Het falend onderwijstoezicht op Ibn Ghaldoun |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinspectie faalde bij toezicht op Ibn Ghaldoun»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) dat de onderwijsinspectie pas na de examendiefstal in samenhang naar alle kwesties rond Ibn Ghaldoun is gaan kijken?
In zijn algemeenheid onderschrijf ik de conclusies van de analyse door de inspectie, het essay van de NSOB en van externe validatie door ABD Topconsult. Achteraf bezien is de conclusie dat er voldoende toezicht was, maar dat dit te gefragmenteerd was. Belangrijker is naar mijn mening de conclusie dat het onderzoek van de inspectie van afgelopen zomer wel alle omstandigheden samenhangend in beeld heeft gebracht en dat mede daardoor het toezicht van de inspectie rijker en breder wordt.
Deelt u de opvatting dat bij (zeer) zwakke scholen altijd aandacht zou moeten zijn voor de samenhang tussen verschillende kwesties? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgdragen? Op welke termijn wordt de Kamer hierbij betrokken?
Met ingang van augustus 2014 zal de inspectie op bestuursniveau oordelen, als er sprake is van risico’s het gebied van kwaliteit (bij afdelingen), financiën of bij signalen. Uit die beoordeling kan naar voren komen dat een onderzoek naar het bestuurlijk handelen gewenst is. In het toezicht op het bestuurlijk handelen heeft de inspectie daarnaast oog voor de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Ik voer met de inspectie geregeld overleg over mogelijk risicovolle situaties op scholen, zodat er tijdig kan worden ingegrepen wanneer dat nodig is. De inspectie zal daarbij goed rekening houden met de aansluiting van haar toezicht op mijn interventiemogelijkheden.
Hoe verklaart u het feit dat de onderwijsinspectie, ondanks constateringen en signalen van derden, niet eerder heeft ingegrepen bij Ibn Ghaldoun?
Tot nu toe was er veel, maar fragmentarisch toezicht op Ibn Ghaldoun, waarbij het ontbroken heeft aan samenhang in de toezichtactiviteiten. Daarbij is wel steeds overeenkomstig het toezichtkader en volgens de beslisregels geoordeeld. Door de sterk gestandaardiseerde werkwijze zijn echter belangrijke aspecten, die geen deel uitmaken van de set van normindicatoren, te weinig in de beoordeling betrokken. Hierdoor is onder meer de context waarin Ibn Ghaldoun opereerde en de toezichthistorie onvoldoende meegewogen. Elke nieuwe bestuurder en schoolleider kregen steeds weer het voordeel van de twijfel en het vertrouwen. Signalen zijn door de inspectie wel opgepakt, maar achteraf bezien te laat.
Hoeveel signalen van derden zijn er nodig voor een onderzoek door de inspectie?
Elk signaal wordt door inspectie gewogen qua zwaarte en urgentie. Vooraf is niet aan te geven dat een bepaald aantal signalen van derden een noodzakelijke aanleiding is voor onderzoek door de inspectie.
Welke maatregelen heeft de inspectie getroffen en welke afspraken heeft de inspectie, vanwege de jarenlange constateringen dat er iets mis was op Ibn Ghaldoun, gemaakt om de kwaliteit te verbeteren?
De inspectie werkt continu aan de verbetering van haar toezicht. De ervaringen met Ibn Ghaldoun leiden tot aanpassing in verwerking van signalen en tot het sneller oordelen op bestuursniveau, waarbij rekening wordt gehouden met de toezichthistorie en de specifieke context waarin het bestuur opereert.
Kunt u bovenstaande vragen (en antwoorden hierop) en de analyse van de NSOB betrekken bij het «what if»-scenario dat op verzoek van de Kamer wordt opgesteld inzake Ibn Ghaldoun?
Wat er gebeurd zou zijn als er geen examendiefstal had plaatsgevonden is een vraag die niet met zekerheid is te beantwoorden. Ieder «what if»-scenario heeft een hoog speculatief karakter. Relevant in dit kader is de reeds in gang gezette ontwikkeling van geïntegreerd toezicht en de introductie van toezicht op bestuurlijk handelen. Zoals ook in de externe validering wordt aangegeven is de veronderstelling gerechtvaardigd dat ook zonder examenfraude in de loop van 2013 een inspectieonderzoek naar het bestuurlijk handelen van Ibn Ghaldoun op de agenda zou zijn gekomen.
De hoge kankersterfte in Nederland |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Kankersterfte Nederland hoger dan bij buren»?1
Ik heb met belangstelling kennis genomen van het bericht.
Is er volgens u een relatie met het fenomeen «zorgmijden», waardoor mensen vanwege het hoge eigen risico of de eigen bijdrage niet of te laat naar de arts gaan?
Het onderzoek van de Lancet betreft cijfers over de jaren 2000 tot en met 2007. Gedurende deze periode waren de eigen bijdragen of eigen risico relatief beperkt. Daarnaast kennen veel landen behoorlijke eigen betalingen, daarin is Nederland zeker geen uitzondering.
Is er volgens u een relatie met de discussie over de hoge prijzen voor kankermedicijnen in Nederland?
Ik zie geen verband tussen de prijzen van kankermedicijnen en kankersterfte in Nederland. Indien geneesmiddelen voor vergoeding uit het pakket in aanmerking komen, mogen de kosten van de behandeling voor de behandelaar geen reden zijn om medisch noodzakelijke zorg uit het basispakket te onthouden.
De kosten van nieuwe kankermedicijnen vragen zeker de aandacht. Ik constateer dat ook behandelaren zich zorgen maken over de hoge prijzen van deze middelen. Ik ga met hen daarover in gesprek.
Overigens is het zo dat deze medicijnen niet alleen in Nederland hoge prijzen kennen. Uit internationale uitwisseling blijkt dan ook dat in alle lidstaten overheden aandacht hebben voor de prijs- en kostenontwikkeling van nieuwe kankermedicijnen.
Bent u van mening dat er een maximumvergoeding voor kankermedicijnen moet komen? Zo ja, hoe legt u dat uit aan mensen die hierdoor niet meer behandeld kunnen worden?
Ik hecht eraan om nieuwe effectieve en medisch noodzakelijke kankermedicijnen toegankelijk te maken voor artsen en patiënten, waarbij er ook aandacht moet zijn voor de betaalbaarheid ervan. De basisverzekering is juist bedoeld voor medisch noodzakelijke zorg die niet voor eigen rekening kan komen. Ik denk ook dat de verzekerde toegang tot deze zorg betaalbaar kan blijven mits er naast een redelijke prijsstelling ook sprake is van een gepaste en doelmatige inzet van deze geneesmiddelen. Wat dat laatste betreft ligt er een belangrijke taak bij behandelaren om deze behandelingen op effectieve en doelmatige wijze in te zetten. Wat de prijsstelling betreft voorziet de Wet Geneesmiddelenprijzen (WGP) erin dat de prijs in Nederland niet hoger kan zijn dan de gemiddelde lijstprijzen in onze buurlanden. In gevallen dat een nieuw kankermedicijn ondanks de WGP maximumprijs alsnog een hoog kostenbeslag met zich meebrengt kan ik gebruik maken van een prijsarrangement waarbij rekening kan worden gehouden met het volume, zodat ook bij grotere patiëntenaantallen het kostenbeslag van het betreffende geneesmiddel binnen de perken blijft. Over deze prijsarrangementen ontvangt u zoals eerder toegezegd van mij nog een brief. Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
Gaat u actie ondernemen naar aanleiding van dit onderzoek in The Lancet? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om naar aanleiding van dit onderzoek specifieke actie te ondernemen. Het is aan de betrokken beroepsgroepen en de universitaire medische centra om kennis te nemen van dit onderzoek, het te duiden en daar zo nodig actie op te ondernemen. Ik heb er ook alle vertrouwen in dat de betreffende beroepsgroepen van behandelaren hiertoe het initiatief zullen nemen.
Het advies van de SER van Sint Maarten om de Antilliaanse Gulden in te ruilen voor de US Dollar |
|
André Bosman (VVD), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «SER advises govt to immediately dollarize due to mounting deficit»?1
Ja
Zijn de voornemens van Sint Maarten om inderdaad volledig over te stappen op de US Dollar bij u of het College Financieel Toezicht bekend? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Het betreft een advies van de Sociaal Economische Raad van Sint Maarten aan de regering van dat land. Ik heb kennis genomen van dat advies. Bij mijn weten heeft de regering van Sint Maarten nog niet officieel op dit herhaalde advies gereageerd. Ook nu zijn mij tot zover geen voornemens tot dollarisatie van de regering bekend. Het College financieel toezicht heeft vanuit de wet geen rol op het monetaire terrein.
Is het waar dat er sprake is van een tekort op de lopende rekening van de monetaire unie van Curaçao en Sint Maarten? Hoe groot is dit tekort? Is het waar dat dit tekort veroorzaakt wordt door Curaçao en niet door Sint Maarten?
De openbare statistieken van de CBCS laten inderdaad een tekort zien op de lopende rekening van de betalingsbalans van de monetaire unie. Het tekort bedroeg in 2012 1,4 mrd. NAF. Curaçao had een tekort op de lopende rekening van 1.6 mrd NAF, en Sint Maarten een overschot van 170 mln. NAF. Voor de goede orde merk ik op dat deze cijfers slechts zien op 2012; gegevens voor eerdere jaren zijn beschikbaar via de website van de CBCS (www.centralbank.an ).
Is het waar dat de koppeling tussen de Antilliaanse gulden en de US Dollar onhoudbaar wordt als de huidige trend zich doorzet? Zo ja, welke stappen worden ondernomen om het tekort terug te dringen?
De koppeling tussen de Antilliaanse gulden en de US Dollar is een aangelegenheid van de landen zelf. Dat geldt tevens voor het terugdringen van het betalingsbalanstekort. Om de huidige trend om te buigen en negatieve gevolgen te voorkomen voert de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) een verkrappend monetair beleid in de vorm van een verhoogde kasreserveverplichting voor de banken en een kredietplafond. Verder heeft de CBCS de regeringen van Curaçao en Sint Maarten opgeroepen tot het nemen van economische maatregelen gericht op het versterken van de concurrentiepositie en het verbeteren van het investeringsklimaat, om aldus bij te dragen aan een stabiele macro-economische situatie.
Hoe beoordeelt u het advies van de SER om onmiddellijk maatregelen te nemen om te voorkomen dat negatieve prijseffecten optreden voor consumentengoederen als gevolg van de mogelijke afschaffing van de Antilliaanse gulden? Welke verantwoordelijkheid heeft Nederland in deze?
Van een overgang naar de US Dollar is nu geen sprake. Bij invoering van een nieuwe munteenheid is het goed attent te zijn op mogelijke prijseffecten voor consumentengoederen. In Sint Maarten zouden dergelijke prijseffecten bij invoering van de US dollar waarschijnlijk beperkt zijn, vanwege de grote rol die de US dollar daar nu al speelt in het betalingsverkeer. De verantwoordelijkheid ligt ook in dit geval bij het land Sint Maarten zelf. Nederland is uiteraard bereid de ervaringen van de overstap naar de US Dollar in Caribisch Nederland te delen met Sint Maarten.
De gevolgen van een mogelijke overgang van Sint Maarten naar de US dollar voor de inwoners van de BES-eilanden, waar de dollar al de officiële munteenheid is, zijn naar verwachting beperkt. Het is niet te verwachten dat invoering van de dollar in Sint Maarten leidt tot prijsstijging vanuit Sint Maarten geïmporteerde producten.
In het geval de inwoners van de BES-eilanden nog Antilliaanse guldens in hun bezit hebben, kunnen zij deze na invoering van de dollar als enig wettig betaalmiddel in Sint Maarten niet meer in dat land uitgeven.
Zijn er signalen dat het vertrouwen in de Antilliaanse gulden tanende is? Zo ja, welke?
Er zijn mij geen signalen bekend dat het vertrouwen in de Antilliaanse gulden tanende is.
