Het vastrecht bij de productie- en leveringsbedrijven van energie |
|
Paulus Jansen |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Welke diensten van productie- en leveringsbedrijven (PLB) van energie rechtvaardigen het in rekening brengen van vastrecht, zowel bij de levering van gas als van elektriciteit?
Energieleveranciers kunnen verbruiksonafhankelijke en verbruiksafhankelijke tarieven rekenen voor de levering van energie. Vastrecht is een verbruiksonafhankelijk tarief dat leveranciers in rekening brengen ter dekking van een deel van de overheadkosten en dat leveranciers verschillend kunnen vaststellen. Het betreft kosten die worden gemaakt onder andere ten behoeve van tijdige en juiste facturatie, incassokosten en klantenservice.
De productie en levering van energie gebeurt in een vrije markt, dus energieleveranciers bepalen zelf welke diensten zij aanbieden en op welke wijze zij deze in rekening brengen. De energieleveranciers kunnen daarom verschillende typen contracten aanbieden, met verschillende hoogtes van verbruiksonafhankelijke en verbruiksafhankelijke leveringstarieven. Dit zorgt ervoor dat consumenten ook daadwerkelijk iets te kiezen hebben, al naar gelang persoonlijke situaties en voorkeuren. Zo kan een consument met een hoog jaarverbruik kiezen voor een product met een relatief hoog vastrechtbedrag en een relatief laag verbruiksafhankelijk tarief, wat uiteindelijk tot een voordeel kan leiden voor deze consument.
Voor een consument met een laag energieverbruik kan het juist interessant zijn om een leverancier te kiezen met een relatief laag verbruiksonafhankelijk tarief. Ik zie dan ook geen aanleiding om leveranciers te verplichten overheadkosten – of andere vaste kosten – bij klanten af te rekenen via het verbruiksafhankelijke tarief.
Indien dit «algemene dienstverlening rond het beschikbaar stellen van een aansluiting is»:
Zie antwoord vraag 1.
Kunt een overzicht geven van de ontwikkeling van het vastrecht bij de vier grootste PLB’s in de afgelopen tien jaar? Is er enige zakelijk reden waarom de stijging van het vastrecht de laatste jaren veel hoger is dan van de gas- en elektriciteitsprijzen? Zo nee, onderschrijft u dat deze werkwijze de consument misleidt doordat gemakkelijke gestunt kan worden met de leveringstarieven, terwijl de feitelijke rekening niet daalt?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) monitort de ontwikkeling van de totale leveringskosten voor een gemiddeld huishouden voor elektriciteit en gas en rapporteert hierover in haar halfjaarlijkse monitoringsrapportages. ACM gebruikt hiervoor het gewogen gemiddelde van verbruiksafhankelijke tarieven (voor elektriciteit €/KWh; voor gas €/m3) van alle energieleveranciers plus het gewogen gemiddelde verbruiksonafhankelijke tarief (per jaar). Cijfers voor de vier grootste energieleveranciers zijn niet voorhanden, maar de ACM geeft aan dat onderstaande tabel1 een representatief beeld geeft van de trendmatige ontwikkeling van de leveringskosten voor een gemiddeld huishouden (prijzen zijn exclusief BTW en energiebelasting). Wel zal ik de ACM vragen om in de eerstvolgende monitoringsrapportage een overzicht te geven van de ontwikkeling van het vastrecht bij de vier grootste energieleveranciers.
1-7-2006
€ 18,51
€ 0,0674
1-1-2007
€ 18,50
€ 0,0810
1-7-2007
€ 20,21
€ 0,0787
1-1-2008
€ 19,05
€ 0,0769
1-7-2008
€ 19,07
€ 0,0792
1-1-2009
€ 20,44
€ 0,0937
1-7-2009
€ 20,49
€ 0,0878
1-1-2010
€ 20,49
€ 0,0733
1-7-2010
€ 21,34
€ 0,0726
1-1-2011
€ 22,44
€ 0,0698
1-7-2011
€ 24,26
€ 0,0722
1-1-2012
€ 26,80
€ 0,0742
1-7-2012
€ 27,10
€ 0,0748
1-1-2013
€ 32,78
€ 0,0705
1-7-2013
€ 32,18
€ 0,0701
1-7-2006
€ 18,06
€ 0,3225
1-1-2007
€ 16,93
€ 0,3506
1-7-2007
€ 19,84
€ 0,3167
1-1-2008
€ 20,86
€ 0,3226
1-7-2008
€ 20,37
€ 0,3838
1-1-2009
€ 21,68
€ 0,4292
1-7-2009
€ 21,65
€ 0,2728
1-1-2010
€ 21,85
€ 0,2729
1-7-2010
€ 36,03
€ 0,2926
1-1-2011
€ 24,37
€ 0,2974
1-7-2011
€ 25,16
€ 0,3480
1-1-2012
€ 27,25
€ 0,3574
1-7-2012
€ 27,88
€ 0,3947
1-1-2013
€ 32,56
€ 0,3555
1-7-2013
€ 32,92
€ 0,3459
De tabel laat zien dat gemiddeld de tarieven voor het verbruiksonafhankelijke deel van de energierekening verhoudingsgewijs meer gestegen zijn dan de verbruiksafhankelijke tarieven. Dit kan mede verklaard worden doordat er de afgelopen 8 jaar meer productdifferentiatie heeft plaatsgevonden, zoals contracten met verschillende looptijden of producten zoals groene energie.
Ik heb van ACM geen signalen ontvangen dat consumenten zich misleid achten. Uit de halfjaarlijkse monitoringsrapportages van ACM blijkt dat klanten juist steeds meer bereid zijn van energieleverancier te wisselen. Zo geeft inmiddels 44% van alle huishoudens aan wel eens te zijn overgestapt en is het switchpercentage sinds de liberalisering nog nooit zo hoog geweest als nu. Tussen 1 juli 2012 en 1 juli 2013 stapte 13,6% over voor elektriciteit en 13,3% voor gas.
Dit laat onverlet dat een transparante energierekening voor consumenten voor mij een belangrijk doel is. Een aantal maatregelen specifiek gericht op het beter begrijpelijk maken van de energieprijzen wordt daarom uitgewerkt in het kader van de wetgevingsagenda STROOM. Ik vind daarbij drie zaken belangrijk. Prijzen moeten ten eerste begrijpelijk zijn. Ten tweede moeten prijzen van verschillende energieleveranciers vergelijkbaar zijn en ten derde moeten prijzen consistent zijn in de keten van aanbod, contract en rekening. Energieleveranciers kunnen een belangrijke bijdrage aan de begrijpelijkheid en vergelijkbaarheid van energieprijzen leveren door gebruik te gaan maken van dezelfde begrippen en deze aan de consument op uniforme wijze uit te leggen. Ik ben met de sector in gesprek hierover. Ook vind ik het belangrijk dat consumenten weten welke componenten van de energieprijs ze kunnen beïnvloeden, door bijvoorbeeld minder te verbruiken of door over te stappen van energieleverancier, en welke ze niet kunnen beïnvloeden.
Het vastrecht voor levering kunnen consumenten bijvoorbeeld beïnvloeden door over te stappen van energieleverancier, maar niet door minder te verbruiken.
Houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de ontwikkeling van het vastrecht bij de productie- en leveringsbedrijven van energie? Op grond van welke criteria en met welke frequentie?
ACM houdt toezicht op de leveringstarieven als geheel. Energieleveranciers zijn namelijk verplicht om op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden energie te leveren aan consumenten en bedrijven. Dit is vastgelegd in de Elektriciteitswet (artikel 95b) en in de Gaswet (artikel 44). Wanneer de ACM het totale leveringstarief als onredelijk beoordeelt heeft ze de bevoegdheid om in te grijpen en kan ze een maximumtarief opleggen.
Indien de ACM geen prioriteit geeft aan dit thema: kan er op de kortst mogelijke termijn een analyse gemaakt worden van de vastrecht-problematiek?
Ik zie geen probleem in de wijze waarop vastrecht in rekening wordt gebracht. Ook ACM ziet hier geen knelpunten. ACM houdt bovendien toezicht op de redelijkheid van het totale leveringstarief. Ik vind het wel van belang dat de energierekening begrijpelijk is en ik ben hierover met de sector in gesprek. Vanwege bovenstaande zie ik geen toegevoegde waarde in nader onderzoek.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om de PLB’s te verplichten om hun overheadkosten via de energieprijzen te verrekenen, in plaats van via een versluierend werkend vastrechttarief?
Zie antwoord vraag 5.
De nieuwe Egyptische grondwet |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de inhoud van de nieuwe Egyptische grondwet, zoals op zondag 1 december jongstleden gepresenteerd door de Egyptische grondwetscommissie?
Ja.
Hoe beoordeelt u de hoofdlijnen van de nieuwe Egyptische grondwet? Bent u van mening dat de rechten van vrouwen en minderheden hier voldoende in worden gewaarborgd?
Aanpassing van de Grondwet is een van de kernelementen van de democratische routekaart die op 3 juli jl. is afgekondigd door de Egyptische interim-president Mansour. Nederland volgt het grondwettelijk proces in Egypte nauwgezet. Het kabinet acht een Grondwet die democratie, mensenrechten en rechtsstaat versterkt in het belang van een succesvol transitieproces. Gezien het feit dat de Egyptische bevolking zich nog per referendum moet uitspreken over aanpassing van de Grondwet acht het kabinet het echter te vroeg om een oordeel te geven over de inhoud van de toekomstige Grondwet.
Klopt het dat de positie van het leger – dat bijvoorbeeld burgers mag gaan berechten in militaire tribunalen – er met de nieuwe grondwet aanzienlijk op vooruit zal gaan? Bent u van mening dat deze versterkte positie de Egyptische rechtsstaat verzwakt?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft Hoge Vertegenwoordiger Ashton al gereageerd op het nieuwe grondwetsontwerp? Zo ja, wat is haar oordeel?
Nee.
Opgepakte jihadisten in Turkije |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Turkije pakte al 1.100 Europese jihadisten op»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel jihadisten die (ook) de Nederlandse nationaliteit hebben, in Turkije zijn opgepakt?
Er is bij het Openbaar Ministerie en de Landelijke Eenheid van de politie geen informatie beschikbaar over in Turkije opgepakte jihadisten die (ook) de Nederlandse nationaliteit hebben en naar Nederland zijn teruggestuurd.
Ingeval sprake is van officiële aanhoudingen en uitzettingen door de Turkse autoriteiten, dienen de Nederlandse autoriteiten – op verzoek en met instemming van betrokkene – hiervan op de hoogte te worden gesteld zodat consulaire bijstand kan worden verleend. De Turkse autoriteiten hebben echter geen melding gemaakt van eventueel opgepakte jihadstrijders die naar Nederland terug zijn gestuurd. Het kabinet streeft in dit kader naar een verdere versterking van de samenwerking met Turkije bij het tegenhouden van jihadistische strijders.
Het is mogelijk dat personen op doorreis naar Syrië door de Turkse autoriteiten staande zijn gehouden en verzocht zijn (als reguliere reizigers) naar Nederland terug te keren. Mocht de AIVD over informatie of aanwijzingen beschikken dat dit geval is, dan wordt deze informatie vanzelfsprekend betrokken bij het inlichtingenonderzoek naar jihadgang naar en terugkeer uit Syrië. Ik verwijs in dit kader ook naar mijn antwoord op vraag 5.
Over eventuele informatie verstrekt door de Turkse inlichtingen-en veiligheidsdiensten aan de AIVD doe ik in het openbaar geen verdere mededelingen.
Wat is er met de naar Nederland teruggestuurde jihadisten gebeurd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de Kamer periodiek op de hoogte houden van het aantal aangehouden jihadisten (in binnen- en buitenland) met (ook) de Nederlandse nationaliteit en het aantal veroordeelde jihadisten in Nederland?
Elke drie maanden ontvangt uw Kamer reeds een samenvatting van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, opgesteld door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Met deze samenvatting informeer ik uw Kamer ook over (de dreiging en aanpak van) gewelddadig jihadisme en jihadisten. Ik doe in het openbaar geen verdere mededelingen over concrete gevallen.
Wanneer wordt er in Nederland gestopt met het pamperen van teruggekeerde islamitische terroristen met banen, huizen en opleidingen en wordt er nu eindelijk ingezet op keiharde repressie en waar mogelijk uitzetting van deze groep?
Van elke naar Nederland teruggekeerde jihadstrijder maakt de AIVD een dreigingsinschatting. Ook bekijkt het OM of strafrechtelijk optreden noodzakelijk en mogelijk is. Parallel hieraan zet de burgemeester in de lokale driehoek een specifieke aanpak in op een persoon die een mogelijk risico vormt. In elk individueel geval wordt de beste aanpak vormgegeven met als doel de mogelijke dreiging die van deze personen uitgaat te verminderen.
Deelname aan de jihadistische strijd of training in het buitenland is strafbaar op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht. Het Openbaar Ministerie (OM) kijkt per geval of tot vervolging wordt overgegaan. Daarbij betrekt het OM de bij de Landelijke Eenheid en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beschikbare informatie.
De uitzending van Bureau Buitenland over foute regimes die Interpol misbruiken |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Bureau Buitenland waarin gesteld wordt dat erkende vluchtelingen en mensenrechtenactivisten in Europa regelmatig op last van Interpol worden opgepakt?1
Ik ben op de hoogte van de uitzending. Ik wijs erop dat Interpol een communicatiekanaal beschikbaar stelt dat nationale politiediensten kunnen gebruiken om, al dan niet wereldwijd, bekend te maken dat (bijvoorbeeld) een persoon wordt gezocht vanwege een verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Interpol geeft zelf dus geen bevel tot aanhouding. Het is een organisatie die de samenwerking tussen politieorganisaties van landen en de uitwisseling van politie-informatie bevordert. De organisatie heeft zelf geen bevoegdheden in de aangesloten landen.
Worden er in Nederland personen opgepakt, enkel en alleen op last van Interpol-signaleringen? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen in 2012 en 2013? In welke mate betrof het erkende vluchtelingen c.q. mensenrechtenactivisten?
Een Interpolsignalering kan onder voorwaarden gelden als een verzoek om voorlopige aanhouding in afwachting van een uitleveringsverzoek. Een voorwaarde is dat er een uitleveringsverdrag geldt tussen Nederland en het signalerende land. Als daarvan sprake is, wordt een signalering in het nationale opsporingsregister opgenomen tenzij er contra-indicaties zijn. Contra-indicaties zijn bijvoorbeeld het feit dat de gezochte persoon een vluchtelingenstatus heeft en/of het vermoeden dat de persoon in kwestie zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze wordt getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging. Deze toetsing wordt bij elke signalering verricht, waarbij voor wat betreft de vluchtelingenstatus getoetst kan worden aan Nederlandse gegevens. Mocht na een aanhouding blijken dat iemand een door een buitenland verschafte vluchtelingenstatus heeft, dan volgt vrijlating.
Uitlevering van vluchtelingen en mensenrechtenactivisten die bescherming genieten heeft zodoende niet plaatsgevonden en zal gelet op het voorgaande ook nimmer worden toegestaan.
Uit de systemen van de politie kan niet worden afgeleid hoeveel of welke aanhoudingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een Interpolsignalering.
