Het aanstaande Buitengewone Congres van de Wereldpostunie |
|
Wybren van Haga (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u voornemens aanwezig te zijn bij het aanstaande Buitengewone Congres van de Wereldpostunie (UPU) dat van 24 tot en met 25 september plaatsvindt?1 Zo nee, door wie wordt de Nederlandse regering daar vertegenwoordigd?
Ja.
Met welke reden is besloten een Buitengewoon Congres bijeen te roepen? Heeft Nederland het voorstel tot het bijeenroepen van dit Buitengewone Congres gesteund?
De reden hiervoor was de aankondiging van de VS op 17 oktober 2018 om per 17 oktober 2019 uit de Wereldpostunie te treden als de leden van de Wereldpostunie niet binnen een jaar akkoord zouden gaan met een drastische aanpassing van de geldende vergoedingensystematiek voor de internationale afhandeling van postpakketjes. Ik verwijs u verder naar mijn antwoord van 20 september jl. op vraag 13 van de vragen van dezelfde leden over hetzelfde onderwerp van 27 juni jl.
Klopt het dat de regering van de Verenigde Staten (VS) bereid is af te zien van terugtrekking uit de UPU indien het Buitengewone Congres van de UPU hervormingen aanneemt die naar oordeel van de VS verstoringen van de postmarkt voldoende wegnemen?
Ja.
Hebt u kennisgenomen van de door de VS voorgestelde dan wel geaccepteerde hervormingen? Kunt u toelichten wat de gevolgen zouden zijn van de voorstellen en eisen van de VS, en toelichten wat de gevolgen zouden zijn van de voorgestelde tarieven, drempels en uitzonderingen? Steunt Nederland (één van) de voorstellen van de VS? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord naar mijn uitgebreide reactie van 20 september jl. op de vragen 11 en 12 van de vragen over hetzelfde onderwerp van 27 juni jl.
Is er sprake van een gezamenlijke EU-positie inzake de voorstellen van de VS? Zo nee, waarom niet? Zijn hier wel pogingen toe ondernomen?
Nee, deze gezamenlijke EU-positie is er niet, in zoverre dat Nederland wel op een lijn zit met Duitsland, Frankrijk en het VK. In EU-verband zijn er wel pogingen ondernomen om een gemeenschappelijk standpunt te formuleren. Dit is tot nog toe niet gelukt gegeven de verschillen in de mate waarin er problemen worden ervaren met de huidige vergoedingensystematiek.
Deelt u de mening dat een vertrek van de VS uit de UPU onwenselijk is? Zo ja, wat hebt u, al dan niet samen met andere landen, ondernomen om de VS van een vertrek te weerhouden?
Ja, een vertrek van welke lidstaat uit de UPU dan ook, maar zeker een belangrijke speler als de VS, is onwenselijk. Dit ondermijnt het multilaterale verband waar de internationale afspraken op zijn gebaseerd en het heeft negatieve consequenties voor de solidariteit ten aanzien van het opbouwen van een steviger postale infrastructuur in minder ontwikkelde landen, hetgeen een belangrijk doel is van de UPU. Deelname aan multilaterale instellingen draagt bij aan mondiale welvaart en stabiliteit, en het biedt een platform voor het vastleggen van internationale afspraken.
Om de VS van een vertrek te weerhouden zijn er de afgelopen maanden, naast de hervormingseis zoals de VS deze in oktober 2018 heeft gepubliceerd, door verschillende landen, waaronder Nederland, in samenwerking alternatieve opties geformuleerd die bedoeld zijn om de zorgen van de VS en andere landen ook te adresseren, maar die – in tegenstelling tot het Amerikaanse voorstel – ook het systeem beheersbaar houden. Deze alternatieve opties laten zien dat er grote bereidheid is om voor een belangrijk deel tegemoet te komen aan de bezwaren van de VS ten aanzien van de huidige vergoedingensystematiek. Deze bezwaren worden voor een groot deel ook gedeeld door de meeste UPU-lidstaten. De wijze waarop de VS dit issue op de agenda heeft gezet kan echter leiden tot een ondermijning van de multilaterale verbanden waar Nederland zeer aan hecht. Bovendien wil de VS in één keer van A naar Z, en de meeste landen zijn zeer bezorgd over de impact van dergelijke drastische stappen en stellen een meer geleidelijke invoering van maatregelen voor waardoor de e-commerce-markt ook de gelegenheid krijgt zich in te stellen op andere tarieven en mogelijk veranderende handelsstromen.
Welke gevolgen heeft een terugtrekking van de VS uit de UPU voor de UPU enerzijds, en voor de Nederlands-Amerikaans betrekkingen anderzijds? Heeft een terugtrekking van de VS nog gevolgen voor de bilaterale afhandeling van (civiel dan wel militair) postverkeer? Zo ja, welke?
Een eventueel vertrek van de VS uit de UPU zou voor de UPU als organisatie een aantal negatieve gevolgen hebben. Hierbij moet vooral worden gedacht aan het wegvallen van de omvangrijke bijdrage van de VS in de verschillende werkgroepen van de UPU, bijvoorbeeld op het gebied van normalisatie, dat wil zeggen het vastleggen van afspraken voor de internationale formulieren- en datastromen op postgebied. Ook levert het wegvallen van de contributie vanuit de VS voor de UPU budgettaire problemen op.
Daarnaast zou het vertrek van de VS betekenen dat de UPU-afspraken niet meer van toepassing zijn op de Amerikaanse nationale postvervoerder USPS. Met het wegvallen van de afspraken in UPU-verband is USPS gedwongen bilaterale overeenkomsten af te sluiten met andere postbedrijven in de wereld om de onbelemmerde internationale uitwisseling van postzendingen te kunnen blijven continueren. PostNL heeft aangegeven in dat geval vooralsnog geen onoverkomelijke problemen te voorzien, maar daarbij moeten wel een groot aantal zaken worden geregeld, zoals de tarieven voor het uitvoeren van de postbezorging in het land van bestemming en de afspraken rondom douaneafhandeling. Op dit laatste punt worden de regelgevende kaders overigens op Europees niveau bepaald.
Ten aanzien van de douaneafhandeling van in de EU binnenkomende Amerikaanse post bestaat momenteel onzekerheid. De UPU Conventie legt geen rol op aan nationaal aangewezen operators, maar ze erkent dat deze bevoegd zijn tot douane-inklaring, dat ze hier geld voor mogen vragen en ook dat ze douanerechten en andere heffingen bij afzenders of geadresseerden mogen innen. De erkenning van USPS komt bij uittreding te vervallen. Verder geldt er binnen de Europese douaneregelgeving een bijzondere behandeling voor postzendingen die op basis van UPU-afspraken worden afgehandeld. Indien USPS geen door de UPU erkende partij meer is, heeft dat ook gevolgen voor de toepassing van de Europese douaneregelgeving. Op dit moment kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld postpakketjes vanuit de VS hierdoor vertraging oplopen bij de bezorging in de EU.
Voor wat betreft het militaire postverkeer zijn weinig gevolgen te verwachten aangezien deze uitwisseling in de relatie met de VS nu al rechtstreeks en dus zonder tussenkomst van PostNL of andere postale bedrijven plaatsvindt.
Hebt u kennisgenomen van het in maart 2019 door het Witte Huis gepubliceerde «Economic Report of the President», in het bijzonder hoofdstuk 10? Hoe beoordeelt u de volgende passage: «Given these changes in the international postal stream and its underlying economics, realizing the vision of «undistorted and unrestricted competition» articulated in the Presidential Memorandum would deliver benefits to both developing and developed countries, a reality reflected in the unanimous endorsement of the concerns voiced by the U.S. by the 28 members of the Postal Union of the Americas, Spain, and Portugal (2018). Other countries, including China and the Netherlands, seem to favor the UPU, embracing a remuneration system for items likely to contain goods that dates to an era when the international mail comprised many fewer goods and many more letters. To minimize the distortions created by postal remuneration policy given the underlying economics of the postal sector, the U.S. intends to adopt a system of self-declared and nondiscriminatory rates of remuneration for items likely to contain goods. The U.S. would welcome the opportunity to realize this forward-looking vision for its role in the international postal system as a member of the international postal union that it helped to found»?2
Van deze passage in het Amerikaanse Economic Report heb ik kennis genomen. De in de vraag aangehaalde stellingname in dit rapport en de appreciatie van de positie van Nederland zijn de verantwoordelijkheid van de auteurs. Ik deel deze appreciatie en de conclusie die op basis hiervan in vraag 9 lijkt te worden getrokken niet. Ik constateer ook dat de stelling over de positie van Nederland in het rapport verder niet wordt onderbouwd.
Zoals ik ook heb geantwoord op vraag 11 van de vragen over hetzelfde onderwerp van 27 juni 2019 (zie mijn brief van 20 september jl.), deelt Nederland de mening dat de huidige set afspraken binnen de UPU op meerdere punten niet meer passend is bij de economische realiteit. Vandaar dat Nederland, samen met de meeste andere EU-lidstaten, het standpunt van onder meer de VS deelt dat hervorming van de UPU op de agenda moet komen. Dit realiseert de UPU zich ook en daarom staat het geplande reguliere congres van 2020 ook in het teken van mogelijke hervormingen. Met de aankondiging van hun vertrek hebben de VS echter te kennen gegeven daar niet op te willen wachten.
Deelt u de mening, zoals verwoord in het hierboven vermelde rapport, dat Nederland ten aanzien van de internationale postmarkt op dezelfde – volgens de auteurs achterhaalde – lijn zit als de Volksrepubliek China en de zorgen van onder andere de VS en enkele EU-lidstaten niet deelt? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe past de uit dit rapport blijkende overeenstemming met de Chinese positie en in afwijking van de positie van de VS en – in elk geval – een deel van de EU in uw voornemen om samen met de VS en de EU op te trekken teneinde marktverstoringen van bijvoorbeeld China aan te pakken, zoals geuit in uw recente China-notitie?3
Zoals ik hierboven heb aangegeven, deel ik de appreciatie uit het rapport niet. Het creëren van een gelijk speelveld in de handelsrelatie met China en het tegengaan van oneerlijke handelspraktijken door China zijn belangrijke doelstellingen van het kabinet, zoals ook geformuleerd in de Chinanotitie. De Nederlandse overheid zet zich dan ook in voor Europees effectief eensgezind optreden richting China. Ook zal Nederland een EU-dialoog met de VS over China ondersteunen.
Welke belangen weerhouden de regering ervan om de VS tegemoet te komen? Kunt u deze belangen onderbouwen aan de hand van cijfers?
Zoals uit mijn eerdere antwoorden blijkt, verschillen we niet van mening met de VS over het feit dat de afspraken zoals die nu gelden binnen de UPU aanpassing behoeven aan de economische realiteit en de sterk gewijzigde marktverhoudingen op de internationale post- en pakketmarkt. De UPU is van oudsher vooral gericht op de uitwisseling van brievenpost. De organisatie is bezig met het maken van de draai naar aandacht voor pakketten en e-commerce. Het huidige twistpunt met de VS betreft vooral het tempo van wijzigingen en de bandbreedte waarbinnen vergoedingen verhoogd kunnen worden. Zeer hoge jaarlijkse stijgingen van de vergoedingen die nationale postbedrijven elkaar in rekening brengen kunnen ertoe leiden dat deze worden doorberekend in de tarieven die gelden voor e-commerce-bedrijven. Die kunnen er vervolgens weer voor kiezen dit mee te nemen in de prijzen aan hun klanten of genoegen te nemen met een lagere marge. Overigens is er sprake van een concurrerende pakketmarkt en dus hebben bedrijven in principe keuze tussen verschillende pakketvervoerders. Niettemin is de inzet van EU-lidstaten als het VK, Duitsland en Frankrijk, samen met Nederland, erop gericht dat dit – indien er binnen de UPU gekozen zou worden voor generieke verhoging van eindvergoedingen – gematigd en op een beheerste wijze gebeurt, verspreid over een aantal jaar. Dit geeft alle partijen de gelegenheid zich tijdig aan te passen. Ook hecht het kabinet er aan dat dreigen met uittreding als breekijzer om aanpassingen te forceren, niet mag leiden tot ongewenste precedentwerking in andere multilaterale verbanden.
Ik verwijs u verder voor een uitgebreidere reactie op deze vraag naar mijn antwoord van 20 september jl. op vraag 12 van de vragen over hetzelfde onderwerp van 27 juni jl.
Kunt u deze vragen voor de aanvang van het Buitengewone Congres van de UPU beantwoorden?
Ja.
Het niet meer kosteloos doen van loonaangifte voor ondernemers door de invoering van eHerkenning |
|
Helma Lodders (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Menno Snel (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u er mee bekend dat de Belastingdienst voor het doen van loonaangifte over het jaar 2019 eHerkenning voor alle ondernemers (behalve eenmanszaken) verplicht heeft gesteld?
Ja, hier ben ik mee bekend. De Wet digitale overheid, die inmiddels in behandeling is, regelt onder andere dat elektronische diensten aan burgers en bedrijven op een passend betrouwbaarheidsniveau worden beveiligd met gebruik van generieke identificatiemiddelen. In dit kader heeft het kabinet er Rijksbreed voor gekozen om het gebruik van erkende bedrijvenmiddelen verplicht te stellen voor elektronische diensten aan bedrijven die op het niveau «substantieel» moeten worden beveiligd. eHerkenning is zo’n middel. Loonaangiften bevatten privacy- en bedrijfsgevoelige informatie. Daarom geldt ter zake van loonaangiften per 1 januari 2020 beveiligingsniveau «substantieel» en moet dus gebruik worden gemaakt van een inlogmiddel met een overeenkomstig betrouwbaarheidsniveau, in dit geval eHerkenning niveau 3. Voor eenmanszaken blijft het wel mogelijk om in te loggen met DigiD.
Bent u ermee bekend dat het product eHerkenning een commercieel product is waar een prijskaartje van tussen de € 40 en € 45 aan hangt?
Ja, dit is mij bekend. Het eHerkenning-stelsel is een initiatief van de rijksoverheid en wordt ontwikkeld in samenwerking met het bedrijfsleven. eHerkenningsmiddelen worden niet door de overheid uitgegeven maar door de overheid erkende leveranciers. De kosten worden gedragen door de gebruikers van het stelsel, (overheids)organisaties die diensten aanbieden, ondernemers die deze diensten afnemen en de erkende leveranciers van eHerkenningsmiddelen. Een eHerkenningsmiddel kan zowel gebruikt worden om toegang te krijgen tot elektronische dienstverlening van de overheid alsook toegang tot private digitale diensten. De aanschaf van een middel kost afhankelijk van de looptijd van een contract tussen de 30 en de 45 euro per jaar.
Deelt u het standpunt dat het doen van belasting- en loonaangifte voor zowel particulieren als voor ondernemers kosteloos zou moeten zijn omdat de overheid het doen van aangifte verplicht stelt? Zo nee, waarom niet?
Elk betrouwbaar systeem voor identificatie brengt kosten voor ontwikkeling en beheer met zich mee. Kosten worden direct via een bijdrage of indirect uit belastingopbrengsten bekostigd. Aan een inlogmiddel als DigiD hangt eveneens een prijskaartje. Maar ook aan de identiteitskaart, die voor verschillende toepassingen in contact met de overheid en private organisaties kan worden gebruikt. De kosten voor een eHerkenningsmiddel kunnen niet volledig worden toegeschreven aan het doen van belasting- of loonaangifte. eHerkenning is namelijk een inlogmiddel waarmee nu al bij meer dan 400 overheidsorganisaties kan worden ingelogd. Alle overheidsorganisaties moeten de identiteit van ondernemingen en rechtspersonen betrouwbaar digitaal kunnen vaststellen om persoonsgebonden of gevoelige gegevens veilig te kunnen uitwisselen. Dat geldt wanneer het een aangifte bij de Belastingdienst betreft, maar ook voor dienstverlening van het UWV of de Kamer van Koophandel.
Als Minister van BZK regel ik in de ontwerpwet digitale overheid dat digitale toegang generiek wordt ingericht om versnippering in dienstverlening te voorkomen. Alternatieve of organisatiespecifieke voorzieningen hoeven zo niet meer te worden doorontwikkeld en beheerd. Burgers en bedrijven kunnen er op vertrouwen dat zij met de toegelaten of erkende middelen overal terecht kunnen in het publieke domein. Met de verplichtstelling van het gebruik van deze toegelaten of erkende middelen op basis van de Wet digitale overheid sluiten steeds meer (overheids)dienstverleners ook daadwerkelijk aan op het eHerkeningstelsel.
De keuze voor eHerkenning met een stelsel van erkende leveranciers waar bedrijven en organisaties hun inlogmiddel kunnen aanschaffen heeft een aantal unieke voordelen. Allereerst betekent het dat het stelsel zeer robuust is, omdat er geen «single point of failure» is. Het wegvallen van één aanbieder brengt de continuïteit van het stelsel niet in gevaar. Verder concurreren de leveranciers met elkaar om de gunst van de klant. Dit drukt de prijs en maakt dat er een bonus op klantvriendelijkheid staat. Ook maakt een stelsel mogelijk dat gemakkelijker op de laatste technologische ontwikkelingen kan worden ingesprongen. De private aanbieders hebben er een direct belang bij de dynamische ICT-markt goed in de gaten te houden en zijn hier waarschijnlijk ook beter toe in staat dan de overheid zelf. Tevens zorgt directe verrekening bij een erkende leverancier ervoor dat werkgevers goed nadenken over het aantal werknemers dat een eHerkenningsmiddel moet krijgen. Dit draagt bij aan kostenbewustzijn. Tot slot kunnen bedrijven en organisaties een privaat middel ook in het private domein gebruiken.
Zoals ik ook in mijn antwoorden op de vragen in de nota naar aanleiding van het verslag1 bij de behandeling van de Wet digitale overheid heb gesteld zie ik op dit moment geen reden om een generiek publiek middel voor bedrijven in te voeren. In het verleden is het publieke middel DigiD voor bedrijven ontwikkeld. Dit werd weinig gebruikt en is daarom uitgefaseerd. eHerkenning kan tot het hoogste betrouwbaarheidsniveau inlogmiddelen leveren en heeft sinds 2008 een bewezen staat van dienst. Inmiddels zijn 435 overheidsdienstverleners aangesloten, 373.000 inlogmiddelen2 uitgegeven, er 8,2 mln. logins per jaar en worden er 1.661 diensten ontsloten.
Deelt u de mening dat het verplichtstellen van eHerkenning voor ondernemers haaks staat op het principe dat het doen van belastingaangifte kosteloos zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhouden de invoering en de kosten van eHerkenning zich met de antwoorden die zijn gegeven aan beide Kamers dat eHerkenning bedoeld is voor het verlagen van de administratieve lasten van ondernemers?
De memorie van toelichting van de ontwerpwet digitale overheid geeft aan dat het wetsvoorstel een bijdrage beoogt te leveren aan vermindering van regeldruk en administratieve lasten voor bedrijven doordat er verplichtingen voor dienstverleners worden geïntroduceerd waarmee de toegang tot elektronische dienstverlening wordt geüniformeerd en gestandaardiseerd.
De aanschaf van een eHerkenningsmiddel brengt regeldruk met zich mee in de vorm van tijd en geld. Maar eHerkenning zorgt ook voor structurele lastenverlaging bij veelvuldig gebruik, hetgeen mogelijk is nu steeds meer overheidsdienstverleners aansluiten. Daarnaast wordt privacy- en bedrijfsgevoelige informatie bij loonaangifte met eHerkenning veel beter gewaarborgd.
Bent u bereid om ook voor ondernemers het kosteloos doen van aangifte weer mogelijk te maken en te zoeken naar een andere oplossing dan de verplichtstelling van eHerkenning? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De te lange betaaltermijnen van grote bedrijven aan kleine ondernemers |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met van het onderzoek van Graydon Nederland, in opdracht van MKB-Nederland, waaruit blijkt dat de betalingstermijnen van grote bedrijven aan midden- en kleinbedrijven (mkb’ers) juist weer oplopen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit onder andere blijkt dat de betalingstermijnen zijn opgelopen naar 41,4 dagen?
