De positie van cluster 1 en 2 leerlingen |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de brief waarin ouders van cluster 1 en 2 leerlingen aangeven zich zorgen te maken over de ondersteuning van cluster 1 en 2 leerlingen in het reguliere onderwijs?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de brief.
Welke maatregelen gaat u nemen of heeft u al genomen om ervoor te zorgen dat leerlingen met zicht- en gehoorbeperkingen (TOS2 ondersteuning en begeleiding krijgen op een reguliere school?
Instelling cluster 1 en 2 krijgen met ingang van 1-8-2014 de wettelijke taak om leerlingen met een visuele, respectievelijk een auditieve of communicatieve beperking in het reguliere onderwijs te ondersteunen.
Voor deze begeleiding krijgen de instellingen het totale budget dat in de huidige situatie is verdeeld over het reguliere en het speciale onderwijs. Concreet betekent dit dat de instellingen voor cluster 1 ook de middelen ontvangen die nu omgaan in de regelingen visueel gehandicapten in het regulier onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). De instellingen in cluster 2 krijgen de volledige middelen voor leerlinggebonden financiering voor het primair en voortgezet onderwijs, zowel het deel dat in de huidige situatie naar het reguliere onderwijs gaat als de middelen voor de ambulante begeleiding.
Hoe gaat u de onafhankelijkheid waarborgen van de commissies van onderzoek binnen cluster 1 en 2 scholen die gaan beoordelen of een leerling binnen het speciaal onderwijs of binnen het reguliere onderwijs (met ambulante begeleiding en ondersteuning) les moet krijgen?
Om de onafhankelijkheid te waarborgen zijn de voorwaarden waaraan een commissie van onderzoek moet voldoen, wettelijk voorgeschreven. Zo moet de commissie naast de vertegenwoordiger van de instelling bestaan uit ten minste een academisch gevormd psycholoog of pedagoog, een maatschappelijk werker en een arts die vertrouwd is met het onderzoek van kinderen met een visuele, auditieve en/of communicatieve beperking. Hiermee is ook voldoende deskundigheid geborgd om te beoordelen of een kind gezien zijn handicap voor het onderwijs op de instelling in aanmerking komt, dan wel in aanmerking komt voor begeleiding door de instelling op een school in het primair of voortgezet onderwijs.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er uniforme voorwaarden worden gesteld door de commissies van onderzoek met betrekking tot het toelaten van leerlingen binnen cluster 1 en 2 scholen (speciaal onderwijs)? Op welke manier worden de voorwaarden voor het toelaten van leerlingen en de uitvoering van deze voorwaarden gecontroleerd en in de gaten gehouden?
Ik ga er niet voor zorgen dat er uniforme voorwaarden worden gesteld door de commissie van onderzoek. Met de invoering van passend onderwijs komen de wettelijk vastgelegde indicatiecriteria te vervallen en wordt deze verantwoordelijkheid bij de instellingen neergelegd. Wel zijn er vanuit cluster 1 en 2 handreikingen opgesteld onder andere over de procedure van toelaten. De instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op ondersteuning vanuit de instelling. Zij geeft ook een oordeel over de duur van de toelaatbaarheid en het begeleidingsaanbod. De komende jaren zal het aantal verwijzingen naar de instellingen cluster 1 en 2 en de ondersteuningsarrangementen in het regulier onderwijs worden gevolgd.
Welke mogelijkheden hebben ouders die het niet eens zijn met het oordeel van commissies van onderzoek?
Ouders van leerlingen cluster 1 en 2 worden vanaf het begin betrokken bij de invulling van het ondersteuningsarrangement voor hun kind. Trajectbegeleiding van ouders is ook één van de wettelijke taken van de instelling. Na overleg met ouders wordt door de commissie van onderzoek bepaald welk onderwijs en ondersteuningsaanbod aansluit bij de onderwijsbehoefte van hun kind. Ook vindt er regelmatig evaluatie van het ondersteuningsaanbod plaats.
Mocht er toch een verschil van opvatting ontstaan, dan staan voor ouders verschillende wegen open. Ouders kunnen bezwaar maken tegen een besluit over toelating of verwijdering van hun kind bij het bevoegd gezag van de instelling. Verder sluiten de instellingen cluster 1 en 2 aan bij de landelijke geschillencommissie passend onderwijs. Deze landelijke geschillencommissie oordeelt over een geschil tussen ouders en bevoegd gezag over (de weigering van) toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, de verwijdering van alle leerlingen en het ontwikkelingsperspectief. Bij de voordracht van de leden en/of bij relevante casuïstiek kan ook expertise vanuit cluster 1 en 2 worden betrokken, zoals is vermeld in de toelichting bij de amvb passend onderwijs.
Bij problemen rondom de schoolplaatsing van een leerling, kunnen ouders zich ook wenden tot de onderwijsconsulenten. Als er een geschil ontstaat tussen ouders en school over de invulling van de extra ondersteuning, dan kunnen ouders een beroep doen op de klachtenregeling van de school of op de Tijdelijke landelijke geschillencommissie. Van de procedures hebben de sectororganisaties en het ministerie een overzicht beschikbaar gesteld op: www.geschillenpassendonderwijs.nl.
Hoe wordt de medezeggenschap van ouders van leerlingen met ambulante begeleiding en ondersteuning vanuit cluster 1 en 2 geregeld? Op welke manier kunnen deze ouders meepraten over het beleid en de invulling van deze ondersteuning bij de instellingen voor cluster 1 en 2?
Ouders en in het voortgezet (speciaal) onderwijs ook leerlingen hebben inspraak op het beleid van de school waar de leerling ingeschreven staat. De medezeggenschap van ouders van leerlingen met begeleiding en ondersteuning loopt daarmee via de medezeggenschapsraad van de school en niet via de medezeggenschapsraad van de instelling van waaruit zij begeleiding ontvangen. Hetzelfde geldt voor leerlingen die op een reguliere school onderwijs volgen met begeleiding vanuit het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Ouders en leerlingen die een rechtstreekse band hebben met een school die verplicht is aangesloten bij een samenwerkingsverband passend onderwijs, kunnen afgevaardigd worden naar de ondersteuningsplanraad.
Hoe gaat u voorkomen dat ouders en leerlingen vanaf augustus 2014 de dupe worden van een financiële strijd tussen cluster 1 of 2 scholen en het reguliere onderwijs? Wat doet u als het regulier onderwijs stelt dat de school in staat is deze leerlingen goed onderwijs te geven maar cluster 1 en 2 de benodigde ondersteuning daarbij niet wil of kan bieden/bekostigen? Betekent dat voor de betreffende leerlingen dat ze dan aangewezen zijn op speciaal onderwijs?
Cluster 1 en 2 hebben een wettelijke plicht tot het ondersteunen van leerlingen met een visuele, auditieve en/of communicatieve stoornis in het regulier onderwijs. De commissie van onderzoek bepaalt welke ondersteuning een leerling in het regulier onderwijs nodig heeft. Het reguliere onderwijs heeft zorgplicht. Indien een reguliere school de ondersteuning onvoldoende vindt, kan de school de zorgplicht niet waarmaken en zal de school het gesprek met de instelling hierover aangaan. Indien dit niet tot een bevredigend resultaat leidt, kan de school aan de ouders melden dat de zorgplicht niet waargemaakt kan worden. De ouders kunnen zich dan wenden tot de geschillencommissie. Deze kan een oordeel uitspreken over de aangeboden ondersteuning.
Indien een leerling is aangewezen op een zwaarder arrangement, moet de commissie van onderzoek de leerling toelaatbaar verklaren tot het speciaal onderwijs. Pas dan kan de leerling worden ingeschreven bij een instelling cluster 1 of 2. Het is voor cluster 1 en 2 financieel niet voordeliger om een leerling naar het speciaal onderwijs te verwijzen dan de leerling ondersteuning te bieden op het regulier onderwijs.
Wat is de reden dat de bekostiging voor cluster 1 en 2 voor schooljaar 2014–2015 op basis van teldatum 1-10-2011 gaat plaatsvinden, terwijl samenwerkingsverbanden de bekostiging voor cluster 3 en 4 voor dit schooljaar ontvangen op basis van teldatum 1-10-2013?
Cluster 2 heeft er voor gekozen om aan te sluiten bij de landelijke systematiek van cluster 1 en niet bij de regionale aanpak zoals die geldt voor het regulier onderwijs en de clusters 3 en 4. De landelijke en regionale systematiek wijken op een aantal punten af, zoals de bekostiging. Dat betekent voor cluster 2 dat met ingang van 1-8-2014 zowel het reguliere deel van de leerlinggebonden financiering als het budget voor ambulante begeleiding naar de instellingen gaan. Cluster 2 gaat daarmee volledig over op de nieuwe bekostigingssystematiek, (normbekostiging, een vast ondersteuningsbudget en de teldatum 1-10-2011). Cluster 1 werkt al jaren met budgetbekostiging en kent geen leerlinggebonden financiering.
Bij de bekostiging van de samenwerkingsverbanden is gekozen voor een overgangsjaar, waarbij de middelen voor ambulante begeleiding cluster 3 en 4 nog niet naar de samenwerkingsverbanden gaan, maar bij de scholen van (voortgezet) speciaal onderwijs blijven. Hierdoor wordt er nog niet overgegaan op de nieuwe bekostigingssystematiek met normbekostiging en een vast ondersteuningsbudget en wordt de teldatum op 1-10-2013 nog gehanteerd. Per 1 augustus 2015 gaan ook de middelen voor ambulante begeleiding naar de samenwerkingsverbanden en gaat de nieuwe bekostigingssystematiek van start.
Indertijd is er met de stichting Siméa, die optreedt namens de besturen van cluster 2, gesproken over de mogelijkheid om ook voor cluster 2 een overgangsjaar te hanteren. Daar is toen van afgezien.
Een leningsverzoek van Curaçao ter grootte van 60 Miljoen Antilliaanse Guldens |
|
Mark Harbers (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met een leningsverzoek van Curaçao ter grootte van 60 miljoen Antilliaanse Guldens?
Ja, dit verzoek dateert van 18 juli 2013.
Heeft u kennisgenomen van het advies van het College Financieel Toezicht (CFT) ten aanzien van deze lening?
Ja, dit advies dateert van 30 juli 2013.
Heeft u gecontroleerd of aan alle vereisten van de Rijkswet financieel toezicht is voldaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de uitkomst?
In de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten is vastgelegd dat het Cft de taak heeft om te toetsen of wordt voldaan aan de vereisten uit deze wet die gelden voor het toekennen van geldleningen. Het Cft heeft getoetst en geconcludeerd dat hieraan is voldaan bij het desbetreffende leningsverzoek.
Waarom schrijft Nederland, tegen de achtergrond van de halfjaarrapportage «juli 2013-december 2013» van het CFT, in op deze lening?
Op basis van artikel 16 van de Rijkswet financieel toezicht geldt dat Nederland een verplichte lopende inschrijving heeft op geldleningen aan Curaçao en Sint Maarten. Voorwaarde voor daadwerkelijke inschrijving is dat het Cft concludeert dat door Curaçao of Sint Maarten is voldaan aan de vereisten van de Rijkswet financieel toezicht. Het is Curaçao en Sint Maarten op basis van de Rijkswet niet toegestaan zonder positief advies van het Cft een geldlening aan te trekken.
Zowel de (meerjarige) begroting als een specifiek leningsverzoek van de landen wordt door het Cft getoetst aan de normen van artikel 15, lid 1, van de Rijkswet financieel toezicht. Het Cft beoordeelt of de (meerjarige) begrotingen binnen de afgesproken grenzen in evenwicht zijn (geen tekort op de gewone dienst en geen overschrijding van de rentelastnorm). Bij de beoordeling betrekt het Cft op grond van artikel 15, lid 2 onder andere of sprake is van een begroting welke voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid. Tevens beziet het Cft of er een uiteenzetting van de financiële toestand van het land aanwezig is (artikel 15, lid 3).
Het Cft heeft op basis van deze toets positief geadviseerd over het leningverzoek van Curaçao. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al heeft opgemerkt in het Algemeen Overleg van 24 april 2014, heeft Nederland alle vertrouwen in de onafhankelijke en zorgvuldige wijze waarop het Cft deze toets uitvoert.
Bij een positief advies van het Cft is Nederland conform artikel 16 van de Rijkswet financieel toezicht eraan gehouden om in te schrijven op de leningen aan Curaçao of Sint Maarten.
Deelt u de mening dat de risico’s als gevolg van gebrekkig financieel beheer op Curaçao (zie ook CFT jaarrapportage CFT juli 2013–december 2013) dusdanig zijn dat een lening niet gerechtvaardigd is onder artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat onder een uiteenzetting van de financiële toestand van het land ook de goedgekeurde jaaropgaven van de overheid-NV’s horen?
De financiële situatie van overheids-NV’s zal moeten worden meegenomen in de uiteenzetting van de financiële toestand van een land wanneer hieruit naar het oordeel van het land financiële risico’s voor de Landsbegroting voortvloeien.
Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer in de brief van 21 november 2012 (Tweede Kamer, 2012–2013, 31 568, nr. 123) heeft gemeld, zal het Cft in zijn oordeel of wordt voldaan aan de normen uit de Rijkswet steeds de relevante risico’s voor de begroting meenemen, dus ook die risico’s die voortvloeien uit de financiële situatie van Overheids-NV’s.
In hoeverre is het niet hebben van goedgekeurde jaarrekeningen een teken van het niet op orde hebben van het financieel beheer?
Het niet hebben van een goedgekeurde jaarrekening kan duiden op het niet op orde hebben van het financieel beheer. Het Cft beoordeelt in het kader van geldleningen alleen afspraken over de verbeteringen van het financieel beheer voor zover deze betrekking hebben op het aantrekken van leningen (Artikel 16 lid 5 Rft).
