Het bericht dat ouderen of instanties kinderen opzadelen met enorme pgb-schulden |
|
Renske Leijten , Nine Kooiman |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Was u op de hoogte van het feit dat kinderen geregeld worden opgezadeld met enorme pgb-schulden, omdat hun ouders of instanties het geld onterecht op hun naam hebben ontvangen?1
In algemene zin was bekend dat de uitvoering van pgb’s onder de AWBZ, waarin nog geld op de rekening werd gestort, soms leidde tot misbruik. Door de artikelen die zijn gepubliceerd via KRO NCRV De Monitor heb ik kennis genomen van deze specifieke casuïstiek.
Kunt u uitleggen hoe kinderen voor hun 18e jaar verantwoordelijk kunnen zijn voor het beheren van een pgb?
Het pgb werd door de ouder namens de minderjarige aangevraagd en verleend aan de minderjarige. Met de toekenning komen de aan het pgb verbonden rechten en verplichtingen op de minderjarige te rusten. Het kan voorkomen dat de ouder die het pgb beheert de gelden niet kan verantwoorden en daardoor te maken krijgt met een terugvordering van het zorgkantoor. Het wordt problematisch als de ouder deze vordering niet accepteert, stopt met betalen of als er geen verhaalsmogelijkheden zijn bij de ouder. In de meeste gevallen treft de ouder een betalingsregeling met het zorgkantoor en neemt diens verantwoordelijkheid voor de vordering. Echter nu blijkt dat ook situaties voorkomen waarin de ouder de vordering niet betaalt en de zorgkantoren verwijzen naar het kind. Bij een minderjarig kind is de ouder verantwoordelijk en treffen de gevolgen van zijn handelen het kind. Op het moment dat het kind meerderjarig wordt, is het zelf verantwoordelijk voor zijn handelen. Op dat moment wordt het kind geconfronteerd met een terugvordering van het zorgkantoor die is ontstaan door het handelen van zijn ouder. Deze situatie vind ik zeer onwenselijk. Mijns inziens moet de vordering worden verhaald bij de veroorzaker, in dit geval de ouder. Voor mij staat voorop dat deze kinderen recht hebben op Wlz-zorg. Ik vind het dan ook triest om te moeten vernemen dat een kind door toedoen van zijn ouders mogelijk niet de zorg heeft gekregen die het nodig had.
Hoe is het mogelijk dat kinderen vanaf hun 18e jaar met terugwerkende kracht opdraaien voor een pgb-schuld, terwijl zij voor die leeftijd geen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het geld?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het kinderrechtenverdrag (artikel 3), waarin is opgenomen dat het belang van het kind altijd voorop dient te staan bij maatregelen die kinderen aangaan? Zo ja, bent u bereid per direct een einde te maken aan de mogelijkheid om kinderen op te zadelen met enorme pgb-schulden, waar zij zelf geen verantwoordelijkheid voor konden dragen? Zo neen, waarom staat u toe dat niet in het belang van het kind gehandeld wordt, en zelfs hun rechten geschonden worden?2
Het belang van het kind dient altijd een eerste overweging te zijn. Zoals eerder aangegeven vind ik het onwenselijk dat een meerderjarige budgethouder wordt geconfronteerd met het onrechtmatige handelen van zijn ouders. Te meer omdat het kind, indien de ouder zelf de verantwoordelijkheid voor diens handelen niet neemt, alleen via tussenkomst van een rechter de vordering bij hem kan neerleggen. Daarom ben ik met zorgkantoren en de NZa in gesprek om te komen tot een oplossing voor deze AWBZ-casuistiek.
Vindt u het ook schrijnend dat kinderen enkel bij de rechter in beroep kunnen gaan om de schuld bij de ouder(s) neer te leggen die het pgb eerder aangevraagd heeft? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen tegen hun ouder(s) moeten procederen om af te komen van een pgb-schuld die zij niet hebben aangevraagd?3
Zie antwoord vraag 4.
Hoe oordeelt u over de verhalen over verschillende ouder(s) die hun kinderen bewust ziek maakten, of een ziekteverhaal verzonnen/aandikten, en ondertussen pgb-geld uitgaven aan andere zaken? Hoe vaak komt dit voor? Wordt hier onderzoek naar gedaan? Zo neen, waarom niet?4 5 6
Het is niet acceptabel dat kinderen door toedoen van hun eigen ouder(s) niet de juiste zorg/hulp hebben gekregen en dan ook nog de pgb-schuld van die ouder(s) erven. Of er in specifieke gevallen sprake is van kindermishandeling is een zaak van de gezinsvoogdij, de Raad voor de Kinderbescherming en uiteindelijk de rechter. Maar hoe dit ook zij, het feit dat kinderen hiermee worden belast is uitermate triest. Vanaf 1 januari 2015 worden pgb-aanvragen strenger onderzocht, waarbij aandacht is voor de vraag of een pgb in het belang is van het kind of dat zorg in natura meer geëigend is.
Wat is uw reactie op de uitspraak van een vertrouwensarts van Veilig Thuis die het volgende zei: «Het feit dat deze kinderen door moeders toedoen een schuld op hun naam hebben staan, zien wij als een vorm van kindermishandeling, materieel én psychisch»? Kunt u uw antwoord toelichten?7
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat bij de aanvraag van een pgb niet alleen het verhaal van de ouder(s) of instantie gehoord moet worden, maar ook van betrokkenen in de omgeving, zodat er een goed beeld ontstaat van het functioneren van het kind waarvoor een pgb wordt aangevraagd? Zo ja, bent u bereid de regels voor de aanvraag van een pgb te herzien? Zo neen, waarom niet?
Afhankelijk van de zorgvraag heeft een verzekerde toegang tot de Wlz, Wmo, Jeugdwet of Zvw. Binnen deze domeinen kan de verzekerde kiezen voor verschillende leveringsvormen, te weten een pgb, zorg in natura of een combinatie hiervan. Indien de zorgvraag valt onder de Jeugdwet beoordeelt de gemeente de hulpvraag en de manier waarop de jeugdhulp geleverd kan worden. Daarover gaat de gemeente met de aanvrager in gesprek. In de Wmo gebeurt dat via een keukentafelgesprek. Bij de Jeugdwet hangt dat af van de manier waarop de gemeente de toegang heeft georganiseerd. In geval de zorgvraag valt onder de Zorgverzekeringswet wordt bij kinderen in de meeste gevallen thuis door een gespecialiseerd kinderverpleegkundige een indicatie gesteld. Bij het bewustekeuzegesprek kan de zorgverzekeraar het kind en zijn ouders uitnodigen, welke ook thuis kan plaatsvinden. Daarnaast kan de zorgverzekeraar aanvullende informatie opvragen bij de kinderverpleegkundige of bij de huisarts. Zowel in de Wlz, als eerder in de AWBZ, is het de taak van het CIZ om de zorgbehoefte van de verzekerde vast te stellen. Bij het onderzoek naar de zorgbehoefte van zieke kinderen wordt door het CIZ informatie van de (kinder)arts en indien beschikbaar en aanwezig informatie uit andere bronnen (zoals paramedici, school, orthopedagogisch kinderdagcentrum, zorgaanbieder, andere behandelaars) gebruikt om de door ouders vermelde ziektes, aandoeningen, stoornissen en beperkingen in het functioneren te objectiveren. Het kind en zijn ouders kunnen vervolgens hun voorkeur voor een leveringsvorm (pgb, zorg in natura of een combinatie) kenbaar maken. Als er wordt gekozen voor het pgb dan vindt er een bewustekeuzegesprek plaats, en later als het pgb is toegekend, een huisbezoek. Dat zijn momenten waarbij het zorgkantoor meer zicht krijgt op de budgethouder.
Aangezien uit bovenstaande blijkt dat bij het moment van indiceren en beoordelen van de pgb aanvraag de omgeving wordt betrokken, zie ik geen reden om de regels omtrent de aanvraag te herzien. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het bewustekeuzegesprek en het huisbezoek momentopnames zijn, waardoor nooit uit te sluiten is dat lastig te constateren situaties niet (tijdig) aan het licht komen.
Hoeveel pgb’s zijn er uitgegeven op naam van kinderen? Bij hoeveel daarvan zijn vermoedens van fraude? Kunt u deze gegevens uitsplitsen over de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, en als het mogelijk is de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning?
De zorgkantoren zijn aan het inventariseren welke AWBZ-casuistiek problematisch is. Het gaat om situaties waarbij de vordering is ontstaan toen de budgethouder minderjarig was en de ouder de vordering niet accepteert, niet wil betalen of als er geen verhaalsmogelijkheid is. De casuïstiek moet vervolgens nader geanalyseerd worden om te weten of er sprake was van fraude, of van fouten in de verantwoording. Het onderzoek naar openstaande problematische vorderingen en de analyse daarvan kost tijd omdat de dossiers handmatig doorzocht moeten worden. Op hoeveel pgb’s er in de Wlz, Zvw, Jeugdwet en Wmo zijn uitgegeven op naam van kinderen en hoeveel daarvan daadwerkelijk problematisch zijn heb ik thans geen zicht.
Is bekend hoeveel jong-volwassenen geraakt zijn door het probleem dat namens hen tijdens hun kindertijd schulden zijn gemaakt door een verkeerde inzet van het pgb? Vindt u het zinvol uit te zoeken als dit niet bekend is? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Is het opzadelen van kinderen met een pgb-schuld nog steeds mogelijk met het huidige systeem van trekkingsrecht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het systeem van trekkingsrecht zorgt ervoor dat er een mogelijkheid is om maandelijks declaraties te controleren aan de hand van de goedgekeurde zorgovereenkomsten. Fouten in de verantwoording kunnen daardoor sneller naar voren komen en gecorrigeerd worden. Of kinderen opdraaien voor een pgb-schuld die is ontstaan terwijl zij minderjarig waren, is afhankelijk van de ouders. Net zoals onder de AWBZ ontstaat het probleem pas op het moment dat de ouder de vordering niet accepteert, niet wil betalen of als er geen verhaalsmogelijkheid is. Het feit dat met het trekkingsrecht het geld niet meer op eigen rekening komt, helpt in het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Het toegenomen geweld in de Angolese provincie Cabinda |
|
Eric Smaling |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Death toll in Angola's oil-rich Cabinda rises to nearly 40»?1 In hoeverre bent u bezorgd over deze gebeurtenissen, ook met het oog op de geplande presidentiële verkiezingen in 2017 in Angola?
Ja. Het in het artikel genoemde incident kan echter niet bevestigd worden. Uit vertrouwelijk ingewonnen informatie blijkt dat er geen recente militaire schermutselingen met slachtoffers tot gevolg hebben plaatsgevonden. Berichtgeving over incidenten in de provincie Cabinda verschijnen geregeld. Door een mediacampagne te voeren proberen meerdere partijen en personen aandacht te vragen voor ontwikkelingen in de Angolese provincie Cabinda.
Is inmiddels door de Angolese overheid bevestigd dat sinds eind juli jl. meer dan 30 soldaten van het Angolese leger en enkele rebellen van het FLEC (Front voor de Bevrijding van de Enclave Cabinda) zijn omgekomen?
Deze incidenten zijn door de Angolese overheid ontkend in een publieke verklaring. Vertrouwelijke bronnen bevestigen de Angolese regeringsverklaring.
Kunt u kort de geschiedenis van het conflict en in het bijzonder de aanleiding van de recente geweldsuitbarsting duiden, en daarbij de verschillende betrokkenen in kaart brengen?
Nadat Cabinda lang onder Portugees koloniaal gezag viel, tekenden in 1885 zowel Portugezen als 18 Cabindese stamhoofden een petitie die van Cabinda een Portugees protectoraat zou maken. De Angolese overheid trekt de rechtsgeldigheid van deze petitie, ook wel het Verdrag van Simulambuco, in twijfel.
In 1963 werd in Cabinda het FLEC (Front voor de Bevrijding van de Enclave Cabinda) opgericht. Het FLEC, een samensmelting van enkele Cabindese verzetsbewegingen, richtte een separatistische beweging op in de strijd tegen het Portugese bewind.
Portugal heeft in 1974 een referendum aangekondigd over zelfbeschikking van Cabinda. Dit referendum werd nooit gehouden en bij de onafhankelijkheid van Angola in 1975 werd Cabinda door Portugal en Angola tot provincie van Angola verklaard in het Verdrag van Alvor. Sindsdien is Cabinda officieel onderdeel van Angola. Met deze bepaling is het FLEC het niet eens en de beweging zet zich sinds die tijd in voor de onafhankelijkheid van Cabinda.
Naast het territoriale dispuut tussen het FLEC en de Angolese overheid is er sprake van een langlopend geschil over olie. Een deel van de bevolking van Cabinda, een gebied met grote oliereserves en olie-inkomsten, is van mening dat Cabinda onvoldoende profiteert van de olieopbrengsten. De Angolese overheid laat weinig ruimte voor afwijkende meningen omdat dit mogelijk de buitenlandse investeringen in de oliesector in gevaar kan brengen.
In 2006 werd een MoU ondertekend tussen de Angolese overheid en FLEC, waarmee de militaire activiteiten de facto werden beëindigd. Echter, met enige regelmaat verschijnen berichten waarin melding wordt gemaakt van spanningen en incidenten.
In hoeverre zijn deze schermutselingen het gevolg van (lokaal) verzet tegen de Chinese aanwezigheid in het olierijke gebied?
Er zijn geen aanwijzingen dat er nu sprake is van verzet tegen Chinese aanwezigheid in Cabinda.
In 2010 was er in Cabinda sprake van een aanval van het FLEC op een konvooi van Sonangol, het Angolese staatsolie bedrijf. In dit konvooi zaten ook Chinese medewerkers van Sonangol.
Voert de Angolese regering een de-escalerend beleid uit ten aanzien van Cabinda, en zo ja, kunt u een overzicht geven van de inspanningen van overheidswege?
