De brief van het Haagse college B&W over de huisvesting van asielzoekers in een vleugel van verpleeghuis De Lozerhof |
|
Machiel de Graaf (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de brief van het college van B&W van de gemeente Den Haag over de huisvesting van statushouders?1
Ja, ik ken deze brief. In deze brief geeft het college aan wat de stand van zaken is rond de huisvesting van statushouders in de gemeente Den Haag en waar de ruim 2.000 statushouders (kunnen) worden gehuisvest.
Deelt u de mening dat het op zijn zachtst gezegd onwenselijk is dat bijzonder kwetsbare ouderen, die verblijven in een psychogeriatrisch verpleeghuis, worden geconfronteerd met 30 onaangepaste asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Saffier de Residentiegroep stelt een aparte vleugel naast het verpleeghuis De Lozerhof ter beschikking voor huisvesting van statushouders. Het is de bedoeling dat deze statushouders in het ernaast liggende verpleeghuis De Lozerhof werkzaamheden gaan verrichten. Afhankelijk van de achtergrond en de interesses van de statushouders wordt gekeken welke activiteiten geschikt zijn. Bijvoorbeeld het onderhoud van de tuin, technische klussen, begeleiden bij uitstapjes of activiteiten in het verpleeghuis.
Op deze manier komt er extra hulp beschikbaar, mogelijk ook ondersteunend aan de zorgverlening aan bewoners. Ik heb De Lozerhof aangeraden – in overleg met de gemeente Den Haag en het COA – na te gaan welke statushouders over de juiste competenties beschikken voor dergelijke activiteiten en om in direct contact met de bewoners te komen. Dan kunnen ook randvoorwaarden t.a.v. huisvesting en inzet van statushouders in het verpleeghuis besproken worden.
Deelname aan de samenleving door vergunninghouders is van groot belang voor hun integratie. (Vrijwilligers)werk en/of een opleiding kunnen bijdragen aan actieve participatie en aan de gezondheid en het welzijn van statushouders. Tegelijk leren zij op deze manier de Nederlandse taal, maken zij kennis met de Nederlandse samenleving en vergroten hierdoor mogelijk hun kansen op een betaalde baan. Het kabinet zet daarom in op (arbeids)participatie van vergunninghouders. Het beleid van de gemeente Den Haag sluit aan bij de aanpak die het kabinet voorstaat. Voor de gemeente ligt er een taak om statushouders zo snel mogelijk wegwijs te maken in de gemeente, en hen te begeleiden naar zinvolle dagbesteding, taalcursussen, vrijwilligerswerk, scholing en/of arbeid. Daarbij dienen zij statushouders ook op hun eigen verantwoordelijkheid te (blijven) wijzen.
Met de verschillende groepen (personeel, bewoners) in de instelling is gesproken over de huisvesting van statushouders en hun inzet in het verpleeghuis. Tijdens deze gesprekken zijn er geen geluiden van onrust of onvrede vernomen. De locatiemanager van De Lozerhof heeft mij verzekerd dat zij met zowel personeel als bewoners in gesprek zal blijven.
Deelt u voorts de mening dat het eigenlijk nog schokkender is dat afgesproken is dat de asielzoekers die er komen wonen bereid moeten zijn in het aangrenzende verpleeghuis werkzaamheden te verrichten?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat deze deal ten koste van het huidige personeel en/of bestaande vacatures, terwijl er de afgelopen paar jaar al zo’n 75.000 banen in de zorg verloren gingen?
Nee.
De laatste tijd is in de sector verpleging en verzorging de trend zichtbaar dat er een terugloop is van het aantal plaatsen in het kader van de Wet langdurige zorg, en dus van het aantal bewoners, gecombineerd met een toenemende complexiteit van de zorgvraag. Dat heeft ook zijn weerslag op de personeelsformatie en personeelssamenstelling. De toenemende complexiteit van de zorgvraag leidt ertoe dat er – teneinde goede kwaliteit van zorg te kunnen blijven bieden – een toenemende behoefte is aan hoger opgeleid zorgpersoneel in relatie tot lager opgeleid zorgpersoneel.
Deze ontwikkeling treedt ook op bij Saffier de Residentiegroep. Specifiek voor De Lozerhof betekent dit dat er onder andere aan mensen uit bepaalde functiegroepen en/of van een bepaald opleidingsniveau (bijv. voedingsassistenten en m.n. zorgopleiding niveau 1 en 2) op termijn geen werkgelegenheid geboden kan worden.
Hierover heeft de organisatie op 17 mei jl. haar personeel geïnformeerd en ingrijpende maatregelen aangekondigd. De huisvesting van de statushouders en hun vrijwilligerswerk in De Lozerhof, zo benadrukt Saffier de Residentiegroep, staat los van deze aangekondigde maatregelen. Een groep bezorgde medewerkers van De Lozerhof heeft (anoniem) diezelfde dag een noodkreet gestuurd aan de burgemeester van Den Haag en aan mij, waarin zij hun zorgen over de aangekondigde maatregelen uiten.
Ik zie hier een grote verantwoordelijkheid voor Saffier de Residentiegroep om zorgvuldig om te gaan met medewerkers voor wie ontslag dreigt. Ik ga ervan uit dat er wordt ingezet op begeleiding van werk naar werk, en dat gekeken wordt welke zorgmedewerkers «opgeschoold» kunnen worden naar een hoger niveau. Zo komen er kansen voor zowel de individuele zorgmedewerker (meer kans op een andere baan in de zorg) als voor Saffier de Residentiegroep (hoger opgeleid zorgpersoneel). Op deze wijze blijft zorgpersoneel voor de zorg behouden.
Wie is er verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid in verpleeghuis De Lozerhof als het misgaat met deze asielzoekers?
Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg en voor het personeel en vrijwilligers in hun instelling. Daarbij zijn instellingen vanzelfsprekend gehouden aan de randvoorwaarden die daar vanuit wet- en regelgeving aan gesteld worden. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Uit het rapport van het inspectiebezoek van 6 oktober 2015 aan WoonZorgPark Loosduinen, dat is te vinden op de website van de Inspectie en van De Lozerhof, blijkt dat er tekortkomingen zijn bij de deskundigheid en beschikbaarheid van personeel (pag. 6 en 7). De inspectie heeft gevraagd om maatregelen en volgt de vorderingen. Zij neemt signalen en meldingen over tekortkomingen hierin mee. Deze maand zal de inspectie bezien of De Lozerhof voldoende vorderingen heeft geboekt.
Statushouders en vrijwilligers hebben geen zeggenschap over voeding of andere aspecten die het dagelijks leven van bewoners betreffen. Als een instelling plannen heeft om ten aanzien dergelijke aspecten wijzigingen door te voeren, dient dit in ieder geval met de cliëntenraad besproken te worden. Op deze wijze hebben de bewoners invloed op hun eigen woonomgeving en de dagelijkse gang van zaken.
Kunt u garanderen dat er geen enkele concessie wordt gedaan aan eventuele islamitische eisen van deze groep, zoals bijvoorbeeld het niet meer schenken van alcohol, en het niet meer bereiden van varkensvlees?
Zie antwoord vraag 5.
Particuliere speeltoestellen in de openbare ruimte |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over particuliere speeltoestellen in de openbare ruimte?1
Ja.
Klopt het dat u momenteel werkt aan een pilot waarin gemeenten drie jaar lang de mogelijkheid krijgen veiligheidsregels te maken voor speeltoestellen in de openbare ruimte met een valhoogte van maximaal 1,50 meter? Hoe komt deze pilot eruit te zien, hoe verhoudt de pilot zich tot huidige wetgeving, en wanneer gaat de pilot van start? Wat vinden gemeenten van de pilot, en hoeveel participerende gemeenten verwacht u?
Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden voor een pilot. Hoe een mogelijke pilot er uit komt te zien, hoe deze zich verhoudt tot huidige wetgeving, en wanneer deze van start gaat is nog niet bekend. De meningen van de gemeenten over een mogelijke pilot lopen sterk uiteen. Een tiental gemeenten lijkt nu al belangstelling te hebben voor deelname aan een pilot. Andere gemeenten geven aan dat zij vooralsnog geen interesse hebben en het WAS voldoende ruimte biedt voor burgerparticipatie. Gezien de sterk uiteenlopende meningen over een pilot is het moeilijk in te schatten hoeveel gemeenten uiteindelijk interesse zullen hebben in deelname aan een pilot.
Deelt u de mening dat afstemming in het Regulier Overleg Warenwet-DPNL (Deskundigenoverleg Productwetgeving Niet-Levensmiddelen), voorafgaand aan besluitvorming over de pilotvoorwaarden, wenselijk is? In hoeverre voert u over de kaders en randvoorwaarden van de pilot overleg in het Regulier Overleg Warenwet-DPNL? Welke inspraak krijgen fabrikanten, inspectiebureaus, keuringsinstanties, Jantje Beton en brancheverenigingen?
Ja, daarom zijn concept voorstellen voorgelegd aan het Regulier Overleg Warenwet-DPNL (ROW). Via het ROW worden reacties op alle aspecten van voorgelegde voorstel ontvangen van fabrikanten, inspectiebureaus, keuringsinstanties, Jantje Beton en brancheverenigingen.
Hoe zorgt u ervoor dat de veiligheid voor ieder speeltoestel tijdens de pilot gewaarborgd is? Hoe weegt u de waardering voor particulier initiatief versus het belang van veiligheid en de kans op een calamiteit?
Hoe de veiligheid gewaarborgd wordt is afhankelijk van de uiteindelijke vorm van de pilot. Zo kunnen de deelnemende gemeenten spelregels voor de burgers in hun gemeenten opstellen over veilig gebruik en beheer van de betreffende speeltoestellen. Vanuit de verantwoordelijkheid voor de openbare ruimte kunnen de gemeenten dan handhavend optreden als niet aan de spelregels wordt voldaan. Onder deze voorwaarden worden burger initiatieven mogelijk met een minimale toename van risico’s.
Hoe worden ouders, begeleiders en kinderen in deelnemende gemeenten geïnformeerd over private speeltoestellen die door bewoners in de openbare ruimte geplaatst zijn, en mogelijk minder veilig zijn dan publieke speeltoestellen?
De communicatie over de pilot naar betrokkenen binnen de deelnemende gemeenten wordt in een mogelijke pilot belegd bij de gemeente. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Hoe draagt de pilot bij aan burgerinitiatieven van bewoners die private speeltoestellen in de openbare ruimte plaatsen?
Een pilot maakt meer ruimte voor burgerinitiatieven dan binnen de huidige wet.
Is het uw intentie de pilot te laten volgen door een wetswijziging? Zo nee, welke beslispunten formuleert u om na evaluatie van de pilot te onderzoeken of wetswijziging noodzakelijk is? Zo ja, hoe waarborgt u een onafhankelijk evaluatie?
Een mogelijke pilot vindt plaats naar aanleiding van een vraag naar meer ruimte voor initiatieven van burgers. Indien wordt besloten over te gaan tot een pilot dan zal deze geëvalueerd worden. Tijdens een pilot wordt gekeken of dit voor alle partijen tot een werkbare situatie leidt. Na een pilot streven we naar één oplossing voor alle gemeenten. Een evaluatie zal dan door een onafhankelijk onderzoeksbureau worden uitgevoerd.
Het bericht 'Gemaskerd protest tegen ‘asielfabriek’ |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gemaskerd protest tegen «asielfabriek»»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat Kameraadschap Noord-Nederland als een organisatie aan de extreemrechtse kant van het politiek spectrum kan worden gezien dan wel, zoals in het genoemde bericht wordt gesteld, «ook wel gezien (wordt) als neo-nazi’s»? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Kameraadschap Noord-Nederland kan worden beschouwd als een extreemrechtse groepering. De groep komt namelijk voort uit de neonazistische groepering Blood & Honour. Kameraadschap Noord-Nederland tracht met demonstraties naar aanleiding van de verhoogde instroom van asielzoekers xenofobie en nationalisme in Nederland aan te wakkeren.
Is er voor de genoemde demonstraties van Kameraadschap Noord-Nederland toestemming van de gemeente nodig, dan wel moeten die demonstraties tijdig aan de burgemeester worden gemeld? Is daar bij de genoemde demonstraties sprake van geweest?
De Wet openbare manifestaties (Wom) schrijft niet voor dat er om toestemming moet worden gevraagd indien het voornemen bestaat een demonstratie te organiseren. Dit komt voort uit het gegeven dat de Grondwet het recht op vergadering en betoging erkent.
Artikel 4 van de Wom bepaalt wel dat de gemeenteraad bij verordening regels kan vaststellen met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.
De gemeente Oldambt heeft op 18 december 2013 de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oldambt 2014 (verder APV) bekendgemaakt.