Hoewel Aruba niet onder de Rijkswet financieel toezicht valt, bent u het ermee eens dat ook Aruba moet voldoen aan transparantie van de inkomsten en uitgaven op de begroting voordat er sprake kan zijn van een lening waarop door Nederland wordt ingeschreven? Zo nee, waarom niet?
In het op 28 maart 2013 overeengekomen uitvoeringsprotocol tussen Nederland en Aruba staat onder meer dat «Nederland de mogelijkheden voor inschrijving op een openbare aanbieding van een obligatielening van het Land Aruba zal beoordelen aan de hand van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingscapaciteit». Tevens is afgesproken dit protocol nader uit te werken.
Inmiddels heeft Aruba aangegeven voorlopig af te zien van een verder beroep op dit akkoord. Van een inschrijving door Nederland op een lening aan Aruba is op dit moment dan ook geen sprake. Bovendien impliceert het protocol dat inschrijving door Nederland op een lening aan Aruba, alleen maar in overweging kan worden genomen nadat Aruba aantoonbaar voldoet aan de criteria voor houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingcapaciteit.
De advisering door de Technische Commissie Bodembescherming |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het advies van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) inzake een onderzoeksontheffing voor het bovengronds uitrijden van mest?1
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 2a, eerste lid, van de Wet Bodembescherming, de taakstelling van de TCB zich beperkt tot advisering van «aangelegenheden van technische aard op het gebied van de bodembescherming»?
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 7 en artikel 64, derde lid, van de Wet Bodembescherming, de advisering van de TCB ten aanzien van de beoordeling van (onderzoeks)ontheffingen met betrekking tot het uitrijden van mest zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem»?
In artikel 64, derde lid, van de Wet bodembescherming, is bepaald dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Technische Commissie Bodem gehoord, ontheffing of vrijstelling te verlenen van regels die handelingen betreffen die tot doel hebben om de bodem te bemesten dan wel door toevoeging van materiaal de structuur van de bodem te verbeteren; dit alles voor zover het belang van de bescherming van de bodem zich niet daartegen verzet. Noch in dit artikel, noch in artikel 7 van de Wet bodembescherming of in artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen, is bepaald dat het advies van de TCB zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem».
Is de veronderstelling juist dat advisering van de TCB inzake onderzoeksontheffingen op grond van artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen zich, gelet op de genoemde bepalingen in de Wet Bodembescherming, moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem» en dat de gevolgen van projecten voor ammoniakemissie en andere lucht gerelateerde factoren hier geen onderdeel van uit maken?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat de TCB in haar advies inzake de genoemde onderzoeksontheffing en in eerdere vergelijkbare adviezen2 in zou gaan op het aspect ammoniakemissie?
Ammoniak die vervluchtigt bij de aanwending van dierlijke mest slaat elders neer en heeft een bemestend en verzurend effect op water en bodem.
In natuurgebieden leidt dat tot een ongewenst verlies aan biodiversiteit.
Ik acht opmerkingen van de TCB over ammoniakemissie dan ook vallen binnen de taakopdracht zoals omschreven in artikel 2a van de Wet bodembescherming.
Is het uw voornemen om bij de besluitvorming inzake de genoemde onderzoeksontheffing het advies van de TCB alleen in overweging te nemen voor zover het betrekking heeft op het aspect bodembescherming?
De reacties die ik van de TCB desgevraagd ontvang, zijn ondersteunend voor een goede afweging tussen de belangen die de voorschriften van het Besluit gebruik meststoffen beogen te beschermen en de belangen die gediend zijn met een vrijstelling of ontheffing van die bepalingen, maar zijn niet bindend. In het uiteindelijke besluit dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en ik nemen, wegen de opvattingen van de TCB mee, maar wij maken onze eigen afweging. Wij zien dan ook geen aanleiding de toekomstige vraagstelling aan de TCB te verengen.
Is het uw voornemen om bij toekomstige adviesaanvragen bij de TCB nadrukkelijk aan te geven dat de advisering zich moet beperken tot het aspect bodembescherming (artikel 7, tweede lid, laatste gedachtestreepje, van het Besluit gebruik meststoffen)?
Zie antwoord vraag 6.
Richtsnoeren voor de toepassing van de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de onlangs door de Europese Commissie uitgevaardigde richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging?1
Ja.
Deelt u de mening dat in de richtsnoeren wordt bepaald dat leeftijd alleen mag worden gebruikt om integratie te bevorderen en om gedwongen huwelijken te voorkomen en dat de minimumleeftijd alleen voor dit doel dient en niet als algemeen middel?2 Deelt u de mening dat de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangepast omdat Nederland aanvragen voor gezinshereniging waarbij een van de partners nog onder de 21 is, in eerste instantie automatisch afwijst?
Uw eerste vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Uw standpunt dat de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangepast deel ik niet. In het beleid wordt inderdaad een leeftijdsgrens van 21 jaar gehanteerd. Op dit moment is in het Nederlandse beleid afwijking van deze leeftijdseis mogelijk vanaf 15 jaar, indien het gezin al bestond voor komst van beide partners naar Nederland. Onder de 15 jaar nemen wij strijd aan met de openbare orde. Als gevolg van de Wet tegengaan huwelijksdwang3 zal de leeftijd van 15 jaar worden verhoogd naar 18 jaar.
Deelt u de mening dat de bepalingen uit de richtsnoeren dat lidstaten wel mogen verwachten van gezinsleden dat zij voldoen aan de integratievoorwaarden maar dat dit geen absolute voorwaarde mag zijn voor gezinshereniging3 moeten leiden tot aanpassing van de uitvoering van de gezinsherenigingsrichtlijn, dit omdat toekenning van verblijfsvergunningen door Nederland, uitzonderingen daargelaten, wel degelijk afhankelijk gesteld wordt van het behalen van de inburgeringstoets in het buitenland? Bent u daarom bereid om de voorbereidingen ter verzwaring van de inburgeringstoets in het buitenland onmiddellijk stop te zetten?
Deze punten zijn op dit moment onder de rechter. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de inburgeringseis als toelatingsvoorwaarde.5 Naar verwachting doet het Hof over maximaal anderhalf jaar een uitspraak. Tot die tijd zie ik geen aanleiding om het beleid hieromtrent te wijzigen.
Deelt u de mening dat de toepassing van de inkomenseis niet mag leiden tot het ondermijnen van het doel van de Richtlijn, namelijk het bevorderen van gezinshereniging?
Ik deel deze mening. De gezinsherenigingsrichtlijn legt de verplichting op aan lidstaten om een zorgvuldige afweging te maken. Wanneer twijfel bestaat over het al dan niet voldoen aan een van de voorwaarden, wordt de aanvraag niet onmiddellijk afgewezen. Er zal in het licht van de richtlijn, beoordeeld worden of er desondanks in het verblijf van de vreemdeling moet worden berust.
Acht u het Nederlandse duurzaamheidsvereiste, waarbij een verzoek wordt afgewezen als de referent met een tijdelijk contract niet kan bewijzen dat hij gedurende de drie jaar voorafgaand aan het verzoek om gezinshereniging elke maand heeft voldaan aan de inkomensnorm, in overeenstemming met de richtlijnen die stellen dat het hebben van een tijdelijk arbeidscontract niet automatisch mag leiden tot een afwijzing, maar dat alle relevante omstandigheden moeten worden beoordeeld? Zo ja, op welke wijze vindt de individuele toetsing plaats? Bent u bereid de vereiste individuele toetsing expliciet in de regelgeving vast te leggen en toe te passen?
Ik ben van mening dat in overeenstemming met de gezinsherenigingsrichtlijn wordt gehandeld. Naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Chakroun6 is artikel 3.75, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aangepast. Bij deze wijziging is de zinsnede «in ieder geval» aan deze bepaling toegevoegd. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat middelen van bestaan in bepaalde bijzondere gevallen ook kunnen worden aangemerkt als duurzaam of – in termen van de richtlijn – stabiel, indien zij korter dan een jaar beschikbaar zijn.
Hiermee wordt al gedoeld op een individuele belangenafweging, waarbij de genoemde periode van een jaar niet als absolute norm wordt gezien, maar dat eveneens gekeken moet worden naar het individuele geval. Het derde lid van artikel 3.75 Vb 2000 is bedoeld als uitzondering op de hoofdregel uit het eerste lid van artikel 3.75 Vb en is van toepassing op inkomsten uit flexibele arbeidsovereenkomsten, zoals bedoeld in de vraag.
Als voldaan wordt aan de «driejaarsperiode7» en de inkomsten uit arbeid zijn nog beschikbaar, wordt duurzaamheid van de inkomsten alsnog aangenomen. Het hebben van een tijdelijk arbeidscontract leidt derhalve niet automatisch tot een afwijzing van de aanvraag regulier voor bepaalde tijd. Ik acht de individuele beoordeling van het duurzaamheidsvereiste op grond van het vorenstaande voldoende geborgd.
Bent u bereid om uw beleid zodanig aan te passen dat de uitgangspunten dat de individuele belangenafweging bij elk besluit herkenbaar is, dat ongeacht aan welke voorwaarde niet is voldaan, de individuele afweging van belangen en omstandigheden herkenbaar in de beslissing terugkomt, en dat de belangen van het kind hierbij vooropstaan, waarbij de lidstaat de noodzaak in acht neemt dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders onderhoudt, expliciet in wet- en regelgeving worden opgenomen en in elke aanvraag worden toegepast?
Het is niet nodig het beleid aan te passen. In iedere zaak wordt op basis van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld of van de toelatingsvoorwaarden moet worden afgeweken als hier niet aan wordt voldaan. Daarnaast vindt altijd een belangenafweging plaats, waarin wordt beoordeeld of ondanks dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden aanleiding bestaat om verblijf te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. De belangen van het kind worden in deze afweging meegenomen. Als uiteindelijk geen aanleiding bestaat om verblijf te verlenen, dan wordt deze belangenafweging kenbaar gemaakt in de beschikking.
Kan ervan worden uitgegaan dat u de Nederlandse praktijk onverwijld aan de richtsnoeren zult aanpassen?
Nee, ik zal het beleid en de uitvoering niet onverwijld aanpassen. De Europese Commissie zal de richtsnoeren in juni a.s. toelichten. Daarna zal ik uw Kamer een algemene reactie over de richtsnoeren toesturen.
Wanneer kan de Kamer de aanpassingen van het beleid rondom gezinsmigratie tegemoetzien?
Zie antwoord vraag 7.
De kosten van de vreemdelingenadvocatuur en subsidies voor aan vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel vreemdelingenadvocaten zijn er momenteel in Nederland?
Per begin mei 2014 stonden er 751 vreemdelingenadvocaten bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) ingeschreven.
Hoeveel gemeenschapsgeld heeft de vreemdelingenadvocatuur in 2013 ontvangen en hoe is dit bedrag opgebouwd? Hoeveel procedures zijn er met dit gemeenschapsgeld bekostigd en hoeveel vreemdelingen zijn hier in totaal mee geholpen?
De Raad heeft mij informatie verschaft over vier categorieën procedures, te weten vreemdelingenrecht, verblijf niet EU-burgers, verblijf gezinsleden en naturalisatie. Voor deze procedures tezamen is in 2013 naar aanleiding van 23.483 declaraties, ten aanzien van 15.503 unieke personen, na aftrek van (eventuele) proceskosten en de eigen bijdrage 19.619.000 Euro uitbetaald. Onderdelen waarop wordt vergoed zijn, indien van toepassing: basisvergoeding, reistijdvergoeding, reiskostenvergoeding, tolkkosten, vaste kostenvergoeding, BTW vergoeding alsmede overige vergoeding. De post basisvergoeding is daarbij het hoogste, te weten 17.755.021 Euro.
Hoe verhoudt deze bekostiging van de vreemdelingenadvocatuur zich met de bekostiging hiervan in andere Europese landen als Denemarken?
De gegevens waar ik over beschik heb ik als bijlage bij mijn brief van 20 mei 2014 (met kenmerk 480749) over de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand aan uw Kamer gezonden. Deze gegevens zijn onderdeel van het rapport «Legal Aid in Europe: Nine Different Ways to Guarantee Access to Justice?». Dit rapport vergelijkt een aantal Europese landen op het terrein van rechtsbijstand in onder meer vreemdelingenzaken. Denemarken is daarbij niet onderzocht. Kortheidshalve verwijs ik naar dit rapport en mijn brief.
Aan hoeveel aan vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties is in 2013 subsidie verstrekt, welke organisaties betreft dit en welke bedragen per organisatie betreft dit? Waar zijn deze subsidies precies voor gebruikt en hoe is de besteding hiervan verantwoord of gecontroleerd?
Er is aan verschillende vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties subsidie toegekend1. In onderstaande tabel treft u een overzicht aan van de toegekende bedragen per organisatie. De subsidies zijn verstrekt:
1.
IOM Nederland
REAN (Return and Emigration of aliens from the Netherlands)
Herintegratieregeling Terugkeer
€ 6.600.000,00
€ 1.500.000,00
2.
Bridge to Better Foundation
Plan B(etter) een Brug naar Beter
€ 255.911,78
3.
Stichting Dalmar
Terugkeer naar Somalië met perspectief
€ 100.174,00
4.
IOM Nederland
AVR ERS 1.1 (AVR ERS 2.0)
€ 299.951,21
5.
IOM Nederland
AVR ERS 2 (AVR FC 3)
€ 499.963,28
6.
Stichting Maatwerk bij Terugkeer
Duurzame Terugkeer op Maat 2.0
€ 588.000,00
7.
Stichting Wereldwijd
WereldTools op Maat 2
€ 205.876,49
8.
Stichting Nieuwkomers en VluchtelingenWerk
Blik op de toekomst
€ 347.120,00
9.
Stichting Federatie Opvang
Safe Return
€ 445.246,00
10
Stichting Kerk in Actie
Uitloopperiode Transithuis
€ 94.300,00
11
Stichting Maatwerk bij Terugkeer
Futurama
€ 898.927,10
12.
Stichting OMZO
Ze verdampen niet
€ 154.883,00
13.
