Het bericht ‘De IND komt vaak niet opdagen bij rechtszaken’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «De IND komt vaak niet opdagen bij rechtszaken»?1
Ja.
Herkent u het geschetste beeld dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij ruim één op de tien rechtszaken niet aanwezig is? Is dit alleen te wijten aan het personeelstekort of spelen meerdere overwegingen mee bij de keuze om weg te blijven bij een zaak?
Ja, de IND kan niet uit het systeem halen in hoeveel zaken zij niet aanwezig was bij de rechtszaken, maar uit een handmatige registratie blijkt dat bij ongeveer 11% van de zaken (alle gerechtelijke procedures) geen vertegenwoordiging van de IND aanwezig was.
Er zijn meerdere redenen waardoor de IND niet altijd aanwezig kan zijn bij de rechtszaken. Zo staat er sinds geruime tijd veel spanning op de capaciteit van de Directie Juridische Zaken van de IND ten opzichte van het (fluctuerende) werkaanbod vanuit de rechtbank. Op de kernfuncties (pleiten en verweerschrijven) van de Directie Juridische Zaken (zo’n 200 fte) is ongeveer 20 fte aan vacatureruimte op dit moment niet ingevuld. Uiteraard wordt er nieuw personeel geworven, maar in deze huidige krappe arbeidsmarkt is dat niet eenvoudig. Er zijn nu 28 nieuwe mensen in opleiding.
Naast capaciteitsdruk werkt de rechtspraak met een planningssystematiek waarbij de Directie Juridische Zaken maximaal drie weken voor zitting de planning doorkrijgt van de rechtbanken. Het aantal zittingen dat gepland wordt, kan dusdanig afwijken dat het de ene keer 53% van het gemiddelde werkaanbod betreft maar een andere keer 135%. Zelfs met een volledige bezetting is dit voor de IND zeer lastig om op te vangen. Het overgrote deel van de zaken betreft bovendien korte termijn zaken: bewaringszaken, AA-zaken en VA-kort zaken. Deze zaken kennen een afdoeningstermijn van 4 weken. Het is dus ook veelal niet mogelijk om deze zaken al eerder in te plannen. Ondanks de omstandigheid dat de fluctuerende instroom, de korte termijn zaken en de beschikbare capaciteit bij juridische zaken een tijdige en op elkaar afgestemde afstemming lastig maakt, probeert de IND samen met de rechtbanken tot een evenwichtigere en meer voorspelbare zittingsplanning per week te komen.
Daarnaast is ook bij de IND sprake van een hoog ziekteverzuimpercentage. Om deze druk op te kunnen vangen moesten in het voorjaar deze harde maatregel, om niet ter zitting te verschijnen, worden getroffen. Dat er zittingsdagdelen zijn waar de IND niet bij aanwezig kan zijn, is in het licht van het bovenstaande onvermijdelijk.
De IND maakt naar aanleiding van een inhoudelijke screening een zorgvuldige afweging en bepaalt op grond daarvan bij welke zittingen de IND aanwezig kan zijn. Daar waar de IND niet verschijnt, wordt ook geen inhoudelijk schriftelijk verweer gevoerd. Als de IND niet ter zitting kan verschijnen, wordt dat in ieder geval schriftelijk aan rechtbank en de gemachtigde van de vreemdeling medegedeeld. Daarbij wordt gewezen op het capaciteitsgebrek bij de Directie Juridische Zaken en wordt aangegeven dat de IND zich op het standpunt stelt dat het besluit inhoudelijk juist is. De ketenpartners, zoals de rechtspraak en de advocatuur, zijn ook in algemene zin door de Directie Juridische Zaken van de IND geïnformeerd over het huidige capaciteitsgebrek en de keuzes die daarbij noodgedwongen moeten worden gemaakt.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de rechtbank in Den Bosch die termen als «onaanvaardbaar, onacceptabel en respectloos» gebruikte om de proceshouding van de IND te beschrijven?
Het past mij niet om te reageren op een uitspraak van een individuele rechter en de daarin gebezigde termen. In het algemeen kan ik zeggen dat ik, evenals de IND, het ter zitting verschijnen van het grootste belang acht. Naast dat dat de medewerker van de Directie Juridische Zaken een inhoudelijke toelichting kan geven op het besluit en vragen kan beantwoorden van de rechter, is aanwezigheid ter zitting ook een vorm van erkenning van het belang van de vreemdeling en respect voor de instituties. Dit neemt niet weg dat ik, gelet op het antwoord van vraag 2, begrijp dat de IND helaas niet aanwezig kan zijn bij alle zittingen.
De medewerkers van de IND werken dagelijks met grote inzet en betrokkenheid aan zaken, dit geldt ook voor de medewerkers van de Directie Juridische Zaken en de zaken die op zitting staan.
Overigens is het verschijnen ter zitting geen vereiste in het procesrecht; niet voor niets heeft de rechter de mogelijkheid om partijen op te roepen om alsnog te verschijnen indien de rechter dat noodzakelijk acht. Dit neemt echter niet weg dat ik de huidige gang van zaken wel ongewenst vind.
Staat u nog steeds achter de conclusie die werd getrokken uit de evaluatie van uw ambtsvoorganger waaruit algehele ontevredenheid bleek over het wegblijven van de IND (Kamerstuk 19 637, nr. 2469) bij rechtszaken? Is het doel nog steeds om te zorgen dat de IND altijd aanwezig is bij rechtszaken?
Het doel van de Directie Juridische Zaken van de IND is nog steeds dat de IND in beginsel altijd aanwezig is bij rechtszaken. Evenals in 2018 is echter het dilemma gelegen in de beschikbaarheid van mensen op het moment dat de rechtbank dat vraagt. Er wordt op dit moment met de rechtbanken gekeken naar een betere systematiek om te plannen. Daarbovenop komt dat, zoals onder vraag 2 aangegeven, de Directie Juridische Zaken te kampen heeft gehad met een hoog en langdurig ziekteverzuim en de gevolgen van de krappe arbeidsmarkt. Dit heeft ertoe geleid dat al langere tijd minder pleiters beschikbaar zijn (zo’n 18% minder, zij het fluctuerend).
Op basis waarvan wordt gekozen bij welke rechtszaken de IND wel en niet aanwezig zal zijn? En op welke manier wordt hier het belang van de asielzoeker in meegenomen?
Voorop wordt gesteld dat de IND deze harde maatregel, om niet ter zitting te verschijnen, alleen treft wanneer het niet anders mogelijk is. In dat geval vindt er een zorgvuldige afweging plaats op grond van een inhoudelijke screening of de betreffende zitting / het dagdeel zich daarvoor leent. Hierbij wordt onder meer het zaak overstijgende karakter van de zaak betrokken.
Uitgangspunt is dat het genomen besluit in de meeste zaken op juiste gronden is genomen en dat het besluit daarmee de rechterlijke toets kan doorstaan. Bij de inhoudelijke screening wordt dit globaal bekeken. Daarnaast wordt er gekeken of de door de vreemdeling ingebrachte beroepsgronden nieuwe informatie bevat waar nog op gereageerd moet worden, en of er nieuwe jurisprudentie is die een inhoudelijke reactie vergt. Tevens streeft de IND ernaar in de meest kwetsbare en gevoelige zaken aanwezig te zijn bij de rechtszitting.
Zoals hieronder bij vraag 9 is beantwoord werkt de Directie Juridische Zaken van de IND momenteel hard aan diverse maatregelen om meer grip op het proces te krijgen.
Wat zijn over het algemeen de gevolgen van de afwezigheid van de IND bij de rechtszaak, bijvoorbeeld voor de asielzoeker, diens procedure, de wachttijd en extra werk voor de IND als gevolg van beroepszaken?
Op basis van de hiervoor beschreven screening verwacht de IND dat de meeste zaken waarbij geen vertegenwoordiger ter zitting aanwezig is de rechterlijke toets kunnen doorstaan, en dat de beroepen ongegrond worden verklaard. In die zin heeft het niet verschijnen ter zitting dan geen gevolgen voor de vreemdeling en diens procedure. In zaken waarin de rechtbank in weerwil van de door de IND gemaakte inschatting oordeelt dat het besluit niet in stand kan blijven vanwege daaraan verbonden gebreken, zal een nieuw besluit moeten worden genomen. Dat kan, mede gelet op de achterstanden bij de IND, leiden tot een langere wachttijd. Of het indienen van een verweerschrift en het verschijnen ter zitting in dergelijke zaken tot een andere uitkomst zou hebben geleid, is echter een vraag die niet goed in zijn algemeenheid te beantwoorden valt.
Ook in zaken waarin de IND wél ter zitting verschijnt, kunnen beroepen gegrond worden verklaard. De mogelijkheid voor de Directie Juridische Zaken om gebreken in de besluitvorming in de beroepsfase te repareren, kent de nodige beperkingen. Er is ook niet na te gaan in hoeverre de afwezigheid van de IND voor vertraging in de gehele procedure heeft gezorgd. Er wordt niet in systemen geregistreerd wat de reden is voor een vertraging van een zaak.
In algemene zin zullen eventuele vertragingen in de procedure echter maar zelden het rechtstreekse gevolg zijn van het niet ter zitting verschijnen.
In hoeveel gevallen heeft de afwezigheid van de IND voor vertraging in de gehele procedure gezorgd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens met de stelling dat de afwezigheid van de IND nooit mag leiden tot nadelige gevolgen voor de asielzoeker, die hier tenslotte niets aan kan doen? Zo ja, op welke wijze wordt dit voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Wordt er, naast het werven van nieuw personeel, nog op andere manieren gewerkt aan het vergroten van de aanwezigheid bij rechtszaken? Zo ja, op welke manieren?
Er wordt in afstemming met de rechtbanken gewerkt aan een nieuwe planningssystematiek en andere maatregelen waaronder een andere inrichting van de organisatie om beter met de volatiliteit aan werkbelasting te kunnen omgaan. Sinds het najaar van 2021 wordt regelmatig met de rechtbanken gesproken over de structurele kant in deze capaciteits- en planningsproblematiek. Dat gebeurt op landelijk niveau en met de individuele zittingsplaatsen.
Deel van die maatregelen is dat zo ruim als mogelijk van tevoren (nu dus zo’n drie weken van tevoren) bekeken wordt hoe de beschikbare capaciteit zich verhoudt tot de door de rechtbanken gevraagde inzet. Als daar een overschot aan zitting ten opzichte van de personele capaciteit in ontstaat dan wordt in laatste instantie ook gekeken naar het zo nodig triageren van dagdelen. Dat betekent dat bij de te behandelen zaken langs inhoudelijke criteria bekeken worden of het zittingsdagdeel zich leent voor een afdoening buiten zitting door de rechtbank of een afdoening zonder de IND. Hierbij moet benoemd worden dat de rechtbank bepaalt of een zaak al dan niet op zitting wordt afgedaan. Uitgangspunt is dat er altijd eerst een globale inhoudelijke screening plaatsvindt of de zitting (wat voor soort zaken staan er op) zich leent voor triage. Hiermee wordt geborgd dat de Directie Juridische Zaken aanwezig is op zitting indien het gevoelige en complexe zaken betreft. Indien een zitting getriageerd wordt, geeft de Directie Juridische Zaken momenteel aan dat zij ook geen aanvullend verweerschrift zal schrijven in de zaken die op die zitting staan. Gedachte hierachter is dat dit ook weer capaciteit kost, die de Directie Juridische Zaken juist nodig heeft om zoveel mogelijk andere zittingen wel te kunnen bemensen. Bovendien wordt ten aanzien van de getriageerde zaken globaal inhoudelijk beoordeeld of het bestreden besluit op goede gronden genomen is en de gronden van beroep tot een andersluidend standpunt kunnen leiden.
Bent u bekend met het rapport van het Leger des Heils «In Europa uitgebuit nergens beschermd»? Heeft u de verhalen tot u genomen? Bent u ook geschrokken van het enorme leed dat Nigeriaanse slachtoffers van mensenhandel gedurende hun reis hebben moeten doorstaan, zowel binnen als buiten Europa?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Nederland stuurt slachtoffers mensenhandel terug naar Italië ondanks risico op herhaalde uitbuiting» van Lost in Europe?2
Ja.
Bent u bekend met het rapport van het European Migration Network Study (EMN) «Third country national victims of trafficking in human beings»?3
Ja.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan beide dictums van de motie Segers/Buitenweg (Kamerstuk 28 638, nr. 172) waarin wordt gevraagd naar een fenomeenonderzoek naar de stijging in aangiften mensenhandel en waar wordt gevraagd extra zorg te dragen voor een warme overdracht bij vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel?
In de motie Segers/Buitenweg werd verzocht om in het belang van de opsporing en informatiepositie een verkenning te starten naar de toedracht van de toenmalige stijging in aangiften mensenhandel en indien deze verkenning hier aanleiding toe geeft, over te gaan tot een fenomeenonderzoek. Het WODC heeft destijds de mogelijkheid verkend voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek. Het heeft geconcludeerd dit niet te kunnen uitvoeren, omdat wetenschappelijk onderzoek naar de toedracht van de stijging niet mogelijk is. Zoals ook op 1 juli 2020 per brief aan uw Kamer is medegedeeld, werken de opsporingsdiensten voortdurend aan het verbeteren van hun informatiepositie en worden er stappen ondernomen om zicht te krijgen op mogelijke achterliggende criminele netwerken.4
Het EMM5 heeft onderzoek gedaan naar signalen van slachtofferschap van mensenhandel en betrokkenheid bij mensensmokkel van personen met de Nigeriaanse nationaliteit die met onbekende bestemming uit een COA-locatie zijn vertrokken. Een factsheet hierover is al met de partners van het EMM gedeeld en wordt binnenkort gepubliceerd wanneer de openbare website van het EMM online zal gaan.6 Het EMM heeft ook een literatuuronderzoek uitgevoerd naar Nigeriaanse mensensmokkel en mensenhandel, ook dit onderzoek is reeds met de partners van het EMM gedeeld en zal binnenkort op de website van het EMM worden gepubliceerd. Dit literatuuronderzoek geeft inzicht in de structuur en handelwijzen van Nigeriaanse criminele netwerken die zich bezighouden met mensensmokkel en mensenhandel in en naar Europa. Eerder heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid, een data-analyse gemaakt van personen die met onbekende bestemming uit de COA-opvang vertrekken.7 Hierover is uw Kamer op 20 december 2021 geïnformeerd.8 De uitkomsten van deze onderzoeken worden betrokken in de aanpak en opsporing van mensenhandel en de criminele netwerken erachter.
Wat betreft het tweede deel van de vraag, gaat Nederland er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit dat de verantwoordelijke lidstaat zijn Unierechtelijke en andere internationale verplichtingen nakomt.
Als de politie en OM concluderen dat er opsporingsindicaties voor de desbetreffende lidstaat aanwezig zijn, deelt de politie (na beoordeling door het OM), informatie uit de aangifte met de bij Europol aangesloten lidstaat waar de gestelde uitbuiting heeft plaatsgevonden. De Liaison Officers van het OM en de politie die vanuit Nederland in bron- en transitlanden zijn gevestigd, kunnen indien nodig ook ingezet worden om te zorgen voor een goede verbinding met de lokale autoriteiten. Tevens kan de DT&V, met toestemming van de Dublinclaimant, met de verantwoordelijke lidstaat delen dat de Dublinclaimant een wens heeft om aangifte te doen van mensenhandel.
Indien er bij de DT&V signalen bekend zijn dat de Dublinclaimant een kwetsbaar persoon is (mogelijk in relatie tot slachtofferschap mensenhandel) dan kan informatie daarover bij de aankondiging van de overdracht in het kader van vitaal belang gedeeld worden met de verantwoordelijke lidstaat (zie artikel 31 van de Dublinverordening). Het is dan aan de ontvangende lidstaat om gepaste zorg te organiseren. Voor de overdracht zal de Dublinclaimant toestemming worden gevraagd om medische gegevens te delen. Voor het delen van gegevens in het kader van vitaal belang is geen toestemming nodig.
Herkent u het signaal van Frankrijk dat EU-lidstaten moeite hebben met het beschermen van derdelanders doordat vermoedelijke slachtoffers gedwongen worden asiel aan te vragen en daarbij onder dwang een onjuiste verklaring afleggen en wanneer zij in een later stadium een waarheidsgetrouwe verklaring wensen af te leggen deze doorgaans in een versnelde procedure wordt afwezen wegens de eerdere afgelegde verklaring?4 Zo ja, hoe kunt u de bescherming verbeteren? Deelt u de mening dat in dit licht de aanscherping van de Vreemdelingencirculaire in 2019 een onwenselijke situatie heeft opgeleverd? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Er zijn geen signalen in Nederland bekend dat vermoedelijke slachtoffers gedwongen worden asiel aan te vragen en onder dwang een onjuiste verklaring afleggen. Indien een verklaring in de asielprocedure afwijkt van een eerdere verklaring, dan gaat de IND daar zorgvuldig mee om en wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om uitleg te geven over de verschillende verklaringen.
De beleidswijziging van de B8/3 regeling in 2019 heeft plaatsgevonden op basis van een zorgvuldige afweging. Op dit moment stelt het WODC een beleidsevaluatie op om te bezien of de thans geldende regeling aansluit bij het beoogde effect van de wijziging. De afronding van de evaluatie wordt in de loop van 2023 verwacht.
In welke best practises, zoals gedeeld in het genoemde rapport van de EMN, ziet u een meerwaarde ook in Nederland de bescherming van onder meer Nigeriaanse slachtoffers van mensenhandel te verbeteren?
Zoals ik hiervoor heb vermeld, ben ik bekend met het EMN Rapport. Ik hecht aan de signalen en rapporten die mij vanuit de ketenpartners en het maatschappelijk middenveld toekomen, waaronder ook het literatuuronderzoek «Structuur en modus operandi van Nigeriaanse criminele netwerken van het EMM». Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen door het WODC voor een beleidsevaluatie van de wijziging van de B8/3 regeling. Hierbij zullen ook voormelde rapporten en onderzoeken betrokken worden.
Op welke wijze biedt de B8/3-regeling momenteel bescherming aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel die tevens Dublinclaimant zijn? Hoeveel Dublinclaimanten hebben sinds de Wijziging van de regeling van 1 september 2019 met succes een beroep kunnen doen op de B8/3-regeling? Is hier sprake van een af- of toename?
Voorafgaand aan de beleidswijziging B8/3 in 2019, kreeg een vreemdeling die aangifte deed van mensenhandel vrijwel direct (binnen de streeftermijn van 24 uur) een tijdelijke B8/3-verblijfsvergunning. Als duidelijk was dat er geen opsporingsindicaties waren, werd deze tijdelijke vergunning ingetrokken.
Deze procedure is aangepast voor Dublinclaimanten. Momenteel geldt dat wanneer een Dublinclaimant aangifte doet van mensenhandel, de politie en het OM de aangifte binnen een streeftermijn van vier werkweken behandelen. Zij beoordelen of er voldoende opsporingsindicaties in Nederland zijn waarvoor de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk moet worden geacht in het belang van de opsporing en vervolging. Wanneer dit het geval is, zal de IND een tijdelijke B8/3-vergunning verlenen. Wanneer het OM oordeelt dat aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk is, wordt door de IND geen verblijfsvergunning verstrekt en zal de Dublinoverdracht naar de desbetreffende lidstaat voortgezet worden.
Voor wat betreft de vraag hoeveel Dublinclaimanten sinds de wijziging van 1 september 2019 een beroep op de regeling hebben gedaan en of er sprake is van een af- of toename: dit is onderdeel van de evaluatie van de regeling. Ik kan daar op dit moment nog niet op vooruit lopen.
Kunt u de procedure schetsen wanneer een Dublinclaimant in Nederland, met als eerste land van binnenkomst bijvoorbeeld Italië, mogelijk slachtoffer is van mensenhandel? Op welke wijze vindt onderzoek plaats, hoe worden opsporingsindicaties verzameld, hoe wordt de weging gemaakt of iemand wel of niet wordt uitgezet en op welke wijze vindt overdracht plaats wanneer iemand wordt uitgezet naar het land van de oorspronkelijke asielaanvraag?
De IND is verantwoordelijk voor de verblijfsprocedure, de politie en het OM zijn verantwoordelijk voor de aangifte en het onderzoek naar mensenhandel. In de Dublinverordening is vastgelegd op basis van welke criteria een lidstaat verantwoordelijk is een asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Als een lidstaat op basis van de criteria in de Dublinverordening heeft bepaald dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, wordt een terug- of overnameverzoek10 naar de lidstaat verzonden.
Wanneer een vreemdeling die een asielverzoek in Nederland heeft gedaan aangifte van mensenhandel doet, wordt eerst nagegaan of Nederland de voor het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat is. Bij een lopende asielprocedure wordt in beginsel geen bedenktijd aangeboden aan de vreemdeling, tenzij diens individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. Na de intake worden alle B8-zaken11 door het Landelijke Coördinatie Centrum (LCC)12 in behandeling genomen, waarbij de zaken evenredig worden verdeeld over de politie-eenheden voor het opnemen van de aangiften. Bij elk slachtoffer mensenhandel, ongeacht herkomst, wordt op dezelfde wijze een opsporingsonderzoek ingesteld en opsporingsindicaties verzameld door de politie. Sinds de aanpassing van de verblijfsregeling per 1 augustus 2019 geldt dat wanneer een Dublinclaimant aangifte doet van mensenhandel, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) de aangifte binnen een streeftermijn van vier werkweken behandelen en beoordelen of er voldoende opsporingsindicaties in Nederland zijn, waarvoor de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk moet worden geacht in het belang van de opsporing en vervolging. Wanneer dit het geval is, zal de IND een tijdelijke B8/3-vergunning verlenen. Wanneer het OM oordeelt dat aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk is, wordt door de IND geen verblijfsvergunning verstrekt op grond van mensenhandel en zal de overdracht naar het desbetreffende Dublinland voortgezet worden.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan uit worden gegaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn Unierechtelijke en andere internationale verplichtingen nakomt. De Dublinclaimant kan in die lidstaat aangifte van mensenhandel doen, en Nederland vertrouwt erop dat daar onderzoek naar zal worden gedaan en dat de juiste opvang geregeld wordt. De politie zal waar mogelijk de aangifte in afstemming met het OM via EuropOL delen met de aangesloten lidstaten en specifiek met het land waar de uitbuiting heeft plaatsgevonden. Tevens kan de DT&V, met toestemming van de Dublinclaimant, delen met de verantwoordelijke lidstaat dat de Dublinclaimant een wens heeft om aangifte te doen van mensenhandel.
Wanneer de DT&V zodanig kort voor het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum (UOD) signalen die kunnen wijzen op slachtofferschap van mensenhandel ontvangt, en het niet meer mogelijk is om voor het verstrijken van de UOD de aangifte op te nemen conform de hiervoor omschreven procedure, dan wordt de Dublinclaimant aan de verantwoordelijke lidstaat overgedragen zonder aangifte te hebben gedaan. In dat geval wordt aan de Dublinclaimant toestemming gevraagd om de verantwoordelijke lidstaat op de hoogte te brengen van de wens om aangifte te doen. Als de vreemdeling daar toestemming voor geeft, zal dit met de desbetreffende lidstaat worden gedeeld. Wanneer de Dublinclaimant hiervoor geen toestemming verleent, wordt de wens tot het doen van aangifte in Nederland niet met de verantwoordelijke lidstaat gedeeld.
Tot slot, kan de Liaison Officer (OM en politie) die vanuit Nederland in bron- en transitlanden is gevestigd, mogelijk ingezet worden om te zorgen voor een goede verbinding met de lokale autoriteiten.
Deelt u de constatering dat juridisch slachtofferschap, hetgeen niet altijd valt te bewijzen, iets anders is dan feitelijk slachtofferschap? Hoe is deze notie zichtbaar in het beleid?
Een gebrek aan opsporingsindicaties betekent inderdaad niet in alle gevallen dat er ook geen feitelijk slachtofferschap is. De koppeling van het verblijfsrecht met het strafrecht is door de wetgever echter bewust gemaakt in art. 3.48 Vb 2000, aangezien het doel van de verblijfsregeling voor slachtoffers van mensenhandel tweeledig is. Naast het bieden van bescherming aan mogelijke slachtoffers van mensenhandel, wordt het van groot belang geacht dat deze slachtoffers aangifte doen. Deze aangiften dragen bij aan de opsporing van daders van mensenhandel en daardoor hopelijk ook aan het voorkomen van nieuwe slachtoffers.
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is dat zoveel daders van mensensmokkel en mensenhandel straffeloos hun gang kunnen gaan? Ziet u ook dat de huidige B8/3-regeling onbedoeld kan bijdragen aan mensenhandel en mensensmokkel, omdat slachtoffers en daarmee opsporingsindicaties uit zicht verdwijnen en mensensmokkelaars en mensenhandelaren daarmee buiten beeld blijven? Tot welke acties brengt dit u?
