Het bericht 'Swapgeld duurt even' |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Swapgeld duurt even?»1
Ja.
Klopt het dat de wachttijd voor compensatie voor een rentederivaat bij de Rabobank in het slechtste geval kan oplopen tot anderhalf jaar? Klopt het dat de eerste brieven van de Rabobank met herbeoordelingen pas over een half jaar verzonden worden? Hanteren andere betrokken banken gelijksoortige termijnen?
Alle banken streven ernaar de beoordelingen zo snel als mogelijk en op een zorgvuldige manier uit te voeren. Op 19 december 2016 is de pilot-fase afgerond en is het definitieve herstelkader gepubliceerd. Op dit moment leggen de banken en de externe beoordelaars de laatste hand aan hun plan van aanpak. Zodra deze plannen van aanpak zijn getoetst door de AFM kan gestart worden met de uitvoering. Het is de verwachting dat de eerste klanten vanaf het einde van het eerste kwartaal van 2017 brieven van hun bank zullen ontvangen waarin een aanbod tot herstel wordt gedaan.
De algehele doorlooptijd verschilt per bank en is afhankelijk van de aantallen en de complexiteit van de dossiers die de banken in hun portefeuille hebben. Rabobank verwacht 2017 nodig te hebben voor het beoordelen van alle rentederivatendossiers, maar kan niet uitsluiten dat een aantal klanten pas in 2018 een aanbod tot herstel zal ontvangen. De andere betrokken banken verwachten al hun klanten in 2017 een aanbod tot herstel te kunnen doen.
Rentederivatencontracten van «kwetsbare groepen» zoals klanten in bijzonder beheer zullen conform het uniforme herstelkader als eerste worden beoordeeld. Indien kwetsbare klanten door een mogelijk langere doorlooptijd in de knel komen zullen banken aanvullende maatregelen nemen om dit te voorkomen.
Deelt u de mening van de Stichting MKB-Claim dat deze termijnen ongepast zijn, zeker omdat deze zaken al jaren duren en eerder nog werd gesproken over oplossingen medio 2017?
Ik ben nog steeds van mening dat het proces zo snel als mogelijk dient te worden afgerond. De snelheid moet echter niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid van de beoordelingen en de belangen van de betrokken MKB-ondernemingen. Om deze reden is er vorig jaar door de onafhankelijke deskundigen voor gekozen om een pilot-fase te starten waarin het herstelkader verder is verduidelijkt en het herstelkader op een aantal aspecten nader is uitgewerkt om de uitvoering te verbeteren. Vanwege deze gedegen aanpak heeft de pilot-fase langer geduurd dan eerder was voorzien. Hierdoor kunnen de banken later dan verwacht beginnen met het uitvoeren van het herstelkader. De pilot-fase en de publicatie van het definitieve herstelkader is echter noodzakelijk geweest om te waarborgen dat het herstelkader daadwerkelijk uniform en op een zorgvuldige en efficiënte wijze door de banken kan worden toegepast. De AFM houdt toezicht op de goede toepassing van het herstelkader door banken. De banken en de externe beoordelaars rapporteren aan de AFM over de voortgang per bank. Ik verwacht dat de banken, mede gelet op de lange tijd dat klanten nu al moeten wachten op een oplossing, alles in het werk zullen stellen om alle klanten voor het einde van dit jaar een aanbod tot herstel te doen.
Deelt u de mening dat deze termijnen in strijd zijn met het doel van het herstelkader om de betrokken ondernemers zo snel mogelijk een passende oplossing te bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat ondernemers al lang genoeg op duidelijkheid en compensatie hebben moeten wachten en dat zij daarom allen in 2017 moeten kunnen rekenen op duidelijkheid?
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen bent u bereid te ondernemen om te bewerkstelligen dat alle gedupeerden nog in 2017 een herbeoordeling ontvangen die in overeenstemming is met het herstelkader?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat een Nederlandse vrouw na 24 jaar het Verenigd Koninkrijk moet verlaten |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht over een Nederland vrouw die na 24 jaar het Verenigd Koninkrijk moet verlaten?1
Ja. Zie tevens het antwoord op de vragen van het lid Ten Broeke.2
Kunt u dit bericht bevestigen? Is dit een directe consequentie van de uitslag van het Brexit-referendum?
Nee, ik kan de inhoud van het krantenartikel niet bevestigen. In het artikel is als toelichting op de afwijzing opgenomen dat de door haar geleverde kopie van haar paspoort niet kwalificeerde als geldig identiteitsbewijs. De Britse Home Office zou daardoor niet in staat zijn geweest om de identiteit en nationaliteit van de aanvrager vast te stellen. Overigens maak ik uit het krantenartikel op dat het een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning betrof.
Bent u bekend met soortgelijke gevallen van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk die tegen problemen aanlopen na het referendum?
Nee, de beschreven casus bevat een aantal specifieke kenmerken waardoor deze niet te veralgemeniseren is (gehuwd met een Brit, Brits-Nederlandse kinderen, paspoort niet kunnen bijvoegen, al geruime tijd woonachtig in VK). Het aantal Nederlanders dat woonachtig is in het VK ligt tussen 100.000 en 150.000. Hoeveel hiervan inmiddels een permanente verblijfsvergunning hebben aangevraagd, is onbekend.
Bent u bereid Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk te ondersteunen die dergelijke problemen ervaren?
Bent u bereid per ommegaande contact op te nemen met uw Britse collega om dit punt aan te kaarten?
Het maken van afspraken over de rechten van zowel EU-onderdanen in het VK als Britten in de EU zal in principe onderdeel uitmaken van de onderhandelingen over de uittreding uit de EU van het VK nadat het VK officieel de procedure voor uittreding heeft gestart (artikel 50 VEU). Dat zal tevens het moment zijn waarop aandacht zal worden gegeven aan de zorgen van Nederlandse burgers in het VK. Betrokkene noch de Britse Home Office hebben onderhavige zaak bij dit ministerie aangekaart. Zie antwoord op vraag 4.
Het bericht dat een Nederlandse vrouw het Verenigd Koninkrijk na 24 jaar moet verlaten |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dutch woman with two British children told to leave UK after 24 years»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Kunt u bevestigen dat de betreffende mevrouw is verzocht het Verenigd Koninkrijk (VK) te verlaten nadat zij daar 24 jaar woonachtig is geweest, een Britse man en kinderen heeft en juist het Brits staatsburgerschap had aangevraagd? Kunt u toelichten waarom haar verzoek is afgewezen?
Nee, ik kan de inhoud van het krantenartikel niet bevestigen. In het artikel is als toelichting op de afwijzing opgenomen dat de door haar geleverde kopie van haar paspoort niet kwalificeerde als geldig identiteitsbewijs. De Britse Home Office zou daardoor niet in staat zijn geweest om de identiteit en nationaliteit van de aanvrager vast te stellen. Overigens maak ik uit het krantenartikel op dat het een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning betrof.
Heeft u contact gezocht met de Britse autoriteiten over deze zaak? Zo ja, wat is daar tot nu toe uitgekomen? Zo nee, waarom niet en bent u voornemens dit alsnog op korte termijn te doen? Bent u bereid daarbij aan de kaak te stellen dat de behandeling van de aanvraag en de nasleep daarvan als nogal ondoorgrondelijk en onbegripvol zijn ervaren door de mevrouw in kwestie?
Nederlanders worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen voor hun Nederlanderschap bij het vrijwillig verkrijgen van de Britse nationaliteit. Op de homepage van de Nederlandse ambassade in Londen wordt nadrukkelijk aangegeven waar informatie over mogelijke gevolgen van een Brexit kan worden gevonden (zie http://unitedkingdom.nlembassy.org/). Betrokkene noch de Britse Home Office hebben onderhavige zaak bij dit ministerie aangekaart. Uit het artikel kan worden opgemaakt dat betrokkene een nieuwe aanvraag heeft ingediend en inmiddels hebben de media gemeld dat haar een verblijfsvergunning is toegekend. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet automatisch betrokken bij immigratie of naturalisatie aanvragen van Nederlandse burgers in het buitenland.
Heeft u reeds contact gehad met de vrouw in kwestie? Zo ja, op welke wijze wordt zij bijgestaan? Zo nee, waarom niet en bent u voornemens dit alsnog op korte termijn te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben alle EU-burgers woonachtig in het VK eenzelfde «make-preparations-to-leave»-brief gekregen? Wat is hiervan de reden?
Mij is niet bekend of alle EU-burgers woonachtig in het VK eenzelfde «make-preparations-to-leave»-brief hebben gekregen. De brief lijkt te worden gegeven aan personen van wie niet aan de hand van het originele paspoort de nationaliteit kan worden vastgesteld en die derhalve ogenschijnlijk geen verblijfsrecht hebben in het VK.
Zijn er meer gevallen bij u bekend van Nederlanders die met hetzelfde probleem te maken hebben? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het? Heeft u met al deze personen contact?
Nee, de beschreven casus bevat een aantal specifieke kenmerken waardoor deze niet te veralgemeniseren is (gehuwd met een Brit, Brits – Nederlandse kinderen, paspoort niet kunnen bijvoegen, al geruime tijd woonachtig in VK). Het aantal Nederlanders dat woonachtig is in het VK ligt tussen 100.000 en 150.000. Hoeveel hiervan inmiddels een permanente verblijfsvergunning hebben aangevraagd, is onbekend.
Hoe beoordeelt u de volgende uitspraak van The Home Office in het licht van de Britse uittreding uit de EU en in het licht van de wijze waarop in de praktijk wordt omgegaan met aanvragen van EU-burgers voor staatsburgerschap: «The rights of EU nationals living in the UK remain unchanged while we are a member of the European Union. EU nationals do not require any additional documents to prove their status.»? Graag een toelichting.
De uitspraak van de Home Office is passend voor een EU-lidstaat.
Het maken van afspraken over de rechten van zowel EU-burgers in het VK als Britse paspoorthouders in de EU zal in principe onderdeel uitmaken van de onderhandelingen over de uittreding uit de EU van het VK, nadat het VK officieel de procedure voor uittreding heeft gestart (artikel 50 VEU). Dat zal tevens het moment zijn waarop aandacht zal worden gegeven aan de zorgen van Nederlandse burgers in het VK.
Target-2 |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Europe’s secret bailout» van Hans-Werner Sinn?1
Ja.
Hoe groot is de Target2-positie van De Nederlandsche Bank (DNB) op dit moment en kunt u aangeven hoe die per land is opgebouwd per tegenpartij (ofwel, hoeveel heeft DNB nog tegoed van de Banca d’Italia, hoeveel staat DNB in het krijt bij de Bundesbank, etc)?
Target2-posities van nationale centrale banken worden maandelijks openbaar gerapporteerd op de ECB-website2. De meest recente cijfers (voor eind november 2016) laten voor DNB een positief Target2-saldo zien van EUR 99,6 mrd. Zoals aangegeven in mijn brief van 12 december 20163 wordt het Target2-systeem geadministreerd door de ECB. De tegenpartij voor Target2-transacties betreft dus de ECB, niet andere nationale centrale banken (NCB’s) in het Eurosysteem. DNB heeft hierdoor geen (positieve of negatieve) positie ten opzichte van andere NCB’s.
Wat is volgens u de oorzaak van de recent weer zeer sterke stijging in de Target2-saldi binnen het stelsel van centrale banken in de eurozone?
Anders dan in 2012 zijn de oplopende saldi in recente jaren niet het gevolg van marktstress maar het resultaat van de uitvoering sinds september 2014 van het ECB-opkoopprogramma. Het ECB-programma beïnvloedt Target2-saldi op verscheidene manieren:
Allereerst geeft de ECB aan dat NCB’s veelal (in ca. 50% van alle transacties onder het opkoopprogramma van de ECB) obligaties aankopen van tegenpartijen die niet gevestigd zijn in de eurozone. Deze tegenpartijen moeten de transactie voldoen via een rekening bij een bank die via een NCB in de eurozone bij het Target2-systeem is aangesloten. Hiervoor maken deze tegenpartijen veelal gebruik van eurozone branches van hun eigen niet-eurozone bank (bijv. een eurozone-branche van een Britse bank), of van «correspondent banks» (banken gevestigd in de eurozone die betaaldiensten aanbieden aan niet-eurozonebanken). Zowel deze branches als correspondent banken zijn relatief vaak gevestigd in landen als Duitsland, Luxemburg en Nederland. Als gevolg hiervan ontstaan betaalstromen binnen de eurozone die worden verwerkt via het Target2-systeem en leiden tot oplopende Target2-saldi.4
Tevens stelt dat ECB dat NCB’s veelal (in ca. 30% van alle transacties) obligaties aankopen van tegenpartijen die gevestigd zijn in een ander euroland. Veel van deze tegenpartijen zijn volgens de ECB gevestigd in bijv. Duitsland. Ook dit veroorzaakt grensoverschrijdende transacties en leidt tot oplopende Target2-saldi.
Tot slot beïnvloedt de risicoperceptie van investeerders bij welke banken zij de liquiditeit gegenereerd onder het ECB opkoopprogramma (tijdelijk) stallen hetgeen tevens leidt tot betaalstromen binnen de eurozone met gevolg oplopende Target2-saldi.5
Wat gebeurt er met de Target2-schuld als een land de eurozone verlaat en de eigen centrale bank van dat land niet herkapitaliseert om de Target2-schuld bij andere landen af te betalen?
Zoals gesteld in mijn brief van 12 december zou, indien een land de eurozone verlaat, de betreffende nationale centrale bank een claim op dan wel verplichting jegens de ECB behouden. Dit is in economisch opzicht niet anders dan onder de huidige situatie. Wel dienen landen die binnen het Target2-systeem wensen te opereren maar geen deel uitmaken van het Eurosysteem een non-negatief saldo te behouden t.o.v. de ECB.6 Bij uittreding kan dit aanleiding geven tot een verrekening van een negatief saldo. Een dergelijk uittreden is echter niet aan de orde.
Hoe groot is de exposure van de private sector (huishoudens, bedrijven, banken) ten opzichte van de private sector in de vijf landen met de meest negatieve Target2-balansen?
A priori bestaat er geen echte link tussen Target2 en exposures van de private sector. Zolang banken kapitaalstromen privaat financieren, kunnen private sector exposures allerlei vormen en grootten aannemen, maar zullen Target2-saldi niet oplopen. Indien bijv. een depositohouder bij een Spaanse bank een betaling verricht aan een Duitse bank (bijv. om te betalen voor de import van goederen) en de Spaanse bank deze transactie financiert door liquiditeit te lenen bij een Duitse bank, leidt dit niet tot een oplopend Target2-saldo, maar heeft de betreffende Duitse bank (en daarmee de Duitse private sector) wel een vergrote exposure op de Spaanse private sector. Dit was de situatie voor 2007: Target2-saldi waren nihil, terwijl private exposures wel aanzienlijk waren.
Slechts indien banken uit het ene land significant meer afhankelijk zijn van centrale bank liquiditeit dan banken in een ander land, kunnen oplopende Target2-saldi te zien zijn. Ook dan bestaat echter veelal geen (positieve) relatie tussen deze saldi en private exposures. Sterker, oplopende Target2-saldi kunnen gepaard gaan met teruglopende private exposures: indien bijv. de Spaanse centrale bank een bedrijfsobligatie uitgegeven door een Spaans bedrijf aankoopt van een Duitse private tegenpartij, leidt dit tot oplopende Target2-saldi maar verkleint de Duitse private sector juist haar exposure op de Spaanse private sector.
Ondanks dat er geen directe link bestaat tussen Target2 en private exposures, wordt in de tabel hieronder een overzicht gegeven van de exposures van de Nederlandse private sector op die van de vijf landen die (momenteel) de grootste negatieve Target2-saldi hebben.
