend zijn uitgevoerd en zal derhalve alleen open getild worden om een mogelijke overdruk in de bewaarplaatsen af te laten. Daarnaast zijn de (buffer)bewaarplaatsen voldoende brandwerend uitgevoerd om de leefomgeving te beschermen tegen branddoorslag en brandoverslag. Tot slot zijn alle (buffer)bewaarplaatsen voorzien van een automatische sprinklerinstallatie om een eventuele brand te doven. Hierdoor zullen de schadelijk effecten (hittestraling en uitworp vuurwerkartikelen) van een calamiteit in de (buffer)bewaarplaatsen beperkt blijven tot de bewaarplaatsen zelf en de directe nabijheid van de deuropening.
Zoals ik in de beantwoording van eerdere vragen heb aangegeven, heeft de gemeente Heerde de vergunning verleend voor de opslag. De gemeente heeft na consultatie van de brandweer van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland geconstateerd dat aan de veiligheidsvoorschriften is voldaan. Ik vertrouw er derhalve op dat de gemeente, daarbij geadviseerd door de Veiligheidsregio, op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het Vuurwerkbesluit.
Deelt u de mening dat, hoewel er formeel sprake is van «consumentenvuurwerk» in de opslag van Heerde, het gezien de hoeveelheid (500 kilo), de nabije aanwezigheid van het zorgcentrum, de supermarkt en het tankstation alsmede de gevoelens van onveiligheid van bewoners, geen geschikte plek is om vuurwerk op te slaan?
Omdat effecten van een eventuele calamiteit binnen de (buffer)bewaarplaats en de omgeving van de deur blijven (zie antwoord op vraag 1), deel ik uw mening niet.
Kunt u aan alle 25 veiligheidsregio’s deze casus in Heerde doen toekomen met het verzoek om te inventariseren of bij de veiligheidsregio’s (1) meer plekken bekend zijn in het land waar de opslag van consumentenvuurwerk dicht is gelegen bij kwetsbare objecten en (2) dit risico’s kan opleveren voor omwonenden en omgeving bij explosiegevaar? Zou u de uitkomsten hiervan aan de Kamer willen doen toekomen?
(Buffer)bewaarplaatsen van consumentenvuurwerk moeten aan de eisen van het Vuurwerkbesluit voldoen. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, beperken de gevolgen van een eventuele calamiteit zich tot de bewaarplaats zelf. Dit levert daarom geen risico op voor omwonenden. Er is dan ook geen reden om de veiligheidsregio’s een dergelijke inventarisatie uit te laten voeren.
Baseert u uw stelling dat het effect van een eventuele calamiteit tot de betreffende vuurwerkopslag in Heerde beperkt zal zijn op de aanname dat de voorgeschreven sprinklers en de genoemde draadkorven dit effect zullen verhinderen?
In mijn antwoord op vraag 1 heb ik uiteengezet welke eisen op grond van het Vuurwerkbesluit gelden. Die moeten voorkomen dat een eventuele calamiteit tot schade voor omwonenden leidt. Sprinklers en draadkorven maken daar deel van uit, maar het eisenpakket omvat meer.
Is het waar dat de genoemde draadkorven met name bestemd zijn voor vervoer en dat het betreffende vuurwerk in de opslag in Heerde buiten het bereik ligt van deze draadkorven?
De verpakking van het vuurwerk in draadkorven is bedoeld om de effecten van een eventuele calamiteit te beperken zowel tijdens het transport als tijdens opslag.
Op welke wijze wordt middels de dakconstructie van de opslag rekening gehouden met het explosiegevaar binnen de vuurwerkopslag?
De vuurwerkbewaarplaatsen moeten volgens het Vuurwerkbesluit zodanig geconstrueerd zijn dat een mogelijke drukopbouw in de bewaarplaats altijd via de deuropening wordt afgelaten. De dakconstructie en de gevels van de vuurwerkbewaarplaatsen dienen niet om de druk af te laten.
Wat is de aanpak van de veiligheidsregio’s met betrekking tot de aanpak van gevaarlijke stoffen-incidenten en verschilt deze aanpak per veiligheidsregio of is deze overal gelijk?
De aanpak van incidenten met gevaarlijke stoffen door de veiligheidsregio’s is in grote lijnen als volgt.