Het is inderdaad onverteerbaar dat er mensenhandelaren en mensensmokkelaars actief zijn. Graag wil ik benadrukken dat mensenhandel en mensensmokkel twee verschillende misdrijven zijn, met beide verschillende modus operandi. De huidige B8/3 regeling is gekoppeld aan het strafrecht. Zoals bij de vorige vraag is toegelicht, is deze koppeling door de wetgever bewust gemaakt. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op vraag 4 en 11.
Bent u bereid, indachtig de Koolviszaak en de Kluivingsboszaak, actief op zoek te gaan naar meer inzicht in de werkwijze van de Nigeriaanse maffia, juist ook waar het activiteiten in Nederland betreft? Bent u bereid hierin de samenwerking met andere Europese landen op te zoeken? Welke afspraken zijn sindsdien met Nigeria gemaakt?
Het EMM heeft recent (juli 2022) een literatuuronderzoek volbracht dat inzicht verschaft in de werkwijze van Nigeriaanse criminele netwerken, ook in relatie tot Nederland. Het onderzoek gaat in op de omvang en structuur van de Nigeriaanse netwerken die zich bezighouden met mensenhandel en mensensmokkel, maar ook op de manier waarop ze opereren als het gaat om het in contact komen met en verplaatsen van slachtoffers, onder meer door gebruik te maken van verblijfsrechtelijke procedures. In de discussie wordt ook gerefereerd aan internationale samenwerking die cruciaal is voor de aanpak van mensenhandel en mensensmokkel, waaronder het Nigeriaanse agentschap NAPTIP, dat in 2022 een nieuw actieplan voor de aanpak van mensenhandel heeft gepresenteerd.
Nederland is driver van EMPACT THB (Trafficking in Human Beings) dat ziet op de Europese operationele samenwerking van opsporingsdiensten en het OM in de aanpak / bestrijding van mensenhandel. Een van de projecten binnen EMPACT THB waar Nederland aan deelneemt, richt zich specifiek op de bestrijding van mensenhandel in relatie tot Nigeria. In dit project wordt ook samengewerkt met Nigeria en Niger. Nederland blijft onverminderd actief binnen de internationale samenwerking.
Bent u bereid, in lijn met de aanbevelingen van het Leger des Heils, de Wijziging van de Vreemdelingencirculaire van 1 september 2019 te herzien om de bescherming van slachtoffers te waarborgen en zo te voorkomen dat Nederland onbedoeld mensensmokkelaars en mensenhandelaars in de kaart speelt?
Zoals hierboven omschreven onder vraag 9 zal de beleidswijziging in 2022 geëvalueerd worden door het WODC. Voordat ik in ga op het mogelijke vervolg, wil ik deze resultaten afwachten.
Kunt u aangeven welke lessen de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) heeft getrokken uit de pilot Multidisciplinaire Aannemelijkheid Slachtofferschap en hoe deze lessen zijn geïmplementeerd? Kunt u aangeven op welke wijze de IND de best practises van deze pilot heeft ingebed in de interne werkwijze zoals destijds werd toegezegd? Bent u van mening dat hierbij een verbetering van de werkwijze van de IND heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de genoemde pilot? Zo ja, op welke manier heeft dit concreet bijgedragen aan het vaststellen van het slachtofferschap? Zo nee, hoe wordt gewaarborgd dat de geleerde lessen uit de pilot alsnog vertaald worden in het beleid?
De pilot moest uitwijzen of het gebruik van multidisciplinaire deskundigenberichten over de aannemelijkheid van slachtofferschap van toegevoegde waarde was voor verschillende groepen slachtoffers en de betrokken partijen zoals IND, Schadefonds Geweldsmisdrijven en opvanginstellingen. Uit de evaluatie van de pilot bleek dat slechts in beperkte mate in een behoefte werd voorzien. De deskundigenberichten worden door een beperkte doelgroep aangevraagd, namelijk buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Zij vragen deze aan met een beperkt doel, namelijk als ondersteuning in verblijfsrechtelijke procedures. Hoewel het goed is dat de werkwijze bij kan dragen aan het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor deze groep, is de reikwijdte van de pilot aanzienlijk beperkter gebleken dan vooraf beoogd. Uit de pilot blijkt bovendien dat de IND in haar eigen toets grotendeels tot hetzelfde oordeel komt als de commissie die in de pilot de deskundigenberichten uitbracht. Het oorspronkelijke doel van de pilot, namelijk erkenning van het slachtofferschap en verbetering van de toegang tot voorzieningen voor alle typen slachtoffers buiten het strafrecht om, wordt op deze wijze onvoldoende gerealiseerd.
De positieve aspecten zien met name op het multidisciplinaire karakter van de identificatie van het slachtoffer. Specifieke kennis van trends en ontwikkelingen in mensenhandelzaken is daarbij van belang. Daarnaast is het gevoel van erkenning en de manier van bejegening door de subcommissieleden als belangrijke meerwaarde door de onderzoekers benoemd. De hoorzitting die standaard onderdeel uitmaakte van de procedure binnen de pilot heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. De geleerde lessen uit de pilot zijn mogelijk relevant voor verschillende bestaande procedures. Daarom zal met relevante organisaties in gesprek worden getreden om te bezien hoe de opgedane kennis overgebracht kan worden en hoe de positieve ervaringen waar mogelijk een plek kunnen krijgen in bestaande procedures.
In het resultatenoverzicht dat bij de voortgangsbrief van 17 november 2021 over het programma Samen tegen Mensenhandel is gevoegd, is ingegaan op de wijze waarop dit gedaan is.13 De IND heeft bijvoorbeeld een werkinstructie opgesteld om de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas binnen hun eigen werkprocessen te beoordelen.14 In deze openbare werkinstructie voor de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden wordt ingegaan op de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Openbaarmaking van deze instructie draagt bij aan meer openheid en transparantie in het besluitvormingsproces met betrekking tot het verlenen van een verblijfsvergunning.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Dorpen samen in het geweer tegen komst aanmeldcentrum: 'Toezegging geschonden'’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Dorpen samen in het geweer tegen komst aanmeldcentrum: «Toezegging geschonden»» van RTLNieuws.nl op 9 juli jl.?1
Ja.
Hoe bent u gekomen tot de keuze voor Bant als locatie voor de plaatsing van een nieuw aanmeldcentrum?
In mijn brief van 6 juli aan uw Kamer heb ik uiteengezet hoe het COA tot de aankoop van de Kavel in Bant is gekomen.2 De opvang van asielzoekers staat onder druk, met name aan het begin van het asielproces in Ter Apel wordt dit zichtbaar. Daarom wordt er ingezet op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra, aanvullend op de bestaande voorzieningen. Het COA heeft een kansrijke locatie in beeld gekregen voor de ontwikkeling van een additioneel aanmeldcentrum. Concreet gaat het om een kavel in Bant, op loopafstand van het bestaande azc te Luttelgeest. Bij de verdere uitwerking zal nadrukkelijk de samenwerking met gemeente, omwonenden en belanghebbenden worden gezocht.
Op de kavel wil het COA samen met ketenpartners een locatie ontwikkelen waar asielzoekers de eerste stappen van het asielproces doorlopen. Hierbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan de processtappen rond identificatie en registratie en medische checks. Om asielzoekers opvang te bieden gedurende het doorlopen van deze en andere processtappen, is de realisatie van 250 tot 300 opvangplekken voorzien. Op de locatie zal nauw worden samengewerkt door ketenpartners om een rustige en overzichtelijke start van het asielproces te verzekeren.
Eind maart 2022 heeft naar aanleiding van een informatiebijeenkomst in het kader van Aanpak stikstof Flevoland, zich de mogelijkheid voorgedaan om te komen tot de aankoop van een boerderij met opstallen. In april is COA door de CdK van de provincie Flevoland in de rol van rijksorgaan gewezen op de mogelijkheid tot het kunnen aankopen van 10 ha grond met bijbehorende opstallen in de Noordoostpolder. Er hebben in deze periode diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de CdK in de rol van rijksorgaan, de bestuursvoorzitter van het COA, de directeur-generaal Migratie en mijzelf. Bij het bekijken van de ruimtelijke mogelijkheden in geval van aankoop van het gehele bedrijf, is gekeken naar de specifieke locatie, de mogelijkheden en maatschappelijke opgaven. Daarop heeft de commissaris in zijn hoedanigheid als rijksorgaan de partijen samengebracht. Dit is op verzoek van het Rijk gedaan, waarbij de grondslag voor de CdK om een goede samenwerking tussen het Rijk en de betrokken overheden te bevorderen is gelegen in artikel 182 lid 1 onder a Provinciewet jo. artikel 1 Ambtsinstructie. Eind april 2022 heeft er vervolgens een gesprek met vertrouwelijk karakter plaatsgevonden tussen de CdK in de rol van rijksorgaan en het college van B&W alsmede de fractievoorzitters van de gemeenteraad van de gemeente Noordoostpolder over de mogelijkheid tot koop van de grond met opstallen aan de Oosterringweg in Bant (Luttelgeest) door COA. Op ambtelijk niveau is er na dit gesprek contact geweest met de provincie over deze mogelijkheid.
Bij de totstandkoming van de koopovereenkomst was de CdK in zijn rol van provinciaal orgaan betrokken. Deze rol dient te worden onderscheiden van de rol van de CdK als rijksorgaan. Na de aankoop door COA, heeft COA op 6 juli het formele verzoek tot planvorming van het aanmeldcentrum bij het college van B&W van de gemeente Noordoostpolder ingediend, zodat gesprekken met belanghebbenden, openbare bespreking en de bestuurlijke besluitvorming kunnen gaan plaatsvinden. De brief zie ik daarmee niet als het einde van een proces, maar als het begin van de procedure om gezamenlijk met de gemeente, belanghebbenden en omwonenden tot de realisatie van het aanmeldcentrum te komen. De volgende stap in dit proces is intensief overleg met het College van burgemeester en Wethouders en de gemeenteraad, als ook overleg met vertegenwoordigers van dorpskernen in de gemeente en een informatiebijeenkomst voor omwonenden. In dat kader worden onder andere trajecten rondom de bestuursovereenkomst, de ruimtelijke inpassing en de fysieke realisatie van de locatie besproken. De eerste stap is daarin gezet op 6 juli, middels een gesprek tussen de gemeenteraad en de bestuursvoorzitter van COA. In de laatste week van augustus heeft een gesprek met vertegenwoordigers van dorpskernen en met de gemeenteraad plaatsgevonden en in de eerste week van september zal een informatiebijeenkomst voor omwonenden plaatsvinden. Ik hecht eraan om daarnaast te benadrukken dat het perspectief van omwonenden en hun behoeften zonder meer worden betrokken bij deze ontwikkeling.
In hoeverre hebt u bij het proces in aanloop naar de aankoop van het kavel de omgeving en gemeente(raad) betrokken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de burgemeester van de gemeente Noordoostpolder in eerder stadium in uw richting zijn zorgen heeft kenbaar gemaakt?
In aanloop naar de aankoop van de grond en opstallen hebben diverse gesprekken plaatsgevonden tussen alle betrokken partijen. Over en weer is gesproken over de uitdagingen waar we voor staan waarbij ook zorgen zijn geuit. Uiteindelijk is dit een noodzakelijke stap om te komen tot verder doorstroom in de migratieketen.
Wat hebt u met dit signaal gedaan en (hoe) hebt u dit afgewogen in het uiteindelijke besluit het voornemen toch door te zetten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe reageert u op het feit dat de dorpsbelangen Kuinre, Bant en Luttelgeest zich voelen geschoffeerd, aldus hun eigen verklaring?
Ik heb begrip voor de dorpsbelangen van de drie dorpen. Echter ben ik, gezien de huidige situatie ten aanzien van opvang en specifiek in Ter Apel, niet in de gelegenheid om langer te wachten op andere locaties voor het COA. Extra aanmeldcentra zijn noodzakelijk om Ter Apel blijvend te kunnen ontlasten en vormen een belangrijk onderdeel van het pakket aan maatregelen om te komen tot een robuust, stabiel en duurzaam asielsysteem.
Gezamenlijk met het COA zal ik met de vertegenwoordigers van de dorpskernen en omwonenden in gesprek gaan om een verdere start te maken met het herstel van vertrouwen op basis van een transparante dialoog. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk is om wederzijds vertrouwen te realiseren. Deze gesprekken vinden in de komende weken plaats.
Hoe bent u van plan dit geschonden vertrouwen te herstellen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet bereid is een informatiebijeenkomst te organiseren voor de omgeving? Zo ja, waarom niet?
Dit is onjuist, de bijeenkomst is gepland in de eerste week van september 2022. Vanwege de vakantieperiode en daarmee de potentiële onmogelijkheid van omwonenden om aanwezig te zijn, is ervoor gekozen om deze na de zomervakantie te laten plaatsvinden.
Welke plaats heeft de draagkracht van een gemeente of regio en de reële mogelijkheden voor integratie in de bevolking bij een dergelijke beslissing?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen 6 en 7 heb ik op dit moment niet de mogelijkheid om te wachten op andere geschikte locaties vanwege de huidige situatie.
Om tot een structurele oplossing met een betere verdeling van de opvangplekken door Nederland te komen, werk ik op dit moment een voorstel uit om gemeenten een wettelijke taak te geven ten aanzien van asielopvang. Gelijktijdig zet ik mij in om tot een versnelling van de uitvoering te komen van de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Daarbij is het doel om te komen tot een stabiel, wendbaar een duurzaam stelsel, waarbij de asielopvang evenredig over het land is verdeeld. In mijn brieven van 8 juli en 9 en 26 augustus heb ik uiteengezet welke stappen ik voor ogen heb om daar toe te komen, zoals de wettelijke verankering van asielopvang door gemeentes en de inzet van dwingend juridisch instrumentarium.3
Hoe is de draagkracht van de gemeente in dit specifieke geval gewogen, aangezien in deze gemeente reeds sprake is van een asielzoekerscentrum van 1.000 asielzoekers en ook honderden arbeidsmigranten in hetzelfde gebied zijn gehuisvest terwijl er andere gemeenten zijn die geen of verminderde inzet leveren ten aanzien van opvang?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe reageert u op het feit dat de gemeenteraad van Noordoostpolder unaniem kritisch is over dit plan en zich in grote meerderheid heeft uitgesproken tegen de realisatie van het aanmeldcentrum?
Zoals aangegeven bij de beantwoording op vraag 6 en 7 ben ik gezien de huidige situatie ten aanzien van opvang en specifiek in Ter Apel, niet in de gelegenheid om langer te wachten op mogelijke opvanglocaties en is de realisatie van een aanmeldcentrum een noodzakelijk onderdeel om tot een robuust, stabiel en duurzaam opvanglandschap te komen. Voor het vervolgtraject zal alle inzet erop gericht zijn om in goed overleg met gemeente tot de realisatie van het aanmeldcentrum te komen.
Klopt het dat volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de gemeente aan zet is voor besluitvorming tot bestemmingswijziging?
Het klopt dat de gemeente in eerste instantie de bestemming van een perceel of gebouw bepaalt. Indien nodig kunnen zowel de provincie en het Rijk een bestemming toekennen of wijzigen. Het is tevens mogelijk om via een omgevingsvergunning een van het bestemmingsplan afwijkend gebruik toe te staan. In het Besluit omgevingsrecht wordt de opvang van asielzoekers en andere categorieën expliciet genoemd als gevallen waarin provincie en/of Rijk deze vergunning kunnen verlenen.
Klopt het dat de gemeenteraad slechts summier is meegenomen in dit besluit, namelijk door middel van één gesprek met commissaris van de Koning?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ingaan op de precieze rol van de commissaris van de Koning als rijksheer in dit geheel?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rijksheer het kavel actief aan het COA heeft aangeboden?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, welke onderbouwing en omgevingsbetrokkenheid heeft de rijksheer hieraan ten grondslag gelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u het vervolgproces inclusief juridisch kader schetsen voor de eventuele realisatie van een nieuw aanmeldcentrum in de gemeente Bant?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens in het vervolgproces ook nadrukkelijk de gemeente Noordoostpolder te betrekken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Om welke reden heeft u ervoor gekozen nu al te spreken over de mogelijke inzet van dwingend juridisch instrumentarium, aangezien dit het draagvlak en gesprek over een aanmeldcentrum op deze locatie niet bevordert maar eerder doet afnemen?
Op dit moment is de druk op de asielketen enorm. Ik heb, mede gelet op de wens van uw Kamer, prioriteit gegeven aan de realisatie van meerdere aanmeldcentra. Ik sluit niet uit dat een dwingend juridisch instrumentarium hierbij in sommige gevallen noodzakelijk is, echter merk ik op dat het streven altijd is om in gezamenlijkheid te komen tot een oplossing.
Bent u voornemens in deze situatie dwingend juridisch instrumentarium in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 19.
Bent u bereid dit besluit te heroverwegen, gezien het gebrek aan draagvlak in de gemeente?
Zie het antwoord op vraag 19.
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de asielinstroom aanzienlijk te beperken en de druk op het asielsysteem, en indirect op onze samenleving, te verminderen?
Het uitgangspunt van het Nederlandse migratiebeleid is dat Nederland bescherming biedt aan mensen die vluchten voor oorlog, vervolging en geweld. Daarbij komt dat Nederland verplicht is om zich te houden aan internationaal en Europeesrechtelijke verdragen als ook het Unierecht op basis waarvan o.a. asielzoekers die een asielaanvraag doen recht op opvang hebben. Dit laat uiteraard onverlet dat wij ons in Europees verband inzetten om meer grip te krijgen op de irreguliere asielstromen naar de Unie en Nederland. Over die inzet wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda en verslagen van de JBZ-Raad geïnformeerd. Tijdens het commissiedebat van 30 juni jl. heb ik uw Kamer een juridische verkenning toegezegd naar o.a. een tijdelijke asielbehandelstop, op de voet van artikel 111 van de Vreemdelingenwet. Ik kom hier na het zomerreces op terug.
Uw kamer is op 9 augustus geïnformeerd over de maatregelen om de druk op het asielsysteem te beperken.4 Het kabinet werkt op dit moment drie sporen uit. Te weten korte termijn, middellange termijn en lange termijn. Op de korte termijn ligt de nadruk op creëren en beschikbaar stellen van extra crisisnoodsopvangplekken en het versneld uitplaatsen van statushouders. Voor de middellange termijn wordt er gekeken naar de mogelijkheden van de toepassing van het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium en de inzet van cruiseschepen. Tot slot wordt voor de lange termijn gekeken naar de Uitvoeringsagenda Flexibilisering asielketen en het uitwerken van een wetsvoorstel voor gemeenten en daarachter een dwingend juridisch instrumentarium. Juist deze lange termijn maatregelen zijn om ook blijvend uit de crisis te raken.
Daarnaast zijn op 26 augustus 2022 bestuurlijke afspraken gemaakt met medeoverheden, te weten de VNG, IPO en het Veiligheidsberaad. De bestuurlijke afspraken beogen via acute maatregelen voor Ter Apel de druk te verlichten, maar zien ook op het realiseren van extra crisisnoodopvangplekken door de veiligheidsregio’s en de financiële en praktische ondersteuning die daarvoor nodig zijn vanuit het Rijk. Ook zien de afspraken op het huisvesten van vergunninghouders, waarbij er afspraken zijn gemaakt voor de realisatie van flexwoningen. In aanvulling worden er voor de korte termijn maatregelen ingevoerd die een belangrijk effect hebben op de instroom, doorstroom en uitstroom. Voor de lange termijn wordt er een heroriëntatie op het huidige asielbeleid en de inrichting van het asielstel gevoerd. Uitgebreide informatie over het bestuursakkoord vindt u in de brief van 26 augustus5.
De verdringing van legaal sekswerk door illegaal sekswerk |
|
Michiel van Nispen |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Prostitutie terug naar de achterkamer»? Wat is daarop uw reactie?1
Ja. In het artikel2 staat vermeld dat legaal werkende sekswerkers vaker illegaal gaan werken, omdat illegaal werken lucratiever is. In de eerste plaats is het voor sekswerkers ongewenst om in de onvergunde branche te werken. De nadelen en risico’s die er voor deze groep kunnen zijn, worden hieronder toegelicht. Daarnaast begrijp ik dat het voor de legale seksbranche een negatieve ontwikkeling is dat seksbedrijven financiële problemen ervaren wegens personeelsgebrek.
Herkent u het signaal dat de illegale seksbranche lucratiever is dan de legale branche? Wat vindt u daarvan?
In Nederland is het sekswerkbeleid lokaal belegd, waardoor het per gemeente
verschilt welk type sekswerk onvergund, vergund, legaal en niet-legaal is. Het verschilt per gemeente wat voor type sekswerk vergunningsplichtig is. Vergund legaal sekswerk vindt bijvoorbeeld plaats in een bedrijf met een vergunning dat voldoet aan de vergunningseisen. Bij onvergund niet-legaal sekswerk gaat het om sekswerk dat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verboden is, waarbij sprake is van mensenhandel of verricht door een persoon van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning3. Gezien de huidige stand van wetgeving is het mogelijk dat een gemeente geen regels stelt met betrekking tot sekswerk en er dus ook geen regels zijn die kunnen worden overtreden. Een sekswerker kan in een gemeente waar geen vergunning nodig is onvergund legaal werkzaam zijn. Onvergund werken hoeft dus niet illegaal te zijn.
Het signaal dat sekswerkers in de onvergunde seksbranche werken, is mij bekend. De onvergunde seksbranche kan aantrekkelijk lijken vanwege bijvoorbeeld de mindere zichtbaarheid van de sekswerker in verband met de aard van de werkzaamheden en de taboesfeer, de afwezigheid van administratieve lasten en het niet afdragen van sociale zekerheidspremies en belasting. Met name in de onvergunde branche kunnen voor de sekswerker meerdere nadelen en risico’s kleven. Voor sekswerkers die onvergund werken kan het lastiger zijn om zich bijvoorbeeld te verzekeren indien sprake is van een arbeidsongeval, ziekte of het veroorzaken van schade of om ouderdomsuitkeringen op te bouwen. Bovendien blijkt dat sekswerkers in de onvergunde seksbranche een hogere drempel ervaren bij toegang tot zorg en bij melding doen bij de politie. De maatschappelijke positie van sekswerkers is kwetsbaarder in de onvergunde branche. Dit kan bijdragen aan het ontstaan en voortduren van misstanden zoals dwang, uitbuiting en geweld. Gegevens van onder meer de Nationaal Rapporteur wijzen erop dat in het onvergunde deel van de seksbranche de meeste misstanden plaatsvinden.4
Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat ook sekswerkers in de vergunde branche moeilijkheden ervaren bij het afnemen van financiële dienstverlening, zoals het afsluiten van een verzekering. Belangrijke knelpunten zijn onder andere de herkomst van gelden, bestendigheid van het inkomen en regelgeving waaraan de verzekeraars zich dienen te houden als het gaat om het maken van een risico-inschatting van de klant. Samen met het Ministerie van Financiën ben ik in samenwerking met de Sekswerk Alliantie Destigmatisering (SWAD) aan het kijken of deze knelpunten op te lossen zijn om de toegang tot financiële dienstverlening voor de sekswerkbranche te bevorderen. Verder ga ik in gesprek met betrokken partijen om te bezien of de knelpunten zoals toegankelijkheid van zorg verbeterd kan worden. Dit kan naar mijn mening in eerste instantie door de communicatie over de dienstverlening en het zorgstelsel te verbeteren ten behoeve van de individuele sekswerker. Met de politie ben ik op dit moment in gesprek om te bezien hoe de inzet van zowel algemene als specifieke communicatie-uitingen kan leiden tot verbeterde bejegening en verbeterd contact met de politie.5 De VNG is op de hoogte van het plan van aanpak om de sociale en juridische positie te verbeteren middels het overleggremium van het landelijk programma prostitutie. De werkgroep gemeenten wordt nog vormgegeven waarbij onder meer de VNG betrokken wordt.
