De koppeling van warmtenetten aan kolencentrales |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u toelichten wat, in het antwoord op eerdere vragen, er precies wordt bedoeld met «Eventuele publieke financiering van de warmte-infrastructuur zal techniekneutraal worden uitgewerkt, zoals dat ook het geval is bij de gas- en elektriciteitsnetten»?1
Met techniekneutraal wordt bedoeld dat de warmte-infrastructuur geschikt moet zijn voor het transport van warm water, waarbij op voorhand geen onderscheid wordt gemaakt tussen mogelijke bronnen die de warmte leveren. De aanleg van gas- en elektriciteitsnetten vindt plaats op basis van ditzelfde principe. Ook hier worden niet op voorhand gas- of elektriciteitsbronnen exclusief toegang gegeven of ontzegd tot deze transportnetten.
Doelt u met dit antwoord op het in de toekomst socialiseren van de warmte-infrastructuurskosten via de nettarieven van netbeheerders net zoals bij elektriciteit en gas? Zo nee, wat dan wel? Zo ja, hoe wilt u dan omgaan met de kosten van bestaande netten die niet zijn gesocialiseerd versus nieuwe netten die dan dus wel worden gesocialiseerd? Levert dat geen ongelijk speelveld op voor bedrijven en consumenten van bestaande warmtenetten?
Nee, daar doelde ik met het antwoord niet op. Wel is in de Energieagenda (Kamerstuk 31 510, nr. 64) aangegeven dat grootschalige warmtenetten in de toekomst op vergelijkbare wijze zullen worden gereguleerd als elektriciteitsnetten en gasnetten. Hierdoor ontstaat er een meer gelijk speelveld op basis waarvan keuzes over deze infrastructuren op een meer afgewogen wijze kunnen plaatsvinden. Dit zal verder uitgewerkt gaan worden, inclusief keuzes over kostentoedeling. Het socialiseren van kosten via nettarieven zou kunnen bijdragen aan het aantrekkelijker maken van warmtenetten. De vraag is echter of hiervoor een passend en uitvoerbaar model uit te werken is, waarbij ook mogelijke consequenties voor de bestaande warmtenetten in ogenschouw genomen moeten worden. Daarom is op voorhand niet aan te geven of socialisatie aan de orde zal zijn.
Gezien de strekking van de motie Dik-Faber (Kamerstuk 31 510, nr. 58): hoe kan publieke financiering «eventueel» aan de orde zijn wanneer de warmte-infrastructuur in kwestie gekoppeld wordt aan een kolencentrale?
Een warmte-infrastructuur wordt aangelegd voor een periode van 30 tot 50 jaar. In de periode tot 2050 moet de CO2-emissie van de geleverde warmte naar vrijwel nul afnemen. Een eventuele publieke financiering van warmte-infrastructuur kan aan de orde zijn, wanneer dat de energietransitie doelmatig faciliteert.
Houdt u de mogelijkheid open dat deze warmteleiding beheerd zal worden door het gereguleerde Gas Transport Services (GTS), of door een niet-gereguleerde dochter van GasUnie?
Bij de uitwerking van de regulering van grootschalige warmtenetten, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 2, zal onder meer worden bezien of het netbeheer van grootschalige warmtenetten ook tot de gereguleerde taken van netbeheerders zou kunnen behoren. Een dergelijke inzet past niet onder de huidige gereguleerde taken van GTS. Het netwerkbedrijf Gasunie kan die taak wel op zich nemen, bijvoorbeeld via haar dochteronderneming Gasunie New Energy.
Erkent u dat in geval van investeringen door een publiek beheerde netbeheerder als GasUnie-GTS, dit een bevoordeling betekent van warmte die via (bestaande) privaat gefinancierde leidingen wordt getransporteerd? Erkent u dat in dat geval juist kolenwarmte boven duurzame warmte bevoordeelt wordt en de burger via de nettarieven meebetaald?
Nee, beide hypothesen onderschrijf ik zo niet.
Bent u bereid als grootaandeelhouder van Gasunie dit bedrijf te vragen om consistent te blijven met de ambities van de overheid, namelijk om te investeren in infrastructuur die niet leidt tot bevoordeling van fossiele bronnen?
Ik zie hier geen redenen toe. Gasunie moet als netwerkbedrijf onafhankelijk zijn van productie, handel en levering. Bevoordeling van specifieke opwekkingstechnieken door Gasunie is dan ook niet aan de orde. Overigens maken dezelfde onafhankelijkheidseisen dat ik, als aandeelhouder van EBN en GasTerra, geen bemoeienis mag hebben met de investeringen van Gasunie. De Minister van Financiën houdt om die reden de aandelen in Gasunie.
Het bericht 'Omstreden imam terug in Gouda' |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Enneüs Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omstreden imam terug in Gouda»?1
Ja.
Deelt u de mening dat alles in het werk gesteld moet worden om te voorkomen dat radicale predikers in Nederland onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen kunnen verspreiden?
Ja. Predikers die in Nederland onverdraagzame, anti-integratieve of antidemocratische boodschappen willen uitdragen en daarmee de openbare orde of nationale veiligheid bedreigen, zijn niet welkom. Voor visumplichtige predikers geldt maatregel 20F uit het actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme. U bent hierover recentelijk geïnformeerd2.
Is meer bekend over de inhoud van de lezing die deze imam heeft gegeven en kunt u aangeven of er onderzoek heeft plaatsgevonden door de politie en het openbaar ministerie naar het mogelijk plegen van strafbare feiten en tevens de Kamer informeren of hier een vervolgingsbeslissing uit is voortgevloeid, ten aanzien van zowel de imam als wel organisator van deze bijeenkomst?
Voor personen met een paspoort uit een Schengenlidstaat geldt dat zij vrij mogen reizen binnen het Schengengebied. Aan personen van buiten het Schengengebied die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid vormen wordt geen visum verleend. Voor EU-onderdanen geldt de visumplicht niet en kan toegangsweigering op deze gronden alleen plaatsvinden indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ernstige strafbare feiten ophanden zijn. De prediker waar in dit geval aan wordt gerefereerd heeft de Belgische nationaliteit. Hierbij is van belang dat volgens Europese richtlijn 2004/38 aan een burger van de Unie alleen de toegang geweigerd kan worden indien hij op grond van zijn persoonlijk gedrag een actueel, werkelijk en ernstig gevaar vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Voor predikers die over een EU-nationaliteit beschikken geldt dat zij op basis van hun uitspraken die zij op Nederlandse bodem doen die in strijd zijn met Nederlandse wet- en regelgeving mogelijk vervolgd kunnen worden door het Openbaar Ministerie.
De gemeente Gouda is door de politie geïnformeerd over de mogelijke komst van deze prediker. Nadat de gemeente kennis heeft genomen van de komst van de prediker heeft de gemeente contact gezocht met het bestuur van de organiserende moskee. De lokale politie is bij de bijeenkomst aanwezig geweest zodat er bij strafbare feiten direct kon worden opgetreden. Er is tijdens de conferentie niet geconstateerd dat deze persoon heeft aangezet tot haat of vijandigheid tussen groepen, heeft opgeroepen tot geweld, noch een anti-integratieve of antidemocratische boodschap heeft verkondigd.
Het bericht waar u aan refereert heeft overigens betrekking op andere sprekers van de conferentie op 8 maart 2015 te Rijswijk, daar waar het intrekken van visa betreft.
Herinnert u zich dat de visa van deze en andere omstreden imams eerder zijn ingetrokken in het kader van een bijeenkomst in Rijswijk op 8 maart 2015?2 Waarom is dat nu klaarblijkelijk niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 3.
Was u vooraf op de hoogte van zijn komst? Heeft u indien dat het geval was concrete maatregelen genomen om zijn komst te verhinderen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat deze imam in Gouda uitgenodigd is door de islamitische vereniging Assalam?
Ja.
Herinnert u zich de brief van de regering aan de Kamer waarin stond: «Het is een Nederlandse traditie dat het internationale recht deel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde. Dat is zo neergelegd in de Grondwet. Omdat bij strijdig handelen met het internationale recht doorgaans geen sprake zal zijn van algemeen nuttig handelen, kan bij instellingen die zich daar schuldig aan maken de ANBI (Algemeen Nut Beogende Instellingen)-status reeds worden ingetrokken»?3
Ik onderschrijf die uitspraak nog steeds. De wet biedt de Belastingdienst de mogelijkheid om op basis van een weging van feiten en omstandigheden aan instellingen, die uitingen van haat of geweld mogelijk maken, de ANBI-status in te trekken. Als de Belastingdienst signalen ontvangt dat er instellingen zijn die haat en geweld ondersteunen of propageren, kan de Belastingdienst een onderzoek instellen en zo nodig de ANBI-status intrekken. Het propageren van geweld en haat kan immers als strijdig met het algemeen nut worden aangemerkt.
Op de website van de Belastingdienst is te zien welke instellingen als algemeen nut beogende instelling worden aangemerkt. Ook intrekkingen van de ANBI-status worden in deze lijst verwerkt.
Ziet u aanleiding te onderzoeken of bij de vereniging Assalam de ANBI-status ingetrokken kan worden, zo mogelijk met terugwerkende kracht en daarover de Kamer te informeren?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht “Forse kritiek op uitspraak Raad van State inzake Iraanse bekeerling” |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Forse kritiek op uitspraak Raad van State inzake Iraanse bekeerling»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraak van godsdienstpsycholoog mevrouw Van Saane dat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zij zich enkel op het Rambomodel2 baseert en dat dit model daarentegen juist bij asielzoekers niet altijd goed toepasbaar is? Bent u bereid in contact te treden met Van Saane over de te hanteren methodiek, gezien uw doelstelling om bekeringen op zorgvuldige wijze te toetsen?
Anders dan mevrouw Van Saane volgens het bericht lijkt te veronderstellen, heeft de Afdeling niet geoordeeld dat haar onderzoeksmethode enkel en uitsluitend is gebaseerd op het model van Rambo. In dit verband wijs ik er op dat de Afdeling uiteraard kennis heeft genomen van het rapport dat mevrouw Van Saane in de betreffende zaak heeft uitgebracht. In dat rapport heeft zij nadrukkelijk gewag gemaakt van het werk van tal van andere wetenschappers, hetgeen ook blijkt uit de door haar opgestelde literatuurlijst. Dit laat onverlet dat het model van Rambo een belangrijke rol speelt, met name in zaken waarin sprake is van een (deels) actieve bekering.
Evenals mevrouw Van Saane is ook de IND zich bewust van het bestaan van andere (wetenschappelijke) inzichten en wordt rekening gehouden met zogenoemde passieve bekeringen, waarop het model van Rambo niet onverkort kan worden toegepast.
De IND heeft eerder contact gehad met mevrouw Van Saane en zal dat in de toekomst ook blijven doen, uiteraard afhankelijk van de bereidheid van mevrouw Van Saane zelf. Dit ten behoeve van reflectie op de procedure bij bekeringszaken en het streven naar voortdurende verbeteringen binnen het beslisproces.
Onderkent u het belang van de inzet van deskundigen als Van Saane voor het proces van zorgvuldige toetsing van bekeringen? Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de kennis en expertise van deskundigen structureel worden ingezet voor ondersteuning van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en bijscholing van medewerkers?
Ik onderken dat inzichten van deskundigen relevant kunnen zijn voor de beslismethodiek bij bekeerlingen. Bij de totstandkoming van de beslismethodiek bij bekeerlingen heeft de IND gebruik gemaakt van inzichten van wetenschappers en kerkelijke organisaties. Verder bestaat er aandacht voor het bijhouden van kennis en het in beeld hebben van wetenschappelijke ontwikkelingen en inzichten over bekeerlingen. Om die reden staat de IND regelmatig in contact met wetenschappers en het maatschappelijk middenveld, waaronder kerkgenootschappen en belangengroepen. De IND werkt permanent aan het op peil houden van kennis en vaardigheden van hoor-en beslismedewerkers door het verzorgen van opleidingen, het organiseren van zogenoemde «masterclasses» en het bijwonen van lezingen van deskundigen.
Kunt u toelichten waarom het inschakelen van een deskundige volgens de IND niet nodig is noch voor de hand ligt wanneer deskundigen overwegend in positieve zin hebben geoordeeld over de bekering van de vreemdeling? Klopt het dat van verdere consultatie van deskundigen met name wordt afgezien wanneer andere feiten en omstandigheden, die buiten de bekering als zodanig vallen, daartoe aanleiding geven?
De IND heeft deskundige medewerkers in dienst die een integrale afweging maken van al hetgeen een vreemdeling tijdens zijn asielprocedure heeft verteld. Van alle relevante elementen wordt beoordeeld of ze geloofwaardig en zwaarwegend zijn. Ook de rapporten van deskundigen en kerkelijke organisaties worden bij deze beoordeling betrokken. In voorkomende gevallen kan dat tot het besluit leiden dat de bekering (alsnog) geloofwaardig wordt geacht.
Het kan echter ook voorkomen dat de IND in een individuele zaak tot het oordeel komt dat de verklaringen van de vreemdeling over een gestelde bekering dusdanig gebrekkig, summier of oppervlakkig zijn, dat een rapportage van een deskundige onvoldoende aanleiding geeft om tot een ander besluit te komen. Daarbij worden, indien aan de orde, uiteraard ook omstandigheden betrokken die los staan van de verklaringen die een vreemdeling over zijn bekering heeft afgelegd. In dit geval moet de IND uiteraard wel zorgvuldig motiveren waarom zij, in afwijking van het rapport van de deskundige, tot het besluit komt dat de bekering ongeloofwaardig is.
Kunt u bevestigen dat het, gelet op het bepaalde in artikel 10, derde lid, onderdeel d, van de Procedurerichtlijn, de bedoeling is dat deskundigen worden ingeschakeld wanneer het de beoordeling van de bekering als zodanig betreft? Zo nee, welke aanleiding is er om te veronderstellen dat de beoordeling van bekeringen niet valt onder religieuze kwesties als bedoeld in de richtlijn?
Artikel 10, derde lid, onderdeel van de Procedurerichtlijn verplicht medewerkers van de IND niet tot het standaard raadplegen van deskundigen bij de beoordeling van de asielaanvraag. Wel staat in dit artikel dat medewerkers van de IND de gelegenheid moeten hebben om, waar nodig, advies te vragen van een deskundige over specifieke kwestie zoals bijvoorbeeld de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering. Dat is het geval in Nederland.
De beschieting van de basisschool As-Siddieq in Amsterdam |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Basisschool in Noord beschoten: «Meer dan acht kogelgaten»?1
Ja.
Wat is de stand van zaken in het politieonderzoek?
Het opsporingsonderzoek loopt momenteel. In het belang van het onderzoek doe ik geen inhoudelijke mededelingen.
Deelt u de mening dat het beschieten van een school een groter gevoel van onveiligheid bij de leerlingen en het personeel zal geven dan een (andere) vernieling? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat een incident van deze aard impact heeft op het veiligheidsgevoel van alle betrokkenen. Alle dreigingen en vormen van vandalisme en geweld zijn onacceptabel en waar mogelijk vindt strafrechtelijke vervolging plaats.
Deelt u de mening dat bij het beschieten van een school of ander gebouw niet alleen sprake is van vernieling maar mogelijk ook van bedreiging? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat bij het beschieten van een school of ander gebouw ook mogelijk sprake kan zijn van bedreiging. Het politieonderzoek moet uitwijzen wat de achtergrond van dit incident is.
Hoe vaak zijn islamitische instellingen in Nederland het afgelopen jaar getroffen door vernielingen of bedreigingen? Hoeveel van dergelijke voorvallen zijn bij de politie gemeld, is er aangifte gedaan of zijn er bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) bekend?
