Het bericht dat ‘geheime’ wetten de EU nog minder democratisch maken |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Hoe «geheime» wetten de EU nog minder democratisch maken»?1
Ja.
Beaamt u dat er binnen de Europese Unie een trend zichtbaar is wat betreft het verkorten van het wetgevingsproces middels het overslaan van een tweede lezing?
Het is juist dat er meer besluitvorming plaatsvindt in de eerste lezing dan in de tweede lezing. Ik onderschrijf hiermee overigens niet de stelling dat hierdoor het besluitvormingsproces standaard wordt verkort. De tweede lezing kan worden gebruikt indien in de eerste lezing geen overeenstemming wordt bereikt conform de procedure van artikel 294 EU-werkingsverdrag.
In hoeverre onderschrijft u dat het overslaan van een tweede lezing de informatievoorziening over Europese wetgeving aan het bredere publiek inperkt? In hoeverre acht u dit een wenselijke situatie, ook gezien de toenemende onvrede over een Europa dat ver van de burgers staat?
Ik onderschrijf deze stelling niet. In het artikel wordt de aanname gedaan dat er sprake is van een slechtere informatievoorziening omdat het Europees parlement enkel in de tweede lezing, en niet in de eerste lezing, in het openbaar debatteert tijdens de plenaire debatten van het Europees parlement. Dit is een onjuiste aanname. Het Europees parlement debatteert zowel in de eerste lezing als in de tweede lezing in het openbaar. Daarnaast kan in de eerste lezing gebruik worden gemaakt van trilogen. Echter worden dergelijke overleggen ook in de tweede lezing gebruikt.
Deelt u de mening dat het feit dat besluitvorming over wetgeving in toenemende mate achter gesloten deuren plaatsvindt, de transparantie over de precieze achtergrond en totstandkoming van Europese wetgeving ernstig belemmert, en dat dit er uiteindelijk zelfs aan kan bijdragen dat de democratische legitimiteit van deze wetgeving wordt ondermijnd?
Ik kan niet op basis van dit artikel concluderen dat de wetgeving in toenemende mate achter gesloten deuren plaatsvindt. Om tot een gezamenlijk besluit te kunnen komen tussen de EU instellingen is het nodig om ook in beslotenheid te kunnen spreken. Dat laat onverlet dat Nederland wel mogelijkheden ziet in de verbetering van de transparantie rondom trilogen.
In de Raad van Algemene Zaken van 24 juni is daarom op basis van een Nederlands voorstel (extranet: 10120/1/16/REV 1) gesproken (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1642) over deze mogelijkheden.
Wilt u een plan ontwikkelen om in Europees verband concrete stappen te zetten om de gesignaleerde trend te keren en de democratische verantwoording omtrent Europese wetgeving te verbeteren, onder meer door in te zetten op transparante besluitvorming en open en volledige informatievoorziening aan burgers, journalisten, (nationale) politici en andere betrokkenen?
Al geruime tijd maakt het kabinet zich sterk voor de verbetering van de transparantie van het Europees besluitvormingsproces. Deze inzet gaat verder dan alleen de verbetering van de transparantie van trilogen. In de brief van 16 september 2016 (Kamerstuk 22 112, nr. 2205) is uw Kamer geïnformeerd over de bereikte resultaten op dit gebied tijdens het Nederlands EU voorzitterschap. Deze inzet blijft onverminderd van kracht.
Het weren van maatschappelijke organisaties door de Indiase overheid |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Vindt u het ook zeer zorgelijk dat de Indiase overheid maatschappelijke organisaties weert en/of tegenwerkt, waaronder Amnesty International, Greenpeace, Navsarjan Trust en Compassion, en al maandenlang de financiële tegoeden bevriest?1
Ja, dat vind ik zorgelijk. Een actief en levendig maatschappelijk middenveld is zeer belangrijk voor de duurzame sociale en economische ontwikkeling van een land.
Erkent u dat het wegvallen van de projecten van Compassion in India ernstige gevolgen heeft voor 145.000 kinderen die in extreme armoede leven? Bent u bereid om met Compassion Nederland in overleg te treden, aangezien de organisatie gedwongen is om half maart de steun stop te zetten?
Inmiddels hebben vertegenwoordigers van het ministerie contact opgenomen met Compassion Nederland. Op korte termijn vindt overleg plaats in Den Haag. De ambassade in New Delhi heeft op 3 februari de zaak aan de orde gesteld bij de Indiase autoriteiten.
Erkent u dat het stopzetten van de financiering aan Navsarjan Trust ernstige gevolgen heeft voor de bestrijding van kastendiscriminatie en de toegang tot onderwijs voor Dalit-kinderen?2
India telt meer dan drie miljoen maatschappelijke organisaties. Vele NGO’s zetten zich in voor de rechten van Dalits en (indirect) de bestrijding van kastendiscriminatie. Navsarjan Trust maakt deel uit van de paraplu organisatie «International Dalit Solidarity Network» (IDSN) en is één van de organisaties die zich inzet voor bovengenoemde rechten. Het stopzetten van de financiering van een NGO die zich voor deze rechten inzet is zeker te betreuren. Er zijn gelukkig nog vele andere organisaties actief om voor de positie van Dalits op te komen, inclusief voor de toegang tot onderwijs.
Erkent u dat India handelt in strijd met de internationale mensenrechten en dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging onder grote druk staan?
India kent een democratisch gekozen parlement, een democratisch gekozen regering en een onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast is er sprake van een levendig maatschappelijk middenveld. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Indiase Grondwet. Ook spelen diverse nationale media in India een belangrijke rol in maatschappelijke discussies en stellen zij misstanden aan de orde. Wetgeving kan niettemin mogelijk beperkend zijn voor de vrijheid van meningsuiting als de openbare orde in het geding komt. Een wet die de vrijheid van meningsuiting kan beperken is de Information Technology Act. Wetgeving kan in India door de rechter worden getoetst aan de Grondwet. Zo heeft het Hooggerechtshof in India in maart 2015 ingegrepen omdat zij van mening was dat Section 66A van de Information Technology Act onverenigbaar is met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals in de Grondwet is vastgelegd.
Bent u bereid om in overleg te gaan en druk te zetten op de Indiase overheid om deze maatregelen terug te draaien, in het bijzonder de zeer restrictieve Foreign Regulation and Contribution Act, zoals ook is geadviseerd door Marina Kiai, de Speciale VN Rapporteur voor Vrijheid van Vereniging en Vergadering?3
De Nederlandse overheid deelt de zorgen van VN-rapporteur Maina Kiai over de wet gericht op buitenlandse giften zoals beschreven in «Analysis on International Law, Standards and Principles applicable to the Foreign Contributions Regulation Act 2010 and Foreign Contributions Regulation Rules 2011». Deze wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert, kan beperkend werken voor de financiering van het maatschappelijk middenveld. Nederland heeft zich op verschillende niveaus in bilaterale contacten en in multilateraal verband ingespannen om aandacht te vragen voor deze situatie en zal dit onverminderd blijven doen. Zo werd de kwestie in New Delhi opgebracht door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in juni 2015, en op hoogambtelijk niveau in juni 2016. Naast het overleg dat hierover wordt gevoerd door de Ambassade in New Delhi zal Nederland ook tijdens de volgende bilaterale consultaties, thans voorzien in maart 2017, het onderwerp opbrengen bij de Indiase autoriteiten.
Ben u bovendien bereid aan te dringen bij de Europese Commissie op actie richting de Indiase overheid en ook zelf bij de Indiase overheid aan te dringen op het stopzetten van het bevriezen van tegoeden van onder meer Compassion en Navsarjan Trust?
Het kabinet zal in EU-verband aandacht vragen voor de beperkingen die maatschappelijke organisaties ondervinden van de Foreign Contributions Regulation Acten ondergeschikte regelgeving van de Indiase overheid. Als het gaat om onze bilaterale inspanningen wordt verwezen naar vraag 5.
Wilt u deze vragen met spoed beantwoorden gezien de nijpende situatie voor de organisaties?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De oprichting van een internationaal fonds voor abortussen |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Deelt u de mening dat in het beleid voor gezondheidszorg voor vrouwen en kinderen en voorlichting over gezinsplanning de nadruk moet liggen op het beschermen van het (ongeboren) kind en de moeder, het voorkomen van ongewenste zwangerschappen en zorg voor veilige geboorten? Zo ja, op welke manier wordt dit vormgegeven?
Uitgangspunt voor het Nederlandse beleid is het recht van mannen en vrouwen om over hun eigen lichaam te beschikken. Het beleid richt zich op zaken die cruciaal zijn om dit recht te kunnen realiseren:
Het doel is toegang te verbeteren tot goede voorlichting en dienstverlening op het gebied van voorbehoedsmiddelen, gezinsplanning, seksueel overdraagbare aandoeningen en zwangerschap en bevalling. Het beleid is er allereerst op gericht vrouwen en meisjes de mogelijkheden te geven ongeplande zwangerschappen te voorkomen en zwangerschappen veilig te doorlopen. Ook toegang en tot informatie over veilige abortus is een Nederlandse beleidsdoelstelling.
Gebrek aan toegang tot voorbehoedsmiddelen leidt tot ongeplande zwangerschappen2. Afname van beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen leidt tot toename van (onveilige) abortussen3. Toegang tot veilige abortus geeft vrouwen de mogelijkheid op veilige wijze te kunnen besluiten over hun eigen lichaam en leven. Een verbod op abortus leidt niet tot minder abortussen, maar tot clandestiene en onveilige abortussen4, die kunnen leiden tot moedersterfte of tot blijvende medische gevolgen voor moeder en/of kind.
Waarom richt uw initiatief voor een internationaal fonds zich hoofdzakelijk op abortussen, terwijl de zorg voor vrouwen en hun (ongeboren) kinderen en vrouwenhulp op de eerste plaats zouden moeten staan?1
Zoals beschreven in de brief aan Uw Kamer van 28 januari jl.6 over het She Decides: Global Fundraising Initiative, is dit initiatief gelanceerd om politieke en financiële steun te mobiliseren voor het recht van vrouwen en meisjes om vrij en zelfstandig te besluiten of zij kinderen willen, hoeveel, met wie en wanneer. Om hun de kans te geven daadwerkelijk baas te zijn over hun eigen lichaam, is toegang tot goede voorlichting en dienstverlening op het gebied van voorbehoedsmiddelen, gezinsplanning, seksueel overdraagbare aandoeningen en zwangerschap en bevalling essentieel. Toegang tot en informatie over veilige abortus valt binnen de focus van dit initiatief.
Waarom benoemt u niet ook de grote gevolgen die door het wegvallen van de Amerikaanse investeringen optreden voor de bestrijding van infectieziekten als malaria, hiv en aids? Bent u bereid uw collega’s in internationaal verband op te roepen om op deze terreinen actie te ondernemen?
Het besluit van de nieuwe Amerikaanse president tot herinvoering van de Mexico City Policy is zo geformuleerd dat de maatregel dit keer bredere uitwerking kan hebben dan onder eerdere Amerikaanse presidenten. Hoe de maatregel zal worden uitgevoerd en de mogelijke impact daarvan voor andere dan seksuele en reproductieve gezondheidszorg is nog niet duidelijk. Dit wordt nauwgezet gevolgd door het kabinet en hierover wordt contact gehouden met internationale partners.
Hoe groot is de beoogde bijdrage van de Nederlandse overheid en op welke manier wordt dit bedrag gedekt binnen een krimpende begroting, aangezien in 2017 de structurele bezuiniging van 1 miljard euro is ingegaan? Ten koste van welke programma’s en thema’s gaat de investering in dit fonds?
Het kabinet stelt tien miljoen euro beschikbaar in het kader van het initiatief She Decides. Dit bedrag is te accommoderen binnen de bestaande begrotingsruimte, omdat het begrotingsjaar net is begonnen waardoor het nog mogelijk is dit bedrag daarbinnen te passen.
Het bericht ‘Overheid eist invloed bij cyberbeveiliger Fox-IT’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overheid eist invloed bij cyberbeveiliger Fox-IT»?1
Ja.
Is er een direct gevaar als gevolg van de overname van Fox-IT door NCC group dat Nederlandse staatsgeheimen in handen van medewerkers van NCC-group, Britse inlichtingen en veiligheidsdiensten of andere niet-bevoegden kunnen vallen? Bent u bereid hier nader onderzoek naar te doen?
Nee, dit directe gevaar is er niet. Dit risico wordt ondervangen door geldende wettelijke voorschriften op het gebied van de bescherming van staatsgeheimen, alsmede door de specifieke contractuele beveiligingseisen die aan een privaat bedrijf worden opgelegd respectievelijk gesteld en die zijn gericht op het voorkomen van ongewenste toegang tot gevoelige informatie. Voorts houdt de Staat toezicht op de naleving van deze wettelijke en contractuele beveiligingseisen en blijft de ontwikkelingen in de gaten houden.
Erkent u dat door de overname van Fox-IT het risico groter is geworden dat staatsgeheimen in verkeerde handen kunnen vallen, bijvoorbeeld doordat informatie over de manier van versleutelen of het proces van «key management» bekend wordt binnen NCC Group en mogelijk ook de Britse inlichtingendiensten? Hoe groot acht u dit risico?
Zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre biedt de Britse wet op de inlichtingendiensten de mogelijkheid voor de Britse inlichtingendiensten om via NCC Group kennis te nemen van Nederlandse staatsgeheimen, de manier van versleutelen of het proces van «key management»?
Het bedrijfsonderdeel waarbinnen beveiligingsproducten voor staatsgeheime informatie worden ontwikkeld, is een in Nederland ingeschreven BV. Voor zowel personen, materieel, informatie als de fysieke locatie is, naast andere beperkingen, onverkort Nederlandse wetgeving op het gebied van bescherming van staatsgeheimen van kracht. Ook hier geldt dat de Staat toezicht houdt op de naleving van deze wettelijke en contractuele beveiligingseisen.