Wat is uw reactie op de constatering van de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven dat de hele legale sector er slecht voorstaat en dat het «deels door de overheid in de hand [is] gewerkt»?2
Er is een aantal jaren een dalende trend zichtbaar in het aantal vergunde bedrijven. In het onderzoek van Regioplan naar de Nederlandse seksbranche wordt het aantal vergunde bedrijven in 2020 geschat op 373 ten opzichte van het onderzoek uit 2014, waarbij het aantal vergunde bedrijven op 833 uit kwam. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat het aantal vergunde bedrijven dalende is en dat die daling sterk is. Hoe groot die daling precies is, kan op basis van het onderzoek niet aangegeven worden. Ondernemers kunnen de drempel om in de seksbranche een bedrijf te beginnen als hoog ervaren vanwege de regels die gemeenten stellen en sekswerkers geven bij ondernemers aan dat zij in de onvergunde branche meer geld kunnen verdienen. De meeste vergunningen worden door gemeenten uitgegeven aan straatsekswerkers, hierbij worden de vergunningen aan individuele sekswerkers gegeven. Verder komen vergunningen voor seksclubs en privéhuizen relatief vaak voor.7
Flexibele vormen (vergund en onvergund), waarin zelfstandig werkende sekswerkers hun klanten werven via internet en sociale media, nemen toe. Deze trend is niet uniek voor de seksbranche, maar ligt in lijn met digitalisering en de toename van de verkoop van producten en diensten via internet en de groei van het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in andere branches in Nederland. De verwachting is dat daarmee ook het aantal zelfstandig werkende sekswerkers de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen.
In het artikel worden opmerkingen gemaakt over de opting-in regeling voor sekswerkers. Het is bekend dat sekswerkers en exploitanten praktische problemen ervaren met deze regeling. Samen met sekswerkers en sekswerkersorganisaties (vertegenwoordigd in het SWAD), exploitanten, het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Belastingdienst ben ik aan het bezien of het mogelijk is die knelpunten weg te nemen. In ieder geval zal het knelpunt worden opgepakt dat de regeling onvoldoende helder is in de praktijk, zowel voor de sekswerkers en exploitanten zelf, als voor andere overheidsinstanties die met deze regeling van doen krijgen als zij andere diensten willen verlenen. Een reden hiervoor kan zijn dat de informatie vanuit de officiële overheidskanalen moeilijk vindbaar en weinig toegankelijk is. Daarom zal in eerste instantie worden ingezet op aanvullende communicatie naast de website Prostitutie Goed Geregeld, met eenvoudig vindbare en duidelijke informatie. Prostitutie Goed Geregeld is een website ontwikkeld op initiatief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in samenwerking de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op deze website staat informatie over hoe het werk onder veilige omstandigheden kan worden uitgevoerd. Op de website is onder andere informatie te vinden over rechten en plichten, belastingzaken, de opting-in regeling en vergunningen. Het sekswerkteam van Soa Aids Nederland onderhoudt en ontwerpt de site.
De maatregelen die het kabinet heeft genomen om het coronavirus te bestrijden waren ingrijpend, maar noodzakelijk om een ongecontroleerde toename van het aantal besmettingen te voorkomen. Hierbij hoorde het beperken van het aantal contacten en contactmomenten. Voor verschillende sekswerkers heeft de coronapandemie soms verschillende schrijnende omstandigheden opgeleverd. Sekswerkers voelden zich onvoldoende ondersteund door het pakket van steunmaatregelen en mochten minder snel dan andere contactberoepen weer aan de slag. Sekswerkers die als zelfstandig ondernemer werkten konden in aanmerking komen voor de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (TOZO), als hun huishoudinkomen onder het sociaal minimum was gevallen, zij ingeschreven stonden bij de KvK en ze rechtmatig in Nederland verbleven. Sekswerkers die in dienstverband werkten met een arbeidscontract kwamen mogelijk in aanmerking voor een Werkloosheidsuitkering (WW). Hun werkgever had ook mogelijk de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) kunnen aanvragen. Echter, sekswerkers werkend via de opting-in regeling8 kwamen niet in aanmerking voor de NOW en evenmin voor de TOZO. Op een later moment is de Tijdelijke Ondersteuning voor Noodzakelijke Kosten (TONK) gekomen waar sekswerkers wel gebruik van konden maken. Het kabinet heeft gemeenten verzocht de TONK ruimhartig toe te passen. Voor sekswerkers die onder de opting-in regeling vielen, of sekswerkers uit andere EU-landen die niet als zzp’er werkten en ook geen werknemer waren, bestond de mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen als zij aan de voorwaarden voor algemene bijstand voldeden. Ook een aantal gemeenten heeft steun verleend aan sekswerkers bijvoorbeeld uit een financieel vangnet of door noodopvang aan te bieden.9
Het signaal is mij bekend dat een deel van de sekswerkers sinds de coronamaatregelen niet meer is teruggekeerd naar de vergunde branche.
Het Erasmus MC en SOA Aids Nederland hebben eind 2021 een onderzoek gepubliceerd over de impact van corona op sekswerk in Nederland. De uitkomsten van het onderzoek zijn schrijnend. Uit dit onderzoek komt naar voren dat zeventig procent van de sekswerkers in financiële problemen kwam door de coronacrisis. Dit werd in grote mate veroorzaakt door de geïmplementeerde coronamaatregelen van de overheid zoals het verbod op sekswerk en van de verminderde toegang voor sekswerkers tot een financieel steunpakket. Dit laatste kwam doordat niet alle sekswerkers voldeden aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van het coronasteunpakket. Ook blijkt uit het onderzoek dat vijfenvijftig procent van de sekswerkers doorwerkte tijdens de lockdown en dat sekswerkers rapporteerden over onveilige werkomstandigheden. Als gevolg hiervan werden veel sekswerkers in een kwetsbare positie gebracht met betrekking tot gezondheid en veiligheid.10
Om deze situaties bij een eventuele toekomstige pandemie zoveel mogelijk te voorkomen, voert het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat gesprekken met sectoren, waaronder de seksbranche met betrekking tot de lange termijnstrategie COVID-19 om te komen tot sectorplannen met preventie- en interventiemaatregelen die werkbaar zijn in de eigen sector en die bijdragen aan het creëren van een veilige (werk)omgeving. Hierbij neemt de seksbranche de lessen mee van de afgelopen 2,5 jaar.11
In een brief aan uw Kamer van 12 mei 202112 heeft de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangegeven het zeer onwenselijk te vinden dat sekswerkers zich genoodzaakt voelden om door te werken, zowel voor de gezondheid en veiligheid van de sekswerkers als voor de volksgezondheid in het algemeen. Er was in dat kader nauw contact met de gemeenten, hulporganisaties en de politie over de situatie en over hulp aan sekswerkers. Ook is gesproken met vertegenwoordigers van sekswerkers over de steun- en inkomensmaatregelen en het geweld tegen sekswerkers in coronatijd. Sekswerkers kunnen voor hulp lokaal bij de gemeente aankloppen als zij zich in een lastige financiële positie bevinden.
Waarom «gaan er nog altijd meer deuren dicht dan open» wanneer bekend is dat iemand sekswerker is?
Sekswerkers hebben te maken met een stigma. Het is van belang dat sekswerkers hun werk veilig kunnen uitvoeren zonder stigma, met bijbehorende rechten en verplichtingen. Op 11 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het plan van aanpak om de sociale en juridische positie van sekswerkers te verbeteren. Dit doe ik samen met de SWAD, verschillende betrokken ministeries en met partners uit het lokale domein. De branche is hierin een volwaardige gesprekspartner. De betekenisvolle participatie van de doelgroep is in deze een positieve ontwikkeling voor de positieverbetering van sekswerkers én strategie om de plannen aan te laten sluiten bij wat de branche zelf zegt nodig te hebben.13 Daarnaast richt de SWAD zich op een meerjarige strategie om het stigma rondom sekswerk te verminderen. De komende tijd zet de alliantie haar werkzaamheden voort met ondersteuning vanuit de Ministeries Justitie en Veiligheid, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zodat de continuïteit van de SWAD kan worden gewaarborgd en het stigma kan worden verkleind.
Welk aandeel rekent u zichzelf toe in het ondergronds gaan van de seksbranche in het kader van het ontbreken van adequate ondersteuningsmaatregelen ten tijde van de lockdown in verband met corona?
Zie vraag 3.
Hoe spant u zich in om ervoor te zorgen dat niet nog meer sekswerkers in de illegaliteit verdwijnen?
Het is belangrijk dat gemeenten met hun lokale beleid aan de slag blijven gaan om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor sekswerkers en om misstanden te voorkomen. Daarom motiveer ik gemeenten om in afwachting van het wetsvoorstel regulering sekswerk door te gaan met het maken van lokaal sekswerkbeleid. Het doel van het wetsvoorstel is de exploitatie van seksbedrijven en sekswerk te reguleren om misstanden in de seksbranche te voorkomen of te verminderen. Gemeenten kunnen in hun Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regels stellen voor de exploitatie van seksbedrijven en sekswerk. Op grond van het gemeentelijke beleid kunnen gemeenten bij constatering van onvergund sekswerk op verschillende wijzen waarschuwend of handhavend optreden. Uit onderzoek van Regioplan naar de Nederlandse seksbranche blijkt dat de regie bij toezicht en handhaving in de onvergunde branche in ongeveer de helft van de gemeenten in Nederland bij de gemeente ligt, 43% van de gemeenten geeft aan dat de regie bij de politie ligt. De rest van de gemeenten zegt dat dit bij «andere organisaties» zoals de arbeidsinspectie ligt. Bij controles in de onvergunde branche zijn vaak gemeenten en politie betrokken. De controles zijn voornamelijk reactief van aard. Daarnaast handelt bijna een derde van de gemeenten proactief door advertenties te scannen. De praktijk met betrekking tot toezicht en handhaving tussen gemeenten verschilt sterk.14 Het is belangrijk dat politie, gemeenten, hulpverleningsorganisaties en andere ketenpartners met elkaar blijven samenwerken om misstanden te voorkomen.
Ik blijf, samen met de betrokken ministeries en met partners uit het lokale domein, in gesprek met de seksbranche als een volwaardige gesprekspartner. De betekenisvolle participatie van de doelgroep is in deze een positieve ontwikkeling voor de positieverbetering van sekswerkers én strategie om de plannen aan te laten sluiten bij wat de branche zelf zegt nodig te hebben.15
Hoe gaat u dit signaal vanuit de branche betrekken bij de uitvoering van de motie van de leden Van Nispen en Simons over de sociale en juridische positie van sekswerkers verbeteren?3
Zie vraag 6.
Het rapport ‘Jonge Nederlandse slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning van Centrum kinderhandel en mensenhandel’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het rapport «jonge Nederlandse slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning» van Centrum kinderhandel en mensenhandel (CKM)?
Wij zijn bekend met het rapport «Kijken met andere ogen» van het Centrum tegen kinderhandel en mensenhandel (hierna: CKM). Het onderzoek en rapport van het CKM zijn, als onderdeel van de integrale aanpak criminele uitbuiting, uitgevoerd in opdracht van ons departement.
Bent u het eens met de stelling dat het terugdringen van jonge aanwas van criminelen een belangrijk onderdeel is van de ondermijning? Onderschrijft u de analyse van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensen dat criminele uitbuiting een belangrijke pijler vormt onder het verdienmodel van de ondermijnende criminaliteit?
Hoewel de jeugdcriminaliteit in algemene zin daalt, raken meer kwetsbare jongeren betrokken bij zware vormen van criminaliteit. Daarom investeert het kabinet samen met diverse betrokken partners in een brede, domeinoverstijgende preventieve aanpak die moet voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 8 tot en met 27 jaar in aanraking komen met criminaliteit of daarin verder doorgroeien. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming hebben uw Kamer hier uitgebreid over geïnformeerd in de Kamerbrief van 1 juli jl.1
Tevens herkennen wij de analyse van het CKM dat criminele uitbuiting een pijler vormt onder het verdienmodel van ondermijnende criminaliteit. Bij criminele uitbuiting wordt iemand gedwongen tot het plegen van strafbare feiten. Criminelen verleiden bijvoorbeeld kwetsbare kinderen om ergens een pakketje af te geven. Of ze vragen jongeren om met hun scooter iemand weg te brengen en op te pikken. Opgemerkt moet worden dat daderschap samen kan vallen met slachtofferschap. Iemand die op het eerste gezicht een dader van een strafbaar feit lijkt te zijn, blijkt bij nader inzien (daarnaast) een slachtoffer van uitbuiting te zijn. Jongeren worden op deze manier onder (expliciete of impliciete) dwang de criminaliteit in gezogen en dreigen hun toekomst kwijt te raken. Criminele uitbuiting zien vergt daarom een andere manier van kijken en probleembenadering. Om het te herkennen, moet je een dader ook als slachtoffer van mensenhandel kunnen zien. In de brede preventieaanpak (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit heeft dit kabinet daarom ook oog voor de mogelijke dwang die aan het strafbaar handelen ten grondslag ligt.
Onderschrijft u de bevindingen van dit rapport, zeker in het licht van de uitvoering van de motie Kuik/Bikker/Verkuijlen (Kamerstuk 35 925 VI, nr. 118)?
De motie Kuik, Bikker en Verkuijlen roept op om de aanpak van criminele uitbuiting integraal onderdeel te laten zijn van een breed offensief tegen georganiseerde criminaliteit. In het kader van deze motie werken het programma «Samen tegen Mensenhandel» en het «Breed Offensief tegen Georganiseerde en Ondermijnende Criminaliteit» samen om te komen tot een integrale aanpak criminele uitbuiting. Het onderzoek en rapport van het CKM zijn, als onderdeel van deze integrale aanpak, ook uitgevoerd in opdracht van ons departement.
Criminele uitbuiting is een relatief nieuwe, zeer ernstige vorm van mensenhandel. Het aantal slachtoffers in officiële statistieken is laag, maar het onderzoek wijst uit dat de daadwerkelijke problematiek vermoedelijk veel groter is. Doel van het onderzoek van het CKM was daarom om een beter beeld te genereren van de aard en omvang van criminele uitbuiting van slachtoffers met een Nederlandse identiteit.
In totaal namen 1.637 onderwijzers, jongerenwerkers, wijkagenten, leerplichtambtenaren en andere eerstelijnsprofessionals uit dertien onderzochte steden deel aan het onderzoek.2 Uit het onderzoek blijkt dat de helft van hen aangeeft in de afgelopen twee jaar in contact te zijn geweest met vermoedelijke slachtoffers. 40% procent ziet voornamelijk minderjarige slachtoffers, vooral in de leeftijd tussen 12 en 18 jaar oud. Zij worden vermoedelijk tot verschillende soorten strafbare feiten gedwongen, zoals drugsdelicten, diefstal, ronselen voor de prostitutie en geldezel- en katvanger-constructies. Dit zijn zorgwekkende signalen. Slachtoffers zijn vaak kwetsbare kinderen en jongvolwassenen die niet zelf om hulp kunnen of durven vragen, bijvoorbeeld omdat zij zich niet als slachtoffer identificeren, bang zijn voor represailles van de daders en/of bang zijn om zelf vervolgd te worden. Wij onderschrijven de bevindingen uit het rapport en de aanbeveling om de aanpak van criminele uitbuiting te verankeren en deze onderdeel te maken van de aanpak georganiseerde en ondermijnende criminaliteit.3
Vanaf dit jaar starten 15 gemeenten samen met hun partners de structurele aanpak Preventie met gezag in hun meest kwetsbare wijken.4 Hierin zoeken zij een goede balans tussen kansen bieden op een betere toekomst aan de ene kant en grenzen stellen aan risico- en crimineel gedrag aan de andere kant. In deze aanpak is oog voor de mogelijke dwang die aan het strafbaar handelen ten grondslag ligt. Daarmee is het tegengaan van criminele uitbuiting ook onderdeel van deze aanpak en wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Kuik cs.5
Welke mogelijkheden ziet u om de ronselpraktijken op onder meer scholen, zorginstellingen tegen te gaan?
Slachtofferpreventie en daderpreventie zijn cruciaal om tot een sluitende aanpak van criminele uitbuiting te komen. Voor preventie is het van belang om op vele vlakken tegelijkertijd actief te zijn. Het beschermen van (potentiële) slachtoffers door aandacht te hebben voor kwetsbaarheden, zoals mentale problemen of een licht verstandelijke beperking (LVB), maakt daar deel van uit. Jongeren met een LVB zijn extra kwetsbaar doordat ze beïnvloedbaarder zijn en minder weerbaar. De kans is ook groter dat ze zich niet bewust zijn van het feit dat ze worden uitgebuit.
De sleutel tot een succesvolle aanpak ligt in goede signalering, intensieve en integrale samenwerking tussen vele partijen, waaronder scholen en zorginstellingen. Vanuit het programma «Samen tegen mensenhandel» wordt daarom breed ingezet op alle vormen van mensenhandel, onder andere door het vergroten van bewustwording en versterken van signalering door (zorg)professionals. Het is in het kader van bewustwording en preventie belangrijk dat vanuit scholen voorlichting wordt gegeven over mensenhandel. In praktijk gebeurt dit ook. Zo wordt in Noord-Holland ingezet op de aanpak van criminele uitbuiting door middel van een modulaire toolkit.6 Deze bevat een gratis lespakket, bestaande uit een film en een interactieve lesmodule, waarmee op VO scholen en in groep 8 basisonderwijs voorlichting gegeven kan worden aan de doelgroep zelf en de professionals die met hen in aanraking komen. In de interactieve les kunnen leerlingen via een fictief app-gesprek «praten» met de personages uit de film. Op dit moment wordt gewerkt aan het verbreden van de toepassing van de film en lesmodule naar verschillende groepen professionals, zoals zorgcoördinatoren op scholen, boa’s en politie. Dit aanvullend pakket wordt in november 2022 opgeleverd.
Jongeren met een LVB lopen een grote kans om slachtoffer te worden van mensenhandel. Zij zijn een groep die daarom extra aandacht moet krijgen. Koraal biedt een behandelprogramma (YIP!) voor meisjes en jonge vrouwen met een licht verstandelijke beperking.7
In dit kader noemen wij ook graag de vier regiotafels LVB, die de afgelopen maanden zijn georganiseerd door Koraal.8 In deze gesprekken worden knelpunten, mogelijkheden en voorstellen besproken met het lokale maatschappelijke middenveld en lokale bestuurders. De bevindingen uit deze gesprekken worden gebundeld gepresenteerd en zullen worden meegenomen in de verdere ontwikkelingen van het herijkte programma «Samen tegen Mensenhandel». Uw Kamer zal eind 2022 nader worden geïnformeerd over de inhoud en vorm van het programma.
Ten slotte zal mijn departement dit jaar nog starten met de financiering van een tweejarig pilotproject van het CKM ten behoeve van een landelijk online platform voor professionals en (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting om slachtoffers beter te ondersteunen en hen te helpen uit onveilige situaties te komen. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang van dit project.
Welke maatregelen treft u specifiek gericht op het ondersteunen en weerbaar maken van jongeren met een licht verstandelijk beperking (LVB) om te voorkomen dat zij slachtoffer worden van criminele uitbuiting?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel dat wanneer slachtoffers van criminele uitbuiting niet als zodanig worden herkend, zij het risico lopen om als dader te worden aangemerkt?
Slachtoffers van criminele uitbuiting maken zich doorgaans schuldig aan het plegen van een strafbaar feit. Slachtofferschap en daderschap lopen hierbij door elkaar heen. Dit maakt slachtofferschap van criminele uitbuiting zo moeilijk te herkennen. Slachtoffers van criminele uitbuiting lopen hierdoor het risico om als dader aangemerkt te worden.
De politie heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in het herkennen van signalen van mensenhandel. Er zijn uit eerdere middelen die door uw Kamer beschikbaar zijn gesteld, investeringen gedaan om de aanpak te intensiveren. Bijvoorbeeld door het werven van nieuwe politiemedewerkers ten behoeve van de versterking van de aanpak op mensenhandel en door middel van trainingen aan eerstelijns politiemedewerkers over het herkennen van signalen van mensenhandel. Hierdoor schakelen de collega’s op straat die te maken hebben met drugshandel eerder met de afdelingen die zich bezighouden met mensenhandel. De training is opgenomen in het opleidingscurriculum voor de (nieuwe) politiemedewerker. Ook is de training d.m.v. een toolkit blijvend voor alle collega’s benaderbaar en raadpleegbaar. In de toolkit is onder meer een e-learning opgenomen waarin alle verschijningsvormen van mensenhandel worden behandeld, dus ook die over criminele uitbuiting. De specialisten mensenhandel bespreken maandelijks nieuwe ontwikkelingen en delen deze, indien van toepassing, ook met collega’s uit andere afdelingen binnen de eenheden. Toch blijft signalering lastig. Dit om de eerder benoemde reden: slachtofferschap en daderschap lopen sterk in elkaar over.
Tegelijkertijd wordt op dit moment ook ingezet op de digitale opsporing. Belangrijk is de inzet van politie op de samenwerking met (online) partners op het signaleren van uitbuiting, ook die online plaatsvindt. Juist bij criminele uitbuiting is politie ook afhankelijk van signalen van derden. Deze investeringen en intensiveringen zijn nog steeds hard nodig omdat de zaken complexer worden, daders inventiever en het zicht krijgen op slachtoffers een uitdaging blijft. Dit alles kan zijn weerslag kan hebben op de hoeveelheid relevante opsporingsinformatie die beschikbaar is.
Ten slotte is het belangrijk om te benoemen dat in het najaar van dit jaar, het CKM het tweede deel van hun rapport over criminele uitbuiting zal publiceren. Dit rapport, weer uitgevoerd in opdracht van mijn departement, zal specifiek zien op de opsporing en vervolging van criminele uitbuiting. Verwacht wordt dat dit rapport kan bijdragen aan het herkennen en signaleren van knelpunten en kansen in de opsporingsketen. Wij zullen het tweede deel afwachten en daarna met een brief richting uw Kamer reageren op het gehele rapport.
Hoe beoordeelt u de stelling in het rapport dat criminele uitbuiting al drie jaar op rij de meest gesignaleerde vorm van mensenhandel in het Verenigd Koninkrijk is, terwijl volgens de officiële statistieken volgens het rapport criminele uitbuiting in Nederland nauwelijks voorkomt? Hoe verklaart u dit verschil?
In de kern verschillen de definities van criminele uitbuiting in Nederland en het Verenigd Koninkrijk niet van elkaar. In beide landen is er bij criminele uitbuiting sprake van het plegen van een strafbaar feit onder dwang.
In het Verenigd Koninkrijk is veel geïnvesteerd in de bewustwording van criminele uitbuiting bij alle organisaties die met potentiële slachtoffers in aanraking komen. Vooral tegen de achtergrond van in hennepteelt werkzame Vietnamese migranten. De kennispositie van het Verenigd Koninkrijk is sterk. De laatste jaren zijn in dit land verschillende instrumenten ontwikkeld om slachtoffers beter te signaleren. Dit is nu terug te zien in hun cijfers van het aantal geregistreerde (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. De Britse aanpak is breed: niet alleen de strafrechtelijke organisaties zijn betrokken, ook hulpverlening, jongerenwerkers, scholen en medische professionals. In Nederland volgen we dit voorbeeld door criminele uitbuiting niet alleen vanuit het perspectief van mensenhandel te benaderen, maar ook te bezien in hoeverre in het algemeen kwetsbare jongeren kunnen worden beschermd tegen een leven in de criminaliteit. Het kabinet hecht er waarde aan te leren van goede ervaringen elders en zal hierbij ook over de grens kijken. Met het Verenigd Koninkrijk hebben we contact, zowel in internationale fora als bilateraal. De extra inzet op de aanpak van criminele uitbuiting is een aanleiding om de contacten met het Verenigd Koninkrijk nader aan te halen. Mijn departement zal in contact treden met de Britse collega’s om (nadere) lering te trekken van de Britse aanpak van criminele uitbuiting.
In hoeverre verschilt de definitie van criminele uitbuiting in Nederland met de definitie in het Verenigd Koninkrijk?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u de uitkomsten van het rapport betrekken bij het wetgevingstraject dat ziet op modernisering van artikel 273f Sr en kunt u de Kamer informeren over de voortgang van dit wetgevingstraject?
De laatste jaren wordt steeds meer duidelijk over de kwetsbare positie van slachtoffers van mensenhandel in verschillende sectoren en domeinen. Om de strafrechtelijke bescherming tegen mensenhandel over de gehele linie te verbeteren, is in het coalitieakkoord opgenomen dat artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt gemoderniseerd. Dit wetsartikel bevat de strafbaarstelling van mensenhandel. Daarin staat omschreven welk gedrag in Nederland als mensenhandel strafbaar is. Zo ook criminele uitbuiting.
Uit het rapport van het CKM blijkt dat het in situaties van criminele uitbuiting vaak gaat om zachte, moeilijk te herkennen vormen van dwang, zoals het misbruik maken van een kwetsbare of afhankelijke positie, bijvoorbeeld vanwege schulden, een licht verstandelijke beperking of de jonge leeftijd van een persoon. In hoeverre in deze gevallen ook altijd sprake is van criminele uitbuiting, zoals bedoeld in artikel 273f Sr, kan op basis van dit onderzoek niet direct worden gesteld. De onderzoekers stellen dat een gebrek aan bewustzijn over criminele uitbuiting, onvoldoende aanwezige expertise en ervaring bij eerstelijns professionals en het feit dat slachtoffers om diverse redenen niet uit zichzelf naar voren treden, ervoor zorgen dat er vooralsnog beperkt zicht is op criminele uitbuiting van jongeren in Nederland. Hoe het kabinet beoogt dit zicht te gaan verbeteren, is benoemd in de beantwoording van de voorgaande vragen.