Italië
Spanje
Portugal
Griekenland
Frankrijk
Bruto uitzettingen van de Nederlandse private sector
49,73
49,21
5,47
1,83
225,67
Bron: DNB Statistiek
Herinnert u zich dat de regering in 2012 meldde «Om de huidige risico’s die voortvloeien uit het Target2- systeem te mitigeren is het dus noodzakelijk dat deze Europese maatregelen voortvarend blijven worden opgepakt.»?2
Ik ben bekend met de betreffende brief uit 2012.
Kunt u aangeven hoe elk van deze maatregelen is opgepakt en uitgevoerd?
Afgelopen jaren zijn veel maatregelen genomen om de onderliggende oorzaken van het oplopen van Target2-saldi in de periode van 2008–2012 te mitigeren, o.a. op de terreinen die in de kabinetsbrief uit 2012 worden genoemd.
Zo zijn er stappen gezet op het terrein van begrotingsbeleid en macro-economisch toezicht, waaronder de implementatie van het Verdrag voor stabiliteit, coördinatie en governance in de EMU en verscherpt budgettair en economisch toezicht als gevolg van de implementatie van de «6-pack» wetgeving. Deze wetgeving bevat ook de MEOP-procedure, waarmee macro-economische onevenwichtigheden (bijv. onevenwichtigheden op de lopende rekening en betalingsbalans, in de financiële sector) beter gemonitord en aangepakt kunnen worden. Dergelijke onevenwichtigheden waren in de periode 2008–2012 onderliggende drijfveren van oplopende Target2-saldi.
In 2013 is tevens de 2-pack wetgeving van kracht geworden. Deze wetgeving zorgt voor een zorgvuldiger en meer gestroomlijnd proces voor het beoordelen van (ontwerp)begrotingen van eurolanden. Ook wordt binnen de Eurogroep peer pressure door middel van benchmarking toegepast om eurolanden te bewegen om hun economische structuur verder te versterken. Dergelijke maatregelen moeten leiden tot gezondere publieke financiën en sterkere economieën. Dit kan ceteris paribus tevens leiden tot kleinere onevenwichtigheden op de betalingsbalans en tot een vergroot vertrouwen in de economische stabiliteit van eurolanden. Daarmee worden verscheidene oorzaken van het oplopen van Target2-saldi in de periode 2008–2012 aangepakt.
Daarnaast zijn er maatregelen doorgevoerd ter versterking van de Europese bankensector. Zo zijn de kapitaaleisen voor banken de afgelopen jaren fors verhoogd en worden de komende jaren nog verdere stappen gezet om te komen tot een steviger raamwerk.8 Tot slot is ook het bankentoezicht in de eurozone gestroomlijnd via de Bankenunie, welke tevens een ordentelijke afwikkeling en herstructurering van banken bevordert. Al deze maatregelen hebben tot doel de stabiliteit van en het vertrouwen in het Europese bankenstelsel te vergroten. Hiermee wordt ook een deel van de oorzaken van de oplopende Target2-saldi in de post-(2008)crisis periode aangepakt.
Is het risico dat voortvloeit uit het Target2-systeem sindsdien in zijn totaliteit afgenomen of toegenomen?
Zoals gesteld materialiseert een restpositie in het Target2 systeem zich slechts bij een uittreding van een land uit het Eurosysteem en de eurozone. In de afgelopen jaren zijn veel maatregelen getroffen om de stabiliteit van de eurozone en de economische gezondheid van eurolanden te versterken. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Op welke wijze kunnen de publieke risico’s van de Target2-schulden verminderd worden door DNB en door de Nederlandse regering?
Zoals hiervoor aangegeven zijn er in recente jaren op Europees niveau reeds belangrijke stappen gezet om de eurozone te versterken onderliggende onevenwichtigheden te verminderen die kunnen leiden tot persistente Target2-saldi. Daarnaast kapitaliseert DNB zich tegen de financiële risico’s die zij uit hoofde van het (Eurosysteem) monetair beleid loopt. Op het moment dat de uitstaande risico’s op de balans van DNB zich daadwerkelijk materialiseren zou in eerste instantie gekeken worden naar de omvang van het buffervermogen van DNB.
Wat is het maximale risico dat de Nederlandse staat loopt door de enorme Target2-balans van DNB?
Het Target2-saldo van DNB betreft momenteel (per eind november 2016) EUR 99,6 mrd. Zoals gesteld in antwoord op vraag 2 betreft dit saldo een bilaterale claim op de ECB, welke voldoende buffers heeft om aan haar verplichtingen te voldoen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
Ja.
De opgepakte Syriëgangers in Turkije |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ard van der Steur (VVD) |
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Twee Nederlandse Syriëgangers vast in Turkije»?1
Ja.
Deelt u inmiddels de visie dat uitgereisde jihadisten de toegang tot Nederland altijd moet worden ontzegd? Zo neen, waarom niet?
Nee, die visie deelt het kabinet niet. Elke onderkende terugkeerder wordt bij terugkeer voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar opportuun, over tot strafvervolging. De casuïstiek van onderkende terugkeerders wordt besproken in een multidisciplinair casusoverleg met het doel passende maatregelen te treffen. Op basis van een risico-inschatting wordt per geval bepaald welke maatregelen worden getroffen. Politie en AIVD maken bij onderkende terugkeerders een inschatting van de dreiging, houden hen daar waar mogelijk en noodzakelijk scherp in beeld en zijn alert. Onderkende uitreizigers zijn onder andere onderwerp van strafrechtelijk onderzoek en kunnen onderwerp zijn van inlichtingenmatig onderzoek. Het kan wenselijk zijn dat terugkeer naar Nederland wordt voorkomen. Ten aanzien van uitreizigers met een dubbele nationaliteit ligt een wetsvoorstel (Intrekken Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid, Kamerstuk 34.356 (R2064)) in de Eerste Kamer dat intrekking van het Nederlanderschap en tegelijkertijd tot ongewenst vreemdeling verklaren mogelijk maakt in het belang van de nationale veiligheid.
Bent u bereid expliciet niet om hun uitlevering te vragen aan Turkije?
Inzake strafrechtelijke onderzoeken doet het kabinet geen mededelingen over de instrumenten die het OM in het kader daarvan al dan niet wenst in te zetten. Dat geldt ook voor uitleveringsverzoeken. Of een uitleveringsverzoek wordt gedaan, is een beoordeling die per geval wordt gemaakt en waarover het kabinet geen uitspraken kan doen, omdat een zaak daarvan hinder kan ondervinden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap 34356 (R2064), waardoor uitreizigers die zich vrijwillig aansluiten bij een terroristische strijdgroep het Nederlanderschap kunnen verliezen, en niet van rechtswege maar na een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie?
De Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 6 december 2016 het eindverslag uitgebracht. De plenaire behandeling vond plaats op 31 januari 2017.
De uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag |
|
Pia Dijkstra (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de eerdere vragen over het uitvoeren van het VN-Vrouwenverdrag?1
Ja. De antwoorden op deze vragen heb ik op 14 december 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 777) aangeboden aan uw Kamer.
Deelt u de mening dat u geen antwoord heeft gegeven op vraag 3, over in hoeverre u de initiatieven die ontplooid worden niet laat beoordelen op resultaat? Kunt u in de beantwoording van deze vragen aangeven op welke wijze u initiatieven, die voortkomen uit het VN-Vrouwenverdrag, laat beoordelen op resultaat en zo ja, door wie? Zo nee, waarom doet u dit niet?
Nee, die mening deel ik niet.
In het antwoord op vraag 3 is uitgebreid ingegaan op welke wijze het kabinet het emancipatiebeleid monitort en rapporteert aan zowel de Tweede Kamer, UN Women en het Comité dat toeziet op naleving van het VN Vrouwenverdrag.
In hoeverre kijkt u met onbehagen terug op uw eigen conclusie om in het verleden de aanbeveling van het Comité naast u neer te leggen om vrouwen die in 2005 zijn bevallen en toen werkzaam waren als zelfstandige niet te compenseren? Deelt u de mening dat u er toen doelbewust voor heeft gekozen om het Verdrag naast u neer te leggen? Zo nee, hoe duidt u deze beslissing dan wel?
Het standpunt van het kabinet hierover is gecommuniceerd met uw Kamer op 19 september 2014 (Kamerstukken II 2014/2015 30 420, nr. 208). Dit standpunt is herhaald tijdens de sessie met het Comité op 10 november 2016. Bij de beantwoording van de eerdere vragen over het uitvoeren van het VN-Vrouwenverdrag zijn ook vragen over deze aanbeveling beantwoord. Er lopen nu enkele procedures bij de Centrale Raad van Beroep. Die uitspraken wacht het kabinet af. Deze gerechtelijke instantie heeft nu het laatste woord.
Hoe ziet u uw rol in het maatschappelijke debat rondom seksisme? Kunt u aangeven hoe u, in uw hoedanigheid als Minister van Emancipatie, concreet invulling geeft aan het tegengaan van seksisme?
In de eerste plaats zie ik mijn rol als agenda zettend en normen stellend. In overleg met uw Kamer, maar ook in het maatschappelijk debat. Daar waar mogelijk zie zal ik mijn visie uitdragen en het debat verder aanzwengelen.
Daarbij steun ik een Alliantie Genderdiversiteit, waarin verschillende organisaties samenwerken die zich bezighouden met emancipatie. Het doel is om meer flexibiliteit en diversiteit te bevorderen in de ideeën over hoe vrouwen en mannen zich zouden moeten gedragen. De alliantie zal een belangrijke bijdrage leveren aan zowel de vrouwenemancipatie en mannenemancipatie, als LHBTI-emancipatie in Nederland.
Ook financier ik een campagne van de organisatie Emancipator, om geweld tegen vrouwen tegen te gaan. De campagne richt zich expliciet op de rol van mannen.
Binnen het onderwijs gelden voor het primair en voortgezet onderwijs de zgn. kerndoelonderdelen seksualiteit en seksuele diversiteit. Dit omvat naast seksuele vorming in het algemeen, ook de seksuele weerbaarheid van leerlingen. Het gaat daarbij om het stellen en respecteren van grenzen en het maken van afspraken hierover door de schoolleiding met het personeel en de leerlingen; het creëren van een open leerklimaat op school; het ervoor zorgen dat leerlingen en personeel weten waar ze terecht kunnen bij incidenten en het aanleren van vaardigheden op het gebied van sociale weerbaarheid. In het kader van de Wet veiligheid op school voeren scholen in het funderend onderwijs een gericht preventiebeleid. Kinderen (veilig) leren omgaan met de digitale wereld is ook een belangrijk onderdeel van een toekomstgericht curriculum waaraan gewerkt wordt in het kader van Onderwijs2032. Scholen besteden in dit verband ook veel aandacht aan het tegengaan van sexting.
In het mbo past dit binnen de opdracht voor burgerschapsvorming. Burgerschapsvorming bereidt jonge mensen voor op wat het betekent te leven in een open, vrije en verbonden samenleving. Studenten oefenen met sociale vaardigheden als weerbaarheid, kritisch denken en inlevingsvermogen en gaan de dialoog aan over verschillen en overeenkomsten. Om structurele aandacht voor mensenrechten en het kritisch denkvermogen van studenten te vergroten, heb ik gezorgd voor verankering van deze thema’s in het kwalificatie-onderdeel Loopbaan en burgerschap. Deze aanvulling geldt voor studenten die instroomden op of na 1 augustus 2016.
Daarnaast zie ik een belangrijke rol voor universiteiten en hogescholen. Een universiteit kan welke vorm van geweld dan ook niet accepteren, en dat geldt ook stereotypering, ongewenst gedrag en seksuele intimidatie. Dit heb ik besproken met de vereniging van universiteiten (VSNU) en de Vereniging Hogescholen. Zij gaven aan dat het ook bij hen een belangrijk gespreksonderwerp is en dat op meerdere plekken de dialoog plaatsvindt over hoe hier in de toekomst mee moet worden omgegaan.
Bent u bereid in overleg te gaan met Transgender Netwerk Nederland en Nederlands Netwerk Intersekse/DSD om bij hen te informeren in hoeverre zorg voor transgenders of intersekse personen wordt geweigerd indien zij niet de behandeling willen ondergaan die de professional het liefste zou zien? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek? Zo nee, kunt u aangeven waarom u signalen uit de schaduwrapportage niet serieus lijkt te willen nemen?
In mijn antwoorden op de in vraag 1 genoemde vragen die ik op 14 december 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 777) heb aangeboden aan uw Kamer, heb ik aangegeven dat ik overleg voer met een verscheidenheid van partijen over zowel actuele thema’s betreffende de transgenderzorg als de zorg voor personen met een intersekse conditie. Daarbij zijn zowel het Transgender Netwerk Nederland als het Nederlands Netwerk Intersekse/DSD betrokken. De thema’s toegankelijkheid van zorg en het bevorderen van (landelijke) kennis en expertise staan daar onder meer op de agenda. Het doel van die overleggen is juist om knelpunten die onder meer door belangenorganisaties worden ervaren te kunnen signaleren, bespreken en oplossen. De deelnemende organisaties zullen worden uitgenodigd om, indien zij dat wensen, dit thema te agenderen voor de komende bijeenkomst. Voor de zomer van dit jaar organiseren VWS en OCW een vervolgbijeenkomst over intersekse waar de resultaten van een aantal themawerkgroepen zullen worden besproken. Ik zal u informeren over de uitkomsten van deze bijeenkomst.
Kunt u aangeven wanneer u de reactie van de Raad van State verwacht over het wetsvoorstel om de huisartsen de abortuspil te laten verstrekken?
De Raad van State heeft in december 2016 het advies afgegeven. Op basis van dit advies is het voorstel aangepast. Het wetsvoorstel, samen met het advies van de Raad van State en nader rapport, is op 1 februari 2017 aan uw Kamer aangeboden.
Is het u bekend, gezien uw antwoord op vraag 9 van de eerdere vragen, welke gemeenten gebruik maken van de registratieplicht voor sekswerkers? Zo ja, kunt u dit aan de Kamer rapporteren? Zo nee, kunt u dit onderzoeken?
Als het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) en de novelle Wrp worden aanvaard en de Wrp in werking treedt, hebben de gemeenten geen ruimte om een specifiek voor sekswerkers bedoelde registratie te voeren. De nieuwe wet kent geen registratieplicht. Dit is een bewuste keuze van de wetgever en die dient door de gemeenten te worden gevolgd. Ik ben niet bekend met welke gemeenten thans een registratieplicht voor sekswerkers hanteren. Gelet op het wetsvoorstel acht ik een onderzoek hiernaar op dit moment niet aangewezen. Ik ga ervan uit dat gemeenten conform de nieuwe wet, wanneer deze van kracht is, zullen handelen. Vijf jaar na inwerkingtreding van de wet volgt de evaluatie waarbij het aspect van registreren door gemeenten kan worden betrokken.
Deelt u de constatering dat met de behandeling van het wetsvoorstel Wet Regulering Prostitutie sinds 2011, het voeren van een gemeentelijke registratieplicht door beide Kamers is verworpen, aangezien deze plicht expliciet is geschrapt in de novelle van het Wetsvoorstel, en een meerderheid van de Tweede Kamer hier vervolgens mee akkoord is gegaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u deze democratisch tot stand gekomen beslissing communiceren naar de betreffende gemeenten die desondanks nog steeds de registratieplicht blijven voeren?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven op welke datum in februari 2017 de bijeenkomst met het Netwerk VN-Vrouwenverdrag zal zijn? Kunt u tevens aangeven in hoeverre deze bijeenkomst openbaar zal zijn? Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van deze bijeenkomst/conferentie?
Op 9 februari vindt de conferentie over het VN-Vrouwenverdrag plaats naar aanleiding van de aanbevelingen van het CEDAW Comité. Het doel van deze bijeenkomst is om te bezien op welke wijze invulling kan worden gegeven aan deze aanbevelingen. Deelnemers zijn onder meer mensen van ministeries, gemeenten, wetenschappelijke bureaus van politieke partijen, de rechtsprekende macht, openbaar ministerie, juristen, nationale politie, vrouwenopvang, werkgevers- en werknemersorganisaties, mediapartijen en Ngo’s.