Wat is uw reactie op het feit dat de overheid pas is geïnformeerd over de overname op het moment dat de verkoop al afgerond was? Vindt u dit wenselijk? Wat zegt dit over de relatie met het bedrijf dat dergelijk belangrijke diensten levert?
Voorafgaand aan de overname zijn de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie ter zake ingelicht.
Hoe sterk is de afhankelijkheid van de overheid voor de versleuteling van staatsgeheimen van het bedrijfsleven? Acht u dit een wenselijke afhankelijkheid of bent u van mening dat deze afhankelijkheid in de toekomst afgebouwd dient te worden?
De Nederlandse Staat kan opdrachten verstrekken aan bedrijven voor de ontwikkeling van beveiligingsproducten. De Nederlandse Staat stelt hoge eisen aan dergelijke producten. De kennis en techniek die hiervoor nodig is, is in sommige gevallen slechts aanwezig bij gespecialiseerde, private bedrijven. De Nederlandse overheid beschikt over de expertise om toe te zien op de ontwikkeling, veiligheid en kwaliteit van deze producten.
Wat is de reden dat de onderhandelingen over de voorwaarden met betrekking tot zeggenschap over besluiten en benoemingen bij Fox Crypto en eventuele verkoopplannen zo lang duren? Voor wanneer moeten de onderhandelingen afgerond zijn?
De besprekingen met het betreffende bedrijf om passende beveiligingsmaatregelen te treffen in het licht van de ontstane situatie, zoals inzake benoemingen bij en eventuele verkoop van Fox Crypto, zijn grotendeels afgerond. Op enkele specifieke, juridisch-financiële aspecten vindt interdepartementaal overleg plaats alvorens overeenstemming met het bedrijf kan worden bereikt. Er wordt door alle partijen gestreefd naar een zo spoedig mogelijke afronding van dit proces.
Zijn er alternatieve leveranciers van de diensten die Fox-IT levert die volledig in Nederlandse handen zijn? Onder welke omstandigheden overweegt u een overstap naar een alternatieve leverancier?
Er zijn in Nederland in beperkte mate alternatieve leveranciers beschikbaar voor de dienstverlening op het terrein van beveiligingsproducten. De Nederlandse Staat betrekt van meerdere, in Nederland gevestigde leveranciers, producten op genoemd terrein. Aanvullend verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. Voorts kan op grond van overwegingen van onder meer continuïteit van dienstverlening de overheid een sterkere diversificatie van contractpartijen nastreven.
Kledingmerken die bijdragen aan lage lonen, lange werktijden, kinderarbeid en schooluitval in Bangladesh |
|
Joël Voordewind (CU), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het rapport «Branded Childhood»1 van de coalitie Stop Kinderarbeid en SOMO?
Ja.
Kunt u zich vinden in de conclusie van het rapport dat kledingmerken die laten produceren in Bangladesh niet alleen bijdragen aan lage lonen en excessief overwerk, maar mede als gevolg daarvan ook aan kinderarbeid en schooluitval van de kinderen van volwassen kledingarbeiders?
Het rapport Branded Childhood van Stop Kinderarbeid en SOMO schetst een schrijnend beeld van kinderarbeid in Bangladesh. Kinderen horen op school, niet op de werkplaats. Zoals in het rapport aangegeven, is kinderarbeid in de formele sector inmiddels flink teruggedrongen. In deze sector wordt de kleding geproduceerd die bestemd is voor de export. Kinderen van textielarbeiders werken volgens het rapport wel nog vaak in andere sectoren. Het ontbreken van leefbaar loon onder ouders kan ertoe leiden dat kinderen moeten bijdragen aan het gezinsinkomen. Nederland erkent dit en zet zich actief in voor leefbare lonen.
Bent u het eens met de aanbevelingen in het rapport en bent u bereid deze onder de aandacht te brengen van de kledingmerken, multistakeholderinitiatieven (waaronder het Convenant Duurzame Kleding en Textiel) en de regering van Bangladesh?
Het rapport bevestigt dat leefbaar loon een belangrijk instrument is in de aanpak van kinderarbeid. Het kabinet steunt de aanbeveling dat dit onderwerp hoger op de agenda moet bij merken, producenten, de overheid van Bangladesh en in multistakeholder initiatieven. Bovendien beschrijft het rapport belangrijke randvoorwaarden voor leefbaar loon zoals vakbondsvrijheid en eerlijke inkooppraktijken door de kledingmerken.
Het rapport vraagt om actieplannen voor de totstandkoming van hogere lonen in multistakeholder verband. Het kabinet erkent dat de doelstelling om te komen tot leefbaar loon collectief moet worden aangepakt. De Nederlandse overheid, evenals Stop Kinderarbeid, is partij bij het textielconvenant waarbij Nederlandse bedrijven gezamenlijk afspraken hebben gemaakt over de aanpak van de risico’s in de keten. Van convenantspartijen wordt verwacht dat zij binnen een jaar een actieplan aanleveren om risico’s in de keten aan te pakken. Daarnaast is in het convenant afgesproken dat er collectieve projecten zullen komen op het terrein van vakbondsvrijheid en leefbaar loon. De werkgroep die zich buigt over leefbaar loon komt binnenkort met concrete voorstellen.
Naar aanleiding van de recente loonacties in Bangladesh, heeft de Nederlandse ambassadeur gesproken met de werkgeversorganisatie en de autoriteiten in Bangladesh. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden met een van de grotere vakbondsorganisaties. Nederland heeft het belang van leefbaar loon en de rechten van werknemers in deze gesprekken benadrukt. Kortom, dit rapport ondersteunt de Nederlandse aanpak.
Bent u bereid de stijging van leefkosten (huur, energie) van de afgelopen jaren in Bangladesh te bespreken met de overheid aldaar? Hoe duidt u deze kostenstijging die volgde op een procentueel forse stijging van het minimumloon destijds?
Na recente loonacties in Bangladesh heeft Nederland het voortouw genomen en bij vertegenwoordigers van gelijkgezinde landen en internationale organisaties aandacht gevraagd voor de ontstane situatie. Doel is dit gezamenlijk aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Bangladesh.
Bangladesh heeft al jarenlang een hoge inflatie, ook in de periode voorafgaand aan de verhoging van het minimumloon. De inflatie staat grotendeels los van die loonsverhoging. Wel zijn er signalen dat huren en prijzen van levensmiddelen worden verhoogd zodra de lonen in de textielsector of andere belangrijke sectoren zijn verhoogd. Er bestaat immers geen huurbescherming en sociale woningbouw. De loonsverhoging verliest zo helaas een deel van de beoogde koopkrachtverbetering.
Deze problematiek zal aan de orde komen tijdens een ronde tafel over leefbare lonen en sociale dialoog, die Nederland komende zomer zal organiseren in Bangladesh.
Bent u eveneens bereid om dit rapport onder de aandacht te brengen van uw Europese collega’s en de Europese Commissie met het doel om deze kwestie gezamenlijk onder de aandacht van de regering in Bangladesh te brengen?
Het rapport vormt een ondersteuning van de noodzaak om gezamenlijk het belang van leefbare lonen en vakbondsvrijheid onder de aandacht van de regering van Bangladesh te brengen. Zowel in Bangladesh als bijvoorbeeld in het kader van het EU Garment Initiative wordt op dit terrein nauw samengewerkt met de Europese Commissie.
Bent u bereid om meer actie richting in Nederland actieve kledingbedrijven en de Europese Commissie te ondernemen om het ontbreken van een leefbaar loon en de gevolgen daarvan voor volwassenen en kinderen indringend aan de orde te stellen, gezien de geringe vorderingen die nog door kledingbedrijven worden gemaakt met het verhogen van de feitelijke lonen tot een leefbaar loon? Bent u bereid om dit te doen in samenspraak met alle betrokkenen die zich inzetten voor een leefbaar loon?
Nederland is zowel nationaal als internationaal actief op het bevorderen van leefbaar loon en bereikt alleen resultaat door met alle betrokkenen samen te werken. Nederland organiseerde in juni 2016 de Asian Living Wage Conference. De conferentie werd destijds bijgewoond door overheden van productielanden, kledingmerken, producenten, vakbonden en NGO’s. In Nederland worden in het kader van het textielconvenant voorbereidingen getroffen voor een collectieve aanpak op het gebied van leefbaar loon. In de productielanden, te beginnen met Bangladesh, worden ronde tafels georganiseerd om opvolging te geven aan de uitkomsten van de conferentie. Om de Nederlandse aanpak kracht en vaart bij te zetten, wordt ook samenwerking beoogd met de Duitse Textil Bundniss en ACT (Action, Collaboration, Transformation), het leefbaar loon initiatief van grote internationale modemerken. Daarnaast zal het kabinet in het kader van het EU Garment Initiative aandringen op actie op het gebied van leefbaar loon.
Het rapport Branded Childhood noemt ook het belang van aangepaste inkooppraktijken van de kledingmerken. Ten einde de problematiek van lage lonen en andere risico’s in de sector ook vanuit dit perspectief te benaderen, organiseerde Nederland in september 2016 de Sustainable Sourcing Conference in Bangladesh. Een concrete uitkomst van de conferentie is het ontwikkelen van een training voor inkopers en producenten gezamenlijk over duurzaam inkopen, georganiseerd door de International Apparel Federation. De training start met een pilot in Bangladesh. Leefbaar loon zal deel uitmaken van het curriculum.
Bent u van plan initiatief te nemen om transparantie door bedrijven te verplichten en om met wetgeving te komen met betrekking tot moderne vormen van slavernij? Bent u bereid om de bestrijding van hongerlonen daar deel van uit te laten maken, gezien het feit dat u in antwoorden op recente eerdere vragen2 instemde met aanbevelingen in het rapport Fabric of Slavery aan regeringen van importerende landen?
Het kabinetsbeleid is gericht op het vrijwillig afsluiten van IMVO-convenanten. In de convenanten worden afspraken gemaakt over naleving van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, waaronder richtlijnen op het gebied van transparantie. In het textielconvenant is afgesproken dat bedrijven hun productielocaties zullen melden. Het kabinet hecht daarnaast aan adequate wetgeving op het terrein van minimumlonen en handhaving daarvan in de productielanden zelf. Nederland draagt hiertoe bij aan capaciteitsversterking van de arbeidsinspectie van Bangladesh en zal een ronde tafel organiseren over leefbare lonen in de textielsector.
Kunt u in het kader van leefbaar loon toelichten hoe het onderzoek van keurmerkkoepel ISEAL naar een benchmark voor leefbaar loon staat? Welke vervolgstappen heeft u hieromtrent in gedachten?
ISEAL heeft 22 benchmarks voor leefbaar loon in 15 landen gereed. Een deel is gepubliceerd, de overige volgen binnenkort na uitvoerige validatie met lokale partijen. In het kader van het rapport Branded Childhood is de benchmark voor Bangladesh relevant. Het onderzoek bevestigt een grote afstand tussen de lonen in de textielsector en de benchmark voor een leefbaar loon. Deze informatie zal worden gebruikt in de bovengenoemde (gezamenlijke) vervolgacties in Bangladesh. Daarnaast wordt de informatie gedeeld met betrokken partijen, zoals inkopende merken, zodat ze hiermee bijvoorbeeld in hun inkoopbeleid rekening kunnen houden.
Het bericht “Amsterdamse ziekenhuizen moeten zwangeren weigeren” |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat Amsterdamse ziekenhuizen maandelijks honderden keren «nee» moeten verkopen aan zwangeren die op het punt staan te bevallen, omdat er geen plek meer voor hen is op de afdeling verloskunde?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat alleen al het Onze Lieve Vrouw Gasthuis (OLVG), met locaties Oost en West, in 2016 maar liefst 1262 zwangeren moest weigeren? Bestaan er voor ziekenhuizen met een beddentekort op de afdeling verloskunde bepaalde regels, omtrent het mogen weigeren van bevallende vrouwen? Zo ja, hoe luiden deze regels?
In het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ2) maken zorgaanbieders met elkaar afspraken over de acute zorg, inclusief de acute verloskunde. In dit verband is onder andere afgesproken dat in levensbedreigende situaties patiënten (inclusief bevallende vrouwen) nooit worden geweigerd. Voor zover mij bekend zijn er in het ROAZ-verband geen specifieke afspraken of regels over het mogen weigeren van bevallende vrouwen.
Deelt u de mening dat het een erg zorgelijke situatie is dat verloskundigen vaak wel drie tot vier ziekenhuizen moeten bellen voordat ze een ziekenhuis hebben gevonden die nog een plek beschikbaar heeft, en dat bij het Academisch medisch centrum (AMC) en het VU medisch centrum (mc) het aantal weigeringen steeg van circa 7 procent in 2015 naar 20 procent eind 2016?
Bij verloskunde is regelmatig sprake van piekdrukte en in die zin is het logisch dat er soms langer moet worden gezocht naar een vrije bevallocatie. Ik laat het aan de regionale partijen over om het zoekproces zo efficiënt mogelijk in te richten. Een stijging van 7 naar 20 procent komt op mij fors over, maar zonder een gedegen analyse van deze cijfers kan ik daar geen oordeel over geven.
Zijn er bij u incidenten bekend, of gevallen waarbij er bijna sprake is geweest van een incident, als gevolg van het tekort aan bedden op de Amsterdamse afdelingen verloskunde?
Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn geen meldingen bekend over incidenten/calamiteiten als gevolg van deze problematiek.
Wat zijn volgens u de oorzaken van deze ondercapaciteit van verloskunde afdelingen voor het aantal bevallende vrouwen in deze regio?
Het is aan zorgaanbieders om tijdig in het ROAZ-overleg in te brengen dat zij ondercapaciteit ervaren bij de acute verloskunde-afdelingen in de regio. Naar aanleiding daarvan kan in ROAZ-verband worden bekeken waardoor dit wordt veroorzaakt. Vervolgens kan daar, samen met zorgverzekeraars, actie op worden ondernomen.