Dit voorjaar heb ik in uw Kamer gezegd dat de betaaltermijnen aan het mkb moeten verbeteren en dat ik de wet zal aanscherpen als blijkt dat grote bedrijven de huidige maximale termijn van zestig dagen in toenemende mate als norm hanteren. De cijfers van Graydon tot en met juni van dit jaar laten de gewenste verbetering niet zien.
Deelt u de mening dat kleine bedrijven geen bank hoeven te spelen voor grote bedrijven en dat grote bedrijven gewoon netjes hun facturen op tijd dienen te betalen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat juist in economische goede tijden grote bedrijven hun facturen te laat betalen aan mkb’ers? Zo nee, waarom niet?
Een goed draaiende economie geeft minder aanleiding tot lange betaaltermijnen dan een moeizaam draaiende economie. Daarom vind ik het inderdaad zorgelijk dat de betaaltermijnen in het actuele economische klimaat niet de gewenste ontwikkeling laten zien.
Wanneer ontvangt de Kamer de voor de zomer toegezegde evaluatie van de Wet Betalingstermijnen grote bedrijven 2017?
Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Wörsdörfer in mei heb ik aangegeven dat de cijfers over de gerealiseerde betaaltermijnen tussen ondernemingen tot en met medio 2019 beslissend zullen zijn voor een aanscherping van de regeling. Die cijfers zijn in september beschikbaar gekomen en laten niet de gewenste verbetering zien. Verder had ik uw Kamer naar aanleiding van het AO Bedrijfslevenbeleid in april al toegezegd dat ik die aanscherping niet los kan zien van de evaluatie van de Wet betaaltermijnen grote bedrijven, omdat deze evaluatie informatie kan opleveren waarmee rekening gehouden moet worden.
Wanneer ontvangt de Kamer de wetswijziging, zoals gevraagd in de aangenomen motie-Wörsdörfer/Amhaouch (Kamerstuk 32 637, nr. 363) om de betalingstermijnen van grote bedrijven aan mkb’ers terug te brengen van 60 naar 30 dagen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om deze wetswijziging nog voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van EZK naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat juist de handhaving van de Wet Betalingstermijnen een probleem is omdat kleine ondernemers het niet gaan opnemen tegen de legers van advocaten van grote bedrijven of bang zijn op een zwarte lijst te belanden? Zo nee, waarom niet? Hoe kijkt u aan tegen de handhaving van wetgeving rondom de betalingstermijnen van grote bedrijven aan kleine bedrijven?
De handhaving van wetgeving, de mate waarin van partijen mag worden verwacht dat zij daarin zelf een rol spelen en de eventuele knelpunten die zich daarbij in de praktijk voordoen, zijn onderwerp van de evaluatie die ik laat uitvoeren.
Bent u bereid om de mogelijkheid te onderzoeken om grote bedrijven die hun facturen te laat betalen aan mkb’ers te beboeten of te berispen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek ontvangen?
De evaluatie van de Wet betalingstermijnen grote bedrijven is nog in uitvoering. Ik verwacht uw Kamer rond de jaarwisseling te kunnen informeren over de uitkomsten hiervan.
Jonge kinderen die worden blootgesteld aan gewelddadige beelden in gamehallen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van consumentenprogramma Kassa van 14 september 2019, waaruit blijkt dat jonge kinderen gewelddadige games kunnen spelen in gamehallen omdat hier geen toezicht op plaatsvindt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat kinderen van bijvoorbeeld negen jaar aan schiet- en horrorspellen worden blootgesteld?
Uit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat de confrontatie van jongeren met gewelddadig beeldmateriaal kan bijdragen aan de ontwikkeling van agressief gedrag. De meest gangbare theorie om dit te verklaren is die van het sociale leren, volgens welke kinderen gedrag aanleren en navolgen op basis van hetgeen ze anderen zien doen. Om de jeugd tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal te beschermen zijn in nationale en internationale wet- en regelgeving restricties gesteld aan de confrontatie van jongeren met dergelijk beeldmateriaal.
Kunt u toelichten waarom gamehallen zich niet aan regels houden waar bijvoorbeeld winkeliers en bioscopen zich wel aan houden? Zijn gamehallen niet verplicht dezelfde systematiek van leeftijdsclassificatie en toezicht te hanteren?
De bescherming van jongeren tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal is sinds de afschaffing van de Wet op de filmvertoningen geënt op co-regulering. Drie partijen hebben daarbij een rol. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor hetgeen hun kinderen aan beeldmateriaal te zien krijgen. Daarnaast hebben de verstrekkers, vertoners en verhuurders van audiovisueel beeldmateriaal een verantwoordelijkheid om de jongeren te beschermen tegen voor hen schadelijk beeldmateriaal. Zij worden daarbij ondersteund door een systeem van inhoudspictogrammen en leeftijdsclassificaties dat ontwikkeld is door het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (Nicam) voor zowel films (Kijkwijzer) als games (PEGI). Beide systemen hebben echter geen wettelijke grondslag. Organisaties die zich bij het Nicam aangesloten hebben, verplichten zich wel op basis van de reglementen om de leeftijdsclassificaties in acht te nemen. De overheid ten slotte houdt via de Mediawet en artikel 240a van het Wetboek van strafrecht en met inachtneming van artikel 7 van de Grondwet de mogelijkheid regels te stellen en achteraf in te grijpen.
Kunt u opheldering bieden hoe wetsartikel 240a van het Wetboek van Strafrecht zich verhoudt tot deze casus?
Gamehallen zijn strafbaar als ze een afbeelding, voorwerp of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk te achten is voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken, aanbieden of vertonen aan een minderjarige van wie men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze jonger is dan zestien jaar.
Wat is er nodig om het Agentschap Telecom haar toezichthoudende taak uit te laten voeren in de gamehalbranche?
Sinds 2010 voeren buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s), aanvankelijk in dienst van Verispect en thans van Agentschap Telecom, in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid controles uit op de naleving van artikel 240aSr. De bedrijven die door de boa’s gecontroleerd worden, zijn geselecteerd op basis van risicotaxatie. Gamehallen kunnen zonder bijzondere maatregelen toegevoegd worden aan de selectie van de jaarlijks te controleren bedrijven. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 6.
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen om te verzekeren dat ook gamehallen de wet naleven en hierop gecontroleerd worden?
Inmiddels heeft Agentschap Telecom een eerste inventarisatie gemaakt van het aantal gamehallen in Nederland. Op basis van een steekproef van negen bezochte bedrijven heeft het onderzocht welke games er gespeeld kunnen worden, welk toelatingsbeleid gehanteerd wordt, in hoeverre men bekend is met de wettelijke bepalingen en deze ook daadwerkelijk naleeft. Uit deze eerste waarnemingen leid ik af dat er een variëteit aan meer of minder schadelijke games voorhanden is, dat er hooguit in beperkte mate gewaarschuwd wordt voor mogelijk schadelijk beeldmateriaal via het plaatsen van PEGI-pictogrammen en dat gamehallen gebrekkig invulling geven aan de wettelijke verplichting om jongeren te beschermen tegen voor hen mogelijk schadelijk beeldmateriaal.
Deze bevindingen zijn voor mij aanleiding tot het nemen van drie vervolgstappen. Ten eerste zal mijn ministerie in overleg treden met de branche om haar te doordringen van de noodzaak zich aan de wettelijke bepalingen te houden. Ten tweede zal ik via het Nicam bij de branche inzetten op bewustwording van het belang van bescherming van jongeren tegen schadelijk beeldmateriaal. Ten slotte zal ik Agentschap Telecom ondersteunen in het inrichten van controles op naleving van artikel 240Sr bij de gamehallen op basis van een aangepaste risicoanalyse. Ook het door Agentschap Telecom aangekondigde verscherpte toezicht ondersteun ik.
De berichtgeving ‘Nieuwe onderzeeboten: Nederlandse marine-industrie dreigt alleen kruimels te krijgen’ |
|
John Kerstens (PvdA), André Bosman (VVD), Mustafa Amhaouch (CDA), Joël Voordewind (CU), Eppo Bruins (CU), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving: «Nieuwe onderzeeboten: Nederlandse marine-industrie dreigt alleen kruimels te krijgen»1 en het artikel «Het langzame herstel van de krijgsmacht» in de Telegraaf van 3 juli jl.?
Ik heb kennis genomen van de genoemde berichten. De Kamer heeft vorige week de B-brief ontvangen van het project Vervanging Onderzeebootcapaciteit. Hierin zijn de besluiten opgenomen over het gewenste type onderzeeboot, het aantal aan te schaffen onderzeeboten, het budget dat daarvoor beschikbaar is, de shortlist van de kandidaat-werven en de verwervingsstrategie.
In de B-fase is ten aanzien van deze vier kandidaat-werven een aantal onderzoeken uitgevoerd. Er heeft een kosten-batenanalyse (KBA) plaatsgevonden, waarbij verschillende vervangingsopties zijn vergeleken. Binnen dit project worden deze alternatieven als varianten benoemd. In een apart onderzoek heeft Defensie de eigenschappen van deze werven tegen het licht gehouden. Verder heeft Defensie de mogelijkheden voor internationale samenwerking in kaart gebracht en heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat onderzoek gedaan naar industriële aspecten. Als uitwerking van het Regeerakkoord is in november 2018 de Defensie Industrie Strategie (DIS) gepubliceerd. In februari 2019 is de DIS in de Tweede Kamer behandeld. Na de publicatie van de DIS is een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te inventariseren in welke mate de kandidaat-werven een bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de DIS2.
Bij de uiteindelijke keuze van een leverancier zullen onder andere factoren zoals beste boot voor de beste prijs, risicobeheersing en de uitwerking van het nationaal veiligheidsbelang en de strategische autonomie als uitgangspunten dienen. Vanuit een economische en industriële invalshoek is de toekomstige positie van het Nederlandse marinebouwcluster van belang, inclusief MKB en kennisinstituten. Na het gezamenlijk vaststellen van de gunningseisen, werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in een parallel spoor met de kandidaat-werven een industriële samenwerkingsovereenkomst uit. Tevens zijn wegingselementen zoals strategische samenwerking met NAVO-bondgenoten en andere strategische partners en bijdragen aan Europese defensiesamenwerking van belang.
Erkent u de grote zorgen die vanuit de Nederlandse marine-industrie geuit worden over de toekomst van de Nederlandse marinebouw en het behoud van nationale strategische belangen en nationale militaire kennis?
Ik ben op de hoogte van opvattingen die leven in de Nederlandse marine-industrie. Ook is er het Triarii-rapport «Economische effecten marinebouwcluster» dat de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat op 10 september 2018 naar de Kamer heeft gestuurd.3
Voor Nederland is, zoals beschreven in de DIS, een sterk marinebouwcluster van strategisch belang teneinde de wezenlijke belangen van de nationale veiligheid te kunnen beschermen, ook tijdens de instandhouding van een wapensysteem.
Kent u het artikel in de Financial Review «Defence Minister gets frank with French over submarine build» van 16 augustus 20192, en de uitzending «Breaking French submarine contract a «bargain» at $ 330m3»?
Ja
Kent u de berichtgeving uit het artikel: «Onderhandelingen over toekomstige Leopard-tank verlopen stroef» over het vastlopen van de onderhandelingen tussen twee Duitse bedrijven en een Frans bedrijf, omdat het Franse bedrijf een positie van 50% opeist in de ontwikkeling van de toekomstige Leopard 3 tank?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het artikel: «U-Boote machen wieder Probleme»4 over het niet-functioneren van de Duitse nieuwe onderzeeboten? Hoe beoordeelt u deze berichtgeving in het licht van een mogelijke samenwerking met de Duitse aanbieder voor de onderzeebootorder?
Erkent u in uw antwoord op vraag 23 feitelijke vragen Defensie-industrie strategie5 dat «Uitbesteding van een project aan een buitenlandse industrie kan leiden tot een erosie van het kennisniveau.»? Klopt de analyse dat, doordat de order voor mijnenbestrijdingsvaartuigen gegeven is aan een Frans-Belgisch consortium, de Nederlandse kennis op mijnenbestrijdingsgebied (deels) erodeert en de Nederlandse industrie structureel een exportmarkt verloren heeft voor toekomstige mijnenbestrijdingsvaartuigen? Klopt het dat de aanbesteding van de mijnenbestrijdingsschepen niet conform de Defensie Industrie Strategie (DIS) was? Zal de aanbesteding van de onderzeeboten nu wél conform de DIS gaan? Hoe beoordeelt u het risico van kennis-erosie voor het later kunnen uitvoeren door de Nederlandse marinebouw van het benodigde onderhoud en upgrades aan de onderzeeboten, waarin Nederland nu excelleert, indien niet over het intellectual property (IP) van deze onderzeeboten kan worden beschikt? Hoe beoordeelt u het voortbestaan van de Nederlandse marinebouwcluster wanneer er wordt gekozen voor een hoofdaannemer die geen structureel partnerschap heeft met de Nederlandse marinebouw en niet bereid is tot het volledig delen van het intellectuele property (IP)? Bent u bereid om werven uit te sluiten die het IP niet willen delen, zodat erosie van strategische kennis kan worden voorkomen? Kunt u alle onderdelen van vraag 6 separaat beantwoorden?
Erkent u dat een goed functionerend samenwerkingsverband zoals «de Gouden Driehoek» noodzakelijk is voor het beste product voor de beste prijs binnen de gegeven tijd? Deelt u de opvatting dat het vroegtijdig betrekken van de Nederlandse «Gouden Driehoek» bij het ontwikkelen van de nieuwe onderzeeboot, sterk zal bijdragen aan een ontwerp dat later tegen lage kosten is te onderhouden en slimmer kan worden voorbereid op toekomstige upgrades?
Klopt het dat voor een product dat niet van de plank kan worden gekocht maar waaraan een ontwikkelingsfase vastzit, met nog onbekende technische risico’s, concurrentiestelling niet per definitie leidt tot een lagere prijs? Kan de werking van de «Gouden Driehoek», waarin gezamenlijk oplossingen voor technische problemen worden gezocht, kosten en vertraging voorkomen, waardoor de ontwikkelrisico’s aanzienlijk lager liggen?
In hoeverre kennen de verschillende aanbieders een werkwijze van gezamenlijk ontwikkelen en bouwen zoals binnen de Nederlandse «Gouden Driehoek», die er de laatste decennia in resulteerde dat Nederlandse marineschepen immer op tijd en binnen budget werden opgeleverd?
Alle kandidaat-werven hebben intentie getoond om invulling te geven aan de DIS aspecten. Zo heeft Naval Group onder meer aangegeven met Royal IHC samen te werken, heeft Saab Kockums de samenwerking gezocht met Damen Schelde Naval Shipbuilding en heeft tkMS aangegeven de bouw van onderzeeboten in de Noordkop te laten plaatsvinden. De exacte afspraken tussen kandidaat-werven en (door hen benoemde) samenwerkingspartners zullen in de volgende fase van het project door Defensie nader worden onderzocht. Defensie doet dit onder meer met het Ministerie van EZK.
Klopt het dat het voor Defensie in geval van concurrentiestelling heel lastig kan worden om de volledige informatie van subsystemen beschikbaar te krijgen, omdat buitenlandse aanbieders vanwege eigen nationale veiligheidsbelangen niet volledig open kaart zullen spelen over hun landeigen, strategische innovaties en militaire kennis?
In de volgende fase worden de eisen, knock out- en gunningscriteria en wegingsfactoren vastgesteld, waarbij factoren zoals beste boot voor de beste prijs, risicobeheersing en de uitwerking van het nationaal veiligheidsbelang en de strategische autonomie als uitgangspunten dienen.
Welke kwaliteitsimpuls kunnen nieuwe orders voor de Nederlandse marinebouw opleveren, zowel op het gebied van onderzeeboten als daarbuiten in de civiele Nederlandse maritieme industrie? Bent u bereid de spin-off en spill-over effecten te onderzoeken van Nederlandse industriële participatie?
Erkent u dat de Nederlandse defensie-industrie in het nadeel verkeert ten opzichte van sommige buitenlandse staatsbedrijven, die op velerlei wijze kunnen rekenen op steun van hun overheid? Deelt u de opvatting dat nu doorgaan met een langdurig proces van concurrentiestelling de Nederlandse marinebouw extra benadeelt, doordat sommige buitenlandse aanbieders de vertragingskosten kunnen opvangen door staatssteun?
In hoeverre vraagt de internationale veiligheidssituatie om meer, conventioneel aangedreven, vooral expeditionaire onderzeeboten die goedkoper en minder complex zijn dan nucleaire onderzeeboten? In hoeverre versterkt deze tendens de exportpositie van Nederland, indien de ontwikkeling en bouw van de vervanger van de Walrus-klasse binnen de Nederlandse Marinebouw met haar buitenlandse partner plaats vindt? Klopt het dat het hiervoor voorwaarde is dat in ieder geval het IP van deze boten door de buitenlandse partner volledig moet worden gedeeld? Hoe zijn de ervaringen van eventuele export van de Walrusklasse destijds?
Nu alle marktpartijen een gelijkwaardige samenwerking met de Nederlandse maritieme industrie pretenderen, is de participatie van Nederlandse (toe)leveranciers en kennisinstellingen bij al die marktpartijen (nagenoeg) gelijk? In hoeverre versterkt samenwerking met deze marktpartijen de Nederlandse positie in de consolidatie van de Europese marinebouw?
Staat u nog steeds achter de navolgende zinsnedes in de Kamerbrief met stand van zaken project «Vervanging onderzeebootcapaciteit» van 24 april 20196: » In november vorig jaar hebben Defensie en EZK de Defensie Industrie Strategie (DIS) gepresenteerd (Kamerstuk 31 125, nr. 92). Vervolgens hebben enkele werven of hun overheden nieuwe of aangepaste plannen over de industriële aspecten van de onderzeebootvervanging gepresenteerd. Op grond hiervan is besloten een aanvullend onderzoek te doen waarin alle vier de genoemde werven worden betrokken.»? Kunt u precies aangeven wat voor onderzoeken hiertoe zijn verricht en kunt u die uitkomsten zo volledig mogelijk met de Kamer delen?
Kunt u in de beantwoording van deze schriftelijke vragen in ieder geval in detail ingaan op de volgende onderdelen, waarbij (waar van toepassing) wordt verwezen naar de artikelen genoemd in vraag 1, 3, 4 en 5:
De balans voor de kennis en informatie over de ontwikkeling, engineering en bouw van onderzeeboten (en alles wat daarmee samenhangt) helt tussen Defensie en de kandidaat-werven over in de richting van de industrie. Bij een verwervingsvoorbereiding in concurrentie heeft Defensie de mogelijkheid om de informatie van meerdere aanbieders te vergelijken om genoemde onbalans te ondervangen.
Indien uit het laatste onderzoek, waarbij de input van alle betrokken marktpartijen aan de DIS is getoetst, blijkt dat een bepaalde hoofdaannemer het meest bijdraagt aan het gedachtengoed uit de DIS en dus aan een belangrijk streven uit het Regeerakkoord (behouden en vergroten eigen handelingsvermogen), bent u dan bereid om op basis daarvan nu de keuze te maken voor die marktpartij? Zo niet, kunt u dan in de B-brief zo precies mogelijk aangeven welke factoren ervoor zorgen dat u die keuze nu niet kunt maken?
Is het oordeel van de eindgebruiker (CSZK) meegewogen in uw besluit dat in de B-brief aan de Kamer wordt gestuurd? Zo ja, is deze in lijn met uw besluit? Zo nee, waarom niet?
Bij elk materieelproject is het advies van de Commandant der Strijdkrachten (CDS) als behoeftesteller en tevens hoogste militair adviseur relevant. De CDS betrekt daarbij zijn ondercommandanten, in dit geval CZSK.
