Bijstellingsregeling directe belasting |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Farshad Bashir , Raymond Knops (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Wanneer heeft u het bijstellingsregeling directe belasting (Nr. DB2013/569M), voor het eerst gelezen en wanneer heeft u die getekend?
De staatssecretaris van Financiën heeft tussen 6 december 2013 en 10 december 2013 kennis genomen van de wettelijke indexaties. De Bijstellingsregeling directe belastingen is getekend op 18 december 2013. Het is niet gebruikelijk om de uitkomsten van wettelijke indexeringsmechanismes aan leden van het kabinet mede te delen.
Wanneer was in het kabinet bekend dat het eigenwoningforfait voor huizen met een waarde tussen € 75.000 en € 1.040.000 verhoogd zou worden van 0,6% naar 0,7%?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft de minister op 13 december 2013 nog zijn berekeningen in de Eerste Kamer gepresenteerd onder de aanname: «Tevens is in de uitwerking als veronderstelling gehanteerd dat het eigenwoningforfaitpercentage 0,6 (cijfer 2013) bedraagt»? Wist hij toen al dat het eigenwoningforfaitpercentage in 2014 (het jaar waarin de berekeningen starten) 0,7% zou bedragen? (Kamerstuk 33 819, B)
Op een vraag van het lid van de Eerste Kamer de heer Essers heeft de minister aangegeven dat bij de gevraagde berekening is gerekend met het voor 2013 geldende percentage voor het EWF. Hier is dus sprake geweest van een aanname voor de berekening, die betrekking had op de komende 35 jaar. Daaruit kan geenszins de conclusie kan worden getrokken dat het percentage van 0,6 ook in 2014 (of de jaren daarna) zou gelden. De minister is (zoals te doen gebruikelijk) bij de aanname uitgegaan van het op dat moment geldende percentage.
Kunt u de berekeningen van de minister overdoen met het herziene eigenwoningpercentage?
De vraag van de heer Essers was er ons inziens op gericht om de verschillen tussen de verschillende aflossingsregimes in kaart te brengen. Voor de beide op pagina 33 en 34 van de memorie van antwoord van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II opgenomen tabellen, heeft dit slechts tot gevolg dat alle getallen (met uitzondering van de nullen) per tabel met eenzelfde bedrag omhoog gaan. Die verschillen blijven ook na aanpassing van het voor de berekening van het EWF van belang zijnde percentage gelijk. Voor het antwoord op het door de heer Essers gevraagde is een nieuwe berekening dan ook niet relevant. Ten overvloede merk ik op dat in de periode waarop de tabellen betrekking hebben, namelijk een periode van 35 jaar, het waarschijnlijk is dat het betreffende percentage zowel naar boven als naar beneden kan worden bijgesteld.
Klopt het dat de verhoging van het eigenwoningforfaitpercentage in 2014 338 miljoen euro (sleuteltabel 2013) dan wel 318 miljoen euro (sleuteltabel 2014) oplevert in vergelijking met de situatie dat het percentage constant gehouden zou zijn op 0,6%?
Met een verhoging met 0,1%-punt zou een bedrag van € 318 miljoen gemoeid zijn als de WOZ-waarde waarover het EWF% wordt berekend gelijk zou blijven. De WOZ-waarde is echter gedaald. Per saldo neemt de belastingopbrengst met circa € 200 miljoen toe, waarvan circa € 100 miljoen door het deels wegvallen van de gunstige afrondingsregel. De opbrengst is het gevolg van een in de wet vastgelegd indexeringsmechanisme. Voor het overige verwijs ik naar de gelijktijdig met deze beantwoording verstuurde Kamerbrief.
Klopt het dat de verhoging van het eigenwoningforfait in 2014 meer oplevert dan de beperking van de hypotheekrenteaftrek in 2014?
De beperkingen op het gebied van de hypotheekrenteaftrek hebben in de eerste jaren een zeer beperkte budgettaire opbrengst. De introductie van de aflossingseis per 1 januari 2013 kent in 2014 een opbrengst van € 7 miljoen. De tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning die per 1 januari 2014 in werking is getreden kent in 2014 een opbrengst van € 45 miljoen. Deze laatste opbrengst wordt overigens volledig teruggesluisd. Deze in totaal € 52 miljoen is daarmee lager dan de extra opbrengst van het EWF in 2014 ten opzichte van 2013 zoals opgenomen in de Kamerbrief die gelijktijdig met deze beantwoording is gestuurd.
Op welke wijze heeft u de verhoging van het eigenwoningforfait aan de Staten-Generaal meegedeeld en acht u dit adequaat?
De verhoging is bekendgemaakt door middel van publicatie in de Staatscourant van 30 december 2013, Stcrt. 2013, nummer 35144. Zoals gebruikelijk bij de vaststelling en publicatie van een ministeriële regeling is hiervan is geen melding gedaan aan de Staten-Generaal.
Klopt het dat het eigenwoningforfait harder stijgt door de stijging van de huren? Zo ja, op welke wijze is dat meegedeeld in de wet op de huurverhoging zag en is het meegenomen in de ramingen in die wet? Zo ja, waar is dat meegedeeld?
De hoogte van het eigenwoningforfaitpercentage is afhankelijk van de prijsontwikkeling van woningen en van de prijsontwikkeling van de huren. Alleen door de stijging van de huren, stijgt ook het eigenwoningforfait. De prijsontwikkeling van de woning wordt geneutraliseerd in het eigenwoningpercentage zodat uit dien hoofde het eigenwoningforfait gelijk blijft. In de wetgeving die toeziet op de huurverhoging is geen verband gelegd met het eigenwoningforfait. De opbrengst van eventuele huurstijgingen die doorwerken in het eigenwoningforfait is het gevolg van het wettelijke indexeringsmechanisme. Deze opbrengst is conform de begrotingsregels niet lastenrelevant. Daarnaast is het aan de verhuurder om te bepalen of, en met welk percentage de huren stijgen. Het is derhalve niet mogelijk om eventuele opbrengsten die uit een stijging van de huren volgen te ramen. Het huurindexcijfer wordt door het CBS vastgesteld en is gebaseerd op de reële huren. Binnen de bestaande indexatiesystematiek is het dan ook niet mogelijk om rekening te houden met de voorshands onbekende gevolgen van het huurbeleid op de ontwikkeling van de reële huurprijzen.
Kunt de een geüpdatete raming van de opbrengsten van de huurstijging aan de Kamer doen toekomen, waarin precies is aangegeven hoe hoog de lasten voor huurders en kopers zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u bij de berekening van de voorlopige teruggave 2014, die sinds november aangevraagd kan worden, gerekend met een eigenwoningforfait van 0,6% of van 0,7%? Indien het 0,7% was, sinds welke datum is dat dan bekend bij de belastingdienst?
In de geautomatiseerde voorlopige aanslagen 2014, die zoals gebruikelijk eind november en begin december 2013 verstuurd zijn, is voor de berekening van het eigenwoningforfait uitgegaan van 0,65%. Dit percentage was het op dat moment meest actuele percentage waarin al wel rekening is gehouden met de huurontwikkeling. De andere voor het eigenwoningforfait relevante factor is de prijsontwikkeling op de koopwoningmarkt. Die is pas bekend geworden nadat de geautomatiseerde voorlopige aanslagen 2014 administratief zijn vastgesteld. Gezien het massale proces is deze vaststelling al enige tijd voor het moment van verzending van de voorlopige aanslagen.
Als een belastingplichtige een nieuwe aanvraag doet of een wijziging van een voorlopige aanslag 2014 doorgeeft, is voor de berekening van het eigen woningforfait bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan van een percentage van 0,7%. Vanaf eind november waren deze cijfers voor het jaar 2014 bekend en opgenomen in het Aanslag Belastingen Systeem van de Belastingdienst. Bij het gebruik van het programma «Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2014» wordt een proefberekening van de aanslag gemaakt. Hierbij wordt nog gerekend met 0,65%. Na ontvangst van het verzoek wordt een definitieve berekening gemaakt waarbij wel wordt uitgegaan van 0,7%. Bij nieuwe verzoeken of wijzigingen van de voorlopige aanslagen wordt de aanslag dus op basis van de juiste cijfers vastgesteld. Deze maand zal de proefberekening worden aangepast zodat ook in die berekening wordt uitgegaan van 0,7%, zoals jaarlijks te doen gebruikelijk is.
Indien met 0,6% gerekend is, betekent dat dan honderdduizenden mensen aan het eind van het jaar moeten bijbetalen?
In die gevallen waarbij is gerekend met 0,65% heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om zijn aanslag gedurende het jaar 2014 aan te passen. Hij hoeft hier niet mee te wachten tot na afloop van 2014. Hiermee kan voorkomen worden dat moet worden bijbetaald na afloop van het jaar. Overigens merk ik op dat bij de berekening van de voorlopige aanslag nog is uitgegaan van de WOZ-waarde over belastingjaar 2013. Indien de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2014 hiervan afwijkt kan belastingplichtige zijn voorlopige aanslag ook op dit punt aanpassen.
Is in de koopkrachtplaatjes van de regering, van het CPB en van het NIBUD gerekend met een percentage van 0,6% of 0,7%?
De koopkrachtplaatjes van de regering zijn conform de veronderstelling van het CPB gebaseerd op een percentage van 0,7. Dit was op dat moment een eigen inschatting van het CPB. Het NIBUD gaat bij zijn berekeningen enkel uit van huurwoningen en baseert zijn koopkrachtplaatjes dus op de huren. Het EWF speelt bij hun koopkrachtplaatjes dan ook geen rol.
Kunt u een overzicht geven van alle belastingtarieven en schijven, waarvan nu al bekend is, bijvoorbeeld door overgangsrecht, dat zij in op 1 juli 2014, 2015, 2016 of later zullen veranderen en dus van elk verandermoment (inclusief in ieder geval toeslagen, IB schijfgrenzen, IB schijfhoogtes, brandstofaccijns, alle heffingskortingen, overdraagbare algemene heffingskorting per cohort, eigenwoningforfait (villabelasting), waterbelasting, aftrektarief hypotheekrenteaftrek en alle andere belastingen die wij in Nederland kennen)?
In diverse wetten zijn indexatiebepalingen opgenomen die veelal leiden tot een jaarlijkse bijstelling. Jaarlijks worden onder meer de schijfgrenzen bijgesteld evenals de meeste bedragen die zijn opgenomen in onder meer de inkomsten- en loonbelasting. Naast deze aanpassingen vinden er ook aanpassingen plaats op basis van nieuw beleid. Een voorbeeld hiervan zijn algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Deze toekomstige wijzigingen zijn opgenomen in het Belastingplan 2014. De in de bijstellingsregelingen opgenomen bedragen en percentages worden in beginsel conform de wet jaarlijks aangepast.
Hoeveel individuele veranderingen vanaf 1 juli 2014 (één verandering is één wijziging op één tijdstip) in de belastingschijven en tarieven liggen op dit moment al vast in de wet- en regelgeving?
Zie antwoord vraag 13.
De gaswinning in Groningen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «gasproductie ruim boven afspraak»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het productievolume van 54 tot 55 miljard kuub in 2013 in relatie tot het productieplafond van gemiddeld 42,5 miljard kuub per jaar dat in januari 2011 door u werd vastgesteld?
Het productieplafond voor de productie van gas uit het Groningenveld is geregeld in artikel 55 van de Gaswet. Dit artikel is op 1 juli 2004 in werking getreden en kwam in de plaats van het tot die tijd jaarlijks door de Minister van Economische Zaken vast te stellen nationale productieniveau2.
Het productieplafond geeft aan van welke hoeveelheid Groningengas GasTerra mag uitgaan bij de taken die aan haar zijn opgedragen in de Gaswet, artikel 54, eerste lid, onderdelen a. en b. Het gaat hier om de op GasTerra rustende innameplicht voor aardgas afkomstig uit andere Nederlandse gasvelden dan het Groningenveld. Het doel en de grondslag van het productieplafond is dus het kleine velden beleid dat erop is gericht de gaswinning uit de Nederlandse kleine velden zoveel mogelijk te bevorderen. Dit onder meer door enerzijds te voorkomen dat dit gas wordt «verdrongen» door het gas uit het Groningenveld en anderzijds de balansrol van het Groningenveld te waarborgen.
Het eerste productieplafond is eind 2005 vastgesteld voor de periode 2006 t/m 2015 en houdt in dat GasTerra in die periode in totaal 425 miljard m3 mag afnemen uit het Groningenveld, hetgeen neerkomt op een gemiddelde afname van 42,5 miljard m3 per jaar.
Conform artikel 55 van de Gaswet is in januari 2011 een tweede productieplafond vastgesteld, nu voor de periode 2011 t/m 2020, waarbij het volgende is geconstateerd:
Voor het vaststellen van het productieplafond voor de periode 2011 t/m 2020 is wederom 425 miljard m3 als uitgangspunt genomen. Deze hoeveelheid is vermeerderd met de 23,5 miljard m3 die GasTerra in de periode 2006 t/m 2010 minder heeft afgenomen uit het Groningenveld dan de hoeveelheid waarvan zij in die periode op basis van het gemiddelde per jaar mocht uitgaan. Daarmee komt het plafond over deze periode uit op 448,5 miljard m3, oftewel jaarlijks gemiddeld bijna 45 miljard m3. Hierdoor zal over de gehele periode 2006–2020 de gemiddelde productie niet meer bedragen dan 42,5 miljard m3 per jaar.
Met inbegrip van de productie in 2013 is sinds de instelling van het eerste plafond 334 miljard m3 gas onttrokken aan het Groningenveld, oftewel gemiddeld 41,8 miljard m3 per jaar. Daarmee blijft de afname onder de hoeveelheid die met het productieplafond is vastgesteld.
Voor de tweede plafondperiode (2011 t/m 2020) geldt dat de gemiddelde afname in de periode 2011 t/m 2013 weliswaar op 48,4 miljard m3 per jaar ligt, maar dat in deze plafondperiode de totale hoeveelheid niet meer mag bedragen dan 448,5 miljard m3, waardoor voor de jaren 2014 t/m 2020 de gemiddelde productie ongeveer 43 miljard m3 mag bedragen.
