Het plan om de leefbaarheid van het dorp Moerdijk op te offeren voor economische ontwikkeling |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de heer E. Nijpels, die namens zijn adviescommissie heeft gezegd dat de economische ontwikkeling van haven- en industriegebieden in Moerdijk voorrang moet krijgen boven de leefbaarheid van het dorp?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel in het Algemeen Dagblad.
Wat vindt u van de opvatting van de heer Nijpels dat de gezondheid en het welbevinden van de inwoners van Moerdijk aan de kant geschoven kunnen worden voor de uitbreiding van haven- en industriegebieden in de buurt van dit dorp? Bent u dit met hem eens of deelt u de mening dat een dergelijke uitspraak onbehoorlijk, om niet te zeggen lomp is?
De commissie van Advies Havenstrategie Moerdijk 2030 geeft in haar eindadvies bij de concept Havenstrategie Moerdijk2 aan dat indien het havenschap blijft inzetten op maximale benutting van de economische potenties van Moerdijk, dan de kosten en baten en de voor- en nadelen van een transitiemodel met relevante stakeholders, inclusief de bewoners van het dorp en de leefbaarheidsgroeperingen besproken dienen te worden. De commissie van advies constateert zelf dat het hier om een maatschappelijk zeer gevoelige discussie gaat, maar constateert dat die discussie nu ten principale en fundamenteel gevoerd moet worden.
Kunt u zich voorstellen dat inwoners van Moerdijk ernstig verontrust zijn over de plannen over de ontwikkeling van haven- en industriegebieden en over het geringe belang dat de commissie Nijpels aan hun dorp en hun leefbaarheid blijkt te hechten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de inwoners van Moerdijk zo snel mogelijk gerust te stellen door duidelijk te maken dat het advies van de commissie Nijpels niet past in de manier waarop de overheid in Nederland met haar burgers om wil gaan?
De Provincie Noord-Brabant, de gemeente Moerdijk en het havenschap Moerdijk hebben onlangs de concept havenvisie voor Moerdijk gepresenteerd. In deze visie gaat de ontwikkeling van het havengebied en het behoud van de leefbaarheid hand in hand. De commissie van advies geeft als reactie op deze visie aan dat het goed is om nog eens kritisch te kijken naar het toekomstperspectief voor het dorp Moerdijk. De concept havenvisie ligt nu voor ter consultatie tot 31 oktober. De betrokken overheden hebben diverse bijeenkomsten belegd waar belanghebbende partijen, waaronder de inwoners van Moerdijk, hun zorgen kunnen uiten en met de provincie, de gemeente en het havenschap over de plannen in gesprek kunnen. Gelet op dit consultatieproces zie ik thans geen rol voor de rijksoverheid weggelegd.
Kunt u voor de zekerheid nog eens duidelijk maken wat het doel is van de huidige milieunormen op het gebied van onder andere geluid, fijnstof in dorpen en steden?
De huidige milieunormen, die zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer, hebben als doel een evenwichtige balans te creëren tussen de belangen van de volksgezondheid en van de industrie. Bij het verlenen van een vergunning voor een nieuwe activiteit (of het uitbreiden van een bestaande activiteit) wordt door het bevoegd gezag getoetst of de beoogde activiteit binnen de van toepassing zijnde milieunormen past.
Kunt u bevestigen dat de verdere economische ontwikkeling van haven- en industriegebieden in Moerdijk het behalen van de genoemde milieunormen in dat gebied onmogelijk maakt? Zo ja, hoe beoordeelt u dat, en hoe ziet u de gezondheid van de omwonenden in relatie tot de beoogde economische ontwikkeling? Zo nee, waarom niet en op welke manier kunt u dat garanderen?
Welk effect de verdere economische ontwikkeling van de haven- en industriegebieden in Moerdijk heeft op het behalen van de genoemde milieunormen is nog niet te bepalen. Een en ander hangt af van de daadwerkelijke ontwikkelingen en te nemen compenserende maatregelen. Het is aan betrokken overheden om bij de benodigde planvorming en vergunningverlening voor deze ontwikkelingen om hieraan binnen de wettelijke kaders voorwaarden te verbinden. De concept havenvisie voor Moerdijk geeft daar nog geen uitsluitsel over.
Vindt u dat mensen recht hebben op een gezonde leefomgeving? Zo ja, op welke wijze wilt u ervoor zorgen dat dit recht van de inwoners van Moerdijk niet geschonden wordt doordat het in de toekomst ingesloten zal zijn tussen zware industrie, een groot bedrijventerrein en een snelweg? Zo nee, waarom niet?
Een gezonde leefomgeving is voor mensen van groot belang en derhalve wordt dit ook erkend als onderwerp van overheidsbeleid. Het recht op een gezonde leefomgeving is een richtinggevend uitgangspunt dat steeds afgewogen moet worden tegen andere belangen zoals economische activiteiten. De lokale overheden dragen de verantwoordelijkheid voor deze afwegingen en voor eventueel te nemen maatregelen. Wij gaan ervan uit dat dit wordt meegenomen in het verdere proces van consultatie rondom de ontwerp havenvisie en uiteindelijk de noodzakelijke aanpassingen in bestemmingsplannen en vergunningverlening. De wetgeving, waaronder de Wet publieke gezondheid, voorziet hier in de noodzakelijke waarborgen.
Kent u het onderzoek van De Stec Groep2 over de ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk? Deelt u de mening dat dit onderzoek uitwijst dat een groot deel van de logistieke bedrijven die zich zullen vestigen op het Logistiek Park Moerdijk binnen Nederland zullen verhuizen? Zo ja, kunt u aangeven wat er met de leegstand op de andere locaties zal gebeuren en of werknemers hierdoor hun baan zullen verliezen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het onderzoek van De Stec Groep concludeert dat het bestaande aanbod van logistieke centra in Zuid-Nederland, en West-Brabant in het bijzonder, op de middellange en lange termijn onvoldoende is om de vraag naar logistiek vastgoed goed te kunnen faciliteren. Het plan voor Logistiek Park Moerdijk speelt in op deze marktvraag. Logistieke bedrijven en investeerders in logistiek vastgoed kiezen op basis van hun eigen bedrijfseconomische afwegingen hun vestigingslocatie. Het is voor de economische ontwikkeling van ons land van belang dat er ondermeer in West-Brabant ook op langere termijn vestigingsplaatsen zijn die de concurrentie met locaties buiten Nederland aan kunnen.
Kunt u uiteenzetten welke invloed de toename aan vrachtverkeer op de A16 en de A17 zal hebben op de filedruk, de uitstoot van fijnstof en de leefbaarheid van de inwoners van de gemeente Moerdijk? Hoe beoordeelt u dat? Zo nee, waarom niet?
Uit de Nationale Markt en Capaciteitsanalyse 2011 is gebleken dat er op de A16 en A17 ter hoogte van Moerdijk tot 2030 nog capaciteit is om groei van extra verkeer op te vangen. Alleen in het hoge groeiscenario worden op de A17 en de A16 nabij de Moerdijkbrug wel de NoMo reistijdfactoren overschreden. Omdat uit de havenstrategie niet blijkt welke toename verwacht wordt aan vrachtvervoer op de weg kan niet aangegeven worden wat de exacte invloed is op de filedruk in dit gebied. Deze trajecten behoren echter niet tot de belangrijkste knelpunten op het Nederlandse wegennet en er zijn hier dan ook geen projecten voorzien. In 2012 voldeed de luchtkwaliteit in Moerdijk ruimschoots aan de grenswaarden, zowel in relatie tot verkeer (Monitoringsrapportage NSL 2012) als in relatie tot de industrie (Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2012, RIVM). Gezien de betrekkelijk lage waarden is het niet te verwachten dat nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot overschrijding van de grenswaarden.
Het plankgasplannetje op de A2 |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de antwoorden die de minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft gegeven eerdere schriftelijke vragen over snelheidsverhoging op de A2?1 Zijn de antwoorden op deze vragen met u afgestemd? Zo ja, waarom was u geen mede-ondertekenaar van de brief? Zo nee, vond u het verstandig van uw collega-bewindspersoon om afstemming achterwege te laten?
Ja, de beantwoording geschiedde namens het kabinet.
Deelt u de inschatting van de minister van I&M dat de maximumsnelheid op vrijwel de gehele A2 omhoog kan naar 130 km per uur, op sommige delen volgend jaar al? Zo ja, waar baseert u dat op en kunt u uiteenzetten welke gevolgen dat heeft voor de milieuruimte voor de agrarische en andere sectoren?
Zoals ik in het Algemeen Overleg Natura 2000 heb aangegeven, blijkt uit voorlopige berekeningen van het rekeninstrument AERIUS dat dit voor veel trajecten, voor wat betreft stikstof, wel het geval kan zijn en vermoedelijk niet ten koste zal gaan van ontwikkelruimte voor andere sectoren. Naast stikstof zijn ook de kwaliteit van de lucht en de geluidsproductie variabelen waar rekening mee gehouden moet worden bij snelheidsverhogingen. Hiervoor is het Ministerie van Infrastructuur en Milieu verantwoordelijk.
Kunt u garanderen dat uw Programmatische Aanpak Stikstof de stikstofreductie zal bewerkstelligen die de minister van I&M nu alvast claimt door beloftes te doen over snelheidsverhogingen op de A2? Zo ja, welke onderbouwing heeft u daarvoor en welke economische ontwikkelingen bent u bereid op te geven voor dit plankgasplannetje? Zo nee, bent u bereid de minister van I&M te laten weten dat zij ten onrechte op de zaken vooruit is gelopen?
De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is gebaseerd op stikstofreductie in combinatie met herstelmaatregelen in de natuur. Bij de vaststelling van het conceptprogramma PAS zal dit worden onderbouwd met de berekeningen op basis van het rekeninstrument AERIUS. Dan wordt duidelijk aan welke economische activiteiten de PAS ruimte zal bieden. Het conceptprogramma PAS zal ter inzage worden gelegd.
Op welke termijn denkt u dat de natuur en het milieu in Nederland zich voldoende hebben hersteld, zodat aan de voorwaarden2 van de minister van I&M wordt voldaan?
Zie antwoord op vraag 3. Met de PAS wordt zorg gedragen dat economische ontwikkelingen hand in hand kunnen gaan met verbetering van de natuurcondities.
Vindt u het chique om mensen voor te spiegelen dat de maximumsnelheid op bepaalde wegen of wegdelen zal worden verhoogd, terwijl nog allerminst zeker is of dat wel daadwerkelijk gaat gebeuren? Zo nee, bent u bereid de minister van I&M te vragen om het ontstane beeld te corrigeren?
Zie antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Het houden van haaien in een discotheek |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat er in de discotheek La Cattleya in Arnhem inmiddels een aquarium staat waar haaien in worden gehouden?1
Ja.
Heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehoor gegeven aan uw eerdere oproep om onderzoek te doen naar de komst van het aquarium met de haaien in deze discotheek?2 Zo ja, wat is hier uitgekomen? Zo nee, waarom is dit onderzoek niet uitgevoerd?
De NVWA heeft in mijn opdracht op 9 september jl. de betreffende horecagelegenheid geïnspecteerd. Voor de antwoorden op uw vragen waarom de NVWA pas kan optreden nadat deze is opengegaan, verwijs ik uw Kamer naar de antwoorden op Kamervragen van 26 juni jl. (vergaderjaar 2012–2013, Aanhangselnummer 2690).
De NVWA heeft vastgesteld dat de haaien gehouden worden in een horecagelegenheid met loungeachtige muziek, waarin geen flitslicht of stroboscopische verlichting wordt gebruikt of harde muziek wordt gespeeld. Tijdens een onverwachte inspectie, later in dezelfde week, bedroeg de gemiddelde geluidssterkte 84 decibel. In het aquarium met een inhoud van bijna 6 kubieke meter zwemmen 9 dieren, waaronder twee bandluipaardhaaien van ongeveer 80 cm. Het aquarium is ingericht door een professionele leverancier, die het aquarium dagelijks verzorgd. Er is vluchtgelegenheid voor de dieren in het aquarium. Het dag- en nachtritme is aangepast aan de openingsuren van het café.