Bent u bereid, nu artikel 346 Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) wordt ingeroepen, te besluiten om bij voltooiing van de B-fase de keuze te maken om verder te gaan met díe marktpartij die geen beperkingen kent op intellectual property? Bent u aldus bereid werkelijk uitvoering te geven aan de -breed in de Kamer aangenomen- motie Bruins Slot9 die erop is gericht het ontwerp, de ontwikkeling, de bouw, de instandhouding en de eindregie (rol van integrator) binnen de Nederlandse «Gouden Driehoek» te beleggen? Bent u derhalve bereid om af te zien van verdere concurrentiestelling?
In hoeverre zijn alle aanbieders in staat om op de krappe arbeidsmarkt voldoende technisch personeel te rekruteren voor de bouw van onderboten in Den Helder, Vlissingen of Kinderdijk?
De exacte afspraken tussen kandidaat-werven en (door hen benoemde) Nederlandse samenwerkingspartners zullen in de volgende fase van het project door Defensie nader worden onderzocht.
In hoeverre heeft het kabinet de ambitie om onderzeebootbouw in Nelderland te stimuleren?
Zie antwoord bij vraag 6f.
Kunt u alle (ook deel-) vragen separaat beantwoorden?
Vragen zijn zoveel als mogelijk separaat beantwoord. Daar waar vragen een relatie hebben worden deze in samenhang beantwoord.
Het duidelijk verslechterde economisch beeld van het midden- en kleinbedrijf (mkb) |
|
Frank Futselaar |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Herkent u het beeld dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schetst in de conjunctuurklok voor het derde kwartaal van 2019?1
Het mkb is het fundament van de Nederlandse economie. Daarom volg ik het economisch beeld van het mkb op de voet via de «mkb conjunctuurklok». De klok is samengesteld uit factoren die het economisch beeld voor het mkb beïnvloeden. Het bericht waar het lid Futselaar op doelt beschrijft dat de ontwikkeling van onder andere export, ondernemersvertrouwen en aantal vacatures afneemt. Dit zijn belangrijke voorspellende factoren voor de conjunctuur. Sinds het derde kwartaal van 2016 zijn alle indicatoren «boven trend», en liggen daarmee boven het langjarig gemiddelde van de afgelopen 10 jaar. Deze klok zorgt ervoor dat we de conjunctuur ontwikkelingen van het mkb op de voet kunnen volgen.
De resultaten laten zien dat het nog steeds goed gaat met het mkb, maar ook dat de stemming onder ondernemers het afgelopen kwartaal is verslechterd. Dat is ook niet zo gek: na lange tijd van aanhoudende hoge economische groei, ligt een afvlakking binnen de verwachtingen. Dit sluit aan bij andere voorspellingen, zoals de Augustusraming van het CPB die lagere economische groei voor 2020 voorspelt.
Deze afvlakking wordt deels veroorzaakt door binnenlandse factoren: personeelsschaarste zorgt ervoor dat bedrijven minder snel kunnen groeien. Anderzijds wordt deze afvlakking veroorzaakt door ontwikkelingen in het buitenland. De onzekerheid rondom de Brexit, en de handelsoorlog tussen de VS en China raken ook de Nederlandse economie. Zo hebben deze ontwikkelingen een impact op investeringen en de uitvoer.
Sinds 1 oktober staat ook de tool «MKBarometer» online op www.staatvanhetmkb.nl. Dit is een afgeleide van de mkb conjunctuurklok en geeft in één blik weer wat de stand van de conjunctuur van het mkb is (zie figuur 1).
Figuur 1: MKBarometer in het 3e kwartaal van 2019
Deelt u de mening dat de indicatoren die het CBS toont op deze conjunctuurklok een grillig verloop hebben, maar dat het conjunctuurverloop niet louter positief is voor het Nederlandse mkb?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden de algemene conjunctuurklok en de MKB-conjunctuurklok zich tot elkaar? Kan een vergelijkbare conjunctuurklok voor het grootbedrijf worden gemaakt om verschillen in prestaties en resultaten van uw beleid aan te tonen?
Er is bij de uitwerking van de MKB-conjunctuurklok gestreefd om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de methodologie en het conjuncturele gedachtengoed van de bestaande CBS conjunctuurklok voor de hele Nederlandse economie.
De conjunctuurklok beoogt een beeld te geven van de stand van de economie, niet om de prestaties en resultaten van mijn beleid te evalueren. Daarom voer ik regelmatig monitoring, evaluaties en onderzoeken uit naar het ingestelde beleid. Zo kom ik dit najaar met een visie op de financieringsmarkt naar aanleiding van een onderzoek naar de werking van die markt en het ingestelde financieringsinstrumentarium.
Hoe is het huidige conjuncturele beeld voor het grootbedrijf en hoe verschilt dit met dat voor het mkb? Kunt u aangeven of uw beleid hiermee succesvoller het mkb stimuleert of eerder het grootbedrijf?
De conclusie van de conjunctuurklok over het economisch beeld geldt niet alleen voor het mkb, maar voor alle Nederlandse bedrijven. De CBS conjunctuurklok laat namelijk ook zien dat het conjunctuurbeeld minder gunstig geworden is, evenals de ramingen van het CPB. Deze bronnen gaan uit van het hele bedrijfsleven en niet alleen het mkb.
Het generieke deel van het bedrijvenbeleid is zowel ingesteld voor grote als kleine bedrijven. Voor zover er specifiek beleid is, richt zich dat vooral op het mkb.
Zo heb ik vorig jaar het MKB-actieplan gepresenteerd om het mkb te versterken.
Hierin staan verschillende maatregelen op diverse thema’s, waaronder digitalisering, financiering, menselijk kapitaal en internationaal ondernemen. Ik vind het mkb erg belangrijk omdat het de motor is van onze economie. Het is daarom van belang dat het mkb de aandacht krijgt die het verdient. Voor de zomer heb ik u de voortgangsrapportage van het MKB-actieplan toegezonden (Kamerstuk 32 637, nr. 379), waarin de ontwikkelingen op de verschillende thema’s zijn aangegeven. De voortgangsrapportage laat zien dat er het afgelopen jaar mooie resultaten zijn geboekt, zoals de start van MKB!dee, de start van de regionale Smart Industry Hubs en de MKB-werkplaatsen om het mkb te helpen met digitalisering, de invoering van de MKB-toets voor nieuwe wet- en regelgeving. Deze en de andere initiatieven uit het MKB-actieplan zal ik de komende periode verder uitbouwen.
Deelt u de mening dat binnenlandse bestedingen een aanzienlijke factor zijn in de prestaties van het mkb en dat het achterblijven hiervan ten opzichte van de economische groei het mkb ernstig hindert?2
De binnenlandse bestedingen zijn een belangrijke factor in de prestaties van het mkb. Het merendeel van de mkb-bedrijven is georiënteerd op Nederland en exporteert geen goederen of diensten naar het buitenland (Nederland Handelsland, CBS, 2019).
Het is echter voorbarig om te stellen dat het achterblijven van de binnenlandse bestedingen het mkb ernstig heeft gehinderd. Veel mkb ondernemingen bedienen zakelijke markten en daardoor is ook de uitvoer een aanzienlijke factor in de prestaties van het mkb. Deze bedrijven leveren namelijk ook goederen en diensten aan Nederlandse bedrijven die exporteren.
Deze kanttekening geldt ook bij de binnenlandse bestedingen. Hogere binnenlandse bestedingen komen naast goederen en diensten van het mkb ook aan het grootbedrijf toe.
Data van De Staat van het mkb en het CBS laten zien dat de groei van de toegevoegde waarde van het mkb de groei van de totale economie volgt.
Figuur 2: Ontwikkeling van de toegevoegde waarde van het mkb (business economy) index: 2011=100, bron: CBS
Deelt u de mening dat binnenlandse bestedingen het effectiefst gestimuleerd kunnen worden door het besteedbaar inkomen van degenen met de laagste inkomens te vergroten? Zo ja, bent u bereid om een loongolf in Nederland te helpen tot stand te komen om dit te bereiken?
Het CBS heeft recent laten zien dat de consumptie achterblijft bij de groei van het bruto binnenlands product omdat een groter deel van het inkomen van huishoudens naar schuldaflossing is gegaan.3 Gegeven besparingen en aflossing worden binnenlandse bestedingen niet noodzakelijk het sterkst aangewakkerd door het besteedbaar inkomen van huishoudens te vergroten. Overheidsconsumptie kan dan bijvoorbeeld effectiever zijn om de binnenlandse bestedingen te vergroten.
Bij de huidige stand van de conjunctuur en krapte op de arbeidsmarkt hoort een relatief hoge loongroei. Het CPB raamt voor 2019 en 2020 een loongroei van 2,5%. Hierdoor stijgt de arbeidsinkomensquote de komende twee jaar met 1,8%-punt. Daarnaast wordt ook de verwachte economische groei in 2019 en 2020 voornamelijk gedragen door de binnenlandse bestedingen. De Sociale Partners onderhandelen over de lonen. De loonsverhoging die passend is, verschilt per sector.
De uitrol van 5G |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Hoe veilig is het nieuwe 5G-netwerk»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Welke toestemming en/of vergunningen dient de rijksoverheid nog te geven voor het grootschalige gebruik van deze techniek?
De verwachting is dat 5G in eerste instantie gaat worden toegepast in de zogenaamde 700 MHz- en 3,5 GHz-frequentiebanden. De vergunningen voor het gebruik van de 700 MHz-band worden halverwege 2020 geveild. Het voornemen is om vergunningen in de 3,5 GHz-band te veilen in 2021/2022. Het is waarschijnlijk dat na het veilen van vergunningen in de 700 MHz-band de winnaars van die vergunningen de frequenties gaan gebruiken om 5G mee toe te passen.
Overigens is het de verwachting dat 5G ook zal worden toegepast in alle andere frequentiebanden waarvoor reeds vergunningen voor mobiele communicatie zijn of worden verleend. Dit betreft de 800, 900, 1800, 2100 MHz, en 2,6 GHz. De vergunningen zijn namelijk «technologieneutraal». Het staat de vergunninghouder vrij om elke technologie van zijn keuze toe te passen, zo lang hij zich maar houdt aan de vergunningvoorschriften.
Kunt u in een tijdlijn aangeven wat de planning is van de uitrol van 5G per regio?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een schatting geven van het aantal extra antennes dat er in totaal bijgeplaatst moet worden om een dekkend 5G-netwerk te implementeren (in absolute aantallen en in aantal per vierkante kilometer in stad en platteland)?
De overheid bepaalt niet waar en wanneer er 5G wordt uitgerold. 5G-netwerken worden aangelegd door private ondernemingen zoals KPN, T-Mobile, en VodafoneZiggo. Zij bepalen waar en wanneer zij investeren in de netwerkinfrastructuur die nodig is voor 5G, zoals antennes en het leggen van glasvezelkabels. De keuzes die zij hierbij maken zijn afhankelijk van de bedrijfsstrategie, die bedrijfsvertrouwelijk is. Mede hierdoor kan ik ook niet aangeven hoeveel extra antennes er bijgeplaatst moeten worden om landelijk dekkende 5G-netwerken te creëren. Het samenwerkingsverband van telecomproviders, Monet, heeft becijferd wat zij verwachten aan toename aan antennes door de uitrol van 5G. Deze toename is 10%; dat zijn ongeveer 4.500 extra antennes (en ongeveer 1.500 antenne-opstelpunten). Daarnaast verwachten de operators in beperkte mate kleine antennes (small cells) in de komende 3 tot 5 jaar.
Deelt u de mening dat het verwijderen van bomen (en andere groenvoorzieningen) niet het gevolg zou mogen zijn van de uitrol van het 5G-netwerk? Zo nee, waarom niet?
Bossen en andere houtopstanden vormen een uniek natuurtype. Naast de klassieke functies van natuur, landschap, productie in de vorm van houtoogst, behoud van cultureel erfgoed en recreatie, wordt de afgelopen decennia steeds meer belang gehecht aan andere functies van houtopstanden, zoals het vastleggen van kooldioxide, het leveren van ecosysteemdiensten als het bergen en bufferen van water, het dempen van grote temperatuurschommelingen in en nabij stedelijke gebieden, het filteren van fijnstof en het bijdragen aan het kwaliteit van het leven en aan een aangename leefomgeving.
Vanwege hun belangrijke functie worden houtopstanden op basis van nationaal beleid beschermd en is deze bescherming gericht op het behoud van het areaal van houtopstanden en van hun kwaliteit. Die bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming en die regels worden ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat uitvoering geeft aan de Omgevingswet. Dat wordt geregeld via het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet, dat momenteel is voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer.
Deze regels hebben uitsluitend betrekking op houtopstanden buiten de bebouwde kom. Gemeenten wijzen in hun omgevingsplan de «bebouwingscontour kap» aan. Binnen die bebouwingscontour gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Deze regels worden dus gesteld door de desbetreffende gemeente. De provincie kan bij omgevingsverordening voorschriften stellen waaraan gemeenten zich hebben te houden in hun omgevingsplan.
Buiten de bebouwde kom zijn gedeputeerde staten in de regel bevoegd gezag voor het in ontvangst nemen van meldingen en het opleggen van een kapverbod, tenzij het gaat om situaties als bedoeld in art. 1.3 van de Wet natuurbescherming waarvoor het Rijk bevoegd gezag is.
Of bomen en andere groenvoorzieningen in het kader van de uitrol van het 5G-netwerk mogen worden gekapt moet dus worden beoordeeld aan de hand van het omgevingsplan en anders is dat ter beoordeling van provincie of Rijk, waarbij het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming en in 2021 de Omgevingswet in acht moet worden genomen. Bij de beoordeling of bomen en andere groenvoorzieningen verwijderd mogen worden dient overigens niet alleen het beschermingsregime voor hout- en houtopstanden in acht te worden genomen, maar ook het beschermingsregime voor soorten in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Ook dat beschermingsregime zal per 1 januari 2021 ongewijzigd onderdeel zijn van de Omgevingswet.
Het klopt dat het gebladerte van bomen voor demping zorgt van het antennesignaal. Dat is al zo bij de frequenties die de huidige telecomnetwerken (2G, 3G en 4G) gebruiken. Een antenne-opstelpunt zal logischerwijs geplaatst worden op een plek waar de dekking optimaal is, rekening houdend met de aanwezige vegetatie en gebouwen. We hebben geen scenario’s vernomen waarbij bomen gekapt moeten worden voor de dekking van 5G. Ook het samenwerkingsverband Monet heeft aangegeven het niet als wenselijk te zien om bij de uitrol van 5G bomen en andere groenvoorzieningen te verwijderen.
Klopt het dat bomen (en andere groenvoorzieningen) in bepaalde programma’s en/of modellen worden gezien als obstakels bij de planning van 5G-netwerken waar voorheen bomen (en andere groenvoorzieningen) dat predicaat niet hadden? Zo ja, kunt u voorbeelden geven?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier worden bomen (en andere groenvoorzieningen) gezien als te verwijderen obstakels bij de planning van 5G-netwerken?2
Zie antwoord vraag 5.
Is het met de toekomstige uitbreiding van de gemeentelijke bevoegdheden, als gevolg van de invoering van de Omgevingswet, mogelijk om bomen (en andere groenvoorzieningen) een andere status (juridisch of anderszins) te geven in planningsdocumenten zoals bestemmingsplannen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van elektromagnetische velden (EMV) op mensen en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Op 17 april jl. heb ik samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport uw Kamer geïnformeerd over het onderwerp 5G en gezondheid.3 Er is vanaf de komst van mobiele netwerken veel onderzoek gedaan naar mogelijke gezondheidseffecten. In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat coördineert ZonMw al sinds 2006 een grootschalig onderzoeksprogramma van 16,6 miljoen euro op het gebied van hoog- en laag frequent EMV. Het programma richt zich op (1) de biologische interactie tussen blootstelling aan EMV en het menselijk lichaam; (2) epidemiologische onderzoeken naar het verband tussen blootstelling aan EMV en het optreden van gezondheidseffecten; (3) de gepercipieerde risico’s van EMV; en (4) technologische aspecten van EMV. Een van de studies uit het ZonMw-programma (COSMOS4) is verlengd tot 2023. Dit betreft een zeer groot Europees cohortonderzoek, waarin enkele honderdduizenden mensen gevolgd worden met als doel langetermijn-gezondheidseffecten te achterhalen. Daarbij wordt onder meer hun gebruik van telecommunicatiemiddelen vastgelegd en wordt hun gezondheidsstatus door de tijd heen gemeten, zodat verbanden tussen blootstelling aan EMV en gezondheid kunnen worden onderzocht. Nederland is één van de deelnemende landen. Het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid (Kennisplatform EMV) geeft aan dat in het geheel van alle onderzoeken er geen bewijs is dat langdurige blootstelling aan elektromagnetische velden onder de blootstellingslimieten schadelijk is voor de gezondheid.5
Voor een overzicht van het specifiek in Nederland uitgevoerde onderzoek wordt verwezen naar het ZonMw-programma «Elektromagnetische Velden en Gezondheid».6 Op de website van ZonMw staat een overzichtspagina van onderzoek dat binnen het programma is verricht. Daar bevindt zich een publicatielijst en een overzicht. In het onderzoeksprogramma is niet specifiek naar 5G gekeken omdat 5G toen nog niet bestond. De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat er in het verleden enkele onderzoeken zijn gedaan naar de effecten van EMV op planten, dieren en natuur.
Volgens het Kennisplatform EMV concluderen wetenschappelijke adviesorganen, zoals de World Health Organization (WHO) en de Gezondheidsraad, dat in wetenschappelijke onderzoeken geen bewijzen zijn gevonden voor negatieve effecten op de gezondheid door blootstelling aan elektromagnetische velden onder de blootstellingslimieten. Het Kennisplatform EMV geeft bij vragen of zorgen in de samenleving snel duidelijkheid over mogelijke gezondheidseffecten van elektromagnetische velden. In het Kennisplatform EMV werken RIVM, TNO, DNV GL, GGD GHOR Nederland, Agentschap Telecom, ZonMw en Milieu Centraal samen om wetenschap te duiden en kennis te ontsluiten voor burgers, werknemers en lagere overheden. De Gezondheidsraad heeft een adviserende functie. De Gezondheidsraad volgt de ontwikkelingen rond elektromagnetische velden en gezondheid en rapporteert daar zo nodig over.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op dieren (inclusief insecten) en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op de natuur en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven welke andere (internationale) onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op respectievelijk mensen, dieren (inclusief insecten) en natuur en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G?
Zie antwoord vraag 9.
Welke onderzoeken bestaan er om de effecten van de verwachte cumulatieve straling van 5G-netwerken op respectievelijk mensen, dieren en natuur in kaart te brengen van de naar schatting 100 en 350 cellen per vierkante kilometer die nodig zijn voor een landelijk dekkend netwerk?3
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 4 heeft het samenwerkingsverband Monet becijferd wat zij verwachten aan toename aan antennes door de uitrol van 5G. Deze toename is 10%; dat zijn ongeveer 4.500 extra antennes (en ongeveer 1.500 antenne-opstelpunten). Daarnaast verwachten de operators in beperkte mate kleine antennes (small cells) in de komende 3 tot 5 jaar.
De huidige blootstellingslimieten voor 3G en 4G gelden straks ook voor 5G. Met 5G moet de optelsom van alle elektromagnetische velden nog steeds onder de Europees aanbevolen blootstellingslimieten blijven. Agentschap Telecom houdt dit in de gaten en is begin 2019 gestart met de metingen bij testlocaties voor 5G-antennes. Zo kan Agentschap Telecom, voor en na de uitrol van 5G, de samenleving via metingen blijven informeren over de veldsterktes en blootstelling in Nederland. Agentschap Telecom werkt in deze voorbereiding samen met het RIVM. De eerste resultaten van metingen door Agentschap Telecom bij 5G-testlocaties zijn beschikbaar op de website van het Antennebureau en het Agentschap Telecom. De eerste resultaten wijzen erop dat de gemeten veldsterktes een factor 10 tot 20 onder de blootstellingslimieten zaten.8 Agentschap Telecom doet al metingen aan de elektromagnetische velden en ziet erop toe dat de door de EU aanbevolen blootstellingslimieten op publiek toegankelijke plekken niet worden overschreden. Zowel de selectieve veldsterkte (veldsterkte van de aanwezige signalen afzonderlijk) als de cumulatieve veldsterkte (veldsterkte van alle signalen gezamenlijk) wordt gemeten door het Agentschap. In beide gevallen moeten de gemeten veldsterkten onder de limieten blijven. Om burgers zekerheid te bieden dat de EMV-blootstelling binnen de limieten blijft, worden deze limieten vastgelegd onder de Telecommunicatiewet, zoals aangekondigd in het Actieplan Digitale Connectiviteit van het kabinet.