Zoals beantwoord in vragen van lid Özturk (TK Vergaderjaar 2016–2017, Aanhangsel 384) registreert de politie primair het strafbare feit en niet de persoon of het object waar het geweld zich tegen richt. Het is van belang dat meldingen en aangifte bij de politie worden gedaan.
Wat is de stand van zaken betreffende het overleg tussen de NCTV en islamitische organisaties?
Er vindt periodiek overleg plaats tussen de moslimgemeenschap, NCTV, SZW en de politie. In dit overleg komen onder andere actuele veiligheidsvraagstukken aan de orde. Na de aanslag op een moskee in Québec op zondag 29 januari (Canadese tijd) heeft de moslimgemeenschap in Nederland haar zorgen op het gebied van veiligheid geuit. Over het contact dat hierover heeft plaatsgevonden, heb ik u op vrijdag 3 februari separaat schriftelijk geïnformeerd (Kamerstuk 29 614, nr. 57). In samenwerking met de overlegpartners is een handreiking «Veilige Moskee» opgesteld. Deze handreiking heeft als doel het bevorderen van de fysieke en sociale veiligheid in en rondom moskeeën, door het aanreiken van kennis, aanbevelingen en goede voorbeelden omtrent het omgaan met incidenten en spanningen.
Wat is het meest recente oordeel van de NCTV over het dreigingsniveau met betrekking tot islamitische instellingen?
Voor het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) maakt de NCTV dreigingsbeelden op fenomeenniveau. In het meest recente DTN (Kamerstuk 29 754, nr. 405) staat dat extreemrechts geïnspireerd geweld, zoals vorig jaar bij de moskee in Enschede, in Nederland voorstelbaar is. Deze dreiging kan komen uit de hoek van ongekende gewelddadige eenlingen. Er zijn geen aanwijzingen voor een algemene geweldsdreiging richting islamitische instellingen.
Acht het nodig islamitische instellingen waaronder scholen en moskeeën extra bescherming te bieden? Zo ja, waaruit gaat dat bestaan? Zo nee, waarom niet?
Voor alle (religieuze) instellingen in Nederland geldt dat beveiligingsmaatregelen worden genomen op basis van dreiging en risico. De NCTV heeft op 21 maart 2016 de lokale gezagen geadviseerd extra alert te zijn met betrekking tot de veiligheidssituatie van moskeeën. Het huidige dreigingsbeeld geeft geen aanleiding tot het adviseren van (extra) beveiligingsmaatregelen bij islamitische instellingen. Het lokaal bevoegd gezag kan beveiligingsmaatregelen nemen waar zij dit nodig acht. Lokaal kan het beste beoordeeld worden welke maatregelen in de specifieke omstandigheden passend en proportioneel zijn.
Gebrek aan snelheidheidscontroles in diverse gemeenten |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Ard van der Steur (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Boos over uitblijven snelheidscontroles»?1
Ja.
Klopt het bericht dat de politie in diverse Nederlandse gemeenten de snelheid op 30 en 60 km wegen niet controleert? Is dit de officiële beleidslijn van de politie en het Openbaar Ministerie (OM)? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Handhaving, waaronder snelheidscontroles, is een van de aspecten van het verkeersveiligheidsbeleid. Het uitgangspunt is dat voorrang wordt gegeven aan aanpassing van de infrastructuur, maar als het enige tijd duurt voordat de infrastructuur is aangepast, kan omwille van de veiligheid in overleg worden besloten dat er op de betreffende weg tijdelijk wordt gehandhaafd. Ik sta achter deze handelwijze.
Deelt u de mening dat juist op deze wegen vanwege de verkeersveiligheid de fysieke (snelheids-)controles moeten worden aangescherpt? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u dan de recente onderzoeksresultaten van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) dat de meeste verkeersdoden (61%) vallen op gemeentelijke wegen?
De verkeersveiligheid op gemeentelijke wegen is een verantwoordelijkheid die decentraal is belegd. Handhaving vindt plaats op wegen waar aantoonbaar sprake is van een verkeersonveilige situatie. Wegbeheerders en politie voeren daartoe tenminste jaarlijks een verkeersonveiligheidsanalyse uit. Op basis van de analyse worden de meest onveilige wegvakken/wegen geselecteerd waar met handhaving een bijdrage geleverd kan worden aan het vergroten van de verkeersveiligheid. De onderzoeksresultaten van SWOV laten zien dat de meeste verkeersdoden inderdaad vallen op gemeentelijke wegen.2
Dit onderstreept het belang van inzet voor verkeersveiligheid op lokaal niveau, zoals hierna in antwoord op vraag 6 nader aan de orde komt.
Deelt u de mening van de politie dat zij alleen vaker snelheidscontroles willen uitvoeren als gemeenten hun straten anders inrichten? Zo ja, welke afspraken worden/zijn er met de gemeenten gemaakt over aanpassingen in de weginrichting? Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met gemeenten, politie en het OM om er snel voor te zorgen dat de verkeersveiligheid verhoogd kan worden?
Als er sprake is van een verkeersonveilige situatie in een gemeente wordt eerst in onderling overleg gekeken of een gemeente de weg zodanig kan aanpassen dat deze conform de visie Duurzaam Veilig wordt ingericht en niet uitnodigt tot te hard rijden. Zoals in de kabinetsreactie op het IBO verkeershandhaving3 is aangegeven, is het belang van verkeersveiligheid bij de burgemeesters, OM en politie benadrukt. Ik zal dat blijven doen, maar het is uiteindelijk aan de lokale driehoek om de inzet ten aanzien van de verkeersveiligheid te bepalen.
Kan worden toegelicht welke beoordelingscriteria de politie hanteert voor het al dan niet uitvoeren van fysieke controles op snelheid en huftergedrag in het verkeer? Hoe verhoudt zich dit tot de prioriteiten van het OM? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Het OM en de politie hebben gezamenlijk de Leidraad Handhavingsplan Verkeer 2016–2018 opgesteld (Leidraad) voor de verkeershandhaving door de teams Verkeer. In deze Leidraad zijn de nieuwe landelijke prioriteiten voor de verkeershandhaving opgenomen. De prioriteiten zijn: verkeersveelplegers, afleiding, rood licht, alcohol en snelheid. De Leidraad schrijft voor dat in de handhavingsplannen van de teams Verkeer moet staan hoe de teams Verkeer uitvoering geven aan de vastgestelde landelijke prioriteiten. Hiermee wordt geborgd dat de handhaving van de teams Verkeer voor een belangrijk deel is gericht op de landelijke prioriteiten voor de verkeershandhaving en de in de vraag genoemde feiten. De inzet hierbij wordt bepaald aan de hand van verkeersonveiligheidsanalyses.
Kunt u toelichten welke afspraken er tussen de politie en gemeenten van kracht zijn over de handhaving van de verkeersveiligheid? In hoeverre is verkeersveiligheid een speerpunt binnen de regionale driehoeken? Kan een overzicht worden gegeven van het aantal gemeenten dat de verkeersveiligheid als prioriteit in de veiligheids/handhavingsplannen heeft opgenomen?
Over de inzet van de politie spreken de burgemeester, het OM en de politie in de lokale driehoek. Het gezag over de inzet van de basisteams van de politie is daarmee decentraal belegd. In de driehoeken kan, indien de lokale situatie daartoe aanleiding geeft, de verkeersveiligheid (op specifieke locaties) in de gemeente worden besproken. Daarvoor is ook bij het gezag aandacht gevraagd.
Ik heb geen overzicht beschikbaar van het totaal aantal gemeenten dat de verkeersveiligheid als prioriteit in de veiligheidsplannen heeft opgenomen. Ik heb deze vraag ook gesteld aan de VNG en ook de VNG heeft hier geen zicht op. Uit een door studenten van de hogeschool Windesheim en verkeerskundig ICT-bureau VIA gemaakte eerste inventarisatie lijkt te volgen dat een groot deel van de gemeenten geen verkeersveiligheidsplan heeft (zie tabel).
Wel een plan
Geen plan
Totaal ondervraagden
Gemeente tussen 0 – 20.000 inwoners
20
17
37
Gemeente tussen 20.000 – 50.000
40
33
77
Gemeente tussen 50.000 – 100.0000 inwoners
7
13
20
Gemeente met meer dan 100.000 inwoners
7
3
10
Provincie
5
1
6
Waterschap
1
1
2
Totaal ondervraagden
80
68
148
Bron: gebaseerd op een survey van hogeschool Windesheim en ICT-bureau VIA, begin 2016.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Wegverkeer en Verkeersveiligheid voorzien op 18 januari a.s.?
Helaas is dat niet gelukt.
De overname van PostNL-loketten door DHL en Sandd |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een reactie geven op het artikel «DHL en Sandd nemen taken PostNL-loketten in Bruna-winkels over»?1
Ik heb kennis genomen van de nieuwsberichten omtrent deze ontwikkeling. Uit het aangehaalde artikel blijkt dat DHL en Sandd voornemens zijn een aantal PostNL-lokketten in Bruna-winkels over te nemen. Van de zijde van PostNL wordt gesteld dat zij momenteel naar tevredenheid samenwerkt met Bruna-winkeliers. Ik begrijp van PostNL dat het bedrijf zich samen met Bruna op dit moment aan het beraden is hoe deze samenwerking verder uit te bouwen. Daaruit maak ik op dat de onderhandelingen nog gaande zijn en dat er nog geen definitieve uitspraken kunnen worden gedaan over de dienstverlening van PostNL via Bruna-winkels.
Hoe groot is het aantal dienstverleningspunten van PostNL in Nederland en hoe groot is het aandeel dat met het besluit van Bruna verloren dreigt te gaan?
Eind 2016 waren er ongeveer 2.800 pakket- en dienstverleningspunten van PostNL. PostNL verwacht te groeien naar circa 3.000 punten in 2018. Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, wordt er nog gesproken over hoe de samenwerking met Bruna er in de toekomst uit zal gaan zien.
Heeft de sluiting van deze postpunten verband met de eerder door PostNL opgelegde tariefsverlaging?2
Naar ik begrijp zijn de onderhandelingen met Bruna nog gaande. PostNL opereert in een geliberaliseerde postmarkt. Of er postpunten worden gesloten of niet en de redenen waarom dat al dan niet gebeurt, is aan de betrokken marktpartijen.
Wat waren de gevolgen voor de dienstverlening van PostNL toen Albert Heijn haar postpunten in het begin van 2016 sloot?3 Heeft u een indicatie van het aantal klachten dat hierover is ingediend?
ACM is de partij die toezicht houdt op de uitvoering van de postregelgeving. Er zijn mij geen signalen van ACM of anderszins bekend waaruit blijkt dat de sluiting van de postpunten bij Albert Heijn gevolgen heeft gehad voor de universele postdienst (UPD). Eventuele wijzigingen in locaties waar postpunten gevestigd zijn, betekent ook niet dat dit de facto leidt tot een afname van het dienstverleningspuntenbestand van PostNL. Het zogenaamde shop-in-shop-concept dat PostNL hanteert, is dynamisch van aard; er kunnen meerdere redenen zijn waarom er van tijd tot tijd naar vervangende locaties dient te worden gezocht. PostNL kan ter vervanging nieuwe dienstverleningspunten realiseren bij andere ondernemers. Het minimum wordt bepaald door de wettelijke eisen.
Uit het aangehaalde nieuwsbericht blijkt ook dat de dienstverlening is verhuisd naar andere locaties binnen een straal van 1 kilometer van de Albert Heijn-locatie.
Welke gevolgen heeft de sluiting van deze kantoren bij Bruna voor ouderen en minder valide mensen?
Ik verwijs allereerst naar mijn antwoord op vraag 1. Op grond van de Postwet heeft PostNL als verlener van de UPD de verplichting om voor een netwerk van dienstverleningspunten te zorgen. Voor de geografische spreiding van deze dienstverleningspunten gelden wettelijke eisen. Het is aan PostNL om de inrichting van dit netwerk binnen de wettelijke kaders nader te bepalen. Ten aanzien van de beschikbaarheid van postdienstverleningspunten dient PostNL daarbij rekening te houden met de behoeften van kwetsbare gebruikers. PostNL dient hiertoe advies te vragen aan organisaties die de belangen van kwetsbare gebruikers behartigen.
PostNL heeft in dit kader een klankbordgroep ingericht waarin ANBO, Unie KBO, de Protestants Christelijke Ouderen Bond, de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen, Ieder(in), VNG en het RIVM zetelen. Deze klankbordgroep heeft afspraken gemaakt op welke wijze rekening dient te worden gehouden met de positie van kwetsbare gebruikers. Voorts overlegt PostNL in het kader van haar zogenaamde locatiebeleid met regionale en plaatselijke belangengroepen en gemeenten over praktische implementatie van de vestigingseisen. ACM houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke eisen.
Hoe wordt de continuïteit van de dienstverlening, zoals in het Postbesluit 2009 is vastgelegd, gehandhaafd en wordt bij de beoordeling van de dienstverleningspunten de positie van kwetsbare groepen specifiek betrokken?
Zie antwoord vraag 5.
Welke methoden heeft u om u ervan te verzekeren dat het voorzieningenniveau voor kwetsbare groepen op peil blijft?
Op grond van de Postwet dient PostNL als verlener van de UPD jaarlijks aan ACM te rapporteren over de uitvoering van de UPD. In deze rapportage dienen onder meer de resultaten van regelmatige metingen van de kwaliteit te worden vermeld. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in het Postbesluit en de Postregeling. Dit betreft onder meer het aantal dienstverleningspunten en de verspreiding van dienstverleningspunten. De rapportage aan ACM dient vergezeld te gaan van een meting van de kwaliteit door een onafhankelijke en deskundige instelling. ACM betrekt in haar beoordeling van PostNL de wettelijke kwaliteitseisen, waaronder de wijze waarop de belangen van kwetsbare gebruikers zijn geborgd.
Zijn exclusiviteitsbedingen, die zowel PostNL als Sandd hanteren bij contracten voor hun dienstverleningspunten, volgens u reëel als dienstverlening voortvloeiende uit de universele postdienst (UPD) hiermee in het gedrang komt?
PostNL dient binnen de wettelijke kaders een aantal dienstverleningspunten te realiseren. Van belang is dat het PostNL vrijstaat om zelf invulling te geven aan deze verplichting. ACM is verantwoordelijk voor het toezicht hierop. Ik heb geen indicaties dat PostNL niet op een adequate wijze aan de UPD-verplichtingen zou voldoen. In september 2015 heeft ACM in het kader van een klacht van de Vereniging van Postale en Bancaire Retailers uitsluitsel gegeven over het gebruik van exclusiviteitsbedingen door PostNL. ACM gaf toen aan geen reden te zien voor nader onderzoek.
Tijdelijk werken vanuit de bijstand |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van De Monitor van 9 januari 2017 over flexwerk1 en het fragment daarin over tijdelijk werken vanuit de bijstand?2
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling dat flexwerk en de bijstand een moeilijke combinatie is?
De bijstand is bedoeld als inkomensondersteuning voor die situaties waarin men niet zelfstandig in het bestaan kan voorzien. Zoals ik in mijn brief van 11 november 2014 heb aangegeven, geldt dat zoveel mogelijk mensen regulier werk kunnen verrichten vanuit de bijstand, ook als dat tijdelijk of in deeltijd is.3 Volledige uitstroom is natuurlijk wenselijk, maar tijdelijk en deeltijdwerk kunnen daartoe een opstap vormen en sluiten aan bij het complementaire karakter van de bijstand. Gemeenten hebben beleidsruimte en wettelijke instrumenten om bijstandsgerechtigden daarbij te ondersteunen, door bijvoorbeeld het geven van een extra financiële stimulans of het adequaat inrichten van een hernieuwde aanvraag.4
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen om tijdelijk werk vanuit de bijstand te vergemakkelijken en obstakels hierbij weg te nemen zoals herhaaldelijk verzocht door de vragensteller? Wat is de huidige stand van zaken bij de implementatie van deze maatregelen?
