Hoe reageert u op bericht dat zorgverzekeraars het aantal spoedeisende hulpen boven het Noordzeekanaal willen terugbrengen naar drie, en het aantal ziekenhuizen dat in Noord-Holland beroertezorg aanbiedt naar zes?1
In het Hoofdlijnenakkoord van juli 2011 is afgesproken dat zorgverzekeraars, waar nodig om redenen van kwaliteit en doelmatigheid, overgaan tot herinrichting van het zorglandschap. In navolging van deze afspraken heeft Zorgverzekeraars Nederland begin 2013 het rapport «Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg» gepubliceerd. Verzekeraars zetten vanuit kwaliteits- en doelmatigheidsoverwegingen in op specialisatie en concentratie van complexe acute zorg. Dit betreft traumazorg, spoedeisende neurologische zorg, spoedeisende cardiologische zorg, spoedeisende vaatchirurgische zorg en spoedeisende geboortezorg. Op basis van deze visie zijn er door zorgverzekeraars regionale scenario’s ontwikkeld voor de toekomst, op basis van de huidige ziekenhuislocaties en de locale zorgvraag. In elke regio is een coördinerend verzekeraar die zorg draagt voor het verloop van het proces. Ook in de regio Noord Holland zijn er scenario’s ontwikkeld die momenteel met de betrokken partijen worden besproken. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk in gezamenlijkheid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, rekening houdend met belangen van alle betrokken partijen een regioplan wordt vastgesteld. Het uiteindelijke doel is betere kwaliteit van de spoedeisende zorg voor de patiënt. Dit zal vervolgens in de loop van een aantal jaren tot uitvoering worden gebracht via de contractering tussen zorgverzekeraars en ziekenhuizen.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars Achmea en VGZ hun plannen met de CVA-zorg nog niet openbaar willen maken?2 Deelt u de mening dat het hier gaat om een publiek belang en dat het daarom niet past hier zo geheimzinnig over te doen?
Deze plannen zijn op dit moment nog in concept en worden besproken met de partijen uit de regio. In deze fase in het proces kan ik het mij voorstellen dat Achmea en VGZ hun plannen nog niet openbaar willen maken.
Deelt u de vrees dat zorgverzekeraars dit doen om te voorkomen dat er maatschappelijk debat ontstaat voordat de plannen definitief en onomkeerbaar zijn? Past dat binnen uw definitie van open en transparant communiceren? Wat gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat zorgverzekeraars open en transparant gaan communiceren over hun plannen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hebben zorgverzekeraars Achmea en VGZ overlegd met het lokaal bestuur over hun plannen met de CVA-zorg en de spoedeisende hulpen? Deelt u de mening dat zorgverzekeraars eerst te rade moeten gaan bij het lokaal bestuur, voordat zij deze plannen uitstorten over de samenleving, zodat zij het lokale belang van CVA-zorg en spoedeisende hulpen niet kunnen negeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is de bedoeling dat er uiteindelijk in gezamenlijkheid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, rekening houdend met belangen van alle betrokken partijen een regioplan wordt vastgesteld. Uitgangspunten zijn dat de basisspoedzorg voor iedereen goed en dichtbij georganiseerd is (45 minuten norm) en dat de complexe spoedzorg kwalitatief en doelmatig zo goed mogelijk georganiseerd is.
Bij welke zes ziekenhuizen willen de zorgverzekeraars de CVA-zorg concentreren en welke ziekenhuizen dreigen de CVA-zorg kwijt te raken?
Bovengenoemde plannen zijn nog in concept en worden nog besproken met de partijen uit de regio. Er valt dus nog niets te zeggen over welke ziekenhuizen welke acute zorg zullen gaan aanbieden. Mochten er in de toekomst toch plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft. Dat valt onder hun zorgplicht.
Wat is uw reactie op het gegeven dat ziekenhuisdirecteuren de plannen van zorgverzekeraars Achmea en VGZ «erg ver vinden gaan»? Deelt u deze mening? Kunt u uw antwoord toelichten?
De plannen zijn nog te prematuur om hier op in te gaan.
Deelt u de mening dat een druk bevolkt gebied, zoals het gebied boven het Noordzeekanaal, niet toe kan met slechts drie locaties voor spoedeisende hulp? Deelt u de mening dat voor plaatsen als Beverwijk, Purmerend, Beverwijk en Den Helder het hebben van een spoedeisende hulppost noodzakelijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 5. Een van deze drie genoemde locaties, te weten Den Helder, is cruciaal voor de 45 minuten norm om tijdig met de ambulance bij een ziekenhuis met een basis SEH en afdeling voor acute verloskunde te kunnen komen.
Deelt u de mening dat het uitkleden van de CVA-zorg onacceptabel is, omdat het de kwaliteit van zorg aantast?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Wat zegt het u dat een bestuurder stelt dat «de plannen een hoog studeerkamer-gehalte hebben»? Deelt u de mening dat hier sprake is van tekentafelzorg waarbij de realiteit ver uit het zicht is geraakt?
Zie mijn antwoord op vraag 1. De kwaliteitsvisie van ZN is de basis van de plannen. De lokale uitwerking en de gesprekken met de partijen in de regio moeten er voor zorgen dat de plannen in de regio realistisch worden uitgevoerd. Daarnaast is er de wettelijke rol voor het ROAZ om ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft.
Hoe reageert u op de uitspraak dat «bij CVA-zorg snelheid essentieel is. Je moet snel een CT-scan maken en snel een injectie geven met anti-stolling. Je kunt ook redeneren dat je omwille van de snelheid moet deconcentreren»? Vindt u in het licht van deze uitspraak de plannen van de zorgverzekeraars verantwoord?
De zorgverzekeraars hebben hun plannen voorzien van een onderbouwing. Daarnaast wijs ik op een recent verschenen proefschrift van drs. M.M.H. Lahr et al (UMCG) betreffende «Organizational models for thrombolysis in acute ischemic stroke: a simulation exemplar» geeft aan dat een ischemisch herseninfarct een belangrijke oorzaak is van langdurige arbeidsongeschiktheid en sterfte. Ik zie in dat kader het grote belang van implementatie van bewezen effectieve maatregelen in de acute zorg. Het proefschrift geeft aan dat de behandeling met trombolyse de meest effectieve behandeling voor een acuut herseninfarct binnen 4,5 uur na het ontstaan van de symptomen is, maar dat deze zorg helaas nog in hoge mate onderbenut wordt op dit moment. Een model waarin gespecialiseerde ziekenhuizen stroke centers inrichten zorgt ervoor dat 50% meer patiënten de behandeling met trombolyse binnen 4,5 uur ontvangen.
Op welk wetenschappelijk onderzoek baseren de zorgverzekeraars zich om tot een dergelijke concentratie van CVA-zorg te komen? Bestaat er objectief bewijs dat CVA-zorg ten minste een bepaalde omvang dient te hebben? Wat zijn dan die precieze omvangcriteria?
Zie mijn antwoord op vraag 10. De genoemde volumes zijn geen doel op zich maar een middel om doelmatig investeringen te kunnen doen in personeel, apparatuur en training om zo efficiënte gespecialiseerde stroke centers vorm te geven.
Deelt u de mening dat de overlevingskansen van ziekenhuizen sterk worden gereduceerd na het sluiten van CVA-zorg en spoedeisende hulpen? Is het sluiten van de CVA-zorg en spoedeisende hulpposten de opmaat naar het sluiten van ziekenhuizen boven het Noordzeekanaal? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Mochten er in de toekomst toch plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft. Overigens strekt de zorgplicht van zorgverzekeraars zich breder uit dan alleen de acute zorg.
Wat gaat u ondernemen om de plannen van de zorgverzekeraars met de CVA-zorg boven het Noordzeekanaal tegen te houden?
Zie mijn antwoord op vraag 1. De zorgverzekeraars pakken de rol op die hen in het stelsel is toebedeeld.
Wat gaat u ondernemen om de plannen van de zorgverzekeraars om het aantal spoedeisende hulpen boven het Noordzeekanaal terug te brengen naar drie tegen te houden?
Zie mijn antwoord op vraag 1. Mochten er in de toekomst plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft.
Het bericht ‘vergrijzing transport levert baankansen op’ |
|
Attje Kuiken (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «vergrijzing transport levert baankansen op»?1
Ja.
Maken er volgens u momenteel genoeg schoolverlaters de keuze voor een carrière in de logistiek?
Of schoolverlaters kiezen voor een carrière in de logistiek is in belangrijke mate afhankelijk van het werkgelegenheidsperspectief en van de mate waarin de sector een aantrekkelijke werkgever is. De afgelopen jaren is de werkgelegenheid in de sector sterk gedaald. Sinds begin 2012 is het aantal chauffeurs met ruim 6.000 afgenomen. De dalende werkgelegenheid was ook zichtbaar in het aantal beschikbare stages. Het was voor studenten soms lastig om een stage te vinden en zonder stage kan een beroepsopleiding niet worden afgerond. De afgelopen jaren was een keuze voor de sector logistiek daarom minder aantrekkelijk.
De komende jaren verwacht de sector te maken te krijgen met vergrijzing en ontgroening. Zodra de crisis voorbij is, verwacht de sector snel weer behoefte te hebben aan instroom en kan voor schoolverlaters een carrière in de logistiek weer een interessante optie zijn.
Is het aantal vacatures in de logistieke sector momenteel bovengemiddeld?
Bij UWV werden in de eerste twee maanden van 2014 55.100 vacatures aangeboden, bijna 20 procent meer dan in 2013. De toename van het aantal vacatures in de sector transport en logistiek is met 20.3% niet bovengemiddeld te noemen. Ook overtreft het aantal werkzoekenden in die sector ruimschoots het aantal vacatures.
In de periode 2015–2018 ontstaan er naar verwachting jaarlijks 36.000 nieuwe vacatures in de logistieke sector; welke maatregelen worden er genomen om voldoende schoolverlaters te overreden voor de logistieke sector te kiezen en werklozen om te scholen voor een baan in de logistieke sector?
Het is aan de sector zelf om zich een aantrekkelijk werkgever te tonen en jongeren te verleiden om te kiezen voor een carrière in de logistiek. De sector wordt daarbij ondersteund vanuit de Regeling Cofinanciering sectorplannen. Het ministerie van SZW heeft woensdag 12 maart 2014 het sectorplan voor Transport en Logistiek goedgekeurd. Hierin worden maatregelen genomen voor (om)scholing van medewerkers, begeleiding van ontslagen werknemers naar nieuw werk, extra leerwerkplekken voor jongeren en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zoals Wajongers en langdurig werklozen. Het sectorplan vraagt een investering van 30 miljoen euro. De ene helft wordt gefinancierd door de sector zelf, de andere helft vanuit de Regeling Cofinanciering sectorplannen.
In het sectorplan zijn onder meer afspraken vastgelegd om 1.250 extra jongeren op te leiden tot chauffeur. Daarnaast worden kennis en vaardigheden van werkloze chauffeurs op peil gehouden zodat zij meteen weer aan de slag kunnen als de economie weer aantrekt.
Om het beroep van truckchauffeur voor jongeren aantrekkelijk te laten zijn beijvert het ministerie van IenM zich in Europa ervoor dat de huidige minimumleeftijd voor truckchauffeurs gehandhaafd blijft op 18 jaar. De Commissie heeft in het kader van de herziening van de Richtlijn Vakbekwaamheid Beroepschauffeurs (2003/59) de mogelijkheid geopperd van een verhoging van de minimum leeftijd naar 21 jaar.
Daarnaast is via de introductie van een praktijkexamen een drempel weggenomen voor zij-instromers die als matroos of schipper in de binnenvaart willen werken.
Is het waar dat de kansen van laagopgeleiden beperkt zijn omdat werkgevers steeds hogere eisen stellen? Zo ja, want bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er voldoende potentiële werknemers met het juiste opleidingsniveau voor de logistieke sector zijn?
Zoals ook in andere sectoren het geval is, neemt het aantal banen voor laaggeschoolden af. Als er sprake is van een veranderende vraag vanuit werkgevers, moet die worden opgenomen in de kwalificaties zodat afgestudeerden over de juiste vaardigheden en kennis beschikken om in de sector aan de slag te gaan. Hiervoor zijn werkgevers zelf verantwoordelijk.
De carnavalscampagne ‘drinken als een prins’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Van Bavaria mag je wel drinken als je 16 jaar bent»? Zo ja, wat vindt u daarvan?1
Ik ben bekend met dit bericht. In het bericht wordt gerapporteerd over Bavaria carnavalsposters in abri's met daarop het gedateerde logo «geen 16 geen druppel». Met ingang van 1 januari 2014 is de minimumleeftijd voor het verkopen en schenken van alcohol aan jongeren verhoogd van 16 naar 18 jaar en zodoende is de genoemde minimumleeftijd op de posters van Bavaria onjuist.