Van TraumaNet AMC, het ROAZ voor een deel van Noord-Holland en Flevoland, heb ik begrepen dat het onderwerp in september en december vorig jaar in het ROAZ is besproken. Daar is onder meer afgesproken dat beter wordt geregistreerd in hoeveel gevallen vrouwen niet kunnen bevallen in het ziekenhuis van hun voorkeur zodat er beter zicht komt op de omvang van de problematiek. Ook is afgesproken dat de partijen verloskunde toevoegen aan het Acuut Zorgportaal, waardoor er beter inzicht komt in de beschikbare capaciteit. In het volgende bestuurlijk overleg van het ROAZ zal verder worden gesproken over de oorzaken van de problematiek en hoe deze kan worden opgelost.
Welke rol speelt de sluiting van de afdeling verloskunde van het MC Slotervaart volgens u? Klopt het dat het de bedoeling was dat het VUmc deze afdeling van het MC Slotervaart zou overnemen? Is de volledige capaciteit van deze afdeling van het MC Slotervaart uiteindelijk ook daadwerkelijk verplaatst naar het VUmc?2
De sluiting van de afdeling verloskunde van het MC Slotervaart is ongetwijfeld van invloed geweest op de ontstane situatie. In 2013 vonden daar nog circa 1.300 bevallingen plaats. Eind 2015 ontstond in MC Slotervaart echter een tekort aan bevoegd en bekwaam personeel waardoor het niet meer mogelijk was om 24x7 de zorg te kunnen organiseren. VUmc, MC Slotervaart en zorgverzekeraars hebben zich ingezet om een structurele oplossing te vinden voor de ontstane situatie. VUmc heeft sinds medio december 2015 MC Slotervaart ondersteund bij deze acuut ontstane situatie door tijdelijk op locatie VUmc klinische zorg van MC Slotervaart te accommoderen. In juli 2016 is tussen beide ziekenhuizen afgesproken dat MC Slotervaart de activiteiten van de afdeling gynaecologie & verloskunde en kindergeneeskunde per juli 2016 beëindigt. Het VUmc levert per juli 2016 deze zorg en heeft een satelliet geopend op locatie MC Slotervaart voor poliklinische zorg. Klinische zorg vindt plaats op locatie VUmc.
Naar aanleiding van deze afspraken hebben zorgverzekeraars aanvullende afspraken gemaakt (of zijn hierover in gesprek) met VUmc over de te contracteren vrouw-kindzorg aan onder meer (een deel van de) patiënten die zijn doorverwezen uit MC Slotervaart. VUmc heeft in lijn met deze afspraken ook meer bevallingen gefaciliteerd in 2016.
Zijn er ten tijde van deze overname afspraken gemaakt tussen de beide ziekenhuizen over continuïteit van geboortezorg en beschikbaarheid hiervan? Wat weet u van de achtergrond en motivatie van dit besluit van het VUmc en het MC Slotervaart?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier is deze overdracht verlopen? Heeft u inzicht in het feit of er destijds afspraken zijn geweest over het openhouden van de afdeling verloskunde in het MC Slotervaart, tot er meer zekerheid was over de vraag of het VUmc de voltallige capaciteit kon overnemen? Is dit gebeurd? Zo niet; was dit volgens u niet een redelijke gang van zaken geweest?
De inspectie heeft in de overdrachtsperiode vinger aan de pols gehouden om de patiëntveiligheid en de kwaliteit van zorg te borgen. Door het gebrek aan bevoegd en bekwaam personeel is de vraag om de afdeling verloskunde van het MC Slotervaart open te houden niet meer aan de orde geweest bij het maken van afspraken.
Welke rol speelt het niet meeverhuizen van medewerkers van het MC Slotervaart naar het VUmc volgens u in deze situatie?
Ik weet niet of en zo ja welke rol het al dan niet meeverhuizen van medewerkers in deze heeft gespeeld. Het VUmc heeft mij laten dat zij meerdere MC Slotervaart-medewerkers een arbeidsovereenkomst bij het VUmc heeft aangeboden.
Welke verantwoordelijkheid legt u bij deze beide ziekenhuizen voor het ontstane tekort aan bedden voor bevallende Amsterdamse zwangeren?
Het VUmc heeft als academisch ziekenhuis een regiefunctie in de regio en heeft zich samen met het MC Slotervaart en andere betrokkenen ingezet om de continuïteit van de verloskundige zorg in de regio te borgen.
Welke rol spelen zorgverzekeraars volgens u in deze kwestie? Hoe kunnen zij stimuleren dat er voldoende bedden voor een bepaalde doelgroep beschikbaar zijn? Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan, uitgaande van het feit dat zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht voldoende zorg moeten inkopen?
Zorgverzekeraars moeten zorgen voor tijdige en voldoende geboortezorg voor al hun verzekerden. Dit behoort tot de uitvoering van hun zorgplicht. Ik heb contact gehad met de grootste zorgverzekeraar van Amsterdam, Zilveren Kruis. Zilveren Kruis is in overleg met het OLVG waar dit voornamelijk lijkt te spelen. Vanuit andere ziekenhuizen heeft Zilveren Kruis geen signalen ontvangen. Er zijn ook ziekenhuizen die bij Zilveren Kruis hebben aangegeven meer bevallingen aan te kunnen. Volgens Zilveren Kruis is er voor 2016 en 2017 voldoende zorg ingekocht.
Is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op de hoogte van de onvoldoende beschikbaarheid van geboortezorg in deze regio? Wat is haar oordeel over de voorliggende situatie?
De NZa zal beoordelen of de continuïteit van de verloskundige zorg in de regio Amsterdam in het geding is nu het Slotervaart deze zorg niet meer aanbiedt. Als de continuïteit van zorg in het geding is, dan zal de NZa de zorgverzekeraars hierop aanspreken in het kader van hun zorgplicht.
Welke oplossing ziet u voor het feit dat Amsterdamse ziekenhuizen momenteel zwangeren moeten weigeren? Op welke manier kunt u bijdragen aan een oplossing voor de huidige situatie van een tekort aan bedden op verloskunde afdelingen?
De sleutel tot het verbeteren van de situatie is een constructieve bespreking van de situatie in ROAZ-verband op basis van een gedegen analyse van de situatie op basis waarvan maatregelen kunnen worden genomen. Iedere zorgaanbieder kan daartoe het initiatief nemen. Zorgverzekeraars nemen de regierol op zich in de contractering.
De registratie van geweld tegen vluchtelingen |
|
Linda Voortman (GL), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «politie gaat racistisch geweld bijhouden»?1
Ja.
Klopt het dat er momenteel geen cijfers bekend zijn waaruit de omvang van geweld en intimidatie tegen vluchtelingen en asielzoekers kan worden opgemaakt? Zo nee, kunt u deze gegevens aan de Kamer verstrekken?
Men kan aangifte doen bij de politie van discriminatie. Daarnaast kan discriminatie een rol spelen bij andere delicten, zoals mishandeling of vernieling. Bij een dergelijk «commune delict» kan de officier van justitie een strafverzwaring eisen vanwege een discriminatoir aspect. Politieagenten dienen alle aangiften en meldingen van discriminatie en van incidenten waarin mogelijk een discriminatoir aspect aanwezig is, te registreren. Kortom: de politie registreert of het delict discriminatoir is. Dit geeft een meer betrouwbaard beeld van discriminatie dan een registratie in de aangifte van de herkomst van de aangever.
Op 29 september 2016 heeft uw Kamer het rapport «Discriminatiecijfers 2015» ontvangen2. Hierin zijn rapportages van politie, maar ook (gemeentelijke) antidiscriminatievoorzieningen, het College voor de Rechten van de mens en de meldpunten voor discriminatie op internet, samengevoegd om een zo compleet mogelijk beeld te geven van de omvang en aard van discriminatie in Nederland. Naast discriminatie op grond van herkomst, wordt ook gerapporteerd over bijvoorbeeld discriminatie op grond van geslacht, godsdienst of seksuele gerichtheid. Ook wordt ingegaan op de verschijningsvormen zoals belediging, vernieling en mishandeling. In 2017 zal uw Kamer een vergelijkbaar rapport ontvangen met de cijfers over 2016.
Bent u bereid de politie vanaf heden bij aangiften te laten registreren of het een aangifte van een strafbaar feit tegen een vluchteling of asielzoeker betreft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat geweld tegen vluchtelingen niet kan worden getypeerd als kwajongensstreken? Zo nee, waarom niet?
Geweld tegen wie dan ook valt niet te accepteren.
Welke maatregelen neemt u om de aangiftebereidheid bij statushouders en asielzoekers te vergroten, bijvoorbeeld door actieve voorlichting over de aangiftemogelijkheden?
Samen met de politie blijf ik mij inzetten om de aangifte- en meldingsbereidheid van slachtoffers te stimuleren. Zoals toegelicht per brief van 15 september 20163 richt ik mij op het vergroten van de aangifte- en meldingsbereidheid per type delict. Voor mijn beleid op dit punt verwijs ik u naar deze brief.
Wat is uw reactie op de conclusie van politicoloog Rob Witte in dat artikel dat de Nederlandse overheid racistisch geweld structureel te weinig serieus neemt?
In het artikel wordt betoogd dat de omvang van racistisch geweld niet voldoende wordt erkend, omdat de registratie hiervan niet op orde is. Gelet op mijn antwoord op vragen 2 en 3 deel ik die conclusie niet.
Het bericht ‘Vaders vinden uitbreiding vaderschapsverlof te krap’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Vaders vinden uitbreiding vaderschapsverlof te krap» en het daarbij behorende onderzoek van het kenniscentrum op het gebied van seksualiteit Rutgers?1 2
Ja
Hoe beoordeelt u het resultaat dat 25 procent van de vaders aangeeft dat ze geen onbetaald ouderschapsverlof opgenomen hebben, omdat dit financieel onhaalbaar was?
Ouders geven gezamenlijk invulling aan de verdeling van taken op het gebied van arbeid, zorg en andere verantwoordelijkheden binnen hun gezin en wegen daarbij zelf verschillende regelmogelijkheden en financiële gevolgen tegen elkaar af. Het vraagt om extra aandacht wanneer vaders wel gebruik zouden willen maken van ouderschapsverlof maar zij het financieel niet haalbaar achten. Om een evenwichtige verdeling van arbeid en zorg financieel mogelijk te maken is met het Belastingplan 2016 de IACK verhoogd waardoor het voor de minst verdienende partner lonender is geworden om meer uren te gaan werken. Het is belangrijk om ouders hierover goed te informeren. Het Ministerie van OCW laat daarom een budgettool ontwikkelen waarmee de financiële gevolgen van een andere verdeling van arbeid voor het gezinsinkomen beter inzichtelijk worden gemaakt. Door de werking van heffingskortingen en de inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag valt een gelijkere verdeling van arbeid in veel gevallen financieel gunstiger uit.
Hoe beoordeelt u het resultaat dat 49 procent van de vaders verwacht dat vrouwen meer zullen gaan werken als zijzelf meer zouden gaan zorgen? Bent u bekend met de conclusie uit het Rutgers-onderzoek «jong geleerd is oud gedaan»?
De bevindingen uit het voornoemde onderzoek laten zien dat partners zich ervan bewust zijn dat persoonlijke keuzes over arbeid en zorg gevolgen hebben voor de tijdbesteding en rol van de partner, maar dat dit in veel gevallen bij de vaders niet leidt tot de behoefte om arbeid- en zorgtaken anders te verdelen. Het onderzoek van Rutgers laat namelijk ook zien dat 84 procent van de vaders tevreden of zeer tevreden is met de huidige rolverdeling. Als verklaring hiervoor ziet Rutgers een relatie tussen de voorkeuren voor taakverdeling van ouders en de rol die hun eigen vader heeft vervuld. Dit laat zien dat niet alleen praktische overwegingen, maar ook dieper liggende overtuigingen ten grondslag liggen aan de voorkeuren in de taakverdeling.
Zoals is beschreven in de brief Arbeid en zorg van 16 december jl.3 zet het kabinet zich in voor een evenwichtigere verdeling van arbeid en zorg tussen partners. Daarbij richt het kabinet zich op het wegnemen van praktische belemmeringen, onder meer door de uitbreiding kraamverlof en de verbeterde toegankelijkheid van kinderopvang. Ook zet ik samen met mijn collega van OCW in op het vergroten van het bewustzijn van de consequenties van rolpatronen en culturele voorkeuren via o.a. een cultuurcampagne, de ontwikkeling van een online budgettool die inzicht geeft in de financiële mogelijkheden en consequenties van verschillende arbeid- en zorgverdelingen en door de financiering van regionale projecten gericht op de economische zelfstandigheid van vrouwen. Deze maatregelen zullen niet alleen van invloed zijn op de taakverdeling van de huidige generatie ouders, maar zorgen er ook voor dat vaders voor hun kinderen een voorbeeldfunctie kunnen vervullen en daarmee de verdeling van arbeid en zorgtaken die de toekomstige generatie ouders zal maken, mede bepalen.
Deelt u deze conclusie over het combineren van arbeid en zorg?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe bent u van plan om ouders in spe op deze conclusie te wijzen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u in het verlengde hiervan bereid om – waar nodig – met de kinderopvangbranche, scholen en geboortezorg afspraken te maken over actieve, gelijkwaardige communicatie naar beide ouders?