In de voornoemde brief aan uw Kamer heb ik in 2014 een agenda voor tijdelijk en deeltijd werk gepresenteerd met verduidelijking van de beleidsruimte voor gemeenten, een voornemen tot wetswijziging en onderzoek naar brutering van de bijstand. Dit naar aanleiding van de motie Potters-Kerstens die de regering vroeg om een aanpak te presenteren om het aanvaarden van tijdelijk werk gemakkelijker te maken.
Vanaf 1 april 2016 is de algemene vrijlating van inkomsten uit arbeid wettelijk verruimd van een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden naar maximaal zes maanden (die dus niet aaneengesloten hoeven te zijn). Hiermee is een door gemeenten aangekaarte belemmering voor bijstandsgerechtigden met tijdelijk werk weggenomen.
Over brutering van de bijstand heb ik uw Kamer met mijn brief inzake de Uitvoering en evaluatie Participatiewet van 2 december 2016 geïnformeerd.5 Brutering was door gemeenten aangedragen als mogelijkheid om zowel tijdelijk als deeltijdwerk vanuit de bijstand eenvoudiger te faciliteren. Op basis van de inzichten uit onafhankelijk onderzoek ben ik alles overwegende samen met de VNG tot de conclusie gekomen dat een overstap naar een bruto bijstand op dit moment nog niet gewenst is.
Verder is vorig jaar in het kader van de evaluatie Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (Wet SUWI) de mogelijkheid onderzocht van automatische inkomensverrekening met de bijstandsuitkering op basis van de polisadministratie van UWV. Dit zou mogelijk kunnen bijdragen aan het vereenvoudigen van inkomensverrekening van bijstandsgerechtigden met wisselende inkomsten. Gebleken is dat automatische inkomensverrekening met een bijstandsuitkering risico’s met zich mee brengt voor de bijstandsgerechtigde. De vertraging in de loonaangifte kan er immers toe leiden dat de bijstandsgerechtigde op het moment van verrekenen onder het bestaansminimum terecht komt, dan wel dat de verrekening niet meer kan plaatsvinden. De Minister van SZW heeft uw Kamer hierover bij brief van 10 oktober 2016 geïnformeerd.6
Ik blijf de uitvoering van de Participatiewet monitoren en evalueren om te bezien waar verbeteringen mogelijk zijn. Mogelijk dat de experimenten die in 2017 van start gaan ook in dit verband tot nieuwe inzichten zullen leiden, bijvoorbeeld wat betreft de inkomstenvrijlating.
Hebben deze maatregelen volgens u voldoende opgeleverd?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de overheid er zorg voor moet dragen dat tijdelijk werk vanuit de bijstand goed mogelijk moet zijn en dat bureaucratische belemmeringen hiervoor zoveel mogelijk dienen te worden weggenomen? Welke aanvullende actie bent u bereid om op dit punt te ondernemen, zoals bijvoorbeeld brutering van de bijstandsuitkering?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet realiseren van de doelstellingen voor wind op land |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het niet realiseren van de doelstellingen voor wind op land door een te geringe realisatie van nieuwe windmolens?1
Ja, ik ben bekend met de inventarisatie van NWEA en het artikel van het Financieel Dagblad.
Klopt het dat er in 2016 slechts 222 megawatt (MW) aan nieuwe windmolens is neergezet en dat dit ongeveer de helft minder is dan in 2015?
De voortgang van de realisatie van wind op land wordt elk jaar zichtbaar in de monitor wind op land. Uit de monitor wind op land 2015 blijkt dat in 2015 netto 425 MW aan geïnstalleerd vermogen is bijgekomen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) verwacht dat in 2016 ruim meer dan 222 MW gerealiseerd is. De cijfers over 2016 zullen onderdeel zijn van de monitor wind op land 2017 die in april naar de Tweede Kamer verzonden zal worden.
Klopt het dat op deze manier de doelstelling van 6.000 MW voor wind op land in 2020 niet gehaald gaat worden? Kunt u aangeven wat daarbij de mogelijke impact is van het weglekken van bestaande wind op land capaciteit in dit verband?
In de NEV 2016 wordt verwacht dat er ruim 5.000 MW wind op land gerealiseerd gaat worden in 2020. De provincies hebben uitgesproken dat de 6.000 MW nog steeds binnen bereik ligt.
Het is geen vanzelfsprekendheid dat dit gehaald wordt, maar ik vertrouw erop dat het met de inzet van alle betrokken partijen mogelijk is. De provincies dienen in hun plannen rekening te houden met het «weglekken» van bestaande capaciteit. Waar nodig wordt dit opgevangen en de doelstelling van 6.000 MW wordt hierdoor niet verminderd.
Kunt u nadere en spoedige uitvoering geven aan de motie van het lid Jan Vos, die vraagt om een verhoogd Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)+ tarief voor kleinschalige (d.w.z. met een lagere ashoogte) windprojecten in de SDE+-regeling 2017 op te nemen en daarnaast de postcoderoosregeling te verbeteren2?
De SDE+ regeling voor 2017 die ik op 30 november jl. heb aangekondigd (Kamerstuk 31 239, nr. 225) maakt geen onderscheid naar ashoogte, maar hierin wordt uitgegaan van de meest gangbare techniek, de daaruit voortvloeiende gemiddelde ashoogte van windmolens en de verwachte windopbrengsten. Zoals ik in mijn brief van 3 januari 2017 (Kamerstuk 31 239, nr. 250) heb aangegeven, geef ik uitvoering aan de motie Jan Vos door een aanvullend onderzoek te laten doen naar de randvoorwaarden en mogelijke kosten en opbrengsten die samenhangen met de stimulering van kleinschalige windmolens. Onderdeel van dit onderzoek is een onafhankelijke berekening van maximale basisbedragen voor verschillende typen referentieprojecten. Dit onderzoek laat ik versneld uitvoeren, zodat de uitkomsten tijdig kunnen worden betrokken bij de vormgeving en eventuele aanpassing van de najaarsronde van de SDE+. Ik heb daarbij toegezegd dat ik uw Kamer hierover ruim voorafgaand aan de vaststelling van de SDE+ in het najaar van 2017 zal informeren. Een aanpassing van de voorjaarsronde, die op 7 maart 2017 is voorzien, acht ik niet opportuun omdat ik nog niet over voldoende betrouwbare gegevens beschik.
Het lid Jan Vos vraagt daarnaast om de regeling verlaagd tarief energiebelasting (ook wel genoemd de postcoderoosregeling) te verbeteren. De verbetering van de postcoderoosregeling maakt overigens geen onderdeel uit van de in de vraag genoemde motie van het lid Jan Vos, die op 13 december 2016 door uw Kamer is aangenomen (Handelingen II 2016/17, nr. 34, item 19). Hoewel de postcoderoosregeling nog vrijwel geen toepassing heeft voor windenergie, bestaat er wel de mogelijkheid ook windmolens te realiseren met behulp van deze regeling. De regeling is op 1 januari 2016 nog fors verruimd. Zoals ik ook in de Energieagenda heb aangegeven wordt de regeling in 2017 geëvalueerd. Dit zal gebeuren in samenhang met de evaluatie van de salderingsregeling die ik in december 2016 aan uw Kamer heb gestuurd.
Deelt u de mening dat het risico van staatssteunproblemen vanuit Brussel zeer gering is, aangezien er nu ook al subsidie gegeven wordt op repowering projecten?
Nee. De vormgeving van de SDE+ is erop gericht om overstimulering te voorkomen. Daarom kent de SDE+ per technologiecategorie een maximaal basisbedrag. Ten behoeve van de vaststelling van deze basisbedragen wordt per categorie een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd met daarin een advies over het basisbedrag dat nodig is om de onrendabele top van referentieprojecten per categorie te compenseren. Deze werkwijze is ook gehanteerd voor projecten waarbij sprake is van «repowering», dat wil zeggen het vervangen of opschalen van bestaande windmolens. Omdat er sprake is van aanzienlijke kostenvoordelen bij «repowering», komen deze projecten alleen onder voorwaarden in aanmerking voor SDE+ subsidie. Projecten voor de vervanging van bestaande windmolens komen alleen in aanmerking voor SDE+ subsidie indien er sprake is van een opschaling van tenminste 1 MW of indien de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Klopt het dat er nu ook al 45 schotten bestaan in de SDE+ en dat de hoofdregel in de SDE+ (techniekneutraliteit) nu al overwoekerd wordt door uitzonderingen? Klopt het dus dat één extra schot niet zoveel verschil meer uit zal maken voor Brussel?
De SDE+ regeling voor 2017 kent 44 categorieën, waarvan 9 categorieën betrekking hebben op windenergie. Projecten binnen alle categorieën concurreren gezamenlijk om het beschikbare totaalbudget. Categorieën zijn geen budgettaire schotten. De categorieën zijn bedoeld om overstimulering te voorkomen en tegelijkertijd een groot deel van het kosteneffectieve potentieel aan hernieuwbare energieprojecten te benutten. Specifiek ten aanzien van windenergieprojecten wordt om deze reden onderscheid gemaakt naar gemiddelde windsnelheid. Projecten op gunstige windlocaties zullen immers meer elektriciteit opwekken waardoor met een lager maximaal basisbedrag per kilowattuur kan worden volstaan. Het aantal categorieën beperkt niet de technologieneutraliteit, want alle technologieën en projecten concurreren met elkaar op basis van het aangevraagde basisbedrag om het beschikbare verplichtingenbudget. Hoewel het mijn streven is om de SDE+ regeling eenvoudig en overzichtelijk te houden, is de introductie van extra categorieën in zich zelf geen risico op ongeoorloofde staatsteun. Zoals ik mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, zou dat wel zo zijn indien de vaststelling van de betreffende maximale basisbedragen voor die categorie niet goed is onderbouwd.
Klopt het dat er al veel informatie voorhanden is over kostprijzen (basisprijzen) van repowering projecten, c.q. projecten met een lagere ashoogte, o.a. bij het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en bij DNV GL? Deelt u de mening dat een maandenlang nieuw onderzoek niet nodig is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Voor zover nader onderzoek nog nodig is, bent u bereid dit onderzoek versneld uit te voeren?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u nadere en spoedige uitvoering geven aan de genoemde motie van het lid Jan Vos, in ieder geval voor de opening van de SDE+ regeling op 7 maart 2017?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire Kamerdebat over de toekomstige energievoorziening?
Ja.
Het bericht dat door de extreme kou in vluchtelingenkampen, de situatie onhoudbaar is geworden |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Extreme kou in vluchtelingenkampen, situatie is onhoudbaar»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet acceptabel is dat dit soort taferelen op Europees grondgebied plaatshebben en dat wij, als Europese Unie, een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om hier per direct wat aan te doen?
Via het noodhulpinstrument van de Europese Commissie heeft Nederland bijgedragen aan de opvang van asielzoekers in Griekenland. In 2016 is via dit instrument in april 2016 € 83 miljoen en in september 2016 nog eens € 115 miljoen (totaal € 198 miljoen) door de Commissie beschikbaar gesteld. Hiernaast draagt Nederland bilateraal bij. Zo heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in het licht van de acute noden als gevolg van de winterse weersomstandigheden aangekondigd € 100.000 extra beschikbaar te zullen stellen. Deze bijdrage is via lokale Griekse ngo’s die geen directe toegang hebben tot Europese financiering, maar wel in staat zijn direct bij te dragen aan de verbetering van de opvang op de Griekse eilanden, ingezet.
Wat doet de regering op dit moment om de situatie van deze vluchtelingen in Griekenland te verlichten en hen te ondersteunen om bevriezingen te voorkomen?
Nederland draagt via het Europese noodhulpinstrument bij aan de opvang van migranten in Griekenland. De Commissie heeft in 2016 € 198 miljoen ter beschikking gesteld. Naar aanleiding van de huidige acute crisis als gevolg van het winterweer heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nog eens € 100.000 toegezegd aan lokale Griekse ngo’s die geen directe toegang hebben tot Europese financiering maar wel in staat zijn direct bij te dragen aan de verbetering van de opvang op de Griekse eilanden. Daarnaast heeft Nederland, net als verschillende andere Europese lidstaten, het afgelopen jaar goederen en expertise ter beschikking gesteld.
Welke acties heeft de Europese Commissie, die de situatie in de vluchtelingenkampen onhoudbaar heeft genoemd, tot dusver ondernomen en wat gaat zij in de komende dagen nog doen ter ondersteuning?
De Europese Commissie monitort de situatie van de migranten in Griekenland nauwgezet, en spreekt de Griekse overheid aan op haar verantwoordelijkheid om te zorgen voor humane opvang. Via het Europese noodhulpinstrument zorgt de Commissie voor voldoende financiering ten behoeve van het winterklaar maken van de opvangfaciliteiten op het Griekse vasteland en op de eilanden. In september 2016 heeft de Commissie, onder andere voor dit doel, € 115 miljoen vrijgemaakt, bovenop de € 83 miljoen die zij eerder in 2016 al vrijmaakte voor de verbetering van onder meer de opvang (totaal: € 198 miljoen). Daarnaast heeft de Commissie een belangrijke coördinerende rol in de verbetering van het Griekse asielsysteem en de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring, en is in dit kader ook nauw betrokken bij de ondersteuning van Griekenland hierin.
Op welke wijze wordt er momenteel extra aandacht besteed aan de meest kwetsbaren onder de 6.000 migranten op Lesbos, zoals kinderen, ouderen en zieken?
Er is extra aandacht voor kwetsbare asielzoekers op Lesbos. De Griekse autoriteiten, ondersteund door de Commissie, UNHCR en ngo’s, zijn hard bezig om alternatieve accommodaties te zoeken. Zo zijn 130 kwetsbare migranten, met name families met kinderen die in tenten verbleven, door UNHCR in samenwerking met ngo Iliaktida tijdelijk in hotels ondergebracht. Ruim 200 migranten zijn ondergebracht in opvangfaciliteit Kara Tepe, waarvan de opvangcapaciteit in de komende weken verder wordt uitgebreid. Ook proberen de Griekse autoriteiten en UNHCR migranten die behoren tot een kwetsbare groep, en daarmee in aanmerking komen voor transfer naar het vasteland, sneller naar het vasteland over te brengen.
Bent u bereid om op zeer korte termijn aan te dringen bij uw Europese collega’s om over te gaan tot actie, zowel financieel als materieel?
Zoals gezegd is al voor financiering gezorgd via het Europese noodhulpinstrument, en heeft het kabinet besloten om € 100.000 extra beschikbaar te stellen aan lokale Griekse ngo’s. Het grootste knelpunt zit hem in de verwezenlijking van de benodigde verbeteringen in de opvang. Daar wordt op dit moment van diverse kanten hard aan gewerkt, in de eerste plaats door de Griekse overheid. De Europese Commissie speelt hierbij een belangrijke ondersteunende rol.
Kunt u, gezien de urgentie door de barre weersomstandigheden, zo snel als mogelijk de antwoorden op deze vragen naar de Kamer sturen?
Ja.
Het bericht dat de Griekse asielopvang verre van winterbestendig is |
|
Linda Voortman (GL), Rik Grashoff (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Griekse opvang verre van winterbestendig»?1
Ja.