Het beleid van de Angolese overheid ten aanzien van Cabinda is gericht op verdere ontwikkeling en diversificatie van de lokale economie. Alle provincies werken op basis van een provinciaal ontwikkelingsplan met de daarbij behorende middelen. De lokale autoriteiten werken bijvoorbeeld nauw samen met de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AFDB) voor de verdere ontwikkeling van de landbouwsector. Er is geen sprake van achterstelling ten opzichte van andere provincies.
In hoeverre vindt er diplomatiek overleg plaats tussen Aphonse Massanga van het FLEC, de Angolese president José Eduardo dos Santos en eventuele derden? Wordt er toegewerkt naar een politieke oplossing, en zo ja, welke?
De Angolese overheid verzet zich tegen het streven van het FLEC naar volledige onafhankelijkheid en ziet de provincie Cabinda als een onlosmakelijk deel van de staat Angola. Er is weinig bekend over mogelijk overleg tussen de Angolese regering en het FLEC over een politieke oplossing.
Welke oplossing voor dit langlopende conflict ligt volgens u in het verschiet? In hoeverre wordt daaraan gewerkt door internationale organisaties zoals de VN en de Afrikaanse Unie?
Uiteindelijk kan een oplossing van het geschil alleen bereikt worden door middel van politieke dialoog. De Verenigde Naties (VN) is met 11 organisaties (UNICEF, WHO, IOM, UNAIDS,UNFPA, FAO, UNHCR, World Bank, IMF, WFP en UNESCO) vertegenwoordigd in Angola. Deze organisaties zetten zich binnen hun mandaat in om de bevolking van Angola waar mogelijk te ondersteunen en zijn in veel gevallen ook actief in de provincie Cabinda, zoals recentelijk door de WHO bij de Gele Koorts epidemie. Door de VN wordt niet actief gewerkt aan het oplossen van het geschil tussen FLEC en de Angolese overheid.
Wel heeft de VN zich in het verleden ingezet om bij geschillen te bemiddelen in Angola, bijvoorbeeld middels het aannemen van Resolutie 567 in 1985 bij een geschil tussen Angola en Zuid-Afrika. Deze resolutie riep, onder andere, Zuid-Afrika op Angolees territorium te verlaten en moedigde dialoog aan tussen Angola, Zuid-Afrika en andere partijen. Ook heeft de VN in 1993 vredesonderhandelingen georganiseerd tussen «The National Union for the Total Independence of Angola» (UNITA) en de Angolese overheid (zie Resolutie 811 van de VN Veiligheidsraad).
Inzet van de Afrikaanse Unie (AU) is beperkt. In 2006 heeft de AU een klacht ontvangen van het FLEC over, onder andere, mensenrechtenschendingen van de Angolese overheid in Cabinda. In 2013 heeft de «African Commission on People’s and Human Rights» bepaald dat de klacht in behandeling kan worden genomen. De huidige status van deze klacht is onbekend.
Kunt u een overzicht geven van de Nederlandse activiteiten (zowel op overheids- als bedrijfsniveau) in Angola, en, indien van toepassing, in Cabinda?
De activiteiten van de Nederlandse overheid in Angola zijn voornamelijk gericht op het bevorderen van handelsbetrekkingen. Dit kreeg onder andere gestalte met een bezoek van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Angola in 2014, vergezeld door een handels- en bedrijvenmissie. Hiernaast komt een deel van de middelen van het regionale programma gericht op HIV/AIDS bestrijding en de bevordering van seksuele reproductieve gezondheid en rechten in Zuidelijk Afrika ten goede aan Angola.
Ook heeft Nederland aanbevelingen gedaan op het gebied van mensenrechten. Zo werd Angola in 2007 en 2014 aanbevolen om actie te ondernemen op het gebied van vrouwenrechten, kinderrechten en het recht tot huisvesting. Volgens het «Universal Periodic Review» heeft Angola op deze aanbevelingen «General Action» en «Specific Action» ondernomen, de hoogste resultaatgebieden van aanbevelingen.
Daarnaast brengt de Nederlandse overheid het Nederlands potentieel op agrarisch en watergebied onder de aandacht en haakt daarmee in op het Angolese streven naar diversificatie, teneinde de afhankelijkheid van olie als belangrijkste inkomstenbron terug te dringen. Angola heeft toegang tot meerdere programma’s van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO Nederland).
Behalve de bilaterale inzet is Nederland ook betrokken bij bijdragen aan Angola in het kader van de Europese Unie. Binnen het elfde European Development Fund van de Europese Unie draagt Nederland tussen 2014 en 2020 bij aan een samenwerkingsprogramma met Angola. Dit programma richt zich onder andere op onderwijs, landbouw, water en sanitatie. Ook tussen 2008 en 2013 heeft Nederland bijgedragen aan eenzelfde programma, namelijk het tiende European Development Fund. Dit programma richtte zich, onder andere, op goed bestuur, rechtsorde en mensenrechten.
Hiernaast heeft de Europese Unie in 2012 een samenwerkingsovereenkomst met Angola afgesloten. Deze samenwerkingsovereenkomst, «Joint Way Forward Angola – European Union» richt zich op het versterken van de dialoog en samenwerking met de Angolese overheid op onder andere vrede, veiligheid, rechtsorde en mensenrechten. Nederland, als lidstaat van de Europese Unie, is hierbij nauw betrokken.
Het Nederlandse bedrijfsleven in Angola is voornamelijk actief in de offshore oliesector. In Cabinda is daarnaast FUGRO actief als leverancier van diensten en expertise aan een oliebedrijf.
Ziet u een rol voor Nederland weggelegd als bemiddelaar in het conflict?
In het licht van de antwoorden op de bovenstaande vragen is er geen directe aanleiding voor Nederland om als bemiddelaar op te treden. In het kader van de EU-Angola «Joint Way Forward» wordt met Angola de dialoog aangegaan over een breed scala aan onderwerpen. Angola staat niet open voor een mogelijk bemiddelende rol in situatie in Cabinda, wat zij een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden beschouwen.
Zorgen om privacy in het onderwijs |
|
Eppo Bruins (CU), Paul van Meenen (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de resultaten van de enquête van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse Vereniging van Onderwijskundigen en pedagogen (NVO) over privacy in het onderwijs, waaruit blijkt dat veel pedagogen en psychologen die bij scholen en samenwerkingsverbanden werken, zich zorgen maken over privacy?1
Ja.
Herkent u signalen van deze pedagogen en psychologen dat er, nog steeds, onzorgvuldig wordt omgesprongen met gevoelige informatie over leerlingen?
Ik hecht veel waarde aan een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. De privacy van leerlingen mag niet in het geding zijn. Scholen en samenwerkingsverbanden hebben gegevens over leerlingen nodig om goed onderwijs te kunnen geven en wanneer dat nodig is, passende ondersteuning. Zij zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. Ik zie dat het onderwerp privacy hoger op de agenda staat en dat er veel ondersteunend materiaal beschikbaar is voor scholen, samenwerkingsverbanden en ouders. Tegelijkertijd herken ik de signalen dat het nog niet altijd in elke school en samenwerkingsverband goed gaat.
Welke acties hebben u en de sectororganisaties na het schriftelijk overleg op 22 december 20152 ondernomen om het zorgvuldig omgaan met informatie beter te borgen? Tot welke concrete maatregelen op scholen heeft dit geleid?
Het zorgvuldig omgaan met gegevens over leerlingen is en blijft mensenwerk. Juist daarom is het zo belangrijk dat het bewustzijn hiervan in scholen en samenwerkingsverbanden duurzaam wordt vergroot. Ik heb afspraken gemaakt met de PO-raad, VO-raad en Kennisnet over de uitvoering van verschillende activiteiten om dit te bereiken. Zo wordt in oktober weer de jaarlijkse Maand van de Privacy georganiseerd en staat het thema hoog op de agenda in workshops en campagnes. Aankomend najaar organiseren de sectorraden en Kennisnet regionale bijeenkomsten voor scholen waarbij wordt ingegaan op privacyaspecten in de werkprocessen rondom het bieden van passend onderwijs. Er is door de raden en het steunpunt passend onderwijs een handreiking privacy voor ouders opgesteld. Mijn ambtenaren vragen ook aandacht voor de privacy van leerlingen wanneer zij scholen en samenwerkingsverbanden spreken.
Naast het vergroten van het bewustzijn, is ook het ondersteunen en adviseren van scholen, samenwerkingsverbanden en ook ouders van wezenlijk belang. Er gebeurt veel op dit gebied. Zo biedt het NJI een handreiking aan om privacybescherming te bevorderen bij samenwerking van scholen met externe partners, zoals jeugdhulp en leerplicht. Er wordt ook gewerkt aan een handreiking voor de samenwerking in het kader van veiligheid (met politie en justitie). Deze handreiking wordt ook doorvertaald in een handzaam en toegankelijk document voor leraren. Verder hebben de sectororganisaties met aanbieders van digitale onderwijsmiddelen een privacyconvenant afgesloten. Recent is het werkingsgebied van het convenant verbreed van digitale leermiddelen en toetsen naar alle digitale onderwijsdienstverleners. Deze afspraken zijn uitgewerkt in een modelbewerkersovereenkomst die scholen kunnen gebruiken om goede afspraken te maken met aanbieders op het gebied van privacy. Steeds meer scholen maken hier gebruik van.
De sectororganisaties ondersteunen de scholen verder door concrete instrumenten te bieden zoals de brochure «Privacy in 10 stappen». Met deze praktische handleiding kunnen scholen in tien gemakkelijke stappen privacy op school regelen. Ook zijn er een model privacyreglement, een voorbeeld sociale mediaprotocol, voorbeeldteksten om ouders te informeren over privacy op school, een online «Quickscan privacy» en een voorbeeldbrief voor toestemming van ouders voor gebruik van foto's en video's beschikbaar voor scholen. Ouders & Onderwijs beantwoordt met regelmaat vragen die ouders hebben rond de privacy van hun kind en adviseert over de mogelijkheden die ouders op dit gebied hebben.
Is vast te stellen of deze maatregelen leiden tot betere omgang van scholen met informatie over leerlingen? Zo ja, in hoeverre is dit in het afgelopen jaar verbeterd?
In juli 2015 heb ik uw Kamer resultaten van een onderzoek gestuurd, waarin onder meer gekeken is naar hoe scholen omgaan met gegevens over leerlingen (Kamerstuk 32 034, nr. 17). Ik ben voornemens deze monitor nog dit kalenderjaar te laten herhalen en zal uw Kamer over de resultaten informeren. Ik zie in ieder geval dat het gesprek over privacy op scholen steeds meer gevoerd wordt, dat scholen steeds beter nadenken over hoe ze met persoonsgegevens omgaan en passende maatregelen nemen om de privacy van leerlingen te borgen.
Hoe wordt voorkomen dat dossiers over leerlingen onvoldoende beveiligd worden, resultaten van psychodiagnostisch onderzoek via het ict-systeem van de school voor alle schoolmedewerkers toegankelijk zijn en gegevens over leerlingen vaak, mondeling of schriftelijk, intern of extern, gedeeld worden zonder dat ouders of de leerling zelf daar toestemming voor hebben gegeven?
Sectororganisaties zijn in gesprek met aanbieders van digitale dienstverlening om afspraken te maken over de beveiliging van systemen. Het is vooral van belang dat scholen en samenwerkingsverbanden, die verantwoordelijk zijn voor een goede omgang met persoonsgegevens, binnen de kaders van de wet, op een zorgvuldige manier met de gegevens van leerlingen omgaan. De maatregelen die ik daarbij in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, helpen scholen en samenwerkingsverbanden daarbij.
Op welke wijze wordt toegezien op juiste omgang met informatie over leerlingen op scholen?
De Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de naleving van de privacywetgeving. De Inspectie van het Onderwijs en de Autoriteit Persoonsgegevens werken sinds 1 januari 2016 samen aan een efficiënt en effectief toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door onderwijsinstellingen. Beide organisaties hebben in een samenwerkingsovereenkomst afgesproken hoe zij elkaar informeren. Daarnaast heeft de medezeggenschapsraad van de school instemmingsrecht op alle regelingen voor de verwerking van persoonsgegevens die de school opstelt. Dit zorgt ervoor dat ook ouders en leerlingen in positie zijn om een goed gesprek te kunnen voeren over de manier waarop de school omgaat met persoonsgegevens.
Welke mogelijkheden bestaan er voor ouders om inzicht te krijgen in wie over gegevens kunnen beschikken? Welke mogelijkheden hebben zij om hier bezwaar tegen te maken? Hoe worden deze mogelijkheden met ouders en andere betrokken organisaties gecommuniceerd?
Ouders hebben een belangrijke rol bij de bescherming van gegevens van hun kinderen. Ouders hebben op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verschillende rechten om de privacy van hun kind te waarborgen. Zo hebben ouders en leerlingen het recht om door de school goed, begrijpelijk en actief geïnformeerd te worden over hoe de school omgaat met de gegevens van leerlingen. Ouders en leerlingen kunnen de school vragen om inzage, correctie en verwijdering van gegevens van hun kinderen. En zij kunnen bij de school bezwaar aantekenen als zij willen dat bepaalde persoonsgegevens van hun kind niet meer gebruikt worden. Ouders en andere betrokken organisaties behoren tot de doelgroepen van de maatregelen die in het antwoord op vraag 3 zijn genoemd.
Welke acties gaat u nemen om de privacy van leerlingen te verbeteren? Welke concrete doelen en resultaten heeft u hierbij voor ogen?
Zie de beantwoording van vraag 3 voor de acties die ondernomen worden om de privacy van leerlingen te verbeteren. Ouders en leerlingen moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens van leerlingen veilig zijn. Daarom is het zaak dat scholen en samenwerkingsverbanden hun verantwoordelijkheid goed invullen en zorgvuldig omgaan met de gegevens van leerlingen. Ik zie dat de sector daarin ook haar verantwoordelijkheid neemt. Er wordt veel werk gemaakt van het vergroten van het bewustzijn, het ondersteunen van scholen en samenwerkingsverbanden en het in positie brengen van ouders en leerlingen. Ik onderschrijf het belang van deze inzet, ondersteun waar ik kan en volg de ontwikkelingen op de voet.