Ik zal u informeren over de uitkomsten van deze conferentie.
De problemen van agrarische ondernemers in de Oudebildtdijk |
|
Arno Rutte (VVD), Aukje de Vries (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «We vrezen dat onze bedrijven straks op slot zitten»1? Wat vindt u van het bericht?
Ja.
Het bericht spreekt van vrees voor het op slot zetten van bedrijven. Dit is niet de bedoeling van de aanwijzing tot dorpsgezicht en ik deel deze vrees dan ook niet. Het artikel bericht daarnaast ook over steun voor de aanwijzing tot dorpsgezicht bij bewoners van het gebied.
Wat is uw reactie op de problematiek die door de agrarische ondernemers aan de Oudebildtijk wordt geschetst, specifiek op de punten van 2.500 hectare en een buffer van 1.000 hectare landbouwgrond die als beschermd dorpsgezicht worden aangewezen?
Ik deel de vrees van de agrarische ondernemers – zoals in het artikel wordt geschetst – niet. De begrenzing van het beschermde gezicht is vastgesteld op grond van cultuurhistorische waarden en kenmerken en omvat ook landbouwareaal, omdat dit onlosmakelijk deel uitmaakt van het karakteristieke agrarische landschap van Oude en Nieuwe Bildtdijken. Het doel van de aanwijzing is daarbij nadrukkelijk niet om alles op slot te zetten, maar om toekomstige ontwikkelingen goed aan te kunnen laten sluiten bij de historische waarden en kenmerken van het gebied.
Tegen de aanwijzing van Oude en Nieuwe Bildtdijken is overigens door een aantal partijen hoger beroep ingesteld. De Raad van State moet daarover nog uitspraak doen.
Wat zullen de concrete gevolgen zijn voor de agrarische ondernemers aan de Bildtdijken, met name ook voor de mogelijkheden in de toekomst? Deelt u de mening dat ondernemers de ruimte moeten hebben om te kunnen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het rechtsgevolg van een aanwijzing is het opstellen van een bestemmingsplan dat rekening houdt met het bijzondere cultuurhistorisch karakter van het gebied, tenzij het vigerende bestemmingsplan daaraan al voldoet. Dat laatste is hier het geval en het vigerende bestemmingsplan blijft dus gewoon van kracht. De gemeente is het bevoegd gezag voor de verlening van omgevingsvergunningen en kan een goede afweging maken tussen de verschillende belangen die spelen.
Hoe is het Ministerie van Economische Zaken betrokken geweest bij de besluitvorming voor het aanwijzen van de Bildtdijken als beschermd dorpsgezicht?
De aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister van OCW en IenM. De Minister van OCW neemt daarin het voortouw. Het Ministerie van Economische Zaken heeft hierin geen formele rol. Bij een aanwijzing worden wel alle belangen afgewogen, waaronder uiteraard ook de economische belangen van belanghebbenden.
Deelt u de mening dat het agrarisch ondernemerschap in het gebied sinds 1762 ook van grote culturele historische waarde is en onder de noemer historisch-ruimtelijk karakter kan vallen? Zo nee, waarom niet?
Ik waardeer het agrarisch ondernemerschap zeer en het heeft door de eeuwen heen het gebied ook in belangrijke mate gevormd: Oude en Nieuwe Biltdijken is immers van oudsher een agrarisch gebied, ontgonnen voor agrarisch gebruik. Bij de aanwijzing van een beschermd gezicht wordt primair gekeken naar bijzondere ruimtelijke karakteristieken, in dit geval de samenhang tussen de dijken, de (agrarische) bebouwing en het open (agrarisch) landschap. Het agrarisch gebruik van het gebied draagt in belangrijke mate bij aan het behoud van deze karakteristieken.
Hoe vindt u dat economische factoren meegewogen moeten worden in het aanwijzen van een beschermd dorpsgezicht of in het bepalen van welke gronden specifiek onder het beschermd dorpsgezicht vallen?
Tijdens de voorbereiding van een aanwijzing worden alle belangen betrokken en afgewogen. Dit gebeurt in overleg tussen overheden en door het horen van belanghebbenden. De gemeenteraad en gedeputeerde staten (van in dit geval de gemeente Het Bildt respectievelijk de provincie Fryslân) geven in het kader van een aanwijzing advies. Zij kunnen in dat advies economische factoren ter sprake brengen. De begrenzing van een beschermde gezicht wordt bepaald op basis van de cultuurhistorische waarden. Deze zijn beschreven in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit.
Hoe kijkt u naar de continuïteit van het agrarisch ondernemerschap aan de Bildtdijken? Bent u bereid te kijken hoe knelpunten die ontstaan als gevolg van de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht weggenomen kunnen worden in overleg met de betrokkenen (gemeente, boeren, NAV en LTO)2? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer uiterlijk 1 maart 2017 rapporteren over de voortgang?
Voor de vraag over de continuïteit verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5. Ik heb de gemeente Het Bildt en de provincie Fryslân al aangegeven bereid te zijn om samen met hen en de agrarische sector een protocol op te stellen over de agrarische bedrijfsvoering in relatie tot de status van het beschermd dorpsgezicht, zodat duidelijk wordt wat er mogelijk is. Hiermee kan hopelijk ook de zorg bij agrariërs worden weggenomen. De gemeente en provincie hebben aangegeven eerst de uitspraak inzake het ingestelde hoger beroep af te willen wachten.
Bent u bereid om de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht in Het Bildt alsnog te heroverwegen, conform de eerdere motie van de leden Veldman en Bisschop over heroverweging van de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht in Het Bildt?3 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om de landbouwgronden alsnog uit te zonderen van het beschermd dorpsgezicht Oudebildtdijk? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om de aanwijzing te heroverwegen of om de landbouwgebieden daarvan uit te zonderen. Het gebied rechtvaardigt op nationaal niveau een bescherming. Aan de zorg bij de agrariërs is in de aanwijzingsprocedure ook uitdrukking gegeven en dit is naar mijn mening ook afdoende meegenomen in de afweging tot aanwijzing. Ik wacht hierin de uitspraak van de Raad van State af.
Kunt u toezeggen in toekomstige gevallen terughoudend om te gaan met het aanwijzen van beschermde stads- en dorpsgezichten en belanghebbenden vooraf meer mee te nemen in de afwegingen en besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg ga ik al zeer terughoudend om met de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. De procedure tot aanwijzing is zeer zorgvuldig en de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed is altijd bereid om indien nodig extra te investeren in het (voor)traject bijvoorbeeld – zoals hier het geval – door bij te dragen aan een protocol.
Het bericht ‘Kiezen voor Technologie’ |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de brandbrief «Kiezen voor Technologie»?
Ja.
Klopt het dat de financiële ondersteuning voor WTE in 2017 daalt van 6 miljoen euro naar 1,5 miljoen euro?1
Nee, dat klopt niet. Voor de stimulering van wetenschap en technologie via het Platform Bèta Techniek was in 2015 2,7 miljoen euro en in 2016 5 miljoen euro beschikbaar. Het actieprogramma «Kiezen voor Technologie» was een tijdelijke stimulans. In 2017 worden de regionale scholennetwerken, de publiek-private samenwerking inclusief bijbehorende uitvoeringskosten voor 2,2 miljoen euro ondersteund.
Scholen ontvangen daarnaast reguliere onderwijsbekostiging om hun onderwijs vorm te geven, waar wetenschap en technologie lessen een onderdeel van uit maken. In 2017 is er in de prestatiebox sprake van een oploop van circa 60 miljoen. De middelen worden beschikbaar gesteld aan de scholen voor onder andere versterking van het onderwijs in wetenschap en technologie. Scholen kunnen zelf bepalen hoe ze deze extra middelen inzetten.
Welke consequenties heeft dit voor het aanbod van Wetenschap en Techniek in het primair onderwijs?
In het leergebied «Oriëntatie op jezelf en de wereld» zijn wetenschap en technologie onderdeel van de kerndoelen van het onderwijs. Scholen zijn verplicht om in de reguliere onderwijstijd met de reguliere bekostiging wetenschap en technologielessen vorm te geven. Scholen kiezen welk aanbod ze het meest geschikt achten om wetenschap en technologie in de klas te realiseren. Om scholen daarbij te ondersteunen zijn er tijdelijk stimulerende maatregelen van kracht.
Zoals u weet wordt momenteel samen met het onderwijs gewerkt aan een integrale curriculumherziening. Wetenschap en technologieonderwijs maakt hier onderdeel van uit. Het doel is onder andere om in het curriculum duidelijker de ambitie te beschrijven ten aanzien van deze leergebieden. Op deze manier worden de vele goede initiatieven en inspanningen vanuit het Techniekpact daadwerkelijk duurzaam in het onderwijs ingebed.
Kunt u een overzicht geven van het budget van het Rijk voor WTE van 2014 tot en met 2020?
Het realiseren van wetenschap en technologie op school is een reguliere onderwijstaak. Om scholen te ondersteunen bij het geven van wetenschap en technologie worden meerdere routes ingezet zoals het stimuleringsprogramma, het bevorderen van samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, het realiseren van een nieuwe leerlijn, middelen via de prestatiebox en het inbedden van wetenschap en technologie in het curriculum van de pabo.
Van 2012 tot en met 2016 was gemiddeld 4,84 miljoen euro per jaar beschikbaar voor het stimuleringsprogramma wetenschap en technologie. Zoals reeds met uw Kamer gecommuniceerd stopt OCW met het subsidiëren van losse initiatieven zoals de wetenschapsknooppunten en «meisjes in techniek» die ook onder dit programma vielen. In 2017 is 2,2 miljoen euro beschikbaar voor de regionale scholennetwerken, samenwerking onderwijs-bedrijfsleven en de bijbehorende uitvoeringskosten op basis van een vraaggerichte benadering. Dit bedrag wordt afgebouwd tot 1,4 miljoen tot 2020. Daarnaast is in 2017 65 miljoen extra beschikbaar in de prestatiebox. Deze middelen kunnen ook worden ingezet voor wetenschap en technologie.
Wat is er de afgelopen jaren bereikt op het gebied van techniek in het primair onderwijs en wat moet er nog gebeuren? Is het budget hiervoor toereikend?
Wetenschap en technologie zijn onderdeel van de kerndoelen en dienen in de reguliere onderwijstijd en onderwijsbekostiging aan bod te komen. Afgelopen jaren zijn scholen ondersteund om meer aandacht te geven aan wetenschap en technologie. Uit de evaluatie over «Kiezen voor Technologie» blijkt dat scholen, leerkrachten en leerlingen enthousiast zijn over de aangeboden activiteiten én positiever zijn gaan denken over wetenschap en technologie. Eigenaarschap en vraagsturing zijn belangrijke succesfactoren om aandacht voor wetenschap en technologie te realiseren op de basisschool. De komende jaren zullen voor de regionale netwerken in het teken staan van vraagsturing en regie bij scholen.
In het voorjaar verschijnt het peilingsonderzoek «Natuur en techniek» van de onderwijsinspectie. Daar zal duidelijk worden wat de afgelopen jaren bereikt is wat betreft onderwijs op dit terrein. Daarnaast hebben scholen aangegeven meer duidelijkheid te willen ten aanzien van de kerndoelen, dit wordt gerealiseerd binnen de integrale curriculumherziening.
Voor stimulering van de lessen wetenschap en technologie is het budget toereikend. Scholen ontvangen in de lumpsum en via de prestatiebox middelen om goed gestalte te geven aan de lessen. Daarnaast ontvangen regionale netwerken van schoolbestuurders middelen om het onderwijs extra te stimuleren.
Welk signaal geeft het Rijk hiermee richting scholen en investeringspartners, waarvan goede voorbeelden zijn in Limburg en Overijssel, gezien de razendsnelle ontwikkelingen in de technologie en het belang van het aanleren van techniek op jonge leeftijd voor de beroepen van de toekomst?
Het ministerie blijft de komende jaren de regionale netwerken financieel ondersteunen. Hiermee krijgen de netwerken de kans om te verduurzamen. Het Rijk ziet dat naar aanleiding van het Techniekpact provincies, gemeenten en bedrijven steeds actiever betrokken zijn bij de doelstelling. Dat is een goede zaak. Daarmee wordt beter aangesloten bij de regionale behoefte.
Onderschrijft u het eerste doel van het techniekpact om in 2020 structureel Wetenschap en Techniek aan te bieden op basisscholen en erkent u dat veel scholen hard hun best doen om dit te bereiken? Op welke wijze denkt u deze doelstelling te kunnen halen?
Ja, dat doel hebben we ook in het voorjaar van 2016 weer bekrachtigd in het vernieuwde Techniekpact. En ja, ik erken dat scholen hard hun best doen. Scholen zijn aan zet om de doelstelling te behalen. Ik ondersteun ze daar waar mogelijk door bijvoorbeeld de integrale curriculum herziening waar wetenschap en technologie onderdeel van uitmaakt en samenwerking onderwijs-bedrijfsleven te faciliteren en middelen in de prestatiebox beschikbaar te stellen.
Het bericht: “Medewerkers van verpleeghuis De Bleerinck in Emmen slaan alarm. Constant het gevoel dat ik tekortschiet” |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Constant het gevoel dat ik tekortschiet» en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Veranderingen in het beleid van een zorginstelling kunnen tot onrust bij cliënten en medewerkers leiden. Ik vind dit zeer begrijpelijk. Omdat de Raad van Bestuur primair verantwoordelijk is voor het aanbieden van kwalitatief goede en veilige zorg, vind ik dat de Raad van Bestuur het signaal van de medewerkers en de Cliëntenraad serieus dient te nemen. Het is belangrijk dat de Raad van Bestuur van de Tangenborgh op een goede manier het gesprek aangaat met de Cliëntenraad en de medewerkers over de veranderingen.
Wat vindt u van de situatie dat het aantal zorguren daalt met ruim 15% en dat er vijf verzorgenden elk minimaal 6 bewoners onder hun hoede krijgen? Bent u van mening dat er nog verantwoorde zorg gegeven kan worden onder deze omstandigheden? Snapt u deze keuze van de Raad van Bestuur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is primair de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur en Raad van Toezicht om te zorgen voor veilige en kwalitatief goede zorg. Daarvoor is het onder meer belangrijk naar de juiste functiemix in de teamsamenstelling te zoeken. In dat verband geldt dat er meerdere mogelijkheden zijn om dit te bewerkstelligen: veel zorginstellingen zoeken naar combinaties van vaste medewerkers op een team, een verpleegkundige die op meerdere teams inzetbaar is en een goede samenwerking met informele hulp. In het nieuwe kwaliteitskader verpleegzorg, dat op 13 januari 2017 is ingeschreven in het Register van het Zorginstituut, zijn duidelijke normen opgenomen over de minimale inzet van personeel. Totdat er door de sector lokale, contextgebonden normen zijn ontwikkeld, zullen de normen uit het kwaliteitskader worden gebruikt als maatstaf. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt toezicht op de kwaliteit van zorg, waaronder de inzet van personeel. Wanneer de Inspectie van mening is dat er onvoldoende, of onvoldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is, zal de IGZ ingrijpen. Daarvoor is vooralsnog geen aanleiding.
Bent u voornemens om op basis van het signaal van medewerkers dat er geen veilige en kwalitatieve zorg gegeven kan worden de Inspectie voor de Gezondheidszorg te vragen onderzoek te doen?
De IGZ heeft mij, in aanvulling op het antwoord op vraag 2, laten weten dat zij het signaal meeneemt in haar toezicht op verpleeghuis De Bleerinck en erop toeziet dat de kwaliteit van zorg op orde is en blijft.
Klopt het dat, jarenlang, niet alle zorguren zijn vergoed door de overheid en zorgkantoren zoals de Raad van Bestuur Tangenborgh stelt? Zo ja, hoe komt dit en bent u voornemens hier wat aan te doen?