Is de Nederlandse regering bereid om zelfstandig, dan wel in Europees verband, Griekenland te voorzien in adequaat materiaal voor de opvang van asielzoekers, bijvoorbeeld door het leveren van stroomaggregaten? Zo nee, waarom niet?
Via het noodhulpinstrument van de Europese Commissie heeft Nederland bijgedragen aan de opvang van asielzoekers in Griekenland. In 2016 is via dit instrument in april 2016 € 83 miljoen en in september 2016 nog eens € 115 miljoen (totaal € 198 miljoen) door de Commissie beschikbaar gesteld. Hiernaast draagt Nederland bilateraal bij. Zo heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in het licht van de acute noden als gevolg van de winterse weersomstandigheden aangekondigd € 100.000 extra beschikbaar te zullen stellen. Deze bijdrage is via lokale Griekse ngo’s die geen directe toegang hebben tot Europese financiering, maar wel in staat zijn direct bij te dragen aan de verbetering van de opvang op de Griekse eilanden, ingezet.
Bent u bereid om zelfstandig, dan wel in Europees verband, Servië te ondersteunen bij het bieden van adequate opvang van asielzoekers, waaronder onder facilitaire voorzieningen en verwarming? Zo nee, waarom niet?
Eind 2016 heeft de Commissie voor de verbetering van de omstandigheden van migranten, waaronder «winterization»-maatregelen, € 52 miljoen tot en met 2017 beschikbaar gesteld. Op verzoek van Servië heeft de Commissie daarnaast een bedrag van € 3 miljoen extra beschikbaar gesteld voor voedsel en medische hulp aan vluchtelingen in de opvang. De Servische autoriteiten werken sinds afgelopen najaar nauw met UNHCR samen om de opvang winterbestendig te maken. UNHCR stelde in 2016 € 20 miljoen en € 11 miljoen voor 2017 beschikbaar. Oude opvanglocaties zijn of worden gerenoveerd en er worden diverse tijdelijke nieuwe opvangplekken opgezet. De Commissie en UNHCR houden de situatie in de opvanglocaties in Servië nauwlettend in de gaten. Nederland draagt naar rato bij aan de fondsen die de Commissie en UNHCR beschikbaar stellen voor Servië. Hoewel er een aantal officiële opvangplekken beschikbaar en aangeboden is, kiest een groot aantal migranten er voor om daar geen gebruik van te maken en veelal te verblijven in het centrum van Belgrado. Een kleine groep verkiest te verblijven in onofficiële kampen in de buurt van de Servisch-Hongaarse grens.
Kunt u bevestigen dat daadwerkelijk geen asielzoekers meer in tenten verblijven op de Griekse eilanden? Zo nee, bent u bereid bij de Griekse overheid ter zake informatie te verzoeken?
Op de Griekse eilanden verblijven nog migranten in tenten. De Griekse autoriteiten, ondersteund door de Commissie, UNHCR en ngo’s, zoeken naar alternatieve accommodaties. Zo zijn op verschillende eilanden met name kwetsbare migranten ondergebracht in appartementen en hotels, worden er verwarmde woonunits geplaatst en worden tenten geïsoleerd, voorzien van verwarming of vervangen door wintertenten. In dit kader zijn 130 kwetsbare migranten, met name families met kinderen die in tenten verbleven, door UNHCR in samenwerking met de lokale ngo Iliaktida tijdelijk in hotels ondergebracht. Ruim 200 migranten zijn ondergebracht in opvangfaciliteit Kara Tepe, waarvan de opvangcapaciteit in de komende weken verder wordt uitgebreid. Ook proberen de Griekse autoriteiten en UNHCR migranten die behoren tot een kwetsbare groep, en daarmee in aanmerking komen voor transfer naar het vasteland, sneller naar het vasteland over te brengen. Hiernaast heeft de Griekse overheid een marineschip naar Lesbos gestuurd met capaciteit voor 300 personen, al heeft daar tot dusver slechts een beperkt aantal migranten gebruik van willen maken. Dergelijke winterse weersomstandigheden op de eilanden zijn overigens uitzonderlijk.
Wat is uw reactie op het feit dat de Griekse Minister van asiel heeft aangegeven dat er 700 alleenstaande kinderen in de Griekse opvang zitten die reeds recht hebben op herplaatsing, maar dat daarvan nog maar 200 kinderen door de EU-lidstaten zijn herplaatst?
In haar achtste voortgangsrapportage over herplaatsing, heeft de Europese Commissie een overzicht gegeven van het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) in Griekenland dat in aanmerking komt voor herplaatsing.2 Blijkens dit rapport waren nog niet alle amv’s die in beeld zijn van de Griekse autoriteiten, volledig geregistreerd met het oog op de herplaatsing. Dat moet gebeuren zodat de herplaatsing kan plaatsvinden. Daarnaast constateert het kabinet dat er wel een toegenomen bereidheid is onder lidstaten om amv’s te herplaatsen. Evenwel blijkt uit de eigen Nederlandse ervaring dat, wanneer Nederland overplaatsing van amv’s aanbiedt en daartoe dossiers aanvraagt, het aanleveren van dossiers van amv’s door de Griekse autoriteiten in de praktijk soms achterwege blijft. Dat heeft het kabinet ook toegelicht in zijn brief van 29 november 2016. Kortom, er zijn aan beide zijden inspanningen nodig om de herplaatsing van amv’s vlot te laten verlopen.
Wat is de gemiddelde termijn tussen het aanmerken van een asielzoeker als beschikbaar voor herplaatsing totdat feitelijk overgegaan wordt tot herplaatsing? Acht u deze termijn adequaat gelet op de winterse omstandigheden in Griekenland?
In de Raadsbesluiten3 van 14 en 22 september 2015 is het uitgangspunt vastgelegd dat lidstaten in beginsel beschikken over een maximale termijn van twee maanden om de herplaatsing te realiseren. Onder bepaalde omstandigheden kan deze termijn van twee maanden met twee of vier weken worden verlengd. Deze termijn van twee maanden start op het moment dat een lidstaat te kennen heeft gegeven hoeveel asielzoekers, die in aanmerking komen voor herplaatsing, kunnen worden ontvangen. Krachtens de Raadsbesluiten moeten lidstaten immers op gezette tijden meedelen hoeveel verzoekers snel op hun grondgebied kunnen worden herplaatst. Deze termijn is vaak ook nodig om een zorgvuldige herplaatsing te kunnen realiseren. Het kabinet vindt het belangrijk dat lidstaten, net als Nederland, deze maximale termijn respecteren, met uitzondering uiteraard van die situaties waarin de omstandigheden (bijvoorbeeld objectieve praktische belemmering) een verlenging toelaten. Wat betreft de termijn ten opzicht van de winterse omstandigheden, vindt het kabinet dat de focus moet liggen op het snel winterbestendig maken van de opvang.
Wat is het actuele aantal voor herplaatsing beschikbare asielzoekers in Griekenland? Hoeveel daarvan zullen naar Nederland worden herplaatst?
Het kabinet verwijst naar de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Voortman van 21 december jl. waarin uitgebreid is ingegaan op de werking van EU-afspraken over het herplaatsen van migranten uit Griekenland.4
Bent u bereid het Nederlandse aandeel aan het herplaatsingsmechanisme sneller beschikbaar te maken, gezien de omstandigheden in de Griekse opvang? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de opvangfaciliteiten voor asielzoekers in Griekenland er structureel op ingericht zijn deze mensen een onderkomen te bieden dat hen beschermt tegen de winterkou. Dit is waar op korte termijn in geïnvesteerd moet worden. Daarnaast merkt het kabinet op dat, gelet op de uitgangspunten van de EU-Turkije Verklaring van 18 maart 2016, de asielzoekers op de eilanden in beginsel niet in aanmerking komen voor herplaatsing.
Kunt u bevestigen dat de door u eerder gekozen benadering van de verdeelsleutel in plaats van de afgesproken getallen als leidraad bij de herplaatsing uit Griekenland en Italië, bij het groter worden van het aantal voor herplaatsing beschikbare asielzoekers in Griekenland en Italië de bijdrage van Nederland groter zal worden? Zo nee, kunt u toelichten waarom dit niet het geval is?
Dat klopt, tot aan de maximum aantallen die in de betreffende Raadsbesluiten zijn neergelegd.
Slechte beveiliging van ziekenhuiswebsites |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Ziekenhuizen beveiligen hun sites niet goed»1 en «Deel websites ziekenhuizen slecht beveiligd»?2
Ja
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat 35% van de ziekenhuizen uit het onderzoek van Women in Cybersecurity geen beveiligde internetverbinding hebben, nog eens een kwart van de ziekenhuizen een verouderdere internetverbinding heeft en patiëntgegevens hierdoor gemakkelijk in verkeerde handen kunnen vallen?
Ik herken het beeld dat Women in Cybersecurity schetst, namelijk dat er verbetering nodig is op het terrein van informatiebeveiliging in de zorg. Het bewustzijn in ziekenhuizen over de omgang en verwerking van privacygevoelige gegevens is de afgelopen jaren toegenomen, zo concludeert het onderzoek van PBLQ3, dat ik in december aan uw Kamer stuurde. Tegelijkertijd lijkt het bewustzijn nog niet bij iedereen in dezelfde mate aanwezig en dat is onwenselijk. De vertrouwelijkheid van medische informatie en de vertrouwelijke omgang met persoonsgegevens in de gezondheidszorg is essentieel en is een kernwaarde voor zowel patiënten als zorgaanbieders. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verplicht het nemen van passende technische en organisatorische maatregelen waarbij het beveiligingsniveau passend moet zijn bij de aard van de te beschermen gegevens. In de gezondheidszorg zijn de NEN 7510, NEN 7512 en NEN 7513 de normen om dit beveiligingsniveau te bereiken.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet hierop toe en kan zo nodig handhavend optreden. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ziet toe op de naleving van relevante wet- en regelgeving op het gebied van informatiebeveiliging in de zorg, voor zover die raakt aan kwaliteit en veiligheid van zorg.
Informatiebeveiliging en privacybescherming zijn in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder zelf. Op grond van de Wbp is degene die het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt, verantwoordelijk voor de verwerking. Dat betekent dat ziekenhuizen zelf zorg dienen te dragen voor passende technische en organisatorische maatregelen op hun websites. Het versleutelen van het informatieverkeer via een beveiligde (https-) verbinding is een voorbeeld van een dergelijke maatregel. De verplichte NEN-normen voor informatiebeveiliging besteden ook aandacht aan dit type passende maatregelen en het uitvoeren van een risicoanalyse. Voor iedere website en dienst zal de verantwoordelijke organisatie een risicoafweging moeten maken om te bepalen of een beveiligde verbinding nodig is. De AP ziet hierop toe.
Ik heb naar aanleiding van onder meer het PBLQ-onderzoek toegezegd dat ik ernaar streef dit voorjaar samen met de sector met een «Actieplan (informatie)beveiliging patiëntgegevens» te komen om de privacybescherming en informatiebeveiliging in het ziekenhuis en GGZ-domein te verbeteren. Ik zal het uitwisselen van patiëntgegevens via onbeveiligde verbindingen en websites en de awareness daarover, daarin als aandachtspunt meenemen.
Zijn bij u gevallen van datalekken bij ziekenhuizen bekend met als oorzaak het versturen van gegevens via een onbeveiligde internetverbinding? Zo ja, om hoeveel datalekken gaat het?
Meldingen worden bij de AP gedaan. Het is mij niet bekend of hierover meldingen zijn gedaan.
Deelt u de mening dat de reacties van ziekenhuizen op het onderzoek van Women in Cybersecurity (zoals «we hadden nog geen versleuteling toen onze site ontstond» en «bij de nieuwe site die binnenkort «live» gaat, is dit probleem opgelost») in schril contrast staan tot de verplichting om te zorgen voor goede beveiliging van websites als bezoekers gevraagd wordt om bijzondere persoonlijke gegevens, zoals iemands gezondheid?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat ziekenhuizen zich onvoldoende bewust lijken van de risico’s die het versturen van patiëntgegevens via een onbeveiligde internetverbinding met zich meebrengen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Zijn alle ziekenhuizen actief geïnformeerd over deze risico’s? Zo nee, bent u bereid de ziekenhuizen op zeer korte termijn te informeren over deze risico’s? Zijn alle ziekenhuizen op de hoogte van de richtlijnen voor het veiliger ontwikkelen, beheren en aanbieden van webapplicaties, zoals de ICT-Beveiligingsrichtlijnen voor Webapplicaties van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC)?3 Zijn ziekenhuizen verplicht zich aan deze richtlijnen te houden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid ziekenhuizen nogmaals op deze richtlijn te wijzen?
Zoals verwoord in mijn vorige antwoord zijn informatiebeveiliging en privacybescherming de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder zelf. Het wettelijk kader, de Wbp, stelt dat ziekenhuizen passende maatregelen moeten nemen daar waar sprake is van verwerkingen van persoonsgegevens. Voor de zorg gelden de NEN 7510, 7512, 7513 normen, die ook als passende normen voor informatiebeveiliging, waaronder netwerkbeveiliging, worden gezien. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 zien de AP en de IGZ hierop toe.
Daarnaast kunnen ziekenhuizen kennis nemen van de door het NCSC publiekelijk gepubliceerde adviezen en kennisdocumenten, zoals de ICT-beveiligingsrichtlijnen voor webapplicaties. Of de open standaarden voor beveiligde berichtuitwisseling op het web, die Forum Standaardisatie heeft opgenomen in de lijst met »pas toe of leg uit»-standaarden. Er zijn afspraken gemaakt voor implementatie hiervan in het DigiD-domein en voor de rijksoverheid. Deze richtlijnen zijn niet verplicht voor de zorg, maar de zorg kan deze natuurlijk wel implementeren. Het aantoonbaar voldoen aan generieke richtlijnen kan een onderbouwing geven voor de vraag of al dan niet passende maatregelen zijn genomen.
Bij het opstellen van het «Actieplan (informatie)beveiliging patiëntgegevens» om de privacybescherming en informatiebeveiliging in het ziekenhuis en GGZ-domein te verbeteren, zal ik het uitwisselen van gegevens via onbeveiligde verbindingen en websites en de awareness daarover als aandachtspunt meenemen.
Bent u voornemens aanvullende verplichte regels/richtlijnen op te stellen die ziekenhuizen moeten volgen, om zo dergelijke datalekken te voorkomen? Zo ja, door wie zal controle op deze regels/richtlijnen uitgevoerd worden? Hoort een onafhankelijke responsible disclosure daar ook bij?
Uit het onderzoek dat de ik onlangs heb laten uitvoeren komt geen indicatie naar voren dat verdere aanvulling van wet- en regelgeving voor informatiebeveiliging en privacybescherming in zorginstellingen noodzakelijk is. Uit de interviews en enquêtes bij het onderzoek blijkt wel dat er behoefte is aan het begrijpelijker maken van de huidige en komende wet- en regelgeving en het vertalen ervan naar concrete handvatten voor de praktijk.
