Verboden gokreclames |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Online gokken op het WK kan in Nederland nog volop»?1 Herinnert u zich diverse eerdere schriftelijke en mondelinge vragen over dit onderwerp?2 3 Herinnert u zich de motie-Bouwmeester c.s. uit 2011, waarin verzocht werd illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking te laten komen voor een vergunning voor kansspelen via internet?4
Ja.
Deelt u de mening dat kansspelaanbieders, die in weerwil van voornoemde motie, de waarschuwingen van de Kansspelautoriteit, uw antwoorden op diverse eerdere vragen illegaal online kansspelen aanbieden, de bestaande wet- en regelgeving willens en wetens overtreden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de kansspelautoriteit (ksa) om toe te zien op de naleving van de Wet op de kansspelen en onderliggende regelgeving, alsmede om het verbod op kansspelen waarvoor geen vergunning is verleend te handhaven. De ksa heeft mij desgevraagd laten weten voortdurend onderzoek te doen naar websites waarvan het spelaanbod mede op Nederland is gericht. Daarbij wordt bezien of deze sites al dan niet voldoen aan de door de ksa gestelde prioriteringscriteria. Om lopende onderzoeken niet te verstoren, doet de ksa geen mededelingen over individuele zaken of aanbieders.
Bent u nog steeds voornemens om «aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland te zijner tijd uit te sluiten voor een vergunning voor kansspelen in Nederland»?5 Bent u nog steeds van mening dat deze aanbieders met vuur spelen?6 Zo ja, hoe gaat u ervoor zorg dragen dat deze aanbieders die vergunningen op grond van de wetgeving die u aan het voorbereiden bent, straks daadwerkelijk niet kunnen krijgen? Zo nee, waarom bent u van mening veranderd en hoe verhoudt zich dat tot de wens van de Kamer zoals verwoord in de motie Bouwmeester c.s. en de waarschuwingen van de Kansspelautoriteit aan diverse kansspelondernemingen?
Zoals ik uw Kamer bij brief van 4 mei 20127 heb geïnformeerd, ben ik voornemens aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland uit te sluiten van een vergunning voor kansspelen in Nederland. Sommige aanbieders lijken inderdaad scherp aan de wind te zeilen. In het najaar zal ik in een brief aan uw Kamer toelichten hoe aan dit voornemen uitvoering te geven.
Behoren de in het bericht genoemde bedrijven Unibet, Bwin en William Hill tot de kansspelaanbieders die met vuur spelen? Zo ja, wat betekent dat concreet voor deze bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de ksa om te beoordelen of deze aanbieders al dan niet in strijd handelen met de Wet op de kansspelen. De kansspelautoriteit heeft mij laten weten voortdurend onderzoek te doen naar websites waarvan het spelaanbod mede op Nederland is gericht. Deze onderzoeken kunnen leiden tot het opleggen van boetes. Ook kan de ksa met andere handhavingspartners afspreken dat deze een onderzoek overnemen en kan een zaak bijvoorbeeld strafrechtelijk worden afgedaan. Dit kan ertoe leiden dat aanbieders aan wie een sanctie is opgelegd straks niet in aanmerking komen voor een vergunning. Om lopende onderzoeken niet te verstoren, doet de kansspelautoriteit geen mededelingen over individuele zaken of aanbieders.
Kent u nog meer kansspelbedrijven die met vuur spelen? Zo ja, welke zijn dat?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat in de wet- of regelgeving omtrent het verlenen van vergunningen voor online kansspelen expliciet opgenomen moet worden dat aanbieders die deze kansspelen vanaf een bepaalde datum illegaal hebben aangeboden, uitgesloten dienen te worden van een dergelijke vergunning? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat die in wet- of regelgeving op te nemen datum op basis van het momenteel geldende verbod voor het aanbieden van dergelijke kansspelen en de waarschuwingen van de Kansspelautoriteit aan deze aanbieders reeds verstreken is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het wenselijk dat de Kansspelautoriteit een onderneming die nu illegaal online kansspelen aanbiedt afzonderlijk en expliciet op de hoogte stelt van het feit dat het straks niet of vrijwel zeker niet meer in aanmerking kan komen voor een online vergunning? Zo ja, gaat dat dan ook daadwerkelijk gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 en 6 heb aangeven, ben ik voornemens uw Kamer in het najaar een brief te sturen over de wijze waarop de ksa zal omgaan met aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland. In deze brief zal tevens worden ingegaan op de vraag hoe deze aanpak te communiceren.
Het niet vervolgen van vluchtelingen met valse papieren |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vluchteling met vals paspoort gaat vrijuit in Nederland»?1
Ja.
Klopt het dat als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, het Openbaar Ministerie geen vluchtelingen meer vervolgt als zij met valse papieren het land binnenkomen?
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een asielzoeker niet strafrechtelijk dient te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten.2 Dat betekent dat de asielzoeker niet strafrechtelijk kan worden vervolgd totdat onherroepelijk afwijzend op de asielaanvraag is beslist. Strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie is wel mogelijk na een onherroepelijke afwijzing van de asielaanvraag en wanneer de vreemdeling gebruik maakt van valse of vervalste reisdocumenten nadat hij in het bezit is gesteld van een asielverblijfsvergunning.
Deze praktijk is niet nieuw. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 20123 vervolgt het Openbaar Ministerie in beginsel alleen nog zaken waarbij een vreemdeling in het bezit is van een vals of vervalst reisdocument als er een onherroepelijke en afwijzende uitspraak is op de eerste asielaanvraag. Met het verschijnen van het arrest van 3 juni 2014 zijn de mogelijkheden voor het Openbaar Ministerie om vreemdelingen met een vals of vervalst reisdocument te vervolgen niet veranderd.
Hoe duidt u de uitspraak van de Hoge Raad en hoe beziet u uw pogingen om überhaupt een eigen toelatingsbeleid te voeren, als zelfs vluchtelingen met valse papieren geen strobreed in de weg gelegd wordt?
Het arrest van de Hoge Raad ziet op de strafrechtelijke vervolging van vreemdelingen voor het gebruiken van valse of vervalste reisdocumenten. Het heeft geen directe gevolgen voor het toelatingsbeleid. Er moet immers een onderscheid worden gemaakt tussen de strafrechtelijke procedure en de vreemdelingrechtelijke procedure. Het feit dat een asielzoeker niet kan worden vervolgd voor het gebruik van een vals of vervalst reisdocument zolang niet onherroepelijk vast staat dat hij geen vluchteling is, staat los van de beoordeling van de toelatingsvraag. Voor de beoordeling van de asielaanvraag is en blijft van belang dat de asielzoeker ter staving van zijn aanvraag documenten, zoals een paspoort, overlegt als hij die bezit. Indien de asielzoeker ter staving van zijn asielaanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren overlegt en opzettelijk de echtheid daarvan volhoudt, kan dit aan hem worden tegengeworpen en kan dat leiden tot afwijzing van zijn asielverzoek.
Hoeveel vluchtelingen zullen als gevolg van deze uitspraak niet worden vervolgd en deelt u de vrees dat deze ontwikkeling zorgt voor een aanzuigende werking?
Zoals ik in antwoord twee heb aangegeven is strafrechtelijke vervolging wel mogelijk nadat de afwijzing van de asielaanvraag onherroepelijk is geworden en wanneer de vreemdeling zich schuldig maakt aan het gebruik van valse of vervalste reisdocumenten nadat hem een asielverblijfsvergunning is verleend. Ik verwacht dan ook geen aanzuigende werking van het arrest van de Hoge Raad.
Hoeveel asielzoekers niet strafrechtelijk worden vervolgd laat zich niet voorspellen aangezien ieder asielverzoek op de individuele merites wordt beoordeeld.
Bent u bereid om al het mogelijke te doen om deze uitspraak ongedaan te maken, zelfs als dat betekent dat het Vluchtelingenverdrag moet worden opgezegd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uitgangspunt van het kabinet is dat Nederland bescherming biedt aan personen die in het land van herkomst vervolging of onmenselijke behandeling vrezen conform de daartoe geldende internationale verdragen en internationaal recht. Het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag verdraagt zich niet met dit uitgangspunt en is daarom niet aan de orde.
Een nieuw onderzoek naar omvangrijke kinderarbeid en schending van andere arbeidsrechten in de Turkse hazelnootproductie |
|
Roelof van Laar (PvdA), Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het recente onderzoek van de Fair Labor Association in opdracht van Nestlé naar kinderarbeid en arbeidsomstandigheden bij de hazelnootoogst in de regio's Ordu en Giresun in Turkije, waaruit onder meer blijkt dat er sprake is van omvangrijke kinderarbeid (41% is jonger dan 18 jaar en de helft daarvan jonger dan 15 jaar), zeer lange werktijden (meer dan 11 uur per dag) en lonen onder het wettelijk minimumloon?1
Ja.
Erkent u dat deze uitgebreide impactbeoordeling in grote lijnen overeenkomt met de situatie zoals die bij de Turkse hazelnootoogst in het algemeen geldt, mede omdat deze kwekers niet door Nestlé zelf zijn geselecteerd? Zo nee, waarom niet?
Het valt moeilijk te staven of de productieketen van Nestlé in de regio’s Ordu en Giresun representatief is voor de gehele hazelnootoogst in Turkije.
Hoe beoordeelt u deze ernstige situatie, mede gezien de door u ondersteunde activiteiten rond deze kwestie, waaronder de steun aan een project van de International Labour Organization (ILO) in Turkije in de Ordu-regio, dat in november 2012 is gestart en heeft geleid tot een actieplan dat met lokale overheden en maatschappelijke organisaties is besproken?2
De Turkse overheid erkent dit probleem en pakt dit ook aan als primair verantwoordelijke partij. Om samenwerking met andere verantwoordelijke partijen, zoals lokale overheden, boeren, tussenhandelaren en families te bevorderen, steunt Nederland het genoemde ILO-project waar ik ook in mijn antwoorden op eerdere Kamervragen naar verwezen heb3. Net als Europese afnemers ondersteun ook ik het vervolgproject, gericht op het in Turkije relatief nieuwe concept van samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld. Het oplossen van dit structurele probleem zal tijd vergen.
Hebt u het probleem van kinderarbeid aan de orde gesteld tijdens de handelsmissie naar Turkije (2 tot 4 juni jl.)? Zo ja, kunt u de Kamer nader informeren over de resultaten?
Ik heb deze kwestie meerdere malen aan de orde gesteld tijdens mijn missie naar Turkije van 2 tot 4 juni. Zo was kinderarbeid het onderwerp van een bijeenkomst met de Turkse overheid, de ILO en de Nederlandse delegatie. Ik heb hier een bijdrage van 90.000 euro toegezegd aan het hierboven genoemde vervolgproject van de ILO. In een gesprek met vice-premier Babacan heb ik ook aandacht gevraagd voor deze kwestie. Hij gaf aan dat kinderarbeid in de agrarische sector in de afgelopen tien jaar is verminderd en dat Turkije zich blijft inspannen voor een verdere vermindering. Ik heb hem gezegd dat Nederland met Turkije wil blijven samenwerken op dit onderwerp.
Bent u bereid om de situatie zoals geschetst in het onderzoek naar de productieketen van Nestlé opnieuw bij de Turkse autoriteiten en de ILO onder de aandacht te brengen en te vragen welke maatregelen zij hebben genomen of gaan nemen om te voorkomen dat de komende hazelnootoogst (augustus/september) opnieuw tot kinderarbeid en andere schendingen van arbeidsrechten zal leiden?
Deze zaken hebben en houden mijn voortdurende aandacht, zoals ook blijkt uit het feit dat ik dit onderwerp tijdens mijn laatste missie een voorname plek in het programma heb gegeven. Ik zal dan ook het gesprek en de samenwerking met de Turkse overheid over deze thema’s blijven aangaan.
Bent u bereid om op basis van door Nederland gesteund onderzoek naar seizoensgebonden arbeidsmigratie3 ook de bredere problematiek van kinderarbeid en schending van arbeidsrechten in diverse sectoren, waaronder de katoensector, opnieuw bij de Turkse autoriteiten en de ILO onder de aandacht te brengen om de economische en sociale situatie van deze families op een effectieve en duurzame manier te verbeteren? Zo ja, welke actie onderneemt u?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u dat de transparantie van Nestlé over deze grote problemen in de keten, evenals het traceerbaar maken van de productieketen, is te prijzen, en dat van andere bedrijven die hazelnoten uit Turkije importeren en/of verkopen of verwerken in hun producten eenzelfde openheid en verantwoordelijkheid verwacht mag worden? Zo ja, welke actie onderneemt u richting bedrijven?