Deelt u de opvatting dat, indien Bavaria na 1 januari 2014 posters heeft verspreid met verkeerde informatie over de leeftijdsgrens, dit een kwalijke zaak is?
Bavaria heeft mij laten weten dat zij de voorbereidingen voor hun carnavalscampagne begin november vorig jaar hebben afgerond. Op dat moment was nog niet bekend hoe het nieuwe leeftijdsgrenzenlogo vorm zou krijgen en waren nog geen afspraken gemaakt in de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken. Ik betreur deze handelswijze van Bavaria omdat hierdoor onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan over de minimumleeftijd voor het verkopen en schenken van alcohol aan jongeren. Bavaria heeft mij ondertussen laten weten dat zij achteraf het gebruik van het logo «geen 16 geen druppel» in deze campagne betreurt.
Klopt het dat Bavaria stickers verspreidt onder kroegen die de verkeerde posters hebben ontvangen, zodat zij de posters in de kroeg nog wel met de juiste informatie kunnen voorzien? Op welke wijze kunnen de abri posters in bushokjes van de juiste informatie worden voorzien?
Bavaria heeft een aantal maatregelen genomen om verwarring over de wettelijke minimumleeftijd voor het verkopen en schenken van alcoholen aan jongeren te verminderen. Het toezenden van stickers met «18» erop die over de «16» op posters kunnen worden geplakt aan hun horecarelaties is één van die maatregelen. Retailers hebben stickers met «18» erop gekregen om over de «16» op vloerstickers te kunnen plakken. Daarnaast heeft Bavaria online uitingen aangepast en zijn de Abri posters verwijderd.
Deelt u voorts de opvatting dat, wanneer de abri posters niet met de juiste informatie zijn voorzien, deze verwijderd dienen te worden? Zo ja, gaat u hier actie op ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom committeert Bavaria zich niet aan de NIX18 campagne, en komt zij met een eigen carnavalscampagne «drinken als een prins»? Heeft dit te maken met de in de ogen van bierbrouwers onwenselijke koppeling tussen alcohol en tabak?
De carnavalscampagne «drinken als een prins» heeft Bavaria speciaal ontwikkeld ter gelegenheid van carnaval. Dit staat los van de NIX18 campagne.
Alcoholproducenten hebben te kennen gegeven niet gelukkig te zijn met de koppeling tussen alcohol en tabak in de NIX18 campagne. Zij kiezen ervoor met een eigen educatieve slogan (geen 18, geen alcohol) bij te dragen aan het bekendmaken van de nieuwe wettelijke minimumleeftijd.
Bent u bekend met de correspondentie tussen de alcoholproducenten en het Centraal Bureau Levensmiddelen-handel (CBL), waaruit zou blijken dat alcoholproducenten niet zouden willen meewerken aan uw eigen NIX18 campagne? Wat is uw opvatting hierover? Deelt u tevens de opvatting dat het onwenselijk is en indruist tegen alle gezamenlijke inspanningen wanneer alcoholproducenten zich onttrekken aan de NIX18 campagne, en met eigen campagnes komen? Zo ja wilt u hierover in gesprek gaan met alcoholproducenten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb eind vorig jaar een brief ontvangen van de STIVA waarin zij haar correspondentie met het CBL toelicht. In deze brief schreef zij dat de alcoholproducenten het tegengaan van alcoholgebruik door minderjarigen een belangrijke zaak vindt. Zij vinden de koppeling van alcohol en tabak echter ongelukkig en kiezen er om die reden voor om niet deel te nemen aan de NIX18 campagne. De NIX18 campagne is een maatschappelijk breed gedragen campagne, en ik ben blij met de steun van verschillende partijen zoals NOC*NSF, het Longfonds, het CBL en slijterijen. Dat alcoholproducenten een eigen campagne voeren vind ik jammer.
Bent u bereid te onderzoeken of het nodig is door middel van een AMvB de alcoholbranche te verplichten in al haar reclame-uitingen NIX18 te gebruiken?
Zijn er al resultaten bekend over de effectiviteit van de NIX 18 campagne? Zo ja, bent u hierover tot dusverre positief? Zo nee, wanneer zijn de resultaten bekend?
De voorwaarden waaraan alcoholreclame inhoudelijk moet voldoen, zijn opgenomen in de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken die onderdeel is van de Nederlandse Reclamecode. Hiermee is zij algemeen verbindend voor alle alcoholproducenten op de Nederlandse markt, en zij dienen in hun reclame-uitingen te voldoen aan de voorwaarden in de Code. Het gaat hierbij om zelfregulering. Het is aan de branche zelf om de verantwoordelijkheid te nemen de boodschap uit te dragen dat alcohol niet verkocht of geschonken mag worden aan jongeren onder de 18.
Herinnert u zich de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van onder andere het Wetboek van Strafrecht in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en met de verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden (Kamerstukken 33 352) in de Tweede Kamer?1 Herinnert u zich voorts de specifieke vragen die tijdens deze behandeling zijn gesteld over één van de beroemdste slachtoffers van identiteitsfraude, namelijk de heer Kowsoleea?
Ja.
Herinnert u zich dat u tijdens hierboven genoemde behandeling heeft aangegeven dat er goede gesprekken zijn met de advocaat van de heer Kowsoleea, dat u gaande deze gesprekken de Kamer niet zal informeren en dat als er conclusies zijn getrokken, u de Kamer wel informeert?
Ja.
Is het waar dat de gesprekken tussen de landsadvocaat en de heer Kowsoleea al op een dood spoor zitten sinds 3 december 2012 en dat te kennen is gegeven dat de conclusie van de overheid, na overleg met de betrokken departementen, is dat er geen aanleiding wordt gezien om de mogelijkheden van een regeling met de heer Kowsoleea verder te onderzoeken?
Nee, met de advocaat van betrokkene heeft overleg plaatsgevonden. Het laatste gesprek dateert van 16 april 2013. Namens de Staat is tijdens dat gesprek gevraagd om onderbouwing van de gestelde onrechtmatigheid en het causaal verband tussen het aan de Staat verweten handelen en de geclaimde schade. Een dergelijke onderbouwing is nodig om de mogelijkheden van een nadere regeling met betrokkene verder te onderzoeken, naast hetgeen in eerdere instantie al aan hem is betaald.
De advocaat van betrokkene heeft hierop aangegeven dat hij zich nog nader met zijn cliënt wil beraden over een reactie. Overigens herkent de Landsadvocaat zich niet in de in vraag 4 vervatte weergave van het gesprek van 16 april 2013.
Wat bedoelde u tijdens genoemde wetsbehandeling met de bewoordingen «goede gesprekken»? Hoe verhoudt zich dat tot de mededeling op 16 april 2013 dat de betrokken ministeries en politiekorpsen niet met een financieel voorstel voor compensatie zouden komen en dat het ministerie desnoods zou doorprocederen tot de Hoge Raad?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat u op 4 juli 2013 de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd met uw opmerking dat er goede gesprekken zijn met de advocaat van de heer Kowsoleea? Zo ja, hoe dan?
Ja. Het is niet gebruikelijk om in uw Kamer inhoudelijk in te gaan op een lopende individuele zaak. Ik heb derhalve volstaan met een procedurele opmerking hierover.
Wat kan de Kamer afleiden uit het feit dat u sindsdien de Kamer niet meer heeft geïnformeerd over deze zaak? Betekent dit dat er nog geen conclusies zijn getrokken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 3 en 4.
Het bericht dat een ernstig zieke vader is uitgezet naar Guinee |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Joël Voordewind (CU), Linda Voortman (GL), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bereid de Kamer (desgewenst vertrouwelijk) te informeren over uw overwegingen bij de keuze voor uitzetting vandaag van de heer Ahmed Baba Koné1 ondanks de verschillende bezwaren welke bestonden tegen uitzetting zoals ziekte en het niet beschikbaar zijn van juiste medicatie in het kader van een nog lopende artikel 8 EVRM procedure, een hiermee samenhangende eerder toegewezen voorlopige voorziening en de kritiek vanuit de Tweede Kamer op de «titres de voyage» waarmee wordt gewerkt?
Het is uw Kamer bekend dat ik het niet wenselijk acht in het publieke debat in te gaan op individuele gevallen. Gelet op het feit dat u in uw vragen de betrokken persoon bij naam noemt en andere persoonlijke informatie noemt, die eerder ook via de media publiek is geworden, meen ik dat het in dit geval voor een volledig beeld van het Nederlandse vreemdelingenbeleid en de inzet van de IND en DT&V noodzakelijk is uw vragen inhoudelijk te beantwoorden. In mijn antwoorden zal ik niet meer informatie over deze individuele casus verstrekken dan daarvoor noodzakelijk is.
De overwegingen om tot de uitzetting van betrokkene over te gaan waren gelegen in de zorgvuldige individuele beoordeling in meerdere procedures waarbij is geconstateerd dat zowel de asielmotieven en medische omstandigheden van betrokkene als ook de verplichtingen en aanspraken in het kader van artikel 8 EVRM niet noopten tot verblijf. Daarbij is getoetst aan de bij uw Kamer bekende beleidskaders op de betreffende onderdelen en is voorts in de individuele aspecten geen aanleiding gezien van dat beleid af te wijken. Overigens geldt dat gedwongen terugkeer pas aan de orde komt als een vreemdeling geen betekenisvolle stappen heeft gezet om Nederland zelfstandig te verlaten.
De in de vraag genoemde voorlopige voorziening vormde geen beletsel voor uitzetting omdat deze door de rechtbank is ingetrokken. Over de rechtmatigheid van het gebruik van door de Guineese autoriteiten afgegeven «titres de voyage» heb ik uw Kamer in antwoord op meerdere sets van Kamervragen geïnformeerd (zie onder meer TK 2012–2013, 386).
Is het waar dat deze Guineese vreemdeling is aangehouden terwijl politieagenten aanwezig waren in het kader van geluidsoverlast, veroorzaakt door andere bewoners van de noodopvang? Zo nee, in welk kader is de desbetreffende vreemdeling dan wel aangehouden?
Ja.
Herinnert u zich uw toezeggingen om het asielbeleid humaan te laten zijn en rekening te houden met eventuele schrijnende omstandigheden van individuen? Hoe verhouden zich deze toezeggingen tot uw uitspraken dat uitzetting – van een ernstig zieke vader noodzakelijk is ten behoeve van de diplomatieke verhoudingen tussen Nederland en Guinee?
Ja. Het uitgangspunt van een humaan asielbeleid wordt al vele kabinetsperiodes gehanteerd en is ook voor het huidige kabinet het uitgangspunt. Ik heb daar ten overstaan van uw Kamer aan toegevoegd dat ik het van groot belang vind dat bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid de menselijke maat wordt gehanteerd. Daarbij heb ik aangegeven dat het hanteren van de menselijke maat niet een wijziging van het toelatingsbeleid hoeft te betekenen of het verlaten van het uitgangspunt van een restrictief toelatingsbeleid, maar wel dat in alle stappen van het proces vreemdelingen met zorg en respect en als individuen moeten worden behandeld.
Wat is de reden dat u geen gehoor hebt gegeven aan de concrete voorstellen van de gemeente Utrecht met betrekking tot onder andere het op zich nemen van de noodzakelijke zorg voor deze man? Waarom negeert u alle noodkreten vanuit Utrecht en vanuit de Tweede Kamer?
De reden dat ik geen gehoor heb gegeven aan het voorstel van de gemeente Utrecht, is dat daarmee een belangrijk risico ontstond dat – na afwijzing van meerdere toelatingsaanvragen in meerdere zorgvuldige procedures – een concrete uitzettingsmogelijkheid voor langere tijd (en mogelijk permanent) verloren zou gaan. Dit is ook uitgebreid gecommuniceerd met de gemeente Utrecht. Van negeren van de gemeente Utrecht is dan ook geen sprake geweest. Evenmin negeer ik signalen uit uw Kamer. Op alle signalen en vragen van uw Kamer probeer ik altijd een duidelijke reactie te geven. Daarbij is het evenwel niet altijd mogelijk om tegemoet te komen aan alle verzoeken die bij een aantal fracties in uw Kamer bestaan.
Klopt het dat uit een recent medisch rapport is gebleken dat de man nog slechts vijf procent zicht heeft in één oog en dat hij aan zijn andere oog al geheel blind is? Kunt u aangeven op welke wijze u deze informatie hebt meegewogen in uw beslissing om uit te zetten?