Overweegt de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten om de Antilliaanse gulden te devalueren? Deelt u de mening van de SER dat devaluatie zeer negatieve sociaal-economische gevolgen zal hebben? Klopt het dat een waardedaling van de Antilliaanse gulden een tweedeling in de samenleving van Sint Maarten zou kunnen veroorzaken?
Het is mij niet bekend dat de CBCS overweegt de Antilliaanse gulden te devalueren. Dit zou ingaan tegen het sinds 1971 gevoerde beleid dat uitgaat van een vaste koppeling van de Nederlands Antilliaanse gulden aan de dollar tegen een koers van $ 1 = Naf 1,79. Een devaluatie zou op Sint Maarten negatieve gevolgen hebben voor diegenen die hun salaris, pensioen of uitkering in Antilliaanse gulden uitgekeerd krijgen. Dit zijn voornamelijk de medewerkers van de overheid en semi-overheid, gepensioneerde ambtenaren en uitkeringsgerechtigden.
Welke gevolgen heeft de mogelijke overgang naar de US Dollar door Sint Maarten voor inwoners van de BES-eilanden, in het bijzonder voor Sint-Eustatius en Saba?
Zie antwoord op vraag 5.
Verwacht u negatieve koopkrachteffecten voor deze inwoners, bijvoorbeeld omdat het importeren van producten via Sint Maarten duurder wordt? Welke stappen neemt u om negatieve effecten voor inwoners van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord op vraag 5.
Heeft de regering van Sint Maarten contact met de Nederlandse regering gezocht om eventueel in gezamenlijkheid invulling te geven aan een nieuwe institutie die een toezichthoudende taak voor de financiële sector moet gaan vervullen? Zo ja, wat was het verzoek van de kant van Sint Maarten en hoe heeft de Nederlandse regering daar op gereageerd?
Nee.
Hoe staat het met de invoering van de Caribische gulden, ter vervanging van de Antilliaanse gulden? Acht u de invoering van deze munt nog haalbaar indien Sint Maarten kiest voor de US Dollar? Zo ja, waarom?
Het is een zaak van Curaçao en Sint Maarten om te besluiten over de invoering van de Caribische gulden ter vervanging van de Antilliaanse gulden. Indien Sint Maarten besluit de US dollar als enig wettig betaalmiddel in te voeren is het aan Curaçao of het eventueel de Caribische gulden wil invoeren.
Het jagen op vossen in het donker |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de uitspraken 201012263/1/A3 en 201100944/1/A3-A van de Raad van State over de jacht op vossen en het gebruik van kunstlicht bij die jacht?
Ja, ik heb uw Kamer bij brief van 6 december 2013 nader geïnformeerd over de inhoud van de uitspraken en de gevolgen daarvan voor beheer en schadebestrijding.
Deelt u de mening dat deze uitspraak een bevestiging vormt voor het absolute verbod op de jacht in nachtelijke uren en het gebruik van kunstlicht en restlichtversterkers tijdens jacht en andere vormen van afschot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden is nachtjagen met kunstlicht wel toegestaan?
De Benelux-overeenkomst Jacht en Vogelbescherming verbiedt het jagen in de nachtelijke uren en het gebruik van jachtmiddelen, anders dan de middelen die door het Comité van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concludeert dat deze verboden ook van toepassing zijn op de uitvoering van beheer en schadebestrijding en dat de overeenkomst geen ruimte biedt aan de provincies om daar van af te wijken.
Hoeveel ontheffingen voor het jagen met kunstlicht op vossen of andere dieren zijn er door provincies gegeven en hoe beoordeelt u dat?
De ontheffingen waarover het in de uitspraken gaat, zijn ontheffingen van het verbod om beheer en schadebestrijding uit te voeren met behulp van kunstmatige lichtbronnen. Verschillende provincies hebben ontheffing verleend van dit verbod aan de faunabeheereenheden voor de bestrijding van vossen, maar ook voor de bestrijding van andere schadeveroorzakende dieren zoals konijnen en wilde zwijnen. Twee van die ontheffingen zijn afgelopen woensdag vernietigd. Een aantal andere ontheffingen is momenteel nog onderwerp van gerechtelijke procedures. Voor mijn oordeel verwijs ik u naar mijn brief van 6 december 2013.
Op welke wijze gaat u waarborgen dat er geen vergunningen meer worden afgegeven die in strijd zijn met de Benelux-Overeenkomst?
Ik verwijs u naar mijn brief van 6 december 2013.
Bent u bereid erop toe te zien dat provincies alle vergunningen die zijn verstrekt in strijd met de Benelux-Overeenkomst, zoals het jagen met kunstlicht, per direct worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het oordeel van de Raad van State dat zowel het college van Noord-Holland als het college van Friesland onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een noodzaak is om op vossen te jagen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de argumentatie van de Raad van State eveneens van toepassing is op de landelijke vrijstelling van de vos? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Visumvrij reizen door Turken |
|
Geert Wilders (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Visa-free EU travel for Turks in three years, hopes Bagis»?1
Ja.
Klopt het dat Turkse burgers zonder visum naar landen binnen de EU kunnen reizen wanneer deze overeenkomst getekend wordt?
Afschaffing van de visumplicht is nog niet aan de orde. In de brief van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 4 juli 2012 (Kamerstuk 32 317 nr. 126, Vergaderjaar 2011–2012) is toegelicht dat de ondertekening van de Terug- en Overnameovereenkomst, voorzien voor 16 december aanstaande, en het aanbieden van een visumliberalisatie-actieplan dient te worden geplaatst in het bredere kader van versterkte samenwerking tussen de EU en Turkije op JBZ-terrein. Die samenwerking ziet op diverse thema’s zoals veiligheid, terrorismebestrijding, bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, illegale migratie en grensbeheer. In het visumliberalisatie-actieplan worden strikte voorwaarden gesteld waar Turkije eerst aan zal moeten voldoen voordat de Europese Commissie een voorstel zal doen voor daadwerkelijke afschaffing van de visumplicht2. De criteria zijn leidend en niet het tijdpad.
Indien de Europese Commissie op termijn een voorstel zal doen voor afschaffing van de visumplicht, zal dat voorstel alleen betrekking hebben op de afschaffing van Schengenvisa voor kort verblijf. Het huidige nationale beleid voor visa voor migratiedoeleinden en andere vormen van lang verblijf, valt buiten de scope van het actieplan.
Deelt u de mening dat er genoeg islam is in Nederland en dat Nederland niet zit te wachten op een massale toestroom van Turken? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer gaat u uw collega’s in Brussel, en de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, duidelijk maken dat Turkije visumvrij reizen op haar buik kan schrijven en dat alle onderhandelingen met Turkije per direct moeten worden afgebroken?
Ondertekening van de Terug- en Overnameovereenkomst door Turkije, evenals het behalen van de beoogde doelstellingen van samenwerking op JBZ-terrein en het visumliberalisatie actieplan, zijn in het belang van Nederland. Het zal de druk van illegale immigratie richting de Europese Unie verlagen en de feitelijke uitzetting van illegaal verblijvende vreemdelingen uit Nederland en andere Europese lidstaten naar Turkije beter regelen. In hoeverre visumvrij reizen op termijn haalbaar is, zal voornamelijk afhangen van de mate waarin de JBZ-samenwerking vruchten afwerpt en de mate waarin Turkije bereid en in staat is aan de voorwaarden van het visumliberalisatie-actieplan te voldoen.
Het bericht dat de VN geen inzage krijgt in misbruikdossiers van Vaticaan |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat het Vaticaan geen informatie wil geven aan de Verenigde Naties over geestelijken die kinderen hebben misbruikt?1
Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind bestaat uit onafhankelijke experts die toezien op de naleving van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De Heilige Stoel is partij bij het Verdrag en dient medewerking te verlenen aan verzoeken van het Comité. Die plicht gaat echter niet zo ver dat partijen gedetailleerde informatie over individuele gevallen aan het Comité moeten verstrekken. Dat geldt voor de Heilige Stoel en evenzogoed voor de landen waarin het misbruik heeft plaatsgevonden. De Heilige Stoel verleent overigens wel medewerking aan rechtshulpverzoeken van landen waar kindermisbruik door geestelijken wordt vervolgd.
Het VN-verdrag richt zich hoofdzakelijk op de plicht van partijen om kinderen tegen alle vormen van exploitatie en seksueel misbruik te beschermen. Het is in dat kader van belang dat de Paus onlangs een panel van experts heeft ingesteld voor het tegengaan van misbruik binnen de kerk.
Vindt u dat deze informatie alleen gevraagd kan worden aan rechtsinstanties van de landen waar misbruik heeft plaatsgevonden, of deelt u de mening dat het in het belang is van het onderzoek van de VN-commissie voor de Rechten van het Kind om gedetailleerde informatie te verkrijgen over kindermisbruikzaken die sinds 1995 bij het Vaticaan zijn aangegeven?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt volgens u de opstelling van het Vaticaan zich met het feit dat de Heilige Stoel sinds 20 april 1990 partij is bij het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder met artikel 34 en artikel 39 van dat Verdrag?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat deze informatie noodzakelijk is voor het aanbieden van hulp, het erkennen van het aangedane leed en het bieden van genoegdoening aan de slachtoffers?
Ik kan bij gebrek aan kennis van de precieze aan de Heilige Stoel gevraagde informatie geen inschatting geven van het belang daarvan voor de slachtoffers. In het algemeen geldt dat de kerkprovincies autonoom zijn in de wijze waarop zij met seksueel misbruik omgaan. Voor de Nederlandse kerkprovincie is het misbruik door de Commissie Deetman onderzocht. De Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben de onafhankelijke Stichting Beheer en Toezicht in het leven geroepen. Daarin zijn een platform hulpverlening, een klachtencommissie en een compensatiecommissie ondergebracht. Op die manier kan dicht bij de bron erkenning en genoegdoening plaatsvinden en hulp worden geboden.
Bent u bereid in contacten met de Heilige Stoel te bevorderen dat relevante documenten kunnen worden ingezien door de VN-commissie, specifiek in aanloop naar de ondervraging door de commissie van vertegenwoordigers van het Vaticaan in januari 2014?
De Nederlandse ambassadeur bij de Heilige Stoel volgt deze zaak nauwlettend. Gezien het antwoord op de vragen 1, 2 en 3 ligt het echter niet in de rede dat Nederland de Heilige Stoel hierop aanspreekt.
De telsystematiek voor educatiebudgetten |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Is het waar dat de hoogte van het educatiebudget van gemeenten wordt bepaald op basis van het aantal educatietrajecten dat de gemeente aanbiedt?
De hoogte van het educatiebudget van gemeenten in 2013 en 2014 is bepaald op basis van vier indicatoren, die elk voor 25% meetellen in de berekening. Deze indicatoren zijn: het percentage laagopgeleiden in een gemeente, het percentage inwoners met een allochtone achtergrond, het aantal door gemeenten bij roc’s ingekochte educatietrajecten en het aantal behaalde NT-2 certificaten.
Kunt u uiteenzetten wat u precies verstaat onder een educatietraject? Kunt u daarbij specificeren hoe en door wie het aantal educatietrajecten wordt vastgesteld?
Bij de invoering van het participatiebudget in 2009 is ervoor gekozen het begrip educatietraject niet nader te definiëren, zodat gemeenten voldoende beleidsvrijheid hadden om dit naar eigen inzicht in te vullen. Behalve aanbod gericht op de verbetering van taal- en rekenvaardigheden, valt hierbij ook te denken aan een sollicitatietraining voor een werkzoekende of cursus budgettering voor laaggecijferden. Gemeenten hebben immers goed zicht op de opleidingsbehoeften van hun inwoners en daardoor op de invulling en inkoop van daarbij behorende trajecten. Gemeenten en roc’s maken onderling afspraken over de invulling van de aangeboden educatietrajecten, bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal onderwijsuren. Het is dus aan gemeenten en roc’s om het aantal educatietrajecten vast te stellen. Gemeenten leggen hierover verantwoording af via het Single Information Single Audit (SiSa) systeem.