Overigens is in deze cijfers geen rekening gehouden met de in te stellen productiebeperking als gevolg van de aardbevingen.
Uit het voorgaande volgt tevens dat het productieplafond op Groningen geen instrument is om sturing te geven aan de productie van Groningengas, anders dan noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het kleine velden beleid. Voor het eventueel gevolg geven aan het advies van Staatstoezicht op de Mijnen om de productie te verminderen in verband met te verwachten zwaardere bevingen, biedt het productieplafond dan ook geen grond.
Voor wat betreft de relatie met de energietransitie merk ik op dat het huidige productieplafond er voor zorgt dat er minder gas uit het veld wordt geproduceerd dan technisch en economisch mogelijk is. Verder geldt ook hier dat het productieplafond alleen kan worden ingezet ten behoeve van een goede uitvoering van het kleine velden beleid.
Hoe beoordeelt u deze productieomvang in het licht van het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen uit 2013 om de productie te verminderen vanwege te verwachte zwaardere bevingen in het gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de volumegroei in het licht van de noodzakelijke energietransitie? Deelt u de mening dat het snel leeghalen van het Groningenveld op gespannen voet staat met de inzet van gas als back-up in de periode van energietransitie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom de exportcijfers geheim zijn? Bent u bereid deze gegevens openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze cijfers zijn niet geheim. In het Jaarverslag van GasTerra over 2012 staan de volgende gegevens over de afzet en de export van Nederlands gas door GasTerra (hoeveelheden in miljard m3):
Nederland
34,8
38,1
België
4,7
4,7
Duitsland
19,3
18,8
Frankrijk
6,1
6,7
Italië
8,2
7,1
Verenigd Koninkrijk
9,6
10,6
Zwitserland
0,7
0,7
Deze hoeveelheden omvatten zowel laagcalorisch als hoogcalorisch gas en daarmee ook al het Groningengas dat door NAM wordt geproduceerd en door GasTerra wordt verkocht. Cijfers over de export van Groningengas zijn niet te geven aangezien er geen export van specifiek Groningengas plaatsvindt. Dit gas wordt in het transportnet eerst vermengd tot laagcalorisch gas en aangevuld met geconverteerd hoogcalorisch gas alvorens het uiteindelijk wordt verbruikt.
Overigens is GasTerra niet de enige onderneming die Nederlands gas exporteert. Ook anderen exporteren dit gas. In de jaren 2011 en 2012 ging het daarbij om respectievelijk 4,3 en 8,6 miljard m3.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over het volume van de gasproductie?
Ja.
Het veel te laat gepubliceerde en lang achtergehouden rapport over de doorsneepremie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 23 juni 2012 schreef: «In mijn brief van 22 februari 2012 over mijn planning en prioriteiten1 heb ik onderzoek naar de voor- en nadelen van de doorsneepremie aangekondigd. Dit onderzoek wordt nu opgestart. Ik verwacht dat de resultaten van het onderzoek begin 2013 gereed zullen zijn»?2
Ja.
Herinnert u zich de toezegging op 20 september 2012 dat de beleidsdoorlichting over de doorsneepremie in het eerste kwartaal 2013 bij de Kamer zou zijn (streefdatum)?3
Ja.
Herinnert u zich dat u op 13 mei 2013 bij de aanbieding aan de Kamer van het planningsoverzicht in het onderdeel «In te dienen beleidsstukken» over het onderzoek doorsneepremie het volgende schreef: «Het onderzoek zal in kaart brengen wat de effecten zijn van de doorsneepremiesystematiek. Tevens zal aan bod komen of alternatieve systemen denkbaar zijn en wat daarvan overgangskosten zijn. Dit onderzoek is aan de Tweede Kamer toegezegd. Planning: 2e kwartaal 2013»?4
Ja.
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van Financiën in de nota naar aanleiding van het verslag van 3 juni 2013 over de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen aan de Kamer schreef: «Op verzoek van het kabinet voert het CPB op dit moment een omvangrijk onderzoek uit naar de systematiek van de doorsneepremie en de generatie-effecten hiervan (...). Het kabinet streeft ernaar de uitkomsten van dit onderzoek binnenkort, mogelijk reeds deze zomer, aan de Tweede Kamer te zenden.»?5
Ja.
Herinnert u zich dat u op Prinsjesdag (17 september 2013) aan de Kamer schreef dat de planning was dat de brief over de doorsneepremie in het derde kwartaal (dat wil zeggen: voor 1 oktober 2013) aan de Kamer gestuurd zou worden?6
Ja.
Herinnert u zich dat u op 25 november 2013 aan de Kamer schreef: «Daarnaast verwacht ik uw Kamer op korte termijn het kabinetsstandpunt te kunnen aanbieden inzake een collectieve pensioenvoorziening voor zelfstandigen alsmede de studie van het CPB over de doorsneepremie en de beleidsdoorlichting pensioenen.»?7
Ja.
Herinnert u zich dat u op 3 december 2013 in het plenaire debat over pensioenonderwerpen (VAO) naar aanleiding van de motie van het lid Van Weyenberg8 zei dat u ernaar streefde het onderzoek zo spoedig mogelijk in te dienen bij de Tweede Kamer en dat in ieder geval voor het Kerstreces (dat op 19 december aanving) zou doen?
Ja.
Waarom stuurde u het onderzoek en de kabinetsreactie eerst op 20 december 2013, na aanvang van het kerstreces, naar de Kamer, terwijl het onderzoek gedateerd is in oktober 2013?
Het onderzoek is op 28 oktober 2013 afgerond door het CPB. In het algemeen overleg van 6 november j.l. heb ik al aan uw Kamer gemeld dat het onderzoek is afgerond. Omdat ik het belangrijk vind voor het debat over dit onderwerp dat de bevindingen uit de economische analyse van het CPB in een vroegtijdig stadium worden getoetst aan de juridische werkelijkheid, heb ik de Landsadvocaat gevraagd een eerste verkenning op te stellen. Ook deze gang van zaken heb ik in het genoemde algemeen overleg aangekondigd. Zodra deze juridische verkenning beschikbaar was, heb ik die verwerkt in mijn brief van 20 december 2013.
Wanneer ontving het ministerie, formeel of informeel, een eerste versie van het onderzoek en wanneer ontving het discussiestukken en memo’s? Kunt u hiervan een overzicht sturen?
Discussiestukken en memo’s heeft het ministerie niet ontvangen van het CPB. Gedurende de looptijd van het onderzoek heeft het ministerie wel informeel onderdelen van het onderzoek ontvangen. Daar is met de begeleidingscommissie over gesproken. Op 28 oktober 2013 heeft het CPB een finale versie van het rapport aangeleverd waarin alle commentaren verwerkt zijn.
Kunt u alle versies van het onderzoek die door het CPB aan het ministerie gestuurd zijn, aan de Kamer doen toekomen, evenals het commentaar van u of uw ambtenaren op die versies?
Het vrijgeven van opmerkingen van de begeleidingscommissie zou de zeer redelijke en gebruikelijke afspraak met hen schenden dat hun inbreng alleen ten behoeve van het onderzoek gebruikt zou worden. Dat vind ik onwenselijk en het vrijgeven daarvan zou ook nodeloos de discussie afleiden van de inhoud van het eindrapport.
Kunt u alle opmerkingen van de begeleidingsgroep tijdens het schrijven van dit onderzoek aan de Kamer doen toekomen?9
Zie antwoord vraag 10.
Wanneer heeft het CPB deze notitie in zijn geheel gepubliceerd in papier en op de website en op welke wijze is daar ruchtbaarheid aan gegeven (persbericht, verzenden van de notitie bijvoorbeeld aan de Tweede Kamer of tweets van het CPB)
Het CPB heeft het onderzoeksrapport op 20 december 2013 op haar website geplaatst nadat mijn aanbiedingsbrief hierover naar de Tweede Kamer was verzonden.
Deelt u de mening dat u dit rapport en het commentaar erop van de regering eerder aan de Kamer had moeten sturen?
Nee.
Is op enig moment aan het CPB gevraagd om het rapport later te publiceren of is daartoe druk op het CPB uitgeoefend?
Nee, dat is niet gebeurd. Tegelijk wil ik echter opmerken dat het rapport door het CPB is vervaardigd als opdrachtnemer met SZW als opdrachtgever. Dat is overeengekomen in een standaard overheidscontract waarin het de opdrachtgever vrij staat te bepalen wanneer en op welke wijze publicatie zal plaatsvinden. Dat zijn gebruikelijke contractuele voorwaarden.
Wie hebben op welk moment inzage gekregen in het rapport en onder welke voorwaarden? (hoogleraren, pensioenfederatie, ministeries, lobbyclubs, etc.)?
Zoals reeds gemeld bij vraag 9, hebben leden van de begeleidingscommissie gedurende de looptijd van het onderzoek inzage gehad in de beschikbare onderzoeksresultaten. Nadat het rapport gereed was op 28 oktober 2013 is het aan de Landsadvocaat ter beschikking gesteld. Het rapport, of delen ervan, is vóór 20 december 2013 niet verder verspreid.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om de voorstellen rond het pensioenakkoord, het Financieel Toetsingskader en de toekomst van het pensioenstelsel gezamenlijk te behandelen?
Ik ben geen voorstander van een gezamenlijke behandeling, omdat de voorgenomen wijziging van het financieel toetsingskader noodzakelijk onderhoud is, dat op korte termijn gerealiseerd moet worden. De discussie over de toekomst is een fundamentele discussie over de inrichting van het pensioenstelsel en heeft een ander tijdsverloop. Die vragen overstijgen de problematiek van de financiële houdbaarheid. Een gezamenlijk behandeling zou leiden tot vertraging van de voorgenomen wijziging van het financieel toetsingskader. Dat geldt ook voor de voorstellen rond het pensioenakkoord. Ik vind dat niet gewenst.
Wanneer zult u de nog toegezegde stukken (wetsvoorstellen, beleidsnota’s, brieven) over pensioenen aan de Kamer sturen?
De nog toegezegde stukken zal ik voor het komende algemeen overleg naar uw Kamer sturen.
Kunt u deze vragen één voor één en voor 16 januari 2014 beantwoorden in verband met het op 22 januari 2014 te houden algemeen overleg over pensioenonderwerpen?
De beantwoording van de vragen kunt u voor 22 januari tegemoet zien.
De politie die regelmatig gebruik zou maken van ov-chipkaartgegevens en de databank van servicehuis parkeer- en verblijfsrechten (SHPV) |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Politie gluurt in OV»?1
Ja.
Klopt het dat de politie regelmatig ov-chipkaartgegevens opvraagt bij Translink Systems (TLS)? Zo ja, onder welke omstandigheden vinden dergelijke vorderingen plaats?
Ja, politie en justitie vorderen regelmatig gegevens bij TLS en SHPV. De vorderingen vinden alleen plaats op het moment dat voldaan is aan de criteria van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering. De inzet van deze vordering wordt elke keer opnieuw overwogen en getoetst door het Openbaar Ministerie.
Daarnaast heeft de politie op grond van artikel 3 Politiewet de mogelijkheid om gegevens op te vragen in het kader van de hulpverlening, indien bijvoorbeeld sprake is van een vermissing van een persoon.
Klopt het dat de politie regelmatig parkeergegevens opvraagt bij het Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (SHPV)? Zo ja, onder welke omstandigheden vinden dergelijke vorderingen plaats?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak zijn ten behoeve van wat voor soort opsporingsonderzoeken gegevens gevorderd bij TLS en SHPV in 2012 en 2013?
Bij TLS gaat het om 110 keer in 2012 en 265 keer in 2013. Het betreft zowel onderzoeken door de politie naar vermiste personen als strafrechtelijke onderzoeken door de officier van justitie. Ik heb geen beschikking over dergelijke cijfers met betrekking tot SHPV.
Zijn de vorderingen gericht gedaan of is er ook sprake van ongerichte vorderingen waarbij gegevens van meerdere reizigers/parkeerders over een langere periode zijn opgevraagd?
Het merendeel van de vorderingen is gericht, aan de hand van OV-chipkaartnummer of NAW-gegevens. Het komt ook voor dat gegevens worden gevorderd van een beperkte tijdsduur, bijvoorbeeld welke kaarten zijn ingecheckt op een bepaald apparaat gedurende een kwartier. Deze laatste vorderingen komen weinig voor en zijn vaak gerelateerd aan ernstige delicten als verkrachtingen of overvallen.
Welke juridische waarborgen zijn er om de privacy inzake reis- en parkeergegevens van (niet-verdachte) burgers te beschermen?
De juridische waarborgen om de privacy inzake reis- en parkeergegevens van burgers te beschermen zijn gelegen in de wettelijke criteria en in het zorgvuldig afwegen van politie en justitie om gegevens te vorderen of te vragen bij TLS en SHPV. TLS en de vervoerders zijn gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarbij werken partijen continu aan de beveiliging van hun ICT-netwerken.
Welke waarborgen tegen schendingen van de privacy van klanten kent de OV-sector en het parkeerbeheer? Welke maatregelen hebben vervoerders en parkeerbeheerders getroffen om de reis- en parkeergegevens beter te beschermen tegen inbreuken?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat Jihadisten in Den Haag trouw aan Al-Qaida zweren |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Jihadisten zweren in Den Haag trouw aan Al-Qaida»?1 Hebt u het daarin vertoonde filmpje gezien of kunt u zich op de hoogte stellen van de inhoud daarvan?
Ik ben bekend met dit bericht en het bijbehorende filmpje.
Kan het zweren van trouw aan Al-Qaida en/of het oproepen tot een gewapende strijd onder omstandigheden strafbaar zijn? Zo ja, onder welke omstandigheden en was daar in dit geval sprake van? Zo nee, waarom niet?
Het werven voor een gewapende strijd is volgens artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar. Dit artikel beoogt rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de gewelddadige islamitische of een anderszins gewapende (terroristische) strijd. Zo zal sprake zijn van strafbaar handelen op grond van artikel 205 Sr indien een persoon een ander probeert te interesseren voor deelname aan de internationaal gewelddadige jihad. Ik verwijs in dit kader ook naar mijn brief van 21 mei 2013 aan uw Kamer2.