Nee. Volledigheidshalve meld ik uw Kamer dat betrokkene vlak voor zijn vertrek is beoordeeld door een onafhankelijke arts in het kader van een fit-to-fly keuring in verband met de feitelijke uitzetting.
Is het waar dat er een apotheek door uw diensten is geconsulteerd om te verifiëren of deze medicijnen daadwerkelijk beschikbaar zijn en dat uw diensten na deze verificatie ervan zijn uitgegaan dat dit inderdaad het geval is? Is het tevens waar dat de advocaat van de vreemdeling met een verklaring is gekomen van diezelfde apotheek waaruit blijkt dat de apotheek niet over alle benodigde medicatie beschikt? Zo ja, hoe verhoudt deze verklaring zich tot de aannamen van uw diensten? Zo nee, wat is dan wel het geval?
Uit het medisch advies van BMA bleek dat een medische noodsituatie zou kunnen ontstaan indien betrokkene zijn benodigde oogdruppels niet zou krijgen. Door BMA is nagegaan of de benodigde medicijnen beschikbaar waren in Guinee, hetgeen het geval was. Door gemachtigde is in een procedure aangegeven dat uit navraag door een medewerker van de Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen in Utrecht bij de apotheek in Conakry zou zijn gebleken dat de medicijnen niet beschikbaar zouden zijn bij de in het advies genoemde apotheek. BMA heeft naar aanleiding daarvan nogmaals bevestigd dat de medicijnen wel beschikbaar zijn. Om betrokkene qua tijd in de gelegenheid te stellen om in Guinee zijn medicatie te regelen, is hij voor een periode van drie maanden voorzien van de benodigde medicijnen. Daarnaast heeft betrokkene zijn medisch dossier meegekregen en een medisch paspoort. Tevens werd betrokkene tijdens de vlucht begeleid door een medische escort.
Op welke wijze meent u dat het belang van het kind van deze man en het recht van dit kind op gezinsleven geborgd is met deze uitzetting?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven zijn de verplichtingen en aanspraken in het kader van artikel 8 EVRM (gezinsleven) zorgvuldig beoordeeld in een daartoe strekkende procedure en is geconcludeerd dat deze niet nopen tot het verlenen van verblijf. In de verrichte belangenafweging is ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan de belangen van de zoon van betrokkene. Daarbij is stilgestaan bij zijn banden met Nederland en bij de mogelijkheid om het gezinsleven in Guinee uit te oefenen. Na een zorgvuldige afweging van de belangen is geconcludeerd dat artikel 8 EVRM geen aanleiding geeft om betrokkene verblijf toe te staan. Het beroep tegen dit besluit is thans aanhangig. De rechtbank heeft de eerdere voorlopige voorziening ingetrokken en geoordeeld dat er geen grond bestaat om betrokkene het beroep in Nederland te laten afwachten.
Het bericht ‘Besneden vrouw betaalt hersteloperatie zelf’ |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Besneden vrouw betaalt hersteloperatie zelf»?1
Ja.
Waarom is voor slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking (vgv) een hersteloperatie op dit moment niet opgenomen in het basispakket?
De aanspraak op de vergoeding van behandelingen van plastisch chirurgische aard is beperkt vorm gegeven. Dergelijke behandelingen vallen onder de dekking van de Zorgverzekeringswet indien deze dienen ter correctie van:
Ik beschouw vrouwelijke genitale verminking als misdadige schending van de lichamelijke integriteit. Zie verder mijn antwoord op de vragen 4 en 5. Het woord zegt het al, hier is sprake van verminking. Naar mijn mening zou de hersteloperatie onder de Zorgverzekeringswet moeten vallen.
Op welke wijze is de zorg voor slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking op dit moment vormgegeven?
In 2010 is het multidisciplinaire modelprotocol medische zorg voor vrouwen en meisjes met vrouwelijke genitale verminking opgesteld op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. Hierin worden aanbevelingen gedaan over hoe verschillende medische beroepsgroepen zorg met medische, psychosociale en seksuologische aspecten kunnen leveren. Het opheffen van de infibulatie door middel van een incisie wordt hier als behandeling genoemd om eventuele lichamelijke problemen als gevolg van vrouwelijke genitale verminking op te heffen. Artsen mogen niet tegemoet komen aan het verzoek van een vrouw om de vagina opnieuw dicht te maken (her-infibulatie).
Daarnaast subsidieer ik een nazorg-project van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland, omdat het voor komt dat reguliere hulpverleners de samenhang tussen psychische en lichamelijke klachten niet herkennen. Binnen dit project zijn op zes plaatsen speciale vgv-spreekuren opgezet. Daar kunnen besneden vrouwen terecht met vragen over de psychische en lichamelijke klachten – zoals terugkerende blaasontsteking – die vaak het gevolg zijn van besnijdenis. Ook subsidieer ik een campagne van de Federatie Somalische Associaties Nederland waarmee vrouwen worden geïnformeerd over de relatie tussen hun klachten en de besnijdenis. Deze campagne verwijst door naar de speciale spreekuren.
Wilt u het College voor Zorgverzekeringen(CZZ) vragen om een advies over het opnemen van genitale reconstructie na genitale verminking als aanspraak in het basispakket? Indien ja, wilt u in de adviesaanvraag opnemen hoeveel Nederlandse slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking naar verwachting gebruik zouden maken van een hersteloperatie en welke structurele kosten gepaard zouden gaan met het opnemen van een hersteloperatie bij genitale verminking in het basispakket?
Op dit moment is er een werkgroep op initiatief van de beroepsgroepen voor gynaecologen en plastisch chirurgen bezig met een protocol over reconstructieve chirurgie na vrouwelijke genitale verminking, als aanvulling op het huidige modelprotocol medische zorg voor vrouwen en meisjes met vrouwelijke genitale verminking.
Zodra dit protocol is afgerond zal ik hersteloperaties van genitale verminkingen onder de Zorgverzekeringswet brengen.
Bent u bereid op basis van de resultaten van dit CVZ-onderzoek de Kamer te informeren of genitale reconstructie vanaf 2015 als aanspraak in het basispakket kan worden opgenomen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Nibud bevestigt dat Bonaire ver onder de armoedegrens leeft’ |
|
Roelof van Laar (PvdA), Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Nibud bevestigt dat Bonaire ver onder de armoedegrens leeft»?1
Ja.
Bent u in het bezit van het Nibud-rapport waar in het artikel over gesproken wordt? Zo ja, kunt u dit rapport naar de Kamer sturen en van een reactie van uw kant voorzien? Kunt u hierbij ingaan op hoe de berekeningen van het Nibud voor de situatie op Bonaire zich verhouden tot de berekening van het sociaal minimum in Europees Nederland? Zo nee, bent u bereid dit rapport bij het bestuurscollege van Bonaire op te vragen en met de Kamer te delen?
Het bestuurscollege van Bonaire heeft het rapport bij brief van 27 februari 2014 aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezonden. Het rapport, getiteld «Minimumvoorbeeldbegrotingen voor Bonaire» is bijgevoegd.2 De onderhavige antwoorden kunnen beschouwd worden als onze reactie op dit rapport.
Met betrekking tot de vraag hoe de onderhavige berekeningen van het Nibud zich verhouden tot de berekening van het sociaal minimum in Europees Nederland zij het volgende opgemerkt. In het Europees deel van Nederland geldt het bijstandsniveau als het sociaal minimum. In Caribisch Nederland ontbreekt – mede als gevolg van de andere systematiek achter de niveaus van de onderstand – een dergelijk ijkpunt. Het lopende onderzoek van het CBS kan behulpzaam zijn om op termijn richting een sociaal minimum voor Caribisch Nederland te komen.
Hoe verhoudt het Nibud-rapport zich tot het CBS-onderzoek (waarvan u opdrachtgever bent) waarover u de Kamer schreef in december 2013?2 Was u op de hoogte van deze opdracht door de lokale overheid aan het Nibud? Zo nee, acht u het wenselijk dat u hiervan niet op de hoogte was? Wanneer verwacht u dat het CBS-onderzoek is afgerond en naar de Kamer wordt gestuurd?
De beslissing van het openbaar lichaam Bonaire om Nibud opdracht te geven minimumvoorbeeldbegrotingen op te stellen, is van tevoren aangekondigd. Hierbij was van meet af aan duidelijk dat deze opdracht een geheel andere insteek zou hebben dan de opdracht die inmiddels aan het CBS is gegeven. Bonaire heeft het rapport laten opstellen ten behoeve van het eilandelijk armoedebeleid. Het bestuurscollege van Bonaire heeft aangegeven dat het rapport gezien moet worden als «een beleidsinstrument voor vaststelling van het basispakket goederen, budgetadvisering en -begeleiding, armoedebeleid en armoedemeting». Met de uitkomst van het rapport kan Bonaire de in het kader van het armoedebeleid beschikbare instrumenten gerichter inzetten. De minimumvoorbeeldbegrotingen kunnen het openbaar lichaam helpen bij de beoordeling bij welke huishoudtypen de financiële situatie het meest nijpend is.
De onderzoeksopdracht van CBS is van geheel andere aard. CBS doet onderzoek naar het Bruto Binnenlands Product (BBP), inkomens- en inkomensverdeling en werkgelegenheidsindicatoren. Doel van dit onderzoek is een beter beeld te krijgen van de algemene economische omstandigheden van Caribisch Nederland ten behoeve van besluitvorming over de (verdere) ontwikkeling van de niveaus van wettelijk minimumloon en uitkeringen. De onderzoeksopdracht bevat dus verschillende elementen, met uiteenlopende momenten van afronding. Van de thans voorziene eindproducten wordt een aantal naar verwachting al vóór de zomer opgeleverd. Hierbij zij aangetekend dat voor wat betreft het BBP voor de eilanden Sint Eustatius en Saba nog niet direct een BBP-raming wordt opgeleverd, maar een vooronderzoek naar de mogelijkheid voor het inrichten van een macro-raming. De verwachting is dat er eveneens in de zomer helderheid is over de haalbaarheid van een BBP-raming voor deze twee eilanden. Zodra de samenhangende CBS-producten gereed zijn, zult u daarover worden geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het Nibud-rapport? Is dit voor u aanleiding om op een andere manier naar de armoedeproblematiek op Bonaire te kijken? Geeft dit rapport nieuw inzicht in de armoedeproblematiek op Saba en Sint Eustatius of is daarvoor aanvullend onderzoek nodig?
De uitkomst van het Nibud-onderzoek sluit aan op mijn eigen waarneming bij het werkbezoek in juli 2013. Hierbij past wel de kanttekening dat het beoordelen van minimumvoorbeeldbegrotingen los van betrouwbare gegevens over de inkomensverdeling (waaraan het CBS zoals gezegd nog werkt), niet goed mogelijk is. Bovendien is van belang dat, zoals Nibud zelf ook aangeeft, de in het rapport genoemde bedragen referentiebedragen zijn, die niet als norm mogen worden opgevat. Het valt ook op dat Nibud op sommige punten (bijvoorbeeld woonkosten, watergebruik en vervoer) een ruimere norm hanteert dan in Europees Nederland in de bijstand wordt gehanteerd. Zo is in Europees Nederland geen auto ingecalculeerd voor de basisbehoeften van bijstandsontvangers. Het door het Nibud berekende benodigde minimum inkomen ligt daardoor hoger dan de bijstandsnormen in Europees Nederland.
Dit neemt niet weg dat het Nibud-rapport bruikbaar kan zijn voor het doel waarvoor het is opgesteld. Deze beoordeling is aan het eilandbestuur van Bonaire. Het openbaar lichaam heeft geld en instrumenten om het eilandelijk armoedebeleid vorm te geven (waarbij het Rijk kan ondersteunen, wat ook gebeurt via met name de bijzondere uitkering integrale projecten). De bestuurscolleges van Saba en Sint Eustatius kunnen zelf beoordelen of een overeenkomstig Nibud-onderzoek dat is toegespitst op deze beide eilanden, nuttig is.
Het Nibud-onderzoek kan niet de basis zijn voor het rijksbeleid ten aanzien van de niveaus van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen. Daarmee zou worden voorbijgegaan aan het uitgangspunt van economische draagkracht. Het verhogen van het wettelijk minimumloon zonder de economische draagkracht in beschouwing te nemen, zou de economie van de eilanden ernstig kunnen schaden, terwijl het enkel verhogen van de uitkeringen los van de economische draagkracht tot een situatie zou leiden waarin werken niet langer loont. Dat moet worden voorkomen. Het CBS werkt zoals gezegd aan statistische informatie die nodig is om de economische situatie te kunnen beoordelen. Dat is nodig om een beslissing over de niveaus beter te kunnen funderen. Met het reeds vóór 10 oktober 2010 gezamenlijk uitgesproken verbeterstreven wordt tot uitdrukking gebracht dat het voorzieningenniveau zoals dat op de transitiedatum vorm heeft gekregen, niet het uitpunt zou mogen zijn, maar een eerste stap in een verdere ontwikkeling. De uitkomsten van het Nibud-onderzoek benadrukken de urgentie daarvan.
