Het artikel ‘Landbouwlobby liet maatregelen uit nieuw waterbeleid van het Rijk afzwakken’ |
|
Laurens Dassen (Volt), Marieke Koekkoek (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Uit de bovengenoemde publicatie blijkt dat er geen «formeel bestuurlijk overleg» is geweest tussen Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) en u, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, over het nieuwe waterbeleid, terwijl uit de beslisnota blijkt dat onder andere op 2 november 2022 wel «overleg» heeft plaatsgevonden; hoe kwalificeert u dit overleg?1 2
In de aanloop naar de brief «Water en bodem sturend» heeft 2 november een eerste gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van LTO en het NAJK en ambtenaren van IenW en LNV. Daarnaast heeft LTO schriftelijk een analyse aangeleverd over de structurerende keuzes op basis van een concept van de brief. Er is geen gespreksverslag gemaakt, wel een afspraak voor een vervolggesprek.
Dat vond plaats op 7 november. Vertegenwoordigers van LTO en het NAJK hebben wederom gesproken met ambtenaren van IenW in aanwezigheid van LNV. Daarvoor is een deel van de tekst van de brief met de aanwezigen gedeeld. Het betrof een deel van een concept van de brief, die parallel met verschillende departementen en andere betrokken stakeholders werd gedeeld. Naast de bespreking is wederom een schriftelijke analyse van LTO ontvangen. Er is geen gespreksverslag opgesteld.
Beide overleggen waren geen «formeel bestuurlijk overleg», maar een vorm van afstemming die hoort bij een dergelijke beleidsbrief. Nu er vergaande uitspraken werden gedaan over de ontwikkeling van het landelijk gebied, is het logisch dat de agrarische sector wordt gehoord. Maar ook andere maatschappelijke organisaties, naast de betrokken departementen en koepels van de andere overheden, zijn betrokken geweest.
Op 16 november is er een gesprek geweest met de voorzitter van LTO en de Minister van IenW, ook hiervan is geen vastgesteld verslag beschikbaar. Op 17 november zijn nog schriftelijke reacties ontvangen van LTO en van het NAJK.
Op 22 november is er een informatief gesprek geweest tussen de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor Natuur en Stikstof en diverse vertegenwoordigers van de agrarische sector.
Heeft u of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op andere momenten (informeel) contact gehad met LTO of andere belangenbehartigers? Zo ja, met wie en waar gingen die gesprekken over?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de gespreksverslagen met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete suggesties zijn door LTO aan u gedaan in het kader van het nieuwe waterbeleid?
Voor de suggesties die zijn gedaan door de vertegenwoordigers van de agrarische sector wordt verwezen naar de bijlagen met de analyses van LTO van 2 en 7 november 2022, en de schriftelijke reacties van LTO en het NAJK van 17 november 2022, zoals beschreven in de antwoorden op de vragen 1, 2 en 3.
Kunt u de suggesties die door LTO en andere belangenbehartigers zijn gedaan in het kader van het nieuwe waterbeleid aan de Kamer toezenden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke suggesties hebben geleid tot een verandering in de eerste conceptbrief ten opzichte van de uiteindelijk verzonden Kamerbrief?
Veel suggesties vanuit de agrarische sector gaven steun aan de beleidsinzet of hebben geleid tot nadere concretisering daarvan en niet tot afzwakking. Diverse suggesties hebben niet geleid tot verandering van de uiteindelijk verzonden Kamerbrief. Zo is het verzoek om aan te geven dat het land- en tuinbouwareaal in stand gehouden zal worden niet overgenomen. Ook is niet ingegaan op het verzoek van zowel LTO als NAJK om het adagium «functie volgt peil» te wijzigen naar «peil volgt functie».
Met welke partijen is «formeel bestuurlijk overleg» geweest bij de totstandkoming van het nieuwe waterbeleid en met welke partijen is informeel contact geweest over het nieuwe waterbeleid?
Er is formeel bestuurlijk overleg geweest met de betrokken departementen en de andere overheden: IPO, VNG en UvW; de Deltacommissaris en de VEWIN, onder meer via het BO Water en BO Bodem. Daarnaast is er informeel contact geweest met diverse belangenorganisaties, voor en met name ook na het verschijnen van de brief.
Hoe verhouden de contacten tussen belangenvertegenwoordigers/lobbyisten bij de totstandkoming van het nieuwe waterbeleid zich tot de ambities van dit kabinet onder aanvoering van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om lobby transparanter te maken?
In de gedragscode integriteit bewindspersonen zijn regels opgenomen over de omgang tussen lobbyisten en bewindspersonen. Daarin staat bijvoorbeeld dat een bewindspersoon transparantie nastreeft in zijn contacten met derden, privécontacten en dat bewindspersonen inzicht geven in hun agenda-afspraken door die agenda op rijksoverheid.nl te publiceren. Deze regels zijn niet nieuw, zo is in 2017 de uitvoeringsrichtlijn Openbare agenda’s bewindslieden opgesteld3.
Recent heeft de Minister van BZK een onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheden voor de invoering van een lobbyregister4. De Minister van BZK stuurt een dezer dagen een brief waarin een reactie gegeven wordt op dat onderzoek.
Voor rijksambtenaren is in de Gedragscode Integriteit Rijk een paragraaf opgenomen over de omgang tussen rijksambtenaren en lobbyisten. In deze gedragscode staat onder meer in dat rijksambtenaren zich bewust moeten zijn van belangen van lobbyisten en de mogelijkheden van beïnvloeding.
Zoals in de antwoorden wordt aangegeven, is de omgang van bewindspersonen en ambtenaren van IenW bij de totstandkoming van de brief hier niet strijdig mee. Contacten met derden, zoals lobbyisten en vertegenwoordigers van belangenorganisaties of – groepen, dragen bij aan het vormgeven van een zo goed mogelijk afgewogen en uitvoerbaar beleid.
Bent u van mening dat duidelijk te herleiden is uit de aan de Kamer toegezonden stukken welke belanghebbenden op welke momenten welke specifieke invloed hebben gehad op de totstandkoming van het nieuwe waterbeleid? Zo ja, hoe onderbouwt u dat? Zo nee, hoe onderbouwt u dat en hoe gaat u dat in de toekomst verbeteren?
Het doel van de brief was om de Kamer te informeren over de visie van het kabinet over hoe water en bodem sturend kan worden bij alle ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij heeft het kabinet in de aanloop naar besluitvorming de input van de verschillende organisaties meegenomen om tot keuzes te komen, zie ook het antwoord op de vragen 6 en 7. De uiteindelijk gepubliceerde brief «Water en bodem sturend» is het eindresultaat van de door het kabinet verrichtte integrale belangenafweging.
De brief had niet tot doel om aan te geven welke belanghebbenden op welke momenten welke specifieke invloed hebben gehad op de totstandkoming van het nieuwe waterbeleid.
Hoe heeft u de belangenafweging gemaakt om te kiezen voor bepaalde belangen uit de sector, ten koste van het halen van de eigen gestelde doelen op water?
Zie antwoord vraag 9.
Stemmen via DigiD |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat we tegenwoordig gewend zijn om álles digitaal te doen: werken, vergaderen, het aanvragen van vergunningen en het doen van onze belastingaangifte? Zo ja, waarom zouden we het kiezers dan niet makkelijk maken om te stemmen via DigiD? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ja, ik ben hiermee bekend. Of een nieuwe manier van stemmen in Nederland kan worden ingevoerd wordt beoordeeld in het licht van de waarborgen die gelden voor het verkiezingsproces, te weten transparantie, controleerbaarheid, integriteit, kiesgerechtigheid, stemvrijheid, stemgeheim, uniciteit en toegankelijkheid.1 Het introduceren van internetstemmen maakt het verkiezingsproces kwetsbaar voor cyberrisico’s. Deze cyberrisico’s zijn een bedreiging voor waarborgen, zoals het stemgeheim, de stemvrijheid en de integriteit van het verkiezingsproces. Deze waarborgen wegen zwaar. Omdat bij het uitbrengen van de stem nu geen digitale middelen worden gebruikt, is er geen kwetsbaarheid voor digitale dreigingen en digitale risico’s. Bovendien is het stemproces achteraf controleerbaar. De papieren stembiljetten kunnen immers steeds opnieuw worden geteld. Het kabinet wil, gelet op de dreigingen die worden onderkend, geen kwetsbaarheiden in het stemproces introduceren.
DigiD is een authenticatiemiddel dat gebruikt wordt om toegang te krijgen tot digitale overheidsdiensten. Dit staat los van de dienstverlening zelf die vervolgens geleverd wordt. Over de vergelijking met andere overheidsdienstverlening stelde de commissie Korthals-Altes dat verkiezingen wezenlijk verschillen van andere processen in die zin, dat een kiezer niet alleen op de juiste verwerking van de eigen stem, maar ook op die van alle andere kiezers moet kunnen vertrouwen. De commissie Korthals-Altes noemt hierbij ook het voorbeeld van internetbankieren, wat niet vergelijkbaar is met verkiezingen omdat daar een uitgebreide log wordt bijgehouden en identificatie van de gebruiker plaatsvindt. Bij internetstemmen zou dit in strijd zijn met het stemgeheim.2
Bent u bekend met het feit dat de opkomst bij de laatste verkiezingen laag en in sommige gevallen zelfs historisch laag was? Zo ja, deelt u de mening dat online stemmen het gemak van het stemmen aanzienlijk vergroot en daarmee een middel kan zijn om een hogere opkomst bij verkiezingen te realiseren? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ja, hiermee ben ik bekend. Naar aanleiding van de lage opkomsten bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 heb ik onderzoek uit laten voeren om inzichtelijk te maken wat de redenen voor de lage opkomst waren.3 Uit het onderzoek4 komt naar voren dat de lage opkomst en het niet-stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen vooral bepaald wordt door structurele factoren. Daarbij valt op dat een groot deel van de kiesgerechtigden bij sommige verkiezingen wel stemt, en bij sommige verkiezingen niet. Structurele factoren die een invloed hebben in de redenen voor het niet-stemmen zijn: de mate van politieke interesse, kennis over de verkiezing, het belang dat kiezers hechten aan een verkiezing, vertrouwen in de politiek, in combinatie met dat veel mensen het moeilijk vinden om een keuze te maken tussen partijen.5
De onderzoekers gaan in het rapport ook in op inzet van internetstemmen. Zij plaatsen hier ook direct kanttekeningen bij, zoals dat uit onderzoek niet blijkt dat dit persé opkomstverhogend werkt. Over internetstemmen merken de onderzoekers op dat uit verschillende onderzoeken blijkt dat internetstemmen grotendeels de «wel-stemmers» aantrekt. Hiervoor verwijzen zij naar onderzoek uit Estland waar door de mogelijkheid van digitaal stemmen het aantal internetstemmers toenam tot wel dertig procent, maar de opkomst van de nationale verkiezingen in dezelfde periode slechts enkele procentpunten steeg. Ook benoemen zij de risico’s van internetstemmen voor de integriteit en stemvrijheid bij verkiezingen.6 Deze bevindingen over de opkomst komen overeen met het onderzoek dat door verschillende universiteiten, in opdracht van de Belgische overheid, is uitgevoerd in het voorjaar van 2020.7 Uit dit onderzoek blijkt dat internetstemmen in Estland, Frankrijk, Noorwegen en Zwitserland – landen waar recentelijk online stemmingen hebben plaatsgevonden – geen positieve of noemenswaardige impact heeft gehad op de opkomst.8
Deelt u de mening dat het feit dat zogenaamde critici vrezen voor onveiligheid en onbetrouwbaarheid grote lariekoek is? Zo nee, houdt dit in dat er bijvoorbeeld grote veiligheidsrisico’s zitten bij het doen van onze belastingaangifte, hetgeen immers via DigiD gaat? Graag een gedetailleerd antwoord.
Nee, de veiligheid en betrouwbaarheid van verkiezingen wegen zwaar. Cyberrisico’s als DDoS-aanvallen, hacking en verspreiding van malware zijn serieuze dreigingen met grote risico’s voor het verkiezingsproces. Risico’s waar het kabinet de stemming niet aan wil blootstellen. Zo blijkt uit het Cybersecuritybeeld Nederland 2022 dat cyberaanvallen door andere landen toenemen, evenals de inzet van ransomware en het hacken van clouddiensten.9
In mijn antwoord op vraag 2 verwees ik reeds naar het rapport dat door verschillende universiteiten, in opdracht van de Belgische overheid, is opgesteld. Uit dit rapport wordt geconcludeerd dat de komende jaren de stap naar internetstemmen niet moet worden gezet omdat10:
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 gememoreerd is DigiD een authenticatiemiddel en kan hooguit een onderdeel zijn in een groter geheel van voorzieningen. DigiD is daarom niet vergelijkbaar met de benodigde digitale infrastructuur die nodig zou zijn om een verkiezing te organiseren. Dat geheel zou aan strenge veiligheidsgaranties moeten voldoen. De huidige gedetailleerde logging van handelingen die gebruikelijk is in systemen voor beveiliging, in combinatie met het vastleggen van iemands identiteit is niet verenigbaar met de borging van het stemgeheim bij verkiezingen.
Kunt u garanderen dat er geen andere grondslagen te vinden zijn voor het tegenhouden van digitaal stemmen? Immers, als je stemmen via DigiD makkelijker maakt, zullen grote groepen kiezers die het vertrouwen in de politiek allang verloren zijn wel eens massaal gaan stemmen, en dat zou de gevestigde macht natuurlijk niet goed uitkomen. Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik vind het van groot belang dat iedereen zo zelfstandig mogelijk kan stemmen en dat dit eerlijk verloopt. Het verkiezingsproces is daarom zo toegankelijk, transparant en controleerbaar mogelijk ingericht.
In mijn antwoord op vraag 2 ging ik reeds in op de redenen waarom kiezers wel of niet stemmen, zoals bleek uit het onderzoek naar de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022. De onderzoekers merkten hierbij op dat uit onderzoek niet blijkt dat internetstemmen opkomstverhogend werkt. In het onderzoek worden verschillende structurele oorzaken van niet-stemmen benoemd. De motieven om niet te stemmen zijn volgens de onderzoekers heel gelaagd en gevarieerd. In algemene zin wordt geconcludeerd dat de kosten in termen van tijd en moeite om te kiezen en te stemmen voor veel mensen bij lokale verkiezingen te hoog zijn. De belangrijkste aanbevelingen om de opkomst te bevorderen zijn:
Deelt u de mening dat digitaal stemmen anno 2023 in een veilige digitale omgeving kan verlopen, waarbij het stemgeheim is gewaarborgd en de uitslag is versleuteld? Zo ja, wilt u stemmen via DigiD voor de Tweede Kamerverkiezingen van 19 maart 2025 mogelijk maken? Graag een gedetailleerd antwoord.
Nee, gelet op het kabinetsstandpunt omtrent stemmen per internet zoals verwoord in de bovenstaande antwoorden, ben ik niet voornemens om stappen te nemen om internetstemmen mogelijk te maken. Evenwel is in de Verkiezingsagenda 2030 vastgelegd dat het Ministerie van BZK in afstemming met de VNG, NVVB en de Kiesraad technologische ontwikkelingen zal monitoren. Nieuwe technologieën kunnen mogelijk bijdragen aan verbetering van het verkiezingsproces. Doorlopend is daarom aandacht en onderzoek nodig naar hoe deze ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de verbetering van verkiezingen en tegelijkertijd hoe deze ontwikkelingen zich verhouden tot de waarborgen in het verkiezingsproces.
Het bericht ‘Slechtzienden blijven thuis door ov-staking: zorgen over actie op verkiezingsdag’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Laura Bromet (GL), Bouchallikh |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Slechtzienden blijven thuis door ov-staking: zorgen over actie op verkiezingsdag»?1
Ja
Hoe ver moeten blinden en slechtzienden gemiddeld reizen om bij een geschikt stembureau hun stem uit te kunnen brengen?
Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 was de gemiddelde afstand tot het stemlokaal 409 meter.2. Vooral in dunbevolkte (landelijke) gebieden kon het voorkomen dat een beperkt aantal kiezers (aanzienlijk) langere afstanden moest afleggen om bij een stemlokaal te komen. De gemiddelde afstand tot het stemlokaal bij de aankomende verkiezingen zal worden nagegaan bij de evaluatie waarin opnieuw een data-analyse zal plaatsvinden van het aantal stemlokalen.
In alle stembureaus hebben mensen met een visuele beperking bij het stemmen recht op bijstand van een begeleider naar keuze. Voor mensen met een visuele beperking die zelfstandig willen stemmen geldt dat zij extra hulpmiddelen nodig hebben. In alle stemlokalen is daarom een loep aanwezig. Een aantal kiezers met een visuele beperking heeft andere hulpmiddelen nodig om zelfstandig te kunnen stemmen, zoals een stemmal. Niet alle gemeenten beschikken over dergelijke hulpmiddelen en als een gemeente er wel over beschikt is dit maar op een beperkt aantal locaties. Daarom kan het voorkomen dat een kiezer met een visuele beperking verder moet reizen om bij een stemlokaal te komen waar die kiezer zelfstandig kan stemmen.
Hoeveel stembureaus zijn er geschikt voor blinden en slechtzienden?
Mensen met een visuele beperking hebben recht op bijstand van een begeleider naar keuze bij het stemmen. Dit kan in alle stemlokalen. In alle stemlokalen is een loep aanwezig. In een aantal stemlokalen zijn speciale voorzieningen voor blinden en slechtzienden, zoals een stemmal met audiobox, waarmee zij volledig zelfstandig kunnen stemmen. Ook zijn op deze stemlocaties blindegeleidelijnen aangebracht, zodat iemand die blind of slechtziend is in het stemlokaal de weg kan vinden.
Uit navraag bij de Oogvereniging, een belangenorganisatie voor slechtziende en blinde mensen, blijkt de verwachting dat bij de komende provinciale staten- en waterschapsverkiezingen mensen met een visuele beperking hun stem zelfstandig met een stemmal kunnen uitbrengen in 95 (van de 342) gemeenten, op één of meerdere stemlocaties binnen die gemeente. Dat zijn vijftien gemeenten meer dan tijdens de gemeenteraadsverkiezingen vorig jaar. Informatie van de Open State Foundation uit waarismijnstemlokaal.nl wijst uit dat er minimaal 115 gemeenten zijn met een stemlokaal waar één of meerdere hulpmiddelen voor mensen met een visuele beperking aanwezig zijn. Tijdens de gemeenteraadverkiezingen van 2022 waren er minimaal 93 gemeenten met dergelijke hulpmiddelen in het stemlokaal.
Hoeveel mensen zullen vanwege de staking hun stem niet of moeilijk kunnen uitbrengen?
Ik vind het van groot belang dat deze verkiezingen zo onbelemmerd mogelijk plaats kunnen vinden en ik vind het daarom wenselijk dat iedereen die wil stemmen ook kan gaan stemmen. Op die manier kan iedereen zijn stem laten spreken. Dat vraagt dat iedereen die wil gaan stemmen of werkzaam is op een stembureau ook in de gelegenheid is een stembureau te bereiken.
Een deel van de stembureauleden, gemeenteambtenaren en kiezers is afhankelijk van het openbaar vervoer om bij een stemlokaal te komen. Onder meer kiezers met een visuele beperking hebben er daarom aandacht voor gevraagd om niet op de verkiezingsdag te gaan staken.
De gevolgen van een OV-staking op een verkiezingsdag zouden voor vrijwilligers in stembureaus en kiezers groot kunnen zijn. Volgens het Oogfonds hebben meer dan 300.000 Nederlanders een visuele beperking. De Oogvereniging schat in dat hiervan 15.000 mensen blind zijn. Voor een deel van de stemgerechtigden met een visuele beperking zou het lastig zijn om te kunnen stemmen als zij niet met het OV kunnen reizen. Maar ook voor andere kiezers kan dit problemen opleveren, zoals mensen die geen eigen vervoer hebben.
De impact van een OV-staking is lastig in kaart te brengen. Bij een eerdere staking in december 2022 reed volgens de vereniging werkgevers openbaar vervoer (VWOV) ongeveer 40 procent van de bussen niet en zijn een aantal regionale treinen gedeeltelijk of volledig uitgevallen. Per staking is de impact daarnaast afhankelijk van het aantal werknemers dat meedoet, de duur en het tijdstip van de staking en de omvang qua gebied en modaliteiten. Het is voor werkgevers niet toegestaan om te vragen of een medewerker gaat staken, vandaar dat de stakingsbereidheid altijd pas gedurende de dag bekend wordt.
Ik begrijp de zorgen die leven bij een staking op de verkiezingsdag, maar respecteer uiteraard ook het stakingsrecht. Ik heb mijn zorgen overgebracht in contacten met de FNV en CNV. Zowel de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat als ik hebben ook opgeroepen de verkiezingsdag niet te belasten met een staking. En anders op andere wijze op de verkiezingsdag de zorgen van de chauffeurs en treinpersoneel over het voetlicht te brengen, zonder dat dit kiezers belemmert in de uitoefening van hun stemrecht. Over deze oproepen blijft het kabinet graag in contact met de bonden.
Is er nagedacht over creatieve oplossingen, zoals stemmen aan huis, de mogelijkheid om eerder te stemmen of het regelen van alternatief vervoer?
De Kieswet biedt geen grondslag voor vormen als stemmen aan huis. Met het vervallen van de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 is er ook geen grondslag meer voor vervroegd stemmen.
Een aantal gemeenten regelt al alternatief vervoer voor mensen die moeilijk of niet zelf naar het stemlokaal kunnen komen. Op dit moment zijn de bonden nog in gesprek of de staking wel of geen doorgang zal vinden. Ik heb met de VNG gemeenten opgeroepen om te proberen alternatief vervoer aan te bieden voor de kiezers die dat vanwege een mogelijke staking nodig hebben.
Hoe wilt u blinden en slechtzienden ondersteunen zodat zij toch hun stemrecht kunnen uitoefenen?
Ik vind het wenselijk dat iedereen die wil stemmen ook kan gaan stemmen. Op die manier kan iedereen zijn stem laten spreken. Op dit moment zijn de bonden nog in gesprek of de staking wel of geen doorgang zal vinden. Ik heb met de VNG gemeenten opgeroepen om te proberen alternatief vervoer aan te bieden voor de kiezers die dat vanwege een mogelijke staking nodig hebben.