Op basis van beeld en geluid van het betreffende filmpje kan niet onherroepelijk vastgesteld worden dat de betogers oproepen of aanzetten tot geweld of een gewapende strijd. De betogers lijken vooral te willen provoceren en blijven daarmee vooralsnog binnen de wettelijke kaders.
Acht u de gedane uitingen een bedreiging voor de veiligheid in Nederland? Zo ja, waarom en wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?
De deelnemers aan deze demonstratie zetten in hun gedane uitingen niet direct aan tot geweld in Nederland. Echter, met hun uitingen tonen zij aan dat zij de ideologie van het jihadisme aanhangen. Het fanatisme waarmee een fel antiwesterse ideologische opvatting wordt uitgedragen kan op den duur legitimering verschaffen voor gewelddaden in het Westen of tegen westerse doelwitten elders. Dat is de reden waarom de gevaren die uitgaan van het mondiale jihadisme zeer serieus worden genomen.
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geeft, als onderdeel van bestaand beleid gericht advies en ondersteuning aan het lokaal bestuur en andere relevante instellingen in de aanpak van dit potentieel gewelddadig extremisme. Aangezien de dreiging voor Nederland momenteel «substantieel» is, hebben de NCTV en andere voor de nationale veiligheid verantwoordelijke partners de inzet op dit dossier geïntensiveerd. Zie voor een overzicht van genomen maatregelen het antwoord op vraag 6.
Acht u het mogelijk dat onder degenen die in het filmpje trouw zweren aan de International Study-center for Independant Search of truth (ISIS), Al-Qaida in Syrië en Irak, zich personen bevinden die zich opmaken voor een gewapende strijd in Syrië of elders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Gezien de jihadistische signatuur van de demonstratie kan niet worden uitgesloten dat individuele deelnemers niet alleen trouw zweren aan extremistische strijdgroepen in Syrië, maar ook voorbereidingen treffen om zich actief aan te sluiten bij jihadistische groeperingen zoals Islamitische Staat voor Irak en de Shaam (ISIS). Dat deze mogelijkheid reëel is, wordt bevestigd door de gesignaleerde uitreis van Nederlandse jongeren naar Syrië en hun succesvolle aansluiting bij jihadistische strijdgroepen aldaar (zie alle DTN’s).
Acht u het wenselijk de gangen van deze personen nauwkeurig te volgen en heeft u ze reeds in kaart gebracht? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik kan in het openbaar geen concrete uitspraken doen over individuele gevallen. In het algemeen kan ik stellen dat OM, politie, AIVD, lokaal bestuur en andere betrokken partijen zich tot het uiterste inspannen om de dreiging die uitgaat van jihadisten en extremisten te beperken.
Over welke mogelijkheden beschikken u en de lokale autoriteiten om deze personen aan te pakken? Worden die mogelijkheden in dit concrete geval ten volle benut? Zo ja kunt u aangeven hoe? Hoeveel van deze personen beschikken over een (bijstands) uitkering?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) begeleidt en adviseert gemeenten en andere lokale betrokken partijen hoe om te gaan met (potentieel) gewelddadige extremisten en jihadisten, zoals bijvoorbeeld Syriëgangers. Ook adviseert de NCTV gericht over de inzet en toepasbaarheid van concrete interventies. Daarbij wordt gebruik gemaakt van informatie verstrekt door de AIVD en de politie.
Concreet kan ik u het volgende melden:
Het wetsvoorstel inzake de verruiming van de mogelijkheid tot ontneming en de gronden voor verlies van het Nederlanderschap bij terroristische activiteiten is in consultatie geweest (conform motie Dijkhoff c.s. 29 754 nr. 224). Het wetsvoorstel wordt nu gereed gemaakt voor verzending aan de Raad van State.
De mogelijkheden om het gebruik van reisgegevens nationaal te kunnen uitbreiden en de internationale samenwerking hierop worden bezien. De Tweede Kamer ontvangt hierover in het voorjaar een brief.
Bij gegronde vermoedens dat iemand in het buitenland handelingen gaat verrichten die een bedreiging vormen voor Nederland (aansluiting bij Al-Qaida strijdgroepen) kan het paspoort van een persoon vervallen worden verklaard (conform art. 23 van de Paspoortwet). Dit is inmiddels elf keer gebeurd; andere gevallen zijn in behandeling. Ook in een reclasseringstraject is een dergelijke maatregel mogelijk.
De Sanctieregeling terrorisme 2007-II, waarmee op last van de Minister van Buitenlandse Zaken financiële tegoeden van een persoon kunnen worden bevroren, is reeds in vier gevallen toegepast. Verdere cases worden nu besproken.
Van alle bekende jihadgangers zijn de uitkeringen stopgezet. Ook andere vormen van toelagen worden waar mogelijk gekort of gestopt.
Er lopen verschillende operationele politieonderzoeken, waaronder naar mogelijke ronselaars. Van enkele minderjarigen is op basis van het jeugdrecht de uitreis tegengehouden. Zij zijn onder toezicht gesteld en/of gesloten jeugdinrichtingen geplaatst.
Het Landelijk Parket zet zoveel mogelijk in op strafrechtelijke vervolging, waarbij prioriteit wordt gegeven aan minderjarigen en aan relevante zaakskenmerken, zoals vuurwapengevaarlijkheid of ernstige radicalisering. In oktober jl. deed de rechter uitspraak over twee personen met jihadistische uitreisplannen. Eén is veroordeeld voor poging tot moord (maar ontslagen van rechtsvervolging vanwege ontoerekeningsvatbaarheid); de ander is veroordeeld voor het voorbereiden van brandstichting en het verspreiden van opruiende teksten.
Onder coördinatie van de NCTV wordt doorlopend stevig geïnvesteerd in de lokale aanpak. In alle relevante gemeenten worden maatwerkinterventies afgesproken in multidisciplinaire casusoverleggen. Experts staan lokale partners bij; ambtenaren, wijkagenten en andere eerstelijnswerkers zijn getraind in signalering en interventie. Om het onderwerp bij alle gemeenten in het vizier te krijgen, wordt een praktische gids ontwikkeld die ondersteunt bij de aanpak (april 2014 gereed). Gemeenten worden hiervan op de hoogte gesteld, onder meer via de VNG (dit conform de toezegging aan de Tweede Kamer dd 19 december jl.).
Ik kan in het openbaar geen nadere mededelingen doen over toepassing van voornoemde maatregelen op individuele basis omdat het hier (deels) inlichtingeninformatie betreft.
In Nederland staat Al-Qaida aangemerkt als een terroristische organisatie en is als zodanig verboden; deelt u de mening dat deze jihadisten, mede gelet op het publiekelijke optreden (zwaaiend met Al Qaida vlag, kleding, tekst en uitspraken), aangemerkt kunnen worden als zijnde onderdeel van deze terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
Volgens bestendige rechtspraak is sprake van deelname aan een terroristische organisatie indien een persoon behoort tot deze organisatie en een aandeel heeft in, of de organisatie ondersteunt door gedragingen (concrete handelingen), die strekken tot of verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van een dergelijke organisatie.
In het filmpje spreken de jihadisten de Arabische taal; acht u het noodzakelijk dat de dienstdoende agenten over voldoende kennis en expertise, bijvoorbeeld kennis van de Arabische taal, moeten beschikken om adequaat en gericht op te kunnen treden? Zo ja, kunt u dan aangeven hoeveel van deze agenten bijvoorbeeld de Arabische taal machtig zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat acht ik niet noodzakelijk. De politieorganisatie staat midden in de samenleving en is divers samengesteld om in verbinding te kunnen staan met de verschillende bevolkingsgroepen. Politieagenten worden toegerust met vaardigheden en expertise om goed om te gaan met de verschillende culturen en leefstijlen en te kunnen herkennen wanneer en bij wie specifieke deskundigheid ingeschakeld moet worden. Daar waar specifieke expertise en vaardigheden nodig zijn kunnen politieagenten de expertise inroepen van een tolk of collega’s die aangesloten zijn bij politienetwerken zoals het landelijk netwerk Multicultureel Vakmanschap, die hiervoor beschikbaar zijn.
Het bericht dat de Nederlandse economie tuimelt naar 30e plaats |
|
Geert Wilders (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse economie tuimelt naar de 30e plaats»?1
Ja. Daarbij moet worden aangetekend dat de titel een vastgesteld feit suggereert, waarvan uiteraard geen sprake is. In het rapport zelf staat al dat de daling misleidend is en wordt verklaard doordat de opkomende economieën sterk groeien.
Onderschrijft u de conclusie van het bericht dat Nederland beter af zou zijn zonder de euro? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Er zijn belangrijke economische voordelen van een muntunie. Een muntunie ondersteunt de interne markt die van groot belang is voor Nederland als open economie. Zo is er met de euro geen onzekerheid over de wisselkoers t.o.v. onze belangrijkste handelspartners. Studies over de exacte gevolgen van invoering van de euro worden gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid. Het is dan ook onmogelijk te weten wat de situatie zonder de euro zou zijn geweest, maar zeker is dat onder de euro wisselkoersfluctuaties tot het verleden behoren. Zie ook de kabinetsreactie op een eerder onderzoek uitgevoerd door Lombard Street Research2. Mijn ambtsvoorganger heeft in 2011 een overzicht naar uw Kamer gestuurd met een lijst onderzoeken waaruit de schadelijke gevolgen van het verlaten van de euro worden besproken3.
Het Cebr geeft aan dat de sterke daling van Nederland op de ranglijst van grootste economieën slechts relatief en daarmee misleidend is. De daling komt grotendeels doordat opkomende economieën die voorheen een BBP niveau dichtbij dat van Nederland hadden sterk groeien, bijvoorbeeld in Azië. Dit kan gepaard gaan met een positief welvaartseffect voor Nederland door het handelskanaal met de opkomende economieën. Ook spelen demografische ontwikkelingen in ons eigen land een rol. Dit zijn effecten waar de euro geen invloed op heeft.
Onderschrijft u de algemenere conclusie dat lagere belastingen leiden tot meer economische groei? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft het kabinet de belastingen in Nederland dan zo sterk verhoogd?
In de begrotingsafspraken van oktober jongsleden heeft het kabinet ruimte gevonden om de lasten voor huishoudens in 2014 flink te verlagen. Het kabinet staat echter ook voor de taak om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Als dat niet gebeurt, kunnen de rentelasten oplopen en moeten in de toekomst de belastingen stijgen. Ook dat is niet goed voor de economie. Bij het op orde brengen van de overheidsfinanciën kiest dit kabinet ervoor om dat voor het merendeel via lagere uitgaven te doen. Met waar mogelijk maatregelen die de economie zo min mogelijk verstoren, zoals bijvoorbeeld het vrijmaken van beklemd vermogen met de maatregelen fiscale stimulering vrijval stamrechten en het tijdelijk lagere tarief in box 2. Het kabinet maakt bij de maatregelen aan de uitgavenkant haar eigen keuzes.
Bent u bereid op te houden met het uitvoeren van het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Arbeid (PvdA) door het alsmaar verhogen van de belastingen? Bent bereid deze belastingen alsnog met miljarden te verlagen en het daarvoor benodigde geld weg te halen bij ontwikkelingshulp, onze contributie aan de Europese Unie, uitkeringen aan kansloze immigranten, de publieke omroep en andere linkse hobby’s? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Nederland direct de eurozone (en de Europese Unie) dient te verlaten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden van buitenlandse werknemers die aan de A4 werken |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de rapportage over «De twee gezichten van vakantiepark Duinrell»?1
Het bericht laat het belang zien van het in goede banen leiden van EU-arbeidsmigratie en de noodzaak van aanpak van misstanden en schijnconstructies. Werkgevers dienen zorg te dragen voor goede huisvesting van buitenlandse werknemers die zij in Nederland te werk stellen.
Heeft de Arbeidsinspectie (nu Inspectie SZW) onderzoek gedaan naar de omstandigheden van de Portugese en Spaanse Arbeiders die werken aan de A4? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW doet onderzoek naar mogelijke misstanden bij de werkzaamheden rond de A4, met name naar overtreding van arbeidswetgeving. Het onderzoek is op dit moment in volle gang.
Wat is uw oordeel over de huisvestingsomstandigheden, zoals die worden beschreven? Wie houdt toezicht op de huisvesting van buitenlandse arbeiders?
Werkgevers zijn zelf verantwoordelijk voor de huisvesting van buitenlandse werknemers die zij hier te werk stellen. Sociale partners uit de uitzendbranche, LTO-sectoren en de vleesverwerkende industrie hebben in 2013 de Stichting Normering Flexwonen (SNF) opgericht. Deze stichting geeft aan leden het SNF-keurmerk af indien de huisvesting voldoet aan de wettelijke eisen. De Stichting draagt ook zorg voor onafhankelijk toezicht op de huisvesting via jaarlijkse controles. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de openbare orde en de staat van de gebouwen, dus ook zij controleren panden. Zij komen in actie als er bijvoorbeeld signalen zijn van overlast, overbewoning of huisjesmelkerij. Om te voorkomen dat er situaties ontstaan, zoals beschreven in dit artikel, hebben de partijen van de Nationale verklaring huisvesting arbeidsmigranten in 2012 afspraken gemaakt over meer en betere huisvesting. Deze afspraken worden nu tot uitvoering gebracht.
Is het waar dat deze wegwerkers terug naar Portugal en Spanje zijn gegaan, terwijl ze nog zes weken loon tegoed hebben? Zo ja, wat doet u om ervoor te zorgen dat zij alsnog hun loon krijgen? Is daarover contact met de ambassades van Portugal en Spanje?
Of er sprake is van achterstallige loonbetaling maakt onderdeel uit van het onderzoek door de Inspectie SZW, voor zover dit het wettelijk minimumloon en de vakantiebijslag betreft. Als er sprake is van onderbetaling op deze aspecten en de werkgever weigert nabetaling, dan zal de Inspectie SZW een last onder dwangsom opleggen. Als gevolg hiervan zal de werkgever alsnog het achterstallige loon moeten betalen. De Inspectie SZW heeft contact met zowel de Portugese als de Spaanse ambassade.
