Het tegengaan van internationale voetbalhooligans |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Europa strijdperk voor nieuwe Ajax-hooligans»?1
Ja.
Deelt u de mening uit het artikel dat, nu de Nederlandse competitiewedstrijden vanwege de strikte maatregelen die er zijn genomen minder mogelijkheden voor voetbalgeweld bieden, een kleine groep hooligans zich nu richt op internationale wedstrijden? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
De strikte maatregelen hebben in Nederland een gunstig effect op het bedwingen van voetbalgeweld.
Voetbalgeweld rondom internationale voetbalwedstrijden is geen nieuw fenomeen. Zo lang als er internationale wedstrijden worden gespeeld, zien we ook rivaliteit tussen en wangedrag van supportersgroepen op internationaal niveau. Deze groepen richten niet meer dan voorheen hun aandacht op internationale wedstijden. De conclusie dat er vanwege strikte maatregelen op nationaal niveau een verschuiving van supportersgeweld plaatsvindt naar internationaal niveau, deel ik dan ook niet.
Kent u het bestaan van een nieuwe generatie van hooligans bij Ajax of andere clubs die zich willen bewijzen ten opzichte van de oude kern van hooligans en die een geweldsspiraal veroorzaken? Zo ja, wat is de aard en de omvang van die nieuwe generatie? Zo nee, kent u die generatie niet of bestaat die naar uw mening niet?
Ik ken de opkomst van nieuwe generaties voetbalsupporters en -hooligans. Dit is geen nieuw fenomeen. Er is altijd doorstroom van jongere supporters naar bijvoorbeeld de risicosupporters en hooligans. De precieze aard en omval ken ik niet. De politie brengt dit in beeld en neemt passende maatregelen naar aanleiding hiervan.
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat hooligans zich bij buitenlandse uitwedstrijden van hun club gaan misdragen? Zijn er mogelijkheden die alleen de kwaadwillende en niet de goedwillende supporters treffen?
Indien een hooligan zich heeft misdragen bij voetbalwedstrijden in Nederland dan kan de KNVB een landelijk stadionverbod opleggen. Dit stadionverbod geldt voor voetbalwedstrijden in binnen- en buitenland.
Daarnaast kan de strafrechter aan een hooligan die een strafbaar feit heeft gepleegd rondom een voetbalwedstrijd, een meldplicht opleggen voor alle voetbalwedstrijden in binnen- en buitenland van een bepaalde club of alle Nederlandse betaalde voetbalorganisaties.
Overigens werken de meeste internationale politiekorpsen al samen, waardoor relevante informatie over notoire geweldplegers kan worden gedeeld.
Wilt u met uw Europese collega’s sluitende afspraken maken om grensoverschrijdend verkeer van voetbalhooligans te beëindigen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u heb geantwoord op eerdere schriftelijke vragen2 zal ik op korte termijn in Europees verband aandacht vragen voor de mogelijkheden om in nationale regelgeving een uitreisverbod in de vorm van een meldplicht op te nemen.
Heeft u contact met Ajax in verband met het onderzoek van die club naar de ongeregeldheden die onlangs in Milaan plaatsvonden? Heeft u contact met uw Italiaanse collega naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte brengen van hetgeen u uit deze contacten hebt vernomen?
Nee, ik heb hierover geen contact gehad met Ajax of een Italiaanse collega.
De bezuinigingen op bewoners en personeel in de zorg |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Vindt u het ook zo triest dat zorgaanbieder Careyn 1.000 medewerkers boventallig heeft verklaard? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Uit navraag bij Careyn blijkt dat zij geen 1.000 medewerkers boventallig hebben verklaard. In de reorganisatieplannen van Careyn voor 2014 is opgenomen dat 1.000 arbeidsplaatsen verdwijnen. Dit komt overeen met ongeveer 650 fte. Met natuurlijk verloop, beëindiging van tijdelijke contracten en de inspanningen op interne herplaatsing resulteert dit, met de kennis van nu, in tussen de 200 en 300 boventallige medewerkers bij Careyn in 2014. Ook voor deze medewerkers zal Careyn alles er aan doen om ander werk te vinden, wat echter wel veelal buiten Careyn ligt. Het gaat om medewerkers die intern niet meer herplaatsbaar bij Careyn zijn, zoals administratieve, facilitaire en straffuncties en deels ook lagere niveaus zorg- en welzijnsfuncties.
Vindt u het wenselijk dat Careyn voornemens is personeel bij herplaatsing in een lagere salarisschaal te zetten, en het salaris op de persoonlijke schaal te bevriezen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen treffen?
Instellingen zijn en blijven zelf primair verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en personeelsbeleid. Het is dus niet aan mij om hierover te oordelen, indien men binnen de vigerende wet- en regelgeving handelt. Ik heb van Careyn vernomen dat hun reorganisatieplannen een positief advies van de centrale ondernemingsraad en de bedrijfsondernemingsraden hebben gekregen. De Centrale Cliëntenraad brengt nog een definitief advies uit, maar heeft aangegeven dat de Raad van Bestuur van Careyn mag doorgaan met de voorstelde maatregelen om de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie met minder inkomsten.
Careyn zet in op interne herplaatsing en dit is voor zorgfuncties vanaf niveau 3 zeker mogelijk. Voor andere functies, zoals facilitaire en staffuncties, is dit echter niet altijd het geval en kan Careyn – zo stelt men – niet anders dan inzetten op begeleiding naar ander werk. Hierbij geldt wel een einddatum voor het dienstverband, maar geen einddatum op de deskundige begeleiding bij het vinden van nieuw werk. Careyn heeft een addendum op het sociaal plan vastgesteld. Hierin is opgenomen dat bij herplaatsing in een functie met een lagere salarisschaal het salaris op de persoonlijke schaal wordt bevroren. Dit komt bij deze reorganisaties in 2014 voor Careyn alleen voor bij staffuncties; en geldt alleen bij herplaatsing. Het FWG-systeem blijft onverkort gehanteerd.
Erkent u dat, als u de loondump bij Careyn toestaat, hiermee het hek van de dam zal zijn, en dat vele andere zorgaanbieders zullen volgen? Wilt u verantwoordelijk zijn voor de volgende loondumpgolf in de zorg; in dit geval in de verzorgings- en verpleeghuissector?
Dat erken ik niet. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zijn de instellingen zelf primair verantwoordelijkheid voor hun bedrijfsvoering en personeelsbeleid. Daarbij geldt uiteraard ook dat de bedrijfsondernemingsraden en de centrale cliëntenraad van Careyn een verantwoordelijkheid dragen om de belangen van de werknemers te behartigen. Ik heb van Careyn vernomen dat zij bij de afweging die zij hebben gemaakt intensief overleg hebben gevoerd met betrokkenen. Het gaat hier om een specifieke afweging van Careyn. Ten aanzien van de meer algemene arbeidsmarktgevolgen heb ik in mijn brief met mijn visie op de arbeidsmarkt in de zorg een agenda omschreven waarmee ik, samen met de Minister van VWS, partijen wil ondersteunen bij het realiseren van de noodzakelijke veranderingen.
Met welke reden wil Careyn geen baangarantie in het sociaal plan opnemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Careyn heeft aangegeven dat zij geen baangarantie op hebben genomen in het sociaal plan, omdat het bieden van een baangarantie naar hun inzicht niet kan leiden tot een financieel houdbare positie de komende jaren.
Hoeveel kost deze ontslagronde aan maatschappelijke kosten? Hoeveel uitkeringen zullen er nodig zijn?
Het antwoord op deze vraag is op voorhand niet te geven. Zoals aangegeven gaat het hier om een combinatie van natuurlijk verloop, het beëindigen van tijdelijke contracten en interne herplaatsing. Hiernaast wordt voor die medewerkers die boventallig zijn alles in het werk gesteld om ander werk te vinden. Afhankelijk van de definitieve uitwerking van deze maatregelen kan een inschatting worden gemaakt van de kosten.
Wat bedoelt Careyn met de opmerking «de noodzaak om te investering in vernieuwing van de zorg»? Heeft zij naast deze ontslagen wel geld over voor «vernieuwing»? Zo ja, hoeveel geld betreft dat, en betreft dat elke «vernieuwing»?2
De hervorming van de langdurige zorg vraagt dat zorgaanbieders hun aanbod (alsmede de inzet van professionals) moeten herijken. Careyn heeft aangegeven in te zetten op nieuwbouw volgens het «scheiden wonen en zorg»-principe en wil deze vernieuwing kunnen blijven doorzetten. Investeren in de kwaliteit van haar professionals en toekomstbestendige nieuwbouw voor de zware zorgvraag is de innovatie waar Careyn naar streeft.
Vindt u het acceptabel dat Careyn voorstelt dat er drie opties zijn voor bewoners van verzorgingshuizen: verpleeghuis cliënt worden, verhuizen naar een eigen zelfstandige woonruimte en thuiszorg ontvangen of verhuizen? Wat is er van uw bewering overgebleven dat «het extramuraliseren van de lage ZZP’s (zorgzwaartepakketten) alleen nieuwe bewoners treft»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit is zo niet gesteld door Careyn. Careyn heeft aangegeven dat de afschaffing van de lichte zorgzwaartepakketten de zorgaanbieder voor keuzes plaatst. Per 1 januari 2014 is de hoeveelheid gecontracteerde verzorgingshuisplaatsen sterk afgenomen. De instroom voor cliënten met een ZZP 1 en 2 is komen te vervallen. Voor Careyn zijn er drie alternatieven beschikbaar voor de bestaande verzorgingshuizen om op deze afname van de instroom van cliënten te anticiperen: ombouw van het verzorgingshuis tot verpleeghuis, het scheiden van wonen en zorg of, al dan niet op termijn, sluiting van een verzorgingshuis. Deze keuze voor een verzorgingshuis hangt af van o.a. de plaatselijke omstandigheden, behoeften en samenstelling van de bewonerspopulatie tot de exploitatiekosten en de bouwkundige staat van de locatie en de eisen die aan een locatie voor de verlening van zware zorg worden gesteld. Dit laat onverlet dat de huidige bewoners met een lage ZZP recht blijven houden op een plaats in een verzorgingshuis.
Op welke wijze zijn de bewoners, hun familie en het personeel van de 13 verzorgingshuizen die Careyn heeft betrokken bij de besluitvorming om òf een verpleeghuis te worden, òf de appartementen te gaan verhuren onder het regime «scheiden van wonen en zorg», òf te sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is geen sprake van dat bewoners worden gedwongen weer zelfstandig te gaan wonen. Cliënten behouden immers hun recht op een plaats in het verzorgingshuis. Wat betreft de afname van de instroom van cliënten met een lage ZZP, anticipeert Careyn daarop zoals beschreven in antwoord op vraag 7. Dit heeft geresulteerd in een voorgenomen besluit om bepaalde locaties op termijn te sluiten.
Careyn realiseert zich dat dit voor alle betrokkenen ingrijpende consequenties heeft. Careyn heeft geinvesteerd in intensief overleg met alle betrokkenen over de koerswijziging die van de zorgorganisatie wordt gevraagd, en welke consequenties dat heeft. Dit blijkt ook uit het advies van de medezeggenschapsorganen van medewerkers en cliënten. Eveneens zijn met zorgkantoren en gemeenten overleggen gevoerd.
Op welke wijze zijn de gemeenten waarin Careyn zijn 13 verzorgingshuizen heeft staan betrokken bij het besluit om bewoners weer zelfstandig te laten wonen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Wat vindt u ervan dat bewoners en personeel van verzorgingshuis Voornesteyn, locatie van Careyn, 6.897 handtekeningen hebben opgehaald tegen de sluiting van het verzorgingshuis? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 8 en 9. Ik realiseer me dat het sluiten van een verzorgingshuis een ingrijpende gebeurtenis is, in de eerste plaats voor de bewoners die het betreft. Ik vind het van belang dat zorginstellingen in een vroeg stadium in overleg treden met bewoners om de gevolgen van een voorgenomen sluiting zo goed mogelijk met hen te bespreken. Het betreft een voorgenomen sluiting per eind 2017. Careyn is hierover in overleg getreden met alle betrokkenen en heeft aangegeven dat de bewoners er zo lang als mogelijk kunnen blijven wonen.
Hoeveel handtekeningenacties zijn nodig om u ervan bewust te maken dat deze bezuinigingen niet verantwoord zijn? Kunt u dit aangeven?
Ik heb uw Kamer, middels diverse brieven en debatten, geïnformeerd over het nut en de noodzaak van de hervormingen van de langdurige zorg. De hervormingen zijn niet altijd gemakkelijk, maar ik blijf er van overtuigd dat deze hervormingen noodzakelijk en verantwoord zijn.
Hoe hoog is de tariefskorting die Careyn volgend jaar krijgt op de verpleeghuiszorg en de thuiszorg? Vindt u dat een acceptabele tariefskorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Careyn is werkzaam in drie zorgkantoorregio's. De zorgkantoren hadden, binnen de Aanwijzing en beleidsregels contracteerruimte de ruimte om de bezuinigingen in een korting op de prijs of de hoeveelheid op te leggen. De lichte zorgzwaartepakketten (ZZP 1–3) hebben veelal een korting van 20–25% op de hoeveelheid gekregen. Dit mede als gevolg van het beleid van extramuralisering. De thuiszorg heeft de wettelijk voorgeschreven korting (n.a.v. de afgesproken verzachting in het zorgakkoord) op persoonlijke verzorging van 7% op de prijs of hoeveelheid gekregen.
Wat vindt u ervan dat Platform VG, KansPlus, het LSR en de CG-Raad een meldactie «reorganisatie in de zorg» zijn begonnen, omdat zij zich grote zorgen maken over de gevolgen van de bezuinigingsplannen? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Zoals eerder heb aangegeven hecht ik er waarde aan dat reorganisaties binnen instellingen worden doorgevoerd met instemming van betrokken ondernemingsraden en cliëntenraden. Vanuit dat oogpunt is het goed dat organisaties de mogelijkheid bieden om melding te maken van reorganisaties waarbij deze inbreng in het geding is.
Wilt u een overzicht sturen van alle zorginstellingen die inmiddels gesloten zijn en van alle zorginstellingen die voornemens zijn om te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht heb ik niet voorhanden. Bovendien zou een dergelijk overzicht maar een partieel beeld geven. Voor het meten van de effecten van de hervormingen op de arbeidsmarkt baseer ik mij op de tweede fase van de Arbeidsmarkt Effect Rapportage (AER) waarover ik uw Kamer zal informeren.