SHIP Foundation
Pilot Noord-Afrika en Midden-Oosten
€ 209.593,89
14.
VluchtelingenWerk Zuidvleugel
Vrijwillige Duurzame Terugkeer Den Haag
€ 109.924,00
15.
Stichting Barka
Reconnection project for homeless Central and Eastern European migrants
€ 337.260,00
16.
VluchtelingenWerk Nederland
€ 5.200.000,00
17.
Unicef
Tell me
€ 20.000,00
18.
UAF
Studentenbeurzen
€ 47.000,00
19.
The Hague Process
Netwerk vergroting
€ 50.000,00
De betrokken organisaties dienen over de verstrekte subsidie conform het Rijksbreed vastgesteld uniform subsidiekader verantwoording af te leggen door middel van het indienen van voortgangsrapportages en eindrapportages. In de meeste gevallen dient de eindrapportage ook te zijn voorzien van een accountantsverklaring. Daarnaast houden de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer toezicht op de rechtmatige verstrekking van overheidsmiddelen.
Hoe verhouden de subsidiebedragen voor dit soort organisaties zich tot de uitgaven van andere Europese landen als Denemarken?
Ik beschik niet over deze gegevens van andere EU-lidstaten. Ook zijn deze niet beschikbaar via de bestaande gremia of portalen (zoals EuroStat). Overigens zou het wel beschikbaar zijn van de gevraagde gegevens niet betekenen dat enkel op basis daarvan een zinvolle vergelijking tussen staten kan worden gemaakt. Daarvoor loopt de organisatie van het vreemdelingenbeleid in de verschillende EU-lidstaten te zeer uiteen.
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot de noodzaak om procedurestapelen te voorkomen en om terugkeer en uitzetting van uitgeprocedeerden naar de landen van herkomst te bevorderen?
Het stapelen van procedures is onwenselijk. Om die reden heb ik diverse maatregelen getroffen die zijn omschreven in mijn brief van 22 mei 20122. Deze maatregelen zijn op 1 januari 2014 en 1 april 2014 in werking getreden en bestaan onder andere uit: het mee toetsen van humanitair reguliere gronden bij de eerste asiel- en eerste humanitair reguliere aanvraag, de eendagstoets bij de tweede en volgende asielaanvragen en bij de eerste en tweede en volgende humanitair reguliere aanvragen. Daarnaast omvat het pakket «maatregelen stroomlijnen toelatingsprocedures» ook de maatregel van gedifferentieerde vergoeding voor rechtsbijstand voor een tweede en volgende asiel- en humanitair reguliere aanvraag, en de maatregel van het zelf aanleveren van het medisch dossier door de vreemdeling. De subsidies die aan verschillende organisaties zijn verstrekt met het oog op terugkeer, hebben juist tot doel om de zelfstandige terugkeer van uitgeprocedeerden te stimuleren.
De verwarring omtrent het publiceren van namen door gemeenten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Onduidelijkheid over publiceren namen door gemeente»?1
Ja
Klopt de stelling van het College bescherming persoonsgegevens, mede in acht nemende de jurisprudentie van de Raad van State, dat zienswijzen weliswaar integraal gepubliceerd mogen worden, maar dat NAW-gegevens geanonimiseerd dienen te worden?2
Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp)heeft mij desgevraagd laten weten dat in zijn algemeenheid geldt dat het aan gemeenten is om, afhankelijk van de specifieke situatie, te beoordelen in welke wettelijke context de vraag naar openbaarmaking van persoonsgegevens speelt. Vervolgens moeten de gemeenten de vereisten uit die wetten afwegen tegen de bepalingen en beginselen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Bij een situatie als die waarop het bericht in Binnenlands Bestuur betrekking heeft, namelijk het inbrengen van zienswijzen in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot een omgevingsvergunning, spelen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (afdeling 3.4) en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (artikel3.
Met betrekking tot publicatie van NAW (Naam-, Adres- en Woonplaats)-gegevens op internet heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van een verzoek tot ongeanonimiseerde publicatie van zienswijzen bevestigd dat het aankomt op een afweging van belangen door gemeenten in het specifieke geval.4 Het oordeel in de daar voorliggende situatie was dat een gemeente in dat geval in redelijkheid meer gewicht kon toekennen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van indieners van zienswijzen dan aan het belang van publiek bekend maken van hun NAW-gegevens. Voor het elektronisch ter inzage leggen of anderszins digitaal vrijgeven van NAW-gegevens adviseert ook het Cbp in zijn richtlijnen terughoudendheid.5 Ten slotte heeft ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2009 aan haar leden geadviseerd in die situatie zienswijzennota’s te anonimiseren.6
Zo ja, heeft u vanuit uw systeemverantwoordelijkheid voor het openbaar bestuur, er zicht op waarom het voor de gemeente Groningen niet duidelijk was dat zienswijzen niet zonder voorafgaande toestemming met NAW-gegevens gepubliceerd mogen worden door gemeenten?
Uit contact met de gemeente Groningen is gebleken dat in de situatie waarover in de media is bericht geen sprake is geweest van publicatie van zienswijzen met NAW-gegevens op internet. Ook bij de terinzagelegging van het besluit en de zienswijzen waren de NAW-gegevens verwijderd. De casus heeft uitsluitend betrekking op het opnemen van NAW-gegevens op een lijst die met het genomen besluit is toegezonden aan de beperkte kring van belanghebbenden binnen de zienswijzenprocedure (aanvrager en indieners van de zienswijzen). Deze handelswijze heeft binnen de gemeente Groningen de nodige aandacht. De gemeentelijke ombudsman is een algemeen onderzoek gestart, en is daarover inmiddels met de gemeente in contact getreden. Ik wacht de uitkomsten van dat onderzoek met belangstelling af, en vertrouw erop dat de gemeente mogelijke aanbevelingen met betrekking tot de feitelijke werkwijze in dit specifieke geval de nodige aandacht zal geven. Mochten daarna nog vragen rijzen dan zal het laatste woord zijn aan de bestuursrechter.
Is dit een incident is of komt het niet goed waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van bewoners door gemeenten vaker voor?
Het eerdergenoemde onderzoek van de gemeentelijke ombudsman is er mede op gericht vast te stellen of in dit geval de persoonlijke levenssfeer van de indieners van de zienswijzen goed is gewaarborgd. Dat onderzoek loopt nog. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin er onduidelijkheid is bij gemeenten over de afwegingsruimte bij het ter inzage leggen of publiceren van NAW-gegevens op het gebied van het omgevingsrecht c.q. ruimtelijke ordening. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft mij meegedeeld dat, met uitzondering van enkele vragen die werden ontvangen bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening die kennisgeving van het bestemmingsplan langs elektronische weg verplicht stelde, er slechts sporadisch vragen binnenkomen op dit terrein.
Hoe wilt u waarborgen dat de privacy van burgers ook bij gemeenten veilig is?
Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om algemene wettelijke kaders, waaronder de Wbp, in acht te nemen. Hulpbronnen zoals de VNG jurisprudentiedatabank helpen gemeenten om juridische ontwikkelingen op dit terrein te volgen, en waar nodig de praktijk daarop aan te passen.
De intrekking van de ondersteuning van de jaarlijkse reünie van Indië-veteranen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Ja.
Klopt het dat de steun van Defensie voor deze jaarlijkse reünie, te weten de militaire begeleiding van de herdenkingsceremonie en het vervoer van station Arnhem naar Schaarsbergen voor veteranen slecht ter been, vervalt?
Nee, de steun aan de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers blijft gehandhaafd. Wel wordt de coördinatie van de reünie voortaan door een ander landmachtonderdeel uitgevoerd. Dit is niet tot uiting gekomen in de brief van 11 maart jl. van commandant 11 Luchtmobiele Brigade (AASLT) «7 december» aan het bestuur van de reünievereniging.
De ondersteuning van de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers zal voortaan worden gecoördineerd door het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Een contactpersoon hiervoor zal aan de reünievereniging bekend worden gesteld. Over de precieze invulling van de ondersteuning zal overleg worden gevoerd met de vereniging. Hiermee wordt zeker gesteld dat de ondersteuning uitvoerbaar is en past binnen het jaarprogramma van de ondersteunende eenheid.
Voor het ondersteunen van reünies kent Defensie de regeling reüniefaciliteiten. Daarnaast kunnen militaire ceremoniën en bijeenkomsten door Defensie personeel worden ondersteund, bijvoorbeeld door het leveren van vervoer en militaire begeleiding.
Hoe groot is de besparing van deze voorgenomen bezuiniging?
Er is geen sprake van een (voorgenomen) bezuiniging op reünies voor veteranen.
Wat is de noodzaak van deze voorgenomen bezuiniging?
Zie antwoord vraag 3.
Welke middelen staan u ter beschikking om alsnog steun te verlenen aan deze jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van op welke (jaarlijkse) herdenkingen en reünies voor veteranen nog meer wordt bezuinigd en wat daarvan de financiële voordelen zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Nederlandse zelfmoordterroristen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanslagen Nederlanders in Irak en Syrië»?1
Ja.
Klopt het dat er Nederlandse jihadisten zijn die zich hebben ontwikkeld tot zelfmoordterroristen? Zo ja, om hoeveel personen gaat het in totaal, naast de reeds opgeblazen jihadisten?
Ja, zoals ik tijdens de presentatie van het Jaarverslag van de AIVD op 23 april jI. bekend gemaakt heb, hebben in het begin van dit jaar twee Nederlanders een zelfmoordaanslag gepleegd.
Hoeveel (dodelijke) slachtoffers zijn er bij deze aanslagen gevallen?
Ik kan om operationele redenen niet in het openbaar ingaan op zaken die de identiteit van de twee Nederlandse zelfmoordterroristen kunnen prijsgeven.
Hadden de genoemde zelfmoordterroristen een dubbele nationaliteit? Zo ja, welke andere nationaliteit(en) hadden zij?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u inmiddels bereid de zeer onverstandige bezuinigingen op de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst terug te draaien in het kader van het anti-terrorismebeleid? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek naar jihadgangers is een geprioriteerd onderzoek binnen de AIVD. Door middel van interne herprioritering is capaciteit vrijgemaakt voor dit onderzoek. Dit betekent dat er voor andere onderzoeken minder capaciteit beschikbaar is. Uw Kamer is hier onder andere per brief van 4 maartjl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 977, nr. 83). Over de invulling van de taakstelling is uw Kamer per brief van 22 november 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 15).
In hoeverre wordt het dreigingsniveau verhoogd naar aanleiding van deze gevaarlijke ontwikkeling?
Het huidige dreigingsniveau is substantieel. Dat is het reeds op één na hoogste dreigingsniveau. Dit betekent dat de kans op een aanslag tegen Nederland reëel is. Verhoging van het dreigingsniveau naar het hoogste niveau kritiek» vindt plaats als er zeer sterke aanwijzingen zijn dat er een aanslag in Nederland zal plaatsvinden, zonder dat er een goed zicht bestaat op de dader(s), tijdstip en doelwit. Het bericht van de zelfmoordaanslagen in respectievelijk Syrië en Irak is zeer zorgelijk, omdat het laat zien hoe ver geradicaliseerde jihadisten bereid zijn te gaan om hun doel te bereiken, maar heeft geen directe invloed op het dreigingsniveau in Nederland.
Het bericht dat landbouwgeld nog steeds naar sportclubs, kerken en golfbanen gaat |
|
Alexander Pechtold (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «Landbouwgeld blijft voor sportclubs», waaruit blijkt dat sportclubs en kerken de komende jaren nog steeds kans maken op Europese landbouwsubsidies?1
De kabinetsinzet in de onderhandelingen over het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is steeds geweest dat de maatregelen onder het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) ten dienste moesten staan van agrariërs, agrarische activiteiten en de landbouw.
Het voorstel van de Europese Commissie om in de periode 2014–2020 geen verplichte bestedingspercentages per categorie POP-maatregelen meer te hanteren heeft het kabinet altijd verwelkomd, omdat lidstaten daarmee de mogelijkheid krijgen hun plattelandsbeleid beter te richten op de werkelijke behoeften in (regio’s binnen) de lidstaat. In het totaalakkoord over het nieuwe GLB in Brussel is besloten de LEADER-aanpak3 voort te zetten met een minimale financiële inzet van 5% van het totale POP3-budget. Ook Nederland moet hieraan voldoen in het POP3.
Provincies zijn, net als in de voorgaande periode, verantwoordelijk voor de uitvoering van de LEADER-aanpak. Op verzoek van de provincies is het budget voor LEADER vastgesteld op circa 6,5% van het budget, zodat, conform de wens van uw Kamer, ook projecten voor «Duurzaam Door» daarmee ondersteund kunnen worden en stad-landrelaties gelegd kunnen worden. LEADER geeft een impuls aan lokale ontwikkeling, waar ook de agrarische sector van profiteert.
Zoals in de brief van 23 april jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 190) is aangegeven, is met de provincies afgesproken dat de POP3-middelen maximaal ten goede moeten komen aan agrariërs. Daardoor zullen in het POP3 aanzienlijk meer middelen terecht komen bij agrariërs en agrarische activiteiten (90%) dan onder het POP2 (65%). Een klein deel van het budget van POP3 komt via de LEADER-aanpak terecht buiten de agrarische sector. Ook via de maatregelen «Samenwerking», «Niet-productieve investeringen (voor water)» en «Kennisoverdracht en voorlichting aan landbouwers» kan een beperkt deel van de middelen terecht komen bij niet-agrariërs, zoals waterschappen en adviesbureaus. Verbinding en samenwerking met partijen buiten de landbouwsector is echter van groot belang voor (draagvlak voor) de landbouw, en bij kennisoverdracht en voorlichting zelfs een noodzakelijke voorwaarde. Samenwerking met waterschappen en adviesbureaus kan ook noodzakelijk zijn bij de vermindering van de emissie van nutriënten naar water. Het kabinet acht daarom ondersteuning van deze vormen van betrokkenheid van partijen buiten de sector passend en gerechtvaardigd.