Kinderopvangorganisaties, scholen en geboortezorg bieden ouders professionele en vakkundige ondersteuning en begeleiding bij de opvoeding en ontwikkeling van kinderen, maar mengen zich niet in de manier waarop ouders onderling de taken verdelen. Wel is het kabinet van mening dat professionals die te maken krijgen met ouders van jonge kinderen zich bewust zouden moeten zijn van het belang om zich bij de opvoeding van jonge kinderen niet exclusief op moeders te richten. Daarom heeft de Minister van OCW het project Zorgend Ouderschap gefinancierd dat stimuleert dat beide ouders worden aangesproken en betrokken bij de opvoeding van kinderen. Ook heeft de Minister van OCW in het kader van het project Kracht on Tour met een aantal grote landelijk georganiseerde werkgevers afspraken gemaakt over hun rol bij het met jonge ouders bespreken van gelijkwaardige zorgafspraken. Daarnaast is informatie over de mogelijkheden om werk- en zorgtaken onderling te verdelen beschikbaar via diverse andere kanalen, zoals websites en tijdschriften die zich speciaal richten op jonge ouders en natuurlijk via de belangenbehartigers van ouders in de kinderopvang en het onderwijs. Extra afspraken in aanvulling op bovenstaande initiatieven acht ik nu niet nodig.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de samenhang tussen de rolverdeling tussen mannen en vrouwen en de kans op ziekteverzuim en/of burn-outs?
In de brief Arbeid en zorg4 aan de Kamer heb ik geschreven dat overbelasting door de combinatie van arbeid en zorg kan leiden tot fysieke of geestelijke gezondheidsklachten. Uit onderzoek van het SCP5 blijkt dat vanwege de emotionele belasting combinatiedruk vaker wordt ervaren bij de combinatie van mantelzorg met werk (in 23 procent van de gevallen) dan bij het combinatie van zorg voor kinderen met werk (16 procent). Uit datzelfde onderzoek blijkt verder dat vrouwen bij de combinatie van kindzorg en werk vaker druk ervaren (18 procent) dan mannen (15 procent). Dit lijkt te maken te hebben met de verdeling van arbeid en zorg. Hoewel mannen tijdens de gezinsfase – van 31 tot 45 jaar – in totaal meer uren besteden aan de combinatie van werk, zorg en scholing (56 uur tov 50 uur per week door vrouwen), nemen vrouwen aanzienlijk meer zorgtaken voor hun rekening binnen het huishouden.6 Volgens een andere onderzoek van het SCP zouden vrouwen meer gejaagdheid en drukte ervaren doordat hun vrije tijd meer dan bij mannen in het teken staat van het reilen en zeilen van het huishouden.7 Met deze onderzoeken is de samenhang tussen overbelasting en de verdeling van arbeid en zorg in beeld gebracht en zie ik momenteel geen aanleiding om verder onderzoek te laten uitvoeren.
De uitbreiding van drie dagen betaald kraamverlof is een van de maatregelen die in de brief Arbeid en zorg zijn gepresenteerd om een evenwichtige taakverdeling te stimuleren. Uit een internationale vergelijking van de OESO blijkt namelijk dat vaders die kort na de geboorte van hun kind kraamverlof opnemen ook later meer betrokken zijn bij de opvoeding van hun kinderen en dus ook voor de periode na het verlof meer zorgtaken op zich nemen.
In hoeverre zou er een verband kunnen zijn tussen de verdeling van werk- en zorgtaken tussen mannen en vrouwen en (werk)uitval door ziekte? In hoeverre zou een (verdere) uitbreiding van het vaderschaps-/partnerschapsverlof hieraan kunnen bijdragen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het goed is om in kaart te brengen wat de effecten zijn van een eerlijke en fatsoenlijke verdeling van werk en privé, zoals WOMEN Inc eerder heeft gedaan voor het grootbedrijf, om zo werkgevers te overtuigen van zorgvriendelijk werkgeverschap? In hoeverre bent u bereid om dit onderzoek te (laten) herhalen voor het midden- en kleinbedrijf?3
Women Inc komt, in samenwerking met Great place to work, tot de conclusie dat bedrijven waar gemiddeld meer werknemers aangeven te worden aangemoedigd om een goede en werkbare balans tussen werk en privé aan te brengen, het beter doen op het gebied van verzuim, groei in omzet, verloop, aantal sollicitaties en aandeel vrouwen in senior management posities. Het onderzoek is uitgevoerd onder bedrijven uit verschillende sectoren en variërend van multinationals tot het midden- en kleinbedrijf waardoor een herhaling van dit onderzoek niet nodig is. Deze en andere signalen9 10 laten zien dat steeds meer werkgevers het belang van zorgvriendelijke werkgeverschap inzien. Om werkgevers te helpen hun personeelsbeleid hier goed op af te stemmen is op de Arbeid- en Zorgbijeenkomst van 31 oktober jl. de werkgeverscan Zorgvriendelijk.nl gelanceerd. Aan de hand van het beantwoorden van een vragenlijst krijgt de werkgever via deze website advies op maat over zorgvriendelijk werkgeverschap.
Deelt u de mening dat een zo snel mogelijke uitbreiding van het vaderschaps-/partnerverlof goed is voor de ontwikkeling van het kind, het combineren van arbeid en zorg en de (inkomens)positie van vrouwen?
Uit onderzoek blijkt dat vaders die vanaf de geboorte bij de zorg voor het gezin zijn betrokken, ook later meer zorgtaken op zich nemen.11 Naarmate de vader meer zorgtaken op zich neemt, ontstaat er voor de moeder ruimte om meer te gaan werken en op die wijze zou haar inkomenspositie en economische zelfstandigheid verder kunnen ontwikkelen en verbeteren. Daarnaast blijkt uit ditzelfde onderzoek dat betrokkenheid van de vader bij de opvoeding positief is voor de ontwikkeling van het kind. Kraamverlof voor de vader/partner stimuleert deze mogelijke effecten. Een eerste stap in uitbreiding van het kraamverlof is het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet arbeid en zorg dat thans in uw Kamer voorligt ter behandeling12.
Hoe zou, vooruitlopend op de beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet arbeid en zorg en enkele andere wetten in verband met de uitbreiding van het kraamverlof teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken, in samenspraak met de sociale partners, op de werkvloer al kunnen worden gestart met één week vaderschaps-/partnerverlof na de geboorte van het kind?4
Vooruitlopend op de beoogde inwerkingtredingsdatum is er geen wettelijke basis voor kraamverlof anders dan de huidige regeling die voorziet in twee dagen verlof met behoud van loon. Het is dan aan sociale partners om bij cao aanvullende afspraken over kraamverlof over te maken. Zoals is vermeld in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat voorziet in uitbreiding van het kraamverlof is in een aantal cao’s al een dergelijke bepaling opgenomen. Ook in de individuele arbeidsovereenkomst kan worden voorzien in een aanvulling op het wettelijke kraamverlof.14
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden vóór de plenaire behandeling van het genoemde wetsvoorstel en in ieder geval voor het verkiezingsreces?
Ja
Het bericht dat er gesjoemeld wordt bij de reclassering |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bereid het resultaat van het onderzoek naar de wanpraktijken bij de reclassering Den Haag door de Reclassering Nederland naar de Kamer te sturen?1 Zo nee, waarom niet?
In mijn reactie op eerdere Kamervragen over het bericht dat er gesjoemeld zou worden bij de reclassering ben ik ingegaan op de manier waarop de vermeende onderhandse handel is onderzocht.3 Reclassering Nederland (RN) heeft aan twee onderzoeksbureaus opdracht gegeven de recente aantijgingen te onderzoeken. RN heeft mij gemeld dat het eerste onderzoek, dat zich richtte op de financiële administratie, is gedaan door KPMG Advisory. Het tweede onderzoek, in het kader waarvan het handelen van de reclasseringsmedewerkers is onderzocht, is verricht door het bureau Integriteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Beide onderzoeken zijn recent afgerond. Het betreft onafhankelijk onderzoek. RN heeft mij laten weten dat de uitkomsten van de onderzoeken geen aanleiding geven om te veronderstellen dat er sprake is van onderhandse handel. Ook hierover heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd. De onderzoeksrapporten zijn gebruikt voor interne evaluatie en zijn aanleiding geweest om medewerkers die werkzaam zijn op werkplaatsen opnieuw te instrueren dat betalingen enkel nog elektronisch en met betaalbewijzen mogen geschieden. RN is opdrachtgever en eigenaar van de rapporten; zodoende ben ik niet in het bezit van de onderzoeksrapporten en is het niet aan mij deze openbaar te maken.
Kunt u aangeven door wie dat onderzoek is uitgevoerd en in wiens opdracht dat onderzoek is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In het bericht Gesjoemel bij reclassering met steigerhouten meubels2 stelt de heer Van Gennip dat het een extern onderzoek naar de financiële administratie is, klopt dit? Zo nee, wat is dan de omvang c.q. het onderwerp van het onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat de veiligheid in operatiekamers onder druk staat door een tekort aan operatieassistenten en verpleegkundigen |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat de veiligheid in operatiekamers onder druk staat door een tekort aan operatieassistenten?1
Vanzelfsprekend moeten de kwaliteit en veiligheid van de zorg altijd op orde zijn. Zorgverleners moeten daarbij bevoegd en bekwaam zijn. De afweging of operaties veilig kunnen worden uitgevoerd met het beschikbare personeel valt onder de professionele verantwoordelijkheid van zorgverleners. Eindverantwoordelijk voor kwaliteit en veiligheid van de geboden zorg in een ziekenhuis zijn de bestuurders en interne toezichthouders. Zij moeten dus zorgen voor een kwalitatief goede en veilige werkomgeving.
Vindt u het acceptabel dat niet-gekwalificeerde verpleegkundigen handelingen in de operatiekamer verrichten, omdat de werkdruk zo hoog is en er tekorten aan collega’s zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het ook zorgelijk dat er door de hoge werkdruk verpleegkundigen uitvallen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik betreur het als zorgpersoneel uitvalt, om welke reden dan ook. De inzet van personeel en het bieden van een gezonde en veilige werkomgeving is allereerst een verantwoordelijkheid van de werkgever, in goed overleg met werknemers. De Staatssecretaris en ik ondersteunen de zorgsector hierbij op tal van manieren. Bijvoorbeeld door steun aan het programma Gezond & Zeker van het Werkgeversverband Regioplus. De Kamerbrief over arbeidsmarktbeleid in de zorgsector (4 november 2016) bevat verschillende voorbeelden van projecten van de A&O-fondsen gericht op duurzame inzetbaarheid.(Kamerstuk 29 282, nr. 260)
Wat heeft u in de afgelopen jaren ondernomen om met werkgevers in de zorg te spreken over inzet van hun personeel en het zorgelijke gegeven dat er in de zorg het meeste ziekteverzuim plaatsvindt?2
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel opleidingsplekken voor verpleegkundigen zijn er de afgelopen jaren in de ziekenhuizen verdwenen onder druk van bezuinigingen? Kunt u een inventarisatie (laten) maken?
Het Capaciteitsorgaan inventariseert om het jaar de opleidingsbehoefte aan gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteuners (zoals operatieassistenten). Ziekenhuizen bepalen vervolgens zelf hoeveel zij opleiden. Voor iedere afgeronde opleiding ontvangen zij van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een kostendekkende beschikbaarheidbijdrage. Het aantal opleidingen is hierbij niet gemaximeerd. Op deze beschikbaarheidsbijdrage heeft de afgelopen jaren geen bezuiniging plaatsgevonden.
Erkent u dat uit onderzoek onder ziekenhuisverpleegkundigen bleek dat 47% van de deelnemers aangaven dat de werkdruk in de ziekenhuizen zijn toegenomen? Waarom stelde u vraagtekens bij deze uitkomst?3
Ik vind de ervaringen van werknemers zeer belangrijk. Daarom laat ik samen met de sociale partners iedere twee jaar een enquête uitvoeren onder werknemers van de zorg. Deze enquête bevestigt overigens een toegenomen werkdruk. Daar stel ik dan ook geen vraagtekens bij. In mijn reactie aan de Kamer heb ik wel vraagtekens gesteld bij de objectiviteit van de SP enquête vanwege de gehanteerde onderzoeksmethode6.
Snapt u dat uitkomsten van een groot onderzoek onder ziekenhuisverpleegkundigen aangaande de werkdruk bagatelliseren zeer ongeïnteresseerd overkomt? Kunt u toelichten waarom u de uitkomsten van het onderzoek zo gemakkelijk terzijde schoof, terwijl de ervaringen van verpleegkundigen waardevol zijn om te horen en te doorgronden? Kunt u uw antwoord toelichten?4 5
Zie antwoord vraag 6.
Hoe komt het dat het Capaciteitsorgaan al becijferd had dat er een groot tekort zou komen en ziekenhuizen nu met grote tekorten aan operatieassistenten kampen? Waarom is hier niet tijdig ingegrepen om deze tekorten op te lossen? Kunt u uw antwoord toelichten?6
In het Capaciteitsplan (verschenen oktober 2016) concludeerde het Capaciteitsorgaan dat de landelijke capaciteit van gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteuners op dit moment net voldoende is om aan de zorgvraag te voldoen. Het Capaciteitsorgaan adviseert, om in de toekomst aan de zorgvraag te kunnen blijven beantwoorden, de opleidingscapaciteit fors te verhogen bij de meeste opleidingen voor gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteuners (voorbeelden hiervan zijn dialyseverpleegkundigen en anesthesiemedewerkers). Omdat de opleiding tot operatieassistent ongeveer drie jaar duurt, leidt het vergroten van de instroom met vertraging tot extra capaciteit.
De brancheorganisaties Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) zijn naar aanleiding van het Capaciteitsplan gestart met het actief aansporen van hun leden om op regionaal niveau samen te werken om de instroom in de opleidingen te verhogen. In maart moeten alle opleidingsregio’s hiertoe een plan indienen met concrete afspraken. De brancheorganisaties bieden hun leden daarbij hulpmiddelen aan. De NVZ en NFU en het College Zorgopleidingen (CZO) maken bovendien een monitor van de opleidingsinspanningen, waaruit zal blijken in hoeverre de afspraken worden gerealiseerd. Ik constateer dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen, dat is ook hun taak. Ik zal hun inspanningen aandachtig volgen en zo nodig maatregelen treffen.
Bij welke andere specialistische verpleegkundige beroepen gelden ook tekorten aan personeel en een onacceptabele hoge werkdruk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Is er voldoende opleidingscapaciteit? Hoe gaat u ervoor (laten) zorgen dat er structureel voldoende operatieassistenten en verpleegkundigen worden opgeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 5 en 8.