Het artikel waarin de belangenorganisatie ICC wijst op risico’s van corruptie voor bedrijven |
|
René Leegte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Risico’s van corruptie ernstig onderschat»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen van de International Chamber of Commerce (ICC) omtrent corruptie vooral in opkomende markten?
Het kabinet deelt die zorgen en zet zich daarom in internationaal verband actief in voor de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren door onder andere in het kader van ontwikkelingssamenwerking hulp voor de rechtsstatelijke opbouw van enkele ontwikkelingslanden te bieden. Daarnaast worden Nederlandse ondernemers onder meer via economische voorlichting door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gewezen op de gevaren van omkoping en treedt Nederland als examinator op in evaluaties van andere landen in OESO- en VN-verband.
Hoe kijkt u aan tegen aangescherpte wetgeving van met name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van corruptiebestrijding en de effecten voor in het bijzonder het MKB daar waar het de introductie van ketenaansprakelijkheid betreft?
Net als Nederland kennen de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK) uitgebreide wetgeving ter bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren, mede op basis van het OESO-verdrag tegen omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties. In het Verenigd Koninkrijk is in 2010 een nieuwe anti-corruptiewet in werking getreden, de UK Anti-Bribery Act. Welke uitwerking deze Britse wetgeving in de praktijk precies heeft, zal de komende tijd moeten blijken.
De in de wetgeving van de VS en het VK opgenomen «ketenaansprakelijkheid» lijkt te betekenen dat een bedrijf de verantwoordelijkheid draagt om gepaste maatregelen te treffen en adequate procedures te implementeren om te waarborgen dat de natuurlijke- en rechtspersonen die binnen de invloedssfeer van het bedrijf vallen, zich conform het verbod op buitenlandse omkoping gedragen. Hoe ver deze ketenaansprakelijkheid in de praktijk reikt, is afhankelijk van een beoordeling van de feiten en omstandigheden in het specifieke geval.
Indien sprake is van handelen te goeder trouw in die zin dat een onderneming gepaste maatregelen heeft getroffen en adequate procedures heeft geïmplementeerd ter bevordering van de integriteit van haar werknemers en contractanten, lijkt dit onder de Amerikaanse en Britse wetgeving een geldig verweer te kunnen opleveren. Een belangrijke vraag daarbij is of de vervolgde onderneming of bestuurder kan aantonen dat alle naar redelijkheid te verwachten maatregelen zijn genomen ter voorkoming van de situatie dat een werknemer of contractant een buitenlandse ambtenaar omkoopt.
De Nederlandse overheid erkent het belang om Nederlandse bedrijven, en in het bijzonder het MKB, voldoende bewust te maken van de consequenties van internationale anti-corruptiewetgeving. Zo heeft de Rijksoverheid, in samenwerking met onder andere MKB-Nederland en VNO-NCW, in 2012 de brochure «Eerlijk zakendoen, zonder corruptie» uitgegeven. In deze brochure voor het Nederlandse bedrijfsleven wordt onder meer ingegaan op de reikwijdte van en de verplichtingen onder de Amerikaanse en Britse anti-corruptie strafwetgeving.
Welke ondersteuning krijgen bedrijven die te goeder trouw bovenbedoelde aangescherpte wetgeving overtreden en daardoor in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de kritiek van de ICC ten aanzien van de inspanningen van uw beider ministeries op het terrein van voorlichting aan Nederlanders die in het buitenland ondernemen, op het gebied van corruptie en de daarbij behorende risico’s en het onderzoek naar en de vervolging van fraude en corruptie? Welke inzet verricht u op dit gebied?
Het kabinet herkent zich niet in het beeld dat de ICC schetst. In het evaluatierapport van de OESO Anti-corruptiewerkgroep over de Nederlandse aanpak van buitenlandse omkoping van december 20122 complimenteerde de OESO Nederland juist met zijn inspanningen op het gebied van awareness raising. 3 Ter verdere verbetering is het ministerie van Buitenlandse Zaken sinds afgelopen november in gesprek met de ICC over de mogelijkheden tot samenwerking om meer bedrijven te kunnen bereiken.
Nu de Nederlandse bestrijding van corruptie ook vanuit andere internationale gremia dan de OESO recentelijk is geëvalueerd (Group of States against Corruption, GRECO4), en momenteel nog wordt geëvalueerd (Verenigde Naties en de Europese Commissie), is aan uw Kamer toegezegd5 dat de conclusies en aanbevelingen van de verschillende evaluaties op het terrein van corruptiebestrijding, waar mogelijk, met elkaar in samenhang worden bezien. Na afloop van deze evaluaties zal uw Kamer in een integrale beleidsreactie nader worden geïnformeerd.
Recentelijk heeft Nederland zich in de OESO Anti-corruptiewerkgroep tussentijds verantwoord over de mate en wijze van opvolging van een deel van de aanbevelingen uit het OESO-evaluatierapport uit 2012. De leden van de werkgroep oordeelden positief over de recente inspanningen die Nederland heeft gepleegd, onder andere op het terrein van opsporing en vervolging van buitenlandse omkoping. Voor details over de opvolging van de OESO-aanbevelingen verwijs ik naar de toegezegde integrale beleidsreactie.
Het bericht dat homostellen hun kind niet kunnen erkennen |
|
Pia Dijkstra (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat homostellen hun ongeboren kind niet kunnen erkennen?1
Van dit bericht heb ik kennisgenomen. In artikel 204 lid 1, aanhef en onder e, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staat het volgende:
«De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:
Deze nietigheidsgrond geldt op grond van de wettekst enkel voor de met een andere vrouw dan de moeder gehuwde man, en niet voor de met een man gehuwde man. Het artikellid is ongewijzigd gebleven, ook nadat het huwelijk is opengesteld voor paren van gelijk geslacht. Er is vanuit het oogpunt van gelijke behandeling evenwel geen goede reden om de met een andere vrouw dan de moeder gehuwde man een andere positie te blijven laten innemen dan de met een man gehuwde man. Op grond van de wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap (Stb. 486) komt voornoemd artikelonderdeel daarom te vervallen. Het streven is deze wet op 1 april 2014 in werking te doen treden.
Klopt het dat, als gevolg van een verschillende interpretatie van artikel 1:204 lid 1 sub e BW, de erkenning van een getrouwde homoman van zijn biologisch ongeboren kind verwekt bij een ongetrouwde vrouw per gemeente verschilt, waardoor in sommige gemeenten erkenning wel mogelijk is en in andere gemeenten niet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven in welke steden er wel sprake is van erkenning op de voorgestelde wijze en in welke niet?
Het is aan de gemeenten om de wet in het concrete geval toe te passen. Ik heb daarbij geen betrokkenheid. Ik beschik niet over gegevens waaruit blijkt in welke gemeenten de erkenning wel mogelijk is, en in welke niet. Daar komt bij dat niet iedere gemeente te maken zal hebben gehad met een casus vergelijkbaar met die welke zich thans in de Gemeente Amsterdam voordoet. De in mijn antwoord op vraag 1 vermelde wetswijziging maakt een einde aan eventuele onduidelijkheid over de wetsuitleg.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er sprake is van rechtsongelijkheid op het gebied van het erkennen van een ongeboren kind?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat een man die met een andere man getrouwd is, een ongeboren kind zou moeten kunnen erkennen van een ongetrouwde vrouw waarbij hij dit kind heeft verwekt? Zo ja, bent u bereid de mogelijke verwarring bij de gemeenten weg te nemen dan wel de wet op dit punt te verduidelijken, zo dit niet al gebeurt?
Zie antwoord vraag 3.
Discriminatie van allochtone politieagenten binnen de politieorganisatie |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de webpagina over allochtonen op de website van de politieacademie? 1
Ja.
Deelt u het streven om het aantal politieagenten van allochtone afkomst te vergroten? Zo ja, op welke wijze streeft de politie er nog steeds naar om het aantal politieagenten met een allochtone afkomst te vergroten? Zo nee, waarom deelt u dit streven niet meer?
Het kabinet hanteert geen streefcijfers ten aanzien van allochtone medewerkers. Het centrale begrip in het personeelsbeleid van de nationale politie is kwaliteit: de beste persoon op de juiste plaats, ongeacht afkomst, geslacht, kleur of leeftijd. Dit neemt niet weg dat een divers personeelsbestand in belangrijke mate bijdraagt aan het verder vergroten van de kwaliteit van de taakuitvoering en aan de legitimiteit van de politie in de samenleving. Politiemedewerkers moeten herkenbaar zijn én blijven, voor alle burgers.
In het jaarverslag van de politie uit 2011 zijn voor het laatst cijfers gepubliceerd over het aantal allochtone medewerkers. Dit percentage lag op 7%. In 2008 was dit 6,7%, in 2009 6,8% en in 2010 eveneens 7%. De cijfers geven het minimale percentage weer, omdat niet iedere politiemedewerker zijn of haar afkomst wenst te laten registreren. Na 2011 is het aantal allochtone medewerkers door de politieorganisatie niet meer actief bijgehouden. Eveneens is er geen actueel overzicht voorhanden van de in- en uitdiensttreding van allochtone politiemedewerkers.
Hoe heeft het percentage allochtone agenten bij de politie zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel allochtone agenten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks bij de politie in dienst getreden en hoeveel zijn er uit dienst getreden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het u bekend waarom allochtone agenten de politie hebben verlaten? Zo ja, welke redenen zijn u bekend? Zo nee, waarom weet u dat niet en bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Het is niet bekend of allochtone medewerkers de politie verlaten vanwege ongewenste omgangsvormen binnen de organisatie. De nationale politie voert een actief HRM-beleid om er voor te zorgen dat medewerkers de politie als een goede werkgever ervaren. In 2014 verricht de nationale politie het Medewerkertevredenheidsonderzoek (MTO) binnen de organisatie. Hoe de medewerkers de politie als werkgever ervaren, en de beleving van de omgangsvormen binnen de politieorganisatie maken deel uit van het MTO. De korpschef zal mij van de uitkomsten op de hoogte stellen. De conclusies zal ik met uw Kamer delen.
Deelt u de mening dat om meer allochtone politieagenten aan te kunnen trekken, de politie als werkgever allochtone en autochtone politieagenten gelijkwaardig moet behandelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Werknemers dienen te allen tijde gelijk te worden behandeld.
Kent ook u signalen van allochtone politieagenten die zich op de werkvloer door hun werkgever of collega’s achtergesteld of gediscrimineerd voelen? Zo ja, hoeveel klachten zijn u bekend?
Discriminatie en pesten zijn volstrekt onacceptabel. Iedere medewerker moet zich veilig en vertrouwd kunnen voelen binnen de politieorganisatie. Er bestaat geen actueel beeld over het aantal meldingen en klachten, aangezien dit niet landelijk, eenduidig wordt geregistreerd.
Het aanpakken van discriminatie en pesten op de werkvloer vindt plaats op basis van de kadernota «Omgangsvormen en sociale veiligheid», die politiebreed voorziet in regelgeving en beleid omtrent omgangsvormen. Medewerkers kunnen melding maken van of een klacht indienen over ongewenste omgangsvormen bij elke eenheid. Vertrouwenspersonen nemen de klacht in behandeling. Een vertrouwenspersoon fungeert als eerste aanspreekpunt en bekijkt met de medewerker naar een passende oplossing voor de melding en/of klacht.
Hoe worden discriminatie en pesten op de werkvloer aangepakt? Waar kunnen agenten terecht die klachten hebben over discriminatie of pesten op de werkvloer en die bij hun leidinggevende geen gehoor vinden of waarvan zij vinden dat de leidinggevende zelf dergelijke gedrag vertoont?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om onder allochtone politieagenten te onderzoeken hoe zij de politie als werkgever ervaren? Zo ja, op welke termijn kunnen er onderzoeksresultaten verwacht worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht Ombudsman: "fraude valt mee." |
|
Reinette Klever (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht van de Nationale Ombudsman: «fraude valt mee»?1
Ja.
Deelt u de mening dat elk geval van fraude keihard aangepakt moet worden en de aangekondigde fraudeaanpak dan ook zo spoedig mogelijk doorgang moet vinden? Zo nee, waarom niet?
Elke vorm van fraude is onacceptabel. Daarom wil het kabinet fraude zo veel mogelijk voorkomen en waar toch fraude plaatsvindt deze aanpakken. Uw kamer ontving op 20 december de Rijksbrede aanpak Fraude. Verder verwijs ik naar het plan van aanpak zorgfraude en de voortgangsrapportage daarover2.
Onderschrijft u de stelling van de Nationale Ombudsman dat er zoiets bestaat als «fraude die wel meevalt»? Zo ja, welke fraude is hier mee bedoeld?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit soort uitspraken van de Nationale Ombudsman een belediging is voor al diegenen die netjes hun belasting en/of premies betalen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De Nationale Ombudsman heeft tot taak om toe te zien op de overheid en daarover uitspraken te doen.
De overdracht van bevallingsverlof bij het overlijden van de moeder |
|
Enneüs Heerma (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de problemen van een vader wiens vrouw tijdens de bevalling is overleden, omdat hij de zorg voor zijn kinderen, vanwege een gebrek aan verlof, niet met zijn werk kan combineren?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in deze situatie in het belang van vader en kind is dat vader meer mogelijkheden krijgt om verlof op te nemen?
Het overlijden van de moeder bij de geboorte van een kind is een ingrijpende gebeurtenis die zowel in emotionele als praktische zin (plotselinge zorg voor het kind) grote gevolgen heeft. Uiteraard kan er niet van worden uitgegaan dat in deze situatie alles direct weer zijn normale loop heeft. Het proces van aanpassen aan de nieuwe situatie, waaronder het hervatten van het werk, zal voor iedereen anders verlopen. Ik vind het in dit kader in de eerste plaats van belang dat werknemer en werkgever goede maatwerkafspraken maken over de wederzijdse behoeften en mogelijkheden, al dan niet met gebruikmaking van de wettelijke verlofmogelijkheden. Uit het onderzoek Rouw en werk dat recentelijk in opdracht van het Ministerie van SZW is uitgevoerd blijkt dat werkgever en werknemer het lastig vinden het gesprek in deze situaties aan te gaan. Hier is nog veel winst te behalen. Ik wil hierover dan ook – zoals ik heb aangekondigd naar aanleiding van vragen die zijn gesteld tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2014- in gesprek gaan met sociale partners in het kader van de aanpak psychosociale arbeidsbelasting, waarvan ik de hoofdlijnen uiteen heb gezet in mijn brief van 20 december jl.2 Daarbij kan tevens worden bezien of de wettelijke verlofmogelijkheden in deze situaties toereikend zijn.
