Het bericht dat de KNVB-app makkelijk te kraken zou zijn |
|
Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de mobiele applicatie (app) van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), waarmee hooligans door vingerafdrukherkenning uit het stadion geweerd kunnen worden, makkelijk te kraken zou zijn?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht. Zoals uit de navolgende beantwoording zal blijken, is de situatie genuanceerder dan in de uitzending van PowNed wordt geschetst.
Als de controle door de app zo makkelijk te omzeilen is, vindt u dit nog steeds een goed middel om in te zetten? Zo ja, waarom en onder welke voorwaarden?
Onder de verantwoordelijkheid van de KNVB is in een eerdere (test)fase een succesvolle pilot met de digitale meldplicht uitgevoerd. De KNVB heeft bij deze test gebruik gemaakt van een systeem dat ontwikkeld is door het bedrijf G4S. Hierbij wordt een device verstrekt waarop de betrokkene oproepen ontvangt welke moeten worden beantwoord met een vingerafdruk. Tegelijkertijd laat de GPS zien waar iemand is. Tijdens de uitzending van PowNed is gebruik gemaakt van een reguliere IPhone. De demonstratie die men toonde liet zien hoe de beveiliging van deze IPhone was te omzeilen. Gedemonstreerd is hoe met latex en kunststof vingerafdrukken te reproduceren zijn.
Vingerafdrukken kunnen inderdaad worden gereproduceerd; daarvoor bestaan overigens ook andere methoden. Het is niet uit te sluiten dat met een gereproduceerde vingerafdruk op een device een valse melding is te maken.
In de genoemde pilot is niet met een IPhone gewerkt, maar met een ander soort device en ook met een ander type beveiliging. Over de exacte gebruikte middelen doet G4S om veiligheidsredenen geen mededelingen. Op basis van de demonstratie in de uitzending van PowNed zijn dus geen conclusies te verbinden aan deze pilot.
Kunt u aangeven hoe de verdere invoering en ontwikkeling van deze app zal gaan? Op welke wijze wordt rekening gehouden met deze bevindingen?
Per geval zal worden beoordeeld of een meldingsplichtige in aanmerking komt voor de digitale meldplicht. Er zullen dus ook personen zijn die zich nog fysiek moeten melden.
Dat in de uitzending van PowNed toegang tot een IPhone is verkregen met een gereproduceerde vingerafdruk, maakt een digitale meldplicht niet per definitie onbruikbaar. Wanneer een valse melding wordt gedaan of geen gehoor wordt gegeven aan de oproep, wordt niet voldaan aan de meldingsplicht. Hier kunnen (strafrechtelijke) consequenties aan verbonden zijn. Mocht de meldingsplichtige persoon zich bevinden in het gebied waarvoor hij of zij een verbod heeft, dan is hij daar ook nog steeds fysiek op te sporen door de politie.
Ieder systeem heeft kwetsbaarheden die zijn uit te buiten door kwaadwillende personen. In dit geval oriënteert G4S zich voortdurend op vernieuwing van devices en platforms en is ook niet gehouden aan inzet van specifieke technologie. Als er reden is om niet langer te vertrouwen op de integriteit van de ingezette technische middelen, dan kan worden uitgeweken naar andere technologie.
In Amsterdam starten openbaar ministerie, politie en KNVB met een meer uitgebreide pilot met betrekking tot de digitale meldplicht. Daarbij zal ook aandacht zijn voor de beveiligingsaspecten van de te gebruiken ICT-voorziening. Ik wacht de resultaten hiervan af.
Ziet u andere, al dan niet technische, mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan het weren van hooligans uit stadions? Zo ja, kunt u hier een overzicht van geven?
De handhaving van stadionverboden is primair een aangelegenheid van de Betaald Voetbal Organisaties (BVO). Van een supporter met een stadionverbod wordt de seizoens- of clubkaart (en alle hiermee gekochte losse kaarten) geblokkeerd. De supporter kan met de door hem gekochte kaarten het stadion niet betreden. Beveiligingsmedewerkers en stewards van de BVO’s kunnen steekproefsgewijze legitimatiecontrole uitvoeren bij de ingang. Ook de (voetbaleenheid van de) politie controleert gericht op de eventuele aanwezigheid van personen met een stadionverbod in en rondom voetbalstadions. Bij uitwedstrijden wordt op persoonsniveau gecontroleerd op personen met een stadionverbod. Mocht een persoon met een civielrechtelijk stadionverbod ondanks alle maatregelen toch in het stadion worden aangetroffen, dan doet de BVO of KNVB hiervan aangifte (huisvredebreuk).
Daarnaast kan de meldplicht een belangrijk instrument zijn bij het handhaven van stadionverboden. De KNVB kan alleen een vrijwillige meldingsovereenkomst aangaan (gekoppeld aan strafvermindering). Een burgemeester kan overlastplegers een bevel geven zich op bepaalde tijdstippen te melden op of vanaf bepaalde plaatsen, al dan niet in een andere gemeente. De handhaving van strafrechtelijke stadionverboden vindt soms plaats via het opleggen van een meldplicht door de rechter. Ondanks al deze maatregelen kan het incidenteel voorkomen dat iemand met een stadionverbod zich in het stadion bevindt.
Voetbal in Nederland hoort een feest te zijn. Met alle betrokken partijen streven we naar toegankelijk, gastvrij en veilig voetbal in 2020. Hierbij zetten we ook nadrukkelijk in op een persoonsgerichte aanpak als een van de speerpunten en zijn er zowel civiel- als bestuurs- en strafrechtelijke maatregelen voorhanden om hierbij te gebruiken.
Het bericht dat de politie foto’s neemt van personen en hun identiteitsbewijzen in Apeldoorn |
|
Judith Swinkels (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u de berichten «Onschuldig? Toch op de politiefoto»1 en «Politie: zorgen D66 Apeldoorn over foto-actie niet nodig»?2
De berichtgeving is mij bekend. Ik maak eruit op dat het gaat om twee soorten gevallen. Enerzijds gaat om één enkel incident waarbij sprake was van het op de foto zetten van een persoon die voldeed aan een signalement van een vlak daarvoor binnengekomen melding.
Anderzijds gaat het volgens de berichtgeving om een werkwijze van de politie rond het verwerken van identiteitsbewijzen. Met die werkwijze ben ik bekend.
Bent u op de hoogte van de werkwijze van de politie in Apeldoorn, waar van zowel verdachte als niet-verdachte personen, foto’s van identiteitsbewijzen en de personen zelf worden gemaakt en waarvan de politie aangeeft dat nog veel vaker foto’s van identiteitsbewijzen en van de personen zelf gemaakt zullen worden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe duidt u de werkwijze van de politie in Apeldoorn, waar foto’s gemaakt worden van personen die niet verdacht zijn, voor het geval er later op de avond alsnog een incident plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 1.
Wordt deze werkwijze ook door andere politie-eenheden toegepast? Zo ja, waarom worden foto’s van niet-verdachte personen en hun identiteitsbewijzen gemaakt en opgeslagen in het systeem?
De politie mag, indien dit noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak, de identiteit van zowel verdachte als niet-verdachte personen controleren. Dit volgt uit de taak van de politie zoals omschreven in artikel 3 van de Politiewet 2012 en omvat niet alleen het opsporen van strafbare feiten, maar ook de handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp. Het controleren van de identiteit van personen gebeurt aan de hand van hun identiteitsbewijzen. De daarop voorkomende gegevens mogen door de politie worden vastgelegd mits, in verhouding tot het doel waarvoor dit gebeurt, geen sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. In de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) is bepaald dat de politie persoonsgegevens mag verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor de taakuitvoering. De politie maakt daartoe een afweging tussen het doel en de noodzaak van de opname enerzijds (subsidiariteit en proportionaliteit) en de inbreuk van de opname op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen anderzijds.
De Wpg voorziet in een fijnmazig stelsel van verwerkings-, verwijderings-, bewaar- en vernietigingstermijnen. Zo kunnen op grond van artikel 8, eerste lid, Wpg politiegegevens gedurende één jaar na eerste verwerking worden gebruikt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. De Wpg schrijft echter ook voor dat politiegegevens worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn. Voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak is dit bepaald in het vijfde lid van artikel 8 Wpg. Dit voorschrift geldt uiteraard evenzeer voor de onderhavige foto’s van personen en identiteitsbewijzen. De noodzaak tot het bewaren van die foto’s is zeer kortstondig en strekt zich uit tot een periode van hooguit enkele uren. Om die reden worden de foto’s uiterlijk aan het einde van een dienst weer verwijderd, voor zover niet is gebleken van een noodzaak deze foto’s langer te bewaren.
Met betrekking tot de foto’s die van identiteitsbewijzen worden gemaakt, kan ik u meedelen dat die werkwijze wordt toegepast om sneller grotere groepen personen te kunnen identificeren en mensen niet langer op te houden dan nodig. Met de invoering van Mobiel Effectiever op Straat (hierna: MEoS) kan een agent op straat de chip van het identiteitsbewijs scannen. De relevante gegevens over een burger verschijnen op de smartphone. Hierdoor kan de identiteit sneller en beter worden gecontroleerd dan voorheen. Het maken van foto’s van identiteitsbewijzen wordt door de invoering van MEoS overbodig. In Apeldoorn maakt de politie inmiddels gebruik van MEoS waardoor de eerder gehanteerde werkwijze van het fotograferen van de identiteitsbewijzen niet meer hoeft te worden gebruikt. De invoering van MEoS verloopt gefaseerd en is nog niet in heel Nederland ingevoerd.
Onder omstandigheden is het denkbaar dat de politie personen fotografeert, ongeacht of zij verdacht of niet verdacht zijn. Dit valt niet onder de standaard werkwijze van de politie, maar is onder omstandigheden wel mogelijk, mits dat gebeurt binnen het kader van artikel 3 van de Politiewet 2012 en dat van de Wpg. Een vergelijkbare werkwijze wordt mogelijk ook bij andere eenheden gehanteerd.
Op welke wettelijke grond, onder welke voorwaarden en met welke reden is de politie bevoegd foto’s van de identiteitsbewijzen te maken van niet-verdachte personen? Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de Wet Politiegegevens? Wat is de bewaartermijn van deze foto’s? Wanneer en op welke wijze worden deze foto’s uit het systeem verwijderd?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw mening over de antwoorden van de burgemeester van Apeldoorn d.d. 28 juni 2016 op gestelde vragen vanuit de gemeenteraad aldaar, waarin wordt gesteld dat wanneer in voorkomende gevallen een foto gemaakt wordt, dit «met een reden» gebeurt?3 Bent u het ermee eens dat het verwerken van persoonsgegevens door de politie ook met een reden gebonden is aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Wet Politiegegevens?
De Minister van VenJ verantwoordt zich tegenover het parlement over het beheer van de politie, over zijn sturing op de taakuitvoering via de landelijke beleidsdoelstellingen en over de werking van het systeem als geheel, maar niet over het lokale gezag. Er kan naar aanleiding van een lokaal incident in het parlement en de gemeenteraad verantwoording worden afgelegd over het handelen van de politie, mits ieder spreekt vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
Ik doe dan ook geen uitspraken over de antwoorden die de burgemeester geeft op vragen uit de gemeenteraad, maar deel uiteraard uw mening dat het verwerken van persoonsgegevens door de politie gebonden is aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Wet politiegegevens.
Hoe verhoudt deze gang van zaken zich tot het gegeven dat de Wet Politiegegevens nog steeds onvoldoende adequaat voorziet in veilige gegevensverwerking?
Uw opvatting dat de Wpg onvoldoende waarborgen biedt voor een veilige gegevensverwerking, deel ik niet. Wel heb ik zorgen over de uitvoering van de Wpg door de politie. Eerder heb ik uw Kamer geïnformeerd over die zorgen en over de wijze waarop de politie de naleving van de Wpg zal gaan verbeteren. Ik verwijs hiervoor naar de evaluatie van de Wpg en Wjsg en de beleidsreactie daarop (Kamerstuk 33 842, nrs. 1 en 2), de brief over de uitkomsten van de externe privacy-audit en het bijbehorende verbeterplan (Kamerstuk 33 842, nrs. 3 en 4).
Klopt het dat scans gemaakt met de applicatie Mobiel Effectiever Op Straat (MEOS), na een bepaalde periode automatisch uit het systeem worden verwijderd? Waarom wordt geen gebruik gemaakt van de applicatie MEOS, in plaats van het maken van foto’s?
Het klopt dat gescande gegevens van identiteitsbewijzen, gemaakt met MEoS, na 9 uur automatisch worden verwijderd uit de smartphone. Daar waar MEoS is ingevoerd, is de noodzaak om identiteitsbewijzen te fotograferen verdwenen. Ik verwijs hierbij tevens naar het antwoord op vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het riskant kan zijn erop te vertrouwen dat agenten zulke foto’s weer handmatig verwijderen, aangezien het gevaar om dit per ongeluk te vergeten op de loer ligt? Kunt u hierbij ingaan op de conclusie van de Nationale ombudsman, die stelde dat in Rotterdam «foto’s niet automatisch na 28 dagen werden verwijderd»?4
Dat risico is aanwezig. De foto’s gemaakt met een smartphone of een ander apparaat moeten handmatig door de agent worden verwijderd na afloop van de dienst, tenzij het foto’s betreft die verder moeten worden verwerkt in het kader van een opsporingsonderzoek. Laatstgenoemde foto’s moeten handmatig worden geupload naar de daartoe bestemde ICT-systemen. Bij de debriefing wordt dit onder de aandacht gebracht.
Hoe verhouden de acties van de politie in Apeldoorn zich tot het onlangs verschenen rapport van de Nationale ombudsman, waarin naar aanleiding van gebeurtenissen in Rotterdam geconcludeerd werd dat «de politie niet zomaar beeldmateriaal [mag] verzamelen, zeker niet wanneer foto’s samen met identiteitsbewijzen gemaakt worden van niet verdachte personen»?5
Het door de politie fotograferen van een persoon met het identiteitsbewijs naast zijn gezicht acht de Nationale ombudsman verdedigbaar in gevallen waarin deze persoon wordt verdacht van een strafbaar feit. Deze vorm van fotograferen dient achterwege te blijven indien er geen redelijk vermoeden van enig strafbaar feit tegen de persoon is, en diens recht op privacy zwaarder behoort te wegen dan het belang van de politie om haar informatiepositie te versterken, zo overweegt de Nationale ombudsman in het bij vraag 10 aangehaalde rapport. Ik deel deze opvatting.
Uiteraard is het zaak om, zoals de Nationale ombudsman in zijn bij vraag 11 genoemde rapport concludeert, foto’s en ander beeldmateriaal, conform de eisen uit de Wet politiegegevens, niet langer te bewaren dan strikt noodzakelijk. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de problematiek rond het verwijderen en vernietigen van persoonsgegevens. Er wordt gewerkt aan een oplossing. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de vragen 4 en 5.
Bent u het eens met de conclusie van de Nationale ombudsman, dat «Opgeslagen persoonsgegevens en foto- en filmopnamen [...] na verloop van zo kort mogelijke tijd niet handmatig maar automatisch uit de systemen verwijderd [moeten] worden»? Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de foto-acties van de politie in Apeldoorn? Bent u bereid deze vragen vóór het Algemeen overleg Politie voorzien op 6 oktober 2016 te beantwoorden?
Zie antwoord vraag 10.
De gevolgen van CETA en TTIP voor asbesthoudende producten |
|
Eric Smaling , Jasper van Dijk |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Bent u ervan op de hoogte dat het gebruik, bewerken en de verkoop van asbest en asbesthoudende materialen in de VS en Canada niet verboden is?
Ja.
Deelt u de zorg dat asbesthoudende materialen als gevolg van TTIP en CETA mogelijk op de Europese markt terecht zouden kunnen komen?1 Waarom wel/niet?
Alle producten die uit Canada of de Verenigde Staten worden geïmporteerd in de EU moeten voldoen aan de producteisen die in de EU gelden. Conform de Europese stoffenverordening REACH is het in de handel brengen en het gebruik van asbest en van voorwerpen en mengsels waaraan asbest is toegevoegd, verboden. Deze producten mogen dus niet geïmporteerd worden. CETA brengt hierin geen verandering, evenmin als TTIP dat zou doen.
De sociaaleconomische Raad (SER) trekt dezelfde conclusie in het advies over de onderhandelingen over het EU-VS handelsakkoord (Transatlantic Trade and Investment Partnership – TTIP). In een aparte casus licht de SER verschillen in wetgeving voor asbest in remvoeringen toe. Daarbij stelt de SER dat de EU de import van auto’s met asbest in remvoeringen kan tegenhouden. CETA verandert niets aan deze situatie, evenmin als TTIP dat zou doen.2
Erkent u het risico dat wegens de wederzijdse erkenning van elkanders standaarden producten op de Europese markt kunnen belanden die asbest bevatten? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Wederzijdse erkenning van standaarden wordt alleen toegepast bij producten waarbij de standaarden een gelijkwaardig niveau van bescherming voor mens, dier, plant en milieu bieden. Met betrekking tot asbesthoudende materialen heeft de EU een hogere standaard dan Canada en de Verenigde Staten. Wederzijdse erkenning is daarom op dit vlak niet mogelijk.
Op welke wijze controleert en garandeert de Europese Commissie en de Nederlandse overheid dat er geen asbesthoudende producten op de Europese markt belanden?
De handhaving van de Europese stoffenverordening REACH wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van de inspectiediensten: de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NWVA) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Het Staatstoezicht op de Mijnen en de Douane dragen ook bij aan de handhaving. De ILT is primair verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op de regelgeving voor asbesthoudende producten waaronder consumentenproducten en beschikt over de juiste middelen en bevoegdheden hiervoor. CETA brengt hierin geen verandering, evenmin als TTIP dat zou doen.