In lijn met het kabinetsbeleid wat betreft maatschappelijk verantwoord ondernemen, verwacht ik van bedrijven dat ze hun verantwoordelijkheid in de productieketen nemen.
Ik heb, in lijn met dit beleid, FNLI aangesproken op en gevraagd naar de manier waarop haar leden het probleem van kinderarbeid in de hazelnootketen aanpakken en hierover transparantie betrachten. FNLI geeft aan dat de voornaamste Nederlandse afnemers van hazelnoten uit Turkije de internationale bedrijven Nestlé, Ferrero, Mondelez en Unilever zijn, en dat zij deze problematiek geregeld onder de aandacht van haar leden brengt in samenwerking met de Europese brancheorganisatie. Deze laatste organiseert op initiatief van FNLI op 8 juli een bijeenkomst met bedrijven en «stakeholders» over wat zij kunnen doen aan het uitbannen van kinderarbeid in de hazelnootoogst in Turkije. FNLI geeft verder desgevraagd aan dat de genoemde bedrijven, naast deelname in het ILO-project, ook individueel activiteiten ondernemen in hun toeleveringsketen. Ferrero werkt bijvoorbeeld aan het realiseren van 100% traceerbaarheid in de hazelnootketen in 2020, Mondelez richt zich op verbetering van leefomstandigheden van de betreffende arbeiders en Unilever op verduurzaming van hun grondstoffen. Ik heb via FNLI Unilever gevraagd om hierbij ook aandacht te besteden aan de inkoop van hazelnoten.
Hiernaar gevraagd geeft het CBL aan dat supermarkten het belang van goede arbeidsomstandigheden onderschrijven voor alle producten die zij verkopen en dat zij aandacht voor dit thema vragen bij hun leveranciers. Het onderwerp arbeidsomstandigheden in de agroketen zal verder worden geagendeerd in een gesprek tussen de Staatssecretaris van Economische Zaken Dijksma en het CBL.
Bent u bereid andere bedrijven die hazelnoten uit Turkije verkopen of verwerken in hun producten – waaronder Ahold, Unilever, Ferrero en Mondelez – te vragen wat zij doen om kinderarbeid én de daarmee samenhangende lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden te bestrijden en daarover openheid te geven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van mening dat ook supermarkten dit ernstige probleem bij hun leveranciers van (producten met) hazelnoten moeten aankaarten en moeten aandringen op gerichte actie en transparantie? Bent u bereid ook het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) en de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen om de vóórtdurende kinderarbeid en slechte arbeidsomstandigheden bij seizoensgebonden landbouwwerkzaamheden aan de orde te stellen bij hun gesprekken en onderhandelingen met de Turkse regering?
In EU-verband wordt Turkije regelmatig aangesproken op kinderarbeid in het kader van de dialoog over het vervullen van de strenge toetredingscriteria. In deze context dringt de Europese Commissie er bij Turkije herhaaldelijk op aan de inspanningen tegen kinderarbeid verder op te voeren. Ook in haar laatste voortgangsrapport benadrukt de Commissie dat Turkije verdere maatregelen moet nemen om kinderarbeid aan te pakken.
Het fiscaal mogelijk gemaakte (tot een bepaald bedrag vrijgesteld van vermogensrendementsheffing) banksparen ten behoeve van de kosten van een uitvaart |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat geen enkele bank het product banksparen voor uitvaartskosten als alternatief voor een relatief dure uitvaartverzekering aanbiedt en/of heeft aangeboden sinds de mogelijkheid in 2010 is geïntroduceerd?1
Het klopt dat geen enkele bank het product banksparen voor uitvaartkosten aanbiedt. Navraag bij de NVB leert dat dit samenhangt met de geringe bedragen die in dat kader gespaard worden. Een te geringe afname van het product betekent dat de kosten voor de introductie en het onderhoud van de hiervoor benodigde administratieve systemen te hoog zijn om het product aantrekkelijk te maken voor de banken. Bij een keuze tussen verschillende nieuw te ontwikkelen producten valt een dergelijk product dan al snel af.
Wat is volgens u de oorzaak dat geen enkele bank het genoemde product aanbiedt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de wetgeving die fiscaal aantrekkelijk banksparen voor uitvaartkosten mogelijk maakt tot stand is gekomen? Kunt u hierbij specifiek aangeven welke bijdrage de banken hierbij hebben geleverd?
In het Belastingplan 2010 is de uitbreiding vastgelegd van de per 1 januari 2008 bestaande mogelijkheid voor banksparen. Met deze uitbreiding werden bankspaaralternatieven geïntroduceerd voor de stamrechtvrijstelling en voor overlijdensverzekeringsproducten. De doelstelling van het banksparen ligt in het vergroten van de keuzemogelijkheden voor de consument, een vergroting van de concurrentie bij financiële aanbieders en daarmee het vergroten van de transparantie in de kostenstructuren van financiële producten. Met deze uitbreiding van het banksparen is uitvoering gegeven aan de motie van de leden Remkes en Tang3, waarin het kabinet verzocht is onderzoek te doen en voorstellen aan de Kamer voor te leggen om banksparen mogelijk te maken voor meer verzekerings- en spaarproducten. Voorafgaand aan de uitbreiding is overleg gevoerd met de NVB, en via hen met de banken, over hun potentiële interesse in het voeren van een dergelijk product. Naar aanleiding hiervan is destijds de inschatting gemaakt dat er voldoende interesse zou zijn in het product.
Wat is de budgettaire ruimte die jaarlijks wordt gereserveerd voor de genoemde faciliteit?
Het bij het Belastingplan 2010 geraamde budgettaire effect voor de uitbreiding van banksparen voor uitvaartkosten is € 1 mln. per jaar.
Welke gevolgen trekt u uit de constatering dat een fiscale mogelijkheid niet gebruikt kan worden doordat de markt niet wil of kan meewerken aan de vorming van een geschikt product?
Het kabinet heeft via de verruiming van het banksparen de consument en banken als aanbieders van bankspaarproducten een vergroting van de keuzemogelijkheden willen bieden en heeft niet tot doel gehad om de vraag naar spaarproducten voor uitvaartkosten te stimuleren. Het kabinet heeft ook nu geen voornemen om banken aan te sporen of te verplichten om dergelijke bankspaarproducten aan te bieden. Het is aan marktpartijen om af te wegen of de extra keuzemogelijkheden zouden moeten leiden tot nieuwe producten, dan wel tot een toegenomen vraag naar dergelijke producten. Omdat het banksparen voor uitvaartkosten in de praktijk niet wordt aangeboden, zal ik in overleg treden met de NVB. Ik heb het voornemen om de faciliteit af te schaffen in de Fiscale verzamelwet 2015, tenzij de NVB aannemelijk maakt dat bankspaarproducten voor uitvaartkosten alsnog aangeboden zullen gaan worden. Dit draagt ook bij aan de gewenste vereenvoudiging van de regelgeving.
Ziet u op de korte termijn mogelijkheden om met banken afspraken te maken zodat banksparen ten behoeve van uitvaartkosten wel mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het op antwoord op 6 «nee» is, overweegt u om de mogelijkheid tot het aftrekken van dit product in box 3 op korte termijn af te schaffen en te vervangen door een fiscale regeling die wel op draagvlak in de markt kan rekenen?
Zie antwoord vraag 5.
Raamprostitutie in Utrecht |
|
|
|
Kent u het bericht «Raamprostitutie Utrecht pas weer in 2016» en herinnert u zich eerdere vragen over dit onderwerp?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat een grote stad als Utrecht gedurende minimaal drie jaar zonder raamprostitutie zit, het risico met zich meebrengt dat prostitutie buiten het zicht van de autoriteiten plaatsvindt en daarmee het risico dat er slachtoffers van mensenhandel in die prostitutie te werk gesteld worden? Zo ja, wat kunt u doen om deze risico’s te verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De gemeente Utrecht heeft mij meegedeeld mede om die reden actief op te treden tegen onvergunde prostitutie om zo het risico op illegale- en uitbuitingssituaties in de prostitutie te verkleinen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Rebel van uw Kamer3 over het tegengaan van de mogelijke verplaatsing van mensenhandel.
Waarom is het niet mogelijk gebleken om, zoals het voornemen van de gemeente Utrecht was, binnen redelijk afzienbare termijn een alternatief aanbod van raamprostitutie te organiseren?
Op 10 april 2014 heeft de Utrechtse gemeenteraad groen licht gegeven voor de ontwikkeling van 32 tijdelijke en vervolgens 162 definitieve werkruimten aan het Nieuwe Zandpad. De gemeente Utrecht heeft de gemeenteraad op 3 juni 2014 meegedeeld4 dat de vroegst mogelijke realisering van de definitieve locatie zonder bezwaarprocedure zou uitkomen op augustus 2015. De vroegst mogelijke oplevering van de tijdelijke locatie zou uitkomen op april 2015, dus vier maanden voor de definitieve locatie. Verschillen in de voor beide trajecten geldende beroepsprocedures zouden er zelfs toe kunnen leiden dat de tijdelijke locatie later beschikbaar komt dan de definitieve. Een afweging van de kosten en de baten van het realiseren van de tijdelijke werkruimten heeft geleid tot het besluit van de gemeente Utrecht om alleen de definitieve werkruimten te creëren.
Zou het met het oog op het voorkomen van misstanden in de prostitutie beter zijn geweest als het Zandpad open was gebleven, gelet op het feit dat het Zandpad gesloten werd om slachtoffers van mensenhandel te voorkomen en het feit dat er geen alternatieve raamprostitutie in Utrecht is gekomen en ook voorlopig niet zal komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ten aanzien van het Zandpad bestonden vele aanwijzingen van mensenhandel die ingrijpen vereisten.
Wat betekent het feit dat er voor prostituees van het Zandpad voorlopig geen alternatief wordt geboden voor hulp en opvang aan hen? Wordt die hulp en opvang net zo lang gecontinueerd tot er wel een alternatief is?
Sinds de sluiting van alle raamprostitutiezones is de Huiskamer Aanloop Prostituees (HAP) aan het Zandpad, inclusief artsenspreekuur, voortgezet voor 2 dagen per week. Daarnaast is en blijft de uitgebreidere hulpverlening en het uitstapprogramma beschikbaar. De vraag van de prostituees naar deze vormen van hulpverlening bepaalt (mede) het aanbod van hulp- en dienstverlening.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de strafrechtelijke vervolging voor criminele activiteiten waaronder mensenhandel van verdachten die betrokken waren bij de prostitutie op het Raampad?
Zoals ik reeds heb geantwoord op schriftelijke vragen van het lid Rebel van uw Kamer5 zijn door diverse politieregio’s en -eenheden onderzoeken uitgevoerd naar verdachten die betrokken waren bij strafbare feiten in verband met prostitutie op het Zandpad, en valt daar geen totaaloverzicht van te geven. Het openbaar ministerie kan wel aangeven dat hieruit meerdere veroordelingen zijn gevolgd tot vaak langdurige gevangenisstraffen wegens mensenhandel of andere delicten. Verder heeft het openbaar ministerie mij meegedeeld dat zowel over de vraag of er nog onderzoeken lopen en, indien dat het geval zou zijn, over de inhoud en de stand van zaken daarvan, in het belang van opsporing en vervolging geen mededelingen kunnen worden gedaan.
Vluchtelingen met vals paspoort die vrijuit gaan |
|
Sietse Fritsma (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht: «Vluchteling met vals paspoort vrijuit»?1
Ja.
Klopt het dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een asielzoeker niet strafrechtelijk behoort te worden vervolgd wegens het in het bezit hebben van vervalste documenten?
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een asielzoeker niet strafrechtelijk dient te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten.2 Dat betekent dat de asielzoeker niet strafrechtelijk kan worden vervolgd totdat onherroepelijk afwijzend op de asielaanvraag is beslist. Na een afwijzing van de asielaanvraag kan de vreemdeling strafrechtelijk worden vervolgd voor het gebruik van valse of vervalste documenten in de asielprocedure. Een asielzoeker kan ook strafrechtelijk worden vervolgd als hij gebruik maakt van valse of vervalste reisdocumenten nadat hij in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Het gaat dan bijvoorbeeld om strafrechtelijke vervolging wegens fraude na afronding van de asielprocedure.