Artikel 2.3 lid 1 van deze APV verplicht degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Overtreding van dat voorschrift levert een strafbaar feit op (art 6:1 APV en art 11, eerste lid, sub a, Wom).
De gemeente heeft een melding ontvangen voor het houden van een betoging op 27 februari (optocht vanaf station naar De Klinker). In de overige gevallen waarin er sprake is geweest van betogingen is dat niet het geval geweest.
Mogen er in het belang van de openbare orde en/of veiligheid vooraf eisen worden gesteld om te voorkomen dat deelnemers aan een demonstratie hun identiteit met gelaatbedekking kleding verhullen? Zo ja, welke eisen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 5 van de Wom kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving van een demonstratie in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften en beperkingen stellen aan een demonstratie. Hierbij geldt dat een voorschrift, beperking of verbod geen betrekking mag hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens. Het is wel mogelijk om eisen te stellen met betrekking tot het achterwege laten van gelaatbedekking. Het opnemen van het voorschrift om geen gebruik te maken van gelaatbedekking, mag zolang de openbare orde c.q. het voorkomen van wanordelijkheden het motief is.
Tevens kan op basis van de gemeentewet artikel 175 een noodbevel worden uitgevaardigd indien er sprake is van buitengewone omstandigheden. Van deze mogelijkheid heeft de burgemeester van de gemeente Oldambt op 20 april jl. gebruik gemaakt. In dit noodbevel is voorzien in een verplichting voor demonstranten met gezichtsbedekkende kleding die zich in Winschoten bevinden om zich voor, tijdens en na de bijeenkomst op eerste aanzegging van de politie verwijderd te houden dan wel te verwijderen naar een door de politie, op last van de burgemeester aangewezen plaats tot 23.00 uur.
Mag aan deelnemers die gemaskerd aan een demonstratie meedoen om een identiteitsbewijs worden gevraagd? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Wet op de identificatieplicht is eenieder die de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar, als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012 of artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, een identiteitsbewijs, als bedoeld in artikel 1 van deze wet, ter inzage aan te bieden. De politie mag alleen om een identificatiebewijs vragen als daar een goede reden voor is. Dat is het geval als de politie redelijkerwijs de identiteit nodig heeft om haar taak in het kader van de handhaving van de openbare orde of de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde uit te voeren. Bij openbare manifestaties en demonstraties kan identiteitscontrole plaatsvinden bij onrust of indien rellen of geweld (dreigen te) ontstaan.
Een Curaçao's online casino dat zich richt op de Nederlandse markt |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Wist u dat Bellmark Casino, dat opereert vanuit Curaçao, zich nadrukkelijk richt op de Nederlandse markt?1
Ik kan mij over deze vragen niet uitlaten omdat het vragen zijn die een landsaangelegenheid van Curaçao betreffen.
Klopt het dat (functionarissen van) Antillephone, Gaming Service Provider, Cyberduck/Conet/CloudX en E-Management zogenoemde masterlicentiehouders, ofwel Internet Services Providers (ISP’s) zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat E-Management een sublicentie heeft verleend aan Bellmark Casino?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel ISP’s en sublicentiehouders zijn er?
Zie antwoord vraag 1.
Wie moet op Curaçao toezicht houden op het verlenen van dergelijke sublicenties en welke wetgeving geldt hiervoor?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel zet deze online casino en sportsbettingssector momenteel op Curaçao per jaar om? Wordt er door deze sector belasting betaald? Zo ja, hoeveel?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn de activiteiten van Bellmark Casino, gericht op de Nederlandse markt, legaal? Wie moet hier in Nederland toezicht op houden?
Namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kan ik antwoorden dat de Nederlandse Kansspelautoriteit verantwoordelijk is voor het toezicht op buitenlandse aanbieders die in Nederland operationeel zijn.
Het bericht dat de Coentunnel vier keer per dag gestremd is door te hoge vrachtwagens |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Problemen Coentunnel nemen toe: ruim 1.200 afsluitingen door te hoge vrachtwagens»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht en met het aantal afsluitingen van de Coentunnel.
Rijkswaterstaat monitort het aantal te hoge voertuigen. Sinds de opening van de Coentunnels, bestaande uit de gerenoveerde Eerste Coentunnel en de Tweede Coentunnel, op 21 juli 2014 is het aantal te hoge wagens constant 3 á 4 per dag verdeeld over de dag.
Deelt u de wens dat Amsterdam voor bedrijfsleven, bewoners en bezoekers goed bereikbaar moet zijn?
De bereikbaarheid van Amsterdam is een van de prioriteiten binnen het ministerie I&M. Met partnerorganisaties als provincie Noord-Holland, gemeente Amsterdam en Stadsregio werken wij in diverse bereikbaarheidsprojecten samen, zoals Beter Benutten, Praktijkproef Amsterdam, Zuidasdok. Ook met de capaciteitsuitbreiding van de Coentunnel en aansluitende wegen geef ik daar invulling aan.
Deelt u de mening dat de bereikbaarheid en daarmee de (economische) aantrekkelijkheid van Amsterdam in het geding zijn wanneer de Coentunnel gemiddeld vier keer per dag afgesloten is?
Elke stremming als gevolg van een te hoog voertuig is er vanuit doorstromingsbelang een te veel.
Vrachtwagens moeten zich houden aan de wettelijke hoogte van vier meter. Dat is een Europese norm. Voor een transport hoger dan vier meter moet een vergunning worden aangevraagd bij de RDW, die bij de vergunning ook een route verstrekt.
De hoogtedetectie is een systeem dat dient als veiligheidsmechanisme ter bescherming van de tunnel en de verkeersveiligheid. Rijdt een te hoge vrachtwagen de tunnel in kan deze veel schade veroorzaken. Bij een te hoge vrachtwagen treedt de hoogtedetectie in werking en wordt – bij toch doorrijden van de vrachtwagen – het verkeer stilgezet, waarna de te hoge vrachtwagen voor de tunnel weggehaald moet worden. Dit leidt helaas onnodig tot stremmingen.
Deelt u de mening dat -hoewel veiligheid altijd voorop staat- vier stremmingen per dag te veel is?
Zoals ik al op de vorige vraag heb geantwoord is elke stremming, veroorzaakt door een te hoog gemeten voertuig, er een te veel. Rijkswaterstaat geeft chauffeurs met een te hoge vrachtwagen aanwijzingen om hen tijdig een andere route te laten kiezen door (dynamische) displays die chauffeurs kenbaar maken dat hun wagen te hoog is en borden met omleidingsroutes. Chauffeurs zijn primair zelf verantwoordelijk om een hoogtemelding te voorkomen. Ik kan niet voorkomen dat te hoge vrachtauto’s uiteindelijk toch de tunnel in rijden.
Rijkswaterstaat overlegt regelmatig met de transportsector, zodat de chauffeurs weten dat ze stremmingen kunnen veroorzaken als ze met een te hoge vrachtwagen (of lading) door de tunnel willen rijden.
eelt u de mening dat dit probleem zo snel mogelijk moet worden opgelost en dat slechts een incidentele stremming acceptabel is?
Ik verwijs hiervoor naar mijn beantwoording van de vragen 3 en 4.
Kunt u een beredeneerde schatting geven van de kosten van het gemiddeld vier keer per dag afsluiten van (een of enkele rijbanen van of soms zelfs de gehele) Coentunnel?
Bij een te hoog voertuig wordt alleen de betreffende rijbaan, bestaande uit een aantal rijstroken, afgesloten. Er worden nooit meerdere rijbanen of de gehele Coentunnel tegelijk afgesloten.
Rijkswaterstaat heeft op verzoek van de gemeente Amsterdam in de zomer van 2015, feitelijke tijdstippen aangeleverd van afsluitingen van de Coentunnel als gevolg van te hoge voertuigen die de maximale doorrijhoogte negeren. De gemeente Amsterdam heeft die gegevens door een extern bureau laten koppelen met detaildata over lengte en duur van files. Het rapport is op te vragen bij de gemeente Amsterdam.
Herinnert u zich dat het college van B. en W. van Amsterdam op aandringen van de fractie van D66 in de raad dit probleem al in de zomer van 2015 bij u aanhangig maakte en dat u toen gezegd heeft dit probleem aan te pakken? Zo ja, welke concrete acties heeft u toen ondernomen?
Rijkswaterstaat heeft, al voordat de vraag door de gemeente Amsterdam in de zomer van 2015 werd gesteld, een aantal acties in gang gezet, zoals ik onder vraag 2 heb beantwoord. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat een onderzoek naar mogelijke aanvullende maatregelen uitgevoerd. Zie antwoord 3 juni 2015 op vragen van Kamerleden Visser en De Boer.
Rijkswaterstaat heeft de navolgende acties in gang gezet:
Rijkswaterstaat geeft chauffeurs een maximum aan aanwijzingen om hen te wijzen op de maximale doorrijhoogte en alternatieve routes. Het grootste effect op het aantal hoogtemeldingen mag verwacht worden wanneer chauffeurs zich houden aan de wettelijke maximale laadhoogte van vier meter.
Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Hoe is het mogelijk dat het aantal stremmingen sindsdien alleen maar is toegenomen?
Sinds de heropening van de gerenoveerde Eerste Coentunnel op 21 juli 2014, is het aantal te hoge wagens constant 3 á 4 per dag. Zie ook beantwoording van vraag 1.
Bent u bereid nu met oplossingen te komen en deze zo spoedig mogelijk door te voeren, opdat stremmingen vóór de zomer van 2016 niet meer aan de orde van de dag zijn? Zo nee, waarom niet?
In mijn beantwoording van de vorige vragen heb ik aangegeven wat Rijkswaterstaat heeft gerealiseerd en nog realiseert om de bereikbaarheid van Amsterdam en de doorstroming op het wegennet te optimaliseren. De doelstellingen van het project Tweede Coentunnel – Westrandweg zijn goed gehaald.
Ondanks de toename van het verkeersaanbod van 100.000 voertuigen naar 130.000 per dag én het aantal hoogtemeldingen, is de doorstroming na openstelling van het Coentunnelsysteem aanzienlijk verbeterd.
Voor de uitbreiding van de Coentunnel in juli 2014 stond er dagelijks gedurende 5 uur per dag file met een gemiddelde lengte van 5 á 10 kilometer tijdens de ochtend- en avondspits. Na oplevering van de nieuwe tunnel, zijn deze files vrijwel opgelost.
Ik doe al het mogelijke binnen mijn verantwoordelijkheden om het aantal hoogtemeldingen te reduceren en blijf de ontwikkelingen monitoren. Daarnaast blijf ik uiteraard ook constructief met de sector in gesprek hierover.
De Israëlische dreigementen tegen aanhangers van de boycot, desinvesteringen en sancties (BDS)-beweging |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de anti-BDS-conferentie die op 28 maart is gehouden in Jeruzalem?
Ja.
Hoe beoordeelt u de opmerking van Minister van inlichtingendiensten Yisrael Katz dat Israël «targeted civil eliminations» moet inzetten tegen de leiders van de BDS-beweging?1
Het kabinet heeft kennis genomen van de berichtgeving over uitspraken van Israëlische bewindspersonen waar u naar verwijst. Het is niet aan het kabinet om uit te leggen wat bewindspersonen van een andere staat met hun uitspraken precies bedoelen. Wel heeft de Israëlische Minister van Openbare Veiligheid Erdan toegelicht dat hij niet doelde op fysieke maatregelen. De uitspraken zijn evenwel een voorbeeld van het gepolariseerde debat in Israël over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het kabinet maakt zich grote zorgen over deze polarisatie.
Hoe beoordeelt u de opmerking van Minister van openbare veiligheid Gilad Erdan dat «Soon any activist who uses their influence to delegitimize the only Jewish state in the world will know they will pay a price for it»?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van concrete maatregelen die de staat Israël neemt tegen aanhangers van de BDS-beweging? Zijn hierbij ook maatregelen gericht tegen Nederlanders of andere EU-burgers?
Israël voert actief beleid tegen de BDS-beweging in brede zin. Het land voert internationaal campagne tegen de beweging. In juli 2011 heeft het Israëlische parlement de zogenaamde Anti-Boycot wet aangenomen, die het mogelijk maakt om een civiele procedure te starten tegen hen die oproepen tot een boycot van Israël of Israëlische nederzettingen in bezet gebied. In april 2015 besloot het Israëlische Hooggerechtshof de wet grotendeels in stand te houden, maar als voorwaarde te stellen dat diegene die een civiele zaak aanhangig maakt moet kunnen aantonen daadwerkelijk zelf schade geleden te hebben door de boycot oproep. Er is overigens nog geen civiele zaak aangespannen op grond van deze wet. Het kabinet is niet bekend met andere concrete maatregelen tegen individuele BDS-aanhangers, uitsluitend omdat ze de BDS-beweging zouden steunen.