De Tangenborgh krijgt, net als iedere andere zorginstelling in Nederland, een wettelijk zorgbudget op basis van de zorgzwaartepakketten (zzp’s) van de bewoners. Blijkbaar heeft de Tangenborgh in het verleden daarnaast budget vanuit de huisvestingscomponent ingezet voor extra zorguren. Deze uren werden niet vanuit de zzp’s vergoed en zijn een individuele keuze van de Tangenborgh geweest.
Wat vindt u dat medewerkers voortaan een half uur pauze moeten houden in hun eigen tijd?
De Arbeidstijdenwet geeft aan welke wettelijke rechten op pauze en rusttijden er zijn. In de cao kunnen daar andere afspraken over zijn gemaakt. Ik vind het een zaak van Raad van Bestuur en Ondernemingsraad om nader met elkaar te overleggen over de wijze waarop pauzes worden ingevuld.
Klopt het dat er de afgelopen jaren flink is bezuinigd op de langdurige ouderenzorg, zoals wordt gesteld door de cliëntenraad van de Bleerinck? Zo nee, waar komt dit beeld vandaan? Zo ja, hoeveel is er bezuinigd? Kunt u hierop uitgebreid ingaan?
Nee, dit klopt niet. Tijdens de regeling van werkzaamheden van 5 juli 2016 heeft uw Kamer gevraagd om de uitgavenontwikkeling bij verpleeghuizen en de kosten per plek in beeld te brengen voor de periode 2010–2021. Deze informatie heb ik toegevoegd in bijlage 2 van mijn brief van 5 juli 2016 over «Openbaarmaking lijst 150 verpleegzorginstellingen»(Kamerstuk 31 765, nr. 216). Voor alle duidelijkheid heb ik de eerste tabel, over de afgelopen jaren, hieronder opnieuw opgenomen.
Uitgaven exclusief kapitaal in miljarden euro
4,1
4,3
4,9
5,0
5,3
5,3
Uitgaven inclusief kapitaal in miljarden euro
4,6
4,9
5,5
5,8
6,1
6,1
Gemiddeld aantal plekken (x 1.000)
66
68
71
73
76
77
Gemiddelde kosten per plek
€ 71.000
€ 72.000
€ 78.000
€ 79.000
€ 80.000
€ 79.000
Wilt u in gesprek gaan met de medewerkers en het bestuur van verpleeghuis Bleerinck in Emmen om de vrees van medewerkers dat er geen verantwoorde zorg meer kan worden gegeven, te bespreken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Het is primair de verantwoordelijkheid van de bestuurder om ervoor te zorgen dat de zorg op orde is en om daarover het gesprek met medewerkers aan te gaan. Blijkbaar heeft dat niet geleid tot het kunnen wegnemen van de onrust. Nu de veranderingen zijn ingevoerd, zal er scherp in de gaten moeten worden gehouden welke effecten die veranderingen hebben op werkdruk en werkplezier voor medewerkers én op de kwaliteit van zorg voor bewoners. In het kader van de interne governance zijn er, bijvoorbeeld in de Ondernemingsraad, Cliëntenraad en Raad van Toezicht, goede instrumenten beschikbaar om deze effecten te bespreken. Op het moment dat de IGZ constateert dat de kwaliteit van zorg niet geborgd is, zal de IGZ ingrijpen. De IGZ ziet vooralsnog geen aanleiding daartoe.
Het opnemen van politieverhoren |
|
Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw algemene reactie op het artikel over Nederlandse politieverhoren in de praktijk?1
De auteurs stellen in het artikel audiovisueel geregistreerde politieverhoren aan de orde. Het audiovisueel registreren van verhoren gebeurt op basis van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Deze aanwijzing stelt auditieve of audiovisuele registratie van bepaalde verhoren verplicht. Auditieve registratie (geluidsopname) is kort gezegd verplicht bij zware misdrijven. Audiovisuele registratie (beeld- en geluidsopname) is verplicht bij het horen van minderjarigen of anderszins kwetsbaren in een zaak waar een zwaar misdrijf heeft plaatsgevonden, óf als de verhorend ambtenaar wordt ondersteund door een gedragsdeskundige, óf als de getuige wordt verhoord door een gedragsdeskundige. In andere situaties kan de politie in overleg met de officier van justitie overgaan tot facultatieve (niet verplichte) audiovisuele registratie van een verhoor of kan de rechter-commissaris hier opdracht toe geven. De politie voldoet aan de verplichtingen die uit de aanwijzing voortvloeien. Momenteel wordt de huidige applicatie voor audiovisuele registratie vernieuwd. De verbeterde applicatie zal op korte termijn beschikbaar komen. Verder zijn in de politiebegroting middelen gereserveerd voor de doorontwikkeling van audiovisuele registratie van verhoren.
Herkent u het daarin geschetste beeld over de kwaliteit van zowel de geluids- als de beeldopnames? Kunt u uw antwoord toelichten?
De kwaliteit van de geluids- en beeldopnames van politieverhoren is voldoende om aan de verplichtingen te voldoen die uit de hierboven toegelichte Aanwijzing voortvloeien. In de doorontwikkeling van de apparatuur voor audiovisuele registratie wordt onder andere gewerkt aan verbetering van de kwaliteit van geluids- en beeldopnames.
Klopt het dat onder andere de techniek nogal eens te wensen overlaat? Zo ja, wat wordt er gedaan om hier verbetering in aan te brengen? Zo nee, waarom niet?
Normale storingen zijn niet altijd te voorkomen. Er is een proces ingericht voor het melden en oplossen van gesignaleerde storingen. Voor de doorontwikkeling van audiovisuele registratie van verhoren zijn middelen gereserveerd in de politiebegroting.
Klopt het dat de kwaliteit van opnames van verhoren van kinderen doorgaans van betere kwaliteit zijn? Waar komt dat door? In hoeverre kan hiervan geleerd worden om het opnemen van de verhoren van volwassenen te verbeteren?
Voor het verhoren van minderjarigen beschikt de politie over speciale verhoorruimtes. Speciaal aan deze verhoorruimtes is o.m. hogekwaliteitsapparatuur geschikt voor opnames van het horen van kinderen. Ik kan mij goed voorstellen dat de auteurs van het artikel concluderen dat de kwaliteit van de audiovisuele registratie van verhoren met kinderen bovengemiddeld is. Het wordt voor het opsporingsproces niet noodzakelijk geacht om in alle verhoorkamers over dezelfde hogekwaliteitsapparatuur te beschikken. Aan deze hogekwaliteitsapparatuur zijn hoge kosten verbonden.
Momenteel wordt een aantal knelpunten binnen de huidige applicatie voor audiovisuele registratie aangepakt.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Van Nispen/Swinkels over het opnemen van politieverhoren?2 Hoe wordt daarbij rekening gehouden met de kwaliteit en dus bruikbaarheid van het opnemen van die verhoren?
Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van de wetsvoorstellen die het recht op een raadsman bij het politieverhoor in de Nederlandse wet verankeren is door de leden Van Nispen/Swinkels een motie ingediend die de regering oproept om over te gaan tot opnemen van alle politieverhoren. Ik heb over deze motie opgemerkt dat ik hem niet zou ontraden als ik hem kon opvatten als een oproep aan de regering om de ogen open te houden voor technologische ontwikkelingen. Ik heb daarbij ook opgemerkt dat het op korte termijn niet haalbaar is om over te gaan tot het opnemen van alle politieverhoren. De consequentie hiervan is dat de motie niet op korte termijn wordt uitgevoerd.
Wat vindt u van de suggestie om het verhoor ten behoeve van de kwaliteit pas in een proces-verbaal vast te leggen na het verhoor en dus met behulp van de opname?
Zolang niet alle verhoorkamers zijn uitgerust met apparatuur voor audiovisuele registratie, is de voorgestelde optie praktisch niet mogelijk.
Financiële arrangementen voor hepatitis C-medicijnen |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven welke acties er zijn uitgezet naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad om over te gaan op screening van specifieke groepen personen bij wie chronische infecties met het hepatitis B-virus (HBV) of het hepatitis C-virus (HCV) vaker voorkomen?1
In februari 2017 stuur ik de kabinetsreactie chronische hepatitis naar de Tweede Kamer. Hierin reageer ik op het advies van de Gezondheidsraad.
Klopt het dat de Gezondheidsraad aangeeft dat het bij deze risicogroepen onder andere gaat om asielzoekers (uit landen waar infecties bij minimaal 2% van de bevolking voorkomen) en intraveneuze drugsgebruikers?2
De Gezondheidsraad adviseert over verschillende aanpakken voor verschillende risicogroepen, waaronder (ooit) regelmatige injecterende drugsgebruikers, eerste generatiemigranten en asielzoekers afkomstig uit landen waar besmettingen met het hepatitis B-virus of het hepatitis C-virus veel voorkomen. Hierop kom ik in het kabinetstandpunt terug.
Klopt het dat de financiële arrangementen die u heeft afgesloten voor geneesmiddelen voor patiënten met chronische hepatitis C (sofosbuvir, simeprevir en daclatasvir) alleen gelden voor patiënten die zorg vergoed krijgen via de Zorgverzekeringswet?3
Ja dat klopt.
Gelden de financiële arrangementen voor HCV-geneesmiddelen ook voor de asielzoekersverzekering van het Ministerie van Veiligheid en Justitie?
De financiële arrangementen hebben enkel betrekking op leveringen van geneesmiddelen die vallen onder de Zorgverzekeringswet. Patiënten die korter dan drie jaar in een instelling behandeld worden vallen ook onder de
Zorgverzekeringswet. HCV-geneesmiddelen geleverd aan asielzoekers, aan personen binnen justitiële inrichtingen of patiënten die in verpleeghuizen of langdurig (meer dan drie jaar) in instellingen voor verslavingszorg worden behandeld vallen niet onder de Zorgverzekeringswet.
Gelden de financiële arrangementen voor HCV-geneesmiddelen ook voor de verzekering justitiële inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie?
Zie antwoord vraag 4.
Gelden de financiële arrangementen voor HCV-geneesmiddelen voor patiënten die in verpleeghuizen en langdurig in instellingen voor verslavingszorg zitten?
Zie antwoord vraag 4.
Gelden de financiële voordelen van de andere door u afgesloten financiële arrangementen ook voor zorg buiten de zorgverzekering om (zoals Wet langdurige zorg en zorg via justitie)? Zo nee, waarom niet?
Mijn primaire verantwoordelijkheid betreft de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg. Zorg voor asielzoekers (Regeling Zorg Asielzoekers) en voor personen ingesloten in een justitiële inrichting vallen onder verantwoordelijkheid van het Ministerie voor Veiligheid en Justitie. De uitvoering voor de verrekening van kortingen die volgen uit de financiële arrangementen is vooralsnog ingericht op de beheersing van geneesmiddeluitgaven binnen de Zorgverzekeringswet.
In een eerder stadium is overwogen om ook te kijken naar uitgaven buiten de Zorgverzekeringswet. Ik heb echter geconcludeerd dat de nadelen zoals administratieve lasten en het risico dat een arrangement niet tot stand kan komen omdat vertrouwelijkheid onvoldoende kan worden gewaarborgd, vooralsnog niet opwegen tegen de voordelen van beperkte lagere macrokosten voor de regelingen buiten de Zorgverzekeringswet. Daarom is er gekozen om de arrangementen enkel betrekking te laten hebben op leveringen die binnen de Zorgverzekeringswet vallen.
Op welke wijze is de betaling van HCV-geneesmiddelen geregeld voor patiënten in asielzoekerscentra, justitiële inrichtingen en instellingen voor verslavingszorg? Hoeveel wordt daar meer uitgegeven voor deze geneesmiddelen dan onder de financiële arrangementen die u heeft afgesproken?
Voor personen ingesloten in een justitiële inrichting komen de medische kosten ten laste van de Dienst Justitiële Inrichtingen. De Dienst Justitiële Inrichtingen betaalt in principe alle voorgeschreven medicatie, die een behandelaar noodzakelijk acht, inclusief HCV-geneesmiddelen.
Patiënten binnen de verslavingszorg die korter dan drie jaar zijn opgenomen in een instelling voor verslavingszorg vallen onder de zorgverzekeringswet. HCV middelen geleverd aan deze patiënten vallen binnen de financiële arrangementen. Patiënten die langer dan drie jaar zijn opgenomen in een instelling voor verslavingszorg vallen onder de Wet Langdurige Zorg. Zorg voor deze patiënten wordt gefinancierd op basis van Zorgzwaartepakketten. In de tarieven van deze Zorgzwaartepakketten zit ook een vergoeding voor geneesmiddelen waaronder ook HCV-geneesmiddelen.
De aanspraak op vergoeding van zorg is voor asielzoekers vastgelegd in de Regeling Zorg Asielzoekers. Het verstrekkingenpakket van deze regeling komt grotendeels overeen met het verstrekkingenpakket van de Zorgverzekeringswet en de AWBZ. De Menzis Centraal Orgaan Asielzoekers Administratie verzorgt deze zorg en wikkelt de zorgnota’s af. Door middel van deze Regeling Zorg Asielzoekers die wordt betaald vanuit het Ministerie Veiligheid en Justitie hebben asielzoekers toegang tot HCV-geneesmiddelen.
Voor de levering van HCV-geneesmiddelen aan deze patiënten die niet onder de Zorgverzekeringswet vallen wordt de prijs betaald zonder de korting van het financieel arrangement. In verband met de vertrouwelijkheid kan ik geen uitspraak doen over het verschil tussen de uitgaven met en zonder arrangementskorting.
Kunt u een inschatting maken welke besparingen mogelijk zijn als de financiële arrangementen ook voor patiënten in asielzoekerscentra, justitiële inrichtingen en instellingen voor verslavingszorg zouden gelden?
Binnen de Regeling Zorg Asielzoekers bedroegen de uitgaven aan HCV-geneesmiddelen in 2016 volgens een opgave van uitvoerder Menzis circa € 2 miljoen. Over deze bruto uitgaven aan HCV-geneesmiddelen worden geen besparingen gerealiseerd door de financiële arrangementen. In verband met de vertrouwelijkheid kan ik geen uitspraak doen over de mogelijke besparingen op deze bruto uitgaven indien de financiële arrangementen ook op deze regeling van toepassing zouden zijn.
Ik heb geen inzicht in de uitgaven voor geneesmiddelen waarvoor financiële arrangementen zijn afgesloten die zijn geleverd aan patiënten die behandeld worden binnen de justitiële inrichtingen of langdurig zijn opgenomen binnen instellingen voor verslavingszorg.
Het bericht ‘Italy’s cabinet approves Monte dei Paschi bailout’ in de Financial Times |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Italy’s cabinet approves Monte dei Paschi bailout»?1
Ja.
Kunt u, zodra deze informatie beschikbaar is, meer informatie verschaffen over de precieze invulling van deze reddingsoperatie? Hoe verhoudt deze reddingsoperatie zich tot de BRRD (Bank Recovery and Rescue Directive) en de staatssteunregels?