De onderzoeksresultaten bieden bij eerste aanblik geen directe aanknopingspunten die aandacht behoeven bij het wetgevingstraject. Echter, de centrale doelstelling van dit traject is het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd. Hierbij zal getracht worden om alle beschikbare relevante inzichten en onderzoeken te betrekken. Zo ook dit onderzoek van het CKM. Uw Kamer wordt op korte termijn middels een Kamerbrief geïnformeerd over de voortgang van dit wetgevingstraject.
Het bericht 'Oneigenlijk gebruik van opvang' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «oneigenlijk gebruik van opvang»?1
Ja.
Is het juist dat een «juridische grondslag» ontbreekt om arbeidsmigranten die geen oorlogsvluchtelingen zijn te kunnen afwijzen voor de sinds februari opgezette opvang voor Oekraïners? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, hoe verklaart u het signaal van de gemeente Den Haag dat dit wel aan de orde zou zijn?
De voorzieningen in de Regeling Opvang Ontheemden Oekraïne (ROOO), waaronder leefgeld, huisvesting, medische zorg en verzekeringen zijn bedoeld om ontheemden uit Oekraïne te ondersteunen die als gevolg van de verschrikkelijke oorlog in hun thuisland hebben moeten vluchten. Arbeidsmigranten uit Oekraïne, die al in Nederland waren toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, die terug zouden willen keren naar Oekraïne maar die mogelijkheid niet meer hebben, zijn ook ontheemd. Daarom kunnen ook deze mensen gebruik maken van de regeling.
Indien blijkt dat de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft of opvang (of onderdak) elders is voorzien, dan kan een burgemeesters op basis van art. 7 lid sub b en art. 13 ROOO de verstrekkingen intrekken. Arbeidsmigranten uit Oekraïne die inkomsten hebben uit arbeid en voor wie onderdak elders is voorzien kunnen geen aanspraak maken op de voorzieningen.
Is het juist dat deze arbeidsmigranten op basis hiervan aanspraak kunnen maken op (gratis) huisvesting, medische zorg, verzekeringen en leefgeld? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, welke consequenties heeft het wel?
Zie antwoord vraag 2.
Om hoeveel aanspraken gaat het landelijk gezien, aangezien volgens het artikel het in de regio Den Haag zou gaan om ongeveer 400 personen?
Er zijn geen integrale cijfers beschikbaar van het aantal arbeidsmigranten uit Oekraïne die al in Nederland verbleven en onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vallen.
Wat wordt precies bedoeld met het op de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vermelde feit dat Oekraïners die hier al langer werken, maar vanwege de oorlog niet meer terug kunnen, soepel behandeld zullen worden? Hangt dit samen met het door de gemeente Den Haag genoemde onbedoelde gebruik van de opvang? Zo ja, gaat u hier iets in aanpassen?
Oekraïners die hier al langer werken worden geacht om in bezit te zijn van een geldige verblijfsvergunning. Indien de verblijfsvergunning is verlopen en het niet mogelijk is om de verblijfsvergunning te verlengen, gaat de IND daar soepel mee om in de zin dat er door de IND, zolang de Richtlijn Tijdelijke Bescherming actief is, niet actief ingezet op terugkeer naar Oekraïne.
Klopt het dat zodra de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming afloopt, Oekraïners geen verblijfsrecht meer in de EU hebben en zij – dus ook in Nederland – de reguliere asielprocedure ingaan? Zo ja, hoe gaat u met deze grote instroom in de asielprocedure om terwijl er al sprake is van een overbelaste asielketen? Zo nee, wat zal wel de consequentie zijn van het aflopen van de Richtlijn?
De Richtlijn Tijdelijke Bescherming is in werking tot 4 maart 2023, met de mogelijkheid om met maximaal 2 jaar te verlengen. Wanneer de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming afloopt is op dit moment nog niet helder. Wat het mogelijke beleid wordt van Nederland na afloop van de tijdelijke richtlijn wordt op dit moment nader uitgewerkt in een scenario-traject. Hierover wordt meer duidelijk in Q4.
Het bericht 'Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken' |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken»1, «Kabinet pakt vastgelopen asielopvang aan als nationale crisis»2, «Nog geen akkoord veiligheidsregio’s en kabinet over asielopvang»3, «Inspecties: rechten van jonge vluchtelingen geschonden»4 en «Kabinet en veiligheidsregio’s steggelen nog over asielopvang»?5
Ja.
Deelt u met de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de mening dat migratie één van de fundamenten van onze samenleving vormt, en dat dit geldt voor zowel gereguleerde vormen, zoals arbeids- en studiemigratie, als voor niet-gereguleerde vormen zoals asielmigratie? Zo nee, waarom niet?
Migratie is van alle tijden en heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse geschiedenis en samenleving. Uitgangspunt voor dit kabinet is dat migratie, in welke vorm dan ook, van grote invloed zal blijven, in het bijzonder op de demografische ontwikkeling van Nederland. Hieruit volgt de ambitie dat migratie moet aansluiten op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Deze ambitie staat niet op zichzelf, maar is van belang om het draagvlak voor de komst en het verblijf van migranten te behouden en versterken. Wanneer migratie de samenleving overvraagt, kalft het draagvlak immers af. Om die reden wil het kabinet meer grip krijgen op migratie. Een uitgebreide toelichting op de kabinetsinzet kan gelezen worden in de Staat van Migratie 2022.6
Gezien het feit dat migratie niet weg te denken is uit onze samenleving en dat de internationale geopolitiek, klimaatverandering en imperialisme er blijvend voor zorgen dat mensen gedwongen op de vlucht slaan, kunt u uitleggen waarom asielopvang in Nederland tot op de dag van vandaag gestoeld is op ad-hoc beleid waarbij het «chronische gebrek aan anticipatie en een krampachtig vasthouden aan [niet werkende] financieringssystematiek en bestuurlijke inrichting ervoor zorgen dat de kwaliteit van de opvang geregeld door de humanitaire ondergrens zakt»?6 Bent u voornemens deze problematiek aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse asielopvang is in de eerste plaats gestoeld op beginselen volgend uit wet- en regelgeving op het terrein van asielbescherming. Dat laat onverlet dat het kabinet erkent dat de huidige situatie van onvoldoende beschikbaarheid van asielopvang en de focus op de kortetermijnmaatregelen ten koste gaat van de kwaliteit van de opvang en een negatieve invloed heeft op het draagvlak voor het asielbeleid en de uitvoering daarvan. Dat het anders moet, is evident en daarom werkt het kabinet aan de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Stabiel door structureel voldoende reguliere opvanglocaties beschikbaar te hebben om gemiddelde schommelingen in het aantal asielzoekers aan te kunnen en flexibel door standaard reservecapaciteit voorhanden te hebben of snel beschikbaar te kunnen maken. Daarnaast is het van belang om instroom beheersbaar te laten zijn en tegelijkertijd uitstroom van vergunninghouders uit de opvang te bevorderen. Tot slot moet het mogelijk zijn om in tijden van lagere bezetting de opvangvoorzieningen ook in te zetten voor huisvesting van andere aandachtsgroepen die met spoed een tijdelijk onderkomen zoeken. Leidraad voor de realisatie van deze uitgangspunten is de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen.8
Deelt u de mening dat de asielopvang in Nederland niet moet worden beschouwd als een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost, maar dat het opvangen van asielzoekers als een maatschappelijke verantwoordelijkheid gezien moet worden die duurzaam en humaan beleid vereist? Zo nee, waarom niet?
De opvang en begeleiding van asielzoekers is een maatschappelijke, maar evenzeer een juridische verantwoordelijkheid. Nederland heeft zich via internationale en Europese wet- en regelgeving verbonden aan het opvangen en begeleiden van asielzoekers. De Europese Opvangrichtlijn verdient bijzondere vermelding in dit verband.9 De normen uit deze richtlijn zijn een minimum voor Nederland om zich aan te houden. Daarmee wordt beoogd de menselijke waardigheid ten volle te eerbiedigen. Omdat deze normen hun beslag hebben gekregen in het Nederlandse asielbeleid, kan het vigerende beleid met recht humaan worden genoemd.10 Dat betekent uiteraard niet dat het beleid niet vatbaar is voor structurele verbetering. De inzet van het kabinet om een stabiel en flexibel opvanglandschap te realiseren, getuigt hiervan (zie onder 3). Daarbij wil ik opmerken dat uit de activering van de crisisstructuur niet kan worden afgeleid dat de asielopvang wordt beschouwd als «een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost». Wel is het een gegeven dat door de jaren heen grote schommelingen in de asielinstroom en -opvang hebben plaatsgevonden. Het is nu zaak om het asielsysteem daar nog beter op toe te rusten.
Hoe beoordeelt u het asielbeleid, in het kader van mensenrechtenbescherming, nu asielzoekers in Ter Apel bijvoorbeeld al nachtenlang noodgedwongen op een stoel moeten slapen en duizenden kinderen en jongeren in asielzoekerscentra (AZC’s) gebrekkige zorg en onderwijs krijgen?
Internationale en Europese wet- en regelgeving, onder meer op het terrein van mensenrechtenbescherming, geven in belangrijke mate invulling aan het Nederlandse asielbeleid. Nederland biedt in beginsel opvang met een toereikend en zelfs hoger kwaliteitsniveau ten opzichte van de minimumnormen die volgen uit de Europese Opvangrichtlijn. De gebruikelijke kwaliteit staat echter onder grote druk door het tekort aan reguliere opvangplekken. Dit wordt vooral zichtbaar aan het begin van het asielproces in Ter Apel. Het komt helaas voor dat nieuw binnenkomende asielzoekers de nacht doorbrengen op stoelen, in tenten of in de buitenlucht. Omdat dit voor inhumane en onveilige situaties zorgt, wordt binnen de crisisstructuur alles op alles gezet om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de enorme druk op Ter Apel te verlichten. Omdat de situatie in Ter Apel niet stabiel is, valt niet uit te sluiten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden.
Hoewel de situatie nergens zo acuut is als in Ter Apel, geldt ook voor (crisis)noodopvanglocaties dat sprake is van een afwijkend kwaliteitsniveau ten opzichte van de opvang die normaliter wordt geboden. Deze locaties hebben een afdoende, doch lager kwaliteitsniveau11 en zijn daardoor minder geschikt voor langdurig verblijf, zeker waar het kwetsbare asielzoekers betreft. Specifiek ten aanzien van kinderen is het van het grootste belang dat zij zo kort mogelijk op dergelijke locaties verblijven. De realiteit is dat een passende opvangplek op een reguliere locatie in de huidige situatie niet snel genoeg beschikbaar is. In de tussentijd wordt door betrokken partijen met de grootst mogelijke inzet geprobeerd om de noodopvanglocaties zo kindvriendelijk mogelijk te maken. Het is staand beleid om kwetsbare asielzoekers, waaronder kinderen, niet op te vangen in de crisisnoodopvang. Wanneer dit onverhoopt wel gebeurt, wordt gewerkt om hen zo snel mogelijk elders op te vangen. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat op 6 juli 2022 geef ik uw Kamer na het zomerreces een actuele stand van zaken omtrent de situatie van kinderen in de (crisis)noodopvang.
Gezien het feit dat de structurele financiering voor het opvangen van asielzoekers in de gemeenten met ruimte voor buffers minder kostbaar is dan de kosten voor het ad-hoc op- en afschalen van opvanglocaties, kunt u uitleggen waarom u blijft vasthouden aan de tweede benadering?
Ik herken mij niet in het beeld uit de vraagstelling onder 6. In het coalitieakkoord is immers opgenomen dat de financiering van de organisaties in de asielketen stabieler en daarmee toekomstbestendiger moet worden. Daartoe zijn structureel middelen toegekend aan de organisaties in de asielketen ter hoogte van 200 miljoen euro. Voor het COA betekent dit dat het budget voor de komende vijf jaren op EUR 1,1 miljard ligt. Naast de middelen uit het coalitieakkoord zijn bovendien aanvullende middelen toegekend op basis van de zogeheten Meerjaren Productie Prognose (MPP). Vanwege deze constructie kan de financiering onder druk komen te staan in het geval de eindbezetting van het COA hoger uitvalt dan verwacht in de MPP. Om dat te ondervangen, wordt beoogd de aanvullende middelen meerjarig in de begroting te verwerken. Hierdoor ontstaat meer stabiliteit in de financiering, zeker ten opzichte van eerdere jaren waarbij de middelen veelal voor een kortere periode werden toegekend.
Stabiliteit in financiering is vooral van belang wanneer de aantallen asielzoekers met recht op opvang teruglopen. Dit voorkomt namelijk dat direct moet worden afgeschaald in personeel of capaciteit, waardoor schommelingen beter kunnen worden opgevangen. Om die reden zijn sinds 2021 middelen beschikbaar om reservecapaciteit aan te houden. Op de langere termijn gaat het om ongeveer 2.000 opvangplekken.12 Bij een teruglopende bezetting kan de vrijgekomen capaciteit, uitgaande van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, worden benut voor tijdelijke bewoning door andere groepen woningzoekenden. De inzet is om de Uitvoeringsagenda versneld tot uitvoering te brengen (zie onder 12).
Bent u voornemens het advies van het ROB en de ACVZ op te volgen en de financieringssystematiek in te richten op het noodzakelijke aantal beschikbare bedden, inclusief buffers voor de lange termijn, zodat humane opvangplekken voor asielzoekers worden gewaarborgd? Zo ja, welke vervolgstappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom bent u niet bereid het advies van de ROB en de ACVZ op te volgen? Hoe verhoudt een dergelijke onwelwillendheid zich tot het feit dat u de vastgelopen opvang nu als landelijke crisis beschouwt?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wat de status is van de plannen van u en van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om uiterlijk begin volgend jaar een wet in te voeren die gemeenten zal verplichten niet alleen statushouders, maar ook asielzoekers op te nemen?
De verkenning naar een juridisch instrumentarium voor asielopvang is afgerond. Op basis van de uitkomsten heeft het kabinet geconcludeerd dat het nodig is om een wettelijke taak te beleggen bij gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken. De verkende varianten voor een dergelijke taak worden nauwgezet beschreven in de brief aan uw Kamer van 8 juli 2022,13 maar op hoofdlijnen gaat het om (1) het beleggen van een wettelijke taak bij iedere gemeente, zodat de asielopvang evenredig wordt verdeeld of (2) het beleggen van de taak bij enkele gemeenten op basis van een jaarlijks verdeelbesluit, te nemen door (2a) gedeputeerde staten ofwel (2b) door het Rijk.
Nadere uitwerking vindt deze zomer plaats in nauw overleg met de medeoverheden. Uw Kamer wordt daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Bent u voornemens structureel voldoende financiering beschikbaar te stellen aan gemeenten om asielzoekers op te vangen en te begeleiden, om woningen geschikt te maken voor de doorstroom en huisvesting van statushouders en zowel de sociale samenhang in gemeenten als de kans van slagen van gemeentelijke opvangverplichtingen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten ontvangen voor de vestiging van een opvanglocatie een uitkering op grond van het Faciliteitenbesluit opvangcentra 1994. De uitkering dient ter compensatie van middelen die gemeenten normaliter uit het Gemeentefonds ontvangen, ware het niet dat asielzoekers nog niet hoeven te worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het is mogelijk dat de uitvoering van de nieuwe wettelijke taak gepaard gaat met extra kosten. In het kader van de eerder genoemde uitwerking (zie onder 8) wordt daarom gekeken naar financiële gevolgen in lijn met de vereisten van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108 Gemeentewet. Uitgangspunt is een reële compensatie, waarbij geldt dat de daadwerkelijke hoogte en omvang vragen om een politiek-bestuurlijke afweging.
Op het gebied van huisvesting zet het kabinet in op de realisatie van meer woningen voor alle woningzoekenden, waaronder vergunninghouders. Het programma Woningbouw, dat op 11 maart 2022 aan uw Kamer is gestuurd,14 beschrijft de aanpak om de woningbouw te versnellen. Gemeenten kunnen aanspraak maken op de regeling Woningbouwimpuls voor de bouw van betaalbare woningen. Per augustus 2022 wordt de vierde tranche hiervan opengesteld. Daarnaast is op 18 juli 2022 een nieuwe regeling aandachtsgroepen gepubliceerd voor gemeenten. Het doel is om meer betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen te realiseren, inclusief vergunninghouders. Dit is onderdeel van het programma Een thuis voor iedereen, waarover uw Kamer op 11 mei 2022 is geïnformeerd.15 Tot slot is voor de zomer de taskforce versnelling tijdelijke huisvesting van start gegaan. De taskforce ondersteunt gemeenten bij het realiseren van flexwoningen en het transformeren van gebouwen. In lijn met het programma Een thuis voor iedereen en het Woningbouwprogramma wordt EUR 100 miljoen vanuit de middelen voor de Woningbouwimpuls versneld ingezet voor de transformatie van bestaande gebouwen en de bouw van nieuwe flexwoningen voor onder meer vergunninghouders.
Gezien het feit dat gemeenten een gebrek aan beleidsruimte ervaren, wat het effectief monitoren en coördineren van opvangplekken moeilijk maakt, bent u bereid gemeenten meer ruimte te geven de opvang en huisvesting van asielzoekers naar eigen inzicht te organiseren? Bent u bereid meer ruimte te bieden voor een gedecentraliseerde aanpak waarin gemeenten zelf het soort maatwerk kunnen bepalen dat nodig is om hun gemeentelijke opvangverplichtingen te volbrengen? Zo nee, waarom niet?
Het staat buiten kijf dat de opvang en begeleiding van asielzoekers in de bestuurlijke praktijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle Nederlandse overheden is. Strikt juridisch bezien, geldt echter dat de verplichtingen die voortvloeien uit internationale en Europese wet- en regelgeving op het niveau van de staat zijn belegd. Het is derhalve aan het Rijk om de nationale rechtsorde zodanig in te richten dat dergelijke verplichtingen kunnen worden nageleefd, daarbij ook rekening houdend met een zekere mate van uniformiteit. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de uitvoering van de asielopvang op Rijksniveau te organiseren en daartoe een aparte organisatie op te richten met de wettelijke taak voor de opvang en begeleiding van asielzoekers.16 Van in de vraagstelling genoemde »gemeentelijke opvangverplichtingen« is geen sprake.
Twee nuanceringen zijn op zijn plaats. Allereerst is er een verschil tussen het opvangen van asielzoekers en het beschikbaar stellen van locaties. In de beleidsreactie op het advies van het ROB en de ACVZ wordt de stellingname onderbouwd dat het Rijk verantwoordelijk moet blijven voor asielopvang. Dat laat onverlet dat het kabinet wél een noodzaak ziet voor een wettelijke taak van gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken (zie onder 8). Daarnaast merk ik op dat gemeenten op dit moment al ruimte hebben om mee te denken over de invulling van de asielopvang en daaraan een bijdrage te leveren. Omdat het kabinet de meerwaarde van dergelijke lokale accenten van harte onderschrijft, biedt de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen nog meer ruimte daartoe. Zo kunnen gemeenten met het COA bepalen hoe specifieke regionale opvanglocaties worden ingericht. Deze gezamenlijke afspraken kunnen gaan over het eigendom en beheer van de locatie, alsmede het aanbod van diensten en activiteiten.
Kunt uitleggen waarom het wel mogelijk is in korte tijd een grote hoeveelheid opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden beschikbaar te stellen terwijl vluchtelingen uit andere landen alleen maar in aanmerking komen voor kortdurende noodopvang? Bent u van mening dat Oekraïense vluchtelingen meer recht hebben op humane opvanglocaties dan vluchtelingen van buiten Europa? Zo nee, hoe verklaart u het grote contrast tussen de geboden hulp aan Oekraïense vluchtelingen en vluchtelingen die elders vandaan komen?
Iedereen die in Nederland bescherming zoekt tegen oorlog en geweld heeft evenveel recht op opvang. In februari 2022 zag Nederland zich geconfronteerd met buitengewone omstandigheden als gevolg van de plotselinge hoge instroom van ontheemden uit Oekraïne. Vanaf het begin is de inzet van betrokken partijen geweest om in samenhang te zoeken naar opvangplekken voor ontheemden uit Oekraïne en asielzoekers die elders vandaan komen, juist om verschillen in de wijze waarop zij behandeld worden te voorkomen. Wel constateer ik dat een ander juridisch kader van toepassing is op ontheemden uit Oekraïne. Zij vallen namelijk onder de reikwijdte van de Europese richtlijn tijdelijke bescherming die op 4 maart 2022 via een Raadsbesluit is geactiveerd.17 Verder was het nodig om, door middel van het staatsnoodrecht, burgemeesters een formele taak te geven ten aanzien van het opvangen van personen die anders niet opgevangen hadden kunnen worden door het COA. Deze regels zijn onder grote druk tot stand gekomen, met het reële risico op onvoorziene effecten. Dit neemt niet weg dat het kabinet nog altijd een gelijkwaardige opvang voor beide doelgroepen voorstaat. Het streven is om materiele en procedurele verschillen in de opvang en geboden verstrekkingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Hoe beoordeelt u het idee om van alle permanente satelliet- en regionale opvanglocaties een deel van de capaciteit vrij te houden voor het opvangen van asielzoekers om leegstand te voorkomen, en een ander deel open te stellen voor bewoning door andere doelgroepen, bijvoorbeeld spoedzoekers, zoals mensen die net gescheiden zijn of tijdelijke arbeidsmigranten? Kunt u een uitgebreide reactie hierop geven?
Het geopperde idee sluit naadloos aan bij het toekomstbeeld van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Belangrijk onderdeel daarvan is dat satellietlocaties en regionale opvanglocaties kunnen worden ingericht als zogeheten flexibele opvangvormen. Dit zijn vormen waar naast asielzoekers en vergunninghouders, gelijktijdig of volgtijdelijk, ook andere groepen woningzoekenden tijdelijk kunnen worden ondergebracht. Voor de asielopvang is het voordeel dat bij schommelingen sneller kan worden op- en afgeschaald, zonder dat locaties moeten worden geworven of gesloten. Het voordeel voor de betrokken gemeente(n) is dat deze opvangvormen tijdelijk woonruimte kunnen bieden voor andere groepen die met spoed een woning zoeken. Het mengen van groepen bewoners heeft bovendien een positief effect op inburgering alsook het lokaal draagvlak voor asielopvang.
De Uitvoeringsagenda wordt met medeoverheden op onderdelen geactualiseerd c.q. verrijkt en versneld tot uitvoering gebracht. Daarbij wordt onder andere de (door)ontwikkeling van flexibele opvangvormen betrokken. In de huidige vorm van de Uitvoeringsagenda is de toepassing van flexibele opvangvormen beperkt tot de situatie dat opvangcapaciteit van het COA wordt benut voor tijdelijke woonruimte in geval van leegstand. Een nieuwe ontwikkeling is dat binnen de crisisstructuur wordt gewerkt aan de realisatie van zogeheten tussenvoorzieningen door gemeenten. Gegeven de huidige situatie zijn die in eerste instantie bedoeld voor een snellere uitplaatsing van vergunninghouders. Het is echter niet ondenkbaar dat tussenvoorzieningen op termijn ook kunnen worden ingezet voor opvang van asielzoekers. Eenmaal verkend, zullen de mogelijkheden hiertoe een plek krijgen in de geactualiseerde Uitvoeringsagenda.
Waarom zoekt u niet proactief naar noodlocaties (zoals in Heumensoord), waar in crisissituaties snel noodopvang kan worden gerealiseerd, om te voorkomen dat dergelijke locaties moeten worden gezocht wanneer daar eigenlijk geen tijd meer voor is? Bent u bereid gemeenten te verplichten proactief locaties aan te wijzen, en deze qua bezit, vereisten op het gebied van ruimtelijke ordening, vergunningen en nutsvoorzieningen gebruiksklaar te maken zodat daar snel een noodopvanglocatie kan worden ingericht? Bent u bereid gemeenten te ondersteunen met de benodigde geldmiddelen en menskracht bij het realiseren daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het COA zet zich voortdurend in om te zorgen dat de capaciteit in haar vastgoedportefeuille aansluit op de verwachte capaciteitsbehoefte. De beschikbare capaciteit kan echter veranderen als lopende bestuursovereenkomsten met reguliere en tijdelijke (nood)opvanglocaties niet worden verlengd of vervangen. Ook de verwachte capaciteitsbehoefte is aan verandering onderhevig. De capaciteitsbehoefte is gebaseerd op de doorvertaling van de MPP. Inherent aan een prognosemodel als de MPP en dus de capaciteitsbehoefte is dat deze is omgeven met vele aannames, risico’s en onzekerheden, De uitkomsten bieden geen garantie voor daadwerkelijke realisatie. Deze omstandigheden maken dat de beschikbaarheid van voldoende opvangplekken bewerkelijk is, zoals het huidige capaciteitstekort illustreert,
Nu de vastgelopen asielopvang wordt aangepakt als nationale crisis, welke stappen en plannen kunnen we van het crisisorganisatieteam verwachten?