Hoe wordt voorkomen dat, door het toegenomen aantal antennes en intensiever gebruik van frequenties, er negatieve cumulatieve effecten ontstaan voor respectievelijk mensen, dieren en natuur?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe wordt het voorzorgsbeginsel gewaarborgd dat er geen schadelijke gezondheidseffecten op mensen, dieren en natuur mogen zijn als 5G wordt ingevoerd?
Zie antwoord vraag 13.
Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van negatieve cumulatieve effecten van EMV als gevolg van de grootschalige uitrol van 5G?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u een zo volledig mogelijk internationaal overzicht verschaffen van alle 5G-normen (ICNIRP «mobile telephones» en «base station»-normen, of de voor Nederland hiervan afgeleide normen) voor mensen, dieren en natuur?
Om gezondheidsschade van sterke elektromagnetische velden te voorkomen heeft een internationale commissie, de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP), blootstellingslimieten opgesteld voor elektromagnetische velden, die ook in Nederland worden gehanteerd. Deze limieten bevatten een ruime veiligheidsmarge, die rekening houdt met kwetsbare groepen, zoals ouderen, kinderen en mensen met een zwakke gezondheid. De veiligheidsmarges zijn vijftig keer lager dan het niveau waarboven gezondheidseffecten kunnen optreden. De ICNIRP beoordeelt hiervoor regelmatig de stand van de wetenschap op het gebied van elektromagnetische velden en gezondheid. Er zijn verschillende blootstellingslimieten voor elektromagnetische velden van verschillende frequenties. Deze limieten gelden voor de frequenties die in de huidige netwerken worden gebruikt en ook voor toekomstige 5G-frequenties. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houdt het internationale beleid op het gebied van elektromagnetische velden bij en publiceert daar overzichten van. In het meest recente rapport geeft het RIVM een overzicht van het beleid ten aanzien van laagfrequente en radiofrequente elektromagnetische velden in de 28 EU-lidstaten en 7 andere geïndustrialiseerde landen.9
Op grond van het Besluit radioapparaten 2016 en de Europese Radio Richtlijn dienen radioapparaten, zoals mobiele telefoons, voor het op de markt aanbieden te voldoen aan de ICNIRP-limieten. Om aan te tonen dat deze apparatuur veilig is, hanteert de industrie de blootstellingslimieten zoals die beschreven zijn in de Europese normen. Producten met een CE-markering voldoen volgens de fabrikant aan deze normen. Dezelfde eis is ook van toepassing op de eerste ingebruikname van zenders/antennes, zoals voor 5G. Zoals in antwoord op vragen 13 t/m 16 aangegeven houdt het Agentschap hier toezicht op en doet veldsterktemetingen door het gehele land om te controleren of de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Kunt u aangeven hoe deze 5G-normen voor mensen, dieren en natuur zich door de tijd hebben ontwikkeld, in Nederland en in het buitenland?
Zie antwoord vraag 17.
Welke besluiten met betrekking tot de vaststelling of verandering van Nederlandse EMV-normen als gevolg van de uitrol van 5G in Nederland staan het komende jaar op de agenda?
Zie antwoord vraag 17.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om meer wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar de gevolgen van (veranderingen in) het gebruik van de telecomfrequenties op mensen, dieren en natuur, alvorens grootschalige uitrol van 5G toe te staan? Zo nee, hoe garandeert u dat er geen schadelijke gevolgen zullen zijn?
Het is belangrijk dat de leefomgeving van mensen gezond en veilig is en ook als zodanig wordt ervaren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft sinds 2006 ruim 16 miljoen euro geïnvesteerd in wetenschappelijke onderzoeken om te achterhalen of er gezondheidsrisico’s optreden door aanwezigheid van EMV. Uit alle inmiddels afgeronde onderzoeken en Gezondheidsraadadviezen waarin alle literatuur is meegenomen, blijkt echter dat er geen bewijzen hiervoor zijn, zolang de blootstelling beneden de blootstellingslimieten blijft. Dat geldt ook na introductie van het 5G-netwerk. Agentschap Telecom zal toezicht blijven houden op de naleving van de blootstellingslimieten. Alle veldsterktemetingen (EMV) die Agentschap Telecom uitvoert worden ook op genomen in het publiek toegankelijke antenneregister. Tevens zullen de ICNIRP-limieten voor EMV geborgd worden onder de Telecommunicatiewet, zodat het Agentschap hier ook passend toezicht op kan houden. Daarnaast blijf het kabinet de nieuwste wetenschappelijke resultaten op de voet volgen. Ook spelen het Kennisplatform EMV en organisaties als het RIVM, Gezondheidsraad en GGD’en een belangrijke rol in de advisering en ontsluiting van kennis op het gebied van EMV.
Toezicht op crowdfundingplatforms zoals Dream or Donate. |
|
Mahir Alkaya |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerdere vragen over het crowdfundingplatform Dream or Donate?1
Ja.
Vindt u nu, nadat Dream or Donate onbereikbaar werd en een nog onbekend bedrag aan donaties verdwenen lijkt te zijn, nog steeds dat er voldoende toezicht is geweest op dit platform? Had u dit niet kunnen voorkomen door beter toezicht te houden?2
Het kabinet vindt het erg vervelend voor donateurs en initiatiefnemers dat zij in onzekerheid hebben verkeerd over wat er met hun donaties was gebeurd, nadat de website offline ging. Positief is dat een aantal gedupeerden begin en eind september alsnog is uitbetaald. Verder is het in dergelijke situaties aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit (bijv. fraude of oplichting).3
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya van 5 februari 2019, vindt het kabinet dat het toezicht afdoende is geregeld.4 Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt. In geval van mogelijke fraude of oplichting is de strafrechtketen aan zet.
Aan welke eisen moeten crowdfundingplatforms op het gebied van commercie, dat wil zeggen zogenaamde loan based en/of equity based crowdfunding, voldoen waar andere platforms zoals Dream or Donate nog steeds niet aan hoeven te voldoen?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening, maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogmerk een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt. De sector heeft hier ook initiatief genomen (zie het antwoord op vraag 4 hieronder) en verkent momenteel wat nodig is voor deze specifieke vorm van doneren.
Deelt u de mening dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat ook donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden, en dus dat hierop toegezien moet worden zoals dat bij crowdfunding gericht op commercie wél gebeurt?
Ja, het kabinet deelt de mening van uw Kamer dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Een manier waarop de platformen dat kunnen doen, is door te garanderen dat financieringsstromen van donaties buiten de platformen om verlopen (bijvoorbeeld via een Stichting Derdengelden). Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is, zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.5 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Bent u bereid om websites als Dream or Donate vergunningsplichtig te maken en toezicht door de Autoriteit Financiële Markten te laten plaatsvinden op alle crowdfundingplatforms, ongeacht of deze platforms een tussenpersoon zijn bij het aangaan van leningen of het doen van donaties? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken hoe beter toezicht op crowdfundingplatforms dan wel georganiseerd kan worden?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 reeds naar voren komt, verschillen crowdfunding door middel van donatie enerzijds en crowdfunding in onderhandse leningen en effecten anderzijds fundamenteel van elkaar. Hierdoor acht het kabinet het niet passend of wenselijk om crowdfunding door middel van donatie onder het toezicht van de AFM te brengen. Voor het tweede deel van uw vraag wordt verwezen naar de beantwoording op vraag 4.
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers van Dream or Donate op dit moment naast een civielrechtelijke procedure tegen de eigenaar?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en vast te stellen of er sprake is van een strafbaar feit. De politie heeft gebruikers van het platform opgeroepen om aangifte te doen wanneer zij vermoeden dat ze mogelijk zijn opgelicht. Daarnaast staat gebruikers – zoals gebruikelijk in dit soort contractuele relaties – de civielrechtelijke weg open, bijvoorbeeld met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding vanwege wanprestatie.
Het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen en dat het aan de overheid is om hiertoe de juiste voorwaarden te scheppen, spelregels af te spreken en toezicht te houden?
Ja, het kabinet deelt de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen. Dit is ook een van de speerpunten van de Consumentenagenda van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.2 Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om de juiste voorwaarden te scheppen voor een gezond ondernemersklimaat en consumenten te beschermen waar dat nodig is.
Is bekend hoeveel websites als «Dream or Donate» er in Nederland actief zijn?
Bij de beantwoording van deze vraag, wordt er vanuit gegaan dat uw leden met «websites als Dream or Donate» doelen op crowfundingwebsites die zich richten op donaties of het ondersteunen van een project tegen een niet-financiële tegenprestatie (sponsoring of «reward-based»).
Het is niet exact bekend hoeveel dergelijke platforms er in Nederland actief zijn. De meest complete bron hiervoor is www.crowdfundingcijfers.nl. Hieruit blijkt dat er in 2018 in totaal voor 329 mln. euro gecrowdfund is in Nederland. Hiervan bestond minder dan 10% uit donaties en rewards (resp. 14 en 18 mln. euro). Deze statistiek is samengesteld op basis van de gegevens van 49 bedrijven, maar deze richten zich voor het merendeel op leningen.
Hoe is op dit moment de controle op dit type crownfundingplatformen georganiseerd? Welke wet- en regelgeving is hier van toepassing?
Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de ACM. Dit houdt in dat bijvoorbeeld het verbod op oneerlijke handelspraktijken van toepassing is, maar ook dat het bedrijf gebonden is aan transparantie-eisen over zijn aanbod. Tot slot is de strafrechtketen het sluitstuk van de toepasselijke wet- en regelgeving indien sprake is van strafbare feiten.
Vindt u dat voor crowdfundingplatformen op het gebied van doneren dezelfde regels zouden moeten gelden als voor crowdfundingplatformen gericht op beleggingen en investeringen, zoals vermelding in een register, een vergunning- of ontheffingsplicht en controle door de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogpunt een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt.
Bent u bereid de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van crowdfundingplatformen tegen het licht te houden om situaties als bij «Dream or Donate» in de toekomst te voorkomen?
Zoals het kabinet aangeeft in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya (SP), die uw Kamer gelijktijdig toekomt, moeten burgers erop kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.3 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Is hier volgens u nog een aanvullende rol weggelegd voor het keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), ook voor wat betreft online crowdfunding voor goede doelen?
Het CBF is een stichting die toezicht houdt op de Erkende Goede Doelen. De kennis en expertise van het CBF is zeer relevant in dit kader. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 verkent CBF momenteel samen met NLFL en partijen uit de sector de mogelijkheid tot het ontwikkelen van een gedragscode.
De Wet modernisering Kleineondernemersregeling (KOR) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Kunt u een update geven van de implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR)? Klopt het dat de implementatie per 1 januari 2020 van kracht zal worden? Zo nee, waarom niet?
De Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR) treedt in werking per 1 januari 2020. Ondernemers kunnen zich sinds 1 juni 2019 reeds aanmelden voor toepassing van de nieuwe KOR.
Op welke manier brengt u de omschakeling van de oude naar de nieuwe KOR onder de aandacht van de kleine ondernemer? Hoe waarborgt u dat voor alle kleine ondernemers duidelijk is wat er zal veranderen op 1 januari 2020? Welke stappen zijn hiertoe gezet?
Per 1 juni van dit jaar kunnen ondernemers zich aanmelden voor de nieuwe KOR en is de informatie over de nieuwe KOR inclusief een keuzehulp opgenomen op de website van de belastingdienst (www.belastingdienst.nl). Op het Forum Fiscaal Dienstverleners is een nieuwsbericht inclusief vlog met een uitleg over de nieuwe regeling geplaatst. Ondernemers die onder de oude KOR zijn ontheven van btw- en administratieve verplichtingen zijn per brief geïnformeerd over de nieuwe KOR en wat deze voor hen gaat betekenen.
Medio september start de publiekscampagne met commercials en (pers)berichten op radio en televisie, Google en Bing Search. De Belastingdienst zal dan ook berichten over de nieuwe KOR plaatsen op sociale media. Parallel daaraan is er overleg met de belangrijkste stakeholders (zoals de Kamer van Koophandel, de zonnepaneelbranche, ZZP-Nederland, fiscaal dienstverleners softwareleveranciers). Zij worden voorzien van communicatiemiddelen voor hun achterban. Verder zal de Belastingdienst tijdens de Intermediairdagen dit najaar de nodige aandacht besteden aan de nieuwe KOR.
Is uw verwachting dat 68.000 ondernemers die geen gebruik kunnen maken van de huidige KOR, wel gebruik zullen en kunnen maken van de nieuwe KOR, nog accuraat? Waarop is dit aantal gebaseerd? Klopt het dat dit aantal bovenop de 230.000 kleine ondernemers komt die per eind 2017 onder de KOR vielen?1
De groep gebruikers van de nieuwe KOR bestaat allereerst uit ondernemers die niet ontheven zijn van administratieve verplichtingen en gebruik maken van de huidige KOR (101.000 op basis van gegevens 2017) en uit ondernemers die niet ontheven zijn en geen gebruik (kunnen) maken van de huidige KOR (68.000 op basis van gegevens 2017). De omvang van beide groepen is bepaald aan de hand van individuele gegevens (omzet en btw) en een inschatting van welk deel geen gebruik gaat maken van de nieuwe KOR, b.v. omdat sprake is van levering van prestaties aan aftrekgerechtigde ondernemers (B2B). De verwachting is dat beide groepen op het moment van invoering van de nieuwe KOR in omvang toegenomen zullen zijn, evenredig met de groei van het aantal btw-plichtigen vanaf 2017.
Daarbovenop komt de groep van kleine ondernemers die ontheven is van administratieve verplichtingen (230.000 per eind 2017). Van deze groep is aangenomen dat zij gebruik gaat maken van de nieuwe KOR. In 2018 is deze groep aanzienlijk gegroeid door een toename van het aantal zonnepaneelhouders. Ook in 2019 wordt een aanzienlijke toename van deze groep verwacht.
Klopt het dat alle ondernemers die aan de criteria van de «oude KOR» voldoen ook per direct aan de criteria van de «nieuwe KOR» voldoen? Kunnen er gevallen zijn waarbij een ondernemer die onder de «oude KOR» valt niet voldoet aan de criteria van de «nieuwe KOR»? Om welk soort ondernemers gaat dit en in welke branches zijn zij actief? Kunt u toelichten waardoor niet alle kleine ondernemers onder de nieuwe KOR vallen? Op welke manier worden ondernemers hierover geïnformeerd?
Niet alle ondernemers die onder de oude KOR vallen voldoen per direct aan de nieuwe KOR. De oude KOR kent een btw-afdrachtdrempel en de nieuwe KOR kent een omzetdrempel. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR van € 20.000 ligt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij ondernemers die veel goederen exporteren tegen het btw-tarief van 0% of ondernemers met veel voorbelasting.
In beginsel dient iedere ondernemer zelf na te gaan op basis van zijn toekomstverwachtingen of hij aan de voorwaarden voor de nieuwe KOR voldoet en of hij zich voor deze facultatieve regeling wil aanmelden. Wel is het zo dat ondernemers die zich onder de oude KOR hebben aangemeld voor ontheffing van administratieve verplichtingen op basis van het geboden overgangsrecht automatisch worden overgezet naar de nieuwe KOR. Indien een dergelijke ondernemer in 2020 verwacht niet te voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR, bijvoorbeeld vanwege een verwachte hogere omzet dan de omzetgrens van € 20.000, moet de ondernemer zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften als bedoeld in artikel 6 AWR.
Voor de toepassing van de oude KOR en de nieuwe KOR is niet relevant in welke branche de betreffende ondernemer werkzaam is. Daarvoor is alleen van belang wat de omvang is van de verschuldigde btw onderscheidenlijk de behaalde omzet.
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ 29 juli 2019, C-388/18, de zaak «B» (Chiffre d’affaires du revendeur de véhicules d’occasion))?2
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van het Hof van Justitie waarin een ondernemer zijn omzet moet berekenen op basis van alle gedane betalingen/transacties en niet op basis van winstmarges?
Het HvJEU heeft een arrest gewezen waar wordt ingegaan op de vraag welke omzetgrens in het kader van de kleineondernemersregeling (KOR) geldt bij ondernemers die tevens de zogenoemde margeregeling door wederverkopers toepassen. Hiermee geeft het Hof een uitleg aan de Btw-richtlijn 2006. Deze uitleg geldt voor alle lidstaten, waardoor ook Nederland gehouden is deze uitleg te volgen. Op deze manier ontstaat er geen verschil in btw-behandeling tussen lidstaten.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor de Nederlandse invulling van de KOR en welke gevolgen heeft dat voor het aantal kleine ondernemers die hierdoor geen gebruik kunnen maken van de KOR?
Het arrest noopt niet tot aanpassing van de Wet OB 1968. Wel is het noodzakelijk dat het nieuwe artikel 24 Uitvoeringsbeschikking OB 1968, zoals dat in werking zou treden per 1 januari 2020, wordt ingetrokken. Op die manier wordt geregeld dat ondernemers die btw berekenen over de winstmarge, voor toepassing van de nieuwe KOR niet slechts de belaste marge maar de totaal ontvangen bedragen in aanmerking moeten nemen. Als deze ondernemers een hogere omzet hebben dan € 20.000, kunnen zij de nieuwe KOR niet toepassen.
Op basis van welk scenario in relatie tot de genoemde uitspraak is de € 20.000 tot stand gekomen: winstmarge of ontvangen betalingen als jaaromzet? Indien winstmarge, welke implicaties heeft de uitkomst van dit arrest voor de nieuwe KOR?
Bij het ramen van het aantal ondernemers dat gebruik gaat maken van de nieuwe KOR is uitgegaan van de in de aangifte vermelde btw. Voor degenen die gebruik maken van de margeregeling betekent dit dat als omzet de belaste winstmarge is genomen.
Kunt u een overzicht geven van de gehanteerde drempels (in de KOR-regeling) in andere Europese lidstaten? Klopt het dat de drempel in Nederland in vergelijking met andere Europese lidstaten lager ligt? Zo ja, waarom heeft u gekozen voor de drempel van € 20.000 en niet voor een hogere drempel die meer in overeenstemming is met andere EU-lidstaten?
Het kabinet heeft gekozen voor een omzetgrens van € 20.000 per kalenderjaar. De Btw-richtlijn 2006 voorziet in een lagere omzetgrens van € 5.000. Voor een verhoging van de omzetdrempel is daarom een derogatieverzoek ingediend bij de Europese Commissie.
Met de wettelijk vastgestelde omzetgrens van € 20.000 is de wijziging van de KOR budgetneutraal. Dat betekent dat de kosten voor de schatkist van de nieuwe KOR naar verwachting even hoog zijn als de kosten van de oude KOR. Door deze omzetgrens wordt de nieuwe KOR toegespitst op de beoogde doelgroep, namelijk (startende) ondernemers met een beperkte omzet. Deze beoogde doelgroep is ook de groep ondernemers, waarvoor het reguliere btw-proces en de toepassing van de huidige KOR in de praktijk complex is. De omzetgrens is daarnaast gekozen op een niveau dat mogelijke concurrentieverstoring met ondernemers in de belaste sfeer beperkt is.
De gemiddelde omzetgrens, exclusief het Verenigd Koninkrijk, is € 26.000. In België geldt een omzetgrens van € 25.000, in Luxemburg van € 30.000, in Denemarken van DKK 50.000 (ongeveer € 6.700, in Duitsland van € 17.500, in Oostenrijk van € 30.000 en in Verenigd Koninkrijk van £ 83.000 (ongeveer € 95.000).