Het rapport heeft dan ook een belangrijke signaalwerking en zal vanuit die hoedanigheid een rol spelen in het voortgaande gesprek met het openbaar lichaam over het voorzieningenniveau. Gezien de doelstelling van het onderzoek is hierbij in eerste instantie het bestuurscollege van Bonaire aan zet om beleidsconclusies aan het rapport te verbinden. Daarover gaan we graag met het bestuurscollege in gesprek, om zo waar mogelijk vanuit de onderscheiden rollen een bijdrage te leveren aan het verlichten van de armoedeproblematiek op het eiland.
Bent u van mening dat het Nibud-onderzoek een ernstiger beeld van de situatie schetst dan uw brief van december 2013?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft het Nibud ook andere gezinssituaties – bijvoorbeeld het samenwonen van meerdere generaties – dan de in het artikel genoemde gezinssituaties onderzocht? Zo ja, wat zijn hiervan de uitkomsten?
Het Nibud presenteert alleen minimumvoorbeeldbegrotingen voor de (gezins)situaties die in het artikel zijn genoemd, d.w.z. resp. alleenstaande man, alleenstaande vrouw, samenwonend paar, alleenstaande vrouw met één kind, alleenstaande vrouw met twee kinderen, paar met één kind, paar met twee kinderen, alleenstaande AOV-gerechtigde en AOV-gerechtigd paar. Het samenwonen van meerdere generaties komt in het Nibud-rapport in zoverre terug, dat Nibud constateert dat huishoudens met een laag inkomen vaak bij elkaar inwonen. Nibud vertaalt deze constatering echter niet naar minimumvoorbeeldbegrotingen die bij deze situatie aansluiten. Het kostendrukkend effect van gezamenlijk wonen is derhalve niet af te leiden uit het rapport.
Is inmiddels duidelijk op welke wijze de 600.000 euro per jaar die u structureel beschikbaar hebt gesteld voor armoedebeleid wordt ingezet?
In mijn brief van 19 december 2013 (Kamerstukken II, 2013/»14, 33 750 XV, nr. 57, pag. 4) is vermeld welke bestemming de openbaar lichamen hebben gegeven aan de middelen die voor 2013 zijn toegekend. De voor 2014 e.v. toegekende middelen zullen opnieuw op projectbasis worden toegekend. De openbaar lichamen ontvangen de middelen op basis van in te dienen plannen. Voor 2014 zijn de bestuurscolleges bezig met de beleidsvorming en het opstellen van hun plannen.
Het bericht dat patiënten hun eigen medisch dossier niet kunnen inzien |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Eigen medisch dossier taboe voor patiënten»?1
Uitgangspunt is dat elke patiënt recht heeft op inzage in, dan wel afschrift van zijn of haar dossier. Omdat het van belang is dat patiënten betrokken zijn bij hun behandeling en daarover goed geïnformeerd (mee)beslissen is het belangrijk dat (huis)artsen voor deze inzage geen onnodige drempels opwerpen.
Deelt u de mening dat artsen die patiënten weigeren om hun dossier in te zien de wet overtreden? Zo ja, wat gaat u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat artsen die patiënten inzage of afschrift weigeren van hun dossier, de wet overtreden.
Als patiënten de indruk hebben dat de arts geen medewerking geeft aan inzage in dan wel afschrift van diens dossier, is het zinvol als zij hierover met de arts het gesprek aangaan. Ook kunnen zij op grond van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) een klacht indienen. Tot slot kunnen patiënten zich tot de civiele rechter wenden. Op grond van het wetsvoorstel Wkkgz, kunnen patiënten, nadat het wetsvoorstel kracht van wet heeft verkregen, een dergelijk geschil aan een geschilleninstantie voorleggen.
Ik vind dat deze juridische wegen volstaan.
Waar kunnen patiënten terecht als artsen niet meewerken om inzage te geven in, of een kopie te verstrekken van het medisch dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben artsen die eerst nog een aanvullend gesprek met de patiënt wilden dit ook als extra consult gedeclareerd?
Ik heb er geen inzicht in of huisartsen een dergelijk aanvullend gesprek hebben gedeclareerd. De prestatiebeschrijving voor een huisartsconsult is generiek. Dit past bij de diverse zorgvragen die bij de huisarts aan bod kunnen komen.
Waarom staat u toe dat wel alle zorgverleners toegang hebben tot medische gegevens, maar patiënten niet?
Op grond van de Wet geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo) hebben patiënten recht op inzage in, dan wel afschrift van het eigen medisch dossier. Daarmee is de toegang van patiënten tot hun medische gegevens gewaarborgd.
Deelt u de mening dat de patiënt beter zelf zijn dossier kan beheren, en zorgverleners om een kopie kunnen vragen?
Nee, die mening deel ik niet. Het is de arts die als «goed hulpverlener» verantwoordelijk is voor de inhoud en daarmee voor het beheer van het dossier.
De ophef die is ontstaan sinds het nieuws dat de veroordeelde pedoseksueel Benno L. in Leiden huisvesting heeft gekregen |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Begrijpt u de zorgen van buurtbewoners ten aanzien van de veiligheid van hun kinderen nadat zij te horen hebben gekregen dat in hun buurt een veroordeelde pedoseksueel huisvesting heeft gevonden?1
Ja, ik begrijp de zorg die de terugkeer in de maatschappij van een veroordeelde zedendelinquent teweeg kan brengen. Tegelijkertijd heeft ook een veroordeelde zedendelinquent recht op een goede terugkeer in de maatschappij.
Hoe beoordeelt u de zorgen die burgemeesters hebben ten aanzien van de verplichting om een veroordeelde pedoseksueel in hun gemeente op te nemen, mede in het licht van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag dat de betreffende gemeente, en niet de Staat, verantwoordelijk is voor de huisvesting van een ex-zedendelinquent?2
Wanneer iemand zijn straf heeft volbracht, heeft diegene ook recht op een goede terugkeer in de maatschappij. Wanneer alle burgemeesters «nee» zouden zeggen tegen de huisvesting van een zedendelinquent in hun gemeente, zou er een onoplosbaar probleem ontstaan. Dat is gelukkig niet de praktijk. De zaak Benno L. heeft laten zien dat alle partners (burgemeester, gemeente, politie en reclassering) vanuit hun eigen verantwoordelijkheid samen hebben gewerkt aan de terugkeer. Een goed voorbeeld van de wijze waarop de terugkeer van een zedendelinquent in de samenleving zo verantwoord mogelijk verloopt.
Acht u het denkbaar dat de huisvesting van ex-zedendeliquenten in Nederland in de toekomst nog meer wordt bemoeilijkt, wanneer een groeiend aantal burgemeesters geen huisvesting wil organiseren in hun gemeente?
Jaarlijks keren zedendelinquenten terug in de samenleving. Veelal gaat de terugkeer van zedendelinquenten in de maatschappij goed en neemt het lokaal bestuur zijn verantwoordelijkheid. Bij een beperkt aantal terugkerende zedendelinquenten leidt de huisvesting tot spanning. In die gevallen is een integrale aanpak vereist, waarin per casus bezien wordt hoe een passende oplossing geboden kan worden. Ik ondersteun hierin het initiatief van het Openbaar Ministerie, de Reclassering, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de Vereniging Nederlandse Gemeenten om, tegen de achtergrond van deze integrale aanpak, tot oplossingen te komen.
Acht u het wenselijk dat burgemeesters over dergelijke dilemma’s niet alleen overleggen met ketenpartners als Reclassering en het Openbaar Ministerie, maar ook het college van B&W en de gemeenteraad op de hoogte stellen, teneinde samen met de lokale volksvertegenwoordiging naar een passende oplossing te zoeken?
De burgemeester zal per casus een risico-afweging maken. Op basis van de risicoanalyse zal de burgemeester beslissen op welke manier en met wie gecommuniceerd dient te worden over de maatschappelijke onrust die kan ontstaan en die kan leiden tot sociale calamiteiten of maatschappelijke uitsluiting van (groepen) mensen.
Hierbij moet wel worden bedacht dat de burgemeester verantwoording schuldig is over het door hem gevoerde bestuur (artikel 180, eerste lid, Gemeentewet) en in dat kader de raad alle inlichtingen verschaft die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (artikel 180, tweede lid, Gemeentewet). De actieve inlichtingenplicht van de burgemeester jegens de raad impliceert niet per se dat hij de raad altijd moet informeren voordat hij in concrete gevallen gebruik maakt van zijn eigen bevoegdheden. Dat kan ook achteraf gebeuren.
Bent u van mening dat buurtbewoners meer inspraak moeten krijgen bij een beslissing om een veroordeelde pedoseksueel te huisvesten in hun buurt, juist ook om vrijwilligersprojecten als Cosa te stimuleren? Zo ja, vindt u dat een burgemeester verplicht zou moeten zijn buurtbewoners te informeren vóórdat een veroordeelde pedoseksueel in hun buurt komt wonen? Indien nee, waarom niet?
Op basis van de risicoanalyse zal de burgemeester beslissen op welke manier en met wie gecommuniceerd dient te worden om de veiligheid van de wijk, het slachtoffer en de terugkerende zedendelinquent te waarborgen.
Vindt u, in navolging van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), dat de strafrechter meer aandacht moet besteden aan de bijzondere voorwaarden in zijn vonnis, teneinde te voorkomen dat burgemeesters nadien een (vergeefse) gang naar de rechter moeten maken?3
Het Openbaar Ministerie kan nu al in reguliere overleggen met de burgemeesters, zoals het driehoeksoverleg en in veiligheidshuizen, aangeven onder welke voorwaarden de delinquent terugkeert en de burgemeester kan daarbij zijn wensen onder de aandacht brengen bij het Openbaar Ministerie. Wel vind ik dat deze mogelijkheden ruimer benut kunnen worden. Door de huidige mogelijkheden onder de aandacht te brengen bij de strafrechter verwacht ik dat in meer gevallen de openbare orde ook richting zal geven aan de bijzondere voorwaarden.
Wat is de stand van zaken in het overleg tussen de VNG en het OM om tot een structurele oplossing te komen voor de huisvesting van pedoseksuelen?
Op dit moment vinden de voorbereidingen plaats voor een gezamenlijk overleg. Naast de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Openbaar Ministerie sluiten de Reclassering en het Nederlandse Genootschap van Burgemeesters hierbij aan. Dit gesprek staat gepland voor eind maart 2014. Dan zullen VNG, NGB, OM en reclassering met elkaar in gesprek gaan om voor die gevallen waar de huisvesting tot problemen leidt, tot oplossingen te komen.
Kan de Staat volgens u, behalve de huidige werkwijze van aansporing en bemiddeling, gemeenten méér hulp bieden bij de betreffende huisvestingsproblematiek?
Nee. Naast aansporing en bemiddeling werken gemeenten en de Penitentiaire Inrichting samen conform het Samenwerkingsmodel Nazorg om de terugkeer in de maatschappij te faciliteren. Daarnaast kunnen de burgemeesters zich aansluiten op de informatievoorziening Bestuurlijke Informatie Justitiabelen, opdat zij tijdig geïnformeerd zijn en indien mogelijk maatregelen kunnen treffen.
Hoe beoordeelt u de suggestie om een commissie van experts in te stellen die lokale bestuurders kan adviseren als het gaat om huisvestingsproblematiek van ex-zedendelinquenten?
In lijn met het Openbaar Ministerie, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Reclassering zullen de voor- en nadelen van zo’n commissie eerst worden geïnventariseerd en zal ik de uitkomsten hiervan afwachten. Wel ben ik van mening dat als gemeenten een onderling coördinatiemechanisme zouden willen instellen, zoals nu op kleine schaal al gebeurt tussen een aantal burgemeesters, dat toe te juichen zou zijn.
Het bericht ‘Eigen medisch dossier taboe voor patiënten’ |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Eigen medisch dossier taboe voor patiënten?»1
Ja.
Klopt het dat in twee derde van de gevallen artsen drempels opwerpen om de gevraagde informatie te verstrekken?