Turkse steun voor jihadi’s en een Turks verzoek om de inzet van inlichtingendiensten voor de jacht op opponenten van Erdogan |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de Turkse inlichtingendienst (MIT) steun heeft gevraagd aan een Duitse inlichtingendienst (BND) bij de jacht op opponenten van het bewind van president Erdogan?1
Ja
Is een dergelijk verzoek ook terecht gekomen bij een of meer Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo ja, hoe bent u hiermee omgegaan? Zo nee, welke instructies gaf en geeft u aan de inlichtingendiensten voor het geval een dergelijk verzoek binnenkomt?
De AIVD en de MIVD werken binnen de kaders van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV2002). Voor de samenwerking van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten met buitenlandse diensten geldt dat de aard van deze samenwerking (mede) wordt bepaald door criteria zoals de democratische inbedding, de professionaliteit en betrouwbaarheid van de desbetreffende dienst en het mensenrechtenbeleid van het desbetreffende land.
Toezichtsrapport 48 van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) over de invulling van deze samenwerkingscriteria door de AIVD en de MIVD en de reactie van de Ministers van BZK en Defensie hierop (Kamerstuk 29 924, nr. 142 d.d. 30 juni 2016) gaan meer in detail op de samenwerking met buitenlandse diensten in.
De regering kan in het openbaar niet ingaan op concrete contacten tussen Nederlandse en buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nederland heeft regelmatig contact met de Turkse autoriteiten over verschillende onderwerpen.
Turkije is een belangrijke partner in de strijd tegen terroristische organisaties als ISIS en daaraan gelieerde individuen. Dit is tijdens het bezoek van Minister Koenders aan Ankara op 29 augustus jl. benadrukt.
Ziet u hierin aanleiding om de samenwerking met Turkse inlichtingendiensten te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om aan president Erdogan duidelijk te maken dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten geen verlengstuk mogen zijn van zijn politieke terreur?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u het bericht dat de Turkse regering jihadi’s steunt?2
Ja.
Was de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) bekend met deze Turkse steun voor jihadi’s?
Over specifieke aandachtsgebieden en het kennisniveau van de AIVD en MIVD kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
Het bericht ‘Gemeenten gaan eigen weg’ |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel uit «Gemeenten gaan hun eigen weg»?1
Ja.
Deelt u de mening dat door de wildgroei aan borden en belijning op wegen en fietspaden gevaarlijke en verwarrende situaties kunnen ontstaan?
Ik deel de mening van CROW en VVN dat het wegbeeld voor de weggebruiker voorspelbaar en zoveel mogelijk uniform moet zijn, onafhankelijk van in welke gemeente je bent. Daarom heeft het CROW ook richtlijnen opgesteld, die de wegbeheerder kan gebruiken bij het inrichten van de weg. De inrichting van de weg valt namelijk onder de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder. Het volgen van deze richtlijnen is echter niet verplicht omdat er lokale omstandigheden kunnen zijn waarbij maatwerk noodzakelijk is. De wegbeheerder mag daarom van de richtlijnen afwijken.
Deelt u de mening dat het altijd goed is om met innovaties te komen en te blijven experimenteren wanneer dit leidt tot meer verkeersveiligheid, maar dat de landelijke afspraken wel moeten worden gevolgd en dat dit niet altijd gebeurt? Zo, ja kunt u toelichten waarom? Zo, nee waarom niet?
De vrijheid van de wegbeheerder is niet onbeperkt. De wetgeving stelt wel degelijk eisen aan de weginrichting. Zo mogen bijvoorbeeld alleen de regels en tekens uit het RVV worden gebruikt en worden er in de BABW eisen gesteld aan bijvoorbeeld de kleur van zebrapaden en de plaatsing van verkeersborden. Ik waardeer overigens zeker de ambitie van de wegbeheerders om, binnen de ruimte die de wet- en regelgeving biedt, de verkeersveiligheid verder op innovatieve manieren te willen verbeteren.
Bent u bekend met het meldpunt van Veilig Verkeer Nederland (VVN) waarop onduidelijke en gevaarlijke situaties gemeld kunnen worden? Kunt u inzichtelijk maken hoe de klachten die rechtstreeks worden doorgegeven aan de wegbeheerders als gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat zijn afgehandeld? Kunt u een overzicht geven van binnengekomen en afgehandelde klachten van de afgelopen twee jaar?
Ja, ik ben bekend met het meldpunt. Deze is recent vernieuwd en heet voortaan het VVN Participatiepunt. VVN verzamelt en analyseert meldingen. Alle wegbeheerders in Nederland krijgen van VVN inzicht in de meldingen binnen hun beheersgebied. Ik heb geen overzicht van de afhandeling van deze meldingen door de diverse wegbeheerders. Wel heb ik gegevens over het totaal aantal klachten. Van medio 2015 tot en met medio 2016 zijn er in totaal 4100 meldingen binnen gekomen.
In de eerste helft van 2017 brengt VVN een rapport uit over het Participatiepunt. Ik verwacht dat dit inzicht zal bieden in hoeveel meldingen er per provincie zijn binnengekomen, waar de melding is gedaan, welke maximum snelheid daar geldt, welke verkeersdeelnemers de veroorzaker(s) en gedupeerde(n) zijn, het aantal en soort VVN Buurtacties dat is uitgevoerd en het aantal VVN Buurtlabels dat er is uitgereikt.
Bent u bereid samen met VVN, Kennisplatform CROW, de VNG, provincies en Rijkswaterstaat van gedachte te wisselen om te bezien hoe deze wildgroei door gemeenten kan worden vermeden? Bent u bereid de Kamer daarover te informeren?
Er is op strategisch niveau contact tussen het Ministerie van IenM, IPO en de VNG over beleidsmatige vragen. Op ambtelijk niveau zal aandacht worden besteed om de decentrale wegbeheerder nogmaals te wijzen op het expliciet meenemen van de verkeersveiligheid bij het maken van keuzes van de inrichting van de weg. Ik ben echter van mening dat vooral het meldpunt van VVN en ook meldpunten van gemeenten, provincies en lokale politieke partijen een zeer geschikte manier zijn om gemeenten informatie aan te leveren over specifieke onveilige situaties en mogelijke innovatieve oplossingen.
Het bericht ‘TU Delft geeft de NAM ervan langs’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «TU Delft geeft de NAM ervan langs»?1
Kunt u bevestigen dat de uitkomst het validatieonderzoek van de TU Delft, namelijk dat de conclusie van het Arcadis-onderzoek (de kans op schade aan alle gebouwen in de onderzoeksgebieden buiten de contour voor de tot nu toe opgetreden bevingen is verwaarloosbaar klein) te stellig en onvoldoende onderbouwd is, betekent dat de contourenkaarten geen status mogen krijgen en dus ook niet mogen worden gebruikt om een onderscheid te maken in schadegevallen?2 3
Ja.
Wat vindt u ervan dat mensen met schade buiten de contourengebieden nu al vaak meer dan een jaar wachten op een inspectie, omdat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) het onderzoek van Arcadis wilde afwachten, terwijl hen al lang geleden was beloofd dat alle schademeldingen in behandeling zouden worden genomen?
Bij het bekend worden van de resultaten van het Arcadis-onderzoek in november 2015 heeft de NCG aan NAM verzocht de schademeldingen in behandeling te nemen. NAM heeft ervoor gekozen dat niet te doen en eerst de uitkomsten van de validatie af te wachten. Dit heeft tot teleurstelling bij de betreffende schademelders geleid. NAM conformeert zich nu aan de conclusie van de NCG dat de door NAM vastgestelde schadecontourlijn niet houdbaar is en dat alle gemelde schades alsnog individueel moeten worden beoordeeld. Dat geldt ook voor toekomstige schademeldingen in relatie tot het Groninger gasveld.
Wanneer kunnen al deze mensen met schade buiten de contourenkaarten een inspectie van hun schade verwachten? Wanneer zullen die inspecties zijn afgerond? Bent u bereid om er bij de Nationaal Coördinator Groningen en de NAM op aan te dringen dat dit nu met grote spoed gebeurt?
De NCG is met NAM overeengekomen dat de inspecties door het Centrum Veilig Wonen (CVW) worden uitgevoerd van eind augustus tot en met december 2016. Alle schademelders ontvangen in januari het schaderapport. Als een schademelder het niet eens is met de conclusies in het rapport kan de melding door een nieuw panel van experts worden beoordeeld. Als dit ook niet leidt tot overeenstemming tussen het CVW en de schademelder dan kan de schademelder zich wenden tot de Arbiter Aardbevingsschade. Daarnaast staat het schademelders vrij om de rechter om uitspraak te vragen.
Deelt u de mening dat de conclusie van de TU Delft, dat het werken met één hoofdoorzaak voor schade geen recht doet aan de vaak interactieve invloeden in een schadebeeld, betekent dat hier op een andere manier mee om moet worden gegaan in de afhandeling van schade? Hoe wordt dit in het huidige schadeafhandelingsproces geïncorporeerd?
Het CVW start in de gebieden die zijn onderzocht door Arcadis met een proef waarbij de huidige schademeldingen in het betreffende gebied met een gerichte aanpak worden afgehandeld. Bij deze methode wordt niet, zoals nu gebruikelijk is, alleen gekeken of aardbevingen de oorzaak zijn, maar wordt ook aandacht besteed aan andere oorzaken en de samenhang daartussen. In deze nieuwe aanpak wordt de schade opgenomen en voorgelegd aan een panel van experts. De beoordeling van de experts legt het CVW in een rapportage aan de bewoners voor met een voorstel voor afhandeling. In dit proces bestaat ook de mogelijkheid voor de bewoner om een second opinion aan te vragen en de Arbiter Aardbevingsschade in te schakelen.
Het is belangrijk dat de proef zorgvuldig wordt voorbereid, uitgevoerd en geëvalueerd. Een onafhankelijke begeleidingscommissie, die door de NCG wordt ingesteld, gaat deze proef valideren, monitoren en evalueren. Ook zal deze begeleidingscommissie de vraag beantwoorden of de aanpak in de proef breder kan worden toegepast.
Kunt u uitgebreid uitleggen hoe de nieuwe proef voor schadeafhandeling, waarbij schademeldingen aan een panel van experts worden voorgelegd, in zijn werk zal gaan? Hoe zal het proces voor de schademelder verlopen? Op welke manier zal uiteindelijk worden beoordeeld of een schademelder recht heeft op compensatie en hoeveel? Hoe wordt de proef geëvalueerd?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt deze proef voor de schadeafhandeling alleen in de gebieden buiten de contourenkaarten toegepast? Hoe verhoudt zich dat tot de conclusie dat contourenkaarten niet kunnen worden gebruikt om onderscheid tussen schadegevallen te maken?
Uit de resultaten van de proef moet blijken of de beoogde verbeteringen daadwerkelijk worden gerealiseerd. Als de proef succesvol is kan de aanpak breder worden uitgevoerd. Dit doet niets af aan de conclusie van de NCG dat de door NAM vastgestelde schadecontourlijn niet houdbaar is en alle aangemelde schade individueel moet worden beoordeeld.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het nieuwe gasbesluit?
Ja.
Het bericht van Cumela om voor 24 augustus 2016 duidelijkheid te geven over het verzoek van Cumela voor uitstel van het uitrijverbod mest |
|
Helma Lodders (VVD), Johan Houwers (Houwers), Elbert Dijkgraaf (SGP), Dion Graus (PVV), Jaco Geurts (CDA), Joram van Klaveren (GrBvK), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de brief van brancheorganisatie Cumela over het uitrijverbod mest?1
Ja.
Bent u bereid voor 24 augustus 2016 duidelijkheid te geven over het verzoek van Cumela voor uitstel van het uitrijverbod mest en om serieus te overwegen uitstel van het uitrijverbod te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het Besluit gebruik meststoffen is het niet toegestaan na 31 augustus drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib aan te wenden. Op basis van artikel 64 van de Wet bodembescherming kan vrijstelling worden verleend, nadat de Technische commissie bodem (TCB) is gehoord en voor zover het belang van de bescherming van de bodem zich niet tegen de vrijstelling verzet.
Op 17 augustus 2016 heeft Cumela Nederland een verzoek ingediend «de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib uit te stellen tot 16 september, maar liever 1 oktober». Op basis van het verzoek heb ik de TCB om advies gevraagd. Ik verwacht dit advies op korte termijn te ontvangen en zal daarna besluiten over een vrijstelling. Daarover zal ik, gezien het belang van duidelijkheid voor betrokkenen, zo snel mogelijk communiceren. Ik streef ernaar deze week een besluit te nemen en dit kenbaar te maken. Het feitelijk verlenen van de eventuele vrijstelling gebeurt door het plaatsen van een regeling in de Staatscourant.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen voor 24 augustus 2016 te beantwoorden?
Ja.
Het achterblijven van de financiering aan maatschappelijke organisaties |
|
Agnes Mulder (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van de motie Voordewind/Agnes Mulder1 en uw toezegging tijdens meerdere debatten om 25% van het ontwikkelingsbudget te besteden via het maatschappelijk middenveld?
Ja.
Kunt u verklaren waarom naar verwachting in 2016 slechts 22% van het budget via maatschappelijke organisaties wordt besteed, terwijl de motie verzoekt om een aandeel van 25%?
