De misstanden bij Thebe |
|
Lilian Marijnissen |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Bent u ook zo geschrokken van de signalen over grove misstanden die gemeld worden door medewerkers van zorgorganisatie Thebe?1 2 3
Ik heb kennis genomen van het Zwartboek over zorgorganisatie Thebe, opgesteld door een (onbekend) aantal medewerkers, met daarin klachten en meldingen van uiteenlopende aard over de zorgverlening. Ik vind het zorgelijk wanneer dit soort signalen over een zorgaanbieder naar voren komt. Het feit dat een andere groep medewerkers van Thebe, die zich niet herkende in het beeld, daags na het Zwartboek met een Witboek kwam als tegengeluid, geeft aan dat er verschillende beelden zijn. De Raad van Bestuur van een zorginstelling dient te zorgen voor veilige en kwalitatief verantwoorde zorg. Het is dan ook zaak dat zij deze signalen van medewerkers serieus nemen. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat dit niet het geval is. Thebe heeft de afgelopen maanden diverse gesprekken gevoerd met vakbond FNV over de werkdruk en personeelsbezetting binnen de zorg. Daarnaast zijn zowel de Centrale Cliëntenraad als de Ondernemingsraad meegenomen in de gesprekken en de lijn die Thebe daarin kiest.
Wat is uw reactie op het zwartboek waarin zorgmedewerkers 305 misstanden over de situatie binnen Thebe hebben toegelicht?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat veel misstanden worden veroorzaakt door chronische personeelstekorten en de inzet van flex- en uitzendkrachten, waardoor onveilige situaties ontstaan voor zowel cliënten als het personeel en de werkdruk gigantisch hoog is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is primair aan de Raad van Bestuur van een zorginstelling om te zorgen voor veilige en kwalitatief goede zorg. Passende personeelsinzet is daar onderdeel van. Daarvoor is het onder meer belangrijk naar de juiste functiemix in de teamsamenstelling te zoeken. In dat verband geldt dat er meer wegen naar Rome leiden, zolang dat maar tot goede zorg leidt.
Thebe heeft, net als veel andere organisaties, te maken met een krappe arbeidsmarkt. Het aantal moeilijk vervulbare vacatures stijgt en voor een aantal beroepen is het op dit moment moeilijk om voldoende mensen te vinden. Er is de afgelopen periode al veel in gang gezet met tal van maatregelen en initiatieven. De huidige tekorten bij specifieke beroepen en (vooral) de verwachte zorgbrede tekorten aan verzorgend en verpleegkundig personeel op mbo- en hbo-niveau vragen echter om blijvende inzet. Daarom zijn ActiZ, BTN, CNV, FNV, de MBO-raad, NVZ en VWS samen aan de slag gegaan met een arbeidsmarktagenda 2023. Dat heeft geleid tot de agenda «Aan het werk voor ouderen» die op 12 juli van dit jaar naar uw Kamer is gestuurd. In deze agenda zijn vier doelstellingen geformuleerd: behouden van zorgprofessionals, vergroten van de instroom, verminderen van de zorgafhankelijkheid en verbeteren van de kwaliteit. Om die doelstellingen te realiseren zijn in de arbeidsmarktagenda elf actielijnen benoemd die zowel landelijk als regionaal richting geven aan concrete acties. Ook in de regio waar Thebe werkzaam is, wordt dit actief opgepakt.