Op basis van welke criteria moeten gemeenten het aantal educatietrajecten berekenen en vaststellen?
Gemeenten stellen op basis van de behoefte van hun inwoners en het beschikbare budget vast welke en hoeveel educatietrajecten zij inkopen. Gemeenten verantwoorden het aantal bij roc’s ingekochte educatietrajecten via SiSa.
Is het waar dat gemeenten verschillende telsystemen gebruiken? Zo ja, kunt u dit verklaren? Kunt u aangeven welke verschillende systemen er in de gemeenten gebruikt worden?
Het is niet zo dat gemeenten verschillende systemen gebruiken om educatietrajecten te tellen. Wel bestaan er tussen gemeenten verschillen in de invulling en omvang van educatietrajecten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is bij de invoering van het participatiebudget in 2009 ervoor gekozen gemeenten voldoende beleidsvrijheid te geven om educatietrajecten binnen de wettelijke kaders naar eigen inzicht in te vullen.
Deelt u de mening dat verschillende manieren van tellen leidt tot een onevenredige verdeling van budgetten?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 reeds heb aangegeven, tellen gemeenten de educatietrajecten niet op verschillende manieren. Wel bestaan er, binnen de gestelde wettelijke kaders, verschillende invullingen van educatietrajecten voortvloeiend uit afspraken tussen gemeenten en roc’s. De maatstaf ingekochte educatietrajecten telt, als één van de vier maatstaven, voor 25% mee in de verdeelsystematiek van de educatiemiddelen in 2013 en 2014.
Hoeveel middelen worden in totaal besteed aan educatiebudgetten? Kunt u daarbij specificeren hoe dit geld over gemeenten wordt verdeeld?
Het beschikbare budget voor educatie is € 53 miljoen per jaar voor 2013 en verder. Voor de wijze van verdeling van educatiemiddelen verwijs ik u kortheidshalve naar mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling is dat bepaalde gemeenten meer geld krijgen dan anderen, doordat zij een andere manier van tellen hanteren? Zo ja, bent u bereid dit op te lossen?
Zoals ik u in mijn antwoord op vraag 5 al heb meegedeeld, is er geen sprake van het tellen van educatietrajecten op verschillende manieren. Wel kan de invulling van educatietrajecten tussen gemeenten verschillen.
Bent u bereid tot een heldere, uniforme definitie van educatietraject en bijbehorende telsystematiek te komen?
Sinds 1 januari 2013 is het educatieaanbod gefocust op opleidingen Nederlandse taal en rekenen en hiervoor zijn eindtermen vastgesteld. Zoals ik u in mijn brief van 14 januari jl. (kamerstuk 28 760, nr. 36) over de toekomst van de educatie heb aangegeven, bereid ik thans een wetsvoorstel voor waarmee de educatiemiddelen per 2015 als specifieke uitkering aan regio’s worden uitgekeerd. Binnen deze regio’s zullen coördinerende gemeenten een regierol vervullen bij het regionaal organiseren van het educatieaanbod. In het kader van voornoemd wetsvoorstel bezie ik welke verdeelmaatstaven het meest passend zijn.
Het bericht dat het parlement in Libië stemde voor islamitisch recht |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat het voorlopig parlement van Libië, de Algemene Nationale Raad (GNC), deze week besloten heeft dat islamitisch recht de basis moet zijn voor wetgeving in Libië?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beslissing van de GNC om het Libische rechtsstelsel op islamitisch recht te baseren, en wat kunnen volgens u de praktische gevolgen van dit besluit voor de Libische bevolking zijn?
De keuze voor een rechtsstelsel is een zaak van het desbetreffende land. Nederland zal zich niettemin kritisch opstellen indien deze keuze leidt tot schending van de mensenrechten.
Het is echter nog te vroeg om vast te stellen of daar in dit geval sprake van zal zijn. De GNC heeft een algemeen besluit genomen om islamitisch recht te gebruiken als bron voor wetgeving. Aangezien het islamitisch recht op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd is het nog onduidelijk op welke wijze het recht in wetgeving zal worden vertaald. Voor het bepalen van de praktische gevolgen van dit besluit dient derhalve te worden gewacht op de nadere uitwerking.
Hoe beoordeelt u deze beslissing in relatie tot de huidige ontwikkelingen in Libië aangaande het proces van democratisering en de verslechterende veiligheidssituatie in het land?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de situatie en ontwikkelingen in Libië te agenderen tijdens de aankomende Raad Buitenlandse Zaken, die plaatsvindt op 16 december a.s. aanstaande? Zo nee, waarom niet?
De situatie en ontwikkelingen in Libië zijn uitvoerig aan de orde geweest gedurende de Raad Buitenlandse Zaken van november. De EU heeft toen zijn gedeelde zorgen over de verslechterde politieke en veiligheidssituatie in Libië bekrachtigd door de aanname van Raadsconclusies.
Het mogelijk schrappen van de visumplicht voor Turken |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waarin wordt gesteld dat Turken over enkele jaren zonder visum de EU kunnen binnenkomen?1
Ja.
Is het bericht juist dat de verantwoordelijke Eurocommissarissen met de Turkse minister van Buitenlandse Zaken hebben afgesproken om hierover te gaan onderhandelen?
Reeds in juni 2012 heeft de Raad besloten tot een versterkte samenwerking met Turkije op JBZ-terrein. Deze samenwerking ziet onder andere op grensbeheer, tegengaan illegale immigratie, terrorismebestrijding, grensoverschrijdende criminaliteit en medewerking op het terrein van terug- en overname. Een visumliberalisatie-actieplan maakt deel uit van dit samenwerkingspakket. Voorwaarde voor de start van het visumliberalisatietraject is dat Turkije een Terug- en Overname overeenkomst tekent. Hier ligt ook een duidelijk Nederlands belang. Het bericht waar naar wordt verwezen, doelt op deze afspraak. Het traject voor visumliberalisatie zal verbonden zijn aan strikte voorwaarden, waarbij de criteria leidend zijn en niet het tijdpad.
Kunt u aangeven wat hier precies is afgesproken en welke status deze afspraken hebben?
De afspraken ten aanzien van visumliberalisatie voor Turkije zijn uiteengezet in de brief van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 4 juli 2012 (Kamerstuk 32 317 nr. 126, Vergaderjaar 2011–2012). Ondertekening van de terug- en overname overeenkomst is een belangrijke stap in het proces van versterkte samenwerking tussen Turkije en de EU op JBZ-terrein, als beschreven in de brief van 4 juli 2012.
Wist u van deze afspraken? Zo ja, welke inbreng heeft Nederland hieromtrent geleverd?
De afspraken zijn bekend. De inzet van Nederland is er – naast totstandkoming van een terug- en overnameovereenkomst – op gericht dat de samenwerking leidt tot resultaten op diverse terreinen op JBZ-gebied, waaronder effectief grensmanagement en het terugdringen van illegale immigratie vanuit Turkije. Ten aanzien van visumliberalisatie staat Nederland voor dat het proces is verbonden aan strikte voorwaarden, waarbij de criteria leidend zijn en niet het tijdpad.
Worden door deze gemaakte afspraken op geen enkele wijze nationale rechten en plichten doorkruist?
Indien Turkije aan de voorwaarden van het visumliberalisatie-actieplan voldoet en de Europese Commissie op termijn een voorstel zal doen voor afschaffing van de visumplicht, zal dat voorstel alleen betrekking hebben op de afschaffing van Schengenvisa voor kort verblijf. Het huidige nationale beleid voor visa voor migratiedoeleinden en andere vormen van lang verblijf, als ook voor tewerkstellingsvergunningen, wordt hier niet door geraakt. Daarnaast blijft ook bij personen die zijn vrijgesteld van de Schengenvisumplicht, de mogelijkheid bestaan om in het kader van grensbewaking de toelating te weigeren indien in individuele gevallen sprake is van een bedreiging van de openbare orde, veiligheid of de externe betrekkingen van Nederland of een van de andere Schengenlidstaten.
Hoe verhouden deze afspraken zich tot de kwetsbare omstandigheden op de Nederlandse arbeidsmarkt en het beleid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid terzake?
Zie antwoord vraag 5.
Welk procedureel vervolg krijgen deze afspraken en op welke wijze wordt Nederland hierbij betrokken? Welke rol heeft de Tweede Kamer erbij?
Als eerder aangegeven, is het visumliberalisatie-actieplan gebonden aan strikte voorwaarden en is daadwerkelijke visumliberalisatie nu nog niet aan de orde. Indien dit op termijn wel binnen bereik komt, zal de Europese Commissie daartoe een voorstel moeten doen, waar via de normale wetgevingsprocedure over zal worden beslist door de Raad en het Europese Parlement. Bij de besluitvorming zal de Tweede Kamer op gebruikelijke wijze worden betrokken.
Het artikel ‘Asscher ziet wel iets in boud plan Cameron’ |
|
Steven van Weyenberg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Wat vindt u van het plan van de Britse premier Cameron om vrij verkeer van personen voor nieuwe EU-toetreders niet te laten gelden totdat zij een bepaald economisch niveau hebben bereikt? Klopt het dat dit plan door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid «potentieel interessant» is genoemd? Wat is het kabinetsstandpunt op dit onderwerp?1
Het voorstel van Premier Cameron om een koppeling te leggen tussen het openstellen van de grenzen voor werknemers uit nieuw toetredende landen en het economisch niveau van die landen is, naar de mening van het kabinet, een potentieel interessante bijdrage aan de discussie over hoe het draagvlak voor het vrij verkeer van werknemers kan worden versterkt. De ervaringen van de afgelopen jaren met arbeidsmigranten uit de nieuwe lidstaten laten immers zien dat het vrij verkeer van werknemers ook schaduwkanten heeft. Werknemers uit lidstaten met een lager welvaartsniveau zijn eerder bereid genoegen te nemen met slechtere arbeidsvoorwaarden dan waar ze recht op hebben. Dit maakt hen vatbaar voor uitbuiting door werkgevers. Deze ervaringen zullen een rol spelen in de onderhandelingen met nieuwe kandidaat-lidstaten.
Om ook op korte termijn het draagvlak voor het vrij verkeer van werknemers te versterken, vraagt het kabinet in EU-verband aandacht voor deze schaduwkanten van het vrij verkeer van werknemers. De prioriteit hierbij ligt bij de aanpak van oneerlijke concurrentie door middel van schijnconstructies. De Handhavingsrichtlijn, waarover de lidstaten op 9 december een akkoord hebben bereikt, levert hieraan een belangrijke bijdrage.
Welke implicaties zou dit voorstel hebben voor het vrij verkeer van Nederlanders naar de nieuwe toetreders? Zouden de belemmeringen voor het vrij verkeer wederkerig zijn?
Of de mogelijkheid tot wederkerigheid ook in de toetredingsverdragen met nieuwe toetreders wordt opgenomen, hangt af van de onderhandelingen met deze landen, hetgeen voorlopig nog niet aan de orde is.
Vindt u ook dat dit voorstel op z’n minst op gespannen voet staat met één van de belangrijkste pijlers van de Europese Unie, namelijk het vrij verkeer van personen?
Zolang het uitgangspunt een volledig vrij verkeer van werknemers is, net als nu het geval is, is er geen sprake van spanning met het vrij verkeer van personen. Zoals ook blijkt uit de meest recente toetredingen, kan in toetredingsonderhandelingen een overgangsperiode worden afgesproken waarin nog beperkingen gelden op het vrij verkeer.
Het bericht ‘tandarts maakte behandelingen niet duurder’ |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «Tandarts maakte behandelingen niet duurder»?1
Ik heb kennis genomen van de berichtgeving van de Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT) en het onderzoek van onderzoeksbureau Milliman.
Hoe beoordeelt u de resultaten van onderzoeksbureau Milliman dat tandartsen in 2012 slechts een inflatiecorrectie hebben doorgevoerd tijdens het experiment met vrije tandartstarieven, in plaats van prijsstijgingen van meer dan 10%, zoals aangegeven door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)?