In hoeverre zijn erkende vluchtelingen en mensenrechtenactivisten, die op last van Interpol-signaleringen zijn opgepakt, door Nederland uitgeleverd aan de regimes die hen willen vervolgen? Aan welke landen heeft uitlevering plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mechanismen gebruikt Nederland teneinde de legitimiteit van Interpol-signaleringen te controleren en op welke wijze wordt toezicht gehouden op de juistheid van die signaleringen die in Nederland tot aanhoudingen van personen kunnen leiden?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre zijn de Nederlandse politie, het Openbaar Ministerie en de ministeries van Buitenlandse zaken en van Veiligheid en Justitie betrokken bij, dan wel geïnformeerd voorafgaande aan, een aanhouding door Interpol van personen op Nederlands grondgebied?
Interpol houdt zelf geen mensen aan. De aanhouding op Nederlands grondgebied wordt altijd door de Nederlandse politie of marechaussee verricht met inachtneming van de Nederlandse wet- en regelgeving.
Op welke wijze controleert de Europese Unie de legitimiteit van Interpol-signaleringen?
De Europese Unie heeft geen rol in dit verband.
Bent u bereid in Europees verband stappen te ondernemen teneinde misbruik van Interpol-signaleringen tegen te gaan? Zo ja, kunt u aangeven welke acties u op welke termijn gaat uitvoeren?
In die gevallen waarin misbruik wordt gemaakt van het Interpol-kanaal, biedt Interpol zelf de mogelijkheid hiertegen op te treden. De Interpol-constitutie staat immers niet toe dat een signalering in de databanken wordt opgenomen indien deze op politieke gronden is uitgevaardigd. Op het moment dat Interpol strijdigheid met de Interpol-constitutie gewaar wordt, wordt de signalering door Interpol verwijderd. Daarnaast blijft Nederland per signalering een eigen toetsing verrichten zoals beschreven in mijn antwoord op vragen 2, 3 en 4. Ik zie hierbij geen rol voor de EU. Ik verwijs verder naar de reactie op het rapport van Fair Trials International over dit onderwerp, die ik zoals toegezegd aan uw Kamer zal zenden.2
Nederlandse steun voor bedrijven in nederzettingen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Harry van Bommel , Michiel Servaes (PvdA), Bram van Ojik (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «Kabinet ondergraaft eigen ontmoedigingsbeleid»?1
Het kabinet heeft kennis genomen van dit artikel.
Klopt het dat de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking volgende week maandag (9 december) een bezoek brengt aan het Israëlisch bedrijf Mekorot, dat water uit bezet gebied oppompt en dat naar nederzettingen voert? Zo ja, loopt dat in de pas met het ontmoedigingsbeleid dat dit kabinet nastreeft?
Nee.
Klopt het dat Israëlische bedrijven die gevestigd zijn in of actief zijn in nederzettingen, gebruik mogen maken van de koppelwebsite van de ambassade Tel Aviv, dat zij welkom zijn bij werkgroepen, en aanwezig zijn bij een netwerkreceptie die Nederland in Israël organiseert? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het Nederlands beleid om economische relaties met Israëlische bedrijven die opereren in nederzettingen in bezet gebied te ontmoedigen?
De Nederlandse overheid heeft geen Israëlische bedrijven uit nederzettingen uitgenodigd voor welke component van het Forum dan ook. Dat geldt ook voor de werkgroepen: deelname aan de werkgroepen is op uitnodiging.
Israëlische bedrijven kunnen zich inschrijven voor de koppelwebsite van de ambassade in Tel Aviv. Het is technisch niet haalbaar een filter in te stellen die Israëlische bedrijven gevestigd in nederzettingen uitsluit. De ambassade in Tel Aviv monitort de registraties en checkt de Israëlische bedrijven op vestigingsplaats en zakelijke activiteit m.b.t. de nederzettingen.
Mocht een Nederlands bedrijf zich aanmelden voor een afspraak met een Israëlisch bedrijf met het oog op activiteiten in of ten behoeve van nederzettingen, dan wordt contact opgenomen met dit Nederlandse bedrijf en wordt gewezen op het Nederlandse ontmoedigingsbeleid.
In het geval dat het Nederlandse bedrijf de afspraak toch door wil laten gaan, is de boodschap dat de Nederlandse overheid geen diensten kan leveren aan dit bedrijf. Aangezien de organisatie van een match-making evenement in de context van het forum een dienst is, zal een dergelijk bedrijf dan ook niet aanwezig zijn op het forum of een netwerkreceptie.
Heeft u bij de voorbereidingen van het Nederlands-Israëlische samenwerkingsforum in het contact met Israëlische autoriteiten uw interpretatie van het territoriaal bereik van dit forum geëxpliciteerd en gecommuniceerd dat het bereik zich niet mag en zal uitstrekken tot de bezette Palestijnse gebieden? Zo ja, hoe hebben de Israëlische autoriteiten daarop gereageerd en welke afspraken zijn ter zake gemaakt? Zo neen, waarom heeft u dat niet gedaan?
De Nederlandse ambassade in Tel Aviv heeft de Israëlische overheid ervan op de hoogte gesteld dat het ontmoedigingsbeleid van toepassing is op het samenwerkingsforum. Israël heeft hiervan kennis genomen.
Heeft u de territorialiteit van de op te richten samenwerkingsfora met de Palestijnse autoriteiten besproken? Hebben zij u verzocht ervoor te zorgen dat het territoriaal bereik van het Nederlands-Israëlisch samenwerkingsforum zich niet zal uitstrekken tot bezet Palestijns gebied? Zo ja, hoe heeft u op dit verzoek gereageerd?
De Palestijnse Autoriteit heeft Nederland verzocht het bereik van het Nederlands-Israëlisch samenwerkingsforum te beperken tot de grenzen vastgesteld in 1967.
In reactie hierop heeft Nederland de Palestijnse Autoriteit geïnformeerd over het staande Nederlandse beleid dat de gebieden bezet door Israël na 1967 niet onderdeel worden geacht van het Israëlisch grondgebied. Tevens is het Nederlandse ontmoedigingsbeleid toegelicht en is gemeld dat het ontmoedigingsbeleid ook van toepassing is m.b.t. de samenwerkingsfora.
Op welke wijze heeft u het advies van de Externe Volkenrechtelijke Adviseur van 2012 inzake «intensivering samenwerking Israël» in de opzet van het Nederlands-Israëlisch samenwerkingsforum verdisconteerd?
De manier waarop het Nederlandse ontmoedigingsbeleid wordt toegepast in het kader van het samenwerkingsforum past in het kader geschetst in het advies van de Externe Volkenrechtelijke Adviseur.
Door zowel Nederlandse bedrijven als de relevante Israëlische autoriteiten van tevoren op de hoogte te stellen van de toepasselijkheid van het Nederlandse ontmoedigingsbeleid op het samenwerkingsforum heeft het kabinet duidelijk gemaakt dat het forum geen faciliteiten of voordelen biedt die ten goede komen aan bedrijven of instellingen uit nederzettingen.
Hierbij wordt aangetekend, zoals aangegeven tijdens de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken, dat een volledig waterdicht systeem niet mogelijk is.
Kunt u bevestigen dat de beleidslijn, die ook onder voorgaande kabinetten gold, dat de Nederlandse ambassade in Tel Aviv en andere overheidsinstellingen het doen van zaken van en met bedrijven in nederzettingen op geen enkel wijze faciliteren, in het kader van het Nederlands-Israëlisch samenwerkingsforum consequent zal worden uitgevoerd?
Ja.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden, uiterlijk 24 uur voor het vertrek van de kabinetsdelegatie naar Israël en de Palestijnse Gebieden?
Ja.
Uiteindelijke-belanghebbendenregisters in relatie tot de herziening van de derde anti-witwasrichtlijn |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de discussies in de Raad over invoering van uiteindelijke-belanghebbendenregisters, teneinde witwassen tegen te gaan en belastingontduiking te voorkomen?
Ja.
Heeft u in dit kader ook kennisgenomen van de plannen van de Britse regering om een uiteindelijke-belanghebbendenregister in te voeren in het Verenigd Koninkrijk?1
Ja.
Welke positie neemt Nederland in over uiteindelijke-belanghebbendenregisters in de Raad?
Het onderwerp «informatie over uiteindelijk belanghebbenden» is een van de onderwerpen die worden besproken in het kader van het voorstel voor een vierde witwasrichtlijn. De positie die door Nederland wordt ingenomen in de Raad, onder meer op dit onderwerp, is te vinden in het BNC-fiche waar u naar verwijst in uw vijfde vraag (Kamerstukken II 2012/13, 22 112, nr. 1578). In dat fiche staat, zoals u terecht opmerkt, dat Nederland het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie op dit punt, te weten dat alle rechtspersonen in de EU zelf informatie over hun uiteindelijk belanghebbenden (UBO informatie) moeten bijhouden en dat die informatie beschikbaar moet zijn voor – kort gezegd – Wwft instellingen, niet wenselijk vindt. Nederland ziet meer in een centraal aandeelhoudersregister.
Bent u het ermee eens dat zo´n register publiek toegankelijk moet zijn teneinde zijn doel volledig te bereiken? Bent u bereid hiervoor op Europees niveau te pleiten? Zo nee, waarom niet?
Als gezegd ziet Nederland, waar het gaat om UBO informatie, meer in een centraal aandeelhoudersregister. Over de plannen aangaande, onder meer, de toegankelijkheid van een centraal aandeelhoudersregister is de Kamer bij brief van 19 december 2012 geïnformeerd (Kamerstukken II, 2012/13, 32 608, nr. 4). De minister van Veiligheid en Justitie heeft mede namens de minister van Economische zaken en mijzelf geschreven dat het centraal aandeelhoudersregister niet openbaar toegankelijk zal zijn maar slechts voor bepaalde, geautoriseerde, overheidsdiensten in het kader van controle, toezicht en handhaving. Ook schreven wij dat het notariaat toegang krijgt omdat daarmee de tijdrovende recherchewerkzaamheden die de notaris in het kader van een aandelenoverdracht moet verrichten in belangrijke mate kunnen worden gereduceerd en dat de aandeelhouder uiteraard zelf inzage zal hebben in informatie die over hem is opgenomen. Met de afweging dat het register alleen toegankelijk zal zijn voor geautoriseerde partijen, wordt tegemoet gekomen aan het belang dat de privacy van natuurlijke personen zo goed mogelijk dient te worden beschermd. Dit standpunt over toegankelijkheid van UBO informatie draagt Nederland ook op Europees niveau uit.
Herinnert u zich dat in het BNC-fiche staat dat Nederland vooralsnog meer ziet in een centraal aandeelhoudersregister?2. Kunt u aangeven op welke punten het centraal aandeelhoudersregister, zoals dat in Nederland ingevoerd wordt, verschilt van een uiteindelijke-belanghebbendenregister?
Wat de materiële invulling van een UBO-register zou kunnen zijn, is op dit moment niet duidelijk en is onderwerp van discussie in de Raad. Over de contouren van het centraal aandeelhoudersregister is uw Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstukken II, 2012/13, 32 608, nrs. 4 en 5). Naast de doelstelling van het centraal aandeelhoudersregister is toegelicht dat het register wordt gebouwd als onderdeel van het Handelsregister. Het Handelsregister bevat immers al informatie over bestuurders en enig aandeelhouders. Met de instelling van het centraal aandeelhoudersregister wordt beschikbare informatie over de betrokkenheid van natuurlijke personen bij ondernemingen als aandeelhouder in besloten vennootschappen of niet-beursgenoteerde vennootschappen op een belangrijk onderdeel uitgebreid. Deze uitbreiding biedt ten opzichte van de bestaande situatie nog beter inzicht in de betrokkenheid van natuurlijke personen bij rechtspersonen.
De financiële fragmentatie van het bankenlandschap in Europa |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «You break it, you own it»?1
Ja.
In hoeverre klopt het bericht dat de Duitse toezichthouder Nederlandse banken verbiedt om «Duitse» deposito’s te gebruiken ter financiering van «Nederlandse» leningen?
Ik ben niet bekend met een algeheel verbod voor Nederlandse banken van de Duitse toezichthouder om Duitse deposito’s te gebruiken voor het uitzetten van leningen in Nederland. Binnen de afspraken van het Europese kapitaaleisenraamwerk CRD-IV (bestaande uit een verordening en een richtlijn) is een verbod ook niet mogelijk. Wel kunnen nationale toezichthouders uit hoofde van de kapitaaleisenverordening beperkingen stellen aan de (grensoverschrijdende) overdracht van liquiditeit binnen bankengroepen, inclusief het stellen van beperkingen aan de overheveling van via deposito's aangetrokken financiering.
De gebeurtenissen tijdens de financiële crisis en de toenemende aandacht voor de afwikkelbaarheid van banken hebben in heel Europa tot een scherpere blik op de risico's van grensoverschrijdende liquiditeitsverhoudingen binnen bankengroepen geleid. Hierdoor zijn in Europa binnen de kaders van CRD-IV door diverse toezichthouders nieuwe of aanvullende eisen gesteld aan dochters en bijkantoren van grensoverschrijdende banken. Dit heeft in verschillende gevallen geleid tot beperkingen aan de overdracht van liquiditeit tussen groepsentiteiten in verschillende landen. Ook Nederlandse banken met dochters en/of bijkantoren in andere EU-lidstaten hebben hier mee te maken.
Zijn er in Europa meer toezichthouders die zich op een dergelijke wijze opstellen en zijn hier algemene voorschriften voor? Zo ja, welke? Hoe beziet u deze ontwikkelingen, ook in het licht van de gang naar een Europese bankenunie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u er voorstander van dat banken hun kredieten (activa) in het ene land tot op zekere hoogte met deposito’s (passiva) uit andere landen kunnen financieren? Zo ja, wat wilt u doen om dit te bevorderen en om beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal, zoals opgelegd door de Duitse toezichthouder, zoveel mogelijk tegen te gaan?
Ik onderschrijf het belang van het waarborgen van een gepast evenwicht tussen de vrije overdracht van liquiditeit tussen groepsentiteiten uit verschillende (EU-)landen en het adequaat kunnen adresseren van de risico’s die met deze overdrachten gepaard kunnen gaan. Dit is ook één van de doelstellingen van de bankenunie. Mij is overigens niet bekend dat de Duitse toezichthouder eisen zou stellen die niet in lijn zijn met de afspraken uit CRD IV.
Kunt u een overzicht geven van de verhoudingen tussen binnenlandse kredieten en leningen (de loan-to-depositratio) in Duitsland, België, Frankrijk, Spanje, Italië, Nederland en de Eurozone als geheel en de rentes die banken in die landen rekenen aan niet-financiële bedrijven op leningen tot 1 miljoen euro?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de loan-to-deposit ratio’s en gemiddelde rentes op leningen aan niet-financiële bedrijven in Duitsland, België, Frankrijk, Spanje, Italië, Nederland en de eurozone.2
135,2
4,49
126,5
2,88
183,0
3,61
166,3
5,08
81,2
2,22
101,4
2,99
140,4
3,83
Bron: DNB en ECB
DNB, Overzicht Financiële Stabiliteit voorjaar 2013, cijferreeksen, grafiek 13.
ECB, Statistical Data Warehouse.