Klopt het dat u kerken, sportclubs en golfbanen nergens expliciet uitsluit van landbouwsubsidies, zoals subsidieadviesbureau Subvention in het artikel claimt? Zo ja, bent u bereid deze subsidies te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Onderschrijft u nog steeds de volgende stelling die u poneerde op 5 maart 2013 in antwoord op eerdere vragen: «In lijn met het Regeerakkoord en het kabinetsstandpunt over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is het mijn voornemen om de toekomstige uitgaven voor het platteland enkel te richten op agrariërs en agrarisch grondgebruik»?2 Hoe gaat u zorgen voor deze zuivere besteding van landbouwsubsidies in Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het een prioriteit van dit kabinet om ervoor te zorgen dat landbouwsubsidies zijn gericht op agrariërs en agrarisch grondgebruik, en dus te voorkomen dat landbouwgeld terechtkomt bij bijvoorbeeld een jachthaven in Oudewater, golfbanen in Friesland en Zeeland en een voetbalclub in Raalte, zoals in 2013 het geval was? Zo neen, waarom niet?
Deze vraag heeft betrekking op de periode van POP2, 2007–2013. In POP2 was er meer ruimte voor begunstigden buiten de landbouw. Zie ook het antwoord op vragen 1, 2 en 3.
Klopt het dat Nederland door Europese regels wordt «gedwongen» ook niet-agrarische projecten een kans te geven, zoals het ministerie van Economische Zaken volgens het artikel in een reactie op de bevindingen te kennen gaf? Wat betekent precies «een kans geven»?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3. Aanvullend hierop geldt dat de provincies de LEADER-aanpak in de periode 2014–2020 verder zullen professionaliseren. Nut en noodzaak van de uit te voeren projecten binnen LEADER moeten vooraf beter worden aangetoond dan in de vorige programmaperiode. Alleen die gebieden met de beste ontwikkelingsstrategieën die direct inspelen op de grootste behoeften in een streek zullen de LEADER-status krijgen. Ook in de LEADER-aanpak kunnen agrariërs volop meedoen en zijn er mogelijkheden voor ondersteuning van agrarische activiteiten. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en provincies, bepalen de provincies welke LEADER-projecten voor ondersteuning in aanmerking komen.
Bent u, naast zuivere besteding van geld in Nederland, ook bereid te pleiten voor zuivere besteding van landbouwsubsidies in de Europese Unie, of vindt u nog steeds dat er «grote verschillen [zijn] in de omstandigheden en situaties op het platteland tussen de lidstaten» en dat het daarom «op basis van subsidiariteit belangrijk [is] dat ieder daarin zijn eigen keuzes maakt», zoals u aangaf op 5 maart 2013?
Het kabinet zal zich niet verzetten als lidstaten er, binnen de kaders van de geldende Europese regelgeving, voor kiezen om maatregelen in hun POP3 op te nemen die ertoe leiden dat subsidies terecht komen bij niet-agrariërs. Het kabinet blijft er voorstander van dat lidstaten die eigen keuzevrijheid behouden.
Betekent dit laatste dat landbouwsubsidies voor sportclubs, kerken en golfbanen wat u betreft in de Europese Unie kunnen doorgaan, of zult u zich ook in de Europese Unie verzetten tegen zulke subsidies?
Zie antwoord vraag 6.
De uitspraken van de minister-president over de rol van de minister van Veiligheid en Justitie bij lopende onderzoeken van het Openbaar Ministerie |
|
Michiel van Nispen |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is het waar dat u tijdens de persconferentie na de ministerraad op 17 april 2014 heeft gezegd dat de Minister van Veiligheid en Justitie niet te ver is gegaan met zijn opmerking «Het was niks, het is niks en het wordt niks» met betrekking tot een lopend onderzoek van het Openbaar Ministerie?1
Nee. Ik heb wel gezegd dat de Minister van Veiligheid en Justitie niet te ver is gegaan met zijn opmerking, maar niet dat deze opmerking van hem zou slaan op het lopende onderzoek van het Openbaar Ministerie.
Wat bedoelde u met uw opmerking dat juist de Minister van Veiligheid en Justitie «ruimer gerechtigd» is dingen te zeggen, omdat die immers het «enige bruggetje» is tussen de gescheiden machten? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
De Minister van Veiligheid en Justitie draagt de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Openbaar Ministerie. In die hoedanigheid kan hij worden bevraagd en geeft hij uitleg. Op 15 april heeft hij gezegd dat hij uitgaat van de onschuld van de heer Demmink en dat hij geen reden heeft om terug te komen op zijn eerdere uitspraken dienaangaande. Ook heeft de Minister van Veiligheid en Justitie aangegeven dat het Openbaar Ministerie niet wordt gehinderd door deze uitspraak die ziet op het feit dat de heer Demmink tot op heden niet is veroordeeld.
Het bericht dat een chronische aandoening een struikelblok is voor het kopen van een woning |
|
Tjitske Siderius (PvdA), Paulus Jansen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Chronische aandoening is struikelblok voor koopwoning» en kunt u de cijfers die worden genoemd onderbouwen?1
Ik ben bekend met dit nieuwsbericht van Vereniging Eigen Huis waarin werd gemeld dat circa 15 procent van de huiseigenaren met een chronische aandoening geen overlijdensrisicoverzekering kan afsluiten. Aan het onderzoek van Vereniging Eigen Huis werkten 137 leden met een chronische aandoening mee. Deze leden probeerden de afgelopen vijf jaar een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Dat lukte bij 15 procent niet. Van degenen die wel zijn geaccepteerd, kreeg een op de drie premie-opslag. Uit een onderzoek van de Consumentenbond naar bepaalde groepen chronisch zieken bleek dat 10% niet werd geaccepteerd door hun verzekeraar. Deze cijfers komen uit eigen onderzoek van de Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond.2
In hoeverre wordt onderscheid gemaakt in aandoening bij het in aanmerking komen voor een overlijdensrisicoverzekering of een hypotheek voor iemand met een chronische aandoening?
De Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars geven aan dat voor het afsluiten van een hypotheek vooral wordt gekeken naar de leencapaciteit van de consument in verhouding tot het inkomen en naar de lening in verhouding tot de waarde van de woning. Dit is conform de criteria die zijn neergelegd in de ministeriële regeling hypothecair krediet. Voor de leencapaciteit op basis van het inkomen is relevant hoe bestendig het inkomen is. Daarbij gelden geen afzonderlijke criteria voor chronisch zieken.
Voor sommige hypotheekvormen is een overlijdensrisicoverzekering vereist. Niet alle kredietverstrekkers hanteren deze verplichting. Bij sommige geldverstrekkers die deze verplichting wel kennen kan om bijzondere redenen hiervan worden afgeweken (bijvoorbeeld wanneer iemand onverzekerbaar blijkt). Ook kan de eis van een overlijdensrisicoverzekering te maken hebben met de regels van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Voor leningen onder NHG die hoger zijn dan 80% van de woningwaarde is een overlijdensrisicoverzekering vereist die het bedrag moet afdekken dat boven de genoemde 80%-grens ligt.
Welke criteria hanteren verzekeraars en banken bij het stellen van extra eisen of vragen van een hogere premie voor een hypotheeknemer met een chronische aandoening? Is er sprake van ongerechtvaardigd onderscheid, dus discriminatie?
Verzekeraars hebben een zekere vrijheid acceptatienormen te hanteren. De gehanteerde acceptatienormen verschillen per verzekeraar en hangen samen met onder meer ondernemingsdoelstellingen, marktverhoudingen en de financiële situatie van een verzekeraar. Uit navraag bij het Verbond van Verzekeraars bleek dat bij een overlijdensrisicoverzekering de gezondheid van de aspirant-verzekerde een factor is die kan worden meegewogen. Bij een aantal aanvragen zal een medisch adviseur op grond van de gezondheidsverklaring en eventueel aanvullende medische informatie, zoals een medische keuring, adviseren dat er sprake is van een verhoogd overlijdensrisico vanwege een aandoening. Daarbij wordt naar diverse factoren gekeken, zoals gezondheidskenmerken en risicostatistieken. De verzekeraar zal op basis van het advies van een medisch adviseur besluiten of en zo ja tegen welke premie het risico kan worden verzekerd. Ook kan het risico (gedeeltelijk) worden herverzekerd, zodat acceptatie mogelijk is met een premieopslag. Bij zijn advies baseert de medisch adviseur zich onder meer op eigen risicostatistieken, internationale onderzoeken en richtlijnen van herverzekeraars. Van belang is nog op te merken dat niet alle chronische aandoeningen leiden tot een verhoogd overlijdensrisico.
Het Verbond van Verzekeraars geeft verder aan dat de meeste verzekeraars voor de beoordeling van het risico een gezondheidsverklaring gebruiken die het Verbond van Verzekeraars mede in overleg met de patiënten- en consumentenorganisatie heeft opgesteld. Daarin staat onder meer aangegeven dat de aspirant-verzekerde het advies van de medisch adviseur als eerste mag vernemen. De aspirant-verzekerde kan vervolgens besluiten af te zien van het indienen van de verzekeringsaanvraag bij die verzekeraar en kan bij een andere verzekeraar een aanvraag indienen.
Ongerechtvaardigd onderscheid, op welke grond dan ook, is niet acceptabel. Bij de beoordeling of in de bestaande praktijk sprake is van onderscheid en zo ja, of dat onderscheid dan objectief gerechtvaardigd is, is een groot aantal factoren van belang. In dit verband merk ik op, dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) nog niet van toepassing is op financiële diensten. In het kader van de voorbereiding van de ratificatie van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waaraan door het kabinet wordt gewerkt, wordt mede bezien in hoeverre de Wgbh/cz op dit punt wijziging behoeft. Het voornemen bestaat de desbetreffende wetsvoorstellen voor de zomer bij de Tweede Kamer in te dienen.
Welke concrete actie acht u nodig nu uit verschillende enquêtes blijkt dat de toegang voor woningzoekenden met een chronische aandoening tot de koopsector ernstig beperkt lijkt? Hoeveel groter zou het aanbod aan geschikte huurwoningen vergroot moeten worden om de achterstand van deze doelgroep in de koopsector te compenseren?2
Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat ruim 97 procent van de consumenten zonder probleem en tegen normale voorwaarden wordt geaccepteerd voor een overlijdensrisicoverzekering. Uit de genoemde onderzoeken van Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond komt naar voren dat zo’n 85–90% van de ondervraagde chronisch zieken een overlijdensrisicoverzekering heeft kunnen afsluiten. Dat neemt niet weg dat er consumenten zijn die niet, of tegen een hogere premie verzekerbaar zijn voor het overlijdensrisico. Verder constateer ik dat de markt functioneert, getuige de verschillen tussen verzekeraars in acceptatievoorwaarden en getuige het bestaan van intermediair dat zich heeft gespecialiseerd in het bemiddelen in verzekeringen voor chronisch zieken.
Voor chronisch zieken hebben zowel de Vereniging Eigen Huis als de Consumentenbond een lijst met tips opgesteld.4 Zo wordt onder meer geadviseerd om eerst de mogelijkheden voor de hypotheek en de eventueel benodigde verzekering in kaart te brengen en daarna pas op zoek te gaan naar een andere woning. Andere adviezen betreffen onder andere de ontbindende voorwaarden in het koopcontract en hoe om te gaan met de gezondheidsverklaring en de medische keuring. Voor iedere huizenkoper is het belangrijk om zich goed voor te bereiden op het kopen en financieren van een woning. Dat geldt ook voor mensen met een chronische ziekte.
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 wordt in het kader van de voorbereiding van de ratificatie van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap mede bezien in hoeverre de Wgbh/cz wijziging behoeft ter voorkoming van ongerechtvaardigd onderscheid.
Hoeveel chronisch zieken en mensen met een beperking zijn slachtoffer van dit beleid van hypotheekverstrekkers en verzekeraars in Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Het onderzoeksrapport naar de medische behandeling van een uitgezette minderjarige asielzoekster |
|
Eddy van Hijum (CDA), Linda Voortman (GL), Sharon Gesthuizen (GL), Gerard Schouw (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Klopt het dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie tot op heden weigeren om een ongeschoond verslag van de onderzoekscommissie, die onderzoek heeft gedaan naar de medische zorg verleend aan de 6-jarig asielzoekster Renata A. tijdens haar verblijf in een asielzoekers- en detentiecentrum in Nederland, te doen toekomen aan zowel u en de Tweede Kamer als aan de familie van Renata?
Het is ongewenst dat verslagen van een onderzoekscommissie openbaar worden gemaakt indien daarin privacygevoelige en medische informatie die tot een persoon te herleiden is, is opgenomen. Bij brief van 19 november 2013 (TK 19 637, nr. 1753) heb ik uw Kamer de resultaten toegestuurd van het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) naar het medisch handelen voorafgaand aan de overdracht van Renata A. aan Polen. In mijn brief van 20 november 2013 (TK 19 637, nr. 1757) heb ik toegelicht dat het aan deze resultaten ten grondslag liggende verslag van de onafhankelijke calamiteitenonderzoekscommissie niet is meegestuurd, omdat daar privacygevoelige gegevens in staan. In die brief is er ook op gewezen dat voor de totstandkoming van dit soort verslagen medewerking van medisch betrokkenen noodzakelijk is. De bescherming van het medisch beroepsgeheim is van essentieel belang voor de medewerking van medisch betrokkenen aan toekomstige onderzoeken.
Op 21 november 2013, tijdens de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie heb ik uw Kamer gemeld u het verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie toe te sturen onder de voorwaarde dat dit zou worden geschoond van persoonsgegevens en medische gegevens en de benodigde toestemmingsverklaringen zouden worden verkregen. Het betrof hier dus een toezegging om een geschoonde versie van het verslag aan uw Kamer te sturen.