Zoals uitgelegd in de brief aan uw Kamer van 7 juli (Kamerstuk 31 933, nr. 21) betreft een deel van het totale ODA-budget de zogenoemde toerekeningen (kosten voor eerstejaarsopvang van asielzoekers, de EU-afdrachten naar ontwikkelingslanden en een deel van de apparaatskosten van Buitenlandse Zaken). Vooral als gevolg van de forse stijging van de toerekening voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen is het aandeel van de toerekeningen in het ODA-budget thans relatief hoog. Dit heeft een neerwaarts effect op de percentages voor de financieringskanalen aangezien conform de bestaande systematiek deze percentages voor de financieringskanalen berekend worden over het totale ODA-budget (inclusief toerekeningen). Zonder toerekeningen zou het percentage dat via maatschappelijke organisaties wordt besteed ruim 30% bedragen.
Kunt u een specificatie geven van het in uw brief aan de Kamer van 7 juli jl. genoemd percentage van 22% van het ontwikkelingsbudget dat via maatschappelijke organisaties wordt besteed?2
Deelt u de mening dat de positieve evaluatie van het subsidiekader MFS II laat zien dat Nederlandse maatschappelijke organisaties effectief te werk gaan bij het behalen van de ontwikkelingsdoelen?3
Het kabinet deelt deze mening. Uit de evaluatie blijkt dat de Nederlandse maatschappelijke organisaties professioneel en doeltreffend opereren.
Op welke manier gaat u de genoemde motie uitvoeren om in 2016 en 2017 25% van het ontwikkelingsbudget via maatschappelijke organisaties te laten verlopen?
Het kabinet heeft toegezegd te streven naar besteding van 25% van het ODA-budget via het maatschappelijk middenveld. De motie Voordewind/Mulder wordt gezien als een aanmoediging van deze ambitie.
Het kabinet stuurt bij de keuze van zijn partners niet op de verdeling van geldstromen over financieringskanalen en hecht waarde aan een doeltreffende en doelmatige manier van werken. Om een besteding van 25% te bereiken worden sommige programma’s geheel uitgevoerd door maatschappelijke organisaties, zoals Samenspraak en Tegenspraak, FLOW, het SRGR fonds en het «Addressing Root Causes» fonds. Daarnaast bieden bijvoorbeeld Publiek-Private Partnerschappen mogelijkheden voor samenwerking tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Tevens zal de uitwerking van de motie Van Laar (EUR 40 mln.) ten behoeve van Zuidelijke vrouwenbewegingen uitgevoerd worden via maatschappelijke organisaties.
Diploma-erkenning in Duitsland |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel getiteld: «Met succes op banenjacht bij de buren»?1
Ja
Deelt u de mening dat we zoveel mogelijk moeten faciliteren dat Nederlanders ook een baan in een buurland kunnen vinden en dat het van belang is om regelgeving die dat in de weg zit zoveel mogelijk te wijzigen?
Over de grens zijn er kansen en mogelijkheden voor Nederlandse werkzoekenden om een betaalde baan te vinden. Van belang is dat werkzoekenden zich goed oriënteren en informeren over de consequenties van het werken in het buurland. De ondersteuning van Nederlandse werkzoekenden bij het vinden van werk houdt niet op bij de grens. Er zijn verschillende nationale en (EU)regionale organisaties die werkzoekenden hierbij kunnen ondersteunen. Om de kansen en mogelijkheden voor werk in het buurland maximaal te kunnen benutten, is het belangrijk om zoveel mogelijk de drempels die men ervaart weg te nemen. Het kabinet heeft vorig jaar het Actieteam grensoverschrijdende economie en arbeid ingesteld, dat hiermee aan de slag is gegaan.
Herkent u het signaal dat erkenning van Nederlandse diploma's of certificaten vaak nog een probleem is voor mensen die in Duitsland aan de slag willen?
Diploma-erkenning blijkt in bepaalde gevallen een probleem. Voor zover casuïstiek mij bekend is, bestaat de kwestie alleen rond de erkenning van diploma’s van gereglementeerde beroepen. Er zijn ongeveer 2.500 tot 3.000 beroepen in Nederland (en Duitsland)2, en in beide landen zijn er circa 150 door de overheid gereglementeerd. Met die gereglementeerde beroepen zijn er twee problemen:
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Straus c.s.2 die u oproept om in bilateraal overleg te treden met de Duitse deelstaten om erkenning van met name mbo-diploma's te regelen?
Het Ministerie van OCW heeft de afgelopen jaren meerdere keren overlegd met Duitsland, op federaal niveau en op het niveau van de betrokken deelstaten, Noordrijn-Westfalen (NRW) en Nedersaksen. De betrokkenen bij deze overleggen variëren van Minister tot ambtenaar tot inhoudelijk expert.
Momenteel loopt het bilaterale overleg met NRW over de erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen. Naast een discussie over mogelijke vereenvoudiging of meer transparantie van de erkenningsprocedure in het algemeen, is er een inhoudelijke werkgroep van ambtenaren en experts gestart, die een vergelijking gaat maken van de opleiding Verzorgende IG in relatie tot het beroep Altenpfleger(in). Deze werkgroep rondt begin 2017 zijn werkzaamheden af. Doel is om een gezamenlijk standpunt te formuleren over de overeenkomsten en verschillen tussen de in Nederland behaalde en de in Duitsland gevraagde competenties Verzorgende.
Overigens is in Benelux-verband eveneens een werkgroep gestart – waarin ook Noordrijn-Westfalen participeert – om naar de erkenning van gereglementeerde beroepen te kijken. Het doel van deze werkgroep is onder andere om te zien of op het niveau van de Benelux afspraken gemaakt kunnen worden over vereenvoudiging van erkenning van diploma’s voor gereglementeerde beroepen. In december moet helder zijn welke opties er zijn.
Wat is de huidige status van dit bilaterale overleg? Welke Nederlandse provincies en Duitse deelstaten zijn betrokken en wat zijn de resultaten tot nu toe?
Op het niveau van Ministers is met NRW afgesproken dat wij ons aan weerskanten van de grens inspannen om, waar mogelijk, het proces rond erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties te vergemakkelijken.
Over de stand van zaken rond Altenpfleger(in) heb ik u bij vraag 4 geïnformeerd. Met NRW is afgesproken dat snel een vergelijkbare expertgroep voor het beroep Erzieher(in) in relatie tot de opleiding Verzorgende IG wordt opgestart. Op basis van de resultaten van de werkgroepen met NRW gaan wij vervolgens ook het gesprek aan met Nedersaksen. Deze werkgroepen (zullen) bestaan uit inhoudelijke experts.
Het meest concrete resultaat van mijn overleg met de deelstaten tot nog toe is dat er aan Duitse zijde op alle niveaus een bewustzijn is dat de erkenning van diploma’s voor gereglementeerde beroepen aan Nederlandse zijde als problematisch wordt ervaren, en dat rond de erkenning van de Nederlandse opleiding Verzorgende IG in Duitsland een gezamenlijk Nederlands-Duits standpunt nodig is.
Wat zijn uw acties om diegenen die bezig zijn met de begeleiding van werkzoekenden bij het zoeken van een baan in het buurland, te informeren over de inzet en de resultaten van dit bilaterale overleg?
De resultaten van het overleg met NRW -en in een later stadium met Nedersaksen- worden in het actieteam grensoverschrijdende economie en arbeid ingebracht en zullen via deze route gedeeld worden met de provincies en andere betrokken partijen zoals de VNG, gemeenten en de Euregio’s. De Ministeries van EZ en BZK zullen u informeren over de werkzaamheden en conclusies van het actieteam.
Welke deadline heeft u zichzelf gesteld om de bovengenoemde motie tot uitvoering te brengen?
Er wordt hard gewerkt aan de uitvoering van de motie. Een deadline kan ik nog niet noemen, omdat ik dit niet alléén kan beslissen. Zoals ik bij de indiening van de motie al gesteld heb, is resultaat afhankelijk van bilateraal overleg met Duitsland, op verschillende niveaus en met twee deelstaten. Dat overleg heeft tijd nodig.
Vanaf welke datum kunnen Nederlandse werkzoekenden aan de slag in Duitsland, zonder dat de erkenning van het Nederlandse (mbo-)diploma in de weg zit of voor vertraging zorgt?
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 uiteen gezet, is de problematiek beperkt tot de ca. 150 gereglementeerde beroepen. Voor wat betreft de procedure voor erkenning voor deze beroepen, die weinig transparant en op onderdelen te ingewikkeld is, ben ik in gesprek met de Duitse collega’s. De inhoudelijke problemen die bestaan zijn vooral verbonden met één opleiding, namelijk Verzorgende IG, in relatie tot twee in Duitsland gereglementeerde beroepen. Ook daaraan wordt gewerkt.
De berichten dat gemeenten de weg naar schuldhulpverlening blokkeren en slechts 1 op de 5 gemeenten een juiste beschikking schuldhulp geeft |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat gemeenten de weg naar schuldhulpverlening blokkeren en dat slechts één op de vijf gemeenten een juiste beschikking schuldhulp afgeeft?1
Ja
Klopt het dat gemeenten juist strenger zijn geworden in het toelaten van mensen in de schuldhulpverlening, nadat de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wsg) van kracht is geworden in 2012, terwijl deze Wet er juist op gericht is brede toegankelijkheid tot schuldhulp te waarborgen? Hoe verklaart u de afgenomen toegankelijkheid tot schuldhulp?
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) gaat uit van brede toegankelijkheid. Op 27 juni jongstleden zond ik uw Kamer het Evaluatierapport Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de reactie van het kabinet daarop toe2. De onderzoekers concluderen dat gemeenten zich inspannen voor een brede toegang, maar dat moeilijk hard te maken is in welke mate zij daarin slagen.
Deelt u de mening dat het niet zo mag zijn dat mensen met problematische schulden door strengere eisen van gemeenten tussen wal en schip raken en aan hun lot worden overgelaten, en dat het zeer kwalijk is dat het aantal schuldsaneringen sinds 2012 is gedaald, terwijl het aantal huishoudens in de problemen juist is toegenomen? Wat gaat u doen om deze knelpunten op te lossen? Wat gaat u doen om de toegankelijkheid tot de gemeentelijke schuldhulpverlening te (helpen) verbeteren?
Problematische schulden dienen zo veel mogelijk voorkomen dan wel opgelost te worden. Ze belemmeren de participatie van burgers en brengen hoge maatschappelijke kosten met zich mee in de vorm van armoede, sociale uitsluiting, huisuitzetting, onverzekerbaarheid en afsluiting van gas, water en licht. Het is dan ook belangrijk dat iedereen die er niet in slaagt zijn problematische schulden zelf op te lossen, gehoor vindt bij de gemeente voor passende ondersteuning op maat. Mensen mogen zich niet in de steek gelaten voelen. Gemeenten maken gebruik van diverse instrumenten om mensen met schulden te helpen, waaronder het geven van informatie en advies, budgetbeheer en het regelen van schulden. Als de gemeente geen schuldregeling tot stand kan brengen kan de schuldenaar via een door de gemeente af te geven verklaring een beroep doen op de Wsnp. Daling van het aantal schuldsaneringen Wsnp kan verklaard worden door meerdere, onafhankelijke factoren, zoals verschuivingen in de inzet van minnelijke schuldhulpverleningsinstrumenten die gemeenten tot hun beschikking hebben of de toegankelijkheid van de gemeentelijke schuldhulpverlening3. Uit de evaluatie van de Wgs komt naar voren dat de toegang tot gemeentelijke schuldhulpverlening voor bepaalde categorieën mogelijk beperkt wordt. Om de toegang tot schuldhulpverlening te verbeteren heb ik in voornoemde kabinetsreactie diverse maatregelen aangekondigd. Ik zet met betrokken partijen in op professionalisering van beleid, uitvoering en lokaal bestuur en laat de Inspectie SZW onderzoek uitvoeren naar hoe gemeenten in de praktijk uitvoering geven aan toegankelijkheid tot schuldhulpverlening. Daarop vooruitlopend bereid ik een mogelijke aanscherping van de Wgs voor om geconstateerde blokkades betreffende de toegang weg te nemen.
Klopt het dat bij de toelating van schuldenaren tot de schuldhulpverlening 82% de procedures niet toepassen zoals het volgens de Wet zou kunnen en moeten? Klopt het dat 19% procent van de gemeenten een algemene beschikking afgeeft zonder nadere invulling, en 38% niet alle mogelijke voorzieningen onderbouwt in de beschikking? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Aangezien het onderzoeksrapport dat aan de (voor)publicatie ten grondslag ligt pas in het najaar beschikbaar zal komen, kunnen de cijfers op dit moment nog niet worden beoordeeld. Zo maakt de voorpublicatie bijvoorbeeld niet inzichtelijk hoeveel beschikkingen zijn genomen en welk percentage daarvan in bezwaar, beroep, of hoger beroep door het college, de rechter of de hogerberoepsrechter gegrond is verklaard. Het is daarom thans niet opportuun de cijfers uit het vooronderzoek te beoordelen.
In het reeds aangevangen onderzoek van de Inspectie SZW naar toegang tot schuldhulpverlening kijkt de Inspectie ook hoe gemeenten omgaan met het afgeven van beschikkingen. Met de afronding van dit onderzoek en de publicatie van het onderzoeksrapport van het lectoraat Schulden & Incasso van de Hogeschool Utrecht, is te verwachten meer inzicht te verkrijgen in de rol van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het kader van de toegankelijkheid tot de schuldhulpverlening.
Deelt u de mening dat de onderbouwing van een beschikking door de gemeente ook een duidelijke omschrijving moeten omvatten van wat er verder gaat gebeuren, dat dit belangrijk is als de schuldenaar bezwaar zou willen maken tegen de beschikking en dat het niet of onvoldoende ingevuld afgeven van een beschikking de schuldenaar ernstig kan benadelen? Wat gaat u doen om de kwaliteit van de beschikkingen te (helpen) verbeteren?