Vooropgesteld moet worden dat het doel van de crisisstructuur is om de doorstroom in de migratieketen te verbeteren. Alle inzet is erop gericht om snelle resultaten te boeken, maar tegelijkertijd is een structurele oplossing niet van de ene op de andere dag gevonden. Daarom hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te realiseren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap (zie onder 3). De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen. Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.18 In de Kamerbrief van 28 juli 2022 wordt de actuele stand van zaken gegeven.19 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u uitleggen waarom het crisisorganisatieteam is ondergebracht bij de NCTV? Overwegende dat de NCTV een uitgebreide geschiedenis kent van onwettelijk en onrechtmatig handelen en etnisch profileren, wat maakt de NCTV volgens u gekwalificeerd om de rechten, belangen en noden van asielzoekers te garanderen, waarborgen en beschermen?
Het in de vraag geschetste beeld wordt niet herkend. De afgelopen periode is de situatie in de migratieketen onder kritieke druk komen te staan. Vanwege de almaar verslechterende situatie was volgens het kabinet de inzet noodzakelijk van een optimaal flexibele en wendbare crisisorganisatie van de rijksoverheid die in alle situaties bestuurlijk en operationeel snel en slagvaardig kan handelen. Hiertoe is op 17 juni 2022 de structuur voor nationale crisisbesluitvorming geactiveerd. De Minister van Justitie en Veiligheid is de coördinerend Minister op het gebied van crisisbeheersing. Het is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid die steevast invulling aan deze coördinerende verantwoordelijkheid geeft, zo ook in deze crisisstructuur die specifiek is gericht op het verbeteren van de doorstroom in de migratieketen. De structuur bestaat uit het Interdepartementaal Afstemmingsoverleg (IAO), de Interdepartementale Commissie Crisis Beheersing (ICCb) en de Ministeriele Commissie Crisisbeheersing (MCCb). Ook is het Nationaal Kernteam Communicatie (NKC) actief. Binnen de crisisstructuur wordt nauw samengewerkt met veiligheidsregio’s, gemeenten, IND, COA en andere partners.
Gezien het tekort aan personeel één van de knelpunten is waardoor een structurele oplossing voor het opvangen van asielzoekers niet kan worden gerealiseerd, hoe bent u van plan het gebrek aan personeel aan te pakken?
Het COA werkt hard aan de werving van nieuw personeel. Dit is niet alleen van belang in het kader van de opvang van asielzoekers, maar ook om de hoge werkdruk op de huidige medewerkers te verminderen. Ondanks de krappe arbeidsmarkt is het COA erin geslaagd om in de afgelopen periode 1.400 mensen aan te nemen. In de komende periode moeten nog 1.000 mensen worden geworven. Om die opgave te realiseren, zet het COA verschillende instrumenten in. Zo kan gedacht worden aan aangepaste wervingscampagnes. Waar het COA voorheen gewend was om lokaal te werven rond een specifieke locatie wordt nu gewerkt aan brede wervingscampagnes. Andere voorbeelden zijn referral recruitment, waarmee wordt geworven via (huidige en oude) medewerkers en andere relaties, en actief gebruik van sociale media.
Bepaalde vacatures zijn bijzonder lastig in te vullen, bijvoorbeeld op het gebied van ICT en alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Door een gerichte strategie voor het aantrekken van personeel wordt, stapsgewijs en met een passend actieplan, gezocht naar de meest geschikte medewerkers. In dat kader is niet uitgesloten dat het COA bepaalde functievereisten versoepelt. Dat betekent overigens niet dat de kwaliteit van de personele capaciteit uit het oog wordt verloren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het commissiedebat over Vreemdelingen- en Asielbeleid op 30 juni 2022?
Om recht te doen aan de omvang en gedetailleerde aard van de vragen was het niet mogelijk om de beantwoording binnen de gevraagde termijn gereed te hebben.
Het bericht 'Uitspraak Europees Hof zet Nederlands asielbeleid op losse schroeven; staat mag documenten asielzoeker niet meer zomaar opzijschuiven' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Uitspraak Europees Hof zet Nederlands asielbeleid op losse schroeven; staat mag documenten asielzoeker niet meer zomaar opzijschuiven»?1
Met dit bericht ben ik bekend. Mijn voorganger heeft u op 8 juli 2021 over de betreffende uitspraak geïnformeerd.2
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State op 26 januari 2022 die deze uitspraak nogmaals onderstreept?2
Met die uitspraak ben ik bekend.
Bent u bekend met de reactie van uw ambtsvoorganger op het rapport «Bewijsnood: wanneer nationaliteit en identiteit ongeloofwaardig worden bevonden»? (Kamerstuk 19 637, nr. 2760)
Met die reactie ben ik bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het Nederlandse beleid moet worden aangepast naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof en de Raad van State, ook omdat dit conform de afspraak uit het coalitieakkoord is waarin staat dat Nederland alle EU-richtlijnen uitvoert? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn ambtsvoorganger heeft toegelicht in voornoemde Kamerbrief van 8 juli 2021, liet de voorheen geldende lijn van de Afdeling de IND de mogelijkheid om documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, geheel buiten beschouwing te laten. De uitvoeringspraktijk was echter al minder strikt. Ik acht de huidige werkwijze van de IND in overeenstemming met de hier bedoelde jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie en de Raad van State. Ik verwijs naar de openbare IND-werkinstructie 2022/13 (opvolgende asielaanvragen), die geldt sinds 1 juli 2022 en waarin reeds eerder gegeven instructies aan de IND medewerkers in de vorm van informatieberichten zijn verwerkt.4 Mijn ambtsvoorganger heeft de voor die tijd geldende werkinstructie 2021/74, tezamen met een aantal andere werkinstructies, al eerder aan uw Kamer toegezonden.5 Hieruit volgt dat de IND – overeenkomstig voormelde jurisprudentie – ook kopieën betrekt van documenten en documenten waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld, of die geen objectief verifieerbare bron hebben, bij de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag. De IND beoordeelt conform de EU-Procedurerichtlijn wat de bewijswaarde van het document is en of het de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt. Dat zal onder andere niet het geval zijn als het document geen informatie behelst die relevant is voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag of als het document geen steun biedt voor het asielrelaas of er misschien zelfs mee in strijd is. Ook de omstandigheid dat de authenticiteit van een stuk niet is aangetoond, kan bij de beoordeling van de bewijswaarde van overgelegde documenten worden meegewogen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen die ervoor zorgen dat er een realistische bewijslast komt voor asielzoekers die in overeenstemming is met het EU-recht en EU-richtlijnen? Bent u in het bijzonder bereid het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het beginsel van het «voordeel van de twijfel» beter te waarborgen gedurende de asielprocedure?
Zoals hiervoor is toegelicht, acht ik de huidige werkwijze van de IND in overeenstemming met de eisen die het EU-recht daaraan stelt. Zoals mijn ambtsvoorganger in de beleidsreactie van 8 juli 2021 op het rapport van Amnesty International «Bewijsnood» heeft toegelicht,6 is de Nederlandse asielprocedure erop gericht de asielzoeker zo goed mogelijk in staat te stellen zijn asielrelaas naar voren te brengen. IND-medewerkers maken zich er dagelijks hard voor dat asielbescherming wordt geboden aan hen die daar recht op hebben. Uiteraard kan de IND enkel een asielvergunning verlenen indien aannemelijk is dat de betreffende vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet en artikel 4 van de EU-Kwalificatierichtlijn, kan er aanleiding zijn om de vreemdeling hieromtrent het voordeel van de twijfel te gunnen, hetgeen ook veelvuldig voorkomt.
Bent u bereid er voor te zorgen dat bij de overdracht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de Dienst Terugkeer & Vertrek duidelijk is of de nationaliteit al dan niet is vastgesteld en of een inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden naar de risico’s bij uitzetting naar het vermoedelijke land van herkomst of een eventueel derde land? Zo nee, waarom niet?
Allereerst merk ik op dat een inhoudelijke toets naar de risico’s bij (gedwongen) terugkeer wordt uitgevoerd door de IND naar aanleiding van een ingediende asielaanvraag. Voorts verwijs ik naar de uitgebreide toelichting die mijn ambtsvoorganger heeft gegeven over het vertrekproces van vreemdelingen van wie de nationaliteit niet is vastgesteld in de beleidsreactie op het rapport van Amnesty International. Tot slot wijs ik op paragraaf 13 van de openbare IND-werkinstructie 2022/4 (herkomstonderzoek in asielzaken).
In beginsel geldt dat een vreemdeling die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland dient te verlaten. Dat is eerst en vooral een eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Dat kan vertrek naar het land van herkomst zijn, maar ook een ander land van bestendig verblijf, een land van doorreis, of enig ander land waar de vreemdeling naar wil terugkeren. Uitgangspunt is dat toegang tot het andere land dient te zijn geborgd. Voorafgaand aan het vertrek wordt aan de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgereikt dat het land vermeldt waarnaar wordt uitgezet. Ook voor die tijd kan worden gewerkt aan terugkeer naar een ander land, of zelfs meerdere landen tegelijk, mocht vertrek naar het in het terugkeerbesluit opgenomen land niet mogelijk blijken. Eventueel zal, nadat de vreemdeling is gehoord, een aanvullend terugkeerbesluit worden genomen waarin het (nieuwe) land van beoogde terugkeer wordt vermeld. Wanneer de vreemdeling in het gehoor voorafgaand aan het aanvullend terugkeerbesluit naar voren brengt dat terugkeer naar dat land voor hem bezwaarlijk is, kan de betreffende ketenpartner dat afhankelijk van wat de vreemdeling in dit kader precies naar voren brengt, onderkennen als een asielaanvraag. In dat geval wordt die aanvraag doorgeleid naar de IND.
De vreemdeling en/of diens gemachtigde heeft op meerdere momenten de mogelijkheid om op te komen tegen de beoogde (gedwongen) terugkeer; bijvoorbeeld wanneer hij voorafgaand aan het aanvullende terugkeerbesluit gehoord wordt, hij beroep instelt tegen het aanvullend terugkeerbesluit of wanneer hij bezwaar indient tegen de feitelijke uitzetting.
Daarnaast kan de vreemdeling in iedere fase van het terugkeerproces een opvolgende asielaanvraag indienen, waarbij hij de gestelde risico’s bij terugkeer naar dat land naar voren kan brengen. De DT&V wijst de vreemdeling op deze mogelijkheid indien gedwongen vertrek aan de orde is. Tegen een afwijzing van die opvolgende asielaanvraag kan de vreemdeling bij de rechter in beroep komen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat wanneer de nationaliteit tijdens het uitzetproces alsnog wordt vastgesteld, dit wordt doorgegeven aan de IND zodat toetsing aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM alsnog kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u er voor zorgen dat de IND en de DT&V voldoende waarborgen inbouwen, zodat het niet afhankelijk is van een advocaat om mogelijke schendingen te voorkomen tijdens het uitzetproces?
Zie antwoord vraag 6.
Aanhoudende diefstal, intimidatie en agressie veroorzaakt door asielzoekers. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Woede om asieloverlast, ze fluiten mijn dochter van 14 na»?1
Ja.
Wat is de status van uw belofte op eerdere Kamervragen waarbij u heeft gesteld dat het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland?2 Hoeveel mensen zijn op basis van een misdrijf vanaf 1 januari teruggestuurd naar het land van herkomst? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen en u ook in uw vraag aangeeft, is uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor een verblijf in Nederland.3 Dit is geen belofte, maar staand beleid dat wordt uitgevoerd.
De IND kan de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervoor moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden, waarvoor ik u verwijs naar de antwoorden op eerder genoemde Kamervragen.4
De Staat van Migratie, die uw Kamer op 7 juli jl. is toegezonden, laat het aantal verblijfsvergunningen asiel zien dat is ingetrokken en het aantal asielaanvragen dat is afgewezen op grond van de openbare orde. Dit kunnen zowel eerste als opvolgende asielaanvragen zijn.5
De IND bepaalt of om redenen van openbare orde een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken. In 2021 zijn op grond van openbare orde 20 verblijfsvergunningen asiel ingetrokken en 20 asielaanvragen afgewezen. In 2020 ging het om 40 intrekkingen en 30 afwijzingen. In 2019 ging het om 30 intrekkingen en 30 afwijzingen.6
Als een vreemdeling in aanraking komt met de strafrechtketen (als verdachte/pleger van een misdrijf) wordt zijn dossier overgedragen aan de DT&V. De DT&V houdt bij hoeveel vreemdelingen in de strafrechtketen aantoonbaar vertrokken zijn uit Nederland. In 2021 zijn er ca. 740 VRIS-ers aantoonbaar vertrokken uit Nederland. In 2022 t/m mei waren dit er ca. 270. Deze cijfers worden ook maandelijks openbaar gemaakt in de Kerncijfers Asiel en Migratie.
Wat vindt u van het feit dat bewoners stellen dat de asieloverlast alsmaar erger wordt? Kunt u in uw beantwoording concreet ingaan op de vraag hoe u deze mensen gaat helpen?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. De migratieketen staat onder grote druk en alle inspanningen van betrokken partijen zijn erop gericht om de huidige situatie in de asielopvang te verbeteren om zo ook verdere overlast in Ter Apel te voorkomen.
Met inzet van beveiligers en politie proberen we overlast als asociaal gedrag op straat en winkeldiefstal te voorkomen om zo het woonklimaat voor bewoners en de werkomstandigheden voor ondernemers te verbeteren. Naast de preventieve aanpak wordt ook ingezet op een breed palet aan vreemdelingenrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in de aanpak van overlast.
Voor het treffen van passende maatregelen kan de gemeente Westerwolde opnieuw een beroep doen op de specifieke uitkering ten behoeve van de lokale aanpak van overlastgevende asielzoekers (SPUK) waarmee een maximale bijdrage van € 150.000,– kan worden aangevraagd.
Om ondernemers verder tegemoet te komen, zijn in overleg met de gemeente Westerwolde de beschikbare middelen voor de SODA-regeling aangevuld en opgehoogd tot een bedrag van € 25.000,–, zodat de regeling verder doorgang kan vinden.
Voorts ben ik momenteel de mogelijkheden en haalbaarheid van een aparte opvang aan het onderzoeken voor vreemdelingen met een kansarme aanvraag. In deze opvanglocatie geldt een sober regime en het vereiste dat de bewoners op locatie beschikbaar dienen te zijn voor het snel kunnen doorlopen van de procedure. De verwachting is dat een dergelijke locatie zal bijdragen aan het verminderen van de overlast aangezien vreemdelingen met een kansarme asielaanvraag relatief vaak betrokken zijn bij een incident of misdrijf.7
Heeft u de bereidheid om bewoners en ondernemers financieel te compenseren voor de kosten die zij maken om zichzelf tegen geboefte te beveiligen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer is het voor u een keer genoeg voor wat betreft het opvangen van asielzoekers? Op welk momentum sluit u de grenzen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Iedereen heeft recht op een eerlijke asielprocedure. Tijdens de asielprocedure hebben asielzoekers recht op opvang en begeleiding, dit gebeurt grotendeels in asielzoekerscentra. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op het voorkomen van overlastgevend gedrag en een harde aanpak. Zoals u bekend is het kabinet van mening dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk.
De situatie in Ter Apel |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het tienpuntenplan zoals dat op 21 juni door het College van burgemeester en Wethouders van Westerwolde aan de Kamer is voorgelegd?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik heb met interesse kennisgenomen van het tienpuntenplan. Op 24 juni 2022 bracht ik een werkbezoek aan de gemeente Westerwolde, inclusief de locatie Ter Apel. In navolging van het tienpuntenplan heb ik uit de eerste hand mogen vernemen welke problemen inwoners, ondernemers, het betrokken personeel en nieuw binnenkomende asielzoekers ervaren. Ik kan niet vaak genoeg benadrukken dat dit een zeer onwenselijke situatie is die ik ten zeerste betreur. Tegelijkertijd is de problematiek dusdanig complex dat een structurele oplossing niet snel en eenvoudig voorhanden is. Het is dan ook niet uitgesloten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden. Dat de gemeente Westerwolde in het tienpuntenplan stelt «het geduld voorbij» te zijn, kan ik ten volle begrijpen.
Graag sta ik stil bij het belang van de locatie Ter Apel en de samenwerking met de gemeente Westerwolde. Ter Apel is uniek in zijn soort. Het is de plek waar asielzoekers het asielproces starten, maar het is ook de plek waar asielzoekers opvang krijgen en, bij wijze van sluitstuk, voorbereidingen treffen op hun vertrek uit Nederland.2 Het asieldomein wordt hier over de volle breedte zichtbaar, vandaar ook de aanwezigheid van een veelheid aan organisaties. Zij werken met grote inzet en toewijding aan de uitvoering van het asielbeleid. De intensieve ketensamenwerking en concentratie van expertise is een kracht, maar ook een risico. Door de grote onderlinge afhankelijkheden hebben knelpunten en problemen binnen de keten gevolgen voor de organisaties die daarvan deel uitmaken. Helaas geldt dit ook voor de wijdere omgeving en in dit geval de gemeente Westerwolde. Ik ben vastbesloten in mijn streven om, hoe complex ook, de situatie in Ter Apel te verbeteren.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de gemeente Westerwolde die, ondanks de huidige problematiek, bereid blijft om op constructieve wijze mee te denken over mogelijke maatregelen. Een gedetailleerde reactie op de verschillende maatregelen geef ik in het antwoord op vraag 3. In algemene zin onderschrijf ik de strekking van het tienpuntenplan, namelijk dat de opvang van personen die vluchten voor oorlog en geweld vereist dat gemeenten een evenredige bijdrage leveren. De enorme druk op Ter Apel is namelijk onhoudbaar en moet verminderen. Voor degenen die oneigenlijk gebruik (en zelfs misbruik) maken van het fundamentele recht om asiel aan te vragen, is geen plek in Nederland. Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel, óók van asielzoekers.
Bent u het eens met de strekking van het plan snel een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit?
Het is evident dat de locatie Ter Apel structureel ontlast moet worden. Om een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit, moet de situatie in breder perspectief worden geplaatst. De gevolgen manifesteren zich weliswaar op lokaal niveau in Ter Apel, maar het onderliggende probleem heeft betrekking op de doorstroom in de asielketen. Als zodanig is het een probleem van nationale omvang en betekenis dat, vanwege de nijpende situatie in Ter Apel, met urgentie geadresseerd moet worden. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren.3
Ik kan u verzekeren dat alle inzet erop is gericht om snelle resultaten te boeken, in de eerste plaats om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de nijpende situatie op de locatie Ter Apel te verhelpen. Tegelijkertijd is het streven om structurele verbetering te realiseren. Om die reden hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te creëren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen.
Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.4 In de Kamerbrieven van 28 juli 2022 en 9 augustus 2022 wordt de actuele stand van zaken beschreven.5, 6 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u per maatregel aangeven wat uw oordeel is?
Recent heb ik aanvullende maatregelen aangekondigd ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit door een in omvang beperkte groep asielzoekers. Een van de maatregelen betreft het opzetten van een nieuwe opvangmodaliteit, de zogeheten procesbeschikbaarheidslocatie (PBL). De PBL is bedoeld voor de opvang van asielzoekers met een kansarme asielaanvraag, te weten asielzoekers in spoor 1 (Dublinclaimanten) en spoor 2 (veilige landers). In de PBL zal een sober regime gelden. In het belang van het versneld afdoen van deze asielaanvragen wordt van betrokkenen vereist steeds beschikbaar te zijn op locatie. Van (semi)gesloten opvang is echter geen sprake, aangezien dit op juridische bezwaren stuit. De brief die ik op 29 juni 2022 aan uw Kamer heb gestuurd, bevat meer informatie over de PBL en andere maatregelen.7
Tevens wordt ingezet op versobering van de opvang(voorzieningen) van Dublinclaimanten op bestaande opvanglocaties. Dit houdt in ieder geval in dat betrokkenen bepaalde verstrekkingen, zoals artikelen voor persoonlijke hygiëne, in natura ontvangen. Ook andere mogelijkheden tot versobering worden bezien, dit met inachtneming van de uitvoeringsconsequenties. Een versoberd opvangregime is passend in het licht van de ambitie van een beperkte behandelduur van deze aanvragen en daarmee de beperkte verblijfsduur in de opvang.8
Verschillen fraudevormen zijn reeds strafbaar. Asielzoekers die fraude plegen of anderszins onheus gebruik maken van de asielprocedure, maken misbruik van de geboden gastvrijheid. Ik voeg hieraan toe dat ook bestuursrechtelijke sancties kunnen worden getroffen. Toepassing hiervan ligt meer in de rede, aangezien het vreemdelingenrecht een onderdeel is van het bestuursrecht. Bovendien moet het strafrecht worden beschouwd als ultimum remedium. Belangrijke bestuursrechtelijke sanctie om te noemen is de mogelijkheid om een reeds verleende verblijfsvergunning in te trekken. Om tot intrekking over te gaan moet evenwel aan de strenge voorwaarde worden voldaan dat er concreet bewijs is dat onjuiste gegevens zijn verstrekt in de procedure en dat die gegevens bovendien van doorslaggevend belang zijn geweest bij het toekennen van een vergunning.
De mogelijkheid om een «nieuwe» asielaanvraag te doen, is verankerd in Europese wet- en regelgeving. Hieraan ligt ten grondslag dat na afwijzing van een eerste asielaanvraag altijd sprake kan zijn van veranderde omstandigheden, zowel in het land van herkomst als in de situatie van de persoon zelf. Aangezien dit tot gevolg kan hebben dat terugkeer niet mogelijk is, dient het mogelijk te zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen. Wel kan worden ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen. Snelle procedures kunnen immers de prikkel wegnemen om nieuwe kansloze aanvragen te doen. In een speciale «opvolgende aanvraagkamer» geeft de IND hier al uitvoering aan. Naast snelle procedures is een ontmoedigingsmaatregel op het terrein van rechtsbijstand ingevoerd. Daar geldt namelijk dat een lagere vergoeding wordt toegekend bij herhaalde asielaanvragen die worden afgewezen.
Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel. Er bestaat al een breed pakket aan stevige maatregelen. Hierbij kan gedacht worden aan de persoonsgerichte aanpak van asielzoekers die de meeste overlast veroorzaken («Top-X-aanpak»), de maatwerkgerichte inzet van ketenmariniers en de financiering van lokale maatregelen om overlastgevende asielzoekers aan te pakken. Aanvullende maatregelen ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit zijn ook voorzien. Naast het opzetten van een PBL (zie onder 1) gaat het om nieuwe maatregelen om overlast op bestaande opvanglocaties tegen te gaan, inzet op vreemdelingenbewaring, toepassing van het middel van de ongewenstverklaring en aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9 Veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan onder bepaalde voorwaarden een grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen.10
Ingevolge jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie hebben Dublinclaimanten tot aan hun overdracht recht op opvang. Bij wijze van alternatief wordt ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen, gevolgd door overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Hiervoor is nodig dat de verantwoordelijke lidstaat de overdracht accepteert en dat de overdracht binnen de overdrachtstermijn plaatsvindt. Naast snelle procedures wordt ook gewerkt aan het opzetten van een PBL en het versoberen van de opvang(voorzieningen) op bestaande opvanglocaties (zie onder 1). Dit kan de komst en het verblijf in Nederland ontmoedigen en daardoor bijdragen aan een reductie van de benodigde opvangcapaciteit.
Het kabinet zet in op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra, aanvullend op het reeds bestaande netwerk van gelijksoortige voorzieningen, zoals in Budel en Zevenaar. Uiteindelijke doel is de doorontwikkeling van de aanmeldcentra tot Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locaties. Op 6 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de zoektocht naar nieuwe aanmeldcentra heeft geleid tot een mogelijkheid op een kavel in Bant, op loopafstand van het bestaande azc in Luttelgeest.11 Met de ontwikkeling van een locatie aldaar ontstaat perspectief om de locatie Ter Apel structureel te ontlasten en de afhankelijkheid van die ene locatie te reduceren. Realisatie vindt bij voorkeur plaats met medewerking van de gemeente Noordoostpolder. Bij belangwekkende ontwikkelingen zal ik uw Kamer uiteraard informeren.