Zie ook het antwoord op vraag 3 over hoe blinden en slechtzienden worden ondersteund bij het stemmen.
Hoeveel mensen met andere beperkingen zijn afhankelijk van het OV? Hoe wilt u deze groepen ondersteunen?
Er zijn ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Een deel hiervan is afhankelijk van het OV, maar er zijn mij geen cijfers bekend hoe groot die groep is. Op dit moment zijn de bonden nog in gesprek of de staking wel of geen doorgang zal vinden. Ik heb met de VNG gemeenten opgeroepen om te proberen alternatief vervoer aan te bieden voor de kiezers die dat vanwege een mogelijke staking nodig hebben.
Kunt u deze vragen, met het oog op de verkiezingen, uiterlijk vrijdag 10 maart aanstaande beantwoorden?
Ja.
Lobbyregels bij provincies |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Provincies lopen achter met lobbyregels»?1
Ja.
Bestaat er recent onderzoek naar de staat van de integriteit op decentraal niveau, vergelijkbaar met het onderzoek van de Group of States Against Corruption (GRECO) op rijksniveau of ander onderzoek? Zo ja, kunt u de Kamer daarvan op de hoogte stellen? Zo nee, acht u het wenselijk dat dit onderzocht gaat worden en hoe gaat u hier voor zorgen?
De Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO komt aan de hand van een uitgebreide vragenlijst en een werkbezoek aan het desbetreffende land tot hun rapportages. De GRECO evalueert mede op basis van peer-review door de GRECO leden. De rapportages zijn kwalitatief van aard. Een cijfermatige analyse maakt daar geen onderdeel van uit. Onderzoek gericht op de integriteit van ons decentraal bestuur levert wel een cijfermatig beeld op. Hiervoor kan verwezen worden naar de Politieke Integriteitsindex – een jaarlijks overzicht van de Erasmus Universiteit, de Vrije Universiteit en de Volkskrant dat een overzicht geeft van integriteitskwesties waarin Nederlandse politici terecht komen – en de Monitor Veiligheid en Integriteit – de monitor wordt tweejaarlijks uitgebracht en geeft op basis van enquêtes inzicht in het integriteitsbewustzijn van politieke ambtsdragers en ambtenaren en de mate waarin integriteitsregels door hen worden nageleefd. De genoemde onderzoeken vereisen nauwkeurige interpretatie omdat zij bijvoorbeeld verschillende definities van integriteitskwesties hanteren of de perceptie onder geënquêteerden meten. Dit hoeft niet altijd parallel te lopen met de stijging of daling van het aantal daadwerkelijke schendingen. In de aangekondigde nota integriteit openbaar bestuur ga ik nader in op de relatie tussen het beleid en de – beschikbare – cijfers.
Deelt u de mening dat aangezien ook provincies «over cruciale zaken als woningbouw en stikstof» beslissen, dat het voor lobbyorganisaties of anderen van belang kan zijn om de mening van provinciale bestuurders te beïnvloeden? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat oneigenlijke beïnvloeding voorkomen dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Nederland kent een traditie waarin de inbreng van maatschappelijke partijen bij de vorming van beleid en wetgeving positief wordt gewaardeerd. Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat er risico’s zijn verbonden aan deze inbreng, zoals een ongelijke toegang tot het openbaar bestuur. Voor oneigenlijke beïnvloeding is echter vanzelfsprekend geen plaats. In de Nederlandse context ligt de nadruk op evenwichtige vorming van beleid. Bestuurders leggen daarover verantwoording af aan de volksvertegenwoordiging. Dat geldt evenzeer voor de Rijksoverheid als voor gemeenten, provincies, waterschappen als ook voor de openbare lichamen van het Caribische deel van het Koninkrijk.
Deelt u de mening dat het niveau van integriteit niet zou mogen afhangen van de regels die daar per provincie aan worden gesteld maar dat er voor alle provincies ten minste dezelfde minimumnormen zouden moeten gelden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de Provinciewet geldt reeds in alle provincies eenzelfde set wettelijke regels die tot doel hebben de bestuurlijke integriteit te waarborgen. Zo zijn zowel volksvertegenwoordigers als bestuurders bijvoorbeeld gehouden om (neven)functies openbaar te maken en geldt er voor hen een verbod om deel te nemen aan de stemming en beraadslaging indien zij een persoonlijk belang hebben bij de betreffende besluitvorming. Ook is het voor volksvertegenwoordigers en bestuurders bij wet verboden om een aantal handelingen te verrichten. Bestuurders zijn daarnaast gehouden geen nevenfuncties te vervullen als dat ongewenst is met het oog op de goede invulling van hun ambt. Daarnaast zijn zij als gevolg van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur per 1 januari 2023 verplicht om een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) te overleggen alvorens zij benoemd kunnen worden. Naast deze voor alle provincies geldende regels stellen provinciale staten voor henzelf, het college van gedeputeerde staten en voor de commissaris van de Koning een gedragscode vast ten behoeve van de nadere invulling en concretisering van de wettelijke regels. De gedragscode bevat daarnaast, in aanvulling op de wettelijke regels, gedragsnormen en regels over procedures die de transparantie van het handelen van politieke ambtsdragers evenals de besluitvorming over en de naleving van de normen vergroten. In samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen heeft mijn ministerie een modelgedragscode opgesteld – de modelgedragscode is voor het laatst geactualiseerd in 2021. De definitieve invulling van deze code is aan provinciale staten zodat optimaal kan worden ingespeeld op de specifieke omstandigheden binnen de desbetreffende provincie.
Deelt u de mening dat de normen voor integriteit op het niveau van het decentraal bestuur niet lager zouden mogen zijn dan die voor het rijk (gaan) gelden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom zouden provincies en gemeenten afwijkende normen mogen hebben?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, zijn in de Provinciewet een aantal wettelijke integriteitsnormen opgenomen die hetzelfde zijn voor alle provincies – dit geldt eveneens voor gemeenten op basis van de Gemeentewet. Hoe, met inachtneming van deze wettelijke normen, invulling wordt gegeven aan het integriteitsbeleid is de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden. Als gevolg van hiervan zijn er verschillen in vergelijking met het centrale niveau. Dit kan gerechtvaardigd zijn gelet op de taken en bevoegdheden van de verschillende overheidslagen. Zo kan het bekleden van een nevenfunctie op decentraal niveau toegevoegde waarde hebben voor bestuurders, terwijl er voor landelijke bestuurders daarvoor een verbod geldt. Anderzijds zijn in de Provincie- en Gemeentewet expliciet bepaalde normen opgenomen die voor het centrale niveau niet wettelijk zijn geregeld, bijvoorbeeld het verbod om bepaalde handelingen te verrichten als volksvertegenwoordiger of bestuurder. In algemene zin geldt dan ook dat per norm bezien moet worden of het passend en proportioneel is die ook voor een andere laag van de overheid in te voeren.
Bent u bereid om in nota Integriteit openbaar bestuur aanvullende maatregelen voor het decentraal bestuur aan te kondigen ten aanzien van de normen over gedragscodes, afkoelperiodes, de aanstelling van gedeputeerden, nevenfuncties, het openbaar maken van agenda’s of schenkingen? Zo ja, acht u het wenselijk om de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur op die punten aan te vullen? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan wel doen om de integriteit op decentraal niveau te bevorderen?
Gelet op de eigenstandige verantwoordelijkheid van decentrale overheden roep ik hen in de eerste plaats op om met elkaar in gesprek te – blijven – gaan over hun integriteitsbeleid en zo nodig stappen te zetten. Zo biedt het aanpassen en opnieuw vaststellen van de gedragscodes bij uitstek de gelegenheid om in gezamenlijkheid het gesprek te voeren over wat belangrijke en gedeelde integriteitsnormen en -waarden zijn. Een goed moment hiervoor is bijvoorbeeld nadat de nieuwe provinciale staten zijn geïnstalleerd. Naast de inspanningen van decentrale overheden zelf werk ik aan een samenhangende nota integriteit openbaar bestuur die op korte termijn aan uw Kamer zal worden gezonden. In deze nota ga ik onder andere in op de ontwikkeling van het integriteitsbeleid van de afgelopen decennia. Naast het integriteitsbeleid voor bewindspersonen en Rijksambtenaren besteed ik aandacht aan het integriteitsbeleid voor decentrale overheden waarbij ik zo nodig aanvullende maatregelen aankondig.
Het bericht dat Microsoft al een jaar zonder vergunningen bouwt aan een datacentrum |
|
Renske Leijten |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kunt u uitleggen hoe het kan dat Microsoft ondanks het ontbreken van een vergunning toch doorbouwt? Wat gaat u hieraan doen?1
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van de Wabo (bouwen) en de Wet natuurbescherming (stikstof) als het gaat om de bouw en ingebruikname van het datacentrum van Microsoft. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de omgevingsdienst Noord-Holland Noord voeren deze taken namens hen uit.
De provincie geeft aan dat de start van de bouwwerkzaamheden door Microsoft is toegestaan op basis van twee gedoogbeslissingen2 die de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft genomen. Het gaat om een gedoogbeslissing om te mogen starten met bouwen en een gedoogbeslissing om te mogen starten met bouwen van een onderstation ten behoeve van het datacentrum. De provincie geeft aan dat een beslissing tot gedogen alleen wordt genomen als er concreet zicht is op legalisatie (in dit geval het verlenen van de omgevingsvergunning). Dit is in lijn met de landelijke handhavingsstrategie3.
De omgevingsvergunning is inmiddels op 19 april jl. verleend. De vergunning is nog niet onherroepelijk. De provincie geeft aan dat het risico van het bouwen, vooruitlopend op de onherroepelijke omgevingsvergunning, bij Microsoft ligt. Dat risico is dat bijvoorbeeld de bouw wordt stilgelegd, indien de vergunning door de rechter wordt vernietigd. De keuze om in die situatie te gaan handhaven en op welke manier ligt bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Holland).
Erkent u dat een voorkeursbehandeling het draagvlak en het vertrouwen in de overheid schaadt, omdat regels dan niet voor iedereen lijken te gelden? Hoe gaat u dit voorkomen?
Voor alle partijen, zowel burgers als bedrijven, gelden dezelfde juridische kaders. Zodoende wordt elk beoogd project getoetst aan dezelfde wet- en regelgeving. De beslissingen in het proces van vergunningverlening zijn openbaar. Voor zover ik dat kan beoordelen heb ik niet de indruk dat Microsoft een voorkeursbehandeling krijgt ten opzichte van andere bedrijven en burgers. Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 1 zijn gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag en voeren de omgevingsdiensten deze taken namens het college uit. De uitvoering van de taken door gedeputeerde staten wordt gecontroleerd door provinciale staten.
Heeft u ook de indruk dat de samenwerking tussen lokale autoriteiten en Microsoft een voorkeursbehandeling betreft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die indruk heb ik, op basis van de informatie waarover ik beschik, niet. Zie voor een toelichting mijn antwoorden op vraag 1 en 2.
Hoe voorkomt u dat invloedrijke partijen een voorkeursbehandeling genieten bij vergunningsaanvraagprocedures, zoals ook bij de situatie met Facebook en het datacentrum in Zeewolde?2
Ik vertrouw erop dat provincies en gemeenten, als bevoegd gezag, de hun toebedeelde taken en verantwoordelijkheden bij het verlenen van omgevingsvergunningen op een eerlijke en transparante wijze uitvoeren, zonder dat bepaalde aanvragers een voorkeursbehandeling krijgen. Gemeenteraden en provinciale staten hebben hierin een belangrijke taak, als organen die het college van B&W en het college van gedeputeerde staten controleren bij het uitoefenen van hun taken. Op deze manier is geborgd dat het proces van vergunningverlening volgens de wettelijke regels verloopt.
Hoeveel projecten liggen stil in de kop van Noord-Holland omdat er geen aansluiting op het elektriciteitsnetwerk mogelijk is? Welke daarvan zouden doorgang kunnen vinden als Microsoft geen energie meer nodig heeft?
Microsoft sluit direct aan op het hoogspanningsnet van TenneT die volgens huidige regelgeving handelt op basis van het «first come, first served» principe (non-discriminatiebeginsel). Vanwege de aansluiting op het hoogspanningsnet concurreert Microsoft niet direct met andere regionale projecten, aangezien deze op de regionale netinfrastructuur worden aangesloten.
Nu blijkt dat het datacenter in de Kop van Noord-Holland niet de juiste vergunningen heeft om te bouwen, geldt dan niet direct het afgegeven moratorium uit de datavisie? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 geeft de provincie Noord-Holland aan dat de start van de bouwwerkzaamheden door Microsoft wetmatig was, op basis van de twee gedoogbeslissingen die de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft genomen. Inmiddels is de omgevingsvergunning verleend.
De uitbreiding van het hyperscale datacentrum in de gemeente Hollands Kroon past binnen de Ruimtelijke Strategie Datacenters (2019) die u aanhaalt. In deze strategie stellen we dat groei en/of uitbreiding van hyperscale datacentra kansrijk wordt geacht in de Eemshaven en Middenmeer (dit is de locatie van het datacentrum van Microsoft). Dit uitgangspunt hebben we bekrachtigd in de Nationale Omgevingsvisie (2020).
Het datacentrum van Microsoft ligt in een gebied dat door de gemeente Hollands Kroon is bestemd voor onder andere de uitbreiding van het bestaande hyperscale datacentrum. Deze locatie is ook uitgezonderd van het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra. Dit is opgenomen in de landelijke voorbeschermingsregels. Deze voorbeschermingsregels zijn vastgesteld vooruitlopend op de in procedure zijnde regelgeving voor de vestiging van hyperscale datacentra. Ook binnen deze regelgeving is dit gebied uitgezonderd van het verbod op vestiging van nieuwe hyperscale datacentra.
Vindt u dat Microsoft door het overtreden van de wettelijke vereisten zijn vergunning moet verliezen en de bouw van het datacenter moet worden gestaakt? Waarom geldt de wet niet voor Microsoft?
Uit contact met de provincie Noord-Holland blijkt dat de start van de bouwwerkzaamheden door Microsoft wetmatig was, op basis van de twee genoemde gedoogbeslissingen. Inmiddels is de omgevingsvergunning verleend.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 zijn gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Provinciale staten controleert of gedeputeerde staten hun taken naar behoren uitvoert. Ik vertrouw erop dat de provincie de hun toebedeelde taken goed uitvoert.
Kunt u laten weten welke bemoeienis het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en/of de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) heeft gehad met het faciliteren van Microsoft om het datacenter te ontwikkelen? Onder welke projectnaam is er met en voor Microsoft contact geweest? Welke onderzoeken, werkbezoeken, contacten, overleggen zijn er gefaciliteerd vanuit de NFIA en/of het Ministerie van EZK?
Naast het aantrekken van buitenlandse investeringen in Nederland, heeft NFIA als kerntaak om buitenlandse bedrijven te helpen bij vervolginvesteringen in ons land. Tot begin 2020 was het aantrekken van datacentra een strategisch speerpunt binnen het acquisitiebeleid van de NFIA, om de Nederlandse ICT infrastructuur te versterken. Dit was in lijn met het strategische acquisitiebeleid van ICT-bedrijven, zoals opgenomen in het plan «the Netherlands: Digital Gateway to Europe».6 Vanuit de opdracht om hoofdkantoor-, onderzoeks- en innovatieactiviteiten van buitenlandse bedrijven in Nederland te laten vestigen is NFIA derhalve sinds 2009 bij vrijwel alle projecten van Microsoft datacentra betrokken geweest, zo ook dit specifieke project, onder de projectnaam «Microsoft».
Sinds begin 2020 worden datacentra niet meer actief naar Nederland aangetrokken door de NFIA. Dit geldt zowel voor hyperscale datacentra als voor andere soorten datacentra. Als een bedrijf zich meldt bij de NFIA wordt deze doorverwezen naar regionale overheden (aangezien de vestiging regionaal is belegd).
Voor dit project in de gemeente Hollands Kroon geldt dat met name de regionale Invest in Holland partner van NFIA, het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland-Noord (NHN), in contact met Microsoft is geweest. Bij uitbreidingen voeren over het algemeen regionale onderwerpen zoals vergunningprocedures de boventoon en is de rol van NFIA beperkt. NFIA heeft geen rol bij vergunningverlening en verwijst hiervoor naar het bevoegd gezag.
Omdat Microsoft een belangrijke partij is binnen het ICT ecosysteem en de digitale infrastructuur van Nederland, onderhoudt NFIA in het kader van «Investor Relations» algemeen periodiek contact met het bedrijf. Aangaande dit specifieke uitbreidingsproject in de gemeente Hollands Kroon heeft NFIA tot 2021 regelmatig contact gehad om op de hoogte te blijven over de voortgang. De laatste bezoekmomenten van NFIA aan Microsoft in het kader van dit project dateren van september en december 2021.
De bereikbaarheid van stemlocaties |
|
Renske Leijten |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een staking in het streekvervoer is aangekondigd op de dag van de provinciale verkiezingen en dit betekent dat voor sommige mensen stemlocaties niet toegankelijk zijn?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat zowel het recht om te staken als de bereikbaarheid van stemlocaties essentieel zijn voor het functioneren van de democratie? Zo nee, kunt u dit antwoord uitgebreid toelichten?
Een deel van de stembureauleden, gemeenteambtenaren en kiezers is afhankelijk van het openbaar vervoer om bij een stemlokaal te komen. Onder meer kiezers met een visuele beperking hebben er daarom aandacht voor gevraagd om niet op de verkiezingsdag te gaan staken.
Ik begrijp de zorgen die leven bij een staking op de verkiezingsdag, maar respecteer uiteraard ook het stakingsrecht. Ik heb mijn zorgen overgebracht in contacten met de FNV en CNV. Zowel de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat als ik hebben ook opgeroepen de verkiezingsdag niet te belasten met een staking. En anders op andere wijze op de verkiezingsdag de zorgen van de chauffeurs en treinpersoneel over het voetlicht te brengen, zonder dat dit kiezers belemmert in de uitoefening van hun stemrecht. Over deze oproepen blijft het kabinet graag in contact met de bonden.
Bent u bereid met de bonden en de streekvervoerders in gesprek te gaan en bijvoorbeeld voor te stellen dat het openbaar vervoer gratis kan rijden, zonder nadelige gevolgen voor stakers en stemmers? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Den Haag schiet tekort voor het Limburgs’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Den Haag schiet tekort voor het Limburgs»?1
Ja
Onderschrijft u de conclusie van het Comité van Experts van de Raad van Europa, dat de Nederlandse overheid te weinig oog heeft voor het Limburgse dialect? Zo nee, waarom niet?
Het Limburgs is in Nederland als taal erkend onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Het Comité van Experts van de Raad van Europa monitort hoe het gaat met het beschermen en bevorderen van de onder het Handvest erkende regionale of minderheidstalen. Eens per vier jaar wordt getoetst in hoeverre de geratificeerde maatregelen in de praktijk zijn geïmplementeerd en wordt hierover een rapport opgesteld.
In zijn laatste rapport constateert het Comité dat de maatregelen volledig of deels in de praktijk zijn geïmplementeerd. Zoals gebruikelijk heeft het Comité daarbij enkele aanbevelingen gedaan om het Limburgs verder te bevorderen. Deze aanbevelingen pakken wij met de provincie Limburg op.
Hoe beoordeelt u de oproep van taalorganisatie De Limbörgse Academie, dat Nederland taalrechten voor het Limburgs wettelijk moet vastleggen en Limburgs in het onderwijs op alle niveaus, ook universitair, én in de media mogelijk maken?
Het Limburgs kan gebruikt worden in het onderwijs en in de media. De Wet op het primair onderwijs2 maakt het mogelijk om naast het Nederlands ook het Limburgs als voertaal in het primair onderwijs te gebruiken. Dat geldt ook voor de kinderopvang3. In het voortgezet4, beroeps5- en hoger onderwijs6 kan het Limburgs, in aanvulling op de verplichte lesstof, als vak en bij andere programmaonderdelen worden aangeboden.
Op welke wijze geeft de rijksoverheid vorm aan het permanent overleg met Limburgssprekenden over de bescherming van de taal?
In 2019 sloten het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Provincie Limburg een convenant inzake de Nederlandse erkenning van de Limburgse taal. In dit convenant is afgesproken dat de provincie Limburg een trekkersrol heeft bij het ontwikkelen van taalbeleid voor het Limburgs. De provincie onderhoudt daartoe het contact met de sprekers van het Limburgs.
Als Minister van Binnenlandse Zaken faciliteer ik onder andere de uitwisseling van kennis en ervaring van taalbeleid. Dat doe ik door het eens per twee jaar organiseren van een Streektaalsymposium. Het laatste symposium vond in 2022 plaats en het volgende symposium staat gepland in 2024. Dit symposium biedt beleidsmakers, taalorganisaties, wetenschappers en andere geïnteresseerden de mogelijkheid van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen.
Kan het taalbeleid van de provincie Fryslân een voorbeeld zijn voor de provincie Limburg? Op welke punten wel? Op welke punten niet?
Ja. Een voorbeeld is dat in de provincie Fryslân in elke gemeente taalbeleid is ontwikkeld. In de provincie Limburg is dat nog niet het geval, maar is er wel de wens om de gemeenten meer bij het taalbeleid te betrekken. Ik kan me voorstellen dat de provincie Limburg kan profiteren van de ervaringen die hiermee door de provincie Fryslân zijn opgedaan.
Bent u bereid in overleg met het provinciebestuur van Limburg de nodige stappen te zetten om de Limburgse taalschatten te koesteren?
Ja. Op dit moment wordt het Convenant inzake de Nederlandse erkenning van de Limburgse taal door het Ministerie van BZK en de Provincie Limburg gezamenlijk geëvalueerd. Daarbij zullen ook nadere werkafspraken worden geformuleerd. Uw Kamer zal naar verwachting dit najaar over de resultaten hiervan worden geïnformeerd.
Het karakter en het moment van Provinciale Statenverkiezingen |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Graag wat provincialer»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Provinciale Statenverkiezingen zouden moeten gaan over provinciale thema’s en provinciale kandidaten?
Ik deel de mening dat het belangrijk is dat er bij provinciale statenverkiezingen brede aandacht is voor provinciale thema’s en provinciale kandidaten (en, omdat deze verkiezingen worden gecombineerd met de waterschapsverkiezingen, ook voor thema’s die de waterschappen betreffen en voor de kandidaten voor deze verkiezingen).