Is het waar dat hun werkgever Rugovac ook elders in Nederland in onder aanneming werkt aan opdrachten van de overheid? Zo ja welke? Wilt u daar de omstandigheden laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Rugovac is een internationaal werkend bedrijf en heeft toegang tot de hele Europese markt. Of het bedrijf ook elders in onderaanneming werkt bij de Nederlandse overheid, vergt een onderzoek naar alle contracten en facturen. Zoals ik bij vraag 3 aangeef is een werkgever in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor eventuele huisvesting, en houden de gemeenten toezicht. Ik zie nu geen rol voor het Rijk om een extra onderzoek te starten naar Rugovac.
Welke rol ziet u voor de overheid als opdrachtgever om deze misstanden in de nabije toekomst te voorkomen?
Bij alle (infra)projecten die in Nederland worden uitgevoerd, al dan niet in opdracht van de overheid, is het belangrijk dat er sprake is van goede arbeidsvoorwaarden. Uitbuiting van werknemers en oneerlijke concurrentie moeten worden voorkomen en daar waar het voorkomt worden aangepakt. Op het moment dat er meldingen binnenkomen bij de inspectiediensten wordt hier serieus naar gekeken.
Een luchtaanval in Jemen |
|
Harry van Bommel |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
Bent u bekend met de luchtaanval twee weken geleden in Jemen waarbij mensen die op weg waren naar een bruiloftsfeest zijn omgekomen?1 Kunt u bevestigen dat bij deze aanval vooral burgers zijn gedood?
Het kabinet is bekend met de luchtaanval in Jemen van december 2013, waarbij 12 tot 16 burgers zouden zijn gedood en 14 tot 22 burgers gewond zouden zijn geraakt.
Is het juist dat Jemenitische autoriteiten beweren dat Al Qaida leden doelwit waren van deze aanval?2 Indien neen, wat zijn dan de feiten? Kunt u bevestigen dat vermeende Al Qaida leden zijn gedood?
Het doelwit zou Shawqi Ali Ahmad al-Badani zijn geweest, het vermeende brein achter de terreurdreiging ten aanzien van Westerse ambassades in de zomer van 2013. Al-Badani zou echter zijn ontsnapt. Voor zover bekend, waren alle bij de aanval omgekomen burgers bruiloftsgasten.
Werd de aanval uitgevoerd door middel van een Amerikaanse drone? Indien ja, hebben de Jemenitische autoriteiten hier toestemming voor gegeven? Indien neen, hoe werd deze aanval dan uitgevoerd? Wie is verantwoordelijk voor deze aanval?
Het kabinet beschikt niet over de gevraagde specifieke feitelijke informatie over deze operatie.
Kunt u aangeven of één of meer van de gedode individuen in een eerlijk proces zijn veroordeeld voor een crimineel feit dan wel dat zij ergens van werden beschuldigd?
Zie antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de Jemenitische en Amerikaanse autoriteiten opheldering te vragen over de gedode individuen en of zij zijn veroordeeld of beschuldigd van criminele feiten, de precieze omstandigheden van de luchtaanval en wie er voor de aanval verantwoordelijk is? Indien neen, waarom niet?
Het kabinet hecht aan transparantie over de inzet van drones, zoals uw Kamer eerder is gemeld (Kamerstuk 2013Z20815, ingezonden op 31 oktober 2013), en is voorstander van een onderzoek naar de feiten van deze luchtaanval. Het kabinet hecht tevens belang aan een strikte naleving van internationaal recht bij de strijd tegen terrorisme. Dat geldt uiteraard ook voor de inzet van bewapende drones. Als partner van Jemen zijn wij voortdurend in dialoog over stabiliteit, het tegengaan van radicalisering en het voorkomen van conflicten.
Het kabinet beschikt niet over de specifieke feitelijke informatie over deze aanval om een oordeel te kunnen vellen of deze aanval in lijn is met het internationaal recht.
Deelt u de mening dat het, ook naar de slachtoffers van de aanval toe, onacceptabel is als onduidelijk blijft wie er achter deze aanval zit? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of u van mening bent dat deze aanval in lijn is met het internationaal recht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het beter is vermeende Al Qaida leden op te pakken in plaats van deze te doden? Bent u van mening dat de gedode bruiloftsgasten hadden kunnen worden opgepakt in plaats van gedood? Indien neen, waarom niet? Wat schrijft het internationaal recht op dit punt voor?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ermee bekend dat het parlement in Jemen heeft besloten om een verbod op te leggen op het gebruik van drones voor luchtaanvallen?3 Hoe beoordeelt u dit besluit? Welke gevolgen heeft dit voor de inzet van drones in Jemen?
Op 15 december heeft het parlement een aanbeveling gedaan aan de regering om een verbod op te leggen. Een dergelijke aanbeveling is niet bindend. Aangezien de aanbeveling niet bindend is, zijn de gevolgen voor de inzet van drones in Jemen nog onduidelijk.
Deelt u de mening dat dit parlementaire besluit, maar ook de vele protesten tegen drones,4 erop wijzen dat er veel verzet in het land is tegen het Amerikaanse drone beleid? Wat is uw indruk van de steun onder de Jemenitische bevolking voor het Amerikaanse drone beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn regelmatig demonstraties tegen het gebruik van drones en ook via sociale media en op muurschilderingen wordt uiting gegeven aan de onvrede over de aanvallen met drones. Tegelijk wenst een groot deel van de bevolking dat de autoriteiten Al-Qaeda in Jemen bestrijden. De steun onder de Jemenitische bevolking voor het Amerikaanse drone beleid laat zich daarom moeilijk duiden.
Deelt u de mening dat veel Jemen experts dat het Amerikaanse drone beleid in Jemen eerder contraproductief werkt dan dat het de dreiging van Al Qaida in het land tegen gaat5 en kunt u bevestigen dat de omvang van Al Qaida in Jemen behoorlijk is toegenomen sinds de Verenigde Staten vier jaar geleden met targeted killing in het land begon?6 Kunt u aangeven welke ontwikkeling u in de laatste vier jaar ziet met betrekking tot de dreiging en het geweld die uitgaan van Al Qaida in Jemen?
Het kabinet is begaan met de bevolking in Jemen, waarvan een groot deel gebukt gaat onder een voortdurende situatie van conflict en onveiligheid. De oorzaak daarvan ligt onder meer bij terroristische groeperingen, politieke instabiliteit en tribale conflicten. Daarnaast zijn de operaties tegen deze bewegingen door het nationale leger en de inzet van drones onderdeel van het conflict en dragen vanuit dat perspectief bij aan het gevoel van onveiligheid onder de bevolking. Er kan derhalve niet worden gesteld dat de inzet van drones contraproductief werkt.
Het kabinet ziet de aanwezigheid van Al-Qaeda in Jemen als een significante bedreiging van stabiliteit in de regio en daarbuiten. Dat neemt niet weg dat er naar een structurele en vreedzame oplossing gezocht moet worden in Jemen om een veilige situatie voor de bevolking te creëren. Nederland draagt daaraan bij door beleid gericht op stabiliteit, conflictpreventie en het voorkomen van radicalisering (bijvoorbeeld door het voorkomen van conflicten over schaarse waterbronnen). Het kabinet is het eens met het lid Van Bommel dat de voortdurende conflictsituaties in Jemen het bereiken van deze doelstellingen bemoeilijkt.
Hoe verhoudt het Amerikaanse drone beleid zich tot het Nederlandse streven om in partnerland Jemen bij te dragen aan het voorkomen van conflicten, het verbeteren van de stabiliteit en het tegengaan van radicalisering? Deelt u mijn opvatting dat het Amerikaanse drone beleid dit streven ondermijnt? Indien neen, waarom niet?7
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de aanval waarbij de bruiloftsgasten omkwamen te veroordelen, ervoor te pleiten dat de slachtoffers worden gecompenseerd en dat de daders worden vervolgd? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 7. De Jemenitische regering heeft compensatie aangeboden, maar de twee sjeiks (van de 2 families van de trouwerij) zijn daarover nog in onderhandeling met de regering.
De ontwikkeling van stapelbakstallen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Schippers levert met HyCare een slechte dienst aan imago van de varkenssector»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat binnen dit systeem de zeug met haar biggen in kunststoffen bakken worden gehouden? Hoe beoordeelt u deze vorm van huisvesting van dieren?
In dit houderijconcept worden de kraamzeug en haar biggen gehouden in verplaatsbare hokken met kunststofwanden en gedeeltelijke kunststofroosters. Deze inrichting komt ook voor in de reguliere zeugenhokken, waaronder het Prodromi kraamhok, die niet verplaatsbaar zijn. De verplaatsbare hokken met de kuntstofwanden en -roosters hebben het voordeel dat zij goed te reinigen zijn.
Kunt u bevestigen dat dit systeem via een lopende band de varkens in deze kunststoffen bakken vervoert? Kunt u bevestigen dat de verzorging van de varkens via de lopende band verloopt, waarbij de boer zich niet meer hoeft te verplaatsen? Hoe beoordeelt u deze mechanische vorm van omgang met dieren?
De Hy-care kraamhokken worden getransporteerd door de hokken op een shuttle-wagentje te plaatsen. Deze shuttle rijdt onder het hok, lift het hok enkele centimeters op en rijdt daarna weg met het hok. Het behoort tot de mogelijkheden dat op deze wijze de verplaatsbare hokken in meerdere lagen worden geplaatst.
Het hok met de dieren wordt op deze wijze naar de dierverzorger gebracht in plaats van dat de dierverzorger naar het hok toekomt. Deze nieuwe werkwijze maakt een hygiënische verzorging van de dieren mogelijk tijdens de kraam- en biggenopfokfase. Dit concept maakt het mogelijk dat met een aangepaste hokinrichting (zoals een Prodromi kraamhok) en aangepast management (speenleeftijd, klimaatregulering) het dierenwelzijn verbeterd wordt ten opzichte van reguliere stallen. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat bij het reinigen van deze bigbakken, de bak gekiept wordt waarbij de biggen naar beneden rollen, wat het makkelijker maakt om de onderkant van de bak schoon te krijgen? Hoe beoordeelt u deze omgangsvorm met biggen in termen van dierenwelzijn en ethiek?
Nee. Voordat de kraamhokken worden gewassen in een aparte wasmachine zijn de biggen handmatig uit de hokken gehaald.
Het is wel mogelijk dat hokken met dieren onder een lichte helling worden geplaatst tijdens de verzorging. Dit vergemakkelijkt de verzorging van de dieren, bevordert de hygiëne en vermindert het risico op verspreiding van ziekteverwekkers. Bij een zorgvuldige werkwijze zie ik geen bezwaren voor het dierenwelzijn. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat de bigbakken met een vorkheftruck gestapeld worden, zoals in magazijninstellingen ook wordt gedaan? Hoe beoordeelt u deze omgangsvorm met biggen in termen van dierenwelzijn en ethiek?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de Dierenbescherming dat de ontwikkeling van stapelbakstallen onethisch is, niet zal kunnen rekenen op maatschappelijk draagvlak en bijdraagt aan een negatief imago van de varkenssector? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze u de ontwikkeling van stapelbakstallen denkt te ontmoedigen? Zo nee, kunt u aangeven op welke wijze een stapelbakstal binnen uw visie van integraal duurzame stallen past?
Voorwaarde is dat de Hy-care stal moet voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. De Hy-care stal bevat elementen die potentieel voordeel kunnen hebben voor de reductie van antibiotica, diergezondheid, stalklimaat en milieu. Daarmee speelt dit nieuwe concept, waarvan een eerste prototype is ontwikkeld, in op de ontwikkeling van de integraal duurzame stallen van de varkenshouderij. Tegelijkertijd kan een dergelijk potentiële systeeminnovatie ook tot gevolg hebben dat er in de varkenshouderij sprake is van verdere industrialisatie waarbij varkens in een sterk technologische omgeving worden gehouden. Vanuit maatschappelijke acceptatie en ethisch oogpunt moet een dergelijke ontwikkeling nader worden bezien. Dergelijke vraagstukken moeten ook voor de sector een belangrijk aandachtspunt zijn bij de verdere verduurzaming van de sector.
Een importverbod op foie gras |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek «Foie Gras, een onderzoek naar de mogelijkheden voor een Nederlands importverbod», dat in december 2013 is uitgegeven door Wakker Dier?1
Ja.
Erkent u dat aspecten van de productie van foie gras in strijd zijn met Richtlijn 58/98/EG?
Hoewel ik geen voorstander ben van de gepraktiseerde wijze van dwangvoedering van eenden voor de foie grasproductie, gaat een importverbod in tegen de ruimte die de aanbevelingen van de Raad van Europa bieden om te werken aan alternatieve methoden.
Richtlijn nr. 98/58/EG heeft tot doel basisbeginselen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren vast te stellen. De richtlijn bevat welzijnsvoorschriften die gelden voor de bescherming van dieren die worden gehouden voor productiedoeleinden ongeacht het doel, dus ook voor de productie van foie gras. In de aanbevelingen van de Raad van Europa, waar Richtlijn nr. 98/58/EG naar verwijst, wordt de productie van foie gras niet verboden. Wel wordt in de aanbevelingen aangegeven dat landen die foie grasproductie toestaan onderzoek moeten aanmoedigen naar de welzijnsaspecten en naar alternatieve methoden. De Commissie heeft eerder in haar communicatie met het Europees Parlement aangegeven dat noch richtlijn nr. 98/58/EG noch de genoemde aanbevelingen een verbod op dwangvoeding bevatten. Het is aan de communautaire rechter, namelijk het Europese Hof van Justitie of de nationale rechter, om een juridisch bindende uitleg te geven van richtlijn nr. 98/58/EG. De communautaire rechter heeft zich tot op heden niet uitgesproken over de vraag hoe de productiewijzen van foie gras zich verhouden tot de bepalingen in richtlijn 98/58/EG. De Europese Commissie heeft overigens met de Franse autoriteiten afgesproken dat zij er voor zorgdragen dat vóór 2016 naar een nieuw kooisysteem wordt overgeschakeld.
Het instellen van een nationaal importverbod op grond van dierenwelzijn is Europeesrechtelijk bovendien niet mogelijk. Vanwege de geharmoniseerde dierenwelzijnsnormen van Richtlijn 98/58/EG kan Nederland geen beroep doen op artikel 36 van het VWEU om een verbod op de import van foie gras vanuit het oogpunt van dierenwelzijn te rechtvaardigen. Ik verwijs u hierbij voorts naar brief 28 286 nr. 590 van Staatssecretaris Bleker, van 17 september 2012.