Deelt u de mening dat de uitspraak van het Hof van Justitie maakt dat er minder ondernemers zijn die gebruik kunnen maken van de KOR na implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling en de uitspraak van het Hof van Justitie? Zo ja, wat gaat u eraan doen om te zorgen dat een grotere groep ondernemers onder de nieuwe KOR valt? Zo nee, waarom niet?
Ondernemers die de margeregeling voor wederverkopers of de reisbureauregeling toepassen en een omzet hebben van meer dan € 20.000 zullen de nieuwe KOR niet kunnen toepassen. Daarom zullen minder ondernemers die btw berekenen over hun belaste marge de nieuwe KOR kunnen toepassen. De uitspraak van het HvJEU geeft mij op dit moment geen aanleiding om de geldende omzetgrens, die geldt voor alle ondernemers, te verhogen.
Deelt u de mening dat de KOR een belangrijke meerwaarde vormt voor kleine ondernemers omdat op die manier de administratieve lasten voor deze ondernemers beperkt wordt?
Ja, het doel van de nieuwe KOR is een vereenvoudigde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemers, ongeacht de rechtsvorm, om daarmee hun administratieve lasten te verlichten. De modernisering van de KOR levert een flinke vereenvoudiging van het fiscale stelsel en de uitvoering daarvan op.
Bent u bereid om de voorgestelde drempel in relatie tot de uitspraak van het Hof van Justitie te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU geeft mij geen aanleiding de drempel van € 20.000, die immers geldt voor alle ondernemers die aanspraak maken op de KOR, te wijzigen. Wel wijs ik erop dat bij de behandeling van het wetsvoorstel door mij is toegezegd dat de nieuwe KOR zal worden geëvalueerd. Bij die evaluatie wil ik kijken naar het aantal meldingen voor toepassing van de nieuwe KOR en het soort ondernemer dat kiest voor toepassing van de nieuwe KOR, zodat een beter beeld wordt gekregen van het daadwerkelijke gebruik van de aangepaste regeling. Mocht de evaluatie daar aanleiding voor geven, dan kan de omzetgrens, zo nodig na het verkrijgen van een derogatie, worden bijgesteld.
Klopt het dat de nieuwe regeling consequenties heeft voor de facturen naar klanten, bijvoorbeeld in geval van lopende contracten of bij vervallen van de KOR als een ondernemer rond de drempel van € 20.000 euro zit of bij het leveren van vrijgestelde diensten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het argument dat de nieuwe regeling tot minder administratieve verplichtingen zal leiden?
Zolang er aan de KOR-voorwaarden wordt voldaan, is de ondernemer vrijgesteld van btw en de daaraan verbonden administratieve verplichtingen. Overschrijding van de omzetdrempel betekent een omslag naar btw-plicht en desbetreffende administratieve verplichtingen. Het is dan ook van belang dat de ondernemer van tevoren een zo goed mogelijke inschatting maakt van zijn verwachte jaaromzet. Hier zit uiteraard een onzekere factor aan en het kan gebeuren dat de ondernemer in de loop van een kalenderjaar onverwachts toch een dusdanig hoge omzet genereert dat hij boven de omzetgrens komt. Mede daarom is ervoor gekozen om bij een eventuele overschrijding van de omzetgrens de vrijstelling niet met terugwerkende kracht te laten vervallen. Dit in tegenstelling tot de oude KOR, die bij overschrijding gedurende het jaar kan leiden tot correcties van de reeds genoten vermindering in eerdere kwartaalaangiften voor dat jaar. Wordt gedurende een jaar de omzetgrens van de nieuwe KOR overschreden, dan heeft dat tot gevolg dat alle leveringen en diensten die worden verricht na die overschrijding en de omzetgrensoverschrijdende handeling zelf niet langer onder de vrijstelling vallen. Van de ondernemer wordt gevraagd dit goed te monitoren en hij zou hier voor lopende contracten op voorhand rekening mee kunnen houden door bijvoorbeeld prijsafspraken exclusief eventueel verschuldigde btw te maken.
Kunt u toelichten of het btw-nummer op de factuur vervalt aangezien in de nieuwe regeling een kleine ondernemer vrijgesteld is van btw? Wat zijn de gevolgen hiervan in de praktijk omdat in deze situatie de rekening niet voldoet aan de factuurvereisten (en daarmee verwarring en twijfel over ondernemerschap)? In hoeverre heeft dit consequenties of leidt dit tot verwarring over de status van de arbeidsrelatie?
De factuurvereisten voor de btw dienen de heffing van btw. Ingeval van toepassing van de nieuwe KOR is er geen btw verschuldigd en is de ondernemer niet gehouden aan vermelding van een geldig btw-nummer op zijn facturen. Dit geldt overigens ook al voor ondernemers die onder de oude KOR hebben gekozen voor ontheffing van administratieve verplichtingen. Toepassing van de nieuwe KOR is alleen aan de orde als voor de btw sprake is van ondernemerschap. Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de hieraan ten grondslag liggende Btw-richtlijn. De beoordeling van ondernemerschap voor de btw en toepassing van de nieuwe KOR zijn niet van invloed op andere, al dan niet fiscale regelgeving.
Kunt u de vragen één voor één en vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'En het Songfestival gaat naar... Rotterdam!' |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «En het Songfestival gaat naar ... Rotterdam!»?1
Ja.
Hoe gaat u invulling geven aan de aangenomen motie-Von Martels van 29 mei 2019 (Kamerstuk 26 419, nr. 76) over mogelijkheden om Nederland extra te presenteren bij het Eurovisie Songfestival, nu de locatie van het Songfestival bekend is?
Het Eurovisie Songfestival 2020 biedt een uitgelezen kans om de unieke kanten van Nederland te belichten. De Nederlandse organisatie van het Songfestival heeft al uitgesproken met deze 64e editie te willen verrassen en Nederland op diverse innovatieve manieren te willen presenteren. De organisatie noemt hierbij onder andere het innovatieve, creatieve en inclusieve karakter van Nederland.
In deze eerste periode na de bekendmaking van de locatie is het aan de projectorganisatie van NPO/AVROTROS/NOS en EBU (European Broadcasting Union) om samen met de gemeente Rotterdam concreter invulling te geven aan de plannen. Via een creatief proces met betrokkenheid van vertegenwoordigers uit alle geledingen van de Nederlandse samenleving wil de organisatie een concept voor het Songfestival neerzetten dat Europa zal verrassen. Dit proces vindt plaats in afstemming met andere belanghebbenden en partners, waaronder ook rijkspartners. Wanneer de creatieve opzet en inhoudelijke plannen verder zijn uitgekristalliseerd, komen ook de kansen die het evenement Nederland biedt en gerichte vragen voor ondersteuning beter in beeld.
De tot nu toe gepresenteerde aanpak sluit goed aan bij de vernieuwing van de branding van Nederland die momenteel onder coördinatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) wordt ontwikkeld. De insteek van het Songfestival sluit ook goed aan bij de inzet van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC Holland Marketing) die de komende jaren gericht is op het ondersteunen van regio’s bij het bestemmingsmanagement en promotie en hierdoor meer gericht is op de unieke kwaliteiten van Nederland en specifieke regio’s.
Op dit moment vinden oriënterende gesprekken plaats met de gemeente Rotterdam, de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, BZ en Economische Zaken en Klimaat, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en NBTC waarbij de insteek is om Nederland zo goed en breed mogelijk te profileren en om zoveel mogelijk Nederlandse ondernemers de kans te geven gebruik te maken van de mogelijkheden die het evenement biedt. Van mijn ministerie is hiervoor via RVO.nl en NBTC de kennis en expertise beschikbaar, bijvoorbeeld als het gaat om de ondersteuning van side-events voor ondernemers, kennis van promotie, buitenlandse markten en gasten.
Hoe kunt u bevorderen dat hierbij, in lijn met de aangenomen motie-Von Martels van 29 mei 2019 (Kamerstuk 26 419, nr. 77) over duurzaam kwaliteitstoerisme als norm, de diverse sterke kanten van Nederland, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie en cultuur, zo goed mogelijk kunnen worden gepresenteerd en hoe belangrijke sectoren, zoals het toerisme en de creatieve industrie, kunnen worden ondersteund?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze(n) gaat u daarbij de stad Rotterdam, de regio en andere partners betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'Bouwer staat 3:1 achter bij Tendergeschil: ‘Bizar dat politiek ingrijpen uit blijft'' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bouwer staat 3:1 achter bij Tendergeschil: «Bizar dat politiek ingrijpen uit blijft»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de opvatting van MKB Infra dat «de positie van de commissie van Aanbestedingsexperts nog verder wordt uitgehold» als gevolg van uw voorstel om deze commissie voortaan, op verzoek van partijen, aanbestedingen te laten evalueren in plaats van advies uit te brengen?2
In mijn Kamerbrief van 12 juli jl. heb ik aangegeven hoe ik de rechtsbeschermingspraktijk wil verbeteren door middel van zes maatregelen.3
Met dit pakket aan maatregelen zet ik in op de professionalisering van de aanbestedingspraktijk bij het vervolg van Beter Aanbesteden en van de klachtenregeling van aanbestedende diensten, ga ik excessief gebruik door aanbestedende diensten van rechtsverwerkingsclausules tegen, zet ik in op het verbeteren van de gang naar de rechter, en verken ik het gebruik van de Experimentenwet rechtspleging bij aanbestedingsgeschillen.
Ook heb ik ook aangegeven dat de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) een duidelijkere rol moet krijgen dan nu het geval is en heb ik voorgesteld dat de CvAE in haar nieuwe rol aanbestedingen evalueert om daar lering uit te trekken voor toekomstige casussen. De afgelopen periode is mij duidelijk geworden dat er met name vanuit ondernemerszijde grote ontevredenheid is over deze voorgestelde nieuwe rol. Er is nog onvoldoende vertrouwen dat de klachtenregelingen bij aanbestedende diensten op korte termijn voldoende zullen functioneren. Er is behoefte aan een stok achter de deur die gericht is op de aanbestedende diensten die klachten (nog) niet serieus behandelen. De CvAE wordt als logische organisatie gezien om deze rol te vervullen. Het gaat hierbij met name om klachtafhandeling voorafgaand aan de inschrijfdatum van de aanbesteding. Dit is immers de fase waarin de behandeling van de klacht nog invloed kan hebben op de lopende aanbestedingsprocedure. Verder vinden ondernemers het van belang dat de aanbestedingsprocedure wordt gepauzeerd wanneer een klacht voorligt bij de CvAE (opschortende werking). Anders blijft de situatie, zoals geconstateerd in het onderzoek van KWINK groep, bestaan waarin adviezen van de CvAE niet worden meegenomen door aanbestedende diensten in de lopende aanbestedingsprocedure, omdat er onvoldoende tijd wordt genomen in de procedure. Tevens vinden ondernemers het van belang om de verbetering in klachtenafhandeling te monitoren.
Ik heb begrip voor deze zorgen en vind het belangrijk dat rechtsbescherming toegankelijk is voor ondernemers en dat zij vertrouwen hebben in de mogelijkheden die rechtsbescherming hen kan bieden. Ik maak daarom drie aanvullingen op de genoemde maatregelen in mijn brief van 12 juli jl. De uitwerking van deze aanvullende maatregelen wil ik laten begeleiden door een klankbordgroep. Ik heb daarom de klankbordgroep rechtsbescherming – waarnaar in vraag 6 wordt gerefereerd – daarvoor gevraagd, samen met een aantal extra partijen die belangstelling hebben getoond omtrent de verdere invulling. De klankbordgroep is uitgenodigd om op korte termijn bijeen te komen.
Als eerste aanvullende maatregel wil ik de huidige rol van de CvAE in klachtafhandeling nog zeker enkele jaren behouden en zal ik bekijken hoe de CvAE een rol kan spelen als stok achter de deur in die gevallen waarin klachtafhandeling bij aanbestedende diensten nog onvoldoende op peil is. Ik denk daarbij onder andere aan situaties waarin de aanbestedingsprocedure zonder deugdelijke motivering doorloopt ondanks een klacht, of als uitsluitend de inkoper betrokken is bij de afhandeling van de klacht in plaats van een onafhankelijke derde. De focus van de CvAE komt op het voortraject van de aanbesteding te liggen. Voor de opvolging van de adviezen van de CvAE geldt dat deze niet ongemotiveerd terzijde kunnen worden gelegd.4
Ten tweede zal ik een onderzoek laten doen naar de wijze waarop aanbestedende diensten kunnen worden gestimuleerd om voldoende tijd en ruimte te nemen voor serieuze klachtbehandeling, zodat er vóór het moment van inschrijving of gunning een advies van het klachtenloket of de CvAE ligt over de ingediende klacht. Hierbij kijk ik ook naar eventuele (verplichte) opschorting. Vervolgens zal ik een aanvraag bij de adviescommissie Gids Proportionaliteit doen om te onderzoeken of opname van een voorschrift over tijdige klachtbehandeling een plek kan krijgen in de Gids Proportionaliteit. Ik zal uw Kamer voor het zomerreces in 2020 informeren over de resultaten van dit onderzoek. Deze aanvullende maatregel loopt mee met de door mij reeds aangekondigde actualisatie van het advies Klachtafhandeling bij aanbesteden.
Tot slot zal ik na het uitvoeren van de beleidsmaatregelen een nieuw onderzoek laten doen naar rechtsbescherming bij aanbesteden waarin ook gekeken wordt naar de rol van de CvAE. Ik verwacht dat het onderzoek over circa vier jaar kan plaatsvinden, als de benodigde wetswijzigingen zijn doorgevoerd en enige tijd ervaring is opgedaan in de praktijk. Ik werk op termijn toe naar een evaluerende rol voor de CvAE. Het afschaffen van de huidige rol van de CvAE vindt pas plaats nadat de evaluatie heeft plaatsgevonden. Aanbestedende diensten hebben zo de tijd om te bewijzen dat de stok achter de deur niet meer nodig is. Tot die tijd blijft de huidige rol van de CvAE dus in stand.
Bent u bekend met de conclusies uit het onderzoeksrapport «Aanbestedingsrechtspraak in Nederland», waaronder de conclusie dat het dictum van de rechter dikwijls in het voordeel van aanbestedende diensten is, terwijl bij de adviezen van de commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) het beeld gelijk is (dat wil zeggen de marktpartij wint ongeveer even vaak als de aanbestedende dienst) en de CvAE, vaker dan de rechter, eerder in het aanbestedingsproces wordt aangezocht?3
Het onderzoeksrapport laat inderdaad zien dat het dictum van de rechter in een meerderheid van de onderzochte gevallen een afwijzing van de vorderingen inhoudt. Bij de CvAE worden klachten van eisers wat vaker (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Verder blijkt dat bij de gang naar de CvAE de nadruk op een eerder moment in de aanbestedingsprocedure ligt. In het rapport staat dat het moment van het starten van een procedure bij de rechter in 67% van de onderzochte gevallen na het voornemen tot gunning is. Bij de CvAE geldt dat ondernemers in 34% van gevallen naar de CvAE stappen nadat een verzoek tot deelname of inschrijving is uitgebracht en in 39% van de gevallen na het voornemen tot gunning. Het onderzoeksrapport geeft een feitelijke weergave van de procedures bij de rechter en de CvAE. Het geeft geen oordeel waarom de percentages verschillend zijn. Ik wil samen met de Minister voor Rechtsbescherming en de Raad voor de rechtspraak verkennen of verbeteringen in de procedure bij de rechter, eventueel met toepassing van de toekomstige Experimentenwet rechtspleging, mogelijk zijn. Daarbij kan worden gedacht aan een ruimere toetsing door rechters en het opvoeren van bedrijfsvertrouwelijke informatie in de procedure.
Deelt u in dit licht de mening dat de CvAE een relevante rol vervult als laagdrempelig alternatief voor een juridische procedure, met name voor inschrijvers die, bij de inzet van rechtsbeschermingsmiddelen, hun kans op succes en daarmee het effect laag inschatten?
De CvAE is ten tijde van de invoering van de Aanbestedingswet 2012 ingesteld vanuit de gedachte dat zij een laagdrempelig alternatief voor een gang naar de rechter zou vormen. De Aanbestedingswet 2012 betekende een grote verandering voor aanbestedende diensten. De CvAE had als nieuw orgaan een pioniersrol. Nu, vijf jaar later, blijkt uit de evaluatie van de CvAE dat, hoewel de adviezen van de CvAE worden gewaardeerd, ze niet leiden tot een oplossing van individuele klachten. Daarmee vormt de CvAE geen laagdrempelig alternatief voor een juridische procedure en wordt dus niet tegemoet gekomen aan een daadwerkelijk effect op een lopende aanbesteding. De expertise en het aanzien dat de CvAE heeft opgebouwd vind ik waardevol en wil ik behouden. Door tegemoet te komen aan de wens van ondernemers om de rol van de CvAE gedurende de aanbestedingsprocedure te behouden, verwacht ik dat ondernemers eerder in een aanbestedingsprocedure de expertise van de CvAE in zullen roepen (zie verder het antwoord op vraag 2).
Hoe ziet u de door u voorgestelde nieuwe rol van de CvAE bij het evalueren van aanbestedingen, indien een van beide partijen (marktpartij of aanbestedende dienst) niet wil meewerken aan een evaluatie? Denkt u niet dat in de praktijk het «nakaarten» over een aanbesteding wellicht niet de hoogste prioriteit meer heeft dan wel dat partijen er logischerwijs geen of weinig belang bij hebben om daar nogmaals tijd en energie in te steken?
Ik erken dat evalueren alleen lukt wanneer betrokken partijen meewerken. Dat heeft dan ook mijn aandacht bij de toekomstige uitwerking. Een evaluerende rol kan juist veel effect hebben in de toekomst. Het biedt de kans om de expertise en de waardering voor de advisering van de CvAE meer navolging te laten krijgen, namelijk toepassing van de adviezen (over een bepaalde branche of bij een specifiek soort aanbesteding) bij toekomstige aanbestedingen.
Waren de brancheorganisaties uit de bouw- en infrasector vertegenwoordigd in de klankbordgroep die u hebt ingesteld om input te leveren op onder andere uw beleidsvoornemens? Indien niet, waarom niet? Bent u in dat geval bereid alsnog met hen in gesprek te gaan?
Ja. Bij het samenstellen van de klankbordgroep bij het onderzoek rechtsbescherming is gelet op een goede balans tussen vertegenwoordiging van aanbestedende diensten, ondernemers en experts (wetenschap en advocatuur). In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van Bouwend Nederland, de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus (BNA), VNO-NCW/MKB-Nederland, ProRail, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Unie van Waterschappen (UvW), Servicepunt71 (samenwerkingsverband van gemeente Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude), Straatman Koster Advocaten, de Rijksuniversiteit Groningen en de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarmee heb ik verschillende invalshoeken uit de aanbestedingspraktijk, waaronder de bouw- en infrasector, meegenomen bij de voorbereiding van mijn beleidsvoornemens. Bij aanbesteden spelen uiteenlopende belangen die vaak niet met elkaar overeenkomen. Met de voorgenomen beleidsmaatregelen zoek ik de balans tussen een effectieve en efficiënte manier van aanbesteden, gelijke toegang voor ondernemers en effectieve rechtsbescherming. Het werken in de klankbordgroep is overigens ervaren als een plek waar vruchtbare discussie kan plaatsvinden. Daarom wil ik een vergelijkbare klankbordgroep (eventueel aangevuld met VNG en enkele brancheorganisaties) laten meewerken aan de uitwerking van de wijziging van de werkwijze van de CvAE (zie het antwoord op vraag 2).
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 zal ik een klankbordgroep instellen voor de uitwerking van een aantal van de maatregelen.