Beschikkingen moeten voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in de Awb. Artikel 3:46 bepaalt dat er deugdelijk gemotiveerd moet worden en artikel 3:47 bepaalt daarenboven dat deze motivering wordt vermeld bij de bekendmaking. Een ander vereiste is dat er een rechtsmiddelenclausule moet worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 3:45, eerste lid, worden de mogelijkheden om tegen dat besluit rechtsbescherming te zoeken vermeld bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit. Hierbij wordt overeenkomstig artikel 3:45, tweede lid, vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld. Daarmee zijn de beginselen om de kwaliteit van besluiten te garanderen voldoende geborgd.
Het is de verantwoordelijkheid van een gemeente conform deze beginselen te handelen. Zoals reeds aangekondigd in de Kabinetsreactie evaluatie Wgs zal als onderdeel van de professionaliseringsimpuls een handreiking over toepassing van de Awb in de Wgs ontwikkeld worden voor betrokken partijen.
Of en op welke wijze het zinvol is om bij een afwijzing voor gemeentelijke schuldhulpverlening informatie te bieden over andere mogelijkheden om schulden aan te pakken is per situatie verschillend en vergt maatwerk. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen op welke manier zij hier invulling aan te geven.
Erkent u dat het van groot belang is dat gemeenten bij elke aanvraag voor schuldhulpverlening een zorgvuldige individuele afweging maken en proberen met maatwerk een oplossing bieden? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat in geval van een gegronde afwijzing van gemeentelijke schuldhulpverlening door gemeenten ook – voor zover mogelijk – informatie geboden moet worden over eventuele andere mogelijkheden om schulden aan te pakken? Zo ja, hoe gaat u dit bevorderen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de Duitse regering meent dat Turkije islamitische organisaties en terreurgroepen steunt |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat uit uitgelekte stukken van de Duitse regering zou blijken dat Turkije met medeweten van president Erdogan islamitische organisaties en terreurgroepen steunt?1
Het kabinet is bekend met het artikel en met eerdere berichten die spreken over de vermeende steun vanuit Turkije aan diverse groeperingen in de regio.
Wat is er waar van deze berichten? Bent u bereid hierover met uw Duitse collega in overleg te treden en de resultaten van uw bevindingen aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
De gestelde vragen door de Bondsdag zijn deels openbaar beantwoord, waarbij opgemerkt dient te worden dat het openbare deel van de antwoorden nog niet gepubliceerd is door de Bondsdag. Het gelekte deel, dat vertrouwelijk is, bevat slechts een element in de Duitse visie op Turkije, zo stelde de Duitse Minister De Maizière op donderdag 18 augustus jl. Duitsland heeft onderstreept dat Turkije een partner is en blijft in de strijd tegen terrorisme. Het Duitse regeringsbeleid is daarmee in lijn met het huidige kabinetsbeleid. Een additioneel overleg om dit te bespreken is hiervoor niet vereist.
Welke gegevens omtrent de banden met en steun van Turkije aan islamitische organisaties en terreurgroepen zijn de Nederlandse regering bekend? Sinds wanneer?
Het kabinet onderstreept, net als de Duitse regering, dat Turkije een partner is en blijft in de strijd tegen terrorisme. Het kabinet heeft meermaals in Kamerstukken en in openbare samenvattingen van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland geschreven over de rol van de Turkse regering in de strijd tegen ISIS. Sinds de diverse aanslagen op Turks grondgebied zijn er tekenen dat Turkije de dreiging vanuit ISIS steviger bestrijdt. Deze inspanningen zijn versterkt door onder andere op te treden tegen ISIS-presentie in Turkije en door de grens met het door ISIS gecontroleerde gebied in Syrië strenger te controleren.
Het kabinet kan bevestigen dat Turkije contacten onderhoudt met de Egyptische Moslimbroederschap, Hamas en verschillende gewapende oppositiegroepen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de Egyptische Moslimbroederschap door de Europese Unie en Nederland niet is aangemerkt als een terroristische organisatie. Turkije, net als vele andere landen in de regio, beschouwt Hamas als de in 2006 democratisch verkozen regering van de Palestijnen en daarom als legitiem gekozen gesprekspartner.
Het feit dat de Turkse regering contacten onderhoudt met één of meer organisaties die door de Europese Unie en Nederland als terroristisch zijn aangemerkt is geen reden om de samenwerking met Turkije op terrorismebestrijding in brede zin te heroverwegen. Het kabinet blijft samenwerken met Turkije in de strijd tegen terroristische organisaties die door beide landen, dan wel door de Europese Unie en Turkije, zoals zodanig zijn aangemerkt.
In gesprekken met Turkije benadrukt Nederland dan ook dat inspanningen gewenst blijven om activiteiten van terroristische organisaties en daaraan gelieerde strijders te frustreren en waar mogelijk te voorkomen, met name door nadruk te leggen op versterking van de grenscontrole.
Het kabinet is niet van mening dat de EU-toetredingsonderhandelingen met Turkije of de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring van 18 maart jl. gestopt moeten worden omwille van deze berichtgeving in de Duitse pers. Het EU-toetredingstraject is aan strenge criteria onderhevig waarbij Turkije aan alle geldende benchmarks zal moeten voldoen. Daarbij zij opgemerkt dat het kabinet van mening is dat er op dit moment, in het licht van de ontwikkelingen in de rechtsstaat in Turkije sinds de couppoging van 15 juli jl., geen sprake kan zijn positieve stappen in het EU-toetredingstraject. Wat betreft de EU-Turkije Verklaring van 18 maart jl. over de migratiecrisis heeft het kabinet uw Kamer eerder bericht dat de afspraken met Turkije nodig waren en zijn om gezamenlijk grip te krijgen op de vluchtelingenstroom. De samenwerking tussen de EU en Turkije is op dit dossier op alle niveaus onveranderd voortgezet.
Hoe duidt u deze zorgelijke berichten over Turkije?
Zie antwoord vraag 3.
Indien deze berichten over Turkije kloppen, welke gevolgen zouden die kunnen of moeten hebben voor de relatie met Turkije, onder andere met betrekking tot het toekomstige EU-lidmaatschap en de vluchtelingendeal?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de koers van Turkije zeer zorgelijk is? Op welke wijze kunt u er, tevens in Europees verband, aan bijdragen dat Turkije wordt aangesproken op dubieus beleid en gedrag?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u tevens de mening dat alles op alles moet worden gezet om met Turkije in gesprek te blijven, om ervoor te zorgen dat de banden tussen de Europese Unie en Turkije niet steeds verder verslechteren, mede gelet op de geopolitieke implicaties die dat heeft? Zo ja, op welke wijze wordt dit ingevuld?
De Europese Unie en het kabinet zullen blijven samenwerken met Turkije in de strijd tegen terrorisme. Deze samenwerking vindt plaats binnen de reeds bestaande bilaterale en multilaterale overleggen en samenwerkingsvormen waarvan Nederland en Turkije deel uit maken.
Het artikel 'Meer dan honderd regelingen voor ouderen slecht benut' |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Meer dan honderd regelingen voor ouderen slecht benut»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de bevinding van Aon dat bedrijven gemiddeld ruim 87.000 euro mislopen aan premiekorting en subsidies?
Ik kan geen oordeel geven over bevindingen die ik niet ken. Ik ben niet bekend met de opzet en de resultaten van het onderzoek van Aon, waar Trouw naar verwijst. Aon wil desgevraagd het onderzoek niet verstrekken.
In het persbericht stelt Aon dat bij honderden organisaties met meer dan 250 medewerkers gekeken is naar premieafdrachten. Daaruit concludeert Aon dat 44% van de werkgevers niet alle wettelijke mogelijkheden voor subsidies en sociale verzekeringspremies benut. In de lijst met de 104 regelingen die het wel beschikbare «Whitepaper sociale regelingen» noemt staan ook (algemene) belastingkortingen, premies werknemersverzekeringen, ESF/EGF gelden, gemeentelijke regelingen en vier keer subsidie Meesterbeurs van 4 provincies. Tevens staan er regelingen in genoemd die werknemers/belastingplichtigen moeten aanvragen.
Aon zelf prijst op de website commerciële producten aan op grond van het onderzoek.
Hoe oordeelt u over de bevinding van Aon dat scholingsgelden, ouderenkorting en premies voor arbeidsgehandicapten onvoldoende benut worden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke invloed heeft naar uw oordeel het mislopen van deze gelden op de positie van groepen werknemers, in het bijzonder de oudere werknemers? Deelt u de vrees dat dit hun positie op de arbeidsmarkt nadelig beïnvloedt, waar deze juist een positieve impuls behoeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het algemeen doel van stimuleringsmiddelen is om de positie van doelgroepen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dit gebeurt door werkgevers een (financiële) prikkel te geven om mensen aan te nemen. Ik kan niet beoordelen of er sprake is van grootschalig mislopen van gelden (zie antwoord 2 en2. Werkgevers zoeken doorgaans een geschikte kandidaat op de juiste plek. Daarom investeert het kabinet onder andere ook in scholing, presentatie op de arbeidsmarkt en training van vaardigheden van werkzoekende vijftigplussers. Een financiële prikkel kan net een extra zetje geven voor werkgevers.
Deelt u de mening dat gereserveerde middelen optimaal ingezet dienen te worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uiteraard ben ik van mening dat overheidsmiddelen optimaal moeten worden ingezet.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat bedrijven voldoende bekend raken met de bestaande mogelijkheden?
Dit gebeurt reeds, zowel structureel als ad hoc, door verschillende instanties.
De Belastingdienst informeert alle werkgevers elk jaar over alle wijzigingen, waaronder de mobiliteitsbonussen en de premiekorting oudere werknemers en houdt jaarlijs intermediairdagen voor belastingadviseurs en accountants. UWV en de Belastingdienst besteden ook aandacht aan o.m. de compensatieregeling oudere werknemers, mobiliteitsbonussen en premiekorting oudere werknemers en arbeidsgehandicapten via de gebruikelijke kanalen, zoals de website van beide organisaties. UWV brengt regelingen en voorzieningen actief onder de aandacht van werkgevers op voorlichtingsmomenten (zoals werkgeverscongressen), tijdens gesprekken van adviseurs met werkgevers en via communicatie-uitingen zoals brochures voor werkgevers. MKB Nederland heeft samen met UWV in het kader van het Actieplan 50pluswerkt de afgelopen jaren een landelijke campagne onder haar leden gevoerd waarbij ook aandacht aan de bestaande regelingen is besteed.
SZW informeert via persberichten en www.rijksoverheid.nl en www.ondernemersplein.nl over regelingen voor werkgevers.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal en de vorm van de bestaande regelingen voor bedrijven overzichtelijk is en blijft?
Het kabinet heeft voortdurend aandacht voor een goede balans tussen de maatschappelijke noodzaak om bijvoorbeeld de arbeidsparticipatie van doelgroepen te stimuleren, een optimale en correcte inzet van de algemene middelen en de administratieve lasten voor bedrijven en burgers.
Wat gebeurt er met de ongebruikte middelen? Blijven ze beschikbaar voor het oorspronkelijke doel?
In principe vloeien ongebruikte middelen terug in de staatskas. Besluitvorming hierover is onderdeel van de begrotingssystematiek.
Het bericht dat basisscholen waarschuwen voor een groot lerarentekort |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat basisscholen waarschuwen voor een groot lerarentekort?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de voorspelling van de PO-Raad dat er in 2020 een tekort van ongeveer 7000 basisschoolleraren zal bestaan? Onderschrijft u het bericht dat dit tekort ontstaat doordat veel jonge leerkrachten de afgelopen jaren het onderwijs verlieten omdat zij moeilijk een baan konden vinden en omdat veel babyboomers de komende jaren met pensioen zullen gaan?
De PO-Raad geeft aan dat er over tien jaar een tekort van zo’n zevenduizend basisschoolleraren verwacht wordt. De verwachting dat over een aantal jaren een lerarentekort ontstaat in het basisonderwijs is niet nieuw. Op 3 november 2015 hebben wij u in de brief over de onderwijsarbeidsmarkt onder andere geïnformeerd over de arbeidsmarktramingen voor onderwijspersoneel po, vo en mbo.2 In deze brief hebben wij gemeld dat de voorspelde omvang van de onvervulde vraag naar leraren in het primair onderwijs in 2020 bij ongewijzigd beleid rond de 4.000 fte zal zijn, oplopend tot zo’n 7.000 fte in 2024. Wel zijn er grote regionale verschillen. De grootste tekorten worden verwacht in de grote steden in de Randstad. De belangrijkste oorzaken voor het verwachte tekort zijn:
Het was inderdaad voor jonge pasafgestudeerde leraren een aantal jaren moeilijk om snel een (vaste) baan te vinden in het onderwijs. Dat betekende overigens niet dat een grote groep jonge leraren verloren is gegaan voor het onderwijs. Veel afgestudeerden van de lerarenopleiding basisonderwijs vinden een jaar na afstuderen alsnog een baan in het onderwijs. Ongeveer 38 procent van de afgestudeerden van de pabo werkt vijf jaar na afstuderen in het onderwijs terwijl zij dat in het eerste jaar na afstuderen niet deden. Van degenen die één jaar na afstuderen in het onderwijs werkzaam waren, is 88 procent dat na vijf jaar nog steeds.4
Afgestudeerden uit het jaar 2015 vinden weer vaker een reguliere baan in het onderwijs. De Staatssecretaris heeft uw Kamer op 1 juli 2016 hierover per brief geïnformeerd.5
Welke gevolgen heeft dit in andere onderwijssectoren in Nederland? Kunt u ingaan op het verwachte tekort aan docenten per onderwijssector?
Er is geen direct verband tussen een lerarentekort in het primair onderwijs en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor leraren in de andere onderwijssectoren.
In het voortgezet onderwijs wordt de komende 10 jaar een aanzienlijke daling verwacht van het aantal leerlingen en daarmee ook een afnemende behoefte aan leraren. Dit valt samen met het fenomeen dat leraren gemiddeld langer doorwerken dan voorheen. De uitstroom aan gepensioneerden, die al jaren was voorzien, valt daardoor deels samen met de verminderde vraag. Na 2016 nemen de verwachte tekorten in het voortgezet onderwijs af. Vanaf 2020 is echter naar verwachting weer een stijgende tendens in tekorten waarneembaar.