Deze praktijk is niet nieuw. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 20123 vervolgt het Openbaar Ministerie in beginsel alleen nog zaken waarbij een vreemdeling in het bezit is van een vals of vervalst reisdocument als er een onherroepelijke en afwijzende uitspraak is op de eerste asielaanvraag. Met het verschijnen van het arrest van 3 juni 2014 zijn de mogelijkheden voor het Openbaar Ministerie om vreemdelingen met een vals of vervalst reisdocument te vervolgen niet veranderd.
Deelt u de mening dat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag, waarin wordt bepaald dat er geen strafsancties mogen volgen voor vluchtelingen, ook niet als ze niet over de juiste papieren beschikken die kunnen aantonen dat ze uit een land komen waar hun leven of vrijheid wordt bedreigd, het onmogelijk maakt voor Nederland om te bepalen uit welk land een asielzoeker komt en dus of de asielzoeker wel daadwerkelijk een vluchteling is en hier wel of geen verblijfsstatus kan krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de strafrechtelijke procedure en de vreemdelingrechtelijke procedure. Het feit dat een asielzoeker niet kan worden vervolgd voor het gebruik van een vals of vervalst reisdocument zolang niet onherroepelijk vast staat dat hij geen vluchteling is, althans dat het Openbaar Ministerie daarin niet-ontvankelijk is, staat los van de beoordeling van de asielaanvraag. Voor die beoordeling is en blijft van belang dat de asielzoeker ter staving van zijn aanvraag documenten, zoals een paspoort, overlegt als hij die bezit. Indien de asielzoeker ter staving van zijn asielaanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren overlegt en opzettelijk de echtheid daarvan volhoudt, kan dit aan hem worden tegengeworpen en kan dat leiden tot afwijzing van zijn asielaanvraag.
Hoe vaak gebeurt het dat asielzoekers valse papieren gebruiken en achteraf helemaal geen vluchteling blijken te zijn?
Bij de beoordeling van een asielverzoek betrekt de IND de factoren die staan beschreven in artikel 31, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000, waaronder het door de vreemdeling overleggen van valse of vervalste documenten. Een afwijzing van een asielverzoek is altijd gebaseerd op een beoordeling van alle feiten en omstandigheden en niet op grond van één enkele omstandigheid zoals bijvoorbeeld het overleggen van valse of vervalste documenten. Er bestaan daarom geen gegevens op basis waarvan een direct verband kan worden gelegd tussen het aantal afgewezen asielverzoeken en het aantal malen dat er valse of vervalste documenten zijn overlegd.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen valt aan de hardwerkende Nederlander dat zij wel een straf of boete krijgen als zij over valse documenten beschikken of geen geldig identiteitsbewijs bij zich hebben en een asielzoeker niet? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals ik in mijn antwoord op vraag twee heb aangegeven, is strafrechtelijke vervolging mogelijk nadat de afwijzing van de asielaanvraag onherroepelijk is geworden. Als een vluchteling zich, nadat hem een asielverblijfsvergunning is verleend, schuldig maakt aan het gebruik van valse of vervalste reisdocumenten kan hij ook strafrechtelijk voor worden vervolgd, net als iedere Nederlander die zich aan een dergelijk delict schuldig maakt.
Deelt u de mening dat iedereen bestraft moet worden die de zaak met valse papieren wil bedonderen en dat asielzoekers daarbij niet moeten worden uitgezonderd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt de bijzondere positie van de vreemdeling ten aanzien van wie nog niet onherroepelijk afwijzend op zijn asielaanvraag is beslist. Het arrest is bindend.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag tot gevolg heeft dat een asielzoeker niet strafrechtelijk wordt vervolgd wegens het in het bezit hebben van vervalste documenten?
Er zullen geen maatregelen worden genomen, anders dan dat in voorkomende gevallen goed zal worden bezien of sprake is van een vergelijkbare situatie als in de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Bent u bereid om te bevorderen dat Nederland het Vluchtelingenverdrag opzegt, temeer daar Nederland daardoor nu de verplichting heeft om iedereen die zich hier aanmeldt op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uitgangspunt van het kabinet is dat Nederland bescherming biedt aan personen die in het land van herkomst vervolging of onmenselijke behandeling vrezen conform de daartoe geldende internationale verdragen en internationaal recht. Het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag verdraagt zich niet met dit uitgangspunt en is daarom niet aan de orde.
Het proefschrift ‘Sexoffender Risk Assessment In The Netherlands - Towards a risk need responsivity oriented approach’ van dr. W. Smid |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek en het proefschrift van dr. W. Smid over de behandeltoewijzing van zedendelinquenten op basis van risicotaxatie-instrumenten? Zo ja, hoe oordeelt u over het onderzoek en de aanbevelingen daarin in het algemeen?
Het proefschrift is mij bekend. De studie en het proefschrift sluiten aan bij het beleid dat vanaf 2002 werd ontwikkeld binnen het programma «Naar een veiliger samenleving». De studie van mevrouw Smid toetst als het ware met terugwerkende kracht het belang van dat beleid. De steekproef van dit quasi-experimenteel onderzoek bestond uit veroordeelde zedendelinquenten die in de maatschappij terugkeerden tussen 1996 en 20021 en bij wie achteraf op grond van hun dossiers de risicotaxaties zijn afgenomen. De getoetste adviezen uit de betreffende strafzaken stammen uit de tijd dat het gebruik van risicotaxatie-instrumenten in de Nederlandse praktijk nog in opkomst was. In de periode sindsdien zijn in wetgeving, beleid en uitvoering vele wijzigingen doorgevoerd waarvan sommige zeer ingrijpend.
Bent u bekend met het model van Risk Need Responsivity (RNR) en de bijbehorende principes? Deelt u de stelling van dr. W. Smid dat voor een effectieve behandeling van plegers deze principes leidend zouden moeten zijn bij het toekennen van behandelinterventies?
Het RNR-model is mij bekend. Bij alle typen van delictplegers geldt dit model tegenwoordig als leidend, dus ook bij zedendelinquenten. Zo gebruiken de reclasseringsorganisaties het RISc-instrument, waarmee een goede inschatting kan worden gemaakt van de dynamische risicofactoren. Specifiek voor zedenverdachten wordt de RISc aangevuld met een afname van de Static-99(r).
In de praktijk van het Pro Justitia-onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) zijn zowel de risico-inschatting als ook het onderzoek naar en het advies over de zorg- en beveiligingsbehoeften en de interventiemogelijkheden belangrijke onderdelen van de rapportage. De RNR-uitgangspunten zijn sinds 2010 standaard opgenomen in de rapportage-formats voor gedragsdeskundigen. Het NIFP bewaakt de kwaliteit van de PJ-rapportages. Ook wordt de kwaliteit van de gerechtelijk deskundigen gewaarborgd door het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Voor de herregistratie van de deskundigen zal het NRGD in de komende periode de kennis van risicotaxaties als speerpunt hanteren.
Uit het proefschrift van dr. W. Smid blijkt dat de klinisch bepaalde behandeltoewijzing onvoldoende samenhangt met het recidiverisico; hoe beoordeelt u dat meer dan een kwart van alle veroordeelde verkrachters met een matig-hoog tot hoog recidiverisico na detentie zonder enige vorm van interventie terugkeerde in de samenleving (onderbehandeling)? Welke maatregelen stelt u voor om tot een effectieve keuze van behandeling te komen ter vermindering van de kans op recidive?
De onderzoekspopulatie stroomde uit in de periode van 1996 tot 2002. Sindsdien hebben zich rondom de tenuitvoerlegging van de tbs en de vrijheidsstraf veel veranderingen voorgedaan. Als uitgangspunt geldt dat de intensiteit van de behandeling moet aansluiten bij de ernst van de problematiek, maar met de kanttekening dat niet steeds alle zedendelinquenten met een hoog risico in aanmerking komen voor een hoog intensieve behandeling of andersom. Als geen stoornis is vastgesteld, is een forensisch psychiatrische behandeling niet op zijn plaats. In die gevallen kan een vrijheidsstraf aan de orde zijn. Detentie biedt dan evenveel of meer beveiliging, terwijl andersoortige risicofactoren daar kunnen worden aangepakt. Ten aanzien van deze groep kan mogelijk door het stellen van voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling worden gewerkt aan gedragsverandering. Ook wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de mogelijkheid om (behandel-)interventies als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijke veroordeling te verbinden.
Andere vormen van ondersteuning richten zich op de maatschappelijke re-integratie van zedenplegers. Ter voorkoming van terugval wordt ondersteuning geboden bij het vinden van werk, vrije tijdsbesteding en een woning. Daarnaast zijn op het terrein van de nazorg belangrijke verbeteringen doorgevoerd. Waar nodig worden vrijwilligers ingeschakeld, bijvoorbeeld via Circles of Support and Accountability (COSA). Dit project is gericht op re-integratie van zedendaders die onder toezicht staan van de reclassering.
Waar mogelijk wordt gewerkt aan verbetering van de risicoanalyse. In dit kader concludeert de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen in het recent uitgebracht rapport «Op Goede Grond» dat bij het NIFP nog verbetering mogelijk is, met name door vaker gebruik te maken van wetenschappelijk geverifieerde risicotaxatie-instrumenten ter onderbouwing van het recidiverisico. In reactie hierop laat het NIFP weten dat voortdurend wordt gewerkt aan kwaliteitsverbetering. Momenteel lopen er twee projecten ter verbetering van de risicoanalyse. Binnen het project «Stoornis en gevaar» wordt gewerkt aan het verbeteren van de risicoanalyses op grond van wetenschappelijk onderzoek, te beginnen bij daders van seksuele delicten. Daarnaast is de ontwikkeling van een best practice voor risicoanalyse gestart middels het project «Eenduidige risicoanalyse». Het adequate gebruik van gevalideerde risicotaxatie-instrumenten, waaronder ook de Static-instrumenten, maakt daar deel van uit.
Daarnaast blijkt uit het proefschrift dat meer dan een kwart van alle veroordeelde kindermisbruikers een veel intensievere behandeling onderging dan hun risiconiveau rechtvaardigde (overbehandeling); hoe oordeelt u hierover? Gaat u maatregelen voorstellen om onnodige behandeling tegen te gaan?
Een persoon met een relatief laag risico kan in eerste instantie toch baat hebben bij een hoog intensieve behandeling. In die gevallen is het belangrijk dat doorstroming naar een lager behandelniveau tijdig in gang wordt gezet, zodat relatief dure zorgplekken niet onnodig lang bezet blijven. Over de doorstroming binnen de forensische zorg zijn vorig jaar met het veld goede afspraken gemaakt, waaronder het terugbrengen van de gemiddelde tbs-behandelduur naar acht jaar, waarvan de eerste resultaten reeds zichtbaar worden.
In het proefschrift worden verschillende (succesvolle) risicotaxatie-instrumenten genoemd en beoordeeld (Static-2002R en Static-99R); bent u bekend met de genoemde instrumenten en in het bijzonder met de Static instrumenten? Zo ja, bent u bereid nader onderzoek te doen naar het succes en de toepasbaarheid hiervan in Nederland?
Ik ben bekend met de genoemde instrumenten, waarvan dit jaar de Nederlandstalige handleidingen beschikbaar zijn gekomen. Aan de sector heb ik – eveneens dit jaar – gevraagd de preferente risicotaxatie-instrumenten aan te wijzen. Voor de klinische setting zijn de HCR-20 V3 (Historical, Clinical, and Risk Management, versie 3) en HKT-R (Historische, Klinische en Toekomstige Risicoindicatoren-Revised) dit jaar aangewezen als de preferente instrumenten. Vanaf 2015 zullen alle klinische zorginstellingen, voor zover zij dit niet al doen, één van beide instrumenten gebruiken.
Daarnaast heeft de sector besloten om per 2015 een jaarlijkse afname van de klinische items (K-items) van de HKT-R verplicht te stellen voor alle klinische patiënten. Dit geldt tevens voor de zedendelinquenten. Uiteraard staat het behandelaars vrij in aanvulling hierop de Static-2002R en Static-99Rte gebruiken voor het maken van een inschatting van het risico van een zedendelinquent. Het NIFP heeft aangegeven dat deze instrumenten reeds worden betrokken in de eerder genoemde trajecten ter verbetering van de risicoanalyse. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat voor de juiste werking van de genoemde risicotaxatie-instrumenten geen medewerking van de verdachte vereist is?1 Bieden deze instrumenten zodoende nog meer handvatten om de problematiek van de weigerende observandi aan te pakken?