Op basis van de reprimande-regeling kunnen winkeldieven bij het eerste vergrijp een waarschuwing krijgen in plaats van strafvervolging. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om te beslissen of de reprimande-regeling wordt toegepast en dit doet dit in samenspraak met politie. Omdat voor deze regeling landelijk gemaakte afspraken gelden, is het niet mogelijk de regeling specifiek voor Ter Apel af te schaffen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om prioriteiten te bepalen in de door hen opgepakte zaken. Tegen deze achtergrond heb ik de wens van de gemeente Westerwolde hieromtrent onder de aandacht gebracht bij de politie en het Openbaar Ministerie.
Recent zijn de uitkomsten van de verkenning naar een juridisch instrumentarium bekend gemaakt. Het kabinet concludeert dat het voor de realisatie van voldoende opvangcapaciteit nodig is om een wettelijke taak bij gemeenten te beleggen om opvangvoorzieningen beschikbaar te stellen. Daarnaast is het van belang dat deze wettelijke taak voor gemeenten zo wordt vormgegeven dat het toezicht bij onverhoopte taakverwaarlozing effectief te realiseren is. Daarmee wordt materieel een aanwijzingsbevoegdheid gecreëerd. Een nadere uitwerking van bovenstaande uitkomsten is nodig, gevolgd door de voorbereiding van een wetsvoorstel. In de brief die ik op 8 juli 2022 met uw Kamer heb gedeeld, staat een uitgebreide toelichting bij het juridisch instrumentarium.12
Asielzoekers moeten zich in ieder geval een keer melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, namelijk na aankomst in Nederland. Binnen de huidige kaders kunnen bepaalde processtappen namelijk alleen daar worden doorlopen, zoals identificatie en registratie en medische checks. Vervolgens gaan asielzoekers doorgaans naar een (crisis)(nood)opvanglocatie elders. Dat asielzoekers zich op verschillende momenten moeten melden in Ter Apel is dus eerder uitzondering dan regel, met de kanttekening dat het in de huidige situatie wel vaker voorkomt. Ook hier geldt dat maatregelen worden gezocht en getroffen om de locatie Ter Apel te ontlasten. Zo geldt sinds begin 2022 dat het niet voor alle nareizigers verplicht is om zich in Ter Apel te melden. In plaats daarvan kunnen zij terecht in Zevenaar. Momenteel wordt onderzocht of de doelgroep kan worden uitgebreid.13
Net als in 2020 en 2021 kunnen gemeenten ook in 2022 een aanvraag indienen voor een zogeheten specifieke uitkering voor maatregelen tegen overlast en criminaliteit door asielzoekers. Hiervoor heb ik in 2022 een budget van 1,25 miljoen euro beschikbaar gesteld. Dit is een verhoging ten opzichte van de ter beschikking gestelde budgetten in 2020 en 2021 (beide jaren 1 miljoen). De uitkering geeft gemeenten de mogelijkheid tot (gedeeltelijke) financiering van lokale (kleinschalige) maatregelen die het beste bij hun problematiek passen. In het concrete geval van de gemeente Westerwolde betekent dit dat de extra financiële middelen kunnen worden aangewend voor de inzet van extra BOA.14 Ook het COA financiert enkele BOA’s die lokaal worden ingehuurd en ingezet. Ik hecht eraan om te benoemen dat, ondanks alle maatregelen die worden getroffen, overlast en criminaliteit nooit helemaal voorkomen kunnen worden.
Wat onderneemt u verder om de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het Rode Kruis zich heeft teruggetrokken uit Ter Apel omdat vluchtelingen al 12 uur geen eten en drinken kregen? Hoe gaat u dit voorkomen in de toekomst?
Allereerst wil ik mijn dank betuigen aan het Rode Kruis voor het plaatsen van 50 tenten op het parkeerterrein bij Ter Apel. Ook op andere manieren helpen zij om de noden van asielzoekers te verlichten. Van het Rode Kruis begreep ik dat zij op 16 juni 2022 inderdaad hebben besloten om de tenten te verwijderen. De reden zou gelegen zijn in de constatering dat de organisatie geen goede ondersteunende hulp kon bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Ik herhaal dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en daardoor de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 2 en 4.
De schrijnende situatie van een Iraniër die met de dood wordt bedreigd |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Buurt in actie voor illegale Navid uit Iran»?1
Ik heb het artikel gelezen maar zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele gevallen.
Wat zegt het volgens u dat buurtbewoners in actie komen om Navid een legale verblijfsstatus te geven?
De betrokkenheid van de buurtbewoners vind ik een mooi gebaar van solidariteit. Voor zover u met uw vraag doelt op de legitimiteit die dit al dan niet verleent aan de verblijfsaanvragen van betrokkene, ben ik in algemene zin van mening dat betrokkenheid van burgers niet per definitie hoeft te betekenen dat er een grondslag bestaat voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
Hoe kunt u van een vluchteling verwachten dat die tijdens een reis van duizenden kilometers lang bewijs meeneemt van bedreiging van zichzelf en zijn familie?
Het startpunt voor de beoordeling van de asielaanvraag zijn de verklaringen van de vreemdeling. Tegelijk mag verwacht worden dat een vreemdeling zijn aanvraag en verklaringen zo goed als redelijkerwijs mogelijk met documenten weet te onderbouwen. Als (bepaalde) documenten ontbreken wordt nagegaan waarom de vreemdeling de betreffende documenten niet heeft. Als een relevant element niet voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, zoals documenten, wordt aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld. Ook daarin kunnen indicatieve documenten een rol spelen. Een asielaanvraag zal niet enkel worden afgewezen omdat iemand bepaalde documenten niet kon meenemen uit of verkrijgen in zijn land van herkomst, of omdat hij deze onderweg is verloren.
Hoe stelt u bekeerlingen in staat hun bekering te bewijzen om te voorkomen dat zij ten onrechte terug worden gestuurd en met de dreiging van de doodstraf worden geconfronteerd?
De geloofwaardigheidsbeoordeling vindt, zoals ook vermeld in antwoord 3, grotendeels plaats aan de hand van de verklaringen van de asielzoeker. De algemene geloofwaardigheidsindicatoren die in de werkinstructie met nummer 2014/10 benoemd worden, zijn ook van toepassing op bekeringszaken. Daarnaast heeft de IND een werkinstructie met nummer 2022/3 die specifiek ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling in bekerings- en afvalligheidszaken. Op basis van deze werkinstructie, toetst de IND of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Daarbij wordt gekeken naar de kennis van het nieuwe geloof, de activiteiten die in dit kader zijn verricht en de motieven voor, en het proces van, bekering. Een bekering kan aanvullend worden onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van derden. Te denken valt aan een verklaring van kerkelijke personen of instanties.
In iedere bekeringszaak dient bovendien een bekeringscoördinator geraadpleegd te worden. Voor alle zaken – ook niet bekeringszaken – geldt dat indien de IND twijfelt over de beoordeling van de geloofwaardigheid er collegiaal overleg met een (senior) medewerker mogelijk is. Eventueel kan nader onderzoek in de vorm van een aanvullend gehoor opgestart worden. Ook kunnen deskundigen, bijvoorbeeld landenspecialisten, worden geraadpleegd.
Hoe acht u het mogelijk iemand terug te sturen wiens familie openlijk is bedreigd door het regime nadat een protestvideo van hem online is verschenen?
Als gezegd kan niet worden ingegaan op individuele gevallen. Op het moment dat een asielzoeker terug moet keren houdt dat in dat deze persoon geen recht op asielbescherming heeft in Nederland. Betrokkene heeft in dergelijke gevallen de volledige asielprocedure doorlopen, eventuele rechtsmiddelen uitgeput en daarbij is vastgesteld dat betrokkene geen individueel risico loopt op ernstige schade of vervolging bij terugkeer. Nederland heeft op dat moment aan al haar verplichtingen voldaan in het kader van het (internationaal) vreemdelingenrecht en er kan dus overgegaan worden tot terugkeer.
Bent u bereid het dossier van Navid te laten toetsen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst als schrijnend geval? Zo nee, waarom niet?
Zoals u in uw vraag aangeeft is het aan de IND om te toetsen op schrijnendheid. Dit gebeurt ambtshalve bij de eerste asielaanvraag wanneer hiervoor aanleiding bestaat. Indien een vreemdeling meent dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die zijn aanvraag kunnen ondersteunen staat het hem vrij om een herhaalde aanvraag in te dienen. Bij deze aanvraag vindt echter geen schrijnendheidstoets plaats. In dit proces is geen rol voor mij weggelegd en ik zal deze zaak daarom ook niet aan de IND voorleggen.
Het bericht 'Onrust in azc Katwijk na mishandeling Adam (5)' |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onrust in azc Katwijk na mishandeling Adam (5)»?1
Ja.
Bent u bekend hoe deze mishandeling heeft kunnen plaatsvinden? Zo ja, hoe is dit gebeurd? Bent u bereid het politieonderzoek openbaar te maken wanneer deze afgerond is? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik zeer geschrokken ben door deze gebeurtenis. In de gezinslocatie in Katwijk en binnen het COA hebben de gebeurtenissen diepe indruk gemaakt op de bewoners en de medewerkers. Het COA staat betrokkenen die dat wensen bij met professionele zorg en aandacht. Ik hoop dat het jonge slachtoffer spoedig zal herstellen.
De politie is onder gezag van het OM een onderzoek gestart. In het belang van een zorgvuldige procesgang kan ik geen mededelingen doen over wat er is gebeurd, mede omdat het onderzoek nog niet is afgerond.
Bent u bereid een onderzoek te verrichten naar de handelwijze en het beleid van het asielzoekerscentrum (azc) in Katwijk aangaande deze gebeurtenis?
Zoals hierboven aangegeven, loopt op dit moment een strafrechtelijk onderzoek. In het belang van een goede procesorde kan ik geen mededelingen doen over de zaak.
Klopt het dat azc Katwijk nooit een aanvraag heeft ingediend voor het verblijf van de moeder van Adam, terwijl zij dit al in 2020 hadden moeten doen?
Het is niet aan azc’s om verblijfsaanvragen in te dienen.
Klopt het dat de politie geen onderzoek wil(de) uitvoeren naar de mishandeling van Adam? Zo nee, waarom niet?
Het strafrechtelijk onderzoek van de politie loopt.
Klopt het dat de politie zonder onderzoek te doen heeft verklaard dat Adam is mishandeld door een minderjarige? Zo nee, waarom niet?
Dat is mij onbekend.
Klopt het dat geen slachtofferhulp is aangeboden aan de moeder van Adam na de mishandeling van haar zoon? Zo nee, waarom niet?
Het COA staat betrokkenen die dat wensen bij met professionele zorg en aandacht.
Worden gevallen van mishandeling bij azc’s geregistreerd? Zo ja, hoe vaak komt het voor?
Bij brief van 22 juni jl.heb ik uw Kamer het WODC-rapport «Incidenten en misdrijven door COA-bewoners 2017–2021» aangeboden.2 In dit rapport is onder meer een overzicht opgenomen van door het COA geregistreerde incidenten op COA-locaties in de afgelopen vijf jaar. Daarnaast geeft het rapport een overzicht van de misdrijven waarvan bewoners tijdens hun verblijf op COA-locaties verdacht werden.
De geregistreerde incidenten op COA-locaties zijn in dit rapport uitgesplitst naar vijf type incidenten: verbale suïcidedreiging, agressie en geweld tegen personen fysiek, agressie en geweld tegen personen non-verbaal, agressie en geweld tegen personen verbaal en zelfdestructieve acties. Het gaat hierbij om door het COA geregistreerde incidenten die op COA-locaties hebben plaatsgevonden. In totaal registreerde COA in 2021 5.920 incidenten waarbij sprake was van verbale suïcidedreiging, zelfdestructieve acties of fysieke, verbale en non-verbale agressie en geweld.
Naast incidenten op de COA-locatie kunnen bewoners ook misdrijven plegen op of buiten de opvanglocatie. Deze geregistreerde criminaliteit bestaat uit alle misdrijven die door de politie worden vastgelegd (in een zogenoemd proces-verbaal).
In 2021 zijn door de politie in totaal 3.990 registraties van verdachten vastgelegd, waarbij de verdachte een vreemdeling betrof die verbleef op een COA-locatie.
265 registraties vallen onder delictcategorie mishandeling, 40 registraties vallen onder delictcategorie seksueel misdrijf en 20 registraties vallen onder delictcategorie Opiumwet.
In 2021 werden 2.830 zaken afgedaan door het OM waarbij de verdachte woonachtig was op een COA-locatie ten tijde van het misdrijf.
Door de rechter in eerste aanleg werden in 2021 1.615 misdrijfzaken afgehandeld.
Worden gevallen van seksuele intimidatie en/of seksueel misbruik bij azc’s geregistreerd? Zo ja, hoe vaak komt het voor?
Zie antwoord vraag 8.
Worden gevallen van drugshandel in azc’s geregistreerd? Zo ja, hoe vaak komt het voor?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid alle azc’s in Nederland door te lichten op gevallen van mishandeling, seksuele intimidatie, seksueel misbruik en drugshandel?
Nee. Er is immers al sprake van een zorgvuldige registratie door de politie van misdrijven en verdachten, waaronder inbegrepen bewoners van COA-opvanglocaties. In dit verband verwijs ik nogmaals naar het WODC-rapport «Incidenten en misdrijven door COA-bewoners 2017–2021».
Wat is het beleid ten aanzien van toezicht bij azc’s? Klopt het dat niet altijd adequaat toezicht gehouden wordt waardoor incidenten zoals mishandeling kunnen plaatsvinden?
Op opvanglocaties is 24 uur per dag en 7 dagen per week beveiliging aanwezig. Tevens is overdag en in de avonduren COA-personeel aanwezig. Daarmee is voldoende begeleiding en toezicht aanwezig op de locatie.
In zijn algemeenheid wil ik daarbij aangeven dat de veiligheid op en rondom een opvanglocatie een gezamenlijke inspanning betreft van zowel medewerkers als bewoners. Desondanks kunnen incidenten plaatsvinden.
Bent u van mening dat Nederland voldoet aan de nationale en internationale bepalingen omtrent omgang en behandeling van vluchtelingen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het Nederlandse asielbeleid is gebaseerd op meerdere verdragen en wetten, waaronder het Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en de Vreemdelingenwet. Europese regelgeving, waaronder begrepen de Opvangrichtlijn en Procedurerichtlijn, is in nationale regelgeving geïmplementeerd. Toepassing van deze wet- en regelgeving wordt door een onafhankelijke rechter getoetst.
Kunt u begrijpen dat door dergelijke gebeurtenissen asielzoekers zich onveilig voelen?
Het merendeel van de bewoners van de COA-locatie in Katwijk geeft volgens het COA aan zich niet onveilig te voelen nu. Desondanks kan ik begrijpen dat het voorval bij sommige bewoners wél tot onrust leidt. Het COA blijft hierover met bewoners in gesprek.
Bent u bereid acties te ondernemen om de veiligheid van bewoners van het azc te waarborgen en dergelijke situaties te voorkomen in de toekomst? Zo ja, welke concrete acties gaat u hiervoor ondernemen en wanneer gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Tot nu toe is er geen aanleiding geweest om aanvullende maatregelen te nemen op het gebied van veiligheid. Mochten er signalen bij het COA binnenkomen dat de veiligheid van bewoners in het geding is, dan zal het COA uiteraard maatregelen treffen.
De opvang van 1.000 Oekraïense vluchtelingen in Vlaardingen |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat u al langere tijd intensief met de gemeente Vlaardingen in gesprek bent om tot maximaal 1.000 Oekraïense vluchtelingen voor een periode van maximaal vijf jaar op te vangen in een tijdelijk te realiseren dorp op de locatie Vergulde Hand West?1
Ja, dat klopt.
Klopt het dat er voor dit plan veel draagvlak is, en dat de afgelopen weken door de gemeente, veiligheidsregio en verschillende organisaties – zoals bouwers, scholen en maatschappelijke organisaties – hard is gewerkt om dit plan rond te krijgen zodat de realisatie kort na de zomer gerealiseerd kan worden?
Dat is eveneens correct. Door alle partijen, waaronder de rijksoverheid, wordt het grote belang van het project onderkend en wordt er veel tijd en aandacht besteed om de businesscase rond te krijgen.
Klopt het dat de gemeente Vlaardingen u meerdere malen heeft gevraagd de afgesproken financiële garantstelling te ondertekenen die nodig is om dit project te realiseren, en dat komende donderdag 23 juni 2022 de uiterste datum is om deze te ondertekenen omdat anders de offertes komen te vervallen en daarmee het volledige project dreigt te mislukken?
Het college van B&W van Vlaardingen wil donderdag 23 juni 2022 het besluit kunnen nemen over het project. De tijdsdruk heeft te maken met de dringende behoefte aan dit type huisvesting en de optietermijn bij de aannemer. De gemeente Vlaardingen gaat er vanuit dat het project budgettair neutraal is voor de gemeente. Er zijn forse bedragen met het project gemoeid. De afgelopen dagen is het financieel voorstel vanuit Vlaardingen aanmerkelijk gewijzigd. Er worden aanzienlijke garanties gevraagd van de rijksoverheid. Dit vereist een aanvullende zorgvuldige bestudering en afweging.
Begrijpt u de zorgen en het ongenoegen van de gemeente over het uitblijven van uw garantstelling, en de gevolgen daarvan voor het lokale enthousiasme en draagvlak, en zo ja, bent u bereid om zo snel mogelijk en uiterlijk donderdag 23 juni de gemeente Vlaardingen uitsluitsel te geven over uw steun voor dit project?
Zoals gesteld is het een belangrijk project waar door alle betrokkenen hard aan gewerkt is. Het overleg wordt voortgezet gericht op uitsluitsel op donderdag.
Oneigenlijk gebruik leefgeld. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Arbeidsmigranten willen ook leefgeld»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de gemeente Den Haag heeft vastgesteld dat er zeker 150 Oekraïners, die niet op de vlucht zijn en hier voor de Russische aanval al waren als arbeidsmigrant, ten onrechte om leefgeld (260 euro per maand en een faciliteit voor vluchtelingen) komen vragen?
We zijn bekend met het signaal vanuit de gemeente Den Haag.
Het kabinet heeft de Tweede Kamer op 30 maart 2022 geïnformeerd dat de volgende personen in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming2:
Op basis van bovenstaande omschrijving kunnen ook personen met de Oekraïense nationaliteit, die al voor 27 november 2021 in Nederland verbleven, in aanmerking komen voor opvang en het bijbehorende leefgeld.
Personen die voor de Russische aanval al in Nederland waren als arbeidsmigrant kunnen derhalve onder de doelgroep vallen en komen in dat geval ook in aanmerking voor opvang en het bijbehorende leefgeld.
Wat betreft Oekraïners die voor 27 november 2021 elders in Europa verbleven. Zij komen niet in aanmerking voor de ontheemdenstatus. We zijn op Europees niveau aan het onderzoeken hoe we beter zicht kunnen krijgen op de verhuisbewegingen binnen Europa.
Deelt u de mening dat het oneigenlijke gebruik van vluchtelingenfaciliteiten een bom legt onder de hulp aan échte vluchtelingen? Zo ja, hoe gaat u het oneigenlijke gebruik zo snel als mogelijk tegen? Kunt u hier gedetailleerd op antwoorden?
De voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne, zoals de gemeentelijke of particuliere opvang en het leefgeld, moeten gebruikt worden voor degene die daar recht op hebben volgens de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming. Wij hebben van gemeenten signalen ontvangen dat zij het in specifieke situaties lastig vinden om vast te stellen of iemand onder de Europese Richtlijn valt. In samenwerking met de IND zijn we bezig handvatten te bieden voor gemeenten. Daarnaast is het mogelijk om bij twijfel de IND een controle te laten doen op de documenten die worden overlegd door ontheemden. Daar zijn mobiele teams voor opgericht die per veiligheidsregio worden ingeschakeld om gemeenten hierbij te ondersteunen. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan voor inschrijving in het BRP, heeft de ontheemde vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat hij onder de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming valt. Hieruit volgt dat hij geen recht op opvang en voorzieningen (o.a. leefgeld) heeft. De vreemdeling moet terug naar het land van herkomst. De Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) kan het vertrek van de vreemdeling uit Nederland begeleiden. Indien de vreemdeling toch asiel wil aanvragen, dan wordt hij verwezen naar Aanmeldcentrum Ter Apel.
Bent u bekend met het feit dat er heel wat Oekraïners worden uitgebuit? Zo ja, hoe gaat dat in samenwerking met de Arbeidsinspectie beter en adequater bestrijden? Kunt u hier gedetailleerd op antwoorden?
Binnen de Arbeidsinspectie is sinds het begin van de oorlog in Oekraïne een speciaal team actief, dat acteert op meldingen van en over ontheemden uit Oekraïne. Alle meldingen met signalen van mogelijke arbeidsuitbuiting worden onderzocht, en waar mogelijk opgevolgd. Het is dan ook heel belangrijk dat organisaties en personen signalen van vermoedens van misbruik, uitbuiting of mensenhandel bij toezichthouders en opsporingsdiensten melden. Bij inspecties werkt de Arbeidsinspectie regelmatig samen met gemeenten en andere ketenpartners om misstanden integraal aan te pakken. Op dit moment lopen er bij de Arbeidsinspectie verschillende onderzoeken naar mogelijke overtredingen van arbeidswetten bij bedrijven en uitzendbureaus die Oekraïners in dienst hebben. Tot nu toe heeft dit nog niet geleid tot een constatering van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin, wel tot mogelijke overtredingen van arbeidswetten.
Daarnaast wordt er actief ingezet op zoveel mogelijk bewustwording bij gemeenten, particulieren en ontheemden zelf, om te bevorderen dat organisaties en personen signalen van vermoedens van misbruik, uitbuiting of mensenhandel bij toezichthouders en opsporingsdiensten melden. Zo zorgt het Rijk samen met partners uit het maatschappelijk middenveld voor goede voorlichting aan alle partijen over de risico’s van mensenhandel voor ontheemden uit Oekraine. Dit doen we door de bestaande handreikingen (voor gemeenten en particulieren) en informatieflyers (van CoMensha en het RIEC) te delen. Via websites maar bijvoorbeeld ook via contactpunten van het Rode Kruis op stations. Tevens wordt ingezet op informatievoorziening voor werknemers over hun rechten en plichten. Zo zal www.workinnl.nl binnenkort beschikbaar zijn in zowel het Oekraïens als het Russisch.
In algemene zin komen misstanden bij arbeidsmigranten helaas nog te vaak en te breed voor. Het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is daarom een belangrijke prioriteit van het kabinet. Hier wordt hard aan gewerkt, samen met andere betrokken partijen zoals provincies, gemeenten, sociale partners en handhavingsinstanties. Hoewel er al veel in gang is gezet, is het uitvoeren van de adviezen niet van de ene op de andere dag geregeld. Het advies van het Aanjaagteam bevatte aanbevelingen voor de korte termijn, die zijn inmiddels uitgevoerd. Bijvoorbeeld het verbeteren van de registratie en toegang tot een DigiD. Daarnaast zijn we nu flink op weg om de aanbevelingen voor de lange termijn, waar wet- en regelgeving voor nodig is, bij uw Parlement te krijgen.
Het bericht ‘Nederland koploper naturalisatie: ruim 45.000 asielzoekers kregen paspoort‘ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland koploper naturalisatie: ruim 45.000 asielzoekers kregen paspoort»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verklaart u dat Nederland koploper is in de wereld in het aantal asielzoekers dat naturaliseerde in 2021, waarbij het aantal ruim zeven keer zo hoog lag als bij de nummer twee Canada?
Op de genoemde vergelijking kan ik niet inhoudelijk ingaan, aangezien niet bekend is welke definities gehanteerd zijn bij de in het bericht genoemde cijfers. De bron van deze cijfers is niet genoemd. Voor Nederland geldt dat in 2021 afgerond 54.750 personen een inwilliging op hun naturalisatieverzoek hebben ontvangen. Daarvan zien 33.390 inwilligingen op personen die eerder een asielvergunning hebben gehad.
Om een beeld te geven van de positie van Nederland in Europa wat betreft het aantal personen dat het staatburgerschap verkrijgt, verwijs ik naar de openbaar raadpleegbare cijfers van Eurostat. Eurostat rapporteert over «acquisition of citizenship» voor de lidstaten van de Europese Unie. Dit is een bredere definitie dan het verkrijgen van de nationaliteit door naturalisatie door personen die eerder een asielvergunning hadden. De meest recente raadpleegbare cijfers van Eurostat op dit onderwerp zien op het jaar 2020.2 Voor dat jaar geldt dat in absolute termen Nederland het zesde land in Europa is qua aantal verkrijgingen van het staatsburgerschap, met een totaal van 55.943. Landen waarin in absolute aantallen meer personen het staatsburgerschap kregen waren Italië (131.803), Spanje (126.266), Duitsland (111.170), Frankrijk (86.483) en Zweden (80.175). In verhouding tot het aantal inwoners ligt het aantal verleningen van het staatsburgerschap het hoogst in Zweden (7,7 per 1000 personen), gevolgd door Luxemburg (7,4 per 1000 personen), en dan Nederland (3,2) per 1000 personen. Voor Frankrijk lag dit in 2020 op 1,3 per 1000 inwoners.