Waarom investeren bestuurders van Thebe enkel in zorgmedewerkers vanaf niveau 3 en zijn alle helpenden wegbezuinigd? Begrijpt u hoe waardevol juist medewerkers van niveau 1 en 2 zijn binnen een organisatie? Wat gaat u doen om de ontslagen helpenden weer terug te krijgen bij Thebe? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te bewerkstelligen dat Thebe voldoende zorgmedewerkers vanaf niveau 1 tot en met 5 inzet, zodat flex- en uitzendkrachten niet meer nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe oordeelt u over de signalen dat er een angstcultuur heerst binnen de organisatie van Thebe? Bent u dat bereid uit te zoeken en niet alleen onder de bestuurders van Thebe, maar juist ook onder de zorgmedewerkers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer dit aan de orde is, is het aan de Raad van Toezicht van een zorginstelling – als interne toezichthouder – om daar naar te handelen. Ik constateer in ieder geval dat het beeld van een angstcultuur niet door iedereen wordt herkend. Naast de Raad van Bestuur van Thebe geven ook de ondernemingsraad en de Centrale Cliëntenraad van Thebe aan zich niet in dit beeld te herkennen. Zij hebben afzonderlijk een reactie gegeven op deze aantijgingen en nemen hier beide afstand van. Daarnaast blijkt ook een groot deel van de medewerkers het oneens te zijn met het beeld dat wordt geschetst van Thebe. In de verhalen in het Witboek wordt door medewerkers zelf aangegeven dat zij zich niet herkennen in het beeld dat in de media is geschetst.
Klopt het dat het bestuur meermalen zou zijn ingelicht, maar daar niets mee heeft gedaan? Kunt u uitzoeken waarom de bestuurders van Thebe niets hebben gedaan met de signalen van de vakbond over de vele klachten? Zo nee, waarom niet?
Thebe heeft aangegeven na het ontvangen van het Zwartboek in gesprek te zijn gegaan met medewerkers. Er zijn ook twee bijeenkomsten geweest waarin de FNV en een groep medewerkers hun ongenoegen hebben geuit, waarna dit zo concreet mogelijk is gemaakt en vervolgens duidelijke afspraken zijn gemaakt. Ook heeft Thebe in deze gesprekken toegelicht wat zij al aan acties heeft uitgezet om personeel te werven en de werkdruk te verlagen. Deze gesprekken zijn volgens Thebe in oktober eenzijdig door de FNV stopgezet. Thebe is doorgegaan met de afgesproken actiepunten.
Wat is uw visie op goed bestuur en hoe oordeelt u over de handelwijze en bekwaamheid van de bestuurders en de toezichthouders van Thebe, dit in het licht van het feit dat al vier jaar op rij er door het handelen van Thebe commotie ontstaat over de kwaliteit van zorg of dat geld voor zorg niet aan zorg besteed wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?4 5 6
Ik zie in de zorg bestuurders en interne toezichthouders die hun functies met toenemende professionaliteit vervullen. Naast de bedrijfsmatige kant krijgt ook het sturen op gedrag en cultuur steeds meer aandacht. Om deze positieve ontwikkeling kracht bij te zetten is begin 2015 de agenda goed bestuur aan de Tweede Kamer gepresenteerd. De speerpunten van deze agenda zijn:
aanscherpen van verantwoordelijkheden over en weer van bestuurders en interne toezichthouders,
versterken van het externe toezicht en aanpak van onbehoorlijk bestuur en wanbeleid,
het optimaliseren van checks and balances langs de weg van medezeggenschap en
het stimuleren van (het debat over) goed bestuur.
Om invulling te geven aan het speerpunt «versterken extern toezicht» is een beleidskader gemaakt, dat op 13 januari 2016 eveneens aan de Kamer is gestuurd. Enerzijds wordt hiermee duidelijk voor bestuurders en interne toezichthouders wat de overheid van hen verwacht, anderzijds schetst dit beleidskader hoe de externe toezichthouder zich verhoudt tot de besturing van de zorginstelling. Daarmee wordt voor zorginstellingen helderder waar zij aan moeten voldoen en geeft het de externe toezichthouders een kader voor ingrijpen. Ook voor Thebe geldt bovengenoemd kader, dat is toegepast door de interne – en externe toezichthouders die zowel toezien op de kwaliteit van zorg als op een rechtmatige besteding van middelen. Aan hun oordeel heb ik niets toe te voegen.