Hoe beoordeelt u het voorstel om de Statenverkiezingen niet allemaal tegelijk op één dag te houden, maar te spreiden over vier jaar, met voor elke provincie een eigen verkiezingsdatum?2
De auteurs van het artikel waarnaar vragenstelster verwijst, stellen voor om de provinciale statenverkiezingen te spreiden, waardoor deze verkiezingen minder worden beïnvloed door de landelijke politiek. De regering heeft op dit punt een ander voorstel gedaan, waarop ik in mijn antwoord op vraag 6 nader inga.
Voordeel van het tegelijk houden van de provinciale statenverkiezingen is dat kiezers sterker geattendeerd worden op de verkiezingen. Deze verkiezingen leven meer als zij tegelijk plaatsvinden. Spreiding zou dan ook wel eens kunnen leiden tot een lagere opkomst. Ik zou dat onwenselijk vinden.
Gelet op het bovenstaande heb ik op dit moment geen voornemens om voorstellen te doen die spreiding van de statenverkiezingen mogelijk maken.
Deelt u de mening dat het mogelijk zou moeten zijn tussentijdse Provinciale Statenverkiezingen uit te schrijven als een college van gedeputeerde staten valt en de politieke scherven niet te lijmen zijn? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 129, vierde lid, van de Grondwet is de zittingsduur van de gemeenteraad en van provinciale staten vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen. De grondwetgever heeft aangegeven dat van deze uitzonderingsmogelijkheid alleen gebruik mag worden gemaakt in incidentele en bijzondere gevallen. Gemeentelijke herindelingen en grove taakverwaarlozing kunnen als zo’n incidenteel en bijzonder geval worden beschouwd, maar deze twee voorbeelden zijn niet limitatief. De wetgever zou dus ook in andere situaties de raad of provinciale staten voortijdig kunnen ontbinden. Naar vaste interpretatie mag tussentijdse ontbinding van de gemeenteraad of provinciale staten echter niet als regulier instrument voor de gemeentelijke dan wel provinciale verhoudingen worden ingezet. Om dat wel mogelijk te maken, zou de Grondwet moeten worden gewijzigd.
In 2020 heeft mijn ambtsvoorganger een notitie naar uw Kamer gestuurd waarin een aantal varianten van tussentijdse ontbinding van de gemeenteraad (en provinciale staten) worden uiteengezet.3 Op 17 januari jl. heb ik de inbreng van uw Kamer voor het schriftelijk overleg over deze notitie beantwoord.4 In deze beantwoording heb ik opgemerkt dat het introduceren van de mogelijkheid de gemeenteraad (of provinciale staten) tussentijds te ontbinden, één van de mogelijke instrumenten is om een patstelling als gevolg van verstoorde bestuurlijke verhoudingen te doorbreken. Graag weeg ik dit instrument af tegen andere mogelijke instrumenten die een oplossing kunnen bieden voor aanhoudende bestuurlijke problemen. Hierbij kan zowel worden gedacht aan instrumenten die binnen het huidige wettelijk kader al mogelijk zijn, eventueel gecombineerd met aanvullend beleid, als aan eventuele nieuwe instrumenten. Ik heb aangekondigd die eventuele nieuwe instrumenten nader uit te werken en uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren. Vervolgens ga ik graag het gesprek aan met uw Kamer over de verschillende mogelijke oplossingen voor aanhoudende bestuurlijke problemen.
Op welke wijze kan de rol van regionale media in de aanloop naar Provinciale Statenverkiezingen worden versterkt?
De rol van de 13 regionale publieke omroepen was in de aanloop naar de provinciale statenverkiezingen op volle sterkte. Vanaf 16 februari jl. was er in de aanloop naar de statenverkiezingen voor het eerst in alle provincies een Kieskompas beschikbaar. De 13 regionale publieke omroepen hebben die digitale stemhulpen samen met een wetenschappelijk team van Kieskompas gemaakt. Zij hebben ook de financiering daarvan voor hun rekening genomen.5
Daarnaast hebben de regionale publieke omroepen met hun televisie-uitzendingen in de aanloop naar de verkiezingen en op de verkiezingsavond zelf volop aandacht besteed aan de provinciale statenverkiezingen, de verkiezingsuitslagen en de betekenis daarvan voor de desbetreffende provincie.
Op welke wijze kan het wetsvoorstel Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing, de inrichting en samenstelling van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstuk 35 532) bijdragen aan versterking van het eigen karakter van Provinciale Statenverkiezingen?
Dit voorstel houdt in dat de Eerste Kamer in helften zal worden gekozen, waarbij de zittingsduur van de senatoren wordt verlengd naar zes jaar. Het voorstel is op dit moment in eerste lezing aanhangig bij de Eerste Kamer.
Sinds 1983 schrijft de Grondwet voor dat de Eerste Kamerverkiezing binnen drie maanden na de provinciale statenverkiezingen plaatsvindt (artikel6. Deze verkiezingswijze leidt ertoe dat iedere vier jaar de vraag prominent aan de orde is of de coalitiepartijen een meerderheid behalen in de Eerste Kamer via de verkiezing van de provinciale staten.
De verkiezing in helften die de regering voorstelt, zal ertoe leiden dat de verkiezing van de provinciale staten minder wordt overschaduwd door de verkiezing van de Eerste Kamer en de aandacht voor landelijke thema’s die daar mede een gevolg van zijn. Hiermee wordt recht gedaan aan het belang van een zo zuiver mogelijk politiek mandaat voor besluitvorming op provinciaal niveau.7
Deelt u de mening dat een sterkere oriëntatie van de Eerste Kamer op de regio de kloof tussen Den Haag en de regio kan helpen overbruggen?
Ja, die mening deel ik. Het is zowel voor de regering als de Eerste en Tweede Kamer belangrijk om een sterke oriëntatie op alle regio’s te hebben.
Bent u bereid bij de evaluatie van de Provinciale Statenverkiezingen te onderzoeken in hoeverre kiezers Provinciale Statenverkiezingen beschouwen als populariteitspeiling over het kabinetsbeleid en de regeringspartijen?
In de rapportage over het Provinciaal en Waterschapskiezersonderzoek Nederland (dat, met financiering van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt uitgevoerd door de Stichting Kiezersonderzoek Nederland), zal aandacht zijn voor de vraag in welke mate nationale politiek van belang is voor de stemkeuze bij provinciale statenverkiezingen. Ik verwacht deze rapportage aan het einde van dit jaar.
Dreigende onbereikbaarheid van Omrop Fryslân |
|
Romke de Jong (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Regionale Mediaraad van Omrop Fryslân over het ontbrekende bereik van het DAB+-signaal in delen van Fryslân?1 Zo ja, speelt dit probleem ook in andere delen van Nederland?
Ja, ik ben bekend met deze uitspraken.
De uitgifte van vergunningen voor etherradio (waaronder die van DAB+) is een verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De regionale publieke omroepen hebben in hun DAB+-vergunning een minimale uitrolverplichting staan. Hoe zij het niveau van verzorging uiteindelijk realiseren, kunnen zij naar eigen inzicht bepalen, in samenspraak met de andere partijen die uitzenden in hetzelfde gebied (allotment).
De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) – voorheen Agentschap Telecom (AT) – houdt toezicht op de naleving van de vergunningsverplichtingen. Uit de bij de RDI bekende informatie over Omrop Fryslân blijkt niet dat zij niet aan de uitrolverplichting voldoen. Dit geeft echter geen garantie dat het DAB+-signaal overal in Fryslân goed is te ontvangen. Het is zeker mogelijk dat in Fryslân de ontvangstkwaliteit per plaats verschilt, of dat er geen ontvangst is. Het is aan partijen zelf om de ontvangstkwaliteit verder te verbeteren.
Er zijn bij de RDI op dit moment geen klachten bekend over een gebrek aan DAB+-ontvangst van andere regionale (publieke) omroepen.
Deelt u de zorgen over het gebrekkige en zelfs ontbrekende DAB+-signaal, mede omdat Omrop Fryslân de rampenzender is voor Fryslân?
DAB+ is een relatief nieuwe distributietechniek en de netwerken zijn nog altijd in ontwikkeling. Zoals in het antwoord op vraag 1 werd aangegeven is het aan partijen zelf om de ontvangstkwaliteit verder te verbeteren. Gelukkig is Omrop Fryslân nog altijd goed te ontvangen via de FM (zie ook het antwoord op vraag 5). Daarnaast zijn de radio-uitzendingen van Omrop Fryslân te ontvangen via internet (de website of de app) en via de digitale televisiepakketten van bijvoorbeeld Ziggo, KPN of Kabelnoord.
Erkent u dat het Fries als tweede rijkstaal en specifiek Friese media een bijzondere juridische en verdragsrechtelijke positie hebben in Nederland?
Ja, de Friese taal heeft een bijzondere juridische en verdragsrechtelijke positie in Nederland. De Friese taal is erkend onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, en in de Wet gebruik Friese taal. De Friese taal is, naast het Nederlands, een officiële taal in de provincie Fryslân. Een eigen regionale publieke omroep gericht op Fryslân en met programma’s in de Friese taal dragen ook bij aan die bijzondere positie.
Zou het onbereikbaar worden van Omrop Fryslân voor delen van Fryslân volgens u wenselijk zijn in het licht van de door Nederland geratificeerde leden van artikel 11 in het Europees Handvest2 voor regionale talen of talen van minderheden en artikel 9 van het Kaderverdrag3 inzake de bescherming van nationale minderheden?
Nee, dit zou niet wenselijk zijn. Zoals bekrachtigd in het door Nederland geratificeerde Handvest is het belangrijk dat radio- en televisieprogramma’s beschikbaar zijn in het Fries. Bij het antwoord op vraag 2 is terug te lezen dat Omrop Fryslân naast DAB+ ook nog altijd goed te ontvangen is via de FM.
Daarnaast zijn de radio-uitzendingen van Omrop Fryslân te ontvangen via internet en via de digitale televisiepakketten.
Bent u bereid zolang het DAB+-signaal niet overal in Fryslân werkt het FM-signaal beschikbaar te houden?
Het coördineren van een afschakeling van de FM-etherradio is in eerste instantie aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. In haar brief van 16 februari 2023 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat aangegeven dat zij niet voornemens is om voor 2035 tot een verplichte afschakeling van de FM over te gaan.4 Daarvoor verloopt de transitie van analoog (FM) naar digitaal (DAB+) nog niet snel genoeg, aldus de Minister. Zij gaat er van uit dat een afschakeling van de FM-band pas ná 2035 kan plaatsvinden. Dit zal bovendien gebeuren in overeenstemming met de radiosector als geheel.
Wat doet u om te voorkomen dat het FM-signaal wordt uit gefaseerd voordat het DAB+-signaal in heel Fryslân beschikbaar is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid voor de beantwoording van deze vragen ook contact te leggen als Staatssecretaris van Cultuur en Media met het college van de Provinsje Fryslân als Taalskipper voor de Friese taal?
Ja, in het kader van de beantwoording van deze vragen heb ik contact gehad met het College van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân. Het College heeft soortgelijke vragen ontvangen van de provinciale staten.
Contacten tussen de AIVD en de Nederlandse pers |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «AIVD waarschuwde Baudet voor Russische beïnvloeding»?1
Ja.
Aan welke overheidsinstanties en externe organisaties verstrekt de AIVD inlichtingen, dan wel informatie over inlichtingen, dan wel informatie over haar activiteiten, dan wel resultaten van onderzoeken?
In het kader van de aan de AIVD opgedragen wettelijke taak verricht de AIVD onderzoeken, waarbij gegevens worden verzameld en verwerkt. In het kader van de goede taakuitvoering is de AIVD bevoegd om omtrent door haar verwerkte gegevens daarvan mededeling te doen aan onder meer (overheids)instanties, andere organisaties en personen (par. 3.4.2 Wiv 2017). Naast inlichtingenrapporten, dreigings- en risicoanalyses en ambtsberichten, zijn dit onder meer resultaten van veiligheidsonderzoeken en naslagverzoeken die worden verstrekt aan de geëigende instanties. Daarnaast brengt de AIVD geregeld publicaties uit voor een breed publiek. Daartoe behoort ook het AIVD jaarverslag.
In hoeverre verstrekt de AIVD inlichtingen, dan wel informatie over inlichtingen, dan wel informatie over haar activiteiten, dan wel resultaten van onderzoeken aan de Nederlandse pers (zie citaat uit het artikel van de Volkskrant: «Een bron binnen de AIVD ontkent ook dat er in 2020 is vastgesteld dat er een financiële connectie is tussen FVD en Rusland.»)?
Zoals in mijn vorige antwoord aangegeven, brengt de AIVD geregeld publicaties uit voor een breed publiek. Daarnaast heeft de AIVD de mogelijkheid om informatie te verstrekken aan journalisten van diverse media: journalisten benaderen de AIVD geregeld met persvragen, verzoeken om een achtergrondgesprek of een interview. Waar dit mogelijk is willigt de AIVD dergelijke verzoeken in. De AIVD verstrekt aan journalisten geen persoonsgegevens en evenmin staatsgeheime informatie.
Vindt u dat het verschaffen van inlichtingen, dan wel informatie over inlichtingen, dan wel informatie over haar activiteiten, dan wel resultaten van onderzoeken aan Nederlandse journalistieke organisaties behoort tot de doelstellingen van de AIVD? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u voornemens om maatregelen te nemen naar aanleiding van dit incident?
Zie het antwoord op vraag 3. Indien er sprake kan zijn van het delen van staatsgeheimen met onbevoegden dan doet de AIVD daar onderzoek naar.
Bent u op de hoogte van contacten tussen de AIVD en andere kranten dan de Volkskrant (waaronder, maar niet beperkt tot NRC, Algemeen Dagblad, Telegraaf, Parool)?
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft de AIVD de mogelijkheid om informatie te verstrekken aan journalisten van diverse media. De AIVD verstrekt hierbij geen persoonsgegevens en staatsgeheime informatie.
Bent u op de hoogte van contacten tussen de AIVD en televisie- en radioomroepen?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Kunt u alle communicatie tussen de AIVD, MIVD, NCTV en media aan de Kamer doen toekomen?
Nee. Op basis van artikel 68 Grondwet zal ik mij altijd inspannen om aan dergelijke verzoeken van uw Kamer te voldoen. De vraag is echter zodanig ongeclausuleerd gesteld dat hieraan geen opvolging kan worden gegeven. Op vrijwel dagelijkse basis vindt er enige vorm van communicatie met media plaats. De aard en frequentie van deze communicatie loopt uiteen. Er is geen juridische grondslag om alle communicatie met media bij te houden. Er bestaat dan ook geen integraal overzicht van deze communicatie
De hoogst mogelijke koninklijke onderscheiding voor de heer Zwartendijk |
|
Agnes Mulder (CDA), Jasper van Dijk , Christine Teunissen (PvdD), Tom van der Lee (GL), Kees van der Staaij (SGP), Don Ceder (CU), Marieke Koekkoek (D66), Kati Piri (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Nilüfer Gündoğan (Volt), Olaf Ephraim (FVD), Sylvana Simons (BIJ1), Tunahan Kuzu (DENK), Caroline van der Plas (BBB), Ruben Brekelmans (VVD), Liane den Haan (Fractie Den Haan), Ralf Dekker (FVD), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het verhaal over Jan Zwartendijk in het boek «De rechtvaardigen» van Jan Brokken (2018), waarin uiteen wordt gezet hoe hij duizenden Joden redde tijdens de Tweede Wereldoorlog?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de heer Zwartendijk een reprimande kreeg voor zijn heldhaftige gedrag?1
Het moge duidelijk zijn dat de heer Zwartendijk geen berisping verdiende voor zijn buitengewoon moedig handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als dit is gebeurd was dit volstrekt ongepast. De secretaris-generaal van mijn ministerie heeft deze boodschap, inclusief excuses, in 2018 dan ook nadrukkelijk gedeeld in een brief aan de familie van de heer Zwartendijk. Bij de onthulling van het monument voor de heer Zwartendijk in Kaunas in 2018 hebben Zijne Majesteit de Koning en mijn voorganger persoonlijk gesproken met de zoon en dochter van de heer Zwartendijk, waarbij grote bewondering is betuigd voor het optreden van hun vader in 1940.
Herinnert u zich dat de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken reeds aangaf dat Zwartendijk erkenning en eerbetoon verdient voor zijn dappere gedrag?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de open brief aan de Koning, waarin wordt opgeroepen om Zwartendijk alsnog de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding te verlenen?3
Ja.
Deelt u de mening uit de genoemde open brief dat de belofte van «nooit meer» begint bij het voorkomen van haat en dat het eren van diegenen die destijds in verzet kwamen daar onderdeel van is, omdat dit de rolmodellen zijn om ons aan te spiegelen in tijden van morele dilemma’s?
Ja.
Bent u gezien het feit dat Zwartendijk in Litouwen handelde als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat bereid om de heer Zwartendijk voor te dragen voor de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid daarvoor zo nodig het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau aan te passen om ook postume verlening van onderscheidingen mogelijk te maken?4
Ik deel de bewondering voor het heldhaftig optreden van de heer Zwartendijk die in uw vragen, en in de open brief naar de Koning, wordt geuit. Ik ben dan ook van harte bereid om het Kapittel voor de Civiele Orden om advies te vragen of de heer Zwartendijk postuum kan worden voorgedragen voor de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon, in goud. Bij een positief advies zal mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer Zwartendijk formeel voordragen voor deze onderscheiding. De Erepenning in goud geldt als één van de hoogste onderscheidingen van Nederland. Sinds 1822 werd deze onderscheiding slechts 99 keer toegekend, laatstelijk in 1964.
Op 9 juli 1951 besloot de ministerraad om (na het verstrijken van een termijn van een jaar) geen aanvragen voor onderscheidingen voor verzetsdaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog meer in behandeling te nemen. Dit besluit is nog steeds van kracht, en er is sindsdien niet meer van afgeweken. De regering acht de verdiensten van de heer Zwartendijk echter dermate uitzonderlijk, gezien het zeer hoge aantal mensen die mede dankzij hem aan de Holocaust hebben kunnen ontkomen, dat zij bereid is om in zijn geval eenmalig van het besluit uit 1951 af te wijken. De ministerraad heeft tijdens haar vergadering op 21 april jl. hiertoe besloten. Hiermee wordt het Kapittel voor de Civiele Orden bij wijze van hoge uitzondering in staat gesteld om bovengenoemde adviesaanvraag inhoudelijk te behandelen.
Het is tot slot belangrijk om te vermelden dat de heer Zwartendijk in 1956 ook al Koninklijk is onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken. In de ondersteunende brief voor deze onderscheiding van zijn werkgever, Philips, wordt gerefereerd aan zijn functie als consul in Litouwen «in welke functie hij tal van personen van Joodse afkomst in de gelegenheid stelde de Duitse dreiging te ontlopen door uit te wijken naar Curaçao». In de officiële voordracht door Minister Beyen en Minister Luns uit 1956 voor deze onderscheiding wordt niet specifiek gerefereerd aan de visa die hij verleende, maar wel waarderend gesproken over zijn werk in Litouwen: «Tijdens de Russische bezetting heeft betrokkene zowel de Nederlandse als de specifieke Philipsbelangen met voorbeeldig vasthoudendheid beschermd.»De volle toedracht en de omvang van de inzet van de heer Zwartendijk zijn pas later bekend geworden.
Bent u bereid een standbeeld te plaatsen of gedenkplaat op te hangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor Jan Zwartendijk en de overige bij deze reddingsactie betrokken diplomaten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid bovenstaande met spoed te verwezenlijken gezien de leeftijd van de kinderen van de heer Zwartendijk?
Ik deel uw mening dat een gedenkteken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de heer Zwartendijk en de diplomaten die zich met hem hebben ingezet voor Joodse vluchtelingen, passend zou zijn. De voorbereidingen daartoe zijn reeds in gang gezet.
Het vertrouwen in het bestuur |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Vertrouwen in lokaal bestuur onder druk»?1
Ja.
Schrikt u ook zo van het door lokale bestuurders ervaren gebrek aan vertrouwen van de burger in het lokale bestuur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is spijtig en verontrustend als lokale bestuurders aangeven in hun contacten met burgers een gebrek aan vertrouwen te ervaren. Ik vind het onwenselijk als grote groepen burgers geen vertrouwen in de overheid (meer) hebben.
Het is gezond als mensen kritisch naar de overheid en de politiek kijken, dat hoort zo in een democratie. Tegelijk moeten mensen zich beschermd en gezien voelen door overheid en politiek, anders verliest de democratie aan draagvlak. In het aangehaalde artikel wordt geconcludeerd dat een deel van de lokale volksvertegenwoordigers en bestuurders ervaren dat de landelijke politiek schuldig is aan een ervaren gebrek aan vertrouwen van burgers in het lokale bestuur. Een belangrijke opdracht aan het kabinet is dan ook om ervoor te zorgen dat mensen ervaren dat de overheid er ook voor hen is. Om vertrouwen te krijgen, moet de overheid betrouwbaar, dienstbaar en rechtvaardig zijn. Daar werk ik aan, samen met de collega’s in het kabinet, door te investeren in het verbeteren van de uitvoering, in het vakmanschap van ambtenaren en in het vergroten en versterken van de mogelijkheden voor burgers om invloed uit te oefenen. Dit laatste onder meer via het aan Uw Kamer voorgelegde wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau.2
Over welke gegevens over het vertrouwen in het lokale bestuur beschikt u?
Uit het recente Lokaal Kiezersonderzoek 2022 blijkt dat inwoners meer vertrouwen hebben in de lokale politiek en bestuur dan in de politiek en bestuur op nationaal niveau.3 Zo’n zestig procent van de burgers heeft (veel) vertrouwen in de gemeenteraad of in het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester kan rekenen op (veel) vertrouwen van 65% van de burgers. Het aantal mensen dat aangeeft helemaal geen vertrouwen te hebben in deze lokale instituties schommelt rond de 5% en is daarmee veel kleiner dan dat voor regering en parlement.
Het lokaal bestuur staat er dus in algemene zin wat betreft het vertrouwen waarop ze mogen rekenen beter voor dan het nationaal bestuur.
Deelt u de mening van de lokale bestuurders dat de reden waarom het genoemde vertrouwen onder druk staat vooral komt omdat de landelijke politiek onvoldoende in staat is om de maatschappelijke problemen op te lossen? Zo ja, waarom en aan welke maatschappelijke problemen denkt u zelf? Zo nee, waarom niet? Meent u dat het gebrek aan vertrouwen dan veroorzaakt wordt door het lokale bestuur zelf en aan welke oorzaken denkt u dan?