Beschikken de Nederlandse inspectiediensten als de Douane, de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) e.d. over de juiste middelen en bevoegdheden om illegale import van asbest en asbesthoudende materialen te onderscheppen en te voorkomen dat deze producten op de Europese en Nederlandse markt komen? Kunnen ze deze taken ook naar behoren uitvoeren na de eventuele (voorlopige) inwerktreding van CETA en TTIP?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn de verantwoordelijke autoriteiten en inspectiediensten in de andere EU-lidstaten voldoende in staat deze taken naar behoren uit te voeren, zodat voorkomen kan worden dat Canadese en Amerikaanse bedrijven via andere lidstaten alsnog asbest en asbesthoudende producten naar Nederland kunnen exporteren?
Elke EU-lidstaat is op basis van de Europese stoffenverordening REACH verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen, inclusief op het gebied van asbest en asbesthoudende producten.
Kan het vrije verkeer van goederen, dat CETA en TTIP nastreven, het mogelijk maken dat er ondanks een verbod toch asbest en asbesthoudende materialen naar de EU worden geëxporteerd vanuit de VS en Canada? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te voorkomen? Zo neen, waar baseert u dit op?
Nee, dat klopt niet. Zoals in het antwoord op vraag 2 al aangegeven moeten alle producten die uit Canada of de Verenigde Staten worden geïmporteerd in de EU voldoen aan de producteisen die in de EU gelden. Conform de Europese stoffenverordening REACH is het in de handel brengen en het gebruik van asbest en van voorwerpen en mengsels waaraan asbest is toegevoegd, verboden. Deze producten mogen dus niet geïmporteerd worden. CETA brengt hierin geen verandering, evenmin als TTIP dat zou doen.
De sociaaleconomische Raad (SER) trekt dezelfde conclusie in het advies over de onderhandelingen over het EU-VS handelsakkoord (Transatlantic Trade and Investment Partnership – TTIP). In een aparte casus licht de SER verschillen in wetgeving voor asbest in remvoeringen toe. Daarbij stelt de SER dat de EU de import van auto’s met asbest in remvoeringen kan tegenhouden. CETA verandert niets aan deze situatie, evenmin als TTIP dat zou doen.3
Deelt u de mening dat het ter discussie staan en de (mogelijke) verzwakking van het Europese voorzorgsbeginsel door de invoering van TTIP en CETA erin zal resulteren dat het in de toekomst zeer problematisch of zelfs onmogelijk wordt om de wet- en regelgeving aan te passen of een verbod door te voeren op materialen met vergelijkbare eigenschappen als asbest zoals keramische vezels, koolstofnanobuisjes en in mindere mate glas- en steenvezel, waarover momenteel discussie bestaat over de veiligheid en mogelijke gezondheidsrisico's?2
De toepassing van het voorzorgsprincipe is geborgd in CETA. In de TTIP-onderhandelingen stond en staat het voorzorgsprincipe evenmin ter discussie. Dit principe is onderdeel van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en van de afspraken in de WTO. Een nadere toelichting vindt u in de beantwoording op Kamervragen van het Kamerlid Thieme (Vergaderjaar 2015–2016, aanhangselnummer 1970). Aanscherping van wet- en regelgeving blijft mogelijk.
Kunt u verklaren waarom er in CETA geen expliciete verwijzing is opgenomen naar mogelijkheden om op basis van het voorzorgsprincipe toekomstige veiligheids- en gezondheidsmaatregelen te nemen, terwijl dit in het geval van TTIP wel het geval is?3 Erkent u dat het ontbreken van een dergelijke bepaling de kans vergroot dat bij mogelijke toekomstige gesprekken met Canada, bijvoorbeeld over de gevaarlijke stoffen zoals benoemd in vraag 8, de Canadese overheid niet bereid zal zijn nieuwe voorzorgsmaatregelen of verboden van de EU te accepteren en/of hieraan mee te werken? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Het voorzorgsprincipe is stevig verankerd doordat CETA expliciet refereert aan verschillende wetten en verdragen, waaraan de Europese Unie is gebonden, zoals het sanitair en fytosanitair akkoord van de WTO6. Ook refereert CETA aan het voorzorgsprincipe in het milieuhoofdstuk7, en herbevestigt CETA de Rio-verklaring8, waarin het voorzorgsprincipe eveneens staat opgenomen9. Het kabinet is van mening dat het voorzorgsprincipe op deze wijze goed is geborgd in CETA. Ter verduidelijking heeft Nederland de Europese Commissie verzocht om het voorzorgsprincipe voor toekomstige veiligheids- en gezondheidsmaatregelen ook op te nemen in een juridisch bindende verklaring die moeten worden vastgesteld tijdens de ondertekening van CETA.
De erkenning van de genocide, die op dit moment door ISIS gepleegd wordt |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Herinnert u zich dat u in het debat van 5 juli 2016 de vraag voorgelegd kreeg: «[ISIS] begaat genocide, volgens de Raad van Europa, het Europees Parlement en het Amerikaans Congres. Sinds kort erkent ook de VN het. Dat doet ISIS door mensen in slavernij te brengen en te stenigen en door massamoorden en genocide te begaan. Jezidi's, christenen, maar ook religieuze moslimminderheden die niet precies de interpretatie hebben die zij wil zijn het slachtoffer. Erkennen de Nederlandse regering en andere regeringen van de EU dat er op dit moment sprake is van genocide»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u de tweede precieze vraag kreeg: «Ik heb een vraag rondom genocide. Het is niet aan het Nederlandse kabinet om te bepalen of iemand schuldig is, maar de politieke vraag is als zodanig beantwoord in het Europees Parlement, in de Raad van Europa, door de VN-expertcommissie en door het Amerikaans Congres. Die gaan ervan uit dat ISIS genocide pleegt. Dat heeft zekere gevolgen voor de vraag of je de Genocideconventie van kracht vindt en je er dus voor moet zorgen dat je eigen onderdanen er niet aan mee willen doen. Is de Nederlandse regering met deze organen van mening dat hier gehandeld moet worden onder de veronderstelling dat hier genocide op minderheden gepleegd wordt? Of neemt de Nederlandse regering een totale alleingang positie in, dat ze nog niet weet of dat gebeurt en ze dat pas achteraf als historicus beoordeelt»?
Ja.
Herinnert u zich dat u daarna op de vraag «Ik zou het graag in een briefje willen hebben met precies de reactie op de drie aangenomen teksten en op de tekst van VN waaraan ik refereerde. » hebt gezegd: «Ik zeg een briefje toe»?
Ja. Op 15 september j.l. heb ik naar aanleiding van deze toezegging een brief aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 27 925, nr. 598).
Heeft u kennisgenomen van de resolutie 2091 van de parlementaire Assemblee van de Raad van Europa waarin helder staat « [The Assembly] notes with great concern that many of these recent terrorist attacks are claimed by, and may be attributed to, individuals who act in the name of the terrorist entity which calls itself «Islamic State» (Daesh) and who have perpetrated acts of genocide and other serious crimes punishable under international law. States should act on the presumption that Daesh commits genocide and should be aware that this entails action under the 1948 United Nations Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide.» en «The Assembly recalls that under international law States have a positive obligation to prevent genocide, and thus should do their utmost to prevent their own nationals from taking part in such acts.»? Heeft u kennisgenomen van het feit dat deze resolutie bijna unaniem is aangenomen met slechts één tegenstem?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aangenomen motie van het Europees Parlement, die helder stelt: «[The European Parliament] stresses that the so-called «ISIS/Daesh» is committing genocide against Christians and Yazidis, and other religious and ethnic minorities, who do not agree with the so-called «ISIS/Daesh» interpretation of Islam, and that this therefore entails action under the 1948 United Nations Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide» (2016/2529(RSP))?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat ook het Huis van Afgevaardigden in de VS en het Britse Lagerhuis vergelijkbare moties hebben aangenomen?
Ja.
Heeft u bovendien kennisgenomen van het standpunt van de Amerikaanse regering2 dat ISIS genocide pleegt? Hoe beoordeelt u het standpunt van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat hij geen rechter, aanklager of jurie is, maar wel het politieke standpunt inneemt dat ISIS genocide pleegt?
Het Kabinet heeft kennis genomen van de persbriefing die de Amerikaanse Minister van Buitenlandse zaken heeft gegeven op 17 maart 2016. Tijdens deze persbriefing zei hij dat, naar zijn oordeel, ISIS verantwoordelijk is voor het plegen van genocide. Ook stelde hij dat «Ultimately, the full facts must be brought to light by an independent investigation and through formal legal determination made by a competent court or tribunal. But the United States will strongly support efforts to collect, document, preserve, and analyze the evidence of atrocities, and we will do all we can to see that the perpetrators are held accountable.» Zoals het Kabinet heeft aangegeven in de Kamerbrief van 15 september j.l. over dit onderwerp, is het van mening dat de vaststelling of er in juridische zin sprake is van genocide, voorbehouden is aan de rechter. Het deelt dan ook het standpunt van de Amerikaanse regering dat het van belang is dat de wandaden van ISIS op onafhankelijke wijze worden onderzocht en vervolgd. Met het oog hierop verzorgt Nederland training voor partijen die bewijsmateriaal van internationale misdrijven verzamelen. Zo steunt Nederland het Syria Justice and Accountability Centre ten behoeve van toekomstige verantwoording voor misdaden door het Assad-regime, ISIS en andere groeperingen.
Op basis van welk afwegingskader besluit Nederland of er een genocide plaatsvindt in de zin van de 1948 «Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide (CPPCG)»?
Of er sprake is van genocide is afhankelijk van de vraag of is voldaan aan de elementen van de definitie van genocide zoals die is vastgelegd in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Genocideverdrag). Een dergelijke vaststelling moet voldoende feitelijk worden onderbouwd.
Deelt u de opvatting dat het juist niet de bedoeling van de conventie is om te wachten tot een rechtbank iemand definitief voor genocide veroordeelt voordat gehandeld wordt, omdat in de meeste gevallen dan al een hele bevolkingsgroep is uitgemoord?
Het Genocideverdrag bepaalt dat genocide een internationaal misdrijf is en verplicht verdragspartijen om dit misdrijf te voorkomen en te bestraffen. Uit de aard van de verplichting tot het voorkomen van genocide vloeit voort dat er geen sprake hoeft te zijn van een formele vaststelling dat genocide is gepleegd voordat maatregelen worden genomen. Het is dan ook niet zo dat het Kabinet het optreden van ISIS als genocide moet hebben gekwalificeerd voordat kan worden gehandeld.
Deelt de Nederlandse regering de mening dat ISIS genocide pleegt?
Het standpunt van het Kabinet is uiteengezet in de brief aan de Kamer van 15 september j.l.
Deelt de Nederlands regering de mening dat zij onder de 1948 genocide conventie dient te handelen omdat ISIS genocide pleegt?
Nederland draagt al enige jaren bij aan de strijd tegen ISIS, zowel in Irak als Syrië. Deze diplomatieke, humanitaire en militaire inzet is geheel in lijn met de verplichting in het Genocideverdrag om genocide te voorkomen. Daarnaast is in Nederland de Wet internationale misdrijven van toepassing. Dit betekent dat verdachten van genocide, indien het OM daartoe besluit, vervolgd kunnen worden. Dit betreft zowel Nederlandse verdachten als niet-Nederlandse verdachten die zich op Nederlands grondgebied bevinden. Het Kabinet spant zich ook in voor doorverwijzing van de situatie van Syrië naar het Internationaal Strafhof, zodat de wandaden van alle strijdende partijen kunnen worden onderzocht door het Hof.
Welke maatregelen treft Nederland tegen mensen die vanuit Nederland willen deelnemen aan de strijd bij ISIS of deelgenomen hebben aan die strijd?
Op basis van het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme (Kamerstuk 29 754, nr. 253) is een groot aantal maatregelen genomen om zowel met de terugkeerders- als de uitreizigersproblematiek om te gaan. Personen die willen uitreizen kunnen worden tegengehouden door bijvoorbeeld het innemen van het paspoort. In de Tijdelijke wet bestuurlijk maatregelen heeft het Kabinet een uitreisverbod voorgesteld om te voorkomen dat personen, hoewel zij zijn opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen (RPS), alsnog met een Nederlandse identiteitskaart kunnen uitreizen. Het uitreisverbod draagt bij aan het verder bemoeilijken van een eventuele uitreispoging. Indien er aanwijzingen zijn dat er sprake is van terrorismefinanciering, kunnen de inlichtingendiensten of het OM een onderzoek instellen of kan de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van VNVR Resolutie 1373 (2001) een bestuurlijke sanctiemaatregel (bevriezingsmaatregel) opleggen (plaatsing op de nationale sanctielijst).
De inlichtingen- en opsporingsdiensten doen er alles aan om (potentiële) uitreizigers in zicht te houden. Bij alle relevante partners (landelijk en lokaal) worden de beschikbare middelen aangewend om de risico’s die van terugkerende Foreign Terrorist Fighters (FTFs) uit gaan te kunnen onderkennen en te verminderen. Onderkende FTFs zijn onder andere onderwerp van strafrechtelijk onderzoek en/of inlichtingenmatig onderzoek. Elke onderkende teruggekeerde FTF wordt voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar opportuun, over tot strafvervolging. Politie en AIVD maken daarnaast bij elke onderkende teruggekeerde FTF een inschatting van de dreiging, houden hem/haar waar nodig scherp in beeld en zijn alert. Tevens worden onderkende teruggekeerde FTFs besproken in een multidisciplinair casusoverleg waar de meest effectieve interventiestrategie wordt bepaald met het doel de dreiging die van een persoon uit kan gaan te verminderen.
Welke maatregelen dient Nederland te nemen indien het genocide verdrag van toepassing is op deze situatie?
Het Genocideverdrag verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag om genocide te voorkomen en te bestraffen. Uit jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof blijkt dat de verplichting om genocide te voorkomen een inspanningsverplichting is en geen resultaatsverplichting: een staat moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs beschikbaar zijn om genocide zo veel mogelijk te voorkomen. De verplichting om genocide te bestraffen houdt volgens het Hof in dat staten genocide strafbaar moeten stellen en verdachten op hun eigen grondgebied moeten vervolgen.
Bent u bekend met de uitspraak Bosnia and Herzegovina v Serbia and Montenegro voor het Internationaal Hof in Den Haag en de uitleg die over de verplichting in het genocide verdrag is gegeven? Kunt u samenvatten welke verplichtingen daaruit voor Nederland kunnen voortvloeien?
Zie antwoord vraag 13.
Welke adviezen zijn intern en extern uitgebracht aan de Nederlandse regering over de vraag of ISIS genocide pleegt op minderheden? Kunt u deze adviezen openbaar maken?
Het Kabinet is intern meermalen volkenrechtelijk geadviseerd over deze kwestie. Het Kabinet hecht eraan dat ambtenaren hun ministers vrijelijk kunnen adviseren en daarin alle standpunten kunnen weergeven. Het achteraf openbaar maken van die adviezen staat daaraan in de weg.
Heeft u de volkenrechtelijk adviseur om advies gevraagd inzake de vraag of ISIS genocide pleegt en zo ja, welke actie de Nederlandse regering daarop moet ondernemen onder het 1948 genocide verdrag?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de extern volkenrechtelijk adviseur niet om advies gevraagd. De Minister heeft intern gedegen volkenrechtelijk advies ontvangen en acht zich hierdoor voldoende volkenrechtelijk geïnformeerd.
Indien u nog geen advies gevraagd heeft aan de volkenrechtelijk adviseur, wilt u dat dan onmiddellijk doen?
Nee, hieraan is geen behoefte aangezien de Minister zich door het interne volkenrechtelijke advies voldoende geïnformeerd acht.
Wilt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden, aangezien de vragen al negen weken geleden gesteld zijn en u meerdere rappels om een antwoord in de wind geslagen heeft?
Deze vragen zijn op de kortst mogelijke termijn beantwoord.
De convenanten met KLM en TUI ter voorkoming van recidive van drugskoeriers |
|
Harry van Bommel , Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Kunt u uiteenzetten hoeveel drugs er nog gesmokkeld wordt via de verschillende Nederlandse luchthavens en daarbij ook aangeven om hoeveel personen het zou gaan en vanuit welke bestemmingen?
Hoeveel drugs er via de Nederlandse luchthavens worden gesmokkeld is uit de aard der zaak onbekend. Wel is duidelijk dat er wekelijks nog slechts enkele drugskoeriers worden aangehouden. De invoering van de 100%-controles en bijbehorende maatregelen, inclusief de convenanten met de luchtvaartmaatschappijen, heeft voor deze grote afname gezorgd en kan dus succesvol genoemd worden.
Worden convenanten zoals die met TUI en KLM1 ook met andere luchtvaartmaatschappijen gesloten? Zo ja, welke en in welke fase bevindt zich dit? Zo nee, waarom niet?
De convenanten zijn gesloten in 2003 met KLM, Martinair, Arkefly en SLM, aangezien alleen deze maatschappijen vliegen op de landen die vallen in het 100%-controleregime. De convenanten zijn op reguliere momenten vernieuwd, zo ook dit jaar, zij het dat ze nu meer aangepast zijn aan de nieuwe omstandigheden, zoals dat Arkefly nu TUI Airlines heet, Martinair niet meer met passagiers vliegt en de BES-eilanden nu bij het land Nederland horen. Inhoudelijk zijn de convenanten niet gewijzigd.
Naar welke bestemmingen mogen personen die op de lijst staan niet meer vliegen, zijn dit alleen Suriname en de Antillen of ook andere bestemmingen? Waarom?