Hoeveel verpleegkundigen kiezen thans voor detachering in plaats van dienstverband? Wat vindt u van deze ontwikkeling in het kader van de continuïteit van de zorgverlening?
Van het personeel in ziekenhuizen heeft 86% een vast dienstverband. 3% is oproepkracht of invalkracht en ruim 4% is zelfstandige8. Hierbij is geen onderscheid te maken tussen verpleegkundigen en ander personeel. De aard van de arbeidsrelatie van zorgpersoneel moet onafhankelijk zijn van de kwaliteit van de verleende zorg.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór 16 februari a.s.?
Ja.
De bouw van nederzettingen in Oost-Jeruzalem na aantreden van Trump |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nieuwbouw in Oost-Jeruzalem na vertrek Obama»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat de aankondiging van de bouw van 566 nieuwe huizen in Oost-Jeruzalem is aangehouden tot het vertrek van president Obama en het aantreden van zijn opvolger president Trump?
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de voortdurende uitbreiding van Israëlische nederzettingen in bezet gebied. Nederzettingen zijn strijdig met internationaal recht en vormen een groot obstakel voor het bereiken van een twee-statenoplossing. Deze positie is onlangs herbevestigd in Veiligheidsraadresolutie 2334 van 23 december jl. en tijdens de conferentie over het Midden-Oosten vredesproces in Parijs op 15 januari jl.
Het kabinet neemt afstand van de uitspraken van de locoburgemeester van Jeruzalem. Ongeacht het standpunt van de Amerikaanse regering is het kabinet van mening dat het Israëlische nederzettingenbeleid niet consistent is met het door premier Netanyahu eerder uitgesproken commitment ten aanzien van de twee-statenoplossing. Het kabinet en de EU spreken de Israëlische regering consequent en nadrukkelijk aan op de illegaliteit van nederzettingen en wijzen erop dat dit beleid het perspectief op een twee-statenoplossing ondermijnt. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft deze boodschap afgelopen week wederom afgegeven in een gesprek met de Israëlische viceminister Oren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de locoburgemeester van Jeruzalem, dat met het aantreden van president Trump de spelregels zijn veranderd en dat dit ervoor zorgt dat de Israëlische regering de handen vrij heeft om eindelijk weer nederzettingen te bouwen? Deelt u de zorgen over het feit dat alleen al het aantreden van president Trump blijkbaar concrete gevolgen heeft voor de situatie in het Midden-Oosten?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bovengenoemde uitspraak en de uitspraak van de burgemeester van Jeruzalem dat de acht jaar van de regering-Obama moeilijk zijn geweest vanwege de druk om de bouw van nederzettingen te stoppen, bewijst dat internationale druk op de Israëlische regering tot concrete resultaten kan leiden?
De vorige Amerikaanse president Obama en secretary of state Kerry hebben een duidelijke positie ingenomen ten aanzien van de uitbreiding van nederzettingen. Amerikaanse politieke druk en dialoog heeft er mede toe geleid dat verschillende plannen voor uitbreiding zijn bevroren.
Wat is de laatste stand van zaken aangaande de voorgenomen verplaatsing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem? Hoe groot schat u de kans in dat een dergelijke stap daadwerkelijk wordt gezet? Deelt u de mening dat deze stap een uiterst negatieve werking zal hebben op het perspectief op een betekenisvol vredesproces?
Het kabinet heeft kennisgenomen van uitspraken die de Amerikaanse president voorafgaand aan zijn inauguratie over de verplaatsing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem heeft gedaan. Het kabinet begrijpt dat er momenteel meerdere opties worden overwogen door de Amerikaanse regering. Het kabinet is van mening dat van een verplaatsing van de Amerikaanse ambassade een negatief politiek signaal ten aanzien van het vredesproces zou uitgaan en dat een dergelijke stap tot verdere spanningen zou kunnen leiden.
Bent u bereid om er in EU-verband voor te pleiten deze nieuwe aankondiging van uitbreiding van nederzettingen met 566 huizen sterk te veroordelen en om maximale druk op de Israëlische regering aangaande het nederzettingenbeleid uit te oefenen, ook indien de nieuwe Amerikaanse regering een andere koers kiest?
De EU heeft in een verklaring namens de Hoge Vertegenwoordiger benadrukt dat de recente uitbreidingen van nederzettingen het vooruitzicht op een levensvatbare twee-statenoplossing ernstig ondermijnen. De EU betreurt in de verklaring voorts het feit dat Israël doorgaat met het nederzettingenbeleid ondanks de voortdurende op alle niveaus geuite internationale zorgen en bezwaren.
Het kabinet blijft, zowel bilateraal als via de band van de EU, een actief beleid voeren ten behoeve van het behoud en de totstandkoming van de twee-statenoplossing. In de huidige context dringen Nederland en de EU bij partijen aan op positieve stappen ter behoud van de twee-statenoplossing en ter vergroting van wederzijds vertrouwen. Tegelijk spreken Nederland en de EU partijen aan op stappen die hier haaks op staan, zoals de recente aankondigingen van uitbreiding van nederzettingen. Ook tijdens het lidmaatschap van de Veiligheidsraad zal Nederland zich actief inzetten conform het geldende kabinetsbeleid ten aanzien van het Midden-Oosten vredesproces.
Bent u bereid om bilateraal, in EU-verband en via de gedeelde zetel in de VN-Veiligheidsraad te pleiten voor consolidatie van de internationale consensus ten aanzien van het Israëlische nederzettingenbeleid, naar voorbeeld van de vorige maand aangenomen VN-resolutie 2334, die nogmaals stelt dat de bouw van nederzettingen een flagrante schending is van het internationaal recht en oproept tot een onmiddellijke en volledige stop van nederzettingenactiviteiten in bezet Palestijns gebied, inclusief Oost-Jeruzalem?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat wanneer de Israëlische regering met het aantreden van president Trump overgaat tot een versnelde uitbreiding van illegale nederzettingen en daarmee de kans op constructieve vredesbesprekingen nog verder ondermijnt, de EU zich zal moeten beraden op concrete maatregelen, bijvoorbeeld door opschorting van samenwerkingsovereenkomsten (conform de motie-Servaes c.s.)?3
Het kabinet wil niet vooruitlopen op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 6 februari a.s. zal een bespreking plaatsvinden van de EU-inzet ten aanzien van het Midden-Oosten vredesproces voor de komende tijd. Het kabinet zal hierbij het belang benadrukken van eensgezind optreden door de EU, waarbij alle mogelijke beleidsopties ten bate van het behoud van de twee-statenoplossing tegen het licht worden gehouden (zie ook de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken die op 27 januari 2017 naar uw Kamer werd gestuurd)(Kamerstuk 21 501-02, nr. 1715). Voor de inzet van het kabinet wordt voorts verwezen naar het antwoord op vragen 6 en 7.
Deelt u de mening dat dit een «strategisch moment» is om de Palestijnse staat te erkennen?
Het kabinetsstandpunt ten aanzien van erkenning is niet gewijzigd. Het kabinet wil erkenning inzetten op een strategisch moment als het effectief, reëel en opportuun is in het vredesproces. Het kabinet wil dat doen op een moment waarbij het een bijdrage levert aan het vredesproces. Daarvan is op dit moment geen sprake. Erkenning van een Palestijnse staat is een krachtig instrument dat maar één keer kan worden ingezet. Het betreft een nationaal besluit. Het kabinet zal zijn eigen afweging maken over erkenning. Daarbij zal Nederland meewegen wat andere Europese landen doen en afstemming met EU-partners zoeken.
Het bericht van bestuursvoorzitter van het VU medisch centrum : Wouter Bos bepleit winstplafond voor farmabedrijven |
|
Jacques Monasch (Monasch) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wouter Bos bepleit winstplafond voor farmabedrijven»?1
Ja.
Wat vindt u van het pleidooi van de heer Bos, bestuursvoorzitter van het VU medisch centrum in Amsterdam, om de winstmarges van farmaceutische bedrijven aan een maximum te binden? Is daarbij een winstnorm van maximaal 10 procent een reëel percentage?
De gedachte achter het voorstel van de heer Bos, bestuursvoorzitter van het VU medisch centrum in Amsterdam, deel ik. Ik vind het ook onwenselijk dat farmaceutische bedrijven fors hogere winstmarges hanteren dan andere bedrijfssectoren, terwijl zij zo’n groot maatschappelijk belang vertegenwoordigen.
Zoals aangekondigd in mijn geneesmiddelenvisie heb ik daarom een pakket van maatregelen opgenomen dat op verschillende punten en niveaus in het systeem ingrijpt om de excessieve prijzen en daarmee hoge winsten tegen te gaan. Ten aanzien van de vraag wat een reëel winstpercentage is ben ik van mening dat de winstpercentages van de farmaceutische industrie meer in lijn zouden moeten liggen met wat gangbaar is in andere innovatieve sectoren. Een winstpercentage van gemiddeld 17,44% per jaar over de afgelopen 20 jaar valt hier wat mij betreft niet onder. 2
Het instellen van een winstplafond is mijns inziens echter geen haalbare oplossing om verschillende redenen.
Ten eerste opereert de farmaceutische industrie internationaal. Nederland vertegenwoordigt in de wereldmarkt 1 a 2%. Nederland kan de hoge winstmarges dan ook nooit alleen aan banden leggen. Als alleen Nederland een winstnorm zou hanteren, zou deze gemakkelijk omzeild kunnen worden door bijvoorbeeld uitgaven en kosten van het ene naar het andere land te verplaatsen.
Ten tweede, al overtuig ik de Europese Commissie en de rechter dat een dergelijk systeem van controle op winstmarges te rechtvaardigen is binnen de EU-regelgeving, dan nog is het lastig uit te voeren. Er zijn immers veel manieren die bedrijven kunnen hanteren om hun winst te drukken of kosten te verhogen, bijvoorbeeld door de wijze waarop kosten en baten aan individuele producten worden toegerekend aan te passen. Ten derde is een dergelijke maatregel niet afdwingbaar. Farmaceutische bedrijven kunnen ervoor kiezen hun producten dan niet in Nederland op de markt te brengen. Dat gaat ten koste van de Nederlandse patiënt.
Is het niet de hoogste tijd om farmaceutische bedrijven te verplichten tot volledige openheid van zaken omtrent de kosten die zij maken voor een medicijn en om tegelijkertijd een «cap» op de winstmarges in te voeren?
Ik vind dat farmaceutische bedrijven transparant moeten zijn over hun kostenopbouw. Immers bedrijven mogen de samenleving niet vragen zomaar mee te gaan met de veelal zeer hoge prijzen voor geneesmiddelen zonder daar verantwoording over af te leggen, bijvoorbeeld via het transparant maken van ontwikkelings- en productiekosten en ook het transparant maken van de kosten van de medicijnen die niet aan de verwachtingen van therapeutische meerwaarde voldeden. Als de industrie die handschoen niet oppakt zal dit ten koste gaan van de bereidheid van de samenleving om te betalen voor nieuwe geneesmiddelen, hetgeen niet in het belang van de patiënt én de industrie is.
Farmaceutische bedrijven verplichten tot het inzichtelijk maken van de ontwikkelkosten van een medicijn is overigens niet zomaar mogelijk. Het gaat hier immers om private ondernemingen die vooral in het buitenland zijn gevestigd en dergelijke informatie wordt uit concurrentieoverwegingen vaak geheim gehouden. Ik zet overigens op EU niveau vol in op transparantie over de kosten van medicijnen door fabrikanten.
Voor mijn reactie op het invoeren van een cap op de winstmarges verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Vindt u ook dat de maatregelen die de farmaceutische industrie zelf voorstelt om aan deze onaanvaardbare praktijk een einde te maken lang niet toereikend zijn en puur «cosmetisch»?
Het in dialoog blijven met de farmaceutische industrie vind ik belangrijk.
Ik heb in mijn gesprekken met farmaceutische bedrijven aangegeven dat transparantie over de kosten en de baten cruciaal is om de betalers van hun producten te kunnen blijven vragen hiervoor te betalen. Daarnaast heb ik in gesprek met de farmaceutische industrie de noodzaak benadrukt van de ontwikkeling van nieuwe businessmodellen. Ik merk daarnaast in mijn contacten met collega-ministers binnen en buiten Europa dat de steun voor de Nederlandse inzet snel groeit. Afgelopen jaar heb ik een ronde tafelconferentie georganiseerd in Den Haag en heb ik deelgenomen aan de vervolgconferentie in Lissabon/Portugal. In deze conferenties hebben de landen en de industrie hun posities geschetst en ook hun inzet aangegeven. Ik zet in vervolg op deze conferenties in op nadere uitwerking van de concrete casus antibiotica. Daarbij zijn verschillende zaken van belang. Ten eerste, om op EU niveau (en zo mogelijk breder) te onderzoeken wat in wet- en regelgeving in de EU snellere toelating blokkeert (met andere woorden: zou toelating tot de markt kunnen worden versneld, bijvoorbeeld in plaats van 10 jaar naar 5 jaar)? Ten tweede, of er andere businessmodellen voor antibiotica te ontwikkelen zijn (bijvoorbeeld in plaats van betalen per kuur, betalen voor de beschikbaarheid). Ten derde, over de ontwikkelings- en productiekosten volstrekte transparantie te hebben.
Is uw beleid om deze excessieve winsten tegen te gaan toereikend?
Mijn beleid grijpt op verschillende punten en niveaus in het systeem in om onverantwoord hoge prijzen en winsten tegen te gaan. Het betreft:
Ik heb er vertrouwen in dat we hiermee stappen in de goede richting zetten.
De discussie rondom de aanleg van een bypass bij Kampen |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de recente discussie over de aanleg van een bypass bij Kampen en de daarmee samenhangende plannen voor de bouw van bypassdorp Reeve?1
Ja, ik ben bekend met deze discussie.