Bent u van oordeel dat vaders die hun vrouw tijdens, of vlak na de bevalling verliezen, naar Belgisch voorbeeld het recht zouden moeten krijgen om het bevallingsverlof van de moeder over te nemen?
Ik zal over dit onderwerp eerst in gesprek gaan met sociale partners en wil dan ook niet vooruitlopen op eventuele oplossingsrichtingen.
Zo ja, bent u dan bereid dit recht in de nieuwe wet modernisering zorgverlof op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer worden eventuele wijzigingsvoorstellen op het wetsvoorstel modernisering zorgverlof naar de Kamer gestuurd?
Ik streef ernaar de wijzigingsvoorstellen die zijn aangekondigd in de brief van 12 december jl.3, dit voorjaar aan de Kamer te zenden.
De inrichting van de specialistische blauwe diensten bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw uitspraak in het Vragenuur van 26 november 2013 dat posten van de spoorwegpolitie op stations niet worden gesloten en dat u zal kijken of de drempel om aangifte te doen op de stations onverminderd laag is gebleven?
De NS beschikt over 406 stations. De afgelopen jaren beschikten uitsluitend de stations Utrecht, Amsterdam en Den Haag over een bureau met een zogenaamde publieksfunctie waar aangifte kon worden gedaan.
Het bureau in Den Haag (station Hollands Spoor) is niet gesloten, maar kent sinds enige jaren geen publieksfunctie meer. Dichtstbijzijnde locatie waar aangifte kan worden gedaan is het nabij gelegen bureau Hoefkade. Dit heeft in goed overleg tussen de betrokken eenheden plaatsgevonden en is met het lokaal gezag besproken.
Het bureau op Utrecht CS moest, in verband met de grootschalige verbouwing van dat station, enkele maanden geleden worden gesloten. Aangifte kan nu worden gedaan op het nabij gelegen bureau. Hierover zijn duidelijk afspraken gemaakt tussen de betrokken eenheden. Ook is dit met het lokaal gezag besproken. In het kader van de uitwerking van het huisvestingsplan van de nationale politie zal ik echter bezien of het mogelijk is dat op station Utrecht CS een bureau voor het doen van aangiften kan terugkomen.
Op Amsterdam CS is het bureau niet gesloten, daar kan aangifte worden gedaan.
Het bureau op Rotterdam CS heeft tot augustus 2012 een publieksfunctie gehad. Onlangs is, na de verbouwing van het station een nieuw bureau op Rotterdam CS, zonder publieksfunctie, geopend. Aangifte kan worden gedaan bij de regionale eenheid Rotterdam. In het kader van de uitwerking van het huisvestingsplan van de nationale politie zal ik echter bezien of het mogelijk is dat op station Rotterdam CS een bureau voor het doen van aangiften kan terugkomen.
Het bureau op station Maastricht heeft vanaf 2003 al geen publieksfunctie meer. Aangifte kan worden gedaan bij de regionale eenheid Limburg.
In dit verband zij nog opgemerkt dat inmiddels door heel Nederland aangifte kan worden gedaan op alle bureaus en via tal van verschillende kanalen.
Het bovenstaande betekent dat er geen sprake is van een verslechtering in de mogelijkheid van het doen van aangifte.
Is het u bekend dat posten van de voormalige spoorwegpolitie op onder andere de stations van Den Haag, Utrecht en Maastricht zijn gesloten en dat op andere stations geen aangifte meer kan worden gedaan? Kunt u uw antwoord toelichten in het licht van uw antwoord tijdens het vragenuur?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de taak van de spoorwegpolitie op de stations moet worden overgenomen door de regionale eenheden, dat deze eenheden ook al veel andere taken hebben en dat de spoorwegpolitie zich met andere politiezaken buiten het spoordomein gaat bezighouden?
Vóór de vorming van de nationale politie waren de 25 regionale korpsen en nu zijn de 10 regionale eenheden verantwoordelijk en belast met de noodhulptaak en aangiftebehandeling.
In het Inrichtingsplan Nationale Politie is de taakverdeling van de elf eenheden (tien regionale eenheden en de Landelijke Eenheid) beschreven. Concreet is hierin opgenomen dat de noodhulp en de Intake en Service bij de regionale eenheden zijn belegd.
Met de komst van de nationale politie is conform het inrichtingsplan de (voormalige dienst) Spoorwegpolitie, net als de voormalige diensten Verkeerspolitie, Waterpolitie en Luchtvaartpolitie, ondergebracht in de dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid. De kerntaken van deze dienst zijn het handhaven van de openbare orde en veiligheid, het opsporen van strafbare feiten op de Nederlandse (hoofd)infrastructuur en signaleren, adviseren en coördineren. Daarnaast verricht de dienst, in samenwerking en in samenhang met de regionale eenheden, activiteiten om de slagkracht en effectiviteit van de politieoperatie onder andere op het spoor te versterken in het kader van een daadkrachtige overheid.
De capaciteit en expertise van de dienst Infrastructuur zijn flexibel inzetbaar. Dat betekent dat alle medewerkers van deze dienst inzetbaar zijn voor de domeinen Spoor, Verkeer en Water. Het domein Spoor kan door de flexibele inzet van de dienst Infrastructuur meer slagkracht inzetten. Indien er specifieke kennis, capaciteit of middelen op de vier vervoersmodaliteiten (spoor, weg, water en lucht) nodig is, kan de regionale eenheid een beroep doen op de Landelijke Eenheid. Denk bijvoorbeeld aan het technisch onderzoek na ontsporing van een trein of het technisch onderzoek na een aanvaring.
Waarom is ervoor gekozen om de specialismen van de waterpolitie, verkeerspolitie en de spoorwegpolitie in de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid samen te smelten in een nieuw integraal infraspecialisme? Hoe ziet u dat in het licht van de behoefte aan echte specialismen binnen de nationale politie?
Zie voor het eerste deel van de vraag de beantwoording onder vraag 3.
De dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid is gericht op (on)veiligheid, afwijkend gedrag en criminele fenomenen binnen de infrastructuur.
Mensen, goederen, geld en informatie verplaatsen zich van plaats naar plaats, zij maken gebruik van de infrastructuur. Criminaliteit en infrastructuur zijn op deze manier onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Opsporing, toezicht en handhaving op het brede terrein van de infrastructuur vereisen een specialistische vorm van kennis en kunde, vaardigheden, middelen en informatiepositie. De kracht van de politie op de infrastructuur zit in het gericht kunnen interveniëren vanuit inzicht, overzicht en doorzicht op deze stromen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van branche specifieke expertise.
Klopt het dat de Dienst Infrastructuur haar kerntaak ziet in de opsporing en niet in de handhaving? Kunt u aangeven hoe de reizigersveiligheid en de verkeersveiligheid op de hoofdinfrastructuur (water, verkeer en spoor) gehandhaafd gaan worden?
Nee, dit klopt niet.
Voor de vragen hoe de reizigersveiligheid en verkeersveiligheid worden gehandhaafd verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 3 en 4.
Is het u bekend dat het aantal ongevallen met recreatievaartuigen de laatste jaren is verdubbeld en dat het aantal dodelijke aanvaringen toeneemt, maar dat het toezicht op de recreatiewateren niet meer tot de kerntaak van de waterpolitie in de Dienst Infrastructuur wordt gerekend?
In de afgelopen maanden hebben zich op het water enkele incidenten voorgedaan waarbij sprake was van dodelijke slachtoffers. In die gevallen heeft de dienst Infrastructuur haar meerwaarde bewezen door de inbreng van specialistische kennis bij de afhandeling van deze incidenten.
Er zijn binnen de nationale politie onvoldoende gegevens voorhanden om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over het totaal aantal ongevallen en het totaal aantal dodelijke aanvaringen.
Voor het tweede deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen 3 en 4.
Klopt het dat door het integraal werken politiemensen vaak uren moeten reizen om aan het werk te gaan in een ander domein? Hoe efficiënt is dit integrale werken?
Reistijden zijn inherent aan het feit dat de medewerkers van de Landelijke Eenheid landelijk inzetbaar zijn. Dit is een belangrijk verschil ten opzichte van de medewerker van een regionale eenheid die in principe, tenzij er sprake is van een noodsituatie, in hun eigen regionale eenheid werkzaam zijn.
Het reizen van de medewerkers van de Landelijke Eenheid heeft geen relatie met het feit dat collega’s nu in een ander domein werkzaam kunnen zijn.
Dat was immers al een kenmerk van de medewerkers van het voormalig KLPD.
Hoe beoordeelt u het feit dat agenten van de spoorwegpolitie en de verkeerspolitie nu in scheepvaart moeten gaan werken en nautisch opgeleide agenten op het spoor en op de snelweg aan het werk zijn? Hoe komen zij aan voldoende kennis en ervaring om in alle domeinen aan het werk te kunnen?
Ik beoordeel deze ontwikkeling bij de Landelijke Eenheid in beginsel als positief. Door zoveel mogelijk politiemedewerkers bij de dienst Infrastructuur in kennis en vaardigheden breed toe te rusten, kunnen zij flexibel worden ingezet en kan bij noodzaak de slagkracht per domein (tijdelijk) worden vergroot.
Uitgangspunt is dat alle taken door alle medewerkers van die afdelingen uitgevoerd kunnen worden, tenzij er sprake is van noodzakelijke bijzondere expertises of dat er andere gegronde redenen zijn om hiervan af te wijken. Een taak die onder het «tenzij» valt, zijn bijvoorbeeld de medewerkers met zeevaartpapieren.
Geleidelijk zullen de politiemedewerkers via een combinatie van leren en projectmatig werken wennen aan Infrabreed denken en werken en daardoor geleidelijk aan groeien naar het niveau van breed inzetbare medewerker waarbij zij op alle domeinen de vereiste kennis en ervaring hebben opgedaan.
Deelt u de mening dat het weliswaar wenselijk is dat de capaciteit uit de oude specialistische domeinen incidenteel breder inzetbaar is, maar dat het risico daarvan is dat bij een te sterke nadruk op brede inzet kennis en expertise die nodig is om specialistisch te werken verloren gaat? Hoe gaat u de specialismen borgen?
Voor het eerste deel van deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8.
Binnen de dienst Infrastructuur wordt rekening gehouden met het feit dat bijzondere expertises niet bij iedere medewerker worden belegd. De ontwikkeling van de brede inzet van kennis en expertise bij de medewerkers leidt niet tot verlies hiervan, omdat het de kerntaak van de Landelijke Eenheid is om het noodzakelijk geachte specialisme beschikbaar te hebben en te onderhouden.
Hoe kunnen regionale eenheden zonder kennis van zaken komen tot een juiste vraagspecificatie op de specialistische politietaken ten aanzien van veiligheid en ongevallen waarvoor ze in hun domein verantwoordelijk zijn?
De voormalige regiokorpsen beschikken al vele jaren over de kennis en de ervaring om bijvoorbeeld verkeersongevallen professioneel af te handelen. Ook zijn de voormalige regionale korpsen en nu de regionale eenheden vertrouwd met de ondersteuningsmogelijkheden van voorheen het KLPD en nu de Landelijke Eenheid en de hiervoor te hanteren aanvraagprocedures.
Zoals eerder aangegeven vindt met de komst van de Dienst Infrastructuur afstemming en overleg plaats tussen de landelijke Eenheid en regionale eenheden. Dit wordt zorgvuldig vormgegeven, zodat kennis en expertise behouden blijven en de taken zorgvuldig in de regionale eenheden en landelijke eenheid worden geborgd.
Klopt het dat u recent bent benaderd door tenminste één commissaris van de Koning en een aantal burgemeesters die hun zorgen hebben geuit over de rol van de waterpolitie bij openbare orde en veiligheidsincidenten? Wat was het resultaat van uw overleggen met deze bestuurders?
Dat is mij niet bekend. Uiteraard sta ik open voor een overleg hierover.
Bent u bereid de oorspronkelijk specialismen bij de politie meer concreet inhoud te geven bij de inrichting van de Landelijke Eenheid?
In december 2012 heb ik het inrichtingsplan van de nationale politie vastgesteld. De politie werkt sindsdien aan de inrichting en opbouw van het korps conform dit inrichtingsplan. Ik houd vast aan hetgeen in het Inrichtingsplan Nationale Politie is beschreven. Uiteraard zal ik er bij de realisatie op toe blijven zien, dat de kwaliteit van de politie op specialistische terreinen op peil blijft en verbetert. Verder verwijs ik u voor mijn reactie naar de antwoorden op de vragen 8 en 9.
Het bericht ‘School doet er alles aan om van oudere leraar af te raken’ |
|
Norbert Klein (50PLUS), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «School doet er alles aan om van oudere leraar af te raken»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat CNV-Onderwijs schetst dat oudere docenten «bij het grofvuil gezet» worden?
Nee, dat beeld herkennen wij niet.
Beschikt u over cijfers die het beeld onderschrijven of ontkrachten dat oudere docenten relatief vaak betrokken zijn bij conflict- en ontslagzaken en dat hier sprake lijkt van een brede tendens in het onderwijs?
Het UWV publiceert kwartaalcijfers over de instroom van leraren in de WW. Voor het jaar 2013 zijn op dit moment alleen de instroomcijfers over de eerste 3 kwartalen beschikbaar. De UWV-cijfers laten een stijging van de instroom in de WW zien van zowel oudere als jongere leraren. Zie hiervoor onderstaande tabel.
Leeftijd
Instroom WW
Instroom WW
verschil 2013–2012
1e t/m 3e kwartaal 2012
1e t/m 3e kwartaal 2013
PO
VO
MBO
PO
VO
MBO
PO
VO
MBO
<35 jaar
2458
530
354
3190
652
343
+732
+122
-11
≥55 jaar
658
370
223
890
436
247
+232
+66
+24
Als de instroom van oudere leraren in de WW wordt afgezet tegen het totaal aantal oudere leraren in het onderwijs, kan niet worden gesteld dat oudere leraren relatief vaak worden ontslagen. Van het aantal leraren van 55 jaar en ouder in het primair onderwijs (31 457) is in de eerste 3 kwartalen van 2013 2,8% ingestroomd in de WW. Van het aantal leraren van 55 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (20 420) is 2,1% ingestroomd in de WW en van de 11225 leraren van 55 jaar en ouder in het middelbaar beroepsonderwijs 2,2%.