Het betreft al sinds 2003 Suriname, Venezuela, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire. Op Venezuela zijn al geruime tijd geen rechtstreekse vluchten uit Nederland. De convenanten met KLM, TUI Airlines en SLM zijn civielrechtelijk van aard en hebben betrekking op de vervoersvoorwaarden die de luchtvaartmaatschappijen aan hun passagiers stellen. Wie aantoonbaar misbruik gemaakt heeft van bovengenoemde vluchten door cocaïne te smokkelen wordt geplaatst op deze lijst met als gevolg dat betrokkene in beginsel voor drie jaar vanaf het moment van aantreffen van cocaïne op de lijst staat. De luchtvaartmaatschappij laat de personen die op de lijst voorkomen in beginsel niet toe op directe vluchten van en naar de bestemmingen vanwaar vluchten vertrekken die vallen onder het 100%-controleregime. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Heeft plaatsing op de lijst nog andere gevolgen behalve het niet meer mogen vliegen met KLM en TUI? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 3.
Wie bepaalt of een persoon op de lijst wordt geplaatst? Welke rechtsbescherming is er precies?
Namens de Nederlandse overheid is de Koninklijke Marechaussee belast met het bijhouden van de persoonsgegevens op de lijst. Het gebruik van de lijst door de luchtvaartmaatschappij valt onder de werking van de Wet bescherming persoonsgegevens voor zover sprake is van verwerking van gegevens in het kader van activiteiten van een vestiging van de verantwoordelijke in Nederland. In een dergelijk geval heeft de betrokkene op basis van artikel 35 en 36 Wbp de mogelijkheid de luchtvaartmaatschappij te verzoeken om informatie omtrent het verwerken van zijn persoonsgegevens dan wel correctie van de persoonsgegevens. De door de Koninklijke Marechaussee opgestelde en beheerde lijst betreft een verwerking van politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg). Betrokkene heeft dan ook op grond van de Wpg recht op kennisneming en verbetering als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 31 Wpg. In concreto betekent dit dat een ieder op grond van artikel 25 Wpg een schriftelijk verzoek tot inzage in politiegegevens die door de Koninklijke Marechaussee worden verwerkt, kan indienen. Op grond van artikel 28 Wpg kan een verzoek tot (onder meer) verbetering en verwijdering worden gedaan.
Wordt plaatsing op de lijst gemeld aan de betreffende persoon? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De Koninklijke Marechaussee deelt personen bij wie op de luchthaven Schiphol cocaïne is aangetroffen schriftelijk mee dat hun persoonsgegevens worden opgenomen op de lijst die aan de luchtvaartmaatschappijen wordt verstrekt ex artikel 4:1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit politiegegevens. Tevens deelt de Koninklijke Marechaussee mee dat de luchtvaartmaatschappijen op basis van deze lijst personen in beginsel het vervoer op de betreffende routes voor een periode van drie jaar weigert. Deze schriftelijke mededeling aan de betrokkene bevat ook informatie aangaande de mogelijkheden tegen de opname op deze lijst te ageren. Van de uitreiking van deze schriftelijke mededeling aan de betrokkene maakt de Koninklijke Marechaussee aantekening.
Hoe is de termijn van drie jaar plaatsing op de lijst vastgesteld? Waarom niet langer of korter? Verwacht u dat er na drie jaar geen kans op recidive meer is?
Zoals gezegd is deze maatregel al sinds 2003 van kracht, voldoet deze goed en zijn er nauwelijks klachten over. Het gaat om een redelijk te achten termijn.
Welke andere maatregelen om recidive van drugskoeriers te voorkomen worden er genomen?
Het 100%-controleregime zelf heeft voor een aanmerkelijke vermindering van drugssmokkel via de luchthavens gezorgd. Aangehouden koeriers worden vervolgd en berecht en krijgen, indien veroordeeld, doorgaans een gevangenisstraf opgelegd. Nederland heeft bovendien samen met de lokale autoriteiten gewerkt aan de verbetering van de controles op de luchthavens van vertrek. Zo is de samenwerking met Suriname en het zogenaamde BID-team op de internationale luchthaven te Zanderij al jaren succesvol en is er in de loop der jaren veel geïnvesteerd in het controleproces op luchthaven Hato op Curaçao en de detentiecapaciteit ter plaatse.
Deelt u de mening dat plaatsing op de lijst en het ontzeggen van de mogelijkheid te kunnen vliegen gezien kan worden als een extra straf bovenop de straf die de betreffende persoon al voor de cocaïnesmokkel heeft gehad? Zo ja, hoe wordt dit meegenomen in de bepaling van de initiële strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3 en 4 gaat het om een civielrechtelijke maatregel en geen straf. De rechter kan daar bij de oplegging van een strafrechtelijke straf wel rekening mee houden maar is daar uiteraard vrij in. Luchtvaartmaatschappijen nemen de maatregel om zichzelf te vrijwaren van bepaalde vormen van gevaarzetting, criminaliteit en overlast.
Zal aan personen die op de lijst voorkomen de ticketverkoop worden geweigerd of worden zij pas bij het inchecken geweigerd? Indien het laatste het geval is, hoe wordt dan omgegaan met de al gemaakte kosten voor bijvoorbeeld ticket en verblijf?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 6 worden betrokken personen nadat bij hen cocaïne is aangetroffen, schriftelijk op de hoogte gesteld van hun plaatsing op de lijst en de gevolgen daarvan. De luchtvaartmaatschappij stelt personen die een vervoersovereenkomst willen sluiten voor de betreffende routes vooraf schriftelijk op de hoogte van het feit dat in het kader van het sluiten van de overeenkomst, dan wel de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, gebruik wordt gemaakt van de lijst. Daarbij wordt aandacht besteed aan de gevolgen als zij ten tijde van het inchecken (alsnog) op de lijst blijken voor te komen. Bovendien wordt aandacht besteed aan de financiële consequenties van het aangaan van een vervoersovereenkomst terwijl men op de lijst voorkomt en de mogelijkheden voor de betrokkene om na te gaan of deze op de lijst voorkomt.
Zijn er mogelijkheden voor personen om na enige tijd van de lijst verwijderd te worden, bijvoorbeeld bij goed gedrag? Zo ja, hoe zal dit in zijn gang gaan? Zo nee, waarom niet?
Na 3 jaar worden de gegevens van betrokkene van de lijst verwijderd. Zie verder het antwoord op de vragen 5 en 6.
Zijn er mogelijkheden voor personen op de lijst om tijdelijke ontheffing te vragen in bijvoorbeeld het geval van een ziek familielid of een begrafenis? Zo ja, wat zijn deze mogelijkheden?
De luchtvaartmaatschappijen hebben de mogelijkheid in geval van bijzondere omstandigheden een uitzondering te maken en een persoon voorkomend op de lijst binnen de drie jaar termijn toch te vervoeren. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid kan bijvoorbeeld sprake zijn ingeval van ziekte of overlijden van een familielid in de eerste of tweede graad. Het verzoek een uitzondering te maken zal door de verzoeker zodanig onderbouwd moeten worden dat de luchtvaartmaatschappij een juiste inschatting kan maken van het dringende karakter.
De toegezegde evaluatie van de Winkeltijdenwet |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Eppo Bruins (CU), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Herinnert u zich de toezegging bij de behandeling van de wijziging van de Winkeltijdenwet in de Eerste Kamer dat er drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie gehouden zou worden?1
Ja.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van deze evaluatie? Worden hierbij ook uitdrukkelijk de belangen van de werknemers, de collectieve zondagsrust en de gevolgen voor kleinere winkeliers meegenomen? Op welke manier?
De evaluatie van de gewijzigde Winkeltijdenwet wordt momenteel uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau. Het onderzoeksbureau neemt uitdrukkelijk de belangen van de werknemers, de collectieve zondagsrust en de gevolgen voor kleinere winkeliers mee in de evaluatie. Dit gebeurt door middel van documentstudies, interviews, casestudies en enquêtes aan gemeenten, winkeliers en werknemers.
Deelt u de visie dat – anders dan door de indieners van het wetsvoorstel destijds werd betoogd2 – gemeenten juist heel sterk kijken naar het beleid in de omliggende gemeenten en daar hun openingstijden op afstemmen? In hoeverre is er dan naar uw mening nog sprake van een lokale afweging van belangen op basis van lokale argumentatie?
De belangenafweging door gemeenten omtrent het lokale winkeltijdenbeleid vormt een belangrijk onderdeel van de evaluatie. Om niet op de zaken vooruit te lopen, wacht ik eerst de uitkomsten van de evaluatie af.
Zo niet, hoe verklaart u het dan dat in onder meer Rhenen3, Nijkerk4, Wageningen5, De Bilt6, Tytsjerksteradiel7, Hengelo8, Amstelveen9, Etten-Leur10, Doetinchem11, Westerveld12 en De Friese Meren13 juist het argument van het beleid in buurgemeenten een belangrijke rol speelt? Hoe reëel is het te veronderstellen dat deze gemeenten en gemeenteraadsfracties uniek zijn in hun argumentatie? Deelt u de opvatting dat het beleid in buurgemeenten een minstens zo sterke rol speelt in de discussie als de in vraag 2 genoemde belangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is dan wel bereikt wat met de wetswijziging werd beoogd: de versterking van de lokale beleidsvrijheid voor winkelopenstelling op de zondagen? Wordt ook specifiek onderzoek gedaan naar de mate waarin gemeenten in hun beleid rond winkelopenstelling rekening houden met het beleid in omliggende gemeenten?
In de evaluatie wordt specifiek onderzoek gedaan naar de mate waarin gemeenten in hun beleid rond winkelopenstelling rekening houden met het beleid in omliggende gemeenten. Zoals ik eerder al heb aangegeven wil ik niet op de zaken vooruitlopen. Ik wil eerst de evaluatie van de wet afwachten voordat ik een oordeel geef over of de beoogde doelen zijn bereikt.
Op welke wijze wordt ook de toezegging14 meegenomen hoe concreet wordt omgegaan met contracten tussen verhuurders en huurders waarin een bepaling is opgenomen dat de winkelier verplicht is om op zondag open te zijn?
In de evaluatie worden winkeliers gevraagd of bepalingen omtrent verplichte openstelling zijn opgenomen in het huurcontract en in hoeverre dit een reden voor hen is daadwerkelijk open te gaan op zondag.
Wanneer ontvangt de Kamer het evaluatierapport?
De Kamer ontvangt de resultaten van de extern uitgevoerde evaluatie en de daarbij behorende beleidsbrief voor het einde van het jaar. In deze beleidsbrief zal ook worden ingegaan op de motie Van der Staaij C.S. (Kamerstuk 34 550, nr. 21).
Het landarrest van een Nederlander in India |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Is het u bekend dat de heer De Bruijn, een Nederlands staatsburger, landarrest heeft in India sinds september 2014?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken verleent hem sinds zijn arrestatie in september 2014 consulaire bijstand.
Welke ondersteuning heeft u tot dusver geboden aan deze Nederlander?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de heer De Bruijn wordt gechanteerd door de Indiase politie? Zo nee, waarom niet?
Het tijdsverloop in de zaak van de heer De Bruijn is voor Indiase begrippen niet uitzonderlijk. Nagenoeg alle rechtszaken in India verlopen traag. Deze traagheid betreft niet alleen de rechtszaken van buitenlanders, maar ook die van de eigen onderdanen. In de zaak van de heer De Bruijn zijn zittingen meerdere malen uitgesteld. Ik heb geen concrete aanwijzingen dat de heer De Bruijn door de Indiase politie zou worden gechanteerd.
Het landarrest van de heer De Bruijn en de trage voortgang van zijn rechtsgang zijn redenen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken om het verloop van de rechtsgang van de heer De Bruijn op de voet te volgen. Nederland mag zich evenwel niet inhoudelijk mengen in de Indiase rechtsgang. Doel van het volgen van de rechtsgang is dan ook om vast te kunnen stellen of betrokkene in India een proces krijgt dat volgens de daar vigerende regels correct verloopt. Naast het zelf volgen van de rechtsgang heeft het ministerie onlangs een lokale vertrouwensadvocaat opdracht gegeven te onderzoeken hoe de rechtsgang van de heer De Bruijn is verlopen. Daarbij zal onder meer worden gekeken of er sprake is overschrijding van wettelijke termijnen. Dit onderzoek is gaande.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze Nederlander al bijna twee jaar landarrest heeft in India op basis van een aanklacht, waarbij nauwelijks zicht is op enige voortgang in het rechtsproces als gevolg van deze aanklacht?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de rechtszittingen inmiddels minstens zes maal verzet dan wel uitgesteld zijn? Klopt het dat de redelijke termijn hiermee is overschreden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe vaak hebt u bij de Indiase autoriteiten aangedrongen op bespoediging van het rechtsproces? Welk resultaat heeft dit opgeleverd?
Net als in Nederland is de rechterlijke macht in India onafhankelijk. Vanwege deze onafhankelijkheid is het in de eerste plaats aan de heer de Bruijn en zijn advocaat om gepaste actie te ondernemen als de Indiase rechtsgang niet correct verloopt of is verlopen, bijvoorbeeld omdat er wettelijke termijnen zouden zijn overschreden. Gezien de zorg over de trage rechtsgang heeft het ministerie wel besloten om de rechtsgang van de heer De Bruijn op de voet te volgen en een lokale onafhankelijke vertrouwensadvocaat opdracht te geven de rechtsgang te onderzoeken (zie het antwoord op de vragen 3, 4 en 5). De advocaat van de heer De Bruijn kan de bevindingen uit het onderzoek, mits die daartoe aanleiding geven, gebruiken voor zijn verweer.
Consulaire en diplomatieke vertegenwoordigers van het ministerie kaarten regelmatig de situatie van de heer De Bruijn bij vertegenwoordigers van de Indiase autoriteiten aan. Dit gebeurt op lokaal en nationaal niveau, mondeling en schriftelijk. Daarbij wordt de zorg over de trage rechtsgang geuit, wordt toegelicht dat de situatie een zware impact heeft op betrokkene en wordt aangedrongen op een spoedig verloop van de rechtsgang. Het ministerie zal de bevindingen van de vertrouwensadvocaat, mits die daartoe aanleiding geven, inzetten bij de dialoog met de Indiase autoriteiten over de voortgang in de rechtsgang.
Op politiek niveau kan aandacht worden gevraagd voor een lopende rechtszaak maar politieke bemoeienis zou inbreuk maken op de scheiding der machten en kan voor betrokkene zelfs contraproductief werken. Uiteraard is het wel van belang dat een rechtssysteem naar een minimaal behoren en volgens de eigen regels functioneert. Om die reden zal ik op basis van de bevindingen van de vertrouwensadvocaat beoordelen of er aanleiding is, naast de acties die tot nu toe zijn ondernomen, tot het op andere wijze aan de orde stellen bij de Indiase autoriteiten van aspecten betreffende de rechtsgang van de heer De Bruijn. Wanneer hiertoe aanleiding is in het belang van betrokkene zal ik eventuele andere interventies niet schuwen.
Op de meest recente zitting van 5 oktober 2016 verschenen alle drie getuigen die door de rechtbank waren opgeroepen. Eén van de getuigen liet weten ondanks zijn drukke werkzaamheden te zijn verschenen omdat hij naast door de rechter ook door het Nederlandse consulaat-generaal in Mumbai daartoe was opgeroepen. Een vertegenwoordiger van het Nederlandse consulaat-generaal in Mumbai zal aanwezig zijn bij de eerstvolgende zitting.
Klopt het dat de Nederlandse ambassadeur in India en de Nederlandse consul-generaal in Mumbai ondanks herhaalde verzoeken tot een gesprek over de zaak van de heer De Bruijn genegeerd worden door betrokken Indiase ministers en de plaatselijke politiecommissaris? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid deze zaak te bespreken met uw Indiase ambtsgenoot en te pleiten voor zeer spoedige voortgang van het rechtsproces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden zijn er voor deze Nederlander om zijn paspoort terug kan krijgen, alvorens het rechtsproces volledig is afgerond?
Met de Indiase autoriteiten is gesproken over de teruggave van het reisdocument. Daar bestaan gedurende de rechtsgang evenwel geen mogelijkheid voor.
De brand het vreemdelingendetentiecentrum Rotterdam |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU), Linda Voortman (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Brand in het detentiecentrum Rotterdam» van Amnesty International, Stichting LOS en Dokters van de Wereld?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat het optreden tegen de brand van 25 mei jl. en de nazorg voor de vreemdelingen in detentie ernstig tekort is geschoten?
De Inspectie Veiligheid en Justitie (hierna: Inspectie VenJ) zal onderzoek verrichten naar de gang van zaken rond de brand. De Inspectie VenJ streeft er naar om het onderzoek eind november 2016 te hebben afgerond. Ik wil op de uitkomsten van dit onderzoek niet vooruitlopen en zal uw Kamer hierover informeren zodra het onderzoek is afgerond.
Hoe kon het gebeuren dat tijdens de brand de deuren niet centraal werden ontgrendeld? Bent u van mening dat de vreemdelingen hierdoor onnodig risico hebben gelopen? Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de vreemdelingen naar buiten zijn gebracht zonder adequate kleding, dekens of andere verzorging bij een buitentemperatuur van 8 graden?
De Inspectie VenJ zal onderzoek doen naar de precieze toedracht van dit incident. Op het punt van de centrale deurontgrendeling is in de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de Schipholbrand3 aan uw Kamer gemeld dat het kabinet een centrale deurontgrendeling binnen justitiële inrichtingen heeft overwogen, maar besloten heeft ervan af te zien. In mijn beleidsreactie op voornoemd rapport van de Inspectie VenJ zal ik nader ingaan op de overige onderdelen van deze vraag.
