De beveiliging van websites van Nederlandse ambassades |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over de inadequate beveiliging van websites van Nederlandse ambassades?1 Klopt het dat de websites van de Nederlandse ambassades in Afghanistan, China, Egypte en Soedan nog altijd onvoldoende zijn beveiligd?
Nee, het klopt niet dat de websites van de Nederlandse ambassades in de vier genoemde landen nog altijd onvoldoende zijn beveiligd.
Op 4 april jongstleden zijn de nieuwe websites van het ministerie www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl gelanceerd, die onder andere de genoemde websites van de posten vervangen. Deze nieuwe sites gebruiken voor de beveiliging onder andere het HTTPS communicatieprotocol en dwingen het gebruik daarvan door de browsers van bezoekers af.
De berichtgeving betrof de constatering dat een groot percentage overheidswebsites voor hun beveiliging het HTTPS communicatieprotocol niet of niet goed ingericht hadden voor hun websites. Zie hiervoor tevens de beantwoording van de kamervragen van Amhaouch2 en Oosenburg/Kerstens3 eerder dit jaar.
De in de vragen genoemde websites maakten ten tijde van de berichtgeving niet voor alle pagina’s van de websites gebruik van het HTTPS communicatieprotocol en dwongen het gebruik daarvan ook niet af voor de browser van bezoekers. De noodzakelijk geachte mate van het beveiligen van de verbinding naar een overheidswebsite hangt af van de vraag of de website (persoons-) al dan niet gevoelige informatie uitwisselt. In de genoemde websites werd niet naar persoonsgevoelige informatie gevraagd, zodat het veiligheidsrisico gering was.
Het ministerie heeft recentelijk een omvangrijk project afgerond om de ruim 240 websites van de posten, waartoe de genoemde websites behoorden, te vervangen door twee nieuwe websites: www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl. De beveiliging van de nieuwe websites is ingericht conform de meest recente beveiligingseisen, inclusief het afdwingen van het HTTPS communicatieprotocol voor de gehele websites. Hiermee voldoen deze websites – ruim voor de deadline (eind 2017)die het Nationaal Beraad Digitale Overheid daarvoor vaststelde – aan de eis van het gebruiken van versleutelde verbindingen op overheidswebsites.
Wat zijn de risico's voor bezoekers van deze websites, aangezien er geen veilige verbinding via HTTPS tot stand kan worden gebracht omdat bezoekers worden terug verwezen naar een HTTP-website?2
HTTPS is een communicatieprotocol dat ervoor zorgt dat bezoekers de identiteit van de webserver / website kunnen controleren. Voorts beveiligt HTTPS de communicatie tussen de webserver en de browser door deze te versleutelen. Het protocol beveiligt in belangrijke mate tegen het afluisteren en het manipuleren van de communicatie tussen de webserver en de browser.
Het risico voor de bezoekers van een website zonder HTTPS is beperkt indien er geen (persoons-)vertrouwelijke informatie wordt uitgewisseld, zoals bij de betreffende websites het geval was.
Klopt het dat deze risico’s al enige tijd bekend zijn bij uw ministerie en dat bezoekers al maanden onnodig veel risico lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer verwacht u een oplossing te hebben voor het beveiligingsprobleem?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht “Uitzettingen lopen spaak” |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u het dat kansloze asielzoekers massaal hun uitzetting / vertrek naar het land van herkomst traineren door steeds nieuwe verblijfsaanvragen te doen of bezwaar- en beroepsprocedures te beginnen?1
Het artikel in de Telegraaf waaraan u refereert, is opgesteld naar aanleiding van de publicatie van de Rapportage Vreemdelingenketen 2016. Op 21 maart 2017 heb ik uw Kamer een kopie van de rapportage toegestuurd. Uit de Rapportage Vreemdelingketen blijkt dat het aantal ingediende beroepen tegen de afwijzing van een asielverzoek in 2016 met 66% is gestegen ten opzichte van 2015. Deze stijging kan worden verklaard door het hogere afwijzingspercentage op eerste asielaanvragen in 2016 als gevolg van de samenstelling van de instroom, in combinatie met een hogere productie van de IND. Uit de Rapportage blijkt voorts dat, anders dan uw vraag lijkt te suggereren, in 2016 het aantal tweede en volgende aanvragen afnam met 15%, ten opzichte van 2015.
Ik hecht aan een zorgvuldige asielprocedure die bescherming biedt aan degenen die dat nodig hebben. Het recht op een effectief rechtsmiddel is voor mij een vanzelfsprekende standaard voor een zorgvuldige asielprocedure. Wel heb ik, zoals ik u reeds heb bericht in mijn Kamerbrieven van 17 november 2016 en 13 december 20162, een aantal gerichte maatregelen getroffen tegen de ontwikkeling dat te vaak oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het asielrecht door personen die geen bescherming nodig hebben. In dat kader zijn voor zaken waarin er sprake is van overlastgevende vreemdelingen met de rechtbanken afspraken gemaakt over de mogelijkheden om tot een verdere versnelling van de behandeling van het beroep te kunnen komen. Voorts wordt, zoals gemeld in de hiervoor genoemde Kamerbrieven, door de Raad voor Rechtsbijstand in de vorm van een pilot onderzocht in hoeverre, binnen het bestaande juridische kader, kansloze procedures kunnen worden voorkomen. Ook steunt Nederland EU voorstellen in het kader van de hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel die misbruik van asielprocedures ter frustratie van terugkeer helpen verminderen en voorkomen.
Hoeveel van deze vreemdelingen blijven (daardoor) in Nederland hangen?
Of een asielzoeker de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten is afhankelijk van de redenen van afwijzing van zijn asielaanvraag. Indien de asielaanvraag is afgewezen omdat de asielzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst, krijgt de asielzoeker een terugkeerbesluit om Nederland onmiddellijk te verlaten en mag hij de behandeling van zijn beroep niet in Nederland afwachten. Wel kan de asielzoeker een voorlopige voorziening aanvragen waarmee hij de rechtbank verzoekt de uitkomst van de beroepsprocedure wel in Nederland te mogen afwachten. Op grond van de EU-Procedurerichtlijn mag de vreemdeling de behandeling van een (eerste) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland afwachten.
Bent u bereid onmiddellijk maatregelen te treffen om dit uit de hand gelopen procedurestapelen tegen te gaan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en de daarin beschreven maatregelen.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is de grenzen voor asielzoekers te sluiten teneinde alle problemen die gepaard gaan met de asielinstroom te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Tot een asielstop ben ik niet bereid. Ik hecht, zoals gezegd, aan een zorgvuldig asielbeleid dat bescherming biedt aan degenen die dat nodig hebben. Overigens zou een asielstop strijdig zijn met de internationale en verdragsrechtelijke verplichting tot het in behandeling nemen van een asielaanvraag. Tegelijk tref ik gerichte maatregelen als ik constateer dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het asielrecht door personen die evident geen bescherming nodig hebben.
De behandeling van Pakistaanse asielzoekers en vluchtelingen in Thailand |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Paniek onder asielzoekers in Thailand»?1
Ja.
Beschouwt Thailand het lot van vluchtelingen en asielzoekers binnen de landsgrenzen nog altijd als een immigratiezaak? Heeft u signalen dat Thailand momenteel werk maakt van ratificatie van het VN-Vluchtelingenverdrag van 1951?
Thailand beschouwt het lot van vluchtelingen en asielzoekers binnen de landsgrenzen nog altijd als een immigratiezaak. Er zijn geen tekenen dat de Thaise regering haar standpunt herziet inzake het VN-Vluchtelingenverdrag van 1951. Tijdens de VN-top voor vluchtelingen en migranten van september 2016 deed premier Prayut Chan-o-cha evenwel een toezegging om de bescherming van vluchtelingen in Thailand te verbeteren. Het besluit van het Thaise kabinet van 10 januari 2017 om een screeningsmechanisme in te stellen voor niet- gedocumenteerde immigranten en vluchtelingen bouwt hierop voort en wordt door de UNHCR als een stap in de goede richting gezien.
In hoeverre kan geconcludeerd worden dat Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers in Thailand vanwege hun afkomst, zichtbaarheid en veelal beperkte bestaansmiddelen in verhouding kwetsbaarder zijn voor arbitraire detentie?
Alle vluchtelingen en asielzoekers worden door de Thaise autoriteiten aan dezelfde behandeling onderworpen; Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers zijn geen specifiek doelwit. UNHCR (Bangkok) heeft desgevraagd niet de indruk dat een bepaalde bevolkingsgroep momenteel oververtegenwoordigd is in detentie-faciliteiten.
Welke resultaten heeft de dialoog die Nederland, ook in EU-verband, met Thailand onderhoudt over de mensenrechtensituatie en de situatie van vluchtelingen en asielzoekers in het land tot dusver concreet opgeleverd?
Nederland en de EU bespreken regelmatig mensenrechtenschendingen en de bescherming van vluchtelingen met de Thaise autoriteiten, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Voorts is deze problematiek aan bod gekomen in multilateraal verband tijdens onder meer de UPR en ICCPR. Nederland volgt de situatie nauwgezet en zal zolang de situatie daarom vraagt zowel bilateraal als internationaal hiervoor aandacht blijven vragen. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Wat doet Nederland, of wat kan Nederland doen, om NGO’s in Thailand die zich met vluchtelingen, asielzoekers en rechtsstaatontwikkeling in Thailand bezig houden, verder te ondersteunen?
Nederland levert steun aan opvang van vluchtelingen en asielzoekers via de bijdrage aan de European Civil Protection and Humanitarian Aid Operations (ECHO).
Ziet u aanleiding om, in navolging van een hervestigingsmissie van de IND naar Thailand begin 2015 waarbij Nederland 38 Pakistaanse vluchtelingen accepteerde voor hervestiging, over te gaan tot het accepteren van extra Pakistaanse vluchtelingen – ook gezien hun verhoudingsgewijs grote kwetsbaarheid en gezien het levensgevaar dat zij lopen bij terugkeer naar hun eigen land? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor het hervestigingsbeleid en de uitvoering daarvan. Zoals gemeld in diens brief aan de Kamer over het meerjarig beleidskader hervestiging 2016–2019 (Kamerstuk 19 637, nr. 2087) wordt de bestemming van hervestigingsmissies bepaald aan de hand van de jaarlijkse Projected Global Resettlement Needs van de UNHCR, relevante ontwikkelingen in het Europese en multilaterale kader, evenals het bredere Nederlandse migratie- en terugkeerbeleid. Ook spelen operationele overwegingen een rol, zoals de veiligheidssituatie in het land van opvang. De missieplanning voor heel 2017 is nog niet bepaald.
De berichten ten aanzien van het starten van een Vrije School in Schin op Geul |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Wel of geen Vrije School in Schin op Geul?» van 24 januari1 en «Ouders willen vrije school openen in Schin op Geul» van 17 maart jl.?2
Ja.
Zijn bij u ook andere soortgelijke initiatieven bekend? Kunt u daar een overzicht van geven? Lopen deze initiatieven tegen dezelfde problematiek aan?
Er zijn mij verschillende initiatieven bekend waarin een groep ouders zich heeft verenigd omdat zij vrije schoolonderwijs wensen en dat niet in de directe omgeving beschikbaar is. Daarnaast is er ook een aantal initiatieven voor andere typen onderwijs. Ik heb echter geen volledig overzicht van schoolinitiatieven. Deze initiatieven proberen op verschillende manieren, al dan niet in samenwerking met bestaande schoolbesturen, hun onderwijsidee te realiseren.
Nu heb ik moeten constateren dat een groot deel van deze initiatieven daarbij aanloopt tegen belemmeringen in de wet- en regelgeving. Zij geven aan dat de huidige wet- en regelgeving hen niet de mogelijkheden biedt om de school te starten die aansluit bij hun wensen, ondanks dat de Grondwet dit recht wel garandeert. Daarbij kan ik me goed voorstellen dat deze situatie teleurstellend is, zeker als er een grote groep ouders en leerlingen is die duidelijk aangeeft behoefte te hebben aan een bepaalde nieuwe school.
Deze signalen neem ik dan ook serieus. Daarom heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding dat in de toekomst meer mogelijkheden biedt om op basis van daadwerkelijke belangstelling en een toets op de kwaliteit, een school te kunnen starten.
In hoeverre vindt u dat ook in gebieden waar sprake is van leerlingendaling ruimte moet zijn om een nieuwe school te starten als deze in een behoefte voorziet waar veel vraag naar is?
Ik vind het belangrijk dat het onderwijsaanbod in een regio aansluit bij de wensen van ouders die in die regio wonen. Dat geldt ook voor gebieden met leerlingendaling. In sommige gevallen is het starten van een nieuwe school de beste optie. Een andere mogelijkheid is om met bestaande schoolbesturen in gesprek te gaan.
Weet u of het initiatief tot het starten van een vrije school in Schin op Geul zich positief ontwikkelt? Zo ja, kunt u dat nader toelichten? Zo nee, welke juridische belemmeringen zijn er?
In de berichtgeving zoals hierboven aangehaald, worden diverse opties genoemd om een vrije school in Schin op Geul te openen. Voor de vorming van een nevenvestiging is overdracht van een bestaande school nodig. Dat behoort niet tot de mogelijkheden. Een dislocatie van een vrije school in Maastricht is niet mogelijk. Een dislocatie kan alleen worden verbonden aan een school waarvan de hoofdvestiging in dezelfde gemeente is gevestigd. Ook het stichten van een nieuwe school is binnen de huidige wet- en regelgeving niet haalbaar. De enige optie is op dit moment het oprichten van een particuliere school. Uiteraard waardeer ik het altijd als ouders zich inzetten voor onderwijs dat aansluit bij hun onderwijswensen.