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) laat in zijn laatste Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) zien dat het vertrouwen in de Tweede Kamer en de regering sinds het najaar van 2021 lager is dan het gemiddeld was in de afgelopen tien jaar en dat het sindsdien nog niet is gestegen.4 Het SCP stelt dat respondenten eerder erg kritisch zijn dan diep wantrouwend.5 De grootste groep lijkt aangehaakt. Ongeveer de helft geeft de regering een kleine voldoende, ze volgt de politiek op enige afstand en is niet tevreden. Redenen die inwoners geven voor weinig vertrouwen zijn het aanblijven van dezelfde politici, het gebrek aan verandering tussen opeenvolgende kabinetten en een ervaren gebrek aan responsiviteit en daadkracht, waarvoor de kinderopvangtoeslagaffaire en problemen in Groningen illustratief worden gevonden. Ook het functioneren van de politiek als zodanig wordt als probleem genoemd.6 Daarbij komen dan betrouwbaarheid en het luisteren naar burgers naar voren, maar ook de omgangsvormen tussen politici onderling.
Het versterken van de mogelijkheden voor burgers om invloed uit te oefenen, kan mogelijk bijdragen aan een groter vertrouwen. Er is onder aanzienlijke groepen burgers steun voor meerdere kanalen om invloed uit te oefenen, zoals referenda, inspraak, burgerfora of andere vormen van burgerparticipatie, blijkt uit ditzelfde COB. Ook schatten zij in dat deelname daaraan zin heeft. De bereidheid om zelf deel te nemen, is daarentegen wel lager.
Daarnaast werk ik, samen met de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, aan een overheid die dienstbaar, dichtbij en rechtvaardig is bijvoorbeeld via het interdepartementale programma Werken aan de Uitvoering (WAU). Ook zijn wijzigingen in de Algemene Wet Bestuursrecht in voorbereiding die hardvochtige effecten van overheidshandelen door (te) strikte toepassing van wet- en regelgeving in de toekomst moeten voorkomen.
Het herstel van het vertrouwen tussen inwoners en overheid is een opgave voor het gehele kabinet. In de kabinetsreactie op de Atlas van afgehaakt Nederland is beknopt weergegeven wat er in dit licht over de volle breedte van het kabinetsbeleid gebeurt.7
Deelt u de mening dat het optreden van de rijksoverheid bij het onvoldoende oplossen van de Groningse gasproblematiek, in de toeslagenaffaire of met betrekking tot de schrijnende opvang van asielzoekers in Ter Apel bijdraagt aan het lage vertrouwen in de lokale politiek? Zo ja, in welke mate? Zo nee, waaruit blijkt dan dat dit geen invloed zou hebben op het vertrouwen in de lokale politiek?
Het handelen van de overheid én de politiek bij de door u genoemde problematieken kan inderdaad een rol spelen in het vertrouwen dat inwoners hebben in de overheid en de politiek in algemene zin. Voor de Groningse gasproblematiek staat dit uitvoerig beschreven in het onlangs verschenen rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen.8 In welke mate het handelen van rijksoverheid en de nationale politiek in de genoemde voorbeelden ook doorwerkt in het vertrouwen in de lokale overheid en politiek valt niet eenduidig vast te stellen. Hoewel het vertrouwen in de lokale overheid de afgelopen periode is gedaald – zoals ook naar voren komt in het door u aangehaalde onderzoek door Necker – worden deze lokale instituties nog steeds meer vertrouwd dan hun nationale tegenhangers, zoals gegevens uit de onlangs verschenen Staat van het Bestuur 2022 laten zien.9 Het vertrouwen in de gemeenteraad is hoger dan dat in de Tweede Kamer en het vertrouwen in het college van burgemeester en wethouders is hoger dan dat in de regering.10 Uit onderzoek van Kieskompas, waarover Trouw in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 rapporteerde11, blijkt dat er regionale verschillen zijn qua daling van het vertrouwen in de lokale overheid. Zo daalde het vertrouwen in Delfzijl en omgeving in het onderzoek erg snel. Mogelijk speelt de aanpak van de aardbevingsproblematiek hierin een rol. In het zuidwesten van Drenthe nam het vertrouwen in die periode in de lokale overheid juist toe. Ook in Fryslân hebben relatief veel mensen vertrouwen in het gemeentebestuur. Volgens de onderzoekers daalt het vertrouwen in de gemeenteraad wel mee met dat van de landelijke politiek.12
Herinnert u zich de antwoorden van de Minister-President op vragen van de leden Kuiken/Klaver c.s. over de voortgang van de kabinetsdoelstellingen voor 2030?2
Ja.
Deelt u de mening dat het niet beantwoorden van vragen over het behalen van concrete kabinetsdoelstellingen om de formele reden dat de Minister-President niet de eerstverantwoordelijke bewindspersoon is, de indruk kan wekken dat u geen rekenschap over het nakomen van doelen en beloftes kunt of wilt geven? Zo ja, deelt u dan de mening dat het dan ook niet verwonderlijk is dat het vertrouwen in de (lokale) politiek laag is? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De beantwoording van de vragen van de leden Klaver (GroenLinks), Kuiken (PvdA), Ouwehand (PvdD), Azarkan (Denk), Dassen (Volt) en Simons (BIJ1) d.d. 9 februari jl., kenmerk 2023Z02233 heeft de Minister-President per brief van 6 maart 2023 (referentie 4317011) overgedragen aan de ministers van Financiën, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Justitie en Veiligheid, voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Infrastructuur en Waterstaat, van Economische Zaken en Klimaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Aan alle bewindspersonen is verzocht de Kamers voorafgaande aan Verantwoordingsdag 2023 te informeren over de voortgang van de kabinetsdoelstellingen voor 2030.
Kunt u door middel van informatie die u van de verantwoordelijke bewindspersonen hebt verkregen de in de bovengenoemde vragen gevraagde doelstellingen en prognoses over het behalen daarvan alsnog aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De voortgang van de kabinetsdoelstellingen voor 2030 |
|
Laurens Dassen (Volt), Esther Ouwehand (PvdD), Sylvana Simons (BIJ1), Jesse Klaver (GL), Farid Azarkan (DENK), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Kuipers , Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Klopt het dat dit kabinet de volgende doelstellingen heeft voor 2030:
Ten behoeve van een motie van het lid Geurts (CDA) waarmee de regering wordt opgeroepen om een tussendoelstelling te hanteren om in 2030 een halvering van het aantal verkeersslachtoffers te bewerkstelligen1, is Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) gevraagd om in beeld te brengen hoe het aantal ernstig verkeersgewonden en -doden zich ontwikkelt tot aan 2030. Ook is gevraagd of een set extra maatregelen bovenop het bestaande beleid kan bijdragen aan het behalen van de tussendoelstelling. De tussendoelstelling heeft betrekking op de (Europese) visie van nul verkeersslachtoffers in 2050. De uitkomst van het SWOV-onderzoek is op 22 november 2022 met uw Kamer gedeeld.2 SWOV concludeert dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is. Zonder extra maatregelen neemt het aantal ernstig verkeersgewonden toe vanwege de bevolkingsgroei, de meer gereden kilometers en onder anderen meer ouderen op de fiets. Met extra maatregelen is de trend in ernstig verkeersgewonden te keren, maar een halvering is niet realistisch. Ten aanzien van het aantal verkeersdoden kan een halvering in 2030 misschien mogelijk zijn als een combinatie van extra maatregelen wordt genomen.
Het kabinet blijft inzetten op een flinke vermindering van het aantal ernstig verkeersgewonden. Verkeersveiligheid blijft een speerpunt van beleid, waar het kabinet samen met alle partners van het strategisch plan verkeersveiligheid hard aan werkt. Bijvoorbeeld via de investeringsimpuls verkeersveiligheid van 500 miljoen euro, de 200 miljoen euro extra voor Rijks-N-wegen of door handvatten te bieden aan gemeenten om op meer wegen binnen de bebouwde kom de maximumsnelheid terug te brengen naar 30 km/u. Voor de uitvoering van de motie van het lid Geurts wordt de komende periode samen met andere overheden en maatschappelijke partners gekeken hoe een extra stap gezet kan worden. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stuurt een planning voor dit traject aan uw Kamer voor het aankomend commissiedebat verkeersveiligheid van 31 mei 2023.
Kunt u per doelstelling exact aangeven wat de meest actuele prognose is voor 2030 (door bij elke doelstelling een concreet percentage/getal te noemen) en wanneer deze prognose is gemaakt?
Voor «Halvering aantal verkeersslachtoffers in 2030» geldt dat uit het SWOV-rapport «Kiezen of delen» dat op 22 november 2022 aan uw Kamer is gezonden, blijkt dat uit de basisprognoses komt dat in scenario 1 (wanneer de mobiliteitsveranderingen door corona blijvend zijn) het aantal verkeersdoden in 2030 op 480 verkeersdoden ligt en het aantal ernstig verkeersgewonden op 8.400. In scenario 2 (wanneer mobiliteit weer vergelijkbaar wordt met de periode voor corona) zijn er 810 verkeersdoden in 2030 en 9.500 ernstig verkeersgewonden in 2030.3 In 2019, het referentiejaar van SWOV, vielen 661 verkeersdoden en 6.900 ernstig verkeersgewonden (MAIS3+) in Nederland. Onlangs maakte CBS de ongevalscijfers bekend over 2022. In 2022 kwamen er 737 mensen om het leven bij een verkeersongeluk.
Kunt u bij elk van deze prognoses aangeven of deze prognose voldoende is om de doelstelling te bereiken?
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.4
Indien er een doelstelling is waarbij bovenstaande vraag niet beantwoord kan worden omdat de informatie ontbreekt, kunt u per doelstelling aangeven hoe u er alsnog voor gaat zorgen dat het inzichtelijk wordt voor de Kamer of deze doelstelling daadwerkelijk gehaald gaat worden?
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.5
Bij hoeveel van de bovenstaande kabinetsdoelstellingen kunt u op basis van de meest actuele prognoses aantonen dat deze doelstelling met het huidige kabinetsbeleid bereikt gaat worden? (graag een concreet getal tussen 0 en 17 noemen);
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.6 Deze beantwoording ziet alleen op het deelonderwerp «Halvering aantal verkeersslachtoffers in 2030».
Kunt u deze vragen binnen drie weken een voor een beantwoorden, zeker gelet op het feit dat deze vragen al eerder zijn ingediend, maar de Minister-President ze niet heeft beantwoord?
Helaas is het niet gelukt om de beantwoording binnen de termijn van drie weken te beantwoorden. Beantwoording had meer tijd nodig in verband met afstemming tussen departementen.
Hoogachtend,
Het online gebiedsverbod |
|
Joost Sneller (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «burgemeester van Utrecht mocht geen online gebiedsverbod opleggen» van 3 februari 2023?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat de rechter heeft geoordeeld dat het verbod op het tonen van bepaald gedrag op een openbare plaats uit de algemene plaatselijke verordening (APV) geen betrekking heeft op het online doen van een oproep tot verstoring van de openbare orde in Utrecht?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele en/of lopende zaken. Op dit moment is hoger beroep aanhangig, waarbij ook dit onderdeel van de uitspraak van de rechtbank aan de orde kan komen.
Hoe oordeelt u over het feit dat de rechter heeft geoordeeld dat het verbieden van online uitingen door de burgemeester een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting inhoudt en dus in strijd is met de Grondwet?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de conclusie van de rechter dat alleen de landelijke wetgever, onder voorwaarden, de vrijheid van meningsuiting mag beperken en dat die bevoegdheid niet via een lokale regeling aan de burgemeester kan worden toegekend?
In het betreffende artikel stelt professor Schilder dat burgemeesters zich niet mogen bezighouden met de inhoud van uitingen. Zij moeten zich bezighouden met ordeverstoringen en het voorkomen daarvan. Wanneer een burgemeester meent dat een uiting opruiing is, dan geeft deze een mening over die uiting. Alleen justitie en de rechtbank zijn daartoe bevoegd, aldus professor Schilder.
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 en 3, is het niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele en/of lopende zaken.
Wel hecht ik eraan een toelichting te geven op de verschillende acties die op dit moment worden uitgewerkt, die gerelateerd zijn aan de problematiek die het lokaal bestuur tegenkomt wanneer fysieke verstoringen van de openbare orde in een gemeente online beginnen of online versterkt worden.
Vanwege het gebrek aan ervaring op dit vlak en de behoefte om het handelingsperspectief van burgemeesters te verduidelijken, brengt mijn departement – in samenwerking met gemeenten, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) – in kaart welk handelingsperspectief burgemeesters hebben voor de tijdige onderkenning, voorkoming of beheersing van online aangejaagde ordeverstoringen. Dit betreft een ordening van zowel juridische als niet-juridische mogelijkheden.
Via het CCV wordt een webdossier jurisprudentie, handreikingen en praktische instrumenten op basis van ervaringen van gemeenten aangeboden. Daarnaast werkt JenV samen met het CCV aan een barrièremodel voor online aangejaagde openbare ordeverstoringen. Hiermee kunnen alle betrokken instanties bepalen welke barrières opgeworpen kunnen worden tegen bijvoorbeeld online opruiing. Ook wordt gewerkt aan een afwegingskader met en voor gemeenten op basis waarvan zij kunnen bepalen welke interventiemaatregelen het beste kunnen worden ingezet en wordt een digitale consultatiebox ingericht voor «advies op maat». Dit maakt het voor gemeenten mogelijk om voor een specifieke casus juridisch advies op te vragen. Ook worden jaarlijks «leerkringen online openbare ordeverstoringen» georganiseerd waar bestuurders, ambtenaren en deskundigen best practices delen. In 2022 zijn drie leerkringen over dit thema georganiseerd, dit jaar worden er ook drie georganiseerd en de hierin opgedane inzichten worden breder gedeeld. Ook onderzoek ik of burgemeesters behoefte hebben aan een voorziening die gemeenten ondersteunt bij het indienen van notice and take down verzoeken bij de internetsector. Tot slot werkt mijn departement samen met het Ministerie van BZK aan een verdere verheldering van het juridisch kader voor online monitoring door gemeenten in het kader van de openbare orde en veiligheid.
Op basis van de hiervoor geduide acties en diverse aanvullende ambtelijke en ook bestuurlijke gesprekken over deze problematiek wordt bezien hoe burgemeesters het beste nog verder kunnen worden ondersteund bij het voorkomen en beheersen van online aangejaagde ordeverstoringen. Daarbij speelt ook dat het van belang is om de balans in het ambt van de burgemeester te behouden. Om die balans te behouden werken mijn ambtsgenoot van BZK en ik, samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap voor Burgemeesters, aan een afwegingskader voor nieuwe burgemeestersbevoegdheden, om zorgvuldig te kunnen beoordelen of een eventuele aanvullende bevoegdheid bij de burgemeester thuishoort of niet. Daarbij zijn de balans tussen de verschillende rollen van de burgemeester en de afbakening tussen het bestuursrecht en het strafrecht essentieel. Dat betekent dat we onder meer ook kijken naar de rol van het OM waar het bijvoorbeeld gaat om gevallen van online opruiing.
Onderschrijft u de conclusie van Jon Schilder, hoogleraar staats- en bestuursrecht, dat de bevoegdheid om burgers online te volgen en om de uitlatingen die zij online doen inhoudelijk te beoordelen niet past bij de rol en taak van de burgemeester, die vooral is gericht op ordeverstoringen en het voorkomen daarvan?2
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn, naar uw oordeel, de consequenties van deze uitspraak voor lokale experimenten met online gebiedsverboden van burgemeesters in andere steden?
Omdat in deze zaak hoger beroep aanhangig is, stel ik mij terughoudend op in het oordelen over de eventuele consequenties van deze specifieke uitspraak.
Bent u voornemens om uw rol als landelijk wetgever op te pakken en de Kamer een alternatief voorstel te sturen om online opruiing aan te pakken, zoals bijvoorbeeld een uitbreiding van de bevoegdheden van de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal?
Vooropgesteld zij dat opruiing nu al strafrechtelijk verboden is, ook als dit online gebeurt. Op dit moment wordt verder via diverse trajecten – zoals vermeld in de beantwoording van vragen 4 en 5 – gewerkt aan het in kaart brengen en de ordening van de mogelijkheden die er zijn voor burgemeesters om te handelen ter tijdige onderkenning, voorkoming of beheersing van online aangejaagde ordeverstoringen. Dit betreft zowel juridische als niet-juridische interventies. Uit onderzoeken komt bijvoorbeeld naar voren dat gemeenten – met succes – veelal niet-juridische interventies inzetten om online aangejaagde ordeverstoringen aan te pakken. Voorbeelden hiervan zijn het attenderen van ouders van rellende jongeren en het in gesprek gaan met online oproepers.3
Daarbij is ook van belang om te kijken naar wie het meest geëigend is om hierin op te treden en op welke wijze. Vooral de rol van het OM en politie is hierin relevant. Zo hebben we als overheid op dit moment verschillende mogelijkheden om illegale content, zoals bijvoorbeeld opruiing, te laten verwijderen. Dat loopt via de officier van justitie, de rechter-commissaris of de civiele rechter.
Op basis van een duidelijk handelingsperspectief kan vervolgens worden bepaald hoe burgemeesters het beste verder kunnen worden ondersteund bij het voorkomen en beheersen van online aangejaagde ordeverstoringen.
Welke andere alternatieve mogelijkheden ziet u om, op basis van de juiste wettelijke grondslag, online opruiing aan te pakken?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Nederlandse verzekeraars spelen voor aanklager en rechter tegelijk' |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse verzekeraars tegelijk voor aanklager en rechter spelen?1
Ja.
Deelt het kabinet mijn zorgen over onterechte registraties van fraude door verzekeraars?
Het kabinet deelt met de vraagsteller dat voorkomen moet worden dat mensen onterecht geregistreerd worden als fraudeur. Het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector is essentieel. Verzekeraars hebben dan ook de wettelijke verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering.2 In dat kader moeten verzekeraars beschermende maatregelen nemen om effectief op te treden tegen criminaliteit (waaronder fraude en misbruik). Fraudeurs beperken zich immers zelden tot één instelling. Verzekeraars wisselen daarom samen met in totaal ruim 160 financiële instellingen informatie met elkaar uit over incidenten via het zogenaamde Incidenten Waarschuwingssysteem Financiële Instellingen.
Het is belangrijk om te voorkomen dat verzekeraars betrokkenen te lichtvaardig in een register opnemen. De diensten van financiële instellingen zoals verzekeraars hebben namelijk betrekking op financiële producten die een normale deelname aan het economisch verkeer mogelijk maken. Met de registratie kunnen verzekeraars de toegang van personen tot financiële producten beperken. Het registreren van persoonsgegevens in een dergelijk register en specifiek van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 1 UAVG is daarom omgeven met veel wettelijke waarborgen en is in beginsel het domein van de overheid. Private organisaties mogen alleen persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in Nederland verwerken wanneer de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hiervoor toestemming verleent.3
De regels en waarborgen met betrekking tot het incidentenwaarschuwingssysteem zijn door vijf brancheverenigingen4 vastgelegd in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).5 Per 1 april 2021 heeft de AP goedkeuring verleend aan dit protocol.6 Volgens de AP hebben financiële instellingen voldoende aangetoond dat zij een zwaarwegend belang hebben bij het gebruik van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in dit register. Bovendien schept het PIFI voorwaarden voor een behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking, onder andere ten aanzien van het verwijderen van personen uit het register die hier onterecht in zijn opgenomen.
Wat kunnen mensen die ten onrechte op een lijst terecht zijn gekomen als fraudeur, doen om van die lijst af te komen?
Wanneer een betrokkene het niet eens is met opname in het incidentenwaarschuwingssysteem kan hij in de eerste plaats bezwaar maken bij de verzekeraar die het incident registreert. De verzekeraar beoordeelt zo snel als mogelijk en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het bezwaar of het bezwaar gerechtvaardigd is. Indien hij het bezwaar gerechtvaardigd vindt, beëindigt hij direct de registratie. Wanneer dit niet het geval is, kan de betrokkene zich wenden tot het bestuur van de verzekeraar. Wanneer deze stap niet leidt tot een oplossing kan de betrokkene zicht wenden tot het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening (Kifid), dan wel de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) indien het geschil betrekking heeft op de zorgverzekering of ziektekostenverzekering, de AP of de bevoegde rechter.
Welke stappen zet het kabinet om te voorkomen dat er naast de problematiek vanunbankables ook problematiek van uninsurables gaat ontstaan als mensen ten onrechte nooit een verzekering kunnen krijgen net als mensen die ten onrechte nergens een (zakelijke) bankrekening kunnen krijgen?
Ik volg nauwgezet de ontwikkelingen rondom potentiële onverzekerbaarheid, om waar nodig op te treden. Dit doe ik onder meer in nauw contact met de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank. Vooralsnog zie ik echter geen aanleiding om op dit onderwerp nieuwe regulering te introduceren of op andere wijze actief op te treden. Ik ben niet bekend met situaties waarin personen onterecht geheel onverzekerbaar zijn.
Hoe kijkt het kabinet naar een verplichting voor verzekeraars om in alle gevallen van (een vermoeden van) fraude aangifte te doen bij de politie?
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 5 van de leden Mutluer en Nijboer (2023Z011688) heb toegelicht, zal een verzekeraar volgens het PIFI in principe aangifte doen als volgens de verzekeraar in voldoende mate vaststaat dat een persoon betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt, vormde of kan vormen voor de (financiële) belangen van klanten en/of medewerkers van de verzekeraar, voor de verzekeraar zelf, of voor de integriteit van de financiële sector. In sommige situaties gebeurt dat, in overleg met het OM, niet (meteen). In zaken waar sprake lijkt van het in georganiseerd verband op grote schaal misbruik maken van het stelsel van financiële dienstverlening, bepaalt de verzekeraar conform het PIFI in overleg met het OM op welk moment de verzekeraar het beste aangifte kan doen en bij welke opsporingsinstantie dat het meest effectief is. Bij klachtmisdrijven zoals het schenden van geheimen kan alleen het slachtoffer aangifte doen, niet de verzekeraar. Verder is in het PIFI bepaald dat verzekeraars het proportionaliteitsbeginsel in acht moeten houden bij de keuze om over te gaan tot aangifte van een strafbaar feit. De verzekeraar maakt deze afweging en legt deze vast.