In antwoord op eerdere vragen van het lid Harbers heb ik uiteengezet wat de mogelijkheden zijn voor overheden om orde op zaken te stellen bij banken. Mijn brief van 6 juli jl. maakte onderscheid tussen enerzijds liquiditeitssteun en anderzijds kapitaalsteun, waarbij ik aangaf wat de voorwaarden hiervoor zijn en hoe deze worden toegepast door de bevoegde autoriteiten.2
Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of er bij maatregelen door een nationale overheid sprake is van staatssteun en zo ja of deze geoorloofd is. Zodra de Europese Commissie een formeel oordeel geeft over een steunmaatregel wordt dit gepubliceerd op haar website. Inmiddels is op de website van de Europese Commissie zichtbaar dat is besloten om geen bezwaar te maken tegen liquiditeitssteun aan de Italiaanse bank Monte dei Paschi di Siena.3
In het Financial Times artikel waar het lid Harbers naar verwijst wordt ook gesproken over kapitaalsteun aan Monte dei Paschi di Siena. Hierover is nog geen definitief oordeel door de Europese Commissie gegeven. Zoals beschreven in mijn brief van 6 juli jl. is voor preventieve herkapitalisatie goedkeuring van de Commissie op basis van de Europese staatssteunregels vereist. Hiervoor dient aan een aantal voorwaarden uit de BRRD te worden voldaan.4 Wanneer op grond van het oordeel van de toezichthouder en op basis van het herstructureringsplan van een bank door de Commissie toestemming wordt gegeven voor toepassing van preventieve herkapitalisatie dan kan het oordeel van de Commissie terug worden gevonden op de website van de Commissie.5
Kunt u bevestigen dat Italië zich volledig committeert aan het nakomen van de afspraken uit de Bankenunie, ondanks het eerdere verzet hiertegen?
Zie antwoord vraag 2.
Waaruit bestaat de uitzondering in de Europese regels ter bescherming van kleine beleggers waar Italië gebruik van lijkt te willen maken? Welke voorwaarden en eisen zijn daarop van toepassing? Wat wordt gekwalificeerd als een «kleine spaarder»? Wat bedoelt u met uw opmerking dat «»De Europese regels verzetten zich hier (het beschermen van kleine spaarders) ook niet tegen, maar dat kost natuurlijk wel veel geld»«?2
In antwoord op eerdere Kamervragen heb ik aangegeven dat autoriteiten in geval van «bail-in aanvullende maatregelen kunnen treffen ten behoeve van kwetsbare groepen.7 In het Financial Times artikel waar het lid Harbers naar verwijst staat dat Italiaanse ambtenaren zouden hebben gezegd dat sommige retail obligatiehouders worden gecompenseerd indien zij worden geraakt. De precieze vormgeving van een dergelijke compensatie is vooralsnog onbekend. De Europese regels voor banken kennen geen generieke uitzondering voor de «bail-in» van «kleine spaarders». Compensatie kan in sommige gevallen echter op zijn plaats zijn, bijvoorbeeld indien retail beleggers bij de aankoop van kapitaalinstrumenten niet goed geïnformeerd zijn over de risico’s. Uiteraard dient een eventuele compensatieregeling conform de staatssteunregels te zijn.
Kunt u bevestigen dat de Italiaanse overheid ervoor kiest om de zogenaamde «retail bondholders» te compenseren voor hun bijdrage aan de bail in? Is dit geen omzeiling van het principe dat de primaire lasten gedragen dienen te worden door investeerders en niet door de belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt de bewering in het artikel dat de Europese Commissie al toestemming gegeven heeft voor het reddingsplan? Hoe kan de Commissie al akkoord zijn als de details van het plan nog niet bekend zijn? Wordt de toestemming van de Commissie, of de mogelijke bezwaren, openbaar gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft het plan consequenties voor de Italiaanse begroting, en zo ja, welke? Indien ja, valt deze steun onder enige vorm van «flexibiliteit» uit het Stabiliteits- en Groeipact?
De exacte uitwerking van een plan waar het Financial Times artikel over spreekt is nog onzeker. Hierdoor is ook niet zeker wat de exacte gevolgen zijn voor de Italiaanse begroting. In algemene zin verhoogt zowel een kapitaalinjectie in een financiële instelling als een eventuele compensatie van retail-beleggers de EMU-schuld van een lidstaat. In hoeverre dit impact heeft op het (structurele) EMU-saldo van een lidstaat, en daarmee de naleving van de preventieve arm, hangt af van de precieze vormgeving en de beoordeling hiervan door de Europese Commissie.
Kunt u toezeggen dat u zich er volledig voor zal inzetten om de (geloofwaardigheid van de) regels van de Bankenunie overeind te houden?
Ik blijf me inzetten voor een adequate en consequente toepassing van de Europese regels voor banken. Er zijn inderdaad nog stappen te zetten als het gaat om het verminderen van de risico’s in het Europese bankwezen, alvorens over te gaan tot verdere risicodeling. De routekaart voor de bankenunie, die tijdens het Nederlands voorzitterschap is afgesloten, is hierbij voor de regering leidend.8
Ziet u de huidige gang van zaken als extra steun voor de inzet van de Nederlandse regering om eerst tot substantiele risicoreductie in de financiële sector te komen alvorens er zelfs maar overgegaan kan worden tot mogelijke vormen van risicomutualisatie, bijvoorbeeld in relatie tot het Europees Depositogarantiestelsel?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat de politie filmpjes van een arrestatie liet wissen |
|
Manon Fokke (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Getuigen moesten beelden fatale arrestatie wissen»?1
Ja.
Is het waar dat verschillende mensen die met hun mobiele telefoon beelden maakten van een arrestatie in Maastricht van agenten die beelden moesten wissen? Zo ja, waarom moesten zij dat en hoeveel personen hebben beelden gewist? Zo nee, wat is er dan niet waar en hoe verhoudt zich dat tot wat getuigen in het genoemde artikel melden?
Op dit moment loopt er een Rijksrechercheonderzoek naar dit incident. Ik kan u (nog) geen mededelingen doen over de bevindingen van het onderzoek.
Heeft de politie de bevoegdheid om burgers te vragen of te gelasten video- of fotobeelden te wissen? Of mag de politie zelf beelden van de camera of mobiele telefoon va een omstander wissen? Zo ja, waar ontleent de politie die bevoegdheid aan? Zo nee, waarom niet?
De politie heeft geen bevoegdheid om beelden van burgers te wissen.
In de praktijk kan het voorkomen, bijvoorbeeld bij medische calamiteiten dat de politie omstanders vraagt om beeldmateriaal vrijwillig te verwijderen, uit respect of compassie met de betrokkene(n). Hierbij is van belang dat er rondom het medische noodgeval evident geen sprake mag zijn van strafbare feiten, geweldsaanwending door de politie of het gebruik van strafvorderlijke bevoegdheden. Indien daar wel sprake van is, dient de politie zich te onthouden van een verzoek om het wissen van beelden.2 Deze beelden kunnen immers van belang zijn voor de waarheidsvinding.
De politie mag burgers oproepen beelden niet te publiceren, zoals bijvoorbeeld recent is gebeurd bij een dodelijk ongeval waarbij een minderjarige jongen om het leven kwam. Ook denkbaar is dat politie een zodanige oproep doet in het kader van de openbare orde en veiligheid.
Mag de politie vanwege de privacy van een verdachte of een persoon die gearresteerd of gereanimeerd wordt aan omstanders vragen om beelden te wissen? Zo ja, welke gevolgen heeft het voor die omstander als hij geen gehoor geeft aan een dergelijke vraag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben zich burgers bij de politie gemeld met een klacht over het feit dat zij een filmpje of foto moesten wissen? Of zijn dergelijke meldingen op een andere manier bekend bij u? Zo ja, hoeveel meldingen betreft dit en wat is de aard van die meldingen
Gedurende het onderzoek van de Rijksrecherche kan ik – gelet op de belangen van de opsporing – hierover geen mededelingen doen.
Is het al dan niet laten wissen van beelden door de politie ook onderwerp van onderzoek door de Rijksrecherche? Zo ja, kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen dan geven na afronding van dat onderzoek?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht: “Fiscus geeft oude maatschap nieuwe kans” |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Fiscus geeft oude maatschap nieuwe kans»?1
Ja.
Deelt u de mening dat door medisch specialisten in dienstverband, naast lagere kosten, vooral ook onderlinge samenwerking wordt bereikt, waarbij het patiëntbelang centraal staat? Vindt u het daarom ook zeer gewenst dat medisch specialisten in dienstverband werken?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven zie ik zowel het loondienstmodel als het participatiemodel als stip op de horizon. Beide modellen scheppen condities voor gelijkgerichtheid – en dus samenwerking – tussen ziekenhuisbestuur en medisch specialisten en tussen medisch specialisten onderling en zodoende goede en doelmatige patiëntenzorg. Ik heb echter geen voorkeur voor één van deze modellen, noch gegevens op basis waarvan ik met stelligheid kan concluderen dat een dienstverband lagere kosten met zich meebrengt of mee zou brengen. De Technische Werkgroep Zorgkeuzes in Kaart2 concludeert dat er grote onzekerheid bestaat over het structurele besparingspotentieel van verplicht dienstverband. Het is aan ziekenhuizen en medisch specialisten samen om te overwegen welk besturingsmodel zij willen hanteren.
Welke invloed heeft het dienstverband volgens u op de bevordering van samenwerking en onderlinge verbondenheid tussen artsen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u daarom ook geschrokken van het bericht dat de fiscus de oude maatschap een nieuwe kans geeft? Wat vindt u van het feit dat dankzij de uitspraak van de Belastingdienst, de betrokken medisch specialisten hun persoonlijke bv’s kunnen opheffen en weer een maatschap kunnen oprichten?
In het betreffende artikel wordt verwezen naar aanpassingen in de juridische structuur, waarbij de medisch specialist niet langer in een Medisch Specialistisch Bedrijf (MSB)/coöperatie participeert door middel van zijn Personal Holding BV, maar als natuurlijk persoon in een maatschap. Dat gaat over de vraag of een specialist rechtstreeks of indirect participeert in het MSB. Een dergelijke aanpassing heeft geen betrekking op de samenwerkingsovereenkomst tussen het ziekenhuis en het MSB/de coöperatie en leidt daarom niet tot een structuur die vergelijkbaar is met de oude maatschapsstructuren. Voor de beantwoording van de vraag of een medisch specialist als ondernemer in een maatschap kan worden aangemerkt is relevant welke ondernemingsrisico’s de medisch specialist loopt. De Belastingdienst beoordeelt van geval tot geval de zelfstandigheid en het realiteitsgehalte van het ondernemerschap. Het beoordelingskader van het ondernemerschap is niet gewijzigd.
Hoe verhoudt de «nieuwe kans» voor oude maatschappen voor medisch specialisten zich tot de afspraken hierover in het regeerakkoord?
Zoals uit mijn antwoord bij vraag 4 blijkt, is geen sprake van een «nieuwe kans» of een terugkeer naar oude maatschapstructuren. Er is dus ook geen sprake van een koerswijziging ten opzichte van de afspraken in het regeerakkoord.
Herinnert u zich de antwoorden op de eerdere vragen over de oude maatschappen?2
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat invoering van integrale bekostiging in de ziekenhuiszorg een mijlpaal is, die kan bijdragen aan de kwaliteit, samenwerking en doelmatigheid van de zorg?
Ja, ik ben van mening dat met de invoering van integrale bekostiging een belangrijke belemmering voor onder andere gelijkgerichtheid en doelmatige zorg binnen het ziekenhuis is weggenomen. Met de invoering van integrale bekostiging is de deelregulering, waarbij de bekostiging en budgettaire sturing van ziekenhuizen en (vrijgevestigde) medisch specialisten deels gescheiden systemen waren, immers afgeschaft. De zorgverzekeraar heeft nu één onderhandelingspartner in de ziekenhuiszorg, de Raad van Bestuur van het ziekenhuis, wat de gelijkgerichtheid en realisatie van doelmatigheid en kwaliteit ten goede kan komen. Met mijn brief van 4 juli 2016 (Kamerstuk 32 012, nr. 39) heb ik u nader geïnformeerd over de stand van zaken van de invoering van integrale bekostiging. Ik volg de ontwikkelingen omtrent deze invoering via onder andere de monitor integrale bekostiging van de NZa.
Staat u na de uitspraken van de Belastingdienst nog steeds achter uw antwoorden op de eerder gestelde schriftelijke vragen: «Ik ben dan ook van mening dat het terugkeren naar de oude maatschapstructuur een stap in de verkeerde richting zou zijn», en dat volgens u «Gelukkig er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een dergelijke beweging»? Vindt u ook nu dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een beweging richting de oude maatschap?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 4.
Hoe kan een ziekenhuisbestuur ervoor zorgen dat de focus van medisch specialisten ligt op onderlinge samenwerking? Op welke wijze kan een ziekenhuisbestuur stimuleren dat de zorg rondom ziektebeelden en patiënten wordt georganiseerd, terwijl de specialisten bezig zijn met de tegengestelde ontwikkeling? Hoe kan de verbinding worden hersteld?
Mij valt op dat partijen, ziekenhuizen en medisch specialisten, steeds meer bezig zijn met thema’s als «Samen beslissen» en de toegevoegde waarde van de behandeling – waarbij de integrale zorgvraag van en de uitkomsten van de zorg voor de patiënt centraal staan. Het is vooral zaak deze ontwikkeling te omarmen en aan te jagen. Het is de verantwoordelijkheid van ziekenhuisbestuurders om aandacht te hebben voor onderlinge samenwerking tussen medisch specialisten. Zij kunnen inzetten op «samen beslissen» in de spreekkamer en in de bedrijfsvoering van de instelling (interne logistiek) afspraken maken over hoe de uitkomsten van zorg worden gemeten en dit openbaar maken. Ik zet hierop in ter bevordering van transparantie over de kwaliteit van zorg. Tegelijkertijd zal dit de doelen van ziekenhuisbesturen en medisch specialisten verbinden.
Hoe staat de uitspraak van de Belastingdienst volgens u in verhouding tot het feit dat medisch specialisten de afgelopen jaren erg hun best hebben gedaan om aan te tonen dat ze een bedrijf zijn in het ziekenhuis? Vindt u dit gewenst?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4 beoordeelt de Belastingdienst van geval tot geval de zelfstandigheid en het realiteitsgehalte van het ondernemerschap. Het beoordelingskader van het ondernemerschap is niet gewijzigd.
Deelt u de mening dat het vormen van dergelijke constructies zonde van tijd en energie is van specialisten, die beter hadden kunnen worden ingezet in goede zorg voor de patiënt?
Zie mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 10.
Wat gaat u doen om een cultuuromslag te creëren richting samenwerking tussen medisch specialisten waarbij de patiënt centraal staat?
Ik ben van mening dat die omslag in gang is gezet en wordt gestimuleerd door het beleid.
Over de berichten ‘Asielzoeker overlijdt na aanhouding in Maastricht’ en 'Getuigen fatale arrestatie Maastricht moesten beelden wissen'. |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Kent u de berichten «Asielzoeker overlijdt na aanhouding in Maastricht» en «Getuigen fatale arrestatie Maastricht moesten beelden wissen»?1 2
Ja.
Vindt u dat deze arrestatie voldoet aan de vereisten van proportionaliteit? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom hebben de politieagenten buitenproportioneel gehandeld?
De Rijksrecherche doet onderzoek naar dit incident. Als er sprake is van een strafbaar feit kan het Openbaar Ministerie besluiten vervolging in te stellen.
Klopt het dat de agenten de omstanders/getuigen hebben gedwongen om beelden te wissen? Zo ja, is daar enige rechtvaardiging voor? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Deelt u de mening dat indien de politie niets te verbergen heeft, het filmen van de openbare weg zou moeten toestaan?
Op basis van welke bevoegdheid, wet of regeling hebben de agenten in kwestie gedwongen beelden te wissen?
Deelt u de mening dat het frappant is dat de politie agenten in casu aan andermans eigendommen zit om mogelijke bewijsmaterialen te verwijderen?
Bent u bereid een aantal ordemaatregelen te nemen zodra op basis van onderzoek het vermoeden ontstaat dat de politie niet gelegitimeerd geweld heeft toegepast?
De werkgever, i.c. de korpschef, is verantwoordelijk voor het nemen van eventuele disciplinaire maatregelen.
Bent u bereid agenten te vervolgen die door gebruik van de nekklem een arrestant om het leven brengen of blijvend lichamelijke letsel veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment loopt er een Rijksrechercheonderzoek naar dit incident. Ik kan u momenteel geen mededelingen doen over de bevindingen van het onderzoek.