Het inrichten van een responsible disclosure beleid is een eigen afweging van een zorginstelling. Het kabinet en in het bijzonder het Ministerie van Veiligheid en Justitie stimuleren in den brede dat organisaties een responsible disclosure-beleid inrichten en uitvoeren. Wanneer een organisatie geen responsible disclosure beleid heeft ingericht of geen gehoor geeft aan de melding kunnen meldingen gedaan worden bij het NCSC5. Het NCSC zal met de betrokken partijen contact opnemen en indien nodig de rol van intermediair op zich nemen. Ook bij de AP kunnen meldingen gedaan worden wanneer partijen van mening zijn dat er sprake is van een inbreuk op de Wbp. In de nabije toekomst zullen meldingen van kwetsbaarheden in het kader van responsible disclosure ook gemeld kunnen worden bij het Computer Emergency en Response Team voor de zorg «Z-cert», dat nu opgericht wordt en waaraan ik een financiële bijdrage lever om tegemoet te komen in de aanloopverliezen bij de start van de organisatie.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen dat er aan een oplossing wordt gewerkt en dat het binnen vier jaar mogelijk is om veilig online gegevens in te zien en afspraken te maken? Deelt u de mening dat, zeker wanneer persoonlijke gegevens van patiënten op straat kunnen komen te liggen, datalekken zo snel mogelijk gedicht moeten worden en dat vier jaar een onredelijk lange termijn is om dit probleem op te lossen? Zo ja, hoe gaat u waarborgen dat de beveiliging van ziekenhuiswebsites zo snel mogelijk op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het nu al voldoen aan het wettelijk kader rondom privacybescherming en informatiebeveiliging staat los van de ambitie van ziekenhuizen, zoals afgesproken in het Informatieberaad, om over vier jaar meer zorggegevens voor patiënten online te kunnen ontsluiten of het voor de patiënt mogelijk te maken om bij meer zorgpartijen afspraken online te kunnen maken en wijzigen. Zowel nu als dan moeten zorgpartijen, op basis van de Wbp, er voor zorgen dat de privacybescherming en informatiebeveiliging op orde zijn. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 zien de AP en de IGZ hierop toe.
Op welke termijn verwacht u dat alle ziekenhuizen de beveiliging van hun internetverbinding en de verzending van patiëntgegevens op orde hebben? Heeft dit tot gevolg dat patiëntgegevens tot die tijd onveilig worden verzonden? Zo ja, wat gaat u er in de tussentijd aan doen om datalekken van patiëntgegevens te voorkomen?
Ik verwacht dat ziekenhuizen met de uitvoering van het Actieplan (informatie)beveiliging patiëntgegevens de privacybescherming en informatiebeveiliging (waaronder beveiliging van de websites) verder zullen verbeteren. Uitzicht op de termijn waarbinnen deze maatregelen zijn geïmplementeerd is afhankelijk van de inzet van de ziekenhuizen zelf. Ik verwacht dat elk ziekenhuis daarin de eigen verantwoordelijkheid neemt.
Sinds 1 januari 2016 geldt de meldplicht datalekken, die organisaties verplicht om datalekken te melden. Het is aan de AP om vervolgens toe te zien dat in reactie op een datalek passende maatregelen worden genomen.
Deelt u de mening dat de 110 miljoen euro die beschikbaar is gesteld om de beveiliging van ziekenhuiswebsites te verbeteren een ICT-project betreft, getoetst dient te worden door het Bureau ICT Toetsing en op het Rijks ICT-dashboard geplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb voor de komende drie jaar € 35 mln. per jaar beschikbaar gesteld, zodat patiënten binnen drie jaar op een veilige en gestandaardiseerde manier over hun medische gegevens kunnen beschikken en deze kunnen inzetten voor zelfzorg of om met andere medische professionals te delen. Dit is vastgelegd in de subsidieregeling6 «Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (VIPP)», waar ziekenhuizen resultaatsverplichtingen moeten halen om de subsidie te verkrijgen. Het VIPP-programma valt in die hoedanigheid buiten scope van het Bureau ICT-Toetsing en hoeft ook niet op het Rijks ICT-dashboard geplaatst te worden. Bij de resultaatsverplichtingen is opgenomen dat er bij het uitwisselen van persoonsgegevens gebruik gemaakt moet worden van veilige authenticatiemiddelen, van een adequaat hoog betrouwbaarheidsniveau. De digitale gegevensuitwisseling die gerealiseerd wordt moet vanzelfsprekend aan de wettelijke kaders rondom privacybescherming en gegevensuitwisseling voldoen.
Zijn er naar aanleiding van het eerdere onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) «ICT in de zorg»4 al acties ondernomen om de beveiliging van patiëntgegevens bij ziekenhuizen in het algemeen te verbeteren? Zo ja, wanneer en welke acties zijn dit? Zo nee, waarom niet?
Ik heb u naar aanleiding van het rapport van PBLQ over beveiliging van patiëntgegevens en het rapport van RIVM (in opdracht van de IGZ) «ICT in de zorg» toegezegd dit voorjaar met een «Actieplan (informatie)beveiliging patiëntgegevens» te komen om de privacybescherming en informatiebeveiliging in het ziekenhuis en GGZ-domein te verbeteren.
De compensatie van emissierechten |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de compensatie van emissierechten?1
Ja.
Klopt het dat van de opbrengst van de verkoop van emissierechten (320 miljoen euro) ongeveer een kwart (89 miljoen euro) weer wordt uitgekeerd aan bedrijven?
De opbrengst van de veiling van emissierechten, inclusief de opbrengst van de rechten die gemoeid zijn met de luchtvaart, bedroeg in 2014 en 2015 samen ruim 318 miljoen euro. In diezelfde jaren is ruim 84 miljoen euro subsidie uitgekeerd in het kader van de subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS. Deze subsidie-uitgaven zijn echter budgettair losgekoppeld van de inkomsten uit de veiling van emissierechten.
Klopt het dat dit bedrag van 89 miljoen euro terecht komt bij bedrijven, die toch al gratis emissierechten hebben ontvangen?
In het Energieakkoord is afgesproken dat de rijksoverheid compensatie geeft voor de indirecte emissiekosten van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) en hiervoor voor de periode 2013 tot en met 2020 budget beschikbaar stelt. De subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS compenseert bedrijven die hogere elektriciteitskosten hebben door emissiehandel. Europese elektriciteitsproducenten zijn namelijk onder het ETS verplicht om voor hun CO2-uitstoot emissierechten aan te kopen en/of in te leveren. De kosten hiervan berekenen ze door in de elektriciteitstarieven. Ondernemingen die als gevolg hiervan te maken krijgen met hogere elektriciteitskosten kunnen de subsidie aanvragen. Het gaat dan om bedrijven die te maken hebben met concurrentie uit derde landen en zodoende een concurrentienadeel kunnen ondervinden. Het betreft hoofdzakelijk bedrijven die zelf ook al emissierechten moeten afdragen en/of aankopen omdat zij CO2 uitstoten. De benodigde rechten zullen zij (voor een deel) gratis ontvangen omdat zij blootgesteld zijn aan internationale concurrentie. Vijftien bedrijfstakken die door de Europese Commissie worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant «carbon leakage»-risico als gevolg van indirecte emissiekosten, komen in aanmerking voor compensatie. Dit zijn onder andere de producenten uit de aluminium-, staal-, kunstmest-, papier- en kunststoffensector.
Is op deze manier sprake van een dubbel voordeel voor deze bedrijven?
Nee. Het ETS zorgt ervoor dat CO2-uitstoot een prijs krijgt, waardoor er een prikkel ontstaat om minder CO2 uit te stoten. Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat de concurrentiepositie van de Europese industrie op een evenwichtige wijze beschermd wordt. De subsidieregeling dient als compensatie voor het concurrentienadeel dat ontstaat als gevolg van hogere elektriciteitskosten door het ETS. Dit staat los van de gratis rechten voor bedrijven die zelf CO2 uitstoten. Deze gratis rechten vormen compensatie voor het feit dat hun concurrenten buiten Europa geen CO2-beprijzing kennen.
Klopt het dat deze bedrijven hierdoor slechts een verzwakte prikkel hebben om minder CO2 uit te stoten?
Zoals uiteengezet in de voorgaande antwoorden heeft de subsidieregeling indirecte kosten ETS als doel om bedrijven die internationaal concurreren op evenwichtige wijze te compenseren voor de hogere elektriciteitskosten die zij hebben als gevolg van emissiehandel. De hoogte van de subsidie is vooral afhankelijk van de prijs van emissierechten binnen het ETS en is dus beperkt bij een relatief lage prijs van emissierechten. Nederland stelt als aanvullende eis dat de aanvragers moeten zijn aangesloten bij een energiebesparingsconvenant voor de industrie en in het jaar van aanvraag een goedgekeurde voortgangsverklaring in het kader van dat convenant kunnen overleggen.
Op die manier is er een extra prikkel voor energiebesparing en wordt de eventuele verzwakking van een prikkel om de uitstoot van CO2 te verminderen ingeperkt.
Klopt het dat deze prikkel ook sterk wordt verzwakt door een te lage prijs voor emissierechten?
De lage prijs van emissierechten stimuleert bedrijven in Europa nu nog onvoldoende tot het doen van de (langjarige) investeringen die noodzakelijk zijn voor een transitie naar een CO2-arme economie. Het kabinet onderschrijft dit en pleit daarom, zoals uiteengezet in de Energieagenda, voor een verdere versterking van het ETS.
Klopt het dat deze prijs ongeveer vijf euro per ton CO2 is, terwijl bij de start van het Emissions Tradings System (ETS) de richtprijs 30 euro per ton CO2 was?
Het is juist dat de CO2-prijs aanzienlijk lager is dan vooraf gedacht. In het ETS geldt echter geen specifieke richtprijs. Na een prijsniveau dat in 2008 33 euro bedroeg, is de prijs van emissierechten vanaf 2008 gedaald naar een prijsniveau dat de afgelopen jaren schommelt rond de 5 euro.
Klop het dat de lage prijs met name komt door het grote overschot van 2 miljard van deze CO2-emissierechten?
Ja, de laatste jaren is er een overschot aan emissierechten ontstaan door de geringere vraag ernaar als gevolg van de economische crisis. Ook het grotere aanbod van emissierechten door onder meer de groter dan verwachte inbreng van kredieten uit CO2-reductieprojecten in ontwikkelingslanden heeft aan het overschot bijgedragen. Daarnaast hebben de beleidsinspanningen van de Europese lidstaten voor uitrol van hernieuwbare energie en energiebesparing een drukkend effect hebben op de vraag naar emissierechten.
Nederland heeft reeds ingestemd met het nemen van maatregelen die het ETS versterken door de stabiliteit van de prijsontwikkeling te vergroten. Zo zijn er door «backloading» tijdelijk minder emissierechten op de markt gebracht en komen er door het instellen van de markstabiliteitsreserve vanaf 2019 minder emissierechten op de markt als er sprake is van een overschot. Deze rechten komen terug op de markt als het overschot voldoende is gedaald.
Nederland is voorstander van verdere versterking van het ETS. Belangrijke elementen van het voorstel van de Europese Commissie voor herziening van de ETS-richtlijn die bijdragen aan de prijsvorming zijn het aanscherpen van het ETS-plafond naar 2,2% vanaf 2021 en het afschaffen van de mogelijkheid voor bedrijven om na 2020 nog rechten buiten de EU te gebruiken.
Zoals onlangs uiteengezet in de Energieagenda, stelt Nederland dat vanwege het belang van sturen op CO2 en een geleidelijke transitie er meer nodig is. Nederland zet daarom in op een verdere versterking van het ETS, bijvoorbeeld door het aanscherpen van het ETS-plafond met meer dan 2,2% per jaar of door op Europees niveau een deel van het overschot van rechten uit de markt te halen.
Kunt u overwegen om te bevorderen dat de European Central Bank (ECB), naast bedrijfs- en staatsobligaties zoals nu, ook deze CO2-emissierechten kan gaan opkopen, zodat de prijs hiervan kan gaan stijgen? Klopt het dat dit niet strijdig is met de strekking van art. 123 van het Europees Verdrag?
De ECB is onafhankelijk en mag geen instructies vragen of accepteren van nationale overheden. Ik kan de ECB dus niet aansporen om effecten te kopen of de samenstelling van aankopen aan te passen.
De doelstelling van de ECB is prijsstabiliteit, gedefinieerd als een inflatie op de middellange termijn van onder maar dichtbij 2%. De ECB koopt momenteel onder meer bedrijfs- en staatsobligaties op om aan deze doelstelling te voldoen (monetaire verruiming). Het doel van deze opkopen is om de rente te verlagen, om zo kredietverlening in de private sector te stimuleren en daarmee het inflatieniveau in het eurogebied dichterbij de doelstelling van de ECB te brengen. Het beter laten functioneren van het ETS valt niet onder deze doelstellingen.
Bovendien betaalt een emissierecht, in tegenstelling tot een obligatie, niet een hoofdsom uit na het verstrijken van de looptijd. De ECB zou derhalve het geïnvesteerde bedrag niet terug krijgen, hetgeen tot een verlies zou leiden op de aankoop ter grootte van de aankoopsom.
In het aangehaalde artikel 123 wordt monetaire financiering verboden en wordt niet gesproken over het opkopen van emissierechten.
Klopt het dat daardoor twee vliegen in één klap geslagen kunnen worden, namelijk de door de ECB gewenste monetaire verruiming én de re-animering van het ETS?
Zoals hiervoor aangegeven past het opkopen van emissierechten niet binnen het opkoopbeleid van de ECB. Versterking van het ETS loopt via de onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de ETS-richtlijn voor de periode van 2021–2030. Zoals aangegeven, is de inzet van Nederland om via maatregelen gericht op de hoeveelheid emissierechten tot verdere versterking van het ETS te komen.
Een regeling waarbij leenbijstand, die voor 1 januari 2017 omgezet is in een gift, niet langer leidt tot terugvordering van toeslagen en het (nog) niet uitvoeren van de motie Groot/Omtzigt in deze |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Ed Groot (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich de problematiek van het «papieren inkomen», namelijk zelfstandigen die leenbijstand krijgen, die in een later jaar in een gift wordt omgezet en in dat jaar meetelt bij het inkomen?
De Bbz-problematiek van het «papieren inkomen» als gevolg van de omzetting van leenbijstand en haar gevolgen voor de toeslagen zijn mij bekend, evenals de tijd die verstreken is bij het vinden van een oplossing.
Op 5 juli jl. heb ik de Kamer een brief5 gestuurd en daarin een oplossing aangereikt, eindheffing. Met ingang van 1 januari 2017 is deze eindheffing van toepassing. De vaste commissie voor Financiën heeft in haar vergadering van 13 juli jl. aanvullende vragen6 gesteld naar aanleiding van de brief. In de antwoorden heb ik aangegeven dat de mogelijkheid om de te kiezen oplossing met terugwerkende kracht in werking te laten treden ofwel compensatie voor oude gevallen te geven er niet is. Terugwerkende kracht zou er toe leiden dat achteraf reeds vastgestelde belastbare inkomens moeten worden gecorrigeerd.
Dit zou een onbeheersbaar proces opleveren resulterend in een stroom van fouten. Dat geldt ook voor de doorwerking van een dergelijke correctie naar de voor dat jaar toepasselijke inkomensafhankelijke regelingen.
Vervolgens is de motie Groot/Omtzigt ingediend (34 552, nr. 57). In deze motie is mij nogmaals gevraagd een maatwerkoplossing te vinden voor mensen die toeslagen moeten terugbetalen als gevolg van de leenbijstand die voor 1 januari 2017 is omgezet in een gift. De motie lijkt breder te moeten worden uitgelegd dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Het lid Omtzigt voegt namelijk toe dat het niet alleen gaat om mensen die in de schuldsanering (Wsnp) beland zijn, maar om alle mensen die toeslag moeten terugbetalen.
Ik heb in de vergadering van 16 november 2016 aangegeven dat ik er nog één keer naar zou kijken zonder een garantie voor een oplossing. Het verzoek was zwaarwegend; ik ben daarom met een «blanco vel» begonnen, om te bezien of er, mogelijk langs een andere weg, een meer aanvaardbare oplossing te vinden was.