De meldkamer alarmeert de benodigde hulpverleningseenheden en -functionarissen op basis van de meldingsinformatie (incidentlocatie, wel/geen brand, transportongeval, risicobedrijf, wel/geen slachtoffers etc.) en haar informatiesystemen (object- en omgevingsinformatie waaronder de aanwezigheid van vuurwerkopslagplaatsen en procedures). Gealarmeerd worden: brandweervoertuigen, ambulances, politie-eenheden, leidinggevenden en specialistische functionarissen.
De leidinggevenden van de hulpverlenende diensten bepalen, op grond van nadere (verkennings)gegevens, welke eenheden aanvullend worden gealarmeerd en welke processen worden gestart.
Bij ongevallen met gevaarlijke stoffen worden maatregelen genomen om de bron te bestrijden en maatregelen om effecten in de omgeving te voorkomen of beperken. Deze maatregelen kunnen ondermeer betreffen: het waarschuwen en informeren van de bevolking met sirenes, NL Alert en/of (social) media, schuilen in woningen en gebouwen, ontruimen en evacueren en het stilleggen van het verkeer.
De coördinatie van de incidentbestrijding vindt in iedere veiligheidsregio plaats volgens de Gecoördineerde Regionale IncidentenbestrijdingsProcedure (GRIP), zoals beschreven in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming (Kamerstuk 29 668, nr. 37).
Veiligheidsregio’s kunnen een beroep doen op het Landelijk Informatiepunt Ongevallen Gevaarlijke Stoffen (LIOGS), dat in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ondergebracht is bij DCMR Milieudienst Rijnmond. Het LIOGS adviseert veiligheidsregio’s in de acute fase van de incidentbestrijding (het eerste uur) over de gevaren van de bij het incident betrokken gevaarlijke stoffen en de te nemen maatregelen. Bovendien kunnen veiligheidsregio’s via het LIOGS gebruik maken van assistentiemogelijkheden van het bedrijfsleven.
Naar aanleiding van de brand bij Chemie Pack is een landelijke kennisadviesstructuur opgezet, waarvoor de Inspectie Leefomgeving en Transport systeemverantwoordelijk is. Onderdeel van deze structuur is het Crisis Expert Team Milieu en Drinkwater, een 24 uur per dag 7 dagen per week bereikbaar operationeel netwerk van de kennisinstituten (o.a. het RIVM) op het gebied van milieu en drinkwater. Veiligheidsregio’s worden door het Crisis Expert Team Milieu en Drinkwater geadviseerd aansluitend op de advisering door het LIOGS.
In alle veiligheidsregio’s is de aanpak van ongevallen met gevaarlijke stoffen gelijk. Die aanpak is gebaseerd op GRIP, wordt uitgevoerd volgens dezelfde processen en maakt gebruik van dezelfde expertise.
Kunt u aangeven waar de vernietiging van in beslaggenomen vuurwerk plaatsvindt en wat de jaarlijkse kosten hiervan zijn?
In 2012 waren de totale kosten voor de vernietiging van het vuurwerk € 1,6 mln en in 2013 € 1,9 mln. De vernietigingen worden uitgevoerd bij EST Energetics GmbH in Duitsland. Domeinen Roerende Zaken van het Ministerie van Financiën houdt toezicht op de vernietiging. De ILT is in 2014 een nieuwe aanpak gestart waarbij importeurs via bestuursrechtelijke weg wordt opgedragen afgekeurd consumentenvuurwerk uit de handel te nemen. Hierdoor nemen de kosten waarschijnlijk af.
Is het waar dat in een aantal andere landen het bestrijden van een brand in een consumentenvuurwerkopslag met water (gezien de mogelijk reactie met magnesium houdend vuurwerk) verboden is? Hoe vindt deze bestrijding in Nederland plaats?
Door diverse deskundigen (RIVM, TNO, IFV, en buitenlandse instanties) is in de afgelopen jaren naar de gevolgen van het blussen van een brand in een vuurwerkopslagplaats gekeken. Uit die onderzoeken blijkt dat het blussen van een beginnende brand in een vuurwerkopslagplaats prima met water kan. Daarom is en blijft in het Vuurwerkbesluit een automatisch werkende sprinklerinstallatie voorgeschreven.