De NZa heeft in haar marktscans de prijsverandering tussen 2011 en 2012 onderzocht voor 26 meest voorkomende behandelingen in de mondzorg. Gezien de verandering van prestatielijst tussen deze twee jaren was het nodig om prestaties van 2011 te converteren naar die van 2012. De NZa heeft daarbij gekeken naar wat er in 2011 daadwerkelijk gedeclareerd is door mondzorgaanbieders. De NZa is transparant geweest over deze conversiemethode alsook over de daarbij geldende beperkingen en het effect van deze beperkingen. Daarnaast heeft zij brancheorganisaties de gelegenheid gegeven om alternatieven aan te dragen.
Onderzoeksbureau Milliman heeft op verzoek van de ANT een review uitgevoerd op de NZa-marktscan. De ANT en Milliman zelf geven aan dat het verschil in uitkomsten van de NZa-marktscans en het jongste onderzoek van Milliman voornamelijk veroorzaakt wordt door het feit dat de NZa de prijsverandering bij méér prestaties heeft onderzocht. Milliman heeft van de 26 door de NZa gebruikte prestaties slechts 5 meegenomen in de analyse.
Het kwantitatieve deel van het onderzoek van Milliman is daarnaast gebaseerd op een dataset van slechts één factoringmaatschappij, terwijl de NZa de gegevens gebruikt heeft van alle factoringmaatschappijen én van de verzekeraars. Dit verschil in methodische aanpak heeft geleid tot een afwijkende bevindingen door het bureau Milliman.
Bent u van mening dat naar aanleiding van de bevindingen van onderzoeksbureau Milliman de NZa de marktscans inzake de vrije tandartstarieven moet herzien, en haar onderzoeksmethoden moet evalueren?
Op basis van de toelichtingen op de gebruikte methoden door Milliman en de NZa heb ik geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van de NZa-marktscans. Ik zie dan ook geen reden om de NZa te vragen haar onderzoeksmethoden te evalueren.
Deelt u de mening dat het experiment met vrije tandartstarieven onnodig voortijdig is gestaakt op basis van onjuiste marktscans van de mondzorgmarkt?
Het experiment vrije tandartstarieven is op verzoek van de Tweede Kamer gestaakt ten aanzien van de marktscans.
Wat is de stand van zaken van het mondzorgonderzoek dat onderzoeksbureau Deloitte uitvoert namens de NZa naar de opbrengsten, productie, praktijkkosten en tijdbesteding bij aanbieders van mondzorg?
Nu de mondzorgsector sinds 1 januari 2013 opnieuw gereguleerd is, is de NZa gestart met een onderzoek naar de kosten, opbrengsten en structuurkenmerken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau Deloitte. Dit bureau heeft bij een groot aantal praktijken gegevens opgevraagd, maar is aanmerkelijk meer tijd kwijt aan het verzamelen van gegevens dan verwacht. Om die reden is de rapportage van de resultaten later beschikbaar dan verwacht.
Klopt het dat het onderzoek naar de mondzorgtarieven meer tijd en geld zal gaan kosten dan verwacht? Zo ja, om hoeveel extra tijd en geld gaat het naar verwachting?
Zie het antwoord op vraag 5. De NZa heeft op 11 oktober 2013 bekend gemaakt dat het onderzoek nog niet afgerond is en een eventuele tariefherijking daarom vooralsnog in de loop van 2014 kan worden doorgevoerd. Op 2 december 2013 heeft de NZa bericht dat het onderzoek meer tijd in beslag neemt doordat veel mondzorgaanbieders nog aanvullend benaderd zijn door Deloitte met het verzoek om toelichting te geven op ingediende gegevens of ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. Dit proces kost veel tijd, maar is in het belang van de betrouwbaarheid van het onderzoek cruciaal. Hoeveel tijd daarmee gemoeid is, is op dit moment niet bekend. Datzelfde geldt voor de kosten, maar wel is duidelijk dat het onderzoek meer geld zal gaan kosten dan aanvankelijk begroot.
Wat is uw oordeel over de transparantie van de kosten, opbrengsten en kwaliteitsindicatoren van mondzorgaanbieders?
Ik vind het een ernstig signaal dat het opleveren van gegevens over kosten en opbrengsten door mondzorgpraktijken zo moeizaam verloopt.
In hoeverre konden mondzorgaanbieders het afgelopen jaar met vragen over de vragenlijsten in het kader van het kostenonderzoek terecht bij de NZa?
Zoals genoemd onder vraag 5, wordt het onderzoek uitgevoerd door Deloitte. Dit bureau heeft een uitgebreide helpdesk opgezet gedurende de uitvraagperiode. In eerste instantie was die ook in de avonduren en op zaterdag open, zodat mondzorgpraktijken maximaal ondersteund werden bij het invullen van de vragenlijsten. De helpdesk bood zowel technische als inhoudelijke ondersteuning. De betrokken praktijken hebben ruimhartig gebruik gemaakt van deze ondersteuning.
Bent u van mening dat de NZa over voldoende kennis beschikt om de tarieven van mondzorg aanbieders te monitoren en berekenen, wanneer u het rapport van onderzoeksbureau Milliman in ogenschouw neemt? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Ik stel voorop dat de marktscans van de NZa en het onderzoek van Milliman in een ander kader hebben plaatsgevonden dan het nu lopende kostenonderzoek. In het eerste geval gaat het om de vraag of en in welke mate er prijsveranderingen hebben plaatsgevonden tijdens het experiment vrije prijsvorming («monitoring van de markt»). Bij het kostenonderzoek gaat het om het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor het herijken van de tarieven voor de mondzorg («reguleren»). Ik heb geen reden te twijfelen aan de beschikbaarheid van voldoende kennis bij de NZa voor deze taken.
In hoeverre acht u het vaststellen van adequate landelijke tarieven in de mondzorg überhaupt mogelijk, gezien de constatering uit het «Visiedocument bekostigingsstructuur Mondzorg» dat de werkelijke kosten per aanbieder altijd zullen afwijken als gevolg van onder meer de lokale kostprijsverschillen en schaalverschillen?2
Op dit moment is er sprake van landelijk geldende tarieven. De NZa laat een kostenonderzoek uitvoeren om deze tarieven te «herijken». Daarvoor is het nodig om te bepalen of de huidige onderbouwing voldoende overeenstemt met de werkelijkheid.
Inherent aan het vaststellen van uniforme tarieven geldt dat de werkelijke, individuele kosten zullen afwijken. In hoeverre dat het geval is voor de mondzorg en welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden, is de NZa nu nog niet bekend en ik wil daar niet op vooruitlopen. Op basis van het «Visiedocument bekostigingsstructuur Mondzorg» kan overigens niet de conclusie worden getrokken dat landelijk geldende tarieven voor de mondzorg niet mogelijk zijn.
Bent u bereid, gezien de resultaten van onderzoeksbureau Milliman, de problemen rondom het huidige kostenonderzoek en de eerdere constateringen uit het Visiedocument, te onderzoeken of een nieuw experiment met vrije prijzen mogelijk is, om te beginnen met bijvoorbeeld de sector orthodontie? Zo nee, waarom niet?
We hebben van de sector veel gevraagd in aanloop naar en tijdens het experiment. Op verzoek van de Tweede Kamer is dit experiment vroegtijdig gestaakt. Ondanks mijn uitdrukkelijke advies om dit niet te doen, heeft de Tweede Kamer anders besloten. Gelet op de spanningen die zich rondom het experiment met de vrije prijzen hebben voorgedaan, zowel politiek/maatschappelijk als bij de betrokken beroepsgroepen, kies ik nu voor het creëren van rust en stabiliteit binnen de sector. Om die reden ben ik met de sector in gesprek om een meerjarenagenda op te stellen. Een nieuw experiment met vrije prijzen maakt daarvan geen onderdeel uit.
Het rondetafelgesprek van het NJCM van 29 november 2013 inzake Bureau Medische Advisering (BMA) |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de notitie van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) van 23 mei 2013 en met het door hen gehouden rondetafelgesprek op 29 november 2013 inzake het Bureau Medische Advisering (BMA)?
Ja. Ik heb mijn reactie op de notitie op 5 september 2013 aan het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) gestuurd en een afschrift hiervan aan uw Kamer gezonden, zoals de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie mij op 20 juni 2013 had gevraagd. Deze brief is vervolgens geagendeerd voor het Algemeen Overleg van 30 oktober jl. over Opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring. Voorts hebben mijn ambtenaren een inhoudelijke bijdrage geleverd aan het rondetafelgesprek dat het NJCM op 29 november jl. organiseerde, zoals ik in voornoemde brief heb aangekondigd.
Wat is uw reactie op de kritiek dat BMA-artsen niet vrij genoeg zijn hun medisch oordeel op basis van hun artseneed te uiten omdat zij standaardvragen moeten stellen op basis van protocollen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Hier ben ik het niet mee eens. Artsen van het Bureau Medische Advisering (BMA) adviseren onpartijdig en zorgvuldig, conform de richtlijnen van de KNMG. De vraagstelling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is voor hen een gegeven. Zij ervaren geen problemen door binnen deze vraagstelling te blijven, zoals ik ook op pagina 3 en 4 van voornoemde brief heb aangegeven.
Hoe kan volgens u de onpartijdigheid van de BMA-artsen gewaarborgd worden als zij in de procedure enkel de belangen van de IND behartigen als partij-deskundige?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar mijn brief van 5 september 2013 waarin ik op een en ander uitgebreid ben ingegaan (pagina 3 en 4).
Wat is uw reactie op de kritiek dat er sprake is van een schijn van partijdigheid omdat het BMA als adviesorgaan onderdeel is van de IND? Bent u voornemens de schijn van partijdigheid tegen te gaan door deze organisaties te scheiden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat de IND en de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) zieke asielzoekers uitzet door zelf voor een termijn van drie maanden zorg in te kopen in het land van herkomst indien de zorg ter plaatse niet beschikbaar is? Kunt u uiteenzetten wat er gebeurt met uitgezette asielzoekers na deze drie maanden als er geen passende zorg meer beschikbaar is?
In de Vreemdelingencirculaire is vastgelegd dat een zieke vreemdeling uitstel van vertrek kan krijgen indien de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie doet ontstaan en de medische behandeling van de medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken. Onder een medische noodsituatie wordt verstaan: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Indien behandeling in het land van herkomst mogelijk is, is terugkeer aan de orde. In dat kader borgt de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) dat eventuele reisvoorwaarden die het BMA stelt, geregeld en gegarandeerd zijn voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Als het BMA de reisvoorwaarde heeft gesteld dat de vreemdeling fysiek moet worden overgedragen aan een kliniek in het land van herkomst, maakt de DT&V voor vertrek afspraken over de overdracht met de behandelaar of medische instelling in het land van herkomst die BMA in het advies genoemd heeft1. De DT&V kan daarnaast ondersteuning bieden door te zorgen dat de benodigde medische behandeling voor een beperkte periode, die aansluit op bovengenoemde periode, na terugkeer gegarandeerd wordt ter voorkoming van het ontstaan van een medische noodsituatie. Daarna is de vreemdeling zelf verantwoordelijk om de medische behandeling te continueren. De verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid strekt niet zo ver dat zij voor de gehele duur van benodigde medische behandeling betaalt. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat de medische behandeling niet beschikbaar is of dat betrokkene niet kan reizen, wordt de vreemdeling uiteraard niet uitgezet.
Waarom zijn de vertrouwensartsen in het land van herkomst waar de Nederlandse BMA-arts gebruik van maakt anoniem? Hoe kunnen patiënten en andere betrokkenen weten of het om een huisarts of specialist gaat, die ter zake kundig is?
Graag verwijs ik naar mijn brief van 5 september 2013 waarin ik hierop uitgebreid in ga (pagina 1 tot en met 3).
Bent u voornemens uw toezegging in uw reactie op de NJCM notitie van 23 mei 2013 gestand te doen en het rapport openbaar te maken aangaande aanbeveling 4 van de notitie? Zo ja, wanneer bent u van plan deze naar de Kamer te sturen?