Waarom zijn de agenten die de nekklem op de 35-jarige Macedoniër toegepast hebben niet direct op non-actief gezet?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is de standaardprocedure wanneer een arrestant buiten bewustzijn raakt? Kunt u die aan de Kamer doen toekomen?
Hier is geen standaard werkwijze voor. Elke executieve politieambtenaar kan EHBO verlenen.
Deelt u de mening dat de agenten de 35-jarige Macedoniër moesten reanimeren?
Op basis van de mij bekende feiten, kan ik in dit specifieke geval niet beoordelen of reanimatie de benodigde levensreddende handeling was. Onderzoek door de Rijksrecherche zal moeten uitwijzen wat de exacte feiten en omstandigheden waren.
Kunt u een overzicht aan de Kamer doen toekomen van hetaantal arrestaties, waarbij arrestanten blijvend letsel hebben opgelopen?
Nee, de politie houdt hier geen overzicht van bij. Politie registreert wel de arrestatie en omstandigheden maar kunnen op dat moment vaak niet vaststellen of een arrestant (blijvend) letsel heeft opgelopen. Arrestanten kunnen wel een klacht indienen of een aangifte doen.
Het bericht ‘Asielcheck totaal fiasco’ |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielcheck totaal fiasco»?1
Ja.
Herinnert u zich uw toezegging tijdens het Algemeen overleg over vreemdelingen- en asielbeleid van 26 mei 2016 om het nadere inspectierapport over de identificatie van asielzoekers in Nederland afgelopen zomer naar de Kamer te sturen, blijkens uw opmerkingen in dit debat: «Daarom hebben we de inspectie, meteen toen we hiermee begonnen, zelf gevraagd om dit snel te checken, na een tijdje nog een keer te checken en nu ook weer, en om ons in de zomer te laten weten of het na april goed is gebleven, zodat we het nog verder kunnen verbeteren.» en: «Ik moet even navragen wanneer we dat bericht van de inspectie precies krijgen. Augustus, september.»?2
Ja.
Waarom heeft u deze toezegging om de Kamer te informeren in of kort na afgelopen zomer, niet gestand kunnen doen blijkens het pas op 21 december 2016 aan de Kamer gestuurde Inspectierapport en pas nadat de Telegraaf daarover berichtte?3
Wij hebben de Inspectie ook na het rapport van april 2016 gevraagd mee te blijven kijken naar het identificatie- en registratieproces (hierna: I&R-proces). De Inspectie heeft daarop opnieuw onderzoek gedaan naar het I&R-proces. Hiervoor zijn in augustus en september de locaties bezocht. Op basis van de geverifieerde bevindingen is een analyse uitgevoerd en is het conceptrapport opgesteld. Het conceptrapport is aan betrokken organisaties voorgelegd voor wederhoor teneinde hen in staat te stellen om eventuele feitelijke onjuistheden aan te geven. Het door de Inspectie VenJ vastgestelde rapport is ons vervolgens eind november 2016 aangeboden. Gezien de berichtgeving in de Telegraaf van 21 december is ervoor gekozen het rapport op die dag direct openbaar te maken, om een ieder inzicht in de bevindingen van de Inspectie te geven. Onze reactie op dit rapport is per gelijke datum aan uw Kamer gezonden. Daarmee is voldaan aan de toezegging van de Minister van Veiligheid en Justitie tijdens het Algemeen Overleg Terrorismebestrijding van 24 november 2016 om het Inspectierapport met beleidsreactie nog voor het kerstreces aan de Tweede Kamer te zenden.
Herinnert u zich uw stellingnames in de brief van 18 mei 2016 dat «De apparatuur voor het uitlezen van gegevensdragers in de ID-straten en op Schiphol op orde is.» en «De gegevensdragers zoals smartphones worden in het I&R-proces eerst onderworpen aan een algemene check.» en «Deze smartphones worden gekoppeld aan een pc en <uitgelezen>.»?4 Hoe moeten deze uitspraken worden bezien in het licht van het Inspectierapport dat u afgelopen week naar de Kamer stuurde?
Ja. De Inspectie komt in haar rapport tot de conclusie dat het uitlezen van gegevensdragers sinds de eerste inspecties eind 2015 aanmerkelijk is verbeterd. Alle ID-straten beschikken over uitleesapparatuur. Het proces verloopt als volgt:
Gegevensdragers worden door de politie of Koninklijke Marechaussee (KMar) eerst aan een quickcheck onderworpen. Daarbij let men onder andere op foto’s, e-mails, contactenlijsten en zogeheten messengerdiensten. Men zoekt dan naar informatie over de identiteit en is daarbij alert op de reisroute en signalen van mensenhandel, mensensmokkel en terrorisme. Op basis van de bevindingen van deze quickcheck en verdere bevindingen tijdens de identificatie en registratie wordt besloten of de gegevensdragers ook digitaal moeten worden uitgelezen. In dat geval wordt met speciale software data vanuit de gegevensdrager overgebracht op de eigen computerapparatuur van de politie of KMar.
Waarom is het sinds de verschijning van het vorige Inspectierapport in mei 2016, uw beleidsreactie en debat met de Kamer op 26 mei 2016 niet gelukt bij asielzoekers een volledige registratie op orde te krijgen, dat wil zeggen dat altijd en bij iedereen een check plaatsvindt van aanwezige bagage, telefoons en documenten ter identificatie?
De Inspectie concludeert dat de registratie van asielzoekers op orde is. Een asielzoeker die in Nederland asiel aanvraagt wordt eerst geïdentificeerd en geregistreerd door de politie of de Marechaussee. Zodra vreemdelingen zich melden voor de asielprocedure start het Identificatie en Registratieproces door de Politie of de Marechaussee. Tijdens dit proces stelt de politie of de KMar de identiteit vast aan de hand van bagage, documenten, biometrie, een eerste gesprek en leest zo nodig de telefoons uit. Er worden vingerafdrukken genomen en een foto gemaakt; de asielzoeker wordt geregistreerd en er wordt een v-nummer toegekend. Ook vindt een check plaats in de relevante systemen en worden mensen zo nodig aanvullend gehoord.
Kunt u nader toelichten welke andere stappen in het identificatieproces behalve de quickcheck, indien nodig het uitlezen van gegevensdragers en het nader gehoor in de praktijk soms ook niet of niet volledig worden uitgevoerd, gelet op de bewoording «met name» in het Inspectierapport?5 Wat zijn de redenen hiervoor en welke veiligheidsrisico’s zijn hieraan verbonden?
De Inspectie concludeert dat de kwaliteitsborging van het identificatieproces op orde is en het proces zorgvuldig wordt uitgevoerd. Het inspectierapport heeft aangetoond dat inmiddels in de praktijk conform de geldende procesbeschrijvingen, afspraken en instructies wordt gehandeld. De Inspectie constateert dat de werkzaamheden over het geheel genomen goed uit te voeren zijn binnen de beschikbare tijd. De medewerkers maken vanuit hun kennis en expertise een afweging om iets al dan niet verder te onderzoeken. Dit betekent dat er per geval wordt bekeken hoe de beschikbare tijd en capaciteit het beste kan worden besteed. Politie en KMar hebben daarnaast het proces van interne kwaliteitscontroles verder aangescherpt om de kwaliteit van de processtappen te toetsen en zo nodig te verbeteren. Over mogelijke verbetermaatregelen, zijn wij in gesprek met de betrokken diensten. Zo zijn wij voornemens ten aanzien van bepaalde asielzoekers het mogelijk te maken dat zij langer dan tot nu toe op de locatie beschikbaar gehouden kunnen worden voor nader onderzoek. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid om tijd te creëren voor inzet van benodigde specialismen. Wij betrekken hierbij ook het onderzoek dat de Inspectie momenteel doet naar de opvolging van de onderkende signalen uit de gehele vreemdelingenketen door de betrokken diensten.
Kunt u de bevindingen in het Inspectierapport bevestigen dat door gebrek aan tijd, capaciteit en (technisch) materieel de stappen van de quickcheck, het uitlezen van gegevensdragers en het nader gehoor niet of niet volledig worden uitgevoerd? Kunt u kwalitatief schetsen hoe groot dit probleem is, in hoeveel gevallen worden deze stappen niet of niet volledig genomen?
De Inspectie constateert het volgende:
«De meeste medewerkers geven aan hun werk over het geheel genomen goed te kunnen uitvoeren in de beschikbare tijd (dat wil zeggen: binnen één werkdag).
Hoewel medewerkers aangeven dat zij voor het identificatieproces in het algemeen genoeg tijd hebben, zijn er een aantal processen waar zij, door de beschikbare tijd gedwongen, keuzes moeten maken om deze al dan niet of niet volledig uit te voeren.«
Er is dus geen sprake van dat de genoemde stappen «niet» worden uitgevoerd. Het betekent wel dat er per geval weloverwogen wordt gekeken hoe de beschikbare tijd en capaciteit het beste kan worden besteed. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 zijn wij in gesprek met de betrokken diensten. Zo zijn wij voornemens ten aanzien van bepaalde asielzoekers het mogelijk te maken dat zij langer dan tot nu toe op de locatie beschikbaar gehouden kunnen worden voor nader onderzoek. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid om tijd te creëren voor inzet van benodigde specialismen.
Hoe wordt beoordeeld wanneer het nodig is om gegevensdragers uit te lezen, aangezien het lastig is voor medewerkers om Arabische teksten te lezen?
Het omgaan met andere talen (waaronder Arabisch) vormt een hindernis in het soepel uitvoeren van het proces. De medewerkers in de I&R-straten hebben echter de nodige ervaring, weten waar zij op moeten letten en hebben een checklist die zij kunnen raadplegen. Ook zijn er 24/7 tolken oproepbaar. Bovendien kunnen medewerkers een beroep doen op collega’s van de Dienst Regionale Informatie Organisatie (DRIO), die aan de hand van informatieverzameling afwegen of diepgaander onderzoek is geboden.
Kunt u aangeven in hoeverre hierdoor een risico bestaat dat signalen over mensenhandel, mensensmokkel en terrorisme of andere ernstige zaken die juist opgemerkt zouden moeten worden bij de registratie en identificatie van asielzoekers?
Dit proces staat helemaal aan het begin van de asielketen. Het valt nooit honderd procent uit te sluiten dat signalen van criminaliteit, waaronder terrorisme, in deze schakel niet worden opgemerkt. Signalen daarvan kunnen ook worden opgevangen tijdens de contactmomenten die de vreemdeling heeft gedurende het I&R-proces met politie of Marechaussee of later in het proces in het contact met het COA, de IND of de DT&V. In het hele proces is dan ook verhoogde aandacht voor dergelijke signalen ingericht, waarbij steeds gebruik gemaakt wordt van de dan beschikbare informatie die vanzelfsprekend in de loop van het proces toeneemt. Het I&R-proces, dat initieel diende voor de vaststelling van de identiteit en registratie van asielzoekers, is mede naar aanleiding van de verhoogde dreiging in november 2015 aangepast. Vanaf dat moment staan de werkzaamheden in dit proces meer in het teken van het vroegtijdig opvangen van signalen die duiden op terrorisme of andere vormen van criminaliteit. Medewerkers in de gehele vreemdelingenketen hebben trainingen gevolgd om signalen van radicalisering te herkennen. En deze vervolgens te delen met de diensten die belast zijn met het voorkomen en bestrijden van terrorisme. Zo screent de IND op basis van de informatie uit het identificatie en registratieproces of er signalen zijn met betrekking tot (identiteits-, nationaliteits- of visum-) fraude, nationale veiligheid, 1F en mensensmokkel/mensenhandel. Ook is in de vreemdelingenketen ingezet op het vergroten van het veiligheidsbewustzijn. Hoewel de betrokken diensten zeer alert zijn op mogelijke risico’s, kan misbruik van de Nederlandse asielprocedure nooit volledig worden uitgesloten. Om alert te blijven op de kwaliteit van dit proces en steeds mogelijkheden tot verbetering te blijven benutten hebben wij de Inspectie gevraagd onderzoek te doen naar de opvolging van de onderkende signalen uit de gehele vreemdelingenketen door de betrokken diensten. Dit onderzoek wordt naar verwachting begin 2017 aan ons aangeboden. Uw Kamer wordt hierover vanzelfsprekend geïnformeerd.
Hoe vaak zijn sinds april dan wel mei 2016 de telefoons uitgelezen van asielzoekers, gelet op uw toezegging in uw brief van 16 maart 2016: «Op dit moment wordt door de politie nog niet geregistreerd hoe vaak telefoons worden uitgelezen. Binnenkort gaat de politie over tot het registreren hiervan.»?6 Wanneer is de politie tot deze registratie overgegaan en wat zijn hiervan de resultaten?
Zoals toegezegd worden alle gegevensdragers aan een quickcheck onderworpen. In de afgelopen periode heeft in bijna 1 op de 3 gevallen de betrokken medewerker vervolgens besloten tot het nader (laten) uitlezen van de gegevensdragers. De politie registreert dit sinds 15 augustus 20167.
Waarom heeft u de aanbeveling van de Inspectie om «realistisch te zijn over de mogelijkheden van de ID-straten bij het verzamelen van signalen over mensenhandel, mensensmokkel en terrorisme» direct overgenomen?7 Is het niet verstandiger in plaats van deze snel over te nemen deze aanbeveling te onderzoeken waarom in de ID-straten niet gebeurd wat eerder wel is toegezegd en beoogd?
Het hoofddoel van het I&R-proces was en is het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling en deze te registreren. Sinds de verhoogde dreiging zijn de werkzaamheden in het I&R-proces steeds meer komen te staan in het teken van het vroegtijdig opvangen van signalen die duiden op terrorisme of andere vormen van criminaliteit. Het valt nooit te garanderen dat criminelen, waaronder terroristen, op dat moment worden opgemerkt. Daarop ziet het realisme: het I&R-proces is een belangrijke, maar niet de enige schakel in de gehele vreemdelingen- en de nationale veiligheidsketen. Dat neemt niet weg dat alle betrokken organisaties continu werken aan het opvangen van signalen en verbeteren van de samenwerking hierop binnen de keten. Wij zien derhalve uit naar het vervolgonderzoek van de Inspectie om onze processen nog deugdelijker te kunnen inrichten en op elkaar aan te laten sluiten.
Deelt u de mening dat geen concessies gedaan kunnen worden, gelet op het dreigingsbeeld in Nederland en Europa, aan een volledige en zorgvuldige registratie van asielzoekers en de genoemde oorzaken als tijd, capaciteit en materieel absoluut geen belemmering mogen vormen voor het niet of niet volledig uitvoeren van controles? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke termijn gaat u de constaterende knelpunten hieromtrent verbeteren? Zijn dit ook de maatregelen die u aankondigde in het NOS journaal afgelopen week?8
Wij delen de mening dat er gelet op het dreigingsbeeld geen concessies gedaan kunnen worden aan een volledig en zorgvuldige registratie van asielzoekers. Het kabinet neemt de dreiging zeer serieus en bekijkt zorgvuldig welke maatregelen nodig zijn in het kader van de dreiging. Het I&R-proces vormt hierin een van de schakels binnen de vreemdelingenketen en kan een bijdrage leveren aan het opvangen van signalen en die signalen overdragen aan bij de bestrijding van terrorisme betrokken organisaties.
De Inspectie constateert dat het materieel waarover de diensten beschikken nu grotendeels op orde is. Bovendien hebben de diensten sinds de vorige onderzoeken forse stappen gezet in de kwaliteit van het identificatieproces, dat wordt uitgevoerd door medewerkers met de benodigde expertise en kennis van de processtappen die ze moeten uitvoeren.
De betrokken organisaties werken continu aan het verder verbeteren van de samenwerking in deze keten. Dit is een doorlopend proces in het licht van steeds veranderende modus operandi. De inzet van alle betrokkenen is erop gericht misbruik van de asielprocedure door terroristen en andere criminelen te voorkomen. Om alert te blijven op de kwaliteit van dit proces en steeds mogelijkheden tot verbetering te blijven benutten hebben wij de Inspectie ook gevraagd onderzoek te doen naar de opvolging van de onderkende signalen uit de gehele vreemdelingenketen door de betrokken diensten.