Er is een aantal varianten onderzocht. Ik heb bekeken of de verschillende varianten zowel vanuit de toeslagontvanger als de Belastingdienst, praktisch uitvoerbaar zijn en juridisch houdbaar. Daar ben ik niet van overtuigd geraakt.
Ik licht dat toe.
Beginnend bij de burger die een aanvraag voor compensatie in wil dienen. Hij krijgt te maken met een niet eenvoudig proces, want er moeten bewijsstukken worden overlegd waaruit blijkt a. dat in zijn geval sprake is geweest van een omzetting van leenbijstand in een gift en b. wat de omvang van het fiscale inkomen is dat hieruit is voortgevloeid en c. of op andere wijze al sprake is geweest van compensatie (bijvoorbeeld omdat de gemeente reeds individuele bijzondere bijstand heeft verleend voor de toeslagschuld). Dat is ingewikkeld. Hoe verder terug in de tijd hoe problematischer dit voor de burger kan worden.
Daarnaast speelt de uitvoeringscomplexiteit bij de Belastingdienst. Het betreft een handmatig en dus foutgevoeliger proces. Aan de hand van de aangeleverde bewijsstukken moet worden vastgesteld welk deel van het eerder vastgestelde recht op toeslag c.q. welk deel van de nog openstaande toeslagschuld betrekking heeft op de omzetting van leenbijstand in een gift.
In de motie wordt gevraagd om mensen met een toeslagschuld te compenseren. Dit betekent dat er bij het verstrekken van compensatie een verschil wordt gemaakt tussen mensen die hun schuld al hebben betaald en mensen die nog een schuld hebben. Dit leidt tot ontoelaatbare rechtsongelijkheid. Beide groepen burgers hadden een papieren inkomen waardoor een toeslagschuld ontstond. De ene groep heeft deze schuld al afgelost en komt daardoor niet meer in aanmerking voor een compensatie. De groep die de toeslagschuld (nog) niet afgelost heeft, komt wel voor deze compensatie in aanmerking. Dit appelleert slecht aan het rechtsgevoel.
Dit geldt ook, of zelfs in een nog sterkere mate, als de te compenseren groep nog verder zou worden beperkt tot de groep die kan aantonen dat zij als gevolg van de omzetting van de leenbijstand in een gift in een schuldsanering terecht zijn gekomen. Nog afgezien van het feit dat er geen budgettaire dekking is voor een dergelijke compensatie en de bijbehorende uitvoeringskosten, lijken mij deze compensatievarianten vanuit een oogpunt van gelijke behandeling niet acceptabel.
Gelet op vorenstaande is vervolgens onderzocht of het mogelijk is om alle Bbz-gerechtigden die nadeel hebben ondervonden van het papieren inkomen te compenseren, ongeacht of zij nog een toeslagschuld hebben openstaan.
In de meest verstrekkende vorm zou dan teruggegaan kunnen worden tot het moment dat de toeslagen zijn ingevoerd (in het jaar 2006). Dit zou ertoe leiden dat er in totaal zo’n 10.000 tot 15.000 mogelijke verzoeken moeten worden behandeld (1.000–1.500 per jaar). Hiermee zou een budgettair effect van naar schatting € 50 miljoen aan programmageld (€ 5 miljoen per jaar) gemoeid zijn en € 6 miljoen aan uitvoeringskosten (€ 0,6 miljoen per jaar). Hiervoor is geen budgettaire dekking.
Gedacht zou kunnen worden om de compensatie voor alle Bbz-gerechtigden dan nog in de tijd te beperken tot bijvoorbeeld de jaren 2015 en 2016 (aanhakend bij het jaar waarin de toezegging aan de Nationale ombudsman is gedaan te zoeken naar een structurele oplossing). Echter, ook daarvoor is geen budgettaire dekking. De kosten van deze variant bedragen zo’n € 10 miljoen programmageld en € 1,2 miljoen uitvoeringskosten. Bovendien is ook deze variant juridisch risicovol vanuit een oogpunt van gelijke behandeling, omdat de begrenzing tot de jaren 2015 en 2016 niet een duidelijke objectieve afbakeningsgrond heeft. Hoewel ik de wens van uw Kamer begrijp, zie ik gelet op het vorenstaande, dan ook geen mogelijkheden om tot een juridisch goed verdedigbare en tevens betaalbare maatwerkoplossing te komen en uw motie uit te voeren.
Toch wil ik benadrukken, zoals ik al in mijn brief van 5 juli jl. heb gedaan, dat de Belastingdienst/Toeslagen de mogelijkheid van een betalingsregeling in maximaal 24 termijnen biedt. Indien het niet mogelijk is om aan deze regeling te voldoen is het ook mogelijk een lager bedrag te betalen. Hiertoe kan een persoonlijke betalingsregeling worden aangevraagd op basis van de beschikbare betalingscapaciteit. Mocht er een restbedrag overblijven dan wordt er niet verder bemoeilijkt.
Tot slot, u vraagt mij of de relatief hoge eindheffing over bijstandsinkomen tot problemen of klachten bij gemeentes leidt. Daarover heb ik tot op heden geen signalen ontvangen.
Beseft u dat mensen met een relatief laag inkomen (soms vlak boven het bijstandsniveau) hierdoor alle toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag) moeten terugbetalen?
Zie antwoord vraag 1.
Beseft u dat velen van deze mensen op een effectief inkomen uitkomen dat ver onder het bijstandsniveau uitkomt, terwijl zij juist gedaan hebben wat de overheid wilde, namelijk ondernemen om in eigen onderhoud te voorzien?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Nationale ombudsman in 2014 hierover aan de bel trok bij u beiden en u verzocht binnen drie weken een structurele oplossing te treffen?1
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Nationale ombudsman u in overweging gaf om ook voor bestaande gevallen een regeling te treffen?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat het kabinet pas acht maanden later, in juli 2015, reageerde en wel zonder oplossing?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich ook dat u ondertussen alle verzoeken tot toepassing van de hardheidsclausule afwees?2
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Kamer bleef aandringen op een oplossing en dat er pas sinds 1 januari 2017 een oplossing is, namelijk dat de omzetting van leenbijstand in een gift onder de eindheffing gebracht is?3
Zie antwoord vraag 1.
Leidt de relatief hoge eindheffing over bijstandsinkomen tot problemen of klachten bij gemeentes?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de motie Groot/Omtzigt u verzocht om voor 31 december 2016 een regeling te treffen voor bestaande gevallen, zoals de Nationale ombudsman u jaren geleden al verzocht heeft?4
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een voorstel tot zo'n regeling binnen een week aan de Kamer doen toekomen, samen met uw antwoorden op deze vragen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat een hoogbejaard echtpaar na 70 jaar, door hun zorgsituatie, tegen hun wil in, gedwongen niet meer samenwoont |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Na 70 jaar apart slapen. Zorg dwingt hoogbejaard echtpaar tot latrelatie»?1
Ja.
Wat is er overgebleven van uw toezeggingen dat oudere echtparen nooit gescheiden zullen worden als gevolg van hun zorgbehoefte en altijd samen moet kunnen blijven?
Ik vind het belangrijk dat echtparen samen kunnen blijven wonen, ook als één van de partners moet worden opgenomen in een zorginstelling. Daarom heb ik in de Wet langdurige zorg (Wlz) expliciet geregeld dat als één van beide echtgenoten een geldige indicatie heeft voor opname in een instelling, de niet-geïndiceerde partner in dezelfde instelling kan worden opgenomen zonder zelf over een indicatie te beschikken. Het zorgkantoor heeft een inspanningsverplichting om bij de wens tot partneropname te bemiddelen naar een passende plek. Of echtparen uiteindelijk ook kiezen voor partneropname hangt uiteraard ook af van de mogelijkheden bij zorginstellingen en de situatie van de betrokken cliënten. Het komt voor dat partners besluiten, na het afwegen van de mogelijkheden, geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot partneropname bijvoorbeeld omdat het geboden zorgklimaat voor de echtgenoot onvoldoende aansluit bij de wensen en behoeften van de partner.
Naar aanleiding van het debat met de Kamer over dit onderwerp in 2014 heb ik toegezegd dat ik met zorgkantoren zal bespreken op welke wijze cliënten beter kunnen worden geïnformeerd over hun rechten en mogelijkheden ten aanzien van de partneropname. Zorgkantoren hebben naar aanleiding van deze bespreking toegezegd dat zij de informatie over het samen kunnen wonen van echtparen zullen actualiseren op hun websites. Ook is afgesproken dat dit onderwerp onderdeel wordt van de jaarlijkse gesprekken met zorgorganisaties met als doel het bewaken van voldoende capaciteit, het verkrijgen van inzicht in vraag en aanbod en het voorkomen dat een verzoek tot partneropname niet kan worden gerealiseerd. Nog niet alle zorgkantoren hebben dit gedaan. Ik zal er op toezien dat men dit zo spoedig mogelijk doet.
Deelt u de mening dat het een beschaafd land niet past om een echtpaar dat al 70 jaar samen is, vanwege de nodige zorg voor één van de twee, in de nadagen van hun leven te scheiden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze nog steeds verliefde echtelieden weer wel elke dag samen kunnen slapen?
De mogelijkheid voor echtgenoten om samen in een instelling te gaan wonen, ook als één van beiden geen indicatie heeft, is wettelijk geregeld. Wat deze specifieke casus betreft, hebben medewerkers van het Ministerie van VWS contact gehad met de desbetreffende zorginstelling. De mogelijkheid tot partneropname is op het moment van opname van mevrouw aan het echtpaar aangeboden. Men wilde hiervan op dat moment geen gebruik maken. De woonwensen van het echtpaar zijn inmiddels zijn veranderd en ik heb begrepen dat de zorginstelling, het echtpaar en de familie met elkaar in gesprek zijn over de mogelijkheden. Het echtpaar heeft een drietal voorkeursopties aangegeven waar zij samen willen wonen binnen de zorginstelling. Gezamenlijk wordt bezien welke van deze opties het beste kunnen worden gerealiseerd op een manier die en past bij de wensen van het echtpaar en bij de indicatie van mevrouw. Ik heb er vertrouwen in dat er voor dit echtpaar op korte termijn een bevredigende oplossing beschikbaar is waardoor zij weer elke dag samen kunnen zijn.
Het bericht “DHL: overheid dwingt ons tot aannemen zelfstandige bezorgers” |
|
John Kerstens (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «DHL: overheid dwingt ons tot aannemen zelfstandige bezorgers»?1
Ja.
Constaterende dat DHL stelt dat het liefst vaste mensen in dienst heeft vanwege de kwaliteit, de uitstraling, de trainbaarheid van mensen en de betrokkenheid bij het bedrijf, deelt u de mening dat vaste medewerkers meer bieden op deze factoren? Wat vindt u van de stelling dat zelfstandigen vooral ongeschikt zijn voor productiewerk?
Het kabinet kan zich voorstellen dat de genoemde factoren eerder door vaste medewerkers dan door zelfstandigen aangeboden kunnen worden. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat elk bedrijf het beste zelf kan inschatten in hoeverre werknemers of zelfstandigen meer bieden op die factoren.
Waar bezorgers een vrije keuze ervaren tussen de ene of de andere vormgeving van de arbeidsrelatie, en deze in overeenstemming is met wet- en regelgeving, is het niet aan de overheid om ze de ene of de andere kant op te dwingen. Ik vind het wel een zorgelijke ontwikkeling als steeds meer werknemers worden vervangen door zelfstandigen, wanneer deze zelfstandigen in een afhankelijke positie verkeren en zich gedwongen zien om een steeds lagere beloning te accepteren. Dat is dan ook een belangrijke reden voor de Wet DBA die gericht is op het tegengaan van schijnzelfstandigheid.
Wat vindt u ervan dat DHL het gevoel heeft te worden gedwongen om meer met flexkrachten te werken, terwijl DHL dat eigenlijk niet wil? Welke maatregelen zijn er genomen om de prikkel tussen enerzijds vaste werknemers en anderzijds flexkrachten en zzp’ers kleiner te maken, en welke maatregelen zullen nog worden genomen?
Elk bedrijf heeft de vrijheid om te bepalen op welke wijze de arbeidsrelaties van dat bedrijf worden vormgegeven. Wel is het kabinet van mening dat voorkomen dient te worden dat keuzes worden gedreven door verschillen in instituties (werknemer en zzp’er) in plaats van door gezamenlijke wensen van werkenden en werk- en opdrachtgevers. Als het gaat om het verkleinen van de verschillen tussen vaste en flexibele werknemers zijn met de Wet werk en zekerheid verschillende maatregelen genomen om de verschillen te verkleinen. Zo is onder meer het wettelijke regime dat geldt voor tijdelijke- en oproepcontracten aangescherpt en heeft een ieder (zowel vaste als tijdelijke werknemers) bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar dienstverband recht op een transitievergoeding die lager is dan de vergoeding die de rechter voorheen toekende bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst en veelal alleen voorbehouden was aan vaste werknemers.
Als het gaat om het verkleinen van het kostenverschil tussen werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt en zzp’ers merk ik op dat met ingang van 2017 dit verschil voor werknemers die tot 125% van het WML verdienen met de invoering van het lage inkomensvoordeel (LIV) fors is verkleind. Voor werknemers met een loon tussen 100% en 110% van het wettelijk minimumloon (WML) krijgt een werkgever 2.000 euro per jaar (bij 38 of meer gewerkte uren gemiddeld per week), voor werknemers met een loon tussen 110% en 125% WML 1.000 euro. Voor deeltijders (minimaal 24 uur gemiddeld per week) krijgt de werkgever LIV naar rato.
Hoe wordt voorkomen dat het uitstel van de handhaving van de wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (wet DBA) ertoe leidt dat de prikkel om met zelfstandigen te werken wordt vergroot in sectoren waarin dat ongewenst is, zoals de postsector?
Vraag 4 gaat er van uit dat het in bepaalde sectoren ongewenst zou zijn om met zelfstandigen te werken. Die mening deelt het kabinet niet. Zolang sprake is van echte zelfstandigheid en er dus feitelijk buiten dienstbetrekking wordt gewerkt, is er (ongeacht de sector) geen aanleiding om die zelfstandigheid als ongewenst aan te merken. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, dienen keuzes gebaseerd te worden op gezamenlijke wensen van werkenden en werk- en opdrachtgevers in plaats van verschillen tussen de instituties.
De handhaving van de Wet DBA is opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2018, tenzij sprake is van kwaadwillenden. In de tussentijd wordt verkend wat de mogelijkheden zijn om te komen tot een herijking van de criteria die gelden voor het aannemen van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Verder wijs ik in dit verband op de invoering van het LIV waar ik bij het antwoord op vraag 3 ben ingegaan, welke maatregel het in dienst nemen van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan bevorderen.
Wat gaat u doen tegen schijnzelfstandigheid in de postsector? Wat gaat u doen om goedwillende werkgevers zoals DHL te beschermen tegen werkgevers die oneerlijke concurrentie bedrijven door te werken met fiscale constructies en constructies met schijnzelfstandigen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat het werken met zelfstandigen 20 procent goedkoper kan uitpakken dan werknemers in een vast dienstverband? Deelt u de mening dat dit verschil bijdraagt aan de race naar de bodem als het gaat om arbeidsvoorwaarden? Zo nee, waarom niet?