Nadat de IGZ het verslag had geschoond van privacygevoelige en medische informatie die tot een persoon te herleiden is, heeft de IGZ vervolgens de benodigde stappen gezet om het geschoonde verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie aan uw Kamer te kunnen sturen. Daartoe is overleg gevoerd met alle betrokkenen. Alle betrokkenen, met uitzondering van de familie A., stemden ermee in om mij dit zogenoemde geschoonde verslag van de onderzoekscommissie aan te bieden met als doel dit geschoonde verslag aan uw Kamer te kunnen toesturen. De IGZ heeft mij gemeld dat de familie A. op 26 mei 2014 haar bezwaar tegen het toezenden van het geschoonde verslag aan uw Kamer heeft ingetrokken. Op 27 mei 2014 heeft de gemachtigde van de familie de IGZ laten weten geen bezwaar te hebben met het toezenden van de geschoonde versie van het verslag aan uw Kamer. Bij mijn brief van heden heb ik deze geschoonde versie van dit verslag aan uw Kamer gestuurd.
Bent u op de hoogte van het feit dat de familie reeds toestemming heeft gegeven om een ongeschoond verslag naar u en de Tweede Kamer te zenden en zelf heeft gevraagd een ongeschoond verslag te mogen ontvangen?
De familie heeft mij geen toestemming gegeven om een ongeschoond verslag aan uw Kamer toe te zenden. Ik heb dit nooit van de familie of de gemachtigde vernomen. Wel heeft het lid Gesthuizen van uw Kamer mij mondeling medegedeeld dat de familie geen bezwaar zou hebben. Een ongeschoond verslag is overigens ook niet in mijn bezit.
Mij is ook bekend dat de familie via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft verzocht om een versie van het verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie waaruit geen delen zijn weggelakt. Dit Wob verzoek is door de Minister van VWS op 23 april jl. afgewezen. Op grond van de Wob is het niet mogelijk medische gegevens openbaar te maken. Het betreft een absolute weigeringsgrond. Het feit dat de familie van Renata om verstrekking van het ongeschoonde verslag heeft gevraagd, maakt dit voor de Wob niet anders. Openbaarmaking op grond van de Wob betreft openbaarmaking voor ieder.
Deelt u de mening dat het voor een goede beoordeling van het opereren van de diensten die belast waren met het verlenen van medische zorg aan Renata A. van belang is dat de Tweede Kamer, alsook de familie, een ongeschoond rapport ontvangt waarin uiteraard wel de persoonsgegevens van de betrokken hulpverleners zijn weggelakt?
Nee. Uw Kamer beschikt over de uitkomsten van het onderzoek, zoals opgesteld door de IGZ en IVenJ. Bij de in het antwoord op vraag 1 genoemde brief van 19 november 2013 heb ik u die toegestuurd. Op basis van die uitkomsten is een beoordeling van het handelen van de diensten te maken. Daarenboven heb ik uw Kamer de geschoonde versie van het verslag op 27 mei 2014 toegestuurd.
Deelt u de mening dat, nu de familie van Renata A. toestemming geeft voor openheid van zaken, er geen goede reden is voor de inspecties om deze niet geven?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 1 en 2.
Bent u bereid om aan de Inspecties kenbaar te maken dat vanuit de Tweede Kamer wordt aangedrongen op het ontvangen van een ongeschoond verslag alsmede de onderliggende stukken?
De Inspecties zijn bekend met deze kamervragen.
Klopt het dat de advocate van de familie van Renata A. al bij beide inspecties heeft aangedrongen op verstrekking van het ongeschoond verslag? Zo ja, hoe wordt door de inspecties met dit verzoek omgegaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
De mishandeling van een gehandicapte bejaarde |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drie straatrovers slaan 71-jarige man uit scootmobiel»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de afschuw met betrekking tot de mishandeling van de gehandicapte bejaarde?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie blijkt dat er sprake is van een valse aangifte.
Klopt het dat de verdachten van deze beroving een Somalische achtergrond hebben? Zo ja, kunt u aangeven waarom Somaliërs bijna vijf keer vaker verdachte zijn van misdrijven dan autochtonen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de daders van deze laffe daad reeds gepakt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat criminele vreemdelingen bij geweldsmisdrijven dienen te worden uitgezet? Zo neen, waarom niet?
Vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf kunnen het rechtmatig verblijf verliezen. In dat geval krijgen ze een inreisverbod of worden ze ongewenst verklaard, en moeten ze Nederland direct aansluitend aan de celstraf verlaten. Als ze dat niet doen dan worden ze uitgezet.
Een incident met VN-gezant Serry in Jeruzalem |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het incident in Jeruzalem in de aanwezigheid van VN-gezant Robert Serry, zoals beschreven in het BBC-nieuwsbericht «UN envoy and Israel in Easter ritual access row»?1
Ja.
Kunt u nagaan wat zich op 19 april 2014 heeft afgespeeld?
De weergave van VN-gezant Robert Serry is bekend en wordt onderschreven door andere aanwezigen, maar niet door de Israëlische autoriteiten.
Bent u het met de heer Serry eens dat de vrijheid van godsdienst hier in het geding was en dat sprake was van «onacceptabel gedrag»?
Bij grote religieuze momenten als Pasen in speciale plaatsen als Jeruzalem zijn vraagstukken van vrijheid van godsdienstuitoefening en van veiligheid beide van groot belang. Overleg voorafgaand aan het Paasfeest tussen de Christelijke gemeenschappen en de Israëlische politie heeft tot een verbeterde toegang ten opzichte van vorig jaar geleid. Partijen verschillen nog van mening over de mate waarin de toegang verder verruimd kan worden zodat meer Christenen uit de Palestijnse Gebieden deze voor hen belangrijke religieuze viering kunnen bijwonen.
Hoe beoordeelt u voorts de reactie van de Israëlische autoriteiten dat het oponthoud juist het veiligheidsbelang van de bedevaartgangers diende?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat de grenzen wagenwijd open staan voor buitenlandse bouwers |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel in Cobouw: «Grenzen wagenwijd open voor buitenlandse bouwers»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke belemmeringen Nederlandse bouwbedrijven kunnen ervaren als zij in andere EU-landen willen gaan opereren, die omgekeerd niet gelden voor buitenlandse bouwbedrijven die in Nederland gaan opereren?
In het kader van het vrij verkeer van diensten kan een bedrijf in een andere Europese lidstaat diensten gaan verrichten. Hierbij geldt het uitgangspunt dat een ondernemer zich dient te houden aan de geldende wet- en regelgeving van de lidstaat waar deze ondernemer zijn diensten wenst uit te voeren, indien deze wet- en regelgeving noodzakelijk, evenredig en proportioneel is ter bescherming van het algemeen belang. Daarom worden Nederlandse bouwondernemers in het buitenland geconfronteerd met andere eisen ten aanzien van beroepskwalificaties, afwijkende technische standaarden, of aansprakelijkheidseisen. Het is daarom essentieel dat een grensoverschrijdende ondernemer zich goed laat informeren over de bestaande wet- en regelgeving in andere lidstaten. In sommige gevallen is het niet evident dat bepaalde eisen noodzakelijk en proportioneel zijn. Het kabinet zet zich daarom in de Europese Unie in voor vermindering van disproportionele eisen, bijvoorbeeld in de peer review onder de dienstenrichtlijn en de lopende wederzijdse evaluatie in het kader van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties. Deze peer pressure, ook door middel van landen-specifieke aanbevelingen in het kader van het Europese Semester, dient bij te dragen aan meer kansen voor Nederlandse ondernemers in het buitenland. Dit moet er toe bijdragen dat lidstaten zich actief inspannen op het verminderen van administratieve lasten voor grensoverschrijdende ondernemers.
Het is bij grensoverschrijdende dienstverrichting wel belangrijk dat de rechten van werknemers beschermd worden. Daarover hebben de Europese lidstaten afspraken gemaakt in de Detacheringsrichtlijn. Deze richtlijn bevat een set van arbeidsvoorwaarden, waaraan een dienstverrichter zich heeft te houden wanneer hij met personeel een dienst gaat verrichten in een andere lidstaat. Dit moet ertoe leiden dat een werknemer op een aantal aspecten ongeveer hetzelfde moet worden behandeld als zijn nationale collega. Hierbij gaat het o.a. om minimumloon, verlof en maximale werktijden (op grond van de wet of een eventuele algemeen verbindend verklaarde cao). Lidstaten mogen aan buitenlandse dienstverrichters bepaalde controlevoorschriften opleggen met het doel om beter te kunnen controleren of een dienstverrichter zich houdt aan de bepalingen uit de Detacheringsrichtlijn. Elke lidstaat mag hieraan zelf invulling geven, mits dit niet leidt tot een disproportionele belemmering van het vrij verkeer van diensten. Of dit het geval is wordt, indien dit wordt voorgelegd, beoordeeld door het Europees Hof van Justitie. Lidstaten mogen hier dus op verschillende wijze mee omgaan.
De in Duitsland opgelegde controlevoorschriften aan buitenlandse dienstverrichters zijn gedeeltelijk opgenomen in artikel 9 van de onlangs in Brussel bekrachtigde Europese Handhavingsrichtlijn. Deze nieuwe richtlijn heeft tot doel de naleving van de Detacheringsrichtlijn te bevorderen. De in artikel 9 opgenomen voorschriften kunnen door alle lidstaten aan dienstverrichters worden opgelegd. Nederland beziet thans welke controlemaatregelen zij wenst over te nemen en zal hiervoor een voorstel doen bij de implementatie van de Handhavingsrichtlijn.3
Klopt het dat Nederlandse bouwbedrijven die in Duitsland opereren aan de volgende eisen moeten voldoen, die omgekeerd niet gelden voor Duitse bedrijven in Nederland:2 ieder project moet vooraf zeer secuur worden aangemeld bij de Duitse autoriteiten vanaf het eerste uur tot en met het laatste uur, waardoor eventuele uitloop van een project meteen tot problemen leidt en eventueel een hoge boete; medewerkers moeten volledig worden aangemeld inclusief BSN, met gedetailleerde persoonsgegevens waardoor tussentijdse vervanging van medewerkers bijna onmogelijk is; alle contractgegevens van het werk en de overeenkomsten met het personeel dienen vertaald in het Duits op het werk aanwezig zijn; vooraf moet gemeld worden hoeveel mensen – met naam, toenaam, geboortedatum – op het werk aanwezig zijn. Personeel toevoegen in het geval het werk niet op tijd af komt is lastig; niet aangemeld personeel levert direct een boete – tot € 20.000 euro – en stillegging van het werk op. Datzelfde geldt ook als de contractgegevens niet vertaald op orde zijn; er geldt een verplichte afstorting in het Duitse vakantie fonds van 14,7% van de loonsom; loonstroken moeten ook in het Duits aanwezig zijn, evenals een bewijs van de laatste loonbetaling; in het Duits moet worden aangetoond dat personeel is verzekerd en deze informatie moet aanwezig zijn op het werk; de hoofdaannemer is verantwoordelijk voor alle zaken op het werk, ook die van de opdrachtgever? Kunt u aangeven hoe deze administratieve eisen zich verhouden tot de eisen die Nederland stelt aan buitenlandse bouwbedrijven en tot het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en werknemers in de EU?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten in welke mate er verschil zit in de snelheid en accuratesse waarmee de Duitse en Nederlandse inspectieorganisaties controle houden op de voorschriften omtrent arbeid op bouwplaatsen? Klopt het dat het eerder regel is dan uitzondering dat de Duitse arbeidsinspectie al op de eerste dag van een bouwproject controleert of er aan alle in vraag 3 opgesomde eisen is voldaan?
Er zijn mij thans geen gegevens bekend omtrent vergelijking van de snelheid en accuratesse van de Duitse en Nederlandse inspectiediensten.
Kunt u aangeven op welke wijze u bereid bent om de positie van MKB bedrijven op de Nederlandse en Europese bouwmarkt te verbeteren? Zou directe uitbetaling aan onderaannemers door de opdrachtgever van een bouwproject daar aan kunnen bijdragen? Graag een toelichting hierop.
Het kabinet acht een versterking van de positie van het MKB van groot belang. En marge van de Duits-Nederlandse regeringsconsultatie in Kleef in mei 2013 kwamen de Nederlandse en de Duitse Ministers van Economische Zaken overeen om gezamenlijk concrete problemen voor grensoverschrijdende ondernemers, in het bijzonder voor het MKB, op te lossen. Hierbij is voor een brede benadering gekozen, waarbij onder andere wordt ingezet op stimulering van de kennis van de Duitse taal en cultuur, verbeterde informatieverstrekking aan ondernemers, en indien noodzakelijk betere op het buurland afgestemde wet- en regelgeving.
Directe betaling van loon door de opdrachtgever aan werknemers van een onderaannemer zou kunnen bijdragen aan de verbetering van de positie van kleinere MKB-bouwbedrijven. In de onlangs aanvaarde Aanbestedingsrichtlijn wordt een lidstaat de keuze geboden om rechtstreekse betaling van een onderaannemer door een aanbestedende dienst mogelijk te maken. De Minister van Economische Zaken maakt hierover een afweging bij de implementatie van de Aanbestedingsrichtlijn.
Bent u bekend met het Belgische LIMOSA?3 Zou een vergelijkbaar Nederlands register van (buitenlandse) zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) of (buitenlandse) werknemers die in Nederland een opdracht uitvoeren in uw ogen een begaanbare weg zijn om meer grip te krijgen op de problematiek van belasting- en premieontduiking en -ontwijking, die mede debet is aan de verslechterende concurrentiepositie in Nederland van Nederlandse werknemers en Nederlandse zzp’ers in sectoren als de bouw? Graag een toelichting hierop.
Het invoeren van een Nederlands register van buitenlandse zelfstandigen zonder personeel is thans geen begaanbare weg. Een dergelijk register heeft onderdeel uitgemaakt van het eerder genoemde Belgische LIMOSA-systeem maar het Europees Hof van Justitie heeft bij arrest uitgemaakt dat een registratie voor zelfstandige ondernemers een ontoelaatbare belemmering vormt voor het vrij verkeer van diensten. Voor wat de betreft de registratie van vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers, zie het antwoord op vraag 7.