Personen en private organisaties zoals een verzekeraar hebben nooit een verplichting om aangifte te doen van een strafbaar feit zoals fraude. Het kabinet heeft er begrip voor dat verzekeraars niet in alle situaties overgaan tot aangifte, maar een afweging maken op basis van proportionaliteit. Een aangifte kan namelijk voor de betrokkene verstrekkende gevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vinden of behouden van werk. Een situatie waarbij aangifte doen volgens het PIFI disproportioneel kan zijn is bijvoorbeeld wanneer een jongere die door middel van het beschikbaar stellen van zijn of haar bankrekening betrokken is bij fraudeleuze praktijken of wanneer een first offender zich niet bewust was van de gevolgen van zijn handelen.
Ook registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem kan nadelige gevolgen hebben voor de betrokkene, maar die zijn vaak minder verstrekkend dan wanneer de verzekeraar tevens aangifte doet van een strafbaar feit. Dat verzekeraars zorgvuldig afwegen of aangifte naast registratie proportioneel is, betekent niet dat zij in het algemeen lichtvaardig omgaan met registratie. Ook wanneer een verzekeraar over gaat tot registratie en geen aangifte volgt, blijft het uitgangspunt dat de verzekeraar moet kunnen aantonen dat in voldoende mate vaststaat dat de gedraging de kwalificatie strafbaar feit kan dragen en dat voldoende bewijs van betrokkenheid tegen de betrokkene beschikbaar is. In die zin kan de betrokkene baat hebben wanneer een verzekeraar niet overgaat tot het doen van aangifte. De AP heeft het proportionaliteitsbeginsel ook nadrukkelijk meegewogen in het uiteindelijke positieve oordeel ten aanzien van het PIFI.
Wat denkt het kabinet van een verplichting om fraudeurs in beginsel maximaal vijf jaar op een lijst te mogen zetten, in lijn met politieregisters, met uitzondering van stelselmatige fraudeurs?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 toelicht, gelden in Nederland reeds diverse wettelijke waarborgen ten aanzien van het beschermen van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. In dat kader mogen private organisaties alleen persoonsgegevens verwerken wanneer de AP hiervoor toestemming verleent. De bewaartermijn in het incidentenwaarschuwingssysteem is in beginsel acht jaar, tenzij zich een nieuwe aanleiding voordoet om de betrokkene te registreren. De bewaartermijn van acht jaar sluit aan bij de termijn die wettelijk is vastgelegd voor de mededelingsplicht inzake het strafrechtelijk verleden van een potentiële verzekeringnemer.7 Volgens de AP is dit een lange bewaartermijn, maar wordt de termijn wel genuanceerd door een proportionaliteitstoets bij opname in het register en een proportionaliteitstoets voor de vaststelling van de bewaartermijn in de specifieke situatie. De AP oordeelt derhalve dat dit protocol proportioneel is tot het te bereiken doel. Het kabinet hecht aan dit oordeel van de AP en heeft geen aanleiding om hier anders over te denken.
Is het kabinet ook van mening dat fraudeurs pas op een lijst moeten kunnen komen nadat de rechter of een andere onafhankelijke instantie naar het bewijs heeft gekeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat dit gebeurt?
Ik begrijp uw zorgen; het is echt zaak om te voorkomen dat betrokkenen te lichtvaardig in een register terecht komen wat mogelijk voor hen kan leiden tot vergaande gevolgen. Daarom is een goed afwegingskader met de juiste waarborgen erg belangrijk. Daar is bij de registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem op basis van het PIFI sprake van. In 2021 heeft de AP geconcludeerd dat behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking binnen de wettelijke eisen aannemelijk is. Ik deel dus niet met u dat fraudeurs pas op een lijst moeten kunnen komen nadat de rechter of een andere onafhankelijke instantie naar het bewijs heeft gekeken.
Welke openheid moeten verzekeraars op dit moment geven over hun fraudelijsten? Is meer openheid over deze registers wenselijk volgens het kabinet, zodat burgers beter in staat zijn om hun inzage- en rectificatierechten te gebruiken en zaken recht te zetten?
Betrokkenen van wie persoonsgegevens in het incidentenwaarschuwingssysteem worden opgenomen hebben volgens het PIFI recht op een mededeling van opname in het register. Een mededeling blijft alleen in uitzonderingssituaties achterwege. Dit is onder meer het geval voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten, de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen. De afweging om de mededeling achterwege te laten moet de verzekeraar vastleggen. Wanneer een betrokkene niet is geïnformeerd over opname in het register, wordt hij door de verzekeraar op de hoogte gesteld van opname zodra een toets heeft geresulteerd in een «hit». Dit gebeurt in situaties waarin een persoon bij een andere verzekeraar een verzekeringsaanvraag indient, en de andere verzekeraar in het incidentenwaarschuwingssysteem ziet dat de aanvrager is geregistreerd. De AP vindt het voldoende aannemelijk dat het PIFI voldoet aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie. De werking van het PIFI volgt uit de vergunning van de AP en is daarmee als voldoende transparant.
Op grond waarvan kunnen instellingen zoals banken en verzekeraars klanten weigeren?
Banken en verzekeraars zijn niet verplicht om klanten te accepteren en hebben in beginsel de vrijheid om een klant te weigeren. Dat kunnen zij bijvoorbeeld doen vanwege een afweging dat bepaalde kenmerken van die klant een te hoog risico vormen. De vraag of al dan niet sprake is van een te hoog risico hangt af van de bedrijfsstrategie van de bank of verzekeraar. Enige uitzondering in de verzekeringsbranche betreft de acceptatieplicht van zorgverzekeraars ten aanzien van de basiszorgverzekering.
Hoe wordt voorkomen dat klanten worden geweigerd op discriminatoire gronden, zoals beroep of leeftijd?
Het discriminatieverbod is vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. Dit discriminatieverbod is verder uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling. Daarin is opgenomen dat het verboden is om onderscheid te maken op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het verbod geldt voor belangrijke horizontale rechtsverhoudingen, zoals bij het aanbieden van goederen en diensten waaronder ook verzekeren valt. Een soortgelijk verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte is opgenomen in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Op grond van deze wetgeving is direct onderscheid op grond van de genoemde persoonskenmerken in principe verboden. Voor indirect onderscheid, te weten onderscheid op basis van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze dat personen op grond van één van de genoemde persoonskenmerken in vergelijking met andere personen bijzonder treft, geldt dat dit niet verboden is als voor het onderscheid een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden aangevoerd. Daarvoor is vereist dat het onderscheid een legitiem doel dient, de middelen voor het bereiken van dat doel passend en ook noodzakelijk (proportioneel) zijn en het doel niet op andere wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Het College voor de Rechten van de Mens of de civiele rechter kan beoordelen of de weigering van een klant een relatie heeft met een beschermd persoonskenmerk en zo ja, of daarbij sprake is van een gerechtvaardigd dan wel een ongerechtvaardigd onderscheid.
Beroep en leeftijd zijn geen wettelijke discriminatiegronden wat betreft het weigeren van klanten. In de Algemene wet gelijke behandeling zijn zij niet opgenomen als kenmerken waarop een verboden onderscheid gemaakt kan worden. Discriminatie op leeftijd is wel verboden ten aanzien van aspecten gerelateerd aan werk, op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid. Die wet heeft echter geen betrekking op het al dan niet weigeren van klanten door verzekeraars.
Is het kabinet van mening dat iemand die geen historie van schadegevallen heeft, altijd netjes premie heeft afgedragen en een geldig rijbewijs heeft ontvangen van het CBR, in principe een autoverzekering zou moeten kunnen krijgen?
Hoewel het onwenselijk kan zijn als iemand in het geheel geen autoverzekering kan afsluiten, hebben verzekeraars, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 10, in beginsel de vrijheid om klanten te weigeren. Verzekeraars zijn immers niet verplicht om klanten te accepteren. Ik heb geen aanwijzingen dat er mensen zijn in de situatie die u schetst die geen autoverzekering zouden kunnen afsluiten. Ik wijs tevens op de mogelijkheid om een autoverzekering af te sluiten bij de Vereende. Deze verzekeraar richt zich in het bijzonder op personen die om uiteenlopende redenen lastig een verzekering kunnen afsluiten bij andere verzekeraars. Aanvragen voor een autoverzekering zullen door de Vereende onder vrijwel alle omstandigheden worden geaccepteerd.
Wat is het oordeel van het kabinet over een situatie waarin iemand die reeds is verzekerd voor een auto, een andere (elektrische, tweedehands) auto koopt, maar vervolgens opeens wordt geweigerd omdat deze persoon volgens de verzekeraar een te hoge leeftijd heeft terwijl de verzekering gewoon had kunnen doorlopen als diegene de vorige auto had aangehouden?
Hetgeen ik hierover heb geantwoord op vraag 9 en 10 ten aanzien van het weigeren van klanten is op dezelfde wijze van toepassing op beslissingen van verzekeraars om een bepaalde verzekering al dan niet te verlengen.
Acht het kabinet het wenselijk dat iemand die geen historie van schadegevallen heeft, altijd netjes premie heeft afgedragen en een geldig rijbewijs heeft ontvangen van het CBR, geweigerd kan worden voor een autoverzekering, enkel en alleen op grond van leeftijd? Zo nee, wat doet het kabinet om deze weigeringen tegen te gaan?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 9 en 10. Sommige verzekeraars hanteren een leeftijdsgrens voor het afsluiten van een autoverzekering en bij sommige verzekeraars moeten ouderen een hogere premie betalen. Maar mijn beeld is dat ouderen bij diverse verzekeraars een autoverzekering af kunnen sluiten.
Hoe kijkt het kabinet naar het weigeren van een potentiële klant enkel op grond van leeftijd of beroep in relatie tot de Wet gelijke behandeling en artikel 1 van de Grondwet?
Zie antwoord vraag 13.
Waar kan iemand die enkel en alleen op grond van leeftijd of beroep wordt geweigerd, of dat vermoeden heeft, terecht om op een laagdrempelige manier een klacht in te dienen, dus anders dan bij een rechter?
Als iemand het niet eens is met een afwijzing op grond van leeftijd of beroep kan hij allereerst een klacht indienen via de interne klachtenprocedure van de verzekeraar. Ook is het mogelijk een klacht voor te leggen aan het Kifid of de SKGZ. Omdat leeftijd en beroep niet zijn opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid alleen ziet op aspecten die aan werk zijn gerelateerd, is het College voor de rechten van mens niet bevoegd hierover te oordelen. Uitsluiting op grond van leeftijd of beroep kan wel ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. De rechter zal gelet op de contracteervrijheid van verzekeraars (zie het antwoord op vraag8 in zo’n geval naar verwachting terughoudender toetsen dan bij onderscheid op de persoonskenmerken die wel bijzondere bescherming genieten op grond van de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
De Corruption Perceptions Index 2022 van Transparency International |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Laurens Dassen (Volt) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met deCorruption Perceptions Index 2022, gepubliceerd op 31 januari 2023?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de index, aangaande de uitkomst van Nederland op plaats acht, mede in het licht van dat Nederland niet eerder zo laag scoorde op de index?
De Corruption Perceptions Index meet hoe corrupt de publieke sector van elk land volgens deskundigen en zakenmensen wordt geacht. De score van een land is het waargenomen niveau van corruptie in de overheidssector op een schaal van 0–100, waarbij 0 staat voor «corrupt» en 100 voor «zeer schoon». Nederland scoort van oudsher, net als ook in 2022, hoog op de index. Zoals Transparency International zelf ook aangeeft wordt Nederland met een achtste positie nog steeds gezien als een van de landen met een weinig corrupte publieke sector. Uit het rapport volgt dat er sprake zou zijn van stagnatie van het integriteitsbeleid in Nederland. Ik herken me niet in het geschetste beeld. Ik zie de daling in het totaal aantal punten wel als een signaal dat serieus genomen moet worden. Dat doet het kabinet ook; er zijn al verschillende integriteitsmaatregelen genomen en er zijn er nog een aantal in voorbereiding. Graag verwijs ik ook naar de antwoorden op vraag 7 en 8.
Wat is uw appreciatie aangaande de toelichting van Transparency International van de Nederlandse positie op de index, te weten vanwege achterblijvende regelgeving op het gebied van politieke integriteit, gebrekkige controle op financiering van politieke partijen en weinig toezicht van lobbyisten?
Allereerst is het van belang om altijd scherp te blijven op mogelijke verbeteringen van regelgeving en toepassing en handhaving daarvan. Ook de toelichting op de Corruption Perceptions Index van Transparency International, waarin Transparency International een aantal maatregelen voor politieke integriteit bepleit, is hiervoor van belang. Vanuit het kabinet is er de laatste maanden het nodige in gang gezet op dit terrein. Dit jaar volgt verdere implementatie van een aantal maatregelen die hieronder worden genoemd. De index van Transparency International richt zich op meerdere vormen van integriteitsbeleid, onder andere op het regeringsbeleid en het integriteitsbeleid van het parlement.
Tijdens het debat over de initiatiefnota van de leden Dassen en Omtzigt over wettelijke maatregelen om de integriteit bij bewindspersonen en de ambtelijke top te bevorderen (Kamerstuk 36 101, nr. 2) op 19 september jl. heb ik u geïnformeerd over lopende zaken rondom integriteit en de voortgang op de aanbevelingen van de Group of States against Corruption (GRECO), waaronder de aankondiging van wetgeving met betrekking tot gewezen bewindspersonen en de gedragscode Integriteit Bewindspersonen die eind december 2022 naar de Kamer is gestuurd. Zie ook de beantwoording op vraag 7.
Daarnaast is in december jl. het onderzoek van prof. dr. C.H.J.M. Braun inzake de mogelijke invoering van een lobbyregister («Afwegingskader Legitieme Belangenvertegenwoordiging») gepubliceerd. In het voorjaar komt het kabinet met een appreciatie op dit onderzoek.
Op het gebied van de financiering van politieke partijen zijn meerdere veranderingen doorgevoerd met de inwerkingtreding van de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (Wfpp) per 1 januari 2023. Zo wordt de transparantie rondom giften vergroot en de invloed van grote giften beperkt, onder andere door de invoering van een giftenmaximum van € 100.000,-, een meldingsplicht van giften boven de € 10.000 binnen 3 dagen en, in verkiezingstijd, het aanleveren van een aanvullend verslag van giften uiterlijk één maand na afloop van de stemming. Eveneens moet voor een gift vanaf € 1.000,- door een rechtspersoon de belanghebbenden achter deze rechtspersoon vermeld worden. Ook op lokaal niveau wordt de transparantie vergroot door de verplichting een giftenregelement te publiceren op de eigen website. Verder worden er met de Wet op Politieke Partijen, waarvan het wetsvoorstel momenteel in consultatie is, verdergaande transparantie verplichtingen voorgesteld en wordt ook een onafhankelijke toezichthouder opgericht. Op decentraal niveau wordt voorgesteld om het giftenmaximum, de meldingsplicht van substantiële giften, aanvullende transparantie na verkiezingen, en het bekend maken van de belanghebbende achter een rechtspersoon in te voeren. Daar staat tegenover dat ook een subsidieregeling is opgenomen voor decentrale partijen voor drie jaar.
Ten opzichte van 2022, waar het rapport betrekking op heeft, zijn veel wijzigingen doorgevoerd en ingezet om transparantie en daarmee ook publieke controle op de financiering van politieke partijen te vergroten.
Wat is deeigen kabinetsverklaring aangaande het behalen van de achtste positie op de index en daarmee de laagste score van Nederland sinds Transparency deze index opstelt? Waar ziet u zelf de meeste achteruitgang in Nederland? Waar ziet u zelf de meeste achteruitgang in Europa?
Nederland heeft een achtste plaats op de index behaald en staat daarmee in de top tien van de minst corrupte landen. Wel is het totale puntenaantal van Nederland – net als dat van acht andere landen in de top tien – met twee punten gedaald. De reden die Transparency International hiervoor aandraagt, is dat – met name – de Nederlandse regelgeving op het gebied van politieke integriteit zou achterblijven. Het kabinet vindt dat dit onvoldoende recht doet aan de inspanningen die hier het afgelopen jaar op zijn gepleegd. Voor een appreciatie van deze bevinding verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Voor wat betreft het anti-corruptie- en integriteitsbeleid in de EU biedt het rechtstaatrapport 2022 van de Europese Commissie de meest recente en een waardevolle basis voor debatten tussen en in EU-lidstaten over de rechtstaat, inclusief corruptiebestrijding. Op 9 september 2022 is hierover een appreciatie naar Uw Kamer verzonden (Kamerstuk, 21 501-02, nr. 2534). Dit onderwerp komt regelmatig aan bod bij de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken, met als doel dat lidstaten best practices en uitdagingen bespreken. Ondanks de reeds getroffen anti-corruptiemaatregelen binnen veel EU-lidstaten, blijven op dit terrein uitdagingen – zoals capaciteitstekorten of tekort aan middelen voor effectieve implementatie van het anti-corruptieraamwerk – bestaan, zoals reeds toegelicht in de appreciatie van 9 september 2022.
Kunt u in uw kabinetsappreciatie van het onderzoeksrapport van de Universiteit Leiden omtrent het lobbyregister meenemen wat de oorspronkelijke onderzoeksvraag voor het onderzoeksrapport van het kabinet aan de onderzoekers was? Waarom is voor deze onderzoeksvraag gekozen? Wat is de argumentatie voor het kiezen van een onderzoeksvraag resulterende in een wetenschappelijke overzichtsstudie?
Ja, in de kabinetsappreciatie van het onderzoek zal hierop worden ingegaan.
Bent u het eens met de stelling dat Nederland niet veel tijd meer zou moeten nemen, na het al twee jaar lang missen van een deadline van een Europese instantie als de GRECO, omdat dit de geloofwaardigheid en daarmee effectiviteit van de instituties daarmee verslechterd?
De evaluaties van internationale gremia zoals de GRECO geven aanbevelingen om het Nederlandse systeem waar nodig en mogelijk verder te verbeteren. Het kabinet neemt de internationale aanbevelingen ter verbetering van de publieke integriteit serieus, en zet zich in voor de implementatie van deze aanbevelingen. Dit vraagt om inhoudelijke en zorgvuldige afwegingen en implementatie, hetgeen tijd kost.
Bent u van oordeel dat de door het kabinet voorgenomen beleidsmaatregelen voldoende zullen zijn om de negatieve bevindingen van Transparency International weg te nemen? Zo ja, waarom verwacht u dat dit voldoende zal zijn? Zo nee, welke aanvullende maatregelen moet en gaat u nemen?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De afgelopen periode is veel in gang gezet rondom wet- en regelgeving op het gebied van integriteit. Ook dit jaar zijn er voornemens, zoals indiening van het wetsvoorstel met regels gewezen bewindspersonen, het aanstellen van een vertrouwenspersoon integriteit voor bewindspersonen en een training en bespreking van de gedragscode integriteit bewindspersonen in de ministerraad. Daarnaast komt het kabinet met een reactie op het onderzoeksrapport van professor Braun naar de mogelijke invoering van een lobbyregister en met de nota integriteit openbaar bestuur.
Overigens spreekt Transparency International niet alleen het kabinet maar ook nadrukkelijk andere partijen, zoals het parlement en buitenlandse regeringen, aan op stagnatie van integriteitsmaatregelen. Of dit voldoende is naar het oordeel van Transparency International, is dus niet alleen afhankelijk van de maatregelen die genomen worden vanuit het kabinet. Effectief integriteitsbeleid vraagt om voortdurende aandacht en reflectie van alle partijen.
Het kabinet wil corruptie zoveel mogelijk voorkomen en waar corruptie, ondanks alle preventieve maatregelen, toch nog heeft plaatsgevonden, zo effectief mogelijk bestrijden met een goed functionerend repressief anti-corruptiebeleid. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer eind 20222 in dit kader geïnformeerd dat zij op basis van gesprekken met relevante ketenpartners en het maatschappelijk middenveld verkent hoe de huidige integrale, repressieve aanpak van corruptie met additionele maatregelen kan worden versterkt. In het kader van deze verkenning zal bijzondere aandacht uitgaan naar corruptie in relatie tot georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Ook staat het onderwerp corruptie op de agenda van de Ministeriële Commissie Aanpak Ondermijning.
Wat is uw appreciatie aangaande de constatering van Transparency International dat er een wereldwijde stagnatie plaatsvindt in de groei van integriteit in de publieke sector in de afgelopen tien jaar?
Het is betreurenswaardig dat Transparency International constateert dat er wereldwijd stagnatie plaatsvindt in de groei van integriteit in de publieke sector. Een sterke publieke integriteit draagt bij aan het vertrouwen van burgers in de overheid en daarmee aan het welzijn van een land en dient alleen daarom al te worden bewaakt. Om andere landen te steunen met het verbeteren van hun corruptie-aanpak draagt Nederland onder andere via de jaarlijkse rechtsstaatrapporten van de Europese Commissie bij aan het uitwisselen van best practices. Ook nemen het Ministerie van BZK en JenV actief deel aan diverse internationale anti-corruptie en integriteitsnetwerken, zoals GRECO van de Raad van Europa en de Working Group on Bribery van de OESO. Deze netwerken zetten een internationale standaard voor integriteit- en anti-corruptiebeleid en zien toe op de naleving van deze standaard in de nationale context. In dit kader leert Nederland ook van de ervaringen in andere landen.
Ik vind het uitermate belangrijk dat er op internationaal niveau belangstelling voor het onderwerp integriteit is en blijft. Dit draagt bij aan de ontwikkeling en de verbetering van het integriteitsbeleid in de publieke sector.
Wat gaat Nederland in 2023 doen om, naast het verbeteren van haar eigen integriteitscijfers, bij te dragen aan het verbeteren van de integriteitscijfers van mede EU-lidstaten en van de EU zelf?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Nederland moedigt de EU aan om de transparantie en publieke integriteit te versterken van zowel de EU-instituten als die van de lidstaten, waar optreden op EU-niveau is gerechtvaardigd.