In bijgaande figuur is een vergelijking gemaakt van de belasting- en premiedruk tussen zelfstandigen en werknemers bij vergelijkbaar netto inkomen. Een dergelijke vergelijking van de belasting- en premiedruk is lastig, omdat zzp’ers en werknemers niet zonder meer vergelijkbaar zijn, gelet op onder meer de verschillende functies van hun inkomen, het verschil in risicoprofiel en in de (collectieve) verzekeringspositie.
Deze vergelijking is eerder gemaakt in het kader van het IBO ZZP.2 Toen is de vergelijking voor de situatie in 2015 weergegeven in figuur 3.33 van dat rapport (zie bijlage 4 bij het IBO ZZP voor de verantwoording). In de in het IBO ZZP opgenomen figuur is het verschil in belasting- en premiedruk tussen de 24% en 43%, afhankelijk van het inkomensniveau, wanneer de aanname gemaakt wordt dat een zzp’er reserveringen maakt voor pensioen, ziekte, arbeidsongeschiktheid en leegloop. Wanneer aangenomen wordt dat een zzp’er deze reserveringen niet (geheel) maakt, is het verschil flink groter. In de kabinetsreactie4 op het IBO ZZP heeft het kabinet geconstateerd dat de verschillen in regelgeving het voor werkenden relatief interessant maken om als zzp'er te werken en voor werkgevers of opdrachtgevers om werk door een zzp'er uit te laten voeren.
In het kader van de parlementaire behandeling van de Miljoenennota 2017 is uw Kamer een geactualiseerde versie van die figuur gezonden.5 De hierna in deze antwoordenset opgenomen figuur is opnieuw geactualiseerd op basis van de laatst bekende cijfers. Zoals hiervoor bij het antwoord op vraag 3 is aangegeven is met de introductie van het LIV dit verschil voor werknemers tot 125% WML fors verkleind, wat bijdraagt aan het voorkomen van een race to the bottom waar door de vragenstellers op wordt gedoeld. Dit is in de figuur te zien door de relatief geringe extra loonkosten voor werknemers op het minimumniveau.
De aanstaande Midden-Oosten-conferentie in Parijs |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Israeli diplomats campaigning to deflate Paris summit»?1
Ja.
Is ook Nederland benaderd door Israël om geen deel te nemen aan de Midden-Oosten-conferentie in Parijs? En bent u bereid om gehoor te geven aan dit verzoek? Graag een toelichting.
Israël heeft Nederland in een gesprek tussen de National Security Council en de Nederlandse ambassadeur in Tel Aviv verzocht niet op ministerieel niveau deel te nemen aan de conferentie in Parijs.
In hoeverre begrijpt u dat Israël zich zorgen maakt over het hedendaagse anti-Israëlische sentiment en de mogelijkheid dat er tijdens de conferentie voorbereidingen worden getroffen voor een nieuwe VN-resolutie die gericht is tegen Israëlisch binnenlands beleid?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft deelgenomen aan de conferentie in Parijs op 15 januari a.s. en heeft daar gepleit voor het behoud van de levensvatbaarheid van de twee-statenoplossing, conform het kabinetsbeleid ten aanzien van het Midden-Oosten vredesproces. Tevens heeft het kabinet beide partijen opgeroepen hun commitment aan de twee-statenoplossing te herbevestigen. Ook in het slotcommuniqué van de conferentie staat de twee-statenoplossing centraal. Tijdens de conferentie zijn geen voorbereidingen getroffen voor een VN-resolutie.
Op basis van het internationaal recht hebben achtereenvolgende Nederlandse kabinetten het standpunt ingenomen dat de gebieden die Israël in juni 1967 onder zijn bestuur bracht niet tot zijn grondgebied behoren. Nederzettingen zijn strijdig met internationaal recht en lopen vooruit op eventuele wijzigingen van de grenzen van 1967. Het nederzettingenbeleid betreft daarom geen Israëlisch binnenlands beleid.
Wilt u, mocht Nederland wel aanwezig zijn tijdens de conferentie, zich uitspreken tegen of onthouden van steun aan verdere stappen die gericht zijn tegen Israëlisch binnenlands beleid?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen vóór de conferentie van 15 januari te beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
De forse toename van wachttijden in ziekenhuizen en poliklinieken |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u van het onderzoek van Mediquest waaruit blijkt dat de wachttijden in ziekenhuizen en poliklinieken van 2014 tot en met 2016 fors zijn toegenomen?1 Wat zijn volgens u de oorzaken van de groei van de wachtlijsten?
De NRC baseert zich in het bericht op analyses van Mediquest over de gemiddelde ontwikkeling van de wachttijden voor polikliniekbezoek in de periode 2014 tot en met 2016. De Mediquest analyses laten zien dat de gemiddelde wachttijd is toegenomen van 2,95 weken in 2014 tot 3,52 weken in 2016. De gemiddelde wachttijd voor de polikliniek ligt daarmee onder de Treeknorm. De Treeknorm is de door de branchepartijen uit de sector zelf vastgestelde norm waarbinnen wachten aanvaardbaar is. Mediquest heeft geen onderzoek gedaan naar mogelijke oorzaken van de oplopende wachttijden.
Uit de meest recente cijfers van de NZa blijkt dat de wachttijd voor de polikliniek bij sommige specialismen waaronder allergologie, kaakchirurgie, oogheelkunde en maag-, darm en leverziekten (MDL) in 2016 zijn toegenomen ten opzichte van 2015 en de Treeknorm overschrijden. De gemiddelde wachttijd voor bezoek aan de polikliniek blijft onder de Treeknorm. Aan de wachttijd kan ook een logische verklaring ten grondslag liggen. Zo is de toename van de wachttijd voor MDL te verklaren door het bevolkingsonderzoek darmkankerscreening dat in 2014 gestart is.
Dat de gemiddelde wachttijd onder de Treeknorm ligt komt overeen met de resultaten van de marktscans van de NZa naar wachttijden die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de wachttijden in de medisch-specialistische zorg in de afgelopen jaren fors lager zijn dan vóór de invoering van de Zorgverzekeringswet. De laatste marktscan van de NZa van eind 2015 laat ook zien dat de wachttijden voor de polikliniek bij het overgrote deel van de specialismen binnen de Treeknorm blijven. In de periode tussen 2010 en 2013 zijn de wachttijden voor de polikliniek die de Treeknorm overschrijden sterk afgenomen en daarna stabiel gebleven3. In de periode 2005–2007 constateerde de NZa al een afname van de wachttijden.4 In de jaren 1997 tot 2000 waren de wachttijden voor orthopedie bijvoorbeeld meer dan 12 weken5. Momenteel liggen de wachttijden hiervoor onder de Treeknorm van 4 weken. Ook uit verschillende internationale vergelijkingen waaronder de OECD uit 20166 en de Euro Health Consumer Index 20167 blijkt dat Nederland op het terrein van toegankelijkheid erg goed scoort.
De NZa zal een update geven van de cijfers rond wachttijdontwikkeling in de Marktscan Medisch Specialistische zorg die naar verwachting in het eerste kwartaal van 2017 wordt gepubliceerd. De NZa onderzoekt daarnaast in hoeverre lange(re) wachttijden problematisch zijn voor burgers en daadwerkelijk leiden tot het niet naleven van de zorgplicht door zorgverzekeraars. Dit onderzoek loopt momenteel nog en de verwachting is dat het onderzoek in het tweede kwartaal van 2017 wordt afgerond.
Overigens is in de berichtgeving over de Mediquest analyse sprake van gemiddelde wachttijden. Voor de patiënt is vooral de specifieke wachttijd per regio relevant die tussen instellingen en specialismen sterk kan verschillen. Dat bij een specifiek specialisme sprake is van een (te) lange wachttijd wil niet zeggen dat de patiënt niet op tijd geholpen kan worden. In laatste NZa-marktscan medisch specialistische zorg wordt ook aangegeven dat de reistijd voor patiënten die binnen de Treeknorm geholpen willen worden alleen in enkele regio’s toenemen en dat die extra reistijd zeer beperkt is.
Indien sprake is van een wachtlijst is het belangrijk dat een patiënt dit meldt bij zijn zorgverzekeraar. Deze is verplicht via wachtlijstbemiddeling te zorgen voor een aanbieder met een korte wachttijd. Volgens de NZa wordt hiervan beperkt gebruik gemaakt. Patiënten met acute zorgvragen kunnen overigens altijd direct bij een zorgaanbieder terecht.
De NZa verplicht instellingen om hun wachttijden te publiceren zodat patiënten deze informatie kunnen laten meewegen in hun keuze voor een zorgaanbieder. Daar waar de NZa signalen kreeg dat (te) lange wachttijden leidden tot problemen voor de patiënt, heeft de NZa direct actie ondernomen. De NZa heeft de betreffende zorgverzekeraars gewezen op hun zorgplicht. De zorgverzekeraars hadden overigens zelf ook al actie ondernomen. De NZa zal waar nodig handhavend optreden.
De afgelopen vijf jaar is bij het beschikbaar stellen van opleidingsplaatsen voor artsen het maximumadvies van het capaciteitsorgaan gehanteerd en soms zelfs meer dan dat maximum, bijvoorbeeld bij MDL, waar momenteel hogere wachttijden zijn door het bevolkingsonderzoek. Deze artsen ronden de komende jaren hun opleiding af en dragen bij aan de toename van de capaciteit wat bijdraagt aan een kortere wachttijd.
Hoe verhoudt het onderzoek van Mediquest zich tot uw uitspraak dat er geen sprake is van een structureel probleem ten aanzien van de wachtlijsten bij ziekenhuizen?2 Erkent u dat u uw standpunt moet herzien, aangezien het onderzoek van Mediquest aantoont dat wachtlijsten wel degelijk een structureel probleem zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het wenselijk dat het verschil in wachttijd tussen ziekenhuizen van een week naar twee weken is toegenomen vanwege concurrentie, spreiding en teruglopende investeringen door ziekenhuizen, zoals blijkt uit het Mediquest onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat de trend van toenemende wachtlijsten bij ziekenhuizen en poliklinieken inherent is aan het huidige zorgstelsel, waarbij de opgelegde budgetten en omzetplafonds door zorgverzekeraars onherroepelijk leiden tot wachtlijsten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het met de Algemene Rekenkamer eens dat de hoofdlijnenakkoorden enkel een financieel budgetinstrument zijn geweest, zonder dat zij via zorgvernieuwing hebben geleid tot verplaatsing van medisch specialistische zorg naar de eerste lijn, het voorkomen van heropnames, verspilling en overbehandeling? Waarom heeft het inhoudelijke gedeelte gefaald? Kunt u aangeven wat uw inzet is geweest op de inhoudelijke paragrafen van de akkoorden3?
Expliciet onderdeel van het hoofdlijnenakkoord is dat de volumebeperking niet leidt tot wachtlijsten. Uit eerdere Marktscans van de NZa is dan ook gebleken dat over het algemeen de wachttijden binnen de Treeknorm blijven. In de marktscans van de NZa worden uitzonderingen toegelicht.
Met betrekking tot de hoofdlijnenakkoorden was vanaf het begin de insteek dat inhoudelijke afspraken voor kwaliteitsverbetering moesten zorgen en een bijdrage zouden leveren aan de financiële afspraken over een lagere uitgavengroei. Het is mede aan de inhoudelijke agenda te danken dat de bestuurlijke akkoorden een succes zijn. In mijn reactie10 op het rapport van de Algemene Rekenkamer ga ik nader in op de wijze waarop ik aankijk tegen de financiële en inhoudelijke afspraken in de bestuurlijke akkoorden.
Bent u het tevens met de Algemene Rekenkamer eens dat met het voortzetten van de hoofdlijnenakkoorden zonder inhoudelijke afspraken, er wachtlijsten zullen ontstaan?4 Zijn wij inmiddels al in die fase aanbeland?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de analyse dat als enerzijds uit recent onderzoek van Arcadis blijkt dat bijna 40% van de ziekenhuizen te veel geld uitgeeft aan huisvesting en anderzijds blijkt dat de wachtlijsten bij ziekenhuizen fors gestegen zijn, het beschikbare geld verkeerd verdeeld en beheerd wordt en niet goed terechtkomt?5
Zie mijn antwoorden op vraag 1 tot en met 3. Het is aan de ziekenhuizen zelf om binnen hun instelling de beschikbare middelen op een doelmatige en effectieve wijze in te zetten waarbij rekening gehouden wordt met de patiënt en afspraken die met de zorgverzekeraar zijn gemaakt. De uitgaven aan huisvesting zijn na het loslaten van de vergunning veel efficiënter geworden, zie hiervoor mijn antwoorden op vragen van 29 maart 2016 over stijging van kapitaallasten van ziekenhuizen12 waarin wordt verwezen naar het rapport «Bouw en Diversiteit van Wonen»13 van Plexus en BKB.
Kunt u verklaren wanneer uit het onderzoek van Mediquest blijkt dat er sprake is van een structureel probleem met wachtlijsten, alsmede dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) constateert dat er een probleem is met extreme wachtlijsten in 17 ziekenhuizen – oplopend tot een jaar –, de NZa tevens constateert dat er géén probleem is met de invulling van de zorgplicht door de zorgverzekeraars?6
Zoals ik eerder aangaf is de spreiding tussen ziekenhuizen en specialismen erg groot en kunnen patiënten in de regel terecht bij een aanbieder met een korte wachttijd. Zo is het aanbod van zelfstandige klinieken sterk toegenomen. Hier kunnen patiënten vaak ook terecht voor een poliklinische behandeling. Zelfstandige klinieken hebben over het algemeen een kortere wachttijd, maar de wachttijden van zelfstandige klinieken zijn volgens Mediquest slechts beperkt meegenomen in de berekening van de gemiddelden die in de media zijn gebruikt. In het rapport van de NZa waar u naar verwijst staat ook dat de verzekeraars bij de NZa verbeterplannen voor die specifieke sector hebben ingediend.
Kunt u aangeven wanneer de NZa wél tot de constatering zou komen dat de zorgplicht door zorgverzekeraars met voeten getreden wordt?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het een trend is dat u ontkent dat er problemen zijn met wachtlijsten of wachttijden, net als in de geestelijke gezondheidszorg het geval was, maar dat er ondertussen wel patiënten in de kou staan met ernstige gevolgen van dien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorgaanbieders zijn verplicht de actuele wachttijden te melden op hun website. Transparantie over wachttijden is nodig voor de patiënt om een keuze te kunnen maken voor een zorgaanbieder, voor de huisarts als verwijzer en de zorgverzekeraar als bemiddelaar. De NZa ziet erop toe dat de regeling waarin de verplichting is vastgelegd, wordt nageleefd. Toegankelijkheid van zorg is een onderdeel van de zorgplicht waar de NZa op toeziet. Het is aan de NZa om als toezichthouder te oordelen of de toegankelijkheid van zorg in gevaar komt. De NZa rapporten laten ter zake een genuanceerd beeld zien dat niet overeenkomt met de forse stellingname in deze vragen.
Erkent u dat de belofte dat marktwerking een einde zou maken aan wachtlijsten niet ingelost wordt? Vindt u ook dat door het werken met omzetplafonds de zorgverzekeraar de kosten eenzijdig kan beheersen, maar tegelijkertijd het aanbod verstoort en de patiënt onnodig opzadelt met wachtlijsten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat transparantie over wachtlijsten noodzakelijk is? Op welke wijze garandeert u dat iedereen in Nederland binnen de Treeknormen geholpen wordt?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht “Gemeente profiteert van gedraal Plasterk” |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
Kent u het artikel «gemeente profiteert van gedraal Plasterk»?1
Ja.