Problemen met moeilijk te vinden onderwijspersoneel zijn in het voortgezet onderwijs over vakken verspreid. De vakken waarin nu de hoogste vacaturedruk is (Scheikunde, Natuurkunde, Wiskunde, Frans, Duits en Klassieke Talen) zullen naar verwachting de komende jaren een hogere vacaturedruk krijgen. Dit terwijl voor de vakken waar de vacaturedruk wat lager is, deze vrijwel geheel zal verdwijnen.
De arbeidsmarkt binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kenmerkt zich door meer openheid dan die in het primair en voortgezet onderwijs. Een groot deel van de instroom van leraren in het mbo is niet afkomstig van de lerarenopleiding maar van het bedrijfsleven. Voor de komende jaren ziet het er naar uit dat het mbo kan voorzien in de benodigde leraren. Wel zullen voor specialistische technische vakken én de vakken waarvoor de tekorten toenemen in het voortgezet onderwijs, ook in het mbo problemen worden ervaren. Tevens geldt dat het mbo, meer dan het primair en voortgezet onderwijs, zal moeten concurreren op de arbeidsmarkt als de economie aantrekt.
Wij zullen uw Kamer in het najaar van 2016 via een brief informeren over de meest recente stand van zaken op de onderwijsarbeidsmarkt.
Deelt u de zorg dat dergelijke tekorten grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het onderwijs en werkdruk voor docenten?
De verwachting is dat een professionele en uitdagende werkomgeving de aantrekkelijkheid van het beroep vergroot. Schoolbesturen hebben hier een belangrijke rol in. Maar ook van de sectorakkoorden die de Staatssecretaris afsloot met de PO-Raad en VO-raad, wordt een positief effect verwacht op het voorspelde lerarentekort waarbij de kwaliteit en werkdruk niet onder druk komen te staan.
Ook de samenwerking tussen de verschillende onderwijssectoren is van groot belang om bijvoorbeeld de instroom in lerarenopleidingen te bevorderen. Zo behoeft de doorstroom van mbo naar pabo aandacht. Versterking van de samenwerking in de regio is daarom een belangrijke prioriteit bij de implementatie van de Lerarenagenda.
Met de lerarenopleidingen zet de Minister ook in op instroom-acties, bijvoorbeeld door nauw betrokken te zijn bij het project «Veel meer Meester!» De voorlopersgroep «Veel meer Meester!» is voortgekomen uit het «voorloperstraject» zoals dat in de Lerarenagenda is beschreven.
De groep van inmiddels 18 Pabo’s heeft onder meer als doel om rondom het thema «meer mannen op de pabo» initiatieven en acties te ontplooien om meer mannen te bewegen een Pabo-opleiding te volgen en meer mannen te interesseren voor het beroep van leraar. De voorlopersgroep besteedt structureel aandacht aan de instroom, doorstroom én uitstroom van mannen op de Pabo, onder andere door het curriculum anders vorm te geven, zodat het mannen meer aanspreekt.
Deelt u de mening van de PO-Raad dat er geïnvesteerd moet worden in het onderwijs en de lerarensalarissen moeten worden verhoogd om het vak van juf en meester aantrekkelijker te maken? Zo ja, bent u bereid om meer geld te investeren in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet, maar ook voorgaande kabinetten, hebben de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in het onderwijs. In 2008 zijn met het actieplan leerkracht structureel extra financiële middelen beschikbaar gekomen, oplopend tot € 1 miljard in 2020, om de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar te vergroten. Met de akkoorden, die de Staatssecretaris in 2014 met de PO-Raad en de VO-raad heeft gesloten, zijn ook extra middelen voor het funderend onderwijs beschikbaar gekomen. Daarnaast zijn er extra middelen naar het mbo gegaan. De totale middelen lopen de komende twee jaar op tot structureel € 1,2 miljard. Hiermee kunnen scholen verder werken aan een duurzame kwaliteitsverbetering van het onderwijs, bijvoorbeeld via een betere begeleiding van beginnende leraren, professionele ontwikkeling van leraren en talentontwikkeling.
Daarnaast is in 2013 eenmalig uit hoofde van het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) en het Begrotingsakkoord 2014 € 663 miljoen geïnvesteerd in het funderend onderwijs.
Vanwege het afsluiten van het Nationaal Onderwijsakkoord waren de onderwijssectoren eerder van de nullijn af dan de andere overheidssectoren. Daarnaast is er vorig jaar een bovensectoraal loonakkoord afgesloten waardoor de sectoren 5 procent loonsverhoging erbij krijgen.
Welke alternatieve of aanvullende maatregelen zijn er denkbaar om het aankomende lerarentekort tegen te gaan? Welke van deze maatregelen treft u op korte termijn om het lerarentekort tegen te gaan?
Zie antwoord op vraag 4.
Het bericht dat de regering-Merkel er zeker van is dat Erdogan bewust radicaalislamitische bewegingen helpt |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat volgens uitgelekte antwoorden op vragen in de Duitse Bondsdag van de oppositiepartij Die Linke, de regering-Merkel er zeker van is dat Erdogan bewust radicaalislamitische bewegingen helpt?1
Ja.
Kunt u dit bericht bevestigen? Zo niet, bent u bereid hier navraag naar te doen bij de Duitse regering en de Kamer hierover te informeren, desnoods vertrouwelijk?
De gestelde vragen door de Bondsdag zijn deels openbaar beantwoord, waarbij opgemerkt dient te worden dat het openbare deel van de antwoorden nog niet gepubliceerd is door de Bondsdag. Het gelekte deel, dat vertrouwelijk is, bevat slechts een element in de Duitse visie op Turkije, zo stelde de Duitse Minister De Maizière op donderdag 18 augustus jl. Duitsland heeft onderstreept dat Turkije een essentiële partner is en blijft in de strijd tegen terrorisme.
Indien deze berichten kloppen, welke politieke consequenties trekt u dan uit de conclusie dat de AK-partij de Egyptische Moslimbroederschap, Hamas en gewapende islamitische rebellen in Syrië zou ondersteunen, waarbij de Hamas op de EU-lijst staat van terroristische organisaties?
Het kabinet blijft samenwerken met Turkije in de strijd tegen terroristische organisaties die door beide landen, dan wel door de Europese Unie en Turkije, als zodanig zijn aangemerkt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de Egyptische Moslimbroederschap door de Europese Unie en Nederland niet is aangemerkt als een terroristische organisatie. Turkije beschouwt Hamas, net als vele andere landen in de regio, als de in 2006 democratisch verkozen regering van de Palestijnen en daarom als legitiem gekozen gesprekspartner. Het feit dat de Turkse regering contacten onderhoudt met één of meer organisaties die door de Europese Unie en Nederland als terroristisch zijn aangemerkt is geen reden om de samenwerking met Turkije op terrorismebestrijding in brede zin te heroverwegen. Tijdens de aanstaande informele Raad Buitenlandse Zaken zal samen met Turkije gesproken worden over de situatie in de regio en over de gezamenlijke aanpak om terrorisme te bestrijden.
Indien de berichten kloppen, bent u dan van mening dat de onderhandelingen over het visumvrij reizen en de EU- toetredingsgesprekken per direct zouden moeten stoppen?
Het kabinet is niet van mening dat de huidige onderhandelingen met Turkije over visumliberalisatie of EU-toetreding gestopt moeten worden omwille van deze berichtgeving. Beide onderhandelingstrajecten zijn aan strenge criteria onderhevig waarbij Turkije aan alle geldende benchmarks zal moeten voldoen. Daarbij zij opgemerkt dat het kabinet van mening is dat er op dit moment, in het licht van de ontwikkelingen in de rechtsstaat in Turkije sinds de couppoging van 15 juli jl., geen sprake kan zijn positieve stappen in het EU-toetredingstraject. Wat betreft visumliberalisatie lijkt de inzet van de Turkse autoriteiten er momenteel niet op gericht om op korte termijn te voldoen aan de resterende benchmarks.
Bent u bereid in EU-verband het steunen van radicale islamitische groeperingen door Turkije aan de orde te stellen in de Raad Buitenlandse Zaken om te komen tot het veroordelen van de Turkse steun aan deze groeperingen, in ieder geval aan Hamas als terroristische organisatie?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid in bi- en unilateraal verband de bewapening van islamitische strijders en het heen en weer over de Syrische grens laten gaan door Turkije aan de orde te stellen en dit te veroordelen?
Zoals eerder meegedeeld, is de situatie aan de Turkse grens complex. Het kabinet sluit niet uit, mede vanwege het diffuse beeld aan de Turkse grens en de diverse strijdgroeperingen die daar actief zijn, dat vanuit Turks grondgebied steun wordt verleend aan verschillende organisaties en daaraan gelieerde individuen. In gesprekken met Turkije benadrukt Nederland dan ook dat inspanningen gewenst blijven om activiteiten van terroristische organisaties en daaraan gelieerde strijders te frustreren en waar mogelijk te voorkomen, met name door nadruk te leggen op versterking van de grenscontrole.
Het bericht dat scholieren vaak ziek thuis zitten |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Erkent u dat langdurig of regelmatig ziekteverzuim onder scholieren een landelijk probleem is, zoals de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) stelt? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?1
De cijfers over ziekteverzuim zijn alleen beschikbaar op schoolniveau. Er is geen landelijk beeld.
Hoeveel scholieren in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zitten langdurig of regelmatig ziek – meer dan 6 aaneengesloten schooldagen of meer dan 16 uren gedurende de laatste 4 weken – thuis? Kunt u de Kamer inzage hierin geven? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik kan u hierover geen cijfers geven. Omdat ziekteverzuim een vorm van geoorloofd verzuim is, hoeft de school hiervan geen melding te doen. Er wordt dan ook geen landelijke registratie van het aantal ziektegevallen bijgehouden.
Hoeveel scholieren verlaten na langdurige of regelmatige ziekte voortijdig het onderwijs zonder startkwalificatie en komen thuis te zitten? Kunt u de Kamer inzage hierin geven? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de in het antwoord op vraag 2 genoemde reden kan ik de Kamer hierin geen inzage geven.
Erkent u dat het zogenaamde passend onderwijs mislukt is, nu blijkt dat veel leerlingen zich ziek melden en geen onderwijs volgen, omdat de daadwerkelijke reden van thuiszitten (depressies, thuissituatie, chronische ziekte) onvoldoende gesignaleerd wordt in het reguliere onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de invoering van passend onderwijs, inclusief de maatregelen op het terrein van «onderwijs op een andere locatie», zijn er meer mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor kunnen meer leerlingen, ook zieke leerlingen, een passend onderwijsprogramma volgen.
Bent u van mening dat de inrichting van het huidige voortgezet onderwijs met grote klassen, signaleringsverlegenheid bij onderwijspersoneel en het weinige maatwerk enkele van de grootste boosdoeners zijn als het gaat om het grote ziekteverzuim onder scholieren? Zo nee, wat is hiervan dan wel de reden?
Ziekteverzuim kan uiteenlopende oorzaken hebben. Dit blijkt ook uit het evaluatieonderzoek van M@ZL waarin gekeken is naar de gezondheidstoestand van bijna 500 vmbo-leerlingen die veelvuldig verzuimden. De oorzaken van het ziekteverzuim liepen uiteen van chronische somatische klachten en leefstijlproblemen tot schoolproblematiek zoals pesten of leerproblemen. Met de invoering van passend onderwijs, inclusief de maatregelen op het terrein van «onderwijs op een andere locatie, zijn er meer mogelijkheden om maatwerk te bieden, zodat ook zieke leerlingen een passend onderwijsprogramma kunnen volgen.
Is het langdurig of regelmatig ziekteverzuim onder scholieren op het vmbo hoger dan op andere leerwegen of leerniveaus? Zo ja, kunt u de Kamer inzage geven in de oorzaken hiervan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is er een verband tussen langdurig of regelmatig ziekteverzuim en scholieren die geen passend onderwijsaanbod ontvangen vanwege een complexe onderwijs- en/of zorgvraag? Zo ja, waar ligt dan het verband en om hoeveel scholieren gaat het hier?
Het niet (voldoende) bieden van een passend aanbod kan leiden tot ziekteverzuim. Er zijn geen cijfers beschikbaar over de mate waarin dit voorkomt.
Welke stappen heeft het kabinet al ondernomen om langdurig of regelmatig ziekteverzuim onder scholieren in het voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs terug te dringen? In hoeverre waren deze stappen effectief in het terugdringen van ziekteverzuim onder deze groepen scholieren?
Het bestrijden van ziekteverzuim is in de eerste plaats een taak van de school, in samenwerking met ouders, jeugdarts en andere hulpverleners. Van elke school wordt verwacht dat ze een stevig (ziekte)verzuim beleid hanteren en duidelijke protocollen volgen. De Inspectie van het Onderwijs ziet daar ook op toe.
Vanuit het Rijk is de afgelopen jaren vooral ingezet op de aanpak van ongeoorloofd verzuim. Over de maatregelen die in dat kader zijn ingezet, bent u onder andere geïnformeerd met de Leerplichtbrief (februari 2016, Kamerstuk 26 695, nr. 108) en de negende voortgangsrapportage passend onderwijs (juni 2016, Kamerstuk 31 497, nr. 210).
Specifiek voor de aanpak ziekteverzuim is in 2010, met subsidie van het Ministerie van OCW en het toenmalige Ministerie van J&G, de handreiking «Snel terug naar school is toch veel beter» ontwikkeld. De handreiking is ontwikkeld door Jeugdartsen Nederland (AJN), de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) en Ingrado en biedt praktische adviezen om onnodig ziekteverzuim van leerlingen in het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs aan te pakken.