Hoe beoordeelt u de weigering van artsen om patiënten hun eigen medisch dossiers te laten inzien, of een kopie daarvan te verschaffen?
Het bericht «Eigen medisch dossier taboe voor patiënten» is gebaseerd op de conclusies van een onderzoek van de Consumentenbond waarin zij vijftig consumenten heeft gevraagd om een kopie van hun complete medisch dossier op te vragen bij de huisarts en vervolgens over het verloop een vragenlijst in te vullen2. Ik heb geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten hiervan.
Patiënten hebben het recht om hun eigen medische dossiers in te zien dan wel een afschrift daarvan te ontvangen.
Wat is uw oordeel over het feit dat door artsen onderdelen van medische dossiers onleesbaar worden gemaakt?
Artsen mogen op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens in uitzonderingsgevallen onderdelen van medische dossiers voor inzage onleesbaar maken. Het gaat dan om informatie in het dossier die over andere personen gaat en waarvan kennisneming door de patiënt schade zou kunnen toebrengen aan de privacy van die anderen. Ook kunnen dit persoonlijke werkaantekeningen van de arts betreffen. Voor het overige moet alles wat in het medisch dossier over de patiënt staat toegankelijk voor de patiënt zijn.
Bent u ervan op de hoogte dat op grond van de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) iedere patiënt recht heeft op inzage in zijn of haar medisch dossier? Op welke wijze kunnen patiënten hun beklag doen over het niet verstrekken of het weigeren van inzage in het persoonlijk medisch dossier?
Ja. Iedere patiënt heeft recht op inzage in zijn of haar medisch dossier. Als patiënten de indruk hebben dat de arts hieraan geen medewerking geeft is het zinvol als zij hierover met de arts het gesprek aangaan. Ook kunnen zij op grond van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) een klacht indienen. Tot slot kunnen patiënten zich tot de civiele rechter wenden. Op grond van het wetsvoorstel Wkkgz, kunnen patiënten, nadat het wetsvoorstel kracht van wet heeft verkregen, een dergelijk geschil aan een geschilleninstantie voorleggen.
Hoeveel meldingen zijn er de afgelopen twee jaar binnengekomen van mensen die geen inzage of kopie van hun medisch dossier konden krijgen?
De IGZ heeft hierover in 2012 en 2013 zeventien meldingen ontvangen.
Welke maatregelen zijn er de afgelopen twee jaar genomen tegen artsen die weigerden een kopie of inzage te geven van een medisch dossier?
Het inzagerecht is geregeld in de Wgbo en is daarmee een civielrechtelijke aangelegenheid. Ik heb geen inzicht in eventuele uitkomsten van dergelijke procedures. De IGZ ziet niet toe op de naleving. De IGZ neemt desalniettemin meldingen van weigering tot inzage in dan wel afschrift van een medisch dossier mee in haar regulier toezicht en spreekt de betreffende arts of bestuurder hierop aan.
Bent u van mening dat artsen zich te lang kunnen verzetten tegen het overdragen van medisch dossiers aan patiënten en nabestaanden?
Nee, patiënten hebben er recht op dat artsen zo snel mogelijk inzage in, dan wel afschrift van hun dossier geven. Nabestaanden hebben overigens geen recht op inzage in het dossier van een overledene vanwege de privacy van de patiënt en het beroepsgeheim dat voor artsen geldt, behoudens een aantal uitzonderingen. Een nabestaande kan inzage verkrijgen als de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Daarnaast kunnen er naasten zijn die uit hoofde van hun verantwoordelijkheid voor de inmiddels overledene, nadien aanspraak kunnen maken op inzage in het dossier. Tot slot is in de jurisprudentie erkend dat inzage mogelijk is bij een zwaarwegend belang voor de nabestaande en als de toestemming van de overledene verondersteld kan worden, waarbij wel aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan.
Als een arts niet voldoet aan een verzoek van een patiënt of nabestaande dan staan hun de rechtsmiddelen genoemd in het antwoord op vraag 5 ter beschikking. Daarmee kan worden voorkomen dat artsen zich te lang kunnen verzetten tegen het overdragen van medische dossiers.
De verkoop van alle huurwoningen in Stuifzand |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het plan tot de verkoop van alle sociale huurwoningen in Stuifzand door woningstichting Actium?
Ja.
Deelt u de visie van de betrokken gemeente dat het ongewenst is dat woningcorporaties, zonder afspraken met de gemeente vooraf, en in strijd van de gemeentelijke woonvisie en prestatieafspraken, dergelijke ingrijpende keuzes kunnen maken?
In MG 2013–02 staat dat het de bedoeling is dat gemeenten en corporaties, beide vanuit een weloverwogen beleidsvisie, (prestatie)afspraken maken over (o.a.) voornemens om huurwoningen voor uitponding aan te bieden onder andere voor verkopen aan natuurlijke personen voor eigen bewoning. Op die manier kunnen verkoopvoornemens van corporaties passen in een vooraf besproken en overeengekomen kader.
Twaalf van de 20 corporatiewoningen van Actium in Stuifzand zijn al meerdere jaren gelabeld voor verkoop. Zes van deze woningen zijn inmiddels verkocht, waarvan vier aan dorpsbewoners. Over de labeling voor verkoop van de overige acht corporatiewoningen in Stuifzand loopt sinds medio 2013 overleg tussen de gemeente Hoogeveen en woningcorporatie Actium. Men kan het echter niet eens worden.
In de meest recente Woonvisie van de gemeente is het uitgangspunt dat in alle kernen van Hoogeveen voldoende geschikte sociale huurwoningen beschikbaar moeten zijn en blijven. De lopende prestatieafspraken tussen de gemeente en Actium zien niet toe op dit specifieke onderwerp. Actium stelt dat er op het moment weinig vraag is naar huurwoningen in Stuifzand, maar wel naar goedkopere koopwoningen. Vandaar dat zij alle huurwoningen voor verkoop wil labelen. Actium is zich echter bewust van het feit dat het meebewegen met de vraag van de markt ook een flexibele houding van Actium vergt. Zij heeft aangegeven dat, indien de markt voor sociale huur in Stuifzand opeens sterk mocht aantrekken, het verkoopbeleid altijd herzien kan worden.
Deelt u de gedachte dat de opstelling van woningcorporatie Actium strijdig is met de nieuwe regels voor verkoop van corporatiewoningen, zoals beschreven in de MG-circulaire «verkoop corporatiewoningen MG 2013-02»?
Die gedachte deel ik niet. In MG 2013–02 is een informatieverplichting opgenomen voor corporaties rond de verkoopvoornemens van corporatiewoningen aan natuurlijke personen voor eigen bewoning. Corporaties moeten hun voornemens inzake dergelijke verkoop op 4-cijferig postcodeniveau aan de gemeente sturen. Deze werkwijze is geïntroduceerd om, waar dat nodig is, het overleg tussen gemeenten en woningcorporaties hierover beter mogelijk te maken. De MG 2013–02 regelt echter niet in welke omstandigheden een voorgenomen verkoop al dan niet acceptabel is. Zo kan het met het oog op de concrete vraag die een corporatie ervaart, of vanwege een verantwoorde vastgoedexploitatie, wenselijk zijn dat een corporatie woningen verkoopt, waarmee tegelijkertijd potentiële kopers een kans wordt geboden een woning te kopen.
Bent u voornemens om in dit geval, en in vergelijkbare situaties, geen toestemming te verlenen voor de verkoop van sociale huurwoningen, of dit anderszins te voorkomen en om woningcorporaties te bewegen om met de betrokken gemeente(n) acceptabele (prestatie) afspraken te maken over de te verkopen huurwoningen?
Corporaties hoeven voor verkoop van corporatiewoningen aan natuurlijke personen voor eigen bewoning geen toestemming vooraf te vragen, mits wordt voldaan aan voorwaarden gerelateerd aan de verkoopprijs. Dit is ook niet het geval onder MG 2013–02. Wel is het de bedoeling dat gemeenten en corporaties, beide vanuit een weloverwogen beleidsvisie, (prestatie)afspraken maken.
Ik heb regelgeving in voorbereiding waarmee de rol van de gemeente versterkt wordt. In de Herzieningswet en de daarbij horende Novelle wordt geregeld dat corporaties naar redelijkheid moeten bijdragen aan de uitvoering van het woonbeleid van de gemeente, op voorwaarde dat de gemeente haar beleid vooraf heeft vast gelegd. Dit kan ook gaan over het al dan niet verkopen van sociale huurwoningen. Ook dan blijft het overigens primair een zaak tussen corporatie en gemeente.
Heeft u signalen dat meer corporaties op vergelijkbare manier sociale huurwoningen verkopen? Zo ja, noopt dat tot wijziging van beleid?
Er zijn meer corporaties die zich uit dorpen terug willen trekken. De SEV (Platform31) heeft in 2012 het onderzoek «Terugtrekstrategieën van woningcorporaties» uitgevoerd bij 14 woningcorporaties in krimpgebieden die zich terugtrekken of dit als een noodzaak voor de toekomst zien. Centraal in dit onderzoek stond de vraag hoe corporaties maatschappelijke en bedrijfseconomische belangen met elkaar kunnen verbinden. Het onderzoek laat zien dat het terugtrekken overwegend een financiële en vastgoedachtergrond heeft. Het onderzoek besteedt ook aandacht aan maatschappelijke effecten en geeft handvatten voor maatschappelijk verantwoord loslaten door corporaties.
In het algemeen is het van belang dat corporaties, naast aandacht voor hun maatschappelijke taak, oog hebben voor een efficiënte bedrijfsvoering. Verkoop van woningen kan daarin passen. In dit licht zie ik geen aanleiding tot bijstelling van het beleid.
Deelt u de gedachte dat verkoop van alle sociale huurwoningen in een dorp zorgt voor bedreiging van de sociale structuur, de leefbaarheid en het verenigingsleven?
Nee, ik denk niet dat zo’n verkoop een dergelijke bedreiging hoeft te vormen. De uitkomsten van het bij antwoord 5 genoemde onderzoek wijzen hier op. De corporatie zegt bovendien met name aan dorpsbewoners te (willen) verkopen. Daarnaast kunnen natuurlijk ook kopers van buitenaf bijdragen aan de sociale structuur, de leefbaarheid en het verenigingsleven. Het is in het licht van de leefbaarheid vooral van belang dat leegstand van de woningen wordt voorkomen.
De aanwezigheid van de staatssecretaris bij de doop van een reddingsboot |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Reddingboot Oranje bij doop Royal Flush»1 en herinnert u zich de meerdere, deels onbeantwoorde eerdere vragen waarin expliciet vraagtekens worden gesteld bij de legaliteit van de activiteiten van Oranje Casino?
Ja
Deelt u de mening dat het aanbieden van online gokspelen op de Nederlandse markt nog steeds verboden is? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Wet op de kansspelen (Wok) is het aanbieden van kansspelen zonder vergunning in Nederland verboden. De Wok voorziet niet in een expliciete vergunningsmogelijkheid voor het organiseren van kansspelen op afstand. Online kansspelen (zoals online poker, casinospelen of sportweddenschappen) zijn daarom op dit moment naar de letter van de wet nog verboden.
Deelt u de mening dat door de woorden op de site van Oranje Casino «Oranje Casino is the most popular online casino in the Netherlands» en «Oranje Casino is the first real, legal Dutch online casino»2, het feit dat de site oranjecasino.nl doorlinkt naar oranjecasino.com en de naam van deze site, veel meer dan de schijn wordt gewekt dat er sprake is van online gokken gericht op de Nederlandse markt? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de Wet op de kansspelen en onderliggende regelgeving, alsmede om het verbod op kansspelen waarvoor geen vergunning is verleend te handhaven. De kansspelautoriteit heeft mij desgevraagd laten weten voortdurend onderzoek te doen naar websites waarvan het spelaanbod mede op Nederland is gericht. Bij de prioritering van haar werkzaamheden wordt bezien of sites al dan niet voldoen aan de door de kansspelautoriteit gestelde prioriteringscriteria. Om lopende onderzoeken niet te verstoren, doet de kansspelautoriteit geen mededelingen over individuele zaken of aanbieders.
Mag iedere goksite die met een buitenlandse vergunning, met een site die niet in de Nederlandse taal is en niet de extensie.nl heeft, online gokspelen aan Nederlandse spelers aanbieden? Zo ja, waarom is er dan nog wetgeving in voorbereiding teneinde Nederlandse online vergunningen mogelijk te maken? Zo nee, waar blijkt, anders dan uit niet gehandhaafde wettelijke bepalingen, het tegendeel uit?