Kunnen de beperkingen om buitenlandse deposito’s te gebruiken voor kredietverlening in Nederland een negatief effect hebben op de rentes die Nederlandse banken aan Nederlandse bedrijven en consumenten vragen, temeer daar Nederland te maken heeft met een funding gap? Kunt u een inschatting geven van dit mogelijke negatieve effect?
Een negatief effect van dergelijke beperkingen, op de hoogte van de rente op nieuwe leningen aan niet-financiële bedrijven in Nederland kan niet worden uitgesloten. Het is niet goed mogelijk om een inschatting te maken van de omvang hiervan. Wel is het aannemelijk dat de hoogte van deze rente, die overigens onder het eurozone gemiddelde ligt, in sterke mate samenhangt met het huidige economische klimaat in Nederland en daarmee samenhangend het toegenomen kredietrisico, en de sterke afhankelijkheid van Nederlandse banken van marktfinanciering. Dit laatste leidt tot hogere herfinancieringkosten en -risico’s voor leningen met een lange looptijd, waaronder leningen aan het midden- en kleinbedrijf.
Kan de eis van toezichthouders om deposito’s in het eigen land te houden ook leiden tot overkreditering in dat land? Zijn hier in Europa voorbeelden van?
Of een dergelijke eis tot meer (en/of goedkopere) kredietverlening leidt is eveneens zeer moeilijk in te schatten. Dit zou afhankelijk zijn van verschillende factoren, waaronder de economische situatie en daarmee samenhangend het kredietrisico in een land. Op dit moment is als gevolg van de conjuncturele ontwikkeling in vrijwel de gehele eurozone een terugloop van de (groei van de) kredietverlening zichtbaar. Bovendien zijn er in de eurozone, op België na, geen landen waar de hoogte van de deposito’s boven die van de uitstaande leningen uitkomt. In al deze landen is voor het verlenen van krediet dus ook marktfinanciering nodig.
Zal de Nederlandse regering zich ervoor inzetten om de financiële fragmentatie van het Europese bankenlandschap, waarbij deposito’s in het ene land van de nationale toezichthouder niet langer mogen worden ingezet voor kredietverlening in een ander land, tegen te gaan? Bent u bereid om dit probleem bij uw Europese collega’s aan te kaarten? Welke stappen wilt u in dit kader nemen?
Voor het functioneren van de monetaire unie is het essentieel dat het vrij verkeer van kapitaal wordt gewaarborgd. Het is zaak dat financiële fragmentatie, zoals deze in verschillende verschijningsvormen sinds de eurocrisis zichtbaar is geworden, ook wordt teruggedrongen. Nieuwe verplichtingen die voortvloeien uit het Europese kapitaaleisenraamwerk CRDIV ten aanzien van Colleges of Supervisors dragen bij aan tegengaan van financiële fragmentatie, omdat de betreffende nationale toezichthouders hierbinnen het toezicht op grensoverschrijdende banken in de EU moeten coördineren. Ook liquiditeitsvraagstukken kunnen hierbij aan bod komen.
Daarnaast wordt op dit moment gewerkt aan de oprichting van een bankenunie, wat ook zal bijdragen aan het tegengaan van financiële fragmentatie. Met de komst van het Europese toezichtmechanisme, dat in november 2014 gepland staat in werking te treden, is het aannemelijk dat de beslissing ten aanzien van het opleggen van liquiditeitseisen op geconsolideerd en individueel niveau verder geharmoniseerd zal worden binnen de eurozone. In den brede is de verwachting dat de ECB, in haar nieuwe rol als toezichthouder op grote en grensoverschrijdende Europese banken, meer nadruk zal willen leggen op uniformiteit bij het toepassen van het kapitaaleisenraamwerk. Deze ontwikkeling ondersteun ik van harte. Ook wordt dit jaar een Asset Quality Review uitgevoerd die onder meer moet resulteren in een verbetering van het algemene financieringsklimaat in Europa, waarvan ook Nederlandse banken zullen kunnen profiteren door goedkopere marktfinanciering en lagere herfinancieringsrisico’s.
Het nakomen van afspraken over compensatiemaatregelen inzake gasopslag Bergermeer |
|
Michel Rog (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Politiek ongerust over beloftes Taqa»?1
Ja.
Wilt u de Kamer informeren over de voortgang van de compensatiemaatregelen zoals neergelegd in de brief van 18 mei 2010 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (Kamerstuk 28 982, nr. 120), na het toestaan van een gasopslag in de Bergermeerpolder voor het bedrijf Taqa?
In de bedoelde brief van mijn ambtsvoorganger werd de term «compensatie-maatregelen» gebruikt in verband met de gehanteerde veiligheidscontour van de gasopslag. Het hanteren van deze veiligheidscontour kon als gevolg hebben dat er minder bedrijven gevestigd konden worden op het bedrijventerrein Boekelermeer met navenante effecten op de werkgelegenheid. Om deze nadelige consequenties van de veiligheidscontour zoveel mogelijk te beperken en bovendien een impuls te geven aan de economische ontwikkeling van de regio bevatte de brief een aantal afspraken. De stand van zaken is als volgt.
Samen met lokale en provinciale bestuurders, kennisinstellingen en het bedrijfsleven heb ik gewerkt aan de vormgeving van een «Energieregio» in Noord-Holland Noord. De regie daarover werd gevoerd door een gezamenlijke Stuurgroep. Deze Stuurgroep heeft gekozen voor een tweetal inhoudelijke speerpunten voor deze energieregio, te weten biomassavergassing en wind offshore. Na twee jaar intensieve bestuurlijke samenwerking is de verdere ontwikkeling van de energieregio nu overgedragen aan de Noord-Hollandse Energy Board en aan Energy Valley.
In september 2012 heeft een consortium bij het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) Gas een projectvoorstel ingediend voor de bouw van een biomassavergasser in Alkmaar. Hiervoor heeft EZ toentertijd € 10 miljoen gereserveerd. Het projectvoorstel wordt momenteel aangepast en daarna weer inhoudelijk beoordeeld. Ook de bijdrage moet dan opnieuw bekeken worden. Daarnaast is voor dit thema een zogeheten «Innovatiepark» (een bedrijvenpark voor innovatieve bedrijvigheid) in ontwikkeling met TAQA als trekker.
Activiteiten van de regio op het gebied van wind offshore zijn geconcentreerd in het Energieonderzoek Centrum Nederland, de testlocatie in de Wieringer-meer en de haven van Den Helder. In Den Helder is het Kenniscentrum Wind op Zee gesticht als onderdeel van de Maritime Campus Netherlands (MCN). MCN verzorgt opleidingen en trainingen voor het benodigde personeel in de offshore-industrie.
Het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) heeft actief deelgenomen aan de genoemde werkzaamheden. De regio Noord-Holland Noord is, zoals toegezegd, opgenomen in de acquisitie van het NFIA.
Om het effect van bovengenoemde impulsen te vergroten is toegezegd te werken aan het organiseren van een internationale energieconferentie. De Stuurgroep heeft besloten deze conferentie te koppelen aan het thema biomassavergassing en zo mogelijk aan een lopende activiteit. Als uitwerking daarvan zal Energy Valley optreden als medeorganisator van de tweejaarlijkse conferentie van de European Biogas Association. Vanuit de Green Deal Groen Gas is aan het organiseren van deze conferentie € 10.000 toegezegd. Deze conferentie zal eind september 2014 in de regio Noord-Holland Noord plaatsvinden.
Dit project moet leiden tot de bouw van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Het is sinds 16 december 2013 ondergebracht in een nieuwe onafhankelijke organisatie: de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor. Nu de Stichting een feit is kan de Pallas-projectorganisatie, die tot op heden was ondergebracht bij de NRG, starten met haar werkzaamheden voor de eerste fase. Deze fase, bestaande uit een Europese aanbesteding, het vastleggen van een reactorontwerp en het verkrijgen van de nodige vergunningen, neemt naar verwachting circa vier jaar in beslag. De volgende fase: de bouw en exploitatie van de Pallas-reactor, moet daarna volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd.
Deze afslag is van groot belang voor de ontsluiting, en daarmee de ontwikkeling, van het bedrijventerrein Boekelermeer. Eind 2012 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu toestemming verleend voor de aanleg van de bedoelde afslag. Deze is nu onderdeel van de discussie over de verdere gebiedsontwikkeling.
Kunt u toelichten wat de stand van zaken is ten aanzien van het convenant inzake schade aanlegfase en aardbevingen, en of er gebruik van wordt gemaakt?
De convenanten «overlast en bouwschade» en «bodembeweging zijn reeds enige tijd geleden gesloten tussen TAQA en de gemeenten waarin het project wordt gerealiseerd. Ze bevatten regels voor behandeling van schadekwesties in het kader van de aanleg van locatie en bodembeweging. Het ministerie van Economische zaken is geen partij bij deze convenanten. De convenanten zijn terug te vinden op de website van TAQA (www.gasopslagbergermeer.nl ); hierop worden ook de kwartaalrapportages gepubliceerd van klachten, vragen en eventuele schade.
Kunt u de stand van zaken geven met betrekking tot deze toezeggingen om een internationale energieconferentie in Alkmaar te houden, om de afrit van de A9 bij Heiloo versneld uit te voeren en om samen met het NFIA (Netherlands Foreign Investment Agency) een actieprogramma op te stellen om de sterke punten van de energieclusterregio Alkmaar op de kaart te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Taqa aan de afspraak te houden die het gemaakt heeft om haar hoofdkantoor in Alkmaar te huisvesten en om samen met de gemeente Alkmaar een ontwikkelingsbedrijf op te richten en daar 1fte voor beschikbaar te maken?
De in Nederland gevestigde dochterondernemingen van TAQA zullen krachtens de betrokken overeenkomst haar hoofdkantoor vestigen in de regio Alkmaar binnen twee jaar na oplevering van Gasopslag Bergermeer, voorzien in het voorjaar van 2015. Het zwaartepunt van de activiteiten van TAQA in Nederland ligt in de (energie)regio Alkmaar.
Dit is voor TAQA aanleiding het Nederlandse hoofdkantoor te vestigen in deze regio. Er is geen reden te veronderstellen dat TAQA op dit besluit terug zal komen.
TAQA werkt actief aan de ontwikkeling van de energieregio in het algemeen en het Energy Innovation Park op bedrijventerrein Boekelermeer in het bijzonder. Een medewerker is fulltime speciaal belast met de werving van bedrijven voor het Energy Innovation Park en voor de ontwikkeling van het biomassavergassings-cluster in Alkmaar. TAQA spant zich samen met Alkmaar, andere overheden en bedrijven in om (innovatieve) energie gerelateerde bedrijvigheid naar het bedrijventerrein Boekelermeer te trekken. Als eerste bedrijf is het bedrijf Technobis naar het Energy Innovation Park gehaald. Dit bedrijf brengt hoogwaardige werkgelegenheid naar de regio.
Deelt u de mening dat er vaart gemaakt moet worden bij het realiseren van de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van het Rijksinpassingsplan gasopslag Bergermeer? Zo nee, waarom niet?
Zoals blijkt uit mijn antwoorden op de vragen 2 en 4 ben ik van mening dat goede voortgang wordt gemaakt met het realiseren van de gemaakte afspraken.
Het uitbreiden in oppervlakte van bestaande Natura 2000-gebieden |
|
Helma Lodders (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u toelichten wie of welk orgaan verantwoordelijk is voor het uitbreiden van de aangewezen Natura 2000-gebieden Engbertsdijkvenen, Willinks Weust en Lopikerwaard en kunt u tevens aangeven of diegene bevoegd is om dat te doen?
De Habitatrichtlijn verplicht landen gebieden aan te melden voor plaatsing op de communautaire lijst. Het gaat om gebieden die van communautair belang zijn voor de beschermingsopgave van de richtlijn. De Europese Commissie bepaalt het communautaire belang van de op de nationale lijst geplaatste gebieden. Op basis van in de Habitatrichtlijn genoemde criteria stelt de Commissie, met instemming van elk van de lidstaten, een ontwerplijst van gebieden van communautair belang op en stelt deze vast overeenkomstig de daarvoor geldende beheerscomitéprocedure. Voor de Atlantische Zone, waar Nederland deel van uitmaakt, is de lijst door de Commissie op 7 december 2004 vastgesteld. Binnen zes jaar nadat een gebied van communautair belang is verklaard, moet het door de betrokken lidstaat volgens de procedure van nationaal recht worden aangewezen (op grond van de Habitatrichtlijn). Aan de selectie en aanwijzing van Vogelrichtlijngebieden gaat – anders dan bij de speciale beschermingszones van de Habitatrichtlijn – geen formeel besluit van de Europese Commissie vooraf. De meeste Vogelrichtlijngebieden zijn reeds in 2000 of eerder aangewezen. De begrenzing van deze gebieden ligt daarmee vast en is sindsdien beperkt aangepast. Indien aangepast betrof dit veelal het gelijktrekken van de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied met die van het Habitatrichtlijngebied.
Het is inmiddels vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de Raad van State1 dat bij de selectie, aanwijzing en afbakening van Natura 2000-gebieden uitsluitend ecologische criteria een rol kunnen spelen. De Europese richtlijnen bepalen verder dat rekening moet worden gehouden met actuele wetenschappelijke inzichten2. Dit betekent dat op basis van actuele inzichten de definitieve begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden wordt vastgesteld bij de aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied.
De bevoegdheid van het vaststellen van de aanwijzingsbesluiten ligt bij de bewindspersoon van Economische Zaken (Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet), Art. 10a lid 1). Indien het beheer over een Natura 2000-gebied of een gedeelte daarvan berust bij een van de andere ministers, dan neemt de bewindspersoon van Economische Zaken een besluit in overeenstemming met die andere minister (Nbwet 1998, art. 10, lid 2).
Bij het aanwijzen van de Natura 2000-gebieden is afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat een aanwijzing wordt voorbereid middels een inspraakprocedure op het ontwerpbesluit en vervolgens eventueel een beroepsprocedure op het (definitieve) aanwijzingsbesluit. In deze procedure kunnen belanghebbenden gemotiveerd aangeven op welke onderdelen het betreffende besluit zou moeten worden aangepast. Dit kan zowel de begrenzing (en daarmee oppervlakte) als de instandhoudingsdoelstellingen betreffen. Deze inspraakprocedure, maar ook de processen in het kader van het beheerplan en de Programmatische Aanpak Stikstof, heeft geleid tot voortschrijdende kennis. Deze kennis heeft in een groot deel van de gebieden geleid tot (beperkte) aanpassingen van de begrenzing. Hierbij is zowel een vergroting als een verkleining van het oppervlakte aan de orde.
Zo is het habitatrichtlijngebied Engbertsdijksvenen ten opzichte van de aanmelding verkleind, de oppervlakte van Willinks Weust en Uiterwaarden Lek (Lopikerwaard) is ten opzichte van de aanmelding uitgebreid. In vrijwel alle gebieden is er sprake van enige uitbreiding of verkleining van de begrenzing en daarmee oppervlakte. Nog niet alle gebieden zijn definitief vastgesteld, ook is de beroepsprocedure voor een aantal gebieden nog niet afgerond. Voor dit moment is de stand dat voor 39 habitatrichtlijngebieden de begrenzing/oppervlakte verkleind is en voor 49 habitatrichtlijngebieden deze vergroot is.