Hoe staat u tegenover een eventueel experiment met een dergelijk register voor (buitenlandse) werknemers op de bouwplaats? Kunt u dit toelichten?
Bij brief van 30 januari 20145 heb ik uw Kamer laten weten dat de mogelijkheid voor het oprichten van een dergelijk register een onderdeel is van de onlangs bekrachtigde Europese Handhavingsrichtlijn. Een registratiesysteem voor vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers (werknemers van buitenlandse dienstverrichters) kan de efficiëntie van de handhaving vergroten. Zoals ik in mijn brief heb aangegeven ben ik voornemens om over de eventuele invoering van een registratiesysteem een afweging te maken bij de implementatie van de nieuwe Handhavingsrichtlijn. Bij de uiteindelijke afweging zal ik onder meer de administratieve lasten van een dergelijke registratieplicht laten meewegen. In de bouwsector vindt inmiddels een verkenning plaats over het invoeren van een identiteitspas voor toegang van werknemers tot de bouwplaats, dit in samenwerking met het zogenoemde project identificatiesysteem ID12. Dit systeem wordt al in enkele andere Europese landen benut onder meer ter voorkoming van belasting- en premieontduiking en oneerlijke concurrentie. Ik heb uw Kamer bij brief van 10 juli 2013 over dit systeem geïnformeerd.6
Het pleidooi voor een fonds om justitiële dwalingen te voorkomen |
|
Michiel van Nispen |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitzending van Brandpunt van 20 april 2014 over gerechtelijke dwalingen?1
Ja.
Deelt u de mening dat in de toekomst voorkomen moet worden dat mensen die jarenlang ten onrechte vast hebben gezeten zo lang moeten wachten op gesprekken, excuses en schadevergoeding van justitie? Zo ja, hoe gaat dat voorkomen worden?
Ja. In de praktijk blijken deze procedures doorgaans ook goed te lopen; in de afgelopen jaren zijn verschillende zaken adequaat en snel afgehandeld. De definitieve afdoening van een schadeclaim kan echter enige tijd vergen. Dit is onder andere afhankelijk van de omvang van een claim, de bewijspositie en de bijzondere omstandigheden van het geval.
Wat is uw reactie op de stelling dat er op dit moment waarschijnlijk meerdere mensen onterecht achter de tralies zitten omdat het aantonen van «gerede twijfel» over de juistheid van de veroordeling zeer ingewikkeld is?
Het aantonen van de onjuistheid van een veroordeling is onmiskenbaar een ingewikkeld proces. Juist daarom is op 1 oktober 2012 de Wet herziening ten voordele in werking getreden. De voorzieningen die door deze wet in het leven zijn geroepen, hebben tot doel de veroordeelde te ondersteunen onderzoek te doen, indien blijkt dat er gerede twijfel is over de juistheid van de veroordeling. Mochten zich op dit moment nog mensen onterecht in detentie bevinden, waar ik uiteraard geen kennis van heb maar wat ik ook niet kan uitsluiten, dan bieden deze nieuwe wettelijke mogelijkheden hen nieuwe perspectieven.
Deelt u de mening dat de bekend geworden gerechtelijke dwalingen uit het verleden hebben uitgewezen dat de dwaling pas aan het licht kwam door de (vrijwillige) inzet van deskundigen en anderen die zich om het slachtoffer van de dwaling bekommerden?2
Voor een aantal bekende dwalingen uit het verleden is dit inderdaad het geval.
Deelt u de mening dat het vaak een probleem is dat slachtoffers van dwalingen geen geld hebben om aanvullend onderzoek te laten verrichten om hun onschuld aan te tonen?
Ik deel de mening dat in het verleden de herzieningsregeling onvoldoende voorzag in de mogelijkheid voor veroordeelden om aanvullend (forensisch) onderzoek te laten verrichten om hun mogelijke onschuld aan te tonen. Naar aanleiding van onder meer de Schiedammer Parkmoordzaak zijn er praktische regelingen getroffen om aan dit probleem tegemoet te komen. Met name het instellen van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) heeft hieraan bijgedragen. Deze commissie heeft in enkele grote zaken onderzoek verricht, hetgeen in de zaken Lucia de B. en Ina Post heeft geleid tot de indiening van een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.
Met de inwerkingtreding van de Wet herziening ten voordele per 1 oktober 2012 is een (wettelijke) leemte opgevuld, waardoor de CEAS overbodig is geworden. Deze wet biedt gewezen verdachten van ernstige misdrijven – strafbare feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt – de mogelijkheid om ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag de procureur-generaal bij de Hoge Raad te verzoeken nader onderzoek te doen naar bepaalde feiten. Met de resultaten van dat onderzoek kan de herzieningsaanvraag vervolgens worden onderbouwd.
Voor honorering van een verzoek tot nader onderzoek is vereist dat sprake is van aanwijzingen dat mogelijkerwijs sprake is van een novum. In de genoemde wet is het begrip «novum» niet langer beperkt tot een nieuwe feitelijke omstandigheid. Onder «novum» kunnen nu ook nieuwe inzichten van deskundigen vallen. Daarbij moet het wel nog steeds gaan om een nieuw gegeven dat het ernstige vermoeden doet ontstaan dat de rechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen als hij daarvan had geweten. Indien een nader onderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt ingesteld, komen de kosten daarvan voor rekening van de Staat. Daarnaast verleent de Raad voor rechtsbijstand een toevoeging voor de bijstand van een raadsman bij de voorbereiding van een herzieningsverzoek.
Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat de noodzaak ontbreekt om te komen tot een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen. Met de reeds genomen maatregelen wordt voldaan aan de op de overheid rustende verantwoordelijkheid om het rechtssysteem zodanig in te richten dat mogelijke fouten (dwalingen) die daaruit voortvloeien kunnen worden gecorrigeerd.
Welke verantwoordelijkheid rust er volgens u op de overheid om dwalingen aan het licht te brengen en mensen die ten onrechte veroordeeld zijn zo snel mogelijk in vrijheid te stellen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op het pleidooi van advocaat Knoops en emeritus hoogleraar Tak voor een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen, waarbij bijvoorbeeld door een commissie van wijzen bepaald kan worden of in een bepaalde zaak onderzoek vanuit dat fonds betaald moet worden?3
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat dwalingen in stand blijven als een dergelijk fonds er niet komt, waardoor mensen mogelijk jarenlang ten onrechte vast zitten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om met voorstellen te komen voor een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen, of in ieder geval deze niet langer voort te laten duren? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de privacy van patiënten slecht gewaarborgd is |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat zegt het u dat uit gesprekken met medewerkers van de klantenservice van verschillende zorgverzekeraars, die in de tv-uitzending over patiëntgegevens getoond worden, blijkt dat de privacyverklaring bij medewerkers van zorgverzekeraars niet bekend is? Vindt u het acceptabel dat verzekerden hierdoor verkeerd worden voorgelicht over de mogelijkheid van een privacyverklaring? Kunt u uw antwoord toelichten?1
De privacyverklaring en de daaraan gekoppelde regeling zijn bekend bij alle zorgverzekeraars. Helaas is inderdaad gebleken dat niet alle medewerkers van verzekeraars goed op de hoogte waren van deze regeling. Ik verwacht van zorgverzekeraars dat zij zorgen voor een adequaat kennisniveau van hun medewerkers. Inmiddels hebben zorgverzekeraars de medewerkers waar dit relevant voor is nogmaals gewezen op het bestaan van de privacyregeling.
Hoe reageert u in dit verband op de uitspraak van een psycholoog in genoemde uitzending dat het haar ervaring is dat mensen «structureel voorgelogen worden» door zorgverzekeraars?
Herkent u het beeld dat zorgverleners schetsen dat zorgverzekeraars de privacyverklaring proberen tegen te werken, omdat zij deze als lastig ervaren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars een privacyverklaring te allen tijde moeten respecteren? Hoe gaat u dat bewerkstelligen?
Welk doel dient de informatie die de Stichting Benchmark GGZ (SBG) verzamelt? Vindt u het acceptabel dat gedetailleerde informatie over patiënten terecht komt bij een instelling die rechtstreeks is verbonden aan zorgverzekeraars?
SBG wordt bestuurd door GGZ Nederland, het Landelijk Platform GGz (LPGGz) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN). Het doel van de stichting is om – door het leveren van spiegel- en benchmarkinformatie – de kwaliteit en de transparantie van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) te verbeteren. SBG is een Trusted Third Party (TTP). Dit wil zeggen dat SBG een onafhankelijke en onpartijdige organisatie is en niet – zoals u stelt – «rechtstreeks verbonden aan zorgverzekeraars».
SBG ontvangt gepseudonimiseerde2 en anonieme patiëntgegevens, aangevuld met achtergrondinformatie en informatie die wordt verkregen door het routinematig meten van behandeluitkomsten via de ROM-methodiek (ROM staat voor Routine Outcome Monitoring). Deze informatie betreft zowel begin- als eindmetingen van de toestand van een ggz-cliënt, beide uitgevoerd door de behandelende zorgaanbieder aan de hand van ROM-vragenlijsten. Om ervoor te zorgen dat deze gegevens onderling beter vergelijkbaar worden, worden deze verrijkt met achtergrondinformatie van de gepseudonimiseerde cliënten, zodat de gemeten behandeluitkomsten hiervoor kunnen worden gecorrigeerd (de zogeheten casemix-correctie).
Al deze informatie wordt vervolgens door SBG verwerkt tot spiegelinformatie (op het niveau van groepen patiënten) over de effectiviteit van de geboden zorg. Door middel van een beveiligde webbased softwaretoepassing (de Benchmark Rapportage Module, BRaM) ontstaat inzicht in de geaggregeerde resultaten die gemiddeld behaald worden bij grote groepen patiënten. De BRaM toont uitsluitend spiegelinformatie aan daartoe geautoriseerde personen. Zorgaanbieders kunnen met BRaM rapportages maken op het niveau van de instelling als geheel, per locatie, per afdeling en per behandelaar. De resultaten van het eigen organisatieonderdeel kunnen daarbij worden afgezet tegen de SBG-benchmark, het landelijk gemiddelde. Voor zorgverzekeraars is – naast informatie over het landelijk gemiddelde, de SBG-benchmark – alleen informatie op instellingsniveau beschikbaar en dan alleen voor zover het ggz-instellingen betreft waarmee zij een overeenkomst tot inkoop van zorg hebben of van ggz-instellingen die hen daartoe geautoriseerd hebben.
Zorgaanbieders kunnen de door SBG geleverde spiegel- en benchmarkinformatie gebruiken om hun behandelingen en zorgprogramma’s te verbeteren en eventuele praktijkvariatie te reduceren. Een zorgaanbieder kan dit intern uitvoeren en/of in samenwerking met collega-zorginstellingen. Zorgverzekeraars kunnen deze spiegel- en benchmarkinformatie gebruiken in hun dialoog met de door hen gecontracteerde zorgaanbieder(s). Momenteel onderzoekt SBG met het LPGGz de mogelijkheden om op termijn de benchmark gegevens beschikbaar te stellen aan patiënten als keuze-informatie.
Kunt u uitsluiten dat de SBG, door data te combineren, kunnen achterhalen welke diagnose bij een individuele patiënt is gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft als eis gesteld dat de gepseudonimiseerde gegevens niet indirect identificerend mogen zijn. Het CBP heeft in een brief van 10 januari 2006 en in het consultatiedocument CBP Richtsnoeren actieve openbaarmaking van maart 2008, aangegeven dat gegevens (direct of indirect) identificerend zijn als die gegevens «redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning» kunnen worden gebruikt om de identiteit van een persoon vast te stellen.3 SBG heeft diverse maatregelen genomen om invulling te geven aan deze eis:
Voor een blijvende naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft SBG conform de voorschriften van het CBP4 een Functionaris voor de Gegevensbescherming in dienst. Deze is aangemeld bij het CBP en als zodanig ook terug te vinden in het openbaar register van Functionarissen voor de Gegevensbescherming op de website van het CBP. Deze functionaris houdt onafhankelijk toezicht op de (voortdurende) toepassing en de naleving van de Wbp. Tevens ziet deze functionaris toe op de algemene kwaliteit van het beleid en uitvoering inzake de bescherming van persoonsgegevens in de organisatie, onder andere met interne audits. Periodiek toetst ook een externe auditor de naleving van de werkprocedures van SBG. De bescherming voor een onafhankelijk optreden van de Functionaris voor de Gegevensbescherming en diens wettelijke taak is vastgelegd in de Wbp.
Kunt u uitsluiten dat zorgverzekeraars via de SBG bij privacygevoelige gegevens van individuele patiënten kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Verzekeraars hebben via SBG geen toegang tot privacygevoelige informatie. Ten eerste heeft SBG, zoals toegelicht bij vraag 6, diverse maatregelen genomen ter invulling van de eis van het CBP dat gegevens niet zonder onevenredige inspanning herleidbaar mogen zijn naar een persoon. Ten tweede borgt het SBG Dataprotocol dat zorgverzekeraars uitsluitend toegang krijgen tot gemiddelde uitkomstgegevens van groepen van patiënten op geaggregeerd niveau en niet tot gegevens op het niveau van individuele (gepseudonimiseerde) patiënten.
Is het wat u betreft acceptabel dat zorgverzekeraars hun informatiehonger stillen door privacygevoelige informatie van patienten te verzamelen via de SBG? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Denkt u dat patiënten behoefte hebben aan transparantie in de zorg die hun privacy schendt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven op welke wijze dit de zorg voor patiënten ten goede komt? Deelt u de mening dat het niet aan de zorgverzekeraars is om te bepalen wat goede zorg is, maar dat dit het beste kan worden bepaald door zorgverleners onderling? Deelt u daarmeede mening dat de SBG overbodig is?