De NVWA heeft geen dierenkwelling kunnen vaststellen, en daarmee ook geen overtreding. Er is geen wettelijke basis om handhavend op te treden en de dieren in beslag te nemen.
Heeft de NVWA een inspectie uitgevoerd voordat de discotheek opende? Zo nee, waarom is er gewacht tot er een verzoek tot controle is binnengekomen, terwijl de NVWA op de hoogte was van de plannen van de clubeigenaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat de NVWA inmiddels een controle heeft uitgevoerd op het welzijn van de haaien? Zo ja, wat is de uitkomst van de controle en welke stappen worden ondernomen om de haaien daar weg te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u nog steeds de mening dat haaien last hebben van harde geluiden, licht en trillingen en een aquarium in een discotheek geen natuurlijke of geschikte leefomgeving is voor dieren?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik uw Kamer naar de beantwoording van Kamervragen van 26 juni jl. (Kamerstuk II 26 991, nr.363)
Bent u nog steeds van mening dat een aquarium als aankleding van de ruimte niet tot de categorie redelijke doelen behoort om de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen, en dat dit dus verboden is krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Wet dieren? Zo ja, bent u bereid maatregelen te treffen? Zo nee, hoe ziet u dit dan?
Zie antwoord vraag 5.
Aanhoudende overtredingen van het verbod op het verloten van dieren |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van de Dierenbescherming waaruit blijkt dat er nog altijd paarden en pony’s worden verloot, terwijl dit verboden is krachtens artikel 57 van de huidige Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en artikel 2.13 van de Wet Dieren?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de sector zich kennelijk weinig aantrekt van de wetgever en de rechter, die duidelijk hebben bepaald dat het verloten van dieren niet is toegestaan, ook niet via constructies zoals tegoedbonnen of bemiddeling? Bent u bereid om de handhaving aan te scherpen en te bezien of de straffen die staan op overtreding van het verbod op het verloten van dieren voldoende afschrikwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Regelgeving dient te allen tijde nageleefd te worden. Ik betreur het feit dat bepaalde mensen dit verbod weigeren te respecteren terwijl zij hiervan op de hoogte zijn.
Ik heb voldoende mogelijkheden om tegen het verloten van dieren op te treden. Wanneer sprake is van een verloting van een dier kan, voordat de verloting plaatsvindt, aan de verlotende partij een last onder dwangsom worden opgelegd. Deze dwangsom is dermate hoog dat de intentie om de verloting door te laten gaan wordt weggenomen. Ook strafrechtelijk optreden is mogelijk.
Is het u bekend dat de manegehouder uit Assendelft, die al eerder is gestraft voor het illegaal verloten van pony’s en steeds aankondigt er gewoon mee door te gaan, nu van plan is een pony te verloten door mensen kosteloos lootjes te laten trekken?2 Vindt u dat aanvaardbaar? Zo ja, kunt u uitleggen waarom? Zo nee, kunt u uiteenzetten welke actie u onderneemt om deze en toekomstige verlotingen door notoire overtreders, zoals deze manegehouder, te voorkomen?
Ik ben hiervan op de hoogte en ik acht dit niet aanvaardbaar. Er is wederom bestuursrechtelijk opgetreden tegen deze manegehouder.
Kunt u bevestigen dat ook andere dieren zoals kalveren en duiven nog steeds verloot worden en kunt u aangeven welke dieren er nog meer verloot worden? Zo nee, waarom niet?
Het is onmogelijk om permanent toezicht te houden op elke locatie waar dieren worden gehouden. De handhavingsdiensten reageren met betrekking tot het verbod op het verloten van dieren voornamelijk op meldingen, die bijvoorbeeld via 144 kunnen worden gedaan.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het verbod op verloting van dieren in de praktijk wordt gehandhaafd en kunt u inzicht geven in het aantal overtredingen dat de afgelopen jaren is geconstateerd en welke maatregelen daarop gevolgd zijn? Zo nee, waarom niet?
Het verbod op verlotingen wordt onder meer gehandhaafd op grond van meldingen. Handhaving vindt langs bestuursrechtelijke of strafrechtelijke weg plaats. Het aantal overtredingen dat verband houdt met een verloting heeft sinds 2011 vijf maal geleid tot een last onder dwangsom en één maal tot een waarschuwing.
De schimmelinfectie die de vuursalamander bedreigt |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat er een schimmelinfectie is ontdekt die de vuursalamander bedreigt1 2?
Ja.
Deelt u nog steeds3 de zorgen over de snelle achteruitgang van de vuursalamander? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening van dr. Freek Vonk dat dit een belangrijke doorbraak is en dat er middelen vrijgemaakt moeten worden voor verder onderzoek en bescherming van de vuursalamander? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de onderzoeksresultaten, waarnaar u in uw vraag 1 verwijst, een belangrijke doorbraak vormen.
Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Bent u op de hoogte van de verspreiding van een vergelijkbare schimmelinfectie (Batrachochytrium dendrobatidis)die onlangs nog door de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) werd gekwalificeerd als de meest ernstige infectieziekte onder gewervelde dieren, gelet op het aantal betrokken soorten, het uitstervingsrisico en geografische verspreiding?
Ja.
Ziet u aanwijzingen dat de schimmelinfectie over kan springen naar andere amfibieën? Zo nee, waarom deelt u de vrees van wetenschappers niet?4 Zo ja, wat gaat u doen om andere soorten salamanders en kikkers te beschermen?
Of ook andere soorten amfibieën even bevattelijk zijn voor deze schimmelinfectie als de vuursalamander dient nader te worden onderzocht.
Bent u bereid een meerjarig onderzoek in te stellen naar de verspreiding van de infectie, welke vectoren een rol spelen en wat de reservoirs zijn van de schimmel?
Ik inventariseer met betrokken onderzoekers en beheerders de prioriteiten voor verder onderzoek en remediërende maatregelen. Ik ben bereid hier een financiële bijdrage aan te leveren.
Bent u bereid contact op te nemen met uw Europese collega’s en te onderzoeken hoe ver en hoe snel de besmetting zich verspreidt? Zo ja, wanneer en bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat dit onderzoek het belang van de monitoring onderstreept en van de vrijwilligers die dit werk uitvoeren?
Ja.
Bent u bereid om RAVON de opdracht te geven om met terrein beherende organisaties te inventariseren welke maatregelen genomen kunnen worden om verdere verspreiding te voorkomen en de salamanders beter te beschermen? Zo ja, wanneer en bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Het stopzetten diervriendelijke aanpak zwerfkattenprobleem terwijl jacht op katten blijft toegestaan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Is het waar dat u een stand-still beleid heeft ingesteld voor het afgeven van ontheffingen voor het terugplaatsen van verwilderde zwerfkatten? Zo ja, kunt u uiteenzetten waarom u deze beslissing heeft genomen en welke onderzoeken u heeft betrokken bij dit besluit? Zo nee, hoe is dan het vigerende beleid met betrekking tot deze ontheffingen?
Aan 4 organisaties is ontheffing verleend voor het uitzetten van verwilderde katten, op basis van de TNR-methode (TNR = Trap-Neuter-Return). De afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de effectiviteit van de TNR-methode. Dit is aanleiding om, in overleg met de huidige ontheffinghouders, het huidige beleid te bezien op effectiviteit en, indien nodig, te herzien. In afwachting van de uitkomsten hiervan worden geen nieuwe ontheffingen verstrekt. Ik wijs erop dat de huidige ontheffingen landsdekkend zijn.
Kunt u bevestigen dat er ontheffingen zijn aangevraagd voor het vangen, castreren en terugplaatsen van zwerfkatten door burgers en stichtingen, die al jarenlang proberen een diervriendelijke bijdrage te leveren aan de oplossing van het zwerfkattenprobleem aan de hand van deze Trap-Neuter-Return-methode (TNR-methode)?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe waardeert u het werk van de vrijwilligers, die veel tijd en moeite steken in het verzorgen van zwerfkatten, het opvangen, socialiseren en plaatsen van kittens en het voorkomen van uitbreiding van de zwerfkattenpopulaties, meestal zonder enige (financiële) steun van de (plaatselijke) overheid? Kunt u uitleggen waarom u deze stichtingen geen ontheffing zou willen verlenen voor het werk dat zij al jaren belangeloos doen?
In zijn algemeenheid heb ik bijzondere waardering voor mensen die zich inzetten voor het verzorgen van dieren, waaronder zwerfkatten. Zie verder antwoord op vraag 1.
Kunt u bevestigen dat provincies aanwijzingen afgeven aan jagers voor het afschieten van verwilderde zwerfkatten in het buitengebied?
Ja, in mijn brief van 22 januari 2013 (Kamerstuk, 28 286, nr. 613) heb ik daarvan reeds mededeling gedaan.
Deelt u de mening dat het buitengewoon wrang zou zijn als stichtingen, die zich inzetten voor een diervriendelijke aanpak van het zwerfkattenprobleem, geen ontheffing krijgen voor hun werk, terwijl er voor het simpelweg afschieten van zwerfkatten wel toestemming wordt verleend? Zo nee, hoe ziet u het dan?
Er zijn thans ontheffingen verleend waarmee landsdekkend het zwerfkattenprobleem via de TNR-methode kan worden aan gepakt. Het verlenen van toestemming voor afschieten van zwerfkatten is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Kunt u uiteenzetten hoeveel zwerfkatten er naar schatting leven in Nederland en hoeveel zwerfkatten door dierenbeschermingsorganisaties en -stichtingen jaarlijks volgens de TNR-methode worden teruggeplaatst en hoeveel katten er jaarlijks door jagers worden afgeschoten? Zo nee, waarom heeft u dergelijke gegevens niet?
Zoals in mijn brief van 22 januari 2013 aangegeven, is niet bekend hoeveel zwerfkatten in Nederland leven. De Dierenbescherming vangt jaarlijks ca. 35.000 zwerfkatten op in asielen. Daarnaast vangt de Dierenbescherming jaarlijks ca. 6.000 zwerfkatten, die na behandeling volgens de TNR-methode worden teruggeplaatst op de vangplek. Voor gegevens over afschot van zwerfkatten verwijs ik u naar de provincies.
Acht u het denkbaar dat u bij de in de Kamer gevoerde discussie over het invoeren van een Identificatie- en Registratieplicht (I&R-plicht) voor katten onvoldoende zicht had op de relatie met en de precieze omvang van het zwerfkattenprobleem? Bent u bereid te erkennen dat een I&R-plicht voor katten voor een belangrijk deel het ontstaan van zwerfkattenpopulaties kan voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid uw standpunt over I&R bij katten te herzien en de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken (Kamerstuk 31 389, nr. 108), die vraagt om invoering van een Identificatie- en Registratieplicht voor katten, over te nemen?
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 januari jl. heb ik aangegeven dat de verwachte bijdrage van een verplichte I&R kat aan het structureel terugdringen van het aantal zwerfkatten gering zal zijn. Daarnaast brengt een I&R kat grote administratieve lasten met zich mee. Voor een nadere motivatie verwijs ik u naar deze brief.
Deelt u de mening dat de TNR-methode in de tussentijd kan bijdragen aan het kleiner worden van populaties zwerfkatten? Zo nee, kunt u dat wetenschappelijk onderbouwen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 wordt het beleid bezien op de effectiviteit. Ik wacht de uitkomsten hiervan af.
Bent u bereid de organisaties en stichtingen, die de TNR- methode hanteren, (tijdelijke) ontheffingen te verlenen, zodat zij hun belangrijke (vrijwilligers)werk kunnen voortzetten, in elk geval totdat u eventueel nieuw beleid heeft ontwikkeld voor een diervriendelijke aanpak van het zwerfkattenprobleem?