Ter vergelijking: van het aantal leraren in het primair onderwijs jonger dan 35 jaar (41 800) is in de eerste 3 kwartalen van 2013 7,6% ingestroomd in de WW en van het aantal leraren in het voortgezet onderwijs jonger dan 35 jaar (19 828) 3,3%. De hogere instroom in de WW bij jongere leraren heeft deels te maken met de afloop van tijdelijke contracten aan het einde van het schooljaar. Een deel van deze leraren kan in het nieuwe schooljaar weer aan de slag.
Klopt het dat bij het ontslag van deze groep docenten financiële motieven een rol spelen voor scholen en schoolbestuurders? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Het gestegen aantal WW-uitkeringen in het onderwijs is voor een belangrijk deel te verklaren door een daling van het aantal leerlingen (primair onderwijs) en omdat scholen nu de formatie in lijn brengen met de bekostiging. Door een dalend aantal geboorten is het aantal leerlingen in het primair onderwijs tussen 2009 en 2012 gedaald met 3%. Schoolbesturen vertalen deze daling vanaf 2010 door in hun personeelsbezetting.
Deelt u de mening dat (oudere) docenten niet de dupe mogen worden van slecht personeelsbeleid van scholen? Zo ja, hoe wilt u hier zorg voor dragen?
We hebben geen reden om aan te nemen dat oudere leraren nu de dupe worden.
In de onderwijscao’s zijn stringente bepalingen opgenomen met betrekking tot onder meer werkgelegenheids- en ontslagbeleid, waaraan de werkgever is gehouden. Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving hiervan.
Het voeren van een goed personeelsbeleid is de verantwoordelijkheid van de scholen zelf. In de bestuursakkoorden die met de sectororganisaties zijn gesloten, zijn goede afspraken gemaakt over onder meer de versterking van het personeelsbeleid binnen de scholen. Ook zijn in het Nationaal Onderwijsakkoord afspraken gemaakt over een nieuwe gemoderniseerde seniorenregeling, die gericht is op de duurzame inzetbaarheid van ouderen. Hieraan zal aan de cao-tafels verdere invulling moeten worden gegeven.
Deelt u de mening dat het bijhouden van de bekwaamheid van oudere docenten een gedeelde verantwoordelijkheid is van school(bestuur) en docent? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het beeld van CNV-Onderwijs dat stelt dat de verantwoordelijkheid hiervoor vaak eenzijdig bij de docent wordt neergelegd door scholen?
Het bijhouden van de bekwaamheid van (oudere) docenten is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid voor de werkgever en werknemer. In de paragrafen in de onderwijscao’s die betrekking hebben op scholing en professionele ontwikkeling, is dit ook expliciet vastgelegd. Op grond van de cao dient de werkgever in overleg met de personeelsgeleding van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (P(G)MR) het meerjarenbeleid met betrekking tot scholing en professionalisering te formuleren. Het onderhoud van de bekwaamheid is één van de doelen waarop het scholingsbeleid moet zijn gericht. In het kader van de professionele gesprekkencyclus (bestaande uit loopbaangesprekken, functioneringsgesprekken en beoordelingen) dienen tussen werkgever en werknemer afspraken te worden gemaakt over specifieke scholing en deskundigheidsbevordering die nodig is voor het onderhoud van de bekwaamheid. De werkgever moet de werknemer door de beschikbaarstelling van faciliteiten in tijd en geld ook in staat stellen om aan de wettelijke onderhoudsplicht te voldoen.
Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van deze cao-afspraken.
Deelt u de mening dat oudere docenten een belangrijke rol kunnen en moeten spelen in de begeleiding van startende docenten?
Ja, wij vinden dat oudere leraren, gelet op hun kennis en ervaring, een belangrijke rol zouden kunnen spelen in de begeleiding van startende leraren. Het is echter aan de schoolbesturen zelf om hier in het kader van levensfasebewust personeelsbeleid en taakbeleid invulling aan te geven.
Bent u bereid deze rol van oudere docenten te verbeteren en u in te spannen hun kennis en kunde te behouden voor het onderwijs? Zo ja, op welke wijze wilt u dit gaan doen?
In het Nationaal Onderwijsakkoord is de totstandkoming van een nieuwe seniorenregeling afgesproken, die participatie- en kwaliteitsbevorderend is. Doel daarvan is om ouderen duurzaam te kunnen inzetten. Op de cao-tafels zal hieraan verdere invulling moeten worden gegeven.
Het is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om binnen de in de cao gemaakte afspraken over taakbeleid, met individuele werknemers afspraken te maken over hun inzet, rekening houdend met hun belastbaarheid, kennis en ervaring. Gelet op de kennis en ervaring van oudere leraren zouden deze naar onze mening een belangrijke rol kunnen spelen in de introductie en begeleiding van beginnende leraren op de school. Het is echter aan het schoolbestuur zelf om in overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad het taakbeleid vast te stellen.
Het verstrekken van persoonsgegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) aan de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie (SILA) |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Waarom krijgt de kerk bericht verhuizing»?1
Ja.
Bent u bekend met het dwingende advies van de Raad van State dat het leveren van data uit het GBA aan SILA strijdig is met de wet omdat de historische argumentatie onvoldoende is?2
Ik ben bekend met het advies van de Raad van State, waarin de Afdeling advisering van de Raad adviseert te motiveren waarom de gegevensverstrekking aan de SILA past binnen de voorwaarden van artikel 3.3, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) en zo nodig het voorstel aan te passen.
Bent u van mening dat een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens altijd goed gemotiveerd moet plaatsvinden, uitgaande van een actuele noodzaak? Zo nee, waarom niet?
Deze mening onderschrijf ik, zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel basisregistratie personen en de nota van toelichting bij het Besluit basisregistratie personen.
Kunt u verduidelijken waarom de plaatsing van de SILA in de bijlage op de lijst van gerechtigden tot het systematisch verkrijgen van persoonsgegevens uit het GBA op dit moment een gewichtig maatschappelijk belang dient?
De plaatsing van de SILA in bijlage 4 van het Besluit basisregistratie personen als gerechtigde voor systematische verstrekking van gegevens uit de basisregistratie is in eerste instantie al verduidelijkt in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit dat, zoals u bekend, in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure bij aanbiedingsbrief van 6 september 2013 aan de Tweede Kamer werd overgelegd.3 Daarin wordt zeer uitvoerig ingegaan op de gerechtvaardigdheid van de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie aan de SILA. In het kader van deze voorhangprocedure zijn geen reacties ontvangen. Vervolgens is het ontwerpbesluit voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. In het nader rapport van 25 november 2013 is, naar aanleiding van het advies van de Afdeling de motivering van de gegevensverstrekking aan de SILA in de nota van toelichting van het ontwerpbesluit aangevuld. De relevante passage uit het nader rapport luidt als volgt. «De gegevensverstrekking aan de Stichting Interkerkelijke Leden-Administratie (SILA) is gerechtvaardigd tegen de achtergrond van de rol die de overheid decennialang heeft gespeeld in het kader van de bijhouding van de ledenadministraties van de betrokken kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag. In het verleden werden de voor de ledenadministraties benodigde gegevens rechtstreeks door de overheid verstrekt. Zoals in de nota van toelichting is uiteengezet, is er bij de totstandkoming van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) voor gekozen om niet langer de godsdienst of levensbeschouwing van de ingeschrevene op te nemen in de bevolkingsadministratie, mede vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het vervallen van dit gegeven had echter wel aanzienlijke gevolgen voor de betrokken (kerk)genootschappen, die tot dan toe hun ledenadministraties bijhielden met behulp van de gegevens uit de bevolkingsadministratie. Om hieraan tegemoet te komen werd, met steun van de overheid, door de SILA een koppelcentrum ingericht. Gelet op deze overheidsbemoeienis met de ledenadministraties, zowel in het verleden als via de gegevensverstrekking aan de SILA op grond van de Wet GBA, is een voortzetting van de gegevensverstrekking aan de SILA op grond van artikel 3.3, tweede lid, van de Wet BRP gerechtvaardigd.»
Bent u van mening dat de kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag die op dit moment nog niet zelfstandig hun ledenadministraties kunnen bijhouden, zij dat zo spoedig mogelijk zonder overheidssteun moeten kunnen? Zo nee, waarom beschouwt u het bijhouden van hun ledenadministraties als een overheidstaak?
De kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag hebben destijds met hulp van de overheid de SILA opgericht om hun ledenadministraties op efficiënte wijze te kunnen bijhouden. In het antwoord op vraag 4 is uiteengezet waarom ook op dit moment verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen aan de SILA gerechtvaardigd is.
Verwacht u dat een rechtszaak tegen het (systematisch) verstrekken van persoonsgegevens uit de GBA aan de SILA succesvol zal zijn?
Het is niet aan mij de afloop van rechtszaken te voorspellen.
Bent u bereid de SILA te schrappen als derde aan wie persoonsgegevens uit het GBA verstrekt kunnen worden?
In het licht van het gestelde in de nota van toelichting bij het Besluit basisregistratie personen, waarin met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State rekening is gehouden, zie ik op dit moment geen aanleiding de mogelijkheid van verstrekking van gegevens aan de SILA te beëindigen.
Vrijkomende schadelijke stoffen bij het ontgassen van schepen in Rotterdam |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het deze week verschenen rapport van CE Delft over ontgassingsemissies van binnenvaartschepen?1 Kunt u het verschil verklaren tussen de cijfers in dit rapport en de officiële Nederlandse cijfers voor 2011 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), aangezien de cijfers van CE Delft een factor tien hoger uitvallen dan de cijfers van het RIVM?
Ja. Het rapport van CE is gebaseerd op andere aannamen voor het bepalen van de resterende dampen na het lossen van de lading bij binnenvaartschepen. Met deze aannamen en op basis van de analyse van een aantal verschillende vluchtige stoffen is tot een schatting van de totale ontgassingemissie gekomen.
Bij de cijfers van het RIVM is uitgegaan van andere aannamen en van een ander aantal schepen dat moet ontgassen om dampvrij te worden. Bij deze berekeningen zijn ook meerdere factoren betrokken zoals de manier van lossen, de eigenschappen van de betreffende vluchtige organische stof, de temperatuur en dergelijke.
Beide methoden zijn verdedigbare, maar andere benaderingen om de omvang van het ontgassen door binnenvaartschepen in Nederland in te schatten. Nu het CE rapport andere gegevens oplevert, zal ik het RIVM opdracht geven om na te gaan welke bijdrage deze gegevens kunnen leveren aan een verdere verbetering van de bepaling van de emissies als gevolg van het ontgassen door binnenvaartschepen.
Wat betekent de hogere (werkelijke) emissie die CE Delft vaststelt voor de lokale luchtkwaliteit in Rotterdam en in omliggende gemeenten en welke gevolgen heeft dit voor de volksgezondheid?
Of en in welke mate het ontgassen gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid is niet aan te geven door de meteorologische zeer verschillende omstandigheden tijdens de in de tijd willekeurige momenten van ontgassen en de verschillen in de plaatsen van ontgassen en het tempo ervan.
Overigens werk ik toe naar een verbod op het ontgassen door binnenvaartschepen door aanpassing van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI).
Kunt u aangeven hoe het begrip «woonkern» in Nederland precies is gedefinieerd in het kader van handhaving van het verbod op ontgassen aan de buitenlucht in bewoonde gebieden? Deelt u de mening dat de haven van Rotterdam in de buurt van woonkernen gelegen is? Zo ja, welke conclusie trekt u daaruit voor de huidige praktijk?
Ik deel de mening dat de haven van Rotterdam grotendeels in de buurt van woonkernen is gelegen. Daarom streef ik naar een verbod op het ontgassen door binnenvaartschepen door aanpassing van het CDNI.
Is het u bekend hoeveel Methyl-tert-butylether (MTBE) in de buitenlucht is geloosd in het Havengebied in Rotterdam? Deelt u de mening dat MTBE, in navolging van bijna de helft van het aantal Amerikaanse staten, ook in Nederland verboden zou moeten worden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen en bent u bereid u hier in Europees verband hard voor te maken?
Het is mij niet bekend hoeveel MTBE naar de buitenlucht is ontsnapt in het Havengebied van Rotterdam.
Ik deel uw mening dat het emitteren van deze stof en ook van andere vluchtige organische stoffen met mogelijk schadelijke effecten voor de volksgezondheid niet meer zou mogen plaatsvinden.
Ik werk daarom als gemeld in het antwoord op vraag 2 aan de aanpassing van het CDNI. In juni 2014 zal een besluit worden genomen over aanpassing van dat verdrag en over het tegelijk met een diplomatieke verklaring aangeven dat de betrokken partijen tot een verbod op het ontgassen willen overgaan. De stof MTBE wordt in dat verband meegenomen.
Bent u bereid om een meldingsplicht in te voeren voor ontgassen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Bij de door mij voorgestelde aanpassing van het CDNI komt er een verbod op het ontgassen door binnenvaartschepen.
Het ontgassen van binnenvaartschepen |
|
Henk van Gerven |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de stelling dat het rapport van onderzoeksbureau CE Delft over de uitstoot van schadelijk stoffen als gevolg van het ontgassen door binnenvaartschepen, uitgaat van verkeerde aannames?1
Het rapport van CE is gebaseerd op andere aannamen voor het bepalen van de resterende dampen na het lossen van de lading bij binnenvaartschepen. Met deze aannamen en op basis van de analyse van een aantal verschillende vluchtige stoffen is tot een schatting van de totale ontgassingemissie gekomen.
Bij de cijfers van het RIVM is uitgegaan van andere aannamen en van een ander aantal schepen dat moet ontgassen om dampvrij te worden. Bij deze berekeningen zijn ook meerdere factoren betrokken zoals de manier van lossen, de eigenschappen van de betreffende vluchtige organische stof, de temperatuur en dergelijke.
Beide methoden zijn verdedigbare, maar andere benaderingen om de omvang van het ontgassen door binnenvaartschepen in Nederland in te schatten. Nu het CE rapport andere gegevens oplevert, zal ik het RIVM opdracht geven na te gaan welke bijdrage deze gegevens kunnen leveren aan een verdere verbetering van de bepaling van de emissies als gevolg van het ontgassen door binnenvaartschepen.
Wat is de oorzaak van het verschil tussen de in het artikel aangehaalde rapporten van CE Delft en van het Rijksinstituut voor Veiligheid en Milieu (RIVM)?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is toezicht en handhaving in deze georganiseerd? Welke sanctiemogelijkheden zijn er op grond van welke wetten en regels? Hoe vaak zijn afgelopen twee jaar sancties opgelegd?