Bent u bereid, op basis van de niet-naleving van Richtlijn 58/98/EG en de Aanbevelingen door foie-gras-producerende lidstaten, een beroep te doen op artikel 36 EU-Verdrag en de import van producten geproduceerd met dwangvoederen te verbieden of te beperken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat Frankrijk de Europese dierenwelzijns-richtlijn 58/98 in combinatie met de Aanbevelingen van het Standing Comité in 1999, ten aanzien van huisvesting en voedering, door de wijze van productie van foie gras al jarenlang overtreedt? Hoe beoordeelt u deze overtredingen? Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie eerder heeft erkend dat Frankrijk de richtlijn 58/98/EG overtreedt, maar zij verzuimt hier tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u de Aanbevelingen van The Standing Committee uit 1999, welke zijn overgenomen door de Europese Unie (EU), waarbij individuele huisvesting vanaf 2005 bij ver- en nieuwbouw niet meer is toegestaan en eind 2010 alle individuele kooien voor eenden verdwenen hadden moeten zijn? Bent u bekend met het onderzoek, waarnaar Wakker Dier in haar rapport verwijst, waarin staat dat in 2012 in Frankrijk nog 80% van de gedwangvoederde dieren in individuele kooien leven? Hoe beoordeelt u deze wijze van huisvesting en het hoge percentage hiervan?
Nederland heeft ingestemd met de Europese Conventie voor de bescherming van dieren, gehouden voor veehouderijdoeleinden, en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen. Deze aanbevelingen, alsook Richtlijn 98/58/EG, bevatten echter geen strikt verbod op individuele huisvesting voor muskus-eenden en hybriden. De informatie van Wakker Dier dat in 2012 in Frankrijk nog slechts 20% van de betreffende eenden niet meer in individuele kooien gehouden wordt, komt naar mijn informatie voort uit een artikel in het medium «Sud Ouest», van 6 oktober 2012. Er wordt niet gerefereerd aan een onderzoek.
Inzake de eisen aan de huisvesting van deze eenden uit de aanbevelingen van de Raad van Europa heeft de Europese Commissie met de Franse autoriteiten ingestemd dat zij er voor zorgdragen dat vóór 2016 naar een nieuw kooisysteem wordt overgeschakeld. Ik ben, mede gelet op de bevindingen van het wetenschappelijk Comité voor Diergezondheid en Dierenwelzijn van 16 december 1998 zeker geen voorstander van de gepraktiseerde wijze van productie met dwangvoedering bij de foie grasproductie. Nederland heeft al eerder bij de Europese Commissie aangedrongen op een verbod op deze wijze van foie grasproductie. Ik zal de Europese Commissie verzoeken erop toe te zien dat de Franse autoriteiten er met ingang van 2016 strikt op handhaven dat deze dieren niet meer in individuele kooien worden gehuisvest en erop toe te zien dat zij onderzoek laten uitvoeren naar de welzijnsaspecten en naar alternatieve methoden.
Verder zal ik de Europese Commissie ten algemene verzoeken aan te geven wat de stand van zaken in de EU-productielanden van foie gras is voor wat betreft het naleven van de aanbevelingen van de Raad van Europa en de Richtlijn 98/58/EG.
Erkent u dat, op basis van de Aanbevelingen van The Standing Committee kan worden geconcludeerd dat de individuele kooien en het dwangvoederen afgeschaft moeten worden om overeen te stemmen met de Aanbevelingen en Richtlijn 58/98/EG? Zo ja, bent u bereid om te pleiten voor een Europees verbod op individuele kooien en dwangvoederen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de verplichting in Frankrijk om te dwangvoederen bij de productie van foie gras? Erkent u dat deze verplichting tegen Richtlijn 58/59/EG ingaat? Bent u bereid uw Franse collega’s hierop aan te spreken? Bent u bereid om op Europees niveau aan te dringen op een Europees onderzoek naar alternatieven voor dwangvoederen (gavage)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen 2 tot en met 4, heeft de communautaire rechter zich tot op heden niet uitgesproken over de vraag hoe de productiewijzen van foie gras zich verhouden tot de bepalingen in richtlijn 98/58/EG. Het is aan de communautaire rechter om een juridisch bindende uitleg in dezen te geven.
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 6 zal ik de Europese Commissie verzoeken erop toe te zien dat onderzoek wordt uitgevoerd naar de welzijnsaspecten en alternatieven methoden.
Kent u het bericht «Bevallingstoerisme» naar Groot-Brittannië?1
Ja.
Kunt u aangeven of er in Nederland ook sprake is van «bevallingstoerisme», waarbij hoogzwangere buitenlandse vrouwen naar Nederland komen om hier gratis gebruik te maken van onze gezondheidszorg? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en wat zijn de kosten?
Voor zover dit betrekking heeft op illegalen waarvan de kosten door zorgaanbieders kunnen worden gedeclareerd bij het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) op grond van de regeling ex artikel 122a van de Zvw, zijn hierover cijfers beschikbaar. Voor verloskunde en kraamzorg in de eerstelijn werd er in 2012 € 747.000 gedeclareerd voor 970 zwangerschappen. Voor zover het gaat over medisch specialistische zorg in ziekenhuizen of over onverzekerde buitenlanders, anders dan illegalen of onverzekerbare vreemdelingen,heb ik hierover op dit moment geen cijfers beschikbaar. Zie hiervoor mijn reactie op vragen 3 en 4.
Kunt u aangeven of er in Nederland ook sprake is van andere vormen van gratis zorgtoerisme? Zo ja, hoeveel kosten zijn hiermee gemoeid?
In de Commissiebrief over het bericht dat duizenden Oost-Europeanen in ons land naar de dokter of het ziekenhuis gaan, maar de rekening niet betalen (2014Z00403) en de antwoorden op de vragen van de Kamerleden Leijten (SP) en Van Gerven (SP) over het bericht dat onverzekerde Oost-Europeanen ziekenhuizen miljoenen kosten (2014Z00062) heb ik aangegeven dat ik recent aan de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) heb gevraagd of zij in kaart willen brengen welke opbrengsten ziekenhuizen missen door onverzekerden en om welke aantallen onverzekerden het gaat die zich melden voor medische hulp. Tevens zal ik aan hen vragen of en in welke mate het mogelijk is deze verder uit te splitsen naar nationaliteit. Als ik deze cijfers van de ziekenhuizen ontvangen heb, zal ik u daar over informeren.
Kunt u aangeven hoeveel zorg wordt verleend in Nederland waarvoor niet wordt betaald? Zo ja, wat zijn de totale kosten hiervan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is indien buitenlanders naar Nederland komen voor gratis gezondheidszorg? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dit ondermijnt het solidariteitsprincipe dat aan de zorgverzekeringen ten grondslag ligt en zoals wij dat in Nederland kennen. Voor zover het om acute zorgverlening gaat wordt deze uiteraard wel gegeven, ook als mensen die niet kunnen betalen.
De berichten "Groot deel voetbalgeweld bij risicoclubs" en "Duizend gevallen van extreem fysiek geweld" |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw opvatting over het onderzoek waaruit zou blijken dat het leeuwendeel van geweld op en rond de voetbalvelden plaatsvindt bij een select aantal voetbalclubs?1
Uit het onderzoek «Excessief geweld op en om de voetbalvelden» komt naar voren dat een groot deel van geweld op het veld plaatsvindt bij een beperkt aantal voetbalclubs. Er zijn voetbalverenigingen waar meer geweldsincidenten en organisatorische problemen voorkomen. Deze verenigingen worden bestuurlijk en organisatorisch extra ondersteund door de KNVB door het trainen van het bestuurlijke kader en het beschikbaar stellen van een verenigingsbox. Hierin zijn concrete handreikingen en voorbeelden opgenomen variërend van voetbaltechnische trainingen, het organiseren van ouderavonden en het opstellen van jaarplanningen. Ook werken sportverenigingen in toenemende mate samen met onder andere gemeenten, politie en Halt om geweldsincidenten op het voetbalveld tegen te gaan.
Onderschrijft u de conclusie dat deze clubs extra begeleiding nodig hebben van de KNVB2, gemeenten, onderwijsinstellingen en jeugd- en jongerenwerk in de buurt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Ja. Ik ben van mening dat samenwerking tussen landelijke en lokale partijen meerwaarde heeft. In enkele gemeenten wordt er door sportverenigingen samengewerkt met professionele ondersteuning. Buurtsportcoaches of sportpedagogen begeleiden hier succesvol spelers, coaches en het bestuur van een vereniging om een omgeving te creëren waarin met plezier wordt gesport.
Vanuit de rijksoverheid stimuleren we deze ontwikkeling en dragen we bij door
het financieren van het actieplan «Naar een veiliger sportklimaat». Op dit moment ontwikkel ik met KNVB, NOC*NSF, Halt, gemeenten en het Ministerie van Veiligheid & Justitie een ketenaanpak om excessen bij sportverenigingen verder terug te dringen. Zodra de ketenaanpak klaar is, wordt dit lokaal verspreid.
Op welke manier kunnen voetbalclubs die te maken hebben met financiële en organisatorische problemen worden geholpen bij het creëren van een veilig sport- en spelklimaat?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat ook buurtsportcoaches, onderwijsinstellingen en jeugd-en jongerenwerk binnen voetbalclubs een dragende rol kunnen vervullen bij het creëren van een veilig en sportief voetbalklimaat? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de door de KNVB bepleite ketenaanpak zo snel mogelijk vorm en inhoud moet krijgen? Kunt u aangeven welke rol de landelijke overheid daarbij moet spelen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het feit dat verenigingen aangifte van geweld in de regel overlaten aan slachtoffers, uit angst voor administratieve rompslomp en boetes? Op welke manier kan hierin structureel verandering worden gebracht?
Het is van belang dat verenigingen incidenten melden bij het Meldpunt Sport en Geweld, zodat er snel contact met politie, slachtofferhulp en de sportbond kan worden gelegd en – waar sprake is van strafbare feiten – aangiften kunnen worden opgenomen van slachtoffers en getuigen. Ook de vereniging heeft hierin een verantwoordelijkheid. Uiteraard mogen deze aangiften niet meer tijd kosten dan nodig. Daarom zet de Minister van Veiligheid & Justitie samen met de politie in op het verbeteren van het aangifteproces. Dit gebeurt door het organiseren van uniforme aangiftevoorzieningen waarbij op een passende manier aangifte gedaan kan worden en door het verbeteren van de kennis en expertise van politiemedewerkers die aangiften opnemen. Ook het organiseren van terugkoppeling op aangiften en het verbeteren van de afhandeling van de aangiften draagt bij aan het verbeteren van het aangifteproces.
Haagse loyaliteit aan Al-Qaida |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Jihadisten zweren in Den Haag trouw aan Al-Qaida»?1
Ja.
In hoeverre erkent u het gewelddadige islamitische karakter van de proclamatie «Wij offeren onze zielen, zonen en geld voor u op»?
Dit kabinet spreekt zich uit tegen gedragingen die haaks staan op de kernwaarden van de democratische rechtsstaat. Ik neem daarom ook sterk afstand van de geproclameerde teksten tijdens de betreffende demonstratie in Den Haag.
Ik beschouw de islam niet als een ideologie, maar als een godsdienst. Het is niet aan de overheid te bepalen welke religieuze standpunten wel of niet juist zijn. Wel is het aan de overheid om (de kernwaarden van) de democratische rechtsstaat te beschermen. Indien er aanwijzingen zijn dat de wet wordt overtreden, zal het OM tot strafrechtelijke vervolging overgaan.
Hedendaagse gewelddadige jihadisten vormen een kleine extremistische minderheid binnen de islamitische stromingen. Zijberoepen zich op selectieve wijze op islamitische begrippen om gebruik van terroristisch geweld te legitimeren. De dreiging die van dit gewelddadig jihadisme uitgaat, alsmede de maatschappelijke onrust die dit in de moslimgemeenschappen tot gevolg heeft, neemt het kabinet uiterst serieus.Het vraagstuk van jihadistische radicalisering is zowel een veiligheids- als een integratieprobleem. In de brief aan uw Kamer3, d.d. 2 februari 2014 (reactie op artikel «Popjihad» en preventie radicalisering) heeft de Minister van SZWde aanpak hiervan toegelicht.
Welke banden bestaan er tussen Al-Qaida en de personen uit het betreffende artikel en filmpje?
Ik doe in het openbaar geen concrete mededelingen over individuele gevallen.
Bent u bereid, in tegenstelling tot de huidige praktijk, het oproepen en ronselen voor de jihad te bestraffen met denaturalisatie en uitzetting? Zo neen, waarom niet?
Het ronselen of rekruteren van personen voor de jihad is volgens artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht(Sr) strafbaar: hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. Ik verwijs in dit kader ook naar mijn brief van 21 mei 2013 aan uw Kamer2.
Op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als sprake is van een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf. Voorwaarde is dat de betrokken persoon naast de Nederlandse nationaliteit ook een andere nationaliteit bezit. Intrekking van het Nederlanderschap is namelijk niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is (het Europees Verdrag inzake Nationaliteit, waarbij Nederland partij is, staat dit niet toe). Voorwaarde is ook dat het misdrijf na 1 oktober 2010 is gepleegd. Na het intrekken van het Nederlanderschap wordt betrokkene ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
Begrijpt u inmiddels dat onder andere Nederland geconfronteerd wordt met een ideologie die in essentie gewelddadig en intolerant is naar alles dat niet-islamitisch is? Zo neen, wanneer dringt de ernst hiervan dan wel tot u door?
Zie antwoord vraag 2.
Risicoselectie door zorgverzekeraars in de basisverzekering |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel van Wynand van de Ven over risicoselectie door zorgverzekeraars in de basisverzekering?1
Ja.
Deelt u de mening dat een robuust basispakket voor iedereen beschikbaar moet zijn en juist daarom strikt toezicht en handhaving van het verbod op risicoselectie noodzakelijk is?