Het kabinet is van mening dat de EU nog meer kan optreden om in de hele EU tot effectieve anti-corruptiebestrijding te komen, inclusief wanneer het aankomt op de begroting van de Unie. Sinds 1 januari 2021 is de verordening betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (MFK-rechtstaatverordening) van kracht, waarmee een koppeling wordt gelegd tussen de ontvangst van middelen uit de EU-begroting en de eerbieding van de beginselen van de rechtstaat. Ook vindt Nederland het van belang dat instanties als het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) over voldoende middelen beschikken om hun taken goed uit te voeren. Nederland blijft daarnaast lidstaten oproepen om zich aan te sluiten bij het EOM, voor diegenen die dit nog niet hebben gedaan.
Wat is uw lezing van de constatering van Transparency dat juist rijke westerse landen met een goede reputatie ideaal zijn om private winsten uit corruptie, oorlog of misdaad wit te wassen? Hoe verhoudt deze constatering van Transparency zich tot het huidige Nederlandse witwasklimaat?
Het kabinet vindt het van groot belang dat witwassen op een effectieve wijze wordt tegengaan. Zo wil het kabinet ervoor zorgen dat er in Nederland een ongunstig witwasklimaat is. Een effectieve aanpak van witwassen houdt onder andere in dat de meeste inzet en aandacht uitgaat naar het aanpakken van de grootste witwasrisico’s. In Nederland zijn fraude en aan drugs gerelateerde strafbare feiten naar schatting verantwoordelijk voor meer dan 90% van alle misdaadgelden. Het kabinet wil voorkomen dat dergelijke misdaadgelden worden witgewassen. De afgelopen periode is in meerdere onderzoeken geconstateerd dat de aanpak van witwassen in Nederland een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en de basis goed op orde is. Zo beoordeelt de Financial Action Taskforce (FATF) de Nederlandse aanpak van witwassen als robuust. Het kabinet ziet echter op een aantal terreinen mogelijkheden voor verdere verbeteringen. De prioriteiten hiervoor staan beschreven in de beleidsagenda voor de aanpak van witwassen, die op 25 september 2022 met uw Kamer is gedeeld.
Tot slot; op welke plaats wil het kabinet volgend jaar staan op de index?
Het kabinet blijft inzetten op effectieve versterking van integriteits- en anti-corruptiebeleid in Nederland, om zo de rechtsstaat en het vertrouwen daarin te waarborgen. Het kabinet vertrouwt erop dat die inzet zich ook volgend jaar zal vertalen in een hoge plaats op de index.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden en aan de Kamer doen toekomen?
Door benodigde interdepartementale afstemming heeft de beantwoording meer tijd in beslag genomen.
Het demonstratierecht |
|
Christine Teunissen (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat er bij de demonstratie van de klimaatactivisten van Extinction Rebellion in Den Haag op 28 januari jongstleden 768 mensen gearresteerd zijn?
Ja.
Is het eerder voorgekomen in Nederland dat er meer dan 700 arrestaties zijn verricht bij één demonstratie?
Het is niet mogelijk om dit uit de systemen van de politie of het Openbaar Ministerie te halen, omdat er geen specifiek registratie plaatsvindt van het aantal aanhoudingen per aparte demonstratie. Op de dag zelf kan de politie handmatig bijhouden hoeveel mensen er zijn aangehouden. Daarna volgt echter geen aparte registratie onder de noemer van de demonstratie.
Vindt u het wenselijk dat er meer dan 700 arrestaties worden verricht bij één demonstratie? Staat het arresteren van meer dan 700 mensen bij één demonstratie wat u betreft op gespannen voet met het demonstratierecht?
Ten eerste wil ik benadrukken dat het aantal arrestaties geen doel op zich is van het lokale gezag en de politie. Het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt wordt bepaald binnen de lokale driehoek. Op voorhand was duidelijk gecommuniceerd dat de blokkade van de A12 niet zou worden toegestaan door de burgemeester. De burgemeester heeft dan ook besloten de blokkade te beëindigen, waarna de activisten zijn aangehouden en weggeleid door de politie. Dit is zoveel mogelijk gebeurd op een de-escalerende wijze. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Hoe lang heeft de demonstratie op de snelweg geduurd voor de politie ingreep?
De politie heeft na een half uur gevorderd dat men de A12 diende te verlaten op last van de burgemeester. Vervolgens heeft het nog even geduurd (15–30 minuten) voordat de politie de eerste aanhoudingen heeft verricht.
Hoe lang heeft de steundemonstratie op de stoep boven de tunnelbak geduurd?
De gemeenteraad van Den Haag is over het verloop rondom de steundemonstratie op 7 maart jl. middels een brief geïnformeerd.2 Hieruit blijkt dat er zich boven de A12 een grote groep demonstranten verzamelden en dat verschillende materialen vanaf de fly-over naar beneden werden gegooid. Aanvankelijk is de groep door de politie gevorderd de locatie te verlaten en zich te verplaatsen naar de A12. Toen duidelijk werd dat alleen de actievoerders op de A12 zich dienden te verwijderen is het vorderen boven de A12 direct gestopt. De groep is ook niet van deze locatie verwijderd en er is niemand aangehouden.
Dit onderstreept nogmaals het belang van het doen van een kennisgeving van een demonstratie. Die procedure is er juist voor bedoeld dit soort onduidelijkheden te voorkomen.
Klopt het dat de politie de steundemonstratie na een half uur probeerde te beëindigen?1 Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom probeerde de politie de steundemonstratie boven de snelweg aanvankelijk na een half uur te beëindigen? Erkent u dat dit een ernstige inperking van het demonstratierecht zou hebben opgeleverd?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de steundemonstratie uiteindelijk niet is beëindigd, omdat de politie besloot de rijstroken naast de stoep af te zetten om de veiligheid te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat wanneer het faciliteren van een demonstratie mogelijk is en er maatregelen kunnen worden getroffen voor de veiligheid, de demonstratie niet zou mogen worden beëindigd?
Het uitgangspunt van het demonstratierecht is inderdaad dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester wel de bevoegdheid om een demonstratie aan voorschriften te binden of te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van de demonstratie mag daarbij geen reden zijn om beperkingen op te leggen. De burgemeester moet elke demonstratie op zijn eigen merites beoordelen, mede op basis van de plaatselijke omstandigheden. De burgemeester legt over zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen en is de blokkade beëindigd.
Erkent u dat ook de demonstratie op de snelweg gefaciliteerd had kunnen worden – door bijvoorbeeld rijstroken af te zetten en matrixborden te gebruiken voor het wegverkeer – aangezien de locatie en het tijdstip van de demonstratie ver van tevoren duidelijk waren? Erkent u dat dit waarschijnlijk minder politiecapaciteit zou hebben gekost, aangezien u zich daar zorgen over maakt?2
Zie het antwoord op vraag 9. Het faciliteren en in goede banen leiden van demonstratie is een taak van de burgemeester, waarbij de politie optreedt onder het gezag van de burgemeester, in het kader van het handhaven van de openbare orde. Ik treed niet in een beoordeling daarvan.
Het is uiteraard belangrijk en noodzakelijk dat de politie voor het in goede banen leiden van demonstraties capaciteit heeft en blijft vrijmaken. Echter kan ik niet ontkennen dat de veelvoud en heftigheid van demonstraties van de afgelopen jaren wel drukt op de capaciteit van de politie(zie ook het antwoord op vraag 20).
Kunt u uitgebreid toelichten waarom de lokale driehoek de demonstratie niet heeft gefaciliteerd, maar gekozen heeft voor het strafrechtelijke instrumentarium?
De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen. Bovendien heeft Extinction Rebellion al vier keer eerder actie gevoerd op de Utrechtsebaan/A12, met gevaar voor verkeersdeelnemers en actievoerders zelf. Derhalve is op voorhand duidelijk gecommuniceerd dat de blokkade van de A12 niet zou worden toegestaan door de burgemeester. Het blokkeren van de A12 ten behoeve van een demonstratie levert in dat geval een overtreding op van artikel 11 van de Wom. De burgemeester heeft dan ook besloten de demonstratie waarbij de Utrechtsebaan werd geblokkeerd te beëindigen.
Klopt het dat er tegen sommige demonstranten hardhandig is opgetreden door de politie?
Laat ik allereerst benadrukken dat het uitgangspunt voor het optreden van de politie altijd de-escalatie is. Geweldgebruik is een ultimum remedium (laatste redmiddel) en het is een stap die politieambtenaren niet lichtzinnig nemen. Voor geweldgebruik gelden dan ook strikte regels en voorwaarden. Het is voor de politie soms onvermijdelijk om bij het uitvoeren van haar taak geweld te gebruiken. Dit doet de politie alleen als het absoluut noodzakelijk is. Hiertoe heeft de politie op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012 de bevoegdheid. Hierbij moeten de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht worden genomen. Politieambtenaren worden getraind om deze afweging in verschillende situaties te maken. Dat betekent dat de politie niet zomaar zonder aanleiding of redelijk doel geweld mag en zal gebruiken tegen burgers. In algemene zin merk ik daarbij op dat bij die beoordeling naar de gehele context van een incident wordt gekeken, die niet in alle gevallen blijkt uit bepaalde beelden van een incident. Ik wijs er hierbij op dat het niet aan mij maar aan andere autoriteiten is – in voorkomende gevallen de rechter – om te oordelen over het geweld dat hierbij door de politie is gebruikt. Over geweldgebruik moet verantwoording worden afgelegd. Iedere geweldsaanwending worden gemeld teneinde te worden getoetst door de hulpofficier van justitie.
Op 7 maart jl. is de gemeenteraad in Den Haag middels een brief geïnformeerd over het verloop van de demonstratie.4 Hieruit blijkt onder andere dat tot op heden geen aangifte is gedaan of klachten zijn ingediend in verband met het toepassen van geweld door de politie. Voor eventuele klachten tegen het optreden van de politie staat altijd een klachtenprocedure open.
Volgt er een onderzoek naar geweldsaanwending door de politie bij de demonstratie op 28 januari jongstleden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de uitkomsten delen?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat er journalisten zijn opgepakt bij de demonstratie, ondanks het tonen van een perskaart? Op basis van welke verdenking zijn deze journalisten opgepakt? Worden deze journalisten inmiddels nog steeds verdacht van strafbare feiten?
De burgemeester heeft hierover in de commissievergadering d.d. 1 februari 2023 toegelicht dat één journalist niet over een geldige perskaart bleek te beschikken. Een andere journalist had zich niet als zodanig kenbaar gemaakt. Toen duidelijk werd dat tussen de aangehouden verdachten mogelijk een journalist zat, is de politie actief op zoek gegaan naar deze persoon. Toen deze zich alsnog als journalist kenbaar maakte, kon betrokkene direct vertrekken. Dat geldt ook voor de journalist die niet over een geldige perskaart beschikte.
Vindt u het wenselijk dat journalisten worden opgepakt bij een demonstratie?
De journalistieke vrijheid is een groot goed, hier zetten wij ons vanuit het kabinet met volle toewijding voor in.
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding, waarbij er naderhand een beoordeling plaatsvindt van de aanhouding.
Daarnaast kunnen journalisten worden aangehouden, wanneer jegens hen een verdenking ontstaat van het plegen van strafbare feiten. Het is dan aan de rechter om in een concreet geval te oordelen of het plegen van strafbare feiten gerechtvaardigd was in de context van de persvrijheid.
Deelt u de mening dat het oppakken van journalisten bij demonstraties een bedreiging vormt voor de persvrijheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Kunt u zich herinneren dat er bij vorige demonstraties van Extinction Rebellion in Den Haag ook journalisten zijn opgepakt? Zijn er sindsdien plannen gemaakt in samenwerking met de lokale driehoek om dit in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat kan ik mij herinneren. Het gegeven dat bij twee voorgaande demonstraties van Extinction Rebellion journalisten zijn aangehouden, is besproken in de driehoek. Bij de eerste keer betrof het een journalist die zich niet hield aan de aanwijzingen die de politie gaf om voldoende afstand te bewaren tot de politie, die op dat moment demonstranten bevrijdde uit lock-ons. De journalist is na aankomst op het politiebureau in vrijheid gesteld. In een ander geval ging het om twee journalisten, die zich bevonden in een busje met Extinction Rebellion demonstranten, dat op weg was om de A12 te blokkeren. Deze journalisten zijn volgens de rechter rechtmatig aangehouden.
De Haagse driehoek onderschrijft het belang van persvrijheid en heeft onderstreept dat journalisten bij demonstraties ongehinderd hun werk moeten kunnen doen. Zij dienen zich echter te houden aan de door de politie gegeven aanwijzingen, die er toe strekken om het werk van de politie veilig te houden. Wanneer jegens journalisten een verdenking ontstaat van het plegen van strafbare feiten, kunnen zij worden aangehouden. Het is dan aan de rechter om de oordelen of het plegen van strafbare feiten gerechtvaardigd was in de context van de persvrijheid.
Klopt het dat er voorafgaand aan de demonstratie zes mensen gearresteerd zijn op verdenking van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade? Klopt het dat er in totaal acht mensen worden verdacht van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade?
Er zijn in totaal acht personen voorafgaand aan de demonstratie aangehouden wegens de verdenking van opruiing.
Is het eerder voorgekomen in Nederland dat demonstranten voorafgaand aan een demonstratie zijn gearresteerd op verdenking van opruiing vanwege het oproepen tot een snelwegblokkade?
Ja, er zijn eerder demonstranten voorafgaand aan een demonstratie aangehouden voor het oproepen tot het plegen van strafbare feiten tijdens een demonstratie. Dit is onder meer gebeurd bij de coronademonstraties en de boerenprotesten.
Klopt het dat het Openbaar Ministerie deze mensen voor de rechter brengt? Zou het niet beter zijn als rechters zich bezig kunnen houden met echte «boeven», zeker gezien de capaciteitstekorten in de rechtspraak, in overeenstemming met uw wens dat de capaciteit van de politie wordt ingezet voor het «vangen van boeven»?3
Ja, het Openbaar Ministerie brengt een aantal zaken voor de rechter. Het Openbaar Ministerie heeft tevens aangegeven de aanloop naar de blokkade te evalueren. Het Openbaar Ministerie zal daarbij het oordeel van de rechter betrekken.
Het faciliteren en in goede banen leiden van een demonstratie is een taak van de burgemeester, waarbij de politie optreedt onder het gezag van de burgemeester, in het kader van het handhaven van de openbare orde. Het is belangrijk en ook noodzakelijk dat de politie hier capaciteit voor heeft en blijft vrijmaken. Echter kan ik niet ontkennen dat de veelvoud en heftigheid van demonstraties van de afgelopen jaren wel drukt op de capaciteit van de politie.
Staat het vooraf arresteren van demonstranten wat u betreft op gespannen voet met het demonstratierecht? Zo nee, waarom niet?
De aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking tot een strafbaar feit, namelijk opruiing. De verdachten zijn dezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. Wel is aan deze verdachten een gedragsaanwijzing opgelegd waardoor zij zich voor een bepaalde periode niet op of bij de Utrechtsebaan/A12 mochten begeven. Het stond hen vrij om op andere plekken die door de gemeente zijn aangedragen te demonstreren. Vijf van de acht opgelegde gedragsaanwijzingen zijn inmiddels door de rechtbank in stand gehouden.6 Deze verdachten mogen zich voor een bepaalde periode niet op de Utrechtsebaan begeven, zij mogen wel in de naastgelegen straten komen. De gedragsaanwijzing van de andere drie verdachten is niet in stand gehouden. In dezelfde uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het oproepen tot een blokkade van de A12 in beginsel strafbaar is. Daar heeft de rechtbank aan toegevoegd dat het oproepen tot een blokkade alleen een ernstige verstoring van de openbare orde oplevert op het moment dat die oproep tot het blokkeren al eerder is gedaan en die blokkades in het verleden ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Door de rechtbank Den Haag is bovendien onlangs nog geoordeeld dat een blokkade van de A12 gevaarlijk is en strafbaar kan zijn.7 Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met het demonstratierecht en de vreedzaamheid van de voorgenomen actie en die afgewogen tegen het gevaar voor de verkeersveiligheid dat er met die blokkade zou worden veroorzaakt.
Deelt u de volgende opvatting van het College voor de Rechten van de Mens: «Het opleggen van beperkingen mag alleen als dat echt noodzakelijk is en moet gebeuren op de minst ingrijpende manier. Inzet van strafrechtelijke instrumenten om de organisatie van een demonstratie te verhinderen is een extreem zwaar middel dat niet makkelijk te rechtvaardigen valt»?4 Vindt u dat de inzet van strafrechtelijke instrumenten in dit geval wordt gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, waarom niet?
Wij delen de opvatting dat het opleggen van beperkingen alleen mag wanneer dat noodzakelijk is en moet gebeuren op de minst ingrijpende manier.
Kunt u reageren op de analyses van het College voor de Rechten van de Mens en van Amnesty International, die stellen dat het oproepen tot een snelwegblokkade niet zomaar gekwalificeerd kan worden als een strafbaar feit als de intentie een vreedzame demonstratie is?
Of een snelwegblokkade als demonstratie kan worden gezien, is steeds afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt dat bij demonstraties de gemeenschappelijke meningsuiting op de voorgrond moet staan en andere elementen niet moeten gaan overheersen. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn acties met bezettende, blokkerende en dwingende elementen vandaag de dag niet ongebruikelijk, maar is een dergelijke wijze van actievoeren niet een standaard situatie van een vreedzame demonstratie. Fysiek gedrag tijdens een demonstratie dat tot doel heeft de activiteiten van anderen ernstig te verstoren vormt niet de kern van het recht op de vrijheid van demonstreren. Hiermee is echter niet gezegd dat dergelijke acties per definitie niet meer onder de reikwijdte van het demonstratierecht vallen.
Het feit dat een actie onder de bescherming van het demonstratierecht valt wil echter nog niet zeggen dat demonstranten niet gesanctioneerd kunnen worden.
Specifiek met betrekking tot de blokkade van de A12 is door de rechtbank Den Haag geoordeeld dat een dergelijke blokkade van de A12 gevaarlijk is en strafbaar kan zijn.9 Het Gerechtshof Amsterdam heeft eerder geoordeeld dat de oproep tot het blokkeren van wegen een potentieel strafbaar feit is, maar dat de verdachte in deze specifieke zaak niet strafbaar was aangezien naar het oordeel van het Hof niet bewezen kon worden dat de verdachte opzet had op het aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe op de koop heeft toegenomen.10 Door rechtbank Den Haag is onlangs geoordeeld dat het oproepen tot een blokkade van de A12 gekwalificeerd kan worden als een strafbaar feit.11
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat ook aan een tijdelijke wegblokkade de vrijheid van demonstratie moet worden toegekend?
Zie het antwoord op vraag 23. Hier ging het overigens niet om een «tijdelijke» wegblokkade. Demonstranten hebben zich vastgelijmd aan de snelweg. Bovendien heeft Extinction Rebellion vooraf (ook tijdens het gesprek met de burgemeester) laten weten dat het de weg zou blijven blokkeren totdat regeringsbeleid zou worden gewijzigd
Erkent u dat het Gerechtshof van Amsterdam vorig jaar heeft geoordeeld dat het blokkeren van een snelweg onder het demonstratierecht valt als de intentie een vreedzame en geweldloze demonstratie is?
Mij is bekend dat het Gerechtshof Amsterdam vorig jaar in een zaak heeft geoordeeld dat de oproep tot het blokkeren van wegen een potentieel strafbaar feit is. Echter was de verdachte in deze specifieke zaak niet strafbaar aangezien naar het oordeel van het Hof niet bewezen kon worden dat de verdachte opzet had op het aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe op de koop heeft toegenomen.12 De rechtbank Den Haag heeft begin dit jaar, met kennis van dit arrest, een verdachte veroordeeld voor o.a. voorbereidingshandelingen om de A12 te blokkeren.13
Hoe beoordeelt u de handelwijze van het Openbaar Ministerie in dezen? Erkent u dat het vooraf arresteren van demonstranten een zeer ingrijpende maatregel is die uitgebreid moet worden gemotiveerd met het oog op de inperking van het demonstratierecht? Is dat in dit geval gebeurd? Kunt u die analyse delen?
Het recht om te demonstreren is een belangrijk grondrecht. Het uitoefenen van dat recht rechtvaardigt echter niet het plegen van een strafbaar feit. Ik benadruk nogmaals dat bij de aanhouding wegens opruiing geen sprake is geweest van de inperking van het demonstratierecht. De aangehouden personen zijn dezelfde dag allemaal weer in vrijheid gesteld en het stond hen vrij om op door de burgemeester aangewezen locaties te demonstreren.
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de Nationale ombudsman, Amnesty International en drie staatsrechtdeskundigen in opdracht van uw ministerie uitvoerig hebben bepleit dat het Openbaar Ministerie en het lokale bestuur een demonstratie zo goed mogelijk moeten faciliteren, door bijvoorbeeld maatregelen te treffen voor de veiligheid? Vindt u dat dit op 28 januari en de dagen daaraan voorafgaand gebeurd is?
Vooropgesteld, het faciliteren van een demonstratie is geen taak van het Openbaar Ministerie, maar van het lokale bestuur; de burgemeester, en de politie in dit kader handelend onder het gezag van de burgemeester.
Het uitgangspunt van het demonstratierecht is inderdaad dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat door Extinction Rebellion geen kennisgeving was gedaan, er geen aanspreekbare organisator van de actie was en er geen afspraken gemaakt konden worden over de manier waarop de burgemeester de demonstratie wel zou kunnen faciliteren. Om die reden was het volgens de burgemeester niet mogelijk de veiligheid van zowel actievoerders als omstanders te garanderen en is de blokkade beëindigd. Het is aan de burgemeester om hierover desgewenst verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad.
Erkent u dat de Nationale ombudsman in 2018 in het rapport «Demonstreren, een schurend grondrecht» erop wees dat «De overheid neigt naar risicomijdend gedrag. Overheden beschouwen het demonstratierecht in de praktijk niet zelden als onderdeel van een belangenafweging: het recht op demonstreren versus het belang van de openbare orde en veiligheid. De essentie van het grondrecht tot demonstreren moet voorop staan. Die essentie is dat de overheid zich tot het uiterste moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen, zodat burgers in vrijheid hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. Elke andere houding van de overheid doet afbreuk aan de kern van het demonstratierecht»? Wat is er sinds het rapport van de Nationale ombudsman concreet gedaan om dit te verbeteren?