Kunt u uitleggen waarom u ervoor kiest om de positie van de CvAE niet te versterken (en in plaats daarvan lokale klachtenloketten te professionaliseren), terwijl het onderzoekrapport «Rechtsbescherming in de aanbestedingspraktijk» stelt dat wanneer de CvAE uitsluitend bijdraagt aan een leereffect/professionalisering er een leemte ontstaat daar er geen orgaan meer is dat een onafhankelijk advies kan geven over aanbestedingsklachten?4
Zoals ook in de beantwoording bij vraag 2 heb aangegeven zet ik in op een breed pakket aan maatregelen. Een van de aspecten daarvan is de professionalisering van klachtenregelingen bij aanbestedende diensten, waarbij de CvAE als stok achter de deur gaat functioneren. Er zijn aanbestedende diensten met goedwerkende en professionele klachtenregelingen, zoals Prorail en Rijkswaterstaat. Deze organisaties houden bijvoorbeeld rekening met eventuele vragen en klachten in de planning van de aanbestedingsprocedure en bekijken per geval of het noodzakelijk is om de aanbesteding op te schorten en zijn zelfs bereid om in voorkomende gevallen een aanbesteding opnieuw te starten. Deze succesvolle praktijkvoorbeelden, waarin het uitgangspunt is «een klacht is een cadeautje» en «de klachtenregeling werkt, want ondernemers durven klachten in te dienen», zal ik betrekken bij de uitwerking van de klachtenregeling zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Er zullen echter ook aanbestedende diensten zijn die hulp nodig hebben bij de verdere professionalisering van hun klachtenloketten. Ik betrek voorlichtende partijen als PIANOo7 en NEVI8 die hierin een rol kunnen spelen. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe kijkt u aan tegen het nadeel van het dwingend sturen op (lokale) klachtenloketten, dat vanwege de grote diversiteit in de aanbestedingspraktijk en de verschillende sectoren het lastig is daarvoor een uniform kader te vinden en de maatregelen kosten- en arbeidsintensief zijn voor met name kleinere aanbestedende diensten5, in relatie tot de tweede maatregel «Klachtenafhandeling op lokaal niveau maakt het verschil» die u voorstelt?6
Zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb geschetst, hecht ik veel waarde aan een professionele klachtenregeling bij de aanbestedende dienst. Een klachtenregeling is een belangrijk instrument om klachten die ondernemers hebben op een vroeg moment in het aanbestedingsproces te behandelen. Ook houdt een klachtenregeling de organisatie scherp en creëert het een laagdrempelige vorm van toezicht. Daarom wil ik een professionele klachtenregeling wettelijk verplicht stellen. Om geen onevenredige eisen te stellen aan kleine aanbestedende diensten, zoals de lokale basisschool die eenmaal om de zoveel jaar de schoonmaak aanbesteedt, verzamel ik ook bestaande goede voorbeelden waarin aanbestedende diensten gezamenlijk of in regionaal verband klachten afhandelen. Bij het inrichten van een lokaal loket kan ook meer aandacht zijn voor de specifieke omstandigheden van het geval. Zo kan een klachtenloket van een academisch ziekenhuis met technische expertise zich beter toeleggen op de specifieke situatie ter plaatse dan een centraal loket.
Hoe kijkt u aan tegen een opschortingsplicht tijdens een aanbestedingsprocedure (of ten minste een verplichting tot het opschorten van de gunning), indien er een klacht wordt ingediend?
Bij de professionalisering van klachtenregelingen heeft een opschortingsplicht mijn aandacht. De afhandeling van klachten voorafgaand aan de gunningsbeslissing is onderdeel van de wensen zoals geuit door ondernemers. Zij zien namelijk graag een vorm van klachtenafhandeling waarbij zij nog kans maken op de (voorlopige) gunning. Een aanbestedende dienst dient hiervoor voldoende tijd te gebruiken om een klacht te behandelen. Een eventuele (verplichte) opschorting en de vormgeving daarvan betrek ik daarom bij het onderzoek naar serieuze klachtenafhandeling zoals beschreven in het antwoord op vraag 2. Ten overvloede wijs ik er ook op dat ik daarbij het belang van burgers bij algemene voorzieningen in het oog moet houden.
Het bericht 'Banken weigeren bedrijven die met blockchain in de weer zijn' |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Banken weigeren bedrijven die met blockchain in de weer zijn»?1
Ja.
Hebben u inmiddels, na uw eerdere beantwoording op 7 februari 2019 van vragen het lid Wörsdörfer van 28 december 2018, alsnog signalen bereikt dat zodra een bedrijf «crypto» of «blockchain» in een bedrijfsomschrijving heeft staan, het vaak niet lukt om een bankrekening te openen?2
Zoals de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat in de beantwoording van de Kamervragen van 7 februari 2019 heeft aangegeven zijn er geen signalen bekend van het, op structurele wijze, weigeren van bankrekeningen aan bedrijven die zich bezighouden met blockchaintechnologie. Sinds beantwoording van deze vragen heb ik, op het bericht in het FD na, niet alsnog signalen ontvangen die het tegendeel bewijzen. Ik constateer verder dat er geen zaken geweest zijn bij het Kifid van blockchainbedrijven die meenden dat zij onterecht niet werden geaccepteerd als nieuwe klant of waarvan de relatie met de bank onterecht zou zijn stopgezet. Ook DNB heeft aangegeven geen signalen te hebben ontvangen dat hiervan sprake is.
In dezelfde beantwoording heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat aangegeven dat er verschil gemaakt dient te worden tussen bedrijven die zich met blockchain bezighouden, en bedrijven die bepaalde diensten met of rondom crypto’s aanbieden. Voor deze laatste groep geldt dat ik wel signalen heb ontvangen dat zij moeite kunnen hebben met het openen van een bankrekening. Dit is in grote mate vanwege het feit dat zij een verhoogd risico voor witwassen en terrorismefinanciering kunnen vormen. Gezien de verscherpte aandacht voor integriteit in de financiële sector kan het zijn dat banken in het kader van de risicogebaseerde klantacceptatie terughoudender zijn in de acceptatie van partijen die zich met crypto’s bezighouden.
Zo nee, bent u bereid om na te gaan of hier inderdaad sprake van is? Zo ja, deelt u de mening dat dit zorgelijk is met het oog op het – toekomstig – verdienvermogen van Nederland?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen signalen ontvangen dat er een structureel probleem bestaat ten aanzien van het aanbieden van bankrekeningen aan blockchainbedrijven. In het kader van contractrecht zijn banken vrij om zelf te bepalen of zij een relatie aangaan met bepaalde partijen of niet. Desalniettemin zal ik met de banken in gesprek gaan of er inderdaad sprake is van het weigeren van partijen die iets met blockchain doen, en de eventuele mogelijke redenen die banken hiervoor zouden kunnen hebben.
In ieder geval kunnen partijen, indien zij menen dat zij onterecht geen diensten (meer) kunnen afnemen bij een bank, een klacht indienen bij de bank via de formele (en wettelijk verplichte) klachtenprocedure, vervolgens een klacht indienen bij het Kifid, of in het uiterste geval naar de rechter stappen.
Zijn u argumenten bekend waarom blockchainbedrijven, waaronder ook bedrijven die met deze techniek werken of op dit onderwerp adviseren, kennelijk moeilijk een bankrekening kunnen openen? Zo ja, welke argumenten zijn dit en ziet u daarin reden om actie te nemen?
In eerdere antwoorden op Kamervragen heb ik aangegeven dat banken in het algemeen hun klantenbestand baseren op een door de bank zelf bepaalde ondernemersstrategie en door hen gewenste risicoprofiel.3 Hierbij spelen veel verschillende factoren een rol die door banken zelf worden gewogen, zoals het bestaande kader van wet- en regelgeving en de door banken gewenste risicobereidheid.
Banken zijn wettelijk verplicht een risicogebaseerd klantenacceptatiebeleid te voeren. Dit houdt in dat potentiele klanten moeten worden geïdentificeerd en dat hun identiteit moet worden geverifieerd. Verder dient de aard van de zakelijke relatie te worden onderzocht op het risico van witwassen, terrorismefinanciering of andere criminele activiteiten. Op basis van dit onderzoek moet de bank beheersmaatregelen vaststellen om eventuele risico’s in te perken. Dit kan betekenen dat de dienstverlening door de bank wordt beperkt, of zelfs dat de klant wordt geweigerd.
Zo nee, bent u bereid met de banken en relevante toezichthouders in gesprek te gaan om na te gaan of en zo ja, wat de redenen zijn dat blockchainbedrijven kennelijk veelvuldig geweigerd worden bij de aanvraag van een bankrekening en wilt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen bedrijven die met blockchain in de weer zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid zich in te spannen om het blockchainbedrijven makkelijker te maken een bankrekening te openen? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 3.
De hernieuwde stijging van de postzegelprijs |
|
Frank Futselaar |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het besluit van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) dat de tariefruimte voor PostNL met 16,4% wordt verruimd en dat de postzegelprijs hiermee boven de € 1 uit mag komen?1
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) berekent jaarlijks vóór 1 september op grond van artikel 14b, eerste lid, van de Postregeling 2009 de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) voor het komende kalenderjaar. In dezelfde regeling is vastgelegd dat de ACM bij deze berekening rekening houdt met inflatie, volumeontwikkeling en eventueel gerealiseerd overrendement in geval dat meer dan 10% was (bijlage 3, onderdeel C). Deze regels moeten enerzijds zorgen voor de betaalbaarheid van de UPD door consumenten en bedrijven niet teveel te laten betalen voor de postbezorging. Anderzijds moet ook de continuïteit van de UPD geborgd worden door te zorgen dat PostNL de UPD rendabel kan uitvoeren.
In dit geval heeft de ACM berekend dat de tariefruimte voor de UPD voor 2020 16,4% hoger ligt dan de tariefruimte voor 2019. De verhoogde tariefruimte is te verklaren door aanhoudende daling van het aantal poststukken. In 2018 bedroeg de volumedaling van de enkelstuks UPD-diensten 18,1% ten opzichte van 2017. Deze krimp in combinatie met de schaalvoordelen die kenmerkend zijn voor deze markt en gelijkblijvende kwaliteitseisen voor de UPD zorgen voor toenemende kosten per stuk. Het is uiteindelijk aan PostNL om te besluiten binnen de kaders van de Postregeling in welke mate zij gebruik maakt van de tariefruimte en te bepalen wat de postzegelprijs in 2020 wordt.
Deelt u de constatering dat sinds de liberalisering van de postmarkt in 2009 een permanente stijging van de postzegelprijs plaatsvond die ten koste gaat van de betaalbaarheid voor burgers, die in veel gevallen afhankelijk zijn van de postbezorging?
Nederland heeft het afgelopen decennium kunnen profiteren van de dynamiek die de liberalisering van de postmarkt in 2009 tot stand heeft gebracht. Dankzij de invoering van concurrentie heeft PostNL zich weten te transformeren van een verlieslatend staatsbedrijf naar een efficiënte logistieke dienstverlener. Postdiensten in Nederland hebben een hoge kwaliteit en een – vergeleken met andere Europese landen – gemiddelde prijs, ondanks het feit dat de krimp in Nederland sneller gaat dan in de meeste andere EU-lidstaten. Grote verzenders profiteren van keuzevrijheid en een uitstekend prijs-kwaliteitniveau. Deze factoren hebben bijgedragen aan efficiënte dienstverlening en het behoud van de waarde die post had en heeft in de samenleving. Kostenbesparingen behaald onder druk van concurrentie hebben via het kostentoerekeningssysteem ook tot kostenbesparingen voor de UPD-gebruiker geleid, omdat UPD-post en zakelijke post gebruik maken van hetzelfde netwerk.
De stijging in de postzegelprijs is dan ook niet het resultaat van de liberalisering, maar is te verklaren door een aanhoudende en sterke daling van het aantal poststukken. Deze krimp is een op zichzelf staande ontwikkeling als gevolg van digitalisering.
Hoeveel mensen zijn voor contact op langere afstand, in het bijzonder met overheidsinstanties, afhankelijk van postbezorging?
De mate waarin post bijdraagt aan sociale inclusie is moeilijk uit te drukken in cijfers. Het kabinet ziet dat post belangrijk is voor sociale inclusie. Uit onderzoek blijkt dat 2,5 miljoen Nederlanders het moeilijk vinden om met digitale apparaten om te gaan2. Ook hebben 1,2 miljoen mensen nog nooit internet gebruikt3. Het kabinet wil daarom dat de keuzemogelijkheid om per post met de overheid te communiceren behouden blijft en de universele postdienst op het platteland en in krimpregio’s op het huidige kwaliteitsniveau blijft.4 Ik houd de ontwikkelingen op de postmarkt nauwlettend in de gaten om te zorgen dat post deze functie kan blijven vervullen. Ik ben voornemens om later dit jaar een wijzigingsvoorstel voor de Postwet bij de Tweede Kamer in te dienen om dit ook voor de langere termijn te borgen (Kamerstuk 29 502, nr. 158).
Hoe verhoudt de stijging van de postzegelprijs sinds 2009 zich tot de prijsontwikkeling in de zakelijke postbezorging en hoe groot was de gemiddelde prijsstijging in de zakelijke postbezorging in 2018?
De prijs van enkelstuks UPD-post is hoger dan de prijs die grote zakelijke gebruikers betalen voor de diensten van postvervoerders. De gemiddelde opbrengst per stuk zakelijke post was in 2018 € 0,38. De gemiddelde opbrengst per stuk consumentenpost (de postzegelprijs) was € 0,89 in 2018. De prijs van 48- uurs en 72-uurs zakelijke post is niet goed vergelijkbaar met de prijs van 24-uurs consumentenpost. Het verschil in prijs tussen 24-uurs en de langzamere 48-uurs en 72-uurs (partijen)post wordt onder andere veroorzaakt door volumekortingen als gevolg van de sterke positie die zakelijke afnemers, zoals banken of verzekeraars, bij de contract- en tariefonderhandelingen met postvervoerders hebben. Ook de verschillen in de collectie en sortering en de verschillende mogelijkheden om post te plannen spelen hierin een rol, dat maakt de verwerking van deze post goedkoper. Als 24-uurs consumentenpost wordt afgezet tegen 24-uurs zakelijke post is het tariefverschil aanzienlijk kleiner.
Wordt bij de berekening van de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) rekening gehouden met de ontwikkelingen in de zakelijke postbezorging? Zo nee, waarom wordt de UPD als onafhankelijk gezien terwijl de bezorging veelal via dezelfde kanalen gaat?
De totale tariefruimte bestaat uit de basistariefruimte en de aanvullende tariefruimte. Bij het bepalen van de aanvullende tariefruimte houdt ACM rekening met inflatie, volumeontwikkeling van enkelstuks UPD-diensten en eventueel gerealiseerd overrendement op de UPD-diensten. In de basistariefruimte worden ook de kosten van het netwerk van PostNL meegenomen. In antwoord op vraag 4 heb ik de verschillen tussen UPD-poststukken en zakelijke poststukken toegelicht. Door deze verschillen worden deze poststukken onafhankelijk van elkaar gezien. Wel delen beide stromen hetzelfde netwerk. De efficiëntie die hierdoor ontstaat ten aanzien van de verwerking en bezorging komen uiteindelijk ook ten goede aan de UPD tarieven.
Gaat de consolidatie van de postsector door de aanstaande overname van Sandd door PostNL aanleiding vormen voor de ACM om de tariefruimte te herzien?
ACM dient op basis van de Postregeling 2009 jaarlijks uiterlijk op 1 september de aanvullende tariefruimte voor het komende kalenderjaar te bepalen. Met de publicatie van het Besluit tariefruimte universele postdienst 2020 heeft ACM aan deze verplichting voldaan. Ik kan nog niet vooruitlopen over mogelijke consolidatie. Uiteraard zal ik in elk scenario bezien welke effecten ontwikkelingen in de markt hebben en of dit aanleiding vormt om actie te ondernemen.
Deelt u de mening dat een verdere stijging van de postzegelprijzen tot een nog sterkere daling van de postvolumes gaat leiden en dat het voortbestaan van de postbezorging voor burgers hiermee in gevaar wordt gebracht?
Zoals in antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven is de verhoogde tariefruimte met de systematiek die we kennen een direct gevolg van de autonome krimp van volumes. Het is goed voorstelbaar dat de prijsontwikkeling die de postzegel de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt zich bij ongewijzigd beleid en aanhoudende krimp de komende tien jaar nog een keer voordoet. Om dit te voorkomen en de betaalbaarheid en beschikbaarheid van de UPD te borgen heb ik vorig jaar ook een beleid- en wetgevingsagenda voor de postmarkt naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 502, nr. 158). Het wijzigingsvoorstel voor de Postwet dat ik later dit jaar wil aanbieden is een belangrijke uitwerking van deze agenda en moet dit scenario mede helpen voorkomen.
Is de aanstaande consolidatie in de postsector, die effectief een private monopolist creëert, voor u aanleiding om de liberalisering in de postsector terug te draaien, die in het overgrote deel van de Europese landen nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom verkiest u een slechts gedeeltelijk gereguleerde monopolist boven een sterkere overheidsinmenging?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek gedaan naar de verschillende opties om de UPD betaalbaar en beschikbaar te houden. Naar aanleiding van deze analyse zijn verschillende opties onderzocht hoe met deze tendens omgegaan kan worden. Het deels terugdraaien van de liberalisering («deprivatisering») is hierbij ook als optie meegenomen.5 Daaruit bleek dat deprivatisering weinig zou opleveren, in tegendeel zelfs.
Op 4 april 2019 heeft de ACM een vergunningsaanvraag ontvangen van PostNL om Sandd over te nemen. ACM heeft op 5 september jl. haar besluit gepresenteerd inzake deze voorgenomen overname. Zij heeft besloten geen vergunning te verlenen voor de overname van Sandd door PostNL. Als reactie op dit besluit heb ik van PostNL een aanvraag ontvangen in het kader van artikel 47 van de Mededingingswet. Op dit moment bestudeer ik deze aanvraag en het besluit van ACM. Hier zal ik op korte termijn, en uiterlijk binnen de wettelijk gestelde termijn van 12 weken, een besluit over nemen.
Het bericht ‘Apple deelde herleidbare, persoonlijke gegevens bij opnames Siri-gebruikers’ |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Apple deelde herleidbare, persoonlijke gegevens bij opnames Siri-gebruikers»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Waren de signalen uit het bericht, over vermeende schending van de privacy door Apple, al eerder bekend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, die toezicht houdt op het gebruik van persoonsgegevens door organisaties?
Het fenomeen van afluisteren via smart speakers was bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) bekend.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens actie(s) ondernomen richting Apple nadat vorige maand al naar buiten kwam dat Apple-medewerkers meeluisteren naar persoonlijke informatie van gebruikers, zoals medische gegevens?2 Zo ja, welke actie(s)?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) kent het zogeheten één-loketmechanisme. Dit houdt in dat organisaties die grensoverschrijdende verwerkingen van persoonsgegevens uitvoeren nog maar met één privacytoezichthouder zaken hoeven te doen. Die wordt de «leidende toezichthouder» genoemd. De Ierse privacytoezichthouder is de leidende toezichthouder voor Apple. De AP is zogeheten «betrokken toezichthouder». Ik heb begrepen van de AP dat zij regulier contact heeft met de Ierse privacytoezichthouder, zowel bilateraal als binnen de (European Data Protection Board (EDPB) en dat de Ierse privacytoezichthouder op de hoogte is van deze kwestie (evenals vergelijkbare recente kwesties). De AP heeft overigens de mogelijkheid om kwesties onder de aandacht te brengen van de leidende toezichthouder als deze daarvan nog niet op de hoogte is.
Deelt u de mening dat, indien de berichtgeving klopt, het zeer kwalijk is dat herleidbare, persoonlijke gegevens, afkomstig van gebruikers van in dit geval een spraakherkenningssysteem, worden gedeeld met derden?
Het delen van persoonsgegevens met derden is niet per definitie een kwalijke zaak. Het is van belang dat bedrijven binnen de geldende wet- en regelgeving persoonsgegevens kunnen delen met derde partijen, zodat zij deze gegevens kunnen analyseren om bepaalde producten of bedrijfsprocessen te optimaliseren.