Risicotaxatie-instrumenten zijn niet altijd even bruikbaar, met name niet als verdachten weigeren mee te werken aan het onderzoek. Risicotaxatie-instrumenten geven bovendien geen volledig zicht op de dynamische risicofactoren en soms, bij minder intensief onderzoek, ook niet op de historische factoren. Bovendien vormt de PJ-rapporteur zich tevens een oordeel over de relatie tussen het delict en de eventuele stoornis, de toerekenbaarheid van het delict en de vatbaarheid van de persoon voor een psychiatrische behandeling. Het PJ-onderzoek richt zich dus niet alleen op R(isks), maar nadrukkelijk ook op N(eeds) en R(esponsivity),die in de studie van mevrouw Smid geen onderwerp van onderzoek waren en verder onbesproken blijven.
Op basis van forensisch-psychiatrische en psychologische richtlijnen geldt een combinatie van risicotaxatie-instrumenten en een klinisch oordeel als State-of-the-Artvoor het PJ-onderzoek. Het klinische oordeel is mede vereist gezien ook naar de dynamische kenmerken van de verdachte moet worden gekeken, juist omdat de behandeling op deze kenmerken dient aan te grijpen. Hiervoor is meer informatie nodig, bij voorkeur van de verdachte zelf. Als deze geen medewerking verleent, zou deze informatie – waar nodig – aangevuld kunnen worden met gegevens uit eerder opgestelde behandeldossiers. Dit laatste is uitgewerkt in de zogenaamde regeling «weigerende observandi» die is opgenomen in het wetsvoorstel Wet Forensische Zorg, dat thans aanhangig is in de Eerste Kamer.
Deelt u het uitgangspunt van dr. W. Smid dat forensische interventies moeten zijn gericht op het reduceren van het risico en dat zij het beste werken bij plegers met het hoogste risico? Is het dan logisch om de kandidaten voor die behandeling primair te selecteren op basis van hun stoornis in plaats van op het risico op recidive? Graag een nadere toelichting hierop.
Ik deel de mening dat (strafrechtelijke) interventies zich moeten richten op de veiligheid en daarmee het reduceren van het recidiverisico. In die gevallen dat betrokkene zijn daad als gevolg of onder invloed van een stoornis heeft gepleegd, is het van belang betrokkene daarvoor te behandelen. Het niet behandelen van betrokkene zou immers kunnen leiden tot gevaar voor de maatschappij door een grote(re) kans op recidive. De behandeling van een dergelijke stoornis staat naar mijn oordeel nauw in dienst van de reductie van het recidiverisico. Daarbij ligt het voor de hand dat personen met een hoog risico niet alleen intensieve zorg krijgen, maar vooral ook hoge beveiliging. Dit is echter niet in alle gevallen noodzakelijk, want er zijn situaties waar de zorg- of beveiligingsbehoefte anders ligt. Bij het bepalen van de juiste behandelsetting wegen dus zowel de criminogene factoren als de zorg- en beveiligingsbehoefte mee. Het aanbod van de forensische instellingen is hierop afgestemd qua differentiatie in zorg- en beveiligingsniveaus.
Deelt u de mening van dr. W Smid dat het raadzaam is om ook in Nederland over te gaan tot standaard en leidend gebruik van gestructureerde actuariële risicotaxatie voor de behandeltoewijzing en de samenstelling van behandelgroepen bij zedendelinquenten?2 Ziet u ter vermijding van het risico op vermenging nog een extra aanleiding om standaard en leidend een gestructureerde actuariële risicotaxatie in te voeren?
Zie antwoord vraag 5.
De regeldruk in de kappersbranche en andere bedrijven in de ambachtseconomie |
|
Selçuk Öztürk (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «ANKO pakt regeldruk kappersbranche en winkelambacht aan»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het onderzoek van SIRA Consulting waaruit blijkt dat in 2012 tussen de vijf en acht procent van de kosten van een kappersbedrijf opging aan regeldruk?
De resultaten van het onderzoek, zoals die op 10 juni jl. door de voorzitter van de branchevereniging ANKO zijn gepresenteerd, laten zien dat een substantieel deel van de bedrijfskosten van een kappersbedrijf wordt veroorzaakt door regeldruk. Bovendien geeft dit onderzoek aan dat de winst bij veel kappersbedrijven marginaal is.
Het kabinet ziet in het bovenstaande aanleiding om met ANKO over het onderliggende rapport in gesprek te gaan en te bekijken of en zo ja, op welke wijze de regeldruk in de kappersbranche (merkbaar) kan worden verminderd.
Kunt u gegevens verschaffen over de regeldruk in andere ambachtsbranches? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te laten doen?
Het kabinet heeft een indicatie van de regeldrukknelpunten in andere ambachtsbranches, zoals de bakkers en schilders. Zoals toegelicht in het verslag van de Informele Raad voor Concurrentievermogen, heeft Nederland in 2013 het initiatief genomen om internationaal vergelijkend onderzoek in Nederland, Ierland, Litouwen en Spanje te verrichten naar de (nalevings)kosten en aard van regeldruk voor het mkb, in dit geval bij bakkerijen2. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de zogenaamde KAR-methode (Kostengestuurde Aanpak Regeldruk). Het onderzoek laat zien dat de regeldruk in de vier onderzochte bakkerijen varieert tussen 10% en 12,5% en relatief hoog is ten opzichte van de winst. Recentelijk heeft ook Actal advies uitgebracht over regeldruk bij kleine ondernemers, waaronder schilders3. Daaruit blijkt dat nog altijd veel regeldruk wordt veroorzaakt door generieke wet- en regelgeving, onder andere op het gebied van belastingwetgeving, arbeidsrecht en lokale wet- en regelgeving. Op basis van genoemde onderzoeken en de door ANKO gepresenteerde conclusies is het beeld dat een deel van de knelpunten in de kappersbranche ook in andere winkelambachten wordt ervaren.
In de voorjaarsrapportage regeldruk die op 18 juni jl. naar de Kamer is gestuurd, presenteert het kabinet de tussentijdse resultaten van het regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld» en gaat het ook nader in op het genoemde Actal advies.
Hoe wordt de bedrijfseffectentoets (BET) aangescherpt om regeldrukeffecten voor het MKB in het algemeen, en de ambachtsbranche in het bijzonder, in beeld te krijgen?
Zoals ook in de voorjaarsrapportage regeldruk toegelicht, is de Bedrijfseffectentoets (BET) recentelijk vernieuwd. In de vernieuwde BET worden niet alleen vragen beantwoord over het aantal bedrijven en branches waarvoor bedrijfseffecten worden verwacht, maar wordt nu ook antwoord gegeven op de vraag in hoeverre de effecten neerslaan bij het MKB, microbedrijven en zzp’ers. Hiermee wordt het wetgevingsproces transparanter. Tevens moeten in de BET de regeldrukgevolgen van de ontwerpregelgeving zowel kwalitatief als kwantitatief in beeld worden gebracht. Ook daar wordt gevraagd de regeldrukeffecten te specificeren naar bedrijfsgrootte (MKB, microbedrijven en zzp’ers).
Hoe gaat u bewerkstelligen dat zoveel mogelijk branches uit de ambachtseconomie in 2016 aangesloten zijn bij het Ondernemingsdossier? Welke prioriteit heeft dat voor u?
De ambachtelijke sectoren zijn een belangrijke pijler van onze economische infrastructuur. De aansluiting van deze sectoren op het Ondernemingsdossier zou zeker verder verkend kunnen worden. Het initiatief daartoe ligt in eerste instantie bij de branches zelf. Immers de implementatie van het Ondernemingsdossier wordt gerealiseerd door de betrokken publieke en private organisaties. Het ministerie van Economische Zaken ondersteunt en faciliteert dit proces. Brancheorganisaties beslissen zelf welke meerwaarde het Ondernemingsdossier voor hun leden kan hebben en of zij het willen gaan invoeren. Zo heeft de bakkersbranche reeds besloten het Ondernemingsdossier in te gaan voeren. De slagersbranche verkent op dit moment de mogelijkheden.
Samen met VNO/MKB-Nederland worden momenteel alle geïnteresseerde branches geïnformeerd over de mogelijkheden van het Ondernemingsdossier. Indien sectoren uit de ambachtseconomie ook een verkenning willen doen, sta ik daar voor open. Ik zal de mogelijkheden voor specifieke acties richting ambachtelijke sectoren bespreken met VNO/MKB-Nederland.
Welke economische data zijn in het algemeen beschikbaar over en voor (branches in) de ambachtseconomie, waaruit ook het belang van de sector voor de Nederlandse economie blijkt?
De ambachtseconomie is niet eenduidig af te bakenen als onderdeel van de economie. Daarom kent iedere poging tot kwantificering van het economisch belang van de ambachten altijd zijn beperkingen. In de afgelopen jaren is een aantal rapporten verschenen dat inzicht geeft in het belang van de ambachtseconomie (zie onder andere EIM4en Ecorys5). Ook heeft het UWV in oktober 2013 een arbeidsmarktbeschrijving van de ambachtseconomie uitgebracht6.
Volgens de inmiddels vrij gangbare indeling telt de ambachtseconomie 774.000 banen (EIM, 2012). Dat is ongeveer 8 procent van het totaal aantal banen van werknemers en zelfstandigen in Nederland. Vermelding verdient dat van de ongeveer 774.000 banen in de ambachtseconomie er circa 252.700 behoren tot de bouw en de afbouw.
Op het niveau van de branches binnen de ambachtseconomie is veel informatie beschikbaar. Zo is er via het CBS informatie beschikbaar over beroepen en bedrijven op gedetailleerd niveau. Deze informatie is te raadplegen via onder andere statline, maar ook via persberichten van het CBS. Ook de economische bureaus van Nederlandse banken beschikken over veel informatie over branches, bijvoorbeeld over de kappersbranche en (onderdelen van) de bouwsector.
Richting de toekomst zal de noodzaak en de (financiële) haalbaarheid worden onderzocht om structureel informatie over de ambachtseconomie als geheel bij te houden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen binnen de vernieuwde datavoorziening van het Programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap, dat vanaf 2015 door het CBS zal worden verzorgd. Hierover vinden nog dit jaar gesprekken plaats met belanghebbenden.
Welke activiteiten worden op dit moment via de Ondernemerspleinen ontplooid die specifiek gericht zijn op starters en ondernemers in de ambachtseconomie?
Specifiek voor de ambachtseconomie zijn er ingangen gemaakt op ondernemersplein.nl. Zo is er voor de kappersbranche een aparte ingang voor de persoonlijke dienstverlening met informatie voor deze sector. Deze ingang is te vinden op: http://www.ondernemersplein.nl/brancheinformatie/persoonlijke-dienstverlening. Op basis van input vanuit bedrijven zal deze ingang verder worden doorontwikkeld. Zo zal de informatie in de komende periode verder worden uitgebouwd in overleg met het Centrum voor Ambachtseconomie. Daarnaast is er onlangs een webinar gehouden voor starters en is er een grote hoeveelheid informatie voor ondernemers in de ambachtseconomie aanwezig op ondernemersplein.nl op voor hen relevante onderwerpen. Zo kan er informatie over financiële administratie of over arbeidsomstandigheden worden teruggevonden op ondernemersplein.nl.
De wijze waarop de regionale ondernemerspleinen zullen worden ingericht krijgt in de loop van dit jaar nader vorm. Dit zal in nauw overleg gebeuren met de regioraden die binnenkort van start gaan. De beschikbare dienstverlening en de daartoe benodigde expertise, ook op het gebied van de ambachtseconomie, zal zoveel mogelijk worden afgestemd op de regionale behoefte.
Hoe worden kennis en expertise van en over de ambachtseconomie bij (de medewerkers van) de fysieke Ondernemerspleinen bewaakt en vergroot?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de ambachtseconomie, gezien het belang dat het kabinet blijkens de reactie op het SER-advies Handmate in Holland eraan hecht, een hogere prioriteit toe te kennen binnen uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de ambachtseconomie voor Nederland. Juist daarom heeft het kabinet in haar reactie op het SER-advies Handmade in Holland een aantal maatregelen aangekondigd om de ambachtseconomie te ondersteunen. Zo komt er meer aandacht voor praktische vaardigheden in het primair onderwijs, komt er meer aandacht voor ondernemersvaardigheden en vermindering van regeldruk en wordt uitbreiding van de
meester-gezel formule gestimuleerd. Ook verkent het kabinet of het haalbaar is om een nieuwe vak instelling voor uniek specialistisch onderwijs op te richten. Deze maatregelen bevorderen de belangstelling voor ambachtelijke beroepen en de continuïteit van het opleidingsaanbod voor kleine specialistische beroepen.