Nee, in voornoemde brief leg ik uit waarom niet (pagina 5).
Het gebruik van xtc onder jongeren |
|
Kees van der Staaij (SGP), Carla Dik-Faber (CU), Joël Voordewind (CU), Ard van der Steur (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «60% procent van de uitgaande jongeren gebruikt xtc»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusies van «Het Grote Uitgaansonderzoek 2013» van het Trimbos Instituut?
Allereerst merk ik op dat het «Grote Uitgaansonderzoek» uitgevoerd is onder een specifieke groep jongeren, namelijk frequente party- en clubbezoekers met een voorkeur voor techno- en hardhousemuziek. In deze groep is het middelengebruik veel hoger dan onder de jongeren die niet dergelijke evenementen bezoeken of die minder uitgaan.
Het middelengebruik onder deze specifieke groep vaak uitgaande jongeren vind ik absoluut zorgelijk, evenals het frequent voorkomen van riskant gezondheidsgedrag in relatie tot dergelijk middelengebruik. Mede om die reden heb ik het Trimbos-instituut opdracht gegeven om, zoals ook is aangekondigd in het Nationaal Programma Preventie (NPP), in 2014 te starten met het programma Veilige en Gezonde Horeca en Evenementen (VGHE). Doel is het middelengebruik (tabak, alcohol, drugs, inclusief roekeloos gedrag) en daarmee samenhangende problemen van jongeren in de leeftijd van 16 tot 24 jaar terug te dringen, in samenwerking met de instellingen voor verslavingszorg. Ik ben alert op ontwikkelingen in het middelen gebruik onder jongeren en heb het Trimbos-instituut gevraagd extra aandacht te hebben voor verschuivingen in de jongerencultuur in relatie tot middelengebruik. Dit kan leiden tot aanvullingen van het programma VGHE. In het programma VGHE worden gemeenten ondersteund bij het vormgeven van een gezond en veilig horeca- en evenementenbeleid. Onderdeel van dit programma is bovendien een goede voorlichting aan jongeren en hun ouders over de risico’s van middelengebruik. Het Trimbos-instituut gaat ook in overleg met relevante andere thema-instituten om te bezien of voorlichting over andere thema’s via VGHE kan worden ontsloten. Tot slot zal het Trimbos samenwerken met het door het Ministerie van VenJ gefinancierde Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het bundelen van preventieve activiteiten op verschillende thema’s krijgt hiermee steeds meer vorm.
Het programma VGHE wordt een vervolg op het project Uitgaan Alcohol en Drugs. Binnen dit project staat voorlichting aan uitgaanders over alcohol en drugs en daarmee samenhangende risico’s zoals geweld centraal. Het programma VGHE gaat, anders dan het huidige project, gemeenten en lokale professionals ondersteunen bij de ontwikkeling van gezond en veilig horecabeleid (handhaving DHW, rookvrije horeca, faciliteren nieuwe leeftijdsgrens tabak, uitvoering Opiumwet) en legt ook meer relaties met andere leefstijlthema’s zoals seksuele gezondheid.
Daarnaast blijf ik natuurlijk doorgaan met het faciliteren van partijen als het Trimbos-instituut die zorg dragen voor voorlichting aan jongeren en hun ouders over middelengebruik via websites, schoolprogramma’s, informatielijnen e.d.
Deelt u de opvatting dat het hoge percentage jongeren dat xtc gebruikt zorgwekkend is?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de problematiek van het hoge xtc-gebruik ook leidt tot meer ziekenhuisopnames?
Uit de incidentenmonitor van het Trimbos-instituut komt inderdaad een toename naar voren. In deze monitor worden in 8 regio’s gegevens van hulpdiensten, waaronder spoedeisende hulpafdelingen van ziekenhuizen, verzameld. Over de periode 2009–2012 steeg daar het percentage XTC-incidenten van 3 naar 11% van het totaal aantal geregistreerde drugsincidenten.
Meer dan door ziekenhuizen worden incidenten na XTC-gebruik gemeld door de deelnemende EHBO-posten op grootschalige evenementen. Het aandeel XTC-incidenten binnen deze diensten is toegenomen van 39% in 2009 naar 61% in 2012.
Hoe is het mogelijk dat xtc ogenschijnlijk zo gemakkelijk te verkrijgen is?
Synthetische drugs zijn, na cannabis, nog steeds de op één na meest gebruikte drugssoort ter wereld. De vraag naar dergelijke drugs tijdens festivals en party’s is groot, ook in Nederland. Dat leidt ertoe dat dealers in deze middelen zich juist op deze plekken richten.
Ondanks de maatregelen die worden genomen is het lastig om deze middelen helemaal buiten de deur te houden. Dat onderstreept het belang van een forse inzet op het aanpakken van de productie en handel in deze middelen. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6 en 7.
Op welke wijze worden jongeren gecontroleerd op het bezit van harddrugs in het uitgaansleven? Op welke gegevens baseert u dit antwoord?
De zorg voor de orde en veiligheid tijdens een evenement is in beginsel een verantwoordelijkheid van de betreffende organisator. Het is van belang dat organisatoren in overleg met plaatselijke instanties als de GGD, politie en de brandweer de veiligheidsmaatregelen rond grootschalige evenementen voorbereiden. Veelal is dat ook een eis voordat een vergunning wordt afgegeven. Bij grootschalige evenementen zoals party’s, festivals en concerten is bij de ingang vrijwel altijd security aanwezig en moet elke bezoeker zijn tas laten onderzoeken en door een poortje lopen. XTC-pillen zijn echter van een dermate kleine omvang dat het ondanks de security en fouillering bij de ingang mogelijk is dat mensen in bezit van drugs ertussendoor glippen. Bovendien kan het XTC-gebruik ook buiten het terrein van het evenement plaatsvinden. Daarom is het van groot belang om naast de controles bij grootschalige evenementen fors in te zetten op de aanpak van de productie van en de handel in synthetische drugs. Het kabinet doet dit onder andere door de opsporing en ontmanteling van XTC-labs en vervolging van de daders. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de inspanningen op dit vlak verwijs ik naar de brief aan uw Kamer van 13 maart 2013 over de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit2.
Deelt u voorts de opvatting, aangezien het bezit van harddrugs strafbaar is en de percentages van het bezit van xtc schrikbarend hoog zijn, er beter gecontroleerd moet worden op het bezit van xtc? Zo ja, hoe wilt u zich hiervoor inzetten?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u bovendien de opvatting dat de risico’s die gepaard gaan met het nemen van één of twee pillen anno 2013 veel groter zijn dan enkele jaren geleden?
Die mening deel ik zeker. Eind 2009 bedroeg volgens het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS) het gemiddelde gehalte aan MDMA van de XTC-pillen die om te testen werden aangeboden 70 mg, eind 2013 ligt dit gemiddelde op 140 mg. Deze ontwikkeling verhoogt vanzelfsprekend de gezondheidsrisico’s bij gelijksoortig gebruik.
Op welke manier kunnen volgens u ouders, evenementenorganisatoren en gemeenten een intensievere rol spelen bij drugspreventie?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast kunnen ouders een belangrijke rol vervullen als het gaat om voorlichting aan hun kinderen over de risico’s van drugs. Voor betrouwbare informatie kunnen zij terecht bij het Trimbos-instituut. Voor opvoedtips kunnen zij terecht op de website www.hoepakjijdataan.nl . Ook is het bijvoorbeeld mogelijk een gratis cursus «Praten met uw kind» te volgen.
Winkelleegstand |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Heeft u gelezen dat veel inwoners van Almelo zich zorgen maken over de schrikbarend toegenomen winkelleegstand in het centrum?1
Ja.
Hoe heeft de winkelleegstand in dorps- en stadscentra zich de laatste vijf jaar ontwikkeld en wat is de huidige situatie, met name in de aanloopstraten naar het centrum? Kunt u aangeven in welke gemeenten de situatie het meest schrijnend is?
Volgens Locatus (marktleider op gebied van winkelinformatie in de Benelux) stond van de 220.000 winkelpanden in Nederland op 1 januari 2013 6,4% leeg. Dit is een gemiddelde. Er zijn per provincie grote verschillen in leegstandscijfers. Zo is de leegstand in Noord-Holland met 3,9% het laagst. Net als het jaar daarvoor zien we in provincies waar de bevolkingskrimp nog wordt verwacht hogere leegstandscijfers. De meeste leegstand is te vinden in Limburg (9,8%).
De NVM heeft in haar rapport «Retailvisie aanloopstraten in beeld» (september 2012) de ontwikkeling van de leegstand opgenomen naar type locatie voor de periode 2006–2012 in Nederland (zie onderstaande grafiek). Voor zogenoemde C-locaties bedraagt de leegstand 12% van het winkelverkoopvloeroppervlak, voor B-locaties bijna 10%. In de hoofdwinkelstraten is de leegstand slechts 2 tot 3%. De verwachting is dat door de afnemende vraag naar winkels en horecapanden de leegstand in aanloopstraten de komende jaren verder zal toenemen.
De NVM geeft in haar rapport tevens de top 10 aan van plaatsen met de meeste en minste leegstand van centrale winkelgebieden in percentage van de winkelvoorraad (zie onderstaand overzicht).
In hoeverre is, naast het internetwinkelen, de ontwikkeling van grote supermarkten, mega-outletcentra, retailparken, weidewinkels en andere verkooppunten buiten de bebouwde kom debet aan deze ontwikkeling?
De ontwikkeling van detailhandel buiten de bebouwde kom is beperkt debet aan de leegstandsontwikkeling in centrale winkelgebieden. Door de sturing van provincies en gemeenten op behoud en versterking van de centrale detailhandelgebieden is het aantal perifere vestigingen buiten de bebouwde kom of op een bedrijventerrein beperkt gebleven (in totaal bijna 8.000 panden, bron: PBL studie Detailhandel en Beleid: een continue wisselwerking, 2011). Ruim 87% van het vloeroppervlak van die perifere vestigingen heeft betrekking op de branchegroep «in/om het huis». De branchegroepen die vooral voorkomen in binnensteden, zoals «dagelijks» en «mode en luxe», komen zeer beperkt voor op de perifere locaties.
Bent u van mening dat de publieke kosten van achteruitgang en verloedering van straten en buurten met veel leegstand deels gedragen zouden moeten worden door de ondernemer die concurrerende grote verkooppunten opzet, zoals Sugar City in Halfweg, en voorgenomen outletcentra bij Steenwijk en Ressen (Gelderland)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Bovendien is leegstand het resultaat van meerdere ontwikkelingen (o.a. demografische trends, economische crisis, internetverkoop). Het is daarmee lastig een duidelijke oorzaak-gevolg relatie aan te tonen tussen een nieuw verkooppunt in de periferie, toenemende leegstand in de binnensteden en achteruitgang van de openbare ruimte.
Welke mogelijkheden benutten gemeenten en provincies om de huidige situatie het hoofd te bieden en wie draagt daarbij de kosten? Kunt u het antwoord met enkele voorbeelden verlevendigen, zoals Almelo zelf, maar bijvoorbeeld ook gemeenten zoals Zierikzee, Winterswijk, Gorinchem en Delfzijl en de Randstad, waar de kwestie ook speelt?
In een groot aantal provincies is beleid opgesteld om grootschalige en/of perifere detailhandelsontwikkelingen te sturen, mede gebaseerd op IPO richtlijnen. In deze provincies is dit beleid juridisch geborgd in de provinciale structuurvisie en de verordening of beleidsregels. In veel gevallen zijn regels opgenomen ten aanzien van de zogenaamde perifere detailhandel, weidewinkels en de verplichting om nieuwe ontwikkelingen te laten plaatsvinden binnen de bestaande gebieden.