Bij de selectie, aanwijzing en afbakening van Natura 2000-gebieden mogen de effecten op de regionale economie niet worden meegenomen. Wel wordt met het zogenaamd strategisch lokaliseren bepaald voor welke gebieden het beste een behouds- of uitbreidingsdoelstelling geformuleerd kan worden. Daarbij is de opgave voor het realiseren van de landelijke gunstige staat van instandhouding leidend. In het beheerplan kan bij de uitwerking van de doelen en maatregelen wel rekening worden gehouden met de regionale economie. Bij dit beheerplanproces worden ondernemers en omwonenden betrokkenen.
Kunt u aangeven of het uitbreiden in oppervlakte van deze Natura 2000-gebieden gebeurt volgens de wettelijke regels en op welk moment de Kamer hier een bevoegdheid in heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten welke oorzaken eraan ten grondslag kunnen liggen dat Natura 2000-gebieden worden uitgebreid?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of het bekend is welke effecten het uitbreiden van Natura 2000-gebieden voor de lokale economie heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Bij welke Natura 2000-gebieden vinden naast Engbertsdijkvenen, Willinks Weust en Lopikerwaard ook uitbreidingen plaats en kunt u ten aanzien van deze Natura 2000-gebieden aangeven welk orgaan daar verantwoordelijk is geweest, of het uitbreiden van deze gebieden conform wettelijke regels heeft plaatsgevonden, welke oorzaken ten grondslag hebben gelegen aan deze uitbreiding en welke effecten deze uitbreiding op de lokale economie rondom deze gebieden heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat een school in Zwolle is gesloten vanwege de vondst van asbest |
|
Henk Leenders (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «school Zwolle dicht om asbest»?1
Ja.
Is er op enig moment iemand van de leerlingen of het personeel in contact gekomen met asbestvezels?
Nee. Op donderdag 28 november werd een standaard asbestinventarisatie gepresenteerd die de school had laten uitvoeren. Uit het onderzoek kwam naar voren dat er nader onderzoek was vereist naar de mogelijke aanwezigheid van asbest. De directie besloot daarom uit voorzorg alle leerlingen en personeelsleden naar huis te sturen. In het kader van nader onderzoek zijn uitgebreid lucht- en kleefmonsters genomen. Vrijdagmiddag 29 november bleek dat deze schoon waren. Er is geen gezondheidsrisico geweest voor leerlingen of het personeel. De aanwezige asbest zit alleen in afgesloten ruimten en heeft de lucht in het gebouw niet verontreinigd.
Welk percentage van de scholen heeft inmiddels een inventarisatie gedaan?
In mijn brief van 4 december jl. (Kamerstuk II 25 834, nr.81) geef ik aan dat we nu van 87% van de schoolgebouwen van voor 1994 weten of er op asbest is geïnventariseerd. Van deze schoolgebouwen is 64% geïnventariseerd op asbest.
Deelt u de mening dat dit bericht aantoont dat scholen allemaal zo snel mogelijk een asbestinventarisatie moeten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u hen daartoe aanzetten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van 4 december jl. (Kamerstuk II 25 834, nr.81)
De betaalbaarheid van kankermedicijnen |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht dat kankermedicijnen onbetaalbaar dreigen te worden?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, ik heb het artikel van de oncologen en de patiëntenbeweging met veel interesse gelezen. Ik vindt dat kankerzorg/geneesmiddelen in principe voor iedereen beschikbaar moet(en) zijn en dat de medische vooruitgang ook toegankelijk moet zijn voor mensen met een smalle beurs. Voor hele dure behandelingen die wij zelf niet kunnen betalen hebben wij daarom de ziektekostenverzekering die wij met zijn allen betalen. Maar het is duidelijk dat wij naast toegankelijkheid ook moeten kijken naar de betaalbaarheid. Daarom heb ik de oncologen en de patiëntenorganisatie uitgenodigd om verder te praten hoe dit complexe vraagstuk in goede banen kan worden geleid.
Wat is uw reactie op het feit dat in het afgelopen half jaar zes nieuwe middelen op de markt kwamen, en er nog honderden in de pijplijn zitten? Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat deze middelen niet door te hoge prijzen het beschikbare budget te zwaar zullen belasten? Is het enige instrument dat u daarvoor wil inzetten de geheime prijsonderhandeling met de fabrikant? Welke andere middelen zouden mogelijk zijn? Waarom kiest u niet voor deze instrumenten?
Het is verheugend en hoopgevend dat er nieuwe behandelmogelijkheden beschikbaar komen voor artsen en patiënten. Het is van groot belang dat nieuwe effectieve geneesmiddelen toegankelijk worden gemaakt voor patiënten. Om dit ook voor langere termijn mogelijk te maken en te financieren vanuit collectieve middelen is het zaak dat de nieuwe behandelingen niet met bovenmatig hoge kosten gepaard gaan en op een effectieve en doelmatige wijze in de praktijk worden toegepast. Prijzen dienen dus niet onredelijke hoog te zijn, ook in relatie tot de relatieve toegevoegde waarde van de middelen, en de middelen moeten worden toegepast bij patiënten die daar echt baat bij hebben en erop zijn aangewezen. Ik zie hier een gedeelde verantwoordelijkheid voor behandelaren, farmaceutische bedrijven en, waar noodzakelijk, de overheid.
Het in goede banen leiden van de toestroom van nieuwe geneesmiddelen en de opname daarvan in het pakket, vraagt dus zowel aandacht voor de prijsstelling als voor het gepast gebruik. Om de nieuwe geneesmiddelen betaalbaar en toegankelijk te houden zet ik daarom in op een mix van waarborgen en maatregelen gericht op de prijzen dan wel het gepast gebruik van de geneesmiddelen, waaraan zowel overheid als partijen zelf invulling geven:
Vooralsnog wil ik inzetten op het verder ondersteunen, versterken en ruimte bieden aan voorgaande mix van maatregelen en waarborgen. Op dit moment zie ik geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Wat is uw reactie op het verzoek van veel artsen om een prijsplafond in te stellen? Wat is uw reactie op het voorstel om een Europees prijsplafond in te stellen? Hoe lang zou het duren voordat een Europees prijsplafond is gerealiseerd en toegepast zou kunnen worden in de praktijk?
Voorop staat dat ik de betrokkenheid van de oncologen bij dit vraagstuk zeer waardeer. Bij het beteugelen van de uitgaven spelen niet alleen de prijzen van geneesmiddelen een rol maar ook de afgezette aantallen (de volumes). Met het inzetten van het instrument van prijsarrangementen kunnen afspraken over de prijzen (al dan niet gerelateerd aan de volumes) worden gemaakt en kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het bijhouden van registraties. Met dit instrument kan maatwerk worden geleverd en kan tegenwicht worden geboden daar waar veldpartijen en zorgverzekeraars onvoldoende «countervailing power» hebben om lagere prijzen uit te onderhandelen dan de bruto-lijstprijzen van de fabrikant. Het instellen van nieuwe, generieke prijsplafonds of budgetten is hiervoor mijn inziens geen alternatief. Te meer daar er geen twee kankers gelijk zijn en er steeds meer sprake is van «personalized medicine (s)» die zich per definitie minder goed lenen voor een generieke aanpak.
Artsen moeten in staat worden gesteld om op basis van de medische behoefte een goede keuze te maken voor de individuele patiënt. Met een nog betere zorginhoudelijke toepassing van oncologische geneesmiddelen dan nu al plaatsvindt en het gebruik maken van de opgedane ervaringen met de inzet van deze geneesmiddelen (aan de hand van registraties), kan zowel gezondheidswinst worden geboekt als winst op het gebied van de kwaliteit van het leven van de patiënt. Een optimale inzet van deze geneesmiddelen zal behulpzaam zijn bij het beteugelen van de uitgaven daarvoor tot maatschappelijk aanvaardbare proporties.
Als met Europees prijsplafond wordt bedoeld om een Europese prijsbeleid in te voeren voor kankergeneesmiddelen, merk ik op dat de meeste Lidstaten op dit moment geen afstand willen doen van hun bevoegdheden op het gebied van de prijsvorming en vergoeding van geneesmiddelen in hun sociale stelsels. Ik kan daarom geen reële inschatting maken ten aanzien van de vraag hoe lang het zou duren voordat een Europees prijsniveau is gerealiseerd en toegepast zou kunnen worden in de praktijk. Nederland zoekt wel de samenwerking en zal zo mogelijk samenwerken met landen die hiertoe wel bereid zijn (meestal kleine landen).
Wat is uw mening over de wijze waarop het Britse National Institute for Health and Clinical Excellence (NICE) in het Verenigd Koninkrijk de hoogte van de vergoeding bepaalt? Waarom denkt u dat uw systeem van geheime prijsonderhandeling tot betere resultaten leidt wat betreft de prijsstelling en de kosteneffectiviteit?
In het Verenigd Koninkrijk (VK) wordt de hoogte van de vergoeding van een interventie onder meer vastgesteld met behulp van het criterium «kosteneffectiviteit» (kosten per QALY) Indien de kosteneffectiviteit boven een zeker niveau uitkomt is de betreffende leverancier in de gelegenheid om een vertrouwelijke kostenverlaging aan te bieden die zij vervolgens verplicht dienen door te berekenen aan lokale of regionale zorgaanbieders of zorginkopers.
De benadering die ik op dit moment voor geneesmiddelen voorzie in Nederland wijkt mijn inziens niet sterk af van die in het VK. Ook hier kan een door het CVZ vastgestelde evident ongunstige kosteneffectiviteit aanleiding geven voor een prijsarrangement bij het pakketbesluit. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de casus Pompe en Fabry, waarbij de kosteneffectiviteit en het macrokostenbeslag van de betreffende middelen aanleiding vormden om een kostenreductie met de leveranciers overeen te komen. In het VK vormt overigens uitsluitend de kosteneffectiviteit van een geneesmiddel aanleiding voor een arrangement. Het feitelijke macro kostenbeslag van een individueel product speelt in het VK geen rol bij de overweging om een arrangement aan te gaan. In Nederland ben ik voornemens om juist ook het absolute macrokostenbeslag te betrekken bij de overweging om een arrangement aan te gaan. Behalve de casus bij Pompe en Fabry noem ik als voorbeeld het prijs-volume arrangement bij de antistollingsmedicatie (NOACs). Volgens het CVZ was de kosteneffectiviteit van deze geneesmidden relatief gunstig maar ging vergoeding van de middelen mogelijk gepaard met een kostenbeslag van meer dan € 150 mln. per jaar.
Overigens hanteer ik geen expliciete criteria ten aanzien van kosteneffectiviteit en het absolute kostenbeslag van een geneesmiddel bij mijn overweging om een prijsarrangement te betrekken bij een pakketbesluit. Ik vind het van belang om individuele gevallen op hun merites te beoordelen en verlaat me daarbij ook op de adviezen van het CVZ.
Ik heb geen zicht op de resultaten van de wijze waarop NICE in het VK de hoogte van de vergoeding bepaalt. Doordat, zoals gezegd, de door leveranciers toegezegde kortingen in het VK niet openbaar zijn, heb ik geen inzicht in de hoogte van die kortingen die de leveranciers in het VK aan NICE hebben toegezegd, of in de kosteneffectiviteitsniveaus die daardoor uiteindelijk zijn bereikt. Zoals ik u reeds eerder heb laten weten onderzoekt het CVZ momenteel op mijn verzoek of (en zo ja, in hoeverre) in Nederland bij het beheren van het basispakket gebruik kan worden gemaakt van de wijze waarop NICE het criterium kosteneffectiviteit hanteert. Het CVZ zal hierop ingaan in zijn tweede rapport over kosteneffectiviteit, dat dit najaar wordt verwacht.
Kunt u een overzicht geven van geneesmiddelen die vanwege ingrijpen door NICE in prijs zijn verlaagd?
Zie bijgevoegd overzicht.2
Waarom wordt in Nederland niet gekozen voor een systeem waarbij, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed, eerst wordt bepaald of het middel wel een meerwaarde heeft ten opzichte van al bestaande middelen en daarnaast of het middel een prijs heeft die in verhouding staat tot de resultaten die met het middel worden bereikt?
Wij hebben een dergelijk systeem in Nederland. Nieuwe unieke geneesmiddelen die meerkosten brengen worden door het CVZ getoetst op hun therapeutische (meer)waarde en kosteneffectiviteit in relatie tot bestaande behandelingen. Als er een therapeutische minderwaarde is, wordt het middel niet tot het pakket toegelaten. Indien de kosteneffectiviteit of het macrokostenbeslag uit de pas dreigt te lopen kan dit aanleiding zijn een prijsarrangement te betrekken bij het pakketbesluit of het middel niet op te nemen in het pakket.
Waarom wordt er in Nederland niet voor gekozen een onafhankelijk instituut in te stellen dat geneesmiddelen beoordeelt op meerwaarde ten opzichte van bestaande middelen, en kosteneffectiviteit en vervolgens een maximumvergoeding instelt? Is het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) daartoe in staat? Zou een onafhankelijk instituut als NICE of het Institute for Quality and Efficiency in Healthcare (Iqwig) gegevens kunnen aanleveren wanneer het CvZ onvoldoende is geëquipeerd om de meerwaarde van geneesmiddelen te bepalen? Waarom wordt daar geen gebruik van gemaakt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Het CVZ is als onafhankelijk adviseur prima geëquipeerd voor deze taak.
Welke rol zou aanpassing van de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) met het Noorse systeem en de Noorse berekeningswijze kunnen spelen in het beperken van de prijzen van nieuwe kankermedicijnen? Kunt u, wanneer u geen effect van aanpassing van de Wgp ziet, aangeven waarom? Kunt u uitgebreid beargumenteren waarom geheime prijsafspraken met een fabrikant volgens u meer effect hebben?
Over aanpassing van de Wgp heb ik in het algemeen overleg geneesmiddelenbeleid van 6 juni 2013 al eerder met de Tweede Kamer gediscussieerd aan de hand van mijn brief van 31 mei 2013 met het standpunt over het onderzoek naar de werking en de toekomstbestendigheid van de Wgp. Ik heb daarbij aangeven dat een verlaging van de bruto-prijzen niet noodzakelijkerwijs een besparing op zal leveren omdat de daadwerkelijk uitonderhandelde en in rekening gebrachte prijzen lager zijn dan de op basis van de Wgp vastgestelde maximumprijzen. Dat geldt ook indien een aanpassing van de Wgp plaatsvindt naar Noors voorbeeld. Prijsafspraken of financiële arrangementen met fabrikanten leiden er toe dat de afgesproken prijzen lager zijn dan de door wetgeving vastgestelde maximumprijzen en dat ook afspraken kunnen worden gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het toenemend volume (afzet) van het desbetreffende geneesmiddel. Zoals al eerder is aangeven zijn fabrikanten bereid om dergelijke prijsafspraken te maken op voorwaarde dat de openbare lijstprijs, die opgenomen is in talloze prijsreferentiesystemen, niet wordt verlaagd. Zou dit wel het geval zijn dan worden fabrikanten niet alleen in Nederland met verlies aan inkomsten geconfronteerd maar ook in de landen die Nederland als prijsreferentie gebruiken.