In overleg met de huidige ontheffinghouders zal het toekomstige beleid worden vormgegeven. Er is geen noodzaak om tijdelijke ontheffingen te verstrekken, omdat de huidige ontheffinghouders reeds landsdekkend werken.
Bent u bereid provincies op te roepen te stoppen met het afgeven van aanwijzingen voor het afschieten van zwerfkatten en bestaande aanwijzingen in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het al dan niet afschieten van zwerfkatten is een verantwoordelijkheid van de provincies. Daar wil ik mij niet in mengen.
Het dumpen van hondjes |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat er in Voorburg zes pups bijna verdronken zijn, doordat een man een mand met pups boven het water omkieperde en daarna wegliep?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hier gaat om het dumpen van pups en dat het slecht had kunnen aflopen met de pups, zoals in Terschuur gebeurd is?2 Zo neen, hoe ziet u het dan?
Aangezien het Openbaar Ministerie nog in afwachting is van het proces-verbaal en de zaken beoordeeld dienen te worden, kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Wat vindt u ervan dat de man de pups heeft terug gekregen, nadat hij verklaarde de pups niet te willen laten verdrinken maar te laten zwemmen, terwijl een getuige hem bewust heeft zien weglopen na het dumpen van de pups in het water?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u ook het geval waarbij een nog zogende moederhond is achtergelaten bij een supermarkt en de eigenaar van deze hond de pups mocht houden?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat wanneer een persoon bewust dieren dumpt, diegene deze of andere dieren niet meer zou mogen houden? Zo ja, wat gaat u doen om situaties als bovenstaande te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Ten algemene, wordt het zich ontdoen van een dier (dumpen) in het concept-Besluit houders van dieren expliciet aangemerkt als dierenmishandeling. Ik beoog hiermee het aantonen van overtreding van het verbod op dierenmishandeling te vereenvoudigen. Indien de rechter van oordeel is dat sprake is geweest van dierenmishandeling dan kan een houdverbod van maximaal 10 jaar als voorwaarde bij een voorwaardelijke straf worden opgelegd. Het is aan de rechter om de straf te bepalen.
Resistente schimmel bij patiënten en in huizen als gevolg van landbouwgif |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van de Radboud Universiteit1 waaruit blijkt dat er een nieuwe resistente schimmel is aangetroffen in Nederland, niet alleen bij patiënten maar ook in woonhuizen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja. Het onderzoek beschrijft het vóórkomen van resistentie van de schimmel Aspergillus fumigatus in Nederland. Aspergillus komt veel voor in het leefmilieu. Het is algemeen bekend dat deze schimmel in zeer zeldzame gevallen ernstige ziekte kan veroorzaken. Ook is er al geruime tijd aandacht voor deze resistentieproblematiek. De behandeling van patiënten is namelijk veel lastiger als de schimmel resistent is. Uit dit recente onderzoek blijkt dat de resistente schimmel op veel plekken in Nederland vóórkomt.
Kunt u bevestigen dat deze schimmel verschillende ziekten kan veroorzaken bij de mens, waaronder een zeer ernstige longinfectie bij mensen met een verminderde weerstand, en dat deze patiënten vanwege de resistentie zeer moeilijk te behandelen zijn?
De schimmel Aspergillus fumigatus kan verschillende ziekten veroorzaken bij de mens, zoals longontsteking. Patiënten lopen deze Aspergillusziekten op door inademing van sporen vanuit de omgeving. Gezonde mensen worden bijna nooit ziek van het inademen van deze sporen.
De meest ernstige ziekte veroorzaakt door Aspergillus fumigatus is een zeer ernstige longinfectie (invasieve aspergillose) die jaarlijks bij 577 patiënten wordt gediagnosticeerd. Een aantal van deze patiënten is geïnfecteerd door een resistente variant van de schimmel. Uit onderzoek is gebleken dat wanneer dit een infectie met een resistente schimmel betreft, patiënten moeilijk te behandelen zijn. Dit is zorgwekkend. De problematiek beperkt zich tot bepaalde risicogroepen. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u tevens bevestigen dat dit de tweede resistente schimmel is die de onderzoekers hebben gevonden, en dat beide schimmels zich razendsnel over het land verspreiden? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Welk risico ziet u hierbij voor de volksgezondheid?
Uit onderzoek blijkt dat de azool resistente Aspergillus in heel Nederland vóórkomt. Dit is ongewenst omdat de behandeling van een infectie met een resistente schimmel complex is.
Het risico voor de volksgezondheid beperkt zich tot bepaalde risicogroepen die in verhoogde mate vatbaar zijn voor infecties, zoals patiënten met chronische longziekten en patiënten met sterk verminderde weerstand zoals patiënten die voor leukemie worden behandeld of een orgaantransplantatie hebben ondergaan. Gezonde mensen kunnen de resistente schimmel bij zich dragen maar worden er niet ernstig ziek van.
Is het bekend hoeveel mensen er inmiddels zijn overleden vanwege schimmels die resistent zijn? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit te onderzoeken?
Er zijn geen exacte gegevens bekend. Op basis van gegevens van onderzoekers wordt geschat dat tussen 30 en 50 patiënten per jaar in Nederland overlijden met een resistente Aspergillusschimmel. Het gaat hier om mensen die ook voor de infectie met een schimmel al ernstig ziek zijn. Het is daarom niet altijd duidelijk wat de bijdrage van de schimmelinfectie aan het overlijden is. Wel is duidelijk dat resistentie de behandeling compliceert.
Deelt u het vermoeden van de onderzoekers dat de resistente schimmel ontstaat door het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen schimmels in de leefomgeving, zoals bijvoorbeeld bij gewasbescherming in de landbouw? Zo nee, waarom niet en welke wetenschappelijke onderbouwing heeft u hierbij? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De prevalentie van azoolresistentie betrof in 2012 6,6%3. Ik deel de zorg dat het gebruik van azolen in de leefomgeving resistentie kan veroorzaken bij de Aspergillusschimmel. Azolen worden onder andere gebruikt als werkzame stoffen in (dier)geneesmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen, biociden en in cosmetica. Het moleculaire werkingsmechanisme van de voor medische toepassingen gebruikte triazolen is vergelijkbaar met de door u genoemde vijf typen fungiciden.
Of de vijf typen fungiciden die in de vraag worden genoemd een rol spelen bij het ontstaan van resistentie is niet wetenschappelijk bewezen, maar is ook niet uitgesloten. De vijf genoemde fungiciden worden gebruikt als gewasbeschermingsmiddel in de land- en tuinbouw, maar er zijn ook biocide toepassingen, namelijk conservering van hout en tenttextiel waarin een aantal van deze fungiciden worden gebruikt. Het is onbekend welke toepassing verantwoordelijk is voor het ontstaan van resistentie.
Kunt u bevestigen dat ook uit de Nethmap 20122 blijkt dat resistente schimmels een steeds groter probleem worden, dat bij ongeveer 10% van de patiënten die last heeft van schimmels resistentie wordt aangetroffen en dat vermoed wordt dat de oorzaak van de zich verspreidende resistentie het gebruik van azolen in de leefomgeving is?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u bevestigen dat uit de Nethmap blijkt dat de resistentie in de schimmels moleculair sterk lijkt op vijf typen fungiciden die tussen 1990 en 1996 zijn toegelaten op de Nederlandse markt door het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), namelijk tebuconazool, epoxiconazool, difenoconazool, bromuconazool en propiconazool, en dat een oorzakelijk verband tussen de resistentie en het gebruik van deze fungiciden in de landbouw dus zeer waarschijnlijk is? Zo nee, waarom niet en hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u inzicht verschaffen in het totale gebruik van middelen op basis van deze stoffen in Nederland sinds 1990? Kunt u dit correleren aan de ontwikkeling van de resistentie van schimmels? Zo nee, waarom beschikt u niet over deze gegevens? Bent u bereid om op korte termijn hiernaar onderzoek uit te voeren?
Gegevens over gebruik van deze middelen zijn beschikbaar voor toepassing in de gewasbescherming, maar niet voor biociden of cosmetica. De beschikbare gegevens zijn niet goed te correleren aan de ontwikkeling van de resistentie.
Deze zomer levert Royal HaskoningDHV een rapport op van een onderzoek dat naar dit onderwerp wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. Het ministerie van I&M wil door middel van dit onderzoek inzicht krijgen in de vraag of biociden een rol spelen bij de resistentie van schimmels tegen azolen. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan andere producten waarin azolen worden gebruikt, zoals gewasbeschermingsmiddelen.
Kunt u bevestigen dat onderzoekers zoals de heer Verweij van het Universitair Medisch Centrum St Radboud al jaren, in ieder geval sinds 2009, aandacht hebben gevraagd voor dit probleem en hebben aangedrongen op maatregelen in de landbouw om dit urgente probleem aan te pakken?3
Naar aanleiding van onder andere het onderzoek van professor Verweij heeft er op 15 oktober 2010 een deskundigenberaad plaatsgevonden bij het RIVM over resistente schimmels. Hierbij stuur ik u deze toe (bijlage 16). Naar aanleiding van het deskundigenberaad is een referentielaboratorium ingesteld dat wordt gefinancierd door het ministerie van VWS. De ontwikkeling van het aantal patiënten en mogelijke nieuwe risicogroepen wordt door dit referentielaboratorium nauwlettend gevolgd.
Ik heb u in de beantwoording van de Kamervragen uit 2010 (Tweede Kamer 2009–2010 3271) niet toegezegd het rapport van de NVWA over resistente schimmels toe te zenden. Dit rapport van de NVWA is sinds 5 oktober 2010 openbaar. U vindt het rapport in bijlage 27. De NVWA adviseert een aantal onderzoeken op te zetten. Naar aanleiding van het eerder genoemde deskundigenberaad heb ik daar een belangrijke stap in gezet door het instellen van een referentielaboratorium.
Het ministerie van I&M heeft hier door middel van het onderzoek dat genoemd is in het antwoord op vraag 8 een vervolg aan gegeven.
Kunt u uiteenzetten hoe u op deze oproepen heeft gereageerd en welke maatregelen u heeft getroffen om de resistentie van schimmels door het gebruik van azolen binnen en buiten de landbouw aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Op eerdere vragen in 2010 over dit onderwerp4 heeft u toegezegd dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onderzoek zou doen naar de resistentie van schimmels en het verband hierbij met het gebruik van azolen binnen en buiten de landbouw, hoe staat het nu met dit onderzoek? Indien dit onderzoek ondertussen is afgerond, waarom is de Kamer daarover dan niet geïnformeerd conform uw toezegging? Indien dit onderzoek nog niet is afgerond, wanneer zal dat dan wel het geval zijn en waarom heeft dit zolang geduurd?
Zie antwoord vraag 9.
In 2011 heeft u beloofd5 dat in het Nationaal Actieprogramma (NAP) uiteengezet zou worden hoe u de problematiek van resistentie van schimmels voor azolen in de landbouw zou willen aanpakken, waarom heeft u dit niet gedaan?
Bij nader inzien werd het NAP niet de juiste plaats gevonden om de problematiek van de azolen op te nemen, omdat het NAP alleen over onderwerpen ging die in de Europese richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn verplicht om op te nemen. In de Nota «Gezonde groei, duurzame oogst» is de keuze gemaakt om aan voedselveiligheid aandacht te geven, met name van de residuen.
Dat neemt niet weg dat er binnen de departementen aandacht wordt besteed aan de resistentie problematiek bij azolen. Voorbeelden hiervan zijn het referentielaboratorium dat in 2011 is gestart en het onderzoek dat in vraag 8 is genoemd.
In 2011 heeft u ook gezegd dat er op Europees niveau een expert meeting georganiseerd zou worden door het Europees Centrum voor Ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), waar zou worden gesproken over de relatie tussen de opkomst van deze resistente schimmel en het gebruik van azolen; wat waren de uitkomsten van deze meeting en welke ontwikkelingen hebben zich sindsdien op Europees niveau voorgedaan?