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat goed bestuur bij Thebe geborgd is?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen reden ziet om in te grijpen om het toezicht van Thebe aan te scherpen? Kunt u uw antwoord toelichten?7
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (hierna: de inspectie) hield na eerdere media-aandacht in de periode 2016–2017 intensief toezicht bij Thebe. De inspectie bezocht verschillende locaties en de thuiszorg. Uit deze bezoeken bleek een overwegend positief beeld van de kwaliteit van zorg bij Thebe. De inspectie zag daarop geen aanleiding om aanvullende toezichtactiviteiten uit te voeren. Op dit moment heeft de inspectie geen zorgen over de wijze waarop de raad van bestuur van Thebe stuurt op de kwaliteit van zorg. De inspectie heeft er vertrouwen in dat Thebe de verbeterpunten die er nog zijn, zelf oppakt.
De inspectie is door de raad van bestuur geïnformeerd over de huidige situatie, het Zwartboek, het Witboek en de wijze waarop de raad van bestuur overleg pleegt en contact zoekt met de vakbond. De inspectie heeft begrepen dat de interne medezeggenschapsorganen van Thebe de raad van bestuur steunen. De inspectie neemt de geanonimiseerde signalen uit het Zwartboek en Witboek serieus. Zij neemt deze mee in haar toezicht bij Thebe en laat zich blijvend informeren over ontwikkelingen rondom deze situatie bij Thebe.
Gezien de Inspectie niet wenst in te grijpen naar aanleiding van de honderden meldingen van misstanden van zorgmedewerkers in het zwartboek, wat zegt dit over de bekwaamheid van de Inspectie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 8, 9 en 10. De inspectie heeft in dit geval gehandeld zoals van haar verwacht mag worden; ik zie in het handelen van de inspectie geen aanleiding om uitspraken te doen over de bekwaamheid van de inspectie.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk de Inspectie naar Thebe te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 10 en concludeer hiervoor geen aanleiding te zien; de inspectie volgt de situatie bij Thebe.
Bent u bereid om naar Thebe te gaan en te spreken met zorgmedewerkers, bewoners en familieleden om hun verhaal aan te horen in plaats van deze vragen eenzijdig aan de bestuurders van Thebe voor te leggen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de beantwoording van voorgaande vragen, zie ik daartoe geen aanleiding.
Welke maatregelen gaat u inzetten om te zorgen dat de kwaliteit van zorg weer op orde komt en zorgmedewerkers met voldoende collega’s weer kunnen werken in een prettige omgeving binnen Thebe? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 en 8 en 9.
Roundup |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Is al die ophef over Roundup wel terecht»?1
Ja.
Is er informatie bekend over het effect van glyfosaat op het bodemleven?
Ja. Het Ctgb heeft de risico’s van de werkzame stof glyfosaat en zijn metaboliet onder meer beoordeeld in relatie tot de bodem. Hieruit volgt dat veilig gebruik mogelijk is; de geldende normen worden niet overschreden2.
Het lijkt me daarom op dit moment niet zinvol aanvullend onderzoek te doen.
Zijn er bodemnormen voor glyfosaat dan wel AMPA? Zo nee, bent u van mening dat de dossiervorming door het European Food Safety Authority (EFSA) in dit opzicht adequaat is? Lijkt het u zinvol om extra onderzoek te doen ten behoeve van het effect van glyfosaat en AMPA op het bodemleven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de praktijk om in delen van Nederland graslanden te «resetten» met Roundup? Bent u bekend met de praktijk om voorafgaand aan het planten van gewassen in de lente onkruid met Roundup te doden? In hoeverre passen dergelijke praktijken in het beleid van geïntegreerde gewasbescherming, gelet op de effecten van Roundup op de bodembiologie?
Ik ben bekend met het gebruik van glyfosaathoudende middelen in de Nederlandse landbouw. Dit gebruik is toegestaan en past binnen de acht principes van geïntegreerde bestrijding.
De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft uw Kamer toegezegd het gebruik van glyfosaat in de landbouw in beeld te brengen en te inventariseren of, en zo ja, welke alternatieven er zijn. Op korte termijn wordt een ambtelijk gesprek met de sector gepland (Kamerstuk 27 858, nr. 394).