Er is wetgeving in voorbereiding die het in deze situatie wellicht in de toekomst mogelijk maakt voor de school om te kunnen starten. Het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen ziet immers op een aangepaste procedure voor het starten van nieuwe scholen gebaseerd op daadwerkelijke belangstelling en voorwaarden voor de onderwijskwaliteit.
Geeft het wetsvoorstel toekomstbestendig onderwijsaanbod in het basisonderwijs (Kamerstukken 34 656) in zijn huidige vorm voldoende handvaten om initiatieven zoals het oprichten van een vrije school in Schin op Geul ruimte te geven? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel Toekomstbestendig Onderwijsaanbod geeft geen aanvullende ruimte voor het starten van een nieuwe school. Het voorstel geeft bestaande scholen meer mogelijkheden om het bestaande onderwijsaanbod makkelijker aan te kunnen passen op de wensen van ouders, zoals het verplaatsen van een school, of het eenvoudiger veranderen van de richting.
Welke stappen zouden initiatiefnemers, anticiperend op de nieuwe wetgeving, kunnen nemen om de kans zo groot mogelijk te maken dat men een dislocatie kan openen op een zo kort mogelijke termijn na in werking trekking van de nieuwe wetgeving?
Er is geen nieuwe wetgeving in voorbereiding die de mogelijkheden voor een dislocatie verruimt. Een dislocatie is immers slechts bedoeld voor het oplossen van huisvestingsproblematiek op de hoofdlocatie. Dislocaties zijn niet bedoeld om een nieuwe school op te richten. Voor het starten van nieuwe scholen geldt de stichtingsprocedure, zoals beschreven in artikelen 74 tot en met 83 van de Wet op het primair onderwijs (WPO).
Ik streef ernaar dat het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen voor de zomer aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden. Het is echter pas mogelijk om te anticiperen op een eventuele nieuwe procedure voor het starten van nieuwe scholen wanneer het wetsvoorstel is aangenomen in de Tweede en Eerste Kamer.
Biedt de huidige wetgeving initiatiefnemers mogelijkheden voor een overbruggingsperiode zoals in de casus in Schin op Geul zich voordoet? Welke stappen kunt en wilt u nemen om dit en wellicht andere initiatieven te ondersteunen?
De WPO kent geen overgangsperiode die ruimte biedt om vooruit te kunnen lopen op nieuwe wet- en regelgeving. Daarnaast biedt de wet- en regelgeving voor het starten van nieuwe scholen ook geen ruimte om hiermee te experimenteren.
Wat zijn, net als bij het voortgezet onderwijs, de mogelijkheden om «een tijdelijke nevenvestiging» te vestigen? In hoeverre zou dit een mogelijkheid zijn voor dit initiatief?
Het primair onderwijs kent geen tijdelijke nevenvestigingen. Wel is er de mogelijkheid om huisvestingsproblemen op te vangen met een dislocatie wanneer de hoofdvestiging en dislocatie binnen dezelfde gemeente staan. Hiervan is echter geen sprake in de casus Schin op Geul.
Een tijdelijke nevenvestiging in het voortgezet onderwijs dient hetzelfde doel als een dislocatie in het primair onderwijs, namelijk het oplossen van een huisvestingsprobleem op een bestaande vestiging. De afstand tussen beide vestigingen in het voortgezet onderwijs mag maximaal 3 kilometer zijn (artikel 16, derde lid van de WVO).
Hoe ziet de procedure er uit als een schoolbestuur een schoolgebouw verlaat en een ander schoolbestuur zich in dit gebouw zou willen vestigen? In hoeverre kan een gemeente dit positief beïnvloeden?
Wanneer een schoolbestuur een schoolgebouw verlaat vervalt het eigendom. Het gebouw wordt middels een akte in eigendom teruggegeven aan de gemeente (artikel 110 WPO). Een bekostigde school met een huisvestingsbehoefte kan huisvesting bij de gemeente aanvragen (artikel 94 WPO). Een voorziening in de huisvesting voor een bekostigde school wordt slechts geweigerd indien er sprake is van een weigeringsgrond (artikel 100). Een schoolbestuur kan alleen aanspraak maken op huisvesting in de gemeente waarin zijn scholen zijn gevestigd.
Het aftreden van de directeur van het Nederlands Forensisch Instituut |
|
Michiel van Nispen |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft de directeur van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zelf het besluit genomen terug te treden of is vanuit het ministerie druk uitgeoefend dit besluit te nemen?1 Hoe is dit besluit tot stand gekomen en wat was de betrokkenheid van het ministerie hierbij?
Op dit moment wordt, in opdracht van de algemeen directeur van het NFI en de voorzitter van de OR gezamenlijk, een onderzoek uitgevoerd naar de organisatie- en managementcultuur bij het NFI.
De tussentijdse resultaten hiervan zijn door de onderzoekers recent mondeling gepresenteerd, eerst aan de directieraad van het NFI, de ondernemingsraad, de secretaris-generaal en de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van mijn ministerie. Daarna is op 20 maart jl. dezelfde mondelinge stand van zaken gemeld aan de medewerkers. Er is geen schriftelijke rapportage met tussentijdse resultaten.
De algemeen directeur van het NFI heeft zelf besloten terug te treden om het NFI voluit de ruimte te geven voor de noodzakelijke vernieuwingsstappen. De secretaris-generaal en de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving hebben de algemeen directeur van het NFI verzocht met vol mandaat aan te blijven tot het moment dat een opvolger gevonden is. De directeur NFI heeft hieraan gehoor gegeven. Wanneer het onderzoek is afgerond zal ik mij samen met het NFI beraden op de uitkomsten van het onderzoek en de eventuele gevolgen daarvan.
Welke rol heeft het lopende organisatie- en managementcultuuronderzoek hierbij gespeeld? Kunnen deze tussenresultaten ook aan de Kamer worden gestuurd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de opmerking in het artikel in de Volkskrant dat de organisatie nog steeds niet op orde is en dat uit het onderzoek zou blijken dat de directie een dikke onvoldoende zou krijgen?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot zijn de problemen bij de afdeling inkoop? Is het waar dat er een tekort aan materialen dreigt?3 Hoe urgent is dit en hoe zijn deze problemen veroorzaakt?
In het afgelopen jaar heeft veel inkoop onrechtmatig plaatsgevonden (dat wil zeggen dat niet voldaan is aan de inkoopvoorschriften). Daarnaast is het met enige regelmaat passen en meten om tijdig materialen beschikbaar te hebben. Diverse maatregelen, waaronder versterking van het Inkoopteam, het doorvoeren en communiceren van NFI-brede procesveranderingen en (her)prioritering in de inkoop zijn erop gericht te voorkomen dat de productie stokt vanwege gebrek aan materialen, onrechtmatigheid tegen te gaan en om ervoor te zorgen dat de problemen bij de inkoop structureel worden opgelost.
Hoe beoordeelt u op dit moment de algehele situatie bij het NFI?
Zie antwoord vraag 1.
Zullen de problemen bij het NFI zijn opgelost door het vertrek van de algemeen directeur? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat de medewerkers weer voldoende in staat worden gesteld hun belangrijke werk te kunnen blijven doen?
Zie antwoord vraag 1.
De voorgestelde versobering van opvang van asielzoekers in Griekenland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Linda Voortman (GL), Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de voorgestelde versobering van de opvang van asielzoekers in Griekenland? Wat vindt u hiervan?
Het kabinet is bekend met het Joint Action Plan (JAP), waaraan u refereert als een voorgestelde versobering van de Griekse opvang. Afgelopen december verwelkomde de JBZ-Raad het JAP en sprak hier steun voor uit. Ook het kabinet heeft het JAP positief ontvangen. Het kabinet stuurde uw Kamer het JAP op 13 december jl. toe, als bijlage bij het verslag van de JBZ-Raad van 8 en 9 december jl.2 In het JAP staan namelijk diverse maatregelen die erop gericht zijn om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de afspraken in het kader van de EU-Turkije Verklaring te ondersteunen, zoals maatregelen om de Griekse asielprocedures sneller en efficiënter te doen verlopen, maatregelen gericht op de veiligheid voor zowel (kwetsbare) migranten als personeel op de Griekse eilanden en maatregelen om de Griekse absorptiecapaciteit van de financiële steun vanuit de EU te verbeteren. Ook het creëren van aanvullende opvangcapaciteit is onderdeel van het JAP. Het kabinet herkent de door uw Kamer gebezigde typering van versobering van de opvang van asielzoekers in Griekenland dan ook niet.
Human Rights Watch gaat in het door uw Kamer aangehaalde artikel ook specifiek in op een nog niet bij het Griekse parlement ingediende wetswijziging van de Griekse wet 4375/2016. Voor zover het kabinet bekend is gaat deze wetswijziging niet over versobering van de opvang van asielzoekers in Griekenland, maar over de behandeling van als kwetsbaar gedefinieerde asielzoekers en over het indienen van een aanvraag voor gezinshereniging op basis van de Dublin verordening vanuit Turkije in plaats van in Griekenland. Deze wetswijziging zou met name migranten die gezinshereniging naar andere EU-lidstaten beogen ervan moeten weerhouden de gevaarlijke oversteek te maken over de Egeïsche Zee vanuit Turkije naar Griekenland, om daar vervolgens de uitkomst van de procedure af te wachten. Het kabinet is voorstander van maatregelen die dit effect beogen.
Wat vindt u van de kritiek van Human Rights Watch op dit plan?1
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u specifiek reageren op de stelling dat de EU Griekenland tot laboratorium heeft getransformeerd om beleid te testen dat mensen weerhoudt naar de EU te komen?
De EU-Turkije Verklaring beoogt een einde te maken aan de illegale migratie van Turkije naar de EU met als alternatief een legale migratieroute voor Syrische vluchtelingen vanuit Turkije op basis van het zogenaamde 1:1 mechanisme. Het kabinet beschouwt dit niet als een laboratorium maar als robuuste maatregelen die nodig zijn om verdrinkingen te voorkomen, het verdienmodel van mensensmokkelaars te ontmantelen, smokkelroutes te sluiten en de bewaking van de Europese buitengrenzen te waarborgen.
Erkent u dat er sprake zal zijn van grove verslechtering van de situatie voor de mensen die vastzitten op de Griekse eilanden en dat zij door de voorgestelde maatregelen nog langer op de eilanden zullen moeten verblijven?
De maatregelen zijn primair bedoeld om de irreguliere migratie van Turkije naar de EU een halt toe te roepen door migranten ervan te weerhouden de gevaarlijke oversteek over de Egeïsche Zee te maken. De in het JAP voorgestelde maatregelen ondersteunen dit doel. Het kabinet verwacht geen grove verslechtering van de situatie voor de mensen of een langere verblijfsduur op de Griekse eilanden, omdat onder het JAP ook wordt gewerkt aan bijvoorbeeld het sneller en efficiënter verlopen van de Griekse asielprocedures en terugkeer naar Turkije op regelmatiger basis. In de afgelopen maanden is juist fors geïnvesteerd in het verbeteren van de omstandigheden van opvang op de Griekse eilanden.
Welke risico’s ziet u als de voorgestelde maatregelen door zullen gaan?
Het kabinet vindt het van belang dat maatregelen goed geïmplementeerd, consequent uitgevoerd en duidelijk gecommuniceerd worden aan alle betrokken partijen. Als dit niet het geval is kan dit onzekerheid met zich meebrengen, hetgeen bijvoorbeeld tot onrust op de Griekse eilanden zou kunnen leiden.
Was deze versobering van de opvang de bedoeling van het Joint Action Plan (JAP) van de Europese Commissie dat gebaseerd is op de EU-Turkijedeal? Zo ja, waarom bent u hiermee akkoord gegaan en welke bewegingsruimte heeft de Griekse regering hierbinnen om een eigen afweging te maken van wat nodig is? Zo nee, hoe bent u bereid samen met andere Europese landen op te trekken om deze maatregelen te voorkomen?
Het JAP is opgesteld door Griekenland in samenwerking met de Europese Commissie. De Griekse autoriteiten tonen hiermee hun bereidheid om serieuze stappen te zetten samen met alle verantwoordelijke partijen in de implementatie van de afspraken voortvloeiend uit de EU-Turkije Verklaring. De Europese Commissie heeft een coördinerende rol bij de uitvoering ervan, en ziet daarbij toe op naleving van de EU-wet- en -regelgeving. De bewegingsruimte die de Griekse overheid hierbij heeft ligt binnen de grenzen van dit wettelijk kader. De voortgang van de uitvoering van het JAP wordt periodiek geagendeerd in de JBZ-Raad.
Zoals gezegd is het oogmerk van het JAP ondersteuning van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de afspraken gemaakt in het kader van de EU-Turkije Verklaring. Afgelopen december verwelkomde de JBZ-Raad het JAP en sprak hier steun voor uit. Ook het kabinet steunt deze afspraken en is dan ook niet bereid om de in het JAP genoemde maatregelen te voorkomen samen met andere Europese lidstaten.
Het mislopen van toeslagen vanwege incidenteel hoger uitvallen van het jaarinkomen |
|
Ronald van Raak |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Bent u bekend met het Individueel Keuzebudget (IKB)?