Blijkens de berichtgeving en de reactie die Apple daarop heeft gegeven zijn er, naast de opnamen van de gesprekken, ook gegevens meegestuurd die maken dat de opnames herleidbaar werden tot een specifiek natuurlijk persoon, waardoor er sprake is van verwerking van persoonsgegevens. Indien deze verwerking zonder juiste rechtsgrondslag plaatsvindt -zoals de berichtgeving suggereert- dan is dat niet alleen kwalijk, maar ook onrechtmatig.
Is bij het op deze wijze delen van persoonsgegevens volgens u sprake van inbreuk op de privacy?
De privacy van personen kan worden geraakt wanneer er op onrechtmatige wijze persoonsgegevens worden gedeeld. Het is echter aan de AP om te bepalen of de verwerking van persoonsgegevens in kwestie onrechtmatig was.
Kunt u – in het kader van de juridische bescherming van burgers – uitleggen welke regelgeving hier primair van toepassing is? Is dat de Algemene verordening gegevensbescherming (inclusief alle daarbij behorende wet- en regelgeving) of is dat het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder de artikelen 139a en volgende? Tot welke instantie zouden burgers en/of bedrijven zich primair moeten richten bij (vermeende) situaties van stiekem afluisteren zoals bedoeld in deze Kamervragen, de Autoriteit Persoonsgegevens dan wel de politie en/of het openbaar ministerie?
De AVG betreft de relevante regelgeving om het gedrag van Apple aan te toetsen. De kernvraag daarbij is of Apple zich kan beroepen op een geldige verwerkingsgrondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de AVG. De uiteindelijke beoordeling van deze vraag in een feitelijke situatie is aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
Nederlandse ingezetenen kunnen bij de AP een klacht indienen over de wijze waarop een verwerkingsverantwoordelijke omgaat met jouw persoonsgegevens. De AP is vervolgens op grond van de AVG verplicht om ofwel zelf deze klacht in behandeling te nemen of deze door te sturen naar de leidende toezichthouder in Ierland. De Ierse toezichthouder treedt in overleg met de andere betrokken toezichthouders. Als zij van mening zijn dat er sprake is van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, dan kunnen er verschillende maatregelen worden getroffen, waaronder het opleggen van een bestuurlijke boete (waarbij deze boete kan oplopen tot 20.000 euro of voor een onderneming tot 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorafgaande boekjaar). De Ierse toezichthouder stuurt vervolgens zijn besluit naar de AP en de AP zorgt voor doorgeleiding aan de Nederlandse klager. Als deze niet tevreden is over de klachtafhandeling of het besluit van de Ierse toezichthouder, dan kan de betrokkene in Nederland in bezwaar gaan en uiteindelijk beroep instellen bij de Nederlandse bestuursrechter.
Het heimelijk afluisteren van gesprekken is in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld in de artikelen 139a en verder. Bij de vraag of sprake is van strafbare handelingen is onder meer van belang waar de desbetreffende handelingen hebben plaatsgevonden en of aan alle bestanddelen van de strafbaar gestelde handeling is voldaan. Het is aan het Openbaar Ministerie en in voorkomend geval de strafrechter om hierover te oordelen.
Bent u bereid Apple om een reactie op de berichtgeving te vragen, daar het bedrijf dat afgaande op het artikel van de NOS tot dusver niet heeft willen doen?
Apple heeft inmiddels een reactie op de berichtgeving op zijn eigen website geplaatst. Die houdt, kort gezegd, in dat het bedrijf voorlopig geen audio opnames meer beluistert, maar alleen computer gegenereerde transcripties van gesprekken verwerkt. Na een software-update zal Apple het beluisteren van audiofragmenten voortzetten, maar alleen van betrokkenen die zich hier vrijwillig voor hebben aangemeld. Het beluisteren van de fragmenten zal alleen worden gedaan door medewerkers van Apple. Deze medewerkers zullen onbedoelde Siri-aanvragen direct verwijderen.
Bent u bereid van Apple te eisen dat het bedrijf per direct maatregelen neemt om de privacy van gebruikers van zijn producten/diensten, waaronder spraakherkenning, te waarborgen? Welke (juridische) mogelijkheden hebt u daartoe?
Het is aan de bevoegde privacytoezichthouders in de EU om een onderzoek te starten naar het handelen van Apple. Indien er onderzoek wordt gedaan, is het wederom aan de desbetreffende toezichthouder om op basis van dat onderzoek te bepalen of Apple al dan niet maatregelen dient te nemen. Het is dan ook niet aan het kabinet om een dergelijk verzoek aan Apple te richten, noch om eisen te stellen aan het handelen van Apple.
Overigens heeft Apple in zijn reactie wel aangegeven dat het een aantal maatregelen heeft genomen en nog zal nemen, zie daarvoor het antwoord op vraag 7.
Wijzen incidenten als die bij Apple, maar ook bij andere techbedrijven, volgens u op het bestaan van een «privacyprobleem» in deze sector?
Het feit dat zich een aantal incidenten bij verschillende bedrijven heeft voorgedaan, wijst niet direct op een «privacyprobleem» in de gehele sector.
Specifieke incidenten met het analyseren van spraakgegevens voor productverbetering wijzen er wel op dat er meerdere bedrijven lijken te zijn die hierbij niet binnen de wettelijke kaders zijn gebleven. Gelet op hun onafhankelijkheid, is het aan de verschillende Europese toezichthouders zelf om te bepalen of zij ambtshalve optreden tegen bedrijven die de fout in gaan en hoe zij met eventuele klachten van betrokkenen omgaan.
Bent u van mening dat wet- en regelgeving op dit moment voldoende toereikend zijn om de privacy van consumenten van techproducten en -diensten te beschermen? Waar schiet deze wet- en regelgeving mogelijk nog tekort?
De wet- en regelgeving acht ik op dit moment in het algemeen inderdaad toereikend om de privacy van consumenten van techproducten en -diensten te beschermen.
In lijn met de kabinetsvisie op horizontale privacy ziet het kabinet in dit verband evenwel twee onderwerpen waar het juridisch kader mogelijk nog tekortschiet en die het kabinet aan de orde wil stellen bij de evaluatie van de AVG, die uiterlijk mei 2020 moet zijn afgerond.3
Ten eerste is het kabinet van mening dat grote techbedrijven, ook als zij rechtmatig handelen, enorme hoeveelheden gegevens kunnen verzamelen en gebruiken. Het kabinet wil kijken of de hoeveelheid gegevens die deze bedrijven verzamelen, kan worden beteugeld. Ten tweede wil het kabinet dat wordt geëvalueerd of de normen uit de AVG wel voldoen om de risico’s van profilering tegen te gaan, specifiek wanneer profilering leidt tot prijsdiscriminatie of zelfs tot uitsluiting van bepaalde groepen voor sommige producten of diensten.
Wat kunt u doen om consumenten van techproducten en -diensten beter bewust te maken van de risico’s die zij lopen bij het gebruik ervan ten aanzien van privacy, maar bijvoorbeeld ook spionage (via zogeheten «spyware»)?
Het kabinet vindt het belangrijk om het privacybewustzijn van burgers te vergroten en zal daarom in het voorjaar van 2020 een publiekscampagne starten over de privacyrisico’s bij het gebruik van digitale applicaties. In deze campagne wordt aandacht besteed aan de risico’s die burgers lopen als ze persoonlijke data delen.
Verder werkt Tilburg University aan een rapport over eventuele verdere regulering van «spyware» en de vermindering van de privacyrisico’s die aan deze producten kleven. Dit rapport wordt in het voorjaar van 2020 verwacht en zal hopelijk inzichtelijk maken in hoeverre er verdere maatregelen genomen moeten worden om de privacyrisico’s bij deze producten verder in te dammen.4
De gevolgen van lachgasgebruik voor het klimaat |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Milieudefensie waarschuwt lachgasgebruikers: denk aan het klimaat»?1
Ja.
Zijn de gevolgen van lachgasgebruik op het klimaat bekend bij gebruikers?
Besef over de gevolgen van oneigenlijk lachgasgebruik op het klimaat komt niet direct terug in de risicoperceptie van gebruikers.2 Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een handreiking gemaakt om gemeenten, preventieprofessionals en ouders te ondersteunen in hun preventieaanpak van oneigenlijk lachgasgebruik. De handreiking besteedt wel aandacht aan milieuschade (met name door rondslingerende lachgaspatronen) maar niet in het bijzonder aan de gevolgen van lachgasgebruik op het klimaat.3
Kunt u een inschatting maken van de hoeveelheid lachgaspatronen die het afgelopen jaar voor consumptie is gebruikt? En kunt u een inschatting maken van de impact die het gebruik van lachgas hiermee heeft gehad op het klimaat?
De uitstoot van 1 kilogram lachgas (N20) is vergelijkbaar met de uitstoot van circa 298 kilogram4 CO2. Lachgas is dus een krachtiger broeikasgas dan CO2. Omdat de uitgestoten hoeveelheden van lachgas kleiner zijn dan die van CO2is de bijdrage van lachgas aan de totale uitstoot van broeikasgassen echter beperkt5.
Eén lachgaspatroon bevat gemiddeld 8 gram lachgas. De uitstoot van één lachgaspatroon staat daarmee ongeveer gelijk aan de uitstoot van 2,38 kilogram CO2. Uitgaande van gemiddeld recreatief gebruik (2–5 patronen per maand over de periode van een jaar6) is de totale uitstoot ongeveer 85 kilogram CO2 per persoon op jaarbasis. Op basis van deze berekening zou de bijdrage van oneigenlijk lachgasgebruik aan de ecologische voetafdruk per individu reëel zijn: deze is te vergelijken met de uitstoot die wordt vermeden als uitsluitend ledlampen in huis worden gebruikt.
Uitgaande van cijfers van het Trimbos Instituut7 bestaat de groep mensen die lachgas op maandelijkse basis oneigenlijk gebruikt uit ca. 70.000 mensen. Op jaarbasis zou hun gezamenlijke uitstoot uitkomen op ca. 0,06 megaton CO2-equivalenten. Bij het maken van deze inschatting is geen rekening gehouden met het oneigenlijke gebruik van lachgas uit gasflessen en is nadrukkelijk gewerkt met gemiddelden. Hierbij moet worden benadrukt dat de bijdrage van het oneigenlijk lachgasgebruik aan de totale emissies van Nederland, ook als de precieze uitstoot hoger uitvalt, verhoudingsgewijs beperkt is.
Bent u van plan om het gebruik van lachgas voor consumptie in te perken c.q. te ontmoedigen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het oneigenlijke gebruik van lachgas heeft de aandacht van het kabinet. Door de toename van oneigenlijk lachgasgebruik is het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs om een risicobeoordeling van lachgas gevraagd. De risicobeoordeling wordt in november dit jaar verwacht en vormt de grondslag voor eventueel te treffen landelijke gezondheidsmaatregelen. In afwachting van het advies worden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport diverse beleidsopties bekeken zodat wanneer de beoordeling definitief is, snel passende landelijke maatregelen kunnen worden getroffen. Hoewel het stijgende gebruik van lachgas kan leiden tot een verhoogde uitstoot van broeikasgassen, is dit probleem op basis van nu beschikbare gegevens beperkt (zie antwoord op vraag 3) en daarom voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat geen reden voor specifieke inzet binnen het klimaatbeleid.
Bent u bereid om de invloed van lachgasgebruik op het klimaat bij jongeren en gebruikers onder de aandacht te brengen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen voor 3 september 2019 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nieuwbouwhuis? Grote kans dat 5G je geen sneller internet oplevert’ |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Nieuwbouwhuis? Grote kans dat 5G je geen sneller internet oplevert»?1
Ja, het bericht is bekend.
Deelt u de mening dat zoveel mogelijk mensen in Nederland de beschikking moeten hebben over snel internet, zowel vast als mobiel? Zo nee, waarom niet?
Ja. Daarom voer ik bijvoorbeeld beleid om de uitrol van snel internet in buitengebieden te faciliteren en ben ik van plan voor mobiele netwerken een dekkingseis te stellen die een minimale snelheid garandeert.
De mate waarin dekking voor mobiel internet kan worden gegarandeerd is echter onderhevig aan natuurkundige principes. Absolute garanties voor mobiele netwerkdekking zijn niet te geven. Mobiele dekking wordt beïnvloed door een veelheid van factoren, zoals het weer, bladerdek, bebouwing, maar ook de verbeterde isolatie van woningen.
Wat is uw mening over de reportage van RTL Z, zeker met het oog op uw eerdere uitspraken over het belang van mobiele connectiviteit en het feit dat de scheidslijn tussen vaste en mobiele infrastructuur aan het vervagen is?2
In telecommunicatie is connectiviteit in toenemende mate van belang, of dat nu wordt geleverd via een vaste verbinding, via een draadloze verbinding als wifi, 4G, 5G, dan wel via andere technologieën. Deze ontwikkeling is een belangrijke reden om zowel voor vaste als mobiele infrastructuur beleid te voeren. Genoemde trends zoals convergentie en vervagende scheidslijn betekenen overigens niet dat ik verwacht dat vaste en mobiele infrastructuren volledig elkaars substituut gaan worden. Mobiele netwerken kunnen leveren waar vaste dat niet kunnen, en soms dus ook andersom. Daarbij hebben vaste netwerken, zoals bijvoorbeeld een glasvezelaansluiting, voorsprong in breedbandige capaciteit.
Deelt u de mening dat de mate van connectiviteit niet alleen buitenshuis, maar ook binnenshuis van goede kwaliteit moet zijn? Zo ja, welke beleidsinstrumenten (zoals ook genoemd in het Actieplan Digitale Connectiviteit) bent u van plan in te zetten om ook binnenshuis een goede digitale connectiviteit te garanderen?3
Het garanderen en regelen van goede mobiele ontvangst binnenshuis via bijvoorbeeld verhoging van mobiele zendvermogens buitenshuis is uiterst moeilijk. Omdat huizen zo sterk verschillen als het gaat om doordringbaarheid voor radiofrequenties zou het stellen van een bepaalde minimale ontvangstnorm binnenshuis onredelijk en onwerkbaar zijn. Om deze reden is bij de komende multibandveiling gekozen voor een dekkingseis die buitenshuis geldt.4 Er bestaan overigens goede remedies voor gevallen van onvoldoende mobiele dekking binnenshuis. De meeste huishoudens beschikken over een binnenshuis wifi-netwerk, gekoppeld aan een vaste internetverbinding. Voor mobiele internettoegang ligt het iets anders dan bij mobiel bellen. Voor wat betreft mobiele internettoegang kunnen apparaten zoals laptops, tablets, smartphones en dergelijke al sinds jaren eenvoudig overschakelen op wifi. Daarmee wordt een eventuele zwakke binnenshuisdekking gemakkelijk, automatisch en doorgaans ongemerkt omzeild. Sinds recentere datum is ook mobiel bellen over wifi technisch mogelijk gemaakt en door de Nederlandse mobiele operators aangeboden (Voice over Wifi). Om mobiel te bellen kunnen moderne smartphones tegenwoordig via een wifi-netwerk schakelen. Soms moet een gebruiker op zijn smartphone daarvoor even een instelling aanpassen. In combinatie met mijn beleid voor snel vast internet kan de bewoner van een goed geïsoleerd nieuwbouwhuis dus zelf maatregelen nemen voor behoorlijk binnenshuis werkende mobiele diensten.
Bent u bekend met het feit dat in gevallen waar binnenshuis geen goede verbinding met 4G mogelijk is, de nieuwe 5G-techniek waarschijnlijk ook geen soelaas zal bieden vanwege een verschil in frequentiegolven? Zo ja, is hiermee ook rekening gehouden in de doelstellingen, zoals geformuleerd in het Actieplan Digitale Connectiviteit, en hoe?
De mate waarin een radiosignaal door muren en ramen dringt heeft inderdaad onder meer te maken met de golflengte. Hoe lager een frequentie in het radiospectrum, hoe makkelijker deze door ramen en muren komt, en omgekeerd. Vooralsnog zijn de 700 MHz band, de 3,5 GHz band en de 26 GHz band aangewezen als 5G banden. De 3,5 GHz-band en 26 GHz-band zijn hogere frequenties dan de tot zover gebruikelijke mobiele frequenties waarmee 2G, 3G, en 4G wordt aangeboden. De 700 MHz-band is lager, een golflengte die juist weer iets beter doordringt dan de tot nu toe gebruikte mobiele frequentiebanden waarvan op dit moment de laagst uitgegeven frequentieband de 800 MHz-band is.
Daarbij dient ook vermeld te worden dat 5G op zich niet nodig is voor mobiele telefonie, omdat bellen geen hoge bandbreedte vraagt en bestaande mobiele technologieën daarvoor nog heel wat jaren goed daarvoor blijven voldoen.
Ik vermeld daarbij ook dat 5G niet simpelweg het breedbandiger verlengde gaat zijn van wat de bestaande mobiele technologieën tot zover bieden. Waar 5G in de praktijk straks zijn belangrijkste toepassingen gaat vinden, moeten we afwachten, maar de verwachting is dat 5G belangrijk gaat worden in bedrijfsmatige situaties (verticals). Gezien het korte bereik van golven in de 26 GHz band – dit geldt ook wel voor de 3,5 GHz band – is het niet erg aannemelijk, en het zou ook kostbaar worden, dat met deze frequentiebanden landelijk aanvullende dekkende netwerken gaan worden gerealiseerd. De genoemde banden gaan waarschijnlijk vooral meer plaatselijk voor extra capaciteit worden ingezet, daar waar veel mensen bij elkaar komen, en voor verticals zoals vermeld. Verbetering van de landelijke dekking kan wel worden verwacht wanneer de 700 MHz band in gebruik wordt genomen, in combinatie met de bijbehorende (outdoor)dekkingsplicht.5
Kunt u aangeven wat mogelijke oplossingen zijn om frequenties ter ondersteuning van zowel 4G als 5G op een adequate manier binnenshuis te ontvangen, zeker met het oog op nieuwbouwhuizen die vaak dikkere muren hebben? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u in overleg met telecombedrijven om te bekijken hoe Nederlanders gebruik kunnen maken van een zo hoog mogelijke snelheid mobiel internet en oplossingen te bieden indien mensen niet op een adequate manier binnenshuis gebruik kunnen maken van 4G en 5G? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 4 is aangegeven dat bewoners zelf oplossingen kunnen toepassen om te voorzien in binnenshuis snelle internettoegang en om binnenshuis adequaat mobiel te kunnen bellen. Telecombedrijven hebben in Nederland voice over wifi op hun netwerken mogelijk gemaakt. Overleg met hen hierover vind ik niet nodig.
Hoe beziet u de berichtgeving van RTL Z in het licht van uw eerder aangekondigde dekkingseis met betrekking tot mobiele netwerken?4
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Geld de eerder genoemde dekkingseis voor mobiele internetsnelheden buitenshuis, of ook binnenshuis?
Zoals in de Nota Mobiele Communicatie is toegelicht geldt de eis alleen voor dekking buitenshuis. Zie in dit kader ook mijn antwoord op vraag 4.
Herinnert u zich dat u eerder heeft aangegeven dat samenwerking tussen telecomaanbieders en andere betrokkenen, zoals projectontwikkelaars, bouwbedrijven en grondeigenaars, nodig is om inpandige dekking te verbeteren?5 Herinnert u zich dat u daarnaast heeft aangegeven dat de overheid hierbij een faciliterende rol kan spelen? Kunt u aangeven of de overheid deze faciliterende rol reeds speelt? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet en betekent dit tegelijkertijd dat er nog geen overleg is tussen eerder genoemde partijen om inpandige dekking te verbeteren?
Wat betreft de genoemde faciliterende rol van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft dat betrekking op zakelijke situaties, namelijk ten behoeve van een standaard voor multi-operator indoordekking. De Branchevereniging ICT en Telecomgrootgebruikers (BTG) is actief om met de mobiele operators en zakelijke grootgebruikers een standaard voor technische specificaties af te spreken voor indoor-antenne installaties, zodat in meer zakelijke omgevingen zoals kantoren de indoordekking verbetert. Ik ben bereid dit te ondersteunen, maar een verzoek om een faciliterende rol te spelen heb ik nog niet ontvangen. Ik zie geen praktische mogelijkheden voor zoiets in woonomgevingen. Zoals aangegeven onder vraag 4 kunnen mensen zo nodig zelf maatregelen treffen.