Ja, dat ben ik niet alleen van mening, het is ook wettelijk zo geregeld dat het basispakket voor iedereen beschikbaar is. Met de acceptatieplicht voor verzekeraars en het verbod op premiedifferentiatie wordt bewerkstelligd dat het basispakket voor iedereen toegankelijk is. In de wet is derhalve geen formeel geen «verbod op risicoselectie» opgenomen.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op en handhaaft zonodig de naleving van de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie.
Klopt het dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) onderzoek heeft laten doen naar risicoselectie en aldus signalen hierover heeft gekregen van de Erasmus Universiteit Rotterdam?
Dat is juist. Naar aanleiding van het rapport van de commissie evaluatie risicoverevening zorgverzekeringswet, ook wel commissie Don (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012, 29 689, nr. 391) genoemd, heb ik de NZa gevraagd om expliciet aandacht te besteden aan de naleving van de acceptatieplicht en toepassingen van risicoselectie. De NZa heeft aan IBMG gevraagd dit nader te onderzoeken.
IBMG heeft afgelopen jaar twee rapporten gepubliceerd:
Deze rapporten zijn verwerkt in de marktscan 2013, die ik op 29 augustus toegezonden heb aan uw Kamer. In de marktscan merkt de NZa op dat zij geen signalen heeft ontvangen over schending van acceptatieplicht, het verbod op premiedifferentiatie of andere vormen van risicoselectie die in strijd zijn met de wet.
Waarom zijn deze signalen – die nu in de krant staan – niet in de jaarlijkse monitor van de NZA verwerkt?
In de marktscan 2013 gaat de NZa uitgebreid in op de resultaten van het onderzoek van IBMG. Zo meldt de NZa in de marktscan onder andere dat «uit onderzoek naar de vergelijking tussen overstappers en niet-overstappers blijkt dat mensen die naar verwachting lage zorgkosten hebben (d.w.z. in het algemeen gezond zijn) vaker overstappen dan mensen met voorspelde hoge zorgkosten. De werkelijke zorgkosten van niet-overstappers zonder compensatie van de risicoverevening zijn aanzienlijk hoger dan de kosten van overstappers. Deze verschillen in zorgkosten worden (bijna) volledig gecompenseerd via de risicoverevening. Er blijven wel verschillen over als we de verschillen tussen overstappers en niet-overstappers per verzekeraar (en niet op macro niveau) analyseren. Een aantal zorgverzekeraars had in 2009 selectieve in- en/of uitstroom van verzekerden. Deze selectieve uitstroom of instroom kan voorkomen door zelfselectie van verzekerden (bijvoorbeeld omdat de verzekeraar een polis aanbood die voor een specifieke groep verzekerden aantrekkelijk was) of door risicoselectie van de verzekeraar.»
De NZa presenteert de bevindingen van de onderzoekers zonder dat zij daaraan de conclusie verbinden dat er sprake is van directe risicoselectie. In de praktijk heeft de NZa geen signalen van directe risicoselectie ontvangen.
Overigens hanteren de onderzoekers van IBMG een ruime definitie van risicoselectie, namelijk «acties (anders dan premiedifferentiatie per product) door verzekerden of verzekeraars met als doel of gevolg dat de beoogde risicosolidariteit niet volledig wordt gerealiseerd». Dit betekent dat wanneer een verzekerde overstapt naar een andere verzekeraar vanwege het contracteerbeleid of dienstverlening, dit mogelijk ook al wordt beschouwd als risicoselectie.
Let wel, in het IBMG rapport wordt gewezen op de risico’s en de theoretische mogelijkheden. Ik ben mij ervan bewust dat deze theoretische mogelijkheden er zijn. Vandaar dat ik continu alert ben op signalen van risicoselectie zoals ik ook heb aangegeven in mijn standpunt met betrekking tot de commissie Don. Dat vraag ik ook van de NZa, waarvan ik weet dat zij hier volop aandacht aan schenken en mij zo nodig informeren over zaken die aandacht behoeven.
Deelt u de opvatting dat de NZA ook signalen dient te delen van vormen van risicoselectie die niet strijdig zijn met de wet, maar die wel negatieve gevolgen kunnen hebben?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de zorg van hoogleraar Van de Ven over risicoselectie door zorgverzekeraars in de basisverzekering? Bent u bereid nader onderzoek te laten doen naar deze signalen? Kunt u hierin meenemen op welke manier kan worden voorkomen dat risicoselectie plaatsvindt door selectieve inkoop?
Zoals de onderzoekers zelf aangeven is het bijzonder lastig om alle oorzaken en gevolgen van de vermeende risicoselectie te kennen. Een hele reeks van oorzaken worden genoemd zoals, selectieve marketing, koppelverkoop, de aanvullende verzekeringen, collectiviteiten, etc.
Geen van deze vormen van risicoselectie is in strijd met de wet.
Het belangrijkste wat ik kan doen is doorgaan met het door mij ingezette beleid. Dat houdt in dat ik de uitkomsten van risicoverevening blijf volgen en blijf zoeken naar mogelijkheden om de risicoverevening verder te verbeteren. Op deze wijze vergroot ik de risicosolidariteit waar mogelijk en zorg ik ervoor dat de gewenste mobiliteit in de zorgverzekeringsmarkt blijft optreden.
Toename openstaande rekeningen in de zorg |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht waaruit blijkt dat er steeds meer onverzekerde mensen hun ziekenhuisrekening niet betalen?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen de basiszorg moet krijgen die nodig is, maar dat dan ook iedereen verzekerd moet zijn of zijn rekening dient te betalen, omdat anders de solidariteit van het stelsel wordt aangetast?
Ja. Ik deel deze mening. Wel merk ik op dat in onze maatschappij ook het uitgangspunt geldt dat indien mensen acuut medische zorg nodig hebben, onverzekerd zijn en de rekening niet zelf kunnen betalen, deze zorg toch niet wordt onthouden.
Klopt het dat er sprake is van een leemte in de regelgeving, waardoor onverzekerde EU-burgers niet effectief aangepakt kunnen worden om zich te verzekeren, dan wel hun rekening te betalen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Voor het antwoord op deze vraag is het noodzakelijk onderscheid te maken naar de verblijfstitel. Op grond van Europese regelgeving hebben personen met de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland het recht om in een ander EU-land te kunnen verblijven. Voor een verblijf van minder dan drie maanden mogen geen voorwaarden worden gesteld en hoeft betrokkene alleen in het bezit te zijn van een identiteitsbewijs. Dit betekent dat «toeristen» uit deze landen hier vrij kunnen verblijven, ook als zij niet beschikken over een dekking tegen ziektekosten2.
Als deze personen langer dan drie maanden in Nederland willen verblijven moeten zij aantonen dat zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien en een zorgverzekering hebben. Voor verblijf langer dan drie, respectievelijk vier maanden is inschrijving bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), respectievelijk in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) verplicht. Werknemers uit vrijwel alle landen van de EU of de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen in Nederland werken zonder vergunning. 3
Indien EU-ingezetenen in Nederland wonen of gaan werken, wordt op hen de Nederlandse wetgeving van toepassing, en ontstaat uit dien hoofde AWBZ-verzekering en Zvw-verzekeringsplicht.
Op grond van de nationale wetgeving is een persoon verzekerd ingevolge de volksverzekeringen, waaronder de AWBZ, en verzekeringsplichtig ingevolge de Zorgverzekeringswet, als hij ingezetene is van Nederland of als niet-ingezetene in Nederland werkt. Alleen dan mag en moet hij een Nederlandse zorgverzekering sluiten.
Effectieve aanpak van de groep onverzekerde verzekeringsplichtigen is mogelijk door opsporing. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord bij de volgende vraag.
Voor zover het gaat om effectief aanpakken van het betalen van rekeningen kunnen ziekenhuizen zelf ook stappen zetten. Dit is wettelijk afdoende geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Van een aantal ziekenhuizen is bijvoorbeeld bekend dat deze voor niet-acute zorg een voorschot vragen van de betreffende persoon.
Heeft het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) ook een taak om deze groep onverzekerde EU-burgers op te sporen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Ja. Ingevolge de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering (Ovoz) kunnen onverzekerde verzekeringsplichtigen worden opgespoord indien zij bekend zijn in de gemeentelijke basisadministratie. Opsporing gebeurt immers aan de hand van het burgerservicenummer.
Met ingang van 6 januari 2014 is de Wet basisregistratie personen in werking getreden. De basisregistratie personen (bpr) wordt gevormd uit de gemeentelijke basisregistratie (GBA) en de (nieuw opgezette) registratie niet-ingezetenen (RNI). In de RNI worden onder meer personen opgenomen die niet of korter dan 4 maanden in Nederland wonen en een relatie hebben met Nederlandse overheidsinstellingen, zoals mensen die tijdelijk in Nederland werken of in het buitenland pensioen ontvangen. Vanaf genoemde datum kunnen niet-ingezetenen bij achttien gemeenten in Nederland terecht voor inschrijving in de RNI. Ook wordt de RNI gevuld door de Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en het College voor Zorgverzekeringen, met gegevens van personen die buiten Nederland verblijven en een inkomensverhouding met Nederland hebben. Iemand die is ingeschreven in de GBA of RNI krijgt ook een burgerservicenummer. Op den duur kunnen dus ook verzekeringsplichtige niet-ingezetenen beter worden opgespoord dan op basis van de huidige bestandsvergelijking.
Opsporing van EU-onderdanen die zich niet inschrijven of hebben ingeschreven in de GBA of RNI, omdat het op grond van de regelgeving niet nodig is of omdat zij dit hebben nagelaten, is op grond van de Wet Ovoz niet mogelijk omdat deze mensen geen burgerservicenummer hebben. Als het gaat om mensen die hier korten dan drie maanden verblijven, zoals toeristen, is dit ook ondoenlijk en ongewenst.
Het kabinet heeft al eerder aangegeven de met het vrije verkeer van personen uit nieuwe EU-lidstaten samenhangende problematiek op diverse manieren aan te pakken, bijvoorbeeld door betere voorlichting en door betere handhaving van de registratieplicht. Ik verwijs kortheidshalve naar de brief van 13 september 2013 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II, 29 407, nr. 175). Het beleid is om mensen zonder burgerservicenummer uit EU-landen op te sporen, bijvoorbeeld via gegevensuitwisseling tussen de Inspectie SZW en gemeenten, en hen alsnog in te schrijven in GBA of RNI.
Bent u bereid het CVZ onderzoek te laten doen naar de aard, omvang en oorzaak van het niet afsluiten van een verzekering door niet verzekerde EU-burgers, en het niet betalen van rekeningen voor zorgkosten? Bent u bereid het CVZ te vragen welke maatregelen genomen moeten worden om wanbetaling tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik vind onderzoek naar de aard, omvang en oorzaak van het niet afsluiten van een verzekering door niet verzekerde EU-burgers geen taak voor het CVZ, noch een taak voor de Nederlandse overheid als zodanig. Private ondernemingen, waaronder ziekenhuizen, moeten in staat zijn om te beoordelen welke maatregelen nodig zijn om wanbetaling van onbetaalde rekeningen zoveel mogelijk te voorkomen. Het voorkomen en tegengaan van wanbetaling behoort tot de normale bedrijfsvoering van de onderneming.
Recent heb ik de NVZ en NFV gevraagd of zij in kaart willen brengen welke opbrengsten ziekenhuizen missen door onverzekerden, om welke aantallen onverzekerden het gaat, om zo een beeld te krijgen van de stand van zaken.
Het bericht extra ammoniakeisen dreigen vanuit Brussel |
|
Remco Dijkstra (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «LTO: extra ammoniakeisen dreigen vanuit Brussel»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de plannen van de Europese Commissie eruit gaan zien voor de verlaging van de nationale emissieplafonds voor ammoniak en fijnstof? Kunt u aangeven hoe deze plannen in verhouding staan tot de (strengere) Nederlandse regels op het gebied van ammoniak en fijnstof?
De Europese Commissie heeft voorgesteld om het plafond voor ammoniak ten opzichte van de gerealiseerde emissie in 2005 te verlagen met 13% in de periode van 2020 tot 2029. Vanaf 2030 wordt voorgesteld dit plafond te verlagen met 25% ten opzichte van 2005.
Voor fijn stof (PM2,5) wordt een emissiereductie voorgesteld van 37% in de periode van 2020 tot 2029 en 38% vanaf 2030 ten opzichte van de emissie in 2005.
Het artikel in de Boerderij betreft een nieuw Commissievoorstel.
De Nederlandse inzet voor die onderhandelingen zal mede op basis van een kostenbatenanalyse, die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op dit moment op verzoek van de Staatssecretaris voor Milieu en Infrastructuur uitvoert, worden bepaald, alsook naar aanleiding van gesprekken met het bedrijfsleven.
Voorlopige berekeningen van PBL wijzen voor beide stoffen uit dat de aangescherpte doelen volgens de prognoses gehaald kunnen worden met reeds vaststaand beleid. De maatregelen die in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) worden respectievelijk zijn voorzien, zijn daarbij meegenomen.
Klopt het dat een verdere verlaging van de plafonds een direct effect heeft op de intensieve veehouderij? Kunt u aangeven wat het effect van de voornemens van de Europese Commissie is voor de intensieve veehouderij in Nederland?
Een verlaging van de plafonds van ammoniak en fijn stof heeft bij de huidige voorstellen van de Europese Commissie geen direct effect op de intensieve veehouderij. De voorgestelde plafonds kunnen volgens de prognoses met huidige beleid, waaronder het beleid voor de PAS en het NSL worden gehaald.
Kunt u aangeven of u ook voornemens bent om extra nationale regelgeving op te stellen ten aanzien van luchtvervuiling ten aanzien van de intensieve veehouderij? Zo ja, bent u bereid deze voornemens op te schorten zolang niet duidelijk is hoe de regels uit Brussel eruit gaan zien?