Het bericht dat cybercrime Nederland jaarlijks 8,8 miljard euro kost |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Cybercrime kost Nederland 8,8 miljard euro per jaar», het bericht «Nadelen internet worden te groot» en het bericht «Bedrijven komen in actie tegen digitaal onheil»?1 2 3 Heeft u voorts kennisgenomen van het rapport «Net Losses: Estimating the Global Cost of Cybercrime, Economic impact of cybercrime II»?4
Ja.
Acht u de conclusie uit het hierboven genoemde rapport juist dat cybercrime in Nederland jaarlijks een verliest oplevert van 1,5% van het Bruto Nationaal Product (BNP)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en over welke cijfers beschikt u?
De economische schade als gevolg van cybercrime is lastig te becijferen. Ik kan de gegevens daarom niet bevestigen. Het rapport meldt dat vooral de verschillen in de grondigheid van de registratie de variaties tussen landen verklaren. Daarnaast behoort de Nederlandse digitale infrastructuur tot de beste van de wereld, maken Nederlanders gemiddeld veel gebruik van digitale diensten ten opzichte van andere landen en gebruikt veel internationaal internetverkeer de Nederlandse infrastructuur. Ook dat kunnen redenen zijn de gevolgen van cybercrime in Nederland naar verhouding hoog in te schatten. Het rapport bevat bovendien een ruime omschrijving van cybercrime.
Weet u waarom het verlies ten gevolge van cybercrime uitgedrukt in een percentage van het BNP in Nederland relatief hoog is? Zo ja, wat zijn de oorzaken van dit hoge percentage? Zo nee, waarom weet u dit niet en acht u het alsnog vergaren van dergelijke kennis relevant voor een gerichte aanpak van cybercrime in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat cybercrime niet alleen het belang van het Nederlandse bedrijfsleven raakt, maar ook het publieke belang van onze nationale economie? Zo ja, betekent dit dat meer dan nu het geval de overheid een grotere rol op zich zou moeten nemen in de bestrijding van cybercrime? Zo nee, waarom niet?
Ja. De mogelijkheden van het internet zijn voor Nederlandse burgers, bedrijven en de overheid van groot belang. Cybercrime heeft niet alleen directe schade voor de betrokkenen tot gevolg, maar leidt ook tot schade voor de samenleving en de economie als geheel. Zo vormen digitale spionage en sabotage een bedreiging voor de nationale veiligheid en economie. Cybercrime ondergraaft het vertrouwen in het internet en digitale dienstverlening in het algemeen. Daarom besteedt de Nederlandse regering veel aandacht aan cyber security. Op 28 oktober 2013 heb ik namens het kabinet de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS) aan uw Kamer gestuurd. Daarin heb ik gemeld dat de overheid een meer nadrukkelijke rol zal gaan spelen in het cyberdomein, enerzijds door zelf te investeren in de veiligheid van de eigen netwerken en diensten en anderzijds door partijen bij elkaar te brengen en beschermend op te treden als bijvoorbeeld de veiligheid van bedrijven of burgers wordt bedreigd. Verder zal de overheid waar nodig kader- en normstellend optreden.
De politie en het OM hebben de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het opbouwen van de capaciteit voor de opsporing en vervolging van cybercrime. De politie heeft met het Team High Tech Crime een kundige capaciteit voor de opsporing van cybercrime opgebouwd en werkt nu aan de verdere uitbreiding en professionalisering daarvan. Ook is de opbouw van digitale expertise in de regionale eenheden van de politie voorzien. Bij het OM zijn speciale officieren belast met de vervolging van cybercrime en zij hebben daarvoor een aanvullende opleiding genoten.
De AIVD heeft in het kader van de nationale veiligheid de afgelopen jaren het onderzoek naar digitale aanvallen gericht op spionage en sabotage geïntensiveerd. Inzicht in digitale aanvallen wordt gedeeld met getroffen partijen en ingezet ten behoeve van een betere detectie en preventie. De AIVD informeert de overheid en samenleving over digitale dreigingen en geeft advies over informatiebeveiliging.
Tenslotte heb ik in het voorjaar het wetsvoorstel Computercriminaliteit III voor advies aan de Raad van State gezonden. Dit wetsvoorstel beoogt onder meer de bevoegdheden van de politie voor de bestrijding van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit te versterken.
Hoe is de regie over de verschillende overheidsdiensten en de samenwerking tussen de Ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie geregeld als het om digitale beveiliging en de afstemming met het bedrijfsleven ten aanzien van cybercrime gaat?
De ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Veiligheid en Justitie hebben een hechte samenwerking op het gebied van cyber security. Er zijn op diverse niveaus periodieke overleggen en de activiteiten van de ministeries worden, vanuit de eigen verantwoordelijkheid van elke organisatie, op elkaar afgestemd. In mijn rol als coördinerend bewindspersoon voor cyber security ben ik verantwoordelijk voor die samenwerking. Daarnaast zoeken de betrokken ministeries actief de samenwerking met private partners.
De totstandkoming van de tweede NCSS is een voorbeeld van de samenwerking tussen de overheid en private partners. Private partners waren vertegenwoordigd in het redactieteam van de strategie. Daarnaast zijn ten behoeve van de strategie twee brede bijeenkomsten georganiseerd om zo veel mogelijk inhoudelijke bijdragen van private partijen te betrekken.
Wat is uw mening over het feit dat de overheid geen deelnemer is aan het de Nationale anti-DDoS Wasstraat (project NaWas) dat DDoS-aanvallen moet weren?
Het Project Nationale anti-DDoS Wasstraat, ofwel project Nawas, is een privaat en gezamenlijk initiatief van diverse providers om een gezamenlijke voorziening in te richten om een overvloed aan verkeer, zoals plaatsvindt bij DDoS-aanvallen, te schonen. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is vanuit haar rol als netwerkpartner en stimulator van ontwikkelingen in het cyber securityveld voorstander van het ontwikkelen van business cases door private partijen die bijdragen aan digitale veiligheid, en volgt deze met aandacht. Het is uiteindelijk aan klanten, publiek en privaat, om de afweging te maken of deze dienst wordt afgenomen. Het NCSC ondersteunt daar waar mogelijk en noodzakelijk initiatieven op het gebied van digitale veiligheid.
Deelt u de mening dat naar het voorbeeld van het stelsel bewaken en beveiligen van personen en gebouwen er ook een stelsel bewaken en beveiligen zou moeten zijn waarin duidelijk wordt vastgelegd in hoeverre bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor hun beveiliging tegen cybercrime en wanneer daar een taak van de overheid ligt? Zo ja, is een dergelijk stelsel er al, door wie wordt dat uitgevoerd en op basis van welke concrete regelgeving gebeurt dat? Zo nee, acht u een dergelijk stelsel wenselijk en hoe en op welke termijn gaat u dit vormgeven?
Ten aanzien van verantwoordelijkheden op het terrein van cybersecurity geldt, analoog aan het fysieke domein, dat bedrijven primair een eigen verantwoordelijkheid kennen op het gebied van informatiebeveiliging. De afgelopen jaren is ingezet op het borgen van sectorale verantwoordelijkheden en het realiseren van een sluitend stelsel van sectorale regelgeving en interventiemogelijkheden in verband met cybersecurity. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brieven van 23 december 2011 en 6 juli 2012.5 Verder verwijs ik kortheidshalve naar de tweede NCSS.
Herkent u het beeld dat bedrijven die slachtoffer zijn geworden van cybercrime terughoudend zijn in het doen van aangifte, bijvoorbeeld vanwege de vrees van reputatieschade? Zo ja, wat gaat u doen om deze aangiftebereidheid te vergroten en in hoeverre is het doen van anonieme aangifte een mogelijkheid om deze aangiftebereidheid te vergroten?
De vrees voor reputatieschade kan in bepaalde gevallen voor bedrijven een overweging zijn om geen ruchtbaarheid te geven aan een cyberaanval. In nauwe samenwerking tussen publieke en private partijen is binnen de bewustwordingscampagne «Stopcybercrime.nu» van MKB-Nederland een hulpknop ontwikkeld waar informatie over typen cybercriminaliteit op één punt vindbaar is en waar bedrijven die slachtoffer zijn of denken te zijn geworden direct een handelingsperspectief wordt geboden. Daarbij wordt ook de mogelijkheid van het doen van een melding of aangifte toegelicht. Verder is het versterken van het intake- en registratieproces van aangiften cybercrime een actiepunt uit de tweede NCSS.
Het tijdens een strafrechtelijk onderzoek en strafproces (tot op zekere hoogte) afschermen van de identiteit van een aangever is in beginsel alleen mogelijk als er sprake is van een uitzonderlijke, bedreigende situatie jegens de aangever.
Naast het inzetten van het strafrecht maken andere interventiemethoden deel uit van een integrale aanpak van cybercrime. Daarbij werken publieke ketenpartners en private partijen samen. Bij het NCSC kunnen bijvoorbeeld cyberincidenten vertrouwelijk worden gemeld, zodat andere organisaties kunnen worden geïnformeerd en (verdere) schade kan worden voorkomen. Het NCSC kan organisaties bovendien begeleiden en adviseren in de afhandeling van een cyberincident.
In hoeverre is de huidige wijze van strafrechtelijke vervolging nog geschikt om cybercriminelen aan te pakken die misdrijven over de hele wereld plegen?
Cybercrime is bij uitstek een grensoverschrijdend probleem. Door internationale samenwerking bij de opsporing van cybercrime zijn inmiddels stevige successen geboekt. De internationale opsporing en vervolging is niet (enkel) afhankelijk van het bestaan van bilaterale rechtshulp- of uitleveringsverdragen. Het multilaterale Cybercrimeverdrag uit 2001, gesloten in het kader van de Raad van Europa, bevat afspraken voor het strafbaar stellen van bepaalde vormen van cybercrime en voor wederzijdse hulp bij de opsporing en de vervolging. Inmiddels zijn 42 landen aangesloten bij het verdrag. Nederland ondersteunt de Raad van Europa bij het onder de aandacht brengen van het cybercrimeverdrag bij landen die nog niet zijn aangesloten. Overigens zijn er ook niet-aangesloten landen waarvan de nationale wetgeving wel in lijn is met het Cybercrimeverdrag. Als internationale samenwerking vanwege georganiseerde cybercrime aan de orde is, kan daarnaast het VN-verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (UNTOC-verdrag) dienen als rechtsbasis voor rechtshulpverlening of uitlevering. Bij dit verdrag zijn 176 landen aangesloten. Vanwege deze verdragen is er geen aanleiding om vervolging en uitlevering van cybercriminelen te betrekken bij onderhandelingen over handelsverdragen. Dit onderwerp sluit bovendien niet aan op het bereik en de inhoud van onderhandelingen over handelsverdragen.
Om de internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van cybercrime te versterken wil Nederland een voortrekkersrol vervullen om te komen tot een verdere harmonisering van de wetgeving op dit gebied. Overigens zal het bereiken van internationale consensus hierover nog de nodige tijd vergen. Verder ondersteunt Nederland in het kader van het Cybercrimeverdrag projecten voor capaciteitsopbouw in landen waar dat nodig is. Inzetbare, kundige capaciteit is immers een basisvoorwaarde voor het daadwerkelijk opsporen en vervolgen van (grensoverschrijdende) cybercrime. De doelgroep hiervan zijn de landen die zich willen aansluiten of onlangs hebben aangesloten bij het cybercrimeverdrag.
In hoeverre levert het gebrek aan een uitleververdrag met sommige landen cybercriminelen in die landen een vrijhaven op voor hun activiteiten? Acht u het wenselijk om in onderhandelingen over handelsverdragen met die landen ook aandacht te schenken aan de mogelijkheid van (internationale) vervolging en van uitlevering van cybercriminelen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het gesloten zorgakkoord met de vijf-partijencoalitie |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Renske Leijten , Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Kunt de Kamer tekst van het op 5 juni jongstleden gesloten zorgakkoord, inclusief de financiële onderbouwing, sturen?1
Over de uitwerking van het eerder met de fracties van VVD, PvdA, D66, CU en SGP gesloten principe-akkoord over het wetsvoorstel waarin artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gewijzigd wordt, zijn op 5 juni jongstleden nadere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de partijen neergelegd in de door hen ingediende amendementen. Er is hiernaast geen sprake van een op schrift gesteld akkoord.