Er hebben op Europees niveau twee expert meetings plaatsgevonden wat geresulteerd heeft in een «technical report» dat is opgesteld door het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) en eind februari 2013 is verschenen. De belangrijkste aanbevelingen in het rapport zijn: verbetering van surveillance, ontwikkeling van diagnostische methoden waarmee resistentie kan worden vastgesteld en onderzoek naar de oorzaak van resistentie in het milieu door omgevingsonderzoek.
Kunt u uitleggen waarom er ook in uw Nota « Gezonde Groei, Duurzame Oogst»; Tweede nota duurzame gewasbescherming periode 2013 tot 2023»6 geen aandacht wordt geschonken aan de problematiek van resistentie van schimmels voor azolen in de landbouw?
Zie antwoord vraag 12.
Op welke manier wilt u de problematiek van resistentie van schimmels voor azolen in de landbouw (alsnog) gaan aanpakken?
Het is nog onduidelijk waar de oorzaak van de resistentie ligt, dat kan in de landbouw zijn, maar ook er buiten. Ik wacht eerst de uitkomsten af van het bij vraag 8 genoemde onderzoek dat in opdracht van het ministerie van I&M is gestart.
Bent u bereid om middelen op basis van tebuconazool, epoxiconazool, difenoconazool, bromuconazool en propiconazool onmiddellijk van de markt te halen en de toelating in te trekken uit het oogpunt van de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Voor zowel gewasbeschermingsmiddelen als biociden geldt een toelatingsregime. Voordat een werkzame stof/middel op de markt wordt gebracht, moet de aspirant toelatinghouder aantonen dat de risico’s van deze stof of dit middel aanvaardbaar zijn voor mens, dier en milieu.
Het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is verantwoordelijk voor de toelating (en eventueel intrekken) van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ctgb kan een toelating alleen intrekken of beperken op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie die een dergelijke maatregel onderbouwt.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het notaoverleg over de Tweede nota duurzame gewasbescherming op 1 juli 2013?
Zoals ik u heb laten weten door middel van een uitstelbrief is het mij niet gelukt de antwoorden op de Kamervragen voor 1 juli 2013 aan u toe te sturen.
Het misbruiken van Braziliaanse ‘Moeders voor Moeders’ door MSD voor vruchtbaarheidsversnellers voor de bio-industrie |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «De spuit erin, want welke dag kost varkenshouder geld», waarin de Volkskrant uiteen zet hoe MSD Braziliaanse zwangere vrouwen heeft gebruikt voor de productie van het middel PG600 om varkens in de bioindustrie sneller vruchtbaar te krijgen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Braziliaanse zwangere vrouwen die meewerken aan het «Moeders voor Moeders»-programma nooit zijn geïnformeerd over het feit dat hun urine ook gebruikt zou worden voor de verkoop van middelen aan de varkensindustrie?
MSD heeft zelf aangegeven dat de vrouwen die meededen aan het Braziliaanse programma Moeders voor Moeders destijds niet op de hoogte zijn gebracht van het juiste gebruik van de ingezamelde HCG hormonen. In Brazilië is volgens MSD het inzamelen van urine voor veterinaire doeleinden enkele jaren geleden gestopt «mede vanwege het feit dat er onduidelijkheid was over het gebruik van de ingezamelde urine». Er werd verteld dat hun urine gebruikt werd voor de productie van geneesmiddelen, zonder onderscheid te maken tussen een humaan of veterinair geneesmiddel.
Ik ben van mening dat deelnemers altijd correct en volledig geïnformeerd moeten worden, ook in het programma Moeders voor Moeders. Het afstaan van urine voor geneesmiddelen, humaan en / of veterinair, kan alleen op vrijwillige basis gebeuren en in volledige transparantie. Omdat het programma inmiddels zelf door MSD is stopgezet hoef ik er geen consequenties aan te verbinden, maar in de toekomst, zal ik, zover mijn bevoegdheid strekt, geen vergunning meer verlenen in dergelijke gevallen.
Wat vindt u ervan dat MSD de urine van Braziliaanse «Moeders voor Moeders» (heeft) gebruikt voor een vruchtbaarheidsversneller voor de bioindustrie, zonder dat deze vrouwen daarvan op de hoogte zijn gebracht? Deelt u de mening dat hier sprake is van schaamteloze misleiding? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom vindt u dit een toelaatbare handelwijze?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat varkens in de bioindustrie die vijf dagen nadat hun biggen bij hen zijn weggehaald niet spontaan «berig» worden, een spuit met het middel PG600 krijgen om hen opnieuw vruchtbaar te maken? Kunt u uiteenzetten op hoeveel varkensbedrijven dit in Nederland gebeurt, bij hoeveel varkens jaarlijks zulke hormooninjecties worden gebruikt voor een snelle productie van nageslacht en welke hoeveelheden van PG600 in totaal worden gebruikt? Zo neen, waarom weet u dit niet?
Zeugen die vijf dagen na het spenen nog niet berig zijn, worden zeer zelden met PG 600 behandeld. Een zeugenhouder is gebaat bij zo groot mogelijke tomen (=worp) en optimale vruchtbaarheid, dus bij een optimale berigheid. Het opwekken met PG 600 geeft een slechtere berigheid, dus een lagere vruchtbaarheid en kleinere tomen. Daarom is PG 600 voor een zeugenhouder geen eerste optie. Werken aan een optimale berigheid via verzorging en verbeterde bedrijfsmanagement is een betere route.
Dat blijkt ook uit het feit dat MSD de omzet jaarlijks ziet dalen van PG 600. Exacte gegevens over het aantal bedrijven die dit middel gebruiken en bij hoeveel varkens zijn niet bekend.
Kunt u bevestigen dat er voor de productie van PG600, naast de urine van zwangere vrouwen, het bloed van drachtige paarden wordt gebruikt? Is het waar dat voor dit doel in Nederland 2.000 pony’s worden gehouden bij wie twee keer per week bloed wordt afgetapt, met een hoeveelheid van ongeveer 1 procent van het lichaamsgewicht van de drachtige pony? Zo neen, hoe zit het dan?
Uit de registratie dierproeven van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) blijkt dat voor het doel «Onderzoek t.b.v. de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten» dierproeven op paarden worden verricht.
Bloedafname voor het produceren van biologische producten is een dierproef volgens de Wet op de dierproeven (Wod) en worden sinds 2000 als zodanig geregistreerd. Vóór 2000 werd het afnemen van bloed bij paarden gezien als een niet experimentele handeling in het kader van de landbouwkundige praktijk en werd dit om die reden niet als dierproef geregistreerd.
In «Zo doende», het jaaroverzicht van de nVWA over dierproeven en proefdieren, is aangegeven dat voor onderzoek ten bate van de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten in 2010, 2.148 en in 2011, 2.030 dierproeven op paarden zijn verricht. De gegevens waar u naar vraagt worden niet verzameld bij de registratie dierproeven. Over gegevens die tijdens inspecties worden verkregen wordt niet gerapporteerd.
Kunt u bevestigen dat het houden van pony’s voor het aftappen van bloed voor de productie van PG600 een dierproef is volgens de Wet op de dierproeven? Is het waar dat deze dierproef al meer dan 35 jaar wordt uitgevoerd, waarbij door de jaren heen steeds nieuwe pony’s worden gebruikt en drachtig worden gemaakt voor het aftappen van bloed dat dient als grondstof voor een vruchtbaarheidsversneller voor varkens? Zo neen, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uiteenzetten: – hoeveel «producenten» van paardenbloed van drachtige pony’s er zijn in Nederland? – hoeveel pony’s zij jaarlijks gebruiken voor deze dierproef en hoeveel pony’s in totaal al zijn gebruikt voor de productie van bloed? – vanaf welke leeftijd de pony’s drachtig worden gemaakt? – hoe vaak een pony gedurende haar leven wordt gebruikt voor deze dierproef, dat wil zeggen, hoe vaak zij drachtig wordt gemaakt en hoeveel tijd er wordt gehanteerd tussen bevalling en nieuwe inseminatie? – tot welke leeftijd de pony’s worden gebruikt voor deze bloedproductie en wat er met de pony’s gebeurt als zij niet meer worden gebruikt voor deze dierproef? Zo neen, kunt u uitleggen waarom u geen antwoord heeft op deze vragen als in het kader van de Wet op de dierproeven deze gegevens hadden moeten worden aangeleverd bij (of gecontroleerd moeten kunnen worden door) de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gebeurt er met de veulens die als gevolg van deze dierproef worden geboren?
De merries zijn geen proefdier meer aan het eind van de dracht. De veulens worden niet in het kader van een dierproef of als proefdier geboren en worden dus ook niet geregistreerd als proefdier. Derhalve zijn er geen gegevens bekend.
Hoeveel controles van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vinden er jaarlijks plaats bij producenten van paardenbloed?
De NVWA inspecteert minimaal 1 keer per jaar iedere vergunninghouder.
Is het waar dat de dierexperimentencommissie van Organon in 2011 bezwaren had tegen de productie van paardenbloed van zwangere pony’s en geen positief advies meer wilde geven over het toestaan van deze dierproef? Is het waar dat er in 2012 alsnog groen licht werd gegeven voor voortzetting van deze dierproeven door de dierexperimentencommissie van Intervet, dat onderdeel is van MSD? Hoe beoordeelt u deze verschillende uitkomsten van de aanvraag voor dezelfde dierproef?
Uit het jaarverslag van de dierexperimentencommissie (DEC) blijkt niet dat ze geen positief advies meer wilden geven maar de discussie over de alternatieven bij de andere DEC wilde laten voeren. Ik ga ervan uit dat de discussie over de alternatieven bij de andere DEC grondig is gevoerd.
Onderschrijft u de analyses van de in het Volkskrant-artikel geciteerde deskundigen, dat zeugen na hun eerste worp in menselijke termen tienermoeders zijn met relatief weinig reserves, waarop hun lichaam reageert door niet meteen weer berig te worden, en dat de dieren waarbij PG600 wordt gebruikt niet ziek zijn, maar alleen niet berig op het moment dat de varkenshouder het graag zou zien? Zo ja, deelt u de mening dat PG600 niet als een veterinair geneesmiddel mag worden gezien? Zo neen, waarom niet?
Een zeugenhouder is gebaat bij een goed volgroeide jonge zeug voor de eerste keer biggen. Als zeugjes te jong zijn, zal de biggenproductie bij de volgende worpen aanzienlijk minder zijn. En zal de zeug ook minder worpen in totaal produceren. Als ze door fouten toch te vroeg geïnsemineerd worden, wordt een varkenshouder geadviseerd om na het spenen van die worp een berigheidscyclus over te slaan in plaats van het gebruik van PG 600.
PG 600 heeft een toelating als diergeneesmiddel op de Nederlandse markt en mag als zodanig voor de in de toelating genoemde indicaties bij het varken worden voorgeschreven worden door de dierenarts.
Kunt u bevestigen dat de productie van paardenbloed van zwangere pony’s in de jaarregistraties van de NVWA «Zodoende» wordt ingedeeld onder de proeven die gericht zouden zijn op de gezondheid van dieren? Deelt u de mening dat dat een valse voorstelling van zaken is, omdat het niet gaat om een middel dat bedoeld is om zieke dieren te genezen, maar om de productie in de bioindustrie zo hoog mogelijk te houden?
Deze dierproeven worden in het jaaroverzicht over dierproeven en proefdieren van de NVWA (Zo doende) gerubriceerd onder het doel «Onderzoek ten behoeve van de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten».
Kunt u duidelijk maken welke andere dierproeven die (in «Zodoende») worden geschaard onder de bevordering van de gezondheid van dieren feitelijk proeven zijn ten behoeve van vlees-, zuivel- en eierproductie? Zo neen, waarom niet?
De doelen in de Wod zijn overgenomen als doel in de registratie dierproeven. Het is aan een dierexperimentencommissie om te toetsen of het ongerief dat de dieren wordt berokkend opweegt tegen het belang van de proef.