Zijn u nog meer van dergelijke generieke, preventieve toepassingen bekend? Hoe ziet u dit gebruik van middelen in het licht van de onlangs gepubliceerde studie van Wageningen University & Research (WUR) over de concentraties van glyfosaat in Europese landbouwgronden? Bent u bereid om met de sector in gesprek te gaan om ook bij herbiciden het gebruik terug te dringen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat uit cijfers van Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie (Nefyto) zou blijken dat er vijf keer zoveel glyfosaat wordt gebruikt dan uit de statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zou blijken? Kunt u een overzicht geven van de verkoop van glyfosaat in Nederland in de periode 2012–2016, waarbij de cijfers van CBS en Nefyto worden gebruikt? In hoeverre geeft de CBS-statistiek het daadwerkelijke gebruik in en buiten de landbouw adequaat weer? Bent u bereid om met het CBS te spreken over het aanpassen van de telmethode?
Ja. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft uw Kamer geïnformeerd over het verschil tussen gebruiks- en afzetcijfers (Kamerstuk 27 858, nr. 348).
De afzetcijfers zijn vertrouwelijk. Greenpeace heeft in 2016 de afzetcijfers van de jaren 2010 tot en met 2013 van de Nefyto gepubliceerd op haar website3. Hieruit blijkt dat er: 779.818 kg glyfosaat is afgezet in 2012 voor professioneel gebruik en 611.010 kg in 2013.
Het CBS publiceert ongeveer elke vier jaar cijfers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw4. Het CBS maakt onderscheid tussen glyfosaat tegen onkruid, als loofdodingsmiddel en als ontsmettingsmiddel. Hieruit blijkt dat er 152.592 kg glyfosaat is gebruikt in de landbouw in 2012.
Het CBS publiceert ongeveer elke vier jaar cijfers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw door andere overheden5. Hieruit blijkt dat er 19.307 kg glyfosaat is gebruikt door andere overheden6 in 2013.
Ik heb uw Kamer in het VSO Landbouw- en Visserijraad op 2 november jl. toegezegd dat ik met betrokken instanties het gesprek wil aangaan om te kijken hoe we het gebruik van glyfosaat binnen en buiten de landbouw beter in kaart kunnen brengen.
Het bericht dat cipiers ziek van angst zouden zijn door onveilige situaties in de gevangenissen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Cipiers ziek van angst»?1
Ja.
Hoeveel noodkreten moeten er nog komen vanuit het gevangenispersoneel voordat u de situatie in het gevangeniswezen gaat verbeteren? Welke concrete maatregelen gaat u nu nemen om de veiligheid van gevangenispersoneel te verhogen?
De veiligheid staat bij DJI altijd voorop. Ik heb geen aanwijzingen dat kwaliteitsstandaarden en veiligheidsnormen niet gehaald worden.
Bij brief van 19 mei 2017 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft getroffen om de veiligheid in de penitentiaire inrichtingen te kunnen blijven garanderen. 2
Juist door in lijn met de motie Krol de leegstand in sommige penitentiaire inrichtingen te concentreren en gedetineerden over te plaatsen naar inrichtingen waar wel voldoende gekwalificeerd personeel aanwezig is, is verlichting van de werkdruk gerealiseerd en blijft de veiligheid van het personeel en de gedetineerden gewaarborgd. 3
Voorts wordt momenteel, zoals eerder aan uw Kamer gemeld op 23 oktober 2017 een grote, landelijke wervingscampagne gehouden door DJI zodat zo snel mogelijk voldoende complexbeveiligers kunnen worden aangesteld. 4 Waar nodig wordt (tijdelijk) extern personeel ingehuurd.
Daarnaast is op 28 november 2017 een convenant gesloten tussen vakbonden, de centrale ondernemingsraad en DJI. De gemaakte afspraken zien o.a. op het verlagen van de werkdruk, het verhogen van de veiligheid en het vergroten van de aandacht van het management voor de medewerkers. Voor de volledigheid verwijs ik graag naar de tekst van het convenant dat ik uw Kamer bij brief van 28 november jl. heb toegezonden.
Wanneer denkt u de problemen met de levering van boodschappen definitief te hebben opgelost? Hoe kan het dat deze problemen zo hardnekkig zijn?