Het bericht ‘Deze nieuwe en gevaarlijke cyberaanval wordt gewoon met de post bezorgd’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Arne Weverling (VVD), Antoinette Laan-Geselschap (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Deze nieuwe en gevaarlijke cyberaanval wordt gewoon met de post bezorgd»?1
Ja, ik ken het bericht.
Bent u bekend met de term «warshipping», waarbij met een apparaat wordt ingebroken op plaatselijke wifi-netwerken?
Ja, ik ben bekend met de term «warshipping».
Bent u bekend met het feit dat pakketjes worden gebruikt om «warshipping» toe te passen?
Hoewel ik bekend ben met de technische mogelijkheden, zijn mij geen gevallen bekend waarin «warshipping» daadwerkelijk in de praktijk plaatsvindt.
Kunt u aangeven hoe vaak «warshipping» de afgelopen tijd is geconstateerd in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Er zijn mij geen gevallen bekend waarin «warshipping» is geconstateerd in Nederland.
Is het mogelijk om pakketjes met desbetreffende apparatuur op te sporen en onschadelijk te maken tijdens het sorteerproces? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier?
Er bestaan mogelijkheden voor organisaties (zoals pakketbezorgers en ontvangende bedrijven) om dergelijke pakketjes op te sporen tijdens het sorteerproces en vervolgens onschadelijk te maken. Het zal per organisatie verschillen of er sprake is van een postkamer met een scanstraat, hoe snel pakketjes worden uitgepakt en hoe grondig zij worden gecontroleerd.
Kunt u aangeven hoe personen of bedrijven behoren te handelen indien zij een pakketje met genoemde apparatuur ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Indien personen of bedrijven dergelijke pakketjes daadwerkelijk ontvangen worden zij geadviseerd aangifte te doen bij de politie.
Heeft u contact met postbedrijven over pakketjes met desbetreffende apparatuur? Zo ja, welke afspraken zijn er tussen de overheid en de postbedrijven gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Aangezien «warshipping» in de praktijk voor zover mij bekend niet plaatsvindt zijn daarover geen afspraken met postbedrijven gemaakt.
Zijn instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid) op de hoogte van de schadelijke gevolgen van «warshipping»? Zo ja, hebben zij deze techniek aangemerkt als risico voor digitale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Hoewel dergelijke methodiek voor zover mij bekend niet is ingezet in de praktijk, is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) op de hoogte van de mogelijke schadelijke gevolgen van warshipping. De NCTV richt zich op het beschermen van de nationale veiligheid en houdt rekening met verschillende risico’s op basis van dreigingsinformatie. Als daar aanleiding toe is adviseert het Nationaal Cyber Security Centrum – dat als het centrale informatieknooppunt op het gebied van cybersecurity voor de rijksoverheid en organisaties binnen de vitale infrastructuur fungeert – haar doelgroeporganisaties over nieuwe dreigingsontwikkelingen.
Is bekend op welke manier andere landen omgaan met «warshipping» en het tegengaan hiervan? Zo ja, bent u bereid met deze landen samen te werken om «warshipping» tegen te gaan?
Er wordt op veel terreinen intensief met partnerlanden samengewerkt om dreigingen voor de digitale veiligheid te verkennen en af te wenden. Er zijn mij geen signalen bekend dat «warshipping» in het buitenland wel plaatsvindt.
Is bekend of deze techniek, naast cybercriminelen, ook gebruikt wordt door statelijke actoren? Zo ja, kunt u aangeven (zover dit kan met het oog op de nationale veiligheid) of de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) bekend is met deze techniek en of de AIVD weet hoe hij moet handelen in het geval «warshipping» door een statelijke actor wordt ingezet?
Er zijn mij geen gevallen bekend dat deze techniek in de praktijk is ingezet. Zoals aangegeven bij vraag 8, adviseert het Nationaal Cyber Security Centrum als daar aanleiding toe is haar doelgroeporganisaties over nieuwe dreigingsontwikkelingen.
De berichten ‘Iedereen wil internet, niemand wil datacenters’ en 'Hoe Nederland zichzelf economisch in de voet schiet'. |
|
Hayke Veldman (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Iedereen wil internet, niemand wil datacenters» en «Hoe Nederland zichzelf economisch in de voet schiet»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe verhoudt de tijdelijke bouwstop van nieuwe datacenters in de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer zich tot de Nederlandse Digitaliseringsstrategie 2.0, waarin gesteld wordt: «Datacenters spelen een essentiële rol in de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving. Zonder datacenters staat alles op de digitale snelweg stil», en tot de Ruimtelijke strategie datacenters?2 Kunt u daarbij uw appreciatie delen van de eerder genoemde tijdelijke bouwstop van nieuwe datacenters in de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer?
De tijdelijke bouwstop van datacenters in de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer staat de ontwikkeling van de digitale economie vooralsnog niet in de weg. Datacenters die bijdragen aan het verduurzamen van de warmtevoorziening door hun restwarmte ter beschikking te stellen zijn nog steeds welkom. Op de korte termijn zijn er echter wel knelpunten, de energievraag van de sector en gebrek aan geschikte ruimte, die voor de gemeente Amsterdam de tijdelijke stop noodzakelijk maken. De gemeenten verwachten eind 2019 nieuw regionaal vestigingsbeleid te hebben geformuleerd waarin ze meer grip op de vestiging van nieuwe datacenters krijgen en deze kunnen plaatsen binnen hun bredere duurzaamheidsambitie. Om het nieuwe vestigingsbeleid vorm te geven voeren de gemeenten gesprekken met de sector en belanghebbenden. Keuzes omtrent gemeentelijk vestigingsbeleid worden decentraal gemaakt. Voor het belang van datacenters voor de digitalisering van heel Nederland en de knelpunten die de sector ondervindt worden er gesprekken gevoerd in een Nationale Datacentertafel die begin september van start is gegaan. De rijksoverheid zit ook aan deze gesprekstafel.
Deelt u de mening dat het tijdelijk stopzetten van nieuwe datacenters, het bouwen van nieuwe energiezuinige datacenters tegengaat? Vindt u dit een wenselijke ontwikkeling? Zo nee, welke stappen bent u bereid te nemen om deze ontwikkeling te keren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het tijdelijk stopzetten van de bouw van nieuwe datacenters in Nederland zich tot het streven van veel bedrijven en overheden om Nederlandse data binnen de Nederlandse landsgrenzen op te slaan? In hoeverre is het voor Nederlandse bedrijven en overheden nog mogelijk om hun data binnen Nederland op te slaan zonder de bouw van nieuwe datacenters?
Ik heb geen signalen dat er op korte termijn acute capaciteitsproblemen ontstaan om data van Nederlandse bedrijven en overheden in Nederland op te slaan. Overigens is de bouw van datacenters elders in Nederland ook mogelijk. De Zuid-Hollandse regionale ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter heeft recentelijk haar masterplan Datacenters aangekondigd. Met Rotterdam-Den Haag als tweede datacenter hub kan Amsterdam op termijn ontlast worden.
Deelt u daarbij de mening dat de Nederlandse vraag naar datacenters in de toekomst alleen maar zal toenemen, waarbij nieuwe datacenters noodzakelijk zijn om de Nederlandse concurrentie- en innovatiepositie te handhaven en te verbeteren?
Datacenters spelen een essentiële rol in de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving en de groei naar (lokale) dataopslag zal de komende jaren door de groei van het dataverkeer en de ontwikkeling IoT-toepassingen stijgen. De ICT-sector, waaronder datacenters, is een van de prioriteiten van het Kabinet bij de acquisitie van buitenlandse bedrijven.3
Deelt u de mening van Job Witteman, voormalig CEO van het Amsterdamse Internetknooppunt AMS-IX en voormalig lid van het Amsterdam Economic Board, dat geplande significante investeringen in datacenters in de omgeving van Amsterdam door het eerder genoemde besluit van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer opeens als hoog risico door investeerders worden beschouwd?3 Zo ja, in hoeverre is het volgens u wenselijk dat investeringen in de Nederlandse digitale economie hierdoor achterblijven?
Ik heb begrip voor de zorgen die de heer Witteman heeft geuit. In hoeverre geplande significante investeringen in datacenters in de omgeving van Amsterdam door het eerder genoemde besluit van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer als hoog risico door investeerders worden beschouwd kan ik niet beoordelen.
Welke stappen zult u nemen om te voorkomen dat het besluit van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer de clustervorming rond de internationale internetknooppunten bemoeilijkt?
Zie antwoord vraag 8 en 11.
Bent u bekend met het recent gepubliceerde onderzoek «Digitale randvoorwaarden voor de toplocaties in de REOS-regio’s»? Kunt u uw appreciatie delen van de knelpunten rondom de bouw van datacenters die in dit onderzoek worden aangedragen in relatie met deze tijdelijke bouwstop door beide gemeenten?4
Ja, ik ben bekend met het onderzoek over de digitale randvoorwaarden voor de toplocaties in de REOS-regio’s. De knelpunten die het rapport aankaart omtrent datacenters – hoog energieverbruik in relatie tot duurzaamheid, de beschikbaarheid van elektriciteit en grond die niet overal gegarandeerd is en de inpassing in de nationale en regionale energie-infrastructuur – zijn allen aanleiding geweest voor de tijdelijke bouwstop door beide gemeenten. Leveringszekerheid van elektriciteit en een betrouwbaar energiesysteem zijn de uitgangspunten voor ons energiesysteem in Nederland, dit geldt dus ook voor de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer. Datacenters hebben veel elektriciteit nodig en leggen daarmee een groot beslag op de op de productie en transport van elektriciteit, dit nadert in sommige regio's (rond Amsterdam) zijn grenzen. Het elektriciteitsverbruik van datacenters groeit ook nog eens sterk. Aangezien de groei van datacenters in deze gemeenten het hardst is, is de tijdelijke bouwstop verklaarbaar.
Erkent u dat de in het onderzoek «Digitale randvoorwaarden voor de toplocaties in de REOS-regio’s» genoemde knelpunten op het gebied van datacenters en core-netwerken een stevige impact kunnen hebben op de verdere ontwikkeling van de nationale digitale connectiviteit? Zo ja, waarom zijn deze knelpunten niet meegenomen in het Actieplan Digitale Connectiviteit en de recente update van de Digitaliseringsstrategie?
De datacentersector is een relatief jonge sector met een eigen dynamiek en unieke kenmerken waarvoor recentelijk beleid in ontwikkeling is. In de recent door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar uw kamer gestuurde Ruimtelijke Strategie Datacenters6 wordt uiteengezet welke stappen er voor de middellange termijn (2022–2030) en lange termijn (2030 en later) genomen worden om de ontwikkeling van de datacentersector in goede banen te leiden. Een goede ontwikkeling van de sector kan alleen behaald worden door een samenwerking van de rijksoverheid met de sector, netbeheerders en de decentrale overheden. Voor de middellange termijn wordt de vestiging van datacenters in zowel de zuidelijke Randstad als Noord-Holland (Middenmeer) verder onderzocht, waaronder gekeken wordt naar de vestigingseisen ten aanzien van latency, arbeidsmarkt, restwarmte en het ICT-ecosysteem. Voor de lange termijn (2030 en later) worden de mogelijkheden voor een nieuw datacluster aan de west- en zuidflank van Amsterdam bij de aanlandingslocatie van wind op zee verkend en uitgewerkt. Het belang van datacenters is erkend in zowel het de Actieplan Digitale Connectiviteit en de Nederlandse Digitaliseringsstrategie 2.0. De genoemde knelpunten zijn recent naar voren gekomen en dit wordt dan ook meegenomen in de voortgangsrapportage van het Actieplan Digitale Connectiviteit.
Bent u bereid deze knelpunten alsnog mee te nemen in de voortgangsrapportage Digitale Connectiviteit die gepland staat voor het vierde kwartaal van 2019? Kunt u daarbij uw aanpak delen van deze knelpunten en de wijze waarop de veelvoud aan actoren uit het bedrijfsleven, landelijke en regionale overheden worden betrokken? Bent u daarbij bereid om een coördinerende rol te pakken, zodat de hoge kwaliteit van de Nederlandse digitale infrastructuur blijft gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid op korte termijn – in samenwerking met eerder genoemde gemeenten – een faciliterende rol te spelen in het oplossen van de problematiek rondom de bouw van datacenters in de metropoolregio Amsterdam, zodat de komst van nieuwe datacenters niet onnodig wordt tegengehouden en het gunstige Nederlandse vestigingsklimaat voor datacenters behouden blijft?
Ja ik ben bereid een faciliterende rol hierin te spelen. Sinds de aankondiging van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer zijn er al gesprekken gevoerd aan de Nationale Datacentertafel waar mijn ministerie ook aanwezig is. Deze gesprekken hebben de weg vrijgemaakt voor een gezonde samenwerking tussen de sector, gemeenten en overige betrokkenen en ze zullen in november voortgezet worden.
De gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid |
|
Gijs van Dijk (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin op basis van een rapport van de Universiteit van Leuven wordt gemeld dat een harde Brexit gepaard zal gaan met het verlies van 73.000 arbeidsplaatsen in Nederland?1
Ja.
Welke maatregelen heeft u tot nu toe genomen om negatieve gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid op te vangen?
Zoals eerder met de Kamer gedeeld2, zullen de gevolgen van een no deal Brexit voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid aanzienlijk zijn. Elke vorm van Brexit is nadelig voor Nederland en dat geldt bovenal voor een no deal Brexit. Het kabinet is gelet hierop al in een zeer vroeg stadium begonnen met het treffen van voorbereidingen op verschillende Brexit-scenario’s, waaronder een no deal-scenario. Het kabinet heeft zich binnen de EU27 consequent ingezet en uitgesproken voor noodzakelijke Europese contingency-maatregelen, en heeft op nationaal niveau verschillende maatregelen genomen om de meest ingrijpende negatieve effecten van een eventuele no deal te mitigeren.3
Het kabinet heeft zich aanhoudend ingezet om belanghebbenden op te roepen zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de verschillende Brexit-scenario’s. Er zijn diverse middelen ontwikkeld en ingezet, zoals het Brexitloket, de Brexit Impact Scan en de Brexit Vouchers, om bedrijven en instellingen te ondersteunen in hun voorbereidingen. Het UWV biedt informatie aan die specifiek op werknemers is gericht.4 De middelen voor ondernemers en de reguliere communicatiekanalen, zoals Brexitloket.nl (ondernemers) en rijksoverheid.nl/brexit (burgers), zijn ook richting de potentiële no deal datum van 31 oktober beschikbaar en worden waar nodig geactualiseerd. Het is echter ook van belang dat bedrijven, instellingen en burgers zich bewust blijven van de eigen verantwoordelijkheden om zich tijdig en zo goed mogelijk voor te bereiden; niet alle oplossingen kunnen van de overheid komen.
Overigens heeft Brexit niet uitsluitend negatieve gevolgen op de werkgelegenheid in Nederland. Zo is als gevolg van de verwachte Brexit het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA) naar Amsterdam verhuisd. De vestiging van het EMA zorgt voor een belangrijke economische impuls door de 900 werknemers die daar werken en in Nederland wonen en leven. Ook de duizenden bezoeken aan het EMA van experts uit alle Europese windstreken dragen daaraan bij.5 Het EMA biedt daarnaast unieke kansen om de Life Science en Health-sector in Nederland op korte, middellange en langere termijn te versterken. Het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid en onderzoek zal een positief gevolg voor de werkgelegenheid hebben.
Biedt het genoemde onderzoek u nieuwe inzichten met betrekking tot de gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid? Zo ja, welke inzichten zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek van de Katholieke Universiteit (KU) Leuven gaat in op de economische effecten op korte termijn, waaronder werkgelegenheidseffecten, van Brexit in de EU27 en het Verenigd Koninkrijk (VK) op sectorniveau. Het onderzoek hanteert een definitie voor no deal6 Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven en maakt een kwantitatieve schatting van de hoogte van non-tarifaire handelsbarrières. Volgens het onderzoek zouden 73.200 Nederlandse banen verloren gaan bij een Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven in de handel met het VK.
Voor het kabinet zijn de cijfers van het CPB (2016) en het CBS (2019, zie ook Kamerstuk 23 987, nr. 358) leidend in de analyse van werkgelegenheidseffecten van Brexit. Het CPB berekende eerder dat een Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven kan leiden tot een werkgelegenheidsdaling in Nederland van ongeveer 40.000 werkenden (0,5%) op de lange termijn in 2030. Daarnaast blijkt uit de recente handelscijfers van het CBS (Kamerstuk 23 987, nr. 358) dat 234.000 banen in 2017afhankelijk waren van de handel met het VK.
Waar het CPB een werkgelegenheidsschatting doet op de lange termijn, kan het onderzoek van de KU Leuven een aanvullend inzicht bieden in de mogelijke negatieve effecten van Brexit op de werkgelegenheid op de korte termijn. Er is echter een aantal belangrijke kanttekeningen te maken bij het onderzoek. De eerste is dat het onderzoek geen rekening houdt met de diversificatie van handelsstromen, voor en na een no deal Brexit. Zo kunnen bedrijven zich voorbereiden op een no deal Brexit door bijvoorbeeld hun handelsstromen te verplaatsen naar andere landen. Ook kunnen bedrijven na een no deal Brexit besluiten om hun handelsstromen alsnog te verplaatsen. Ten tweede baseert de studie zich op data uit 2014, zodat de economische effecten, inclusief het werkgelegenheidsverlies, minder actueel zijn. Tot slot neemt het onderzoek niet alle mogelijke effecten van een no deal Brexit mee, omdat deze moeilijk te meten zijn. Een voorbeeld van zo een effect is verminderde markttoegang van Nederlandse bedrijven tot de Britse markt, doordat zij aan andere regels moeten voldoen. Om deze redenen moet het verlies aan werkgelegenheid, zoals becijferd in het onderzoek van de KU Leuven, als schatting omgeven door onzekerheid worden gelezen.
Deelt u de opvatting dat het gewenst is dat Nederland extra voorbereidende maatregelen treft om de gevolgen van Brexit voor onze economie en werkgelegenheid te verzachten, nu het Verenigd Koninkrijk zo nadrukkelijk koerst op een harde Brexit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen staan u dan voor ogen?
Deelt u de opvatting dat aanvullend beleid en maatregelen nodig zijn om gedwongen ontslagen en het omvallen van bedrijven te voorkomen, in het bijzonder de bedrijven die in belangrijke mate afhankelijk zijn van hun afzetmarkt in het Verenigd Koninkrijk, zoals transportbedrijven, de glastuinbouw en visverwerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk beleid en welke maatregelen?
Bent u bereid om met sociale partners in overleg te treden over het treffen van aanvullende sociale voorzieningen om faillissementen en gedwongen ontslagen zo veel mogelijk te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het instrument deeltijd-WW in te zetten voor werknemers en bedrijven die getroffen worden door de Brexit om de schokken van de Brexit op te vangen en zo veel mogelijk werkgelegenheid te behouden? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om het beleid van de regering van het Verenigd Koninkrijk te beïnvloeden, zodat haar beleid meer dan nu wordt gestoeld op rationele afwegingen en het belang van welvaart en werkgelegenheid van de mensen in de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk? Zo ja, welke mogelijkheden? Zo nee, waarom niet?
Hoe de regering van het VK haar beleid vormt is een binnenlandse aangelegenheid en het kabinet kan en zal zich daar niet in mengen. De Nederlandse overheid heeft wel op verschillende niveaus en bij verschillende gelegenheden gewezen op de verwachte grote economische impact van Brexit, waarbij ook benoemd is dat bij een no deal deze impact het grootst zal zijn. Zoals u welbekend betreurt maar respecteert het kabinet het besluit van het VK om de Europese Unie te verlaten, onder meer vanwege de negatieve economische gevolgen daarvan.