Hoe verklaart u dat in Nederland ruim twaalf keer zo veel asielzoekers naturaliseerden als in Frankrijk, een andere EU-lidstaat waar aanzienlijk meer asielzoekers worden opgevangen?
Ook op deze vergelijking kan ik niet inhoudelijk ingaan, aangezien niet bekend is welke definities gehanteerd zijn bij de in het bericht genoemde cijfers.
Deelt u de mening van het CDA dat deze cijfers niet in verhouding staan aangezien Frankrijk 16 keer zo groot is en slechts 4 keer zo veel inwoners heeft?
Zie antwoord vraag 3.
Nederland is na Malta de meest dichtbevolkte lidstaat van de Europese Unie. Voorziet u met de huidige immigratiecijfers en aantallen naturalisaties problemen als gevolg de grote instroom van asielzoekers? Zo ja, welke problemen voorziet u en wat gaat u hier tegen doen?
Duidelijk is dat een grote instroom asielzoekers kan leiden tot een hoge druk op de asiel-, opvang- en integratiestelsels in een land. Mede vanuit de behoefte om meer grip te krijgen op de asielinstroom naar Nederland, steunt het kabinet onder andere de wetgevende voorstellen over een verplichte screening en een verplichte asielgrensprocedure aan de buitengrens van de Unie. Die voorstellen zijn onderdeel van het door de Europese Commissie in september 2020 gepresenteerde asiel- en migratiepact. Recent is een algemene oriëntatie aangenomen op de screeningsverordening door de EU-lidstaten (de Raad). Ook initiatieven zoals de aanpassing van het Schengenevaluatiemechanisme en de aanpassing van de Schengengrenscode zullen bijdragen aan versterking van het grensbeheer aan de buitengrenzen van de EU en het tegengaan van secundaire migratie met inachtneming van fundamentele rechten. Bij de onderhandelingen over deze voorstellen is dat de inzet van het kabinet geweest. Ook op deze twee voorstellen heeft de Raad onder Frans voorzitterschap overeenstemming bereikt. Een ander essentieel onderdeel van het instrumentarium om migratiebewegingen beter te beheersen, zijn de brede migratiepartnerschappen met derde landen en opvang in de regio. In ruil voor bijvoorbeeld afspraken over handel, hulp, steun bij opvang en tijdelijke legale en circulaire arbeidsmigratie, worden afspraken gemaakt om irreguliere migratie tegen te gaan en om terugkeer te bevorderen. Voorts zet het kabinet ook blijvend in op maatregelen voor de verbetering van opvang van vluchtelingen in de regio en de bestrijding van grondoorzaken van doormigratie.
Verder heb ik tijdens het Commissiedebat op 30 juni, naar aanleiding van vragen van Brekelmans (VVD), toegezegd een juridische verkenning te zullen uitvoeren naar de mogelijkheden om op basis van artikel 111 Vreemdelingenwet asielaanvragen tijdelijk niet in behandeling te nemen en naar welke andere mogelijkheden er nog zijn in de wet. Uw Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd.
Bent u van mening dat de huidige voorwaarden voor naturalisatie in Nederland waarbij iemand door legaal verblijf van 5 jaar óf door middel van samenwonen en/of huwelijk na 3 jaar Nederlander kan worden, nog passen bij de huidige tijd? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid deze voorwaarden te heroverwegen?
Migranten kunnen de Nederlandse nationaliteit aanvragen met een verzoek om naturalisatie als zij 18 jaar of ouder zijn, geldige identiteits- en nationaliteitsdocumenten hebben en vijf jaar of langer, onder bepaalde voorwaarden is dit drie jaar of langer, onafgebroken met een geldige verblijfsvergunning in Nederland hebben gewoond. In het algemeen gelden daarnaast de voorwaarden dat aan het inburgeringsvereiste moet zijn voldaan, dat de migrant geen gevaar mag vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid en moet in beginsel afstand worden gedaan van de huidige nationaliteit.
Acht u het aannemelijk dat de relatief beperkte voorwaarden voor naturalisatie in Nederland aanleiding zijn voor derdelanders om juist Nederland te kiezen als bestemming bij het zoeken van asiel of andere doeleinden? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Het is complex om causale verbanden te leggen tussen bijvoorbeeld de wet- en regelgeving in een land en de motivatie van migranten om naar dat land te reizen. In algemene zin hangt de keuze van een asielzoeker om naar een bepaald land af te reizen waarschijnlijk af van een samenspel van factoren, waaronder naast veilige omstandigheden ook de aanwezigheid van een netwerk en de economische perspectieven in dat land.3
Klopt het dat Nederland asielzoekers die eerder een verblijfsvergunning in Griekenland hebben gekregen niet terug kan sturen op grond van Dublin-afspraken, omdat Griekenland geen menswaardige opvang kan bieden? Zo ja, hoeveel andere EU-lidstaten hanteren een soortgelijk beleid als Nederland? Zo ja, krijgen deze asielzoekers nu een Nederlandse verblijfsvergunning en kunnen zij als gevolg daarvan ook na verloop van tijd aanspraak maken op de Nederlandse nationaliteit?
Eerder, bij brief van 30 september 2021, heeft mijn ambtsvoorganger u geïnformeerd over de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 juli 20214.
Die uitspraken gaan over personen die in Nederland asiel aanvragen, maar al internationale bescherming hebben in Griekenland. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat de situatie van statushouders in Griekenland nader moet worden onderzocht. Ik heb daarom het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht om het opstellen van een rapport over de situatie van Griekse statushouders. Het feitenrapport is op 24 juni jl. gepubliceerd.
U wordt op korte termijn geïnformeerd via een separate Kamerbrief over de conclusies die ik uit dit rapport heb getrokken en de gevolgen daarvan. Daarbij zal ik tevens ingaan op het beleid van andere EU-landen.
De aanhoudende chaos bij asielzoekerscentrum Ter Apel en de bevindingen van het Rode Kruis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Rode Kruis trekt handen af van Ter Apel»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe duidt u de bevindingen van het Rode Kruis die waarschuwt voor de «onmenselijke en onhoudbare situatie»? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarin u ook ingaat over de zorgen van de hulporganisatie aangaande de veiligheid op het terrein?
Het Rode Kruis heeft op 16 juli jl. besloten de tenten die zij in Ter Apel ter ondersteuning had opgebouwd, te verwijderen. Dit omdat het Rode Kruis constateerde onder de omstandigheden geen goede ondersteunende hulp te kunnen bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Op 17 juni jl. heeft het kabinet besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Binnen de nationale crisisstructuur worden maatregelen in drie fasen getroffen. Allereerst wordt de crisisnoodopvang uitgebreid. Ten tweede worden 7.500 statushouders versneld gehuisvest. Als laatst wordt er gewerkt aan een oplossing voor doorstroming en huisvesting van statushouders na de periode van drie maanden. Dat is, gezien de huidige woningmarkt, geen gemakkelijke opgave. Op 9 augustus is uw Kamer per brief2 geïnformeerd dat deze maatregelen nog onvoldoende renderen waardoor er vaker mensen buiten het aanmeldcentrum de nacht doorbrengen en dat er onvoldoende crisisnoodopvangplekken zijn om deze mensen onder te brengen. In aanvulling op de eerdergenoemde maatregelen zijn de veiligheidsregio’s gevraagd om een deel van de opvangplekken voor Oekraïners die niet benut worden te komende tijd te benutten voor reguliere asielzoekers, en om opnieuw per veiligheidsregio’s 225 extra crisisnoodopvangplekken te realiseren. Het kabinet ziet zich daarnaast genoodzaakt om het RO-instrumentarium in te zetten om opvanglocaties te realiseren.
Waarom bent u horende doof en ziende blind inzake de opvangcrisis, waarbij u de regie volledig kwijt lijkt te zijn? Kunt u in uw beantwoording aangeven hoe u deze chaos gaat oplossen, zeker omdat we u vorige maand naar aanleiding van eerdere chaos ook al over de situatie bevraagd hebben.2
Ik kan u verzekeren dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om snel resultaten te boeken, zoals beschreven in de beantwoording van vraag 2. De stip op de horizon voor de lange termijn is de realisatie van een stabiel en robuust asielsysteem met een stabiel opvanglandschap door middel van implementatie van «de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen» en het creëren van een wettelijke taak voor gemeenten om een bijdrage te leveren aan de opvang van asielzoekers.
Voor een uitgebreid overzicht van alle maatregelen verwijs ik naar de Tweede Kamerbrief van 9 augustus jl4.
Deelt u de mening dat u de kraan moet dichtdraaien als de emmer overloopt? Zo ja, wilt u eindelijk komen tot immigratiebeperkende maatregelen? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Nee, die mening deel ik niet. Het uitgangspunt van het Nederlandse migratiebeleid is dat Nederland bescherming biedt aan mensen die vluchten voor oorlog, vervolging en geweld. Daarbij komt dat Nederland verplicht is om zich te houden aan internationaal en Europeesrechtelijke verdragen als ook het Unierecht op basis waarvan o.a. asielzoekers die een asielaanvraag doen recht op opvang hebben. Dit laat uiteraard onverlet dat wij ons in Europees verband inzetten om meer grip te krijgen op de irreguliere asielstromen naar de Unie en Nederland. Over die inzet wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda en verslagen van de JBZ-Raad geïnformeerd.
Tijdens het commissiedebat van 30 juni jl. heb ik uw Kamer een juridische verkenning toegezegd naar o.a. een tijdelijke asielbehandelstop, op de voet van artikel 111 van de Vreemdelingenwet. Ik kom hier na het zomerreces op terug.
Opnieuw de vraag hoeveel asielzoekers Nederland volgens u nog aankan? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Het Kabinet streeft naar meer grip op migratie. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat migratie aansluit op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Zoals ook vermeld in mijn brief van 5 juli jl. met de beantwoording van de gestelde vragen tijdens het commissiedebat van 30 juni jl., begint dat met kennis en inzicht. Het kabinet werkt op verschillende manieren aan het vergroten van de kennis over de gevolgen van migratie op de Nederlandse samenleving. Zo is de Adviescommissie Vreemdelingenzaken gevraagd om een advies over de inzet van een beleidsmatig richtgetal van migratie. Daarbij is ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het incorporatievermogen van de samenleving. Het advies van de ACVZ weegt mee bij de beleidsontwikkeling rondom dit onderwerp. Naar de planning van de ACVZ verschijnt dit advies na het zomerreces.
Opnieuw de vraag wat uw antwoord is aan geografen die stellen dat het absorptievermogen van Nederland is bereikt en dat de aanhoudende bevolkingsgroei Nederland ontwricht? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u concreet doen om asielzoekerscentrum Ter Apel te ontlasten? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan, met een lange termijn visie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt u de veiligheid van bewoners en ondernemers in Ter Apel en omgeving? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners en ondernemers in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. Het ministerie is continu in gesprek met het COA, de gemeente, ondernemers en omwonenden omtrent de veiligheid en ook zijn er diverse maatregelen getroffen om de veiligheid te borgen. Zo zijn er in het winkelcentrum van Ter Apel dagelijks Boa’s aanwezig. Over het brede palet aan maatregelen bent u per Kamerbrief van 29 juni jl. geïnformeerd.
De bescherming van Russische vluchtelingen |
|
Jasper van Dijk |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Onzekere toekomst voor Russische vluchtelingen in Nederland: «Maar als ik terug moet, kost dat me mijn leven»»?1
Het kabinet heeft grote zorgen over de mensenrechtensituatie in de Russische Federatie en houdt de situatie nauwlettend in de gaten, ook met het oog op de beoordeling van asielaanvragen van vreemdelingen uit de Russische Federatie. Zo bestaan er zorgen over de wijzigingen in het Russische wetboek van Strafrecht en het Administratief Wetboek die op 4 maart jl. zijn doorgevoerd en op basis waarvan er ook daadwerkelijk personen zijn opgepakt en vervolgd. Het kabinet kan niet ingaan op individuele casuïstiek.
Deelt u de mening dat Nederland in beginsel ruimhartig moet zijn richting Russen die op de vlucht slaan voor een regime dat zich steeds kwaadaardiger opstelt tegenover zijn eigen inwoners?
Voor Russen die vluchten geldt dat zij als vluchteling kunnen worden aangemerkt indien wordt voldaan aan de algemene kaders en voorwaarden genoemd in paragraaf C2/3.2 en C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc.). Voor de Russische Federatie is er daarnaast ook aanvullend specifiek landgebonden asielbeleid (Vc. C7/28). Dit houdt onder andere in dat in de Russische Federatie de situatie van politieke activisten, mensenrechtenactivisten en personen die actief zijn in de journalistiek en die daarbij significant kritiek leveren op de autoriteiten aanleiding geeft tot zorgen. Daarom zijn zij reeds aangewezen als risicogroep. Dit houdt in dat zij met geringe indicaties hun vrees voor vervolging aannemelijk kunnen maken. Ook LHBT’s en Jehova’s getuigen zijn aangemerkt als risicogroep. Voor LHBT’s in de gehele Russische Federatie (met uitzondering van Tsjetsjenië) die een gegronde vrees voor vervolging hebben, wordt aangenomen dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen en wordt het binnenlands beschermingsalternatief heel terughoudend en slechts onder bepaalde voorwaarden tegengeworpen. Ten aanzien van LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië wordt systematische vervolging aangenomen en aan hen wordt in beginsel geen beschermingsalternatief tegengeworpen. Daarnaast, gelet op de beperkte/afwezige bescherming door de Russische autoriteiten, geldt dat van vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor huiselijk geweld niet wordt verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties inroepen. De voorwaarden van het landgebonden beleid voor de Russische Federatie zijn over het algemeen equivalent aan die van andere Europese lidstaten.
Zoals aangegeven in Kamerbrief (Kamerstuk 19 637, nr. 2909) is het, vanwege een gebrek aan actuele, eenduidige en betrouwbare informatie over de vraag in hoeverre dienstplichtigen in Rusland (gedwongen) worden ingezet in de oorlog in Oekraïne, onduidelijk of dienstweigeraars en deserteurs op basis van het algemene asielbeleid aangemerkt kunnen worden als vluchteling zoals genoemd in paragraaf C2/3.2 van de Vc. De informatie in het huidige ambtsbericht van 7 april 2021 inzake de Russische Federatie is van vóór de Russische invasie in Oekraïne van 24 februari 2022 en voorziet niet in deze informatie.
Om deze reden is er besloten om een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor een periode van zes maanden na inwerkingtreding voor Russische dienstplichtigen die dienstweigeren of die deserteren. Hieronder worden begrepen alle Russische mannen in de leeftijd 18 tot 27 jaar die vrezen hun militaire dienst te moeten vervullen of die reeds invulling gaven aan de dienstplicht en dit niet langer willen doen. Op deze wijze kan nadere en betrouwbare informatie worden vergaard omtrent de situatie voor deze doelgroep en worden bezien op welke wijze de situatie zich zal ontwikkelen. Gedurende de duur van dit besluit- en vertrekmoratorium zal het kabinet de situatie voor dienstplichtigen uiteraard nauwlettend volgen.
Voor Russische beroepsmilitairen die deserteren geldt dat ook zij als vluchteling kunnen worden aangemerkt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in C2/3.2 Vc. en er geen reden is hen uit te sluiten op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De beschikbare informatie omtrent hun situatie is toereikend voor de IND om op verzoeken voor internationale bescherming van deze groep te kunnen beslissen. Ook voor andere categorieën Russische asielzoekers geldt dat de beschikbare informatie over de situatie in Rusland toereikend is om daarop te kunnen beslissen. Dit geldt onder meer voor Russische critici van de oorlog in Oekraïne. Hun vrees zal, mede in het licht van de aanpassingen van het Russische wetboek van Strafrecht en Administratief Wetboek, individueel beoordeeld worden.
Gelet op het bovenstaande is het kabinet van mening dat in Nederland geen streng, maar een passend beleid wordt gevoerd. Bij elke aanvraag wordt de mensenrechtensituatie betrokken en indien deze is verslechterd en maakt dat de betreffende vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer in de Russische Federatie, zal deze voor internationale bescherming in aanmerking komen.
Is het juist dat Nederland vooralsnog een streng beleid voert jegens vluchtelingen uit Rusland? Bent u bereid dat te herzien, gezien de zorgwekkende ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft de regering geen besluit- of vertrekmoratorium ingesteld voor (bepaalde groepen) Russische vluchtelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Russen die weigeren in militaire dienst te gaan (dienstweigeraars) aan te merken als risicogroep? Zo nee, waarom niet?
Een volgend algemeen ambtsbericht wordt verwacht begin 2023. Hierin zal zo mogelijk de vraag in hoeverre Russische dienstplichtigen (gedwongen) worden ingezet in de oorlog in Oekraïne worden beantwoord. Als daar aanleiding toe is, zal op dat moment het landgebonden asielbeleid worden aangepast. De IND kan uiteraard nieuwe omstandigheden die zich in de periode tussen het verschijnen van twee ambtsberichten voordoen, betrekken bij de besluitvorming.
Kan de Kamer op korte termijn een ambtsbericht en een bijbehorende wijziging van het landenbeleid Rusland verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw oordeel over de open brief van Free Russia (met een oproep voor tijdelijk migratiebeleid voor Russische ballingen in oorlogstijd)?2
Het kabinet waardeert de aanbevelingen uit de open brief van Free Russia NL. Daar waar deze aanbevelingen raken aan het landgebonden asielbeleid zijn deze meegenomen en gewogen in de recente beleidsaanpassing, zoals hierboven beschreven in de beantwoording van de vragen 2, 3 en 4. De aanbevelingen die zien op het bredere migratiebeleid, vragen het kabinet om ook buiten het asieldomein bijzonder beleid te voeren voor personen uit Rusland. Ik zie in zijn algemeenheid daartoe onvoldoende aanleiding. Zoals aangegeven, houdt het kabinet de gevolgen van de Russische oorlog tegen Oekraïne voor de beoordelingen van Russische asielaanvragen in Nederland nauwlettend in de gaten.
Kunt u ingaan op de afzonderlijke aanbevelingen die zij doen (waarin het vooral gaat om de tijdelijke bescherming van Russische migranten)?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Vlissingen en Velsen eerste mega-opvanglocaties voor vluchtelingen’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vlissingen en Velsen eerste mega-opvanglocaties voor vluchtelingen»?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe de keuzes voor Vlissingen, Velsen en Den Haag tot stand zijn gekomen?
Ik ben in gesprek gegaan met alle gemeenten die mogelijk een geschikte aanlegplaats zouden kunnen hebben voor een cruiseschip. De gemeenten Vlissingen en Velsen stonden ervoor open om gezamenlijk de mogelijkheden te onderzoeken om een cruiseschip te laten aanmeren waar voor de duur van maximaal zes maanden grootschalig asielzoekers opgevangen kunnen worden; ook met andere gemeenten worden hierover gesprekken gevoerd.
De opvanglocatie in Den Haag – op het land – loopt via de reguliere contacten tussen COA en gemeenten.
Zijn de besluiten voor mega-opvanglocaties in samenspraak genomen met de desbetreffende gemeenten?
Ik wil graag benadrukken dat er nog geen formele besluiten zijn genomen. Er lopen goede gesprekken met de betreffende gemeenten, waarbij het College van burgemeester en Wethouders uiteindelijk de beslissing neemt of er een locatie voor een opvangvoorziening in de gemeente komt.
Kunt u uitleggen waarom ervoor gekozen is asielzoekers op cruiseschepen op te vangen? Is er gekeken naar sobere alternatieven?
Er is sprake van een opvangcrisis, waarvoor op dit moment de nationale crisisstructuur is geactiveerd.
Dagelijks melden zich vanuit het buitenland asielzoekers bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Normaliter worden deze personen vanuit daar geplaatst in azc’s door het hele land. Maar doordat er te weinig mensen uitstromen uit azc’s, zijn er te weinig opvangplekken beschikbaar. Daardoor kunnen veel mensen uit ter Apel niet meer terecht in azc’s.
Om toch de benodigde opvangplekken te creëren in Ter Apel voor de nieuwe instroom van asielzoekers hebben veiligheidsregio’s crisisnoodopvanglocaties gerealiseerd. Een crisisnoodopvanglocatie is vaak niet meer dan een sporthal met veldbedden. Gezien deze omstandigheden en de enorme inzet die dit vraagt van veiligheidsregio’s is dit slechts een zeer tijdelijke oplossing. Het is nodig om een meer structurele buffer te creëren om alle mensen die gevlucht zijn voor oorlog en geweld een bed te geven.
Na een zorgvuldige inventarisatie van alle mogelijke opties is gebleken dat de inzet van een cruiseschip, waar per schip 1000+ asielzoekers opgevangen kunnen worden, het meest geschikt is om op korte termijn als buffer te fungeren. Ook op andere manieren wordt ingezet op het realiseren van adequate opvang, onder meer door het tijdelijk inzetten van commerciële mogelijkheden.
Wat zijn de kosten voor deze mega-opvanglocaties en hoe wordt het gefinancierd?
De financiering verloopt via de reguliere budgetten van COA. De financiële gevolgen worden dan via de reguliere begrotingssystematiek bezien. Op dit moment zijn er twee cruiseschepen in beeld. De schepen hebben een scheepshuur van respectievelijk 63.250 en 86.250 euro per dag.
Er komen dan nog kosten bij zoals eventuele havengelden/liggeld, compensatie voor de eigenaar van de kade, het veilig en geschikt maken van de kade, diesel, voorzieningen als stroom en water en kosten die de gemeente maakt. Op dit moment is nog niet bekend wat hiervan de exacte kosten zijn.
Daarnaast gelden uiteraard de kosten die ook voor andere COA-locaties gelden, bijvoorbeeld op facilitair gebied. Op het schip kan niet zelfstandig gekookt worden, dus de maaltijden worden centraal bereid.
Waarom is het besluit genomen om mega-opvanglocaties in het leven te roepen? Is hierbij rekening gehouden met de leefbaarheid en sociale veiligheid van asielzoekers, maar ook met die van de omgeving?
Het COA zal samen met de gemeente van de grootschalige opvanglocatie een uitgebreid plan maken voor de leefbaarheid en sociale veiligheid van zowel de asielzoekers als de omgeving. Hierbij wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar onderwijs, dagbesteding, medische zorg, logistiek en inzet van beveiliging en BOA’s.
Bent u het eens dat mega-opvanglocaties de druk op directe omgeving, en daarmee op de zorg, woningmarkt, sociale cohesie, veiligheid en andere voorzieningen, opvoeren?
Uiteraard heeft een grootschalige opvanglocatie gevolgen voor en effect op de directe omgeving.
Samen met de gemeente wordt gekeken welke stappen nodig zijn om de grootschalige opvang goed te organiseren, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, zorg, logistiek, et cetera. Op 27 juni heeft de gemeente samen met het COA ook een bewonersbijeenkomst georganiseerd, waar door de inwoners van Velsen-Noord vragen gesteld konden worden aan de gemeente en het COA. Hier heb ik ook aan deelgenomen. Ik begrijp de zorgen die geuit worden door de inwoners van de gemeente, en probeer de zorgen samen met het COA en de gemeente zoveel als mogelijk weg te nemen. Het gesprek met omwonenden wordt ook de komende maanden voortgezet, mits het schip daadwerkelijk zal aanmeren in de gemeente Velsen.
De inzet van een cruiseschip heeft geen directe gevolgen op de woningmarkt. Op het gebied van zorg wordt gebruik gemaakt van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA), dit geldt zowel voor grootschalige- als kleinschalige locaties. Door het gebruik van grootschalige locaties, kan dit zelfs effectiever ingeregeld worden.
Bij het realiseren van opvanglocaties wordt altijd gekeken naar aandachtspunten voor de veiligheid. In samenspraak met de gemeente wordt dan ook ingezet op inhuur van particuliere beveiliging en een passende inzet van BOA’s en politie.
De situatie met betrekking tot de Oeigoeren |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoeksartikel van Adrian Zenz:The Xinjiang Police Files: Re-Education Camp Security and political Paranoia in the Xinjiang Uyghur Autonomous Region?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit onderzoek en de onderliggende Xinjiang Police Files?