Sinds 15 september 2017 werkt DJI met een nieuwe toeleverancier. Dit heeft tot opstartproblemen (voornamelijk leveringsproblemen) geleid. Deze zijn nu echter grotendeels verholpen. DJI is het proces van de winkel continue aan het verbeteren, waardoor de leveringsbetrouwbaarheid toeneemt.
Is het waar dat er gevangenisdirecteuren zijn die zelf spullen zoals sigaretten inkopen en verspreiden om gevangenen rustig te houden? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ten tijde van de genoemde opstartproblemen is gezocht naar een alternatieve manier om de levering van inkopen te garanderen. Dit was in mijn ogen een tijdelijke oplossing.
Klopt het dat het gevangenispersoneel zich zelfs uit voorzorg ziek meldt op de dagen dat de bestellingen eigenlijk binnen moeten komen? Wat vindt u daarvan?
Ik herken deze signalen niet op basis van de bij mij bekende cijfers.
Het kortverzuim cijfer binnen DJI is stabiel. Op de peildatum 30 september 2017 was het gemiddelde percentage voor het kort verzuim 1,0%. Dat is hetzelfde percentage als een half jaar, een jaar en twee jaar geleden.
Deelt u de mening dat het tekenend is voor de staat van het gevangeniswezen dat een relatief klein incident, zoals verkeerde levering van boodschappen, direct bijdraagt aan een toenemend gevoel van onveiligheid bij het personeel?
Tijdige en juiste levering van de door gedetineerden bestelde goederen is belangrijk voor gedetineerden en draagt bij aan de rust in de inrichting.
Als dit proces niet goed verloopt leidt dit tot ontevredenheid bij de gedetineerden en druk op het personeel.
Uit het in 2017 gehouden Medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) blijkt dat de ervaren veiligheid weliswaar licht is gedaald, maar nog steeds voldoende scoort.
DJI heeft het verbeteren van de ervaren tevredenheid van het personeel tot speerpunt benoemd en met de centrale ondernemingsraad afgesproken dat alle onderdelen van DJI acties en maatregelen formuleren om dit te verbeteren. Zeer binnenkort start bij DJI een onderzoek naar het werkklimaat met de focus op veiligheid van personeel en aandacht van het management voor de medewerkers.
Daarnaast zijn in het hiervoor genoemde convenant o.a. afspraken opgenomen over het verhogen van de veiligheid.
Hoe verklaart u dat er soms 50 gedetineerden bewaakt moeten worden door twee mensen? Is de afspraak niet dat twee bewaarders maximaal 24 gedetineerden bewaken?
Het uitgangspunt is dat er zoveel personeel wordt ingezet als nodig uit oogpunt van de veiligheid.
Voor een gemiddelde situatie en populatie wordt door inrichtingen een richtlijn gehanteerd van twee penitentiaire inrichtingswerkers op 24 uitgesloten gedetineerden. Bij zwaardere populaties en regimes als de Extra Zorgafdeling, de Extra Beveiligde Inrichting en de ISD geldt een hogere personeelsinzet.
Vindt u het wenselijk dat twee mensen 50 gevangenen moeten bewaken? Zo nee, wat voor maatregelen gaat u nemen om dit probleem aan te pakken?
Ik heb geen aanwijzingen dat gevangenen steeds langer op hun cel zitten of dat aan de richtlijn van 2 piw’ers op 24 uitgesloten gedetineerden wordt getornd.
Gedetineerden hebben recht op het voor het betreffende regime vastgestelde dagprogramma.
Juist door in lijn met de motie Krol gedetineerden en personeel bijeen te brengen is het mogelijk te garanderen dat er voldoende personeel aanwezig is om de volledige dagprogramma’s op een veilige wijze aan te bieden.
Klopt het dat gevangenen steeds langer op hun cel zitten omdat minder personeel meer gevangenen moet bewaken? Zo ja, vindt u dit wenselijk en waarom?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe ernstig is het precieze tekort aan personeel? Wat zijn de gevolgen van deze personele krapte? Blijft er wel voldoende flexibiliteit over om pieken en andere vormen van drukte op te vangen?