Kunt u bevestigen dat dierproeven ten behoeve van vlees-, zuivel- en eierproductie niet zijn toegestaan krachtens de Wet op de dierproeven? Zo ja, hoe heeft het kunnen gebeuren dat de productie van paardenbloed na inwerkingtreding van deze wet gewoon is doorgegaan en tot op de dag van vandaag nog altijd plaatsvindt? Zo neen, kunt u dit toelichten? Deelt u de mening de wet geen ruimte zou moeten bieden voor proeven die gericht zijn op economische productie?
Artikel 1 van de Wet op de dierproeven bepaalt dat een dierproef met als doel de beantwoording van een wetenschappelijke vraag binnen de reikwijdte van de wet valt. De beantwoording van een wetenschappelijke vraag waardoor de productie van vlees, zuivel en eieren wordt verbeterd valt dan ook onder de Wet op de dierproeven. De wet noemt in artikel 10 twee omstandigheden waaronder een dierproef vanwege het daarmee nagestreefde doel verboden is. Het artikel verbiedt ten eerste het uitvoeren van dierproeven voor een doel dat ook kan worden bereikt op een andere manier dan door middel van een dierproef, of door middel van een dierproef waarbij minder dieren kunnen worden gebruikt of minder ongerief wordt berokkend; en ten tweede het uitvoeren van een dierproef waarvan het belang niet opweegt tegen het ongerief dat aan het proefdier wordt berokkend. De afweging of van deze omstandigheden sprake is bij dierproeven voor de verbetering van productieomstandigheden voor dieren die voor landbouwdoeleinden worden gefokt moet per geval worden gemaakt. De wet sluit dit type dierproeven in ieder geval niet categorisch uit.
Ten aanzien van de dierproeven met paardenbloed ten behoeve van het produceren van de vruchtbaarheidsversnellers laat ik onderzoeken of de vergunning voor deze proeven nog binnen deze kaders valt.
Bent u bereid de registratie van PG600 als veterinair geneesmiddel in te (laten) trekken?
Het diergeneesmiddel PG600 is toegelaten op de Nederlandse markt conform de Europese eisen gesteld in Richtlijn 2001/82 en Verordening (EU) Nr. 37/2010. Hiermee voldoet het middel aan de eisen voor werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit en vormt het gebruik van dit middel geen risico voor de voedselveiligheid. Er zijn geen gronden om op basis hiervan de marktoelating van dit middel als diergeneesmiddel door te halen.
Bent u bereid deze dierproeven onmiddellijk stop te zetten en het gebruik van paardenbloed als middel om varkens versneld vruchtbaar te maken te verbieden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bewegende lasers aan windmolenwieken in vogelgebied |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het kunstproject om lasers te bevestigen aan de windmolens op de zeewering van de Tweede Maasvlakte? Wat vindt u van het plan?1
Ja.
Is er onderzoek gedaan naar de effecten van deze bewegende lasers op de vogeltrekroute langs de kust?
Nee, daar is geen onderzoek naar gedaan.
Deelt u de mening dat belangrijke vogeltrekroutes niet verstoord moeten worden door lasershows? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat belangrijke vogeltrekroutes niet verstoord moeten worden; of dat in het geval van het mogelijke lichtkunstwerk aan de orde is komt in een later stadium van de besluitvorming aan de orde.
Bent u bereid om het Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB), eigenaar van de zeewering, de opdracht te geven natuurverstorende activiteiten actief te voorkomen, ook als die mogelijk blijken binnen de marges van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) neemt geen standpunt in ten aanzien van een mogelijk lichtkunstwerk en laat de beslissing daarover aan de exploitant over. Deze zal moeten aantonen dat geen significante nadelige effecten op beschermde natuur ontstaan.
Deelt u de mening van het college van Rotterdam dat de exploitant van de windmolens moet aantonen dat er geen significante effecten op de natuur optreden?2
Ja.
Deelt u de mening dat voor dit kunstproject een ontheffing van de verboden in de Flora- en faunawet voor het verstoren van beschermde diersoorten, zoals de meeuwenkolonie op de Maasvlakte, zou moeten worden verleend en dat er geen goede redenen zijn om dit te doen?
Als het kunstproject doorgaat zal bekeken moeten worden of er een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is. De effecten van de windturbines, met of zonder lichtkunstwerk, moeten passen binnen de wettelijke kaders. Daarbij mogen geen significante nadelige effecten op beschermde natuur ontstaan. Onderzoek zal dat moeten aantonen.
Kunt u wetenschappelijk aantonen dat de broedkolonies van vogels in de omgeving, zoals de beschermde lepelaars, geen hinder zullen ondervinden van de lasers?
Hier is tot nu toe voor zover mij nu bekend geen onderzoek naar gedaan.
Is er volgens u voldoende onderzoek gedaan naar de effecten van windmolens op de zeewering van de Tweede Maasvlakte op de verschillende lokale vogels en de vogeltrekroute langs de kust? Zo ja, welke onderzoeken? Zo nee, gaat u dat onderzoek entameren?
Dergelijk onderzoek maakt deel uit van de juridische procedures rond het plaatsen van windmolens op de Tweede Maasvlakte. Zie verder mijn antwoord bij vraag 7.
De fraudebestendigheid van het registratiesysteem voor honden |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Hondenregistratie zo lek als een mandje»?1
Ja.
Deelt u de mening dat wanneer fraude in de hondenregistratie mogelijk is de ambities om illegale handel, dumping en mishandeling van honden tegen te gaan door middel van de hondenregistratie niet bereikt kunnen worden? Zo neen, hoe ziet u dit?
Nee. Het systeem van identificatie en registratie van honden dat sinds 1 april van dit jaar verplicht is, is een belangrijk instrument voor de NVWA om malafide hondenfokkerij en -handel op te sporen. Mogelijke tegenstrijdigheden of omissies in de registratie van een hond kan juist voor de NVWA een indicatie zijn voor mogelijke illegale en malafide praktijken.
Is het waar dat persoonlijke gegevens door middel van een toegangscode in het systeem verwijderd kunnen worden zodat honden anoniem gedumpt kunnen worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo neen, waarom niet?
De meldingen in het kader van de identificatie en registratie van honden vinden plaats bij door mij aangewezen private registratiesystemen. Vervolgens worden deze data doorgestuurd naar een centrale databank dat beheerd wordt door Dienst Regelingen van mijn ministerie. Wil een private registratiesysteem worden aangewezen dan dient deze te voldoen aan een aantal strikte beveiligingseisen. Dienst Regelingen ziet hierop toe.
Door te werken met een centrale databank náást al bestaande privaat beheerde registratiesystemen heeft de NVWA zo goed mogelijke toegang tot de voor haar onderzoeken gewenste informatie. Daarnaast kunnen privaat beheerde databanken deze data blijven gebruiken voor hun eigen activiteiten, zoals het terugbrengen van zoekgeraakte honden naar hun baas (als eigenaren toestemming hebben gegeven de registratiegegevens daarvoor te gebruiken).
Slechts een zeer beperkte groep gebruikers heeft toegang tot de door Dienst Regelingen beheerde centrale databank. Daarbij gelden bovendien strikte afspraken over het muteren van gegevens. Het verwijderen van gegevens uit het centrale datasysteem is slechts mogelijk door Dienst Regelingen. Ik zie daarom geen reden de procedures ten aanzien van de centrale databank aan te passen.
Klopt het dat er verschillende databases zijn met chipnummers? Zo ja, waarom is er niet gekozen voor één gezamenlijke database? Zo neen, hoe zit het dan?
Zie voor de systematiek van een centrale databank naast privaat beheerde registratiesystemen ook het antwoord op vraag 3.
Om voor de opsporing van malafide praktijken gebruik te kunnen maken van de gegevens uit de verschillende private databases is ervoor gekozen de relevante gegevens voor die opsporing in één centrale databank onder te brengen die beheerd wordt door Dienst Regelingen. Hierdoor worden de activiteiten van de private registratiesystemen zo min mogelijk beperkt en geeft het anderen voor de toekomst ook de vrijheid om een privaat beheerde databank te ontwikkelen en te exploiteren. Tevens is door aan te sluiten bij bestaande registratiesystemen (een groot deel van de honden is in Nederland al vrijwillig gechipt en geregistreerd) geprobeerd de verplichte registratie sinds de verplichtstelling voor de burger zo gemakkelijk mogelijk te maken. Ook geeft deze samenwerkingsvorm voor alle betrokkenen zo laag mogelijke uitvoeringslasten van de verplichte identificatie en registratie van honden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om fraude met het systeem van hondenregistratie te voorkomen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo neen, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om het systeem waar net mee is gestart te wijzigen. Over 3 jaar worden de maatregelen genomen in het kader van identificatie en registratie van honden geëvalueerd. Aan de hand van de evaluatie zal ik bezien of en in welke mate er maatregelen nodig zijn.
De oproepen van de Dierenbescherming om te stoppen met de verkoop van konijnen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Dierenbescherming tegen winkeliers: stop met verkoop konijnen»1 en «Delft opgeschrikt door konijnenmishandeling»?2 Kunt u zich voorstellen dat de Dierenbescherming tot een dergelijke oproep komt, gelet op het grote aantal konijnen dat op straat of in opvangcentra belandt en op de erbarmelijke omstandigheden waaronder deze dieren worden gefokt en getransporteerd vanuit onder andere Oost-Europa? Zo neen, waarom niet?
Ja. Initiatieven die gestart worden om te zorgen dat konijnen, en andere dieren, uit de opvang een goed thuis krijgen bij een nieuwe eigenaar krijgen, vind ik een goede zaak. Het initiatief van de Dierenbescherming is daar een mooi voorbeeld van.
Wat vindt u ervan dat opvangplekken van konijnen bomvol zitten en veel konijnen letterlijk op straat worden gezet, terwijl tegelijkertijd volop met konijnen wordt gefokt om te verkopen in onder andere tuincentra en dierenwinkels? Deelt u de zorgen van de Dierenbescherming en anderen over deze situatie? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u het aprilnummer van Dibevo Vakblad gezien, een uitgave van de brancheorganisatie van fokkers, handelaren en verkopers van huisdieren die ook inspraak heeft op uw beleid? Heeft u dan ook gelezen dat de auteur van «Manipuleren kun je leren» aan het woord wordt gelaten en tips geeft hoe je twijfelende ouders in een dierenwinkel kunt overhalen een konijn aan te schaffen voor hun kind?3
Ja.
Wat vindt u ervan dat de brancheorganisatie van verkopers van huisdieren in de praktijk aanstuurt op impulsaankopen, terwijl zij beweert in te zetten op weloverwogen aankopen en voorlichting over onder andere gedrag, huisvesting en kosten? Hoe beoordeelt u dit in het licht van de lobby vanuit de sector tegen wettelijke maatregelen om impulsaankopen en dump van dieren terug te dringen, omdat zij dat zelf wel goed zou kunnen reguleren?
De verkoper wordt bij het in werking treden van het besluit Gezelschapsdieren verplicht om mogelijke kopers te wijzen op de zorg die een dier behoeft en ze daarmee te behoeden voor impulsaankopen. De koper heeft bij de aanschaf van een gezelschapsdier ook de verantwoordelijkheid zich vooraf goed te informeren over de specifieke behoeftes van het dier en hij dient daarbij de consequenties van het houden van dat dier te overzien.
Aan die informatievoorziening draagt de overheid bij via een bijdrage aan het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren. Op de website van dit informatiecentrum kunnen potentiële kopers informatie verkrijgen alvorens over te gaan tot het aanschaffen van een huisdier.
Een vorm van zelfregulering vanuit de sector, zoals certificatie, kan een goede aanvulling vormen op de voorschriften van het Besluit gezelschapsdieren, die voor een deel uit doelvoorschriften bestaan.