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het IKB in het leven is geroepen?
Het is tussen sociale partners gebruikelijk CAO-afspraken te maken. Het Individueel Keuzebudget (IKB) is daar een voorbeeld van. Zo’n IKB-regeling heeft in het algemeen gelijkenis met een zogeheten «cafetariaregeling» waarbij werknemers bijvoorbeeld een deel van hun salaris kunnen inzetten voor de aanschaf van een fiets. Bij een IKB krijgen medewerkers vaak naast hun salaris een vrij besteedbaar budget dat in de plaats is gekomen van onder meer de voormalige vakantietoelage, de eindejaarsuitkering en de financiële tegenwaarde van bovenwettelijk verlof. Dat budget wordt dan vervolgens maandelijks opgebouwd. Het IKB sluit aan bij de wens van meer keuzevrijheid voor de medewerker en is een volgende stap in de richting van modernisering van arbeidsvoorwaarden. Medewerkers kunnen zelf bepalen aan welke doelen het IKB wordt besteed: uitbetalen, verlof of een (loopbaangerichte) opleiding. Soortgelijke keuzeregelingen komen ook voor bij de rijksoverheid en in het bedrijfsleven en worden veelal ook op fiscale gevolgen beoordeeld, waarbij de inspecteur de voorwaarde stelt dat het in een jaar opgebouwde budget ook in de loop van het jaar wordt uitgeput en uiteindelijk aan het eind van het kalenderjaar wordt uitgekeerd.
Is het u bekend dat door een uitkering van het IKB men het recht op toeslagen kan verliezen doordat het jaarinkomen hoger uitvalt?
Het recht op toeslagen is gekoppeld aan de hoogte van het fiscale (jaar)inkomen. Dat zijn communicerende vaten. Naarmate het inkomen stijgt daalt het recht op toeslagen.
Een IKB heeft overigens in het algemeen niet tot gevolg dat men zijn recht op toeslagen verliest vanwege de voorwaarde dat het in een jaar opgebouwde budget aan het eind van het kalenderjaar uitgekeerd wordt en als zodanig tot het fiscale jaarloon blijft behoren. Het fiscaal jaarinkomen hoeft door de keuzemogelijkheden die de werknemer heeft binnen het IKB dus niet hoger uit te vallen. Dit geldt temeer omdat de huidige bronnen van het IKB (zoals de voormalige vakantietoelage en de eindejaarsuitkering) voor invoering van het IKB ook al deel uitmaakten van het fiscaal inkomen van de medewerker. Overigens kan bij de start van een IKB incidenteel een hoger jaarloon ontstaan in het geval een in het afgelopen jaar opgebouwde vakantietoelage niet «ingevaren» wordt in het budget in het geval dat sprake is van een maandelijkse opbouw. Sociale partners spreken dan af dat die opbouw, die gebruikelijk in mei wordt uitgekeerd, reeds in december wordt uitgekeerd.
Het verlies of de vermindering van toeslagen kan hoe dan ook niet los worden gezien van de privésituatie van de medewerker, de hoogte van zijn salaris en de keuzes die hij maakt in een IKB. De keuzevrijheid in een IKB stelt de medewerker in staat de bronnen naar eigen keuze te besteden om daarmee naar wens het fiscaal inkomen te verhogen door uitbetaling van salaris vanuit het IKB, maar ook het fiscaal inkomen niet te verhogen door van het IKB verlofuren te kopen of een loopbaangerichte opleiding te betalen. Werkgevers kunnen bovendien de mogelijkheden in de werkkostenregeling binnen IKB gebruiken om het besteedbaar inkomen van de medewerker te verhogen. Van een forse afname van het besteedbaar inkomen hoeft dus geen sprake te zijn.
Klopt het dat de afname van het besteedbaar inkomen vanwege het verliezen van toeslagen, fors groter kan zijn dan de toename van het besteedbaar inkomen door een uitkering uit het IKB? Zo ja, is dit voorzien bij de invoering van het IKB en is dit volgens u gewenst?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak het voorkomt dat een incidenteel hoger jaarinkomen leidt tot het verliezen van toeslagen en hiervoor oplossingen te bedenken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals hiervoor aangegeven is het recht op toeslagen gekoppeld aan de hoogte van het fiscale jaarinkomen. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om dit inkomensgegeven als maatstaf te kiezen voor wat betreft de in aanmerking te nemen draagkracht van de burger. Als er sprake is van een incidenteel hoger jaarinkomen dan is zijn draagkracht in dat jaar ook navenant hoger met als gevolg dat de bijdrage van de overheid in de kosten voor huur, zorg en kinderen afneemt omdat de belanghebbende dan beter in staat is deze kosten zelf te dragen. Op dit uitgangspunt wil ik geen inbreuk maken.
De hypotheekrenteaftrek die in sommige gevallen een hypotheekrentebijtelling blijkt |
|
Farshad Bashir |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Kunt u de berekening bevestigen dat een belastingplichtige die met een deel van het belastbaar inkomen uit werk en woning in de vierde belastingschijf valt, 2.000 euro hypotheekrente heeft betaald en een eigenwoningforfait moet betalen van 1.950 euro in 2017, een bedrag van (2.000–1.950) 50 euro mag aftrekken tegen 52% en dus 26 euro aftrek krijgt?1
Ja, de berekening klopt.
Kunt u bevestigen dat dezelfde belastingplichtige door de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning in 2017 een bijtelling krijgt van (2%x2.000) 40 euro en dus per saldo 14 euro hypotheekrentebijtelling moet betalen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat deze bijtelling komende jaren oploopt en meer mensen ermee te maken krijgen omdat de tariefaanpassing aftrek kosten eigen woning hoger wordt?
De tariefmaatregel eigen woning is volgens de wet van toepassing op belastingplichtigen die met hun belastbare inkomen uit werk en woning in de vierde schijf vallen of die zonder de aftrek van kosten met betrekking tot een eigen woning met hun belastbare inkomen uit werk en woning in de vierde schijf zouden vallen. Met de maatregel is bewerkstelligd dat de aftrekbare kosten voor een eigen woning niet meer tegen het tarief van de vierde schijf (52%) worden verzilverd, maar geleidelijk (met een jaarlijkse daling van 0,5%-punt) tegen een steeds iets lager tarief. In 2017 gaat het om een tarief van 50%. De daling loopt door tot 38% in 2041.2 De correctie op het aftrekpercentage zal de komende jaren inderdaad oplopen als gevolg van de jaarlijkse verlaging van het aftrekpercentage voor de aftrekbare kosten eigen woning. Door de hogere tariefcorrectie zullen geleidelijk meer belastingplichtigen per saldo belasting gaan betalen over de eigen woning. Dit aantal zal ook oplopen als gevolg van de per 2013 ingevoerde annuïtaire aflossingseis.
Waarom voorkomt de Wet Hillen (aftrek wegens geen of een kleine eigenwoningschuld) niet dat deze belastingplichtige een bijtelling krijgt?
De belastingplichtige in het voorbeeld valt niet onder de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (de Hillen-regeling). Zijn aftrekbare kosten eigen woning zijn immers hoger dan zijn eigenwoningforfait (EWF). De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld staat echter per definitie los van de tariefmaatregel. Deze aftrek ontstaat als het EWF hoger is dan de aftrekbare kosten eigen woning en bedraagt het verschil tussen beide posten. De Hillen-regeling betreft een correctie op de belastinggrondslag. De tariefmaatregel bewerkstelligt echter in alle gevallen waarin aftrek tegen het tarief van de vierde schijf van toepassing is – dus zowel in Hillen-gevallen als niet-Hillen-gevallen – dat de aftrekbare kosten per saldo tegen een lager tarief verzilverd kunnen worden. Dit betreft een tariefmaatregel en heeft geen invloed op de belastinggrondslag.
Kunt u bevestigen dat de belastingplichtige deze hypotheekrentebijtelling kan voorkomen door de hypotheekrenteaftrek bij de fiscale partner in aftrek te brengen die niet in de vierde belastingschijf valt?
Bij een (gedeeltelijke) toerekening van de belastbare inkomsten uit eigen woning aan een fiscale partner die niet met een deel van zijn belastbare inkomen uit werk en woning in de vierde schijf valt, vindt de wettelijke tariefcorrectie inderdaad niet plaats, maar geldt alsnog dat de aftrek tegen een lager tarief (van maximaal de derde schijf) verzilverd wordt. Het onderling kunnen toerekenen van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen door fiscale partners kan uiteraard alleen aan de orde zijn als er een fiscale partner is. De tariefmaatregel is bedoeld om aftrekbare kosten eigen woning voor zover deze in de vierde schijf vallen tegen een lager tarief dan dat van de vierde schijf te verzilveren. Bij fiscale partners die als gevolg van de toerekening de aftrek niet meer in de vierde schijf verzilveren is de wettelijke tariefmaatregel uiteraard niet langer aan de orde. De belastingplichtige met of zonder fiscale partner die zijn aftrek wel in de vierde schijf verzilvert, wordt door de tariefmaatregel geraakt. Dit sluit volledig aan bij de doelstelling van de maatregel.
Wat vindt u ervan dat hierdoor voornamelijk mensen zonder fiscale partner hypotheekrentebijtelling krijgen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u bevestigen dat de belastingplichtige deze hypotheekrentebijtelling kan voorkomen door de hypotheekrenteaftrek niet in de aangifte op te nemen?
Zolang een schuld voldoet aan alle voorwaarden en kwalificeert als eigenwoningschuld is de belastingplichtige verplicht deze schuld en de daarmee verband houdende aftrekbare kosten eigen woning als zodanig op te voeren in zijn aangifte. Dit betreft geen keuze.
Wat vindt u ervan dat hierdoor voornamelijk mensen zonder fiscale kennis hypotheekrentebijtelling krijgen?
Zie antwoord vraag 7.
Was deze hypotheekrentebijtelling, die hoger is dan de hypotheekrenteaftrek, de bedoeling van de wetgever? Wat is hiervoor de argumentatie?
Zoals gezegd is de tariefmaatregel eigen woning bedoeld om de aftrekbare kosten eigen woning die in de vierde schijf vallen tegen een lager tarief dan het tarief van die vierde schijf te verzilveren. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om niet het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning (voordelen uit eigen woning (onder meer EWF)-/- de aftrekbare kosten) tegen een lager tarief in aanmerking te nemen. Daarmee zou het beoogde doel namelijk slechts gedeeltelijk zijn bereikt. Met de maatregel is derhalve beoogd de voordelen uit eigen woning niet tegen een ander tarief dan het tabeltarief te belasten, maar uitsluitend een lager tarief toe te passen op het bedrag van de aftrekbare kosten.
De beschikking wind Drentse Monden Oostermoer |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kent u de beschikking van SDE + over 2016 voor het gebied Drentse Monden Oostermoer?1
Ja, ik ben op de hoogte van het feit dat SDE+ beschikkingen zijn toegekend aan de 45 windturbines van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer.
Kunt u uitleggen hoe deze beschikking gelezen moet worden? Is de genoemde beschikking een opsomming van het maximum aan vermogen/opbrengsten of subsidie?
De SDE+ voorziet in een vergoeding van de onrendabele top van hernieuwbare energieproductie uitgedrukt in MWh in de beschikking. In de beschikking wordt de maximale subsidiabele energieproductie vooraf vastgelegd. Dat gebeurt op basis van een door de aanvrager te overleggen opbrengstberekening (per windturbine), waarin de verwachte maximale productie wordt onderbouwd.
De opbrengstberekening moet zijn opgesteld door een deskundige organisatie. Het maximaal te verlenen subsidiebedrag komt tot stand door het maximaal aangevraagde subsidietarief te vermenigvuldigen met de maximale jaarproductie en het aantal jaren waarover subsidie wordt verstrekt.
Hebben de drie initiatiefnemers afzonderlijk ieder een beschikking gehad of is in een keer beschikt voor alle drie de parken omdat het gezien wordt als een windpark?
De SDE+ biedt de mogelijkheid om voor een windpark per windturbine subsidie aan te vragen. De initiatiefnemers van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer hebben voor deze mogelijkheid gekozen. De SDE+ beschikking is opvolgend verstrekt per windturbine.
De definitie van een productie-installatie in de SDE+ is een samenstel van voorzieningen waarmee hernieuwbare elektriciteit kan worden geproduceerd. Een windturbine kan zelfstandig worden ingezet voor het produceren van hernieuwbare elektriciteit.
Hoe verhoudt de beschikking zich ten opzichte van de afspraak dat er maximaal 150 megawatt (MW) in de Drentse Monden Oostermoer geplaatst mag worden, terwijl de beschikking optelt tot een gezamenlijk vermogen van 189 MW?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, wordt via de SDE+ subsidie verstrekt voor geproduceerde hernieuwbare energie. In het geval van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer gaat het om de elektriciteitsproductie van 45 windturbines. De genoemde vermogens in het overzicht op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, waaraan in vraag 1 wordt gerefereerd, zijn de maximale vergunde vermogens zoals deze door de initiatiefnemers zijn opgegeven bij de subsidieaanvraag. Voor de subsidiebeschikking spelen deze vermogens uitsluitend een rol bij de berekening van de maximale subsidiabele productie. Zoals ik reeds heb aangegeven is de subsidiabele productie in MWh gemaximeerd. Het vermogen van de windturbines in MW speelt in die zin een rol dat het in overeenstemming dient te zijn met de verleende omgevingsvergunning.