In hoeverre is het langdurig en regelmatig ziekteverzuim in West-Brabant teruggedrongen door de inzet van M@ZL (Medische Advisering Ziekgemelde Leerling) door de GGD? Kunt u de Kamer inzage hierin geven? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?2
Evaluatieonderzoek heeft laten zien dat ziekteverzuim gehalveerd wordt door M@ZL bij de VMBO-leerlingen in West Brabant. Door leerlingen te begeleiden
volgens het M@ZL-protocol kon het ziekteverzuim met de helft worden teruggedrongen in vergelijking met een even grote controlegroep die op de gebruikelijke manier werd begeleid.
Vindt u M@ZL een effectieve aanpak in het terugdringen van ziekteverzuim en steunt u dan ook een landelijk vervolg van deze aanpak? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gezien de resultaten van het hierboven genoemde evaluatieonderzoek lijkt M@ZL een effectieve aanpak te zijn. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) onderzoekt daarom de mogelijkheden om deze aanpak breder uit te rollen. Het is aan regio’s zelf om deze aanpak al dan niet over te nemen. Wel onderstreep ik voor alle regio’s het belang van een goede samenwerking tussen scholen, jeugdgezondheidszorg en gemeenten in de aanpak van ziekteverzuim. Uit de verzuimgesprekken die mijn ambtenaren samen met Ingrado inmiddels al in ongeveer zestig regio’s hebben gevoerd, blijkt gelukkig ook dat dergelijke afspraken steeds gangbaarder worden. Om dat te ondersteunen, zal Ingrado komend jaar de handreiking «Snel terug naar school is veel beter» (zie ook het antwoord op vraag 8) actualiseren en het gebruik ervan stimuleren.
Zijn er naast M@ZL nog meer projecten in het land die ziekteverzuim op het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs trachten terug te dringen? Zo ja, welke en zijn deze effectief gebleken? Zo nee, waarom niet?
Ja, er zijn meer regio’s waarin scholen, jeugdgezondheidszorg en gemeenten dergelijke afspraken hebben gemaakt. In de verzuimgesprekken (zie het antwoord op vraag 10) geven gemeenten en samenwerkingsverbanden aan dat die afspraken ertoe leiden dat rollen en verantwoordelijkheden helderder zijn en eerder zicht wordt verkregen op problematisch ziekteverzuim.
Kunt u toelichten of de bezuinigingen op de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten een bedreiging vormen voor projecten zoals M@ZL? Zo nee, waarom niet?
M@ZL is een methodiek die ingezet kan worden bij de integrale aanpak van ziekteverzuim bij scholieren. Het is aan gemeenten om te besluiten of zij M@ZL willen inzetten voor de aanpak van ziekteverzuim. Gemeenten zullen dan ook met de GGD’en (of andere JGZ-organisaties) afspraken moeten maken over de financiering hiervan. Gemeenten bepalen dus of zij dit willen financieren. Van bezuinigingen vanuit het kabinet op de GGD’en is geen sprake. Of en hoe de keuze voor M@ZL wordt beïnvloed door eventuele bezuinigingen door gemeenten is niet bekend.
Het bericht dat de Duitse regering Turkije een platform voor islamisten noemt |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Berlijn noemt Turkije platform islamisten»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Duitse regering Turkije, in antwoord op vragen van de Bondsdag, een «centraal platform voor islamitische groeperingen» heeft genoemd?
De gestelde vragen door de Bondsdag zijn deels openbaar beantwoord, waarbij opgemerkt dient te worden dat het openbare deel van de antwoorden nog niet gepubliceerd is door de Bondsdag. Het gelekte deel, dat vertrouwelijk is, bevat slechts een element in de Duitse visie op Turkije, zo stelde de Duitse Minister De Maizière op donderdag 18 augustus jl.
Kunt u zich de eerdere vragen herinneren over het bericht dat Turkije nog altijd onderdak biedt aan talloze islamitische extremisten?2
Ja.
Deelt u de analyse van de Duitse regering? Kunt u ook, in aansluiting op de eerdere vragen, de ondersteunende maatregelen aan de Egyptische Moslimbroederschap, Hamas en diverse gewapende oppositiegroepen door de partij van president Erdogan bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept, net als de Duitse regering, dat Turkije een partner is en blijft in de strijd tegen terrorisme. Het kabinet heeft meermaals in Kamerstukken en in openbare samenvattingen van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland geschreven over de rol van de Turkse regering in de strijd tegen ISIS. Sinds de diverse aanslagen op Turks grondgebied zijn er tekenen dat Turkije de dreiging vanuit ISIS steviger bestrijdt. Deze inspanningen zijn versterkt door onder andere op te treden tegen ISIS-presentie in Turkije en door de grens met het door ISIS gecontroleerde gebied in Syrië strenger te controleren.
Gezien de geografische ligging heeft Turkije direct te maken met de conflicten in buurlanden Syrië en Irak. Het kabinet kan bevestigen dat Turkije contacten onderhoudt met de Egyptische Moslimbroederschap, Hamas en verschillende gewapende oppositiegroepen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de Egyptische Moslimbroederschap door de Europese Unie en Nederland niet is aangemerkt als een terroristische organisatie. Turkije, net als vele andere landen in de regio, beschouwt Hamas als de in 2006 democratisch verkozen regering van de Palestijnen en daarom als legitiem gekozen gesprekspartner. Het kabinet zal blijven samenwerken met Turkije in de strijd tegen terroristische organisaties die door beide landen, dan wel door de Europese Unie en Turkije, als zodanig zijn aangemerkt.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de ondersteuning door een NAVO-bondgenoot aan organisaties die op de EU-terreurlijst staan?
Zie antwoord vraag 4.
Het nieuws dat de FBI vooraf geweten zou hebben van de aanslag in Garland op 3 mei 2015. |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het antwoord van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 augustus 2016 op de eerdere vragen (van 9 augustus 2016) over de terreuraanslag in Garland, Texas?1
Ja.
Indien de verklaring onder ede van een undercoveragent klopt dat de FBI voorkennis had van de aanslag in Garland en er mogelijk zelfs toe heeft aangezet, deelt u dan de mening dat het absoluut ontoelaatbaar en onacceptabel is dat de Amerikaanse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten en -diensten niet vooraf daarover hebben ingelicht? Wanneer krijgt u hiervoor een verklaring van.de Amerikaanse autoriteiten?
Ik heb in de beantwoording van uw eerdere vragen laten weten dat de Amerikaanse autoriteiten zijn verzocht om een nadere duiding van de mediaberichten met het oog op de vermeende voorkennis van de FBI. Het is mij nog onbekend wanneer de Amerikaanse autoriteiten deze nadere duiding zullen geven. Vooruitlopend hierop wil ik niet ingaan op «als dan» vragen.
Deelt u de mening dat de in Garland, Texas, aanwezige deelnemers aan de bijeenkomst, waaronder de vragensteller en de helden van de Dienst Bewaken en Beveiligen, mogelijk onnodig in gevaar zijn gebracht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier bent u alsdan van plan de Amerikaanse autoriteiten duidelijk te maken dat Nederland zulks onacceptabel vindt en op welke wijze kunt u zeker stellen dat een herhaling in de toekomst zal worden voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De voorgenomen sancties door het CBS en het bericht 'Verplichte deelname aan CBS-telling Varkensstapel van de zotte' |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat gewastelers per 1 juli 2016 verplicht zijn hun gegevens over de gewasbescherming op hun bedrijf aan te leveren bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het bericht dat het CBS varkenshouders, op straffe van een boete, gaat verplichten deel te nemen aan de Decembertelling Varkensstapel?1 2
Ja.
Tijdens de internetconsultatie over het Ontwerpbesluit wijziging van het Besluit gegevensverwerving CBS spreekt u over een «mogelijke verplichting voor agrariërs om specifieke landbouwgegevens aan te leveren»; waarom is in de Nota van toelichting het «mogelijke» al omgezet in een verplichting? Waarom is er geen actie ondernomen toen er geen reactie vanuit de agrarische sector kwam op de internetconsultatie?3
De CBS-wet maakt het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) gegevens aan te wijzen waarvoor de directeur-generaal van het CBS bevoegd is die op te vragen ten behoeve van statistische doeleinden bij door die maatregel aangewezen categorieën van ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen, als de verwerving uit andere registraties niet de benodigde gegevens oplevert (Artikel 33, lid 3).
Het ontwerp van de AMvB is voorgelegd ter consultatie voor een ieder op overheid.nl in de periode van 26 maart tot en met 7 mei 2015. Daarbij is aangegeven dat er sprake is van een lichte administratieve lastenverzwaring voor agrariërs. In de Nota van toelichting van de AMvB staat dat het CBS de mogelijkheid krijgt om verplichtende uitvragen aan agrariërs op te leggen. Dit is in lijn met de communicatie in de internetconsultatie.
Bij de internetconsultatie zijn geen reacties ingediend betreffende de landbouwstatistieken. Het uitblijven van reacties gaf toentertijd geen aanleiding om hierover verder te communiceren.
Het CBS richt momenteel een communicatietraject in om agrariërs te informeren. Op de website van CBS4 is ook informatie opgenomen over de achtergrond van de nieuwe verplichtingen en het gebruik van de gegevens.
Waarom heeft u de Kamer en de agrarische sector niet geïnformeerd over de verplichting om specifieke landbouwgegevens aan te moeten gaan leveren met als sanctie een boete en dat met deze verplichting de administratieve lasten worden verhoogd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om met de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland, de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) en de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) in gesprek te gaan over de gegevensverwerving van het CBS? Bent u tevens bereid om het CBS te verzoeken tot die tijd het voornemen van een boete niet tot uitvoering te brengen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit het Ministerie van Economische Zaken is er regelmatig contact met zowel het CBS als met de agrarische sector over de administratieve lasten die samenhangen met het verzamelen van gegevens. Op 19 september a.s. staat een overleg gepland tussen het CBS en vertegenwoordigers van LTO over de gegevensverwerving. De directeur-generaal van het CBS is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in zijn keuze om een boete wel of niet tot uitvoering te brengen.
Kunt u aangeven hoe hoog de administratieve lasten zijn die het CBS veroorzaakt voor het agrarische bedrijfsleven?
De administratieve lasten van de agrarische uitvraag telden voorheen niet mee met de officiële lastendruk, omdat het een vrijwillige uitvraag betrof. In totaal zal de officiële lastendruk voor de landbouwstatistieken als gevolg van de nieuwe verplichting stijgen met € 63.192 (zie de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Besluit Gegevensverwerving onder punt 7). Bij een hoger responspercentage is reductie van de lasten voor de sector mogelijk, dan kunnen namelijk de steekproeven worden verkleind.
Landbouwbedrijven kunnen overigens, net als andere bedrijven, ook administratieve lasten ondervinden van enquêtes die niet specifiek op het agrarische bedrijfsleven betrekking hebben. Hierover bestaan echter geen aparte gegevens per sector.
Waarom vraagt het CBS aan bv’s, waarin geen medewerkers werkzaam zijn, elk kwartaal weer hoeveel medewerkers deze bv heeft?
Het CBS baseert de officiële kwartaalcijfers over werkgelegenheid op de polisadministratie. De polisadministratie bevat informatie over inkomsten en wordt bijgehouden door het UWV. Voor de kwartaalcijfers vindt geen enquêtering door het CBS plaats.
Op jaarbasis is wel enige aanvullende enquêtering noodzakelijk. In de jaarlijkse landbouwtelling en in CBS-jaarstatistieken voor andere bedrijfstakken worden enkele vragen gesteld rondom de totale werkgelegenheid van bedrijven (o.a. over het aantal werknemers, zelfstandigen en uitzend-/inleenkrachten). Deze vragen dienen deels als aanvullende informatie om de totale werkgelegenheid te kunnen bepalen en deels als controlevraag op de financiële gegevens.
Waarom vraagt het CBS aan een bedrijf dat bij de Kamer van Koophandel als melkveebedrijf staat geregistreerd hoeveel gewasbeschermingsmiddelen het gebruikt in de boomteelt?
Agrarische bedrijven die een enquête Gewasbeschermingsmiddelen ontvangen, zijn geselecteerd op basis van de gegevens van geteelde gewassen uit de Landbouwtelling van het jaar ervoor. Alleen bedrijven die zelf in de Landbouwtelling hebben aangegeven deze gewassen te telen, worden geselecteerd. Aangezien dat informatie is die rechtstreeks van de bedrijven afkomstig is, wordt geen gebruik gemaakt van informatie uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Waarom moet informatie van agrarische bedrijven soms op meerdere momenten in het jaar worden verkregen?
De EU-verordening met betrekking tot veestapels vereist gegevens per 1 mei en 1 december.
Welk percentage van de agrarische bedrijven voldeed in 2015 aan de wettelijke informatieverplichting?
Tot 1 juli 2016 was er geen verplichting voor de agrarische bedrijven om mee te werken aan de Landbouwenquêtes van het CBS. De respons van de enquêtes in 2015 was voor de oogstraming Akkerbouw 45 procent, oogstraming Appels en peren 43 procent, oogstraming Groenten open grond 45 procent, statistiek Varkensstapel 52 procent en de statistiek Gewasbescherming (2012), een statistiek die eens in de vier jaar wordt gehouden, 38 procent. Op basis van deze lage responspercentages is geen betrouwbare informatie over de landbouwsector te produceren. Dat was de concrete aanleiding om over te gaan tot verplichtstelling van de enquêtes.
Is er voldoende aandacht besteed aan alternatieven die mogelijk minder administratieve lasten voor het bedrijfsleven opleveren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals tevens beschreven in het antwoord op vragen 5 en 6 van het lid Dijkgraaf (SGP, kenmerk 2016Z15304), maakt het CBS zoveel mogelijk gebruik van alternatieve databronnen en methoden in zijn streven om de administratieve lasten van bedrijven terug te dringen.
Welke reeds verzamelde agrarische gegevens worden door het CBS intern hergebruikt?