Is het waar dat de vreemdelingen na de brand geen nazorg hebben ontvangen? Wat is tevens de reden dat vijf vreemdelingen in isolatie zijn geplaatst? Is het waar dat deze vreemdelingen daarvoor zijn gevisiteerd onder meer in het bijzijn van vrouwelijke bewakers? Hoe verhoudt dit zich tot de motie waardoor het visitatiebeleid tot het verleden behoort?2
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre wijkt het gevoerde beleid ten tijde van de brand af van de aanbevelingen van het rapport «Brand cellencomplex Schiphol-Oost» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid?3 Waarom heeft de Inspectie Veiligheid en Justitie destijds geen onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom en na de brand? Bent u bereid alsnog een onderzoek te laten doen naar de gebeurtenissen rondom en na de brand? Bent u bereid om na een brand van een dergelijke omvang standaard een onderzoek te laten plaatsvinden naar het gevoerde beleid rondom en na de brand? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven reeds gemeld zal de Inspectie VenJ onderzoek doen naar de gang van zaken rondom de brand. De Inspectie VenJ heeft naar aanleiding van berichten in de media over de brand eerder informatie van de Dienst Justitiële Inrichtingen opgevraagd, gekregen en beoordeeld. De Inspectie VenJ zag, na een interne multidisciplinaire afweging, geen aanleiding om een onderzoek in te stellen naar het incident. Nu het rapport van Amnesty van een ander feitencomplex lijkt uit te gaan dan de feiten die de Inspectie eerder heeft beoordeeld, heeft de Inspectie besloten alsnog nader onderzoek in te stellen. Vooralsnog zie ik geen aanleiding om standaard onderzoek te laten doen na een celbrand.
Het bericht ‘Veehouderij kan niet zonder begrenzing’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het interview «Veehouderij kan niet zonder begrenzing»?1
Ja.
Deelt de u de opvatting uit het interview dat een stelsel van fosfaatrechten moet worden ingevoerd om niet over de milieugrens heen te gaan? Hoe duidt u de praktijk dat het fosfaatplafond weliswaar overschreden wordt, maar dat een substantieel deel van de Nederlandse mest (en daarmee fosfaat) niet in het Nederlandse milieu belandt, maar door bijvoorbeeld mestverwerking, innovatieve toepassingen en export juist buiten het milieu wordt geplaatst en dat, wanneer dit deel gesaldeerd wordt met het fosfaatplafond, er geen sprake is van een overschrijding van het plafond?
Ik deel de opvatting uit het interview. Het fosfaatplafond maakt deel uit van de voorwaarden van onze derogatie van de Nitraatrichtlijn. Dat een deel van de mest buiten de Nederlandse landbouw belandt, speelt daarbij geen rol. Voor het behoud van de huidige derogatie en het verkrijgen van een volgende derogatie is het noodzakelijk dat wij ons aan de afgesproken voorwaarden houden.
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld (brieven 3 maart en 8 september 2016) zal ik voor een volgende derogatiebeschikking (2018–2021), wanneer via het stelsel van verplichte mestverwerking is zekergesteld dat het fosfaatoverschot geen extra milieurisico met zich meebrengt, bij de Europese Commissie bepleiten dat het niet nodig is om nog langer de fosfaatproductie in absolute zin te begrenzen. En indien de Europese Commissie vasthoudt aan een productieplafond, zal ik bespreken of mest die aantoonbaar buiten de Nederlandse landbouw wordt gebracht als het ware kan worden gesaldeerd in fosfaatproductieplafond. Hiervoor is een aanpassing van de Nitraatrichtlijn niet noodzakelijk.
Wat vindt u van de uitspraak: «Natuurlijk kun je ook overwegen om de Nitraatrichtlijn aan te passen, maar dan ben je zo drie tot vier jaar verder»? Is deze uitspraak in lijn met de inzet van dit kabinet om het vastgestelde fosfaatplafond binnen de Nitraatrichtlijn (derogatie op de Nitraatrichtlijn) los te laten, of als dat niet lukt de fosfaatproductie die door mestverwerking, export en innovaties niet in het milieu terecht komt te salderen? Zo ja, waaruit blijkt dit?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de suggestie die gedaan wordt in het interview dat het kabinetsbeleid om in te zetten op aanpassing van de Nitraatrichtlijn (schrappen fosfaatplafond of salderen van fosfaatproductie die buiten het milieu geplaatst wordt in de derogatie op de Nitraatrichtlijn) uitgedrukt kan worden in het minder nauw nemen van de milieumaatregelen? Zo ja, hoe staat deze uitspraak in verhouding tot het kabinetsbeleid om juist in te zetten op aanpassing van de derogatie op de Nitraatrichtlijn?
Die suggestie tref ik in het interview niet aan. Ik lees in het interview dat het verlagen van de normen voor waterkwaliteit in de Nitraatrichtlijn niet realistisch is. Ik onderschrijf die opvatting.
Deelt de u de opvatting dat deze uitspraken wel heel ongelukkig zijn in aanloop naar de introductie van de fosfaatrechten en de inzet die het kabinet toegezegd heeft uit te voeren?
Zie antwoord vraag 4.
In uw brief van 3 maart jl.2 stelt u: «Ik ben bereid om, ervan uitgaande dat via het stelsel van verplichte mestverwerking zeker wordt gesteld dat het fosfaatoverschot geen extra milieurisico met zich meebrengt, bij de Europese Commissie te bepleiten dat het niet nodig is om nog langer via een plafond in de derogatiebeschikking de fosfaatproductie in absolute zin te begrenzen.»; als de toenmalige directeur-generaal binnen de directie Agro niet in deze weg geloofde, wat is dan de kracht van de Nederlandse inzet in Brussel geweest? Kunt u aangeven wat de waarde is van bovenstaande passage uit de brief van 3 maart jl.?
De heer Hoogeveen heeft zich als directeur-generaal Agro en Natuur van mijn ministerie altijd ten volle ingezet om het kabinetsbeleid in Brussel te realiseren.
Kunt u zich voorstellen dat een dergelijk interview het vertrouwen van de boeren kan schaden? Zo ja, wat kunt en gaat u eraan doen om dit vertrouwen te herstellen? Zo nee, waarom bent u van mening dat een dergelijk interview met dergelijke uitspraken niet schadelijk is voor het vertrouwen van boeren?
Zie de antwoorden op vragen 4 en 6.
Kunt u aangeven welke contacten u heeft gehad met de verschillende commissarissen in Brussel, wanneer en welke communicatie is gedeeld?
Er hebben zowel op politiek als op hoogambtelijk niveau gesprekken plaatsgevonden met de meest betrokken diensten van de Europese Commissie over de overschrijding van het fosfaatproductieplafond en over de door Nederland voorgestane aanpak om de fosfaatproductie weer in overeenstemming met het plafond te brengen. Daarnaast heeft Nederland in juni een presentatie gegeven in het Nitraatcomité.
Het is, mede in het belang van de te bereiken resultaten, niet wenselijk of gebruikelijk om gedetailleerde informatie over de gesprekken openbaar te maken.
Kunt u aangeven welke contacten er op hoog ambtelijk niveau zijn geweest met de hoge ambtenaren van de verschillende commissies, wanneer en welke communicatie is gedeeld?
Zie antwoord vraag 8.
Vermeende invloed van president Assad bij de verstrekking van VN-hulp aan Syriërs |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Bent u bekend met de manier waarop de VN dient samen te werken met overheden bij het verstrekken van hulp aan bevolkingsgroepen in nood, zoals geschetst wordt in het artikel van de New York Times1? Wat is uw reactie daarop?
Volgens de laatste schattingen van de VN (d.d. september 2016) ten aanzien van de situatie in Syrië woont ongeveer de helft van alle mensen die dringend hulp nodig hebben in een door het Syrische regime gecontroleerd gebied. Deze mensen worden geholpen door de VN, NGO’s en andere humanitaire partners die hoofzakelijk vanuit Damascus opereren. Daarnaast leveren de VN en andere partners in Damascus essentiële hulp vanuit regimegebied aan oppositiegebied, zoals naar Talbiseh, Moadamiyeh, Al Waer en de Four Towns. Ook de voedseldroppings in Deir ezZor en de luchtbrug naar Quamishli worden vanuit Damascus uitgevoerd.
De VN kan in regimegebied alleen met toestemming van het regime werken. Het regime bepaalt met welke organisaties de VN wel of niet mag samenwerken. Zodoende zijn er veel beperkingen die de VN worden opgelegd. Mensen in oppositiegebieden worden bereikt met humanitaire hulp vanuit Damascus maar ook met cross border steun vanuit Turkije, Libanon, Jordanië of Irak.
Het dilemma dat zich voordoet bij hulpverlening vanuit regimegebiedis dat zonder contact met het regime de VN geen toegang meer zal krijgen tot miljoenen burgers in Syrië. Voor de VN heeft in deze zeer onwenselijke situatie het redden van mensenlevens prioriteit. De VN maakt dagelijks moeilijke keuzes om in deze zeer uitdagende omstandigheden binnen de juridische en ethische kaders van de VN te kunnen blijven werken.
Bent u bereid navraag te doen bij de VN over de vermeende invloed die president Assad heeft op de verstrekking van hulp aan de bevolking van Syrië? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet is regelmatig met de VN in contact over de invloed van het regime op de hulpverlening in Syrië, waaronder tijdens de wekelijkse werkgroepen van de International Syria Support Group. De VN heeft op 1 september zelf via een brief van Under-Secretary-General en Emergency Relief Coordinator, Stephen O’Brien gereageerd op de vermeende invloed van regime Assad op de verstrekking van hulp in Syrië. In deze brief benadrukt O’Brien dat de VN een kritische dialoog over de humanitaire hulpverlening in Syrië verwelkomt.
De VN is gebonden aan de humanitaire principes van humaniteit, neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor wat betreft uitvoering van humanitaire hulp. Deze principes staan onder druk in Syrië, want de Syrische overheid kan niet gepasseerd worden door de VN omdat zij door de VN als legitieme overheid van Syrië wordt erkend. Dit betekent dat onderwijsprogramma’s, waterinstallaties en vele andere hulpprogramma’s voorgelegd moeten worden aan de betreffende ministeries, vaak in de vorm van een «Memorandum of Understanding». De VN werkt alleen in die gebieden waar ze zelf objectief hebben kunnen vaststellen dat hulp ook noodzakelijk is.
De VN heeft lokale partners nodig voor het uitvoeren van humanitaire programma’s. Deze uitvoerende partners worden zorgvuldig geselecteerd op basis van de humanitaire principes en de VN houdt toezicht op de uitvoering van de projecten. Dit gebeurt met speciaal daarvoor aangestelde monitoringsstaf die vaak onder zeer gevaarlijke omstandigheden projecten in het veld bezoekt en resultaten evalueert. Dat de Syrische overheid het aantal partners waarmee mag worden samen gewerkt sterk heeft beperkt is een doorn in het oog van de VN. Er wordt intensief gelobbyd om de keuzevrijheid uit te breiden.
Ondertussen moet de VN blijven opereren onder de huidige voorwaarden en wordt dus ook nauw samengewerkt met de Syrische Rode Halve Maan en heeft onder andere de NGO The Syria Trust for Development geld ontvangen van OCHA. Het is bekend dat in deze organisaties mensen werken die banden hebben met het regime. Echter, ook deze organisaties werken volgens de humanitaire principes en moeten voldoen aan de scherpe eisen die de VN stelt op het gebied van financiële (transparante) administratie en inhoudelijke resultaten.
Om te kunnen functioneren vanuit Damascus en andere door de overheid gecontroleerde steden heeft de VN operationele steun nodig zoals kantoorruimte, telefoonlijnen en andere goederen die via lokale private contracten gekocht moeten worden. Dat de bedrijven waar zaken mee worden gedaan mensen in dienst hebben die banden hebben met het regime is onvermijdelijk in een land waarin elke organisatie onder scherpe controle staat van het regime. De VN heeft geen sancties ingesteld tegen het Syrische regime en is dan ook niet gebonden aan een verbod op het direct of indirect beschikbaar stellen van tegoeden aan het regime.
Het kabinet ondersteunt de hulpverlening van de VN in Syrië, onderkent de dilemma’s en moeilijkheden daarbij, maar onderschrijft ten principale de aanpak van de VN vanwege het grote belang van deze operatie om de mensen in nood te kunnen helpen. Het kabinet zal u via de gebruikelijke wegen op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.
Kunt u toelichten of de regel dat de VN samenwerking moet aangaan met de overheden waaraan hulp verstrekt wordt, in alle gevallen nageleefd moet worden?
De overheid van een getroffen land is op basis van internationaal humanitair recht altijd eerstverantwoordelijke voor het leveren van humanitaire hulp aan de eigen bevolking. Hulporganisaties mogen alleen actief zijn in een land wanneer daar toestemming voor is verkregen van de overheid. Er is een uitzondering voor bepaalde landen, zoals Syrië, op basis van VNVR resoluties.
De VNVR resoluties voor Syrië stellen dat hulporganisaties zonder toestemming (maar met kennisgeving aan de overheid) in Syrië mogen werken. In de praktijk blijkt echter dat de VN en NGO’s niet zonder toestemming van het regime kunnen werken in het deel van Syrië dat onder controle van het regime Assad staat. De toestemming is nodig voor het verkrijgen van verblijfsvergunningen, visa, het huren van woon-, kantoor- en magazijnruimte en de import van hulpgoederen en transportmiddelen. Ook moet er vrijwel dagelijks onderhandeld worden met de vele politie- en militaire controleposten om toegang te krijgen. Als de VN de inmenging van het regime niet zou accepteren zou ze geen toegang krijgen tot mensen in nood.
Bent u het ermee eens dat er in het geval van de situatie in Syrië een uitzondering gemaakt zou moeten worden op deze regel?
Er wordt al een uitzondering gemaakt op deze regel doordat de VN-organisaties van de VNVR toestemming hebben gekregen hulp van buiten Syrië de grens over te brengen met enkel de kennisgeving aan, niet de toestemming van, het Syrische regime. Om hulp te verlenen in heel Syrië, dus zowel oppositie-, Koerdisch, ISIS- en regimegebied zijn de verschillende manieren van hulpverlening die nu gebruikt worden (grensoverschrijdend en hulp vanuit Damascus) allemaal essentieel. Zoals hierboven uiteengezet kan het deel van de hulpverlening dat via Damascus verloopt op dit moment uitsluitend geleverd worden na het verkrijgen van toestemming van het regime.
Welke mogelijkheden ziet u om er zorg voor te dragen dat de VN alsnog de niet president Assad gezinde gebieden bereikt? Mocht dit niet lukken, welke alternatieven ziet u dan?
Via de International Syria Support Group, waar Nederland deel van uit maakt, wordt met internationale druk geprobeerd toestemming te verkrijgen voor het bereiken van niet-Assad gezinde gebieden. Dit heeft een aantal maanden goede resultaten opgeleverd, maar sinds augustus komen veel operaties niet van de grond. Dit komt omdat, naast het uitblijven van toestemming door het regime, ook de veiligheidssituatie en de tegenwerking van de Syrische overheid bij de praktische uitvoering de daadwerkelijke hulpverlening beperken. Nederland blijft zich samen met andere landen inzetten voor het versoepelen van de zeer bureaucratische procedures in Damascus en het aanspreken van het regime en zijn bondgenoten op hun verantwoordelijkheden onder internationaal humanitair recht, waaronder het recht op humanitaire hulp voor de getroffen bevolking.
Op welke wijze kunt u samen met de internationale gemeenschap een rol spelen om de banden tussen de Syrische hulporganisaties en de VN te herstellen?
Nederland heeft frequent contact met hulporganisaties die in Syrië actief zijn en is met hen in gesprek over waar de belangrijkste problemen liggen. Ook tijdens de wekelijkse humanitaire werkgroep van de International Syria Support Group in Genève is het belang van deze samenwerking besproken. Nederland heeft begrip uitgesproken voor de moeilijke situatie waarin de VN opereert, maar heeft de VN ook opgeroepen serieus te luisteren naar de zorgen die NGOs hebben geuit over het bericht in de New York Times. Nederland benadrukt in de discussie het belang van dialoog tussen humanitaire organisaties werkzaam in Syrië, en pleit voor behoud van het recht om kritiek te uiten.
Momenteel vinden hierover gesprekken plaats tussen de humanitaire organisaties in Syrië en de VN. John Ging, directeur operaties van OCHA, is persoonlijk het gesprek aangegaan met Syrische NGO’s die vooral werkzaam zijn in oppositiegebied. Die dialoog heeft tot meer begrip geleid aan beide kanten, maar maakte ook duidelijk dat de VN zich in de toekomst veel actiever moet opstellen in het betrekken van Syrische NGO’s bij de planning en uitvoering van humanitaire hulp in Syrië. Alle hulporganisaties hebben het belang van hulpverlening aan de Syrische bevolking in alle gebieden voorop staan en deze hulp blijft dan ook doorgaan.
Heeft u het vermoeden, of aanleiding daartoe, dat er ook in andere delen van de wereld overheden een dusdanig negatieve invloed hebben op de verdeling van VN-hulp? Zo nee, hoe kunt u daar zeker van zijn en bent u bereid naar aanleiding van deze berichtgeving, al dan niet in internationaal verband, de risico's op negatieve beïnvloeding van de VN expliciet te onderzoeken?
De VN werkt in vele conflictgebieden. In die conflictgebieden waar de overheid ook partij is in het conflict is samenwerking ingewikkeld maar vrijwel altijd noodzakelijk. Juist de VN staat voor het dilemma om de balans te vinden tussen het gaande houden van een dialoog met de overheid en het blijven leveren van noodhulp gebaseerd op de daadwerkelijk aanwezige noden voor de hele getroffen bevolking, zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 2.
De rol van humanitaire VN-organisaties wordt nog gecompliceerder in gebieden waar de VN naast een humanitaire rol ook een politieke rol of een rol op het gebied van «peace keeping» of «peace enforcement» heeft. Nederland speelt een actieve rol in de verantwoordingsprocessen, en acht gezien de actie die op dit gebied al wordt ondernomen een separaat onderzoek zoals voorgesteld niet opportuun. De verantwoordingsprocedures die de VN volgt bieden voldoende ruimte om inzicht te krijgen in haar functioneren. Wel zal een kritische dialoog gevoerd worden wanneer het kabinet meent dat de VN negatief beïnvloed wordt door een overheid.
Belastingschulden van amateur voetbalclubs |
|
Ed Groot (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Kent u de uitzending van het tv-programma Zembla «Stelletje amateurs»?1
Ja.