Schat u in dat de staat Israël inderdaad strafmaatregelen zal nemen tegen aanhangers van de BDS-beweging? Schat u in dat Nederlanders of andere EU-burgers hier slachtoffer van kunnen worden?
Op 11 november jl. werd in eerste lezing in de Knesset een voorstel van een voormalig Knessetlid tot wetswijziging van de Entry into Israel Law aangenomen. Dit voorstel voorziet in het niet geven van visa of verblijfsvergunningen aan niet-Israeli’s die zich uitspreken voor een boycot van Israël. Sindsdien is echter niets meer van het voorstel vernomen.
Deelt u de mening dat het steunen of leiden van een organisatie die BDS steunt, niet in strijd met Nederlandse en internationale wetgeving is en binnen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering valt?
Uitlatingen of bijeenkomsten betreffende BDS worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Bent u bereid over de anti-BDS-strategie opheldering te vragen in bilaterale contacten met uw Israëlische collega’s?
Op verzoek van Israël komt dit onderwerp met enige regelmaat aan de orde in bilaterale contacten, waarbij Nederland de gebruikelijke lijn uitdraagt dat het kabinet tegen een boycot van Israël is, maar dat het onderschrijven van BDS onder de vrijheid van meningsuiting valt.
De sloop van krakkemikkige gebouwen |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wie trekt rotte kiezen uit de regio»?1
Ja.
Is het mogelijk dat een perceel na sloop zijn woonbestemming verliest, ook in situaties dat de eigenaar deze bestemming wil behouden en zonder dat hiervoor planschade wordt uitgekeerd? Zo ja, deelt u de mening dat het wenselijk is dat de wetgeving wordt aangepast, zodat een perceel door sloop van verouderde gebouwen niet minder waard wordt?
Sloop leidt er niet toe dat een perceel vanzelf zijn woonbestemming verliest. Wel kan sloop soms aanleiding voor een gemeente zijn de bestemming te wijzigen. Als de gemeente besluit de bestemming te wijzigen, wordt dat via de procedures van de Wet ruimtelijke ordening geregeld. Een gemeente zal een wijziging van het bestemmingsplan pas kunnen doorvoeren na een evenwichtige weging van de betrokken belangen en met de daaraan verbonden procedurele waarborgen voor de eigenaar, zoals zienswijzen en beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een financiële waarborg voor de eigenaar is de vergoeding voor directe planschade vanwege het verlies van de woonbestemming. Als de woonbestemming er afgehaald wordt, kan volgens de rechtspraak te lang stilzitten ertoe leiden, dat geen planschade uitgekeerd hoeft te worden. Dit geldt alleen als de eigenaar op de hoogte kon zijn van de voorgenomen wijziging en deze een tijd de gelegenheid heeft gehad om de mogelijkheden uit een vorig bestemmingsplan alsnog te benutten. Op basis hiervan zie ik geen aanleiding om de reeds bestaande waarborgen aan te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat sloop van krotten wordt uitgesteld omdat de BTW van bouwgrond veel hoger is dan de overdrachtsbelasting die geldt voor de verkoop van grond waarop nog een gebouw staat?2 Bent u daarom bereid de wetgeving aan te passen zodat voor dergelijke terreinen de lagere overdrachtsbelasting geldt?
De Wet op de omzetbelasting 1968, op grond waarvan in Nederland btw wordt geheven, is gebaseerd op een dwingende Europese btw-richtlijn. Op grond van deze richtlijn geldt een vrijstelling van btw voor de levering van een gebouw (tenzij wordt geopteerd voor een btw-belaste levering of sprake is van levering van een gebouw vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming). Indien de btw-vrijstelling van toepassing is, geldt dat ter zake van die verkrijgingen wel overdrachtsbelasting is verschuldigd.
Bouwterreinen zijn uitgezonderd van de btw-vrijstelling en daardoor wel met btw belast. Van de levering van een bouwterrein is ook sprake wanneer een gebouw met bijbehorende grond wordt geleverd, waarbij de leverancier zich jegens de afnemer tot sloop van het gebouw heeft verbonden, en het terrein bestemd is voor bebouwing. Het resultaat van deze transactie is namelijk dat de verkrijger onbebouwde grond, zijnde een bouwterrein verkrijgt. De verkrijging van bouwterreinen die belast zijn met btw, zijn vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Dit laatste is bedoeld om dubbele belasting te voorkomen. Het is op grond van de richtlijn niet toegestaan om deze leveringen toch vrij te stellen van btw. Een aanpassing van de wetgeving waardoor voor dergelijke terreinen de overdrachtsbelasting geldt in plaats van de btw is niet mogelijk.
Het bericht over een bedreigd Rotterdams gezin |
|
Nine Kooiman , Sadet Karabulut |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een Rotterdams gezin als gevolg van een eergerelateerde familievete met de dood wordt bedreigd?1
Ik heb kennisgenomen van de casus. Ik kan echter niet ingaan op de details van een individuele casus, vanwege de privacy van betrokkenen en in het belang van het strafrechtelijk onderzoek dat momenteel nog gaande is.
Herkent u de signalen dat er bij betrokken instanties sprake is van een kennisachterstand en dat eergerelateerd geweld soms niet als zodanig wordt herkend en er te laat of niet wordt opgetreden? Zo nee, hoe duidt u betreffende Rotterdamse casus?
Nee, op basis van de informatie van de betrokken instanties herken ik deze signalen niet. Zoals ik al heb aangegeven in het antwoord op vraag 1 kan ik de casus niet duiden, omdat het strafrechtelijk onderzoek momenteel nog gaande is.
Als het gaat om de vroegsignalering en aanpak van eergerelateerd geweld hanteert de politie sinds een aantal jaren de zogeheten LEC methode, ontwikkeld door het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (hierna: LEC EGG) van de politie. Binnen de politie zijn contactpersonen aangewezen en er wordt in onderwijs en voorlichting geïnvesteerd.
De huidige structuur met gespecialiseerde kennisfunctionarissen in de eenheden, de deskundigheid binnen de relevante organisaties voor hulp en advies, waaronder de Veilig Thuis organisaties, en het LEC EGG resulteert in een goede en deskundige structuur op het gebied van deze problematiek.
Bent u bereid om in samenwerking met het Knooppunt Huwelijksdwang en het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld te onderzoeken wat er nodig is zodat eergerelateerd geweld eerder door politie en hulpverlenende instanties wordt herkend?
Nee, daartoe is geen noodzaak omdat bij de aanpak van eergerelateerde geweld al nauw wordt samengewerkt door politie, OM, gemeente en hulpverlenende instanties. Vroegsignalering is een belangrijk onderdeel van de gezamenlijke aanpak. Door de LEC methode worden zaken in een vroeg stadium aangemerkt en behandeld als een eergerelateerde zaak. Indien nodig wordt in het geval van een eergerelateerde zaak het LEC EGG ingeschakeld voor extra expertise.
Verder is het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating juist mede ingesteld om de kennis op gebied van huwelijksdwang en achterlating bij de hulpverlening en Veilig Thuis te vergroten en deze kennis actief te verspreiden.
Bent u het eens met de constatering dat het wenselijk is dat kennis over eergerelateerd geweld bij alle regionale eenheden van de politie aanwezig moet zijn? Zo ja, bent u bereid om te kijken naar de mogelijkheden om hier aanvullende middelen dan wel capaciteit vrij te maken?
Ja dat ben ik met u eens. De politieorganisatie heeft hierin al voorzien door de contactpersonen eergerelateerd geweld in de eenheden en het LEC EGG dat ingeroepen wordt als een zaak wordt gekwalificeerd als complex.
Het bericht dat er door een drugs-lab giftige stoffen zijn vrij gekomen in een woonwijk in Tilburg |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Eric Smaling , Nine Kooiman |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat er door een drugs-laboratorium giftige stoffen zijn vrij gekomen in een kinderrijke woonwijk in Tilburg?1
Het is hoe dan ook een onwenselijke situatie als een drugslaboratorium in een woonwijk wordt aangetroffen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit, waaronder de bestrijding van synthetische drugs, is dan ook een prioriteit van politie en het Openbaar Ministerie (OM).
Hoe schadelijk is de uitstoot van giftige stoffen geweest door toedoen van dit laboratorium en wat wordt gedaan om de bewoners waar nodig medisch te onderzoeken (zonder dat dit hun eigen risico aantast) en te begeleiden?
Het onderzoeksteam van de politie heeft in dit geval op verzoek van de gemeente Tilburg advies ingewonnen bij de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelingen (LFO). De LFO is binnen de politie ingericht met als taak om drugslaboratoria te ontmantelen. Volgens de LFO waren er in het drugslab inderdaad giftige stoffen aanwezig: met name methanol en zwavelzuur. Deze stoffen zijn brandgevaarlijk en bijtend indien men ermee in aanraking komt. Gelet op de gevaareigenschappen van de gebruikte stoffen en gezien de wijze van gebruik op het moment van aantreffen is het niet te verwachten dat het gevaar verder reikte dan de afgesloten ruimtes op het terrein. Op basis van het advies van de LFO is door de gemeente een bewonersbrief met bovenstaande informatie verzonden naar panden rondom de locatie waar het drugslab werd aangetroffen.
Wat gaat de regering doen om inwoners van een wijk, maar ook politie, medewerkers van een woningbouwcoöperatie en buitengewoon opsporingsambtenaren, te trainen in het herkennen en signaleren van mogelijke drugs-laboratoria die, gezien de grote gevaren (zowel medisch risico als explosiegevaar), zo snel mogelijk opgespoord en ontmanteld moeten worden?
Zowel professionals als burgers worden op diverse manieren geïnformeerd en/of getraind in het herkennen en signaleren van mogelijke drugslaboratoria. Zuid-Nederland, waar veruit de meeste drugslabs worden opgespoord en ontmanteld (zie antwoord vraag 5), heeft daarvan enkele goede voorbeelden.
De politie heeft inmiddels in vier districten binnen Zeeland en West-Brabant informatiebijeenkomsten georganiseerd voor politie, OM en buitengewoon opsporingsambtenaren, om hen te informeren en te trainen in het herkennen van mogelijke drugslaboratoria. Daarnaast wordt in deze regio ook de geurkaart ingezet. De geurkaart is een initiatief van de politie Zeeland-West-Brabant. De eerste oplage van 5.000 stuks is onder professionals in geheel Zuid-Nederland verdeeld. In mei is een nieuwe oplage van 10.000 stuks beschikbaar gekomen. Deze geurkaarten worden in eerste instantie verspreid onder professionals in Noord-Brabant en Zeeland. Na een evaluatie wordt bekeken in hoeverre het zinvol is de geurkaarten verder te verspreiden onder andere regio’s en of er behoefte is aan een «burgerversie».
Inwoners worden ook op andere wijzen voorgelicht. In de regio Zeeland zijn het afgelopen jaar een vijftal bijeenkomsten georganiseerd om boeren voor te lichten over georganiseerde criminaliteit en drugsproductieplaatsen. Door de gemeente Tilburg kan de zogenaamde Buurttent worden ingezet waarin met inwoners in gesprek wordt gegaan en ze geïnformeerd worden over het herkennen en signaleren van drugslaboratoria.
In hoeverre wordt de zogenoemde geurkaart om mogelijke drugslabs sneller te herkennen ook verspreid onder inwoners? Wordt deze geurkaart ook buiten de provincie Brabant gebruikt?2 Zo nee, wat gaat de regering doen om de verspreiding van deze geurkaarten te stimuleren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel drugs-laboratoria worden er jaarlijks opgespoord en ontmanteld? Kunt u dit uiteenzetten per provincie?
Aantal ontmantelingen per jaar in totaal:
2014: 55
2015: 59
2016 tot 4 mei: 26
Aantal ontmantelingen per provincie:
Gr
Fr
Dr
Ov
Gel
Ut
Fl
NH
ZH
Zl
NB
Lim
2014
2
1
0
0
10
2
4
6
5
0
13
12
2015
0
2
0
3
4
1
1
3
10
0
19
16
2016 (tot 4/5)
0
0
1
0
4
1
0
0
4
0
9
7
Kunt u uiteenzetten hoeveel fte er binnen de Nationale Politie per eenheid is vrij gemaakt voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit, waarvan de aanpak en ontmanteling van drugs-laboratoria onderdeel is?
Er zijn ondermijningsteams in de eenheden. In het inrichtingsplan van de politie zijn de aantallen fte voor ondermijning echter niet vastgelegd. Hoeveel fte er per eenheid is vrijgemaakt voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit is dus niet aan te geven.