Wat zijn de gevolgen voor de aanleg van de bypass als de door Kampen gewenste bouwplannen geen doorgang vinden? Wat is de rol van de rijksoverheid hierin?
De bypass bij Kampen wordt aangelegd ter bevordering van de waterveiligheid en is niet afhankelijk van de door de gemeente Kampen gewenste bouwplannen. De rijksoverheid (Ministerie Infrastructuur en Milieu) speelt geen rol bij de woningbouwplannen.
Heeft het mogelijk niet doorgaan van de bouwplannen gevolgen voor de financiering van de bypass? Zo ja, welke?
Het niet doorgaan van de bouwplannen heeft geen gevolgen voor de financiering van de bypass. De bypass wordt gefinancierd uit het Deltafonds.
Welke afspraken zijn gemaakt tussen de betreffende gemeente, provincie en het Rijk over de bypass? Worden deze afspraken onverkort nagekomen door betrokken partijen?
Er is in 2013 een Realisatieovereenkomst afgesloten tussen het Rijk en de provincie Overijssel met betrekking tot de realisatie van het project Ruimte voor de Rivier IJsseldelta. Dit project bestaat uit een zomerverdieping in de IJssel en de aanleg van de hoogwatergeul (bypass). Het Rijk betaalt hiervan 66% en provincie Overijssel betaalt 34%. Het Rijk heeft geen financiële afspraken met de gemeente Kampen.
Daarnaast is er in 2013 een Samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen 13 partijen, waaronder het Rijk, provincie Overijssel en gemeente Kampen met als doel om zorg te dragen voor;
Een goede bestuurlijke overgang van de Planvoorbereidingsfase naar de Realisatiefase van het project Ruimte voor de Rivier IJsseldelta
Het vastleggen van afspraken over de publieke samenwerking tussen Partijen ten aanzien van de afstemming van de publiekrechtelijke bevoegdheden in de Realisatiefase van het project Ruimte voor de Rivier IJsseldelta.
De Realisatieovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst worden door betrokken partijen nagekomen.
Met de halfjaarlijkse voortgangsrapportage Ruimte voor de Rivier wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Ruimte voor de Rivier project IJsseldelta Fase I (Reevediep).
De onafhankelijkheid van UWV-verzekeringsartsen |
|
Grace Tanamal (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u toelichten hoe een verzekeringsarts van het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) beoordeelt of iemand aanspraak kan maken op een WIA-uitkering (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)?
Als de persoon die een WIA uitkering aanvraagt een werkgever heeft, dan beoordeelt de verzekeringsarts eerst of de re-integratiekansen benut zijn. Is dit het geval, dan start de WIA claimbeoordeling.
In de claimbeoordeling onderzoekt de verzekeringsarts in hoeverre er beperkingen zijn in het functioneren die rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebrek en die maken dat de cliënt zijn werk niet kan verrichten. De verzekeringsarts stelt vast wat de resterende mogelijkheden in functioneren zijn, in de meeste gevallen door middel van een gesprek met de cliënt, eventueel gevolgd door een psychisch en lichamelijk onderzoek. Bij de beoordeling maakt de verzekeringsarts gebruik van de door de bedrijfsarts aangeleverde stukken, de actuele verzekeringsgeneeskundige standaarden, protocollen en beleidsinstructies. Eventueel vraagt de verzekeringsarts na schriftelijke toestemming van de cliënt aanvullende informatie op bij de behandelend arts.
De verzekeringsarts beargumenteert de medische beperkingen en mogelijkheden in functioneren in een medische en verzekeringsgeneeskundige rapportage en geeft deze weer in een zogenaamde Functionele Mogelijkheden Lijst (de FML). Vervolgens stelt de arbeidsdeskundige op basis hiervan en met behulp van arbeidsdeskundig onderzoek vast of er sprake is van ongeschiktheid voor de eigen functie en zo ja, wat dan het verlies aan verdienvermogen is. De arbeidskundige maakt hierbij gebruik van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en legt de conclusie beargumenteerd vast in een arbeidsdeskundige rapportage.
Soms concludeert de verzekeringsarts dat er sprake is van «Geen Benutbare Mogelijkheden». Arbeidsdeskundig onderzoek blijft in dat geval achterwege. De verzekeringsarts onderzoekt dan in hoeverre het ontbreken van mogelijkheden duurzaam is.
Wordt tijdens een bezwaar- en/of beroepsprocedure de beoordeling van de UWV-verzekeringsarts getoetst? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze beoordeling plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
In een bezwaarprocedure tegen het resultaat van de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden, wordt de beoordeling van de verzekeringsarts in beginsel heroverwogen, tenzij het bezwaar zich richt op een onderdeel waar de arbeidsdeskundige over gaat.
De heroverweging in bezwaar beperkt zich niet tot de aangevoerde bezwaren; er vindt een integrale heroverweging door de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep plaats. Deze heroverweging is gericht op de vraag of de verzekeringsarts de medische beperkingen en functionele mogelijkheden correct heeft vastgesteld. Als de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep concludeert dat dit niet het geval is volgt aanvulling en/of correctie.
In een beroepsprocedure toetst de bestuursrechter of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en of de verzekeringsgeneeskundige rapportages begrijpelijk en consistent zijn. De bestuursrechter kan in geval van twijfel aan de juistheid van de medisch-inhoudelijke beoordeling door de verzekeringsarts, die de grondslag vormt van de beslissing op bezwaar, zelf een onafhankelijk medisch deskundige inschakelen.
Deelt u de mening dat tijdens de bezwaar- en of beroepsprocedure een onafhankelijke verzekeringsarts de WIA-beoordeling dient te toetsen? Zo ja, hoe wordt deze onafhankelijkheid gegarandeerd? Zo nee, wat gaat u doen om de onafhankelijkheid te waarborgen?
In geval van een bezwaarprocedure vind ik dat een andere verzekeringsarts bij UWV het bezwaar in behandeling moet nemen dan degene die de bestreden beschikking heeft genomen. UWV borgt dit door medische aspecten van het bezwaar te laten beoordelen door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep. Dit betreft een andere verzekeringsarts dan degene die het primaire besluit heeft voorbereid en genomen.
Daarnaast is de afdeling waar de verzekeringsarts die de primaire beslissing neemt binnen UWV gescheiden van de afdeling waar de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep werkt. De inhoudelijke aansturing van verzekeringsartsen bij Bezwaar en Beroep is eveneens afzonderlijk georganiseerd en vindt plaats door stafverzekeringsartsen Bezwaar en Beroep.
Tot slot hanteert UWV een kwaliteitsborgingsysteem waarmee het professionele handelen van de verzekeringsartsen wordt gecontroleerd. Ook wordt er gewerkt met het Professioneel Statuut Verzekeringsartsen, dat een waarborg vormt voor een onafhankelijke claimbeoordeling door de verzekeringsarts.
Op deze wijze wordt de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de verzekeringsartsen, die in de bezwaar- en beroepsprocedure optreden, gewaarborgd.
Wordt een behandelend specialist (al dan niet aangedragen door de WIA-aanvrager) geraadpleegd tijdens de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling? Zo ja, in hoeverre wordt het oordeel van de behandelend specialist meegewogen tijdens de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling? Zo nee, waarom niet?
Een behandelend specialist wordt geraadpleegd als de verzekeringsarts dit medisch inhoudelijk noodzakelijk acht of als de cliënt hierop staat. Raadpleging van een behandelend specialist vindt alleen plaats nadat de betreffende cliënt hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven. Deze informatie wordt altijd meegewogen in de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
In de bezwaar- en beroepsprocedure kunnen belanghebbenden zelf medische gegevens van behandelende artsen inbrengen. De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep betrekt deze gegevens in alle gevallen bij de heroverweging van de medische beperkingen en functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep kan ook zelf informatie inwinnen bij behandelende artsen indien de verzekeringsarts dit noodzakelijk acht. Dat gebeurt alleen indien de cliënt hier toestemming voor geeft.
Kunt u uiteenzetten hoeveel bezwaren er op jaarbasis tegen een WIA-afwijzing worden ingediend bij het UWV? Kunt u daarbij aangeven in hoeverre deze bezwaren ongegrond, gegrond of niet-ontvankelijk verklaard worden?
Aantal ontvangen bezwaren in 2016 ten aanzien van afwijzing WIA
4.728
Aantal afgehandelde bezwaren tegen afwijzing WIA in 2016
5.646
Gegronde bezwaren tegen afwijzing WIA
1.218 (22%)
Ongegronde bezwaren tegen afwijzing WIA
3.503 (62%)
Ingetrokken bezwaren tegen afwijzing WIA
620 (11%)
Niet-ontvankelijke bezwaren tegen afwijzing WIA
305 (5%)
Aantal ontvangen beroepszaken in 2016 tav afwijzing WIA
1.293
Aantal afgehandelde beroepszaken in 2016
2.264
Gegronde beroepszaken tegen afwijzing WIA
341 (15%)
Ongegronde beroepszaken tegen afwijzing WIA
1.353 (60%)
Ingetrokken beroepszaken tegen afwijzing WIA
530 (23%)
Niet-ontvankelijke beroepszaken tegen afwijzing WIA
40 (2%)
Aantal ontvangen beroepszaken in 2016 tav afwijzing WIA
464
Aantal afgehandelde beroepszaken in 2016
478
Gegronde beroepszaken tegen afwijzing WIA
58 (12%)
Ongegronde beroepszaken tegen afwijzing WIA
310 (65%)
Ingetrokken beroepszaken tegen afwijzing WIA
105 (22%)
Niet-ontvankelijke beroepszaken tegen afwijzing WIA
5 (1%)
NB: Het aantal afgehandelde bezwaar-, beroeps- en hogerberoepszaken betreft instroom over meerdere jaren.
Kunt u uiteenzetten hoeveel beroepsprocedures (beroep of hoger beroep) er op jaarbasis tegen een WIA-afwijzing gevoerd worden? Kunt u daarbij aangeven in hoeverre deze beroepen gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard worden?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat 1 op de 3 mensen ontevreden is over de zorg en ondersteuning |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Bent u er trots op dat dankzij uw bezuinigingsbeleid 1 op de 3 mensen die in 2015 zorg of ondersteuning kregen, aangegeven hebben dat dit onvoldoende was?1 2
Allereerst hecht ik er aan te melden dat ik voor de beantwoording van deze vragen te rade ben gegaan bij het SCP.
In de vragen klinkt de veronderstelling door dat een groot aantal mensen noodzakelijke zorg en ondersteuning is onthouden. Dit blijkt niet uit het onderzoek «Zorg en ondersteuning in Nederland: kerncijfers 2015» van het SCP. Het onderzoek geeft inzicht in hoeveel mensen in Nederland zorg en ondersteuning ontvangen. Uit het onderzoek blijkt dat het deel van de volwassen bevolking dat hulp ontvangt gelijk is gebleven tussen 2014 en 2015, namelijk ongeveer 2 miljoen mensen. Hierbij is gekeken naar alle hulp; zowel hulp uit het eigen netwerk, hulp bekostigd door de overheid en hulp bekostigd uit eigen middelen. Er is gekeken naar informele hulp, hulp bij het huishouden, persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Zowel het deel van de bevolking dat informele hulp ontvangt, als het deel dat door de overheid bekostigde hulp bevat, als het deel dat particulier bekostigde hulp ontvangt is gelijk gebleven voor en na de invoering van de Wmo 2015.
Er is ook geen verband te leggen tussen de uitkomsten van dit onderzoek en bezuinigingen: de uitgaven aan de langdurige zorg bedragen in 2017 28,7 mld. In 2013 was dit 27,5 mld.
Zoals het SCP aangeeft kunnen uit dit onderzoek geen conclusies getrokken worden voor de langere termijn. De resultaten passen wel bij mijn beeld dat in de overgang van 2014 naar 2015 continuïteit van zorg en ondersteuning voorop stond.
Uit het onderzoek blijkt verder dat 8% van de zelfstandig wonende volwassenen meer hulp zou willen. Een deel hiervan (ongeveer 400.000 mensen) krijgt geen vorm van hulp en een ander deel (ongeveer 670.000 mensen) krijgt wel een vorm van hulp, maar geeft aan behoefte te hebben aan meer hulp. Deze aantallen zijn vergelijkbaar met 2014, een verband met hervormingen per 1 januari 2015 is er dus niet. Dat mensen behoefte hebben aan (meer) hulp betekent niet dat hen deze hulp is onthouden door de overheid. Het SCP geeft aan dat een behoefte aan (meer) zorg niet betekent dat mensen daar ook daadwerkelijk om gevraagd hebben. Op grond van het onderzoek is onbekend of door deze mensen binnen het eigen netwerk om hulp is gevraagd en of contact opgenomen is met een instantie zoals de gemeente. Uit eerder onderzoek is bekend dat dit vaak niet het geval is. Bijvoorbeeld uit een onderzoek naar de thuiszorg waar in het SCP onderzoek naar wordt verwezen bleek dat maar een kwart van de mensen met behoefte aan thuiszorg een aanvraag indiende. Verder is voor de duiding van deze cijfers van belang dat het gaat om een diverse groep mensen. Het gaat om mensen met meer en minder beperkingen, met een groot of klein eigen netwerk en met en zonder eigen financiële middelen om bijvoorbeeld een schoonmaakhulp in te schakelen. Het is dus niet bekend in hoeverre deze mensen zelf met hun omgeving in de behoefte aan hulp kunnen voorzien.
Het is van belang na te gaan welke hulp mogelijk is binnen het eigen netwerk en waar nodig contact op te nemen met bijvoorbeeld een Wmo-loket, wijkteam of wijkverpleegkundige. Ik hecht er veel waarde aan dat mensen passende ondersteuning krijgen. De Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg kennen waarborgen om hierin te voorzien.