Wij zetten ons in om burgemeesters te ondersteunen bij het zoveel mogelijk beschermen van het demonstratierecht, onder meer door hierover het gesprek te blijven aangaan met alle betrokkenen, voor het onderwerp (extra) aandacht te vragen en door het delen van kennis en goede praktijkvoorbeelden. Mede naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman uit 2018 heb ik uw Kamer bij brieven van 13 juli 2018 en 21 maart 2019 geïnformeerd over de inspanningen die op dit terrein zijn verricht, onder meer door gesprekken te voeren met gemeenten, het breed onder de aandacht brengen van de handreiking «Demonstreren bijkans heilig» van de gemeente Amsterdam, het meewerken aan (andere) handreikingen en het organiseren en bijwonen van bijeenkomsten over dit onderwerp. Verder verwijs ik naar de brief die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik voor deze zomer hebben toegezegd aan uw Kamer over het demonstratierecht.
Deelt u de opvatting van Amnesty International en het College voor de Rechten van de Mens dat het demonstratierecht ernstig onder druk staat en dat het vooraf oppakken van demonstranten geen gewoonte moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ik blijf benadrukken dat de aanhoudingen zijn verricht als gevolg van de verdenking tot een strafbaar feit dat al had plaatsgevonden, namelijk opruiing. De verdachten zijn dezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. Aan deze verdachten is een gedragsaanwijzing opgelegd waardoor zij zich niet opof bij de Utrechtsebaan/A12 mochten begeven. Deze gedragsaanwijzing is in 5 van de 8 gevallen inmiddels in stand gehouden door de rechtbank voor zover deze ziet op het verbod om zich op de Utrechtsebaan te begeven. De verdachten konden op de voorgenomen dag – 28 januari jl. – demonstreren op andere plekken die door de gemeente zijn aangedragen.
Verder verwijs ik naar de brief die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik nog voor de zomer aan uw Kamer zullen sturen over het demonstratierecht, waarin ook zal worden ingegaan op het recente rapport van Amnesty International «Demonstratierecht onder druk».
Hoe bent u van plan in de toekomst om te gaan met oproepen tot snelwegblokkades en hoe bent u van plan daarbij het demonstratierecht te garanderen? Deelt u de mening dat de omgang met snelwegblokkades geen lokale aangelegenheid is omdat snelwegblokkades in het hele land kunnen plaatsvinden en een eenduidige aanpak daarbij gewenst is om rechtsgelijkheid te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Het opleggen van beperkingen of voorschriften of in het uiterste geval een verbod van een demonstratie is een bevoegdheid van de burgemeester. Daarbij mag de inhoud van een demonstratie geen rol spelen. Het is van belang dat burgemeesters per geval een beoordeling blijven maken omdat iedere situatie anders is. Overigens zijn na afloop van de stikstofprotesten ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met deze protesten. Het ging hierbij onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Bent u bereid de gang van zaken in de dagen voorafgaand en op de dag van de demonstratie uitgebreid te evalueren en hierover in gesprek te gaan met mensenrechtenorganisaties zoals het College voor de Rechten van de Mens en Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor ook vermeld zullen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik nog voor de zomer een brief aan de Kamer sturen waarin wij tevens reageren op het rapport van Amnesty International. Daarover zal ook nog met Amnesty International worden gesproken.
Zoals in het antwoord op vraag 20 opgemerkt heeft het Openbaar Ministerie aangegeven de aanloop naar de blokkade te evalueren en daarbij het oordeel van de rechter te betrekken.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie verstaat onder de term «ontwrichting»? Erkent u dat dit klinkt als een politieke en niet als een strafrechtelijke duiding van de situatie?5
In deze vraag wordt verwezen naar een persbericht van het Openbaar Ministerie. Terminologie die wordt gebruikt in een persbericht hoeft niet één-op-één een strafrechtelijke duiding van het handelen te zijn. Het Openbaar Ministerie gebruikt de strafrechtelijke duiding binnen de kaders van het strafproces. Het gebruik van een bepaalde term wil nog niet zeggen dat hiermee politiek wordt bedreven. Het Openbaar Ministerie zal de beoordeling van strafbare feiten altijd maken op basis van de feitelijke handelingen en de omstandigheden van het geval.
Kent u de uitlatingen van de heer Zwinkels, hoofdofficier van Justitie in Den Haag, op LinkedIn, waarin hij de strategie van de demonstranten bekritiseerd, die voor maatschappelijke verharding en polarisatie zou zorgen waardoor het draagvlak voor oplossingen zou worden ondermijnd?6 Erkent u dat dit politieke uitspraken zijn? Deelt u de mening dat deze uitlatingen over de strategie van een groep demonstranten op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid die het Openbaar Ministerie dient te hebben wat het doel van demonstraties?
Zowel de burgemeester als het Openbaar Ministerie hanteren de hun toekomende bevoegdheden zonder naar de inhoud van een demonstratie te kijken. Immers, het recht op demonstratie is een algemeen geldend grondrecht, dat voor een ieder geldt, ongeacht afkomst, geloof, levensovertuiging of politieke voorkeur. Het Openbaar Ministerie heeft zich uitgelaten over de wijze waarop werd gedemonstreerd, zonder dat daarbij een uitspraak is gedaan over het doel van de demonstratie. Demonstreren is een grondrecht. Het is echter de taak van het Openbaar Ministerie om op te treden op het moment dat tijdens de uitoefening van dat grondrecht sprake is van het plegen van strafbare feiten. Het is vervolgens aan de rechter om over de beoordeling van het Openbaar Ministerie een oordeel te geven.
Kent u het interview met politiechef Willem Woelders waarin hij zegt dat veel politiemensen sympathie hebben voor het standpunt van de boeren en dat de provincies zo snel mogelijk met de boeren om tafel moeten gaan zitten?7 Erkent u dat dit politieke uitspraken zijn? Deelt u de mening dat deze uitlating op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid die de politie dient te hebben wat betreft het doel van demonstraties?
Ja, ik ben bekend met het interview. In het artikel van de NRC van 30 juni 2022 staat de volgende tekst; «Als je denkt dat de politie dit kan stoppen: Dat is niet zo. Repressie lijkt mij het allerlaatste waar je het over moet hebben. Want wat doen we om deze protesten te voorkomen? Veel politiemensen hebben begrip voor de positie van de boeren, ik ook. Je zult maar jarenlang geïnvesteerd hebben en je voortbestaan staat op het spel. Daarom vind ik dat provincies zo snel mogelijk met boeren moet gaan zitten over de concrete gevolgen en het niet over de zomer moeten tillen. Anders moeten we als politie blijven optreden».
De context waarin de uitspraak deze politiechef werd gedaan was dus dat repressie niet het enige middel wat we hebben binnen de overheid. Daarnaast kunnen wij het als Ministers van JenV en BZK alleen maar aanmoedigen om meer begrip te hebben voor elkaars positie als burgers. De politie is in het kader van hun taakstelling continu is gesprek met de burgers, waarbij burgers ook hun grieven kunnen uiten. Dat betekent echter niet dat de politie niet zal optreden wanneer deze grieven worden geuit op een manier die een ernstige verstoring oplevert van de openbare orde of door het plegen van strafbare feiten.
Erkent u dat dit erop duidt dat hoge functionarissen bij politie en justitie meer sympathie hebben voor de boeren dan voor klimaatactivisten? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich wel voorstellen dat mensen door deze uitspraken die indruk krijgen? Vindt u dat wenselijk?
Nee, wij herkennen ons hier, als Minister van Justitie en Veiligheid en Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, niet in. Wij erkennen wel dat er verschillen zijn in handhaving tussen verschillende demonstraties (zie ook de antwoorden op vraag 36 tot en met 42). Echter herkennen wij ons er niet in dat dit zou voortkomen vanuit meer of minder sympathie voor een demonstratie/ groepering zou zijn ten opzichte van een andere demonstratie/groepering vanuit de politie of justitie. Zoals u hebt kunnen lezen in het artikel waar u in vraag 34 naar refereert laat Willem Woelders weten «dat zijn mensen het maximale naar hun mogelijkheden hebben gedaan tijdens de boerenprotesten». Verschillen in handhaving komen voort uit verschillende omstandigheden en worden afgestemd met het bevoegd gezag. De inhoud van de demonstratie is hierbij niet van belang.
Kent u het artikel in de Volkskrant van 29 januari jongstleden, «Veel meer arrestaties bij acties Extinction Rebellion dan bij boerenprotesten»8, waaruit blijkt dat er sinds 2020 bij demonstraties van Extinction Rebellion ruim 2.000 demonstranten zijn opgepakt, tegenover 100 arrestaties bij de boerenprotesten, terwijl er meer boerenprotesten dan klimaatdemonstraties waren? Hoe verklaart u dit verschil? Waarom houdt de overheid deze cijfers zelf niet bij? Op welke manier kan zonder deze cijfers rechtsgelijkheid tussen groepen demonstranten worden gegarandeerd?
Zoals hierboven ook benoemd in het antwoord op vraag 3 is het aantal arrestaties geen doel op zich van het lokale gezag en de politie. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Voorbeeld waarop een afweging gemaakt kan worden is op basis van het mogelijke gevaar voor de demonstranten of omstanders, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties.
Voor het Openbaar Ministerie en de politie is er geen noodzaak om het aantal arrestaties per demonstratie apart te muteren. Wel kan worden opgemerkt dat ten aanzien van de aanhoudingen bij de demonstraties van Extinction Rebellion vrijwel alle aanhoudingen – op last van de burgemeester – hebben plaatsgevonden op grond van artikel 11 van de Wom. Er hebben 11 aanhoudingen plaatsgevonden voor het treffen van voorbereidingshandelingen en 8 aanhoudingen voor opruiing. Na afloop van de stikstofprotesten zijn ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband hielden met die protesten. Het ging hierbij dan onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er ook meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Erkent u dat uit het onderzoek van de Volkskrant blijkt dat er veel meer arrestaties hebben plaatsgevonden bij demonstraties van Extinction Rebellion dan bij de boerenprotesten?
De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het uitgangspunt van de politie is om altijd de-escalerend op te treden. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties. Ik erken dat demonstraties en de mogelijke handhaving daarbij onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Echter verschillende situaties en omstandigheden laten zich ook slecht vergelijken. De burgemeester kan desgewenste verantwoording voor zijn keuze afleggen aan de gemeenteraad.
Extinction Rebellion geeft (onder andere op hun website) zelf aan dat het hun bedoeling is om bij demonstraties zoveel mogelijk aanhoudingen uit te lokken. Hiermee beoogt Extinction Rebellion maximale aandacht te genereren voor hun acties. Vanuit deze bedoeling is het niet verwonderlijk dat in gevallen waarin handhavend werd opgetreden bij demonstraties van Extinction Rebellion er veel aanhoudingen plaatsvonden. In het artikel van de Volkskrant werd daarnaast geen rekening gehouden met aanhoudingen die na afloop van verstorende acties hebben plaatsgevonden. Na afloop van de stikstofprotesten zijn ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband hielden met die protesten. Het ging hierbij dan onder meer om snelwegblokkades, brandstichting en afvaldumping. Daarnaast zijn er ook meer dan 700 bekeuringen uitgeschreven.
Klopt het dat er bij demonstraties van Extinction Rebellion vaak meer dan 50 mensen worden gearresteerd? Klopt het dat dit bij boerendemonstraties slechts één keer het geval was sinds 2020? Hoe verklaart u dit verschil?
Zie ook hetzelfde antwoord op de vragen 36 en 37. Zoals hierboven ook benoemd in het antwoord op vraag 3 is het aantal arrestaties geen doel op zich van het lokale gezag en de politie. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Voorbeeld waarop een afweging gemaakt kan worden is op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties.
Erkent u dat er bij boerenprotesten veel vaker achteraf arrestaties zijn verricht? Erkent u dat achteraf arresteren het demonstratierecht minder inperkt dan arresteren voorafgaand of tijdens een demonstratie?
De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de burgers, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het klopt dat er tijdens de stikstof protesten een keuze is gemaakt door sommige lokalen gezagen om achteraf te handhaven. Het uitgangspunt is dat waar gevaar dreigt of ernstige strafbare feiten worden gepleegd, dient te worden opgetreden. Waar mogelijk (en veilig en niet-escalerend) vindt dat optreden in het moment plaats. Waar dat niet kan, wordt achteraf opgetreden. Tegen die achtergrond zijn er geen verschillen tussen het optreden tegen blokkadeacties van boeren en blokkadeacties van Extinction Rebellion.
Erkent u dat arrestaties bij boerenprotesten vaak gebeuren vanwege verdenking van strafbare feiten die niets te maken hebben met een vreedzame en geweldloze demonstratie die worden beschermd onder het demonstratierecht, zoals bijvoorbeeld geweldpleging en brandstichting, terwijl het merendeel van de demonstranten van Extinction Rebellion worden gearresteerd vanwege het blokkeren van een snelweg, waarvan het Europees Hof heeft geoordeeld dat dit onder het demonstratierecht kan vallen?
De politie treedt tijdens de handhaving van de openbare orde op onder het gezag van de burgemeester. Waar het gaat om strafrechtelijke handhaving treedt de politie op onder het gezag van de OvJ.
Demonstranten kunnen om verschillende uiteenlopende feiten worden aangehouden. Dit kan uiteenlopen zoals bijvoorbeeld voor het overtreden van de Wet openbare manifestaties, ter zake van vernieling, brandstichting, afvaldumping, het overtreden van een gebiedsgebod, etc. Politie legt per arrestatie vast voor welke overtreding of misdrijf is aangehouden. De inhoud waarvoor iemand demonstreert is hierbij niet van belang.
Het demonstratierecht is geen absoluut recht, demonstranten worden geacht zich aan de wet te houden. Op het moment dat vreedzame demonstranten zich op een snelweg begeven of zelfs daaraan vastplakken, terwijl deze snelweg niet als demonstratielocatie is aangewezen kan dit uitermate gevaarlijke situaties opleveren voor de demonstranten zelf maar ook voor de weggebruikers. Extinction Rebellion heeft in het verleden al meerdere malen vergelijkbare gevaarlijke situaties veroorzaakt door middel van de blokkades van de snelweg. Recent heeft de rechtbank Den Haag nog geoordeeld dat een dergelijke blokkade in een vergelijkbare situatie een strafbaar feit opleverde.
Erkent u dat demonstraties van Extinction Rebellion vaak na korte tijd beëindigd worden, terwijl boeren vaak urenlang de snelweg kunnen bezetten?9 Zo nee, waarom niet en kunt u dat aantonen? Zo ja, hoe verklaart u dit verschil?
Zie ook het antwoord op vraag 37. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt dus bepaald binnen de lokale driehoek. Hierbij kan een afweging gemaakt op basis van het mogelijke gevaar voor de demonstraten of omstanders, de impact op openbare orde, maar ook het gevaar voor de agenten. Het uitgangspunt van de politie is om altijd de-escalerend op te treden. Dit kan betekenen dat bij de ene demonstratie direct aanhoudingen worden verricht en bij de andere demonstratie – tevens met het oog op veiligheid voor de handhavers zelf – aanhoudingen naderhand worden verricht. Er wordt geen verschil gemaakt op basis van de inhoud van de demonstraties. Ik erken dat demonstraties en de mogelijke handhaving daarbij onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Echter verschillende situaties en omstandigheden laten zich ook slecht vergelijken. De burgemeester kan desgewenste verantwoording voor zijn keuze afleggen aan de gemeenteraad.
Erkent u dat het wegslepen van een grote hoeveelheid trekkers veel moeilijker is dan het wegslepen van een klimaatdemonstrant die zich niet verzet? Erkent u dat het resultaat daarvan is dat er bij boerenprotesten vaak de-escalerend wordt opgetreden, terwijl er bij klimaatprotesten juist voor een harde aanpak wordt gekozen? Erkent u dat de uitkomst daarvan is dat het recht van de sterkste geldt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk? Kunt u dit toelichten?
Zie ook het antwoord op vraag 37 en het antwoord op vraag 41. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag.
In alle gevallen – ook in het geval van de klimaatdemonstranten – wordt zoveel mogelijk de-escalerend opgetreden. Het verwijderen van de demonstranten van de snelweg op 28 januari jl. heeft enkele uren geduurd, omdat dit op een georganiseerde wijze gebeurde.
Kunt u uitgebreid reageren op de analyse van mr. dr. Berend Roorda, docent bij de Rijksuniversiteit Groningen gespecialiseerd in het demonstratierecht, dat het erop lijkt dat de aanpak van klimaatactivisten steviger is dan de aanpak van boerenprotesten, mede vanwege de angst bij boerenprotesten dat het escaleert?10 Kunt u ook de beschreven casus van de klimaatactivisten in het Mauritshuis die harder zijn gestraft dan de boeren die voor het huis stonden van Minister van der Wal hierbij betrekken?
Het recht om te demonstreren is een groot goed in Nederland. Dit grondrecht geldt voor iedereen. De uitoefening van het demonstratierecht kan enkel worden beperkt door de burgemeester op basis van de Wet openbare manifestaties, waarbij uitdrukkelijk geldt dat de inhoud van de demonstratie daarbij geen rol mag spelen. Wel is het zo dat demonstraties onder verschillende omstandigheden plaatsvinden. Het lokale gezag maakt afwegingen op basis van deze lokale situatie. De politie treedt op onder dit lokale gezag, waarbij het uitgangspunt inderdaad de-escalatie is. Geweldgebruik is het ultimum remedium en een stap die politieambtenaren niet lichtzinnig nemen. De-escalatie is bij elke demonstratie het uitgangspunt. Ook bij de demonstratie van Extinction Rebellion heeft de politie de-escalerend opgetreden door de activisten op een rustige manier van de snelweg weg te voeren.
Het opleggen van straffen aan klimaatactivisten of boeren is aan de rechter; het is niet aan ons om over de hoogte van deze straffen te oordelen.
Erkent u dat door het verschillend aanpakken van demonstraties van boeren en klimaatactivisten er rechtsongelijkheid is tussen deze groepen demonstranten? Zo nee, waarom niet? Erkent u dat het uw taak is om te waarborgen dat er rechtsgelijkheid is tussen groepen demonstranten? Hoe vervult u die taak en welke concrete acties horen daarbij?
Het staat eenieder vrij binnen de grenzen van de wet uiting te geven aan zijn of haar zorgen. Dat kan op velerlei wijzen, waarvan demonstreren er één is. Dat is een grondrecht, daar sta ik voor en dat moeten we als overheid ook faciliteren.
In dit geval gaat het echter niet (alleen) om een oproep tot een demonstratie, maar om een oproep tot het blokkeren van een snelweg. Zoals in het antwoord op voorgaande vragen heeft de rechtbank Den Haag onlangs nog geoordeeld dat het blokkeren van de snelweg een strafbaar feit kan opleveren; strafbaar gesteld in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht. Ongeacht het doel van dergelijke acties, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie op te treden wanneer strafbare feiten worden gepleegd en de veiligheid in het geding is. Op welk moment wordt opgetreden is afhankelijk van de veiligheidssituatie van handhavers, hulpverleners, demonstranten en omstanders. De inhoud van de demonstratie wordt bij die afweging niet meegewogen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Dat is mij gezien het grote aantal vragen en de verschillende sets Kamervragen op dit onderwerp, helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Provincie Utrecht gebruikt als eerste overheid in Nederland een eerlijke CO2-prijs’ |
|
Raoul Boucke (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het besluit van Provincie Utrecht om de kosten van klimaatverandering mee te wegen in de beleidsafwegingen en -keuzes?1
Provincies spelen een belangrijke rol in de klimaattransitie, niet alleen met hun beleid maar ook met hun aanbestedingen. Het is logisch dat zij de kosten van klimaatverandering, samen met andere maatschappelijke kosten, meenemen in hun besluitvorming. De provincie Utrecht neemt een voortrekkersrol door actief te kijken naar hoe zij het beste klimaatkosten kunnen meenemen.
In hoeverre neemt de rijksoverheid de kosten van (toekomstige) klimaatverandering mee in haar beleidskeuzes? Zit dit in de Algemene Leidraad voor maatschappelijke kosten-batenanalyses? Of in het integraal afwegingskader (IAK) voor beleid en regelgeving? Als dit nog niet gebeurt, bent u dan bereid om een methode te ontwikkelen om de kosten van (toekomstige) klimaatverandering mee te wegen in alle beleidskeuzes?
Het IAK biedt beleidsmakers en wetgevingsjuristen brede, praktische normen waaraan goed beleid en goede regelgeving moeten voldoen. Binnen het IAK is het van belang om zowel de beoogde als de niet-beoogde milieueffecten in kaart te brengen. De effecten van beleid en/of projecten op klimaatverandering worden meegenomen via CO2-prijzen. Voor de beleidsbeoordeling met maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s) wordt daarbij geadviseerd om het voorgenomen beleid niet alleen af te zetten tegen het Welvaart en Leefomgeving (WLO)-hoog- en WLO-laag-scenario maar ook een gevoeligheidsanalyse uit te voeren bij CO2-prijzen die passen bij een tweegradenverkenning. Dit gebeurt ook in de MKBA-praktijk. Met de gevoeligheidsanalyse wordt getoetst of de uitkomsten van de MKBA ook nog robuust zijn bij CO2-prijzen passend bij een toekomst met twee graden opwarming.
Op welke beleidsterreinen vindt u het opportuun om de kosten van (toekomstige) klimaatverandering mee te wegen in de beleidskeuzes? En voor welke dus niet? Graag een toelichting.
Onze wereld zal onder invloed van klimaatverandering voortdurend en ingrijpend blijven veranderen. Daarmee raakt klimaatverandering aan veel beleidsterreinen. Ik wil er geen op voorhand uitsluiten. Het meewegen van de kosten van (toekomstige) klimaatverandering uitgedrukt in een CO2-prijs is verder vooral van belang voor beleid op beleidsterreinen met grote effecten op de uitstoot van broeikasgassen. (In die CO2-prijs worden de kosten van allerlei inspanningen om de uitstoot te beperken meegenomen.) Dit is omdat de vertaling van (toekomstige) klimaatverandering in het hanteren van andere CO2-prijzen daar mogelijk tot andere beleidsvoorkeuren leidt. Voor beleid zonder grote effecten op de uitstoot van broeikasgassen is dit dus minder relevant.