De nieuwe beelden van de onderdrukking van de Oeigoerse gemeenschap in Xinjiang in de Xinjiang Police Files zijn schokkend en bevestigen de reeds bestaande ernstige zorgen bij het kabinet over de mensenrechtensituatie in Xinjiang. Het kabinet heeft direct na publicatie van deze nieuwe informatie publiekelijk deze zorgen kenbaar gemaakt.2
Daarnaast heeft Nederland op 14 juni namens 47 landen een gezamenlijke verklaring voorgelezen in de VN Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in China.3 In deze verklaring uiten Nederland en de grote groep landen die zich bij de verklaring heeft aangesloten hun ernstige zorgen over de mensenrechtensituatie in China, in het bijzonder in Xinjiang. Mede gezien de recente publicatie van de Xinjiang Police Files en het bezoek van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten aan China en Xinjiang afgelopen maand acht het kabinet het van groot belang dat hiervoor internationale aandacht wordt gevraagd en heeft het deze voortrekkersrol op zich genomen.
Kunt u aangeven of dit onderzoek het Nederlandse standpunt verandert? Kwalificeert u de misstanden tegen de Oeigoeren in Oost-Turkestan als genocide op basis van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De ernstige zorgen over de situatie in Xinjiang blijven bestaan. Zoals afgesproken in het coalitieakkoord bekijkt Nederland samen met een representatief aantal gelijkgestemde EU-lidstaten de erkenning van genocides en onder welke voorwaarden gezamenlijk tot erkenning van genocides kan worden overgegaan. Het antwoord op vraag 9 gaat verder in op de status van dit proces.
Zijn de Xinjiang Police Files aanleiding om vanuit de Verenigde Naties te onderzoeken of er, naast misdaden tegen de menselijkheid, ook sprake is van genocide?
Het groeiende aantal rapporten en berichten over de systematische mensenrechtenschendingen vraagt om een respons van de Chinese regering waarin deze rekenschap aflegt over de ernstige beschuldigingen en maatregelen neemt om de misstanden te beëindigen. Het kabinet zet zich hier al geruime tijd voor in en dringt er daarnaast op aan dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten (OHCHR) het aangekondigde rapport over de situatie in Xinjiang openbaar maakt. VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Michelle Bachelet kondigde op 13 juni tijdens de VN Mensenrechtenraad aan dat dit rapport voor het einde van haar termijn als Hoge Commissaris in augustus zal worden gepubliceerd. Het kabinet verwacht dat zij hierin een objectieve en onomwonden beoordeling zal geven van de mensenrechtensituatie in Xinjiang.
Sluit u zich aan bij uw Europese ambtsgenoot die opriep tot een transparant onderzoek en benadrukte dat dit niet iets is, wat genegeerd kan worden?2
Het kabinet zet zich al geruime tijd in voor betekenisvolle, ongehinderde toegang tot Xinjiang voor onafhankelijke onderzoekers en blijft China hier in bilateraal en multilateraal verband op aanspreken, meest recent via de hierboven genoemde gezamenlijke verklaring in de VN Mensenrechtenraad.
Hoe oordeelt u over de Chinese reactie op het lekken van de Xinjiang Police Files en opvolgende onderzoeken die ernaar zijn gedaan?
De Chinese autoriteiten doen de berichten af als leugens en desinformatie. Het kabinet bestrijdt deze reactie. Het groeiende aantal rapporten en berichten over de systematische mensenrechtenschendingen in Xinjiang biedt een overtuigend inzicht in de situatie ter plaatse dat niet zomaar terzijde kan worden geschoven. De Xinjiang Police Files illustreren dit op beeldende wijze.
Hoe oordeelt u verder over het bezoek en de kritiekloze uitlatingen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Michelle Bachelet, aan China? Kunt u erop aandringen dat mevrouw Bachelet zo snel mogelijk het VN-rapport over de misstanden tegen de Oeigoeren in Oost-Turkestan publiceert?
Het kabinet heeft nota genomen van het bezoek van de VN Hoge Commissaris van de Mensenrechten Bachelet aan Xinjiang en het feit dat het bezoek geen onderzoeksmissie was. De beperkingen en voorzorgsmaatregelen van de Chinese autoriteiten maakten objectieve en betekenisvolle waarheidsvinding onmogelijk. Hoge Commissaris Bachelet had zeer beperkte toegang tot het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers of detentiecentra. Hierdoor heeft ze de omvang van de politieke heropvoedingskampen niet kunnen waarnemen en bestaande zorgen niet weg weten te nemen.
In de hierboven genoemde gezamenlijke verklaring in de VN Mensenrechtenraad van 14 juni heeft Nederland de Hoge Commissaris van de Mensenrechten namens 47 landen opgeroepen om zo snel mogelijk het VN-rapport over de mensenrechtensituatie in Xinjiang te publiceren.
Bent u het ermee eens dat het een enorm gemiste kans is dat mevrouw Bachelet de genocide in Oost-Turkestan op z’n minst niet publiekelijk heeft geadresseerd jegens de Chinese staat? Bent u bereid in overleg te treden met het Internationaal Strafhof om te bezien of de deportaties van Oeigoeren in landen die het Statuut van Rome hebben ondertekend (Tajikistan, Cambodja, Afghanistan), voldoende basis kunnen zijn om een strafzaak te openen tegen China (zoals tegen Myanmar is gebeurd inzake de Rohingya in Bangladesh)?3 4 5
Zoals hierboven toegelicht maakten de beperkingen en voorzorgsmaatregelen van de Chinese autoriteiten objectieve en betekenisvolle waarheidsvinding onmogelijk en heeft Hoge Commissaris Bachelet tijdens haar bezoek aan Xinjiang geen inzage kunnen krijgen in de werkelijke omvang van de problematiek. De bestaande zorgen van het kabinet zijn niet weggenomen. Het bezoek is in dat opzicht een gemiste kans.
De Nederlandse regering respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en mengt zich derhalve niet in het vervolgingsbeleid van de Aanklager. Het kabinet heeft er het volste vertrouwen in dat de Aanklager van het Internationaal Strafhof zelfstandig zal beoordelen of er voldoende basis bestaat om een (voor)onderzoek te openen.
Kunt u hiernaast een update verschaffen van de ontwikkelingen rondom het erkennen van genocides door de Nederlandse staat samen met een representatief aantal gelijkgestemde EU-lidstaten, waaronder de Oeigoerse genocide, zoals omschreven in het coalitieakkoord?
Om opvolging te geven aan de betreffende passage in het coalitieakkoord is een plan van aanpak opgesteld. Dit plan van aanpak betreft outreach naar EU lidstaten in twee stappen, waarbij het primaire doel is om informatie te vergaren over de standpunten van onze partners ten aanzien van genocide en de erkenning hiervan. Daarna zal verdere verkenning met mogelijk geïnteresseerde landen plaatsvinden. Inmiddels is de fase van algemene outreach afgerond, waarbij onze EU-posten zijn verzocht te rapporteren over de situatie rondom de erkenning van genocide in de betreffende lidstaat. Op dit moment worden de ontvangen rapportages bestudeerd om te bezien naar welke EU landen specifieke outreach zal worden gedaan. Met deze EU lidstaten zal het gesprek worden aangegaan over de erkenning van genocides en onder welke voorwaarden gezamenlijk tot erkenning van genocides kan worden overgegaan.
Wanneer toont wetenschappelijk onderzoek volgens het kabinet genocide aan?6
Wetenschappelijk onderzoek dient verricht te worden volgens de normen die daarvoor gelden zoals vastgelegd in de Nederlandse Gedragscode voor Wetenschappelijke Integriteit9. Een onderzoek naar genocide toetst of handelingen uit het Genocideverdrag zijn gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. Ingevolge het Genocideverdrag gaat het daarbij om:
het doden van leden van de groep;
het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;
het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.
Hoe oordeelt u bijvoorbeeld over onderzoeken als deUyghur Tribunal Judgment, Kashgar Coerced: Forced Reconstruction, Exploitation, and Surveillance in the Cradle of Uyghur Culture, «Ideological Transformation»: Records of Mass Detention From Qaraqash, Hotan, Demolishing Faith: The Destruction and Desecration of Uyghur Mosques and Shrines of The Uyghur Genocide: An Examination of China’s Breaches of the 1948 Genocide Convention?7
Dit onderzoek is gedaan door een zelfbenoemd volkstribunaal dat is opgericht door ngo’s en de Oeigoerse diaspora, onder leiding van rechter Sir Geoffrey Nice. Het werk van het volkstribunaal toont de ernst van de situatie ter plaatse aan. De bevindingen van dit volkstribunaal hebben evenwel geen juridische gelding.
Kunt u een update geven over mogelijke medeplichtigheid van Nederlandse bedrijven aan dwangarbeid van Oeigoeren in Oost-Turkestan? Wat doet het kabinet eraan om dit te voorkomen? Zijn er voorbeelden van bedrijven die zijn vertrokken uit China vanwege de misstanden in Oost-Turkestan, zoals in Rusland het geval is?
De Nederlandse overheid heeft geen inzicht in de individuele waardeketens van Nederlandse bedrijven in China en eventuele medeplichtigheid aan dwangarbeid van Oeigoeren.
Het kabinet deelt evenwel de grote zorgen van de Kamer over de berichtgeving over mogelijke dwangarbeid in Xinjiang. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights naleven. Het is de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf om due diligence uit te voeren.
Het bedrijfsleven kan op diverse manieren ondersteuning krijgen vanuit de overheid om gepaste zorgvuldigheid toe te passen. Voorbeelden van ondersteuning zijn het Fonds Verantwoord Ondernemen, de MVO risicochecker, voorlichting door het Nationaal Contactpunt OESO-Richtlijnen (NCP) en de mogelijkheid informatie over de lokale situatie in Xinjiang te verkrijgen bij BZ, RVO en de Nederlandse ambassade in Peking. Daarnaast zet de overheid in op voorlichting aan en het bewust maken van het bedrijfsleven door proactief informatiebijeenkomsten voor bedrijven te organiseren, in samenwerking met het Postennet, RVO en andere stakeholders.
Nederlandse bedrijven die gebruik maken van ondersteuning van het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken moeten de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen onderschrijven. Ook worden bedrijven bij het verlenen van steun uit het BZ-buitenlandsinstrumentarium getoetst aan de hand van een set van IMVO-criteria, gebaseerd op de OESO-richtlijnen. Dit kan onder andere gaan om financiering/subsidies, exportkredietverzekering of deelname aan handelsmissies.
Op welke manier zet u zich in om de veiligheid en het welzijn van de Oeigoerse gemeenschap in Nederland te garanderen? Hoe spelen elementen als Chinese intimidatie vanuit het buitenland een rol?
De regering staat pal voor het beschermen van de rechten van alle Nederlandse ingezetenen, waaronder bescherming tegen mogelijke druk door andere overheden. Dit geldt uiteraard ook voor de vrijheid en veiligheid van Oeigoeren in Nederland. Iedere Nederlandse burger moet vrij zijn om zijn/haar fundamentele rechten uit te oefenen in de Nederlandse samenleving, zonder belemmering of tussenkomst van een buitenlandse statelijke actor. Het kabinet roept burgers op in geval van bedreiging aangifte te doen. Voor het tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging richting in Nederland wonende gemeenschappen met een migratie-achtergrond is in 2018 een aanpak Ongewenste Buitenlandse Inmenging ontwikkeld, waarover uw Kamer destijds is geïnformeerd.11 Deze aanpak is ook in 2022 onverminderd van kracht en er wordt doorlopend bekeken of de aanpak nog volstaat. De aanpak is landenneutraal en bestaat uit de volgende drie onderdelen:
Er wordt doorlopend gekeken of deze aanpak in het licht van huidige en nieuwe dreigingen volstaat om de veiligheid en vrijheid van deze burgers te kunnen blijven beschermen.
Bent u bekend met het feit dat veel kinderen en familie van Oeigoeren in Nederland zich momenteel in China bevinden en graag met hun gezin in Nederland herenigd willen worden, maar dit door hinder van de Chinese staat erg lastig is?
Het kabinet is bekend met deze informatie en heeft daarover in gesprekken met de Chinese ambassade in Den Haag ook zijn zorgen uitgesproken.
De IND registreert echter niet op bevolkingsgroep maar op nationaliteit. De IND registreert Oeigoeren dus niet als categorie bij gezinsherenigingsaanvragen. Het is daarom onduidelijk hoeveel aanvragen zijn ingediend door Oeigoeren. De IND erkent het belang van gezinshereniging van gezinsleden die, al dan niet door de vlucht, van elkaar zijn gescheiden en stelt zich daarbij zo flexibel mogelijk op. Bij de behandeling van de aanvraag wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de situatie waarin gezinsleden verkeren en daarmee ook wat redelijkerwijs van hen verwacht kan worden bij het aannemelijk maken van de identiteit en gezinsband. De IND verlangt niet dat gezinsleden zich wenden tot de autoriteiten van hun land als dat vanwege de vluchtsituatie niet aanvaardbaar is. Eventueel kan nader onderzoek worden aangeboden, als dat nodig is.
Hoe zet het kabinet zich concreet in om mogelijke gezinshereniging alsnog mogelijk te maken? Op welke manier kan dit beleid mogelijk verbeterd worden? Wat zijn hierbij de grootste belemmeringen?
Bij de inhoudelijke beoordeling van een gezinsherenigingsaanvraag in het kader van nareis wordt zorgvuldig rekening gehouden met de omstandigheden waarin gezinsleden van vluchtelingen kunnen verkeren. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over aan aantal verbeteringen in dit beleid12. De inhoudelijke weging van de omstandigheden kan echter niet wegnemen dat deze ertoe kunnen leiden dat het voor de gezinsleden lastig kan zijn om hun visum daadwerkelijk bij een Nederlandse vertegenwoordiging op te halen, in geval van een positief besluit op de aanvraag.
Welke maatregelen worden er verder genomen om de mentale gezondheid en het trauma van de Oeigoerse gemeenschap te ondersteunen?
Alle asielzoekers hebben recht op medische zorg, dat geldt ook voor psychische zorg. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de reguliere zorg. Op de opvangcentra van het COA is deze zorg laagdrempelig aanwezig, inclusief speciale Praktijkondersteuner van de Huisarts (POH) voor geestelijke gezondheidszorg. Verder biedt het COA het programma Bamboo aan dat is gericht op het leren kennen, onderkennen van en omgaan met psychische klachten.
Vergunninghouders kunnen op dezelfde wijze gebruik maken van de medische zorg zoals deze ook voor ingezetenen geldt, dit geldt ook voor GGZ-instellingen, zoals Arq/Centrum 45.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Frontex left 'traumatised' says caretaking leadership’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat sommige personeelsleden van Frontex weigeren naar hun werk te gaan door de slechte reputatie ten aanzien van het niet naleven van rechten door het Agentschap?1
Ja, het bericht is bekend.
Op welke schaal belemmert dit de werkzaamheden van het Agentschap? Kunnen grens- en kustwachters nog op korte termijn worden ingezet in uitzonderlijke situaties door Frontex?
Het Agentschap heeft aangegeven dat ondanks de controverse rondom het vertrek van de vorige Uitvoerend Directeur, de lopende operaties gewoon doorgaan. Er worden nog steeds 2000 permanente korps officieren ingezet in alle verschillende operationele activiteiten. Daaronder zijn ongeveer 480 grenswachters die deelnemen in operaties bij de Oost-Europese grenzen, zoals Moldavië. In het geval van uitzonderlijke situaties kan Frontex een zogeheten Rapid Border Intervention starten. Categorie 4 van het permanente korps is hiervoor doorlopend beschikbaar. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 22 juni jl. aangegeven, heeft iedere lidstaat, dus ook Nederland, een pool voor deze categorie gereed.2 Er zijn – door het vertrek van de Uitvoerend Directeur – bevoegdheden naar de waarnemend Uitvoerend Directeur gedelegeerd, waaronder het starten van een operatie of Rapid Border Intervention.
Hoe functioneert de organisatie nu Fabrice Leggeri is opgestapt? Welke impact heeft dit op de werkzaamheden en het functioneren van Frontex gezien de onrust binnen de organisatie?
Naar aanleiding van het OLAF-rapport is de Uitvoerend Directeur opgestapt. Deze keuze respecteert het kabinet. Het OLAF-rapport gaat over (vermeende) integriteitsschendingen van een drietal leidinggevende medewerkers, waaronder de Uitvoerend Directeur. OLAF heeft geen onderzoek gedaan naar eventuele pushbacks als zodanig maar naar het optreden van deze drie medewerkers. Er volgen echter grote uitdagingen en meerdere aanbevelingen uit voorgaande onderzoeken, die bijvoorbeeld zien op het gebied van strategische sturing, interne cultuur en waarborging van fundamentele rechten. Met het vertrekken van de vorige Uitvoerend Directeur zijn die uitdagingen natuurlijk niet weg. Het is van groot belang dat de positie dus spoedig wordt ingevuld door iemand met bestuurlijke ervaring, kennis van grensbeheer en een duidelijke visie over de toekomst van het Agentschap en die de noodzaak van een cultuurverandering bij Frontex erkent.
Werken aan de grote uitdagingen voor Frontex is primair een opdracht voor het Agentschap en de toekomstige uitvoerend directeur, maar ook voor de Commissie en de lidstaten. Deze actoren hebben een gezamenlijk belang bij het goed functioneren van het Agentschap en nemen deel aan de Management Board (MB). Frontex is onmisbaar bij het EU-grensbeheer. Het agentschap opereert in complexe omstandigheden. Het kabinet onderstreept dat het Agentschap voor grote uitdagingen staat. Recente rapporten hebben duidelijke conclusies getrokken over nodige verbetering in rapportage- en monitoringsmechanismen, governance en cultuur. Adequate opvolging van al deze signalen en transparante communicatie zijn nu cruciaal. De Nederlandse inbreng in de MB is hierop al lange tijd kritisch maar constructief. De benoeming van een nieuwe Uitvoerend Directeur is een goed moment om in gezamenlijkheid de uitdagingen het hoofd te bieden. Tegelijkertijd vergt een cultuurverandering tijd en daarom moet het Agentschap ook de mogelijkheid krijgen om die verandering te laten zien. Een cultuur is niet gemakkelijk te veranderen. Dat heeft tijd nodig. Inmiddels is de vacature voor de functie van Uitvoerend Directeur gepubliceerd3. De inschrijving voor deze vacature sluit op 19 juli 2022. De vacaturetekst en specifiek gevraagde capaciteiten van de nieuwe Uitvoerend Directeur weerspiegelen op een groot aantal terreinen de hiervoor geschetste uitdagingen.
Op welke wijze is een veranderd leiderschap binnen Frontex te zien? Welke concrete stappen worden nu genomen om de cultuurverandering binnen de organisatie, waaronder de transparantie en de mismanagement binnen het agentschap, te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de operatie in Griekenland? Moet Frontex daar wel blijven opereren na alle mistanden over pushbacks? Wordt hier een standpunt over ingenomen tijdens de Schengen Council?
Het beëindigen van een activiteit van Frontex in een lidstaat, zoals de vraag suggereert, is mogelijk op basis van artikel 46 lid 4 van de EGKW Verordening 2019/1896. De Uitvoerend Directeur heeft de exclusieve bevoegdheid om na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris en na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, te beslissen om een activiteit van Frontex te schorsen of te beëindigen. De Uitvoerend Directeur kan dit besluit nemen, indien er in verband met de betrokken activiteit sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming, die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren. Krachtens artikel 46 lid 6 worden deze beslissingen op naar behoren gemotiveerde gronden genomen. Bij het nemen van deze beslissingen houdt de Uitvoerend Directeur rekening met relevante informatie, zoals het aantal en de inhoud van de geregistreerde klachten die niet door een nationale bevoegde autoriteit zijn opgelost, rapporten over ernstige incidenten en verslagen van coördinerend functionarissen, relevante internationale organisaties, en instellingen, organen en instanties van de Unie op de onder de EGKW Verordening vallende gebieden. In o.a. het rapport van het Europees Parlement over Frontex wordt kritisch geschreven over deze bevoegdheid van de Uitvoerend Directeur en de onduidelijkheid omtrent het gebruikt ervan. Daarom is inmiddels een werkinstructie opgesteld over artikel 46, waarin wordt toegelicht hoe en op basis van welke informatie de Uitvoerend Directeur, na consultatie van de grondrechtenfunctionaris tot een dergelijk besluit kan komen. In 2020 is, na een uitspraak van het Hof4, de gezamenlijke operatie in Hongarije op basis van artikel 46 gepauzeerd.
In voorgaande brieven aan uw Kamer is het kabinetsstandpunt ten aanzien van vermeende misstanden aan de grens toegelicht. Het kabinet neemt stelling tegen alle vormen van het schenden van mensenrechten aan de buitengrens. Lidstaten zijn zelf primair verantwoordelijk voor de uitvoering van grenstoezicht. Voor Lidstaten met buitengrenzen is dit niet altijd eenvoudig. Echter staat voorop dat optreden aan de grens altijd in lijn moet zijn met Europees en Internationaal recht. Daarbij ligt tevens een belangrijke rol voor de Commissie, als hoedster van de EU-Verdragen. Zorgen over mensenrechtenschendingen aan de grens heeft de Staatssecretaris Justitie en Veiligheid meermaals, ook recentelijk, aangekaart bij o.a. de Griekse en Kroatische collega’s. Tevens, zoals in het verslag van de JBZ-Raad van 9-10 juni jl. reeds geschreven, is tijdens de JBZ-Raad benadrukt dat de werkzaamheden van Frontex te allen tijde binnen de kaders van het internationaal en Europees recht dienen plaats te vinden. Robuust grensbeheer moet hand in hand gaan met waarborging van grondrechten.
Wat zijn de gevolgen voor de terugkeeroperaties van mensen die niet in de EU mogen blijven? Worden deze op dit moment gecoördineerd en gefinancierd? Hoeveel mensen zijn met behulp van Frontex in 2019, 2020 en 2021 daadwerkelijk teruggekeerd?
Het vertrek van de Uitvoerend Directeur heeft geen gevolgen voor de terugkeeroperaties van Frontex. Na inwerkingtreding van Verordening 2019/1896 heeft Frontex onder meer een versterkt mandaat inzake terugkeer gekregen. Hierdoor kan Frontex, op verzoek van de lidstaat, ondersteuning bieden op het gebied van terugkeer. Deze ondersteuning kan betrekking hebben op alle terugkeeraspecten, van de voorbereiding op terugkeer, zoals het boeken van tickets (ook voor zelfstandige terugkeerders), het organiseren van chartervluchten en identificatiemissies, tot de activiteiten na terugkeer en na aankomst. Alle activiteiten van Frontex worden volledig door het Agentschap betaald en worden uitgevoerd door functionarissen van Frontex.
In 2019 zijn 15.876 migranten teruggekeerd vanuit de EU met hulp van Frontex. In 2020 waren dit er 12.073 en in 2021 waren dit er 18.310. In Nederland kunnen migranten naast terugkeer via Frontex ook vertrekken met behulp van de DT&V, de IOM of een NGO.
Worden er door Frontex nog risicoanalyses en kwetsbaarheidsonderzoeken verricht zodat de Europese landen een goed beeld krijgen van onderliggende trends en patronen als het gaat om irreguliere migratiestromen en grensoverschrijdende criminaliteit? In hoeverre vult dit de bestaande inzichten in Nederland aan?
Het vertrek van de Uitvoerend Directeur heeft ook geen gevolgen voor het uitvoeren van risicoanalyses en kwetsbaarheidsonderzoeken door Frontex. Ieder jaar wordt, conform de EGKW-verordening, door Frontex de zogeheten kwetsbaarheidsbeoordeling uitgevoerd. Het kabinet hecht aan dit kwaliteitsmechanisme naast het Schengenevaluatiemechanisme, waarin getoetst wordt in hoeverre lidstaten het Schengen-aqcuis correct toepassen. De EGKW-verordening bepaalt verder dat de uitkomsten van de kwetsbaarheidsbeoordeling, met inbegrip van een uitvoerige beschrijving, worden gedeeld met het Europees Parlement, de Commissie en de Raad. Ook zijn de ontwikkelingen van Frontex onderdeel van het jaarlijks te publiceren State of Schengen rapport. Voor wat betreft risicoanalyses maakt de Frontex Risk Analysis Unit diverse periodieke analyse producten over irreguliere migratiestromen en grensoverschrijdende criminaliteit die samen de «European Situational Picture» vormen. Daarnaast worden er door Frontex ook «Specific Situational Pictures» gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van migratiestromen rond Oekraïne. Deze analyses en rapporten geven het kabinet zowel inzicht in de situatie in Europa en aan de EU-buitengrenzen, als de ontwikkelingen van de activiteiten bij Frontex zelf.
Elke lidstaat heeft en nationaal punt van contact (NFPOC). De NFPOC is o.a. verantwoordelijk voor de communicatie met het Agentschap. Via de NFPOCs wordt alle informatie verspreid naar de relevante autoriteiten.