Betekent genoemd overzicht dat de initiatiefnemers onderling moeten uitmaken welke turbine wordt geplaatst om gezamenlijk niet boven de 150 MW uit te komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de initiatiefnemers van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer om binnen de randvoorwaarden zoals gesteld in de regels van het inpassingsplan en in de voorschriften van de omgevingsvergunningen een keuze te maken voor de op de 45 vergunde locaties te plaatsen windturbines.
De omgevingsvergunningen bevatten een bandbreedte voor het opgestelde vermogen. Per windturbine gaat het daarbij om de bandbreedte 2,3 MW – 4,2 MW. Het is op dit moment nog niet duidelijk welke windturbines door de initiatiefnemers zullen worden gekozen.
Acute zorg op de Zuid-Hollandse eilanden |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de zorgen die leven rond het behoud en de continuïteit van acute zorg op de Zuid-Hollandse eilanden?1 2
Ik ken de signalen dat bewoners en lokale organisaties zich zorgen maken over de toekomst van de acute zorg op de Zuid-Hollandse eilanden. Medewerkers van VWS hebben op 5 april jl. met Paulina.nu gesproken, een samenwerkingsverband op Goeree-Overflakkee waarbij bewoners, ondernemers, gemeente en zorgaanbieders gezamenlijk streven naar goede zorgvoorzieningen en gezondheidsprogramma’s. Medewerkers van VWS hebben aangeboden mee te denken met concrete casussen.
Verder heb ik van de voorzitter van het ROAZ Zuidwest Nederland vernomen dat binnen het ROAZ regelmatig gesproken wordt over de acute zorg op de Zuid-Hollandse eilanden en dat het ROAZ samen met de betrokken ketenpartners bekijkt of de kwaliteit van de zorg nog steeds voldoet. Daarnaast heeft de voorzitter van het ROAZ mij medegedeeld dat er gesprekken hebben plaatsgevonden tussen het burgerinitiatief «Verbeterde Acute Spoed Eisende Hulp op VPR» en de betrokken ketenpartners, inclusief het Traumacentrum Zuidwest Nederland.
Op welke manier heeft het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) Zuidwest-Nederland uitvoering gegeven aan de afspraak om meer regie te nemen op het opleidingsbeleid in de regio? Welke concrete afspraken en doelstellingen zijn hierover gemaakt?3
De voorzitter van het ROAZ heeft mij gemeld dat dit onderwerp elke vergadering op de agenda staat. Van de «risicofuncties» onder de FZO-beroepen is een overzicht gemaakt hoeveel personen elk ziekenhuis zou moeten opleiden. Ter vergadering wordt de stand van zaken gepresenteerd in een overzicht waarbij zichtbaar wordt hoeveel de organisaties daadwerkelijk (gaan) opleiden. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de Zorgacademie van het Erasmus MC, die een regionale opleidingsfunctie heeft.
Verder is er een adviseur van het Traumacentrum Zuidwest Nederland voor een deel vrij gemaakt van andere taken om hierin de regie te nemen, de verbinding te leggen tussen alle activiteiten die plaatsvinden in de regio en hierover ook breed te communiceren in de regio. Daarnaast is er een bestuurlijk petit comité opgericht dat sturing geeft aan de activiteiten.
Dit moet op korte termijn resulteren in concrete afspraken over het aantal op te leiden verpleegkundigen in de komende jaren. Daarnaast wordt er binnen het petit comité nagedacht over korte termijnoplossingen die kunnen bijdragen aan het personeelstekort.
Wat is uw verklaring van het feit dat ambulances in de regio Zuidwest-Nederland steeds meer ritten uitvoeren en dat de spoedeisende hulpen te kampen hebben met een stijging in de zorgzwaarte?4
Meer ambulanceritten en een hogere zorgzwaarte zijn effecten die ook elders in Nederland gesignaleerd zijn. Ambulancezorg Nederland en afzonderlijke zorgaanbieders geven meerdere verklaringen voor de toename van ambulanceritten en stijging van de zorgzwaarte op SEH’s. Volgens de voorzitter van het ROAZ Zuidwest Nederland gelden deze verklaringen ook voor zijn regio. De genoemde verklaringen zijn veranderingen in het zorglandschap, zoals sluiting van SEH’s en extramuralisering, een veranderende zorgvraag en innovaties van het zorgproces, zoals de invoering van Directe Inzet Ambulance.
Welke verpleeg- en verzorgingshuizen op de Zuid-Hollandse eilanden hanteren een opnamestop en welke invloed heeft dat op de drukte van de Spoedeisende Hulp (SEH) in het ziekenhuis in Dirksland?
De opnamestop waaraan de voorzitter van het ROAZ in de brief van 14 december jl. refereerde, betrof een Rotterdamse instelling en niet een instelling op één van de Zuid-Hollandse eilanden. Inmiddels is deze opnamestop niet meer van kracht.
Verder heeft het zorgkantoor van CZ mij desgevraagd aangegeven dat er geen verpleeg- en verzorgingshuizen zijn op de Zuid-Hollandse eilanden die op dit moment een opnamestop hanteren.
Zijn bij het ROAZ Zuidwest-Nederland ook (regionale) verzekeraars structureel aangesloten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maken deze verzekeraars geen afspraken om voor de betreffende verpleeg- en verzorgingshuizen een uitzondering te maken op het productieplafond in de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties (VVT-sector)?
De zorgverzekeraars zijn niet structureel aangesloten bij het ROAZ Zuidwest Nederland, maar bij specifieke onderwerpen betrekt het ROAZ de zorgverzekeraars ad hoc. Dit lijkt mij een nuttige aanpak, omdat het niet voor alle onderwerpen noodzakelijk is als zorgverzekeraars erover mee vergaderen en mee beslissen.
Volgens zorgverzekeraar CZ is er genoeg capaciteit in de regio voor wat betreft de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties.
Wat zijn de mogelijke alternatieve scenario’s voor de inrichting van de acute zorg (in de nacht) waarover binnen het ROAZ Zuidwest-Nederland wordt gesproken?
Van de voorzitter van het ROAZ heb ik vernomen dat het ROAZ over uiteenlopende oplossingen nadenkt. Zeker nu de druk in de acute zorg hoog is, streeft het ROAZ ernaar om zoveel mogelijk acute zorgvoorzieningen open te houden.
Welke pilots worden in deze regio op het gebied van eerstelijnsverblijven uitgevoerd? Op welke wijze wordt hiermee het gesignaleerde knelpunt van de productie van eerstelijnsverblijf bedden in de regio aangepakt?
De voorzitter van het ROAZ heeft me meegedeeld dat er in de Rotterdamse regio vorig jaar twee pilots zijn geweest gericht op samenwerkingsafspraken over eerstelijns verblijf. Op dit moment vinden er verschillende lokale initiatieven plaats in de regio om eerstelijns verblijven verder vorm te geven.
Op welke wijze wordt er bij de berekening van de 45-minutennorm voor het bereiken van een SEH rekening gehouden met de regelmatige problemen door brugopeningen en -storingen op de ontsluitingswegen van het eiland naar de ziekenhuizen in Rotterdam?
Bij de bereikbaarheidsanalyses voor de SEH's, die uitgaan van de 45-minutennorm, wordt gebruik gemaakt van het rijtijdenmodel voor ambulances die met A1-urgentie (spoed) rijden. Dit rijtijdenmodel is gebaseerd op metingen van snelheden van ambulances over een heel jaar. Daarin zijn metingen van ambulances die op Goeree-Overflakkee rijden meegenomen. Als er in de meetperiode bij genoemde bruggen storingen waren en bruggen open stonden, zijn de snelheden van ambulances meegenomen in de set van metingen voor het rijtijdenmodel. De gemiddelde snelheden worden vervolgens gebruikt om rijtijden te berekenen.
Welk percentage van de spoedritten van ambulances haalt de 15-minutennorm, als alleen naar de Zuid-Hollandse eilanden wordt gekeken? Welke actie wordt ondernomen, indien de 15-minutennorm niet wordt gehaald?
Uit het jaarverslag 2015 van AmbulanceZorg Rotterdam-Rijnmond volgt dat in dat jaar op Voorne-Putten de responstijd van 87,4% van de A1-ritten minder dan 15 minuten bedroeg en dat op Goeree-Overflakkee de responstijd van 86,1% van de A1-ritten minder dan 15 minuten bedroeg.
De grootste zorgverzekeraar (CZ) spreekt AmbulanceZorg Rotterdam-Rijnmond aan op haar prestaties omtrent de norm dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen in de gehele regio een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. Daarbij maken zij verbeterafspraken.
Wie heeft binnen een ROAZ doorzettingsmacht?
Het ROAZ is een netwerkoverleg van basisziekenhuizen, topklinische ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, de crisisfunctie in GGZ-instellingen, regionale ambulancevoorzieningen en huisartsenposten. Deelnemers aan het ROAZ dienen constructief mee te werken aan onderlinge afspraken en dragen elk een eigen verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van die afspraken en de uitvoering ervan.
Op welke wijze worden lokale overheden betrokken bij besluiten over de uitvoering en de spreiding van de acute zorg? Zijn gemeenten betrokken bij de overleggen van de ROAZ? Zo nee, waarom niet?
In de Beleidsregels WTZi 2017 is de samenstelling van het ROAZ beschreven. Lokale overheden maken geen deel uit van het ROAZ, omdat zij niet als uitvoerder bij de spoedzorg betrokken zijn. In de praktijk is het natuurlijk raadzaam als ROAZ’en lokale overheden informeren over verstrekkende besluiten over de uitvoering en de spreiding van de acute zorg.
Wat vindt u van het idee om vast te leggen dat bij wijzigingen met betrekking tot de acute zorg gemeenteraden op zijn minst geraadpleegd moeten worden?
Via de zorgplicht van zorgverzekeraars wordt het patiëntenbelang reeds behartigd. Daarom zie ik geen noodzaak in een verplichting tot consultatie van gemeenteraden. Zoals ik eerder aangaf, beveel ik ROAZ’en wel aan om gemeenteraden goed te informeren.
Een werkbezoek aan een vervoerder van doelgroepen in het openbaar vervoer d.d. 15 maart jl. |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe zit de organisatie van Translink Systems (TLS) in elkaar voor wat betreft aandeelhouders en regels omtrent nieuwe toetreders tot TLS?
De Coöperatie Openbaar Vervoerbedrijven is sinds 1 januari 2016 eigenaar van Translink. Het lidmaatschap van de coöperatie is enkel mogelijk bij het hebben van een geldige concessie als bedoeld in de Wet Personenvervoer 2000. Als een vervoersbedrijf ophoudt concessiehouder te zijn, wordt het lidmaatschap beëindigd. Nieuwe vervoerders met een OV-concessie kunnen zonder meer lid worden van de coöperatie.
Kunnen nieuwe vervoerders toetreden tot de coöperatie van TLS? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, waarom niet en bent u dan bereid om te onderzoeken of nieuwe vervoerders kunnen toetreden?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat nieuwe spelers op de ov-markt, maar ook bestaande vervoerders van doelgroepenvervoer in de breedste zin van het woord, moeten kunnen toetreden tot het systeem van de ov-chipkaart? Zo ja, onder welke voorwaarden kunnen deze vervoerders toetreden tot het systeem van de ov-chipkaart? Zo nee, waarom niet en bent u dan bereid om het mogelijk te maken om bestaande en nieuwe vervoerders te laten toetreden tot het systeem van de ov-chipkaart, zodat de integratie van het doelgroepenvervoer en het openbaar vervoer wordt gestimuleerd?
Het OV-chipkaartsysteem is bedoeld voor betalingen in het openbaar vervoer zoals gedefinieerd in de Wet Personenvervoer 2000. Doelgroepenvervoer is besloten vervoer dat op contractbasis wordt uitgevoerd. Het maakt daarom geen gebruik van de OV-chipkaart.
In het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer «Overstappen naar 2040: flexibel en slim OV» (Kamerstuk 23 645, nr. 640) heb ik aangegeven dat waar de vervoersvraag beperkt is, de huidige, veelal aanbodgestuurde diensten niet meer voldoen. Nieuwe deelautoconcepten, taxidiensten, zelfrijdende busjes, (elektrische) fietsvoorzieningen of innovatieve concepten waarbij openbaar- en doelgroepenvervoer slim zijn geïntegreerd, kunnen op den duur een betere invulling geven aan de reizigersvraag. Er zullen experimenten starten om openbaar vervoer en doelgroepenvervoer te combineren. Dit om te onderzoeken wat wel en niet werkt. Naast organisatie en financiering (ontschotting) zal daarbij ook gekeken worden naar verschillende betaalwijzen en de kosten daarvan (pin, betalen via een app, ov-chipkaart e.d.). Daaruit zal ook een mogelijk gewenste rol van de OV-chipkaart blijken.
Over de toegang tot het OV-chipkaartsysteem van nieuwe spelers op de OV-markt (anders dan vervoerders met een concessie) heb ik uitgebreid met uw Kamer gedebatteerd naar aanleiding van een rapport dat Ecorys hierover heeft uitgebracht (Kamerstuk 23 645, nr. 612). Mijn conclusie is dat zich geen belemmeringen voordoen die een wettelijke regeling rechtvaardigen maar ook dat het belangrijk is om een vinger aan de pols te houden. In mijn brief van 13 juni 2016 (Kamerstuk 23 645, nr. 622) heb ik aangegeven dat ik ACM daarom gevraagd heb om eind 2017 haar standpunt aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu kenbaar te maken over de vraag of nadere economische regulering van de OV-betaalmarkt wenselijk is, op basis van haar (alsdan) meest recente inzichten.