Zoals toegezegd stuur ik uw Kamer voor de zomer een beleidsbrief dierenwelzijn, waar impulsaankopen onderdeel van uit maakt.
Bent u bereid om de roep om zelfregulering vanuit de sector te weerstaan en de oproep van de Dierenbescherming om de verkoop van konijnen een halt toe te roepen mee te nemen in uw beleidsbrief dierenwelzijn, waarin u terugkomt op uw toezegging om impulsaankopen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Haaien als attractie in een club |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Haaien nieuwe attractie op Arnhemse Korenmarkt»?1
Ja.
Is het waar dat er plannen zijn voor een permanent aquarium met haaien in een club in Arnhem? Zo ja, wat vindt u ervan dat twee haaien opgesloten worden in een aquarium van 5,5 bij 2 meter ter vermaak en het aantrekken van bezoekers? Deelt u de mening dat (het risico op) aantasting van het welzijn van dieren niet te verantwoorden is voor dergelijke doelen?
Er bestaan plannen voor een aquarium in een club in Arnhem. Bij navraag bleek dat het aquarium een omvang krijgt van 500 cm lengte, 90 cm diepte en 130 cm hoogte. In het aquarium worden enkele gekweekte kleine haaiensoorten en groupersoorten van circa 30 cm lengte gehouden. Mogelijk komen daar nog enkele vissoorten bij. Het hangt van de inrichting van het aquarium en de directe omgeving ervan af of de natuurlijke leefomgeving benaderd wordt.
Het is mogelijk dat in een omgeving met een hoge geluidsdruk het geluid wordt overgedragen naar het zeewater in een aquarium. Het is bekend dat geluiden vissen, haaien en roggen kunnen verstoren. Dit kan ook het geval zijn met bepaalde geluidsfrequenties, zoals die voorkomen in een bar/dancing, trillingen veroorzaakt door dansende mensen en het gebruik van licht. Wanneer deze drie factoren zich tegelijkertijd voordoen is het mogelijk dat de dieren in een aquarium te veel worden belast en dat de biologische klok van de vissen wordt verstoord.
Het welzijn en de gezondheid van dieren in allerlei situaties wordt beschermd door artikel 36, lid 1, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Mocht dit aan de orde zijn dan behoort een aquarium als aankleding van de ruimte wat mij betreft niet tot de categorie redelijke doelen. Op dit moment doet de situatie zich echter nog niet voor in de betreffende club. Ik heb de NVWA verzocht hiernaar nader onderzoek te doen.
Wat is de rol van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) als een dergelijk plan naar buiten komt? Is het waar dat er vooraf geen toetsing plaatsvindt op het welzijn van de dieren? Zo neen, hoe zit het dan?
De dierenwelzijnswetgeving kent, met uitzondering van het Dierentuinenbesluit, geen bepalingen waar toetsing van dergelijke plannen vooraf is voorgeschreven. Het Dierentuinenbesluit is in dit geval niet van toepassing. Wanneer een dergelijk plan naar buiten komt, maar niet is uitgevoerd, is er derhalve op dat moment nog geen rol voor de NVWA. Dit is wel het geval op het moment dat plannen worden gerealiseerd.
Kunt u bevestigen dat haaien gevoelig zijn voor geluid en gestresst kunnen raken in een klein aquarium in de omgeving van een club? Deelt u de mening dat een aquarium in een club geen natuurlijke leefomgeving is voor dieren en dit ook nooit zal worden? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de plannen om haaien te gebruiken als attractie tegen te houden? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het houden van haaien als gezelschapsdieren in de toekomst te verbieden via de positieflijst waar de Kamer om heeft gevraagd? Wanneer kan de Kamer uw voorstel voor de positieflijst verwachten?
Op 19 juni jl. is een brief over de positieflijst over te houden zoogdieren naar de Tweede Kamer gestuurd, waarnaar ik kortheidshalve wil verwijzen.
Het gebruik van slangen in amusementsprogramma’s |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wat er ook gebeurt: altijd blijven zingen»?1
Ja.
Deelt u de mening van Dr. Freek Vonk dat (zowel acute als langdurige) stress bij dieren het immuunsysteem aantast en dat dat de kans op een infectie nog groter maakt?2
In artikel 36, lid 1, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is aangegeven dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Ook amusementsprogramma’s dienen zich hieraan te houden.
Op basis van dit artikel voert de NVWA – onder leiding van het Openbaar Ministerie – een strafrechtelijk onderzoek uit naar een mogelijke overtredingen van dit artikel. In dat onderzoek waar de mate van stress onderdeel van is worden ook deskundigen op het terrein van dierenwelzijn geraadpleegd. Hangende dat onderzoek doe ik geen mededelingen over de uitlatingen van Dr. Freek Vonk en de stress, die de slangen mogelijk ondergaan hebben.
Deelt u de mening dat de in het programma getoonde slangen zichtbaar enorme stress hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het veroorzaken van stress bij dieren ten behoeve van amusement moet worden bestreden? Zo ja, op welke wijze wilt u programma’s als deze aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het toezicht op het gebruik van dieren ten behoeve van amusement te verscherpen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Nee, juist het feit dat er onmiddellijk een onderzoek is gestart door de NVWA geeft mij geen aanleiding het toezicht te verscherpen.
De detentie van Abdulkareem Yousef al-Khoder in Saudi-Arabië |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Bram van Ojik (GL), Kees van der Staaij (SGP), Désirée Bonis (PvdA), Han ten Broeke (VVD), Raymond de Roon (PVV), Pieter Omtzigt (CDA), Henk Krol (50PLUS), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «Saudi Arabia court orders arbitrary detention of human rights defender»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat onlangs Abdulkareem Yousef al-Khoder, mede-oprichter van de inmiddels ontbonden Saudische Organisatie voor Burger- en Politieke Rechten (ACPRA), zonder opgaaf van redenen tot vier maanden detentie is veroordeeld? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Samen met EU-partners wordt momenteel onderzoek gedaan in Riyadh naar de achtergrond van de arrestatie, onder andere via contacten met de Human Rights Commission en de National Society for Human Rights. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek zal in EU-verband worden bezien of, en zo ja welke, actie effectief en wenselijk is.
Nederland streeft naar een verbeterde mensenrechtensituatie in Saudi-Arabië en zet zich in het bijzonder in voor de positie van mensenrechtenactivisten. Deze thematiek wordt in EU-verband, door middel van bezoek van de Mensenrechtenambassadeur en ook in reguliere contacten met de Saudische autoriteiten onder de aandacht gebracht.
Wat is u bekend over de redenen voor zijn detentie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvattingen van Amnesty International dat het proces tegen Al-Khoder niet plaats had moeten vinden en dat het lijkt dat de aanklachten tegen hem volledig op zijn werk als mensenrechtenactivist zijn gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u verder de opvatting van Amnesty International dat net als drie andere, eerder veroordeelde oprichters van ACPRA, Al-Khoder een gewetensgevangene is die onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrijgelaten zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid bij uw collega’s in Saudi-Arabië aandacht te vragen voor deze zaak en op te roepen tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Al-Khoder en de andere oprichters van ACPRA? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het doden van een hond na een bijtincident |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Vrouw sluit zich op in kooi bij rechtbank om hond te redden», over een vrouw die protesteerde tegen het plan om haar hond te doden, nadat de hond haar gebeten had?1
Ja.
Is het waar dat de betreffende hond de dag nadat een bijtincident had plaatsgevonden door de politie in beslag is genomen en dat het dier zal worden geëuthanaseerd zonder dat bekeken is of een training met de hond een oplossing zou kunnen zijn?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente te besluiten hoe om te gaan met bijtincidenten. De burgemeester heeft de advocaat van de eigenaresse bericht dat hij het aanbod van het Martin Gaus Gedragscentrum accepteert om de hond kosteloos op te nemen en te bekijken of het dier nog trainbaar is en zo ja, het dier vervolgens in bijzijn van de eigenaresse te trainen. Hierna zal een advies worden uitgebracht hoe verder met het dier dient te worden omgegaan. De burgemeester heeft daarbij aangegeven de optie open te houden om op kosten van de gemeente na afloop van de training alsnog een risico-assesment te laten uitvoeren door de Gedragskliniek Utrecht. Het dier bevindt zich nu in het Martin Gaus Gedragscentrum.
Bent u bereid op zoek te gaan naar oplossingen op maat voor honden, zoals gehoorzaamheids- en gedragscursussen, opdat er geen honden onnodig meer worden gedood? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de Raad voor Dierenaangelegenheden gevraagd zijn zienswijze op te stellen over de wijze waarop maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag van honden ten algemene – en agressie in het bijzonder – voorkómen kan worden, zowel in preventieve als in curatieve zin met als doel het verkrijgen van beter gesocialiseerde honden en in het verlengde daarvan een substantiële vermindering van het aantal bijtincidenten. Ik heb daarbij aangegeven dat het van belang is dat de veiligheid van de mens voorop wordt gesteld. Ik wacht de zienswijze van de Raad af waarna ik u zal informeren.
Deelt u de mening dat er een einde zou moeten komen aan verkeerd uitgevoerde gedragstesten, die een onbetrouwbare uitslag kunnen geven met alle gevolgen van dien? Zo ja, kunt u in de door u toegezegde zienswijze2 uiteenzetten hoe u gaat zorgen voor betrouwbare methoden om mogelijk agressieve honden zorgvuldig te testen en te trainen?
Zie antwoord vraag 3.
De Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoe het proces rond de totstandkoming van de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming momenteel verloopt?
Ik heb recent overleg gehad met de bestuurders van betrokken maatschappelijke partijen. Ik zal de Nota afronden en u deze in mei toezenden.
Kunt u aangeven hoe de uitvoering van de motie Grashoff (Kamerstuk 32 372, nr. 65) over het instellen van een verbod op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat voor niet-commerciële doeleinden nu verloopt?
De twee onderzoeken, die door mijn voorganger zijn uitgezet, zijn vrijwel gereed. Het eerste onderzoek betreft de kosten van chemische en niet-chemische onkruidbestrijding. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door TAUW.
Het tweede onderzoek betreft de duurzaamheidaspecten van chemische versus niet-chemische bestrijding van onkruid op verhardingen. Dit onderzoek is uitgevoerd door CLM. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken zal ik mijn besluit baseren en in de tweede Nota opnemen. Ik zal u beide rapporten doen toekomen, tegelijk met verzending van de tweede Nota duurzame gewasbescherming.
Wie is er verantwoordelijk voor het vergelijkend onderzoek tussen chemische en niet-chemische onkruidbestrijding?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is het waar dat Nefyto verantwoordelijk is voor de uitwerking van het onderwerp «Stimuleren niet-chemische methoden»? Zo ja, waarom heeft u de branche-organisatie van de bestrijdingsmiddelenfabrikanten, die voor het overgrote merendeel baat hebben bij de verkoop van chemische bestrijdingsmiddelen, verantwoordelijk gemaakt voor het stimuleren van niet-chemische alternatieven? Zo nee, hoe zit het dan?
De staatssecretaris van Economische Zaken en ik zijn verantwoordelijk voor het beleid rondom duurzame gewasbescherming en dus voor het beleid rondom niet-chemische methoden voor gewasbescherming In de Tweede Nota duurzame gewasbescherming zult u onze voornemens op dit punt aantreffen. Bij de totstandkoming van de nota is overleg geweest met de meest betrokken maatschappelijke organisaties.
Wanneer kan de Tweede Kamer de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming verwachten?
Zie antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om deze vragen voor of tegelijkertijd met het versturen van de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming te beantwoorden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Overtredingen bij het zaaien van met bestrijdingsmiddelen behandelde zaden en plotselinge vogelsterfte in Friesland |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat voor (vrijwel) alle gangbare suikerbieten die in Nederland worden geteeld geldt dat het zaaizaad met een neonicotinoide, zoals imidacloprid, is behandeld? Zo nee, welk percentage van de suikerbieten in Nederland wordt wel behandeld met neonicotinoiden en welk percentage niet?