Veel provincies agenderen via overleggen nieuwe detailhandelontwikkelingen om bewustwording van het belang van regionale afstemming te bevorderen. Enkele provincies zetten in op verplichte regionale afstemming van nieuwe ontwikkelingen (geborgd in de verordening). Provincies faciliteren kennisuitwisseling en geven financiële bijdragen voor het opstellen van (regionale) detailhandelsvisies en onderzoeken. Een aantal provincies onderzoekt de mogelijkheid om financieel bij te dragen bij herstructurering van winkelgebieden, sloop en verplaatsing.
Aanpak van leegstand is maatwerk op lokaal niveau. Vanwege de toenemende leegstand heeft het Trendbureau Overijssel samen met Ruimtevolk een «Toekomstverkenning binnensteden Overijssel»2 (september 2013) opgesteld waarin een aantal scenario’s wordt uitgewerkt. Graag verwijs ik u ook naar de publicatie «Winkelleegstand praktisch oplossen» van de Kamer van Koophandel (november 2012)3 waarin legio voorbeelden worden gegeven op lokaal niveau.
Op 12 februari 2014 presenteert Platform 31 de publicatie «Toekomstbestendige Winkelgebieden» tijdens het gelijknamige congres in opdracht van Detailhandel Nederland en de G32-gemeenten. De publicatie gaat in op de specifieke belangen, handelingsruimte en instrumenten van de diverse stakeholders in winkelgebieden, zoals winkeliers, eigenaren, financiers en gemeenten en provincies. Daarbij zet Platform 31 deze belangen af tegen relevante trends en geeft het strategische aanbevelingen die bijdragen aan de toekomstbestendigheid van verschillende typen winkelgebieden in Nederland. Voorjaar 2014 start Platform 31 met de G32-gemeenten een leerkring aanpak leegstand kantoren en winkels.
Bent u bereid een Rijksstructuurvisie Detailhandel op te stellen en/of provincies te verzoeken of bij aanwijzing te verplichten een dergelijke structuurvisie te ontwikkelen (voor zover ze dat niet al doen) en deze na indiening van zienswijzen op te laten nemen in een provinciale verordening? Zo nee, waarom niet?
Nee. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van detailhandelvisies en ruimtelijke structuurvisies ligt primair bij regionale overheden. Conform de motie De Vries heb ik hen opgeroepen hiermee actief aan de slag te gaan en zal hierover – conform de motie – aan de Kamer rapporteren voor de zomer van 2014.
Diverse partijen vanuit de detailhandel, ontwikkelaars, beleggers en overheid werken in de Winkeltop samen aan toekomstbestendige winkelgebieden en daarbij ook het aanpakken van de leegstand. Duidelijk is dat dit vooral lokaal-regionaal aangepakt moet worden. Waar nodig biedt het Rijk ondersteuning.
Postbezorging in Caribisch Nederland |
|
Mei Li Vos (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om het Caribisch deel van Nederland ook met e-commerce te verbinden met Europees Nederland en de rest van de wereld? Deelt u de mening dat het voor inwoners van Caribisch Nederland mogelijk moet zijn om via een Nederlandse webwinkel producten te kopen? Zo nee, waarom niet?
Voor de inwoners in Caribisch Nederland is het al mogelijk om via webwinkels producten te kopen. Bestellen kan bij een aantal webwinkels in Nederland en bij webwinkels in andere delen van de wereld. Daarnaast is er vanuit de markt een initiatief tot stand gekomen (een website) waarmee producten uit de Verenigde Staten kunnen worden vervoerd naar Caribisch Nederland. Indien de behoefte naar producten uit andere delen van de wereld zal toenemen in Caribisch Nederland verwacht ik dat er meer van dergelijke initiatieven tot stand kunnen komen vanuit de markt. Ook Flamingo, de nieuwe concessiehouder voor de postdienstverlening in Caribisch Nederland, heeft aangegeven activiteiten op het gebied van e-commerce in Caribisch Nederland verder te willen ontwikkelen in samenwerking met Nederlandse bedrijven, hetgeen overigens los staat van de postconcessie. Diensten op het gebied van e-commerce maken geen deel uit van de postconcessie. Ik zie hierbij dan ook geen rol weggelegd voor de overheid.
Kunt u de Kamer een inschatting geven van de benodigde financiële investeringen die nodig zijn om een systeem van postcodes in te voeren? Kunt u eveneens een inschatting geven van de benodigde tijd die het zal kosten voordat een systeem van postcodes is gerealiseerd?
Zoals aangegeven in antwoorden op eerdere vragen van uw Kamer heeft een systeem van postcodes vooral betekenis voor de bezorgkwaliteit van brieven als er sprake is van een fijnmazig en uitgebreid netwerk van bezorgpunten. Dit is in Caribisch Nederland niet het geval (zie Kamerstukken II 2011/2012 aanhangsel 2891 en Kamerstukken II 2013/2014 aanhangsel 596). Naar het oordeel van Flamingo zou een systeem van postcodes op het gebied op e-commerce daarentegen wel van waarde kunnen zijn. Diensten op het gebied van e-commerce maken geen onderdeel uit van de postconcessie. Flamingo is in de fase dat deze optie, buiten haar verplichtingen op grond van de concessie, wordt verkend en heeft nog geen zicht op de precieze tijds- en financiële investeringen die nodig zijn voor de invoering van een systeem van postcodes. Indien Flamingo eventueel op termijn besluit om een systeem van postcodes in Caribisch Nederland in te voeren, zal Flamingo dit in Caribisch Nederland bekend maken. Mij zijn naast Flamingo geen andere geïnteresseerden bekend.
Zijn er behalve Flamingo Communications andere geïnteresseerden om uitvoering te geven aan een systeem van postcodes? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Is de stelling van de Consumentenbond Bonaire juist dat het algemeen toezichthouderschap van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) niet geldt voor de BES-eilanden?1
De taken van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zijn wettelijk vastgelegd en zijn voor wat betreft Caribisch Nederland toegesneden op de lokale situatie. Voor de postmarkt in Caribisch Nederland zijn de taken van de ACM gebaseerd op de Wet post BES. De ACM ziet er op toe dat marktpartijen zich houden aan de wettelijke regels en dat de concessiehouder zich houdt aan de voorwaarden van de postconcessie. In Caribisch Nederland heeft de ACM geen taken in het kader van generiek mededingingstoezicht, zoals dat in Europees Nederland is neergelegd in de Mededingingswet. In Caribisch Nederland is geen sprake van een marktsituatie die zich leent voor toepassing van het Europese mededingingsbeleid. Vanwege de kleine economische schaal en het insulaire karakter is het perspectief voor effectieve concurrentie in veel sectoren zeer beperkt. Om de betaalbaarheid van goederen en diensten te kunnen borgen, beschikken de bestuurscolleges van de eilanden op grond van de Prijzenwet BES over de bevoegdheid om de prijzen van goederen en diensten te reguleren en om inzage te vereisen in de manier waarop prijzen tot stand komen.
Is het waar dat Flamingo Communications onlangs van eigenaar is gewisseld?2 Zo ja, is dat van invloed op de wijze waarop u het bedrijf beoordeelt?
Het klopt dat Flamingo begin vorig jaar van eigenaar is gewisseld. Deze wisseling van eigenaren heeft plaatsgevonden voordat Flamingo zich heeft ingeschreven voor de postconcessie. Dit is dan ook niet van invloed geweest op de wijze waarop het bedrijf beoordeeld is. Zoals aangegeven in antwoorden op eerdere vragen van uw Kamer (Kamerstukken II 2013/2014 aanhangsel 596) is bij de beoordeling van het bedrijf gekeken of het voldoet aan de eisen die gesteld zijn gedurende het offertetraject. Op basis van gesprekken tussen het Ministerie van Economische Zaken en Flamingo is inzicht in hun businesscase gekregen. Op basis van deze twee aspecten is Flamingo beoordeeld.
Het bericht dat de afdeling klinische verloskunde uit Hengelo dreigt te verdwijnen |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe reageert u op het bericht dat de klinische verloskunde uit Hengelo dreigt te verdwijnen?1
De ziekenhuisgroep Twente (ZGT) en het Medisch Spectrum Twente (MST) hebben aangekondigd de samenwerking op het terrein van de verloskundige zorg te willen verbeteren. Gynaecologen en kinderartsen van beide ziekenhuizen hebben samen met een vertegenwoordiging van de eerstelijns verloskundigen het plan «Een goed begin in Twente» ontwikkeld voor een gezamenlijke invulling van de geboortezorg in Twente. Het uitgangspunt hierbij is een effectievere en efficiëntere invulling van de verloskundige zorg in de regio met als doel invulling te geven aan de aanbevelingen uit het rapport «Een goed begin» van de landelijke stuurgroep Zwangerschap en geboorte. In de plannen is opgenomen dat vanaf september 2014 geen bevallingen meer plaatsvinden in Hengelo. Besluitvorming over het plan moet nog plaatsvinden. Voor mij is van belang dat in de regio verloskundige zorg wordt geboden die voldoet aan de normen voor verantwoorde zorg en bereikbaarheid. De IGZ ziet erop toe dat zorgverleners in de regio verantwoorde zorg leveren. De NZa ziet erop toe dat zorgverzekeraars zich aan hun zorgplicht houden en ervoor zorg dragen dat de bereikbaarheid in de regio geborgd is. Uit de laatste analyse gevoelige ziekenhuizen 2013 van het RIVM, die ik op 20 september 2013 aan uw Kamer heb aangeboden, blijkt dat geen van de ziekenhuislocaties van het MST en ZGT gevoelig is voor de 45 minutennorm.
Deelt u de mening dat een plaats als Hengelo niet zonder een afdeling klinische verloskunde kan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke rol heeft zorgverzekeraar Menzis gespeeld in het besluit om de afdeling klinische verloskunde in Hengelo te sluiten? Vindt u het aan een zorgverzekeraar om Hengelo te ontdoen van klinische verloskunde? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in antwoord op vraag 1 en 2 heb beschreven is het plan «Een goed begin in Twente» ontwikkeld door de gynaecologen en kinderartsen van de betrokken ziekenhuizen in samenwerking met een vertegenwoordiging van de eerstelijns verloskundigen. Zorgverzekeraar Menzis is hierin betrokken en laat weten dat «zij er vertrouwen in heeft dat het organiseren van de klinische verloskunde en het poliklinisch bevallen in Almelo en Enschede ervoor zorgt dat goede kwaliteit van zorg voor de zwangere vrouw en haar kind in deze regio beschikbaar blijft, nu en in de toekomst».
Denkt u dat de inwoners van Hengelo verheugd zijn dat de afdeling klinische verloskunde in hun woonplaats dreigt te sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ga niet speculeren hoe inwoners van Hengelo in algemene zin reageren op de plannen met betrekking tot de geboortezorg in deze regio. Voor mij is het van groot belang dat inwoners van de regio goed worden geïnformeerd over de toekomstplannen en gebruik kunnen maken van goede zorg, die voldoet aan de richtlijnen en protocollen die er zijn. Feit is dat kwaliteitsverbetering al aan de orde was en is, gezien de te hoge babysterfte in Nederland. De stuurgroep zwangerschap en geboorte heeft hiervoor aanbevelingen gedaan. Het is in het belang van de inwoners van Nederland dat deze aanbevelingen zoveel mogelijk worden ingevoerd. Uiteraard dienen ziekenhuizen daarin de inwoners mee te nemen.
Wat zegt het u dat er binnen twee en een half uur 500 handtekeningen zijn opgehaald tegen de sluiting van de afdeling klinische verloskunde? Bent u van mening dat Ziekenhuisgroep Twente dit signaal serieus moet nemen?2
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich het volgende antwoord op eerdere schriftelijke vragen: «Van ZGT zijn de volgende cijfers ontvangen: ZGT Almelo: 1.399 klinische en 176 poliklinische bevallingen; ZGT Hengelo: 1.626 klinische en 98 poliklinische bevallingen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hanteert geen minimumnorm voor het aantal bevallingen in relatie tot kwalitatief goede zorg. Het aantal bevallingen in de Nederlandse ziekenhuizen varieert van minder dan 500 tot 3.000. De meeste ziekenhuizen (55%) begeleiden tussen de 500 en de 1.500 bevallingen per jaar. Belangrijk is of er op beide locaties voldaan kan worden aan de veldnormen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte. Als blijkt dat voor bepaalde ziekenhuizen de normen niet haalbaar zijn, kunnen zij geen veilige acute zorg aanbieden. In een dergelijke situatie is concentratie noodzakelijk?3
Ja.