Ik kijk bij de effecten van het beleid niet alleen naar de macro cijfers. Zonder te kijken naar de effecten op micro niveau, en vooral dus de ervaringen van cliënten zelf, valt niet vast te stellen of de doelstellingen van de hervormingen worden behaald. Een waardevol instrument vind ik de cliëntervaringsonderzoeken die nu door nagenoeg alle gemeenten zijn uitgevoerd. Daaruit blijkt dat ongeveer 7 tot 8 mensen op de tien tevreden is over de passendheid van de zorg en de wijze van bejegening. De resultaten zijn per gemeente te vinden op www.waarstaajegemeente.nl.
Hoe oordeelt u erover dat 670.000 mensen meer behoefte hadden aan zorg dan ze kregen? Wat is uw analyse hierover?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het ook schokkend te horen dat 400.000 mensen geen hulp kregen, maar zeiden dit wel nodig te hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat mensen in 2015 juist minder ondersteuning kregen van hun netwerk, terwijl dit volgens uw beleid wel de bedoeling is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit het onderzoek blijkt niet dat mensen minder ondersteuning kregen vanuit hun eigen netwerk. Het SCP geeft aan dat zowel in 2015 als in 2014 negen procent van de volwassen Nederlandse bevolking informele hulp ontvangt.
Erkent u het falen van uw bezuinigingsbeleid op de langdurige zorg, nu blijkt dat ruim een miljoen mensen (meer) zorg nodig hadden, maar dit niet kregen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat er vooral behoefte is aan meer hulp bij het huishouden en begeleiding? Deelt u de mening dat u hierop veel te hard bezuinigd hebt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend wat de kosten zijn van uitblijvende zorg of ondersteuning in het geval dat bij iemand de verwaarlozing of vervuiling moet worden verholpen in een deplorabel stadium, of wanneer mensen door gebrek aan zorg of ondersteuning in het ziekenhuis belanden of opgenomen moeten worden in intramurale setting? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo neen, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ik hecht samen met gemeenten en andere partijen veel waarde aan het voorkomen van situaties van verwaarlozing, vervuiling of onnodige opnames. In de eerste plaats voor mensen zelf. Preventie neemt dan ook een centrale plaats in binnen de Wmo 2015. Gemeenten hebben de taak om beleid te maken op het gebied van preventie en om mensen te voorzien in ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en participatie, als mensen hier niet zelf in kunnen voorzien. Via verscheidene trajecten zet ik verder in op bewustwording van het belang van goede preventie. De rol van VWS is dat we lokale partijen ondersteunen om met preventie aan de slag te gaan, onder meer via subsidiëring van veiligheid.nl en via Vilans wordt de kennis over wat werkt bij bijvoorbeeld valpreventie voor lokale partijen beschikbaar gesteld. De kosten indien iemand toch opgenomen moet worden zullen per geval en situatie verschillen en kunnen niet in zijn algemeenheid vastgesteld worden. Onderzoek hier naar acht ik dan ook niet zinvol.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de ruim 1 miljoen mensen de zorg krijgen die zij nodig hebben? Kunt u uw antwoord toelichten met concrete acties die u gaat inzetten?
Zoals hierboven aangegeven zijn er in de diverse wetten voldoende waarborgen dat mensen passende zorg krijgen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór 1 februari a.s.? Zo neen, waarom niet?
De vragen zijn bij deze beantwoord.
De ‘bijna ramp’ en illegale oliepraktijken voor de Nederlandse kust |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Ard van der Steur (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de reportage van Argos getiteld «De zaak Franz Schulte»?1 Zo nee, waarom niet?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de mening dat het uitvoeren van de chemische bewerkingen op het tankschip Franz Schulte voor de kust van Scheveningen in 2013 een ontzettend gevaarlijke operatie was? Zo nee, waarom niet?
Ja, om die reden is het sinds 1 januari 2014 volgens internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) onder de IMO verboden om productieprocessen aan boord van schepen gedurende zeereizen uit te voeren waarbij een chemische reactie tussen de lading van een schip en een andere stof of lading plaatsvindt. Nederland heeft het voortouw genomen om tot dit internationale verbod te komen.
Heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) goed in beeld hoe vaak dergelijke gevaarlijke praktijken zich voordoen? Zo ja, kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van vergelijkbare gevallen die bekend zijn bij de inspectiediensten? Zo nee, waarom niet?
Op basis van controles aan boord van schepen in havens heeft de ILT sinds 1 januari 2014 geen overtredingen van het verbod op chemische bewerkingen gedurende zeereizen vastgesteld. De ILT heeft het initiatief genomen om met andere inspectiediensten te bezien of nadere controles op ankerplaatsen voor de NL kust of op zee nodig zijn. Deze vraag wordt geagendeerd in het overleg Veilig Vervoer over Water, waarin de verschillende betrokken diensten vertegenwoordigd zijn – naast de inspectiediensten onder andere de Douane, het Havenbedrijf Amsterdam en Rotterdam, het OM en de KMAR.
Is er naast de milieurisico’s ook sprake van potentiële (volks)gezondheidsrisico’s die een stoomexplosie met zich mee zouden hebben gebracht? Zo ja, wat zijn deze risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Er kunnen bij chemische bewerkingen aan boord van schepen situaties ontstaan die potentieel risicovol zijn voor de (volks)gezondheid van zeevarenden en het milieu. Dit is een van de redenen dat chemische bewerkingen aan boord van schepen gedurende zeereizen niet meer toegestaan zijn.
Beschikt de ILT volgens u over voldoende capaciteit om de juiste risicoanalyses te maken voor dit type praktijken en kunt u voorts garanderen dat de ILT in staat is adequaat risico gestuurd toezicht toe te passen op dit type praktijken? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de capaciteit van de ILT heb ik u naar aanleiding van de motie (Kamerstuk 34 300 XII, nr. 54) van het lid Smaling om taken en budget van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) meer met elkaar in evenwicht te brengen, in de brief van 8 maart 2016 geïnformeerd dat ik hier onderzoek naar doe. In dat kader worden op basis van een strategisch georiënteerde analyse risico’s voor alle taken en domeinen onderling gewogen en gerelateerd aan de inzet van de ILT.
Naast de inzet door de ILT is overigens van belang dat ook andere instanties via de kustwacht toezicht houden op schepen voor de Nederlandse kust.
Bent u op de hoogte hoe onze buurlanden met dergelijke praktijken om gaan? Zo ja, kunt u de Kamer hier meer informatie over verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Er is sprake van een internationaal verbod. Ik ga er derhalve vanuit dat buurlanden eveneens op dit verbod handhaven. Omdat de handhaving per land verschillend geregeld is en er geen internationale database is van deze overtredingen, kan ik u hier zonder nader onderzoek geen nadere informatie over verschaffen. Wel kan ik u aangeven dat er structureel overleg tussen inspectiediensten van lidstaten bestaat waarbij dergelijke misstanden aan de orde kunnen worden gesteld. Voor zover bekend is dat met dit onderwerp nog niet gebeurd.
Bent u van mening dat er beter moet worden samengewerkt met onze buurlanden als het gaat over de inspectie van chemische bewerkingen op zee? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Andere landen controleren net zoals Nederland op de naleving van SOLAS regelgeving. Op basis van de uitkomst van het initiatief zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3, zal ik beoordelen of betere samenwerking nodig is tussen buurlanden als het gaat over de inspectie van het internationale verbod op chemische bewerkingen op zee aan boord van schepen.
Bent u bereid om deze problematiek internationaal op de agenda te zetten? Zo ja, kunt u toezeggen dat dit tijdens de eerstvolgende Milieuraad wordt besproken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hiervoor aangaf is er eerst meer informatie nodig. Indien daaruit blijkt dat het internationale verbod om fysieke vermengingvanvloeibare bulkladingen en productieprocessen tijdenszeereizen uit te voeren overtreden wordt, kan dit enkel in samenwerking met buurlanden gehandhaafd worden. In dat geval zal ik dit ook internationaal bespreken. Dit is nog niet aan de orde.
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg Scheepvaart dat op 16 februari 2017 gepland is? Zo nee, waarom niet?
Nee dat was niet haalbaar. Het Algemeen overleg Scheepvaart heeft eerder plaatsgevonden, namelijk op 2 februari 2017. Vanwege de verzameling van informatie en de afstemming met betrokken organisaties was het niet mogelijk om alle vragen voor 2 februari 2017 te beantwoorden.
De bezinningsperiode in de Drentse Veenkoloniën |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht in het Dagblad van het Noorden dat u het inlassen van een bezinningsperiode als onuitvoerbaar bestempelt?1
Ja.
Deelt u de mening dat lokaal draagvlak essentieel is in de transitie naar een duurzame economie?
De energietransitie heeft een grote impact op de fysieke ruimte en de leefomgeving van mensen, zeker waar het gaat om de realisatie van grootschalige duurzame energieprojecten. In de energietransitie moet dan ook steeds een afweging worden gemaakt tussen het nationale en het lokale belang. Ik ben van mening dat het hierbij op de juiste wijze informeren en betrekken van de omgeving cruciaal is en ik span mij hiervoor in. Zoals ik ook in mijn visie op het omgevingsmanagement (Kamerstuk 31 239/30 196, nr. 211) heb aangegeven, is het wel van belang om hierbij te beseffen dat het streven naar betrokkenheid van burgers, bedrijven en organisaties er niet altijd toe leidt dat er consensus ontstaat. Het blijft mijn verantwoordelijkheid als bevoegd gezag om besluiten te nemen.
Deelt u de mening dat de motie van de leden Smaling/Vos2 niet vraagt om in lopende beroepsprocedures bij de Raad van State te interveniëren, maar wel om een bezinningsperiode in te lassen en die te gebruiken om een «zoektocht naar alternatieven te starten die dezelfde hoeveelheid duurzame energie opleveren»?
Met de genoemde motie heeft uw Kamer de regering verzocht om een periode van bezinning in te lassen. In september 2016 heb ik echter al samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu een definitief besluit genomen, waarmee het windpark ruimtelijk is ingepast en is vergund. Zoals ik in mijn brief van 19 januari 2017 heb aangegeven ben ik niet bereid het besluit in te trekken omdat het daarmee onmogelijk wordt voor Drenthe om de in IPO verband overeengekomen provinciale doelstelling voor windenergie op land te realiseren en het grote druk zet op de andere doelstellingen en afspraken uit het Energieakkoord.
Wilt u het verzoek vanuit de regio en de Tweede Kamer serieus nemen en de beroepstermijn van de Raad van State (uiterlijk 18 mei 2017) gebruiken als «bezinningsperiode»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen gedurende deze beroepsprocedure: 1) geen onomkeerbare stappen te nemen in het plaatsen van de windmolens; 2) serieus te kijken naar alternatieven in samenwerking met de betrokken gemeenten en de provincie Drenthe en 3) om tafel te gaan met alle betrokkenen, en tot een mogelijk akkoord te komen met de omwonenden, de exploitanten van de windmolens en de initiatiefnemers van alternatieve vormen van duurzame energie om zo tot een breed gedragen besluit te komen?
In afwachting van de uitspraak van de Raad van State zal geen begin met de plaatsing van de windmolens worden gemaakt. Eerder heb ik de betrokken gemeenten en provincie al laten weten bereid te zijn samen met hen naar plannen voor zonne-energie te kijken. Die plannen kunnen mogelijk in aanvulling op de bestaande afspraken en plannen bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen op de langere termijn.
De hoge werkdruk en het lage salaris van leraren |
|
Jasper van Dijk |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Deelt u de conclusie van de Algemene Onderwijsbond (AOb), dat in het onderwijs structureel wordt overgewerkt? Zo ja, vindt u dat acceptabel? Zo nee, waarom niet?1
Het onderzoek van de AOb laat zien dat leraren veel uren werken en bepaalde werkzaamheden als zwaar ervaren. Samen met de AOb maak ik mij zorgen over het grote aantal leraren dat aangeeft dat de werkdruk heel hoog is en om die reden zelfs uitvalt. Er gebeurt gelukkig ook al heel veel om de werkdruk te verlagen. Maar de oplossing is niet eenvoudig. Werkdruk kent veel oorzaken. Zie ook vraag 4.
Deelt u de mening dat veel problemen uit het onderzoek voortkomen uit een tekortschietende financiering van het onderwijs? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Nee, ik deel deze mening niet. In mijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer «Kunnen basisscholen passend onderwijs aan?» heb ik al eerder mijn standpunt weergegeven dat besturen, mits zij de juiste keuzes maken en anticiperen op ontwikkelingen met financiële consequenties, uit kunnen komen met de beschikbare middelen en goed onderwijs kunnen leveren.3 De Algemene Rekenkamer constateerde een jaar later ook dat het financiële beeld van het voortgezet onderwijs ook niet ongunstig is.4 Ik heb daarbij onderkend dat alertheid geboden was. Mede met het oog daarop heeft het kabinet, ondanks de eerdere economische tegenwind, sindsdien per saldo verder geïnvesteerd in het primair en voortgezet onderwijs. Besturen hebben er mede door de investeringen van de afgelopen jaren voor gezorgd dat scholen een solide financiële basis hebben.5 Ik word door deze ontwikkelingen gesterkt in mijn overtuiging dat besturen met de huidige bekostiging tot goed onderwijs kunnen komen.
Erkent u dat er structureel wordt overgewerkt door leraren, aangezien leraren basisonderwijs gemiddeld 47 uur per week werken en leraren voortgezet onderwijs gemiddeld 45 uur? Zo nee, op welk onderzoek baseert u uw antwoord?
Het is zorgelijk dat zoveel leraren aangeven dat zij gemiddeld 47 uur per week werken. Het zijn vooral de extra (vaak administratieve) taken die volgens het onderzoek van de AOb leiden tot een hoge werkdruk en niet het lesgeven zelf. Dit blijkt ook uit eerder onderzoek van CNV Onderwijs naar werkdruk.6
Uit internationaal onderzoek, uitgevoerd in 2013, bleek dat een gemiddelde werkweek van een Nederlandse leraar in de onderbouw van het voortgezet onderwijs met een voltijdbaan (≥ 0,9 fte) toen redelijk overeenkwam met het aantal uren dat in de cao VO is afgesproken (circa 42 uur).7
Wat is er in de afgelopen kabinetsperiode gedaan om de werkdruk bij docenten te verlagen?