Zo wordt ook voorkomen dat fabrikanten geneesmiddelen door een lagere openbare prijs niet op de Nederlandse markt zullen introduceren of van de Nederlandse markt zullen halen. Deze arrangementen worden op dezelfde voorwaarden door meerdere landen afgesloten. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Regulering van e-sigaretten |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Onderschrijft u de conclusies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in haar recent gepubliceerde factsheet over de e-sigaret? Hoe beoordeelt u de factsheet in het licht van de kritiek hierop van consumentenactiegroep Acvoda?1
Het RIVM heeft de factsheet over de e-sigaret2 opgesteld als onderdeel van een onderzoek naar de veiligheid van de e-sigaret dat de NVWA op mijn verzoek heeft verricht3. Ik heb u op 29 november 2013 per brief geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek4.
De rapportage van het RIVM geeft aan de hand van vragen en antwoorden een overzicht van de wetenschappelijke kennis over de veiligheid van de e-sigaret.
De consumentenactiegroep Acvoda is kort gezegd van mening dat het RIVM het gezondheidsrisico van de e-sigaret had moeten afzetten tegen de mogelijk te behalen gezondheidswinst. Dit maakte echter geen deel uit van de onderzoeksvraag. Omdat de e-sigaret als waar onder de Warenwet wordt aangemerkt is het vooral heel belangrijk dat het product net als andere consumentenproducten veilig gebruikt kan worden. Dat is waar de NVWA en het RIVM naar hebben gekeken.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het toezicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de e-sigaret, gegeven de uit het onderzoek van het RIVM blijkende risico’s, in het licht van artikel 18, lid a van de Warenwet, dat luidt: «…is het verboden: waren te verhandelen waarvan degene die deze waren verhandelt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij bij het gezien hun bestemming te verwachten gebruik bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens ...»?
Naar aanleiding van een uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage5 is in de tweede helft van 2012 besloten om de e-sigaret aan te merken als een waar onder de Warenwet. Daarmee is het toezicht bij de NVWA komen te liggen.
De NVWA heeft daarop samen met het RIVM het reeds genoemde onderzoek naar de veiligheid van de e-sigaret uitgevoerd.
Op dit moment voert de NVWA bij navulverpakkingen van mengsels – e-liquids – met en zonder nicotine op de Nederlandse markt een controle uit op de naleving van de wettelijke voorschriften voor verpakkingen van chemische mengsels. De navulverpakkingen met nicotine behoren te voldoen aan eisen van de CLP-verordening6 (classificatie, etiketteren en verpakken van stoffen en mengsels), wat inhoudt dat deze verpakkingen voorzien moeten zijn van een juiste etikettering en in de meeste gevallen een kinderveilige sluiting. Om de veiligheid van de e-sigaret nog beter te kunnen borgen worden aanvullende eisen aan het product gesteld in de reeds aangekondigde AMvB onder de Warenwet7. Het toezicht op de naleving van deze eisen zal ook door de NVWA worden uitgevoerd.
Hoeveel (partijen van) e-sigaretten, navullingen en smaakstoffen worden jaarlijks door de NVWA gecontroleerd? Welk percentage van deze gecontroleerde producten werd door de NVWA vanwege strijdigheid met voornoemd artikel 18 van de Warenwet de laatste jaren uit de handel gehaald? Bij welk percentage ging het om voornoemde verontreiniging?
De NVWA heeft de afgelopen jaren geen controles uitgevoerd op e-sigaretten, navulverpakkingen en smaakstoffen omdat het product tot halverwege 2012 werd aangemerkt als geneesmiddel. Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven voert de NVWA momenteel een onderzoek uit naar de naleving van de wettelijke eisen die nu al gelden voor navulverpakkingen. De NVWA zal in de toekomst ook toezicht houden op de naleving van de aanvullende eisen in de reeds aangekondigde AMvB onder de Warenwet. De NVWA heeft veel ervaring met het toezicht op zowel de productveiligheidswetgeving als de tabakswet.
Op 19 december jl. heb ik u samen met de Staatssecretaris van EZ een plan van aanpak NVWA gestuurd8, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht op basis van een risicoanalyse.
Hoe moet het toezicht van de NVWA op e-sigaretten worden gezien in het licht van het recent verschenen onderzoeksrapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat de NVWA geen scherp zicht heeft op de naleving van wet- en regelgeving? Kan de Kamer erop vertrouwen dat naleving van wet- en regelgeving wat betreft de e-sigaret voldoende wordt gehandhaafd? Zo nee, welke stappen onderneemt u om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, hoewel het door u voorgestelde meer diepgaande onderzoek zonder meer wenselijk is, het te lang wachten met het passend reguleren van de e-sigaret een risico vormt voor de kwetsbare groep jongeren onder de 18 jaar, alsook de huidige gebruikers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb gemeld in antwoord op Kamervragen van het lid Rebel op 16 en 20 december 20139, ben ik voornemens een minimumleeftijd van 18 jaar in te stellen voor de verkoop van e-sigaretten. Een minimumleeftijd moet bij wet worden vastgesteld. Dit kan niet via een AMvB, omdat een wettelijke basis daarvoor ontbreekt. Om een wettelijke basis te creëren, dient of de Warenwet of de Tabakswet te worden gewijzigd.
Om het stellen van een leeftijdsgrens in de Warenwet mogelijk te maken, moet die leeftijdsgrens uitdrukkelijk in de wet zelf worden vermeld of moet in de wet uitdrukkelijk worden opgenomen dat bij AMvB kan worden bepaald beneden welke leeftijd de verkoop van e-sigaretten kan worden verboden.
Om de e-sigaret onder de Tabakswet te brengen moet ook die wet worden gewijzigd, onder andere op het punt van de definitie van een tabaksproduct. Momenteel laat ik de verschillende opties in kaart brengen.
Deelt u voorts de mening dat snelle invoering van een minimumleeftijd van 18 jaar voor de verkoop van e-sigaretten voornoemd risico verkleint? Zo ja, kunt u dit via de door u aangekondigde Algemene maatregel van bestuur nog voor 1 januari 2014 regelen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet, daarin afwegend de positie van het veld ten aanzien van deze minimumleeftijd (gezondheidsorganisaties, toezichthouder, producenten en consumenten)?
Zie antwoord vraag 5.
De gevolgen van het bestrijdingsmiddel metram-natrium op de volksgezondheid, het milieu en de natuur |
|
Norbert Klein (50PLUS), Henk van Gerven , Esther Ouwehand (PvdD), Dion Graus (PVV), Lutz Jacobi (PvdA), Jesse Klaver (GL), Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Kunt u bevestigen dat metram-natrium, het grondontsmettingsmiddel dat gebruikt wordt bij onder meer de teelt van lelies, in 2010 door de Europese Commissie verboden is?1
Metam-natrium wordt gebruikt als grondontsmettingsmiddel voornamelijk tegen nematodenbesmetting in de teelt van bollen, pootaardappelen en vermeerderingsgewassen.
Ik hecht eraan te melden dat er op dit moment twee wettelijke regelingen zijn, die een toepassing van metam-natrium in Nederland mogelijk maken. De eerste betreft een EU-vrijstelling («essential use»), ten tweede op basis van een Nederlandse vrijstelling conform artikel 38, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Dit licht ik hieronder toe:
In januari 2010 is door de Europese Commissie (EC) besloten om metam-natrium niet op te nemen in de Europese lijst van toegelaten werkzame stoffen (Annex I van de Richtlijn 91/414). De redenen hiervoor waren vooral:
De reden was niet dat er een ernstig vermoeden was dat deze stof kankerverwekkend is bij de mens.
Er werd tegelijkertijd een uitzonderingsclausule, de EU-vrijstelling, opgenomen voor landen die konden aantonen dat het gebruik van de stof onmisbaar was, conform EU-procedure.
Nederland heeft in 2010 deze EU-vrijstelling gekregen, nadat is aangetoond dat het middel in Nederland onmisbaar is voor de teelt van aardappelen, bollen en veel vermeerderingsgewassen vanwege nematodenproblematiek. Metam-natrium mag onder de EU-vrijstelling in Nederland alleen worden toegepast onder strikte wettelijke gebruiksvoorwaarden en na melding bij Dienst Regelingen en de NVWA (toepassing slechts eenmaal in een periode van 5 jaren op hetzelfde perceel; gebruik van grondinjectie-apparatuur, waarbij het middel op tenminste 10 cm diepte moet worden ingebracht; aanrollen van de grond direct na toepassing, en verder mag het middel niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden).
Deze EU vrijstelling loopt uiterlijk 31 december 2014 af.
Overigens is in 2012 op basis van een aangevuld Europees dossier, waarvan de wetenschappelijke onderbouwing met studies is aangevuld, metam-natrium als werkzame stof in Europa opnieuw goedgekeurd door de Europese Commissie en het Standing Committee on the Food Chain and Animal Health, op basis van een EFSA-beoordeling. Deze beoordeling leidt alleen dan tot goedkeuring als de risico’s voor mens, dier en milieu aanvaardbaar zijn, conform het toetsingskader. Dit goedkeuringbesluit kent voorwaarden, zoals een maximaal gebruik van eenmaal per 3 jaar en een maximale dosering van 153 kg/ha werkzame stof of het equivalent, namelijk 300 liter middel per ha. Binnen de risicobeoordeling ten behoeve van een toelating moet door de lidstaat specifiek aandacht worden besteed aan bescherming van omstanders en omwonenden.
Onder deze EU goedkeuring kan een toelatinghouder een aanvraag voor toelating van een middel op basis van metam-natrium indienen bij het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Ctgb (of bij een andere toelatingsautoriteit in een EU lidstaat). Een toelatingsaanvraag zal vervolgens door het Ctgb worden beoordeeld op de risico’s voor mens, dier en milieu. De toelatingen van middelen op basis van metam-natrium in de lidstaten, dus ook in Nederland, zullen tenminste aan Europees gestelde voorwaarden moeten voldoen. Op dit moment is bij het Ctgb nog geen toelating voor een middel op basis van metam-natrium aangevraagd.
Daarnaast verleent Nederland gerichte vrijstellingen op basis van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor een zeer beperkt areaal. Met een artikel 38-vrijstelling mag metam-natrium een keer extra gebruikt worden. Deze vrijstelling kan worden verleend ter bestrijding van het quarantaine-organisme stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) in de bollenteelt. Nederland is gehouden aan de Europese fytosanitaire wetgeving die bepaalt dat verspreiding van het stengelaaltje moet worden voorkomen.
Als er een aantasting met stengelaaltjes binnen 5 jaar na de grondontsmetting met metam-natrium wordt geconstateerd, dan kan het stengelaaltje volgens de gebruiksvoorschriften van de onder a) genoemde EU-vrijstelling niet worden bestreden. Via een nationale artikel 38 vrijstelling kan het middel dan toch worden ingezet. Er mag dan één extra behandeling worden uitgevoerd om de verspreiding van het stengelaaltje te voorkomen en alleen op besmet verklaarde percelen. In 2013 is metam-natrium op 3,5 hectare onder deze artikel 38 vrijstelling toegepast.
Kunt u bevestigen dat dit verbod is ingesteld vanwege de grote gevaren van dit middel voor milieu, flora- en fauna en de volksgezondheid, waaronder het ernstige vermoeden dat het kankerverwekkend is bij de mens?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat blootstelling aan gasvormig Methyl Isothiocyanate (MITC), een afbraakproduct van metam-natrium, onder meer irritatie van de ogen, de huid en de bovenste luchtwegen kan veroorzaken, bestaande astma kan verergeren en acuut bronchospasme, Reactive Airways Dysfunction Syndrome (RADS) en longoedeem kan veroorzaken?2
Deze mogelijke effecten zijn beschreven in een publicatie van het Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid met het oog op mogelijke incidenten met metam-natrium. De EFSA noemt deze effecten niet, maar rapporteert wel over MITC dat het corrosief en sensibiliserend is voor de huid en irriterend voor de luchtwegen. Of deze effecten optreden is afhankelijk van de mate van blootstelling.
Kunt u aangeven hoeveel incidenten met metam-natrium zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan, waarbij mensen onwel en/of ziek zijn geworden door het gebruik van metam-natrium in hun leefomgeving en kunt u hierbij ook aangeven wat de mate en de aard van de blootstelling van omwonenden aan metam-natrium is geweest? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen meldingsplicht voor incidenten met gewasbeschermingsmiddelen. Het Nederlands Vergiftigingen Informatie Centrum kan geconsulteerd worden door artsen (huisartsen, medisch specialisten in ziekenhuizen, GGD-artsen, bedrijfsartsen e.a.). Het NIVC houdt deze vragen bij.
Over metam-natrium is het NIVC vanaf 2005 zes maal geconsulteerd en het betrof de volgende meldingen:
2005:
Volwassene. Huidblootstelling aan Monam, 1 dag later bezoek aan arts in verband met zich uitbreidende chemische brandwonden.
2005:
Volwassene. Huidblootstelling aan Monam, brandwonden op buik na morsen van Monam op overall, overall niet direct uitgetrokken.
2006:
Volwassene. Huidblootstelling aan Metam-natrium, product over zijn schoenen gekregen, is daarna doorgelopen. 's Avonds pas voeten gewassen en 1 dag later blaren op voeten.
2008:
Schapen. Grond behandeld met Monam, weiland ingezaaid. Schapen zijn vrij vlug hierna op het land gezet, overlijden van schapen.
2009:
Volwassene. Inname van Metam-natrium, geen verdere gegevens over beloop.
2011:
Verontruste bewoner. Meerdere mensen wonen naast een bollenkweker die 1 week geleden zijn land heeft behandeld met Monam; de grond is deels afgedekt. Na 1 week ruikt de bewoner de gassen nog. Hij heeft irritatieklachten van de bovenste luchtwegen gehad (branderige neus, mond, tong en bovenste luchtwegen); gevoel van branderige tong houdt nog aan.
Bij de NVWA zijn daarnaast in 2013 twee incidenten gemeld met betrekking tot metam-natrium. Deze incidenten zijn door de NVWA onderzocht (Oudemirdum en Dwingeloo). Hierbij is gekeken of het wettelijk gebruiksvoorschrift is overtreden en of zorgvuldigheidseisen voldoende in acht zijn genomen. Bij deze inspecties zijn door de NVWA geen overtredingen bij het gebruik geconstateerd.
Kunt u bevestigen dat al in het Nederlandse Meerjarenplan Gewasbeschermingsmiddelen van 1991 metam-natrium werd aangewezen als een te saneren middel, en dat dit inhield dat deze stof zo snel mogelijk, maar in ieder geval in 2000, verboden zou worden?3
De taakstelling van het Meerjarenplan Gewasbescherming betrof de reductie van het verbruik van grondontsmettingsmiddelen in de periode 1990–2000 met 80% (ten opzichte van de periode 1984–1988).
Door kennisontwikkeling, verspreiding van kennis en het instellen van de Regulering Grondontsmettingsmiddelen in 1993 is de taakstelling met een reductie van 86% ruimschoots gehaald. Door de genoemde Regulering Grondontsmettingsmiddelen mocht een perceel uiteindelijk maximaal één maal per 5 jaar worden ontsmet met een grondontsmettingsmiddel op basis van dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium (de «natte» grondontsmettingsmiddelen). Op dit moment zijn alleen nog middelen op basis van metam-natrium toegelaten.