Is het mogelijk dat in beide ziekenhuizen in Hengelo en Almelo voldaan wordt aan de veldnormen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte, aangezien de IGZ geen minimumnorm hanteert voor het aantal bevallingen in relatie tot kwalitatief goede zorg? Zo ja, is het niet in het belang van goed bereikbare zorg het aanbieden van klinische verloskunde op beide locaties te laten prevaleren? Zo neen, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op vraag 1 en 2 heb beschreven is voor mij van belang dat in de regio verloskundige zorg wordt geboden die voldoet aan de normen voor verantwoorde zorg en bereikbaarheid. Het is aan de zorgverzekeraar en de zorgaanbieders in de regio om binnen deze kaders de zorg in te richten. De IGZ ziet erop toe dat zorgverleners in de regio verantwoorde zorg leveren. De NZa ziet erop toe dat zorgverzekeraars zich aan hun zorgplicht houden en ervoor zorg dragen dat de bereikbaarheid in de regio geborgd is. Tegelijkertijd mogen zorgaanbieders ook hogere kwaliteitseisen stellen, bovenop de minimumnormen. De stuurgroep zwangerschap en geboorte heeft aanbevelingen gedaan om de babysterfte in Nederland te laten dalen. Het is goed al aanbieders deze aanbevelingen oppakken.
Is dit de voorbode voor de verdwijning van meer klinisch-medische specialismen in Hengelo, Enschede of Almelo? Zijn hier concrete of minder concrete plannen voor? Zo ja, welke klinisch-medische specialismen dreigen waar te verdwijnen?4
Het MST en de ZGT laten mij weten dat de landelijke ontwikkelingen van concentratie en spreiding van zorg worden gevolgd en dat als gevolg daarvan niet op elke ziekenhuislocatie alle zorg kan worden geboden in de toekomst. Daarom is de Twentse Medische Coöperatie (TMC) opgericht, om de zorg voor de regio Twente te behouden. Dus ook in de ziekenhuislocaties in Twente zullen verschuivingen plaatsvinden. Op dit moment is nog niet aan te geven welke dat zijn. ZGT en MST betrekken bij de ontwikkelingen vanzelfsprekend de relevante belangengroepen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de afdeling klinische verloskunde uit Hengelo verdwijnt?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Op welke manier gaat u zich inzetten tegen de verdere verschraling van de ziekenhuiszorg in de regio Twente die dreigt wanneer medische specialismen uit Hengelo, Enschede of Almelo zouden verdwijnen?5
Zie mijn antwoorden op vraag 7 en 8.
Een minimumleeftijd voor de verkoop van e-sigaretten |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de recente berichtgeving over de verslavende, en daarmee voor de gezondheid schadelijke gevolgen van de e-sigaret?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de veiligheid van de e-sigaret.
Deze berichtgeving is gebaseerd op onderzoek van het RIVM2 en de NVWA3.
Ik heb om dit onderzoek verzocht en ik heb u per brief op 29 november 2013 over de resultaten van dit onderzoek geïnformeerd4.
Bent u eveneens bekend met de aanstekelijke reclamecampagnes voor e-sigaretten, die voornamelijk de positieve aspecten van de e-sigaret benadrukken, en worden uitgezonden op momenten dat veel jongeren kijken?
Zoals ik in antwoorden op vragen van lid van Gerven (SP)5 heb aangegeven ben ik op de hoogte van reclame op tv waarin de suggestie wordt gewekt dat het gebruik van de e-sigaret zonder risico’s is. Dit vind ik zorgelijk.
Deelt u de mening dat moet worden voorkomen dat een jonge, gezonde generatie nicotine afhankelijk wordt, doordat de e-sigaret vooralsnog voor iedereen vrij verkrijgbaar is, en onder jongeren flink wordt gemarket? Zo nee, waarom niet?
Ik zou het onwenselijk vinden wanneer jongeren die niet roken een nicotineverslaving zouden opdoen door gebruik van de e-sigaret. Mede om die reden ben ik voornemens een minimumleeftijd van 18 jaar in te stellen voor de verkoop van e-sigaretten. Ik zal u zo spoedig mogelijk nader informeren over de invulling hiervan.
Kunt u toezeggen dat u op de snelst mogelijke manier een minimumleeftijd instelt van 18 jaar voor de verkoop van e-sigaretten in Nederland, om te voorkomen dat de e-sigaret een nieuwe groep rokers trekt? Zo ja, op welke termijn wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 3.
De toename van het aantal drugsslachtoffers bij ziekenhuizen |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de tv-uitzending waarin drugshulpverleners alarm slaan over het flink gestegen aantal drugsbehandelingen op de eerste hulp van ziekenhuizen?1, en kent u het bericht «Vooral festival-bezoeker gaat hard op xtc»? 2
Ja.
Maakt u zich eveneens ernstig zorgen over de enorme toeloop van synthetische drugs in het uitgaanscircuit, het feit dat driekwart van de patiënten zich meldt met serieuze vergiftigingsverschijnselen, en dat het meestal jonge patiënten betreft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij inderdaad zorgen. Volgens VeiligheidNL, dat de cijfers uit het registratiesysteem LIS publiceerde3, kan de toename vooral toegeschreven worden aan de stijging van het aantal SEH-behandelingen in de algemene ziekenhuizen als gevolg van GHB-gebruik. Van dit middel is bekend dat het lastig te doseren is en dat overdosering een coma tot gevolg kan hebben. Dat GHB-gebruikers dit als vanzelfsprekend voor lief lijken te nemen, terwijl GHB bovendien een hoog verslavingsrisico vormt vind ik zeer zorgelijk.
Dat door bepaalde groepen uitgaanders, in het bijzonder frequente bezoekers van zogenaamde techno en hardhouse party’s, het gebruik van XTC als normaal wordt beschouwd baart mij eveneens zorgen, te meer daar de gemiddelde XTC-pil tegenwoordig twee maal zoveel van de werkzame stof MDMA bevat als enkele jaren geleden.
Ik ben alert op ontwikkelingen in het middelen gebruik onder jongeren en heb het Trimbos-instituut gevraagd extra aandacht te hebben voor verschuivingen in de jongerencultuur in relatie tot middelengebruik. Dit kan leiden tot aanvullingen van het programma Veilig en Gezonde Horeca en Evenementen (VGH) dat dit voorjaar van start gaat in vervolg op het project Veilig en Gezond Uitgaan.
Deelt u de mening dat bovenstaande berichten aantonen dat het gebruik van synthetische drugs, waaronder xtc, steeds omvangrijker en problematischer wordt? Zo nee, waarom niet? Over welke cijfers ten aanzien van het gebruik van synthetische drugs beschikt u?
In het Jaarbericht 2012 van de Nationale Drug Monitor (NDM)4 wordt het aantal actuele GHB-gebruikers geschat op 22.000 en het aantal XTC-gebruikers op 44.000. Duidelijke trends in gebruik zijn moeilijk aan te geven. XTC wordt in het bijzonder door bepaalde groepen uitgaanders gebruikt. GHB wordt steeds meer thuis gebruikt in plaats van tijdens uitgaan.
Uit de Kerncijfers Verslavingszorg 20125 van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) is af te leiden dat de hulpvraag vanwege problematisch XTC-gebruik gering is en sinds 2005 is afgenomen. Voor GHB is de hulpvraag sinds 2006 juist toegenomen.
Uit het Jaarbericht 2012 van de NDM blijkt, dat het merendeel van de XTC-incidenten gemeld wordt op de EHBO’s van grootschalige evenementen en dat de incidenten overwegend mild van aard zijn. Niettemin blijkt de ernst van de incidenten toegenomen: in 2009 viel 7% in de categorie matige of ernstige intoxicatie, in 2012 was dat 20%. Incidenten als gevolg van XTC-gebruik vinden meestal hun oorzaak in oververhitting als gevolg van een hoge dosering MDMA.
Het aandeel matige en ernstige GHB-intoxicaties, waarbij relatief vaak hulp door ambulancediensten en spoedeisende hulp (SEH) moet worden verleend, steeg van 34% in 2009 naar 68% in 2012.
Op grond van deze gegevens stel ik vast dat met name het gebruik van GHB problematischer lijkt te worden.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat het aantal drugsgebruikers dat zich bij de eerste hulp meldt zo spoedig mogelijk drastisch teruggedrongen wordt? In hoeverre heeft u daarbij zowel aandacht voor de acute gevaren van synthetische drugs als de verslavende werking?
Van GHB is bekend dat het lastig te doseren is en dat overdosering een coma tot gevolg kan hebben. Bij GHB-gebruik is niet alleen de kans op acute gezondheidsschade hoog, ook treedt bij frequent gebruik snel verslaving op en is afkicken moeilijk. Door de instellingen voor verslavingszorg is via medisch-wetenschappelijk onderzoek met steun van VWS recent een protocol ontwikkeld om het proces van ontgifting, afkicken, goed en veilig te behandelen. Inmiddels is gebleken dat relatief veel GHB-verslaafden na hun ontgifting en behandeling vrij snel terugvallen in het gebruik van GHB, waarschijnlijk vanwege de onweerstaanbare «trek of craving». Ik heb de verslavingszorginstellingen daarom opnieuw steun verleend om samen met het wetenschappelijk verslavingsinstituut van de Radboud Universiteit, het NISPA, een adequate vervolgbehandeling, waarbij terugval wordt gereduceerd, te ontwikkelen. Dit protocol zal naar verwachting in 2015 worden opgeleverd.
Daarnaast is ook een protocol ontwikkeld voor behandeling van patiënten die GHB hebben gebruikt bij de SEH, zodat acute gezondheidsrisico’s worden onderkend en behandeld.
Ik ben inderdaad van mening dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat jongeren deze drugs gaan gebruiken. Voorlichting en preventie zijn de laatste jaren aangepast. Nadrukkelijk wordt gewezen op de gevaren van gebruik, zoals out gaan, (hoge) dosering, sterk verslavende werking. Ik ben in overleg met het Trimbos instituut om te bepalen welke aanvullingen op of veranderingen in de huidige preventieve aanpak effectief zouden kunnen zijn.
Deelt u de mening dat sterker ingezet dient te worden op het voorkomen dat jongeren deze drugs gaan gebruiken, omdat dit gezondheidsschade bij jongeren kan voorkomen, en omdat dit, gezien de hoge opnamegraad van patiënten die zich melden op de eerste hulp, een kosteneffectieve inzet van middelen is? Zo ja, hoe gaat u hier concreet gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet? Hoe kan, zonder een sterkere nadruk op preventie, dit groeiende probleem dan wel worden aangepakt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening van het Trimbos Instituut dat er meer incidenten met xtc zijn, onder andere omdat «er meer vervuilde pillen zijn en de werkende stof veel hoger is dan vier jaar geleden»? Zo ja, wat betekent dat voor uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Door het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS) is in voorkomende gevallen van vervuilde pillen direct het waarschuwingssysteem van DIMS geactiveerd. Naar aanleiding van de signalen van DIMS over vervuilde pillen en de hogere dosis MDMA in XTC-pillen zijn de preventieboodschappen aangepast, zodatnog nadrukkelijker wordt gewezen op de gevaren van gebruik. Die preventie-boodschappen worden ook op party’s en festivals actief uitgedragen.
Zie verder het antwoord op de vragen 4 en 5.
Beschikken gemeenten over voldoende financiële middelen om een effectief preventiebeleid vorm te geven? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet? Wat kunt u doen om gemeenten te helpen?