In deze kabinetsperiode is er veel gedaan. In het Nationaal Onderwijsakkoord heb ik met de Stichting van het Onderwijs afspraken gemaakt over het verlagen van de werk- en regeldruk. We hebben dat vertaald in een Regeldrukagenda en zijn druk bezig met het uitvoeren van de afspraken uit deze agenda, samen met de sociale partners. Over de voortgang van de Regeldrukagenda heb ik u begin december geïnformeerd.8
Begin dit jaar ben ik met enkele scholen begonnen aan de «Operatie regels ruimen». Hierin gaan scholen aan de slag om onnodige administratie en taken te schrappen en zo efficiënter met het begrip «tijd» om te gaan. Voor de zomer komt hier materiaal van beschikbaar dat via www.leraar.nl wordt gedeeld met andere scholen.
De inspectie is gestart met een groot communicatietraject. Dit heeft inmiddels al tot goede resultaten geleid. Op de website van de AOb stond eind januari 2017 een mooi voorbeeld van de Christelijke Onderwijsgroep Drenthe (COG). Op alle 18 basisscholen van dit bestuur wordt op advies van een inspecteur veel minder administratie bijgehouden en alleen het hoognodige opgeschreven over de zorg rondom leerlingen. Dit is gebeurd op initiatief van enkele leraren na een gesprek met de inspectie. Het werkt dus wanneer leraren binnen hun school vaker de «waarom» vraag stellen: waarom doe ik dit en wat levert het me op? En als die vraag niet goed beantwoord kan worden door de schoolleider of het bestuur, kan de keuze gemaakt worden iets niet of anders te doen.
Ook het Vervangingsfonds ondersteunt scholen en leraren om de stijgende tendens ten aanzien van de ervaren werkdruk (en werkstress) in het primair onderwijs te doorbreken.
Deelt u de mening dat het hoge aantal docenten met een burn-out, leidt tot extra vacatures? Zo ja, bent u bereid het probleem van het structurele overwerk niet eenzijdig op de tafel van de cao-partners te leggen, maar te erkennen dat extra investeringen noodzakelijk zijn? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Het ziekteverzuim in het primair en voortgezet onderwijs laat al een aantal jaren een stabiel beeld zien. In het primair onderwijs was dit in 2015 rond de 6 procent en in het voortgezet onderwijs circa 5 procent. Het aantal (vervangings)vacatures als gevolg van ziekte is dus niet toegenomen. Dit neemt echter niet weg dat het essentieel is dat schoolbesturen met goed HRM-beleid het ziekteverzuim verder naar beneden brengen.
Het is belangrijk dat leraren zich in voldoende mate gesteund voelen in hun werk en voldoende tijd en aandacht kunnen besteden aan hun hoofdtaken. De leraar is immers de spil van ons onderwijs en absoluut onmisbaar. De oplossing voor de ervaren hoge werkdruk is niet eenvoudig en maar beperkt te beïnvloeden door landelijk beleid. Aandacht voor de werkdruk die een leraar ervaart, is in de eerste plaats een zaak van de leraar en diens leidinggevende. Een onevenredig hoge werkdruk kan immers heel veel oorzaken hebben en in het gesprek met de leidinggevende moet gezocht worden naar oplossingen. Verder is de afgelopen jaren ook flink geïnvesteerd in het onderwijs (zie vraag 2).
Erkent u dat de resultaten van dit onderzoek het gelijk aantonen van docente Denise Hupkens, die procedeerde tegen haar werkgever omdat de taken die ze moest verrichten bij lange na niet in de uren pasten waarvoor ze betaald werd?3
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, is het in de eerste plaats een zaak van de leraar en diens leidinggevende om samen oplossingen te vinden voor een te hoge werkdruk. In de situatie van Denise Hupkens is dat helaas niet gelukt. Overigens heeft de rechter Denise Hupkens in het ongelijk gesteld. De rechter heeft bepaald dat het schoolbestuur correct heeft gehandeld. Het taakbeleid van de school is goedgekeurd door de medezeggenschapsraad en past binnen de contouren die de cao schetst.
Erkent u dat klassenverkleining een probaat middel is om de werkdruk te verlagen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen?
Werkdruk ligt niet (alleen) aan de groepsgrootte. Sommige groepen van 16 leerlingen zijn pittiger dan sommige groepen van 30 leerlingen. Ik ben geen voorstander van een generieke maatregel om de klassen te verkleinen. Scholen en besturen delen groepen in. Er kan gekozen worden voor kleine groepen, maar er kan ook voor gekozen worden om de groepen wat groter te houden zodat er geld en/of ruimte in de formatie over is voor het inzetten van ander personeel. Er zijn schoolbesturen die vanuit hun onderwijsvisie werken met grotere klassen waar meerdere docenten of een docent met een onderwijsassistent voor de klas staan.
Erkent u dat verlaging van het aantal lesuren nodig is om de werkdruk voor leraren te verminderen? Hoe staat het met de uitvoering van de motie om het aantal lesuren te verminderen?
De brief met de uitwerking van de motie «meer tijd voor onderwijsverbetering» wordt eind februari naar uw Kamer gestuurd.
Erkent u dat verlaging van de administratieve lasten bijdraagt aan de vermindering van de werkdruk? Zo ja, wat onderneemt u hiertegen?
Zie vraag 4.
Heeft u de moed om toe te geven dat u er de afgelopen vier jaar onvoldoende in geslaagd bent om het onderwijs aantrekkelijk te maken, aangezien 1 op de 8 leraren op zoek is naar een andere baan?
Het onderwijs is geen onaantrekkelijke sector. Veel leraren gaan met plezier naar hun werk. Uit de hbo-monitor van het ROA die kort geleden is verschenen, blijkt dat 87 procent van de afgestudeerden van de lerarenopleiding achteraf weer de keuze voor de opleiding zou hebben gemaakt.10 Daarmee scoort de sector onderwijs het hoogst van alle sectoren binnen het hbo.
Maar ook het onderzoek van de AOb laat zien dat veel leraren met plezier naar hun werk gaan. Dat neemt niet weg dat ik de signalen over hoge werkdruk wel degelijk serieus neem. Ze moet echter wel in perspectief worden geplaatst. Er zijn zaken die verbeterd kunnen worden. Daar wordt ook volop aan gewerkt, zoals u onder andere kunt lezen in de antwoorden bij vraag 4.
Uitspraak van de Hoge Raad over medezeggenschap in zorginstellingen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 december 2016 over medezeggenschap in zorginstellingen?1
Ja.
Deelt u de mening dat medezeggenschap voor cliënten en hun verzorgenden zo lokaal mogelijk dient te worden vormgegeven? Zo ja, hoe staat u tegenover deze uitspraak en de verwijzing naar verantwoordelijkheid van de wetgever? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij de totstandkoming van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna Wmcz) is het dan ook de bedoeling van de wetgever geweest de medezeggenschap dichtbij de plaats waar de zorg wordt verleend te laten plaatsvinden.
De Hoge Raad stelt in zijn arrest dat er vanwege een aantal wetswijzigingen en maatschappelijke ontwikkelingen wat betreft het organisatorisch niveau van medezeggenschap spanning is ontstaan tussen de huidige wettekst van de Wmcz en de bedoelingen die de wetgever ten tijde van de totstandkoming van de Wmcz blijkens de memorie van toelichting voor ogen heeft gehad. Hij meent dat verduidelijking over het niveau waarop de medezeggenschap plaats dient te vinden, gewenst is en dat het aan de wetgever is deze verduidelijking te bieden.
Ik zal de gewenste verduidelijking aanbrengen in het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Zo heb ik het voornemen om specifiek voor instellingen waar mensen langdurig verblijven en instellingen die thuis zorg verlenen aanbieders te verplichten een cliëntenraad per locatie, zorgsoort of doelgroep in te stellen indien cliënten of hun vertegenwoordigers beargumenteerd hierom verzoeken.
Kunt u aangeven welke gevolgen deze uitspraak volgens u heeft voor de medezeggenschap in zorginstellingen?
Op grond van het arrest van de Hoge Raad zouden zorgaanbieders kunnen volstaan met één cliëntenraad per zorgaanbieder, maar het is niet te verwachten dat zorgaanbieders nu opeens zullen besluiten tot het opheffen van cliëntenraden. Veelal werkt de medezeggenschap naar tevredenheid, zowel voor de zorgaanbieder als de cliëntenraad, en heeft de zorgaanbieder geen reden om opheffing te wensen. Bovendien dient bij de opheffing van een cliëntenraad de medezeggenschapsregeling ingetrokken te worden. Daarvoor is, als de cliëntenraad er niet mee instemt, toestemming van een commissie van vertrouwenslieden nodig.
Toetsingscriterium is dan of een zorgaanbieder in redelijkheid tot opheffing kan komen (art. 4, tweede lid, Wmcz). Het lijkt mij niet aannemelijk dat de commissie zal vinden dat daar sprake van is, indien de enige aanleiding voor het opheffingsvoornemen is dat het arrest van de Hoge Raad dat mogelijk maakt. Dit mede in het licht van het komende wetsvoorstel, dat, zoals in het antwoord op vraag 1 wordt beschreven, streeft naar cliëntenraden dichtbij de cliënt.
Klopt het dat in het wetsvoorstel voor de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) het instellingsbegrip wordt losgekoppeld van een toelating in het kader van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi)? Zo ja, hoe wordt het instellingsbegrip in het wetsvoorstel omschreven?
Ja. Mijn voornemen is voor het begrip «instelling» aansluiting te zoeken bij de definitie uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz).
Kunt u toezeggen dat cliënten en patiëntenraden in de nieuwe wet niet alleen per instelling (zo lokaal mogelijk) zeggenschap krijgen, maar dat dit ook wordt gefaciliteerd door een apart budget en ondersteuning per raad en locatie vast te stellen?
Om zich onafhankelijk van het bestuur op te kunnen stellen, is het belangrijk dat de cliëntenraad de beschikking heeft over voldoende faciliteiten en voldoende middelen. Ik ben voornemens om in het wetsvoorstel te regelen dat de instelling de cliëntenraad het gebruik dient toe te staan van de voorzieningen die de cliëntenraad redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak en de kosten dient te financieren die de cliëntenraad redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak.
Bent u voornemens om op korte termijn maatregelen te treffen, zodat lokale cliëntenraden na deze uitspraak niet zomaar opgeheven worden? Zo ja, kunt u aangeven welke maatregelen dat zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er zijn voldoende mogelijkheden voor cliëntenraden om zich te weren tegen mogelijke wijzigingen in de medezeggenschapsstructuur.
Hoe wilt u voorkomen dat de vertraging in de wetgeving over medezeggenschap ertoe leidt dat cliënten en patiënten het sluitstuk worden van beleid, nu de governance en positie van bestuurders al wel is geregeld, maar de medezeggenschap nog niet?
Belangrijk doel van het wetsvoorstel is de versterking van de positie van cliënten en van hun medezeggenschap. Veel cliëntenraden en hun koepels hebben uitvoerig gereageerd tijdens de internetconsultatie van het wetsvoorstel. Deze reacties zijn zeer vruchtbaar gebleken voor verdere en nog meer gerichte versterking van de positie van cliënten en cliëntenraden. Zij leiden tot fundamentele aanpassingen van het wetsvoorstel en kosten daarom iets meer tijd dan aanvankelijk voorzien. Ik vind het belangrijk – juist ter versterking van de positie van cliënten – om deze aanpassingen toch door te voeren.
Kunt u aangeven op welke termijn u de nieuwe Wmcz naar de Kamer stuurt?
Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in maart in de ministerraad besproken, waarna het zal worden aangeboden aan de Raad van State. Ik verwacht dit wetsvoorstel na ommekomst van de Raad van State bij uw Kamer in te dienen.
Het bericht dat het voertuig van een rijschool onverzekerd is wanneer er een medische testrit bij het CBR wordt afgenomen |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Rijscholen vrezen onverzekerd te zijn bij medische rijtesten»?1
Van het Verbond van Verzekeraars heb ik begrepen dat hun leden gewoon schade vergoeden die ontstaat bij het afnemen van medische rijtesten met een lesauto. Ook het CBR kent geen concrete gevallen waarbij het probleem dat wordt beschreven in het artikel zich heeft voorgedaan. Het is belangrijk dat er geen onduidelijkheden zijn bij rijschoolhouders. Daarom zullen het CBR en het Verbond van Verzekeraars op mijn verzoek ervoor zorgen dat de onduidelijkheden worden weggenomen.
Klopt het dat wanneer iemand een medische testrit bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) moet ondergaan en diegene op dat moment een verlopen rijbewijs heeft of nog helemaal geen rijbewijs heeft, er geen dekking is voor het voertuig van de rijschool vanuit de verzekeringmaatschappij omdat er geen sprake is van rijden onder toezicht?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak komt het voor dat het CBR testritten afneemt waarbij geen sprake is van dekking vanuit de verzekeringsmaatschappij?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het CBR in zo’n geval de test altijd moet laten afnemen door iemand met een geldige Wet rijonderricht motorrijtuigen-pas (Wrm-pas), zodat er wel sprake is van rijden onder toezicht?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals hiervoor toegelicht keren verzekeraars schade gewoon uit. Bij een medische rijtest is wettelijk gezien geen sprake van rijonderricht en daarmee niet van rijden onder toezicht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Het betreft het beoordelen van de medische geschiktheid van een bestuurder door een door het CBR aangewezen deskundige, zoals bedoeld in artikel 4aa van de Wegenverkeerswet 1994.
Is dit probleem te ondervangen door een wijziging van de wet?
Gezien mijn antwoord op vragen 1, 2 en 3 zie ik geen aanleiding voor wijziging van regelgeving.