Sanering van metam-natrium was aan de orde vanwege overschrijding van de concentratie van 0,1 ug/l in grondwater volgens het CTB-rekenmodel indertijd. De sanering is uitgevoerd door implementatie van de Regulering Grondontsmettingsmiddelen, dat betekent dat door de verplichte lagere toepassingsfrequentie geen normoverschrijding in het grondwater meer optreedt.
Kunt u verklaren waarom deze stof in Nederland toch nooit is verboden en waarom er op het Europese verbod al sinds 2010 jaarlijks een tijdelijke vrijstelling wordt ontleend voor dit middel?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) negatief heeft geadviseerd over de ontheffingen op het verbod van metam-natrium, omdat de normen voor uitspoeling, vogels, zoogdieren, niet doelwit arthropoden en wormen aanzienlijk worden overschreden en kunt u uitleggen waarom u dit advies niet heeft opgevolgd en toch (opnieuw) de vrijstelling heeft verleend?4
De vrijstelling voor een extra toepassing van metam-natrium is nodig voor de bestrijding van een quarantaine-organisme, namelijk het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci). (Zie ook antwoord op vraag 12).
Bij vrijstellingen op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van de EU Verordening 1107/2009, wordt het Ctgb om advies gevraagd over de risico’s van het gebruik van de stof bij de aangevraagde toepassing. Daarnaast wordt de NVWA om advies gevraagd omtrent de vraag, zoals de wet voorschrijft, of er sprake is van een landbouwkundige noodzaak. In de afweging om een ontheffing voor maximaal 120 dagen te verlenen, dienen beide adviezen gewogen te worden.
Het Ctgb heeft in juli jongstleden inderdaad een negatief advies aan het Ministerie van Economische Zaken uitgebracht over een artikel 38-vrijstellingsaanvraag van Monam Cleanstart (metam-natrium) voor het gebruik als grondontsmettingsmiddel vaker dan eenmaal per 5 jaar. Dit negatieve advies is uitgebracht vanwege de risico’s voor uitspoeling naar het grondwater en de risico’s voor vogels, zoogdieren, niet- doelwit arthropoden en regenwormen conform huidig toetsingskader.
Gelet op het grote belang van het middel voor de betrokken bedrijven en de uitroeingsverplichting is besloten het vrijstellingsverzoek in te willigen, daarbij is meegewogen dat er slechts op een zeer beperkt areaal wordt vrijgesteld. In de vrijstelling zijn extra gebruiksvoorschriften ingesteld om het risico verder te verminderen. In 2013 is op 3,5 hectare metam-natrium onder de vrijstelling toegepast, conform de EU-wetgeving en slechts op besmet verklaarde percelen.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks circa 5.000 hectare landbouwgrond wordt ontsmet met metam-natrium, waarvan circa 2.700 hectare bloembollen? Zo nee, wat zijn dan de juiste cijfers?
Ja, hierbij de gegevens van de jaren 2008–2012 over de met metam-natrium ontsmette arealen conform de «essential use»:
Jaar
Totaal (ha)
Bloembollen (ha)
2008
5.637
2.845
2009
5.487
2.614
2010
4.650
2.693
2011
5.642
3.203
2012
5.603
3.306
Kunt u de gevolgen daarvan voor mens, dier en milieu beschrijven?
Het Ctgb maakt een risico-inschatting van de effecten van een middel op mens, dier en milieu voor het aangevraagde gebruik. Bij gebruik, conform gebruiksvoorschrift, van metam-natrium van hoogstens eenmaal per vijf jaar blijven de risico’s voor mens, dier en milieu binnen de hiervoor wettelijk gestelde kaders. Bij gebruik vaker dan eenmaal per 5 jaar, bestaat een verhoogd risico voor uitspoeling naar het grondwater en een verhoogd risico voor vogels, zoogdieren, niet-doelwit arthropoden en regenwormen.
Kunt u bevestigen dat metam-natrium op meerdere locaties in Nederland het Maximale Toelaatbare Risico (MTR) overschrijdt, waarbij op een aantal locaties deze norm zelfs vijf keer wordt overschreden?5
Uit de bestrijdingsmiddelenatlas op het internet6 blijkt dat waterschappen voor metam-natrium geen analyses uitvoeren in oppervlaktewater. Hier liggen technische oorzaken aan ten grondslag. Metam-natrium is namelijk dermate vluchtig en snel afbreekbaar dat het vrijwel niet aantoonbaar is in oppervlaktewater. Het door metam-natrium gegenereerde MITC (de werkzame stof) is in de periode 2009–2011 variërend van 6 tot 36 locaties teruggevonden in het oppervlaktewater. Bij alle overschrijdingen lagen de gevonden concentraties onder de MTR7 waarden.
Kunt u bevestigen dat een tijdelijke vrijstelling op basis van artikel 38 van de wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden alleen in noodsituaties mag worden verleend?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat wanneer er sprake is van een jarenlange gedoogsituatie van een middel dat in Europees verband is verboden, er geen sprake meer kan zijn van een noodsituatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen waarom deze vrijstelling dan toch is verleend?
Zie ook de beantwoording van van vraag 1 waarbij wordt ingegaan op de reguliere toelating van metam-natrium op basis van de EU-vrijstelling «essential use» en de NL-vrijstelling op basis van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Overigens is in 2012, op basis van een aangevuld Europees dossier, waarvan de wetenschappelijke onderbouwing met studies is aangevuld, metam-natrium als werkzame stof in Europa opnieuw goedgekeurd door de Europese Commissie en het Standing Committee on the Food Chain and Animal Health, op basis van een EFSA-beoordeling.
De artikel 38 vrijstelling betreft een bijzondere noodsituatie, waarbij metam-natrium wordt gebruikt voor het voorkomen van verspreiding van een EU-quarantaineorganisme: het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci). Metam-natrium mag alleen worden gebruikt op met dit aaltje besmetverklaarde percelen. Verspreiding van dit aaltje dient vanwege EU fytosanitaire wetgeving te worden voorkomen (Richtlijn 2000/29/EG van de Raad, Bijlage II, Deel A, Rubriek II, a-4). Bloembollen mogen alleen in de handel worden gebracht als ze vrij zijn van dit aaltje. Door de NVWA wordt op besmette percelen een teeltverbod van 6 tot 10 jaar opgelegd voor waardplanten van stengelaaltjes. Door bestrijdingsmaatregelen (zoals grondontsmetting) kan de besmetting eerder worden opgeruimd en is de teelt van bloembollen weer mogelijk.
Kunt u bevestigen dat er werkbare alternatieven zijn voor de bestrijding van stengelaaltjes, zoals inundatie en het afdekken van het land met folie voor een periode van zes weken?
Inundatie (het onder water zetten van een perceel) is goed werkzaam tegen aaltjes, maar deze maatregel is niet op alle grondsoorten en in alle situaties toepasbaar (vanwege de helling van het perceel, beschikbaarheid van water en diepte van het grondwater). De maatregel van afdekken met folie in combinatie met inwerken van organisch materiaal biedt nog onvoldoende zekerheid over een afdoende werking tegen stengelaaltjes (rapport PPO-AGV, Lelystad, Molendijk et. al, 2008: «Studie naar perspectieven van biologische grondontsmetting»). Ook groenbemesters die tegelijkertijd nematoden aantrekken en «wegvangen» uit het gewas is een alternatief dat wordt onderzocht en in de toekomst (gedeeltelijk) kan worden ingezet tegen sommige van de nematoden.
Onderzoek wijst tot op heden uit dat er onvoldoende alternatieven beschikbaar zijn om de gewassen voldoende tegen nematoden te beschermen, met name ook tegen quarantaine-organismen.
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft gekregen in respectievelijk 2010, 2011, 2012 en 2013 van telers, die gebruik willen maken van metam-natrium en kunt u tevens aangeven hoeveel vrijstellingen er zijn verleend aan telers, die binnen vijf jaar na een grondontsmetting het middel wederom wilden gebruiken?
jaar
Areaal totaal ontsmet met metam-natrium (ha)
Areaal vrijstelling art 38 Wgb (ha)
2010
4.650
16,1
2011
5.642
9,2
2012
5.603
9,4
2013
Nog niet geïnventariseerd
3,5
Kunt u bevestigen dat op dit moment de laatste afgegeven tijdelijke vrijstelling is verlopen per 31 oktober 2013?6 Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, de 120 dagen vrijstelling voor de toepassing van metam-natrium conform artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is per 31 oktober 2013 verlopen.
Wilt u toezeggen geen nieuwe vrijstelling meer te verlenen voor het gebruik van metam-natrium?
Ik heb begrip voor de zorgen van omwonenden in verband met mogelijke blootstelling aan metam-natrium. In het kader van het advies van de Gezondheidsraad inzake omwonenden zal het kabinet uw Kamer zeer binnenkort in zijn algemeenheid over gewasbeschermingsmiddelen en blootstelling aan omwonenden informeren. Ik erken ook dat de sector veel belang heeft bij de huidige vrijstelling onder de genoemde strenge voorwaarden, omdat er geen afdoende alternatieven voorhanden zijn om nematoden te bestrijden in de pootaardappelen, bollen en in vermeerderingsgewassen. Intrekking van de vrijstellingen zal er toe leiden dat in deze teelten schade zal worden opgelopen, ook ten aanzien van export van deze gewassen naar derde landen. Dit overwegende zeg ik toe om specifiek voor het gebruik van metam-natrium afspraken te maken om blootstelling van omwonenden te beperken. Ik zal op korte termijn over de mogelijkheden van het verder reguleren van de blootstelling van metam-natrium aan omwonenden in overleg treden met LTO en de relevante partij in de gewasbeschermingsmiddelenindustrie. Bij de beperking van blootstelling van omwonenden denk ik bijvoorbeeld aan een extra teeltvrije zone en het verplicht stellen van blootstellingsreducerende maatregelen. Ik zal uw Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Euthanasie bij kinderen |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Euthanasie voor alle leeftijden»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat België de leeftijdsgrens voor euthanasie wil loslaten?
Nederland, België en Luxemburg zijn de enige landen waar euthanasie door middel van nationale wetgeving is toegestaan. Deze wetgeving is na uitvoerig beraad en zorgvuldige afweging tot stand gekomen. Niettemin kunnen er ontwikkelingen zijn waardoor een wijziging in deze wetgeving wenselijk of noodzakelijk is. Het is aan landen zelf om hier afwegingen in te maken.
De leeftijdsgrens in België voor het inwilligen van een verzoek om euthanasie lag tot nu toe hoger dan in Nederland. In Nederland is deze grens 12 jaar, waarbij er wel aanvullende waarborgen zijn. Als een patiënt tussen de 12 en 16 jaar is, dient hij ten tijde van het verzoek in staat te zijn om zijn of haar belangen ter zake te beoordelen. Bovendien moeten de ouder, ouders of voogd zich met de levensbeëindiging kunnen verenigen. Als de patiënt tussen de 16 en 18 jaar is, moeten de ouder, ouders of voogd bij de besluitvorming worden betrokken. In de nieuwe Belgische wetgeving zijn nog enkele voorwaarden gesteld die de Nederlandse wetgeving niet kent, onder meer dat het verzoek schriftelijk moet zijn vastgelegd. In de Belgische praktijk kan het loslaten van de grens van handelingsbekwaamheid tot gevolg hebben dat een handelingsbekwaam kind van 11 jaar een verzoek om euthanasie doet en dit ingewilligd krijgt. In Nederland is dit niet mogelijk. In Nederland zijn sinds 2002 vijf meldingen getoetst van euthanasie bij minderjarigen. Hierbij was één melding van euthanasie bij een kind jonger dan 16 jaar. Uiteraard zal ik in nauw contact met het Belgische Ministerie deze ontwikkelingen blijven volgen.
Welk verschil blijft er in de praktijk over tussen de aanstaande nieuwe Belgische wetgeving en de huidige Nederlandse wetgeving? Klopt het dat, doordat de grens «handelingsbekwaam» niet wordt losgelaten, in België de facto dezelfde wetgeving ontstaat zoals deze in Nederland al bestaat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat In een gerelateerde tv-uitzending van Nieuwsuur (d.d. 28 november 2013) werd gesteld dat er in Nederland een «gat» zit tussen wat we geregeld hebben voor pasgeborenen en voor kinderen vanaf 12 jaar? Hoe beoordeelt u dat? Bent u van mening dat er sprake is van een groep kinderen, te weten van 1 tot 12 jaar, waarvoor in Nederland tot op heden niets is geregeld?
Op verschillende manieren kunnen deze groep kinderen en de betrokken ouders en artsen steun en advies ontvangen bij behandelingen en behandelbeslissingen rondom het levenseinde. Zo kunnen kinderartsen terecht bij consultatieteams of functionarissen palliatieve zorg. Ook zijn er verschillende handelingsmogelijkheden, waaronder vormen van palliatieve zorg zoals palliatieve sedatie. Op die manier kan het lijden van deze jonge patiënten verlicht worden aan het einde van hun leven. Niettemin hebben onderzoekers recent aanbevolen dat de beroepsgroep een steun- en adviespunt of expertisecommissie in moet richten specifiek voor vragen op het gebied van levenseindezorg bij kinderen.2 Ik steun het instellen hiervan.
Kunt u, indien mogelijk, aangeven hoeveel kinderen tussen 1 en 12 jaar, of hun ouders namens deze kinderen, in Nederland jaarlijks geen euthanasieverzoek kunnen indienen, terwijl er wel sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden van deze kinderen? Klopt het geschatte aantal in de genoemde uitzending van 10 kinderen?
Er worden geen gegevens bijgehouden van niet ingediende verzoeken. Hierover zijn mij dan ook geen aantallen bekend.
Vindt u het een probleem dat er in Nederland geen wetgeving bestaat die euthanasie mogelijk maakt voor kinderen tussen de 1 en 12 jaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kan en wilt u hier aan doen?
Goede levenseindezorg voor ongeneeslijk zieke kinderen acht ik van zeer groot belang. Daarom zal ik in gesprek gaan met de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde om te bezien welke behoefte er is aan verdere ondersteuning van betrokkenen in dergelijke situaties en in hoeverre de huidige regelgeving op dit punt belemmerend werkt. Het is een complex vraagstuk, dat grote zorgvuldigheid behoeft.
De berichten ‘Dode door brand in windmolen in Ooltgensplaat’ en ‘Tweede dode bij brand windmolen Ooltgensplaat’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is de reden voor het ontbreken van calamiteitenplannen specifiek geënt op windturbines en waarvan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond aangeeft dat deze niet aanwezig zijn? Voor welke veiligheidsregio(»s) geldt dit nog meer?
De brandweer van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond heeft generieke instructies en procedures voor brandbestrijding en hulpverlening, waaronder voor brand in hoge gebouwen. Voor speciale objecten zijn er specifieke inzetprocedures en aanvalsplannen. Bijvoorbeeld voor hoge gebouwen zoals flats of kantoortorens waar veel mensen aanwezig zijn of indien er bij een incident een groot effect voor de omgeving te verwachten is.
Voor windturbines zijn er geen specifieke inzetprocedures. Brandweerfunctionarissen maken bij de brandbestrijding en hulpverlening bij alle windmolens gebruik van de bovengenoemde generieke procedures en van de kennis en ervaring verkregen bij opleiding, training en oefening.