Zoals aangekondigd in het Nationaal Programma Preventie (NPP) start het Trimbos-instituut in april 2014 met steun van VWS het project Veilige en Gezonde Horeca en Evenementen (VGHE). Het project VGHE wordt een vervolg op het project Uitgaan Alcohol en Drugs. Doel van het programma is het middelengebruik (tabak, alcohol, drugs, inclusief roekeloos gedrag) en daarmee samenhangende problemen van jongeren in de leeftijd van 16 tot 24 jaar, terug te dringen. Daarbij worden ook gemeenten ondersteund bij het vormgeven van een gezond en veilig horeca- en evenementenbeleid. Onderdeel van dit project is bovendien een goede voorlichting aan jongeren en hun ouders over de risico’s van middelengebruik.
Ouders kunnen een belangrijke rol vervullen als het gaat om voorlichting aan hun kinderen over de risico’s van drugs. Voor betrouwbare informatie kunnen zijn terecht bij websites met betrouwbare informatie over de risico’s van middelengebruik (zoals drugsenuitgaan.nl en drugsinfo.nl), een informatielijn en factsheets en folders van zowel het Trimbos als verslavingszorginstellingen. Voor opvoedtips kunnen ze terecht op de website hoepakjijdataan.nl. Ook is het bijvoorbeeld mogelijk een gratis cursus Praten met uw kind te volgen.
Verslavingszorginstellingen hebben een samenwerkingsverband, Verslavings-Preventie Nederland (VPN). Zij hebben gezamenlijk een geïntegreerd pakket aan verslavingspreventie-interventies samengesteld, met behulp waarvan zij gemeenten een maatwerkaanpak kunnen bieden, afhankelijk van de lokale situatie.
Welke actoren dienen nog meer hun verantwoordelijkheid te nemen betreffende drugspreventie, en hoe worden zij gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat een Nederlandse schrijver na een bezoek aan de gevangenis een geheimhoudingsverklaring moest tekenen en niet over ‘misstanden’ mocht rapporteren |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u de column van Arnon Grunberg gelezen met de titel «Gevangenis»?1
Ja.
Klopt het dat de heer Grunberg een geheimhoudingsverklaring heeft moeten tekenen met daarin de bepaling dat de betrokkene niet over «misstanden» mocht publiceren?
De heer Grunberg heeft conform de standaardafspraken die hiervoor gelden een geheimhoudingsverklaring moeten ondertekenen. In deze verklaring staat niets vermeld over het al dan niet melden van misstanden. In de (standaard) verklaring is opgenomen dat hij verklaart:
Het bovenstaande ziet op vertrouwelijke gegevens van de inrichting en de privacy van gedetineerden. Het is daarom onjuist dat de heer Grunberg een geheimhoudingsverklaring heeft moeten tekenen waarin is opgenomen dat hij niet over misstanden mocht publiceren.
Wat is de achtergrond van deze verklaring? Wie heeft deze verklaring opgesteld en waarom is er een verbod ingesteld teneinde te rapporteren over misstanden? Is deze verklaring gebruikelijk en zo ja, wie moeten die dan tekenen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het heel belangrijk is dat bezoekers van gevangenissen over misstanden mogen rapporteren als daar sprake van zou zijn?
Zolang de vertrouwelijkheid van de gegevens en de privacy van gedetineerden wordt gewaarborgd, moeten bezoekers van penitentiaire inrichtingen melding kunnen maken van vermeende misstanden.
Is er enige reden om aan te nemen dat in de betreffende gevangenis of andere gevangenissen sprake is van misstanden?
Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat er in deze gevangenis, of in andere penitentiaire inrichtingen, sprake is van misstanden.
Bent u bereid de heer Grunberg in 2015 in staat te stellen een paar dagen in een gevangenis door te brengen, ook zonder dat daartoe een strafrechtelijke aanleiding bestaat?
Met het oog op de veiligheid is het niet mogelijk om, zonder dat daartoe een strafrechtelijke aanleiding bestaat, een of meerdere nachten door te brengen in een penitentiaire inrichting.
Welke stappen onderneemt u naar aanleiding van bovenstaande vragen?
Ik zie geen enkele aanleiding om het beleid ten aanzien van de geheimhoudingsverklaring aan te passen. Mede gezien het brede bereik van de column van de heer Grunberg, betreur ik het dat hij een andere interpretatie heeft gegeven aan de geheimhoudingsverklaring dan feitelijk het geval is.
De halvering van de bediening van station Utrecht Lunetten per 15 december 2013 |
|
Farshad Bashir , Paulus Jansen |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Klopt het dat de NS-sprinters op het traject Utrecht–Tiel met ingang van 15 december a.s. niet meer zullen stoppen op station Utrecht Lunetten, waardoor de bediening van dit station wordt gehalveerd?
Dit klopt gedeeltelijk, namelijk in de richting Utrecht. Dit is gebleken bij de definitieve capaciteitsverdeling voor 2014 die ProRail in augustus 2013 bekend heeft gemaakt.1
ProRail gebruikt planningsnormen voor het beoordelen en goedkeuren van een dienstregeling zoals die tot stand komt op basis van de capaciteitsaanvragen van alle vervoerders. Aan de hand van deze normen toetst ProRail of een geplande dienstregeling zodanig in elkaar zit dat ze in de praktijk uitvoerbaar is en geen veiligheidsrisico’s met zich meebrengt.
De aanrijding bij Amsterdam Singelgracht heeft ProRail ertoe gebracht om in het proces van capaciteitsverdeling de planningsnormen vanaf 2014 scherper toe te passen en meer tijd in te bouwen tussen twee treinen. Doel hiervan is, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, conflicten in de planning te voorkomen en de kans op rood sein conflicten te verminderen. Dit leidt ertoe dat ProRail niet alle capaciteitsaanvragen op dit traject volledig kan honoreren.
Op de lijn Utrecht–Geldermalsen rijden nu vier Sprinters per uur. Twee keer per uur zouden in de richting Utrecht Centraal een Sprinter en een goederentrein in 2014 volgens de plannormen 1 minuut te dicht na elkaar kruisen. Daar komt bij dat het vanwege de verbouwing van Utrecht CS en de zuidzijde niet meer mogelijk is met een goederentrein te halteren op Utrecht Goederen emplacement. De goederentrein die conflicteert met de Sprinter moet dus wel door en beperkt daarmee de oplossingsruimte. Daarom kan NS met ingang van dienstregeling 2014 de twee kruisende Sprinters niet meer rijden en daardoor het station Utrecht Lunetten minder bedienen. In de richting Utrecht Centraal stoppen er elk uur twee in plaats van vier treinen op het station, zeven dagen per week.
Deze beperking geldt alleen in de richting Utrecht Centraal omdat de treinen elkaar in die richting ter hoogte van het station Utrecht moeten kruisen. Met het niet stoppen te Lunetten in de richting Utrecht kan de noodzakelijke ruimte tussen de kruisende treinen gerealiseerd worden. Op deze manier voldoet de dienstregeling aan de norm. Deze situatie treft op een gemiddelde werkdag ruim 1500 reizigers. In de andere richting is en blijft de bediening vier keer per uur.
ProRail is bezig de infrastructuur zodanig aan te passen (vrije kruising en extra sporen) dat de goederentrein en de Sprinter elkaar ongelijkvloers kruisen. Daarmee is er geen planningsconflict meer en kan ProRail geheel aan de capaciteitsaanvragen op dit traject tegemoet komen. ProRail heeft mij laten weten ernaar te streven dit eind 2015 gerealiseerd te hebben.
Klopt het dat deze verslechtering van de dienstregeling het gevolg is van de nieuwe planningsnormen van ProRail, waardoor er één minuut extra nodig is voor een pad voor een goederentrein tussen Geldermalsen en Utrecht?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Verandert er per 15 december a.s. iets aan de feitelijke (fysieke) situatie op het baanvak? Zo nee, waarom is deze ingreep dan nodig?
De feitelijke (fysieke) situatie op het baanvak verandert niet. Wel is de toepassing van de normen veranderd. ProRail heeft mij gemeld zo spoedig mogelijk de feitelijke (fysieke) situatie op het baanvak te veranderen om het probleem op te lossen (zie mijn antwoorden op de vragen 1 en 2).
Hoe hoog was het percentage vertraagde treinen op het baanvak Utrecht–Geldermalsen vice versa over 2013 en hoe verhoudt dit zich tot de vertragingen op andere, vergelijkbare baanvakken?
Elk baanvak heeft zijn eigen kenmerken (aantal en type treinen, ligging, kruisingen, toegestane snelheden, lengte etc.). Baanvakken zijn dus niet of nauwelijks met elkaar vergelijkbaar. Dit blijkt uit het feit dat het probleem van een beperking van de bediening van een station zich alleen op dit baanvak voordoet.
De punctualiteit (grens: 5 minuten vertraging) voor de periode 1 januari 2013 t/m 30 november 2013 is als volgt:
Geldermalsen–Utrecht 95,8%
Utrecht–Geldermalsen 95,2%
Hoofdrailnet totaal 93,8% (dus Intercity’s en Sprinters).
Hoeveel van de beschikbaar gestelde goederentreinpaden in 2013 zijn daadwerkelijk gebruikt?
De realisatie van dienstregeling 2013 is 25 goederentreinen op een gemiddelde werkdag in beide richtingen tezamen.2
Zijn in het besluitvormend proces door vervoerders en Prorail alternatieven voor deze halvering onderzocht?
ProRail heeft in nauwe samenwerking met de vervoerders veel alternatieven onderzocht. Tot hun spijt hebben partijen geen manier kunnen vinden om alle capaciteitsaanvragen van alle vervoerders te honoreren zonder andere nadelige gevolgen.
Is overwogen om in elk geval tijdens de (brede) spitsen prioriteit te geven aan de reizigerstreinen? Welke gevolgen zou dat hebben voor de overige vervoerders?
ProRail en de vervoerders hebben veel alternatieven overwogen (zie mijn antwoord op vraag 6), en zijn in overleg tot deze uitkomst gekomen. Als partijen er onderling uitkomen, is het niet nodig dat ProRail de formele prioritering op basis van de AMvB Capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur toepast. Overigens zou de uitkomst in dat geval niet anders zijn geweest.
Onderschrijft u dat alles op alles gezet moet worden om te voorkomen dat de bediening van station Lunetten voor anderhalf jaar gehalveerd wordt? Wat gaat u daaraan doen?
Om te beginnen wil ik benadrukken dat de veiligheid op het spoor van het grootste belang is. Het Nederlandse spoorwegnet is één van de drukst bereden en tegelijk één van de veiligste van de hele Europese Unie3 en dat wil ik samen met de sector graag zo houden. Natuurlijk zijn voor de reizigers onder andere ook de capaciteit en de betrouwbaarheid van het spoor van groot belang. De Lange Termijn Spooragenda noemt als doelen voor het spoor de realisatie van een aantrekkelijk product voor de klant, het verbeteren van de kwaliteit van het spoorsysteem inclusief de veiligheid en de capaciteit van het spoorsysteem. Dit is de uitdaging waar de sector voor staat. Dit betekent dat bij een aanscherping van de veiligheidsmaatregelen steeds de gevolgen voor de reizigers en de verladers in beeld moeten zijn en dat de afwegingen transparant gemaakt worden.
Ik ben met u eens dat het wenselijk is om de bediening van station Lunetten zo snel mogelijk weer op het oude niveau te krijgen. Daarom heb ik een dringend beroep op ProRail en NS gedaan om maximaal te zoeken naar mogelijkheden om de hinder voor de reizigers van zowel het vernieuwde onderhoudsrooster als de scherpere toepassing van de plannormen nog in 2014, maar zeker vanaf 2015 kleiner te maken. De spoorsector is zich bewust van deze uitdaging en gaat alle opties grondig verkennen. Ik zal erop toezien dat de sector er alles aan doet wat redelijkerwijs mogelijk is om de overlast voor de reizigers te beperken. Ik heb er bij ProRail en NS op aangedrongen om samen de reizigers zo goed mogelijk en tijdig te informeren over de reismogelijkheden. Want de reizigers zijn juist in bijzondere omstandigheden gebaat bij adequate informatie en een concreet handelingsperspectief.