Wat vindt u een goede CO2-prijs wanneer het gaat om het meewegen van de kosten van klimaatverandering in rijksbeleid? Wat vindt u van de methode van het Planbureau voor de Leefomgeving om te rekenen met de efficiënte CO2-prijs? Wat is de huidige efficiënte CO2-prijs? Kunt u reflecteren op het verschil tussen de efficiënte CO2-prijs en de door Provincie Utrecht gehanteerde CO2-prijs?2
Een goede CO2-prijs is een prijs die huidige en toekomstige kosten vanuit het brede welvaartsperspectief zo goed mogelijk reflecteert en tot stand komt op basis van een consistente en transparante werkwijze. In 2022 hebben het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving nog een aanvulling op de Algemene MKBA-leidraad gepubliceerd om het bredewelvaartsperspectief beter mee te nemen. Zij werken bovendien aan een nieuwe WLO-studie (verwacht in 2024) waarbij de efficiënte CO2-prijzen geactualiseerd worden.
De efficiënte CO2-prijs is de prijs die nodig is om de cumulatieve CO2-reductie in een scenario tegen de laagst mogelijke kosten te realiseren. Hantering van de efficiënte CO2-prijs is een praktische manier om in een MKBA te bepalen of een voorgenomen maatregel efficiënt bijdraagt aan het behalen van de beoogde emissiereductie (in het gegeven scenario). De efficiënte CO2-prijs is daarmee een nuttig instrument.
De huidige efficiënte CO2-prijzen (zoals gehanteerd door de planbureaus in WLO-hoog, WLO-laag en de twee-gradenverkenning) zijn als volgt:
De prijs die Utrecht hanteert is hoger dan de hierboven vermelde prijzen. De verschillen worden verklaard door verschil in aanpak. De planbureaus hanteren het concept van preventiekosten; de kosten van de inspanningen om de uitstoot te beperken. De prijs die de Provincie hanteert is gebaseerd op «maatschappelijke kosten» (Social Cost of Climate Change); de kosten (schade) die zouden ontstaan bij het ontbreken van beleid. Daarbovenop hanteren zij ook nog een risico-opslag (25%) om het risico van het overschrijden van «kantelpunten» mee te nemen. «Kantelpunten» zijn momenten waarop klimaatverandering plotseling extra versnelt, doordat een kritische grens overschreden is, bijvoorbeeld door het afbreken van een landijsmassa. Kantelpunten zijn moeilijk te voorspellen en dus hanteert men de risico-opslag als benadering.
Bent u bereid om, zoals Provincie Utrecht graag wil, mee te werken aan het komen tot een landelijke CO2-prijs voor beleidskeuzes? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals hierboven is aangegeven zijn er door de planbureaus ook al landelijke CO2-prijzen vastgesteld. De planbureaus zullen de WLO-scenario’s in 2024 actualiseren, inclusief aangepaste CO2-prijzen en inclusief een scenario met wereldwijde opwarming in 2100 «well below» twee graden. Tijdens de voorbereiding zal vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat verzocht worden om te reflecteren op de Utrechtse aanpak.
Bent u bereid om minsters te verzoeken om in hun (duurzame) jaarverslagen te rapporteren over de kosten van (toekomstige) klimaatverandering als gevolg van de beleidskeuzes? Zo nee, waarom niet?
Dit laat ik graag aan de Ministers zelf. Zij kunnen zelf de meerwaarde daarvan beoordelen. Overigens span ik mij samen met andere departementen in voor consistente weergave van klimaatuitgaven, zoals ik aangaf in mijn reactie op de kamerbrief Inzicht in uitgaven klimaatbeleid van de Algemene Rekenkamer.
Bent u bereid om Ministers te verzoeken om de klimaatkosten in de beslisnota’s op te nemen zodat de klimaatimpact van het gevoerde beleid voor iedereen inzichtelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik laat het graag aan de Ministers om dit per geval te beoordelen. Bij besluiten met (potentieel) grote klimaateffecten is het natuurlijk belangrijk om deze goed in kaart te brengen en in de besluitvorming te betrekken. Het klimaatbeleid wordt rechtvaardiger en kan rekenen op meer draagvlak als desinvesteringen worden voorkomen. Wanneer men MKBA’s gebruikt dienen de klimaatkosten sowieso al meegenomen te worden. Andere besluiten zullen echter geen of slechts heel beperkte klimaateffecten hebben. Dan is het de moeite niet waard om dit uitgebreid in kaart te brengen.
Procedures door de overheid |
|
Laura Bromet (GL), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() ![]() |
Kunt u de Kamer informeren hoeveel 1) bezwaarprocedures, 2) beroepsprocedures, 3) hoger beroepsprocedures en 4) (verzoeken om) handhavingsprocedures met betrekking tot stikstof zijn gevoerd (natuurvergunningen, Regeling ammoniak en veehouderij (Rav)-emmissiefactoren, afkapgrens, bouwvrijstelling, extern salderen en dergelijken) sinds de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS)? Hoeveel procedures zijn gevoerd tegen provincies, hoeveel tegen het Rijk en hoeveel tegen andere overheden? In hoeveel procedures is een besluit genomen dan wel een gerechtelijke uitspraak gedaan? Kan dit alles in een overzichtelijke schema worden weergegeven?
Nee, dit is niet mogelijk omdat deze informatie niet wordt geregistreerd. Bevoegde instanties hebben over het algemeen alleen kennis van de bestuursrechtelijke procedures waarin zij partij zijn. Er zijn meerdere bevoegde instanties met betrekking tot besluitvorming en handhaving over natuur en stikstof. In de meeste gevallen zijn gedeputeerde staten van een provincie bevoegd gezag voor de verlening van natuurvergunningen en handhaving. Daarnaast zijn er omgevingsvergunningen (met een verklaring voor geen bedenkingen van het bevoegd gezag voor natuur) waarvoor gemeenten of de Minister voor Klimaat en Energie (KenE) bevoegd gezag is. Voor tracébesluiten die kunnen leiden tot gevolgen voor Natura 2000-gebieden is de Minister of de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) bevoegd gezag. Bij kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee met natuureffecten is de Minister voor KenE bevoegd gezag. Ikzelf ben in een aantal gevallen bevoegd gezag voor natuurvergunningverlening en handhaving. En tenslotte zijn er nog ruimtelijke plannen van gemeenten, provincies of rijk waaraan een passende beoordeling moet worden gekoppeld als significante gevolgen voor Natura 2000 niet kunnen worden uitgesloten.
Bezwaar is niet aan de orde bij besluiten waarbij afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast, zoals bij natuurvergunningen aan de orde is. Bezwaar speelt wel in handhavingszaken.
Op www.rechtspraak.nl en de website van de Raad van State zijn de meeste rechterlijke uitspraken in de procedures met betrekking tot natuur en stikstof te vinden van rechtbanken (beroep in eerste aanleg) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hoger beroep). Op www.rechtspraak.nl worden evenwel niet alle uitspraken van rechtbanken gepubliceerd.
Voor wat betreft procedures vanuit de rijksoverheid waarbij ondergetekende, de Minister of Staatssecretaris van IenW en de Minister van KenE bevoegd gezag zijn, als het gaat om toestemmingsbesluiten waarbij de gevolgen voor Natura 2000-gebieden mede in relatie tot stikstof worden beoordeeld, informeer ik u hieronder.
Minister voor Natuur en Stikstof
10
4
1 afgewezen, geen bezwaar ingediend
3 afgewezen, bezwaartermijn loopt
6
4 verzoek nog in behandeling;
1 hoger beroep loopt;
1 bezwaar loopt.
10
4
6
Minister voor Natuur en Stikstof
3
2
Beslissing op bezwaar genomen; op dit moment onbekend of beroep is ingesteld
1
Beroep ingesteld
3
2
1
Minister voor Natuur en Stikstof
3
3
Beroep/hoger beroep loopt
3
3
Minister of Staatssecretaris van IenW
3
1
Beroep is ongegrond verklaard
2
Beroepsprocedures lopen nog
3
1
2
Minister voor KenE
1
1
Beroepsprocedure loopt nog
1
1
In hoeveel van deze zaken procedeerde de (vergunningverlenende) overheid ten bate van een particulier bedrijf?
Een overheid zal niet ten bate van een private rechtspersoon procederen. Wanneer er een procedure is waarbij een bevoegd gezag is betrokken, dan is dit vanuit de rol van bevoegd gezag, waarbij het bevoegde gezag voor het publiek belang staat, in die zin dat natuurvergunningen en andere natuurtoestemmingen slechts kunnen worden verleend als wordt voldaan aan het toetsingskader van de Wet natuurbescherming.
Hoeveel heeft het voeren van deze procedures (bij benadering) gekost? Kan dit schematisch worden weergegeven voor de verschillende overheden?
Het is niet bekend hoeveel het voeren van deze procedures heeft gekost.
Is het gebruikelijk om voordat er bezwaar, beroep of hoger beroep wordt ingesteld extern juridisch advies wordt ingewonnen door de overheid? Zo ja, kan (bij benadering) worden aangegeven of dit externe juridische advies vaak wordt gevolgd? Hoeveel hebben deze adviezen gekost?
Bezwaar is niet aan de orde bij besluiten waarbij afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast, zoals bij de natuurvergunningen het geval is. Het instellen van beroep in eerste aanleg gebeurt niet door het bevoegd gezag, maar door een belanghebbende; dat kan degene zijn die een vergunning heeft aangevraagd en het niet eens is met het genomen besluit, maar dat kan ook een andere belanghebbende zijn, zoals een natuurorganisatie. Het bevoegd gezag zal dan verweer moeten voeren. Of voor het voeren van verweer of het instellen van een hoger beroepsprocedure extern advies wordt ingewonnen of een beroep wordt gedaan op een advocatenkantoor, is aan het betrokken bevoegd gezag. De rijksoverheid is gebonden aan het kantoor van de Landsadvocaat. Bij zaken die van belang zijn voor de werking van het wettelijke systeem wordt door mijzelf en door provincies, in afstemming met mij een beroep gedaan op het kantoor van de Landsadvocaat. Er bestaat geen totaaloverzicht van de hiermee bij alle bevoegde instanties gemoeide kosten.
Deelt u de mening dat, gelet op het feit dat de overheid vrijwel altijd deze procedures verliest, het zonde is van het geld, de (ambtelijke) capaciteit en de capaciteit bij gerechtelijke instanties om in dit soort gevallen bezwaar, beroep en hoger beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Per procedure wordt door een bevoegd gezag een zorgvuldige afweging gemaakt ten aanzien van de aan de orde zijnde publieke belangen, waartoe ook (finale) duidelijkheid over de juiste interpretatie en toepassing van het geldende recht kan behoren. Bij die duidelijkheid hebben alle partijen belang. Beroep in eerste aanleg wordt bovendien altijd ingesteld door een belanghebbende; het kan dan gaan om degene die om de vergunning heeft gevraagd of een andere belanghebbende, zoals een natuurorganisatie. Het bevoegd gezag zal dan verweer moeten voeren. Hoger beroep kan van de kant van de belanghebbende of het betrokken bevoegd gezag komen.
Wat is de reden dat de Rijksoverheid en bevoegde medeoverheden vaak niet (tijdig) reageren op handhavingsverzoeken betreffende het naleven van wet- en regelgeving, bijvoorbeeld inzake de natuurvergunning van Schiphol?
Er kan in zijn algemeenheid niks worden gezegd over de reden voor het niet tijdig reageren van de rijksoverheid en medeoverheden op handhavingsverzoeken en of deze stelling juist is. Er is geen registratie van handhavingsverzoeken, die om allerlei uiteenlopende redenen kunnen worden ingediend, en reactietermijnen. In het geval van het handhavingsverzoek inzake (het ontbreken van) de natuurvergunning Schiphol geldt dat zowel de verzoeken om handhaving als de aangevraagde vergunning een zorgvuldige beoordeling van een complexe situatie vergen. Dit kost helaas de nodige tijd.
Deelt u de mening dat een verzoek tot handhaving van het naleven van wet- en regelgeving in principe moet worden opgevolgd, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het niet opvolgen van een dergelijk verzoek rechtvaardigen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat altijd een besluit moet worden genomen op een verzoek tot handhaving. Wanneer het verzoek terecht is en er een overtreding plaatsvindt, dan moet in beginsel worden overgegaan tot handhaving.
Wat is volgens u het juridisch kader om te beoordelen of al dan niet wordt voldaan aan een verzoek tot handhaving? Deelt u de mening dat wanneer de overheid onverhoopt het verzoek tot handhaving niet opvolgt vanwege zwaarwegende omstandigheden, de overheid dit altijd specifiek en tijdig moet onderbouwen in de richting van de verzoeker tot handhaving? Zo nee, waarom niet?
Wanneer sprake is van een overtreding geldt een beginselplicht tot handhaving. Daarvan kan volgens vaste jurisprudentie alleen bij hoge uitzondering worden afgeweken. Dat is aan de orde als sprake is van een concreet zicht op legalisatie of als handhaving onevenredig zou zijn jegens de overtreder, het belang van de overtreder afwegend tegen het natuurbelang. Elk besluit van een bestuursorgaan moet worden gemotiveerd. Het is ook gewenst dat tijdig op aanvragen en verzoeken wordt besloten. Als dat onverhoopt niet lukt, hebben verzoekers en aanvragers rechtsmiddelen tot hun beschikking.
Deelt u de mening dat het niet opvolgen van een verzoek tot handhaving bijdraagt aan het wantrouwen in de overheid omdat burgers terecht van de overheid mogen verwachten dat wet- en regelgeving wordt nageleefd? Zo nee, waarom niet?
Het werken op basis van juridische argumenten zoals hierboven beschreven leidt naar mijn inzicht niet tot een verminderd vertrouwen in de overheid en de rechtsstaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, ik heb de vragen afzonderlijk beantwoord. Vanwege de benodigde interdepartementale afstemming over de beantwoording is het niet gelukt om deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken te beantwoorden.
Fatwa’s en bedreigingen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert de Minister-President zich zijn antwoorden van 3 mei 2022 op mijn vragen van 22 april 2022 aangaande tegen mij uitgesproken fatwa’s en dreigementen?
Ik ben op de hoogte van de beantwoording van 3 mei 2022 op de vragen van 22 april 2022.
Kunt u aangeven of er aangaande de volgende zaken inmiddels mensen zijn opgespoord, aangehouden, vervolgd, veroordeeld of uitgeleverd: – de over mij uitgesproken fatwa uit 2018 uit Pakistan waarin opgeroepen werd mij te vermoorden, – de uitspraak van Al Qaida uit 2020 waarin ik als mede-doelwit werd verklaard bij hun dreigementen aan het adres van het Franse blad Charlie Hebdo en de vele doodsbedreigingen uit 2022 uit islamitische hoek na de aanslag op Salman Rushdie in de VS, waarin gesteld werd dat ik de volgende ben, – de over mij uitgesproken recente fatwa uit 2022 uit Pakistan waarin opnieuw werd opgeroepen mij te vermoorden, – de uitspraak van voormalig premier Khan van Pakistan die mij publiekelijk een blasphemist noemde, waar daar en elders in de islamistische wereld de doodstraf op staat, – de uitspraak van Pakistaanse TLP-leider Jalali die opriep mij te executeren? Kunt u dat voor alle in deze vraag genoemde zaken apart benoemen?
Ik kan niet ingaan op individuele zaken, het Openbaar Ministerie is de aangewezen instantie om u, als betrokkene, vertrouwelijk over dergelijke zaken te informeren of vragen over specifieke zaken te beantwoorden.
Wel kan ik verwijzen naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Wilders van de PVV van 22 april 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2620) waarin is gemeld dat er rechtshulpverzoeken aan Pakistan zijn gericht met het verzoek om medewerking te verlenen aan het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van onder andere de fatwa uitgesproken in 2018. Die rechtshulpverzoeken zijn tot op heden onbeantwoord gebleven. Dit is diverse malen op verschillende niveaus bij Pakistan onder de aandacht gebracht. Ook uit de Nederlandse overheid op alle niveaus regelmatig ernstige zorgen over de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders.
Het Openbaar Ministerie zet zich blijvend in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken en waar mogelijk te vervolgen. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat veelal niet kan worden vastgesteld welke personen uitlatingen hebben gedaan of in welk land deze zouden verblijven, zodat geen rechtshulpverzoek kan worden gedaan.
Het Openbaar Ministerie kan alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen. Zelfs in die gevallen zijn de mogelijkheden voor vervolging afhankelijk van de medewerking van het betreffende land waar de verdachte woonachtig is of verblijft, bijvoorbeeld naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan het betreffende land. Het OM weegt voortdurend alle factoren af om te beoordelen welke mogelijkheden er zijn.
Wat heeft u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD in al deze zaken concreet gedaan om opsporing, aanhouding, vervolging, veroordeling of uitlevering gerealiseerd te krijgen?
Zoals in het vorige antwoord benoemd heeft de Nederlandse overheid bij de Pakistaanse autoriteiten herhaaldelijk aangedrongen op een reactie op de rechtshulpverzoeken die naar Pakistan zijn gestuurd. Dit zal de Nederlandse overheid blijven doen.
Ik kan verder niet ingaan op de stand van zaken en voortgang in lopende individuele strafzaken. Over specifieke zaken doet de AIVD in het openbaar ook geen uitspraken.
Bent u ervan op de hoogte dat ik daarnaast vorig jaar bijna 1.000 keer met de dood ben bedreigd door moslims in binnen- en buitenland? Wat doet u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD hiermee gedaan? Hoevaak zijn betrokkenen vervolgd, hoe vaak zijn ze niet vervolgd en hoe vaak hebben ze slechts een reprimande of foei-gesprek gehad? Kunt u deze cijfers ook geven met bedreigingszaken richting politici die lid zijn van een coalitiepartij?
Ik ben er van op de hoogte dat het lid Wilders bedreigd wordt en ik keur deze bedreigingen stellig af. Zoals in deze en eerdere beantwoording op uw Kamervragen van 16 december 2022 gesteld, horen bedreigingen en in het bijzonder bedreigingen van onze volksvertegenwoordigers, absoluut niet thuis in onze samenleving.
Ik kan echter niet ingaan op zaken betreffende bedreigingen richting individuele volksvertegenwoordigers. Het is niet aan mij als Minister in te gaan op individuele zaken, juist om politieke bemoeienis te voorkomen. Het Openbaar Ministerie gaat over de vervolging van strafbare feiten.
In zijn algemeenheid kan ik u het volgende melden. Het Openbaar Ministerie en de politie zetten zich continu in om bedreigingen van volksvertegenwoordigers te onderzoeken. Wanneer de bedreiging wordt beoordeeld als strafbare bedreiging, wordt door het team bedreigde politici in beginsel aangifte opgenomen en wordt nader onderzoek verricht. Het Openbaar Ministerie beoordeelt iedere aangifte van mogelijke bedreiging van een politicus op strafbaarheid en beslist welke afdoening aangewezen is. Welke afdoening in een individueel geval passend is, wordt door het Openbaar Ministerie beoordeeld op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. De vraag of betrokkene al dan niet lid is van een coalitiepartij speelt daarbij absoluut geen enkele rol.
Voor het identificeren van verdachten die bedreigingen uiten via met name sociale media, waarbij veelal geen gebruik wordt gemaakt van de eigen personalia en niet de volledige personalia zijn genoemd, is nagenoeg altijd nader onderzoek nodig. Wanneer een verdachte zich in een ander land dan Nederland bevindt, is voor dat onderzoek rechtshulp nodig. Wanneer met een land geen rechtshulpverdrag bestaat, leert de ervaring dat die rechtshulp in dit soort zaken moeizaam gaat. Het Openbaar Ministerie kan – als er door het buitenland geen rechtshulp wordt verleend – alleen personen in Nederland vervolgen die rechtstreeks zijn te identificeren op basis van hun online gedane uitlatingen.
Zoals in de voorgaande beantwoording gegeven, spreekt de Nederlandse overheid op alle niveaus regelmatig ernstige zorgen uit over de bedreigingen aan het adres van de heer Wilders. Onlangs gebeurde dit nog tijdens het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met zijn Pakistaanse collega op 18 januari jl., tijdens de hoogambtelijke politieke consultaties met Pakistan op 8 februari jl. en het gesprek tussen de Minister-President met de premier van Pakistan op 20 februari jl.
Alle ontvangen berichten met (vermeende) bedreigingen van personen in het Rijksdomein, worden door de NCTV ter duiding doorgestuurd aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De AIVD kijkt vanuit zijn onderzoeksgebieden of er concrete of voorstelbare dreigingen zijn tegen een persoon, object of dienst die valt in het zogenoemde Rijksdomein. De inlichtingen van de AIVD dragen bij aan het stelstel dat onder meer politici, bewindspersonen en diplomatieke objecten bewaakt en beveiligt. De AIVD stelt in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen dreigings- en risicoanalyses op. Ook kan de AIVD in inlichtingenonderzoeken informatie verkrijgen over een persoon of organisatie die zich mogelijk schuldig maakt aan strafbare feiten. De AIVD kan dan een ambtsbericht uitbrengen aan het Openbaar Ministerie.
Hoeveel interesse hebben het OM en de AIVD überhaupt in zaken betreffende een politicus van de oppositie?
Het gegeven dat een bedreigde volksvertegenwoordiger onderdeel is van de oppositie of de coalitie speelt absoluut geen enkele rol voor de uitvoering van de taken van de AIVD of het Openbaar Ministerie.
Bent u ervan op de hoogte dat ik wekelijks, zo niet dagelijks, filmpjes krijg toegestuurd met beelden die vaak op de meest grove en beeldende manier laten zien dat en hoe ik moet worden vermoord? Heeft u zelf wel eens de moeite genomen ze te bekijken? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan en wat doet u en wat hebben justitie, Buitenlandse Zaken, de NCTV en de AIVD hiermee gedaan?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik heb meerdere van deze weerzinwekkende filmpjes en berichten gezien. Vooropgesteld, ik keur deze bedreigingen ten zeerste af. Naast dat ik me kan voorstellen dat het een enorme impact op de heer Wilders heeft, ondermijnt het onze democratie wanneer volksvertegenwoordigers worden bedreigd. Het Openbaar Ministerie beoordeelt aangiftes over bedreigingen tegen volksvertegenwoordigers altijd en zonder uitzondering met de grootste zorgvuldigheid.
Zoals gesteld in de beantwoording op vraag 4, worden alle ontvangen berichten met (vermeende) bedreigingen van personen in het Rijksdomein, door de NCTV ter duiding doorgestuurd aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Voor de taak van de AIVD verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.