Het moeten terugbetalen van huurtoeslag na een uitkering in verband met een brandverzekering |
|
Ronald van Raak |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Kent u de schrijnende zaak van het koppel dat een heel jaar huurtoeslag moest terugbetalen, omdat deze mensen op 1 januari een bedrag op hun rekening hadden staan in verband met een brandverzekering?1
Ja.
Hebben verzekeraars in dit verband een «zorgplicht», in de zin dat zij verzekerden zouden moeten wijzen op mogelijke gevolgen als het geld op 1 januari op hun rekening staat en ook zelf meer rekening zouden moeten houden met de datum van uitkering?
Op verzekeraars rust – evenals op andere financiële ondernemingen – een civiele algemene zorgplicht. Deze civiele zorgplicht is onderdeel van het Burgerlijk Wetboek en daarnaast in 2014 publiekrechtelijk verankerd in de Wet op het financieel toezicht (hierna: de Wft) zodat de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) bij een evidente misstand verband houdend met financiële dienstverlening handhavend kan optreden (artikel 4:24a Wft). Ingevolge deze algemene zorgplicht dient een financiële dienstverlener op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van een consument of begunstigde in acht te nemen. Indien een financiële dienstverlener adviseert, dient hij te handelen in het belang van de consument of begunstigde.
In de onderhavige kwestie gaat het om een schade-uitkering bij een inboedelverzekering en het moment van uitkeren daarvan. De gemiddelde schadeomvang bij brand ligt rond de € 1.000 voor de inboedel en rond de € 1.500 voor de opstal (bron: Verzekerd van Cijfers 2016, blz. 48).
Klanten hebben bij dergelijke schade-uitkeringen doorgaans belang bij een spoedige uitkering. Er kan niet worden geconcludeerd dat een verzekeraar ingevolge de algemene zorgplicht bekend moet zijn dan wel rekening moet houden met omstandigheden zoals de ontvangst van huur- of zorgtoeslag door een klant. Dit betreft (privacygevoelige) informatie tussen de klant en de Belastingdienst die geen verband houdt met de betreffende schadeverzekering en daaruit voortvloeiende schade-uitkering.
Welke mogelijkheden heeft de Belastingdienst om in gevallen van schade-uitkeringen maatwerk te leveren en dit soort geld niet meer te zien als eigen vermogen?
Huurtoeslag is een bijdrage in de huurkosten. Hoe hoog de toeslag is, hangt af van de huurprijs, het inkomen, de leeftijd en de woonsituatie. Als het vermogen te hoog is, is er geen recht op huurtoeslag. Dat staat ook vermeld op de website van de Belastingdienst.2 Het recht op huurtoeslag vervalt bij een vermogen dat hoger is dan het heffingvrije vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting. Het heffingvrije vermogen in box 3 was voor 2015 € 21.330. De peildatum voor vaststelling van de hoogte van het vermogen ligt op 1 januari van het kalenderjaar waarop de toeslag betrekking heeft. Ook voor de vaststelling van de omvang van het vermogen wordt aangesloten bij de box 3-grondslag in de inkomstenbelasting. Alle bezittingen en schulden die op de peildatum tot die grondslag behoren, worden als gevolg daarvan in aanmerking genomen voor de vermogenstoets. In het geval van de betrokkenen zorgde de schadevergoeding van ruim € 22.000 ervoor dat het heffingvrije vermogen van € 21.330 werd overschreden.
De Belastingdienst is gehouden om de wet- en regelgeving die geldt voor de inkomstenbelasting en de huurtoeslag uit te voeren en hebben niet de mogelijkheid om binnen dat kader «maatwerk» te leveren voor bepaalde gevallen. De box 3-grondslag maakt geen onderscheid waarvoor het vermogen bestemd is of wat de herkomst van het vermogen is. De wetgever heeft, voor wat betreft de vaststelling van de box 3-grondslag, bewust gekozen voor één peildatum (1 januari) en heeft daarbij onderkend dat in deze systematiek besloten ligt dat sprake kan zijn van kortstondige bezittingen die in aanmerking worden genomen met mogelijk nadelige gevolgen in specifieke gevallen.3 Ook de hardheidsclausule in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) biedt voor deze gevallen niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de vermogenstoets. Immers, ook daarvoor geldt dat de wetgever door aan te sluiten bij de peildatumsystematiek in de inkomstenbelasting heeft aanvaard dat toeval en kortstondig bezit daarbij een rol kunnen spelen.
Bent u bereid om schade-uitkeringen, bijvoorbeeld in het kader van een brandverzekering, in de toekomst door de Belastingdienst als bijzonder vermogen te laten beschouwen, zodat het geen gevolgen meer heeft voor bijvoorbeeld (huur)toeslagen?
Ik zie geen aanleiding om voor deze gevallen een nieuwe uitzondering te creëren. Als het gaat om schadevergoedingen biedt de Uitvoeringsregeling Awir op dit moment alleen de mogelijkheid vermogensbestanddelen uit te zonderen wanneer het gaat om vergoedingen voor immateriële schade. Schade-uitkeringen zoals in het genoemde voorbeeld hebben een puur materieel karakter en vloeien voort uit een civielrechtelijke overeenkomst. Deze schadevergoedingen doen zich voor in een omvang die van een heel andere orde van grootte is dan de bestaande uitzonderingen. Vaak zal het geld ontvangen uit een brandschadeverzekering binnen niet al te lange tijd na ontvangst worden uitgegeven, waardoor de kans klein is dat dergelijke uitkeringen op de peildatum nog op iemands rekening staan. Overigens behoren niet alleen uitkeringen van de verzekering, maar eveneens op de peildatum van 1 januari voldoende concrete vorderingen op de verzekeringen, tot het eigen vermogen in box 3. In het genoemde voorbeeld schuilt het tragische element vooral in de brand en de daardoor ontstane schade.
Bent u bereid om opnieuw contact op te nemen met het koppel in de uitzending van Radar, om te bezien of in dit geval alsnog een maatoplossing mogelijk is?
Zoals uit de voorgaande antwoorden blijkt behoort een maatoplossing in dit geval niet tot de mogelijkheden.
Het conflict tussen de directie en radiologen in het Zuyderlandziekenhuis in Heerlen |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat er in het Zuyderlandziekenhuis in Heerlen een fel conflict is uitgebroken tussen directie en radiologen en de communicatie tussen beide partijen op dit moment alleen nog via advocaten verloopt?1
Ik heb begrepen dat het Zuyderlandziekenhuis (Stichting Zuyderland Medisch Centrum), zoals het NRC-artikel van 10 en 11 maart 2017 beschrijft, inderdaad voornemens is het ZBC Mitralis Diagnostisch Centrum BV over te nemen. Dit bevestigt het ziekenhuis in hun persbericht. Daartoe heeft het ziekenhuis een bod uitgebracht op het belang in Mitralis Diagnostisch Centrum BV van Diagnostisch Centrum Parkstad BV (DCP BV). Enkele radiologen die werkzaam zijn voor het Zuyderlandziekenhuis zijn de aandeelhouder van DCP BV. Het Zuyderlandziekenhuis geeft aan dat inmiddels een meerderheid van de aandeelhouders van DCP BV zich heeft uitgesproken voor verkoop van het belang van DCP BV in de ZBC Mitralis aan het Zuyderlandziekenhuis. De IGZ staat in contact met de Raad van Bestuur van het Zuyderlandziekenhuis. Zij heeft de IGZ laten weten dat alle reguliere overleggen tussen de medisch specialisten onderling en met de raad van bestuur en anderen binnen het ziekenhuis doorgang vinden zonder tussenkomst van advocaten. De Raad van Bestuur heeft maatregelen getroffen om de kwaliteit van zorg doorlopend te kunnen bewaken. De IGZ heeft geen signalen dat op enig moment de kwaliteit en veiligheid van zorg in het geding is of is geweest.
Hoe wordt de kwaliteit van zorg gewaarborgd, als in het Zuyderlandziekenhuis de vakgroep radiologen alleen nog via de advocaat met de directie praat?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de samenwerkingsproblemen tussen de longartsen van het VUmc, wat uiteindelijk leidde tot twee sterfgevallen? Erkent u dat een conflict in ziekenhuizen de kwaliteit van zorg ernstig in gevaar brengt? Wat doet u om een herhaling van deze afschuwelijke incidenten te voorkomen?
Ja. Een vergelijking tussen deze twee situaties gaat echter mank. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vragen 1 en 2. Het is wel zo dat een conflict binnen een ziekenhuis tot risico’s voor kwaliteit en veiligheid kan leiden. Het is daarom van belang dat zorgprofessionals en de Raad van Bestuur tijdig hun verantwoordelijkheid nemen en het patiëntenbelang te allen tijde laten prevaleren. Indien de IGZ signalen bereiken dat de kwaliteit en veiligheid van zorg in het geding zijn zal zij hier direct naar handelen.
Wat vindt u ervan dat de ziekenhuisleiding de radiologen ervan verdenkt kunstmatig wachtlijsten te hebben gecreëerd om zo patiënten van het ziekenhuis naar hun privékliniek te kunnen sluizen? Kunt u dit toelichten?
Het Zuyderlandziekenhuis heeft mij in een reactie laten weten dat het niet zo is dat de raad van bestuur de radiologen ervan verdenkt kunstmatig wachtlijsten te hebben gecreëerd om zo patiënten van het ziekenhuis naar het ZBC Mitralis Diagnostisch Centrum BV door te sturen.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat radiologen uit de vakgroep van het Zuyderlandziekenhuis zowel werkzaam zijn in het ziekenhuis als in de privékliniek, waar zij aandelen in bezitten? Vindt u dit wenselijk? Kunt u dit toelichten?
Het Zuyderlandziekenhuis is geen werkgever van de radiologen. De radiologen zijn namelijk niet in loondienst van het Zuyderlandziekenhuis, maar vrijgevestigd en lid van het Medisch Specialistische Bedrijf. Zoals ik in het antwoord op de vragen 1 en 2 heb aangegeven, is er in deze casus sprake van onderhandelingen tussen het Zuyderland Ziekenhuis en het bestuur van de DCP BV over de overname van het belang van DCP BV in de ZBC. Het staat medisch specialisten vrij, binnen de reikwijdte van bestaande arbeidsovereenkomsten dan wel samenwerkingsovereenkomst van het MSB en het ziekenhuis en de lidmaatschapsovereenkomst met de MSB, een direct dan wel indirect belang in zorgaanbieders te hebben. Het is noodzakelijk dat zowel de raad van bestuur van het ziekenhuis als de medisch specialisten werkzaam binnen het ziekenhuis te alle tijde aandacht hebben en houden voor de kwaliteit van zorg en de gelijkgerichtheid.
Vindt u het wenselijk dat het Zuyderlandziekenhuis werkgever is van de radiologen en tegelijkertijd met hen onderhandelt over de aanschafprijs van aandelen van de privékliniek? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u ervan dat de Raad van Bestuur van het Zuyderlandziekenhuis genoodzaakt is alle aandelen van de radiologen op te kopen om maar een einde te maken aan het voortslepende conflict? Kunt u dit toelichten?
Het is volgens het Zuyderlandziekenhuis niet juist dat zij het belang van DCP BV in de ZBC Mitralis wil overnemen om een einde te maken aan een conflict. Daaraan liggen inhoudelijke redenen ten grondslag.
Erkent u dat de oorzaak van het conflict in het Zuyderlandziekenhuis inherent is aan het feit dat ongeveer de helft van de specialisten in Nederland vrijgevestigd is? Zo ja, erkent u dat dit soort conflicten voorkomen kunnen worden als alle specialisten in loondienst treden van het ziekenhuis? Zo neen, kunt u dit toelichten?
Ongeacht het gehanteerde governancemodel in een ziekenhuis, met loondienst dan wel vrije vestiging, kan er een conflict plaatsvinden tussen een ziekenhuisbestuur enerzijds en aandeelhouders van een privékliniek, waaronder bijvoorbeeld medisch specialisten. Ook medisch specialisten in loondienst van een ziekenhuis kunnen aandelen hebben in een privékliniek.
Erkent u dat de kwaliteit van zorg per definitie in het geding komt, wanneer specialisten een eigen belang hebben bij het doorverwijzen van patiënten? Kunt u dit toelichten?
Nee, artsen moeten handelen conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Daarin heeft de overheid wettelijk vastgelegd dat «goede zorg» verleend dient te worden.
Bent u het ermee eens dat alles gedaan moet worden om bij specialisten (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren?
Dat ben ik met u eens. In de governancecode zorg is een bepaling opgenomen omtrent het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling. De governancecode is een uitwerking van het uitvoeringsbesluit WTZi en geldt daarmee voor alle toegelaten zorginstellingen. De IGZ en NZa gebruiken de governancecode zorg in het toezicht op bestuur.
Ziet u in dat het «Bernhovense model», waar specialisten van het Bernhoven Ziekenhuis in loondienst treden en aandeelhouder kunnen worden, net zoals bij het Zuyderlandziekenhuis tot ongewenste prikkels kan leiden? Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid om te verbieden dat specialisten tegelijkertijd aandeelhouders kunnen zijn?