Waarom geeft u aan in de brief van 21 december 2016 dat uit het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) «Jihadisme en de vreemdelingenketen» zou blijken dat er geen problemen zijn, gelet op de vaststelling van het WODC dat er sinds 2014 vanwege de verhoogde instroom capaciteitsproblemen zijn?9 Waarom heeft u in de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie 2017 de keuze gemaakt minder capaciteit in te zetten bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Het WODC concludeert in haar recente onderzoek «Jihadisme in de vreemdelingenketen» dat de afgelopen jaren gefaseerd verschillende maatregelen zijn getroffen en werkwijzen geïntroduceerd om jihadisme in de vreemdelingenketen te signaleren, die in onderlinge samenhang kunnen worden aangemerkt als één systematiek. Het WODC heeft geen indicaties gevonden dat zich bij de uitvoering hiervan grote problemen voordoen. Ten aanzien van de capaciteit concludeert het WODC in het zelfde rapport ook dat «De sterk afgenomen instroom van asielzoekers sinds begin 2016 maakt dat de knelpunten met betrekking tot een tekort aan capaciteit om primaire processen uit te voeren ondertussen grotendeels zijn opgelost.» Er wordt overigens al geruime tijd geïnvesteerd in de gehele vreemdelingenketen om eventuele signalen van bijvoorbeeld potentiële radicalisering, ronselen of jihadistische intenties te onderkennen.
Door de aanzienlijke afname van de asielinstroom in de loop van 2016 is daarnaast minder capaciteit nodig dan gedurende de pieken in voorgaande jaren. De in te zetten capaciteit bij de IND hangt onder meer samen met de te verwachten asielinstroom. In 2017 wordt een lagere asielinstroom verwacht.
Hoe beoordeelt u, in het licht van het Inspectierapport V&J afgelopen week over de gebreken in de registratie van asielzoekers de vaststelling in het WODC-rapport «Jihadisme en de vreemdelingenketen» dat «in de praktijk niet altijd gewerkt wordt volgens de bestaande meldstructuur en interne afspraken»?10 Deelt u de mening dat er wel degelijk problemen zijn, in tegenstelling tot hetgeen u beweert in uw brief van 21 december 2016?
In mijn brief van 21 december 2016 sluiten wij aan op de algemene conclusie van de Inspectie die constateert dat het proces thans zorgvuldig verloopt. Daarnaast constateert de Inspectie een aantal verbeterpunten, waar inmiddels een aantal maatregelen op worden genomen, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 12.
Het WODC-rapport -dat een wetenschappelijk beeld presenteert van de signalering en informatie-uitwisseling van jihadisme, radicalisering en ronselpraktijken in de vreemdelingenketen- geeft aan geen indicaties te hebben gevonden dat zich bij de uitvoering grote problemen voordoen. Het WODC geeft ook aan dat vanwege de opzet van de studie het niet mogelijk is om harde uitspraken te doen over meldingen conform de bestaande structuur. Het WODC deed in dat kader de aanbeveling dat moet worden geïnventariseerd waar wederzijdse informatiebehoeften en mogelijkheden tot informatie-uitwisseling precies uit bestaan. De uitwisseling moet daarnaast doelmatig zijn en volgens privacywetgeving worden uitgevoerd. Deze aanbeveling hebben wij overgenomen in de beleidsreactie.
Het verbeteren van de informatie-uitwisseling, het onderkennen van signalen en het doorgeven daarvan, is een continu proces. Wij zullen samen met de betrokken diensten de werkwijzen blijven verbeteren.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, gelet op het debat dat de Kamer met u over dit Inspectierapport wil voeren na het aanstaande kerstreces?
Ja.
Het bericht dat niet-westerse Nederlanders vaker celstraf krijgen in plaats van taakstraffen |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Niet-westerse Nederlander krijgt vaker cel in plaats van taakstraf»?1
Ja.
Kent u het in het bericht genoemde rapport van de Raad voor de rechtspraak? Zo ja, kunt u dat voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen en daarbij tevens ingaan op de aanbevelingen in het rapport?
Ik ben bekend met het genoemde rapport. Dit rapport is door de Raad voor de rechtspraak online gepubliceerd op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/research-memoranda-2016–02.pdf. Een kopie van dit rapport treft u in de bijlage aan.2
Het is een goede zaak dat de Rechtspraak dit onderzoek heeft laten uitvoeren. Er blijken verschillen in de oplegging van het soort straf tussen herkomstgroepen, maar daarvoor kunnen, aldus het rapport op pagina 40, «praktische» en «legitieme redenen» zijn.
De onderzoekers pleiten voor meer aandacht in onderzoek en rechtspraktijk voor de verhouding in zwaarte tussen verschillende soorten straffen. Op dit punt ga ik in mijn antwoord op vraag 6 nader in. Tevens pleiten de onderzoekers voor onderzoek naar de achtergronden van verschillen tussen herkomstgroepen in toepassing van voorarrest en in opgelegde soorten straf. Tegelijkertijd lijken deze verschillen verklaarbaar uit verschillen in achtergronden tussen herkomstgroepen, die in de rechterlijke beslissing om een bepaalde sanctie toe te passen meewegen. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 4. Specifiek verder onderzoek naar de achtergronden van deze verschillen lijkt mij daarom niet dringend.
Is het waar dat daders met een migratie-achtergrond vaker in de gevangenis belanden, omdat ze vaker veroordeeld worden voor zware misdrijven? Zo ja, waarom worden deze daders vaker voor deze misdaden veroordeeld dan verdachten die geen migratie-achtergrond hebben? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Ja, dat klopt. Het rapport stelt op pagina 21 dat allochtonen gemiddeld voor zwaardere delicten terechtstaan dan autochtonen. Het rapport gaat niet in op de vraag waarom dat zo is.
Acht u het mogelijk dat er niet alleen als het om staandehoudingen gaat de etniciteit een rol speelt (ethnic profiling) maar dat een dergelijk effect ook in de rechtspraak kan gelden? Zo ja, waarom acht u dit mogelijk, heeft u daar concrete aanwijzingen voor en welke zijn dat dan? Zo, nee waarom acht u dit niet mogelijk?
Het rapport concludeert dat er, bij hantering van de bij vervangende hechtenis gebruikelijke omrekensleutels tussen soorten straffen, geen verschillen bestaan in sanctiezwaarte tussen herkomstgroepen (p.7). Dit geeft dus geen aanwijzing dat er bij de rechtspraak sprake is van «etnisch profileren» of stereotypering. Wel blijkt sprake te zijn van verschillen in de oplegging van het soort straf tussen herkomstgroepen, maar daarvoor kunnen, aldus het rapport «praktische» en «legitieme redenen» zijn (p.40). Zo kunnen taalproblemen, het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en het niet hebben van een baan de opgelegde soort straf beïnvloeden.
Zijn u onderzoeken bekend over het verband tussen strafrechtelijke vonnissen en de etnische achtergrond van de verdachte? Zo ja, welke zijn dit en wat waren de conclusies? Zo nee, acht u het wenselijk om daar nader onderzoek naar te laten doen en hoe gaat u dat laten doen?
Dit betreffende onderzoek legt juist het in de vraag genoemde verband. Het is het eerste onderzoek in Nederland waarbij dit verband via een analyse op een zo uitgebreid gegevensbestand is vastgesteld. Op dit moment zie ik op basis van de conclusies van dit uitgebreide onderzoek, geen reden om nader onderzoek te laten doen.
Deelt u het pleidooi van de onderzoekers om de verhoudingen tussen de verschillende straffen verder tegen het licht te houden? Zo ja, hoe gaat u dit bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Eerder onderzoek laat zien dat de strafrechtelijk gehanteerde omrekensleutels tussen verschillende soorten straffen niet altijd aansluiten bij de maatschappelijke perceptie van de zwaarte van die verschillende soorten straffen. Zo is de vrijheidsstraf in de maatschappelijke perceptie relatief zwaarder dan volgens de wettelijke omrekensleutels het geval is.
De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat hij verdere aandacht aan deze problematiek zal besteden en zal adviseren over eventuele aanpassing van deze omrekensleutels.
Het inzichtelijk maken van de bij zorgverzekeraars gedeclareerde zorg in relatie tot de zorguitgaven |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) terecht heeft geweigerd DIS-gegevens over gedeclareerde zorgproducten per zorgaanbieder openbaar te maken?1
De uitspraak betekent dat de NZa naar het oordeel van de rechter het specifieke verzoek van Open State Foundation om informatie openbaar te maken over gedeclareerde zorgproducten per zorgaanbieder uit het DIS terecht heeft geweigerd, omdat zij anders de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob) zou hebben overtreden. De NZa mag op basis van de Wob geen bedrijfs- en fabricagegegevens verstrekken die vertrouwelijk zijn meegedeeld ten behoeve van de uitvoering van haar wettelijke taken.
De uitspraak over DIS-gegevens over gedeclareerde zorgproducten per zorgaanbieder doet niets af aan het belang om voor patiënten en verzekerden inzicht in de ziekenhuistarieven te vergroten. Zie hierover mijn brief aan uw Kamer van 3 november 2016, waarin ik toelicht dat ik de NZa heb gevraagd daartoe een traject voor te bereiden.2
Wat zegt het naar uw mening over de transparantie van het huidige zorgstelsel wanneer zelfs de prijs wordt aangemerkt als «bedrijfs- en fabricagegegeven» en daarmee als vertrouwelijke bedrijfsinformatie?
De Afdeling rechtspraak van de Raad van State is van oordeel dat in dit geval, gelet op de samenhang van de prijs van een DBC-zorgproduct met de andere verzochte gegevens, ook de prijs als een bedrijfs- en fabricagegegeven moet worden aangemerkt.
Mijn transparantiebeleid is erop gericht dat patiënten en verzekerden bij het kiezen van een behandeling effectief inzicht hebben in alle informatie die voor hen van belang is op het gebied van zowel de kwaliteit als de prijs van zorg. Er is in de afgelopen jaren belangrijke vooruitgang geboekt, maar verbetering is nog steeds nodig. Ik heb op het gebied van prijstransparantie de NZa verzocht een traject voor te bereiden op basis waarvan burgers inzicht krijgen in de zorgtarieven van een ziekenhuis, kliniek, of andere aanbieder, en de NZa heeft dit ook toegezegd. De NZa heeft naar aanleiding van de uitspraak aangegeven voor transparantie te zijn van prijzen, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg.3 Ook geeft de NZa aan in 2017 serieuze stappen te zullen zetten om hier samen met alle betrokken partijen aan te werken.
Wat vindt u ervan dat informatie over betaalbare en toegankelijke zorg en die daarmee het algemeen belang dient, niet opvraagbaar is middels de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) omdat deze wordt aangemerkt als vertrouwelijke bedrijfsinformatie?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn, aangezien de Afdeling van oordeel is dat zorgaanbieders informatie vertrouwelijk hebben meegedeeld, ook de twee zorgverzekeraars en de ziekenhuisgroep die onlangs tarieven hebben bekend gemaakt, strafbaar?
De uitspraak van de Afdeling gaat over openbaarmaking van gegevens in het kader van de Wob. De Wob is alleen van toepassing op bestuursorganen en niet op zorgaanbieders en verzekeraars (behalve op academische ziekenhuizen).
Hoe verhoudt de uitspraak van de Afdeling zich tot de door ook u gewenste transparantie over ziekenhuistarieven? Staat deze uitspraak het verder inzicht geven in die tarieven in de weg? Kunt u uw antwoord toelichten?
De uitspraak staat niet in de weg aan mijn wens om voor patiënten en verzekerden te komen tot inzicht in de tarieven die zorgaanbieders hanteren. De NZa heeft aangegeven hiertoe in 2017 serieuze stappen te zullen zetten. Aanpassing van wetgeving is niet aan de orde. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Betekent de uitspraak van de Afdeling dat u de wetgeving die het openbaar maken van ziekenhuistarieven en/of DIS-gegevens in de weg staat, gaat aanpassen? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Toont de uitspraak van de Afdeling aan dat transparantie op gespannen voet staat met marktwerking in de zorg waarbij de concurrentiepositie en vertrouwelijke bedrijfsinformatie prevaleert boven het algemeen belang? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, de uitspraak toont enkel aan dat de NZa bij de openbaarmaking van gegevens waarover zij op grond van specifieke bestuursrechtelijke bevoegdheden beschikt zich dient te houden aan de Wob en dat de i.c. bedrijfs- en fabricagegegevens, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid, i.c. de NZa, zijn meegedeeld, niet openbaar worden gemaakt.
Is het openbaar maken van DIS-gegevens indien deze niet herleidbaar zijn naar individuele zorgaanbieders of zorgverzekeraars volgens deze uitspraak van de Afdeling ook in strijd met de Wet openbaarheid bestuur (Wob)?
De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet uitgelaten over niet tot individuele zorgaanbieders of verzekeraars te herleiden DIS-gegevens. Voor een algemeen inzicht in de kosten per behandeling of per aandoening publiceert de NZa dergelijke prijsinformatie op opendisdata.nl, zoals vermeld in de Kamerbrieven van 10 augustus 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 3405) en 27 oktober 2015 (Kamerstuk 29 248, nr. 289).
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Open State Foundation dat de uitspraak van de Afdeling aantoont dat de wet inmiddels door de realiteit is ingehaald aangezien burgers, zorgverzekeraars en zorginstellingen zelf inzicht in de zorgkosten moeten regelen?2
Zoals ik in mijn brief van 3 november 2016 aan uw Kamer heb toegelicht, is mijn transparantiebeleid erop gericht dat patiënten en verzekerden effectief inzicht hebben in alle informatie die van belang is bij het kiezen van een behandeling. Dat vergt naast inzicht in kwaliteit ook inzicht in de tarieven die zorgaanbieders hanteren.5 Het is bijvoorbeeld voor patiënten zeer relevant om te weten welke financiële gevolgen een behandeling voor hen heeft. Daarom heb ik de NZa gevraagd om een gestructureerd traject te ontwerpen voor een stapsgewijze openbaarmaking van alle prijsgegevens in de curatieve zorg. De NZa bereidt dit nu voor en heeft aangegeven in 2017 serieuze stappen te zullen zetten.
Wat is voorts uw reactie op de volgende opmerking van de Open State Foundation: «De afgelopen jaren hebben we gezien dat de Nederlandse Zorgautoriteit geen millimeter beweegt naar transparantie»?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat artsen vaker kiezen voor pillen van farmaceuten waarvan zij sponsorgeld ontvangen |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat medisch specialisten vaker en meer medicijnen voorschrijven van de farmaceutische bedrijven die hen sponsorgeld betalen?1
Mijn reactie op het bericht in de Volkskrant van 22 december 2016 «Arts kiest vaker pillen sponsorende farmaceut» heb ik aan de vaste Kamercommissie gestuurd op 18 januari 2017 met kenmerk 2016Z24785.2
Is uit het onderzoek ook te herleiden welke sponsoractiviteit zoals betaalde lezingen of het betaald bezoek van een congres, heeft geleid tot een piek in het voorschrijfgedrag? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te achterhalen?
Uit het onderzoek is niet te herleiden welke sponsoractiviteit gerelateerd kan worden aan het voorschrijven van een geneesmiddel. De financiële relaties in het Transparantieregister Zorg worden jaarlijks achteraf gemeld. Hierbij kan geen relatie worden gelegd met het tijdstip dat geneesmiddelen zijn voorgeschreven.
Wat is de prijsstelling van de vier onderzochte nieuwe, dure geneesmiddelen ten opzichte van de gemiddelde prijs voor de geneesmiddelen die al op de markt waren voor de betreffende aandoening?