Het CBS gebruikt de gegevens van de Landbouwtelling, de oogstramingsstatistieken en de statistiek Varkensstapel voor het opstellen van de Landbouwrekeningen en de Nationale Rekeningen. Daarnaast wordt de populatie van landbouwbedrijven uit de Landbouwtelling gebruikt om de steekproef van de vijf statistieken uit te trekken. De resultaten van die steekproef worden vervolgens vertaald naar de totale populatie in de Landbouwtelling. De uitkomsten van de statistiek Gewasbescherming worden gebruikt voor de samenstelling van de Milieurekeningen.
Kunt u de verdeling geven van de door het CBS gevraagde agrarische gegevens die een direct uitvloeisel zijn van Europese wetgeving en hoeveel een direct uitvloeisel van Nederlandse wetgeving zijn?
De basis voor alle agrarische gegevens die het CBS uitvraagt, zijn EU-verordeningen op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn om informatie over deze onderwerpen aan Eurostat te leveren.
Kunt u aangeven welke van de door het CBS gevraagde agrarische gegevens hun oorsprong niet vinden in wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Het afdwingen van vijf aanvullende landbouwenquêtes door het CBS |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bovenop de Landbouwtelling deelname aan vijf andere landbouwenquêtes wil afdwingen?1
Ja.
Op welke Europese bepalingen is de noodzaak om deze aanvullende landbouwenquêtes af te nemen precies gebaseerd?
De basis voor het samenstellen van deze statistieken zijn EU-verordeningen op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn om informatie over deze onderwerpen aan Eurostat te leveren. Het gaat om zes EU-verordeningen: (EG) Nr. 543/2009 betreffende gewasstatistieken, (EG) Nr. 1165/2008 betreffende vee- en vleesstatistieken, (EG) Nr. 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden, (EG) Nr. 837/2007 betreffende statistieken invoerprijzen bepaalde soorten groente en fruit, (EG) Nr.762/2008 betreffende statistieken over aquacultuur en (EG) Nr. 1337/2011 betreffende statistieken meerjarige teelten.
De responspercentages op de betreffende enquêtes zijn zover teruggelopen, dat het niet langer mogelijk was om betrouwbare informatie over de landbouwsector te produceren. Dat was de aanleiding voor het besluit om over te gaan tot verplichtstelling van de voorheen vrijwillige enquêtes.
De informatie die via deze enquêtes wordt verzameld, wordt dus gebruikt om te voldoen aan de verplichting om statistische gegevens aan Eurostat te leveren. Deze informatie wordt vervolgens voor verschillende doeleinden gebruikt. Ze vormen belangrijke informatie om het landbouwbeleid op te baseren, zowel Europees als nationaal. Ook het bedrijfsleven, zoals de landbouwcoöperaties en de mengvoeder- en zuivelindustrie, maakt gebruik van de informatie.
Is het (juridisch) mogelijk om meer gebruik te maken van gegevens uit de jaarlijkse Landbouwtelling, eventueel via extrapolatie?
Gegevens uit de Landbouwtelling worden al zoveel mogelijk gebruikt door het CBS. Voor de aanlevering van gegevens aan Eurostat over de veestapel per 1 mei, die de EU-verordening vraagt, worden gegevens uit de Landbouwtelling gebruikt. Er vindt daarvoor geen aanvullende enquête plaats.
Voor de aanlevering van gegevens over de veestapel per 1 december, die de EU-verordening tevens vraagt, zijn de gegevens van de Landbouwtelling te gedateerd en moeten aanvullende gegevens verzameld worden. Het CBS probeert deze aanvullende gegevens zoveel mogelijk uit bestaande registers te halen. Zo worden gegevens over het rundvee, schapen en geiten verzameld uit de registers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voor identificatie en registratie van dieren (I&R). De I&R van de varkensstapel is niet volledig genoeg om te vertalen naar de omvang van de varkensstapel per 1 december, omdat die alleen de gegevens over de aantallen aan- en afgevoerde varkens per bedrijfslocatie bevat en geen inzicht geeft in de veranderingen door geboortes op een locatie zelf. Extrapolatie van de gegevens uit de Landbouwtelling is dus niet mogelijk om de omvang van de varkensstapel per 1 december te bepalen omdat de I&R varkens geen goede indicator is voor de ontwikkelingen van de varkensstapel tussen 1 mei en 1 december. Daarom stuurt het CBS enquêteformulieren uit aan een aantal varkenshouders die op basis van een steekproef worden bepaald.
Verder bevat de Landbouwtelling geen gegevens over oogstramingen of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Is het (juridisch) mogelijk om voor de oogstramingen van appels, peren en akkerbouw ook gebruik te maken van beschikbare sectorale oogstramingen?
Ja, voor een deel is dat mogelijk en gebeurt dit ook. Het is echter niet altijd mogelijk omdat de gegevens van de ramingen onvoldoende objectief, betrouwbaar en/of nauwkeurig zijn. In het geval van de oogstraming appels en peren van het GroentenFruit Huis is de oogstraming zelfs gebaseerd op eerdere cijfers van het CBS. Zonder de CBS-cijfers kan deze oogstraming dus niet worden gemaakt.
Bent u voornemens in overleg met het CBS in te zetten op het zoveel mogelijk voorkomen en inperken van de genoemde aanvullende enquêteverplichtingen?
Het CBS zet al decennialang sterk in op het verlagen van zowel de feitelijke als de ervaren lastendruk bij het bedrijfsleven. Hierdoor is de feitelijke administratieve lastendruk sterk gedaald, met 70% in de periode 1994–2014. Het CBS blijft daarnaast werken aan een verdere reductie.
Er is vanuit het Ministerie van Economische Zaken regulier contact met het CBS over de ontwikkeling van de administratieve lastendruk die het gevolg is van de uitvoering van EU-verordeningen. Het CBS gaat bij de uitvoering van deze verordeningen na of er reeds informatie beschikbaar is bij het CBS of in registraties van de overheid. Indien dat niet of onvoldoende het geval is, en er geen andere mogelijkheden zijn om de informatie met voldoende betrouwbaarheid en kwaliteit te verkrijgen, wordt de noodzakelijke informatie via een enquête verzameld. De landbouwenquêtes waar het hier om gaat, zijn in eerste instantie op vrijwillige basis uitgevoerd. Aangezien het responspercentage zodanig was teruggelopen, dat het niet langer mogelijk was om betrouwbare informatie over de landbouwsector te produceren, is overgegaan tot verplichtstelling van de enquêtes via de aanpassing van het Besluit gegevensverwerving CBS. In deze
Algemene maatregel van bestuur zijn de gegevens aangewezen en tevens de categorieën van ondernemingen, vrije beroepsoefenaren, instellingen en rechtspersonen waar die gegevens worden opgevraagd. Dit is gebaseerd op de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Artikel 33 lid 3).
In de antwoorden op vragen 3 en 4 zijn reeds voorbeelden genoemd van registerdata die het CBS gebruikt. Er zijn nog meer voorbeelden te noemen. Zo maakt het CBS voor de statistiek Gewasbescherming voor glastuinbouw waar mogelijk gebruik van MPS-data («More Profitable Sustainability»-Group, zorgt voor ontwikkeling, beheer en uitvoering van certificering op het gebied van duurzaamheid) en GreenlinQdata (glasgroenten 2016, opvolger van Groeinet 2012). Binnen de fruitteelt is er een samenwerking met Fruitconsult.
Daarnaast worden regelmatig nieuwe mogelijkheden onderzocht. Zo heeft een onderzoek naar het benutten van fiscale data geleid tot het samenstellen van de productiewaarde siergewassen zonder dat het CBS daarvoor nog aanvullende gegevens hoeft uit te vragen. Ook wordt verder onderzoek gedaan naar het beter benutten van beschikbare I&R-gegevens. Deze voorbeelden illustreren de inspanningen en het streven van het CBS om alternatieven te vinden voor het houden van enquêtes.
Bent u voornemens te voorkomen dat landbouwbedrijven opnieuw met extra lastendruk te maken krijgen? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 5.
Een inbraak in de database van de gemeente Ede |
|
John Kerstens (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Database Ede gehackt: gegevens duizenden inwoners mogelijk op straat»?1
Ja.
Is er door de gemeente Ede aangifte bij de politie gedaan? Zo ja, wat is de stand van zaken daarvan? Zo nee, waarom heeft de gemeente geen aangifte gedaan?
De gemeente Ede heeft inderdaad aangifte gedaan bij de politie. Er loopt momenteel een onderzoek. Derhalve kunnen hieromtrent geen mededelingen worden gedaan.
Wat doet de Autoriteit Persoonsgegevens naast het in ontvangst nemen van meldingen van datalekken nog meer met dergelijke meldingen? En wat doet deze autoriteit specifiek met de melding van de gemeente Ede dat er sprake was van de genoemde datalek?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) beoordeelt op basis van een risico-inventarisatie welke van de ontvangen meldingen zij nader analyseert. Bij de meldingen die zij analyseert, bekijkt de AP onder meer of de verantwoordelijke organisatie het datalek had moeten melden aan de betrokkenen en of dat is gebeurd. Daarnaast beoordeelt de AP of de verantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen heeft getroffen om de inbreuk op de beveiliging van persoonsgegevens aan te pakken en om verdere inbreuken te voorkomen. Ten aanzien van de specifieke gemeente die wordt genoemd, doet de AP geen uitspraken.
Wat is het is het oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens over deze datalek en met name het risico dat er de persoonsgegevens van bewoners voor andere doeleinden dan het doorgeleiden naar een advertentiewebsite kunnen worden gebruikt?
De AP doet geen uitspraken over specifieke gevallen, zoals de gemeente die wordt genoemd.
Hoeveel gemeenten zijn het afgelopen jaar slachtoffer geworden van een hack binnen hun digitale infrastructuur?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van aantallen informatiebeveiligingsincidenten of hacks bij gemeenten. Organisaties, waaronder ook gemeenten, zijn ingevolge de Wet bescherming Persoonsgegevens (Wbp) verplicht om melding te doen bij de AP als het gaat om een datalek ten aanzien van persoonsgegevens. In de periode 1 januari 2016 en 27 mei 2016 heeft de AP 147 meldingen van datalekken van gemeenten ontvangen. Daarbij zij aangetekend dat niet alle beveiligingsincidenten ook datalekken zijn die bij de AP moeten worden gemeld, terwijl ook niet alle datalekken hacks betreffen.
Bent u van mening dat de beveiliging van gemeentelijke websites niet alleen mag afhangen van de inspanningen de desbetreffende gemeente, maar dat dat ook een zaak is die het niveau van gemeenten overstijgt? Zo ja, waarom en welke rol speelt u of gaat u spelen om gemeenten te helpen bij het beveiligen van hun digitale infrastructuur? Zo nee, waarom niet?
De informatiebeveiliging van gemeenten strekt veel breder dan het smalle terrein van websites. Hiervoor bestaan reeds centrale voorzieningen zoals DigiD en mijnoverheid.nl.
Gemeenten zijn als professionele, meest nabije overheid verantwoordelijk voor het op orde hebben van hun informatieveiligheid. Deze verantwoordelijkheid strekt verder dan de eigen organisatie. Gemeenten hebben er als collectief belang bij dat de gehele gemeentelijke branche informatieveiligheid op orde heeft. Gemeenten hebben om dit te bekrachtigen de resolutie »Informatieveiligheid, randvoorwaarde voor de professionele gemeente» aangenomen. Ik onderschrijf de wenselijkheid van bovengemeentelijke samenwerking.
Gemeenten hebben in 2013 de Informatiebeveiligingsdienst voor Gemeenten (IBD) opgericht. De IBD is het sectorale responseteam (CERT/CSIRT) voor alle Nederlandse gemeenten en richt zich op (incident)ondersteuning op het gebied van informatiebeveiliging. De IBD is voor gemeenten het schakelpunt met het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). De IBD beheert de Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten (BIG) en geeft regelmatig kennisproducten uit. Daarnaast faciliteert de IBD kennisdeling tussen gemeenten onderling, met andere overheidslagen, met vitale sectoren en met leveranciers.
Het gaat erom dat gemeenten adequate maatregelen nemen om incidenten zoveel als mogelijk te voorkomen. Gemeenten hebben met de Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten (BIG) een gemeenschappelijk normenkader om het beleid en de daaruit voortvloeiende maatregelen te toetsen. De BIG is gebaseerd op en afgeleid van de Baseline Informatiebeveiliging Rijk (BIR). Desondanks kunnen incidenten nooit worden uitgesloten.
Bent u van mening dat indien de digitale communicatie tussen burgers en gemeenten via een generieke voorziening zou gaan verlopen, dit naast een verbetering van het gebruiksgemak, ook beter te beveiligen zou zijn dan in het geval iedere gemeente zijn eigen portal behoudt? Zo ja, waarom en wat doet u om die generieke voorziening tot stand te brengen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een generieke voorziening voordelen kan opleveren. In mijn brief van 20 april 2015 heb ik de Kamer verslag gedaan van mijn overleg met de VNG over dit onderwerp (Kamerstuk 26 643, nr. 357).
In de digitale agenda 2020 hebben gemeenten de ambitie uitgesproken om gemeenschappelijkheid en collectiviteit in de informatievoorziening te bevorderen met ruimte voor lokaal maatwerk waar dat kan. Informatiebeveiliging is hierbij een noodzakelijke randvoorwaarde. In dit licht zullen de voordelen maar ook de nadelen moeten worden bezien van een eventuele collectieve voorziening voor webformulieren van gemeenten. Het blijft aan gemeenten zelf om hierover te beslissen.
Ik blijf attent op de mogelijkheid om een gemeenschappelijke voorziening dichterbij te brengen. Het kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) ontwikkelt momenteel een proof of concept voor een Generieke Transactievoorziening waarbij gemeentelijke formulieren voor ondernemers centraal worden aangeboden. Als deze proof of concept slaagt zal ik met de VNG gaan overleggen over de mogelijkheden om dit ook te doen met formulieren voor burgers.