In de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013 voor de medische specialistische zorg (MSZ) en geestelijke gezondheidszorg (GGZ), zijn afspraken gemaakt over volumereductie. De doelstelling is om tot een structurele, landelijke volumegroei te komen van maximaal 1,5% in 2014, en van 1,0% in 2015 t/m 2017. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over het terugdringen van praktijkvariatie, spreiding en concentratie van zorg, substitutie van 2e naar 1e lijn en ambulantisering. Om de doelstellingen uit deze akkoorden te kunnen realiseren is afgesproken dat artikel 13 van de Zvw wordt gewijzigd waardoor verzekeraars de ruimte krijgen om selectief op kwaliteit en prijs in te kopen. Deze gezamenlijke inspanningen leiden tot een besparing van € 250 miljoen in 2014 oplopend tot € 1 miljard vanaf 2017 en maken onderdeel uit van het in de Miljoenennota 2014 gepresenteerde «€ 6 miljard-pakket».
Is het Ministerie van Financiën betrokken geweest bij deze financiële onderbouwing? Zo neen, waarom niet?
De wijziging van artikel 13 Zvw maakt onderdeel uit van de afspraken in het kader van de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013. Deze zijn, als onderdeel van het € 6 miljard-pakket» gepresenteerd in de Miljoenennota 2014. Het Ministerie van Financiën is hierbij betrokken geweest.
Is de financiële onderbouwing doorgerekend door het Centraal Planbureau (CPB)? Zo ja, kunt u het oordeel van het CPB naar de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
Het Centraal Planbureau heeft in haar Macro Economische Verkenningen 2014 gerekend met de effecten van het «€ 6 miljard-pakket». De wijziging van artikel 13 van de Zorgverzekeringswet maakt daar onderdeel van uit.
Kunt u aangeven welke zorgorganisaties betrokken zijn geweest bij het opstellen van het zorgakkoord? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wilt u een lijst met gesprekpartners naar de Kamer sturen?
Er zijn geen zorgorganisaties betrokken geweest bij het akkoord op 5 juni jongstleden, het zijn afspraken tussen VVD, PvdA, D66, CU en SGP.
De hoofdlijnenakkoorden voor de MSZ en GGZ, waarin de wijziging van artikel 13 Zvw als voorwaarde is opgenomen voor het realiseren van de doelstellingen in de akkoorden, zijn tot stand gekomen met en ondertekend door koepels van zorgaanbieders (NVZ, NFU, ZKN, OMS, GGZ N, NVvP, NVVP, NIP, Platform MEER GGZ, LVE, LVG, V&VN), de koepel van zorgverzekeraars (ZN) en de patiënten/cliëntenorganisaties NPCF en LPGGz.
Kunt u uw oordeel over de ingediende amendementen bij wetsvoorstel 33 362 voor de wetsbehandeling aan de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
De amendementen bij het wetsvoorstel 33 362, nrs. 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 zie ik als een ondersteuning van mijn beleid, omdat deze amendementen waarborgen dat zorgverzekeraars voldoende transparantie bieden over het inkoopproces en inkoopbeleid en over de vergoeding die van toepassing is bij niet-gecontracteerde zorg. Ik acht deze transparantie van belang voor de werking van het stelsel. Transparantievergroting is reeds onderdeel van de hoofdlijnenakkoorden en wordt via de amendementen wettelijk verankerd. Tevens waarborgen deze amendementen dat de ontwikkelingen rondom zorginkoop en naar aanleiding van de wijziging van artikel 13 worden gemonitord door de NZa en tevens twee jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Ik zie de amendementen als een wenselijke aanvulling van de aanscherpingen die ik met de wijziging van artikel 13 Zvw beoog.
Ook amendement 33 362 nr. 11 zie ik als ondersteuning van mijn beleid. Dit amendement regelt dat zorgverzekeraars ook transparant moeten zijn (zes weken voor het nieuwe kalenderjaar) over de verschillen in het gecontracteerde zorgaanbod ten opzichte van het lopende kalenderjaar. Deze transparantie is in het belang van de verzekerde.
Met de amendementen 33 362 nrs. 6 en 14 wordt de voorgestelde wijziging van artikel 13 Zvw ongedaan gemaakt. Gezien het belang van de wijziging van art 13 Zvw ontraad ik deze amendementen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire wetsbehandeling?
Ja.
De integratie van de Luchtmobiele Brigade in het Duitse leger |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders onder Duits bevel»?1
Ja.
Deelt u de mening van onder andere de oud-Minister van Defensie, Hans Hillen, dat deze integratie een eerste stap is naar een Europees leger? Zo ja, waarom drukt u de vorming van een Europees leger door, terwijl u eerder aangaf dat u dit niet zag zitten? Is het eigenlijk niet zo dat u met een salamitactiek, stapje voor stapje, Nederland een Europees leger in rommelt?
Van de vorming van een Europees leger, dat wil zeggen een leger dat wordt ingezet op grond van een besluit van een Europese instelling, is geen sprake. Europese landen werken intensief samen op defensiegebied, onder meer in het kader van de EU en de Navo, maar elk land beslist zelf over de inzet van de eigen eenheden. Wel streven de Europese landen naar de intensivering van de defensiesamenwerking. In de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 december 2013 zijn daarover concrete aanwijzingen opgenomen. Het gaat in hoofdzaak om de verhoging van de effectiviteit en de zichtbaarheid van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB), de gezamenlijke capaciteitenontwikkeling en de versterking van de defensiemarkt en -industrie. In mijn brief van 11 februari jl. ben ik hierop nader ingegaan (Kamerstuk 21 501-28, nr. 108).
In mei 2013 heb ik samen met mijn Duitse ambtgenoot de Declaration of Intent (DoI) getekend over de verdieping van de defensiesamenwerking (Kamerstuk 33 279, nr.2. In de DoI hebben wij afgesproken dat beide landen krijgsmachtbreed zullen onderzoeken waar verdieping van de samenwerking mogelijk is, tot de integratie van eenheden aan toe. De integratie van de Luchtmobiele Brigade in de Duitse Division Schnelle Kräfte,waarvan het voornemen reeds in de DoI was vermeld, is hiervan een belangrijk resultaat. Ook bij de integratie van eenheden geldt echter dat Duitsland en Nederland elk het laatste woord hebben over de inzet van de eigen militairen.
Deelt u ook de mening van defensiespecialist Rob de Wijk dat bij deze samengestelde eenheden de Nederlandse soevereiniteit is beperkt, omdat een gezamenlijke eenheid ook een gezamenlijke inzet veronderstelt en er in de praktijk dus beperkingen zijn aan onze eigen zeggenschap om militairen wel of niet in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Defensiesamenwerking hoeft niet op gespannen voet te staan met soevereiniteit. Het begrip «soevereiniteit» had vroeger een beperkte betekenis en hield in de exclusieve zeggenschap over het eigen territorium en de eigen middelen. Tegenwoordig wordt onder «soevereiniteit» ook verstaan het vermogen om handelend te kunnen optreden. Voor dat handelingsvermogen zijn capaciteiten noodzakelijk. Defensiesamenwerking waarbij landen gezamenlijk capaciteiten opbouwen, vergroot het handelingsvermogen en daarmee de soevereiniteit.
Wel moeten partners op elkaar kunnen rekenen. Nederland zal intensieve samenwerkingsverbanden bij voorkeur aangaan met partners met een geringe (geo-)politieke afstand tot ons land en met een vergelijkbare politieke cultuur. Zoals ik eerder naar voren heb gebracht, is het van groot belang dat niet alleen de regeringen maar ook de parlementen onderling een intensieve dialoog voeren om daarmee de vertrouwensband nog verder te versterken.
Wilt u werkelijk de geschiedenis ingaan als de Minister van Defensie die vanwege budgettaire redenen de zeggenschap over de inzet en de gereedstelling van onze krijgsmacht overdraagt aan een ander land?
Hiervan is geen sprake. Bezuinigen en versterken van de internationale samenwerking liggen niet in elkaars verlengde. Bij defensiesamenwerking gaat de kost veelal voor de baat uit. Als partners de indruk krijgen dat Nederland wil samenwerken om te kunnen profiteren van de capaciteiten van een ander, en dus free rider gedrag vertoont, zal het snel gedaan zijn met de bereidheid om met ons in zee te gaan. Samenwerking kan alleen succesvol zijn als elke partner een aanzienlijke bijdrage levert en in voldoende mate profiteert van de voordelen.
Is het niet veel verstandiger om fors te investeren in onze eigen defensie, zodat Nederland beschikt over een sterke soevereine krijgsmacht, die geheel onder Nederlands bevel kan blijven acteren? Zo ja, bent u bereid om zo snel mogelijk vijf miljard euro extra te investeren in de Nederlandse defensie zodat ons land ook aan zijn NAVO-verplichtingen voldoet? Zo nee, waarom niet?
In de nota In het belang van Nederland heb ik uiteengezet dat onze veiligheidsbelangen verknoopt zijn met de wereld om ons heen. Nederland is niet in staat op eigen kracht zijn veiligheid te garanderen. Voor de gemeenschappelijke veiligheid van de partners in de Navo en de EU is het noodzakelijk om samen met andere landen te kunnen optreden in grotere verbanden. Dit vereist een hoge mate van interoperabiliteit, niet alleen op materieelgebied maar ook in doctrines en bij de voorbereiding op inzet. Daarnaast kunnen de landen van de Navo en de EU alleen gezamenlijk de onderkende tekorten aan militaire capaciteiten aanvullen. Samenwerking kan leiden tot meer doelmatigheid en effectiviteit.
De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de Koning in Griekenland |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Hoe verhoudt het beroep van de Grieken op het openbaar belang zich tot uw eerdere stelling, in een brief van 16 januari 20121, dat de aan- en verkoop van een vakantiewoning van een lid van het Koninklijk Huis een privéaangelegenheid is en in principe het openbaar belang niet raakt?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de koning in Griekenland |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Staat beveiligt haven vakantiehuis Oranjes» en «Ophef in Griekenland over «illegale» bouw privéhaven Willem-Alexander»?1 2
Ja.
Op welke wijze kan de Nederlandse staat in zijn algemeenheid betrokken zijn bij de beveiliging van leden van het Koninklijk Huis of hun woningen in het buitenland? Tot hoe ver gaat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat en waar begint de verantwoordelijkheid van de leden van het Koninklijk Huis zelf?
De rijksoverheid heeft een bijzondere verantwoordelijkheid voor een beperkte groep personen, objecten en diensten vanwege het nationale belang dat met hun veiligheid en hun ongestoord functioneren is gemoeid. Dit is vastgelegd in de Politiewet 2012. De leden van het koninklijk huis behoren tot deze beperkte groep. Deze verantwoordelijkheid wordt ook ingevuld bij privé- of officiële verblijven in het buitenland in afstemming met de beveiligingsinstanties van het «gastland».
In hoeverre is de aankoop van een vakantiewoning in het buitenland louter een privékwestie van de Koning indien daaruit vergaande verplichtingen van de Nederlandse staat ten aanzien van de beveiliging voortvloeien?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
Bevat het eerstgenoemde bericht feitelijke onjuistheden ten aanzien de bemoeienis van de Nederlandse overheid bij het plaatsen van hekken, de aanleg van een haven of het bouwen van een huis? Zo ja, wat is er onjuist?
Ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving is, naast voorzieningen in de woning, op het terrein een bijgebouw gerealiseerd. Verder wordt een beveiligingshek gerealiseerd. Ook is uit veiligheidsoverwegingen besloten de reeds aanwezige houten steiger te vervangen door een betonnen steiger. Voor deze activiteiten zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend door de Griekse overheden. De kosten voor de beveiliging komen voor rekening van de staat. Met betrekking tot het privégebruik van de steiger vindt verrekening plaats op basis van schriftelijk overeengekomen afspraken.
Bezit de Nederlandse staat grond die grenst aan een privéwoning van de Koning in Griekenland? Zo ja, waarom?
Nee, er is een recht van erfdienstbaarheid gevestigd op een beperkte strook land rondom de vakantiewoning voor het plaatsen en onderhouden van een beveiligingshek.
Kunt u – zonder de veiligheid van de bewoners en anderen in gevaar te brengen – een schets geven van de betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van het genoemde huis van de Koning? Op welke begroting worden de kosten voor deze beveiliging verantwoord?