Nee. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven is op grond van de Wok het aanbieden van kansspelen zonder vergunning in Nederland verboden. De kansspelautoriteit is verantwoordelijk voor handhaving van de Wet op de kansspelen. Zij geeft daaraan concreet invulling, zoals bijvoorbeeld blijkt uit diverse inmiddels openbaar gemaakte boetebesluiten.
Deelt u de mening dat door uw aanwezigheid bij de doop van de door Oranje Casino gesponsorde boot u een signaal heeft afgegeven dat Oranje Casino een bona fide bedrijf is? Zo ja, waarom doet u dat? Zo nee, waarom niet?
Nee. Als staatssecretaris draag ik de stelselverantwoordelijkheid voor de kansspelen. Vergunningen voor kansspelen worden echter uitgegeven door de Kansspelautoriteit, dat een zelfstandig bestuursorgaan is en als zodanig een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft. Indien het bedrijf Oranje Casino te zijner tijd, wanneer een vergunningstelsel voor kansspelen op afstand is ingericht, een vergunning zou aanvragen, zal de kansspelautoriteit beoordelen of het bedrijf aan alle strikte eisen voldoet. Daaronder valt ook een betrouwbaarheidstoets. Door mijn aanwezigheid geef ik geen enkel signaal. Wel is het goed om te constateren dat ook online aanbieders bezig zijn met maatschappelijk ondernemen.
Kent u het bericht dat het Zweede Betsson er op uit is onder andere Oranje Casino over te nemen en daarmee een Nederlandse vergunning voor online gokken aan te vragen?3
Ja. Oranje Casino is recent onderdeel geworden van Betsson, een Zweeds beursgenoteerd bedrijf dat beschikt over een vergunning voor het aanbieden van online kansspelen in diverse Europese landen. Over de motieven van Betsson voor deze overname kan en wil ik mij geen oordeel vormen.
Deelt u de mening dat door het feit dat mede onder uw verantwoordelijkheid straks vergunningen voor online gokken uitgegeven gaan worden, u door uw aanwezigheid de schijn gewekt kunt hebben dat u een potentiële aanvrager van een dergelijke vergunning welwillend tegemoet zult gaan treden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Aan mijn aanwezigheid bij de doop van een reddingboot kan een potentiële aanvrager geen enkel recht ontlenen als straks ook in Nederland een vergunningstelsel voor kansspelen op afstand wordt ingericht. Zoals ik in het antwoord op vraag 5 al heb aangegeven worden vergunningen voor kansspelen immers uitgegeven door de kansspelautoriteit. De kansspelautoriteit is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft als zodanig een eigenstandige verantwoordelijkheid. Zij zal te zijner tijd toetsen of het bedrijf, als het daadwerkelijk een vergunning aanvraagt, aan de strikte voorwaarden voldoet.
Wel is het verheugend om te constateren dat Nederlandse goede doelen nadrukkelijk in beeld zijn bij deze buitenlandse online aanbieders.
Het bericht heksenjacht bij erkende oormerkweigeraars |
|
Sander de Rouwe (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «NVWA blokkearret bioboeren» en de radio-uitzending over hetzelfde onderwerp bij Omroep Friesland?1
Ja.
Wat is volgens u de reden dat de betreffende boeren spreken van een heksenjacht?
Gewetensbezwaarden hebben in het verleden een uitzondering gekregen van de reguliere I&R-regeling, maar hebben wel de verplichting om zich te houden aan de eisen uit het protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund». In de afgelopen jaren is gebleken dat niet alle gewetensbezwaarden zich houden aan deze voorschriften. Daarom is de NVWA in 2012 gestart met het aanscherpen van de controles op gewetensbezwaarden.
Eind 2012 heeft dat geleid tot het versturen van diverse schriftelijke waarschuwingen aan bedrijven die zich niet houden aan voornoemde voorschriften.
Eind 2013 is voor bedrijven, die eerder een schriftelijke waarschuwing ontvingen en waarbij wederom werd geconstateerd dat men zich niet heeft gehouden aan het voornoemde protocol, het protocol opgezegd.
Verder is er bij een enkel bedrijf sprake van een bedrijfsoverdracht waardoor de opvolger niet meer in aanmerking zou komen voor het protocol. Ik ga het protocol op dit punt aanpassen, zodat ook de opvolger bij een bedrijfsoverdracht in aanmerking komt voor het protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund».
Wat zijn nou precies de redenen om de betreffende bedrijven te blokkeren en dieren van het erf af te voeren en is er bijvoorbeeld sprake van dierverwaarlozing?
De reden voor de opzegging is dat de gewetensbezwaarden niet hebben voldaan aan de voorwaarden van het eerder genoemde protocol. Hiermee komt de betrouwbaarheid in het geding voor de identificatie en traceerbaarheid van de runderen ten behoeve van diergezondheid en volksgezondheid. De bedrijven waarbij het protocol door de NVWA is opgezegd, dienen vervolgens te voldoen aan de regeling I&R en tevens onverkort ook aan Europese regelgeving. De regelgeving bepaalt dat bedrijven waarbij bij meer dan 20% van de dieren een omissie met betrekking tot I&R vertonen, geblokkeerd worden totdat de omissie is verholpen door de houder. Bij deze bedrijven worden de runderen gehouden zonder dat deze zijn voorzien van oormerken, hetgeen niet in overeenstemming is met de vigerende regelgeving.
Op het bedrijf van één houder werd, naast de omissies met betrekking tot I&R, verwaarlozing van de door de houder gehouden runderen geconstateerd omdat deze niet werden gehouden conform welzijnsregelgeving. De dieren zijn op basis hiervan van het bedrijf afgevoerd en onder bewaring van de overheid gesteld. Dinsdag 11 maart is het grootste deel van de runderen weer teruggekeerd bij de houder. De omstandigheden op het bedrijf zijn zodanig verbeterd dat weer wordt voldaan aan de welzijnsregelgeving.
Kunt u aangeven welke afspraken met erkende oormerkweigeraars zijn gemaakt met betrekking tot het niet aanbrengen van oormerken bij runderen?
De afspraken met de zogenaamde oormerkweigeraars zijn opgenomen in het voornoemde protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund». In het protocol zijn afspraken opgenomen met betrekking tot alternatieve identificatie van runderen, zoals het tijdig maken van foto’s van de oormerkloze runderen en het tijdig aanleveren van monstermateriaal (haren) ten behoeve van DNA-analyse aan een laboratorium.
Heeft u of uw departement contact gehad met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de ontstane situatie?
Ja.
Vinden er meer gerichte acties van de NVWA plaats? Zo ja, welke?
Conform het protocol worden de deelnemers aan het protocol jaarlijks gecontroleerd op het voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in het protocol. In het vierde kwartaal van 2014 zullen alle deelnemers wederom worden gecontroleerd.
Wist u tijdens het Algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad van 11 februari 2014 dat de NVWA de erkende oormerkweigeraars zou blokkeren? Zo ja, wat is uw afweging geweest om hier niet over te spreken naar aanleiding van verschillende vragen over de stand van zaken met betrekking tot de oormerkweigeraars?
Op dat moment was ik daar nog niet over geïnformeerd.
Bent u bereid de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.
De uitzending van Nieuwsuur over chemische drugslaboratoria d.d. 18 februari 2014 |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de rapportage over chemische drugslaboratoria?1 Klopt het beeld dat in de rapportage geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb kennisgenomen van de rapportage. Ik herken ook het beeld dat daarin geschetst wordt: de problematiek van synthetische drugs en de achterliggende georganiseerde criminaliteit is ernstig, maar de politie kan hier op grond van de huidige wetgeving tegen optreden en deze interventies hebben effect.
Deelt u de mening dat criminelen bij het produceren van synthetische drugs bewust met stoffen werken die afzonderlijk (nog) niet strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet of de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, waardoor wetgeving achter de ontwikkeling van nieuwe drugs en grondstoffen blijft aanlopen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet verrassend en ook niet te voorkomen dat criminelen die drugs willen produceren op zoek gaan naar stoffen die (nog) niet strafbaar zijn gesteld. Dit verschijnsel zien we immers bij alle vormen van criminaliteit: daar waar stevig wordt opgetreden gaan criminelen altijd op zoek naar nieuwe wegen om hun activiteiten voort te kunnen zetten.
In 2012 heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een rapport uitgebracht over de mogelijkheden van een generieke strafbaarstelling van nieuwe psychoactieve stoffen. Het kabinet concludeerde dat de voordelen van de invoering van een generiek stelsel uiterst beperkt zouden zijn en zeker niet opwegen tegen de nadelen. Voornoemd rapport is als bijlage bij de brief van 5 juli 2012 over het drugbeleid aan uw Kamer verzonden2. Het huidige wettelijke instrumentarium van de Opiumwet, de Geneesmiddelenwet en de Warenwet biedt voldoende mogelijkheden om nieuwe psychoactieve stoffen te reguleren wanneer dat uit volksgezondheidsoverwegingen noodzakelijk is.
Bent u bereid de Opiumwet aan te passen in die zin dat een generieke strafbaarstelling van nieuwe drugs naast de bestaande lijsten van de Opiumwet gerealiseerd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te garanderen dat de gezondheid van mensen die in de buurt van (opgerolde) drugslaboratoria wonen niet in gevaar komt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Elk drugslaboratorium vormt per definitie een risico voor de omwonenden. Mede daarom zet het Kabinet sterk in op de gerichte opsporing en ontmanteling van drugslaboratoria. Daarbij maakt de politie sinds 2002 gebruik van de specialistische kennis van de Landelijke Faciliteit ondersteuning Ontmantelen (LFO), zodat de ontmanteling zelf minimale risico’s voor omwonenden met zich meebrengt.
De hervorming van Israëlische arrestatieprocedures op de Westelijke Jordaanoever |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Chief West Bank Prosecutor says IDF may end long-standing night arrests of Palestinians»?1
Ja.
Herinnert u zich dat in het mondelingevragenuur van 25 juni 2013 is gewezen op de noodzaak van hervorming van de kinderrechtspraak, onvoorwaardelijke aanwezigheid van een advocaat en indien mogelijk ouders, videoregistratie van het verhoor en beëindiging van nachtelijke arrestaties? Bent u ervan op de hoogte dat.het Israëlische leger onlangs heeft aangekondigd om naar aanleiding van een UNICEF-rapport uit maart 2013 minderjarige verdachten te laten berechten door gespecialiseerde rechters en speciale kinderrechtspraak toe te passen? Hoe beoordeelt u deze operationele pilot van het Israëlische leger, onder meer bedoeld om te experimenteren met een alternatief voor nachtelijke arrestaties? In hoeverre beschouwt u de pilot als een stap in de goede richting?
Tijdens het bezoek aan Israël in juni 2013 zijn in gesprekken met Minister Livni de zorgen van het kabinet overgebracht m.b.t. arrestatie-, vervolgingspraktijken en detentieomstandigheden van minderjarige Palestijnen zoals toegelicht in het vragenuur van 25 juni 2013 (zie tevens Kamerbrief 4 oktober 2013; kenmerk 2013.276878). Toentertijd toonde de Israëlische regering zich bewust van deze tekortkomingen en zegde toe hieraan te werken. Ook heeft de Nederlandse Ambassadeur in Tel Aviv in gesprekken met de Israëlische autoriteiten bovengenoemde onderwerpen opgebracht.
Het kabinet verwelkomt de aankondiging van de pilot van het IDF die de situatie m.b.t. nachtelijke situaties dient te verbeteren en in contacten met EDEO en Israëlische gesprekspartners zal het ter sprake worden gebracht.
De militaire rechtbanken voor kinderen waaraan in vraag 2 gerefereerd wordt, zijn reeds in 2009 ingesteld en geen onderdeel van bovengenoemde pilot. De instelling van de militaire rechtbanken voor kinderen heeft gezorgd voor enkele positieve veranderingen. Zo worden Palestijnen jonger dan 18 jaar als minderjarig beschouwd en berecht door gespecialiseerde kinderrechters. Ook is er de intentie minderjarige Palestijnen in detentie binnen 48 uur te berechten.
Klopt het dat u en andere leden van het kabinet de Israëlische arrestatie- en vervolgingspraktijk in de Palestijnse gebieden eerder bij de Israëlische regering hebben aangekaart? Zo ja, bent u van mening dat de Israëlische regering zich ontvankelijk heeft opgesteld voor de kritiek van bevriende regeringen inzake vervolgingsprocedures op de Westelijke Jordaanoever? In hoeverre beschouwt u de pilot als een goed voorbeeld van deze ontvankelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het voorts dat slechts 30 van de 1.000 in 2013 gearresteerde minderjarigen hebben geklaagd over hun behandeling?2 Hoe beoordeelt u dit cijfer?