Op het ontgassen van lege ladingtanks van binnenvaartschepen is verschillende regelgeving van toepassing. Toezicht en handhaving is bij meerdere instanties belegd. Om de toezichtlast zo laag mogelijk te houden en het effect van toezicht te maximaliseren, werken de verschillende instanties samen om hun programma's af te stemmen en gezamenlijke thema acties uit te voeren.
In de havens is de plaatselijke Havenmeester op grond van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen bevoegd locaties aan te wijzen waar een tankschip stilliggend mag worden ontgast. Buiten de havens is voor het ontgassen van schepen op een ligplaats toestemming van de bevoegde autoriteit vereist op grond van de scheepvaartreglementen (zoals onder andere het Binnenvaartpolitiereglement en het Rijnvaartpolitiereglement 1995) op basis van de Scheepvaartverkeerswet. Deze toestemming wordt verleend door de regionale Hoofdingenieur Directeur van Rijkswaterstaat.
De Inspectie Leefomgeving en Transport is door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen voor toezicht en handhaving van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de internationale regelgeving met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen, het ADN, geïmplementeerd. De toezichthouders van de Havenmeester zijn belast met het toezicht en de handhaving van de Havenbeheersverordening. De handhaving van de scheepvaartreglementen op basis van de Scheepvaartverkeerswet berust bij Rijkswaterstaat en de politie. De gemeente of de provincie is bevoegd gezag voor toezicht en handhaving van regelgeving voor ontgassen binnen een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Overtredingen kunnen door de desbetreffende toezichthouder bestuursrechtelijk gehandhaafd worden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Overtredingen die strafbaar zijn gesteld kunnen door opsporingsambtenaren strafrechtelijk gehandhaafd worden. (De overtredingen worden primair strafrechtelijk gehandhaafd wegens het incidentele karakter van het illegaal ontgassen).
In 2012 en 2013 zijn door de samenwerkende toezichthouders thema-acties verricht op o.a. het ontgassen op de Zuid-Hollandse wateren en in de Rotterdamse haven. Dit gaf het volgende resultaat 2012: 38 waarschuwingen en 14 processen-verbaal; 2013: 6 waarschuwingen en 17 processen-verbaal.
Acht u het nodig het RIVM-protocol waarmee de emissie van ontgassen wordt bepaald te laten herzien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, moet RIVM bij herziening ook rekening houden met de daadwerkelijke emissies en ervaringscijfers van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Rijkswaterstaat (RWS)?
Nu er nieuwe gegevens omtrent het ontgassen beschikbaar zijn gekomen, zal ik het RIVM opdracht geven om na te gaan welke bijdrage deze gegevens kunnen leveren aan een verdere verbetering van de bepaling van de emissies als gevolg van het ontgassen door binnenvaartschepen.
Bent u bereid om een meldingsplicht voor ontgassen in te stellen in Nederland? Zo nee, waarom niet en hoe wordt dan toezicht gehouden?
Bij de door mij voorgestelde aanpassing van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI) komt er een verbod op het ontgassen door binnenvaartschepen.
Welke installaties/instellingen in Nederland zijn aangegeven voor het ontgassen van toxische stoffen?
Het betreft installaties/instellingen die een milieuvergunning of omgevingsvergunning voor milieu hebben voor het verwerken van gevaarlijke stoffen. Aangezien het ontgassen door binnenvaartschepen op dit moment niet verboden is, behalve van aardoliedestillaten (soorten benzine) zijn er geen installaties/ instellingen aangegeven voor het ontgassen van toxische stoffen door binnenvaartschepen.
Kunt u een overzicht geven van dampretourinstallaties in Nederland, die vanuit de milieuvergunning nog mogen emitteren naar de buitenlucht?
Een dergelijk overzicht is op dit moment niet aanwezig. Om dit overzicht te verkrijgen is nader onderzoek nodig bij het bevoegd gezag naar alle milieuvergunningen en omgevingsvergunningen voor milieu waarin een dampretourinstallatie is geregeld.
Alle dampretourinstallaties mogen in principe emitteren naar de buitenlucht.
Wat betekent de hogere emissie voor de lokale luchtkwaliteit in de havensteden Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht en Moerdijk?
Het gaat bij ontgassen om incidentele emissies op een beperkt aantal locaties. Lokaal kan daardoor een kortdurende verhoging van de concentratie in de leefomgeving zich voordoen waardoor bijvoorbeeld geurhinder kan optreden. Mede om deze reden werk ik aan een verbod op het ontgassen door binnenvaartschepen.
Zijn de havengebieden van Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht en Moerdijk in de buurt van woonkernen gelegen? Wat is daarbij de Nederlandse definitie voor woonkern?
Het begrip woonkern is in dit kader niet nader gedefinieerd. Ik deel de mening dat de genoemde havens grotendeels in de buurt van woonkernen zijn gelegen.
De gebrekkige kennis van Nederlanders over de universele mensenrechten |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hoeveel gemeenten hebben sinds 1 januari 2013 een meerjarige aanvullende uitkering (MAU-uitkering) en/of een Incidentele Aanvullende Uitkering (IAU-uitkering) aangevraagd? Hoeveel aanvragen zijn uiteindelijk gehonoreerd en afgewezen?
Sinds 1 januari 2013 hebben 96 gemeenten een IAU-uitkering over 2012 aangevraagd en 45 gemeenten een MAU-uitkering over de periode 2013–2015.
Van de 96 IAU-verzoeken zijn inmiddels 87 verzoeken toegekend en 7 afgewezen. Op 2 verzoeken moet nog een beslissing worden genomen. Dat zal uiterlijk 31 december 2013 geschieden.
Van de 45 MAU-verzoeken zijn reeds 22 verzoeken afgewezen. Op de resterende verzoeken zal uiterlijk 31 december 2013 worden beslist, mits gemeenten de Toetsingscommissie WWB nog bijtijds kunnen informeren over de instemming van de gemeenteraad met de beoogde verbeteringen van beleid en uitvoering. Naar verwachting zullen hiervan 15 verzoeken worden toegekend en 8 worden afgewezen.
Kunt u aangeven hoe het besluitvormingsproces over de toekenning van een MAU- en IAU-uitkeringen verloopt? Wat waren, gecategoriseerd, de precieze redenen om een aanvraag af te wijzen?
Voor zowel de IAU als de MAU geldt dat de gemeente haar verzoek moet indienen bij de bij wet ingestelde onafhankelijke Toetsingscommissie WWB, dat deze commissie mij adviseert over de te nemen beslissing en dat ik van dit advies alleen kan afwijken indien het in strijd is met de wet of anderszins evidente fouten bevat. Bij IAU-verzoeken onderzoekt de Toetsingscommissie WWB in essentie of het tekort over het afgelopen jaar (dat ten minste 10% van het toegekende budget moet bedragen) is veroorzaakt door een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. In eerste aanleg geschiedt dit op basis van statistische criteria ten aanzien van in- en uitstroom, de werkloze beroepsbevolking en niet werkende werkzoekenden. Voor gemeenten die niet aan een van deze criteria voldoen, beoordeelt de Toetsingscommissie WWB vervolgens de feitelijke situatie aan de hand van een door de gemeente opgestelde analyse.
Bij MAU-verzoeken onderzoekt de Toetsingscommissie WWB in essentie of het meerjarig tekort van de gemeente verklaarbaar is vanwege het feit dat het objectief verdeelmodel in de specifieke situatie van die gemeente niet optimaal functioneert.
De redenen waarom verzoeken zijn afgewezen zijn:
Afwijzingsgrond
Aantal
IAU
a. Gemeente behoort tot de doelgroep MAU
4
b. Geen sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt
3
MAU
a. De verdeelstoornis verklaart het tekort voor 5% of minder
13
b. Gemeente heeft in 2013, 2014 en 2015 naar verwachting niet ieder jaar een tekort van tenminste 2,5%
7
c. Gemeente had over 2010, 2011 en 2012 niet ieder jaar een tekort dat als minimum is gesteld voor toelating tot de MAU
1
d. Gemeente ziet van verdere procedure af
1
Klopt het dat de aanvraag van de gemeente Enschede niet op basis van de uitkomsten van een diepgravend onderzoek ter plaatse is beoordeeld, maar is afgewezen op grond van een oriënterend econometrisch onderzoek? Zo ja, is dit wel zorgvuldig te noemen en bestaat dan niet hier het grote risico dat de specifieke lokale omstandigheden van Enschede uit het oog worden verloren? Is in dit specifieke geval wel voldoende rekening gehouden met de buitengewone omstandigheden waarin Enschede verkeert? Worden de belangrijke verdiensten van de gemeente Enschede als koploper bij de decentralisatietrajecten en het regionale arbeidsmarktbeleid hierdoor niet miskend? Geeft u, met andere woorden, niet eigenlijk te kennen dat de hoge werkloosheid en het hoge aandeel bijstandsgerechtigden in Enschede niet aan de economische omstandigheden te wijten valt, maar aan het beleid van de gemeente Enschede? Zo ja, kunt u aangeven op welke punten het lokale beleid is te kort geschoten? Zo nee, bent u bereid de afwijzing te heroverwegen?
Over het MAU-verzoek van Enschede heeft de Toetsingscommissie WWB mij nog geen advies kunnen uitbrengen. Over de strekking van het advies en de beslissing op het verzoek kan ik derhalve nog geen mededeling doen. Wel kan ik u informeren over de wijze waarop MAU-verzoeken worden beoordeeld door de Toetsingscommissie WWB.
Alle MAU-verzoeken worden op een zelfde wijze beoordeeld. Na afloop van de aanvraagperiode (1 januari tot en met 31 maart) beoordeelt de Toetsingscommissie WWB allereerst -mede aan de hand van de door de gemeente opgestelde analyse over de mogelijke oorzaak van haar tekort- of de gemeente aan alle eisen voldoet om te worden toegelaten tot het inhoudelijk onderzoek. Bij deze zogeheten pre-toets zijn dit jaar 15 verzoeken afgevallen. De overige 30 verzoeken zijn inhoudelijk onderzocht op de vraag of het meerjarig tekort van de gemeente verklaarbaar is vanwege het feit dat het objectief verdeelmodel in haar specifieke situatie niet optimaal functioneert (de zogenoemde verdeelstoornis). Namens de Toetsingscommissie WWB voert de Inspectie SZW dit onderzoek uit, waarbij rekening wordt gehouden met de uitkomsten van een oriënterend econometrisch onderzoek door een externe deskundige. Bij dit onderzoek wordt rekening gehouden met eerder vastgestelde verdeelstoornissen, maar zeer nadrukkelijk ook met potentiële verdeelstoornissen die uit de analyse van de gemeente naar voren komen. Het wezenskenmerk van het objectief model is dat de gemeentelijke prestaties ten aanzien van beleid en uitvoering niet van invloed zijn op de werking van het model, zodat deze prestaties dan ook niet bij het onderzoek naar verdeelstoornissen worden betrokken. Het is inherent aan de budgetbekostiging dat gemeenten verondersteld worden hun tekort op het WWB-budget te kunnen beïnvloeden door beleid en uitvoering, voorzover dat tekort niet verklaarbaar is vanwege aangetoonde verdeelstoornissen.
Nadat de Inspectie SZW haar inhoudelijk onderzoek heeft afgerond wordt het college in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over dit rapport kenbaar te maken ten behoeve van de Toetsingscommissie WWB. Bij haar advisering houdt de commissie rekening met zowel het rapport van bevindingen van de inspectie als de opvatting van het college.
Strikt genomen voorzien wet- en regelgeving niet in een contra-expertise. Wettelijk is geregeld dat de Toetsingscommissie WWB adviseert en dat de Inspectie SZW namens deze commissie belast is met het inhoudelijk onderzoek. De externe deskundige is op basis van een Europese aanbesteding gecontracteerd. Wel staat het de gemeente vrij om zelf, eventueel met behulp van een door haar zelf gekozen deskundige, haar belangen en opvattingen voor het voetlicht te brengen in het kader van haar MAU-aanvraag en later bij de reactie op het rapport van de Inspectie SZW. Los van deze formele momenten vindt tijdens het onderzoek overleg met de gemeente plaats, waarbij de specifieke lokale situatie – uiteraard voor zover van belang voor het inhoudelijk onderzoek – ook volop tot zijn recht kan komen.
Al met al ben ik van mening dat alle MAU-verzoeken zorgvuldig worden behandeld, met oog voor de relevante specifieke lokale omstandigheden. Dit laat onverlet dat een gemeente anders kan aankijken tegen de uitkomst van het onderzoek, en de daarop gebaseerde beslissing. In een dergelijke situatie kan de gemeente gebruik maken van de mogelijkheden van bezwaar en beroep.
Staat de wijze waarop de aanvraag van de gemeente Enschede is afgedaan op zichzelf of is deze afdoening juist exemplarisch?
Zie antwoord vraag 3.
Is een dergelijk oriënterend econometrisch onderzoek hangende de beslissing over toe- of afwijzing van de MAU- en IAU-uitkering te onderwerpen aan een contra-expertise? Zo nee, hoe wordt anders gegarandeerd dat gemeenten hun specifieke lokale omstandigheden in de besluitvorming kunnen inbrengen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke conclusies kunnen worden verbonden aan het aantal gemeentelijke MAU- en IAU-uitkeringsaanvragen? Voldoet het gehanteerde verdeelmodel nog wel? In hoeverre zullen dergelijke aanvragen toenemen na de inwerkingtreding van de Participatiewet en de Wet werk en bijstand?
Ten opzichte van eerdere jaren is sprake van een forse daling van het aantal IAU-verzoeken. Dat vind ik een gunstige ontwikkeling. Aan het dit jaar ingediende aantal MAU-verzoeken kunnen in dit stadium geen vergaande conclusies worden verbonden. Ten eerste omdat het aantal van 45 een vertekend beeld oplevert, aangezien slechts eenderde van het aantal verzoekende gemeenten met recht een beroep doet op de MAU en ten tweede omdat voor die gemeenten eerst in 2014 kan worden vastgesteld of hun erkenning als MAU-gemeente ook leidt tot een feitelijk recht op aanvullende uitkering en wat het beslag is van het totaal aantal feitelijk toegekende MAU-uitkeringen op het landelijk beschikbare budget.
Over 2012 is een totaal bedrag aan MAU-uitkeringen toegekend van € 9.280.397. Afgezet tegen het macrobudget van bijna € 5 miljard, wil dat zeggen dat met de compensatie voor verdeelstoornissen nog geen 0,2% van het landelijk beschikbare budget is gemoeid. Dit is niet onrustbarend hoog.