Valt het u ook op dat uit de genoemde uitzending het beeld ontstaat dat de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de Belastingdienst een andere voorstelling van zaken hebben ten aanzien van uitwisseling van gegevens met betrekking tot (vermoedens van) fiscale misstanden bij amateurclubs? Zo ja, hoe komt het dat die voorstellingen van zaken verschillen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst heeft regelmatig contact met de KNVB om met hen over fiscale risico’s bij amateurclubs te spreken.
Het overleg vindt structureel plaats tijdens het periodieke overleg met het OM (Functioneel Parket), Politie, Kansspelautoriteit, FIOD en Belastingdienst over signalen met betrekking tot integriteit in de sport. Bij dit zogenoemde Signaaloverleg, dat ongeveer elke zes weken plaatsvindt, schuift de KNVB regelmatig aan.
Daarnaast heeft de Belastingdienst de afgelopen jaren regelmatig contact met de KNVB gehad. Dit gebeurde onder andere voorafgaande, tijdens en na de controles bij de 84 Hoofdklasseclubs in de periode 2006–2009. Meest recentelijk in juli 2014 en december 2015.
De KNVB geeft in de uitzending aan bereid te zijn ook signalen die zij krijgen door te geven aan de Belastingdienst. Dat wil de Belastingdienst graag verder bespreken met de KNVB. Tot op heden heeft de Belastingdienst nog geen signalen ontvangen.
Hoe verliep en verloopt het contact tussen de KNVB en de Belastingdienst met betrekking tot (vermoedens van) fiscale misstanden bij amateurclubs?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre kan het licentiesysteem van de KNVB voor amateursclubs helpen bij het in de toekomst tegengaan van belastingfraude? Over welke bevoegdheden en informatiebronnen beschikt de licentiecommissie van de KNVB om achter dergelijke fraude te komen?
Net als in iedere andere sector moeten betalingen binnen het voetbal voldoen aan Nederlandse wetgeving.
Met de komst van de Tweede en Derde divisie in de top van het amateurvoetbal, zijn er nieuwe licentievoorwaarden ingevoerd. Vanaf het huidige seizoen worden de financiële boeken van clubs en gelieerde entiteiten door de licentiecommissie beoordeeld. Clubs dienen een geconsolideerde jaarrekening en begroting in te dienen bij de licentiecommissie. De jaarrekening moet inclusief een samenstellingsverklaring van een accountant worden ingeleverd. Dit zijn belangrijke stappen in financiële transparantie en sportieve gelijkheid in het amateurvoetbal.
Tevens hebben clubs een meldplicht om achterstand van betalingen bij de belastingdienst bij de KNVB te melden, daarnaast zijn zij ook verplicht betalingsachterstanden van transfers te melden en moeten zij grote veranderingen of verschuivingen in de financiële positie van de club melden bij de KNVB.
De Belastingdienst heeft een algemene fiscale geheimhoudingsplicht die ook werkt jegens de KNVB licentiecommissie. De Belastingdienst kan daarom geen gegevens over fiscale fraude aan de KNVB verstrekken.
In hoeverre is de Belastingdienst bij het opsporen van fiscale fraude afhankelijk van meldingen van de KNVB?
Voetbalclubs vallen binnen het reguliere toezicht door de Belastingdienst. De Belastingdienst werkt risicogericht en informatie gestuurd. De Belastingdienst kan op basis van verschillende indicatoren aanleiding zien om een onderzoek in te stellen en aanslagen op te leggen. Daarnaast kan de Belastingdienst een signaal krijgen via KNVB, politie, OM of gemeente. In dat geval wordt met deze partijen de aanpak bepaald.
Fiscale fraude in de vorm van het (gedeeltelijk) zwart uitbetalen van spelerssalarissen is voor de Belastingdienst moeilijk op te sporen en te bewijzen, zo blijkt ook uit de uitzending van Zembla.
Deelt u de mening dat de KNVB veel pro-actiever zou moeten zijn bij het constateren en het bij de Belastingdienst melden van vermoedens van financiële malversaties bij amateurclubs? Zo ja, hoe kan de KNVB hiertoe worden aangezet? Zo nee, waarom niet?
Het is in de eerste plaats in het belang van de voetbalsport zelf om financiële fiscale malversaties te voorkomen. De KNVB acteert daarom nu al op basis van signalen die zij verkrijgen. Tevens kan de licentiecommissie op basis van de verkregen informatie nu al handelen en stappen ondernemen. Mocht er sprake zijn van een wanordelijk financieel beleid, dan kan de licentiecommissie een waarschuwing afgeven. Zij kunnen vragen om een plan van aanpak, punten in mindering brengen of de club uit de competitie halen.
Daarmee worden imagoproblemen en competitievervalsing door fiscale doping en het tussentijds uit de competitie halen van clubs bij faillissement voorkomen.
Bovendien gaat er op lokaal niveau soms veel overheidsgeld naar amateurclubs. Het is in dat licht bezien niet acceptabel dat deze verenigingen niet aan hun fiscale verplichtingen voldoen. De KNVB is door de Belastingdienst gevraagd om een meer pro-actieve houding aan te nemen. De KNVB gaat daarom de mogelijkheid onderzoeken verenigingen sportief te straffen als duidelijk is dat ze de bewust belasting omzeilen. Mocht officieel zijn vastgesteld dat verengingen bewust en structureel belasting omzeilen, dan worden ze uit de competitie gehaald of teruggezet naar een lager competitie.
Hoe en door wie worden de jaarstukken van amateurclubs gecontroleerd? Zijn de jaarstukken van de van belastingfraude verdachte clubs goedgekeurd? Zo ja, hoe kan dat? Zo nee, van welke van die clubs zijn de jaarstukken niet goedgekeurd?
De vereniging is een zelfstandig rechtspersoon. De jaarrekening wordt jaarlijks vastgesteld door een kascommissie bestaande uit vrijwilligers. De kascommissie controleert en brengt hierover advies uit aan de algemene ledenvergadering. De ledenvergadering controleert hiermee het bestuur van de vereniging.
Verenigingsbestuurders hebben de verantwoordelijkheid om integer om te gaan met hun club. De KNVB heeft naar aanleiding van de uitzending van Zembla bestuurders opgeroepen zich niet te laten leiden door blinde ambities met het eerste elftal. De bestuurder is er voor de hele vereniging.
Welke strafrechtelijke onderzoeken naar financiële malversaties door amateurclubs lopen er nog? Wat is de stand van zaken daarvan? Zijn er contacten tussen het Openbaar Ministerie en de KNVB ten aanzien van meldingen van financiële malversaties en zo ja, waar bestaan die uit? Zo nee, waarom zijn die er niet?
Onder leiding van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie komen de politie, de belastingdienst doelgroep Sport, FIOD en de Kansspelautoriteit periodiek samen om concrete signalen van fraude in de sport te bespreken die aanleiding kunnen geven om een strafrechtelijk traject te overwegen en om de beste interventiestrategie (tuchtrecht, civielrecht, fiscaal, strafrechtelijk) te bespreken.
De KNVB, maar ook overige private partijen, kunnen bij dat overleg aanwezig zijn voor zover er aanleiding bestaat om concrete relevante informatie te delen met de opsporingspartners.
Over de vraag waar het Openbaar Ministerie wel of geen onderzoek naar doet, kan ik geen mededelingen doen.
Klopt het dat, gezien uw mening te lezen in antwoord 13 op eerdere vragen over het bericht dat een terreurverdachte op het vliegveld naar Turkije kon stappen dat de Duitse autoriteiten hebben geacteerd op de signalering zoals verwacht mag worden, in dit geval de Nederlandse autoriteiten inadequaat gereageerd lijken te hebben op een dergelijke melding van de Duitse autoriteiten?1
Betrokkene stond vanaf het moment dat hij als potentiële uitreiziger gekwalificeerd werd, gesignaleerd in het Schengen Informatiesysteem (SIS) door middel van een signalering conform artikel 36 SIS-II besluit. Deze signalering was uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie. Het betrof een signalering voor onopvallende controle, met als doel informatie te verkrijgen over personen of zaken wanneer dat met het oog op de vervolging van strafbare feiten en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid nodig is. Een dergelijke signalering ziet op het verzamelen van informatie, niet op het aanhouden of vasthouden van de betreffende persoon.
Betrokkene is aan het begin van de avond op 27 februari gecontroleerd door de Duitse autoriteiten. In de nacht van zaterdag 27 op zondag 28 februari is het Nederlandse bureau SIRENE over deze onopvallende controle door het Duitse SIRENE-bureau geïnformeerd.
Het Nederlandse bureau SIRENE heeft na het ontvangen van de melding, conform de toen bestaande instructie getracht contact te krijgen met de Inlichtingendienst van de Landelijke Eenheid van de politie en het team Contra-Terrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) van de Landelijke Eenheid van de politie. Door een telefonische storing in de 088-nummers op een interne server van de politie bleek dit contact op dat moment niet mogelijk te zijn. Na het constateren van deze telefonisch storing is direct gestart met het werken aan een oplossing. Op zondag 28 februari om 12.00 uur was de storing definitief verholpen. Vanwege de telefonische storing heeft bureau SIRENE zaterdagnacht 27 februari de informatie per e-mail aan de betreffende afdeling gestuurd. Deze e-mail is op maandagochtend 29 februari gelezen door het team Contra-Terrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) die daarop de officier van justitie heeft geïnformeerd.
Nadat de officier van justitie over de melding was geïnformeerd, heeft deze een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd. Het EAB is in de middag van maandag 29 februari uitgestuurd, waarbij ook de signalering voor onopvallende controle werd omgezet in een signalering ter fine van aanhouding.
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse officier van justitie meldden dat terreurverdachte Martijn N. in Düsseldorf werd gesignaleerd en het moment dat dit bericht de Nederlandse officier van justitie bereikte?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat dit bericht de Nederlandse officier van justitie bereikte en het moment dat een Europees Arrestatiebevel werd uitgevaardigd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is die avond de bezetting op de dienstdoende afdeling van de officier van justitie geweest waar de melding is binnengekomen?
De melding vanuit Duitsland is in Nederland binnengekomen bij het bureau SIRENE, een onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie. Bureau SIRENE is 24 uur per dag, 7 dagen per week bezet om dergelijke meldingen te kunnen ontvangen of uit te sturen naar andere lidstaten. Ook op de bewuste avond was bureau SIRENE afdoende bezet, echter door een technische storing kon het bericht niet telefonisch worden doorgegeven aan de onderdelen van de politie die de urgentie van het bericht konden inschatten.
Wat is doorgaans de bezetting in de ochtend, middag, avond en nacht bij de dienst die met het ontvangen van dit soort meldingen belast is?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat dit soort diensten 24 uur per dag, 7 dagen per week optimaal bezet dienen te zijn om dit soort meldingen direct op te kunnen pakken en daarop te kunnen ageren? Zo ja, waarom is het bericht in dit geval te laat opgemerkt?
Zie antwoord vraag 4.
Welke acties zijn ondernomen vanaf het moment dat de terreurverdachte vanaf 27 februari 2016 uit het zicht van de autoriteiten verdween?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is op het moment dat de terreurverdachte vanaf 27 februari 2016 uit het zicht van de autoriteiten verdween niet direct een Europees Arrestatiebevel uitgevaardigd, maar pas nadat hij op 13 mei 2016 opnieuw op het vliegtuig naar Turkije was gestapt?
Nadat het bericht de officier van justitie op maandagochtend 29 februari 2016 had bereikt is op diezelfde dag een Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De signalering is omgezet in een signalering ter fine van aanhouding.
Ik kan in het belang van het strafrechtelijk onderzoek niet nader ingaan op de ingezette interventies in voorliggende casus.
Waarom is op het moment dat de terreurverdachte vanaf 27 februari 2016 uit het zicht van de autoriteiten verdween de signalering van betrokkene in SIS-II niet omgezet in een signalering ter fine van aanhouding?
Zie antwoord vraag 8.
Indien de mogelijkheden in vraag 7 en 8 niet zijn benut omwille van het verstoren van vervolging van betrokkene, op welke andere wijze is (internationaal) alarm geslagen op het moment dat de terreurverdachte van de radar was verdwenen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel gevallen zijn er momenteel bekend van tegengehouden uitreizigers of terugkeerders die zich buiten het zicht van de autoriteiten bevinden?
Er zijn mij op dit moment geen voorbeelden bekend van onderkende tegengehouden uitreizigers of terugkeerders die niet in beeld zijn van de diensten of het casusoverleg waar dat – op basis van hun risicoprofiel – wel zou moeten. Per individu wordt een inschatting gemaakt van het gevaar dat zij voor de samenleving kunnen vormen. Op basis van deze inschatting worden passende maatregelen genomen om betrokkene in zicht te houden en de dreiging die van betrokkene uit kan gaan te verminderen.
Het casusoverleg en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de opsporingsdiensten doen er alles aan om waar nodig, (potentiële) uitreizigers en terugkeerders in zicht te houden. Het is echter niet mogelijk om iedere terugkeerder 7 dagen per week 24 uur per dag te volgen.
De reactie van de minister op twee moties van het lid Klein |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kunt u nader aangeven waar precies in het, in uw brief met uw reactie op moties door u aangehaalde privacy reglement van de Gecertificeerde Instellingen, de richtlijn «Scheiden, Feiten en Meningen» te vinden is? Zo niet, kunt u aangeven waar deze richtlijn wel te vinden is?1
Jeugdzorg Nederland heeft een handreiking Privacyreglement Gecertificeerde Instelling met de bijlage «richtlijn Feiten volledig en naar waarheid aanvoeren» opgesteld. Het is aan de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering om de handreiking en de richtlijn al dan niet op hun sites te publiceren.
Bent u bereid deze richtlijn bij de beantwoording van deze vragen toe te voegen?
U vindt het reglement en de richtlijn op de website van Jeugdzorg Nederland (www.jeugdzorgnederland.nl).
Kunt u nader uitleggen op welke manier naar uw opvatting – al dan niet aan de hand van de bovengenoemde richtlijn – «in het dossier feiten en meningen goed terug te halen zijn», waardoor er volgens u «vervanging van de gezinsvoogd (ter zitting of elders) kan plaatsvinden zonder dat waarheidsvinding in het gedrang hoeft te komen»? Hoe zouden volgens u feiten en meningen goed terug te halen moeten zijn, casu quo hoe zouden volgens u feiten en meningen tijdens de behandeling van een zaak goed van elkaar gescheiden moeten worden? Kunt u hier een concrete methode voor schetsen?
Met de zinsnede dat «in het dossier feiten en meningen goed terug te halen zijn» doelde ik op het duidelijke onderscheid dat in rapportages moet worden gemaakt tussen feiten en meningen, zodat voor de lezer van het dossier helder is welke feiten worden gepresenteerd en wat het professioneel oordeel van de gezinsvoogd is. Ook voor een vervanger is daarmee duidelijk wat het oordeel van de gezinsvoogd is, en welke feiten daaraan ten grondslag liggen.
Kunt u de zinssnede «waarheidsvinding hoeft niet in het gedrang te komen» nader uitleggen? Wat bedoelt u hier precies mee? Is het niet eerder een kwestie dat waarheidsvinding niet in het gedrang mag komen? Kunt u aangeven of het acceptabel is dat waarheidsvinding mogelijkerwijs in het gedrang komt? Zo ja, hoezeer zou waarheidsvinding naar uw mening dan in het gedrang mogen komen? Zo nee, op welke manier waarborgt u deze waarheidsvinding dan?
Gecertificeerde instellingen zijn gehouden aan artikel 3.3 van de Jeugdwet dat hen verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Bij alle zaken doen de gecertificeerde instellingen feitenonderzoek en vormen zij zich op basis daarvan een professioneel oordeel. De rapportages en verzoekschriften moeten voldoen aan het vereiste dat feiten zo volledig en objectief mogelijk en naar waarheid worden aangevoerd.
De zinssnede «waarheidsvinding hoeft niet in het gedrang te komen» ziet op situaties waarin een gezinsvoogd vervangen moet worden, bijvoorbeeld bij ziekte of verlof. Van de vervanger wordt verwacht dat hij of zij zich op de hoogte stelt van de inhoud van de zaak, van het dossier en zich voorbereidt op eventuele vragen van de kinderrechter. Met deze manier van werken, waarbij in het dossier en de rapportages de feiten en meningen helder zijn onderscheiden, hoeft de overdracht geen belemmering te zijn en kan de kinderrechter zijn oordeel in een zaak baseren op de feiten zoals beschreven in het dossier en eventueel toegelicht ter zitting. Dat is de strekking van mijn opmerking.
Ik hecht er voorts aan te benadrukken, zoals ik ook eerder heb gedaan, en zoals ook de samenwerkende inspecties jeugd in het jaarbericht 2015 vermeldden, dat gezinsvoogden veelal in zeer complexe en conflictueuze situaties hun werk moeten doen. Als er hevige strijd is tussen ouders, dan is het soms onmogelijk om vast te stellen wat de «waarheid» is. Desondanks dienen de gecertificeerde instellingen onderzoek te doen dat hen in staat stelt de rechter een zo feitelijk mogelijk beeld te verschaffen van de veiligheid van het kind. De gezinsvoogd werkt daarbij op basis van de beroepscode, objectief en met zorgvuldig onderscheid tussen feiten en meningen en met toepassing van hoor en wederhoor. Daarop baseert een gezinsvoogd zijn professioneel oordeel over de situatie van een kind. Ter zitting is het vervolgens aan de rechter om de casus onafhankelijk te beoordelen. Een advocaat kan de rechter daarbij wijzen op eventuele inconsistenties in de rapportage.