Nee, die spanning zie ik niet. Zoals de Minister u eerder heeft laten weten in de brief van 4 juli 2016 betreffende de stand van zaken van de invoering van integrale bekostiging is het van belang dat er sprake is van (financiële) gelijkgerichtheid tussen ziekenhuisbestuur en medisch specialisten en tussen medisch specialisten onderling. Naar mijn oordeel zijn zowel het loondienstmodel als ook het participatiemodel naar hun aard (financieel) gelijkgerichter. In voorgenoemde brief heeft de Minister zodoende aangegeven deze beide modellen als stip op de horizon te zien.
Erkent u dat marktwerking in de zorg ertoe heeft geleid dat ziekenhuizen vooral bezig zijn met concurreren en het veiligstellen van financiële zekerheid, in plaats van het waarborgen van de beste zorg voor de patiënt? Kunt u dit toelichten?
Deze stelling doet geen recht aan de hoge kwaliteit van zorg die in het algemeen door ziekenhuizen en specialisten in Nederland geleverd wordt. Het kabinetsbeleid van de afgelopen jaren is erop gericht dat patiënten en verzekeraars kunnen kiezen voor de beste zorg. Als ziekenhuizen geen goede zorg zouden bieden, bestaat het risico dat verzekeraars geen contract meer sluiten en patiënten niet meer naar dat ziekenhuis gaan. Dat ziekenhuizen daarbij naar manieren zoeken om efficiënter met kosten om te gaan vind ik met het oog op de betaalbaarheid van de zorg een goede ontwikkeling. Bovendien houdt de IGZ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg en spreekt zij het bestuur aan als er risico’s zijn voor de kwaliteit van de zorg.
Onrecht als gevolg van de invoering van het leenstelsel voor studenten |
|
Jasper van Dijk |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Erkent u dat ouders de kinderbijslag mislopen als hun minderjarige kind gaat studeren in het hoger onderwijs?1
Ja. Op het moment dat minderjarige studenten gaan studeren en aanspraak kunnen maken op studiefinanciering vervalt op de eerste dag van het kwartaal volgend op de start van de opleiding voor de ouders het recht op kinderbijslag.
Deelt u de mening dat ouders en hun kinderen erop achteruitgaan als de kinderbijslag wordt omgezet in een studieschuld?
Ouders van minderjarige kinderen maken aanspraak op kinderbijslag zolang hun kinderen geen opleiding in het hoger onderwijs volgen en dus nog geen aanspraak hebben op studiefinanciering. Op het moment dat een student een opleiding gaat volgen in het hoger onderwijs kan hij, mits aan de voorwaarden is voldaan, aanspraak maken op studiefinanciering. Dat geldt ook voor minderjarige studenten. De studiefinanciering levert een bijdrage in de kosten van levensonderhoud tijdens de studie en komt voor minderjarige studenten in de plaats van het recht op kinderbijslag. De studiefinanciering bestaat uit een reisvoorziening, die in tegenwaarde ongeveer gelijk is aan de kinderbijslag, en eventueel een aanvullende beurs afhankelijk van het inkomen van de ouders. Daarnaast heeft iedere student de mogelijkheid om te lenen onder sociale voorwaarden. Ik deel dan ook niet de mening dat ouders en hun kinderen erop achteruitgaan op het moment dat minderjarige studenten gaan studeren.
Waarom laat u deze rechtsongelijkheid voortbestaan, aangezien ouders wier kind niet gaat studeren, gewoon kinderbijslag blijven ontvangen?
Van rechtsongelijkheid is geen sprake. Studiefinanciering en kinderbijslag zijn verschillende faciliteiten, bedoeld voor verschillende doelgroepen. Op het moment dat een student begint aan een opleiding in het hoger onderwijs ontstaat ongeacht zijn leeftijd aanspraak op studiefinanciering, bestaande uit de reisvoorziening, eventueel een aanvullende beurs en de mogelijkheid om te lenen. Deze aanspraak komt in plaats van het recht op kinderbijslag. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat ambitieuze jongeren door deze maatregel worden ontmoedigd om snel te gaan studeren, aangezien de kinderbijslag wordt omgezet in een studieschuld?
Nee, die mening deel ik niet. Studiefinanciering levert een bijdrage in de kosten van levensonderhoud tijdens de studie en bestaat behalve uit de mogelijkheid om onder sociale voorwaarden te lenen, uit de reisvoorziening en een eventuele aanvullende beurs. Daarmee is de financiële toegankelijkheid van het hoger onderwijs geborgd.
Erkent u dat het nogal hypocriet is om jongeren enerzijds te waarschuwen voor hoge schulden («let op: geld lenen kost geld»), terwijl u anderzijds ambitieuze jongeren dwingt om een studieschuld aan te gaan via het leenstelsel?
Studenten hebben verschillende mogelijkheden om hun studie te financieren, waaronder de mogelijkheid van een studielening. Ik vind het belangrijk dat studenten daarin een bewuste keuze maken. Uit de monitor beleidsmaatregelen 2015 bleek dat 62 procent van de studenten die onder het studievoorschot viel, gebruik maakte van de leenmogelijkheid. Een studie is een goede investering in de eigen toekomst van de student. Daarnaast kan een eventuele studieschuld worden terugbetaald onder sociale terugbetaalvoorwaarden.
Is het waar dat ongeveer 15.000 minderjarige jongeren hoger onderwijs volgen en dat dit staat voor ongeveer 10 tot 20 miljoen euro aan misgelopen kinderbijslag? Zo nee, wat is het juiste bedrag?
Voor een berekening is uitgegaan van het vierde kwartaal van 2016, omdat de meeste kinderen op 1 september beginnen met een opleiding in het hoger onderwijs en daarom het kwartaal daaropvolgend geen recht meer bestaat op kinderbijslag. Over dat vierde kwartaal is voor circa 22.500 minderjarigen de kinderbijslag gestopt, omdat zij in het derde kwartaal zijn begonnen met een opleiding in het hoger onderwijs. Als de kinderbijslag tot hun 18e jaar zou worden doorbetaald, rekening houdend met de geboortedatum van deze kinderen, zou dit voor deze kinderen in totaal nog circa 55.000 kwartalen kinderbijslag kosten. Omgerekend is dit een bedrag van circa 15 miljoen euro.
Bent u ermee bekend dat indien minderjarige studenten (bijvoorbeeld) in januari stoppen met hun studie, dat zij per 1 februari geen aanspraak meer maken op studiefinanciering en een OV-kaart, terwijl de kinderbijslag pas in het volgende kwartaal wordt uitgekeerd, waardoor ouders twee maanden geen tegemoetkoming ontvangen? Bent u bereid dit probleem op te lossen?
Daar ben ik mee bekend. Dit hangt samen met de kwartaalsystematiek van de kinderbijslag. De situatie op de eerste dag van het kwartaal is bepalend voor het recht op kinderbijslag in dat kwartaal. Dit kan in een individueel geval voor- of nadelen hebben. Er wordt niet overwogen het systeem aan te passen.
Bent u bereid om de kinderbijslag voor ouders te laten doorlopen, ook als hun minderjarige kind gaat studeren in het hoger onderwijs? Zo nee, waarom laat u deze rechtsongelijkheid voortbestaan?
Er is geen reden om de kinderbijslag voor minderjarige studenten die een opleiding volgen in het hoger onderwijs te laten doorlopen. Deze studenten kunnen immers aanspraak maken op studiefinanciering, waarbij geldt dat enkel de tegenwaarde van de reisvoorziening al ongeveer gelijk is aan de kinderbijslag. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3. Met ingang van 1 september 2017 kunnen minderjarige studenten overigens direct vanaf de eerste maand waarin zij hoger onderwijs volgen aanspraak maken op studiefinanciering. Dit terwijl hun ouders voor dat hele kwartaal nog kinderbijslag en eventueel kindgebonden budget ontvangen.
Bent u bereid om het leenstelsel terug te draaien, zodat (minderjarige) studenten een basisbeurs als gift ontvangen en niet langer ontmoedigd worden om te gaan studeren?
Met de invoering van de Wet studievoorschot hoger onderwijs is de financiële toegankelijkheid van het hoger onderwijs geborgd. Iedereen die het talent en de motivatie heeft, heeft in Nederland de kans om te gaan studeren. Ik zie dan ook geen reden het studievoorschot terug te draaien.
De vluchtelingendeal met Turkije |
|
Kees van der Staaij (SGP), Pieter Omtzigt (CDA), Joram van Klaveren (GrBvK), Raymond de Roon (PVV), Mona Keijzer (CDA), Harry van Bommel , Joël Voordewind (CU) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat er een gentlemen’s agreement gesloten is bij de vluchtelingendeal met Turkije, waarbij premier Rutte en bondskanselier Merkel zich zouden inspannen (of beloofd hebben) om jaarlijks tussen de 150.000 en 250.000 Syrische vluchtelingen naar de EU te laten komen?1
Ja. Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Is er een dergelijke gentlemen’s agreement (of side letter) bij het vluchtelingendeal?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 2 «ja» is, wat zijn deze afspraken dan precies?
Het kabinet verwijst u naar het antwoord op vraag 2.
Welke toezeggingen over inspanningen en verplichtingen om een aantal Syrische vluchtelingen uit Turkije naar de EU te brengen, bent u samen met bondskanselier Merkel aangegaan?
Er zijn enkel in Europees verband afspraken gemaakt over het hervestigen van Syrische vluchtelingen vanuit Turkije. Deze afspraken zijn opgenomen in de EU-Turkije-verklaring van 18 maart 2016. Over de inhoud van de gezamenlijke EU-Turkije verklaring van 18 maart 2016, heeft het kabinet u onder meer geïnformeerd bij brief van 21 maart 20162 en is uitgebreid en veelvuldig met uw Kamer gesproken. Tijdens het overleg met uw Kamer over de uitkomsten van de Europese Top van 17 en 18 maart 2016 is ook al gevraagd naar een zogenaamde afspraak om 250.000 vluchtelingen per jaar op te nemen uit Turkije. Het kabinet heeft toen al gezegd dat dergelijke afspraken niet zijn gemaakt.3 De recente rapportages van de Europese Commissie over herplaatsing en hervestiging4 en over de uitvoering van de EU-Turkije-verklaring5, beschrijven de huidige stand van zaken ten aanzien van hervestiging van Syrische vluchtelingen vanuit Turkije.
Ten aanzien van een Europees hervestigingsmechanisme heeft de Europese Commissie op 13 juli 2016 een voorstel gedaan. Het kabinet heeft op 26 augustus 2016 in het betreffende BNC-fiche6 zijn opstelling uiteengezet. De gesprekken in Brussel over dit voorstel zijn nog gaande.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Nederlandse regering de Turkse regering verzocht heeft om het bezoek van Minister Cavucoglu na 15 maart te laten plaatsvinden?2
Ja.
Is er op enig moment direct een verzoek gedaan aan Turkije om het bezoek van Minister Cavucoglu na 15 maart te laten plaatsvinden? Zo ja, wanneer en hoe?
Nee.
Is er op enig moment indirect een verzoek gedaan aan Turkije om het bezoek van Minister Cavucoglu na 15 maart te laten plaatsvinden? Zo ja, wanneer en hoe?
Nee.
Kunt u deze vragen een voor een en voor 14 maart 18.00 uur beantwoorden?
Nee.
De schoffering van Nederland door de Turkse regering |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Turkse Minister van familiezaken tegengehouden bij Rotterdam»?1
Deelt u de afschuw over de ongehoorde belediging door de Turkse regering die stelt dat Nederlanders nazi-overblijfselen en fascisten zijn?
Deelt u de visie dat, mede gezien de steun aan het dictatoriale Erdogan-regime, grote groepen NederTurken geen volledig onderdeel willen uitmaken van onze samenleving? Bent u bereid deze groep op te roepen ons land definitief te verlaten?
In hoeverre erkent u inmiddels dat de dubbele nationaliteit in veel gevallen leidt tot een dubbele loyaliteit? Welke beleidsmatige gevolgen bent u bereid hieraan te verbinden?
Bent u bereid, na de zoveelste provocatie, de Turkse ambassadeur uit te zetten en in Europees verband alles in het werk te stellen om de EU-toetredingsonderhandelingen met Turkije definitief stop te zetten? Zo neen, waarom niet?
Het bericht dat er problemen zijn met het vervoer voor leerlingen met een zorgvraag of beperking |
|
Paul van Meenen (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Schoolvervoer slecht geregeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat ieder kind recht heeft op passend onderwijs en dat daar ook passend vervoer bij hoort?
Indien een leerling vanwege zijn handicap niet zelfstandig kan reizen, hoort daar passend vervoer bij.
Hoeveel kinderen maken gebruik van dit soort vervoer? Hoeveel van deze kinderen heeft een zorgvraag of beperking?
Uit de monitor leerlingenvervoer van Oberon blijkt dat in het schooljaar 2014–2015 73.000 leerlingen gebruik maakten van de vervoersregeling. 56 procent van de leerlingen die gebruik maakten van de regeling deden dat op grond van alleen hun handicap. Daarnaast werd ook nog 9 procent van de leerlingen vervoerd vanwege de combinatie van handicap en denominatie. De overige 35 procent was vervoer op basis van afstand/denominatie.
Is er een beeld van de kwaliteit van het leerlingenvervoer? Zo ja, hoe heeft dit beeld zich in de afgelopen jaren ontwikkeld? Zo nee, gaat u actie ondernemen om hier een duidelijk beeld van te krijgen?