Laatstelijk bij brief van 16 oktober 2013 (Kamerstuk 30 545, nr. 132) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de onderzoeken die gaande zijn naar de invoering van een nieuw dan wel verbeterd objectief verdeelmodel WWB/Participatiewet per 1 januari 2015. Parallel hieraan wordt ook onderzocht of vanaf 1 januari 2015 nog behoefte bestaat aan een financieel vangnet voor gemeenten, en zo ja op welke wijze hieraan vorm gegeven moet worden.
Bent u bereid om deze schriftelijke vragen vóór 16 december 2013 te beantwoorden (voorafgaande aan het Wetgevingsoverleg Wet Maatregelen Wet werk en bijstand)?
Ja.
Bacteriën zonder vijand |
|
Henk van Gerven , Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de tv-uitzending «Bacterie zonder vijand» van 8 december 2013?1
Ja.
Kent u het artikel «Ban resistant strains from food chain» van 19 september 2013?2
Ja.
Kunt u de consequenties schetsen, indien Carbapenem-resistente Enterobacteriën (CRE’s), zoals een variant van de Klebsiella Pneumoniae die resistent is tegen alle antibiotica, zich via voedsel in Nederland zou verspreiden?
Een en ander is al eerder gewisseld in het VSO antibioticaresistentie van donderdag 12 december jl. Carbapenems zijn antibiotica die – als een van de laatste redmiddelen – worden ingezet bij besmettingen met multiresistente bacteriën. Ik zie deze vorm van resistentie als een serieuze dreiging voor de volksgezondheid en neem dit probleem zeer serieus. De geuite zorgen deel ik. Het is van belang te voorkomen dat deze resistentie in Nederland via de veehouderij of langs andere wegen wordt geïntroduceerd in de voedselketen. Vanuit de overheid is en wordt er met wetenschappers uit verschillende domeinen overleg gevoerd over deze problematiek. Er is echter nog veel onbekend over het vóórkomen van deze vorm van resistentie o.a. in het milieu/het ecosysteem, over de wijze van verspreiding (transmissieroutes) en over de wijze en mogelijke bronnen van besmetting. Omdat we de carbapenemase problematiek uiterst serieus nemen, hebben de Staatssecretaris van EZ en ik het RIVM opdracht gegeven tot het opstellen van een integraal advies over deze problematiek, waar ook het effect van mogelijke maatregelen deel van uitmaakt. Humane en veterinaire experts zullen onder leiding van de directeur van het Centrum voor Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in gezamenlijkheid werken aan dit advies. In dit advies wordt gekeken naar het totaalbeeld van CRE risico’s in de veterinaire en humane gezondheidszorg en de vraag waar wij het beste maatregelen kunnen treffen om de volksgezondheid of de voedselveiligheid optimaal te waarborgen.
Klopt het dat er recent in Duitsland CRE’s zijn aangetroffen in de voedselketen? Wanneer en waar zijn CRE’s in Europa in voedsel aangetroffen? Welke acties zijn daarop in Duitsland of andere landen ondernomen?
CRE's zijn in 2011 incidenteel aangetoond bij varkens en pluimvee in Duitsland. Ons is niet bekend welke acties er ondernomen zijn naar aanleiding van deze bevindingen. CRE's zijn voor zover ons bekend nog niet aangetoond op voedsel.
Wat is uw reactie op uitspraken van hoogleraar microbiologie Kluytmans dat het slechts een kwestie van tijd is voordat CRE’s in Nederland in voedsel zullen verschijnen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat is uw reactie op de inschatting dat in 2007 1.500 doden vielen in Europa door Escherichia Coli, die resistent is tegen derde generatie antibiotica?3
Het aantal in 2007 in Europa overleden patiënten met een bloedbaaninfectie met de hier bedoelde resistente Escherichia coli (E. coli) werd geschat op 2.712. Het getal 1.500 wordt door de onderzoekers geschat als dat deel van de humane sterfgevallen dat zij relateren aan antibioticaresistentie bij pluimvee. De kans op sterfte wordt 2,5 keer hoger geschat bij een resistente E.coli in vergelijking met een gevoelige (bacteriën die nog wel reageren op antibiotica) E. coli. Overigens is het aantal sterfgevallen door gevoelige E. coli’s in absolute zin veel hoger dan het aantal sterfgevallen door resistente E. coli’s (in Europa 8.377 versus 2.712, in Nederland 267 versus4. Dit onderstreept dat niet alleen moet worden ingezet op het verminderen van resistentie en tijdige adequate antibiotische behandeling, maar ook het voorkómen van zorg gerelateerde infecties in algemene zin.
Door de lage incidentie van bloedbaaninfecties door derde generatie cephalosporinen resistente E. coli in Nederland, lag het aantal gerelateerde sterfgevallen relatief laag.
In hoeverre wordt er gecontroleerd op CRE’s in voedsel door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Gebeurt dit systematisch? Zo ja, met welke frequentie? Welk percentage wordt gecontroleerd?
Er wordt sinds 2011 systematisch gemonitord op CRE organismen in vlees en andere producten. Vanuit kaas, vlees, kruiden, groenten en fruit zijn ruim 4600 monsters en 1100 isolaten onderzocht. Hierin zijn tot nu toe geen bacteriestammen aangetroffen die resistent zijn tegen carbapenems.
Inmiddels zijn de eerste stappen voor een geharmoniseerde Europese monitoring van CRE’s door de lidstaten in een uitvoeringbesluit van de Europese Commissie opgenomen, dat afgelopen november is gepubliceerd. Hieraan zijn geen verdere handhavingmaatregelen gekoppeld zoals traceerbaarheid en vernietiging.
Wordt er gecontroleerd op CRE’s door de voedingsindustrie? In hoeverre zijn bedrijven hiertoe verplicht?
Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk voor de voedselveiligheid, en zij voert de controles uit op microbiologische risico’s zoals in de Europese wet- en regelgeving zijn vastgesteld. Deze bevatten geen verplichtingen tot controle op CRE’s.
Bent u bereid systematisch te laten controleren op de aanwezigheid van CRE’s in voedsel in Nederland, gezien de ernst van de gevolgen van een mogelijke besmetting?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat is de huidige procedure, mochten CRE’s in voedsel worden aangetroffen? Is tracering en vernietiging verplicht? Zo neen, bent u bereid deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wilt u zich sterk maken voor een nul tolerantie beleid in Europa op deze zeer gevaarlijke multiresistente CRE’s in voedsel?
Zoals ik in de beantwoording van de vragen 3 en 5 heb aangegeven heb ik het RIVM gevraagd ons te adviseren over de effectiviteit van mogelijke maatregelen, onder andere op voedsel. Ik verwacht dit advies binnen 3 maanden. Zoals toegezegd in de brief van 16 december jl. zal uw Kamer naar aanleiding van dit advies nader worden geïnformeerd.
Bent u bereid op korte termijn de mogelijkheid van het invoeren van een nul tolerantie beleid in Nederland van de gevaarlijke multiresistente CRE-bacterie te onderzoeken?
Zie het antwoord op vraag 11.
Kunt u uiteenzetten welke rol de intensieve veehouderij en het gebruik van de diverse soorten antibiotica in de veehouderij speelt bij het vraagstuk van de CRE’s? Kunnen er in dit verband preventieve maatregelen worden getroffen in de intensieve veehouderij? Zo ja, welke?
Carbapanems zijn in de EU niet toegelaten voor gebruik in voedselproducerende dieren. Dit gaat de ontwikkeling van CRE in de veehouderij tegen. Omdat resistentie (vanuit een ander domein, bijvoorbeeld via het milieu) mogelijk geïntroduceerd kan worden in de veehouderij, voeren we in de veehouderij systematische monitoring uit op CRE. De Europese overheden worden in een recent EFSA-advies (december 2013) aanbevolen om pro-actief beheersmaatregelen te formuleren die gericht zijn op het zo veel mogelijk voorkomen van de verspreiding van carbapenemase-producerende bacterien onder landbouwhuisdieren. Ik heb het RIVM gevraagd het EFSA advies mee te nemen in het door ons gevraagde advies.
Welke niet vrijblijvende maatregelen gaat u nemen om de ontwikkeling van nieuwe antibiotica te bevorderen?
Zoals aangegeven in mijn brief aan de Kamer van 2 juli 2013 en in de beantwoording van het Schriftelijk Overleg naar aanleiding van deze brief, is de ontwikkeling van nieuwe antibiotica primair een zaak van de industrie. Echter wanneer marktwerking vooralsnog onvoldoende leidt tot benodigde producten dient de overheid stimulerend op te treden. Dit gebeurt al sinds 2009 met het ZonMw programma «Priority medicines antimicrobiële resistentie». Dit programma loopt vooralsnog tot 2018 en heeft een budget van ruim 14 miljoen euro. De focus van het programma ligt op antibioticaresistentie. In dat kader wordt primair bijgedragen aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën, snellere vormen van diagnostiek, optimaliseren van de behandeling met antibiotica (dosis en gebruik) en het zoeken naar mechanismen en targets voor nieuwe antibiotica. ZonMw werkt daarbij nauw samen met ondermeer het Europese netwerk rond het Joint Programming Initiative on Antimicrobial Resistance en met IMI, het Innovative Medicines Initiative (IMI). IMI betreft een groot Europees publiek-privaat initiatief voor onderzoek naar, en de ontwikkeling van geneesmiddelen (ruim € 2 miljard in de afgelopen periode). Ook in IMI2, waarvoor het programma thans wordt vormgegeven, krijgt antibioticaresistentie de nodige aandacht. De voorgenomen bijdrage van de industrie wordt hierbij 1 op 1 gematched met een bijdrage vanuit de Europese onderzoeksmiddelen. Naast de industrie, dragen ook academische en andere researchinstellingen bij. Binnen IMI wordt niet enkel gewerkt aan geheel nieuwe antibiotica. Ook bijvoorbeeld door een beter gecombineerd gebruik van bestaande middelen en een aanpassing van bestaande middelen, blijkt het mogelijk om bestaande resistentie teniet te doen.
Ik vind het belangrijk dat de industrie bezig blijft met de ontwikkeling van antibiotica. De industrie is immers voor de ontwikkeling en grootschalige productie van antibiotica prima geëquipeerd. Wat echter onvoldoende aanwezig is, zijn prikkels voor en bij de industrie en andere bij de ontwikkeling van antibiotica betrokken partijen om de schaarste aan effectieve antibiotica op te lossen. Met het oog daarop dienen naast het inzetten van push-factoren in grootschalige programma’s als het Innovative Medicines Initiative (IMI) ook de pullfactoren te worden versterkt. In mijn brief noem ik daarbij als voorbeeld de mogelijkheid van patentverlenging. Ik bespreek deze en andere mogelijkheden die ik daarvoor zie met de Europese Commissie. En zal blijvend nieuwe mogelijkheden om deze processen te versnellen verkennen.
Het gebruik van overheidsvorderingen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Enneüs Heerma (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Klopt het dat de Belastingdienst bij een overheidsvordering belastingschulden zonder toestemming mag afschrijven van de bankrekeningen van de belastingplichtige tot op het maximum dat de belastingplichtige rood mag staan?
De Belastingdienst heeft sinds 1 november 20091 op grond van de wet2 de bevoegdheid om een belasting- of toeslagvordering van de betaalrekening van de belasting- of toeslagschuldenaar te incasseren (overheidsvordering). Deze wettelijke bevoegdheid komt voort uit de Wet versterking fiscale rechtshandhaving3. Er kan pas gebruik van de bevoegdheid worden gemaakt nadat er een aanmaning is verzonden en een dwangbevel is betekend aan de belastingschuldige, maar de belastingschuldige desondanks niet tot betaling van zijn belastingschuld is overgegaan. Voor de inzet van de overheidsvordering is geen toestemming van de belastingschuldige nodig.
De overheidsvordering moet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in de regelgeving4. Zo is onder meer vastgelegd hoe vaak de overheidsvordering mag worden gedaan, voor welk bedrag en welke eisen er gelden ten aanzien van de informatievoorziening.
De overheidsvordering volgt de systematiek van de automatische incasso. Bij een automatische incasso wordt geen onderscheid gemaakt tussen een positief saldo of kredietruimte.
Hoe wordt in geval van een overheidsvordering door de Belastingdienst omgegaan met de beslagvrije voet?
Met ingang van 1 november 2013 is de Leidraad Invordering 2008 gewijzigd5. Met deze aanpassing van de Leidraad is gevolg gegeven aan de kabinetsreactie op het rapport Paritas Passé. In de Leidraad is sinds 1 november 2013 vastgelegd dat de belastingschuldige na uitvoering van de overheidsvordering kan verzoeken om een (gedeeltelijke) correctie van de overheidsvordering in verband met de voor hem geldende beslagvrije voet.
Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de beslagvrije voet niet van toepassing bij een beslag op een betaalrekening. Om die reden is een aangepaste berekeningswijze in de Leidraad opgenomen. De regelgeving rondom de beslagvrije voet is geënt op het beslag op een periodieke betaling6 zoals loon of een uitkering en niet op een beslag op vermogen. Om die reden wordt bij de berekening rekening gehouden met aanwezig vermogen bij de belastingschuldige. Mocht de belastingschuldige beschikken over meer vermogen dan de voor hem geldende beslagvrije voet, dan wordt de overheidsvordering niet ongedaan gemaakt. Om deze beleidswijziging rechtstreeks kenbaar te maken bij de belastingschuldige is de brief die wordt verzonden na uitvoering van de overheidsvordering aangepast. De belastingschuldige wordt in deze brief uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van toepassing van de beslagvrije voet bij een overheidsvordering.
In aanvulling hierop is op de website van de Belastingdienst een berekenmodule beslagvrije voet geplaatst. Deze berekenmodule kan door de belastingschuldige gebruikt worden om zijn beslagvrije voet te berekenen. Het kan daarbij zowel gaan om een loonvordering, verrekening of overheidsvordering. Bij de berekenmodule is eveneens een verzoekformulier geplaatst waarin de belastingschuldige de Belastingdienst kan vragen om een correctie. De koepelorganisaties van de decentrale overheden hebben hun leden over de wijziging van de Leidraad Invordering geïnformeerd en hen gevraagd het rijksbeleid over het achteraf toepassen van de beslagvrije voet conform toe te passen.
Herinnert u zich dat de regering schreef: « Tot slot wordt het mogelijk gemaakt om (een vorm van) de beslagvrije voet achteraf toe te passen.» (Kamerstuk 24 515 nr. 255, blz. 7)? Op welke wijze wordt hieraan uitvoering gegeven?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit vergaande instrument slechts in uitzonderlijke situaties moet worden ingezet? Hoe vaak heeft de Belastingdienst per jaar gebruik gemaakt van het instrument «overheidsvordering» vanaf het jaar 2009 en welke soorten belasting betrof het?