In hoeverre is het volgens u ingewikkeld – zo niet eigenlijk onmogelijk – om een goed gefundeerd oordeel te geven over het vraagstuk of het ongewenst vaak voorkomt dat een gezingsvoogd vervangen wordt, wanneer men eigenlijk helemaal niet weet hoe vaak dit feitelijk voorkomt, zoals u in uw brief aangeeft?2
Het streven van de gecertificeerde instellingen is dat de eigen gezinsvoogd op zitting aanwezig is. In de uitvoeringspraktijk kan het gebeuren dat de eigen gezinsvoogd toch verhinderd is; denk aan verlof, ziekte, verhinderdata voor zittingen. De gecertificeerde instellingen verwachten hierin maximale flexibiliteit van hun professionals en dienen uiteraard zorg te dragen voor een goede interne overdracht bij vervanging. Wat daarbij helpt is een goed opgebouwd dossier, overeenkomstig bovengenoemde richtlijnen, zodat een overdracht zorgvuldig verloopt.
Vervanging ter zitting heeft geen invloed op de rapportage als zodanig; de manier waarop daarin de van belang zijnde feiten worden aangevoerd verandert niet door vervanging van de gezinsvoogd ter zitting. Mij bereiken overigens geen signalen (vanuit de rechtbank, cliëntenorganisaties en/of raad voor de kinderbescherming) dat er sprake zou zijn van veelvuldige wisseling van gezinsvoogden op zitting en dat dit ten koste zou gaan van de kwaliteit van rapportage en het feitenonderzoek.
Daarmee wil ik niet zeggen dat de rapportages altijd en overal goed op orde zijn, nog afgezien van het feit of de eigen gezinsvoogd nu wel of niet op zitting is. Zoals ik in mijn brief (Kamerstuk 31 839, nr. 510, april 2016) aangeef, zijn verbeterslagen op dit vlak nodig en die faciliteer ik. De kwaliteit van het werk is onderwerp van gesprek voor gemeenten en gecertificeerde instellingen en tevens punt van aandacht voor de inspecties. Cliëntenorganisaties organiseren in het voorjaar van 2017 een congres hierover in het gedwongen kader. Dat initiatief ondersteun ik.
Bent u bereid om de logica – de logische redenering casu quo gevolgtrekking – van de onderstaande twee zinnen van een nadere toelichting te voorzien: «Het is niet bekend hoe vaak het feitelijk voorkomt dat de eigen gezinsvoogd vervangen wordt.» en «Gelet op het bovenstaande zie ik geen aanleiding om te veronderstellen dat het vaak voorkomt dat de betrokken gezinsvoogd wordt vervangen.»?3 Kunt u nader toelichten op welke manier het feit dat het u onbekend is hoe vaak het voorkomt dat de eigen gezinsvoogd vervangen wordt, u in staat stelt te veronderstellen dat het niet vaak voorkomt? Kunt u toelichten hoe het mogelijk is dat wanneer je niet weet hoe vaak iets voorkomt, je tóch kunt poneren dat datgene volgens jou daadwerkelijk niet vaak voorkomt?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u nader uitleggen hoe het gegeven dat iets een uitgangspunt is – te weten de aanwezigheid van de eigen gezinsvoogd – ook één op één betekent dat de werkelijkheid in overeenstemming is met dit uitgangspunt? Kunt u zich voorstellen dat de wens die uit een uitgangspunt spreekt niet per definitie en automatisch betekent dat de werkelijkheid daarmee in overeenstemming is? Kunt u zich voorstellen dat hier een discrepantie in kan zitten? Zo ja, bent u bereid in het geval van een discrepantie deze op te heffen? Op welke termijn?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe vaak het feitelijk voorkomt dat de eigen gezinsvoogd vervangen wordt?
Nee. Daarover is geen informatie beschikbaar.
Kunt u nader uitleggen waarom in uw ogen de beëdiging van deskundigen, die in het verleden wettelijk was vastgelegd, niet meer dan «een formaliteit was die geen toegevoegde waarde had»? Kunt u aangeven welke juridische betekenis die eedaflegging destijds had? Welke consequenties waren er mogelijkerwijs aan verbonden wanneer men deze eed schond?
De vragen 9 tot en met 13 zien op de mogelijke toegevoegde waarde van de eedaflegging door gezinsvoogden ter zitting van de familierechter.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat destijds heeft geleid tot afschaffing van de eed in het familierecht (Kamerstuk, zitting 1981–1982, 17 444, nrs. 1–3, p.4 is aangegeven dat het afleggen van de eed geen nieuwe verplichtingen schept, maar een formele verklaring is dat de betrokkene zijn of haar reeds bestaande verplichtingen zal vervullen, dat de op meineed gestelde strafsanctie niet goed past binnen de sfeer van het optreden van voogden en toeziend voogden in burgerlijke zaken en dat de bestaande civielrechtelijke en strafrechtelijke sancties niet van de beëdiging afhankelijk zijn.
De afschaffing van de eedaflegging was destijds primair gestoeld op het feit dat deze geen meerwaarde vertegenwoordigde en niet op grond van het beslag dat daarmee werd gelegd op de schaarse zittingscapaciteit bij de rechter.
Ik onderschrijf deze afweging. Ook thans dient de vraag naar meerwaarde die de eedaflegging kan hebben voor de praktijk voorop te staan en niet het eventuele tijdsbeslag.
Kunt u toelichten of (en zo ja in hoeverre) deze eed voor deskundigen een vergelijkebare juridische betekenis heeft als de eed die bijvoorbeeld geldt voor volksvertegenwoordigers en advocaten? Waarom dienen volksvertegenwoordigers of advocaten nog wel een eed af te leggen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u – met het oog op de door u gemaakte opmerking in de brief dat de beëdiging als een tijdrovende aangelegenheid werd gezien – nader aangeven hoeveel tijd een dergelijk eedaflegging gemiddeld in beslag neemt?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u tevens aangeven door wie «de beëdiging voor de rechters als een tijdrovende aangelegenheid werd gezien»? Wie heeft uiteindelijk bepaald dat dergelijke beëdigingen tijdrovend waren, en met welke onderbouwing?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat, omdat een bepaalde maatregel tijdrovend zou zijn, deze maatregel vervolgens wordt afgeschaft? In hoeverre vindt u het wenselijk dat een maatregel die waarheidsvinding tijdens een rechtszaak moet bewaken – wat een fundamenteel onderdeel van de rechtsgang is – het aflegt tegenover een praktische overweging als tijdsbesparing? In hoeverre bent u van mening dat dit een juiste afweging van belangen is (geweest)? Kunt u nader beargumenteren in hoeverre de tijdsbesparing die momenteel gerealiseerd wordt door het niet afnemen van een eed, in verhouding staat met het doel om waarheidsvinding te stimuleren en te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom in uw ogen het afleggen van een eed niet nodig is om te garanderen dat professionals van de Raad en de Gecertificeerde Instellingen hun taken naar beste weten en onpartijdig invullen? Welke argumenten kunt u aanvoeren die onderstrepen dat scholing en professionalisering (het hanteren van een beroepscode) zonder enige twijfel zeker een beter resultaat in dit kader zullen opleveren dan het verplicht afleggen van een eed met de daarbij behorende consequenties in het geval men deze eed schendt? Kunt u nader toelichten wat deze beroepscode precies inhoudt en voorstelt? Welke juridische basis heeft deze code? Welke consequenties zijn er wanneer men zich niet aan deze code houdt?
Op 1 januari 2015 is met de Jeugdwet een geheel nieuw jeugdstelsel in werking getreden. In dit stelsel is op verschillende niveaus voorzien in waarborgen voor de kwaliteit van het functioneren van de jeugdprofessionals. In de eerste plaats moet een gemeente de jeugdbescherming laten uitvoeren door een instelling die daartoe is gecertificeerd. De certificering wordt uitgevoerd door het Keurmerkinstituut dat daartoe is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Deze certificering is geen eenmalige beoordeling, maar een continu proces waarbinnen het Keurmerkinstituut bij alle gecertificeerde instellingen periodieke audits uitvoert. Naast het toezicht vanuit de gemeente als opdrachtgever en de audits van het Keurmerkinstituut, houden de rijksinspecties ook toezicht.
In de tweede plaats wordt ook op het niveau van de professionals voorzien in de nodige waarborgen voor de kwaliteit. De Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet regelen dat bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen de gecertificeerde instellingen gebruik dienen te maken van bij de daartoe aangewezen Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerde professionals. De geregistreerde professionals dienen te voldoen aan de voor hen geldende beroepscode en komen te vallen onder het tuchtrecht.
Indien er klachten zijn over het optreden ter zitting van een gezinsvoogd, kan een betrokkene hierover een klacht indienen bij de gecertificeerde instelling. Daarnaast kan betrokkene ook een tuchtzaak tegen de gezinsvoogd aanhangig maken bij de onafhankelijke tuchtrechter van SKJ.
Voor een overzicht van de zaken die reeds door de tuchtrechter zijn behandeld verwijs ik naar de website van de SKJ: www.SKjeugd.nl.
Gelet op deze in het stelsel ingebouwde waarborgen voor de kwaliteit van het functioneren van de jeugdprofessionals, zie ik geen meerwaarde in het herinvoeren van de eedaflegging ter zitting.
In hoeverre is het tuchtrecht – met het oog op het feit dat deze procedure altijd achteraf plaatsvindt, wanneer het leed reeds geleden is – een passende, geschikte mogelijkheid, dit ook in het licht van het gegeven dat het probleem van onvoldoende waarheidsvinding juist ook van tevoren – vooraan – opgevangen kan worden door de eigen gezinsvoogd aanwezig te laten zijn tijdens zittingen en deze vervolgens aldaar een eed te laten afleggen?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven, schept de eedaflegging geen nieuwe verplichtingen, maar wordt hiermee alleen een extra sanctie mogelijk als sprake zou zijn van meineed. Ook bij meineed is sprake van een procedure achteraf. Ik zie in een extra strafrechtelijke sanctie wegens meineed onvoldoende meerwaarde naast de nu al bestaande tuchtrechtelijke maatregelen.
Daarnaast zijn de gecertificeerde instellingen op grond van het eerder genoemde normenkader verplicht om een risicoanalyse op de primaire processen uit te voeren en mede aan de hand daarvan hun primaire processen te evalueren en verbeteren. Tot deze primaire processen behoort ook het optreden van gezinsvoogden ter zitting. Indien sprake zou zijn van een incident waarbij een gezinsvoogd de rechter opzettelijk onjuist informeert, dan zal dit niet alleen consequenties hebben voor de betrokken gezinsvoogd, maar zal de gecertificeerde instelling dit ook registreren en analyseren en bezien of de eigen werkprocessen kunnen worden verbeterd.
Met het vorenstaande is mijns inziens sprake van een gedegen stelsel waarin voldoende waarborgen zijn opgenomen rond het functioneren van de gezinsvoogden. Ook is er op dit moment voorzien in voldoende sancties en correctiemechanismen om in individuele gevallen te kunnen ingrijpen.
Een onderzoek van CE Delft naar de vraag over hoe recht gedaan kan worden aan de Urgenda-rechtszaak |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over een onderzoek van CE Delft: Recht doen aan klimaatbeleid?1
De schriftelijke vragen van het lid Jan Vos (PvdA) aan de Minister van Economische Zaken over een onderzoek van CE Delft naar de vraag over hoe recht gedaan kan worden aan de Urgenda-rechtszaak, vraagnummer 2016Z16273, zijn beantwoord middels de brief «Reactie op vragen en verzoek inzake de Urgenda-zaak en CBS-cijfers over broeikasgasuitstoot» (Kamerstuk 32 813, nr. 123).
Klopt het dat voldaan kan worden aan de uitspraak van de rechter om op een kosteneffectieve manier in 2020 25% minder CO2 uit te stoten dan in 1990?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat daarvoor tenminste één of twee van de drie laatste kolencentrales gesloten zou moeten worden?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat als van deze sluiting afgezien zou worden, de maatschappelijke kosten veel hoger zouden worden?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de maatschappelijke kosten dan jaarlijks zo’n 400 tot 600 miljoen euro zouden bedragen en de kosten voor huishoudens dan met 50 tot 80 euro per jaar zouden stijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een appreciatie geven van dit onderzoek van CE Delft?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze appreciatie en het onderzoek betrekken bij uw spoedige besluitvorming over hoe voldaan gaat worden aan de Urgenda-rechtszaak en de sluiting van de laatste 5 kolencentrales?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat de verkoop van elektrische en hybride auto’s fors is afgenomen |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Verkoop auto’s met stekker zakt in»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht?
De verkoop van volledig elektrische auto’s in Nederland maakt al jaren een stabiele groei door. Wel loopt de verkoop van auto’s met een stekker terug ten opzichte van 2015. 2015 Was een jaar waarin er ten opzichte van 2014 een stijging van 95% in de verkoop van (semi-)elektrische auto’s was waar te nemen. Bij het antwoord op vraag 5 is de groeicurve elektrische auto’s tot en met augustus 2016 weergegeven. Eind 2014 was het totaal aantal elektrische auto’s 43.762, eind 2015 87.531 en eind augustus 2016 95.088.
Nederland staat op dit moment nog steeds in de top vijf van de wereldranglijst qua marktaandeel van (semi-)elektrische auto’s.
Deelt u de opvatting van de RAI Vereniging dat de terugloop in de verkoop van elektrische en hybride auto’s te wijten is aan de stijging van de bijtelling per 1 januari 2016? Zo ja, is dit het effect wat u heeft beoogd met de stijging van de bijtelling?
Vanwege het hogere praktijkverbruik van plug-in hybride auto’s (PHEV’s) is fiscaal stimuleren van deze voertuigen niet meer vergroenend. Het kabinet heeft er daarom – met instemming van het parlement – voor gekozen PHEV’s steeds meer als reguliere auto’s te behandelen. Om die reden is het bijtellingspercentage voor PHEV’s per 1 januari 2016 verhoogd van 7 naar 15. Dit is overigens nog altijd een stuk lager dan de bijtelling op conventionele zuinige auto’s, die met ingang van 1 januari van dit jaar 21% is geworden.
Daarnaast handhaaft het kabinet het lage bijtellingspercentage van 4 voor nulemissieauto’s tot en met 2020. Omdat het bijtellingspercentage voor nulemissieauto’s niet wijzigt, wordt het relatieve voordeel voor deze voertuigen versterkt. De groei van het aantal nieuwverkopen van volledig elektrische auto's is stabiel en zal naar verwachting – onder andere door deze relatieve versterking van de stimulering – de komende jaren toenemen.
Deelt u de mening dat de overheid de verkoop van elektrische en hybride auto’s juist moet stimuleren, conform de moties Jan Vos c.s. en Groot?2 3 Zo nee, waaraan wijt u het dan?
In Autobrief II heeft het kabinet vastgesteld dat vol inzetten op Europees bronbeleid niet alleen het meest effectief maar ook het meest efficiënt is om een reductie van CO2-uitstoot op het terrein van de personenmobiliteit en de transitie naar emissievrij rijden vorm te geven. Europese normen geven de grootste milieuwinst per euro en dwingen autofabrikanten een groter aandeel van hun wagenpark te hybridiseren dan wel te elektrificeren. Nederland zet in Europees verband daarom sterk in op het verder aanscherpen van deze emissienormen. Ook uit het IBO CO2 blijkt dat het reduceren van CO2-uitstoot via Europees bronbeleid vele malen kosteneffectiever is dan bijvoorbeeld het fiscaal stimuleren van nulemissievoertuigen.
Dat neemt niet weg dat het te verdedigen is om bepaalde technologische innovaties aanvullend nationaal te stimuleren. De innovaties krijgen hierdoor meer tijd zich te ontwikkelen tot alledaagse technieken. Hierbij kan worden gedacht aan de verbetering van accu’s of de verbetering van de laadinfrastructuur. Fabrikanten hebben voldoende tijd nodig voor de benodigde technologische en om organisatorische ontwikkelingen vorm te geven. Ook de consument heeft tijd nodig om de nieuwe technieken te adapteren.
In de brieven als antwoord op de moties Vos c.s. respectievelijk Groot (Kamerstuk 33 043, nr. 68 en Kamerstuk 32 800, nr. 43) heb ik aangegeven dat ik stevige ambities heb op het terrein van elektrisch vervoer, in lijn met het Energieakkoord. Deze ambities zijn tevens opgenomen in de Green Deal Elektrisch Vervoer 2016–2020 die ik samen met partijen uit het Formule E-Team in april van dit jaar heb getekend en ook naar uw Kamer heb gezonden. Ik heb in de brief van 6 juni 2016 (Kamerstuk 32 800, nr. 43) met betrekking tot motie Groot aangegeven dat ik uw Kamer in het najaar verder informeer over de uitvoering van deze motie.
Ten slotte is uit metingen gebleken dat bij PHEV’s met een dieselmotor, als deze voertuigen daadwerkelijk rijden op deze dieselmotor, sprake is van hoge emissies van stikstofoxiden. Uw Kamer is daarover eerder geïnformeerd (Kamerstuk 30 175, nr. 220 en Kamerstuk 31 209, nr. 173). Het aanvullend stimuleren van deze categorie voertuigen is daarom niet op zijn plaats.
Is er een verschil in de ontwikkeling van de verkoop van volledig elektrische auto’s en hybride auto’s? Zo ja, hoe kan dit verschil worden verklaard?
Onderstaand is de ontwikkeling van het aantal elektrische voertuigen in Nederland grafisch weergegeven. Het betreft hier de registratiecijfers, op basis van de gegevens van de RDW. In de grafiek is te zien dat volledige elektrische voertuigen (oranje) een stabiele groei doormaken. Het aantal PHEV’s is in de periode 2013 t/m 2015 flink gestegen, met een piek eind 2015.
Vanaf 2016 is de groei van het aantal PHEV’s een stuk lager en volgt ongeveer de groeilijn van volledig elektrische voertuigen.
Het verschil in groei van PHEV’s tussen 2015 en 2016 kan – zoals in antwoord 3 is beschreven – deels worden verklaard aan de hand van wijzigingen in de autogerelateerde belastingen per 1 januari 2016.