Naast deze mogelijkheden van de basisbrandweerzorg kan gebruik gemaakt worden van de hoogtereddingsteams van de brandweer (zie antwoord 4 en 5). Gezien de lage frequentie van incidenten met windmolens wordt dit toereikend geacht. Of er redenen zijn om te kunnen beschikken over aanvullende middelen of procedures, specifiek voor windturbines, zal mogelijk blijken uit het brandonderzoek van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond naar de windmolenbrand in Ooltgensplaat.
Het opstellen van instructies, inzetprocedures en aanvalsplannen is een verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s. Er worden hiervan geen landelijke overzichten bijgehouden.
Tot welke hoogte gelden de door de brandweer toegepaste algemene instructies en middelen voor het werken op grote hoogte en is er verschil tussen de veiligheidsregio’s voor wat betreft deze instructies? Kunt u een overzicht uitgesplitst per veiligheidsregio geven?
Instructies voor de hulpverlening en brandbestrijding op hoogte, waaronder veiligheidsinstructies, gelden in principe voor iedere hoogte.
Voor brandbestrijding en hulpverlening op hoogten boven 20 meter worden in gebouwen waar (veel) mensen verblijven in het vergunningsproces extra voorzieningen geëist (bijvoorbeeld een droge blusleiding, een sprinkler, een extra vluchtweg). Dit betreft overigens andere typen objecten dan windmolens, die een bouwwerk niet zijnde een gebouw zijn. Een windmolen is een niet voor publiek toegankelijk object; er verblijven geen mensen maar incidenteel enkel (onderhouds)personeel. Het personeel dient conform de Arbowet aan eisen te voldoen. (zie antwoord 6). Met autoladders en hoogwerkers kan de brandweer een hoogte van ongeveer 25 meter bereiken voor redding en blussing via de buitenzijde.
Instructies en middelen behoren tot de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s. Er worden hiervan geen landelijke overzichten bijgehouden.
Hoeveel windturbines in Nederland vallen buiten de in hierboven genoemde instructies?
Zie antwoord vraag 1.
In welke plaatsen zijn specialistische teams aanwezig en hoe snel kunnen deze bij windturbinecalamiteiten aanwezig zijn? Kunt u daarbij de minimale en maximale aanrijtijd vermelden voor de meest ver gelegen windturbines?
Er zijn specialistische brandweerteams voor redding op hoogte aanwezig in Utrecht, Terneuzen, Rotterdam en Eindhoven. Deze teams worden ingezet om mensen op hoogte (en diepte) te redden. De teams zijn niet gericht op het blussen van branden.
De maximale opkomsttijd bedraagt 1 uur. Team Utrecht verzorgt per helikopter van de Dienst Luchtvaartpolitie, Noord Nederland en het uiterste Zuiden.
De hoogtereddingsteams kunnen van windturbines van iedere hoogte mensen veilig naar beneden te brengen. Het uitgangspunt bij incidenten in windturbines blijft echter dat daarvoor getrainde monteurs zichzelf in veiligheid brengen met hun persoonlijke veiligheidsuitrusting.
Kunnen alle vier specialistische teams de hoogte bereiken van de bestaande en geplande windturbines? Zo nee, van welke turbines niet en kunt u hier ook overzicht van gegeven?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze is een en ander geregeld voor windturbines op zee? In hoeverre wordt er bij de afgifte van een omgevingsvergunning voor windturbines op zee rekening gehouden met de hoogte waarop een turbinebrand kan plaatsvinden? Zijn er in de veiligheidsregio’s calamiteitenplannen beschikbaar waarin rekening wordt gehouden met brand op (grote) hoogte in windturbines op zee en het redden van eventueel aanwezige mensen? Zo nee, waarom niet?
Voor het bouwen van een windturbinepark op de Noordzee verleent Rijkswaterstaat een Watervergunning. In de voorschriften van deze vergunning ligt vast, dat voor de te plaatsen windturbines een certificaat moet zijn uitgegeven. Brandveiligheidseisen maken onderdeel uit van deze certificering. Daarnaast is in de aanvraag voor de vergunning een onderhoudsplan en een calamiteitenplan opgenomen. Rijkswaterstaat beoordeelt deze plannen bij vergunningverlening. Bij vergunningverlening wordt niet specifiek rekening gehouden met de hoogte waarop een brand kan plaatsvinden.
Krachtens de Arbowet gelden voor werkzaamheden op of aan windturbines dezelfde eisen voor windmolens op land als op zee. De sector windenergie verplicht onderhoudspersoneel voor werkzaamheden aan installaties op windturbineparken op land en op zee een BHV-opleiding, een Redding op hoogte certificaat en een VCA-certificaat te hebben. Onderhoudspersoneel van windturbines is getraind om bij calamiteiten af te dalen via de buitenkant of in de windturbine. Op zee worden bij brand de aanwezige blusmiddelen in de windturbine en de blusser in de stand-by-boot gebruikt. Indien na een calamiteit zo spoedig mogelijk vervoer naar een ziekenhuis nodig is, wordt de Kustwacht ingeschakeld om het transport te verzorgen. De veiligheidsregio’s hebben geen rol bij calamiteiten bij windturbines op zee, omdat het grondgebied waar ze staan niet gemeentelijk is ingedeeld.
Visiedocument kwaliteit gastouderopvang |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Visiedocument kwaliteit gastouderopvang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het visiedocument kwaliteit gastouderopvang van de brancheorganisatie kinderopvang?
Ik verwelkom het initiatief van de branche om de professionaliteit en de kwaliteit van de gastouderopvang, als onderdeel van formele kinderopvang, te verhogen. Met dit visiedocument geeft zij invulling aan de eigen verantwoordelijkheid op dit punt.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gastouderopvang niet aan dezelfde kwaliteitseisen hoeft te voldoen als kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang (BSO)?
Eén van de belangrijkste verschillen in kwaliteitseisen heeft betrekking op het opleidingsniveau. De opleidingseisen voor gastouders (Helpende Zorg en Welzijn 2) zijn vrij recent in 2010 ingevoerd. Meer dan 40.000 gastouders hebben na invoering van de opleidingseisen een diploma of een EVC certificaat behaald. Bij gastouderopvang gaat het om kleinschalige opvang waar maximaal 6 kinderen tegelijkertijd opgevangen kunnen worden. Gemiddeld vangen gastouders 2 kinderen op. Gezien deze kleinschaligheid is destijds gekozen voor lagere opleidingseisen voor gastouders.
Hoe kijkt u aan tegen het verschil in kwaliteit tussen kinderdagverblijven/BSO en gastouderopvang in relatie tot de ambitie van dit kabinet om de gehele branche een kwaliteitsimpuls te geven?
Anders dan bij kinderdagverblijven/BSO is het uitgangspunt bij de kwaliteitseisen voor de gastouderopvang, de kleinschaligheid. Deze kleinschaligheid is voor ouders doorgaans een reden om voor gastouderopvang te kiezen.
Om de kwaliteit in algemene zin een impuls te geven, ontwikkel ik in nauwe samenspraak met het Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) een subsidieregeling op basis waarvan medewerkers in de kinderopvang trainingen kunnen volgen teneinde de taal- en interactievaardigheden te versterken. Deze kwaliteitsimpuls richt zich ook op gastouders. Bij de gastouderopvang is op voorstel van BKK gekozen voor een «train the trainer» constructie. Dit om zoveel mogelijk gastouders te bereiken. De bedoeling van een dergelijke constructie is om bemiddelingsmedewerkers op te leiden en de tijdens de training verworven kennis en vaardigheden binnen de eigen werksituatie over te laten dragen op gastouders.
Deelt u de ambitie die uit het document spreekt dat professionele gastouders in de toekomst ook gewoon aan de eisen moeten voldoen die aan de gehele branche worden gesteld zoals dezelfde eisen ten aanzien van de Nederlandse taal, pedagogische kennis en interactievaardigheden?
De eisen die aan gastouders worden gesteld, dienen te worden bezien in de context van de kenmerken van de gastouderopvang. Wel vind ik het belangrijk dat ook gastouders gebruik kunnen maken van de subsidieregeling «versterking taal- en interactievaardigheden». Voor een toelichting op deze subsidieregeling verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van mening dat de gastouderopvang een kwaliteitsimpuls nodig heeft? Zo ja, wat vindt u van het voorstel in het visiedocument om de kwaliteit in de gastouderopvang te verhogen door middel van permanente educatie van de gastouders, een verbeterde rol van de gastouderbureaus en het betrekken van de gastouderopvang in (wetenschappelijke) onderzoeken en kwaliteitsmetingen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de kleinschaligheid van de gastouderopvang is de borging van de geboden kwaliteit in deze sector kwetsbaar. Daarom verwelkom ik het initiatief van de Brancheorganisatie waarin zij aangeeft hoe zij aan de slag wil met de kwaliteit in de gastouderopvang.
De kwaliteit van de buitenschoolse opvang (4–12 jaar) en kinderdagverblijven (0–4 jaar) is respectievelijk in 2012 en 2013 onderzocht. De uitkomsten van deze onderzoeken heb ik u laten toekomen (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 400 XV, nr. 5 en Kamerstukken II, 2012–2013, 31 322, nr. 216) Tevens loopt er momenteel een onderzoek naar de kwaliteit van de peuterspeelzalen. In het verlengde van deze kwaliteitspeilingen bij verschillende opvangvormen, ben ik voornemens ook een onderzoek naar de kwaliteit van de gastouderopvang uit te laten voeren. In aanloop naar deze kwaliteitspeiling zal in 2014 een valide en betrouwbaar meetinstrument worden ontwikkeld waarmee de pedagogische kwaliteit van de gastouderopvang in kaart kan worden gebracht. Daarnaast zullen de belangrijkste kenmerken van de gastouderopvang worden geïnventariseerd en de manier waarop in de gastouderopvang de (pedagogische) kwaliteit wordt geborgd. Aansluitend hierop zal een kwaliteitsmeting in de gastouderopvang worden uitgevoerd.
Bent u bereid de gastouderopvang alsnog mee te nemen en te integreren in de kwaliteitsvisie die Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) momenteel voor de branche ontwikkelt?
De kwaliteitsvisie die BKK momenteel ontwikkelt, is bedoeld voor de kinderopvang in «brede» zin. Dus ook de gastouderopvang behoort hiertoe.
De 21-jarige Nederlander die al bijna drie jaar in een Turkse cel wacht op uitlevering naar Nederland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederlander «vergeten» in Turkse cel»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de 21-jarige Iraaks-Nederlandse Jamal Sahami al bijna drie jaar in een Turkse cel wacht op uitlevering naar Nederland omdat de beslissing tot uitlevering nog steeds in behandeling is bij het Turkse ministerie van Justitie?
Voor de beoordeling van deze zaak is van belang dat het OM aanleiding heeft gezien om de verdachte niet te berechten volgens het jeugdstrafrecht maar, gezien de persoon van de verdachte, de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is begaan, volgens het volwassenenstrafrecht. Het vragen van uitlevering werd dan ook opportuun geacht en bij de Turkse autoriteiten is daartoe een verzoek gedaan. Met de uitleveringsprocedure in Turkije bleek in dit geval echter zodanig veel tijd gemoeid dat de situatie dreigde te ontstaan dat de verdachte zo lang in uitleveringsdetentie zou doorbrengen dat de uiteindelijk door het Nederlandse OM te eisen straf zou worden overschreden. Nederland heeft sinds het indienen van het verzoek geregeld contact gehouden met de Turkse autoriteiten over de voortgang in de uitleveringsprocedure.
Bij het laatste contact is aan Turkije verzocht om, wanneer het uitleveringsverzoek op 1 december 2013 nog steeds in behandeling zou zijn, de uitleveringsprocedure met ingang van die datum te beëindigen. Aldus is geschied en het verzoek is ingetrokken.
Klopt het dat Nederland bij de Turkse autoriteiten om de uitlevering van Jamal Sahami heeft gevraagd? Indien ja, wat was het resultaat van dit verzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat Nederland onlangs heeft besloten om het verzoek om uitlevering in te trekken? Indien ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over het gegeven dat Jamal Sahami minderjarig was op het moment dat hij de overtreding beging, waardoor de eventuele gevangenisstraf in Nederland waarschijnlijk hoogstens zes maanden zou zijn, wat vele malen korter is dan de tijd die hij tot op heden in uitleveringsdetentie zit? Indien is besloten om het verzoek tot uitlevering in te trekken, heeft het voorgaande hier in meegespeeld? Indien ja, kiest het kabinet altijd voor het intrekken van een verzoek om uitlevering wanneer uitleveringsdetentie langer duurt dan eventuele straf in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Verleent de Nederlandse ambassade in Ankara en/of het Nederlands Consulaat-Generaal in Istanbul momenteel consulaire bijstand aan de Iraaks-Nederlandse gevangene? Indien neen, waarom niet?
Het Consulaat-Generaal in Istanbul heeft consulaire bijstand verleend en betrokkene is op 1 december 2013 door de Turkse autoriteiten in vrijheid gesteld nadat het Nederlandse uitleveringsverzoek was ingetrokken.
Klopt het dat u verwacht dat Jamal Sahami spoedig vrij zal komen? Op welke termijn denkt u dat dit zal gebeuren?
Zie antwoord vraag 6.
De toename agressie tegen treinpersoneel |
|
Duco Hoogland (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Agressie tegen treinpersoneel neemt toe»?1
Ja.
Welke actie onderneemt u in overleg met de NS om de toename van agressie tegen te gaan?
NS neemt concrete maatregelen zoals cameratoezicht, inzet van Veiligheid- en Serviceteams, het geven van trainingen aan personeel en de inzet van een dag en nacht bemande Veiligheidscentrale. Ook de overgang naar de OV-chipkaart zal naar verwachting gaan helpen om agressie terug te dringen, aangezien gebleken is dat agressie vaak begint met het constateren door treinpersoneel van het ontbreken van een geldig vervoerbewijs. Een goede samenwerking tussen Veiligheid & Service teams en politie is van wezenlijk belang. Er vindt goede, intensieve samenwerking plaats in en rond het openbaar vervoer tussen de buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) van de openbaar vervoerbedrijven, de gemeenten en de politie. Politie en Openbaar Ministerie dragen zorg voor het adequaat oppakken van de aangiften met een snelle en voortvarende opsporing en vervolging en een daarop aansluitend lik-op-stukbeleid.
IenM is verantwoordelijk voor het opstellen van wetgeving voor sociale veiligheid in het openbaar vervoer. In wetgeving is opgenomen dat er een reisverbod opgelegd kan worden voor personen die ernstige overlast veroorzaken in het openbaar vervoer. Dit kan door vervoerders, waaronder NS, in de praktijk worden toegepast. Daarnaast wordt gewerkt aan het in wetgeving verankeren van een verblijfsverbod voor overlastveroorzakers op treinstations en daarbij behorende voorzieningen.
Welke specifieke maatregelen neemt u samen met NS om de (toegenomen) zware geweldsmisdrijven te voorkomen en effectief aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat passagiers en omstanders betrokken moeten worden bij het tegengaan van geweld tegen personeel? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen?