Voor het programma Intensivering Zuid (Ondermijning) is er sprake van een aanvullende aanpak. Daarbij gaat het om 125 fte in totaal, waarvan 25 fte in Zeeland-West-Brabant, 25 fte in de eenheid Brabant-Oost, 25 fte in de eenheid Limburg en 50 fte voor de Landelijke Eenheid. Daarnaast is de Landelijke Faciliteit Ondersteunen Ontmantelen in het leven geroepen voor de hoog specialistische werkzaamheden op het terrein van het ontmantelen van drugslaboratoria. Dat team bestaat uit 8 fte.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van uw toezegging te bekijken of de Opiumwet zo aangepast kan worden dat ook nieuwe grondstoffen die gebruikt wordt voor het vervaardigen van synthetische drugs verboden worden?3 4
Hier zal ik de Kamer nog voor de zomer per brief over informeren.
Kunt u aangeven hoeveel zaken er momenteel wachten op behandeling bij het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum en wat daarbij de gemiddelde wachttijd is, voordat een zaak behandeld wordt bij het Regionaal Informatie en Experticecentrum?
In april 2015 heb ik u per Kamerbrief5 geïnformeerd over de werkwijzen van RIECs. Door RIEC-partners wordt in gezamenlijkheid besloten of signalen worden opgepakt en zo ja, door welke partner. Hoeveel zaken er op een bepaald moment in de fase van «verdeling» zitten is dus altijd een momentopname, omdat sprake is van een continu proces van het vanuit de partners inbrengen en analyseren van signalen tot het gezamenlijk kiezen en besluiten over de meest effectieve interventie(s). Gedurende deze doorlooptijd ligt de behandeling van een zaak niet stil.
Momenteel zijn er 32 signalen die veredeld worden bij het RIEC Zeeland West Brabant. De doorlooptijden hiervan zijn als volgt:
Doorlooptijd
Signalen
< 6 maanden
20
6–12 maanden
11
12 >
1
32
Wat is de stand van zaken betreffende het onderzoek dat de Arbeidsinspectie op dit moment doet naar de arbeidsomstandigheden van medewerkers van politie en brandweer die betrokken zijn bij het ontmantelen van drugslaboratoria?5
De Inspectie SZW heeft in 2015 de arbeidsomstandigheden, waaronder de arbeidstijden, van het LFO onderzocht. De brandweer is tijdens deze inspectie niet meegenomen. De Inspectie heeft overtredingen van de arbeidstijdenwet geconstateerd. Er zijn maatregelen genomen om de werkdruk van het LFO te verlagen. Zo is in 2015 het aantal medewerkers uitgebreid van vier naar acht. Deze nieuwe medewerkers zijn inmiddels opgeleid voor dit hooggekwalificeerde en specialistische werk en zijn zelfstandig inzetbaar. Daarnaast zijn er maatregelen genomen op het gebied van overtredingen van de Arbeidstijdenwet. Ook investeert de politie in de veiligheid van de medewerkers. Inmiddels is een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) opgesteld. De eerste maatregelen voor de veiligheid op hun werklocatie zijn uitgevoerd.
De sterke afname van contacten bij het Juridisch Loket |
|
Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hebt u kennisgenomen van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waaruit een sterke afname van contacten bij het Juridisch Loket blijkt?1 Welke verklaringen heeft u hiervoor?
Ik heb kennisgenomen van de cijfers van het CBS. Als mogelijke verklaring voor de afname van het aantal contacten bij het Juridisch Loket kan een aantal ontwikkelingen worden genoemd.
Allereerst is het aantal bezoekers van de website van het Juridisch Loket de laatste jaren sterk gestegen, in 2014 met 177.000. Het ligt in de rede dat zich hierdoor ook een stijging heeft voorgedaan van het aantal naar tevredenheid beantwoorde vragen waarvoor anders contact met het Juridisch Loket zou zijn opgenomen.
Het lag niet in de lijn der verwachting dat de sterke toename van het aantal contacten vanaf 2011 zich voor onbepaalde tijd zou voortzetten. Uit de recent verschenen Geschilbeslechtingsdelta 2014 van het WODC blijkt dat het aantal juridische problemen dat burgers ervaren in de periode 2009–2014 is afgenomen. Het is aannemelijk dat de ontwikkeling van het aantal juridische problemen mede de ontwikkeling van het aantal contacten bij het Juridisch Loket beïnvloedt.
Daarnaast is het aannemelijk dat wijzigingen in het aanbod van rechtshulp van het Juridisch Loket een rol hebben gespeeld in de afname van het aantal contacten. In 2014 heeft het Juridisch Loket de openingstijden van de balie beperkt en de telefonische avondopenstelling beëindigd. In de Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2014 heeft de Raad voor Rechtsbijstand al aangegeven dat de afname van het aantal contacten in 2014 mogelijk uit wijzigingen aan de aanbodzijde kan worden verklaard. Vanaf april 2015 is de telefonische bereikbaarheid verbeterd, maar het aantal uren dat de vestigingen van het Juridisch Loket zonder afspraak kunnen worden bezocht is teruggebracht. Ook is de focus sterker op de doelgroep (de minder draagkrachtigen in de zin van de Wet op de rechtsbijstand) is gericht2. Het is niet uit te sluiten dat deze wijzigingen in 2015 hebben geleid tot een verdere afname van het aantal klantcontacten.
Verder kan ook nog worden gewezen op het ontstaan van nieuwe laagdrempelige voorzieningen voor eerstelijns rechtsbijstand, in het bijzonder het gratis inloopspreekuur dat door sommige sociaal advocaten wordt aangeboden.
Deelt u de mening dat er geen grond is voor de veronderstelling dat er plotseling een afname is van maatschappelijke problematiek op grond waarvan een beroep op het Juridisch Loket minder vaak nodig zou zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de zorgen over de afname van contacten met het Juridisch Loket, omdat veel mensen kennelijk het Juridisch Loket niet meer wisten te vinden? Wat zegt dit over de bereikbaarheid van deze laagdrempelige vorm van rechtshulp?
Deze zorgen deel ik niet. Voor mij is relevant dat er geen drempels zijn die rechtzoekenden ervan weerhouden gebruik te maken van de hulp van het Juridisch Loket. De landelijke dekking van het Juridisch Loket is onveranderd. Rechtzoekenden kunnen hun vraag via telefoon, email of in persoon aan de balie stellen. De verlegging van het zwaartepunt naar de telefonische dienstverlening heeft ertoe geleid dat de wachttijd voor rechtzoekenden ten opzichte van 2014 sterk is afgenomen. Wel betekent de beperking van de openingstijden van de balies dat rechtzoekenden niet op elk door hen gewenst moment het Juridisch Loket kunnen bezoeken. Rechtzoekenden moeten een afspraak maken of met de openingstijden rekening houden. Naar mijn mening vormt dit geen problematische drempel voor rechtzoekenden die rechtshulp nodig hebben bij het oplossen van een serieus juridisch probleem.
In hoeverre hebben volgens u het ontoereikende budget van het Juridisch Loket hiermee te maken, met als gevolg de vacaturestop die vorig jaar is ingesteld alsmede het in hoge mate terugschroeven of zelfs afschaffen van het aantal inloopspreekuren bij de Juridische Loketten?
Ter antwoord op de vragen 1 en 2 is opgemerkt dat voor de afname van het aantal klantcontacten meerdere verklaringen kunnen worden gegeven. De wijziging van de dienstverlening van het Juridisch Loket is hier mogelijk één van. Het Juridisch Loket heeft aangegeven hiertoe mede te zijn overgegaan omdat het over onvoldoende middelen zou beschikken om de reikwijdte van zijn hulpaanbod te handhaven op het niveau van vóór 2014. Naar aanleiding van de door uw Kamer aangenomen motie van het lid Van Nispen(SP) heeft mijn ministerie overlegd met het Juridisch Loket en de Raad voor Rechtsbijstand over de openstelling van de balies. Dit overleg heeft er toe geleid dat het Juridisch Loket het inloopspreekuur aan de balies (in beperkte vorm) heeft hervat. Hiervoor is deels aanvullende subsidiëring door de Raad voor Rechtsbijstand toegekend. De totale subsidie van de raad aan het Juridisch Loket in 2015 was € 0,6 miljoen hoger dan in 2014 en € 0,3 miljoen hoger dan in 2013. Met zijn dienstverlening waarborgt het Juridisch Loket een adequaat niveau van rechtshulp. Ik deel daarom niet de vooronderstelling dat het budget voor het Juridisch Loket ontoereikend zou zijn.
Herinnert u zich de toezegging in het debat over het Juridisch Loket op 14 april 2015 dat gemonitord zou worden of, en zo ja in welke mate, mensen die niet meer naar het Juridisch Loket zouden gaan wel geholpen worden met hun juridische problemen? Wat is hieruit gekomen?
In zijn brief van 4 mei 2015 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie uw Kamer gemeld dat in de Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2015 verslag wordt uitgebracht van de resultaten van de monitoring. Deze publicatie van de Raad voor Rechtsbijstand verschijnt uiterlijk dit najaar.
Waar hebben de mensen die, als gevolg van de verminderde bereikbaarheid en toegankelijkheid, niet bij het Juridisch Loket terecht zijn gekomen hulp gevonden bij het oplossen van hun juridische problemen? Blijkt hieruit dat er sprake is van een leemte in de rechtshulp? Zo nee, waaruit blijkt dan dat er adequate voorzieningen waren voor deze groep mensen?
Het is niet uit te sluiten dat wijzigingen in het aanbod van rechtshulp van het Juridisch Loket hebben geleid tot een afname van het aantal klantcontacten. Aan de hand van de door de monitoring verkregen gegevens kan echter niet worden vastgesteld of en in welke mate eventuele vraaguitval bij het Juridisch Loket heeft geleid tot een leemte in de rechtshulp en een verplaatsing van de hulpvraag naar andere rechtsbijstandsverleners.
In het recente WODC-onderzoek «Rechtshulp gemist?» is vastgesteld dat rechtzoekenden langs zeer diverse wegen hun geschillen oplossen. Voor zover de ondervraagde rechtzoekenden geen hulp van een rechtsbijstandsverlener hadden ingeroepen, werden institutionele drempels (zoals bereikbaarheid en kosten) weinig als reden hiervoor genoemd. Van een leemte in de toegankelijkheid van rechtshulp lijkt daarom geen sprake. Onderzoek naar het niet-gebruik van rechtshulp zal wederom plaatsvinden in het kader van de eerstvolgende Geschilbeslechtingsdelta. Dit onderzoek vindt in beginsel over drie jaar plaats.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de laagdrempelige rechtshulp die het Juridisch Loket biedt bereikbaar en toegankelijk blijft, zeker nu er nog gedebatteerd zal worden over de toekomst en het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand? Wanneer kan de Kamer uw beleidsreactie op de rapporten Wolfsen en Barkhuysen, die hier betrekking op hebben, verwachten zodat het debat hierover gepland kan worden?
Het Juridisch Loket stemt zijn hulpaanbod voortdurend af op de omvang van de vraag van rechtzoekenden in relatie tot het beschikbare budget. Dit heeft er op verschillende vestigingen toe geleid dat de openingstijden van de balie wederom zijn verruimd. De commissie-Wolfsen heeft in haar eindrapport aanbevelingen gedaan voor de vernieuwing van het stelsel met het oog op een betere budgettaire beheersbaarheid, waarbij de toegang tot het recht voor minder vermogenden ook in de toekomst gegarandeerd blijft. De kabinetsreactie op dit rapport is op 31 mei jl. aan de Tweede Kamer en Eerste Kamer toegezonden (Kamerstuk 31 735, nr. 118)
Een uitspraak van de RSJ d.d. 25 februari jl. |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) van 25 februari 2016 en specifiek de overwegingen omtrent de beoordeling van een door een directeur van een PI opgelegde ordemaatregel naar aanleiding van een bericht van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP)?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in de praktijk onwerkbaar is dat een directeur klaarblijkelijk voortaan binnen één dag geacht wordt onderzoek te doen naar de juistheid van GRIP-informatie, in casu betreffende signalen van politie en Justitie omtrent een ontvluchting en liquidatie, omdat indien de betrokken gedetineerde in het kader van dit onderzoek langer wordt afgezonderd, de RSJ blijkbaar van mening is (overweging 3) dat deze afzondering niet redelijk en billijk is?