Hoe reageert u op de uitspraak van professor J. van Os dat de database van SBG een «geldverslindend datakerkhof is»? Kunt u in dat verband aangeven hoeveel geld zorgverzekeraars hebben geïnvesteerd in de database van SBG?
Ik deel die mening niet. Zoals toegelicht ben ik van mening dat SBG maatschappelijk relevante doelen dient.
Het jaarlijks budget van Stichting Benchmark GGZ bedraagt 2 miljoen euro. Bij de oprichting van SBG zijn de kosten als volgt verdeeld: het benchmarken wordt gefinancierd door de zorgverzekeraars, de zorgaanbieders financieren het verzamelen van de onderliggende ROM-gegevens en de correcte aanlevering ervan aan SBG.
Deelt u de mening van professor Van Os dat je alleen data mag verzamelen als patiënten dat goed vinden en wanneer daar iets maatschappelijk nuttigs mee gebeurt? Deelt u voorts zijn mening dat dit in het geval van de database van SBG niet het geval is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben met professor dr. Van Os van mening dat gegevens alleen verzameld moeten worden als daar maatschappelijk iets nuttigs mee gebeurt. Op het maatschappelijke nut van de gegevensverzameling in het kader van ROM door SBG ben ik reeds uitvoerig ingegaan.
De gegevensverzameling van SBG geschiedt in verschillende onderscheiden stappen:
Op de verschillende onderscheiden stappen zijn verschillende wettelijke kaders van toepassing:
Ad a
Het bij de intake diagnostisch classificeren van de cliënt en het gedurende de behandeling periodiek gegevens verzamelen over de uitkomst van de behandeling, maken beide deel uit van het reguliere klinische proces. Voor het verzamelen van die (ROM-)gegevens is geen expliciete toestemming nodig van de patiënt. De verwerking van gezondheidsgegevens valt onder artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 21, tweede lid, van de Wbp. Wel moet de behandelaar op grond van de WGBO de patiënt bij aanvang van de behandeling melden welke gegevens waarom worden vastgelegd en wat de behandelaar met die gegevens doet.
Ad b
De behandelaar versleutelt het BSN met het oog op de aanlevering van gegevens aan SBG. De versleuteling maakt geen deel uit van de behandeling van de patiënt. Omdat het om de verwerking van persoonsgegevens gaat moet er een grondslag zijn in de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens is op grond van artikel 8, aanhef en onder a, Wbp toegestaan indien de patiënt daarvoor toestemming heeft verleend.
Ad c en d
De behandelaar levert de niet meer tot de patiënt herleidbare gegevens aan bij ZorgTTP. Omdat er geen sprake meer is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp is de wet niet van toepassing op de versleuteling door ZorgTTP.
Ad e en f
Op de verstrekking van de door de zorgaanbieder en ZorgTTP gepseudonimiseerde gegevens aan SBG en de verwerking van die gegevens door SBG is de Wbp niet van toepassing (omdat er geen sprake meer is van persoonsgegevens als bedoeld in de Wbp).
Medisch wetenschappelijk onderzoek met patiënten mag alleen worden uitgevoerd als er een juiste balans is tussen het belang van de onderzoeksvraag en de belasting die de procedures van het onderzoek voor de patiënt met zich meebrengt. Dit wordt getoetst door een van de elf (11) Medisch Ethische Toetsing Commissies die Nederland heeft. Er is ook een overkoepelend orgaan, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO).
SBG heeft, samen met professor dr. Van Os, de vraag of de gegevensverzameling door SBG onder de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO) valt en METC-plichtig is, voorgelegd aan de CCMO. De vraag is vorig najaar besproken in een plenaire vergadering van de CCMO. Het standpunt van de commissie is dat het hier geen wetenschappelijk onderzoek betreft en de dataverzameling en -analyse daarom niet onder de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO) vallen.
Ik ben het dus oneens met de uitspraak van professor dr. Van Os dat de dataverzameling door SBG onethisch en onwettig is.
Hoe reageert u op de uitspraak van professor Van Os dat de dataverzameling door SBG onethisch en onwettig is? Op basis van welk wetsartikel rechtvaardigt de SBG het verzamelen van deze privacygevoelige informatie? Is dat in uw ogen gerechtvaardigd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 12.
Is het voorgaande voor u reden om de SBG te bewegen te stoppen met het verzamelen van data over patiënten? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ondersteun de missie en doelstellingen van SBG, zoals toegelicht in de voorgaande antwoorden, waarbij ik wel wil onderstrepen dat een adequate waarborging van de privacy van patiënten van groot belang is en blijft.
Hoe reageert u op de uitspraak van de plaatsvervangend voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) dat het DBC-informatiesysteem (DIS) een van de meest risicovolle databases van het land is, omdat jaarlijks alle gegevens van patiënten in Nederland daarin worden ondergebracht? Hoe reageert u voorts op zijn uitspraak dat dit meer dan genoeg gegevens zijn om – als je kwaad zou willen – te herleiden waar het om gaat? Wat vindt u ervan dat het CBP zich afvraagt of het DIS nog wel privacyproof is?
Het is een feit dat het DIS een zeer omvangrijke database is die gegevens bevat die – indien deze tot identificeerbare individuen herleidbaar zouden zijn, wat niet zo is – privacybelastend zouden zijn. Mijn ambtsvoorgangers, ikzelf en medewerkers van het Ministerie van VWS zijn zich – met het CBP – altijd zeer bewust geweest van dat risico en van het feit dat er daarom altijd adequate (technische en organisatorische) maatregelen nodig zijn om dit risico te beheersen.7
In aanloop naar de instelling van het DIS, heeft mijn ambtsvoorganger in 2005 advies gevraagd aan het CBP over het toepassen van pseudonimisering van medische persoonsgegevens voordat ze het DIS bereiken en voordat ze worden opgeslagen in het DIS. Bij pseudonimisering van persoonsgegevens worden de identificerende kenmerken van personen op een zodanige manier (vooraf) versleuteld en omgezet in een pseudo-identiteit, dat de werkelijke identiteit van de betreffende personen niet meer te achterhalen is. Direct identificerende gegevens worden dubbel versleuteld (oftewel dubbel gepseudonimiseerd) vóórdat ze worden opgeslagen in het DIS: de eerste versleuteling wordt uitgevoerd door de zorgaanbieder die de gegevens aanlevert en de tweede versleuteling door een externe, onafhankelijke organisatie, ZorgTTP (Zorg Trusted Third Party) genaamd. De pseudonimisering is zo ingericht dat deze onomkeerbaar is en daarmee dus niet meer herleidbaar tot individueel identificeerbare personen.
Het CBP heeft in een brief van 10 januari 2006 op het voornoemde adviesverzoek gereageerd. Het CBP bevestigde – zoals ook in de uitzending van Zembla werd aangehaald – dat het DIS «een van de meest risicovolle verwerkingen in Nederland» is en dat «dit maakt dat bij de verdere uitwerking van de pseudonimisering van het DIS de hoogst denkbare maatstaven dienen te worden gehanteerd». Het CBP gaf toen aan dat de destijds aan het CBP voorgelegde aanpak bij het DIS «een correcte toepassing van de pseudonomiseringsoplossing» beschrijft.
Het CBP heeft daarnaast ook als eis gesteld dat de gepseudonimiseerde gegevens niet indirect identificerend mogen zijn. Gegevens zijn volgens het CBP (direct of indirect) identificerend als die gegevens «redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning» kunnen worden gebruikt om de identiteit van een persoon vast te stellen.
Het DIS heeft aan deze eisen van het CBP invulling gegeven door diverse technische en organisatorische maatregelen te nemen, te weten:
Schrikt u ervan dat het CBS in staat is de identiteit van de persoon achter de gespeudoniemiseerde gegevens van het DIS te achterhalen?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de enige ontvanger van DIS-gegevens die op wettelijke grondslag koppelingen mag leggen tussen DIS-gegevens en andere gegevensbestanden. Alleen op deze manier kan het CBS statistieken maken over de relatie tussen enerzijds het zorggebruik en anderzijds bevolkingskenmerken, zoals inkomenspositie of woonsituatie. Het CBS heeft daarvoor in 2006 expliciet akkoord gekregen van het CBP. Het CBP heeft dat gedaan met de wetenschap dat daarmee aan het CBS als enige afnemer de sleutel wordt verstrekt «waarmee de (aan CBS verstrekte) pseudo-identiteiten alsnog kunnen worden geïdentificeerd.»8 Het CBP deed dit in verband met de wettelijke positie van het CBS. Het aanvullende privacyrisico achtte het CBP gering omdat het CBS reeds het wettelijk recht heeft persoonsgegevens op te vragen en de wet het CBS verbiedt deze verder te verspreiden en openbaar te maken op individueel niveau. De juridische kaders waarbinnen het CBS met privacygevoelige informatie om mag gaan zijn geregeld in de CBS-wet9 en de Wbp.
Gedurende het hele proces waarmee DIS-gegevens aan andere gegevens worden gekoppeld blijven identificerende persoonsgegevens (BSN en geboortedatum) versleuteld. CBS-medewerkers die statistische werkzaamheden uitvoeren hebben daarom géén toegang tot de identificerende persoonsgegevens in relatie tot DIS-bestanden.
Wat vindt u ervan dat het DBC-DOT-systeem, dat afgeleid is van betalen per verrichting, eerst de zorgkosten opjaagt, daarna de financiering van ziekenhuizen zo ingewikkeld maakt dat accountants geen goedkeurende verklaring willen afgeven over de jaarrekeningen en nu de privacy van patiënten in gevaar brengt? Maakt dit dat u het faillissement van de betaling per verrichting en het DBC-DOT-systeem erkent? Zo ja, wat betekent dat? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de context van uw vraag, beperk ik mij in de beantwoording tot uw opmerking dat het DBC-systeem de privacy van patiënten in gevaar zou brengen en dat dit het faillissement van het DBC-systeem zou betekenen. Het CBP en de rechter hebben bepaald dat het huidige DBC-systeem, inclusief de daarbij behorende regelgeving, géén onevenredige inbreuk doet op de privacy van patiënten. In het najaar van 2005 is het CBP akkoord gegaan met het gebruik van de huidige diagnose-informatie op DBC-niveau in het declaratieverkeer in de somatische zorg, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat op de middellange termijn het aantal DBC’s zou worden teruggedrongen door indikking of vergroving (dit is met de DOT-operatie gebeurd). Daarnaast is de privacy van patiënten binnen het DIS en bij het CBS beschermd door de hiervoor genoemde risico-beheersende maatregelen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in twee uitspraken in relatie tot de ggz geoordeeld dat de vermelding van diagnose-informatie op de declaratie niet onrechtmatig is, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden (LJN: BN3056 en BV8297). Met de huidige regelgeving wordt aan die voorwaarden voldaan. Ik ben het dan ook niet eens met uw conclusie.
Het bericht "Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de brief van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag van 30 januari 2014 aan het Nederlandse slachtoffer?2
Ja.
Acht u het bewezen dat de Afghaanse diplomaat meerdere malen met zijn vuist geslagen heeft en schade veroorzaakt heeft aan de auto?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft deze zaak onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er verschillende strafbare feiten zijn gepleegd. Deze kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling en vernieling. Buitenlandse Zaken heeft kennisgenomen van de conclusies van het OM.
Wanneer en op welke wijze heeft u de Afghaanse ambassade op de hoogte gesteld van de mening van de Nederlandse regering? Hoe luidt die mening?
Op 30 januari jl. is de Afghaanse ambassadeur ontboden. In dat gesprek is aangegeven dat:
Heeft de Nederlandse regering ook aan de Afghaanse ambassade gevraagd om de schade aan de auto te vergoeden? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien u niet bereid bent om dit verzoek bij de Afghaanse ambassade neer te leggen, op welke wijze kan het Nederlandse slachtoffer dan zijn schade op de dader verhalen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Afgaanse ambassade van 31/12/2013, waarin de ambassade stelt dat alleen haar staflid aangevallen is en slachtoffer is van mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)(het Afghaanse staflid zou niet aangevallen hebben en niet geprovoceerd hebben)? Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de ambassade in afwachting was van een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Wanneer is het rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken over dit incident uitgebracht en kunt u het rapport, dan wel de inhoud op hoofdlijnen, openbaar maken?
Buitenlandse Zaken heeft het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie op 30 januari jl. gedeeld met de Afghaanse ambassadeur, toen deze ontboden is op Buitenlandse zaken. De teneur van het rapport is weergegeven in het antwoord op de Kamervragen (vraag3 van de leden Helder en De Roon over dezelfde kwestie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2049).
Klopt het dat dezelfde diplomaat en een assistent van hem op 17 februari in PowNews betrapt werden op het langdurig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats en daarvoor ook een bon uitgeschreven kregen?
In verband met de privacy van betrokkenen doen wij geen uitspraken over het aantal uitgeschreven en nog openstaande boetes in individuele gevallen. Enkele administratieve sancties die zijn uitgeschreven aan de Afghaanse delegatie, zijn op dit moment nog niet betaald. Buitenlandse Zaken heeft zoals gebruikelijk contact opgenomen met de ambassade over de betaling.
De betreffende diplomaat beschikte tot het moment van zijn vertrek uit Nederland over een taxfree tankpas. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in dezelfde uitzending van PowNews aankondigde contact op te laten nemen met de Afghaanse ambassade? Wanneer is dat gebeurd en met welke boodschap?
Ja. De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari jl. bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is.
Heeft de betreffende diplomaat de boete betaald en staan er nog steeds boetes open? Beschikt hij op dit moment over een tankpas om accijns en btw-vrij te kunnen tanken?
Zie antwoord vraag 9.
Van hoeveel diplomaten is na de aankondiging van januari 2014 dat zij geen tankpas meer zouden hebben bij openstaande schulden, hun tankpas ook daadwerkelijk afgenomen?