De minister van Veiligheid en Justitie bepaalt welke personen en objecten in aanmerking komen voor beveiliging alsmede het niveau van beveiliging. Ondermeer de minister van Veiligheid en Justitie heeft een budget voor de beveiligingsuitgaven op zijn begroting staan. De uitgaven voor beveiliging worden niet toegerekend naar de objecten of personen omdat dit ongewenste veiligheidsrisico’s kan opleveren. De begroting specificeert niet of de uitgaven voor beveiliging betrekking hebben op bijvoorbeeld leden van het kabinet, van de Kamers der Staten-Generaal of van het koninklijk huis.
Wat is uw reactie op het verwijt van de lokale Griekse beweging «De Interventie van Burgers van Ermionida» die spreken over «milieu-onvriendelijk gedrag van vertegenwoordigers van een buitenlandse staat die in Griekenland te gast zijn» en de vraagtekens die deze beweging zet «bij het recht van een buitenlandse staat om een haven in een vreemd land in handen te hebben»?
Voor de in het antwoord op vraag 4 genoemde activiteiten ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend en gepubliceerd door de Griekse overheden.
Het bericht ‘Ruim baan voor verkeershufters’ en ‘Oom agent is onzichtbaar’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ruim baan voor verkeershufters» en «Oom agent is onzichtbaar»?1
Ja.
Klopt de informatie dat het aantal staandehoudingen in het verkeer de laatste vier jaar is gehalveerd? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en heeft deze dalende trend zich in 2014 verder voortgezet? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de inzet op het verbeteren van de verkeersveiligheid op het hoofdwegennet en het onderliggend wegennetwerk?
Het handhaven van de verkeersveiligheid is en blijft een belangrijke taak van de politie.
Op 18 november 20132 heb ik aan de Kamer gemeld dat ik per 1 januari 2015 een hardere aanpak van de veelpleger in het verkeer zal invoeren. Ik zal daarvoor een aantal zogenoemde «Mulderfeiten» uit de wet Mulder (WAHV) halen en deze naar het strafrecht overbrengen. Hierdoor wordt het mogelijk om begane overtredingen te registreren en, na herhaald plegen, een zwaardere sanctie toe te passen. Ik zal u op korte termijn nader informeren over de voorbereidingen voor deze nieuwe veelplegeraanpak.
Het staande houden van overtreders is slechts één van de middelen van de politie om de verkeersveiligheid te handhaven en te verbeteren. Naast staande houdingen is hierbij onder meer het gebruik van trajectcontrolesystemen, flitspalen, mobiele radersets en laserguns van belang. Deze leveren een positieve bijdrage aan de verkeersveiligheid en worden zowel op het hoofdwegennet als op het onderliggend wegennetwerk ingezet. Dat blijft ook zo in 2014. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de onopvallende, met video uitgeruste, politievoertuigen die zich met name richten op het gedrag van veelplegers van verkeersovertredingen. Kortom, ik deel de mening niet dat verkeershufters ruim baan krijgen.
Over 2013 is weer een stijgende lijn te zien ten aanzien van de staandehoudingen. In 2013 zijn er ruim 50.000 mensen meer staande gehouden na een verkeersovertreding dan in 2012. Over de periode 2010 – 2013 is er inderdaad sprake van een teruggang. Het is nog te vroeg om concrete uitspraken over 2014 te doen.
Dit is overigens geen nieuwe ontwikkeling. Over de achtergrond van de teruggelopen staandehoudingen stuurde ik uw Kamer reeds in 20113 het onderzoek van het WODC dat daar verschillende redenen voor gaf.
Deelt u de mening dat verkeershufters ruim baan krijgen? Hoe verhoudt voornoemde berichtgeving zich tot de (voorgenomen) intensieve aanpak van verkeershufters? Kunt u hierbij tevens ingaan op de voortgang van het nieuwe beleid met betrekking tot de aanpak van verkeershufters?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze u invulling geeft aan de (gepercipieerde) pakkans en of er sprake is van een dalende pakkans?
De gepercipieerde pakkans wordt bepaald door de verschillende handhavingsmiddelen die de politie inzet. Staandehoudingen zijn van belang, alsmede de elektronische handhavingsmiddelen: flitspalen, trajectcontroles, mobiele radarsets etc. De politie streeft ernaar de feitelijke pakkans op de zogenoemde Helmgrasfeiten (helm, gordel, rood licht, alcohol, snelheid) zo hoog mogelijk te laten zijn, onder meer door informatiegestuurde inzet op onveilige wegvakken. Dit houdt in dat de politie handhaaft op die plaatsen en tijdstippen waar het effect van het optreden optimaal is.
Tevens wil de politie door zichtbare staandehoudingen en het voeren van mediabeleid (bijvoorbeeld medewerking aan het tv-programma «Wegmisbruikers») actief bijdragen aan (en beïnvloeden van) de pakkans bij de overige weggebruikers. Op deze manier wordt de gepercipieerde pakkans met de hiertoe beschikbare middelen zo hoog mogelijk gehouden.
Hoe oordeelt u over de uitspraken van voormalig verkeersofficier Koos Spee dat het lijkt of verkeerscriminaliteit niet mag worden aangepakt en dat het in ieder geval geen prioriteit heeft?
Automobilisten mogen zich beslist niet onaantastbaar wanen. De inzet van de politie is er zeker op gericht om weggebruikers die de regels overtreden en een gevaar zijn voor de verkeersveiligheid, aan te pakken. Daarom worden technische hulpmiddelen ingezet zoals flitspalen, trajectcontrolesystemen en mobiele radarsets, waardoor aan de hand van het kenteken verkeersovertredingen worden geregistreerd. Dit biedt ruimte voor de politie om zich ook op andere overtredingssoorten te richten. Zo handhaaft de politie ook op basis van eigen waarneming, bijvoorbeeld aan de hand van onopvallende (met video uitgeruste) politieauto’s.
De hoge handhavingsintensiteit (24 uur; zeven dagen in de week) van de digitale flitspalen en trajectcontrolesystemen leidt aantoonbaar tot aanpassing van gedrag, bijvoorbeeld het verlagen van de snelheid en het minder negeren van het rode licht. Dat vergroot op die plaatsen de verkeersveiligheid.
Ik herken mij dan ook niet in het beeld van de voormalige verkeersofficier. Zoals ik al heb aangegeven, is het handhaven van de verkeersveiligheid een belangrijke taak van de politie. De capaciteit van de verkeershandhavingsteams is met de komst van de Nationale Politie gelijk gebleven. Ik verwijs tevens naar de beantwoording van vragen 3 en 4.
Hoe oordeelt u voorts over de uitspraak van Koos Spee dat verkeersovertredingen prima via het kenteken kunnen worden aangepakt maar dat automobilisten zich op andere terreinen onaantastbaar wanen? Zorgen flitspalen en trajectcontroles er niet juist voor dat de politie zich op ander wangedrag in het verkeer kan richten? Kunt u een nadere reactie geven op de toegevoegde waarde van flitspalen en trajectcontroles en de inzet en prioriteiten voor de politie in het verkeer?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat illegalen in Amsterdam de eigen bijdrage voor medicijnen terugkrijgen |
|
Reinette Klever (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Illegalen 020 krijgen bijdrage»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ongelimiteerd en gratis medicijnen mogen afhalen terwijl ruim 800.000 Nederlanders niet eens hun eigen risico kunnen betalen?
In Nederland is het uitgangspunt dat illegalen en onverzekerbare vreemdelingen zelf verantwoordelijk zijn voor de betaling van de geleverde zorg. Zij kunnen immers geen zorgverzekering sluiten. Voor zover een onverzekerbare vreemdeling niet in staat is deze zorgkosten zelf te betalen, kunnen deze kosten vergoed worden op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. De zorgverlener kan de declaratie voor behandeling (van de vreemdeling) indienen bij het Zorginstituut Nederland. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, dient de zorgaanbieder wel aan te tonen dat inspanningen zijn geleverd om de kosten te verhalen op de onverzekerbare vreemdeling.
Ook voor medicijnen geldt het uitgangspunt dat de kosten door de onverzekerbare vreemdeling zelf worden betaald. Indien zij daartoe niet in staat zijn, kan een apotheker de kosten op grond van de genoemde regeling declareren bij het Zorginstituut Nederland. Daarbij worden door het Zorginstituut Nederland de declaraties standaard met € 5,– gecorrigeerd vanuit de veronderstelling dat deze € 5,– door de illegaal en onverzekerbare vreemdeling zelf zal worden betaald. Apothekers dienen vanwege deze correctie op de declaratie dus een eigen bijdrage te vragen van € 5,– per geneesmiddel.
Uit het bericht heb ik opgemaakt dat de gemeente Amsterdam deze eigen bijdrage van € 5,– in voorkomende gevallen betaalt. In hoeverre gemeenten deze kosten voor eigen rekening nemen en hoe zij dit georganiseerd hebben, staat niet aan mij ter beoordeling. Ik meng mij niet in de bevoegdheden die lagere overheden hebben.
Erkent u dat de burgemeester van Amsterdam een afspraak schendt door naast illegalen opvang te bieden, nu ook gratis medicijnen uit te delen aan illegalen? Zo ja, hoe gaat u de burgemeester van Amsterdam ter verantwoording roepen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de burgemeester van Amsterdam dit nieuwe plan vooraf met u besproken? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Nee. Ik heb dit vernomen uit het nieuwsbericht.
Gaat u er nu eindelijk voor zorgen dat illegalen daadwerkelijk uit Nederland vertrekken en niet opgevangen of verzorgd worden door burgemeesters? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de reactie op het onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft uitgevoerd met betrekking tot achtergronden van variatie in de zelfstandige terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers2 is terugkeer voor het kabinet een belangrijke prioriteit. Om deze terugkeer te versterken worden door het kabinet diverse instrumenten ingezet. Zo wordt met het bieden van ondersteuning de zelfstandige terugkeer gestimuleerd. Verder wordt er binnen Europa samengewerkt om de terugkeer meer gezamenlijk aan te pakken. Ook wordt de samenwerking met derde landen gezocht om via die kant zowel zelfstandige terugkeer als gedwongen terugkeer verder te versterken.
Het bericht dat Van der G. zijn leven niet zeker is |
|
Gerard Schouw (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Van der G. is leven niet zeker»?1
Ja.
Zijn er in het verleden serieuze bedreigingen tegen Van der G. geuit of pogingen tot liquidatie gedaan?
Het artikel gaat over de tijd dat Van der G. in detentie zat. Met de voorwaardelijke invrijheidstelling van Van der G. is er een situatie ontstaan die anders van aard is dan de periode in detentie. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van dreiging en risico die zou moeten leiden tot het nemen van beveiligingsmaatregelen wordt door de politie en door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een actueel veiligheidsbeeld opgesteld. Eventueel relevante signalen of gebeurtenissen uit het verleden worden hierin meegenomen. Over de mate en aard van dreiging en risico en over beveiligingsmaatregelen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. Dit zou veiligheidsrisico’s kunnen opleveren voor betrokkenen.
Wat was de rol van de ex-agent van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de beveiliging rondom Van der G.?
Mij is niet bekend welke vermeende «ex- agent van de AIVD» heeft gesproken met de media noch wat zijn rol was.
Zijn de door de ex-agent van de AIVD gemelde zaken meegenomen in de beveiligingsanalyse?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de door de ex-agent geuite vermoedens dat Van der G. binnen enkele weken wat aangedaan wordt en de onthulling van zijn woonplaats reden voor aanpassing van de dreigingsanalyse en het instellen van extra beveiliging ten aanzien van Van der G.?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, indien u deze vragen niet in het openbaar kunt beantwoorden omwille van de veiligheid van Van der G., de Kamer hierover in beslotenheid te informeren?
Het artikel is voor mij geen aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid de Tweede Kamer in beslotenheid te informeren.
Coulance voor kerkgenootschappen ten aanzien van de publicatieplicht voor ANBI’s |
|
Ed Groot (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Is de constatering juist dat kerkgenootschappen pas vanaf 1 januari 2016 hoeven te voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor een ANBI (Algemeen nut beogende instelling), zoals de publicatieplicht? Zo ja, waarom?