In het Volkskrant artikel zijn vier dure geneesmiddelen bekeken. Dit zijn twee diabetes middelen (Tresiba & Toujeo) en twee cholesterol middelen (Repatha en Praluent). Tresiba en Toujeo zijn insuline-soorten die een lange werkingsduur hebben. In de richtlijnen voor behandeling van diabetespatiënten met insuline luidt het advies om eerst te starten met een middellang werkende insuline (NPH insuline). Het voorschrijven van de lang werkende insuline (waaronder Tresiba en Topujeo) dient te worden beperkt tot patiënten die met NPH-insuline problemen ondervinden.
De prijsstelling van Tresiba en Toujeo varieert per dagdosering van € 1,37 tot € 1,47. Ter vergelijking zijn de kosten van een behandeling met insuline NPH (eerste keus insuline volgens de richtlijn) ca. € 0,70 per dagdosering.
De twee nieuwe cholesterolverlagers vormen samen een nieuwe klasse van cholesterolverlagende middelen en zijn bedoeld voor mensen met een hoog risico op hart- en vaatziekten. Dit zijn mensen die eerder een infarct hebben gehad of waarbij een te hoog cholesterolgehalte erfelijk is bepaald en waarbij de gebruikelijke behandelingen (met statines en ezetimibe) het cholesterol niet voldoende verlagen. Naar verwachting komen er jaarlijks maximaal 20.000 mensen in aanmerking voor behandeling met één van beide nieuwe cholesterolverlagers. Deze twee nieuwe middelen worden sinds 1 april en 1 juni 2016 (respectievelijk Repatha en Praluent) vergoed vanuit het basispakket. De geneesmiddelen zijn duurder dan de bestaande cholesterolverlagers en worden in combinatie met de bestaande behandeling gegeven. De prijs van een behandeling met Repatha of Praluent ligt op basis van openbare lijstprijzen rond de € 6.000,– per jaar. Voor een statine in combinatie met ezetimibe kunnen de behandelkosten tot circa € 700,– per jaar bedragen.
Is op basis hiervan te bepalen hoeveel extra geld er uit is gegeven aan deze nieuwe, dure geneesmiddelen vanwege sponsoring? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onderzoek van VGZ en de Volkskrant laat zien dat artsen met een financiële relatie met de industrie bij deze middelen de duurdere nieuwe middelen meer voorschrijven bij patiënten dan artsen die geen financiële relatie met de industrie hebben. Het onderzoek geeft niet aan hoeveel extra geld hierdoor is uitgegeven. Op basis van dit onderzoek valt ook niet op te maken of de sponsoring daadwerkelijk de reden is dat deze middelen door de betreffende artsen vaker worden voorgeschreven. Ik heb van VGZ begrepen dat zij in Zorgverzekeraars Nederland verband een vervolg onderzoek willen gaan opzetten.
Het is goed als de zorgverzekeraars de verantwoordelijkheid op zich nemen om nader onderzoek te doen als er signalen zijn van mogelijk ongewenst voorschrijfgedrag. Zij kunnen hier ook met zorgaanbieders afspraken over maken. Het is ook aan de zorgverzekeraars om er op toe te zien dat zij deze middelen niet breder vergoeden dan de nadere voorwaarden die ik aan de vergoeding heb gesteld met bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering.
Voor welke andere nieuwe en/of dure geneesmiddelen worden artsen gesponsord of bezocht door individuele artsenbezoekers? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht doen toekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bij de introductie van een nieuw geneesmiddel is het gebruikelijk om via verschillende methodes de voorschrijvers kennis te laten nemen van dit nieuwe geneesmiddel. De inzet van een artsenbezoeker is een voorbeeld om de arts te informeren over het nieuwe middel. Ik beschik niet over de gegevens over het aantal contacten tussen voorschrijvers en de farmaceutische bedrijven. Wel zijn in het Transparantieregister Zorg de financiële relaties zichtbaar tussen de zorgprofessional en de farmaceutische bedrijven. De gegevens uit het Transparantieregister Zorg zijn ook gebruikt voor het bericht in de Volkskrant.
Is op basis van dit onderzoek te extrapoleren hoeveel de uitgaven aan geneesmiddelen in totaal extra zijn, vanwege de beïnvloeding van het voorschrijfgedrag van artsen door de farmaceutische industrie? Zo nee, bent u bereid dit onderzoek alsnog te laten doen?
Nee, dit is niet te herleiden. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Wat zegt het volgens u over de transparantie van het Nederlandse zorgstelsel, dat studies naar het verband tussen sponsoring en voorschrijfgedrag in tegenstelling tot andere landen, niet gedaan konden worden omdat deze gegevens niet openbaar zijn?
Dit artikel in de Volkskrant toont aan dat de transparantie van het Nederlandse zorgstelsel toeneemt en dat partijen wel de mogelijkheid hebben om financiële relaties tussen zorgverleners en farmaceutische bedrijven te onderzoeken. Dit lijkt me passen in de verantwoordelijkheden van de partijen zoals we die belegd hebben in het stelsel.
Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Wat is er de reden van dat voorschrijfgegevens in Nederland niet openbaar zijn en bent u bereid om deze gegevens alsnog openbaar te maken? Zo nee, waarom acht u het niet belang om inzage te krijgen in het voorschrijfgedrag?
Voorschrijfgegevens op patiëntniveau waarover artsen beschikken zijn – net als andere gegevens over de behandeling van patiënten – niet openbaar omdat hiervoor toestemming van de patiënt (of diens wettelijk vertegenwoordiger) is vereist. Dit betekent niet dat er geen inzicht is op het voorschrijfgedrag van (huis)artsen op geaggregeerd niveau. Het instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) monitort het voorschrijfgedrag van huisartsen in de gelijknamige Monitor Voorschrijfgedrag Huisartsen3. Het IVM brengt deze monitor al meerdere jaren uit. Daarnaast beschikt de Stichting Farmaceutische Kengetallen ook over aflevergegevens van geneesmiddelen, op basis waarvan gemonitord wordt in welke mate bepaalde geneesmiddelengroepen worden voorgeschreven.
Onderschrijft u de reactie van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) dat de cijfers geen hard bewijs zijn voor beïnvloeding? Zo nee, wat is uw appreciatie van het onderzoek van de Volkskrant en zorgverzekeraar VGZ?
Mijn indruk is dat de cijfers nog wel vragen oproepen en dat het daarom een goed voornemen is van VGZ om samen met de overige verzekeraars landelijk onderzoek te doen.
Zijn de bevindingen van de Volkskrant en zorgverzekeraar VGZ voor u aanleiding om breed onderzoek te doen naar het verband tussen sponsoring en voorschrijfgedrag? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Zoals ik in mijn reactie naar de vaste Kamercommissie heb geschreven en hierboven, vind ik het goed dat zorgverzekeraars hier zelf mee aan de slag gaan.
Bent u bereid uw verantwoordelijkheid te nemen en de farmaceutische industrie per direct te verbieden artsen te sponsoren op welke manier dan ook? Zo nee, vindt u dit maatschappelijk verdedigbaar gelet op het belang van betaalbare en toegankelijke zorg?
Nee, het direct verbieden van sponsoring lijkt mij nu niet de aangewezen handeling voor het belang van betaalbare en toegankelijke zorg. Voor het overige verwijs ik u naar de antwoorden op eerdere Kamervragen van de leden Van Gerven en Leijten (SP)4.
Hoeveel individuele artsenbezoekers zijn er in Nederland (direct en indirect) in dienst van de farmaceutische industrie en hoeveel bezoeken leggen zij af op jaarbasis? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik heeft vanuit het programma «Gezonde Scepsis» (gestopt in 2011) de schatting gemaakt dat er toen ongeveer 1500 artsenbezoekers in Nederland in dienst van de farmaceutische industrie waren. Uit navraag bij de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen blijkt dat het huidige aantal artsenbezoekers is teruggelopen naar de helft van dit aantal. Het is volgens de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen op dit moment niet mogelijk om te zeggen hoeveel bezoeken de artsenbezoekers afleggen op jaarbasis. Hierdoor is ook geen zicht op de ontwikkeling in de afgelopen jaren.
Bent u bereid ook het verband tussen voorschrijfgedrag en het ontvangen van individuele artsenbezoekers te onderzoeken? Zo nee, waarom acht u dit gelet op het verband tussen voorschrijfgedrag en sponsoring, niet van belang om te weten?
Nee. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om ook individuele artsenbezoekers (indirect) in dienst van de farmaceutische industrie per direct te verbieden? Zo nee, vindt u dit maatschappelijk verdedigbaar gelet op het belang van betaalbare en toegankelijke zorg?
Contact tussen artsen en de farmaceutische industrie over de toepassing van (nieuwe) geneesmiddelen is een middel om de voorschrijver te informeren over nieuwe behandelmogelijkheden. Het is van belang dat artsen beschikken over de vereiste kennis over de medische toepassing van het betreffende geneesmiddel. Zoals ik eerder heb geantwoord op vragen van Kamerlid Van Gerven (SP) moeten zorgprofessionals zich niet laten misleiden door de marketing van een fabrikant.5
Weet u of alle onderzochte financiële banden tussen artsen en de farmaceutische industrie ook vermeld staan in het Transparantieregister Zorg? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u gelet op de resultaten van het onderzoek naar het verband voorschrijfgedrag en sponsoring, nog altijd van mening dat het Transparantieregister Zorg voldoende effect sorteert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik zie het onderzoek juist als een voorbeeld dat het Transparantieregister Zorg effect sorteert. Door het Transparantieregister kon VGZ het onderzoek doen en kunnen zij deze inzichten gebruiken om gepast gebruik van zorg te bevorderen.
Zijn in het Transparantieregister Zorg inmiddels wel alle financiële banden, direct en indirect, tussen artsen en de farmaceutische industrie weergegeven? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot uw antwoorden op eerdere vragen?2
In de Gedragscode Geneesmiddelenreclame is de verplichting tot melden opgenomen. Alle financiële relaties die onder de Gedragscode Geneesmiddelenreclame vallen en schriftelijk worden vastgelegd worden gemeld bij het register. Hierbij geldt een ondergrens van € 500 (cumulatief) op jaarbasis. Vanaf 1 januari 2017 dienen ook de indirecte relaties die ten goede komen aan beroepsbeoefenaren in het Transparantieregister Zorg worden gemeld.
De farmaceutische koepels hebben zich gecommitteerd aan de Gedragscode Geneesmiddelenreclame, waardoor zij verplicht zijn om financiële relaties met artsen te melden. De KNMG is aangesloten bij het Transparantieregister Zorg waardoor een voorschrijvend arts verplicht is om financiële relaties zelf te melden. Door deze wederzijdse verplichting kan ervan uit worden gegaan dat deze financiële banden in het Transparantieregister Zorg staan.
De Stichting CGR houdt toezicht op deze Gedragscode en het naleven van de meldingen. De Stichting CGR rapporteert over de meldingen en er is geen aanleiding om aan te nemen dat financiële relaties in grote getale niet worden gemeld.
Tot welke concrete resultaten heeft het Transparantieregister Zorg tot nu toe geleid? Is bijvoorbeeld het aantal financiële banden tussen artsen en de farmaceutisch industrie er door afgenomen?
Op basis van de gegevens zoals die nu in het Transparantieregister staan, kunnen er geen uitspraken gedaan worden over toe- of afname van het aantal financiële banden tussen industrie en artsen. Wel heeft het Transparantieregister Zorg het mogelijk gemaakt dat dit onderzoek kon plaatsvinden. Dat is een belangrijk en bedoeld resultaat. Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Zou de conclusie niet moeten zijn dat ongeacht of het in een register staat, beïnvloeding van het voorschrijfgedrag van artsen door de farmaceutische industrie altijd ongewenst is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Beïnvloeding van het individuele voorschrijfgedrag van de zorgverlener door de farmaceutische industrie is ongewenst wanneer het niet voldoet aan de wet- en regelgeving en de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. Ik vertrouw op de kennis en kunde van de voorschrijver om via rationele wegen de patiënt de best passende medicatie voor te schrijven. Ik ondersteun dit proces door de infrastructuur te verzorgen waarbinnen farmacotherapeutische informatievoorziening aan de zorgverlener veilig en betrouwbaar tot stand kan komen.
Bent u ook van mening dat de vertrouwensband tussen arts en patiënt essentieel is in de zorg en van grote invloed op het welslagen van een behandeling? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De vertrouwensband tussen de arts en zijn/haar patiënt is van groot belang voor goede zorg, maar staat los van de voorschrijfgegevens in Nederland. De patiënt moet kunnen vertrouwen op integer voorschrijfgedrag van de arts. In hoofdstuk negen van de Geneesmiddelenwet zijn regels opgenomen die tot doel hebben ongewenste beïnvloeding te voorkomen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt hier toezicht op.
Denkt u dat de uitkomsten van dit onderzoek en bovendien het feit dat voorschrijfgegevens in Nederland niet openbaar zijn, een positief of een negatief effect hebben op de vertrouwensband tussen arts en patiënt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 20.
Bent u bereid uw verantwoordelijkheid te nemen en iedere aanleiding voor wantrouwen richting artsen weg te nemen door per direct sponsoring en artsenbezoek door de farmaceutische industrie te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onderzoek waar deze Kamervragen over gaan, geeft niet aan dat er een verband is tussen wantrouwen richting artsen door sponsoring en artsenbezoek.
Het bericht dat De Zonnebloem fors moet bezuinigen op zorgvakanties voor gehandicapten en minder valige ouderen wegens teruglopende donaties |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Zonnebloem zet mes in zorgvakanties»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er vanaf 2018 nog maar plek is om 2.850 gehandicapten en minder valide ouderen op vakantie te laten gaan in plaats van de huidige 8.300?
De Zonnebloem is een zelfstandige organisatie die zelf besluiten neemt over de besteding van giften en donaties. Mede vanwege teruglopende giften en donaties en het feit dat inmiddels ook veel andere aanbieders vakanties aanbieden voor mensen met een lichamelijke beperking, heeft de Zonnebloem besloten om een groot deel van het vakantieaanbod voor mensen met een lichamelijke beperking te schrappen.
De Zonnebloem draagt alle kosten per deelnemer met betrekking tot de verzorging en verpleging en die van de vrijwilligers voor tijdens het vakantieaanbod. De Zonnebloem geeft aan dat de opbrengsten vanuit particuliere donaties niet meer voldoende zijn om deze kosten voor dezelfde omvang van de doelgroep te financieren. Door deze keuze te maken blijft de Zonnebloem een gezonde vereniging waar jaarlijks meer dan 100.000 mensen met een beperking gebruik van maken. De Zonnebloem geeft ook aan dat het voorgenomen besluit geen consequenties heeft voor de rest van de organisatie en dat er nog meer dan nu ingezet gaat worden op het ondersteunen van de ongeveer 1.400 lokale afdelingen waar in totaal 40.000 vrijwilligers actief zijn. De Zonnebloem gaat in dit kader op zoek naar nieuwe manieren om vakanties aan te bieden voor mensen met een lichamelijke beperking.
Deelt u de mening dat dit allemaal toch wel heel erg betreurenswaardig is en dat er een oplossing gevonden moet worden, ook gezien het feit dat de betrokkenen de reis zelf betalen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het nou niet mogelijk om het ontstane tekort van 4 miljoen euro per jaar op te vangen binnen de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, daar de stichting al een instellingssubsidie ontvangt van uw ministerie?
De Zonnebloem ontvangt inderdaad een instellingssubsidie voor het trainen en opleiden van vrijwilligers die actief zijn binnen lokale afdelingen van de Zonnebloem door beroepskrachten.
Op deze wijze ondersteun ik (de ontwikkeling van) het vrijwilligerswerk van de Zonnebloem. Het vanuit de begroting van VWS opvangen van teruglopende giften en donaties zou vrijwilligersorganisaties te afhankelijk maken van overheidssubsidies. Dat lijkt mij geen goede zaak.