Tot heden zijn er nog geen tankpassen geblokkeerd. Ik heb in januari 2014 aangekondigd dat een van de elementen uit het plan van aanpak zal zijn het blokkeren van tankpassen. Deze maatregel, aangekondigd in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april jl. is toegezonden) is onderdeel van een nieuw werkproces, waarmee Buitenlandse Zaken structureler zal inzetten op betaling van verkeersboetes.
Om dit mogelijk te maken moeten onder andere het CJIB en Buitenlandse Zaken hun informatiesystemen over openstaande verkeersboetes op elkaar afstemmen. Het is de bedoeling dat in een nieuw op te zetten database (anders dan nu) de gegevens over openstaande verkeersboetes langdurig beschikbaar en dus opeisbaar blijven. Buitenlandse Zaken en het CJIB zijn deze nieuwe samenwerking aan het opzetten, en de verwachting is dat het nog zeker enige maanden zal duren voor deze geheel operationeel is.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ambassadesecretaris in het AD-artikel dat »de 23-jarige Nederlander diplomaat S. [heeft] beledigd vanwege zijn geloof. Als zoiets in Afghanistan bekend wordt, kan de situatie escaleren. Ik hoop dat er dan niets gebeurt met de Nederlandse ambassade in Kaboel.», terwijl in de processen-verbaal, in het persbericht van de ambassade zelf, in de brief van de rechtbank, in het verslag van de getuige of waar dan ook geen sprake is van belediging vanwege het geloof, terwijl er nu wel met escalatie gedreigd wordt?
Bovenstaande uitspraak komt, indien deze gedaan is, geheel voor rekening van de desbetreffende persoon. De Afghaanse ambassade heeft aan Buitenlandse Zaken schriftelijk laten weten dat er geen sprake is van enige dreiging met escalatie, en dat de betreffende medewerker dergelijke uitspraken niet heeft gedaan. Ten aanzien van de vermeende belediging vanwege het geloof geldt dat Buitenlandse Zaken zich baseert op het gestelde in het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie. Daarin staat niets vermeld over een dergelijke belediging.
Bent u bereid om de ambassade uit te nodigen om aan te geven wanneer de diplomaat vanwege zijn geloof beledigd is of anders de uitspraak terug te nemen?
Indien een dergelijke belediging was geuit had de betrokken diplomaat dit kunnen melden aan de politie. De ambassadeur, in de gesprekken met Buitenlandse Zaken, heeft evenmin melding gemaakt van een dergelijke belediging. Daar waar zowel betrokkene als de ambassade ruimschoots gelegenheid hadden om een dergelijke belediging aanhangig te maken, zie ik het nut niet van een uitnodiging aan de ambassade om specifiek hierover te spreken.
Misdrijven plegende Afghaanse diplomaat en de uitzending van PowNews d.d. 17 april 2014 |
|
Raymond de Roon (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Is de berichtgeving «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrijuit» correct?1 Zo neen, wat is dan wel de juiste en volledige weergave van de gebeurtenissen?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) is gebleken dat een Afghaanse diplomaat in december 2013 betrokken was bij twee incidenten op dezelfde dag. Het eerste incident betreft een onenigheid in het verkeer waarbij woorden zijn gevallen tussen de diplomaat en een Nederlandse man. Hier is ook sprake geweest van een handgemeen. Het tweede incident vond op dezelfde dag plaats, op een andere locatie. De diplomaat heeft toen met zijn auto de weg geblokkeerd voor eerdergenoemde Nederlandse man en hij zou tegen de auto hebben geschopt. Beide partijen hebben aangifte gedaan van hetgeen deze dag is voorgevallen. De Afghaanse diplomaat heeft zich volgens het OM schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling. De diplomaat wordt niet vervolgd vanwege zijn diplomatieke status. De Nederlandse man wordt niet vervolgd omdat hij naar het oordeel van het OM handelde uit zelfverdediging.
Kent u de uitzending van PowNews d.d. 18 april 2014 en meer specifiek het gedeelte waarin de verslaggever wordt mishandeld?2
Ja
Waarom heeft u het gelaten bij het «op het matje roepen van de Afghaanse ambassadeur»? Waarom is de mishandelende en vernielende diplomaat niet uitgewezen?
Het ontbieden van de ambassadeur geldt in het diplomatieke verkeer reeds als een zeer zwaar middel. Het uitwijzen van een diplomaat (verklaren tot «persona non grata») is de uiterste sanctie die een ontvangend land ten opzichte van een diplomaat kan nemen. In dit geval was het gedrag van de betreffende diplomaat weliswaar volstrekt onacceptabel, maar kwalificeerde het niet voor het treffen van een dergelijke zichtbare en politiek beladen sanctie.
Buitenlandse Zaken heeft benadrukt, in een onderhoud met de ambassadeur op 30 januari jl., dat de geloofwaardigheid en daarmee het functioneren van de betreffende diplomaat vis-a-vis de Nederlandse autoriteiten is aangetast.
Hebt u op basis van artikel 32 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de immuniteit van de diplomaat op te heffen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen, een dergelijk verzoek is niet gedaan. Een verzoek om opheffing van immuniteit is niet meer aan de orde, gezien het feit dat het OM de zaak heeft geseponeerd, en gezien het feit dat betrokkene inmiddels Nederland heeft verlaten.
Hebt u op basis van artikel 31 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de diplomaat zelf te vervolgen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het is niet aan Nederland om een dergelijk verzoek aan Afghanistan te doen. Ik ga er van uit dat de ambassadeur zijn autoriteiten heeft geïnformeerd over het gedrag van zijn medewerker. Voorts staat het Afghanistan vrij om de betreffende persoon te vervolgen indien dit volgens de lokale wetten mogelijk is en opportuun geacht wordt.
Kunt u verklaren waarom een misdrijven plegende diplomaat ervan afkomt met een berisping en iedere niet-diplomaat voor dezelfde misdrijven op zijn minst een forse geldboete opgelegd wordt?
Nederland heeft, conform het Verdrag van Wenen, geen rechtsmacht over diplomaten met een absolute immuniteit. Tegelijkertijd worden diplomaten geacht de regels en wetten van Nederland te respecteren. Wanneer dat niet het geval is maakt Nederland een afweging over eventueel te nemen maatregelen. In dit geval wordt betrokkene terug geroepen door de Afghaanse autoriteiten; dat is voor de betrokken diplomaat en zijn gezin een zware maatregel.
Wat heeft u inmiddels gedaan naar aanleiding van de beelden van de auto van dezelfde Afghaanse diplomaat toen die urenlang een invalidenparkeerplaats bezet hield? Heeft u hem zijn diplomatieke kenteken afgenomen? Zo neen, waarom niet?
De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Spelen de islamitische gevoeligheden enige rol bij de manier waarop u deze zaken hebt behandeld, zoals in de berichtgeving wordt gesuggereerd? Gaarne een toelichting.
Religie is in deze casus geen factor van overweging.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar de toepassing van het beleid van de staat New York hier in Nederland, dat tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie door u aan de Kamer is toegezegd?
Aan de sanctie van het niet verlengen van de registratie van diplomatieke kentekens zoals deze in de VS wordt gebruikt, kleven de nodige bezwaren. Deze bezwaren zijn in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april is toegezonden) uiteengezet. Allereerst is van belang op te merken dat met het intrekken van een CD-plaat de onderliggende diplomatieke status van de betrokkene niet verandert. Ook zal het in de praktijk lastig zijn om kentekenplaten daadwerkelijk in te nemen. De Nederlandse wet- en regelgeving op dit terrein is anders opgezet dan bijvoorbeeld in de VS, waar diplomatieke kentekens ieder jaar verlengd moeten worden. Bovendien leidt het intrekken van CD-platen meteen tot effecten in de fiscale sfeer, die vervolgens weer inbreuk kunnen maken op verdragsverplichtingen onder het Verdrag van Wenen. Tot slot geldt dat het intrekken van bijzondere kentekens op gespannen voet staat met het eveneens in het Verdrag van Wenen vastgelegde beginsel van vrijheid van beweging. Dergelijke maatregelen kunnen onmiddellijk leiden tot tegenmaatregelen («reciprociteit») in het betreffende land ten aanzien van Nederlandse diplomaten.
Is dit onderzoek bijna gereed? Zo nee, gaat u er vaart achter zetten nu blijkt dat diplomaten zich nog steeds niets van de Nederlandse wet aantrekken?
Het onderzoek naar de maatregelen die kunnen worden ingezet tegen geprivilegieerden die zich niet aan de Nederlandse wet houden, is inmiddels afgerond. In eerder genoemde brief van 23 april 2014 zijn de bevindingen van dit onderzoek beschreven.
Landingsbeperkingen voor vrachtvliegtuigen op Schiphol |
|
Ton Elias (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederland is te klein voor protectionistische luchtvaart»?1
Ja.
Komt het voor dat toestemming wordt geweigerd aan maatschappijen om met vrachtvliegtuigen te landen op Schiphol, omdat Nederland het verstrekken van landingsrechten niet van toegevoegde waarde vindt?
Voor luchtverkeersrechten geldt in de eerste plaats dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen maatschappijen die binnen de Europese Unie zijn gevestigd en maatschappijen die daar buiten gevestigd zijn. Voor EU maatschappijen geldt dat zij zonder enige beperkingen in verkeersrechten binnen Europa vracht mogen vervoeren. Luchtvaartmaatschappijen die buiten de EU zijn gevestigd, moeten een zogenaamde routevergunning aanvragen bij mijn ministerie. Deze routevergunning wordt in beginsel altijd toegekend indien hierover in het bilaterale luchtvaartverdrag tussen Nederland en het land van herkomst van de betreffende luchtvaartmaatschappij afspraken zijn gemaakt (het zogenaamde geregeld luchtvervoer). Deze luchtvaartverdragen gaan in principe uit van reciprociteit. Dit betekent dat de luchtvaartmaatschappijen die in het andere land zijn gevestigd vergelijkbare verkeersrechten krijgen als de in Nederland gevestigde maatschappijen die naar het betreffende land vliegen. Hoe liberaal deze afspraken over verkeersrechten zijn hangt dus niet alleen af van Nederland maar ook van het land waarmee het verdrag is gesloten.
Daarnaast is het mogelijk dat luchtvaartmaatschappijen ook buiten het luchtvaartverdrag om een routevergunning aanvragen (het zogenaamde ongeregeld luchtvervoer). In die situatie maak ik per geval een belangenafweging gebaseerd op de uitgangspunten van de Luchtvaartnota (2009), de Beleidsregel vergunningen voor geregeld en ongeregeld vervoer en de Vergunningennota Luchtvaart. In die belangenafweging wordt, conform de wijze zoals aangegeven in de vergunningennota en de beleidsregel onder meer gekeken naar de luchtvaartpolitieke relatie met het land van herkomst van de luchtvaartmaatschappij en de vraag of er nadelige effecten uit toekenning voortvloeien voor de netwerkkwaliteit van het bestaande geregelde vervoer van, naar, en via Nederland. Het kan dus, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, voorkomen dat op basis van de belangenafweging in een beperkt aantal gevallen toestemming geweigerd wordt aan luchtvaartmaatschappijen om met vrachtvliegtuigen op Schiphol te opereren.
Overigens merk ik op dat er op Schiphol sprake is van een ruim aanbod van vrachtvluchten. Er zijn ca. 25 luchtvaartmaatschappijen op Schiphol actief die met vrachtvliegtuigen opereren.
Is het correct dat vrachtvluchten, in tegenstelling tot passagiersvluchten, niet primair bijdragen aan de spilfunctie van Schiphol en dus geen direct gevaar vormen voor de positie van binnenlandse luchtvaartmaatschappijen?
Deze stelling onderschrijf ik niet. Zowel vrachtvluchten uitgevoerd met full freighter toestellen als passagiersvluchten kunnen in potentie bijdragen dan wel afbreuk doen aan de netwerkkwaliteit en spilfunctie van Schiphol. Daarbij dient men zich te realiseren dat een groot deel van de luchtvracht wordt vervoerd in het ruim (de «belly») van passagiersvliegtuigen. Deze bellyvracht kan in belangrijke mate bijdragen aan de rentabiliteit van passagiersvluchten. Minder vracht kan de rentabiliteit van bepaalde passagiersvluchten onder druk zetten en leiden tot het opheffen daarvan. Er kan dus, afhankelijk van de specifieke details van een aanvraag, wel degelijk een risico optreden voor de netwerkkwaliteit. Dit maakt een specifieke case-by-case belangenafweging dan ook altijd noodzakelijk.
Kunt u een schatting maken hoeveel vrachtverkeer door de huidige regelgeving genoodzaakt is om uit te wijken naar bijvoorbeeld België of Duitsland? Zo nee, waarom niet?
Deze inschatting is lastig te maken. Ik heb alleen inzicht in de verzoeken die worden gedaan voor uitbreiding van verkeersrechten (geregeld of ongeregeld) naar Nederland. Ik heb geen inzicht in de verzoeken voor verkeersrechten die worden gedaan in andere landen, zoals België en Duitsland. Evenmin heb ik inzicht in hoe deze landen deze verzoeken beoordelen en of ook daar in specifieke gevallen verkeersrechten niet zijn toegekend.
Bent u bereid om met de relevante partijen om tafel te gaan zitten om te bezien of de bestaande voorwaarden voor vrachtvluchten versoepeld kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben altijd bereid om met de relevante partijen uit de luchtvrachtsector te overleggen over het huidige afwegingskader voor het toekennen van routevergunningen. In maart van dit jaar hebben ambtenaren van mijn ministerie al tijdens een vergadering van Air Cargo Netherlands (ACN) het afwegingskader dat wordt gebruikt bij de beoordeling van verzoeken om verkeersrechten toegelicht. Bij dit overleg was ook de belangenorganisatie EVO aanwezig. Tijdens het overleg is aan de aanwezigen het aanbod gedaan om mee te denken over een nadere uitwerking van het afwegingskader wat wordt gebruikt bij de beoordeling van vergunningen voor vrachtvervoer.