De overheidsvordering is een bijzondere invorderingsbevoegdheid. Bij een bijzondere bevoegdheid hoort ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Bij de toepassing van de overheidsvordering moet de zorgvuldigheid worden betracht die in overeenstemming is met aard en karakter van dit instrument. Deze zorgvuldigheid is bijvoorbeeld vertaald in de waarborgen die zijn ingebouwd bij de selectie van de posten en bij de laagdrempeligheid om om herstel te vragen.
De overheidsvordering blijkt in de praktijk een efficiënt middel bij de invordering van kleinere belastingschulden. De invordering van die bedragen is in de praktijk kostbaar en tijdrovend. In de praktijk biedt een beslag op de uitkering of het loon niet altijd soelaas. Ook zijn er niet altijd voor verhaal vatbare goederen beschikbaar: de inboedel is weinig waard – openbare verkoop kost meer dan de inboedel oplevert – of de aanwezige waardevolle goederen zijn niet in eigendom van de belastingschuldige. De auto – die wel verhaal biedt – is vluchtig en is verdwenen op het moment dat de deurwaarder aan de deur komt. Zonder de overheidsvordering zouden er meer belastingaanslagen onbetaald zijn gebleven. De aan dit instrument ten grondslag liggende bedoeling van de wetgever om op efficiënte wijze kleine belastingschulden te kunnen innen die anders onbetaald zouden blijven wordt hiermee op een evenwichtige wijze in de praktijk uitgevoerd.
Tot en met 2012 is met de overheidsvordering ongeveer € 27,5 miljoen ingevorderd. Het gaat daarbij om 160.000 aanslagen motorrijtuigenbelasting. Het slagingspercentage van de overheidsvordering in die periode was ongeveer 37%. In de tabel hieronder staat over de periode 2009 tot en met 2013 per jaar de aantallen overheidsvorderingen en de aantallen en percentages van de herstelposten. Het slagingspercentage voor de aanslagen motorrijtuigenbelasting blijkt ook in 2013 rond 37% te liggen. Een slagingspercentage van 37% betekent dat de betaalrekening voldoende soelaas bood om de belastingschuld door middel van de overheidsvordering te voldoen. In de overige 63% van de gevallen bleef voldoening van de belastingschuld achterwege.
In 2012 is de overheidsvordering als pilot toegepast voor openstaande aanslagen in de inkomstenbelasting. Voor deze aanslagen was het slagingspercentage ongeveer 50%.
Naast de toepassing van de overheidsvordering bij aanslagen motorrijtuigen en inkomstenbelasting, gaat de Belastingdienst de overheidsvordering in de vorm van een pilot ook toepassen bij andere belastingmiddelen en toeslagvorderingen. De pilot heeft mede tot doel om te onderzoeken hoe kan worden gedifferentieerd naar de hoogte van de overheidsvordering.
Op de brief die wordt verzonden na uitvoering van de overheidsvordering is een gratis telefoonnummer vermeld zodat belastingschuldigen eventuele klachten over de overheidsvordering op een snelle en eenvoudige manier kenbaar kunnen maken. Dit telefoonnummer is ook vermeld op het bankafschrift van de belastingschuldige. De aard van de ontvangen reacties verschilt. Veelal kan worden volstaan met een uitleg van wat de overheidsvordering inhoudt. In sommige gevallen is doorverwijzing nodig wegens een inhoudelijke vraag over de onderliggende aanslag of is herstel van de overheidsvordering aan de orde in verband met afschrijven van een verkeerd rekeningnummer. Herstel houdt in dat het afgeschreven bedrag direct wordt teruggestort op de desbetreffende betaalrekening. Gevallen waarin compensatie voor gevolgschade is gevraagd, zo leert navraag binnen de Belastingdienst, zijn niet bekend. Van belang daarbij is dat het 0800 nummer gratis is en de periode waarin het geld niet op de betaalrekening heeft gestaan relatief kort is. De inschatting van de Belastingdienst is dat over de periode 2009 – 2012 grofweg één officiële klacht per jaar is binnengekomen over de uitvoering van de overheidsvordering.
In onderstaande tabel zijn de cijfers schematisch weergegeven:
133
48.718
166.201
183.973
162.095
0
132
1.279
749
470
0
0,3
0,8
0,4
0,3
Proef in één regio met de overheidsvordering bij motorrijtuigenbelasting.
Proef in twee regio’s met de overheidsvordering bij motorrijtuigenbelasting.
Tot en met de maand oktober (ongeveer 95% MRB / 5% IH).
Hoeveel klachten zijn er binnengekomen over de overheidsvordering in elk van die jaren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is in elk jaar een bedrag van de verkeerde rekening afgeschreven en op welke compensatie heeft iemand recht, bij wie ten onrechte ingevorderd is?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is iemand door de Belastingdienst gecompenseerd voor gemaakte kosten door een onterechte overheidsvordering?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer ontvangt de Kamer een evaluatie van de overheidsvordering bij de motorrijtuigenbelasting en de inkomstenbelasting?
Voor informatie over de pilot overheidsvordering verwijs ik u naar de brief die enkele jaren geleden aan uw Kamer is gezonden7. De toezegging om uw Kamer te informeren over de uitkomsten van deze pilot was gedaan bij de behandeling van de Wet versterking fiscale rechtshandhaving waarin de overheidsvordering werd geregeld. De Eerste Kamer heeft dit voorjaar, eveneens conform een toezegging gedaan tijdens de behandeling van genoemde wet, een evaluatie over de toepassing van de overheidsvordering ontvangen8.
Heeft u kennisgenomen van de «Evaluatie pilot Overheidsvordering Lokale Overheden»?
De door u bedoelde evaluatie is bij mij bekend. De Betaalvereniging Nederland, als vertegenwoordiger van de banken, heeft met mijn instemming een zeer actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de evaluatie. Deze bredere benadering biedt daardoor meer waarborgen om kritische factoren in beeld te brengen. De banken hebben immers een direct belang bij een verantwoorde uitvoering van de overheidsvordering en een deskundige afhandeling van vragen over de overheidsvordering door overheidsdiensten. Een belastingschuldige die geconfronteerd wordt met een overheidsvordering zal snel geneigd zijn om de telefoon te pakken en zich te wenden tot de klantendienst van zijn bank. Illustratief is dat ook bij de toepassing van de overheidsvordering door de lokale overheden bleek dat de klantendiensten van de banken niet zijn geconfronteerd met klachten of vragen over de overheidsvordering.
Afhankelijk van de lokale werkwijze, werden belastingschuldigen bij de pilot bij de decentrale overheden doorverbonden naar een aparte afdeling met medewerkers met specifieke deskundigheid over de overheidsvordering, of werden de vragen beantwoord door een «frontoffice». Uit de evaluatie bleek dat beide methodes tot bevredigende uitkomsten leiden. De aard van de vragen waarmee burgers zich tot de lokale overheden wendden, komt overeen met de vragen waarmee de Belastingdienst te maken heeft. Het gaat dus veelal om verzoeken om informatie of een nadere toelichting.
Wat vindt u van het feit dat de overheden zelf de evaluatie schrijven en dat alle deelnemende overheden op de vraag of hun eigen (informatie)telefoon de juiste informatie verschaft, braaf «ja» antwoorden en het antwoord van de evaluatie dus is dat de overheid de juiste informatie verschaft?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze vindt overleg plaats met belangengroepen van bijvoorbeeld schuldhulpverleners, die heel andere ervaringen hebben met de overheidsvorderingen, voordat er wordt overgegaan op verdere invoering van de overheidsvordering?
U vraagt naar overleg met betrokken partijen, mede naar aanleiding van de aanbevelingen uit Paritas passé. Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3, is aan de bezwaren van de opstellers van het rapport tegemoet gekomen door correctie van de overheidsvordering mogelijk te maken in verband met de beslagvrije voet. Dit is ook zo toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport. Bij deze kabinetsreactie is eveneens het rapport van de Nationale Ombudsman betrokken. Het rapport van de Ombudsman stelde namelijk dezelfde problematiek aan de orde als het rapport Paritas Passé.
Periodiek wordt overleg gevoerd tussen ambtenaren van het Ministerie van Financiën en de NVVK9. Tijdens die overleggen komen knelpunten uit de praktijk op tafel. Het kan hierbij gaan om de samenwerking tussen de schuldhulpverlening en de Belastingdienst of uitleg en toepassing van het beleid van de Belastingdienst.
Daarnaast is in lijn met de reactie van het kabinet op het rapport «Paritas Passé, debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden» de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) gestart met de ontwikkeling van een centraal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders. Het is de intentie van het kabinet en de KBvG dat op de langere termijn ook door overheidsorganisaties gelegde beslagen en andere overheidsvorderingen in het register worden opgenomen. De KBvG, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Belastingdienst hebben hierover al verkennende gesprekken gevoerd. Bij de ontwikkeling van het beslagregister wordt erop toegezien dat er geen keuzes worden gemaakt die het voor andere schuldeisers uiterst lastig maken om aan te sluiten.
Tenslotte is in dit kader nog belangrijk om te melden dat het kabinet werkt aan de ontwikkeling van een Rijksincassovisie. In deze visie zullen algehele behoorlijkheidsnoties worden vastgelegd in de relatie met overheidsschuldenaren.
Op welke wijze vindt overleg plaats met gerechtsdeurwaarders, die aanbevelingen gedaan hebben voor het oplossen van knelpunten door ongelijke incassobevoegdheden in het onderzoeksrapport Paritas Passé?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om de Nationale Ombudsman te vragen welke aanbevelingen hij heeft over de overheidsvordering (inclusief de geplande uitbreidingen) en zijn aanbevelingen aan de Kamer te doen toekomen (mede naar aanleiding van het rapport «In het Krijt bij de Overheid»)?
Zie antwoord vraag 11.
Belastinggeld voor Palestijnse ambtenaren |
|
Raymond de Roon (PVV), Barry Madlener (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «The European Union continues its support for the Palestinian Authority with an € 11 million EU and Dutch contribution for the payment of November salaries and pensions»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland en de EU tezamen € 11 mln. aan salarissen en pensioenen van Palestijnse ambtenaren en gepensioneerden hebben besteed?
Ja.
Hoeveel van deze ambtenaren en gepensioneerden zijn ex-gedetineerde terroristen, gelet op het feit dat Abbas heeft aangekondigd elke ex-gedetineerde een zak geld ($ 50.000) en een topbaan aan te bieden?2
Pegase, het Europese fonds voor directe financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit (Mécanisme Palestino-Européen de Gestion de l’Aide Socio-Economique), draagt bij aan de salarisbetaling van ambtenaren die werken voor de Palestijnse Autoriteit (PA) en gepensioneerden. Pegase draagt niet bij aan de uitkeringen van Palestijnse gedetineerden en ex-gedetineerden. Mocht een ex-gedetineerde voor de PA gaan werken dan komt betrokkene in beginsel in aanmerking voor een salarisbijdrage uit Pegase tenzij deze persoon op de internationale sanctielijst is geplaatst. In dat geval zijn personen uitgesloten van een bijdrage uit Pegase. Dit wordt bij iedere Pegase-betaling gecontroleerd.
Het bedrag van $ 50.000 kan niet door het kabinet worden bevestigd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de vraag naar de hoogte van de uitkeringen aan Palestijnse gedetineerden en ex-gedetineerden (motie Van Der Staaij en Voordewind over uitkeringen aan Palestijnen in Israëlische detentie, 33 750 V, nr 35) bij de Palestijnse Minister van Buitenlandse Zaken neergelegd tijdens ons gezamenlijke bezoek in december jl. Informatie hieromtrent werd toegezegd en zal worden gedeeld met uw Kamer.
Waarom wordt er in 2014 meer dan € 15 mln. aan ontwikkelingshulp gepompt in de corrupte en gewelddadige Palestijnse Autoriteit, mede gelet op het feit dat er inmiddels € 2 mrd. door deze islamitische subsidieslurper is verspild?3
Nederland draagt waar mogelijk bij aan de twee-statenoplossing, onder andere door middel van het ontwikkelingssamenwerkingsprogramma ten behoeve van de Palestijnse bevolking en de PA. Het kabinet steunt de opbouw van Palestijnse instituties op het gebied van voedselzekerheid en private sector ontwikkeling, veiligheid en rechtsorde en water. Het kabinet ziet geen reden om dit beleid, zoals tevens verwoord in het Regeerakkoord, te wijzigen.
Bent u bereid de Nederlandse gelden aan de Palestijnse Autoriteit stop te zetten en terug te vorderen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat homoseksualiteit weer strafbaar wordt gesteld in India |
|
Han ten Broeke (VVD), Tamara van Ark (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met he bericht «India verbiedt homoseksueel gedrag opnieuw»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een ernstige stap terug is voor India?
Het Indiase Hooggerechtshof oordeelde op 11 december jl., anders dan het gerechtshof van Delhi, dat bepaling 377 uit het wetboek van strafrecht – die seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht strafbaar stelt – niet in strijd is met de grondwet. Met deze uitspraak heeft het Hooggerechtshof het initiatief bij de wetgevende macht neergelegd om deze bepaling te verwijderen dan wel te wijzigen.
Kunt u aangeven of er nog juridische stappen mogelijk zijn voor de Indiase LHBT-beweging (lesbische, homoseksuele, biseksuele en trangenders) om deze uitspraak ongedaan te maken?
Betrokken burgers of organisaties uit het maatschappelijk middenveld kunnen een zogenaamde review petition indienen. Deze procedure is vooral gericht op het detecteren van vormfouten.
Kunt u aangeven hoe u het politieke landschap in India inschat? Is daar voldoende draagvlak om de wetgeving aan te passen en homoseksualiteit op die manier te legaliseren?
Het politieke landschap is voortdurend in beweging. De beslissing van het Hooggerechtshof heeft tot grote publieke verontwaardiging geleid. In een groot aantal Indiase steden vonden protesten plaats en ook in een aantal landelijke dagbladen werd nadrukkelijk afstand genomen van het besluit. Elders vond het herstel van de acte expliciete weerklank.
Bent u bereid om India in Europees verband aan te spreken conform het LHBT-beleid van de Europese Unie, zeker gezien de omvang van de bevolking van India en daarmee ook de omvang van de LHBT-gemeenschap die vermoedelijk groter is dan de totale bevolking van Spanje?