Erkent u dat door het heffen van precariobelasting op de ondergrond «... gemeentebesturen de kosten van voorzieningen, die alleen de inwoners van de gemeente ten goede komen, grotendeels kunnen afwentelen op mensen die níet in die gemeente wonen ...» zoals in het artikel valt te lezen?
Het effect dat inwoners van een gemeente meebetalen aan de precariobelasting die door een andere gemeente aan netbeheerders wordt opgelegd, is een belangrijke reden voor het beperken van de heffingsbevoegdheid ten aanzien van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut. Het wetsvoorstel hiertoe wordt binnenkort in de Tweede Kamer behandeld.
Bent u het eens met de kwalificering dat deze vorm van belasting «omstreden» is?
Sinds 2004 leeft in de Tweede Kamer de wens om de precariobelasting op nutsnetwerken te beperken. Ook het kabinet is van mening dat afschaffing wenselijk is, ondermeer gelet op het bovengenoemde effect.
Is het waar dat u precariobelasting op de ondergrond «ondoorzichtig en ondemocratisch» heeft genoemd, zoals in dit artikel wordt gesteld? Is dit een correct citaat?
De aan mij toegeschreven woorden betreffen geen citaat, maar een parafrase. Het indirecte karakter van de precariobelasting op nutsnetwerken vertroebelt naar mijn mening de democratische afweging die de heffing van belastingen dient te legitimeren.
Wat vindt u ervan dat het aantal gemeenten dat deze vorm van belasting heft de laatste jaren flink is toegenomen, van 90 gemeenten in 2015 naar 160 gemeenten in 2016?
Gemeenten mogen op basis van de huidige wetgeving besluiten tot invoering van de precariobelasting op nutsnetwerken. Zoals ook uiteengezet in het nader rapport,2 is juist de stijging van het aantal gemeenten dat de precariobelasting de afgelopen jaren heeft ingevoerd reden geweest om ondanks het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om te wachten op een grotere herziening van het lokale belastinggebied, het bovengenoemde wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in te dienen. Overigens is het niet zo dat 70 nieuwe gemeenten in 2016 de precariobelasting hebben ingevoerd. Waarschijnlijk worden hiermee de gemeenten bedoeld die alsnog onder de gewijzigde overgangsregeling vallen.3
Hoeveel gemeenten heffen per 1 januari 2017 precariobelasting op ondergrondse leidingen en kabels? Kunt u op dit aantal reflecteren?
Per 1 januari 2017 hebben circa 175 gemeenten een verordening op basis waarvan zij precariobelasting op nutsnetwerken kunnen heffen. Het is mij niet bekend of deze gemeenten voornemens zijn om daadwerkelijk precariobelasting te heffen in 2017. Er zijn namelijk gemeenten die wel de precariobelasting hebben ingevoerd, maar niet overgaan tot heffing.
Kunt u vervolgens ook reflecteren op de opmerking van Netbeheer Nederland dat burgers en bedrijven de komende 10 jaar € 1,3 mrd. extra betalen aan deze onzichtbare belasting «... omdat Plasterk draalt met de afschaffing ervan», zoals in het artikel valt te lezen?
Door de verruiming van het voorgestelde overgangsrecht, komen er ongeveer 70 gemeenten extra voor de overgangsregeling in aanmerking. Het is niet zeker welk bedrag aan precario hiermee samenhangt. De schatting van Netbeheer Nederland lijkt te zien op het geval dat alle gemeenten, die alsnog onder de verruimde overgangsregeling vallen, tot 1 januari 2027 de nutsnetwerken in hun gemeenten volledig zullen belasten. Er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat dit niet het geval zal zijn. Gemeenten die nu geen uitvoering geven aan hun verordening kunnen ook de komende jaren er voor kiezen dit niet doen. Ook kunnen gemeenten al vóór 2027 beginnen met het afbouwen van de precariobelasting door het tarief te verlagen of te stoppen met heffen. Bovendien kan bij een herziening van het lokaal belastinggebied de overgangsregeling worden heroverwogen.
Is het waar dat meer burgers de dupe zullen worden van deze omstreden vorm van belasting eenvoudigweg omdat u in december van 2016 een «plotselinge draai heeft gemaakt», zoals in het artikel valt te lezen, doordat u de overgangsregeling heeft versoepeld van 2015 naar 2016 waardoor 70 extra gemeenten deze omstreden belasting nog 10 jaar lang mogen heffen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre mogen volgens u gemeenten, gelet op de voorgeschiedenis van jarenlang dralen, daarnaast zelf ook de dupe worden van beleid dat door het Rijk wordt bepaald? In hoeverre is het volgens u billijk dat het Rijk beleid opstelt dat vervolgens enkel financiële consequenties heeft voor de lagere overheden, zónder dat daar een passende compensatie tegenover wordt gesteld?
De termijn van tien jaar biedt gemeenten voldoende tijd om de financiële gevolgen van de afschaffing van precariobelasting op nutsnetwerken op te vangen in de begroting. Een eventuele verhoging van het gemeentefonds ter compensatie van het afschaffen van de precariobelasting op nutsnetwerken is daarom niet aan de orde.
Bent u bereid om in dit kader het gemeentefonds passend te verhogen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
De door een farmaceutisch bedrijf opgezette website ‘Dokter Jaap’ dat huisartsen benadert om erectiepillen voor te schrijven |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de website «Dokter Jaap» dat mede is opgezet door Pharma Ventures en producent van erectiepillen Eli Lilly, huisartsen benadert om erectiepillen voor te schrijven aan mannen die hun gegevens hebben achtergelaten op de site?1
Voor geneesmiddelenreclame en voor het voorschrijven, ter hand stellen en te koop aanbieden van geneesmiddelen gelden vanuit de Geneesmiddelenwet strenge regels. Ik vind het heel belangrijk dat aan deze wet- en regelgeving wordt voldaan. De IGZ heeft mij laten weten dat zij de website en de werkwijze van de betrokken partijen onderzoekt. Indien niet aan wet- en regelgeving wordt voldaan kan de IGZ handhavend optreden.
Vindt u het acceptabel dat Pharma Ventures en Eli Lilly via deze U-bochtconstructie receptgeneesmiddelen rechtstreeks aan de man proberen te brengen? Zo nee, hoe gaat u dit voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Handelen Pharma Ventures en Eli Lilly met het rechtstreeks benaderen van huisartsen in strijd met de geldende wet- en regelgeving of gedragscodes voor onder andere geneesmiddelen-reclame? Is hier sprake van symptoomreclame vergelijkbaar met de casus van Eli Lilly uit 2009 met betrekking tot de website om kinderen aan ADHD medicatie te helpen?2
Zie antwoord vraag 1.
Onderschrijft u de mening van de geciteerde huisarts dat het onacceptabel is dat een producent van pillen zich rechtstreeks bemoeit met het voorschrijven ervan? Zo ja, hoe gaat u hiertegen optreden?
Het is altijd aan de huisarts om te bepalen welke behandeling deze kiest voor een patiënt en of deze wel of niet geneesmiddelen voorschrijft.
Wat is uw reactie op het feit dat Dokter Jaap zeer privacygevoelige medische gegevens, onbeveiligd verzendt via de mail? Erkent u dat deze gegevens waardevol kunnen zijn voor mensen met verkeerde bedoelingen?
De regels voor de omgang met en de beveiliging van persoonsgegevens zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens (zoals gegevens omtrent de gezondheid) stelt de Wbp extra zware eisen. Betrokkene dient voor de verwerking van zijn gezondheidsgegevens uitdrukkelijke toestemming te geven. In zijn algemeenheid geldt dat verwerking van gezondheidsgegevens zonder uitdrukkelijke toestemming in strijd is met de Wbp.3 Deze toestemming moet een vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting zijn. Ik heb begrepen dat de AP de betreffende artikelen van de Wbp die over toestemming gaan4 altijd zo heeft geïnterpreteerd, dat een betrokkene die (vrijwillig, dus zonder dwang) een (web)formulier invult, daarmee toestemming geeft voor het (voorzienbaar en gerechtvaardigd) verwerken van de gegevens op dit formulier.
Wat betreft beveiliging bepaalt de Wbp dat er passende technische en organisatorische maatregelen moeten worden genomen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.5 De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens is door Pharma Ventures gemeld bij de AP.
Ik heb de AP geïnformeerd over het artikel betreffende dokterjaap.nl in het Dagblad van het Noorden en onderhavige Kamervragen. Zij bepaalt als onafhankelijk toezichthouder zelf of zij verder onderzoek noodzakelijk acht.
Voor zover sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst zijn de regels van het medisch beroepsgeheim van toepassing. Dit betekent dat de hulpverlener de gegevens van de betrokkene alleen aan een derde (huisarts) mag verstrekken als de betrokkene daarvoor zijn toestemming geeft. Uit de website van Dokter Jaap kan worden afgeleid dat de betrokkene een dergelijke toestemming moet geven.
Handelt Dokter Jaap en daarmee ook Pharma Ventures en Eli Lilly, in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) of het medisch beroepsgeheim? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of andere toezichthouders al klachten ontvangen over Dokter Jaap of soortgelijke websites? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Het is mij onbekend of de AP klachten heeft ontvangen. De IGZ heeft geen meldingen over de website ontvangen.
Heeft u zicht op de mate waarin Dokter Jaap huisartsen benadert en op wat voor manier dit van invloed is op het voorschrijfgedrag? Bent u bereid dit te nader laten onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen zicht op de mate waarin huisartsen worden benaderd en of dat invloed heeft op het voorschrijfgedrag. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vragen 1, 2 en 3 doet de IGZ onderzoek naar de werkwijze van de betrokken partijen.
Zijn er nog meer websites die (mede) zijn opgericht door de farmaceutische industrie die op soortgelijke wijze hun pillen aan de man proberen te brengen? Zo ja, hoe gaat u die aanpakken?
Mij zijn geen andere websites bekend.
Bent u bereid de AP of andere toezichthouders waaronder de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) of de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan te sporen handhavend op treden tegen Dokter Jaap en soortgelijke websites? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 3 en mijn antwoord op vraag 5 en 6.
Het bericht dat bijstandsgerechtigden moeten werken zonder loon, zonder arbeidsrechten, zonder cao of baangarantie voor hun uitkering |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bijstandsgerechtigden moeten werken zonder loon, zonder arbeidsrechten, zonder cao of baangarantie ter bekostiging van hun uitkering?1
Gemeenten hebben een grote mate van beleidsvrijheid wat betreft vorm en inhoud van het re-integratiebeleid om maatwerk te kunnen leveren dat werkzoekenden de meeste kans biedt op betaald werk. Indien een gemeente uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid biedt om te werken met behoud van uitkering, dan is de gemeente door de Participatiewet verplicht om bij verordening vast te leggen hoe dit is vormgegeven.
De uitgangspunten en wettelijke kaders zijn helder: verdringing van regulier werk op grond van oneerlijke concurrentie moet worden vermeden. In onder meer mijn eerdere brief van 19 juni 2015 (Kamerstukken TK 29 544, nr 624) heb ik de kaders uiteen gezet. Het moet bijvoorbeeld bijdragen aan de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling en er moet sprake zijn van een beperkte periode. Aan een mogelijke stimuleringspremie bovenop de uitkering worden in de Participatiewet grenzen gesteld aan de maximale omvang per kalenderjaar.
Volgens informatie van verschillende gemeenten die samenwerken met Flextensie, kiezen bijstandgerechtigden ervoor om vrijwillig hieraan deel te nemen. Een overweging voor hen is dat zij door het uitvoeren van werkzaamheden, ervaring opdoen als werknemer en daarmee hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Aan uitkeringsgerechtigden wordt volgens Flextensie door de gemeente ook gevraagd welk werk ze wel of niet willen doen. Dit is van belang omdat het instrument alleen werkt wanneer de uitkeringsgerechtigde een intrinsieke motivatie heeft om de gevraagde werkzaamheden met behoud van uitkering te willen verrichten.
Gemeenten maken zelf de beleidsafweging voor welke doelgroep zij Flextensie in willen zetten. Een groot deel richt zich daarbij op de mensen met een langere werkloosheidsduur. Volgens Flextensie hadden geplaatste kandidaten een gemiddelde uitkeringsduur van 2 jaar en 9 maanden.
Hoeveel verdienen Flextensie Nederland en gemeenten aan de inzet van bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt? Wat voor werk wordt verricht, bij welke bedrijven?
Exacte bedragen zijn niet te noemen omdat deze afhangen van het (uur)tarief van de opdrachtgever en de premie aan de uitkeringsgerechtigde die de gemeente in de verordening heeft vastgelegd. Gemeenten kennen aan de uitkeringsgerechtigde een premie toe bovenop de uitkering die is gerelateerd aan het aantal uren dat zij via Flextensie actief zijn geweest. Deze (stimulerings)premie mag worden vrijgelaten op de uitkering, mits voldaan wordt aan de daarvoor in de Participatiewet vastgelegde criteria (artikel 31 lid 2 sub j).
Het is mij niet bekend wat voor werk wordt verricht en bij welke bedrijven.
Is er volgens u sprake van werknemerschap? En zo ja, acht u de uitzend-cao van toepassing op deze werknemers? Zo nee, waarom niet?
Er is in deze constructie geen sprake van loon bij een werkgever, maar van werken met behoud van uitkering bij een opdrachtgever. Om mogelijke verdringing van werknemers te voorkomen wordt een marktconform tarief in rekening gebracht aan de opdrachtgever van werkzaamheden die door de bijstandsgerechtigde worden uitgevoerd, zo geeft Flextensie aan.
Klopt het dat Flextensie in 2014 maandenlang overleg heeft gehad met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Welke regels zijn door u opgesteld voor toepassing van de Flextensie-methode en gemeenten? Waar dienen bedrijven zich aan te houden?
Flextensie heeft, om te borgen dat het instrument paste binnen de geldende wet- en regelgeving vanuit de Participatiewet in 2014, bij mijn ministerie geïnformeerd naar de kaders in de Participatiewet omtrent werken met behoud van uitkering en bijverdienen. De wettelijke kaders zijn daarop toegelicht. Er zijn geen afspraken gemaakt, omdat de uitvoering van het instrument te allen tijde binnen de daarvoor geldende kaders van de Participatiewet moet plaatsvinden.
Kunt u verdringing van betaalde arbeid met een cao alsmede uitbuiting van bijstandsgerechtigden uitsluiten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Uit de informatie van enkele gemeenten en Flextensie komt naar voren dat zij gezamenlijk verschillende maatregelen hebben genomen om verdringing te voorkomen. Enerzijds is dit de tijdelijke inzet van het instrument: de maximale termijn is beperkt tot enkele maanden. Gemeenten hanteren hierbij verschillende grenzen: van 3 tot 6 maanden. Anderzijds moet de opdrachtgever voor de inzet via Flextensie een marktconform tarief betalen. Dit is tenminste het wettelijk minimumloon inclusief werkgeverslasten, maar gemeenten moeten dit tarief aanpassen wanneer voor de gevraagde werkzaamheden een hoger cao-loon van toepassing is. In artikel 7, lid 9 van de Participatiewet wordt artikel 5 Wsw van toepassing verklaard. Artikel 5 Wsw regelt dat bij werken met behoud van uitkering concurrentieverhoudingen niet mogen worden verstoord, er moet een marktconforme prijs voor worden betaald.
De verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering van de wet ligt bij de gemeenten. Het is de taak van de gemeenteraad om toe te zien op een rechtmatige uitvoering van het gemeentelijke beleid. Ik laat mij nader informeren over de wijze waarop gemeenten invulling geven aan dit instrument en onder welke condities dit instrument wordt toegepast. Ik zal u over de uitkomsten informeren.