Er zijn verschillende rapporten die uiteenlopende aantallen klachten melden.
Volgens de Israëlische NGO Yesh Din leidt slechts 6% van het aantal ingediende klachten daadwerkelijk tot onderzoek. Uit de bevindingen blijkt dat Palestijnen het lastig vinden de weg te vinden naar de Israëlische autoriteiten of andere (administratieve) obstakels ondervinden. Ook hierover wordt gesproken met Israëlische gesprekspartners in reguliere contacten.
Bent u, in het kader van de Nederlandse wens om de rechtspositie van de Palestijnen te verbeteren en de Israëlisch-Palestijnse vredesbesprekingen te laten slagen, bereid deze pilot in uw contacten met de Israëlische regering toe te juichen? Bent u tevens bereid EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton te verzoeken hetzelfde te doen?
Zie antwoord vraag 2.
De uitspraken van de minister van Buitenlandse Zaken over het EU-lidmaatschap voor Turkije |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Joël Voordewind (CU), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Netherlands will welcome Turkey as an EU member state, Dutch FM says»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat u tijdens de Turks-Nederlandse top tegen uw Turkse ambtsgenoot hebt gezegd dat Turkije van harte welkom is als EU-lidstaat, terwijl de onderhandelingen over een eventueel lidmaatschap in feite nog moeten beginnen?
De toetredingsonderhandelingen met Turkije zijn op 3 oktober 2005 van start gegaan. Zoals is vastgesteld in het onderhandelingsraamwerk is het uiteindelijke doel van deze onderhandelingen de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Het gaat hier om een onderhandelingsproces met een open einde, waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. Nederland heeft tijdens de recente bilaterale Wittenburg consultaties met Turkije uitgedragen dat wanneer Turkije voldoet aan alle strenge voorwaarden, het land zal kunnen toetreden. Dit is in lijn met het Nederlandse standpunt, zoals uiteengezet in verschillende Kamerbrieven van opeenvolgende kabinetten2.
Deelt u de mening dat het onverstandig en ongepast is dergelijke uitspraken te doen, terwijl het nog verre van zeker is dat Turkije bereid is en in staat is om aan de toetredingsvoorwaarden te voldoen? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken zijn in lijn met het Nederlandse «strikt en fair»-beleid waarbij een land waarmee wordt onderhandeld kan toetreden wanneer het aan alle strikte voorwaarden heeft voldaan. Of dat wil zeggen dat een land, in dit geval Turkije, op termijn ook daadwerkelijk zal toetreden, kan niet met zekerheid worden gezegd. Het gaat hier, net als bij andere kandidaat-lidstaten, om een proces met een open einde.
Hoe verhouden uw uitspraken zich tot de rapportage van het Committee to Protect Journalistswaaruit blijkt dat Turkije voor het tweede achtereenvolgende jaar wereldwijd koploper is in het arresteren van journalisten?2
Zoals ook benadrukt in de recente kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2013, is er op het terrein van de rechtsstaat en mensenrechten sprake van serieuze tekortkomingen4. Het kabinet benadrukte in het bijzonder de zorgen over persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Het is duidelijk dat de huidige situatie in Turkije niet in lijn is met de vereiste Europese normen en maatstaven. Het doorvoeren van verdere ingrijpende hervormingen is dan ook absolute noodzaak.
Deelt u de mening dat de onderhandelingen op de hoofdstukken 23 (rechtsstaat en fundamentele rechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid) alleen geopend kunnen worden indien Turkije de Republiek Cyprus erkent? Zo ja, heeft u dit punt ook aangekaart bij de Turkse regering? Zo nee, waarom niet?
Op de hoofdstukken 23 en 24 rust een unilaterale blokkade van de zijde van Cyprus, in reactie op het niet-uitvoeren van het Ankara Protocol door Turkije. Of en wanneer deze blokkade wordt opgeheven, is aan Cyprus. Het is niet zo dat de Raad deze unilaterale blokkade van Cyprus heeft overgenomen. De Raad blokkeerde in december 2006 vanwege het uitblijven van uitvoering door Turkije van het Ankara Protocol acht andere hoofdstukken5.
Kunt u aangeven waar volgens u de grote uitdagingen zitten voor Turkije bij de onderhandelingen op de hoofdstukken 23 (rechtsstaat en fundamentele rechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid)? Heeft u hierover ook met uw Turkse ambtgenoot gesproken?
Turkije heeft in de afgelopen jaren duidelijk voortgang geboekt, maar het is evident dat de rechtsstatelijke en democratische verbeteringen nog beperkt zijn. In het oog springende voorbeelden van gebieden waar Turkije nog duidelijk tekortschiet, zijn persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, en de rechtsgang, maar ook op andere terreinen is nog een lange weg te gaan en moeten verdere ingrijpende hervormingen naar Europese maatstaven plaatsvinden. De recente ontwikkelingen stemmen niet positief. De Nederlandse zorgen hierover zijn ook tijdens de recente gesprekken in Ankara duidelijk overgebracht. Hierbij is benadrukt dat Turkije als kandidaat-lidstaat de verantwoordelijkheid heeft de regels van de rechtsstaat na te leven.
Zijn de recente onthullingen over corruptie in de Turkse regering en de reactie van premier Erdogan hierop ook nog aan bod gekomen tijdens de bilaterale top? Zo ja, wat heeft u hierover ingebracht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u in het gesprek met uw Turkse ambtsgenoot, conform de motie Rouvoet c.s.3, ook de erkenning van de Armeense genocide aan de orde gesteld? Zo ja, kunt u aangeven op welke manier dit is gebeurd en wat hiervan de uitkomst was? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de conferentie in Ankara is – indachtig de motie Rouvoet – aandacht geschonken aan de relatie met Armenië, zowel in verleden, heden, als toekomst. Dit onderwerp, dat in Turkije lange tijd feitelijk taboe was, is de afgelopen jaren beter bespreekbaar geworden. Nederland heeft Turkije aangemoedigd de dialoog met Armenië voort te zetten. Turkije zegt daartoe bereid te zijn. Nederland hoopt dat een zinvolle dialoog tussen beide landen mogelijk wordt, zowel over het verleden als over de toekomst. Het kabinet acht het van belang dat Turkije en Armenië tot een gezamenlijke positie komen over de kwestie van de Armeense genocide; het accepteren van hun gedeelde geschiedenis zou een belangrijke stap voorwaarts zijn in het politieke proces dat nodig is om de bilaterale betrekkingen te herstellen.
Bent u van mening dat de erkenning van de Armeense genocide door Turkije noodzakelijk is alvorens er überhaupt gesproken kan worden over een eventuele toetreding tot de Europese Unie? Zo nee, wat is dan wel uw standpunt?
Erkenning van de genocide maakt geen deel uit van de toetredingscriteria. Het is wel van belang dat een land goede betrekkingen met buurlanden nastreeft. Het kabinet vindt het in dat licht belangrijk dat Turkije en Armenië tot een gezamenlijke positie komen over de kwestie van de Armeense genocide. Het accepteren van hun gedeelde geschiedenis zou een belangrijke stap voorwaarts zijn in het politieke proces dat nodig is om de bilaterale betrekkingen te herstellen.
Het bericht dat steeds meer jongeren zich met een gameverslaving melden bij verslavingsklinieken |
|
Marith Volp (PvdA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Veel meer jonge gameverslaafden»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat een toenemend aantal jongeren zich meldt bij klinieken om af te kicken van hun verslaving, en dat deze jongeren jonger en erger verslaafd zijn dan enkele jaren geleden?
In het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) worden gegevens opgeslagen van patiënten van 14 verslavingszorginstellingen. Uit de Kerncijfers verslavingszorg 20122 is af te leiden dat er in dat jaar 411 patiënten waren met een hulpvraag voor internetgamen. In 2010 waren het er 182. In 2010 was de gemiddelde leeftijd 28 jaar, in 2012 22,5 jaar. Ruim 90% is man.
Hoewel deze gegevens enigszins afwijken van de NOS-berichtgeving, is er inderdaad sprake van een toename van de hulpvraag die tegelijk naar een gemiddeld lager leeftijdsniveau verschuift. Ik vind deze ontwikkeling zorgelijk en zal deze blijven monitoren.
Wat is bekend over de mogelijke oorzaken en schadelijke gevolgen van gameverslaving? Is er naar uw oordeel voldoende bekend over dit probleem, of acht u meer onderzoek wenselijk?
We leven in het digitale tijdperk. Tegenwoordig worden games niet meer uitsluitend op de spelcomputer gespeeld, maar ook op smartphones en tablets, waardoor gamen niet aan tijd en plaats gebonden is.
De meeste mensen die een spel spelen doen dat zonder problemen. Doorgaans vormen internetgames het grootste risico op problematisch gamen. Voor sommige spelers is de virtuele wereld aantrekkelijker dan de werkelijke wereld.
Mijns inziens is over de oorzaken en gevolgen van de problematiek op dit moment voldoende bekend. Spelers komen in de problemen doordat zij, al dan niet onder druk van medespelers, hun speelgedrag niet meer onder controle hebben. Ze besteden zoveel tijd aan gamen, dat er geen ruimte is voor andere activiteiten met soms zelfs spijbelgedrag, schooluitval en sociaal isolement tot gevolg.
Wordt gameverslaving erkend als een aandoening, en wordt de behandeling hiervan vergoed?
Internet- en gameverslaving zijn als zodanig niet opgenomen in het door psychiaters gehanteerde handboek Psychische Stoornissen, de DSM V. Behandeling van gameverslaving door GGZ-instellingen wordt doorgaans door zorgverzekeraars vergoed.
Bent u van mening dat het goed is het onderwerp te bespreken met betrokken instanties, zoals de game-industrie, verslavingsklinieken en onderzoekers in de gezondheidszorg? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat bij ouders en opvoeders van minderjarigen een grote verantwoordelijkheid ligt om controle uit te oefenen op de aard van het spel dat kinderen spelen, alsmede op het tijdstip en de tijdsduur. Voorlichting en hulpmiddelen zijn al beschikbaar. Hulpmiddel voor ouders is de zogenaamde «Parental Control». Parental Control stelt ouders en opvoeders in staat om toegang tot games, websites, bepaalde inhoud en diensten uit te schakelen of te beperken. Deze Parental Control functies worden vaak meegeleverd als onderdeel van media apparaten (game consoles, mobiele telefoons), besturingssystemen (Windows, Apple, Firefox), software en platforms (beveiligingsoftware, online games, social networks), en televisieaanbod (digitale tv-kanalen, satelliet-tv). Ook kunnen ouders en opvoeders informatie vinden op verschillende websites, zoals «weetwatzegamen», «gameadviesopmaat» en «mediaopvoeding» en kunnen zij in geval van een problematisch gamend kind terecht bij Centra voor Jeugd en Gezin.
Voor games geldt een leeftijdsclassificatie. In Europa is dit geharmoniseerd door middel van het systeem van Pan European Game Information (PEGI). De Europese Commissie overlegt met de game-industrie over betere bescherming tegen de schadelijke effecten van games.
Bent u voorts van mening dat meer kan worden gedaan om gameverslaving onder jongeren te voorkomen, bijvoorbeeld door meer voorlichting te geven, zowel aan jongeren als aan ouders en docenten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u het onderwerp willen bespreken met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, om te bezien of scholen een rol kunnen spelen in het geven van voorlichting en het (samen met ouders) vroegtijdig signaleren van problemen?
Het onderwijs is een belangrijke plek waar alle jongeren samenkomen. Dit biedt kansen voor signalering en voorlichting, ten aanzien van gameverslaving, maar ook op talloze andere (gezondheids-)problemen. Het is hierbij belangrijk dat scholen inzetten op onderwerpen die aansluiten bij hun behoefte. Voor de ene school kan dit (game)verslaving zijn, voor andere scholen wellicht andere leefstijlonderwerpen. Om scholen te voorzien van de juiste programma’s, handvatten en ondersteuning werk ik reeds nauw samen met het Ministerie van OCW. Dit uit zich in een integraal en samenhangend aanbod op, zoals te vinden op de website Gezonde School (www.gezondeschool.nl). Specifiek gericht op hoe verstandig om te gaan met onder andere games is het programma Mediawijsheid (www.mediawijsheid.nl).
Het bericht “Amsterdam; 1,7 miljoen euro extra voor illegalen” en de brief van burgemeester Van der Laan van 30 januari jl. |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Amsterdam: 1,7 miljoen euro extra voor illegalen»1 en de brief van burgemeester Van der Laan van 30 januari 2014?2
Ja.