Die mening deel ik niet. Allereerst volgt uit de uitspraak niet dat de beroepscommissie van de RSJ van de directeur verlangt dat deze binnen één dag onderzoek doet en afrondt naar de juistheid van de GRIP-informatie. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de directeur in redelijkheid heeft kunnen beslissen klager in afzondering te plaatsen om een onderzoek te (laten) doen naar de betrouwbaarheid en actualiteit van de GRIP-informatie, maar dat het de beroepscommissie niet is gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Om die reden kon de voortduring van de ordemaatregel na een dag niet langer als redelijk en billijk worden aangemerkt, aldus de beroepscommissie. In deze casus heeft wel degelijk onderzoek plaatsgevonden door de inrichting, maar door een administratieve fout is door de directeur geen verweer gevoerd in de procedure bij de RSJ. Inmiddels zijn de procedures in beroepszaken door de betreffende penitentiaire inrichting aangepast, zodat herhaling wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat de in casu bestreden afzonderingsmaatregel was opgelegd op een vrijdag en maximaal drie dagen zou duren? Indien dat het geval is geweest, deelt u de mening dat gelet op de personele bezetting in de weekenden in penitentiaire inrichtingen en dientengevolge het onderzoek dat een directeur kan laten verrichten, de uitspraak van de RSJ des te opvallender is en dergelijk onderzoek in de toekomst extra bemoeilijkt op zulk een korte termijn?
De betrokken gedetineerde is inderdaad op vrijdag middels een ordemaatregel in een observatiecel geplaatst en de maatregel gold voor maximaal drie dagen. Kern in deze zaak is dat aan de RSJ ten onrechte niet is gemeld dat er onderzoek was ingesteld. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 deel ik niet de mening dat de beroepscommissie van de RSJ van de directeur verlangt dat deze het onderzoek binnen één dag afrondt.
Indien uw antwoord op de vorige twee vragen bevestigd luidt, kun u aangeven wat u wel een redelijke termijn acht waarbinnen informatie van het GRIP geverifieerd dient te worden en daarbij ordemaatregelen mogen (voort)duren, dit in het belang van de handhaving van de orde en de veiligheid in de inrichting?
Wat als een redelijke termijn moet worden beschouwd waarbinnen GRIP-informatie kan worden geverifieerd, moet per individuele casus worden beoordeeld. Dit kan niet in algemene termen worden aangegeven.
In hoeverre speelt volgens u bij deze ogenschijnlijke misvatting van RSJ over de uitvoeringspraktijk in inrichtingen mee dat in casu de directie niet haar standpunt heeft toegelicht bij de beroepscommissie van de RSJ? Is uw inschatting dat dit een verschil had kunnen maken in deze zaak? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de opvatting van de RSJ over de uitvoeringspraktijk in inrichtingen geen rol gespeeld bij het feit dat de directie haar standpunt niet heeft toegelicht ter zitting van de beroepscommissie van de RSJ. Door een administratieve fout is door de directeur geen verweer gevoerd in de procedure bij de RSJ.
Deelt u de mening dat het verstandig is, onder andere gelet op deze zaak, dat directies van inrichtingen zoveel mogelijk hun standpunten, zoals eerder verwoord bij de beklagcommissies, ook toelichten bij de beroepscommissie van de RSJ?
Het is aan de directeur van een inrichting om te beoordelen in hoeverre diens aanwezigheid bij de mondelinge behandeling van een beroepszaak van toegevoegde waarde kan zijn. In dat licht acht ik het dan ook niet nodig bij de directies van inrichtingen het belang van het voeren van verweer bij de beklagcommissie van de RSJ extra onder de aandacht te brengen.
Bent u er bekend mee dat financiële en logistieke redenen (tijdsaspect) belemmerend werken in de praktijk voor directies om af te reizen naar een zitting bij de RSJ? Hoe beoordeelt u dit en kunt u eventuele belemmeringen hieromtrent wegnemen?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre bestaat de mogelijkheid om ook schriftelijk verweer te voeren voor de directies en wordt hier ook voldoende van gebruik gemaakt in de praktijk?
Uit de artikelen 69, eerste lid juncto 63, tweede lid en 64, eerste lid van de Penitentiaire beginselenwet volgt dat schriftelijk verweer wordt gevoerd en dat de klager en de directeur in de gelegenheid worden gesteld mondeling opmerkingen te maken. De wet kent geen verplichting tot mondeling verweer voor de directeur. De beklag- en de beroepscommissie kunnen bepalen dat een mondelinge behandeling achterwege blijft.
Bent u bereid om naar aanleiding van bovenstaande zaak zowel bij de RSJ als bij de directies van inrichtingen het belang van het voeren van verweer bij de beklagcommissie van de RSJ door de directie een keer extra onder de aandacht te brengen?
Zie antwoord vraag 6.
De berichtgeving in verschillende media inzake de veiligheid van persoonsgegevens bij gemeenten |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «gemeente Amersfoort lekt zorggegevens» in het Algemeen Dagblad van 12 april 2016? Bent u eveneens op de hoogte van de inhoud van het onderzoeksrapport «Toestemming Sociaal Domein» zoals dat door de Autoriteit Persoonsgegevens op 19 april is gepubliceerd? Bent u daarnaast ook op de hoogte van het bericht «Gemeenten onzorgvuldig met privegegevens burgers» op NOS.nl, en het bericht «Persoonlijke gegevens niet in goede handen bij gemeenten» uit het NRC, beide verschenen op 19 april 2016? 1 2 3
Ja.
Is de berichtgeving dat de gemeente Amersfoort zich onlangs met het delen van de persoonsgegevens schuldig heeft gemaakt aan een zogeheten datalek, waar? Zijn inderdaad door een blunder van de gemeente Amersfoort de persoonsgegevens (waaronder de burgerservicenummers (BSN), de naam- en adresgegevens en een omschrijving van de (jeugd)zorg) van 1.000 tot 1.500 inwoners die zorg ontvangen via de sociale wijkteams) in verkeerde handen gevallen?
Er was inderdaad sprake van een incident in de gemeente Amersfoort dat is gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna ook: AP). De gemeente Amersfoort geeft op haar website openheid van zaken over de gebeurtenissen en de maatregelen die zij heeft getroffen om verdere verspreiding van de gegevens te voorkomen.
Hoe rijmt deze berichtgeving volgens u met uw antwoorden op eerdere vragen waarin u poneert dat uw inziens «geen gemeenten bekend zijn (red.) die informatiebeveiliging in het algemeen of de beveiliging van persoonsgegevens in het bijzonder niet op orde zouden hebben»?4 Kunt u deze discrepantie nader uitleggen c.q. verklaren? Welke stelling is juist: hebben gemeenten volgens u nou wel of niet de veiligheid van persoonsgegevens op orde? Zo nee, waarom niet en in welke mate niet?
Wanneer gemeenten en andere organisaties persoonsgegevens verwerken, is de Wet bescherming persoonsgegevens van kracht. Voor informatieverwerking in het sociaal domein komen daar nog specifieke bepalingen uit de materiewetten zoals de Wmo 2015 en de Jeugdwet bij. De Autoriteit Persoonsgegevens ziet daarop toe. Om verwerkers van persoonsgegevens inzicht te geven in de handhaving, heeft het College bescherming persoonsgegevens (de voorloper van de Autoriteit Persoonsgegevens) in 2013 richtsnoeren gepubliceerd (http://wetten.overheid.nl/BWBR0033572). Voor informatieveiligheid hebben gemeenten zich bovenop deze wettelijke plicht die geldt voor de verwerking van persoonsgegevens gecommitteerd aan de implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging voor Gemeenten (BIG).
Het incident in Amersfoort berustte op een menselijke fout, niet op een fout in de techniek of procedures.
In antwoord op vragen van de leden Veldman, De Caluwé en Oosenbrug (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2076) ging ik in op de wijze waarop gemeenten in samenwerking met hun toeleveranciers een kwetsbaarheid hebben opgelost en dat gemeenten de BIG als gezamenlijk normenkader hanteren. In dat normenkader staan fysieke, organisatorische en technische maatregelen beschreven die gemeenten doorvoeren om de beveiliging van gegevens zoveel als mogelijk te garanderen. Desondanks is een menselijke fout natuurlijk nooit 100% uit te sluiten. Het gaat er om dat gemeenten lering trekken uit dergelijke incidenten en deze benutten om hun beleid op details aan te scherpen. Ik constateer dat de gemeente Amersfoort direct actie heeft ondernomen om te trachten de fout te herstellen, en verdere verspreiding van de gelekte gegevens te voorkomen. Daarnaast heeft zij openheid van zaken gegeven naar zowel de burgers die het betreft, als naar de Amersfoortse bevolking en naar de gemeenteraad. Ook laat de gemeente het incident nader onderzoeken om te achterhalen hoe een dergelijke fout in de toekomst kan worden voorkomen. Een en ander leidt niet tot de conclusie dat gemeenten de informatiebeveiliging in het algemeen of de beveiliging van persoonsgegevens in het bijzonder niet op orde zouden hebben.
Bent u het eens met de stelling dat de berichtgeving in het Algemeen Dagblad over het datalek binnen de gemeente Amersfoort van onlangs overeenkomt met de resultaten van het onderzoek «Toestemming Sociaal Domein», zoals dat op 19 april door de Autoriteit Persoonsgegevens is gepubliceerd, en waarin wordt geconcludeerd dat geen van de 41 onderzochte gemeenten de wettelijke regels kende of deze correct toepaste? Zo ja, kunt u hier een reactie op geven? In hoeverre bent u bereid te erkennen dat er bij gemeenten op het gebied van de veiligheid van persoonsgegevens inderdaad een probleem bestaat, zoals de Autoriteit in haar onderzoek concludeert en waarvan de berichtgeving in het AD een voorbeeld is? Zo nee, kunt u hier eveneens een reactie op geven? Waarom zou er volgens u geen probleem met de veiligheid van persoonsgegevens bij gemeenten bestaan ondanks dat zowel het bovengenoemde onderzoek van de Autoriteit alsmede het bericht in het AD het tegendeel beweren, casu quo laten zien?
Ik ben het niet eens met de stelling dat de berichtgeving in het Algemeen Dagblad over het incident binnen de gemeente Amersfoort overeenkomt met de resultaten van het onderzoek dat op 19 april door de Autoriteit Persoonsgegevens is gepubliceerd. Het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens is gericht op het vragen van toestemming als wettelijke grondslag voor gegevensverwerking in het sociaal domein. De vraag of gemeenten al dan niet toestemming vragen aan hun cliënten als grondslag voor gegevensverwerking heeft niets te maken met de omgang met datalekken. Een incident als dat in Amersfoort moet gemeld worden bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Daar is iedere gemeente van op de hoogte. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in december 2015 beleidsregels uitgevaardigd voor de toepassing van de meldplicht datalekken in de Wet bescherming persoonsgegevens.
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het artikel «Gemeenten onzorgvuldig met privégegevens burgers» waarin naar voren komt dat gemeenten niet weten welke privacygevoelige informatie ze mogen vragen van burgers die bij hen aankloppen voor ondersteuning en zorg?
Het rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens gaat over de vraag hoe gemeenten omgaan met toestemming. De Autoriteit Persoonsgegevens constateert dat gemeenten veelal toestemming vragen voor gegevensverwerking in het sociale domein. De Autoriteit zegt dat toestemming meestal geen grondslag kan zijn in het sociaal domein omdat die toestemming niet in vrijheid gegeven kan worden, de betreffenden zijn immers afhankelijk van de gemeente voor hulp. De Autoriteit zegt echter ook dat er in die gevallen vaak een andere grondslag voor gegevensverwerking is, een in de materiewetgeving opgenomen wettelijke verplichting of publiekrechtelijke taak. Gemeenten die toestemming als grondslag zien, gaan dus uit van de verkeerde wettelijke grondslag. Aan dat onderwerp is het afgelopen jaar veel aandacht besteed in de ondersteuning van gemeenten.
Het voorbeeld dat in het artikel wordt aangehaald herken ik niet als algemeen beeld. Het is een verantwoordelijkheid van gemeenten om ervoor te zorgen dat hun medewerkers steeds zorgvuldige afwegingen maken omtrent de noodzaak om bepaalde gegevens wel of niet uit te vragen bij betrokkenen.
Kunt u een reactie geven op het feit dat de Autoriteit Persoonsgegevens5 «schrikt van het gebrek aan kennis over privacyregels» (bij gemeenten.)?
Natuurlijk begrijp ik dat de Autoriteit Persoonsgegevens daarvan schrikt. Het is voor de naleving van de privacyregels, waarop de Autoriteit toezicht houdt, immers van belang dat gemeenten goede kennis over die regels in huis hebben. Ik meen echter dat er sinds vorig jaar mei heel hard gewerkt is door gemeenten aan het vergroten van die kennis.
Kunt u zich voorstellen, dat burgers afgeschrikt kunnen worden wanneer hun gemeente hen allerlei persoonlijke vragen stelt?6 Zo nee, waarom niet?
Wanneer de vragen die gemeenten stellen niet ter zake en niet nodig zijn voor het uitvoeren van de gemeentelijke taken op basis van de hulpvragen van de betreffende burgers, kan dat burgers inderdaad afschrikken. Dat is ook niet toegestaan. Voorts ben ik het met de Autoriteit Persoonsgegevens eens dat het van belang is dat gemeenten goed uitleggen waarom ze persoonlijke gegevens vragen en voor welk doel ze die gebruiken. De Wet bescherming persoonsgegevens schrijft immers voor dat betrokkenen worden geïnformeerd over hun betreffende gegevensverwerkingen. Als burgers een goede uitleg krijgen zullen ze niet zo snel afgeschrikt worden.