In Europees verband is reeds op 12 december jl. bij monde van de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Catherine Ashton, zorg uitgesproken over de uitspraak van het Supreme Court en is India opgeroepen zich aan nationale en internationale verplichtingen te houden.
De gebrekkige kennis van Nederlanders over de universele mensenrechten |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Wij weten niet wat mensenrechten zijn»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de opmerking dat het verwerven van systematisch inzicht in mensenrechten «totaal niet» is gewaarborgd in het Nederlandse onderwijs?
Ik ben het daar niet mee eens. In de wetgeving voor het primair- en voortgezet onderwijs is opgenomen dat het onderwijs mede gericht is op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. Het leren over de democratische rechtstaat en de positie daarin van mensenrechten neemt een belangrijke plaats in bij deze burgerschapstaak voor scholen.
Het begrip mensenrechten is ook expliciet opgenomen in kerndoel 47 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs: «De leerling leert actuele spanningen en conflicten in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.» Daarnaast zijn er verschillende kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs die raken aan mensenrechten, zoals kerndoel 37 voor het primair onderwijs: «De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.» en kerndoel 44 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs: «De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.»
Ook in de examenprogramma’s voor het vak maatschappijleer, dat voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs verplicht is, zijn de grondrechten, vrijheidsrechten en politieke rechten verankerd.
Op 16 december 2013 heb ik mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de brief «Burgerschap in het onderwijs» naar de Tweede Kamer gestuurd waarin ik heb aangekondigd scholen te zullen ondersteunen bij hun burgerschapstaak.2 Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Is het waar dat minder dan 40% van de Nederlandse jongeren heeft gehoord van kinderrechten? Zo ja, deelt u de opvatting dat dit een betreurenswaardig laag percentage is?
Er is mij geen onderzoek bekend waaruit blijkt dat minder dan 40% van de Nederlandse jongeren heeft gehoord van kinderrechten. Wel ben ik bekend met onderzoek van de Nationale Jeugdraad en het Kinderrechtencollectief naar de status van kinderrechten in Nederland.3 Daaruit blijkt dat weliswaar zeven op de tien jongeren (69%) nooit gehoord hebben van het specifieke Verdrag inzake de Rechten van het Kind, maar dat de meerderheid van de jongeren (92%) wel weet dat kinderen rechten hebben. Ik deel de opvatting dat een betreurenswaardig laag percentage gehoord heeft van kinderrechten dan ook niet. Wel wil ik verder investeren in de kennis van leerlingen over mensenrechten en kinderrechten. In de brief «Burgerschap in het onderwijs» heb ik aangekondigd scholen hierbij te zullen ondersteunen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Is het waar dat Nederland via vele internationale verdragsbepalingen verplicht is om in het onderwijs aandacht te besteden aan de universele mensenrechten?
In de Universele verklaring van de rechten van de Mens (UVRM, 1948) staat in artikel 26, tweede lid onder meer dat het onderwijs gericht zal zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In zowel het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) als het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) wordt verwezen naar deze passage uit de UVRM. In de UVRM worden de doelstellingen waarop het onderwijs gericht dient te zijn aangegeven. Hoe staten deze doelstellingen willen realiseren en op welke wijze, wordt niet aangegeven; dat wordt aan de landen zelf overgelaten. Dit past in het Nederlandse constitutionele kader van artikel 23 van de grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs is neergelegd.
Deelt u de mening dat de universele mensenrechten structurele aandacht moeten krijgen in het Nederlandse onderwijs via de burgerschapsvorming? Zo ja, waar blijkt dit uit?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wanneer komt u met een reactie op het advies «Verder met burgerschap in het onderwijs»2 en bent u bereid in deze reactie nadrukkelijk in te gaan op de wijze waarop universele mensenrechten structureel ingebed kunnen worden binnen de burgerschapsvorming? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heb ik op 16 december 2013 mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de brief «Burgerschap in het onderwijs» naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin heb ik ook gereageerd op het door u genoemde Onderwijsraadadvies. In deze brief heb ik geschreven dat de kern van burgerschap is gelegen in de waarden die we delen in onze democratische rechtstaat en die zijn neergelegd in onze Grondwet en de universele mensenrechten en kinderrechten. Deze rechten, zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst, gelden altijd, overal en voor iedereen, ongeacht achtergrond, levensovertuiging of afkomst. Het onderwijs heeft een belangrijke taak in het overbrengen van deze normen en waarden en het stimuleren van het gedrag dat daarbij hoort.
In mijn brief heb ik aangekondigd dat ik schoolleiders en leraren hierbij zal ondersteunen, door handvatten te bieden voor de ontwikkeling van burgerschapsonderwijs en door kennis op te bouwen over effectieve programma’s. Daarnaast zal ik de komende periode bezien hoe de kern van het burgerschapsonderwijs het best kan worden vastgelegd en uitgedragen. Ik neem het advies van de Onderwijsraad om de kerndoelen die betrekking hebben op burgerschap aan te scherpen mee in een breder onderzoek naar de invulling en herijking van kerndoelen en curricula. Daarbij zal ik ook de positie van mensenrechten, waaronder kinderrechten, betrekken.
Het teleurstellende bericht dat Oostenrijk en Luxemburg het bankgeheim willen behouden |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Oostenrijk en Luxemburg willen bankgeheim behouden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat behoud van het bankgeheim door Oostenrijk en Luxemburg zeer onwenselijk is omdat het de strijd tegen belastingontduiking en witwassen ernstig belemmert? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wat is uw oordeel over de opstelling van deze landen ten aanzien van het bankgeheim?
De vraag is niet meer of het bankgeheim zal worden afgeschaft maar wanneer. Voor Luxemburg en Oostenrijk is het belangrijk dat zij een gelijk speelveld hebben met hun concurrent Zwitserland. Als Zwitserland het bankgeheim opgeeft dan zal het voor deze landen ook gemakkelijker zijn om dat ook te doen. Gezien de internationale ontwikkelingen die ik hierna uiteen zal zetten, lijkt het bankgeheim in Europa overigens zijn langste tijd te hebben gehad.
Kunt u een overzicht en taxatie geven van alternatieve maatregelen tegen belastingontduiking en witwassen die zwartspaarders en witwassers treffen in Oostenrijk en Luxemburg, ondanks het bankgeheim? Zo nee, waarom niet?
In internationaal verband is er momenteel veel gaande op het gebied van automatische uitwisseling van informatie. Zo werkt de OESO, op verzoek van de G20, aan een «Common reporting Standard» (CRS) over het automatisch uitwisselen van informatie. Zowel Luxemburg als Oostenrijk hebben zich aangesloten bij de discussie over de opzet van de CRS. Deze CRS is grotendeels gebaseerd op de FATCA verdragen en ziet onder meer toe op het automatisch uitwisselen van rente-inkomsten. Ook Nederland zal op korte termijn met de VS een FATCA-verdrag sluiten. Voorzien wordt dat de CRS medio 2014 door de G20 zal worden aangenomen en dat de eerste landen in 2016 of 2017 effectief informatie zullen gaan uitwisselen.
Verder is Luxemburg met de VS in onderhandeling over een FATCA-verdrag waarin Luxemburg het bankgeheim in relatie met de VS gaat opgeven. FATCA zal wereldwijd per 1 juli 2014 ingaan. Via de «most favoured nation» clausule in de administratieve samenwerkingsrichtlijn gelden verdergaande afspraken over informatie-uitwisseling met derde landen ook in relatie tot EU lidstaten. In de EU wordt hard gewerkt aan een modernisering van de administratieve samenwerkingsrichtlijn om de verdergaande automatische uitwisseling van informatie ook binnen de EU vorm te geven.
Ongeacht het bovenstaande heeft Luxemburg al aangegeven per 1 januari 2015 over te stappen op automatische verstrekking van informatie over spaartegoeden.
Op basis van de hierboven genoemde feiten is het een kwestie van tijd voordat het bankgeheim zal worden afgeschaft. Beide landen lijken eerder bezig met een geordende «exit-strategie» dan dat er nog echt fundamentele weerstand plaatsvindt. Dit blijkt ook uit de zwartspaarderwerende maatregelen die banken in Luxemburg en Zwitserland treffen om te voorkomen dat er zwartspaarders opduiken op het moment dat de banken informatie gaan uitwisselen. De zwartspaarders worden dus verder beperkt in hun mogelijkheden.
Wat zijn in internationaal verband de mogelijkheden genoemde landen te bewegen het bankgeheim met de grootste spoed op te heffen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat wordt de inzet van Nederland bij de Europese top in Brussel van 19 en 20 december a.s. ten aanzien van de strijd tegen belastingontduiking en witwassen in het algemeen en het bankgeheim van voornoemde landen in het bijzonder? Wat zijn uw verwachtingen van deze bijeenkomst? Denkt u dat nog voor het einde van het jaar een overeenkomst kan worden gesloten, in lijn met eerdere verwachtingen?2 Zo nee, waarom niet?
De inzet van Nederland (en de andere EU lidstaten) is dat Luxemburg en Oostenrijk akkoord moeten gaan met de aanscherping van de spaartegoedenrichtlijn zoals is overeengekomen tijdens de ER op 22 mei. Naast dit onderwerp zal het bankgeheim ongetwijfeld ter sprake komen. Zoals aangegeven is de vraag niet zozeer óf de lidstaten het bankgeheim gaan opheffen maar wanneer. Hierbij moet wel worden toegevoegd dat de keuze van het hebben van een bankgeheim aan de lidstaten zelf is. Wel zullen de overige lidstaten (waaronder Nederland) en de Commissie bij beide landen blijven aandringen op opheffing van hun bankgeheim.
Wat is de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van een mogelijke bronheffing in Oostenrijk en Luxemburg als uitruil tegen automatische informatie-uitwisseling?3 Hoe moet dit worden gezien in het licht van de landen die zich wel aan automatische informatie-uitwisseling conformeren zonder de mogelijkheid van dit alternatief? In welke situaties vervalt met een bronheffing elk voordeel van zwartsparen voor Nederlandse belastingplichtigen?
Op basis van de huidige spaartegoedenrichtlijn zijn Luxemburg en Oostenrijk al gehouden aan een inhouding van een 35% bronheffing op rente-inkomsten van rekeninghouders die elders in de EU wonen. Jaarlijks maken beide lidstaten de inkomsten van deze bronheffing geaggregeerd over aan de relevante lidstaten. Op deze manier wordt verzekerd dat de inkomsten van de anonieme bankrekeninghouder in Oostenrijk en Luxemburg wel onderworpen worden aan een belasting. Echter, door de introductie van de FATCA-verdragen en CRS wordt het (automatisch) uitwisselen van informatie over o.a. rente-inkomsten de norm. Vandaar ook dat de tijd is gekomen het bankgeheim op te heffen. Op het moment dat Luxemburg en Oostenrijk overgaan tot het automatisch uitwisselen van informatie over rente-inkomsten van banktegoeden zal de bronheffing komen te vervallen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat in de Kamer ter voorbereiding op de Europese top in Brussel van 19 en 20 december a.s.?
Ja.
Het BNN-programma “Tot op het bot” |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u het programma «Tot op het bot» gezien?1
Ja, dit programma heb ik gezien.
Klopt het dat ongeveer 10% van de veelal jonge patiënten met anorexia nervosa in Nederland overlijdt?
Het is juist dat 10% van de anorexia patiënten overlijdt. Dat zijn internationale cijfers.
Bent u bekend met het feit dat een behandeling in het kader van een eetstoornis die alleen gericht is op het herstel van een gezond gewicht geen duurzame werking heeft, indien er geen adequate psychologische of psychiatrische interventies plaatsvindt?
Ik ben me er van bewust dat gewichtsherstel bij de behandeling van een eetstoornis op zich pas het begin is en dat de werkelijke uitdaging is om een adequate psychologische of psychiatrische interventie te bieden.
Bent u op de hoogte van het feit dat er ziekenhuizen zijn die zich bij de opname van een anorexiapatiënt alleen focussen op het herstel van een gezond gewicht, al dan niet door het toedienen van sondevoeding?
Er is een multidisciplinaire richtlijn Eetstoornissen, die op initiatief en onder auspiciën van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ is ontwikkeld. Ik vertrouw erop dat de betreffende behandelaren in de ziekenhuizen deze richtlijn kennen en hun behandeling inzetten volgens deze ontwikkelde richtlijn.
Deelt u de mening dat het contraproductief is als een ziekenhuis zich bij de opname en ontslag van een anorexiapatiënt alleen focust op het herstellen van een gezond gewicht, in plaats van de onderliggende factoren aan te pakken die de eetstoornis veroorzaken? Zo ja, hoe kunnen ziekenhuizen hierop worden aangesproken?
Ik heb in antwoord op vraag 3 aangegeven dat ik van mening ben dat beide elementen, dus het herstellen van gezond gewicht in combinatie met het psychosociale element, onderdeel moeten zijn van de behandeling. De relatie psyche en somatiek is een essentieel onderdeel in de hele keten van zorg, zowel in de psychiatrie als in de ziekenhuiszorg en de huisartsenzorg. Dit houdt dus ook in dat er aandacht moet zijn voor de psychische component bij patiënten die primair met somatische klachten worden opgenomen of een zware behandeling ondergaan. Er is een medische richtlijn eetstoornissen, de beroepsgroep dient deze derhalve toe te passen.
Ik ben van mening dat aan de relatie tussen psyche en somatiek meer aandacht kan worden besteed in de zorg. In het bestuurlijk akkoord GGZ zijn daarom reeds afspraken gemaakt om de ziekenhuispsychiatrie verder te versterken en daarnaast wil ik in 2014 verkennen of er nog verdere stappen gezet kunnen worden op dit onderwerp.
Deelt u mening dat er een goede en directe overdracht moet plaatsvinden van anorexia- en andere eetstoornispatiënten uit het ziekenhuis naar behandelende GGZ Eetstoornisklinieken, en niet – zoals nu voorkomt – dat bij gebrek aan adequate aansluitende behandeling patiënten weer in het ziekenhuis terecht komen?
Ik ben van mening dat het voor deze patiënten van groot belang is dat er een sluitende keten van zorg is, met een goede overdracht vanuit het ziekenhuis naar de ggz-zorg.
Ziet u meerwaarde om te komen tot een algemene richtlijn voor opname van anorexia- en andere eetstoornispatiënten in ziekenhuizen, opgesteld door deskundige partijen, zoals de patiëntenorganisatie?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 al heb aangegeven, is er in 2006 al een multidisciplinaire richtlijn opgesteld. Verder verwijs ik naar de antwoorden op de vorige vragen.