Voor ANBI’s geldt per 1 januari 2014 een wettelijke publicatieplicht op grond waarvan bepaalde gegevens via internet openbaar moeten worden gemaakt, waaronder het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer (RSIN). Dit nummer wordt toegekend door de Kamers van Koophandel. Voor alle ANBI’s die kerkgenootschap zijn geldt een overgangsregeling als zij via een groepsbeschikking als ANBI zijn aangewezen. Zij hoeven pas op 1 januari 2016 te voldoen aan de wettelijke publicatieplicht. Deze overgangsregeling houdt verband met het feit dat individuele kerkgenootschappen in veel gevallen niet beschikken over een eigen RSIN. Om hen in de gelegenheid te stellen een eigen RSIN aan te vragen en hun administratie daaraan aan te passen, is gekozen voor de overgangsregeling. Omdat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen past de Belastingdienst de regeling in de praktijk toe op alle kerkelijke instellingen, ongeacht de geloofsrichting. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd hebben. De Belastingdienst heeft in 2007 een toezichtsconvenant gesloten met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) waarbij 30 kerkgenootschappen zijn aangesloten die in het bezit zijn van ANBI-groepsbeschikkingen. De inhoud van dit convenant heeft geen relatie met de overgangsregeling. Door niet bij het CIO aangesloten kerkgenootschappen zijn geen verzoeken gedaan om een dergelijk convenant te sluiten.
Is het waar dat organisaties van andere geloofsrichtingen, zoals moskeeën, wel per 1 januari 2014 aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen? Zo ja, waarom wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende geloofsrichtingen? Heeft de Belastingdienst naast kerkgenootschappen op dit vlak ook convenanten gesloten met organisaties van andere geloofsrichtingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ook andere geloofsrichtingen tot 1 januari 2016 de tijd te gunnen aan de nieuwe voorwaarden te voldoen, zodat niet langer met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welk percentage van de ANBI’s heeft nog niet aan de nieuwe voorwaarden voldaan? Van hoeveel organisaties is sinds de periode na 31 december 2013 als gevolg hiervan de ANBI-status ingetrokken? In hoeveel gevallen ging het hier om religieuze organisaties?
Van de circa 35.000 ANBI’s waarvoor de publicatieplicht per 1 januari 2014 geldt hebben ongeveer 2.000 niet voldaan aan het in oktober 2013 gedane verzoek en twee rappelleringen om aan de Belastingdienst hun webadres door te geven (peildatum 1 juli 2014). Van hen zal de ANBI-status in juli 2014 worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014. Het gaat daarbij niet om religieuze instellingen.
De opmars van ISIS in het Midden-Oosten |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «ISIS zet opmars Noord-Irak voort»?1
Klopt het dat strijders van de extremistische islamitische groepering ISIS naast Mosul ook Tikrit en industriestad Baiji in het noorden van Irak hebben veroverd?
Klopt het voorts dat in Baiji een van de grootste olieraffinaderijen van Irak staat en dat deze nu in handen is van ISIS? Zo ja, wat zijn daar de gevolgen van?
Kunt u bevestigen dat ISIS een deel van de grens tussen Syrië en Irak de facto heeft opgeheven?
Kunt u bevestigen dat zeker 500.000 mensen de afgelopen dagen al uit hun huizen zijn gevlucht, naar aanleiding van de opmars van ISIS?
Deelt u de opvatting dat ISIS en aanverwante extremistische groeperingen in het Midden-Oosten een van de grootste bedreigingen vormen van stabiliteit in de regio?
Welke gevolgen heeft de nieuwe status quo, als de berichten kloppen, voor de regio? Kunt u in dit antwoord afzonderlijk ingaan op de gevolgen voor zowel Syrië, Irak als de Koerden?
In hoeverre zijn andere landen in de regio kwetsbaar voor de opmars van ISIS en aanverwante organisaties?
Op welke manier kan Nederland een bijdrage leveren aan het indammen van de opmars van extremistische groeperingen als ISIS? Kunt u aangeven of en in welke verbanden u voornemens bent deze zaken aan de orde te stellen?
ISIS en Jabat Al Nusra als terrorististische organisatie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Westerse inlichtingendiensten Turkije een lijst hebben gegeven met 5.000 namen van mogelijke jihadisten die naar Syrië willen afreizen?1
Ja.
Kunt u het bestaan van deze lijst bevestigen? Zo ja, staan er ook Nederlanders op?
In het kader van zijn onderzoek naar organisaties en personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, deelt de AIVD informatie over jihadstrijders met relevante organisaties, ook in andere landen. Bij het delen van informatie wordt gehandeld conform de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er kunnen geen mededelingen in het openbaar gedaan worden over de vraag met welke organisaties welke informatie gedeeld wordt.
Klopt het dat Turkije in het laatste terrorismeverslag van de Amerikaanse regering wordt omschreven als een «doorvoerhaven» van jihadisten behorende tot Al-Nusra en ISIS en dat het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken op haar website burgers afraadt om naar Zuid-Turkije te reizen, omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij Al Nusra en ISIS in Syrië en Irak?2
In het jaarlijkse landenrapport over terrorisme van de Amerikaanse regering valt te lezen dat Turkije vaak gebruikt wordt als «doorvoerland» door buitenlandse strijders die zich bij Jabhat Al Nusra, ISIS en andere groepen willen aansluiten.
Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt alle niet-essentiële reizen in een aantal Turkse provincies af binnen tien kilometer van de Turks-Syrische grens. Daarnaast worden alle reizen naar de steden Akḉakale en Ceylanpinar afgeraden. Dit vanwege de dreiging van terroristische aanslagen, vanwege het risico op gevechtshandelingen in de grensstrook en omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij onder meer Jabhat Al Nusra en ISIS in Syrië. Over doorgang naar Irak wordt niet gesproken op de website van het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welke maatregelen gaat Turkije, nu er kennelijk een lijst van 5.000 jihadisten gegeven is, nemen om te voorkomen dat deze jihadisten via Turkije doorreizen naar Syrië en Irak?
De praktijk is thans dat indien Nederland en derde landen tijdig informatie verschaffen betrokkenen zo mogelijk worden tegengehouden en teruggestuurd mits dit past binnen de Turkse wetgeving.
Beschouwt Turkije Al Nusra inmiddels officieel als terroristische organisatie? Staat Al Nusra nu op een officiële lijst van Turkije?
De Turkse ministerraad heeft besloten (publicatie in Official Gazette van 3 juni 2014, nr 29019) de tegoeden te bevriezen van Jabhat Al Nusra, in lijn met VNVR resoluties 1267 (1999), 1988 (2011) en 1989 (2011). Dit houdt voor Turkije in dat Jabhat Al Nusra wordt beschouwd als een terroristische organisatie. Deze beslissing wordt door oppositie en media gezien als een erkenning dat Jabhat Al Nusra voor de Turkse regering een terroristische organisatie is. In navolging van de amendementen die het VN Al-Qa’ida Sanctiecomité op 14 mei jl. heeft aangebracht op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 heeft Turkije op 18 juni jl. besloten om Jabhat Al Nusra niet meer als onderdeel van ISIS te beschouwen, maar als zelfstandige aan Al Qa’ida gerelateerde organisatie. Deze beslissing verandert niets aan de Turkse maatregelen ten aanzien van Jabhat Al Nusra.
Wat behelst het besluit van de Turkse regering van 3 juni jl. precies ten aanzien Al Nusra? Gaat het uitsluitend om een maatregel die ertoe strekt om tegoeden van Al Nusra te kunnen bevriezen op basis van de amendementen van de VN veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?3
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van een bron bij het Turkse Ministerie van Financiën dat Turkije in relatie tot Al Nusra geen lijst van terroristische organisaties hanteert en niet officieel aangekondigd heeft of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?4
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt zich dit bovendien tot de klachten van de oppositie in Turkije dat ze geen duidelijkheid hebben gekregen van de regering over de vraag of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat Turkije sinds de aanvang van de oorlog in Syrië al die tijd Al Nusra niet als terroristische organisatie heeft beschouwd, terwijl de VS dit al op 12 december 2012 gedaan hebben? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot de vele berichten en beschuldigingen in de richting van Turkije over steun aan Al Nusra?
Turkije heeft altijd ontkend terroristische groeperingen, waaronder Jabhat Al Nusra, die in Syrië opereren te steunen. Recentelijk, op 13 juni 2014 herhaalde vice Minister President Bülent Arinc deze boodschap in een persbijeenkomst inzake de ontwikkelingen in Mosul. Hij herbevestigde in dat verband dat Turkije zich voegt naar alle beslissingen van de VNVR terzake.
Op welke wijze geven de EU en Nederland invulling aan de amendementen van de VN Veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?
Als gevolg van het besluit van het Al-Qa’ida Sanctiecomité SC/11397 van de VNVR van 14 mei jl. is Jabhat Al Nusra op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 geplaatst als aparte organisatie, in plaats van als onderdeel van ISIS. Op basis hiervan zijn voor deze organisaties een wapenembargo en financiële sancties van kracht. Hieraan is voor wat betreft financiële sancties invulling gegeven door uitvoeringsverordening 583/2014 van de Europese Commissie, die EU Verordening 881/2002 amendeert. Het wapenembargo wordt geïmplementeerd door lidstaten. Het wapenembargo is in Nederland geïmplementeerd door middel van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011. Omdat deze verwijst naar de lijst van het VN Sanctiecomité hoeft deze niet te worden aangepast.
Kunnen Nederlandse jihadisten die naar Syrië en Irak zijn afgereisd om te strijden voor Al Nusra of ISIS vervolgd worden wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie? Hoeveel mensen zijn er vanuit Nederland als strijder voor deze twee groepen afgereisd, hoeveel zijn er teruggekeerd en hoeveel zijn er vervolgd?
Het is mogelijk om personen te vervolgen wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie onder WvSr artikel 140a. Het is aan het OM om te bepalen of over gegaan wordt tot vervolging. Het is niet altijd te bewijzen bij welke groeperingen de ruim 100 jihadstrijders (waarvan 30 zijn terug gekomen) zich hebben aangesloten, maar er zijn enige aanwijzingen dat deze jihadstrijders bij Jabhat Al Nusra en ISIS of daaraan gerelateerde strijdgroepen terechtkomen.
Staan het aan Al Qaeda gelieerde Al Nusra en ISIS inmiddels op de officiële EU-lijst van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 10.
Zo nee, waarom niet? Bent u in dit geval bereid u in te zetten om beide organisaties met de grootst mogelijke spoed op deze lijst te laten plaatsen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft de Nederlandse regering inzicht in hoe Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL direct of indirect wapens verkrijgen? Welke stappen worden er ondernomen om diegenen die bij de wapenhandel betrokken zijn te vervolgen?
Het strijdtoneel in Syrië en Irak is onoverzichtelijk. Voor zover kan worden nagegaan ontvangen strijdende organisaties wapenleveranties, maar worden ook wapens buitgemaakt tijdens aanvallen. Hier kan niet worden uitgesloten dat voor gematigde oppositiegroepen bestemde wapens in handen van Jabhat Al Nusra en/of ISIS zijn gekomen. Er zijn tot op heden geen personen veroordeeld wegens deelname aan deze strijdgroepen. Het OM doet geen mededelingen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken in dit verband.
Is de Nederlandse regering bereid financiële stromen van en via individuen en staten naar Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL in kaart te brengen? Wat is de verantwoordelijkheid van Nederland om diegenen die deze organisaties ondersteunen ter verantwoording te roepen?
EU-verordening 881/2002 verplicht de lidstaten ertoe alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van Jabhat Al Nusra en ISIS te bevriezen. Het is tevens op grond van deze verordening verboden om direct of indirect financiële middelen ter beschikking te stellen aan Jabhat Al Nusra en ISIS. Overtreding van de bepaling is in Nederland strafbaar gesteld in de Sanctiewet. Vervolging kan plaatsvinden indien de overtreder zich binnen de Nederlandse jurisdictie beweegt.
Het Wob-verzoek dat het lid Omtzigt bij de regeling van werkzaamheden van de Tweede Kamer op 28 mei 2014 heeft gedaan |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het Wob-verzoek dat bij de regeling van werkzaamheden van 28 mei 2014 in de Kamer is gedaan?
Is uw antwoord in de brief van 11 juni 2014 over de «Evaluatie van de accijnsverhoging op diesel en LPG» een weigering om de documenten, die in deze Wob-procedure gevraagd zijn, beschikbaar te stellen?
Indien het geen weigering betreft, wanneer zult u dan een besluit op basis van de Wob nemen?
Indien het een weigering betreft, waarom heeft u mij dan niet als eerste het besluit ter hand gesteld en dit niet aan mij gericht?
Kunt u deze vragen met zeer grote spoed beantwoorden en het Wob-besluit met spoed nemen, omdat het expliciet de bedoeling is deze documenten te betrekken bij het plenaire debat in de Kamer over de evaluatie van de accijnsverhogingen?