Bent u het met de constatering van de Autoriteit Persoonsgegevens7 eens dat er momenteel te weinig waarborgen betreffende privacybescherming zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de wettelijke kaders voor die waarborgen op dit moment toereikend zijn. Ik ben ook van mening dat de handreikingen en richtlijnen die daarnaast geboden worden gemeenten in staat stellen om die waarborgen te treffen.
Bent u het met de constatering van de Autoriteit Persoonsgegevens8 eens dat u de zaak teveel op z'n beloop heeft gelaten? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet met de Autoriteit Persoonsgegevens eens zoals ik ook uiteengezet heb in mijn brief aan uw Kamer d.d. 29 april 2016 (Kamerstuk 32 761, nr. 98).
Bent u het met de constatering van de Autoriteit Persoonsgegevens9 eens dat er momenteel sprake is van verschillende regels die niet altijd in overeenstemming zijn met elkaar?
De Autoriteit Persoonsgegevens maakt in het rapport niet duidelijk welke regels volgens haar niet in overeenstemming zijn met elkaar. Als de Autoriteit concreet aangeeft welke regels zij bedoelt, zullen wij daar uiteraard naar kijken.
Kunt u een reactie geven op de constatering van de Autoriteit10 dat er sprake is van een «gebrek aan sturing vanuit Den Haag»? Houdt u vast aan de bewering in uw eerder genoemde antwoord op vragen waarin u poneerde dat «informatiebeveiliging van gemeenten een lokale aangelegenheid is»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad een verantwoordelijkheid van de gemeenten om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de wet. Zowel waar het gaat om de informatieveiligheid, als waar het gaat om de borging van de privacy van burgers.
Met betrekking tot de informatieveiligheid hebben gemeenten de afgelopen jaren veel inspanningen verricht en zich o.a. gecommitteerd aan de BIG. Bij de VNG is de IBD (Informatiebeveiligingsdienst) ingericht om gemeenten te ondersteunen bij de implementatie. Vanuit BZK hebben wij dat van februari 2013 tot februari 2015 ondersteund met de Taskforce Bestuur en Informatieveiligheid Dienstverlening
Met betrekking tot de Privacy sociaal domein heb ik u in mijn brief dd. 29 april 2016 uitgebreid geschetst hoe wij vanuit «Den Haag» richting gegeven hebben en gemeenten ondersteund hebben bij het op een goede manier borgen van de privacy.
Herkent u de situatie zoals geschetst11 dat gemeenten momenteel voor de zekerheid overal maar toestemming voor vragen – ook als dat wettelijk niet hoeft – wat volgens de Autoriteit Persoonsgegevens het vertrouwen van burgers in de overheid niet ten goede komt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen kan en wilt u nemen om dit vertrouwen van burgers te herstellen?
Ik ben het met de Autoriteit Persoonsgegevens eens dat -voor zover gemeenten dat nog steeds doen – die situatie ongewenst is. In mijn brief d.d. 29 april 2016, heb ik uitgebreid geschetst hoe wij gemeenten ook op dit punt ondersteund hebben om ervoor te zorgen dat zij de juridische basis van hun gegevensverwerking goed op orde hebben. Die ondersteuning wordt nog voortgezet via masterclasses onder de vlag van de VNG.
Ik heb geen indicatie dat een onjuist gebruik van toestemming door gemeenten ertoe heeft geleid dat het vertrouwen in de overheid is afgenomen.
Welke structurele maatregelen heeft u tot nu toe ondernomen om de veiligheid van persoonsgegevens bij gemeenten voor de burgers controleerbaar te verbeteren?
Binnen het wettelijke kader dat wordt geboden door de Wet bescherming persoonsgegevens is het beveiligen van persoonsgegevens bij gemeenten, net als informatiebeveiliging van gemeenten, een lokale verantwoordelijkheid. Gemeenten hebben de BIG als normenkader vastgesteld middels de Resolutie informatieveiligheid en zijn voortvarend aan de slag gegaan met de implementatie hiervan. De BIG biedt technische, organisatorische en fysieke handvatten om de beveiliging van persoonsgegevens te kunnen waarborgen. Gemeenten voeren een gefaseerde en gedifferentieerde implementatie van de BIG door die gebaseerd is op lokale (risico)afwegingen. De IBD is opgericht door gemeenten zelf en ondersteunt hen in generieke zin bij de implementatie van de BIG en faciliteert kennisdeling tussen gemeenten. Vanuit BZK is dat ondersteund met de Taskforce Bestuur en Informatieveiligheid Dienstverlening.
Bent u het met de Autoriteit Persoonsgegevens eens dat het tijd wordt dat gemeenten met duidelijke richtlijnen gaan werken? Bent u het met de Autoriteit Persoonsgegevens eens dat er een simpel overzicht moet komen van wat mag en wat niet? Zo nee, waarom niet?
Er zijn duidelijke richtlijnen, dat wil niet zeggen dat daarmee alles eenvoudig is. U vraagt om een simpel overzicht van wat mag en wat niet mag, maar zo werkt de Wet bescherming persoonsgegevens niet. De wet vraagt om een afweging te maken welke gegevens noodzakelijk zijn. Wat noodzakelijk is, is afhankelijk van de specifieke casus en de specifieke situatie. Bij een eenvoudige problematiek kunnen gemeenten toe met minder gegevens. Bij complexe multi-problematiek zullen meer gegevens noodzakelijk zijn om tot goede ondersteuning te komen.
Alleen voor standaardprocessen als het maken van een beschikking of facturering is een simpel overzicht mogelijk. Dat kan echter ook per gemeente verschillen. Niet iedere gemeente werkt met contracten op basis van individuele behandelingen. Sommige gemeenten werken met lump-sum bekostiging, daar zijn geen persoonsgegevens voor nodig.
Herkent u het beeld12 dat u «gemeenten heeft laten zwemmen bij de decentralisaties van zorgtaken door geen duidelijke regels over privacy mee te geven»?
Zoals ik in mijn brief van 29 april heb uiteengezet herken ik het beeld niet dat ik de gemeenten heb laten zwemmen.
Kunt u een reactie geven op het citaat van de heer Tomesen, vice-voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens: «Het Rijk had duidelijkheid moeten scheppen. Gemeenten weten nu niet wat ze ermee aan moeten, en dus ligt het probleem bij de burger»? Kunt u aangeven wat u van plan bent te doen om ervoor te zorgen dat dit probleem bij de burger wordt weggenomen?
Ik ben niet van mening dat het Rijk geen duidelijkheid heeft geschapen. Wij hebben mede naar aanleiding van eerdere signalen van de Autoriteit Persoonsgegevens richting gegeven aan gemeenten middels de kabinetsvisie «Zorgvuldig en bewust». Wij hebben vervolgens nadere invulling gegeven aan de wijze waarop gemeenten de privacy moeten borgen middels de Privacy Impact Assessment 3D. Vervolgens hebben wij met de VNG masterclasses verzorgd om gemeenten verder op weg te helpen. Telkens wanneer gemeenten in de uitvoering op onduidelijkheden stuitten is er vanuit Rijk en VNG van alles aan gedaan om helderheid te scheppen door middel van handreikingen etcetera. Waar nodig is ook de wet aangepast, zoals de veegwet Jeugd. Dat is wat ik bedoel met «richting geven aan de lerende praktijk.» Daar gaan we ook mee door, zoals u in mijn brief van 29 april 2016 heeft kunnen lezen(Kamerstuk 32 761, nr. 98).
Is het waar dat de Autoriteit Persoonsgegevens13, in het verleden herhaaldelijk heeft gewaarschuwd voor dit soort praktijken?
De Autoriteit heeft eerder zorgen geuit over mogelijke privacyrisico’s bij gemeenten. Mede daarom zijn er vanuit het Rijk en de VNG de afgelopen jaren allerlei acties ondernomen om gemeenten te ondersteunen bij een gestructureerde aanpak van privacy bij de nieuwe taken in het sociaal domein. Zie ook mijn antwoord op vraag 16 en mijn brief van 29 april 2016.
Kunt u reageren op de constatering van de heer Tomesen,14 dat daar «onvoldoende naar is geluisterd»?
Ik ben de Autoriteit Persoonsgegevens zeer erkentelijk voor haar rapport. Het rapport bevestigt voor mij dat de inhoudelijke richting die wij geven aan gemeenten de goede is. Juist omdat wij in het verleden goed geluisterd hebben naar de zorgen van de Autoriteit. Ik ben blij dat de Autoriteit duidelijkheid geeft aan gemeenten over wat zij als toezichthouder belangrijk vindt, zodat gemeenten hun verantwoordelijkheid kunnen nemen, met gebruikmaking van hetgeen het Rijk en de VNG hen hebben aangereikt.
Strafrechtelijke boetes in de schuldhulpverlening |
|
Sadet Karabulut , Michiel van Nispen |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, waarin het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) door de rechter gedwongen moest worden mee te werken aan het minnelijk traject zodat het CJIB in deze zaak akkoord moest gaan met een voorstel tegen finale kwijting?1
Ja
Wat zegt deze procedure volgens u over de mogelijkheden van het CJIB om maatwerk te leveren?
Bij de tenuitvoerlegging van financiële sancties zijn er naar mijn oordeel voldoende mogelijkheden om maatwerk te leveren.
In de zaak waarin de rechtbank Rotterdam uitspraak heeft gedaan over het toewijzen van een dwangakkoord, was sprake van een strafrechtelijke sanctie; een geldboete als gevolg van strafbaar gedrag dat betrokkene had kunnen vermijden. De wet biedt bij deze sanctie geen mogelijkheden om tot kwijtschelding van de restschuld over te gaan na een succesvol afgerond wettelijk schuldsaneringstraject. Wel is maatwerk mogelijk doordat een boete vanaf € 225,– in termijnen kan worden betaald. Voorts kan ook de restschuld na een schuldsanering nog in termijnen worden betaald indien de betrokkene niet in staat is om de sanctie in een keer te voldoen. Voor door de rechter opgelegde geldboeten die meer dan € 340,– belopen, kan door de betrokkene voorts om gratie worden verzocht. Daarnaast is er de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om in bijzonder schrijnende gevallen de (verdere) inning van in een strafbeschikking opgelegde geldboete niet meer opportuun te achten. Ten slotte bestaat bij de door de rechter opgelegde strafrechtelijke geldboeten de mogelijkheid om in plaats van de geldboete vervangende hechtenis toe te passen indien betaling van het verschuldigde bedrag niet mogelijk is. Daarmee wordt de financiële sanctie dan feitelijk omgezet in een vrijheidsbenemende sanctie.
Naast deze mogelijkheden voor maatwerk bij strafrechtelijke boetes zijn in de afgelopen jaren ook de mogelijkheden voor maatwerk bij Wahv sancties vergroot.
Wahv-sancties vanaf € 225 kunnen sinds 1 juli 2015 in termijnen worden betaald. Ik streef ernaar dat Wahv-sancties die na verhoging € 225 of meer bedragen vanaf 1 juli 2016 ook in termijnen kunnen worden betaald2. Voor de strafrechtelijke financiële sancties was het eerder al mogelijk betalingsregelingen te treffen. Indien dit geen uitkomst biedt, kan worden beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor meer maatwerk, bijvoorbeeld via het team Schrijnende gevallen bij het CJIB. Om personen in een problematische schuldensituatie daarbij meer perspectief te kunnen bieden en oneigenlijke druk op de wettelijke schuldsanering te voorkomen, heb ik in mijn brief van 14 januari 20163 gemeld dat sinds 1 januari 2016 de verdere inning van openstaande Wahv-sancties wordt beëindigd na een succesvol afgeronde minnelijke schuldregeling.4 Hiermee wordt voor personen die een sanctie wel willen betalen, maar dat niet ineens kunnen, persoonsgericht een voorziening getroffen.
Ziet u in het algemeen het probleem dat gemeentes veel mensen met strafrechtelijke boetes niet kunnen helpen, omdat voor de minnelijke schuldregeling geldt dat strafrechtelijke boetes alleen meegenomen kunnen worden als deze niet tijdens de regeling verjaren? Wat vindt u ervan dat hierdoor een situatie is ontstaan dat recente strafrechtelijke boetes wel meegenomen kunnen worden in een minnelijke schuldregeling (omdat recente boetes nog niet verjaren) en oudere bijna verjaarde boetes niet? Wat is hiervoor de rechtvaardiging?