Ongeveer 75% van het zaaizaad van suikerbieten wordt behandeld met neonicotinoïden.
Kunt u bevestigen dat het zaaien van zaaizaad dat is behandeld met neonicotinoiden, zoals imidacloprid, aan strenge voorschriften is verbonden?
Het zaaien van zaaizaad dat is behandeld met neonicotinoïden is aan diverse voorschriften gebonden om risico voor mens, dier en milieu te beperken. Zo is het bij geen enkele neonicotinoïde toepassing op zaaizaad toegestaan dat er tijdens het zaaien zaden aan het oppervlak blijven liggen.
Kunt u bevestigen dat deze toepassing alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt?1
Vier gewasbeschermingsmiddelen op basis van drie neonicotinoïden hebben een Nederlandse toelating voor behandeling van suikerbietenzaden: imidacloprid (Gaucho en Sombrero), clothianidin (Poncho Beta) en thiamethoxam (Cruiser SB). Middels het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG) van deze middelen is vereist dat uitzaai alleen plaatsvindt met behulp van precisiezaai, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt.
Bij de toepassing met neonicotinoïden die op suikerbieten kunnen worden gebruikt, mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van gepilleerd bietenzaad, dat alleen met precisiezaai mag worden toegepast. Het pilleren van de bietenzaden zorgt ervoor dat de zaden een harde (klei-achtige) korst krijgen, die van een opvallende kleur wordt voorzien. Deze zaden hebben dan niet meer de vorm van een zaad, maar zijn relatief grote pillen of kogeltjes geworden welke door de vogels niet als zaad worden herkend. In alle gevallen moeten de zaden met grond worden bedekt, en gemorst product moet worden verwijderd.
Kunt u bevestigen dat het wettelijk gebruiksvoorschrift voorschrijft dat om de vogels en de zoogdieren te beschermen, het product volledig in de bodem moet worden ondergewerkt en dat blootstelling aan zaden geminimaliseerd worden moet worden? Zo ja, kunt u de reden voor deze gebruiksvoorschriften aangeven?
Ja, dit onderwerken is een vereiste voor het behandeld zaaizaad waarbij enige toxiciteit voor vogels en /of zoogdieren te verwachten is. Deze zinnen op het Wettelijk gebruiksvoorschrift zijn dan ook Europees vastgesteld. Door het onderwerken wordt de beschikbaarheid en daardoor de blootstelling van vogels/zoogdieren aan die zaden tot een aanvaardbaar risico verminderd.
In het licht van deze gebruiksvoorschriften, hoe beoordeelt u het bericht over het inzaaien van suikerbieten, waarin wordt geconstateerd dat er in het Noorden door de harde wind veel verstuiving plaatsvond, en waarin wordt gerapporteerd dat er op een perceel van 15 hectare, 15 procent van de zaden bloot lag?2
Op grond van het door u geciteerde artikel kan niet worden vastgesteld of er sprake was van een overtreding, omdat informatie over de omstandigheden tijdens inzaai ontbreekt.
Deelt u de mening dat het blootliggen van zaden die behandeld zijn met neonicotinoiden een groot gevaar vormt voor vogels en andere dieren? Kunt u de gevaren hiervan duiden en kwantificeren?
Behandeld zaad kan een risico vormen voor vogels en zoogdieren, als deze het zaad opeten. Daarom mag behandeld zaad alleen met behulp van precisiezaai gezaaid worden, waarbij het behandelde zaad direct met grond wordt bedekt.
Kunt u bevestigen dat er hier omgerekend 225.000 giftige suikerbietzaadjes open en bloot voor het oppikken lagen, alleen al op die 15 hectare? Hoe beoordeelt u dit?
De NVWA heeft geen melding ontvangen over een mogelijke overtreding in dit specifieke geval. De ligging van het perceel of de percelen zijn niet bekend bij de NVWA.
Aangezien niet (door de overheid) is vastgesteld welk percentage behandelde zaden bloot is komen te liggen en welke zaaidichtheid op het betreffende perceel is aangehouden, kan ik niet beoordelen hoeveel suikerbietenzaadjes exact bloot lagen. Ik kan ook niet beoordelen of het hier om behandeld zaad ging.
Kunt u bevestigen dat het zaaien van met neonicotinoiden behandeld zaad bij te harde wind een overtreding van de wet is? Zo ja, welke sanctie staat er op deze overtreding?
Als er een overtreding plaatsvindt van het wettelijk gebruiksvoorschrift staat er een sanctie van € 1.500 op.
Verder geldt in zijn algemeenheid dat zorgvuldig moet worden om gegaan met het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen (Zorgplicht art. 2a WGB).
Bij overtreding van dit artikel wordt een boete van € 500 opgelegd.
Kunt u aangeven of er in dit geval handhavend is opgetreden? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u dit alsnog laten doen? Zo ja, welke sanctie heeft de betreffende teler gekregen?
Er is bij de NVWA geen melding ontvangen over een mogelijke overtreding. Naast mogelijke controle acties die voortvloeien uit meldingen voert de NVWA reguliere toepassingscontroles uit. Tijdens deze reguliere controles zijn geen overtredingen geconstateerd. De NVWA heeft geen aanwijzingen dat in strijd met de voorschriften is uitgezaaid.
Om deze redenen zijn er geen sancties opgelegd.
Kunt u aangeven of, en zo ja hoeveel en door wie, er is gecontroleerd op het volgen van de gebruiksvoorschriften tijdens het inzaaien van suikerbieten?
NVWA controleert op de juiste toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Daarbij kijkt de NVWA op basis van geconstateerde risico’s.
Het uitzaaien van behandeld bietenzaad wordt door de NVWA niet als een risicovolle toepassing gezien. Het uitzaaien van bietenzaad gebeurt met een machine die automatisch direct het zaad onderwerkt, de zogenaamde precisiezaai. Slecht onderwerken van het zaad als gevolg van zaaien bij ongunstig harde wind of vlak daarvoor, is voor boeren financieel ongunstig en niet in hun belang, daarom zou het in strijd werken met het gebruiksvoorschrift nadelig zijn.
Kunt u de conclusies van het recente rapport van de Amerikaanse Vogelbescherming bevestigen dat één enkel met neonicotinoïde behandeld zaadje genoeg gif bevat om een zangvogel te doden?3
De berekeningen die in het genoemde ABC-rapport zijn gedaan, zijn gebaseerd op de Noord-Amerikaanse toelatingen van drie neonicotinoiden in mais, granen en koolzaad. ABC trekt deze conclusie in één geval: bij met imidacloprid gecoat maiszaad.
In de beoordeling door Ctgb van zaadbehandelingsmiddelen in Nederland wordt rekening gehouden met het 1-korrel-criterium. Dat wil zeggen dat opname van 1 zaadje niet tot sterfte mag leiden. Alle in Nederland toegelaten neonicotinoïden zijn getoetst aan dit 1-korrel-criterium en voldoen daaraan. De berekening van het 1-korrelcriterium is gebaseerd op een acute toxiciteitsnorm, de dosering (gehalte werkzame stof per zaadje) en een voor het type zaad relevante vogelsoort met een bepaald lichaamsgewicht.
Heeft u er kennis van genomen dat er in de week na het incident waarbij er veel giftige zaden voor het oppikken lagen, een grote hoeveelheid dode vogels is gevonden in een bos in Friesland4 in een gebied waar veel suikerbieten worden geteeld?5
Volgens het artikel waarnaar wordt verwezen, en andere bronnen over dat incident, is de sterfte van de vogels (spreeuwen) voornamelijk te wijten aan de enorme aantallen van die vogels. Als oorzaak wordt in het artikel genoemd dat een grote groep kraaien hun nesten beschermen tegen de spreeuwen. Hierdoor botsen grote groepen spreeuwen in de lucht. Een relatie met vergiftiging door inname van behandelde zaden wordt in het artikel niet gelegd.
Daarnaast heb ik contact gehad met de gemeente Heerenveen. De gemeente geeft aan dat er in de winterperiode grote zwermen spreeuwen overnachten op haar grondgebied, onder andere in het Hepkema Bos. De spreeuwen overnachten met grote aantallen in slechts een klein aantal bomen.
Na melding bij de gemeente heeft het wijkteam geconstateerd dat door het gewicht van de spreeuwen een tak is afgebroken en als gevolg daarvan een 50 tal spreeuwen dood is gegaan. Dit betrof een eenmalig incident. Gezien het feit dat de oorzaak duidelijk was heeft de gemeente besloten om de dode vogels niet verder te laten onderzoeken. Ook de gemeente legt geen relatie tussen deze incidentele sterfte en de inname van zaden door vogels, aangezien er rond Heerenveen vrijwel geen suikerbieten worden geteeld.
Het Ctgb heeft geen signalen ontvangen van het CIDC (Centraal Instituut voor Dierziekte Controle) in Lelystad, dat er een koppeling is tussen sterfte en een gewasbeschermingsmiddel. Ook bij de NVWA zijn geen meldingen binnengekomen.
Kunt u een oorzakelijk verband tussen het blootliggen van een grote hoeveelheid giftige zaden en de grote plotselinge sterfte van vele vogels uitsluiten? Zo ja, op grond van welke informatie? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat het «incident» waarbij vele giftige zaden blootlagen, opnieuw aantoont dat de gebruiksvoorschriften van bestrijdingsmiddelen zeker niet altijd nageleefd worden? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie ook mijn antwoord onder vraag 9 en 10. Uit de door u aangereikte informatie en vanuit informatie van de NVWA kan ik niet concluderen dat er sprake was van overtreding van de gebruiksvoorschriften bij het zaaien van behandeld suikerbietenzaad. Het naleven van de voorschriften is uiteraard een belangrijke zaak.
De NVWA voert regelmatig representatieve nalevingmetingen uit om per doelgroep (sector) een vinger aan de pols te houden. Wanneer uit deze metingen blijkt dat er sprake is van risico’s voor mens, dier en milieu leidt dit tot gerichte controleacties. Op grond van de door u aangereikte informatie kan niet geconcludeerd worden dat de regelgeving bij het zaaien van behandelde suikerbietenzaad niet wordt nageleefd. Ik zet de handhaving voort.
Deelt u de mening dat het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een veel ruimere marge en strengere criteria zou moeten hanteren in haar toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen, omdat in de praktijk steeds weer blijkt dat de gebruiksvoorschriften niet of onvoldoende nageleefd worden, en dat de risico’s voor mens, dier en milieu van de toegelaten bestrijdingsmiddelen in de praktijk dus veel groter zijn dan het Ctgb in haar toelatingsbesluiten stelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het Ctgb hiertoe opdracht te geven?
Het Ctgb maakt bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen gebruik van internationaal afgestemde toetsingskaders. Zo ook bij de beoordeling van de risico’s voor vogels en zoogdieren. Het Ctgb gebruikt in de risicobeoordeling veiligheidsmarges die in beginsel afdoende zijn om «onvoorziene effecten» van het gebruik van de middelen te beperken.
Dat neemt niet weg dat er incidenten kunnen zijn met gevolgen voor het milieu. Maar daar lijkt hier, op basis van de beschikbare gegevens, geen sprake van te zijn. Uiteraard reageert het Ctgb, ook in Europees verband, alert op nieuwe wetenschappelijke inzichten.
De NVWA voert regelmatig representatieve nalevingmetingen uit om per doelgroep (sector) de mate van naleving te onderzoeken. Wanneer uit deze metingen blijkt dat er sprake is van risico’s voor mens, dier en milieu leidt dit tot gerichte controleacties.
Op grond van de door u aangereikte informatie kan niet geconcludeerd worden dat de regelgeving bij het zaaien van behandelde suikerbietenzaad niet wordt nageleefd.