Wat is uw reactie op de brief van de burgemeester van Amsterdam? Hoe verhouden deze plannen zich tot de uitspraken die u tijdens het VAO (debat naar aanleiding van het verslag van een Algemeen overleg) Vreemdelingen- en asielbeleid van 13 februari 2014 heeft gedaan met betrekking tot het bestuursakkoord?
Hetgeen ik heb gezegd tijdens het debat naar aanleiding van het verslag van een Algemeen Overleg van 13 februari 2014 met betrekking tot het bestuursakkoord, geldt nog steeds. De brief van de burgemeester van Amsterdam is wat dat betreft helder. Ik lees in deze brief dat de gemeente Amsterdam belang hecht aan een goede samenwerking met het Rijk en dat het Rijksbeleid het kader vormt. In de brief staat expliciet dat er «bij de opbouw van een Programma Vreemdelingen een goede verbinding moet zijn tussen het gemeentebeleid, het Rijksbeleid en het Regeerakkoord.» Dat is een belangrijke vaststelling en daarmee staat het bestuursakkoord uit 2007 nog steeds overeind. Uitgangspunt is en blijft dat structurele noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers onnodig en onwenselijk is.
Een terugkeer naar de grootschalige langdurende noodopvang zoals die bestond ten tijde van het bestuursakkoord zou uitgeprocedeerde vreemdelingen het verkeerde signaal geven omdat het een schijn van legitimiteit geeft aan het verblijf in Nederland. Tegelijk is in het verleden vastgesteld, bij het afbouwen van de noodopvang, dat het soms nodig kan zijn om vreemdelingen tijdelijk van de straat te halen en kortdurende crisisopvang te bieden. Dat is ook al eerder gewisseld in gesprekken tussen mijn voorgangers en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In dat licht plaats ik ook het voornemen van de gemeente Amsterdam om structureel een aantal plaatsen te voorzien voor ongedocumenteerde vreemdelingen waarvoor een humanitaire crisissituatie dreigt als gevolg van hun medische toestand of andere vormen van verhoogde kwetsbaarheid. Op zo’n moment kan het voor de vreemdeling, en zijn omgeving, belangrijk zijn om hem snel van de straat te halen. Met het oog daarop heeft de gemeente Amsterdam daarom een aantal opvangplekken voorzien in plaats van steeds te zoeken naar ad-hoc oplossingen. Natuurlijk moet dit voor de betreffende vreemdeling geen blijvende vorm van onderdak zijn, maar het startsein voor de gemeente en mijn diensten om intensief samen te werken. Het doel van deze samenwerking is de vreemdeling ertoe te bewegen om zijn situatie van illegaliteit te doorbreken en toe te werken naar een concreet toekomstperspectief.
Wat vindt u van de plannen van de gemeente Amsterdam om structureel 1,7 miljoen euro uit te trekken om vreemdelingen zonder verblijfsvergunningen opvang te bieden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de extra opvangplekken tegen de afspraken van het bestuursakkoord 2007 ingaan? Zo ja, gaat u de gemeente Amsterdam hier op aanspreken? Zo nee, waarom gaat het volgens u niet tegen de afspraken uit het bestuursakkoord in?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de huidige tijdelijke opvang van illegalen in de Havenstraat in Amsterdam geen aanleiding geeft om thans de opvangverlening uit te breiden, zeker gezien het feit dat dit pas in één geval tot terugkeer heeft geleid?
De tijdelijke oplossing voor de vreemdelingen in de Havenstraat heeft geen relatie met dit plan van de gemeente Amsterdam. Zoals ik reeds in antwoord op de vorige vragen heb gezegd, doet dit plan naar mijn mening geen afbreuk aan het bestuursakkoord uit 2007 voor zover dit niet gaat om langdurige opvang voor individuele vreemdelingen, maar om crisisopvang waar vreemdelingen tijdelijk terecht kunnen.
In de brief van burgemeester Van der Laan worden de gemeenten Rotterdam en Utrecht genoemd als voorbeelden die reeds opvang faciliteren, of ondersteunen, aan illegale vreemdelingen; in hoeverre klopt dit beeld dat ook andere gemeenten structurele opvang bieden aan illegale vreemdelingen? Gaat u deze gemeenten hier op aanspreken? Zo nee, waarom gaat deze opvangverlening volgens u niet tegen de afspraken uit het bestuursakkoord in?
De inzet van de Rijksoverheid is om met de genoemde gemeenten intensief samen te werken om te voorkomen dat de tijdelijke opvang die in individuele zaken door deze gemeenten wordt geboden, een structureel karakter krijgt. Dit gebeurt door het maken van afspraken over een gezamenlijke strategie in individuele zaken, die er in de meeste gevallen op gericht zal zijn om de vreemdeling te bewegen tot zelfstandige terugkeer. Dat moet mijns inziens steeds het uitgangspunt zijn van zowel Rijk als medeoverheden zodat er vanuit een gedeeld beeld eenduidig wordt gehandeld richting de betreffende vreemdelingen. Die terugkeer is geen vrijblijvende optie. Daar waar de vreemdeling weigert om zelfstandig terug te keren en gedwongen terugkeer mogelijk is, zal ook vreemdelingenbewaring aan de orde zijn. In ieder geval kan de geboden opvang niet oneindig verder duren. Dit is het kader van de samenwerking met de gemeenten. Met gemeenten die deze uitgangspunten niet respecteren, ga ik in gesprek.
Staan de afspraken uit het bestuursakkoord waar het de opvang van illegale vreemdelingen betreft volgens u nog overeind?
Ja.
Het vergoeden van een medicijn voor MS-patiënten |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de verschillende vormen van de ziekte MS, zoals PPMS, waarbij het verloop niet grillig is en waarbij er tussentijds geen verbeteringen optreden, zodat goed vast te stellen is of het medicijn Fampyra werkt?
Ik weet dat er verschillende vormen van de ziekte van MS zijn. PPMS staat voor Primaire progressieve multiple sclerose». De fabrikant heeft aan het College voor zorgverzekeringen geen onderzoeksgegevens overgelegd over deze specifieke vorm van MS, waaraan uiteindelijk een minderheid (10 – 30%) van de patiënten lijdt. Voor meer informatie verwijs ik u naar het beoordelingsrapport dat CVZ over het middel Fampyra® heeft gemaakt en dat is te vinden op de CVZ website.1
Heeft het College voor Zorgverzekeringen een kostenvergelijking gemaakt van zowel de behandeling met fysiotherapie als met Fampyra? Zijn daarbij ook alle indirecte kosten meegenomen, zoals vervoer van en naar de fysiotherapeut? Zo ja, wat is de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Een kostenvergelijking is niet gemaakt. Deze is pas aan de orde als er een vergelijking van de effecten is gemaakt. De fabrikant heeft Fampyra in klinisch onderzoek niet vergeleken met fysiotherapie. Hierdoor is een vergelijking van de kosten en de baten niet mogelijk.
Bent u bereid een financieel arrangement te overwegen voor het medicijn Fampyra, waarbij alleen vergoeding plaatsvindt indien het medicijn bewijsbaar effect heeft? Zo ja, wanneer kunt u hier meer over berichten? Zo nee, waarom niet?
Het CVZ heeft geconstateerd dat de meerwaarde van Fampyra niet is aangetoond op populatieniveau. Om die reden heeft het CVZ mij geadviseerd om Fampyra niet op te nemen in het pakket. Zoals ik op eerdere vragen van u heb geantwoord bestudeer ik de mogelijkheden om Fampyra voorwaardelijk toe te laten. Voorwaardelijke toelating is namelijk het instrument dat kan worden toegepast in het geval van een potentieel veelbelovend geneesmiddel waarover onvoldoende zekerheid bestaat op het terrein van de therapeutische (meer)waarde. Financiële arrangementen zijn daarentegen bedoeld voor het managen van onzekerheden op het terrein van kosteneffectiviteit en/of macro kostenbeslag van een geneesmiddel. Het kan voorkomen dat voor een voorwaardelijk toegelaten geneesmiddel ook een financieel arrangement aangewezen is.
Uw vraag betreft een specifieke vorm van een financieel arrangement, die kan worden aangeduid als Pay for performance. Voordat over de eventuele toepassing van deze vorm – die overigens in de praktijk niet gemakkelijk toepasbaar is – zal eerst een besluit moeten worden genomen over de meerwaarde van het medicijn en de daarbij behorende vergoedingsstatus (wel, niet, of voorwaardelijk).
Zoals ik ook eerder heb aangegeven, verwacht ik in het voorjaar 2014 een besluit te nemen over het wel of niet voorwaardelijk toelaten van Fampyra.
Kunt u aangeven in welke Europese landen Fampyra inmiddels wel (voorwaardelijk) vergoed wordt?
Fampyra wordt op dit moment in de volgende Europese landen zonder nadere voorwaarden vergoed: Duitsland en Frankrijk. In Spanje, Noorwegen en Denemarken zijn er nadere voorwaarden aan de vergoeding gesteld. In de andere Europese landen wordt Fampyra niet vergoed.
Het bericht ‘Stille crisis in mbo’ |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stille crisis in mbo»?1
Ja.
Is het waar dat er bij het ROC Leiden, zoals wordt gesuggereerd in de berichtgeving, sprake is geweest van grote financiële tegenvallers bij verschillende projecten? Zo ja, bij welke projecten deden deze tegenvallers zich voor en wat was de exacte oorzaak van deze tegenvallers?
Ja. ROC Leiden staat vanaf juli 2012 onder verscherpt toezicht van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie). Aanleiding hiervan is een liquiditeitsprobleem, mede veroorzaakt door zeer hoge investeringen in nieuwbouw van het pand Lammenschans en de complexe financiering hiervan. Hierbij zijn drie partijen betrokken: Green Real Estate, Bank Nederlandse Gemeenten en ROC Leiden.
Bent u bereid om inzichtelijk te maken wanneer en door wie de beslissingen zijn genomen die hebben geleid tot de huidige precaire financiële situatie bij het ROC Leiden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Hierop kom ik terug in het antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om de precaire financiële situatie bij het ROC Leiden aan te pakken?
Mijn ambtsvoorganger heeft in oktober 2012 een gesprek gevoerd met ROC Leiden over de problemen en hoe deze aan te pakken. Ik heb aan de drie partijen daarna de ruimte gegeven om hieruit te komen. De partijen hebben in oktober 2013 een letter of intent opgesteld waarin nieuwe afspraken zijn gemaakt. Ik wil graag precies weten welke financiële gevolgen uit deze nieuwe afspraken voortvloeien op de korte en middellange termijn om zo te bezien of de continuïteit van kwalitatief goed onderwijs bij ROC Leiden voldoende geborgd is. Ik heb ABDTOPConsult opdracht gegeven hiernaar onderzoek te doen.
Daarnaast heb ik, met het oog op de belangen van de studenten van ROC Leiden, de inspectie verzocht een onderzoek te starten als bedoeld in artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht waarbij gekeken zal worden naar het bestuurlijk handelen bij ROC Leiden. Zodra de uitkomsten van beide onderzoeken bekend zijn, zal ik u nader informeren over verdere stappen.
Wat zijn op dit moment de langetermijnvooruitzichten voor het ROC Leiden en wanneer verwacht u dat de financiële situatie bij deze onderwijsinstelling weer onder controle is?
Deze vraag wordt meegenomen in het onderzoek van ABDTOPConsult.
Is het ROC Leiden het enige ROC dat momenteel in financieel zwaar weer verkeert? Zo nee, kunt u een overzicht geven van de overige ROC’s die onder verscherpt toezicht van de Inspectie van het Onderwijs staan vanwege hun financiële positie?
Op dit moment staan de volgende mbo instellingen vanwege hun financiële positie onder verscherpt toezicht van de inspectie: ROC Leiden, Landstede, Zadkine, ROC Top, MBO Amersfoort, MBO Utrecht en Berechja.
Welke maatregelen worden er genomen om in de toekomst dergelijke financiële problemen bij ROC’s en andere onderwijsinstellingen te voorkomen?
Het college van bestuur van een onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de organisatie van goed financieel beheer. Hij legt hiervoor jaarlijks verantwoording af. Het toezicht op het financieel beheer is in eerste instantie belegd bij de raad van toezicht. Er zijn echter wel early warning instrumenten geïntroduceerd zoals de continuïteitsparagraaf in het jaarverslag. Daardoor kunnen de raden van toezicht en de instellingsaccountant beter in positie komen en waar nodig tegenspraak bieden. Ook kunnen zij het bestuur van de instelling beter ondersteunen bij (toekomstige) vraagstukken.