Hoe verklaart u het feit dat de verkoop van auto’s met een stekker in de rest van de Europese Unie wel stijgt?
De verkoop van elektrische personenauto’s stijgt niet overal in de Europese Unie. Gemiddeld genomen over de hele EU is in juli 2016 het aantal nieuwregistraties van elektrische personenauto’s met 11% afgenomen ten opzichte van juli 2015. Van de 28 EU-landen is het aantal nieuwregistraties van elektrische personenvoertuigen in Oostenrijk, België, Estland, Finland, Ierland, Roemenië, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk (enigszins) gestegen ten opzichte van juli 2015, in alle overige landen is het aantal nieuwregistraties gedaald over dezelfde periode (bron: http://www.eafo.eu/eu).
In sommige van deze landen bestaan (niet)financiële stimuleringsmaatregelen voor elektrische voertuigen, zie ook het antwoord op vraag 7. Stimuleringsmaatregelen leiden echter niet altijd tot een verhoging van de nieuwverkopen van elektrische voertuigen. Andere aspecten spelen ook een rol in de afweging van de individuele autokoper (zowel zakelijk als particulier), zoals het effect van de specifieke financiële maatregelen op de Total Cost of Ownership 4in een specifiek land of een specifieke situatie en het aantal beschikbare (snel)laadpalen in een land.
Kunt u inzicht geven in de (stimulerings)maatregelen in naburige EU-lidstaten die klaarblijkelijk niet tot effect hebben dat de verkoop verlaagt maar in veel gevallen de verkoop juist verhogen? Zo nee, waarom niet?
Een aantal Europese landen geeft financiële en niet-financiële prikkels om de aanschaf van een elektrische auto te stimuleren. Zoals uit het antwoord op vraag 6 blijkt, verschillen de ontwikkelingen en omstandigheden per land sterk. Ook conjuncturele ontwikkelingen kunnen hierbij een grote rol spelen. Een vergelijking met andere landen is om die reden niet één op één te maken.
Sommige landen geven een voordeel in de motorrijtuigenbelasting (MRB), variërend van een (in tijd beperkte) korting (bijvoorbeeld Duitsland) tot een volledige vrijstelling (Noorwegen en Nederland). Ook kennen veel landen een financiële stimulans bij aankoop. Landen met een hoge BPM (Denemarken, Nederland en Noorwegen) kiezen doorgaans voor een vrijstelling van BPM. Landen zonder of met een lage BPM kiezen doorgaans voor een stimulans in de vorm van een aankoopsubsidie (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België, Frankrijk). Beide instrumenten dragen bij aan de verbetering van de Total Cost of Ownership van elektrische auto's. Noorwegen kent een vrijstelling van btw voor de aankoop van volledige elektrische voertuigen. Volgens de mij beschikbare informatie is Noorwegen bezig dit instrument uit te faseren. Deze financiële stimulans is binnen de Europese Unie niet toegestaan op basis van de Europese btw-regels.
Deelt u de mening dat het stimuleren van elektrisch vervoer bijdraagt aan zowel het halen van de klimaatdoelstellingen met betrekking tot CO2 als aan het gezonder maken van de lucht voor mensen in onder andere steden en woonachtig langs knelpunten op snelwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt zich deze terugloop van het aantal verkochte schone auto’s met het halen van de voor Nederland geldende klimaatdoelstellingen met betrekking tot CO2 en tot de doelstellingen uit het Energieakkoord? Deelt u de mening dat verschoning van het Nederlandse wagenpark hier een substantiële bijdrage aan kan leveren?
Zoals op 10 juli 2015 aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 30 196, nr. 353), wordt in het kader van afspraken uit het Energieakkoord waar mogelijk ingezet op het overschakelen op elektrische aandrijflijnen, waarbij uitlaatgassen vrij zijn van stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en van CO2. Een dergelijke overgang kost tijd. Op de korte termijn mag een relatief beperkte bijdrage worden verwacht van de verkoop van elektrische voertuigen aan het halen van de klimaatdoelstellingen en de verbetering van de luchtkwaliteit in heel Nederland.
Daarom zet het kabinet er zich tevens voor in om door Europees bronbeleid conventionele voertuigen met een verbrandingsmotor schoner en zuiniger te maken. Door de invoering van de Real Driving Emissions testprocedure, waarbij voertuigen voor de typekeuring met mobiele apparatuur op de weg worden gemeten, moet bij deze auto’s de uitstoot van schadelijke stikstofoxiden de komende jaren worden teruggedrongen. Het vaststellen van een Europese CO2-norm voor personenauto’s voor de periode na 2021 stimuleert bovendien om personenauto’s zuiniger te maken.
Hoe verhoudt zich voorts deze terugloop van het aantal verkochte auto’s met het behalen van de door de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) als «gezond» aangemerkte luchtkwaliteitsniveaus in heel Nederland? Deelt u de mening dat verschoning van het Nederlandse wagenpark hier een substantiële bijdrage aan kan leveren?
Zie antwoord vraag 9.
Is dit bericht reden voor u om staand beleid aan te passen of nieuw beleid te initiëren? Zo ja, hoe zal dit eruit zien? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dit tot de eerder genoemde moties?
Zoals is aangegeven bij het antwoord op vraag 4, heb ik uw Kamer eerder dit jaar geïnformeerd over de stevige ambities van dit kabinet op het terrein van volledig elektrisch rijden. Met de Wet uitwerking Autobrief II zet het kabinet vol in op Europees bronbeleid en daarnaast op het stimuleren van nulemissieauto’s. In het najaar zal ik uw Kamer nader informeren over de verdere uitwerking van de motie Groot, die het kabinet verzoekt om met het Formule E-Team een gezamenlijk plan op te stellen om elektrisch rijden voor particulieren bereikbaar en aantrekkelijk te maken, en daarbij in het bijzonder ook aandacht te geven aan de opbouw van voldoende oplaadinfrastructuur en een visie op de laadinfrastructuur op te stellen.
De concept-beleidsregel “Veilig stellen geldmiddelen betaalinstellingen en elektronische geldinstellingen” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Bent u bekend met de concept-beleidsregel «Veilig stellen geldmiddelen betaalinstellingen en elektronische geldinstellingen» van De Nederlandsche Bank die 8 juli 2016 is gepubliceerd voor consultatie? Bent u bekend met de kritiek van de FinTech-sector op deze concept-beleidsregel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vindt u van deze kritiek?
De conceptbeleidsregel heeft als doel te verduidelijken op welke wijze marktpartijen kunnen voldoen aan het wettelijk vereiste dat geldmiddelen van betaaldienstgebruikers en andere betaaldienstverleners worden zeker gesteld. Dit doet DNB door uit te werken onder welke voorwaarden naar het oordeel van DNB de in de markt gangbare praktijk van het zeker stellen van de geldmiddelen – namelijk door middel van een bewaarinstelling – in ieder geval voldoet aan de wettelijke vereisten. Hiermee sluit DNB overigens een andere manier van het zeker stellen van de geldmiddelen niet uit. Het blijft partijen vrijstaan om ook op alternatieve wijzen te voldoen aan de wettelijke vereisten. De conceptbeleidsregel staat de eerder uitgezette lijn voor het stimuleren van FinTech, meer innovatie, meer nieuwe toetreders en meer concurrentie dan ook niet in de weg. Ik heb daarnaast van DNB begrepen dat de kritiek van de FinTech sector zich richt op de bepaling in artikel 2.1 sub c van de beleidsregel, die stelt dat er geen sprake mag zijn van belangenverstrengeling als gevolg van een combinatie van functies. Dit wordt door de sector thans zo geïnterpreteerd dat personen die werkzaam zijn bij de bewaarinstelling niet tevens werkzaam mogen zijn bij de gelieerde betaalinstelling. Dat is niet door DNB bedoeld. Bedoeld is een scheiding te bewerkstelligen tussen bestuur, operational finance en group finance: een betaalinstelling mag geen gelden van cliënten voor eigen rekening gebruiken. DNB heeft aangegeven naar aanleiding van de consultatiereacties de betreffende bepaling in de conceptbeleidsregel te verduidelijken.
Hoe past deze concept-beleidsregel in de eerder uitgezette lijn voor het stimuleren van FinTech, meer innovatie, meer nieuwe toetreders en meer concurrentie? In hoeverre en hoe heeft DNB daar rekening mee gehouden bij de voorgestelde beleidsregels?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beïnvloeden de voorgestelde regels de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven? Welke invloed hebben de voorgestelde regels op het gelijke speelveld in Europa? In hoeverre vallen Europese bedrijven die in Nederland opereren op basis van een Europees paspoort onder deze beleidsregels? Waar verschillen de voorgestelde regels met de regels die in andere Europese landen worden gehanteerd op dit punt? Waarom wordt hiervoor gekozen?
De beleidsregel is nog een concept. Van DNB heb ik begrepen dat de input van de sector voor de totstandkoming ervan belangrijk is. Een beleidsregel is geen algemeen verbindend voorschrift, maar werkt een wettelijke bevoegdheid uit en bindt het bestuursorgaan zelf. Daarbij blijft het mogelijk om te kiezen voor andere varianten om te voldoen aan het wettelijk vereiste dat geldmiddelen van betaaldienstgebruikers en andere betaaldienstverleners worden zeker gesteld. De voorgestelde beleidsregels tasten de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven derhalve niet aan.
Ten aanzien van uw vragen inzake het Europese speelveld, kan ik u mededelen dat het vereiste dat geldmiddelen van betaaldienstgebruikers en van andere betaaldienstverleners zeker moeten worden gesteld, voortvloeit uit Europees recht.1 Dit vereiste geldt derhalve niet uitsluitend voor Nederlandse betaalinstellingen, maar ook voor betaalinstellingen en betaaldienstverleners met een zetel elders in Europa (en de Europese Economische Ruimte). Het ligt daarom niet voor de hand dat de conceptbeleidsregel invloed heeft op het gelijke speelveld in Europa.
De beleidsregel ziet in beginsel niet op Europese bedrijven die in Nederland opereren, omdat zij het recht hebben betaaldiensten te verrichten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het vrij verrichten van diensten, waarbij zij zich dienen te houden aan de voor betaaldienstverleners in hun lidstaat van herkomst geldende regels. Het bepaalde ingevolge artikel 3:392 van de Wet op het financieel toezicht is dus niet op deze betaaldienstverleners van toepassing.
In hoeverre belemmeren de regels de internationale expansie binnen en buiten de EU? In hoeverre zorgen deze regels ervoor dat de Nederlandse sector klein en lokaal wordt gehouden?
Een beleidsregel is, gelet op het bepaalde in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, een bij besluit vastgestelde algemene regel omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of, zoals in de onderhavige situatie, de uitleg of interpretatie van wettelijke voorschriften. De verplichting om gelden veilig te stellen volgt uit het Besluit prudentiële regels; de conceptbeleidsregel operationaliseert deze eisen slechts.
De conceptbeleidsregel van DNB sluit daarmee aan bij de in de markt gangbare praktijken. Van DNB heb ik begrepen dat de conceptbeleidsregel zowel binnen als buiten de Europese Unie geen belemmering zal vormen voor internationale expansie.
Hoeveel nemen de kosten van bedrijven extra toe door de voorgestelde beleidsregels (zowel voor de grote en kleine bedrijven)? In hoeverre zorgen de extra maatregelen voor een toename van de complexiteit? Waarom worden de beleidsregels proportioneel geacht (ook voor kleine bedrijven)?
Het is moeilijk om op dit moment een schatting te maken van de kosten, omdat DNB nog nader vorm geeft aan de inhoud van de beleidsregel en in dat kader uiteraard ook de eventuele kosten zal laten meewegen. DNB heeft mij laten weten dat het uitgangspunt is dat toepassing van de beleidsregel niet tot extra kosten leidt wanneer betaalinstellingen de in de markt gangbare praktijken toepassen.
De functie en doelstelling van een beleidsregel is juist om duidelijkheid te bieden; om daarmee de complexiteit van regelgeving te doen afnemen.
Is het u en DNB bekend dat er alternatieve mogelijkheden zijn die minder kosten, complexiteit en risico’s hebben en ook het doel kunnen bereiken van deugdelijk en veilig beheer van derdengelden met het oog op een stabiel en betrouwbaar betalingsverkeer, zoals de invoering van een kwaliteitsrekening (ook benoemd in de wetgevingsbrief DNB) of het vrijwaren van vorderingen op betaalinstellingen? Waarom worden deze dan niet gekozen? Zijn u en DNB bereid te kijken naar minder belastende alternatieven die ook kunnen zorgen voor een deugdelijk en veilig beheer van derdengelden? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat het instellen van een separate bewaarinstelling één van de mogelijkheden is om te voldoen aan het wettelijk vereiste om geldmiddelen van betaaldienstgebruikers en andere betaaldienstverleners veilig te stellen. Dit is door DNB bepleit in haar wetgevingsbrief van 28 juni 2016. Hierin wordt de alternatieve mogelijkheid genoemd om een wettelijke kwaliteitsrekening in te voeren.
Zoals gesteld in mijn reactie op de wetgevingswensen van DNB en AFM in 2016 heb ik aangegeven de mogelijkheden tot het invoeren van een wettelijke kwaliteitsrekening te gaan bestuderen. Er zijn op dit moment onvoldoende gegevens voorhanden of de invoering van een kwaliteitsrekening een minder belastend alternatief zou zijn. Overigens zou ook de invoering van een wettelijke kwaliteitsrekening de toepassing van een adequate functiescheiding gericht op het voorkomen van belangenverstrengeling onverlet laten.
Wat is de rol van het Ministerie van Financiën ten aanzien van deze concept-beleidsregels?
DNB is een zelfstandig bestuursorgaan (zbo)2 en voert in die hoedanigheid haar taken en bevoegdheden zelfstandig en onafhankelijk van de Minister uit. Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, is DNB als bestuursorgaan bevoegd om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheden.
Ik heb als Minister geen formele bevoegdheid ten aanzien van de totstandkoming en inhoud van deze beleidsregels.
Wanneer wordt bekend wat de definitieve beleidsregels gaan worden? Hoe en wanneer kan de Tweede Kamer over de inbreng in de consultatieronde en de eventuele definitieve beleidsregels en aanpassingen geïnformeerd worden?
DNB heeft mij laten weten de consultatiereacties te verwerken en in de toelichting in te gaan op de onderwerpen die in de consultatieronde zijn ingebracht.
Fraude met hulpgoederen voor Syrische vluchtelingen |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Bent u bekend met de berichten over fraude met hulpgoederen voor Syrische vluchtelingen zoals beschreven in The Washington Post en het AD?1 2
Ja.
Kunt u iets zeggen over de mogelijke omvang van de fraude in de keten bij de Nederlandse non-gouvernementele organisaties? Komt deze fraude alleen bij Stichting Vluchteling en Save the Children voor of naar verwachting ook bij andere Nederlandse organisaties?
Op basis van de beschikbare informatie lijkt het te gaan over kartelvorming en modificaties van de kwaliteit van de goederen door bedrijven in Turkije. De omvang van de fraude is niet bekend. Het onderzoek dat dit moet uitwijzen loopt nog. Het onderzoek zal, naar verwachting, vast kunnen stellen hoe groot het bedrag is waarmee is gefraudeerd. Daarvoor moet worden berekend hoeveel teveel is betaald voor lagere kwaliteit goederen of door prijsafspraken tussen leveranciers. De fraude zal in elk geval slechts een deel zijn van het totale bedrag dat de hulporganisaties hebben ingezet voor grensoverschrijdende hulp. Naast Stichting Vluchteling en Save the Children hebben geen andere Nederlandse hulporganisaties fraude gemeld.
Hoe hebben de Nederlandse organisaties tot nu toe gehandeld naar aanleiding van de signalen over fraude? Bestaan hier protocollen voor bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en zo ja, zijn deze gevolgd? Zo nee, overweegt u hier een protocol voor op te stellen?
De twee betreffende Nederlandse organisaties, Stichting Vluchteling en Save the Children, hebben het Ministerie van Buitenlandse Zaken onmiddellijk geïnformeerd toen zij over serieuze aanwijzingen van fraude beschikten. De organisaties hebben vervolgens onderzoeken gestart naar de aanwijzingen. Stichting Vluchteling en Save the Children hebben direct maatregelen genomen om de fraude te bestrijden. Er is personeel op non-actief gezet en aankoop- en controleprocedures zijn aangescherpt.
Het ministerie hanteert strakke interne en externe controlesystemen bij de uitvoering van activiteiten door de hulporganisaties. Dit gebeurt onder toezicht van de Accountants Dienst rijksoverheid (ADR). Indien uit deze controle blijkt dat Nederlandse middelen betrokken zijn bij bewezen fraude dan worden deze, conform het zero-tolerance beleid, gekort op de bijdragen.
Kunt u toelichten of de conclusies van de onderzoeken die de organisaties zelf hebben ingesteld naar de vermeende fraude, voldoende kunnen zijn om over te gaan tot het eventueel terugvorderen van subsidies? Bent u betrokken bij het waarborgen van de onafhankelijkheid van deze onderzoeken en/of heeft u overwogen zelf een onderzoek in te stellen naar mogelijke fraude bij deze en/of andere organisaties?
De organisaties hebben tot dusverre een grote mate van openheid getoond ten aanzien van de vermoedens tot fraude. Het kabinet ziet tot nu toe geen aanleiding voor het instellen van een eigen onderzoek. Nederland werkt al jarenlang samen met de getroffen hulporganisaties en heeft vertrouwen in het goed functioneren van deze organisaties. De humanitaire organisaties waar mee samengewerkt wordt, zijn verplicht een Framework Partnership Agreement met European Civil Protection andHumanitarianAid Operations (ECHO) van de Europese Commissie te hebben als certificaat van de kwaliteit van hun werk. Het kabinet is tevens in contact met andere donoren die bij deze casus betrokken zijn. Hiernaast wordt de kwaliteit van het onderzoek zoals uitgevoerd door de hulporganisaties kritisch bekeken.