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt niet bij het Ministerie van OCW maar bij de gemeenten. Zij zijn dan ook verantwoordelijk voor de kwaliteit en een beeld daarvan. Ik heb daar dan ook geen beeld van. Wel weet ik dat TNS consult in 2010 en 2011 onderzoek heeft uitgevoerd naar de kwaliteit van het contractvervoer, waaronder het leerlingenvervoer. Uit de laatste meting blijkt dat ruim driekwart van de reizigers van het leerlingenvervoer (78 procent) het leerlingenvervoer met een 7 of hoger beoordeelde. Ruim vier op de tien reizigers (45 procent) beoordeelden het vervoer met een 8 of hoger.
Heeft u specifieke cijfers over het percentage kinderen dat op tijd op school aan komt? Zo ja, hoe vaak komen kinderen op tijd aan? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Zoals in het antwoord op vraag 4 staat, ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer niet bij het Ministerie van OCW maar bij de gemeenten. Ik heb dan ook geen specifieke cijfers over het percentage kinderen dat op tijd op school aan komt. Uit het onderzoek genoemd in vraag 4, kwam ook naar voren dat het merendeel van de leerlingen (zeer) tevreden was over de onderdelen van de dienstverlening die zijn gerelateerd aan tijd. Met name het op tijd vertrekken en aankomen werd positief beoordeeld (respectievelijk 87 procent en 90 procent).
Kunt u aangeven wat de reden is/redenen zijn dat de kwaliteit van het leerlingenvervoer in een aantal gemeenten onder de maat is? Zo ja, wat zijn deze redenen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat de kwaliteit in een aantal gemeenten structureel onder de maat is. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wilt u in gesprek gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om de in bepaalde gemeenten tanende kwaliteit van het vervoer voor leerlingen met een zorgvraag of beperking aan te kaarten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Indien het leerlingenvervoer in een bepaalde gemeente kwalitatief onder de maat is, zou dit tot een gesprek tussen gemeenteraad en verantwoordelijke wethouder moeten leiden. Als het beeld ontstaat dat de kwaliteit van het leerlingenvervoer landelijk of althans op grote schaal een probleem is, zal ik hierover in overleg gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Bent u bereid om – in navolging van de algemene maatregel van bestuur die zijn collega van Volksgezondheid, Welzijn een Sport heeft opgesteld om kwaliteitseisen op te stellen voor het doelgroepenvervoer – een algemene maatregel van bestuur te maken om de kwaliteit van het vervoer voor leerlingen met een zorgvraag of beperking te waarborgen? Zo ja, op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, wat gaat u wel doen om de kwaliteit van dit vervoer te verbeteren?
Een AMvB zoals de Staatssecretaris van VWS heeft toegezegd voor het gehandicaptenvervoer kan niet zomaar voor het leerlingenvervoer. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt al jaren bij de gemeenten. Deze verantwoordelijkheid is vastgelegd in wet- en regelgeving. Hierin is geen basis om bij AMvB nadere regels te stellen aan het leerlingenvervoer.
Gemeenten worden vanuit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie met het handboek «Professioneel Aanbesteden Leerlingenvervoer» geholpen bij het aanbestedingsproces. Het handboek geeft tips en voorbeelden over zaken waarvan het belangrijk is dat ze worden meegenomen en meegewogen bij de aanbesteding. In het handboek wordt ook informatie gegeven over de kwaliteit waar het leerlingenvervoer aan zou moeten voldoen. Gemeenten worden gewezen op het belang van een goede verhouding van kwaliteit en prijs bij de aanbesteding.
De dood van een agent op Bonaire |
|
Roelof van Laar (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de dood van een agent op Bonaire op 18 augustus 2016 tijdens de uitoefening van zijn functie en als gevolg van geweervuur, en de impact die dit incident heeft op de inwoners van Bonaire en de medewerkers van het politiekorps Bonaire in het bijzonder?
Ja, ik ben zeer zeker bekend met het tragisch overlijden van een agent op Bonaire tijdens de uitoefening van zijn functie en de bredere effecten daarvan.
Klopt het dat de wijze waarop agenten door hun werkgever zijn verzekerd, waaronder begrepen een levensverzekering, verschilt binnen het Bonairiaanse korps, in die zin dat vanuit Europees Nederland uitgezonden agenten mogelijk beter verzekerd zijn dan lokale agenten? Zo ja, kunt u op een rijtje zetten welke verschillen er precies zijn en wat de rechtvaardiging is van deze verschillen? Zo ja, bent u dan bereid deze verschillen in verzekering weg te nemen of te doen wegnemen?
De rechtspositie van alle Rijksambtenaren in Caribisch Nederland, waaronder ook politieambtenaren, is een andere rechtspositie dan de rechtspositie van de ambtenaren, zoals we die in het Europese deel van het Koninkrijk kennen. Verschillen zijn bijvoorbeeld te zien in bezoldiging en werktijd. Ook de werkgeversvoorzieningen zijn niet gelijk. Op dit moment wordt bezien op welke wijze een passende werkgeversvoorziening bij overlijden door een dienstongeval voor (alle) rijksambtenaren in het Caribisch deel van Nederland kan worden gecreëerd.
Waarborgsommen bij energielevering |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met het feit dat energiebedrijven in toenemende mate een waarborgsom vragen alvorens zij overgaan tot levering van energie?1 Weet u dat daarbij bedragen van 350 tot wel 600 euro geen uitzondering zijn?
Ik ben ermee bekend dat de energieleveranciers waarborgsommen hanteren. Tot nu toe heb ik geen signalen ontvangen dat er een toename is in het aantal of de hoogte van de waarborgsommen die energieleveranciers aan consumenten vragen.
Wanneer een consument een contract afsluit bij een energieleverancier gaat hij daarbij akkoord met de algemene voorwaarden voor de levering. In 2013 zijn Energie Nederland en de Consumentenbond tot overeenstemming gekomen over een set algemene voorwaarden voor energielevering. In deze voorwaarden is opgenomen dat de leverancier van de contractant (consument) zekerheden, zoals een bankgarantie of waarborgsom, mag verlangen voor de bedragen die de consument voor de energielevering verschuldigd is. Daarbij is bijvoorbeeld bepaald dat de waarborgsom niet hoger zal zijn dan het bedrag dat de contractant vermoedelijk gemiddeld over een periode van zes maanden zal moeten betalen. De maximale hoogte van een waarborgsom kan dus per situatie verschillen. Bij een gemiddelde energierekening van Euro 1.735 per jaar2, zal een waarborgsom conform de algemene voorwaarden dus ten hoogste kunnen liggen rond de Euro 870. Dit is een aanzienlijk bedrag bovenop de energierekening, waar de energieleveranciers wijselijk en terughoudend mee om moeten gaan, in lijn met de Elektriciteits- en Gaswet. Wettelijk is bepaald dat energieleveranciers consumenten tegen redelijke tarieven en voorwaarden van energie moeten voorzien. De voorwaarden die zijn verbonden aan de energielevering moeten transparant, eerlijk en vooraf bekend zijn. De ACM is belast met het toezicht hierop en heeft Energie Nederland er in het verleden op gewezen dat een borg redelijk moet zijn. Een borg ter hoogte van het energieverbruik over een half jaar, zoals omschreven in de algemene voorwaarden, is wat de ACM betreft een uiterste dat alleen in uitzonderlijke situaties mag worden gevraagd. Daarnaast ziet de ACM erop toe dat de hoogte van de borg transparant en meteen in het aanbod zichtbaar is. Op deze wijze kan de consument dit meenemen in zijn leverancierskeuze.
De ACM heeft het afgelopen jaar verschillende vragen ontvangen over waarborgsommen. Deze vragen gaven haar onvoldoende aanleiding om een onderzoek naar waarborgsommen uit te voeren. De ACM heeft laten weten de ontwikkelingen op het gebied van waarborgsommen te blijven volgen.
Recent zijn er nieuwe algemene voorwaarden opgesteld door Energie Nederland en voorgelegd aan de Commissie Zelfregulering van de Sociaal Economische Raad, waaraan de Consumentenbond en de Vereniging Eigen Huis deelnemen. Deze nieuwe voorwaarden worden per 1 april 2017 van kracht en bevatten een aanpassing van de voorwaarden ten aanzien van waarborgsommen. Zo is er toegevoegd dat de waarborgsom voor de situatie van de betreffende consument redelijk zal zijn. Hierdoor kan de waarborgsom worden aangepast op basis van de informatie die de consument over zijn situatie aan de leverancier verstrekt. Van belang is dat de energieleveranciers helder communiceren over de mogelijkheden om een waarborgsom te laten bijstellen.
Is tevens bekend dat de waarborgsom in toenemende mate zelfs gebruikt wordt bij geringe betalingsachterstanden op de voorschotnota?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 houdt de ACM toezicht op de voorwaarden en tarieven die leveranciers hanteren. Voor de ACM was er gezien de vragen over waarborgsommen geen aanleiding om tot onderzoek over te gaan. Ook ik heb geen signalen ontvangen dat er een toename is in het gebruik van de waarborgsom bij geringe betalingsachterstanden op de voorschotnota.
Bent u tevens bekend met het feit dat bij dreigende afsluiting van energie door een geringe betalingsachterstand een zogenaamde spoedaanvraag aangeboden wordt ter borging van levering, waarbij vrijwel standaard een kredietcheck volgt? Wat is uw opvatting over het feit dat een waarborgsom voor energielevering gemeengoed lijkt te worden?
Wanneer een consument, bijvoorbeeld vanwege wanbetaling, afgesloten dreigt te worden door zijn energieleverancier is het mogelijk om een spoedaanvraag bij een andere leverancier in te dienen om de energielevering te continueren. Wanneer er een verhoogd betalingsrisico is, bijvoorbeeld vanwege eerdere wanbetaling, voeren energieleveranciers doorgaans een kredietcheck uit en vragen zij afhankelijk van het mogelijke financiële risico een waarborgsom, alvorens tot energielevering over te gaan.
Ik hecht veel waarde aan een betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening. Er is dan ook wettelijk bepaald dat de energielevering aan consumenten tegen redelijke tarieven en voorwaarden gebeurt met transparante, eerlijke voorwaarden, die vooraf bekend zijn. Door omstandigheden kan het voorkomen dat een consument zijn energierekening niet kan betalen. In de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas worden regels gesteld om afsluiting vanwege wanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen. Zo moet een leverancier consumenten wijzen op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening en zich inspannen om in persoonlijk contact te komen met de consument om deze te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen. Aan de andere kant heeft de consument de eigen verantwoordelijkheid om tijdig zijn energierekening te voldoen. Daarbij kan de energieleverancier maatregelen nemen om te verzekeren dat de geleverde energie ook wordt betaald. Ik acht het echter niet wenselijk dat er standaard waarborgsommen voor energielevering worden gevraagd bij het afsluiten van een nieuw energiecontract. Tot nu toe heb ik ook geen signalen ontvangen dat dit zo zou zijn. Consumenten kunnen, als zij vermoeden dat er sprake is van ongeoorloofde praktijken, een klacht indienen bij de ACM. De ACM kan ook op eigen initiatief een onderzoek uitvoeren en zo nodig optreden.
Hoe verhoudt zich het ontstane systeem van waarborgen en spoedaanvragen met kredietcheck tot het feit dat in de brief over de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas (MR Afsluitbeleid) is gesteld dat energiebedrijven wijselijk en terughoudend dienen om te gaan met waarborgsommen?2
De Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas is erop gericht om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen. In dat kader heb ik de energieleveranciers in 2009 verzocht om wijselijk en terughoudend om te gaan met waarborgsommen. Immers een hogere energierekening door een waarborgsom kan betalingsachterstanden in de hand werken. De ACM is belast met het toezicht hierop en heeft er in het verleden ook op gewezen dat een borg redelijk moet zijn. De ACM heeft laten weten de ontwikkelingen op het gebied van waarborgsommen te blijven volgen.
Is er door de toenemende waarborgstelling naar uw mening sprake van kartelafspraken door energieleveranciers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u er tegen ondernemen?
Energieleveranciers hanteren waarborgsommen om zich in te dekken tegen wanbetalingsrisico. Ik heb geen indicaties dat daarbij sprake zou zijn van concurrentiebeperkende kartelafspraken zoals prijs- of marktverdelingsafspraken. De ACM is de toezichthouder belast met handhaving van het kartelverbod. Indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van verboden kartelafspraken dan kan dit gemeld worden bij de ACM. Zij kan op basis van klachten of op eigen initiatief onderzoek doen.
Klopt het dat energieleveranciers onderzoeksbureaus inschakelen voor het verkrijgen van informatie over wanbetalers en faillissementen? Op welke wijze is de consument beschermd tegen gebruik en/of misbruik van oude data?
Energie Nederland heeft laten weten dat energieleveranciers hun potentiële klanten beoordelen en/of laten beoordelen op kredietwaardigheid. Zo kijken leveranciers bijvoorbeeld in hun eigen systeem of er geen schulden zijn en of er in het verleden sprake is geweest van wanbetaling. Daarnaast zijn er energieleveranciers die een kredietinformatiebureau inschakelen voor een zogenoemde kredietscore. Op basis daarvan besluit een energieleverancier of hij een waarborgsom vraagt. Van Energie Nederland heb ik begrepen dat er door de Consumentenbond voorstellen zijn gedaan over het gebruik/voorkomen van misbruik van oude data. Op dit moment onderzoeken de energieleveranciers de voorstellen van de Consumentenbond om te bezien of hun procedures daarop aangepast moeten worden. Dit proces zal ik blijven volgen om te bezien of de keuzes die gemaakt gaan worden aansluiten bij het beleid om wanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen en te beëindigen.