Er zijn aanscherpingen in voorbereiding van nationale regelgeving op het gebied van stallen (ammoniak en fijn stof) en mestaanwending. De aanscherping van de eisen voor ammoniakemissie uit stallen en bij mestaanwending in het kader van de PAS zijn nodig om de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden te verlagen. De invoering van eisen voor de emissie van fijn stof (PM10) uit stallen heeft tot doel de achtergrondconcentraties zodanig te verlagen dat kan worden voldaan aan de reeds geldende luchtkwaliteitseisen voor PM10 en daarmee tevens aan de luchtkwaliteitseisen die in 2015 voor PM2,5 gaan gelden. Deze maatregelen zullen naar verwachting voldoende zijn om te voldoen aan de door de Europese Commissie voorgestelde doelen voor emissiereductie. Ik wil deze maatregelen niet opschorten omdat er dan problemen ontstaan met de implementatie van de PAS en ten aanzien van het voldoen aan de reeds gemaakt afspraken in het kader van de Europese luchtkwaliteitsrichtlijn.
Kunt u aangeven of u tijdens de Landbouwraad zich achter de oproep van Duitsland, Denemarken en Luxemburg heeft geschaard om meer duidelijkheid te geven over de mogelijke gevolgen voor de landbouw van de plannen de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven wat is er besloten om de gevolgen voor de landbouw in kaart te brengen?
Zoals ik u heb gemeld in mijn brief van 19 december 2013 (Kamerstuk II 21 501-32, nr. 761), heeft een groot aantal lidstaten het verzoek van Duitsland ondersteund. Ik heb uw Kamer aangegeven dit ook te kunnen steunen. De voorzitter concludeerde dat regelmatig informatie zal worden verschaft aan de Landbouw- en Visserijraad met betrekking tot de stand van zaken van de onderhandeling over de herziening van de richtlijn. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is eerstverantwoordelijk voor dit dossier.
Deelt u de mening dat indien de plannen van de Europese Commissie doorgang vinden dat Nederland erkenning moet krijgen voor de koploperspositie die is bereikt door de ammoniakemissie met 67 procent te reduceren terwijl in Europa de reductie gemiddeld 28 procent was en Nederlandse veehouders veel meer moeten hebben investeren in verlaging van de emissie dan boeren elders in Europa?
Bij de voorstellen is het primaire uitgangspunt van de Europese Commissie de impact op mens en milieu geweest van de diverse luchtverontreinigende stoffen. Bekeken is op welke wijze de emissies in Europa op de meest kosteneffectieve manier kunnen worden verminderd. Daarbij heeft de Commissie rekening gehouden met hetgeen de lidstaten in het verleden hebben bereikt. De emissiereductie voor ammoniak voor de Europese Unie als geheel ligt op 27%. Nederland zit daar met 25% net onder. Nog relevanter is het om Nederland te vergelijken met belangrijke landbouwlanden om ons heen. Het voorstel bevat voor Denemarken een reductie van 37% in 2030 en voor Duitsland zelfs 39%.
Grote problemen met zeugen in groepen |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Grote problemen met zeugen in groepen»?1
Ja.
Klopt het dat varkenshouders die zeugen houden in stabiele groepen grote problemen ervaren met verwerpers en dat sommige varkensbedrijven meer als de helft van de zeugen binnen een maand na het dekken zien verwerpen en dat dit soms oploopt tot 60 procent verwerpers? Zo ja, wat vindt u van deze situatie?
Volgens genoemd bericht zouden zeugen die in stabiele groepen worden gehuisvest meer te maken hebben met verwerpen dan in andere huisvestingssystemen. Dit zou met name in het najaar voorkomen (het zogenaamde najaarsverwerpen). In de berichtgeving wordt een deskundige van de Gezondheidsdienst van Dieren (GD) aangehaald die het vermoeden heeft geuit dat dit weleens te maken zou kunnen hebben met het opeten van de verworpen vrucht door de hokgenoten. Mogelijk dat door de aanwezigheid van prostaglandine dit tot een domino-effect van verwerpen leidt.
Navraag bij de GD leert echter dat «najaarsverwerpen» een bekend fenomeen is in de zeugenhouderij en zich niet beperkt tot in groepen gehouden dieren en zich ook niet beperkt tot het stadium van vroege dracht. De oorzaken zijn nog onvoldoende bekend. Bekend is wel dat deze multifactorieel zijn en bedrijfsspecifiek. Een eventuele rol van prostaglandine hierin is eveneens onbekend. Er is ook onvoldoende informatie in welke mate dit voorkomt, in welke systemen en in welk stadium van de dracht om hieraan conclusies te verbinden over bepaalde systemen.
Kunt u zich vinden in de verklaring dat als één zeug in het hok verwerpt de rest van de zeugen de afgestorven vruchtjes op eet en dat in deze vruchtjes hoge concentraties van het hormoon prostaglandine zit en dat als een zeug dit in de vroege dracht binnenkrijgt ze binnen een paar dagen vruchtvliesjes afwerpt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de gepresenteerde oplossing dat zeugen eerst 4 a 5 weken na het dekken individueel moeten worden gehuisvest?
De sleutel tot succes zit in het management en niet in het langer opsluiten van zeugen. Bedrijven die problemen hebben, moeten begeleid worden omdat de oorzaken van bedrijf tot bedrijf verschillend en multifactorieel kunnen zijn.
Deelt u de mening dat grote problemen ontstaan zoals het faillissement van varkenshouderijen als de regelgeving gehandhaafd blijft om de zeugen binnen vier dagen na inseminatie in groep te laten lopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om deze bovenwettelijke eis bovenop de Europese regelgeving te schrappen?
Nee. Op basis van onderzoeksresultaten en ervaringen van diverse organisaties en bedrijven uit de keten is bekend dat het merendeel van de bedrijven geen problemen heeft en goede reproductieresultaten heeft. Ook in landen als Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Zwitserland wordt groepshuisvesting in de vroege dracht met succes toegepast. In de Verenigde Staten zijn grote bedrijven bekend die goede resultaten boeken met het huisvesten van zeugen in groepen kort na dekken. Dat wil niet zeggen dat er geen bedrijven zullen zijn die wel problemen hebben. Deze bedrijven moeten begeleid worden.
Klopt het dat u begin september een bestuurlijk overleg heeft gehad met de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) en Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) over de problematiek van het vroege introductiemoment van zeugen in de groep en dat u ondanks de problematiek waar de sector mee te kampen heeft te kennen heeft gegeven niet te willen afstappen van deze bovenwettelijke Europese regel en dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit per 1 januari handhavend gaat optreden? Zo ja, kunt u uw besluit nader motiveren?
Ja. Er is een gesprek geweest waarin onder andere de zorgen die NVV en LTO Nederland hebben aan bod zijn gekomen. Ik heb aangegeven vast te blijven houden aan de eis die reeds jaren terug met goede redenen in het Varkensbesluit is opgenomen, maar ik heb tevens aangegeven mijn ogen niet te willen sluiten voor ondernemers die het echt geprobeerd hebben maar toch problemen ondervinden. Ik heb middelen vrijgemaakt om deze ondernemers te laten begeleiden.
Klopt het dat na het overleg een netwerkgroep is opgericht met als doel het inventariseren en begeleiden van probleembedrijven? Zo ja, deelt u de mening dat dit niet nodig was geweest als u had afgezien van deze bovenwettelijke eis?
Ja, dat klopt. Via de netwerkgroep worden bedrijven die hebben aangegeven problemen te hebben begeleid, het zogenaamde verbetertraject. Uiteindelijk hebben 8 bedrijven zich hiervoor aangemeld. Deze netwerkgroepen zijn er juist op gericht om bedrijven die problemen ondervinden bij groepshuisvesting te informeren en begeleiden.
Klopt het dat de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) een voorstel heeft opgesteld voor een onderzoek om deze oorzaak aan te tonen? Zo ja, wanneer is dit onderzoek gereed en bent u bereid om deze uitkomsten naar de Kamer te sturen?
Ja. Volgens de GD heeft zij in 2010 een voorstel geschreven. Dat voorstel is destijds gerelateerd aan het «najaarsverwerpen». Op dit moment is er echter geen sprake van een lopend onderzoek. Mochten LTO Nederland en NVV een dergelijk onderzoek op willen starten, dan lijkt me dat zinvol. De resultaten kunnen bijdragen aan het verbetertraject zoals we dat afgelopen najaar hebben ingezet.
Bent u bereid als de uitkomsten van dit onderzoek negatief zijn, deze bovenwettelijke eis te schrappen of in ieder geval te evalueren zoals de aangenomen motie Lodders (Kamerstuk 28 286, nr. 663) beoogt ten aanzien van andere bovenwettelijke eisen die u van plan bent in te voeren zoals verbod op het koudmerken van koeien en het verbod op keizersnedes bij vleesveerassen en aan de hand van deze evaluatie te bepalen of deze maatregelen daadwerkelijk van kracht worden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om handhaving ten aanzien van de vierdageneis door de NVWA op te schorten zolang de rechtszaak aangespannen door NVV en LTO nog loopt en de uitkomsten van de onderzoeken van zowel GD als NVV en LTO nog niet bekend zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik zie in het feit dat er mogelijk een rechtszaak wordt aangespannen en dat er mogelijk een onderzoek gaat plaatsvinden naar de rol van prostaglandine geen aanleiding om de handhaving op te schorten. Er zijn hiervoor geen redenen, noch van beleidsmatige noch van juridische aard.
De situatie in Zuid Soedan met grote aantallen slachtoffers van etnisch geweld |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van de dramatische situatie met grote aantallen slachtoffers van etnisch geweld in Zuid Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dan er een genocide zal plaatsvinden in Zuid Soedan in de komende dagen en weken?
Het is zorgwekkend dat het conflict in Zuid-Sudan een etnische dimensie heeft gekregen. Er is sprake van ernstige mensenrechtenschendingen. Het risico op verdere escalatie is aanwezig, maar of dit zich tot een genocide ontwikkelt is op dit moment niet te zeggen. De bij het conflict betrokken Zuid-Sudanese leiders moeten heldere boodschappen afgeven aan hun achterban om verder interetnisch geweld te voorkomen. Partijen moeten voorts zo spoedig mogelijk een staakt-het-vuren overeenkomen; daarnaast is de bescherming van burgers van groot belang. Momenteel vinden vredesbesprekingen plaats in Addis Abeba onder leiding van de regionale organisatie IGAD. EU Speciaal Vertegenwoordiger Rondos is als waarnemer bij deze besprekingen aanwezig.
Welk beroep heeft de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gedaan in het algemeen en welke beroep in het bijzonder op de Europese Unie en landen die al deelnemen aan UNMISS en op Nederland?2
De Secretaris-Generaal heeft op 23 december jl. de leden van de VN-Veiligheidsraad om toestemming gevraagd voor versterking van UNMISS. De missie heeft meer personele en materiële capaciteit nodig om in de huidige omstandigheden Zuid-Sudanese burgers en het eigen VN-personeel adequaat te kunnen beschermen. In de brief geeft de SG aan dat hij door middel van overheveling van troepen en enablers vanuit andere missies in de regio (MONUSCO, UNAMID, UNISFA, ONUCI en UNMIL) UNMISS wil versterken. Het gaat hierbij onder andere om infanterie bataljons, helikopters, een transportvliegtuig en United Nations Police (UNPOL) eenheden.
De VN-Veiligheidsraad stemde op 24 december jl. in met een verhoging van het aantal UNMISS-troepen met 5.500 personen en het aantal UNPOL’ers met 440 personen.
Aan de EU noch Nederland is naast deze algemene oproep van de SG een specifiek verzoek gericht om de bijdrage aan UNMISS te verhogen. Wel is het zo dat de VN alle landen, die binnen UNMISS een bijdrage leveren aan UNPOL, heeft opgeroepen deze niet terug te trekken, nu juist de inzet van UNPOL binnen UNMISS hard nodig is. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 24 december 2013 over de ontwikkelingen in Zuid-Sudan, handhaaft Nederland de bijdrage aan UNMISS omdat er vooralsnog onvoldoende aanleiding is om het Nederlandse personeel terug te trekken.
Op welke wijze en met welke snelheid antwoorden de EU-Lidstaten en Nederland op deze oproep?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u het antwoord op deze vragen, inclusief een brief/bericht van de Secretaris-Generaal aan Nederland en het antwoord daarop, zo spoedig mogelijk aan de Kamer sturen?
Zie antwoord vraag 3.
De verhoging van het wettelijk minimumuurloon op Saba |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Waarom besluit u nu al het wettelijk minimumloon te verhogen en niet het volledige onderzoek van het CBS af te wachten?1 Bent u ook bereid deze verhoging terug te draaien als uit het onderzoek blijkt dat het wettelijk minimumloon al op een relatief hoog niveau ligt?
Bij gelegenheid van de voorbereiding van de staatkundige transitie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de startniveaus. Daarbij is een streven uitgesproken om het minimumloon (alsmede de uitkeringen) in de toekomst verder te verbeteren naar gelang de economische draagkracht en ontwikkeling (bestuurlijke afspraak d.d. 18 april 2010). Bovendien is afgesproken dat de verbetermogelijkheden voorwerp van jaarlijks overleg zouden zijn. Wachten op onderzoeksuitkomsten als die van het CBS zou niet in lijn met de gemaakte afspraken zijn. Overigens acht ik het niet reëel dat de, nog te verwachten, uitkomsten van onderzoek van het CBS zou uitwijzen dat het wettelijk minimumloon te hoog is vastgesteld. Het wettelijk minimumloon op Saba is nu vastgesteld op $ 4,96 per uur, terwijl de werkgevers aangeven dat $ 5,50 feitelijk veelal de ondergrens is op Saba.
Kunt u aangeven waarom u dit besluit niet vooraf in de Kamer bespreekt?
Het vaststellen van de bedragen op grond van de Wet minimumlonen BES is een ministeriële bevoegdheid, zonder voorhangprocedure. Dit geldt zowel de reguliere indexering op grond van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer (artikel 13, eerste lid, Wet minimumlonen BES) als eventueel bijzondere wijziging op grond van andere omstandigheden (artikel 13, tweede en derde lid, Wet minimumlonen BES). Niettemin is de maatregel vooraf aan de Tweede Kamer gemeld, namelijk tijdens het algemeen overleg armoede van 27 november 2013. Na dat algemeen overleg is de desbetreffende wijzigingsregeling getekend.
In hoeverre deelt u de mening dat afspraken over loonruimte plaats dienen te vinden tussen werkgevers en werknemers?