Het uitgangspunt bij de tenuitvoerlegging is en blijft dat financiële sancties moeten worden voldaan. De sanctie vloeit immers voort uit vermijdbaar strafbaar gedrag van de persoon. Dit neemt niet weg dat aan betrokkene voorzieningen (zoals termijnbetalingen) worden geboden wanneer deze in een problematische schuldensituatie verkeerd.
Voor de Wahv-sancties geldt dat, zoals in antwoord op vraag 2 gemeld, sinds 1 januari 2016 de verdere inning van openstaande Wahv-sancties wordt beëindigd na een succesvol afgeronde minnelijke schuldregeling. Deze zaken worden dan ook meegenomen in minnelijke schuldregelingen. Voor de strafrechtelijke sancties geldt dat de restschuld na afloop van een minnelijk traject nog moet kunnen worden betaald. Dit heeft tot gevolg dat bij strafrechtelijke financiële sancties alleen kan worden ingestemd met een minnelijke regeling wanneer die sanctie tijdens de looptijd van de regeling niet verjaart en er nog ruimte is om tot inning van de restschuld te komen. De executie verjaringstermijnen zijn in het strafrecht vier jaren bij overtredingen en acht jaren of meer bij misdrijven. Daarbij geldt voor de overtredingen dat de verjaringstermijn met twee jaren wordt verlengd op het moment dat uitstel van betaling of betaling in termijnen is toegestaan door het openbaar ministerie5. Op grond van de wet dient deze termijnverlenging ook toegepast te worden in het kader van minnelijke schuldhulpverleningstrajecten. Daarmee is de periode om tot betaling van een geldboete te komen ten minste 6 jaren. Mijns inziens biedt dit voldoende ruimte om tot een regeling te komen.
Klopt het dat als dit niet wordt opgelost er vaker een dwangakkoord zal worden gevraagd en opgelegd, met als gevolg dat er vaker finale kwijting zal worden verleend? Zou u dit wenselijk vinden?2
Het is voorbehouden aan de civiele rechter om te beoordelen of in een concreet geval een dwangakkoord moet worden opgelegd. Vanuit het oogpunt van de strafrechtelijke handhaving, waaronder het punitieve doel van de sanctie en het vergoeden van schade aan slachtoffers, acht ik het niet wenselijk wanneer structureel via die weg de restantvorderingen van strafrechtelijke sancties worden kwijtgescholden.
Zou het een oplossing zijn om, net als bij de Wet schuldsanering natuurlijke personen, ervoor te zorgen dat de verjaring opgeschort kan worden? Zo nee, welke oplossing ziet u dan hiervoor?
Zie antwoord vraag 3.
De betrokkenheid van Curaçao bij een gokschandaal in Australië |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Welke wetgeving heeft Curaçao voor de regulering van de honderden internationaal opererende Curaçaose online casino’s?1
Ik kan mij over deze vragen niet uitlaten omdat het vragen zijn die een landsaangelegenheid van Curaçao betreffen.
Hoeveel Internet Service Providers (ISP’s) op Curaçao hebben een masterlicentie? Welke zijn dit?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het toezichthoudende orgaan op Curaçao op de masterlicentiehouders?
Zie antwoord vraag 1.
Wie ziet toe op de honderden internationale online casino’s/sport betting (sublicensees) exploitanten op Curaçao?
Zie antwoord vraag 1.
De gesubsidieerde milieurechtsbijstand |
|
Jaco Geurts (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven wat de ratio is achter de beleidsregel dat in kader van toekenning van gesubsidieerde rechtsbijstand in milieuzaken niet de hoogste eigen bijdrage wordt gevraagd van rechtspersonen conform artikel 36, tweede lid, van Wet op de rechtsbijstand (Wrb), maar slechts 25% van de hoogste eigen bijdrage?1
Met ingang van 1 januari 2008 is de milieurechtsbijstand volledig ingebed in het reguliere stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Vanaf die datum moeten ook de aanvragen voor milieurechtsbijstand voldoen aan de eisen die bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand worden gesteld. Die eisen zien zowel op de inhoudelijke als de financiële eisen. Bij gelegenheid van deze beleidswijziging is door de toenmalige Staatssecretaris van justitie onderkend dat de draagkrachtnorm voor rechtspersonen in de Wet op de rechtsbijstand een beletsel zou kunnen vormen voor de toegang tot het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voor natuur- en milieugroepen (zie ook de brief van 29 oktober 20072 aan uw Kamer). Met het stellen van de draagkrachtgrens van tienduizend euro en de reductie op de eigen bijdrage is beoogd een ongewenste vraaguitval onder milieurechtspersonen bij de toegang tot het recht te voorkomen.
Kunt u bevestigen dat deze maatregel na een jaar – de geplande datum van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 januari 2009 – geëvalueerd zou worden en zou worden bezien of deze nog langer van kracht zou moeten zijn?2
In bovengenoemde brief van 29 oktober 2007 wordt meegedeeld dat na ommekomst van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2008, zal worden bezien of de maatregel ter voorkoming van ongewenste vraaguitval onder rechtspersonen nog langer van kracht zal moeten zijn. Voor zover ik dit heb kunnen nagaan is hieraan geen gevolg gegeven. De reden daarvan is mij niet bekend. Ik zal de raad voor rechtsbijstand verzoeken te onderzoeken of deze maatregel, gelet op de oorspronkelijke doelstelling daarvan, moet worden gehandhaafd. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten daarvan informeren.
Klopt het dat deze evaluatie van de eigen bijdrage in milieuzaken nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Bent u alsnog bereid dit te doen teneinde te kunnen beoordelen of de korting op de eigen bijdrage nog gewenst is? Zo ja, wanneer heeft deze evaluatie plaatsgevonden en kunt u de uitkomsten daarvan aan de Kamer zenden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel toevoegingen zijn er sinds 2008 jaarlijks verstrekt op grond van de Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen in het kader van gesubsidieerde milieurechtsbijstand? Kunt u daarbij aangeven per jaar hoeveel in totaal is uitgekeerd aan gesubsidieerde milieurechtsbijstand en voorts wat de gemiddelde bijdrage betreft per jaar? Kunt u ook aangeven wat jaarlijks de gemiddelde eigen bijdrage is geweest van milieurechtspersonen sinds de instelling van genoemde beleidsregel in 2008?
De raad voor rechtsbijstand heeft de volgende gegevens verstrekt over de toevoegingen verleend aan milieurechtspersonen sinds 2008.
jaar
Afgegeven toevoegingen
Vastgestelde
toevoegingen
Totaal vastgesteld
Gemiddelde vastgestelde eigen bijdrage
2008
228
50
€ 51.885
€ 182,02
2009
231
153
€ 165.688
€ 182,04
2010
218
198
€ 212.547
€ 180,86
2011
189
189
€ 204.894
€ 194,34
2012
205
210
€ 209.401
€ 190,40
2013
207
185
€ 169.538
€ 191,60
2014
219
238
€ 223.154
€ 197,20
2015
187
165
€ 138.245
€ 198,65
Klopt het dat bij de beoordeling van de draagkrachttoets van een rechtspersoon niet wordt gekeken naar de draagkracht van de betreffende individuele leden of bestuurders?
Bij de draagkrachttoets van een rechtspersoon baseert de raad voor rechtsbijstand zijn oordeel louter op de gegevens over het eigen vermogen of de eigen inkomsten van de betreffende rechtspersoon. Dit volgt uit het wettelijk kader van de Wet op de rechtsbijstand. Daarbij kijkt de raad of de kosten van rechtsbijstand uit het vermogen of het inkomen van de rechtspersoon kan worden voldaan. Dat vermogen of inkomen kan bestaan uit bijvoorbeeld bijdragen van de leden.
Aan de onderhavige regeling ligt ten grondslag dat milieurechtspersonen op moeten kunnen komen voor het milieu. De regeling is daarom zo ingericht dat de toegang tot het recht voor minder draagkrachtige milieurechtspersonen verzekerd blijft.
Ik heb geen gegevens over de privéinkomsten en -vermogens van leden en bestuurders van milieurechtspersonen. Deze gegevens zijn ook niet relevant voor de vaststelling van de draagkracht van rechtspersonen, zoals bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand. Ik zal hier derhalve geen nader onderzoek naar laten doen.
Bent u er bekend mee dat veel leden en bestuurders van milieurechtspersonen over veel meer dan € 10.000 privé inkomsten en/of vermogen beschikken, dat de grens is van het bedrag waarboven thans de rechtspersoon zelf de kosten van rechtsbijstand uit eigen middelen moet betalen? Zo ja, deelt u de mening dat het niet billijk is dat deze milieurechtspersonen gebruik maken van gemeenschapsgeld om te procederen en hoe kunt u hier tegen optreden? Zo nee, bent u hier bereid nader onderzoek naar te doen, ook in het kader van de in deze vragen aan de orde gestelde evaluatie van deze beleidsmaatregel?
Zie antwoord vraag 5.
Niet meer internationaal bellen vanuit Venezuela |
|
André Bosman (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Geen international calls meer vanuit Venezuela»?1
Ja.
Is het waar dat de twee grootste providers van het land – het grootste buurland van het Koninkrijk – de mogelijkheid om internationaal te bellen hebben afgesloten? Klopt het ook dat de reden daarvoor is dat de providers de rekeningen van buitenlandse providers niet meer kunnen betalen? Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, de providers Digitel en Movistar beschikken niet over voldoende deviezen om die betalingen te voldoen voor mobiel telefoneren. Telefoneren naar het buitenland met een vaste lijn is nog wel mogelijk. Dit is één van de gevolgen van de economische crisis in Venezuela, die op meer gebieden voelbaar wordt.
Klopt het dat het bezorgen van internationale post al eerder is stopgezet door het Venezolaanse staatspostbedrijf? Heeft de Venezolaanse bevolking nog wel andere mogelijkheden om internationaal te communiceren? Is het internet bijvoorbeeld nog wel beschikbaar, waardoor via online-diensten nog internationaal getelefoneerd en gecommuniceerd kan worden? Voor welk aandeel van de bevolking is dat geen werkbaar alternatief? Kunt u uw antwoord toelichten?
Privé postbedrijven zoals DHL en UPS bezorgen nog steeds vanuit en naar het buitenland. Internet is beschikbaar en de bevolking is zeer actief op sociale media, die belangrijk zijn voor communicatie en nieuwsvoorziening (het percentage van de bevolking dat Twittert, behoort in Venezuela tot een van de hoogste ter wereld). In de meer veraf gelegen rurale gebieden is de dekking van telefonie en internet beperkter, maar vindt ook minder communicatie met het buitenland plaats.
Wat betekent deze maatregel voor oppositiepartijen in Venezuela? Op welke wijze beperkt het de mogelijkheden en vrijheden om effectief te opereren voor deze partijen nog verder? Lopen zij hierdoor extra risico’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het niet internationaal mobiel kunnen telefoneren zal alle gebruikers daarvan – inclusief leden van de oppositiepartijen – in hun communicatie beperken, maar er zijn thans geen indicaties dat de oppositie daardoor grotere risico’s zou lopen. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2 is de maatregel genomen uit economische noodzaak en vooralsnog is niet gebleken van mogelijke samenhang met de wijze waarop de regering de oppositie tegemoet treedt.
Hoe beoordeelt u deze maatregel in het licht van de repressieve manier van optreden door het Venezolaanse regime? Ziet u hierin een voorbode van hard(er) ingrijpen door de regering?
Zie antwoord vraag 4.
Werken maatregelen als deze, die de bevolking steeds verder isoleren, volgens u als een katalysator voor (grootschalige) migratie, onder meer naar het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden? Bent u het ermee eens dat de risico’s hierop steeds verder toenemen? Op welke wijze anticipeert het kabinet daarop? Kunt u uw antwoord toelichten?
De regering monitort de ontwikkelingen in Venezuela nauw. De afgelopen maanden is sprake van een druppelsgewijze instroom van Venezolanen, in het bijzonder in Aruba en Curaçao. Aruba en Curaçao hebben, behorende bij de autonome bevoegdheden op dit terrein, diverse maatregelen getroffen om illegale migratie tegen te gaan. Zo vinden er verscherpte controles op de luchthavens plaats en zijn toelatingseisen aangescherpt. De inschatting van de regering is nog steeds dat de situatie in Venezuela niet zal leiden tot grootschalige migratie naar de Caribische landen van het Koninkrijk. De regering is zich bewust van de mogelijke gevolgen van elke vorm van migratie. De regering staat hierover in nauw contact met de Caribische delen van het Koninkrijk. Daar zijn ook Defensie en de Kustwacht in het Caribisch gebied bij betrokken. Uiteraard vindt er ook overleg plaats met Venezuela, om deze problematiek en de situatie in dit land aan de orde te stellen.
Een door de school in de steek gelaten geïntimideerde homo-leerling |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Homo-leerling uit klas gezet na pesterijen»?1
Ja.