Deelt u de mening dat het in rekening brengen van torenhoge borgsommen een vorm van afwijzen of selectie in zich draagt? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de Elektriciteits- en Gaswet moeten energieleveranciers op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden energie leveren. Daarbij moeten de voorwaarden die zijn verbonden aan de levering aan een consument transparant, eerlijk en vooraf bekend zijn. Een energieleverancier mag zich daarbij indekken tegen een realistisch risico van wanbetaling, wat in het normale handelsverkeer gebruikelijk is. Ik acht het echter onwenselijk dat mensen als gevolg van hoge waarborgsommen energielevering ontberen. Hierin moet een goede balans gevonden worden. Ik heb geen indicaties dat er niet voldaan wordt aan de wetgeving. De ACM is de toezichthouder belast met handhaving van de Elektriciteits- en Gaswet. Indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van het handelen in strijd met de wet dan kan dit gemeld worden bij de ACM. Zij kan op basis van klachten of op eigen initiatief onderzoek doen.
Is dit systeem van borgsommen rechtsgeldig? Zo ja, bij welke wet is het afdwingen van borgsommen door energieleveranciers geregeld? Zo nee, op welke wijze en bij welke wet worden consumenten beschermd tegen mogelijk wangedrag door energieleveranciers?
Het is in het normale handelsverkeer gebruikelijk dat bedrijven de kredietwaardigheid van klanten controleren om zich te kunnen indekken tegen wanbetalingen. Zo ook in de energiemarkt. Daarbij bevatten de Elektriciteits- en Gaswet verschillende bepalingen om consumenten te beschermen. Zo moet een energieleverancier beschikken over een vergunning om aan consumenten te mogen leveren. Een van de verplichtingen is dat een vergunninghouder op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden energie levert aan iedere consument die daarom verzoekt. Binnen dit kader mogen energieleveranciers zelf hun tarieven bepalen. In de wet is geen aparte bepaling opgenomen over waarborgsommen, maar de eis dat de voorwaarden en tarieven transparant, eerlijk en vooraf bekend moeten zijn geldt ook voor waarborgsommen. Zie ook het antwoord op vraag 1. De ACM is belast met het toezicht op de Elektriciteits- en Gaswet. Bij de beoordeling van een aanvraag van een leveranciersvergunning kijkt de ACM ook naar de hoogte van een eventuele borgstelling. Indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van het handelen in strijd met de wet dan kan dit gemeld worden bij de ACM. Zij kan op basis van klachten of op eigen initiatief onderzoek doen.
Bent u bereid om de Nederlandse Mededingingsautoriteit te laten onderzoeken of het vragen van borgsommen door energieleveranciers rechtsgeldig is? Zo nee, waarom niet?
Het vragen van waarborgsommen is rechtsgeldig, waardoor er geen reden is om de rechtsgeldigheid als zodanig door de ACM te laten onderzoeken. Echter wanneer hoge waarborgsommen gemeengoed worden en leiden tot uitsluiting acht ik dit onwenselijk. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit aan de hand zou zijn. Desalniettemin heb ik de ACM op de hoogte gesteld van dit signaal. De ACM kan op basis van klachten of op eigen initiatief een onderzoek instellen.
De reikwijdte en de gevolgen van het kustpact voor Zeeland |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Heeft u meegekregen dat ruim 600 mensen op 4 maart 2017 een protestlint hebben gevormd tegen Brouwerseiland?1
Ja
Hoe verhoudt het plan om een aanzienlijk deel van de Brouwersdam vol te bouwen met luxe vakantiehuizen zich tot de doelen van het Kustpact, waarin een reeks kernkwaliteiten van het kustgebied gewaarborgd zouden moeten zijn?2 Is er sprake van strijdigheid? Zo nee, waarom niet?
De partijen die het Kustpact (Kamerstuk 29 383, nr. 278 dd 21 februari 2017) hebben ondertekend, onderschrijven het belang van een goede balans tussen ruimtelijke ontwikkelingen en het behoud en de bescherming van de kernkwaliteiten en de collectieve waarden van de kustzone. In het Kustpact is afgesproken dat met behulp van zonering zal worden aangegeven waar wel, waar niet en waar onder voorwaarden de realisatie van nieuwe recreatieve bebouwing mogelijk is.
In het Kustpact is nader omschreven voor welke categorie plannen en projecten de besluitvorming kan worden vervolgd, zonder dat op de vast te stellen zonering hoeft te worden geanticipeerd of gewacht. Die categorie betreft plannen en projecten waarvoor de democratische besluitvorming al in een concreet stadium was op het moment van inwerkingtreding van het Kustpact. Het genoemde plan voor de Brouwersdam (plan Brouwerseiland) valt binnen deze categorie van plannen. Het Kustpact spreekt zich niet inhoudelijk uit over dit plan.
De afweging over de ruimtelijke inpassing van het plan Brouwerseiland, ook in relatie tot de kernkwaliteiten van de kust, is primair aan de gemeente Schouwen-Duiveland. In december 2015 heeft de gemeente Schouwen-Duiveland voor een deel van het plan Brouwerseiland op basis van artikel 3.2 van het Besluit algemene regeling ruimtelijke ordening (Barro) ontheffing gevraagd voor het in het bestemmingsplan Brouwerseiland toestaan van nieuwe bebouwing in het kustfundament van de Brouwersdam. Nu in het Kustpact afspraken zijn gemaakt over de categorie lopende plannen heb ik op dit verzoek onlangs besloten, zoals toegezegd tijdens het debat met uw Kamer op 22 februari jl.
De voorgenomen nieuwe bebouwing brengt geen nadeel toe aan de nationale belangen van de instandhouding van het kustfundament en de veiligheid van de primaire waterkering. De ontheffing heb ik onlangs verleend, omdat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waaronder de mogelijkheden voor natuurontwikkeling en de verbetering van de ecologische waterkwaliteit van de Grevelingen. De verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijke beleid zou onevenredig worden belemmerd in verhouding tot de te dienen bovengenoemde nationale belangen. Het besluit is op 14 maart jl. genomen en aan de gemeente meegedeeld en bij brief van 20 maart jl. aan de gemeente verzonden.
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft het voornemen van de gebruikmaking van de ontheffing van het Barro, 6 weken ter inzage gelegd, waarin zienswijzen kunnen worden ingediend. Na deze termijn zal de gemeente alle zienswijzen bundelen en behandelen en worden de zienswijzen betrokken bij de behandeling van de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland.
Om hoeveel beoogde huisjes gaat het wanneer gesproken wordt over de wildgroei in de gemeente Noord-Beveland van vakantieparken en gebieden die tot landgoed worden uitgeroepen? Is dit geoorloofd binnen het Kustpact? Is het een goede zaak dat een kleine gemeente in zo’n ecologisch en toeristisch belangrijk gebied zulke vergaande plannen uitvaardigt zonder dat provincie of Rijk daar beperkingen aan stellen?
Van de gemeente Noord-Beveland heb ik vernomen dat in bestaande vakantieparken en in reeds vergunde of bestemde vakantieparken verblijfsrecreatieve woningen worden ontwikkeld voor uitbreiding of herstructurering. Daarnaast zijn op basis van raadsbesluiten vergunningen ter inzage gelegd voor enkele te ontwikkelen kleinschalige landgoederen, meer landinwaarts, met verblijfsrecreatieve woningen. Deze ontwikkeling bij elkaar betreft de bouw van ongeveer 370 woningen in de komende jaren, waarbij bijna 100 eenheden zullen worden vervangen. Deze plannen behoren tot de in het antwoord op vraag 2 genoemde categorie plannen en projecten uit het Kustpact, voor welke de besluitvorming kan worden voortgezet.
Ik heb er vertrouwen in dat de gemeente Noord-Beveland en andere betrokken partijen, waaronder met name de provincie Zeeland, komen tot een goede afweging voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in dit deel van de provincie, waarbij zowel de recreatieve als de natuurlijke en landschappelijke waarden worden versterkt. Daarbij hebben de gemeente Noord-Beveland, de provincie Zeeland en het Rijk afhankelijk van de plaats en omvang van een plan, ieder vanuit hun wettelijke verantwoordelijkheid een rol bij de beoordeling, het verlenen van vergunning en het stellen van beperkingen. Het geven van een aanwijzing, zoals in de vraag genoemd, is pas aan de orde als specifieke nationale belangen door andere overheden niet goed worden behartigd. Dat is hier niet aan de orde.
Deelt u de mening dat de plannen van de gemeente Noord-Beveland het hele aangezicht van het centrale deel van de provincie Zeeland grootschalig zullen aantasten? Welke middelen heeft u om de gemeente Noord-Beveland, al dan niet via de provincie, een aanwijzing te geven om deze allesverwoestende plannen niet door te laten zetten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van het feit dat de gemeente Noord-Beveland een hoofdlijnenovereenkomst tussen Zeeuwse Lagune BV en het Rijksvastgoedbedrijf geheim houdt, welke moet leiden tot het opspuiten van een schiereiland in het Veerse Meer? Waarom mag de burger niet weten wat er gebeurt? Gaat alleen de gemeente over een plan met zulke grote ruimtelijke gevolgen?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de overeenstemming met de initiatiefnemer Zeeuwse Lagune BV. over de hoofdlijnen van een erfpachtovereenkomst, schriftelijk aan deze bevestigd. Deze brief is niet openbaar omdat er bedrijfsgevoelige informatie in staat.
De in de brief opgenomen afspraken zijn expliciet onder voorbehoud van de vereiste vergunningverlening door de bevoegde gezagen, zoals een omgevingsvergunning van de gemeente. Op deze wijze worden overheden niet beïnvloed bij de afweging van belangen ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling.
Ik vertrouw erop dat de gemeente Noord-Beveland bij de besluitvorming het provinciale omgevingsbeleid en de provinciale regels ten aanzien van de mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen, in acht neemt.
Wat is de ontwikkeling van het vakantiehuisjes- en hotelbestand in Zeeland over de laatste tien jaar en wat zit er nog aan ontwikkelingen in het vat? Is de bezettingsgraad meegegroeid met het aanbod?
De provincie Zeeland heeft in 2015 in het kader van het economische beleid, onderzoek laten doen naar de vitaliteit van de verblijfsrecreatiesector in Zeeland. In dat onderzoek wordt een groei van ruim 1900 verblijfsrecreatieve eenheden in de komende jaren voorzien. Het onderzoek geeft een verwachting van de groei van het aantal bungalowvakanties tussen 2016 en 2020 van 2% tot 2,3%. Het onderzoek signaleert dat in de afgelopen jaren het aanbod aan bungalowaccommodaties sneller toenam dan de vraag en dat de bedbezetting is gegroeid. Uit cijfers van het CBS blijkt dat de capaciteit aan hotelbedden de laatste 10 jaar nagenoeg gelijk is gebleven. Het aantal bedden in vakantieparken is sinds 2012 met circa 35% gegroeid.
Zoals in het Kustpact is afgesproken, zal ik het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) verzoeken om in het kader van de Monitor Infrastructuur en Ruimte (MIR), in navolging op de MIR 2016, te monitoren hoe de recreatieve bebouwing in de kustzone zich ontwikkelt. Over de resultaten van de monitor zal ik uw Kamer informeren.
Het gebruik van deze bebouwing door de eigenaar is geen onderwerp van de monitor van het PBL. Het is aan de decentrale overheden en partijen in de recreatiesector om te volgen hoe recreatie-koopwoningen worden gebruikt. Vanuit het provinciaal omgevingsbeleid en de verordening ruimte van de provincie Zeeland is bij nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkelingen, centrale verhuur verplicht gesteld.
Hoeveel gekochte vakantiehuizen worden werkelijk (al dan niet tijdelijk) bewoond en hoeveel zijn gekocht puur als belegging, omdat geld op de bank in deze tijd niets oplevert? Als dit niet bekend is, wilt u daar dan een onderzoek naar instellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is nu wel en wat is nu niet de reikwijdte van het Kustpact voorzover het Zeeland betreft? Gaat het alleen om de zandstranden aan de Noordzee en kusten van de Westerschelde? Zo ja, worden dan niet alsnog het hele Oosterscheldegebied, inclusief de hiermee in verbinding staande wateren uitgeleverd aan de projectontwikkelaars?
Het Kustpact heeft betrekking op de kustzone. Dat betreft de Noordzee-kust, de stranden, de dammen, de duinen en gebieden landinwaarts daarvan. De provincies zullen de begrenzing van de landinwaartse gebieden nog nader bepalen. In Zeeland zal deze begrenzing blijken uit de Zeeuwse Kustvisie. In het concept van de Zeeuwse Kustvisie zijn langs de Deltawateren enkele gebieden die direct aansluiten aan het strand, de duinen en de badplaatsen, betrokken. Het voornemen is om de verder van de kust gelegen gebieden langs de Deltawateren, waaronder de Oosterschelde, nu nog niet in de Zeeuwse Kustvisie te betrekken. Dat betekent echter niet dat in die gebieden geen beleid en regels gelden voor (recreatieve) bebouwing. In deze gebieden is ook op dit moment al sprake van een omgevingsbeleid en regelgeving waar initiatieven van ontwikkelaars aan dienen te voldoen.