Naast Nederlandse organisaties is in ieder geval ook USAID getroffen door deze fraude; zijn er andere organisaties die Nederland financiert, bijvoorbeeld VN-organisaties, die ook getroffen zijn of waarvan redelijkerwijs het vermoeden kan bestaan dat deze getroffen zijn? Zo ja, hoe wordt deze mogelijke fraude onderzocht?
Het onderzoek van USAID is nog niet afgerond. Betrokken partners van Nederland hebben eigen onafhankelijke onderzoeken ingesteld. Ook die lopen nog. Het kabinet heeft geen indicatie dat andere door Nederland gefinancierde organisaties geraakt zijn door de fraude. Het kabinet handelt naar aanleiding van de uitkomsten van de lopende onderzoeken, volgens de bestaande protocollen zoals beschreven in antwoord op vraag 3. Mocht blijken dat andere organisaties die Nederland financiert betrokken zijn, dan zal het kabinet de Kamer daarover informeren.
Bent u bereid de Kamer in het vervolg proactief te informeren wanneer u signalen ontvangt over dergelijke situaties?
Het melden van alle bewezen fraude geschiedt via het departementaal jaarverslag dat uw Kamer toekomt. Wanneer er nog geen bewijs voorhanden is, maar het vermoeden bestaat dat er sprake is van omvangrijke fraude zal het kabinet de Kamer hierover vertrouwelijk informeren.
Bent u bereid de Kamer tijdig te informeren over de conclusies van alle onderzoeken naar fraude met hulpgoederen en uw reactie hierop?
Ja.
Het bericht ‘Basisscholen moeten ouderbijdrage beperken' |
|
Joyce Vermue (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Basisscholen moeten ouderbijdrage beperken»?1
Ja.
Heeft u zicht op de bedragen die scholen aan ouders vragen als vrijwillige bijdrage? Herkent u het probleem dat deze bedragen in sommige gevallen dusdanig hoog zijn dat dit ouders afschrikt om een bepaalde school te kiezen?
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft in 2014 onderzoek gedaan naar de gemiddelde ouderbijdrage. Uit dit onderzoek bleek dat driekwart van de basisscholen een vrijwillige ouderbijdrage vraagt van minder dan 50 euro. Het aantal scholen dat meer dan 100 euro bijdrage vroeg, bedroeg 3 procent.
Scholen kunnen ouders niet verplichten de ouderbijdrage te betalen. De bijdrage is altijd vrijwillig. Uit het genoemde onderzoek van de inspectie blijkt dat vrijwel alle scholen dit ook duidelijk vermelden in de schoolgids (94 procent). Wanneer de school zich niet houdt aan de regelgeving met betrekking tot de ouderbijdrage, kan de inspectie de bekostiging van een school gedeeltelijk of geheel opschorten of inhouden. Met enige regelmaat treedt de inspectie handhavend op bij scholen die niet duidelijk zijn over het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage. Het is de laatste jaren echter nooit tot een sanctie gekomen, omdat scholen na een waarschuwing van de inspectie hun beleid aanpassen. De vrijwillige bijdrage zou voor ouders dus geen belemmering mogen vormen bij de schoolkeuze.
Deelt u de mening dat het niet betalen van de vrijwillige bijdrage geen onwil maar veelal onmacht van ouders is?
Voorop staat dat de ouderbijdrage altijd een vrijwillig karakter heeft. Ouders hoeven geen reden op te geven waarom ze de bijdrage wel of niet betalen. De vrijwilligheid van de ouderbijdragen is belangrijk omdat alle kinderen recht hebben op onderwijs, los van de financiële situatie van de ouders.
Herkent u het probleem dat kinderen worden buitengesloten van extra activiteiten omdat ouders niet in staat zijn de eigen bijdrage te betalen? Is het toegestaan dat scholen kinderen buitensluiten van extra activiteiten? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat juist voor kinderen uit mindervermogende gezinnen de sociale activiteiten extra belangrijk zijn?
Alle basisschoolleerlingen moeten aan alle verplichte onderdelen van het onderwijsprogramma kunnen meedoen. Ook als de ouder geen ouderbijdrage heeft betaald. De ouderbijdrage mag daarin dus geen belemmerende factor zijn. Alleen bij activiteiten die geen onderdeel zijn van het reguliere lesprogramma maar wel onder schooltijd plaatsvinden, kan er sprake van zijn dat leerlingen niet deelnemen. De school is dan wel verplicht een kosteloos alternatief te bieden.
Het is van belang dat kinderen op alle terreinen mee kunnen doen. Sociaal, met sport, cultuur en op school. Daarom heeft het kabinet aangekondigd elk jaar 100 miljoen euro extra beschikbaar te stellen om álle kinderen kansen te geven.2 Om er zeker van te zijn dat het geld terecht komt bij de kinderen, worden kinderen in natura geholpen, bijvoorbeeld met schoolreisjes, schooljudo, zwemlessen, voetbalschoenen of een fiets.3
Deelt u de mening dat scholen gelijkheid tussen kinderen moeten waarborgen ongeacht de financiële situatie van hun ouders?
Ja. Daarom kunnen alle basisschoolleerlingen aan alle verplichte onderdelen van het onderwijsprogramma meedoen, ongeacht of ouders de vrijwillige ouderbijdrage betalen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat scholen druk uitvoeren om ouders ertoe te zetten de eigen bijdrage te betalen, terwijl deze bijdrage vrijwillig is?
Ja. Zie verder ook vraag 7.
Deelt u de mening dat de huidige maatregelen zoals het vermelden van de vrijwilligheid van de eigen bijdrage in de schoolgids onvoldoende zijn om de morele druk op ouders tegen te gaan? Zo ja, bent u bereid met scholen in gesprek te gaan over dit probleem? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 kan de inspectie de bekostiging van een school gedeeltelijk of geheel opschorten of inhouden, wanneer de school zich niet houdt aan de regelgeving met betrekking tot de ouderbijdrage. Met enige regelmaat treedt de inspectie handhavend op bij scholen die niet duidelijk zijn over het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage. Het is de laatste jaren echter nooit tot een sanctie gekomen, omdat scholen na een waarschuwing van de inspectie hun beleid aanpassen.
Deelt u de mening dat in iedere brief over de ouderbijdrage de vrijwilligheid benadrukt moet worden?
Zoals gezegd kunnen scholen ouders niet verplichten tot het betalen van de ouderbijdrage. Elke bijdrage is vrijwillig. Uit het genoemde onderzoek van de inspectie blijkt dat vrijwel alle scholen dit al duidelijk vermelden in de schoolgids (94 procent). Ook bij andere vormen van communicatie moet dit vrijwillige karakter duidelijk zijn.
Welke mogelijkheden hebben scholen zelf om ouders te ondersteunen in de betaling van de eigen bijdrage? Welke alternatieven zijn er voor ouders beschikbaar om ondersteuning aan te vragen?
Wanneer er sprake is van extra activiteiten die buiten het voor de leerlingen voorgeschreven onderwijsprogramma vallen, kunnen ouders kiezen of hun kind hier wel of niet aan deelneemt. Als ouders de ouderbijdrage voor deze activiteit(en) niet kunnen betalen, kunnen ze hierover in gesprek gaan met de school om samen tot een passende oplossing te komen. Veel scholen treffen een speciale voorziening voor deze ouders, of scholen verwijzen door naar andere instanties die voorzieningen treffen voor (minder draagkrachtige) ouders met schoolgaande kinderen.
Welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om scholen te motiveren ouders actief te wijzen op de mogelijkheden om ondersteuning te krijgen bij de betaling van de eigen bijdrage? Hoe gaat u scholen erop wijzen dat de vrijwillige bijdrage ondergeschikt moet zijn aan het meedoen en dus het ontwikkelen van het kind?
De voorlichting aan ouders over de ouderbijdrage is in de eerste plaats een aangelegenheid van de school zelf. De ouders in de medezeggenschapsraad (MR) moeten instemmen met besluiten over de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouderbijdrage. De school is wettelijk verplicht om alle ouders hierover te informeren via de schoolgids. Scholen kunnen ouders via de schoolgids of de website van de school eventueel ook wijzen op (gemeentelijke) voorzieningen waarop ouders een beroep kunnen doen. Op de website van de inspectie en op rijksoverheid.nl is heldere informatie beschikbaar over de vrijwillige ouderbijdragen in het primair onderwijs. In de (digitale) Nieuwsbrief Primair Onderwijs van OCW wordt met enige regelmaat aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheden van de MR, ook als het gaat om het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage.
Signalen misstanden in de illegale prostitutie |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Honderden sekswerkers illegaal actief in Gelderland en Overijssel»?1
Ja.
Kent u het rapport van het Prostitutie Controle Team (PCT) van de politie over prostitutie in Oost-Nederland? Zo ja, kunt u dit ter informatie aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Er is geen sprake van een rapport van het Prostitutie Controle Team (PCT). Er is slechts een interne memo met een kort overzicht die uitsluitend resultaten bevat van controles van het PCT in de eenheid Oost-Nederland.
Is het waar dat er dagelijks 1.000 mensen in de regio Oost-Nederland betaalde seks aanbieden zonder dat zij daarvoor een vergunning hebben? Zo ja, wat is volgens u de oorzaak en deelt u de mening dat dit een schrikbarend hoog aantal is? Zo nee, waarom is dit niet waar?
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het aantal mensen dat seks aanbiedt zonder een vergunning of met een vergunning. Het niet hebben van een vergunning voor het aanbieden van seksuele diensten is niet in elk geval illegaal. Ik merk op dat prostitutie in beginsel legaal is, mits de personen die seks aanbieden tegen betaling de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, hiertoe niet gedwongen worden of uitgebuit, en afkomstig zijn binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Veel zelfstandige prostituees (met en zonder vergunning) gebruiken vooral internet voor de werving van klanten, zowel via advertenties als via chatfuncties op websites. Onderzoekers constateren overigens in het onderzoek «verboden in beeld» dat het aanbod op internet veel groter lijkt dan het in werkelijkheid is.2
Deelt u de mening dat om misstanden in de prostitutie te voorkomen het hebben van een vergunning en het controleren daarop van groot belang zijn? Zo ja, waarom en hoe vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet?
Een vergunning is bedoeld om toestemming te verkrijgen voor het uitvoeren van een bepaalde activiteit. De activiteit prostitutie is in ons land een legale activiteit. Om misstanden in de branche te voorkomen is het van belang te controleren op misstanden zelf. De belastingdienst, politie, het Openbaar Ministerie (OM) en gemeenten hebben ieder hun rol in de aanpak van deze problematiek.
Deelt u de mening van de genoemde expert mensenhandel dat «het zo klaar als een klontje [is] dat de markt zich verplaatst naar het illegale circuit»? Zo ja, acht ook u dit zeer zorgelijk en wat gaat u doen om deze tendens te keren? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Er is al een aantal jaren een dalende trend in traditionele vormen van prostitutiebedrijven, zoals seksclubs en privéhuizen. Flexibele vormen, waarin meer zelfstandig werkende prostituees hun klanten werven via internet en sociale media, nemen toe. Deze trend is niet uniek voor de prostitutiebranche, maar ligt in lijn met de toename van de verkoop van producten en diensten via internet en de groei van het aantal zogenaamde zzp-ers (zelfstandige zonder personeel) in andere branches in Nederland. Naar verwachting zal deze trend de komende jaren doorzetten. Dat de markt zich verplaatst naar deze vorm van prostitutie hoeft geen reden tot zorg te zijn. Dat ligt vanzelfsprekend anders als de markt zich zou verplaatsen naar vormen van illegale prostitutie waarbij prostituees worden uitgebuit, onder de 18 zijn of afkomstig zijn uit landen buiten de EER.
Is het controleren op illegale prostitutie door Prostitutie Controle Teams landelijk ingevoerd? Hoeveel van deze teams bestaan er en in welke regio’s? Wat zijn de uitkomsten van de onderzoeken van deze teams?
Elke regionale politie eenheid heeft een team dat zich bezig houdt met misstanden in de prostitutie en waar prostitutiecontroles worden uitgevoerd. Controles kunnen leiden tot signalen van mensenhandel of tot een opsporingsonderzoek. Personen van wie het vermoeden bestaat dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel, worden onder de aandacht gebracht van een politieteam dat zich bezighoudt met mensenhandel.
In hoeverre kan de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (WRP) vanaf het moment dat die in werking is getreden bijdragen aan het verminderen van illegale prostitutie en genoemde misstanden?
De Wrp zorgt voor een landelijk uniform vergunningstelsel voor seks- en prostitutiebedrijven. Zelfstandig werkende prostituees worden na inwerkingtreding van deze wet niet vergunningplichtig. De regels van de Wrp zullen de situatie en gedragingen in de branche helder en uniform reguleren, waardoor misstanden beter en effectiever aangepakt kunnen worden.
De gevolgen van het Turkse conflict voor Nederlandse scholen |
|
Jasper van Dijk , Rik Grashoff (GL), Paul van Meenen (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Beschikt u over informatie over het aantal uitschrijvingen op scholen naar aanleiding van het Turkse conflict tussen Erdogan- en Gülenaanhangers? Zo ja, hoeveel zijn uitschrijvingen zijn er?
Ja. OCW heeft hierover nauw contact onderhouden met de betrokken gemeenten en de schoolbesturen. Op dit moment zijn er circa 600 kinderen, verdeeld over de gemeenten Zaandam, Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Arnhem, die van school zijn gewisseld naar aanleiding van de gebeurtenissen in Turkije van afgelopen zomer en de nasleep van deze gebeurtenissen in de Turks-Nederlandse gemeenschap.
Zijn er signalen dat kinderen door hun ouders worden uitgeschreven van bepaalde scholen omdat zij onder druk worden gezet, dan wel bedreigd worden? Zo ja, welk signaal is het kabinet hierover voornemens aan de Turkse regering te geven?
Ja, er zijn signalen dat sommige ouders zich onder druk gezet of bedreigd voelen. Het kabinet onderstreept in ieder contact met de Turkse regering dat beïnvloeding van binnenlandse aangelegenheden vanuit Turkije ontoelaatbaar is. De druk op ouders lijkt echter afkomstig uit de eigen kring, binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nauw contact met vertegenwoordigers van verschillende Turks-Nederlandse organisaties en roept hen op een bijdrage te leveren aan het herstellen van de rust. Als de grenzen van het toelaatbare worden overschreden, roep ik ouders op hier aangifte van te doen. De politie is extra alert op aangiftes die voortkomen uit deze situatie.
Is het waar dat ouders die hun kinderen op zogenaamde «Gülen-scholen» laten zitten, opgepakt worden zodra zij Turkije binnenkomen?1
Ik ken het bericht hierover, maar er is bij de Nederlandse regering geen officiële aankondiging bekend.
Beschikt u over informatie over de actuele situatie op scholen, zoals bedreiging en intimidatie van leerlingen, leraren en ouders? Hoe beoordeelt u deze spanningen?
Ja. De Inspectie van het Onderwijs onderhoudt nauw contact met de desbetreffende scholen. Ook heb ik regelmatig contact met de gemeentes. De spanningen zijn ingrijpend voor alle betrokkenen: leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders en bestuurders. De inschatting van gemeentes is dat de spanningen de komende tijd zullen aanhouden.
Deelt u de mening dat het nooit mag gebeuren dat kinderen op Nederlandse scholen de dupe worden van het politieke conflict in Turkije?
Ja, die mening deel ik volledig.
Heeft u contact met betrokken gemeenten over de actuele situatie op scholen, zowel waar het gaat om uitschrijvingen van leerlingen op zogenaamde «Gülen-scholen», als om intimidatie en bedreigingen van leerlingen naar aanleiding van het Turkse conflict?
Ja, OCW heeft de afgelopen weken dagelijks contact gehad met de betrokken gemeenten en blijft betrokken bij de ontwikkelingen.
Wat kunnen gemeenten doen om in te grijpen bij onrust, bedreiging en intimidatie op deze scholen om de veiligheid van kinderen, ouders en leraren én de vrije schoolkeuze te beschermen?
Gemeenten spelen een belangrijke rol in de contacten met de lokale Turks-Nederlandse gemeenschappen. Ook de openbare orde en veiligheid is een taak van het lokaal bestuur. De school moet voor alle leerlingen een veilige plek zijn. In sommige gemeentes is daarom besloten tot een prominente aanwezigheid van de politie tijdens de eerste dagen van het nieuwe schooljaar.
Ook bij het wisselen van school hebben de gemeentes afgelopen zomer een grote rol gespeeld. Zij hebben ouders opgeroepen een zorgvuldige afweging te maken en zochten in overleg met schoolbesturen naar manieren om alle leerlingen tijdig onder te brengen bij andere scholen. Het wisselen van school kan echter een ingrijpende gebeurtenis zijn voor kinderen. Ik ben daarom blij met de grote betrokkenheid van gemeenten.
Hoe ondersteunt u gemeenten en scholen die te maken krijgen met dergelijke ernstige spanningen?
Op mijn verzoek heeft Stichting School en Veiligheid alle scholen en gemeenten die daar behoefte aan hadden met raad en daad bijgestaan. Verschillende lerarenteams hebben training ontvangen om op de eerste schooldag goed voorbereid het gesprek te kunnen aangaan met leerlingen en ouders. Ook de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderhoudt nauw contact met de gemeentes en adviseert waar dat nodig is.
Welke financiële gevolgen zijn er voor scholen die door deze situatie te maken krijgen met veel plotselinge uitschrijvingen van leerlingen? Hoe gaat u hiermee om?
Een schoolbestuur wordt bekostigd op basis van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het voorgaande jaar staat ingeschreven.
Als er gedurende het schooljaar leerlingen zich uitschrijven, dan heeft dat consequenties voor de bekostiging in het daarop volgende schooljaar. De Inspectie van het Onderwijs monitort dit in het kader van het financieel toezicht.