Het is inderdaad aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over de lonen. Dat neemt niet weg dat – net als in het Europees deel van Nederland – voor Caribisch Nederland een wettelijk minimumloon wordt vastgesteld. Anders dan via die route wordt niet in de arbeidsverhoudingen ingegrepen. Aan de onderhavige maatregel is overleg met vertegenwoordigers van werkgevers vooraf gegaan tijdens mijn werkbezoek in juli 2013. Eveneens heeft overleg plaatsgevonden met het bestuurscollege van Saba, in overeenstemming met de wettelijke overlegbepaling (artikel 13, vierde lid, van de Wet minimumlonen BES). De maatregel is bovendien in overeenstemming met de wettelijke taakopdracht om telkens na een termijn van ten hoogste drie jaar na te gaan of er omstandigheden zijn die een bijzondere wijziging van het wettelijk minimumloon wenselijk maken (artikel 13, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES).
Bent u voorstander van het introduceren van onnodige wet- en regelgeving? Zo nee, waarom verhoogt u dan het wettelijk minimumloon terwijl werkgevers – zoals u zelf al aangeeft – in de praktijk al een veel hoger loon betalen dan het wettelijk minimumuurloon?
Van onnodige wet- en regelgeving – waar ik zeker geen voorstander van ben – is in de onderhavige situatie geen sprake. Het wettelijk minimumloon op Saba draagt bij aan het voorkomen van uitbuiting en armoede. De bedragen worden jaarlijks door middel van een aanpassingsregeling aangepast op basis van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer. In dit geval is voor Saba met het vaststellen van een hoger bedrag beoogd beter aan te sluiten bij de realiteit op dit eiland.
In hoeverre zijn de uitkeringen op Saba gekoppeld aan het wettelijk minimumloon? Wanneer deze gekoppeld zijn, wat betekent deze verhoging dan voor de uitkeringen? In hoeverre zijn hogere uitkeringen aantrekkelijk voor mensen uit omliggende (ei)landen?
Van een formele koppeling tussen wettelijk minimumloon en uitkeringen is geen sprake. De Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden is voor Caribisch Nederland niet van toepassing. De systematiek van de jaarlijkse aanpassing op basis van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer is voor het wettelijk minimumloon en de uitkeringen identiek. De verhouding tussen de uitkeringen en het wettelijk minimumloon blijft daarmee telkens hetzelfde. Om deze bestaande verhouding in stand te laten is de nu doorgevoerde «autonome» verhoging van het wettelijk minimumloon doorvertaald naar een overeenkomstige stijging van de uitkeringen. Dit sluit aan bij de bestuurlijke afspraak die op 3 november 2009 met Sint Eustatius en Saba is gemaakt om de ontwikkeling van de uitkeringen op beide eilanden te koppelen aan de ontwikkeling van het minimumloon op deze eilanden.
De aantrekkelijkheid van hogere uitkeringen voor mensen uit omliggende (ei)landen – of het daaruit voortvloeiende risico op aanzuigende werking – is in hoge mate theoretisch. Voor de toegang tot de onderstand geldt een wachttijd van vijf jaar. De aanspraak op het wettelijk ouderdomspensioen AOV wordt bepaald door het aantal jaren dat men in het verleden in Caribisch Nederland heeft gewoond.
Is het pensioen voor gepensioneerden in Saba gerelateerd aan het wettelijk minimumuurloon? Zo ja, wat betekent deze verhoging voor de hoogte van het pensioen voor gepensioneerden?
In dit geval moet onderscheid gemaakt worden tussen het wettelijk ouderdomspensioen en het aanvullend ouderdomspensioen. Voor het wettelijk ouderdomspensioen (de AOV) geldt dat de verhoging van het wettelijk minimumuurloon, net als in andere uitkeringen, daarin is doorvertaald. Het resultaat daarvan is een iets hogere AOV-uitkering.
Voor het aanvullend ouderdomspensioen van personen die nu al gepensioneerd zijn heeft de verhoging van het wettelijk minimumuurloon en de verhoging van de AOV geen gevolgen. De aanvullende pensioenuitkering blijft constant. Omdat de AOV-uitkering van deze gepensioneerden hoger is geworden, stijgt daarmee wel het totale pensioeninkomen van gepensioneerden.
Voor het aanvullend ouderdomspensioen van personen die nog niet gepensioneerd zijn heeft de verhoging van het wettelijk minimumuurloon wel gevolgen. De nieuwe opbouw voor het aanvullend pensioen wordt iets lager. Omdat hun AOV-uitkering hoger wordt, wordt namelijk ook de franchise hoger. De franchise is dat gedeelte van het salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd.
Kunt u reageren op het krantenbericht in de Today van St. Maarten2 waaruit blijkt dat het minimumloon van Saba in vergelijking met de omliggende eilanden relatief hoog is? Kunt u een recent overzicht geven van het minimumloon van de (ei)landen in genoemd bericht?
Ik heb de juistheid van alle in genoemd krantenbericht genoemde bedragen niet kunnen verifiëren. Ik constateer wel dat de bedragen die voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden genoemd, onjuist zijn (te laag en geen rekening houdend met de differentiatie tussen de eilanden).
Duidelijk is wel dat de situatie in de regio divers is. Saba ligt in een regio met zowel eilanden met een hoger minimumloon als eilanden met een lager minimumloon. De eilanden die bij Frankrijk behoren, hebben een beduidend hoger minimumloon. Het niveau van het minimumloon op Sint Maarten is met Saba vergelijkbaar. Het minimumloon op een naburig eiland als St. Kitts ligt lager dan op Saba, terwijl de niveaus van bijvoorbeeld Jamaica en de Dominicaanse Republiek daar nog weer verder onder zitten. Aan de situatie in de regio kan dan ook geen eenduidig ijkpunt worden ontleend. Primair moet de afweging plaatsvinden op basis van de situatie op het eiland zelf. Dat is wat nu is gebeurd.
Wat betekent volgens u een hoger loon voor de concurrentiepositie van Saba ten opzichte van andere nabijgelegen eilanden?
Over de maatregel is goed overleg geweest met zowel het bestuurscollege van Saba als met vertegenwoordigers van de Sabaanse werkgevers. Het is op nadrukkelijk verzoek van deze partijen dat de niveaus verhoogd zijn. De werkgevers op Saba geven aan het hogere niveau feitelijk reeds te betalen, en zelfs meer dan dat. Er is dus geen sprake van dat de maatregel de draagkracht (in termen van concurrentiepositie) van de werkgevers te boven gaat.
Het bericht dat overheidssubsidie voor duurzame energie moet worden beperkt tot bedrijven die nieuwe productiemethodes introduceren |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven welk deel van de 116 miljoen extra innovatie subsidie voor het windpark in de Noordoostpolder gaat naar de grote turbines en welk deel naar het bouwen in ondiep water?1
Er is 92 miljoen euro beschikbaar voor windturbines die gerealiseerd worden in ondiep water en 24 miljoen Euro voor de windturbines op het land (de grote windturbines).
Kunt u nader toelichten waaruit de technische onzekerheden bij de bouw bestaan en welke innovatieve technieken hier zullen worden toegepast?
De plaatsing van windturbines in ondiep water, in een afgesloten gebied (IJsselmeer), maakt dat bestaande technieken en methoden voor transport en installatie die gebruikt worden voor de bouw van windturbines offshore en voor turbines op land moeten worden aangepast. Dat leidt tot een hogere complexiteit. Tevens dient in het ontwerp van de fundaties en bij het materiaal rekening te worden gehouden met de installatiemethode die anders is door de ondiepte in vergelijking met offshore windturbines. Voor de turbines op land geldt dat windturbines met een dergelijk vermogen in een dergelijk aantal nog niet eerder gerealiseerd zijn. Hiervoor geldt dat bestaande kennis en ervaring inzake logistiek, bouw en fundatieontwerp moet worden aangepast vanwege deze schaal en de locatie.
Kunt u aangeven waarom het bouwen van meerdere windturbines op een rij in ondiep water als innovatief kan worden bestempeld, terwijl er reeds in 1992 bij Medemblik 4 windmolens in ondiep water zijn gebouwd?
Zoals in de vraag reeds aangegeven zijn de windturbines bij Medemblik in 1992 gerealiseerd. De omvang van het project maar vooral de schaal van de turbines is onvergelijkbaar. De windturbines bij Medemblik hebben een ashoogte van 39 meter en een rotordiameter van circa 41 meter (wieklengte circa 20 meter). De windturbines in het water van windpark Noordoostpolder zijn windturbines van de huidige generatie, met een ashoogte van 95 meter en een rotordiameter van 108 meter (wieklengte circa 54 meter). Daarmee is sprake van significant hogere/grotere lasten en dimensies.
Kunt u preciezer aangeven waaruit de innovaties bestaan die het bouwen in ondiep water met zich meebrengt? Waarom wordt er hier gebouwd als het zo riskant en zo duur is?
Zie antwoord bij 2. In aanvulling: alle innovaties kennen relatief hoge risico’s en kosten. Maar de ruimte op land is beperkt. De bouw in ondiep water is nog steeds aanmerkelijk goedkoper in vergelijking met bouwen op zee door de gunstige condities (weer/golfklimaat, afstand tot de kust). Wind in ondiep water geeft ons dan ook potentie voor de toekomst.
Hoe kwam uw ambtsvoorganger tot de conclusie dat er € 116 mln extra overheidsgeld nodig was voor het windpark in de Noordoostpolder, aangezien de financiering van dit park kennelijk nog niet rond is?
Mijn ambtsvoorganger heeft zich onder meer laten adviseren door ECN/KEMA inzake de kosten en opbrengsten van grote windturbines en turbines in ondiep water. Hierover is uw Kamer reeds geïnformeerd bij brief van 17 november 2009 (31 239, nr. 75).
Kunt u aangeven wat de werkelijke kostprijs per kilowattuur zal zijn van dit windpark met windturbines van 3.6 en 7.5 MW als u daarbij de benodigde Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) subsidie en extra innovatiesubsidie meerekent?
De uiteindelijke totale subsidie per kWh door SDE+ en innovatiesubsidie is afhankelijk van de verwachte energieproductie en tevens van de marktprijs van elektriciteit aangezien de hoogte van de SDE-bijdrage daalt als de marktprijs stijgt en toeneemt, tot een vooraf gesteld maximum, als de marktprijs daalt. Met in achtneming van het voorgaande bedraagt de subsidie over de totale subsidieperiode van 15 jaar per kWh circa 5,7 eurocent voor de windturbines in het water en circa 2,4 eurocent voor de windturbines op land.
Nu de kostprijs door het toepassen van de nieuwste, grootste, turbines juist hoger wordt, hoe verklaart u dan de verwachting in het energieakkoord dat de kostprijs van windstroom juist zal gaan dalen?
Het windpark NOP is innovatief en brengt daarom extra kosten met zich mee. Juist door te innoveren en te experimenteren wordt kennis en ervaring opgedaan die ervoor zorgen dat op langere termijn een kostprijsdaling kan worden gerealiseerd.
Kunt u aangeven welke extra kosten, die dus bovenop de genoemde kostprijs van deze windstroom komen, Tennet tot nu toe heeft gemaakt voor het realiseren van de aansluiting van dit windpark op het hoofdnet en kunt u aangeven welke kosten Tennet daarvoor nog gaat maken?
Op basis van de Elektriciteitswet moet TenneT bij aansluiting van nieuwe productie-eenheden – grijs of groen – altijd nagaan of het net ter plaatse voldoende capaciteit heeft om de opgewekte stroom af te voeren. Er wordt dus niet speciaal voor het windpark een uitzondering gemaakt, wat de vraag lijkt te suggereren.
De kosten voor de aansluiting van het windpark op het hoofdnet zijn voor rekening van de initiatiefnemers en zijn dus onderdeel van de kostprijs van het windpark.
Daarnaast breidt TenneT om diverse redenen, waaronder het windpark, de transportcapaciteit in de Noordoostpolder uit. De groeiende behoefte aan transportcapaciteit komt voort uit een aantal ontwikkelingen. Om te beginnen is ten oosten van IJsselmuiden (net buiten de Noordoostpolder) het tuinbouwgebied «De Koekoek» in ontwikkeling. Daarnaast heeft de gemeente Noordoostpolder in haar structuurvisie een gebied bij de woonkern Luttelgeest aangewezen voor de ontwikkeling van grootschalige tuinbouw. Vanwege de voorziene opwekking van elektriciteit uit WKK dienen deze beide tuinbouwgebieden op het hoogspanningsnet aangesloten te worden.
Tot slot is de ontwikkeling van het windmolenpark langs de dijken van de Noordoostpolder een belangrijke reden voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet.
Met de nieuwe ontwikkelingen stijgt namelijk de productie in het gebied. Het huidig hoogspanningsnet in de Noordoostpolder kan de daarvoor benodigde transportcapaciteit niet faciliteren. Uitbreiding van het net is daarom nodig.
Aangezien er diverse redenen zijn voor de netuitbreiding, dienen de kosten van de netuitbreiding aan de diverse ontwikkelingen te worden toegerekend en niet in zijn geheel aan het windpark. TenneT kan niet expliciet aangeven welke kosten aan het windpark moeten worden toegerekend, omdat voor de uitbreiding van de capaciteit is gekozen voor een algehele oplossing voor de toename van de productie in de regio.
In totaliteit gaat het voor de Noordoostpolder om een investering van ca. € 145 miljoen.
Er van uitgaande dat u ons laat weten dat de verschillende subsidiebeschikkingen lopen tot respectievelijk 1 april 2016 en 31 december 2016, kunt u aangeven welke beschikking tot 1 april 2016 loopt en welke tot 31 december 2016 en welke prestatie er op die datum geleverd moet zijn, wil men in aanmerking komen voor de subsidie?
Het project Noordoostpolder bestaat uit diverse deelprojecten. De beschikking voor de windturbines in het water en voor één van de twee projecten op land loopt tot 31 december 2016. De beschikking voor het andere project op land tot 1 april 2016. De prestatie die op 1 april 2016 geleverd moet zijn, is de realisatie van 8 windturbines op land respectievelijk 48 turbines in het water. De prestatie die op 31 december 2016 geleverd moet zijn, is de realisatie van 30 windturbines op land.