Ja. In het kader van het programma Veilige Publieke Taak wordt aandacht besteed aan de rol van omstanders. Recent is hierover een literatuuronderzoek verricht en heeft een expertbijeenkomst geleid tot nadere invulling van kansrijke projecten.
Ook is een project gestart om een e-learning module voor omstanders te ontwikkelen, waardoor zij vaker effectief zullen ingrijpen in escalerende situaties. Dit richt zich niet specifiek op reizigers van de NS, maar is algemener van aard.
De NS start dit jaar samen met andere openbaar vervoerbedrijven en de Stichting ideële reclame (Sire) een publiekscampagne over de impact van agressie en geweld op het personeel. Doel is om mensen bewuster te maken van hun gedrag, de rol van personen in een publieke functie te verduidelijken en reizigers en anderen te informeren wat zij kunnen doen indien zij worden geconfronteerd met agressie en geweld, gericht tegen personeel in het openbaar vervoer.
Deelt u de mening dat passagiersnet (burgernet) ingezet moet worden om passagiers actief te betrekken?
Burgernet is niet geschikt voor een dergelijk «passagiersnet», omdat het plaatsgebonden is. Incidentenberichten worden alleen aan de leden verzonden in de betreffende woonplaats. In het openbaar vervoer is sprake van steeds wisselende reizigers met wisselende bestemmingen.
Kunt u iets zeggen over de pakkans van plegers van agressie en geweld tegen treinpersoneel en de hoogte van de opgelegde straffen van de afgelopen twee jaar?
Door de in mijn antwoord op vraag 2 en 3 genoemde maatregelen, wordt de pakkans verhoogd. In de justitiële systemen wordt agressie en geweld tegen NS personeel niet apart geregistreerd, zij vallen in die systemen onder de categorie gekwalificeerde slachtoffers. Voor de hoogte van de opgelegde straffen bij die categorie slachtoffers verwijs ik u naar het onderzoeksrapport «Straftoemeting bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers: een replicatie-studie» waarover ik uw Kamer op 20 november 2012 heb geïnformeerd2.
De zaak De Roy van Zuydewijn |
|
Alexander Pechtold (D66), Ronald van Raak , Bram van Ojik (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «»Ouders en zusters» de Roy van Zuydewijn ook onderzocht»?1
Het document dat bij dit artikel is gepubliceerd, is sedert 15 april 2003 niet langer vertrouwelijk. Op 15 april 2003 verstrekte de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van de Wet openbaarheid van bestuur een afschrift van dit document, tezamen met afschriften van andere documenten, aan de toenmalige advocaat van de heer E. de Roy van Zuydewijn die hierom had verzocht. Kort nadien zijn deze stukken eveneens verstrekt aan de vertegenwoordiger van de actualiteitenrubriek NOVA naar aanleiding van een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Documenten die op basis van de Wet openbaarheid van bestuur worden verstrekt aan een verzoeker worden op basis van jurisprudentie van de Raad van State eveneens verstrekt aan andere verzoekers die op grond van deze wet om dezelfde stukken vragen. Gelet op de door u gestelde vragen zijn alle documenten die op 15 april 2003 zijn verstrekt aan de advocaat van de heer De Roy van Zuydewijn als bijlagen bij deze antwoorden gevoegd2. Deze documenten bevatten voor een belangrijk deel de antwoorden op deze vragen. Tevens worden hierbij nu, anders dan op 15 april 2003, de passages verstrekt die betrekking hebben op prins Bernhard die op 1 december 2004 overleed. Hij was op de hoogte van de relatie van de heer E. de Roy van Zuydewijn met zijn kleindochter. Prins Bernhard werd beveiligd en verkeerde als te beveiligen persoon in de positie DKDB informatie te vragen en van DKDB informatie te ontvangen met betrekking tot veiligheidsrisico’s. DKDB was bevoegd onderzoek te verrichten op basis van de Politiewet en prins Bernhard daarover te informeren op basis van de Circulaire Bewaking en beveiliging. Uit het onderzoek door DKDB naar de heer De Roy van Zuydewijn bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren. Enkele passages die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van nog in leven zijnde personen, vormen geen onderdeel van de bijlagen.
Bent u bekend met het genoemde vertrouwelijke document, het rapport over de rol van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) betreffende de publicaties rondom Hare Hoogheid Prinses Margarita en de heer E.K.W. de Roy van Zuydewijn, opgesteld door het hoofd van de DKDB (HDKDB) op 4 maart 2003?
Ja, zie het antwoord op vraag 1 en de bijlagen 2 en 21.
Wat is er, naast genoemde zaak, aan de orde geweest in het gesprek dat volgens het rapport eind november 2000 heeft plaatsgevonden?
Het betrof een kennismaking tussen prins Bernhard en het plaatsvervangend hoofd DKDB. De bijlagen bevatten geen informatie over andere gespreksonderwerpen dan de genoemde zaak.
Wie waren aanwezig bij het gesprek eind november 2000?
Uit de bijlagen blijkt dat prins Bernhard, het hoofd DKDB en het plaatsvervangend hoofd DKDB aanwezig waren.
Wie heeft opdracht gegeven tot dat gesprek?
Uit de bijlagen blijkt niet of er al dan niet sprake was van een opdracht tot het kennismakingsgesprek en evenmin wie hiervan de eventuele opdrachtgever zou zijn geweest.
Wie waren op de hoogte van dat gesprek?
Uit de bijlagen blijkt dat prins Bernhard, het hoofd DKDB en zijn plaatsvervanger aan het gesprek deelnamen.
Kunt u bevestigen dat tussen «gesprek gehad» en «tijdens dat gesprek kwam aan de orde [...]» Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard genoemd wordt in het weggelakte deel?
Ja, zie bijlage 21.
Wie heeft opdracht gegeven tot het onderzoek uitgevoerd door de DKDB?
Uit de bijlagen 2, 8, 15, 16, 20, 21 en 22 blijkt dat het hoofd DKDB de opdrachtgever was op basis van de wettelijke taak van de dienst. Prins Bernhard verkeerde als te beveiligen persoon in de positie DKDB om informatie te vragen over zijn veiligheid en daarover door DKDB ingelicht te worden. Tevens blijkt uit de bijlagen 15 en 16 dat de Minister van Justitie hierbij niet betrokken was. Dit is bevestigd in de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1, p. 6) en tijdens het debat in de Tweede Kamer op 12 maart 2003 (Handelingen II 2002/3, 48–3213). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Wie waren op de hoogte van het onderzoek uitgevoerd door de DKDB?
Uit de bijlagen 2, 8, 15, 16, 17, 20, 21 en 22 blijkt dat de afdeling Inlichtingen en Operatiën van de DKDB, de instanties die meewerkten aan het onderzoek (GBA, KvK, HKS-register en BVD), het hoofd DKDB, prins Bernhard en de directeur van het Kabinet der Koningin op enigerlei wijze op de hoogte waren. De Minister van Justitie was niet op de hoogte (zie antwoord op vraag 8).
Kunt u bevestigen dat het DKDB-onderzoek zich slechts beperkte tot het genoemde opvragen van persoonsgevens? Zo ja, wat was hier de reden van in relatie tot het in de brief van 10 maart 2004 genoemde reeds uitgevoerde onderzoek door de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (thans Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, AIVD)?
Nee, het onderzoek omvatte ook gegevens over het bedrijf waarvan de heer De Roy van Zuydewijn eigenaar was (bijlage 3/4/5). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Welke bijzonderheden bleken uit het oriënterende informatieonderzoek?
Uit bijlage 2 blijkt dat deze bijzonderheden mede betrekking hadden op onduidelijkheden ten aanzien van adressen van bedrijven en personen. Niet in deze bijlage opgenomen is een passage die betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de heer De Roy van Zuydewijn en zijn voormalige echtgenote. Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Kunt u uitsluiten dat na het DKDB-onderzoek verder onderzoek is gedaan naar de heer De Roy van Zuydewijn? Zo ja, waar blijkt dat uit? Indien u niet kunt uitsluiten dat er verder onderzoek is gedaan naar de heer De Roy van Zuydewijn, aan welke andere instanties dan de DKDB is opdracht gegeven om nader onderzoek te doen? Wat was de inhoud van de onderzoeken, binnen welke juridische kaders zijn deze uitgevoerd en welke resultaten hebben de onderzoeken opgeleverd?
In de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 is bevestigd dat de daarin genoemde onderzoeken zijn beëindigd (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1). Daarna heeft het Openbaar Ministerie enkele malen onderzoek verricht naar de heer De Roy van Zuydewijn. Deze onderzoeken vonden plaats op basis van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht. Over de inhoud van deze onderzoeken heb ik geen informatie.
Welke juridische belemmeringen waren er binnen de taakstelling van de DKDB om nader onderzoek te initiëren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Op welke wijze is door HDKDB terugkoppeling gegeven op de schriftelijke rapportage van de DKDB?
Uit de bijlagen 2, 6, 9, 10, 18 en 19 blijken de algemene en specifieke juridische belemmeringen nader onderzoek te initiëren nadat uit onderzoek was gebleken dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Hoe vaak en naar welke relaties van Principalen is eerder onderzoek gedaan? Wat waren de uitkomsten van die onderzoeken?
Het hoofd DKDB heeft prins Bernhard mondeling omtrent de uitslag geïnformeerd zonder inhoudelijk op het rapport in te gaan (bijlage 22). Deze terugkoppeling aan een te beveiligen persoon over een op basis van de Politiewet verricht onderzoek is in overeenstemming met artikel 7.2.2. van de circulaire Bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten. Later heeft het hoofd DKDB eveneens de directeur van het Kabinet der Koningin over de rapportage geïnformeerd (bijlage 22). De Minister van Justitie is toen niet geïnformeerd (zie antwoord op vraag 8). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Klopt het dat dergelijke onderzoeken geen standaard procedure zijn?
Uit de bijlagen 2, 12, 15 en 17 blijkt dat naast het onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn twee andere, vergelijkbare relaties zijn onderzocht. De bijlagen bevatten geen uitkomst van deze onderzoeken.
Bent u bereid om het genoemde onderzoeksrapport openbaar te maken?
Voor de brief van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1, p. 7) verrichte DKDB onderzoeken naar potentiële verloofden zoals blijkt uit de bijlagen 2, 12, 15 en 17. Na deze brief zijn onderzoeken door de AIVD naar potentiële verloofden standaard procedure.
Hoe verklaart u dat uw ambtsvoorganger in de brief van 10 maart 2013 geen gewag heeft gemaakt van voornoemd rapport?
Nee. Het rapport bevat gegevens met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van de heer De Roy van Zuydewijn, zijn voormalige echtgenote en verschillende andere personen. Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.
Waarom heeft u tot op heden het betreffende rapport niet onder de aandacht gebracht?
Het onderzoek en de uitkomsten hiervan zijn vermeld in de tweede alinea van pagina 6 in de brief van mijn voorganger aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28811, nr. 1).
Is het onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn formeel beëindigd? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de in het artikel genoemde bewijzen van het tegendeel?
Het bestaan van het rapport is bekendgemaakt tijdens de persconferentie van mijn voorganger op 5 maart 2003 en schriftelijk bevestigd in de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003. Nadere informatie over het rapport is op 15 april 2003 verstrekt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van de Wet openbaarheid van bestuur zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Tot in welke graad van leden van het Koninklijk Huis wordt onderzoek gedaan naar relaties wanneer er een vermoeden is van een veiligheidsrisico?
In de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 is bevestigd dat de daarin genoemde onderzoeken zijn beëindigd (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr.1). Daarna heeft het Openbaar Ministerie enkele malen onderzoek verricht naar de heer De Roy van Zuydewijn, zoals nader toegelicht in de antwoorden op de vragen 12 en 13.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting van het ministerie van Algemene Zaken 2014 in de week van 2 december 2013?
De instelling van een veiligheidsonderzoek wordt niet bepaald door een graad van verwantschap van leden van het koninklijk huis of de koninklijke familie maar door het karakter van een relatie die mogelijk toegang geeft tot het staatshoofd, zijn directe omgeving en andere te beveiligen personen.
Het bericht Oostblokker verdringt bouwvakker |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Oostblokker verdringt bouwvakker»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de bouwvak net als vele andere sectoren in ons land niet gebaat is met een tsunami van Roemenen en Bulgaren vanaf 1 januari aanstaande?
Het vrije verkeer van werknemers is, naar de mening van het kabinet, een van de verworvenheden van de Europese Unie. Het kabinet heeft echter ook herhaaldelijk aangegeven niet weg te kijken als het gaat om de negatieve neveneffecten van het vrije werknemersverkeer (zie bijvoorbeeld mijn brief van 13 september 2013, Kamerstukken II, 2012–2013, 29 407, nr. 175). Het is onwenselijk dat verdringing plaatsvindt op de arbeidsmarkt als gevolg van de komst van EU-werknemers naar Nederland. Verdringing kan plaatsvinden als er sprake is van oneerlijke concurrentie door het gebruik van (oneigenlijke) constructies. Dit geldt ook voor de bouwsector. Door met de aanpak van schijnconstructies versterkt in te zetten op de naleving van de in Nederland geldende arbeidsvoorwaarden, kan verdringing van binnenlands arbeidsaanbod worden tegengegaan. In mijn brief van 26 november jl. aan uw Kamer (kenmerk 2013–0000165855) ben ik nader ingegaan op de voortgang van maatregelen die ik neem om schijnconstructies te bestrijden.
Bent u van mening dat het waanzin is om op 1 januari 2014 onze arbeidsmarkt open te stellen voor Roemenen en Bulgaren, terwijl de werkloosheid in Nederland torenhoog is en velen voor het behoud van hun baan vrezen?
In de Toetredingsverdragen met Bulgarije en Roemenië is, net als in eerdere Toetredingsverdragen met andere lidstaten, een overgangsregime van in totaal zeven jaar opgenomen voor het vrij verkeer van werknemers. Gedurende dit overgangsregime, dat eindigt op 1 januari 2014, mogen lidstaten op grond van arbeidsmarktoverwegingen maatregelen treffen om de instroom van werknemers uit Bulgarije en Roemenië te reguleren. Nederland heeft gebruik gemaakt van de maximale overgangsperiode. Dit betekent dat tot 1 januari 2014 een tewerkstellingsvergunning vereist is voor Bulgaarse en Roemeense werknemers. Daarna geldt op grond van de Toetredingsverdragen een volledig vrij verkeer voor Bulgaarse en Roemeense werknemers in alle landen van de Europese Unie. Per die datum zijn geen maatregelen meer toegestaan die de toegang van Bulgaarse en Roemeense werknemers tot de arbeidsmarkt beperken. Wel heb ik bilaterale afspraken met beide landen gemaakt om de handhaving van de Nederlandse arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te bevorderen.
Zo ja, bent u bereid de tewerkstellingsvergunningen per 1 januari 2014 volledig te handhaven voor Roemenen en Bulgaren en u niets aan te trekken van eerdere EU-afspraken terzake? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de Kamer voor dinsdag 3 december 12.00 uur informeren over wat u hebt bereikt op de Eastern Partnership Summit in Litouwen als het gaat om het volledige behoud van tewerkstellingsvergunningen voor Roemenen en Bulgaren?
Het vrije verkeer van werknemers tussen EU-lidstaten stond niet op de agenda van de Oostelijk Partnerschap top.