De gevaren van bestrijdingsmiddelen voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het Australische onderzoek waaruit blijkt dat de kans op een hersentumor bij jonge kinderen wordt vergroot wanneer moeder en/of vader tijdens de zwangerschap met pesticiden in aanraking komen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan?1
Ik heb kennisgenomen van het Australische onderzoek naar het verband tussen blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en de kans op hersentumoren bij jonge kinderen. 1) Ik heb voor de beantwoording van deze vragen wetenschappelijk advies ingewonnen bij het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en het Milieu (RIVM) en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgb en het RIVM hebben geconcludeerd dat voor bestrijdingsmiddelen die in Nederland zijn toegelaten vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat deze middelen leiden tot tumorvorming in de hersenen. Dit blijkt uit de dierstudies die worden aangeleverd voor de toelating van actieve stoffen voor deze bestrijdingsmiddelen. De conclusies van het RIVM en het Ctgb geven daarom geen aanleiding tot het nemen van maatregelen.
Het RIVM en het Ctgb concluderen dat hoewel er in dit geval meerdere wetenschappelijke studies bestaan die wijzen op een mogelijk verband, dit niet wil zeggen dat er sprake is van oorzaak en gevolg. Ten eerste kunnen de resultaten vertekend zijn doordat de blootstelling niet objectief gemeten is, maar werd nagevraagd toen de kinderen al ziek waren. Ten tweede is de kans aanwezig dat onderliggende factoren die zowel samenhangen met de blootstelling aan pesticiden als met het risico op de ziekte, in werkelijkheid verantwoordelijk zijn voor het gevonden verband. Voor een aantal factoren is zo goed mogelijk gecorrigeerd in het onderzoek, maar mogelijk zijn er nog meer factoren die niet gemeten zijn. Een oorzakelijk verband is waarschijnlijker als er een mogelijk onderliggend mechanisme voor het verband bekend is. In deze studie is dat lastig omdat het onbekend is welke middelen er zijn gebruikt. Onderbouwing van een oorzakelijk verband is gewenst alvorens een conclusie kan worden getrokken over de betekenis van deze studie.
Kunt u bevestigen dat de gifstoffen waaraan deze risico’s verbonden zijn, ook in Nederland worden toegepast? Kunt u tevens bevestigen dat deze gifstoffen onder andere binnenshuis worden aangewend in onder meer mierenlokdoosjes, middeltjes tegen vlooien bij huisdieren en in zogenoemde plantpins, waarmee insecten op kamer-, balkon- en kuipplanten worden bestreden? Kunt u dus bevestigen dat aanstaande ouders ook makkelijk met deze middelen in aanraking komen?
In het Australische onderzoek worden geen specifieke middelen of werkzame stoffen genoemd. Het onderzoek noemt enkel «professional pest control treatment» tegen termieten of tegen spinnen en andere insecten. Aan ouders werd gevraagd of een dergelijke behandeling plaats vond binnenshuis of in de tuin binnen 1 jaar voor zwangerschap, tijdens de zwangerschap of na de geboorte van het kind. De auteurs van het artikel geven dan ook zelf aan dat niet kon worden vastgesteld aan welke stoffen of middelen de gezinnen waren blootgesteld. Hierdoor is het onduidelijk aan welke werkzame stoffen en op welk niveau de ouders waren blootgesteld. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of in de Nederlandse situatie aanstaande ouders eventueel in aanraking komen met mogelijk betrokken bestrijdingsmiddelen. Daaruit volgt eveneens dat het voor mij niet mogelijk is om vast te stellen of de bedoelde stoffen en middelen in de EU en in Nederland een toelating hebben.
Wordt er in Nederland ook onderzoek uitgevoerd in de praktijk naar de effecten van deze gifstoffen en de mogelijke vergroting van het risico op hersentumoren door deze bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Op welke wijze en termijn wordt dit soort nieuwe wetenschappelijke inzichten verwerkt in de criteria en procedures waarmee het College voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden nieuwe bestrijdingsmiddelen op de Nederlandse markt toelaat? Kunt u dit specifiek toelichten en aangeven hoe kan worden gecontroleerd of relevante maatschappelijke inzichten zijn meegenomen in toelatingsbesluiten?
Bij het beoordelingsproces voor de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt de werkzame stof of stoffen uitvoerig beoordeeld, dat geldt ook voor de middelen op basis van deze stoffen. Het Ctgb maakt hierbij gebruik van Europees geharmoniseerde toetsingskaders. Bij de totstandkoming van deze toetsingskaders wordt gebruikt gemaakt van de nieuwste internationale wetenschappelijke inzichten. Toelating is slechts mogelijk als er geen effecten zijn voor mens en dier en geen onaanvaardbare effecten voor het milieu.
Tijdens de beoordelingsprocedure worden, met behulp van diverse studies, de kankerverwekkende en reprotoxische (ofwel effecten op de voortplanting) eigenschappen van de werkzame stoffen, inclusief mogelijke effecten op de ontwikkeling van volgende generaties, uitgebreid beoordeeld.
Ook bij de beoordeling van de risico’s voor jonge kinderen en zwangere vrouwen maakt het Ctgb gebruik van internationaal afgestemde toetsingskaders die zodanige veiligheidsmarges aanhouden dat er bij een toelating sprake is van een acceptabel risico. Het lijkt hiermee zeer onwaarschijnlijk dat een verband is tussen de eenmalige blootstelling van de ouders aan een stof tijdens het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de ontwikkeling van hersentumoren in kinderen zoals wordt vastgesteld in het Australische onderzoek. Mochten er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die een direct gevaar voor mens, dier of milieu identificeren, dan zal het Ctgb, uiteraard in Europees verband, hier alert op reageren.
Deelt u de mening dat dit soort nieuwe wetenschappelijke inzichten ook per direct consequenties zouden moeten hebben voor de betreffende gifstoffen die momenteel al zijn toegelaten op de Nederlandse markt, zoals imidacloprid, en dat deze dus van de markt gehaald moeten worden? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet en op welke manier kunt u garanderen dat de effecten van deze gifstoffen die zich in Australië hebben voorgedaan niet ook in Nederland optreden?
Nieuwe wetenschappelijke inzichten die duiden op risico's voor de volksgezondheid van biociden of gewasbeschermingsmiddelen moeten zorgvuldig worden gewogen. Als uit deze afweging blijkt dat er sprake is van risico's voor de volksgezondheid moeten zo snel mogelijk gepaste maatregelen worden genomen. Er kan echter niet vooruitgelopen worden op dergelijke nieuwe inzichten en daarbij zijn situaties niet identiek. Hierdoor is het niet mogelijk om standaardmaatregelen of -termijnen vast te stellen om te reageren op nieuwe wetenschappelijke inzichten.
Voor een antwoord op de deelvraag over garanties dat de in de Australische studie gevonden effecten in Nederland uitblijven, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
De handhaving van het coupeerverbod voor honden en paarden |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de aflevering van Undercover in Nederland1, waarin te zien is dat er op shows in Nederland veel gecoupeerde honden rondlopen terwijl het couperen van honden sinds 2001 in Nederland verboden is?
Ja.
Wat vindt u er van dat er blijkbaar een dagelijkse praktijk is van het illegaal couperen van honden uit Nederlandse kennels in België?
In de bovengenoemde aflevering is te zien dat honden worden gecoupeerd in België door een dierenarts. Net als in Nederland is het couperen van honden in België verboden. De beelden zijn verontrustend en geven weer dat sommige houders van honden en dierenartsen bereid zijn om voor geld de wet te overtreden.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er op hondenshows voornamelijk illegaal gecoupeerde honden rondlopen, dat hier geen controles plaatvinden en dat er volop gehandeld wordt in gecoupeerde honden?
Aangezien het niet mogelijk is om een algemeen houd- of tentoonstellingsverbod in te stellen voor gecoupeerde honden (zie mijn antwoord op de vragen 6 en 7) kan er alleen gehandhaafd worden op het verbod op het uitvoeren van de ingreep. In dit geval is de ingreep in België uitgevoerd. Handhaving daarvan is aan de Belgische handhavingsinstanties.
Wat heeft u tot nu toe gedaan om de handel in gecoupeerde honden in Nederland tegen te gaan? Bent u tevreden over de resultaten van uw beleid, gelet op het feit dat het helemaal niet moeilijk blijkt om het coupeerverbod te omzeilen? Zo ja, kunt u uitleggen waarom u tevreden bent met de huidige situatie? Zo neen, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich uw belofte in antwoord op eerdere Kamervragen2, namelijk dat u op zou treden wanneer er overtredingen van het coupeerverbod gesignaleerd zouden worden? Deelt u de mening dat het tijd is om die belofte na te komen? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nu nemen om de handel in gecoupeerde honden in Nederland aan te pakken? Zo neen, waarom niet?
Als er in Nederland overtredingen van het coupeerverbod worden gesignaleerd is strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving mogelijk. De bewijslast hierbij is echter niet altijd eenvoudig, met name omdat couperen in andere landen nog is toegestaan. Tegen dierenartsen die illegaal honden couperen kan door de klachtambtenaar een klacht worden ingediend bij het Veterinair Tucht College. Deze belofte om op te treden bij overtredingen van het coupeerverbod zal ik blijven nakomen.
Voor uw vraag over het aanpakken van de handel in gecoupeerde honden verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat als er al gecoupeerde dieren worden gebruikt bij keuringen, tentoonstellingen en wedstrijden, de ingreep alleen om medische redenen mag zijn verricht? Bent u bereid bij keuringen, tentoonstellingen en wedstrijden de deelname van dieren die gecoupeerd zijn om niet-medische redenen te verbieden?
Het is voor mij juridisch gezien niet mogelijk om een algemeen verbod in te stellen op deelname van gecoupeerde honden aan keuringen, tentoonstellingen en wedstrijden. In 2002 heeft het College van beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) zich uitgesproken over dit onderwerp.
Hierbij heeft het Cbb geconcludeerd dat het verbod op tentoonstellen van dieren waarbij een verboden ingreep is uitgevoerd (zoals couperen van honden zonder medische reden) alleen geldt als de ingreep in Nederland is uitgevoerd. Voor een in het buitenland legaal gecoupeerd dier zou een tentoonstellingsverbod in strijd zijn met het vrije verkeer van goederen en diensten.
Wel heeft de sector meerdere mogelijkheden om zelf maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door gecoupeerde honden niet toe te laten op wedstrijden of tentoonstellingen, of door ze een minder hoge beoordeling te geven. Zo mogen op shows van rasverenigingen aangesloten bij de Raad van Beheer op Kynologisch gebied geen gecoupeerde honden tentoongesteld worden tenzij de dieren afkomstig zijn uit een land waar couperen nog is toegestaan.
Bent u bereid het in bezit hebben van een gecoupeerde hond strafbaar te stellen, met ontheffingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld honden die in de opvang terecht komen en bij particulieren moeten worden herplaatst? Zo ja, wanneer kunnen we uw voorstel hierover tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Net zoals bij een verbod op tentoonstellen van gecoupeerde honden (zie mijn antwoord op vraag 6) zou ook een houdverbod van gecoupeerde honden strijd opleveren met het vrij verkeer van goederen en diensten (uitspraak Cbb, 2002). Ik kan daarom het bezit van een gecoupeerde hond niet strafbaar stellen.
Wat heeft u tot nu toe gedaan met de aangenomen motie over het omzeilen van het coupeerverbod bij paarden3 en bent u tevreden over de resultaten van uw beleid? Zo ja, kunt u uitleggen waarom u tevreden bent terwijl er nog steeds gecoupeerde veulens worden aangetroffen in Nederland? Zo neen, wat gaat u hier aan doen?
Voor de antwoorden op vraag 8 en 9 verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer van 21 maart 2013 betreffende het nota-overleg wet dieren (Kamerstuk 31 389, nr. 124).
Bent u bereid het in het bezit hebben van een gecoupeerd paard strafbaar te stellen, met ontheffingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld paarden die om medische redenen gecoupeerd zijn? Zo ja, wanneer kunnen we uw voorstel tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.