Is het waar dat een leerling die structureel geïntimideerd en gepest is vanwege zijn geaardheid, uit de klas is geplaatst?
In algemene zin ben ik van mening dat slachtoffers niet herplaats moeten worden, maar daders gestraft moeten worden. In dit specifieke geval lag de, de feitelijke situatie echter genuanceerder en ingewikkelder. De weergave van het artikel herken ik daarom niet. Toen de betrokken leerling vorig jaar uit de kast kwam, leidde dat niet tot pesterijen, maar is daar juist goed op gereageerd. Pas onlangs is sprake geweest van pesterijen, dit kwam dus niet structureel voor. De school heeft conform haar beleid gekozen voor een pedagogische benadering, waarbij met de leerlingen en hun ouders is gesproken. In overleg met de moeder, is de jongen tijdelijk in een tussenvoorziening op school geplaatst. Op dit moment wordt bekeken welke klas of opleiding het beste bij hem past. Die keuze wordt bepaald door het cognitieve niveau en de wensen van de leerling, de maatregel is niet als straf bedoeld en niet primair gerelateerd aan het pestincident.
In hoeverre deelt u de visie dat hier sprake is van de omgekeerde wereld, en niet het slachtoffer uit de klas, maar de dader(s) van school verwijderd dienen te worden?
Naar aanleiding van het pestincident en de klappen die de jongen heeft uitgedeeld, zijn beiden een dag geschorst geweest. In deze specifieke situatie speelden meerdere zaken mee. Gezien ook de verdere aanpak van de school (zie antwoord op vraag 4) vind ik niet dat hier sprake is van de omgekeerde wereld.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om er voor te zorgen dat scholen, ook specifiek de school in kwestie, niet zwichten voor homohaat, maar dat zij dit probleem krachtig – en dus niet alleen op papier – bestrijden?
De Wet veiligheid op school is met ingang van 1 augustus 2015 van kracht en verplicht scholen werk te maken van de sociale veiligheid op school. Scholen zijn verplicht om veiligheidsbeleid te voeren, de veiligheidsbeleving van leerlingen jaarlijks te monitoren en om een persoon het beleid tegen pesten te laten coördineren en tevens te fungeren als aanspreekpunt voor ouders en leerlingen. De sectorraden ondersteunen scholen samen met Stichting School en Veiligheid bij de invulling van de wettelijke randvoorwaarden. De Inspectie van het onderwijs (hierna inspectie) geeft scholen een jaar de tijd voor implementatie en start aankomend schooljaar met handhaving.
Daarnaast zijn sinds december 2012 de kerndoelonderdelen seksualiteit en seksuele diversiteit ingevoerd in het primair en het voortgezet onderwijs. Dat betekent dat scholen verplicht zijn hun leerlingen te leren over respectvolle omgang met seksualiteit en diversiteit. Om scholen te helpen bij de invulling van deze kerndoelonderdelen heeft de Stichting Leerplanontwikkeling in opdracht van OCW een leerplanvoorstel gemaakt met een uitwerking per schoolsoort en leeftijdsgroep, en een overzicht van het mogelijke lesmateriaal. De inspectie voert op dit moment op mijn verzoek een onderzoek uit naar de invulling die scholen geven aan seksualiteit (waaronder seksuele weerbaarheid) en seksuele diversiteit. De uitkomsten van het onderzoek worden deze zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. De inspectie bezoekt in het kader van reguliere, geplande onderzoeken binnenkort ook deze school. Daarin zal ook het veiligheidsbeleid, zowel curatief als preventief, aan de orde komen.
De inspectie heeft naar aanleiding van dit voorval ook contact gehad met de school in Coevorden. Daaruit blijkt dat de school zeker niet «zwicht voor homohaat»: alle leerlingbegeleiders en directieleden hebben voorlichting gehad over seksuele diversiteit en ook in de klas wordt voorlichting gegeven en worden gesprekken gevoerd over seksuele diversiteit. De school doet dit in overleg met het COC Groningen. Ook naar aanleiding van dit incident overlegt de school binnenkort met het COC Groningen wat zij nog beter had kunnen doen. Daarnaast geeft de school voorlichting aan leerlingen over het gebruik en de gevaren van sociale media.
Ziet u de parallel met de wens van «zachte krachten» in de samenleving om ook bedreigde homo's in asielzoekerscentra over te plaatsen, in plaats van de daders aan te pakken? Zo nee, het betreft toch in beide gevallen homohaat en een zwichtende autoriteit?
Nee, de situatie van jongeren in een Nederlandse klas vind ik niet goed vergelijkbaar met de situatie van asielzoekers in de noodopvang. Bovendien is de tijdelijke overplaatsing van LHBT asielzoekers nadrukkelijk op hun eigen verzoek geweest. Daarnaast worden daders wel degelijk aangepakt. Ik verwijs u naar de brief die de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mede namens mij op 31 maart jl. naar de Kamer heeft gestuurd, over de aangescherpte aanpak van overlast gevende asielzoekers. Discriminatie en bedreiging van medebewoners, medewerkers of vrijwilligers wordt niet getolereerd (Kamerstuk 19637, nr. 33042).
De betrokkenheid van Curaçao bij een gokschandaal in Australië |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Klopt het dat Curaçao in 2012 een online-gokvergunning heeft gegeven aan EmuCasino, dat in Australië betrokken is bij grootschalige illegale gokpraktijken?1
Ik kan mij over deze vragen niet uitlaten omdat het vragen zijn die een landsaangelegenheid van Curaçao betreffen.
Klopt het dat EmuCasino «opereert» vanuit Malta en «gevestigd» is in Panama? Klopt het dat het bedrijf in Panama een trust heeft via Quijano & Associates – een concurrent van Mossack Fonseca – om de werkelijke eigenaar aan het zicht te onttrekken?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de vergunning van EmuCasino een sublicentie is van de Gaming Services Provider op Curaçao?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat casinobaas Rudolfo «Rudy» Pizziolo de eigenaar is van deze Gaming Services Provider?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel sublicenties heeft Gaming Services Provider sinds 1996 internationaal verstrekt? Klopt het dat KPMG de accountant is van Pizziolo?
Zie antwoord vraag 1.
Ontheffing lengte samenstel van landbouwtrekkers en aanhangwagen(s) |
|
Jaco Geurts (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geen ontheffing kan verlenen van de wettelijk toegestane maximale lengte van 18,75 meter van een samenstel van landbouwvoertuigen?
Ja.
Is het waar dat er naast de aspergetelers ook telers in andere groene sectoren (aardbeien, prei enz.) in de praktische bedrijfsuitvoering getroffen worden door de beperkingen in de lengte van de voertuigen? Zo ja, kunt u de aard en de omvang van die beperkingen schetsen?
Vanaf 1 januari 2016 mogen combinaties van (land)bouwvoertuigen en aanhangwagens maximaal 18,75 meter lang zijn. Voorheen was dat nog 18,00 meter. Met deze zeer recente wijziging is de lengte van voertuigcombinaties in de landbouw in lijn gebracht met richtlijn 96/53/EG.
Klopt het dat er momenteel een landelijke actie gaande is op controle en handhaving van de lengte van de combinatie van landbouwtrekkers en aanhangwagen(s)? Zo ja, wat is de reden van deze controle en handhaving? Waarom wordt de actie juist in deze periode uitgevoerd?
Nee, er is geen landelijke actie gaande op controle en handhaving op landbouwcombinaties. Wel is in het najaar van 2015 in Friesland en in Limburg gecontroleerd op landbouwverkeer en motorvoertuigen met beperkte snelheid. Daarbij zijn waarschuwingen uitgedeeld. Omdat er in Limburg aanhoudende overtredingen zijn geconstateerd op het gebied van snelheid, scherpe- en of uitstekende delen, slecht of niet afgedekte lading, verlichting en meer van dit soort zaken heeft de politie begin maart al aangekondigd in de provincie Limburg verscherpte controles uit te gaan voeren op dit soort overtredingen. Dit heeft in alle regionale bladen en landbouwvaktijdschriften gestaan.
Bent u het er mee eens dat in casu een geringe lengteoverschrijding van de maximaal toegestane lengtemaat voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) van ongeveer twee meter geen of nagenoeg geen impact op de verkeersveiligheid heeft?
De toegestane maximum maten en gewichten voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) zijn juist met het oog op de verkeersveiligheid en infrastructurele beperkingen vastgesteld. Vanuit dat oogpunt is de lengte op 18,75 meter gemaximeerd.
Bent u bereid om het mandaat van de RDW te verruimen in die zin dat (incidentele) ontheffingen ook kunnen gelden voor een samenstel van (landbouw)voertuigen die langer zijn dan 18,75 meter?
Zoals bij de vorige vraag aangegeven is de lengte voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) gemaximeerd op 18,75 meter. De bevoegdheid om een incidentele ontheffing verlenen, bijvoorbeeld als het gaat om een ondeelbare lading, ligt bij de provinciale of gemeentelijke wegbeheerder. De RDW heeft die bevoegdheid niet, dus kan ik ook geen mandaat verruimen.
Het bericht ‘Ik wil naar huis, naar mijn gezin’ |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Ik wil naar huis, naar mijn gezin»?1
Ik begrijp dat deze mevrouw graag bij haar gezin is en daar deel van wil uitmaken. Dat mevrouw het gevoel heeft dat ze tegen haar wil wordt vastgehouden, is geen wenselijke situatie. Mensen met behoefte aan chronische ademhalingsondersteuning kunnen in veel gevallen ook in de thuissituatie geholpen worden. Het Centrum voor thuisbeademing (CTB) kan onderzoeken of de mogelijkheid bestaat dat mevrouw thuis kan wonen. Voordat iemand naar huis kan met beademing stelt het CTB een aantal voorwaarden, zodat een patiënt veilig thuis kan verblijven. De medische situatie wat betreft de beademing moet stabiel zijn en er moet voldoende en goed opgeleide zorg zijn die kan handelen als er iets mis gaat met de beademing.
Kunt u begrijpen dat mevrouw liever thuis bij haar man en kinderen wil wonen dan alleen op een kamertje wil zitten? Vindt u het acceptabel dat het geweigerd wordt, en mevrouw tegen haar wil wordt vastgehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat de verpleeghuisarts zelfs dreigt met een rechterlijke machtiging als de familie doorzet mevrouw naar huis te halen? Kunt u er voor zorgen dat mevrouw dan optimale rechtsbijstand wordt geboden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens de wet kan een arts een rechterlijke machtiging aanvragen. Dan moet er echter aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Het inzetten van rechtsbijstand is een procedure die mevrouw en haar familie zelf moet inzetten. Daar kan ik geen hulp bij bieden. Het zorgkantoor kan ook met deze mevrouw meedenken over alternatieven die beter aansluiten op haar wensen.
Wat is uw reactie op de noodkreet van mevrouw Groenveld dat zij als ALS-patiënt gedwongen wordt in een verpleeghuis te verblijven, terwijl zij graag thuis bij haar man en kinderen wil wonen in haar laatste levensfase?2
Vindt u het ook een totaal ongewenste uitkomst van het criterium dat een indicatie alleen omgezet mag worden in een «volledig pakket thuis» als dat «doelmatig» kan; met andere woorden als dat niet meer geld kost dan in een verpleeghuis?
Erkent u dat het mevrouw en haar gezinsleden kostbare gezamenlijke tijd ontnomen wordt, enkel en alleen omdat de verzorging in de thuissituatie te duur zou zijn? Vindt u dit een gewenste uitkomst van uw beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u er voor zorgen dat mevrouw Groenveld thuis kan worden verzorgd, zodat zij en haar verwanten de ruimte wordt geboden zich voor te bereiden op het afscheid?
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen deze twee situaties in het kader van de motie Leijten die de garantie vraagt dat niemand kan worden gedwongen ergens te wonen waar men niet wil?3
In de genoemde motie wordt de regering gevraagd te garanderen dat mensen niet worden gedwongen ergens te gaan wonen waar ze niet willen wonen. Deze motie is ingediend tijdens het debat over overbruggingszorg en de keuzevrijheid die cliënten daarbij hebben. Ik heb destijds aangegeven dat de overheid mensen niet kan dwingen ergens te gaan wonen waar ze niet willen wonen. In de twee situaties die nu zijn aangereikt gaat het niet zozeer om de vrijheid van de keuze van de gewenste instelling, maar om de mogelijkheden van verantwoorde zorg thuis.
Op welke wijze heeft deze mevrouw iets aan het beleidsvoornemen «Van systemen naar mensen»?
Ik ben van mening dat het zorgkantoor zich heeft ingespannen om samen met deze cliënt te zoeken naar een passende oplossing. Ik ben van mening dat dit past binnen het beleidsvoornemen «van systemen naar mensen».