De structureel toegewezen formatie is voldoende voor de geplande operationele capaciteit: als DJI alle vacatures heeft vervuld bestaan er geen tekorten en is geen extra budget nodig.
Het gevangeniswezen heeft op dit moment in totaal 450 vacatures. De werving heeft de hoogste prioriteit voor DJI. Momenteel loopt bij DJI een grote landelijke wervingsactie met als doel het tekort aan personeel zo snel mogelijk op te lossen. In het kader van deze actie zijn advertenties geplaatst in zowel landelijke als regionale bladen, en op social media. Er is extra capaciteit vrijgemaakt om dit proces te bespoedigen.
De werving leverde tot op heden (peildatum 27 november 2017) 7.701 sollicitatiebrieven op en er komen nog steeds nieuwe sollicitatiebrieven binnen. 239 vacatures zijn inmiddels vervuld.
Binnen DJI is momenteel echter sprake van een kwetsbaar evenwicht tussen de operationele capaciteit en de personele beschikbaarheid.
Om de huidige onderbezetting op te vangen wordt gewerkt met tijdelijk ingehuurde krachten. Door alle genomen maatregelen op personeelsgebied is het voor DJI evenwel mogelijk om op juiste en veilige wijze al zijn taken uit te voeren.
Op dit moment zijn er enkele honderden lege (direct beschikbare) cellen. Wel is als gevolg van de personele krapte de operationele flexibiliteit om in te spelen op fluctuaties afgenomen.
Kunt u garanderen dat, ook als het aantal mensen dat een gevangenisstraf krijgt opgelegd de komende tijd zou toenemen, hier ook altijd voldoende detentiecapaciteit voor is om deze straffen op verantwoorde wijze ten uitvoer te leggen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft het gevangeniswezen niet structureel fors meer mensen nodig in plaats van tijdelijke externe krachten? Zo ja, per wanneer zal het gevangeniswezen kunnen rekenen op meer budget om meer personeel aan te nemen? Om hoeveel budget zal dat gaan? Zo nee, waarom denkt u de huidige problemen op te kunnen lossen met tijdelijke, flexibele, externe krachten?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe de voorgenomen maatregelen in het regeerakkoord van Rutte III de ‘brievenbus-bv’s’ het leven zuur gaan maken |
|
Renske Leijten |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Kunt u aangeven hoe de regering, bij monde van de Minister-President, «de brievenbus-bv’s het leven zuur (gaat) maken»?1
Met de aangehaalde uitspraak van de Minister-President uit het debat over de regeringsverklaring is gedoeld op de in het regeerakkoord opgenomen maatregelen om brievenbusconstructies tegen te gaan. Daarin wordt voorgesteld om de dividendbelasting af te schaffen, maar deze (materieel) in stand te laten in misbruiksituaties en naar low tax jurisdictions. Daarnaast wordt voorgesteld om een bronheffing op rente en royalty’s te introduceren in misbruiksituaties en naar low tax jurisdictions. In deze kabinetsperiode zullen overigens meer maatregelen worden getroffen in de strijd tegen belastingontwijking, zoals bijvoorbeeld de invoering van een strenge earningsstripping-maatregel (generieke renteaftrekbeperking), van een (aanvullende) CFC-maatregel, en van maatregelen gericht tegen internationale belastingontwijking, onder meer door middel van hybride mismatches (ATAD1 en ATAD2).
Zoals toegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen zal de aanpak van het kabinet om belastingontwijking te bestrijden nader in beeld worden gebracht in een brief van mij aan uw Kamer. De Minister-President heeft in het debat van 15 november jl. over het afschaffen van de dividendbelasting aangegeven dat deze brief begin volgend jaar naar uw Kamer wordt gestuurd. In die brief wil ik ook verder op deze maatregelen – en het beleid ten aanzien van brievenbusfirma’s – ingaan.
Hoe verhoudt de uitspraak van de Minister-President tijdens het debat over de regeringsverklaring zich tot het regeerakkoord?2 3 Gaat u een bronbelasting op dividend invoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bedoelt de Minister-President met «brievenbus-bv’s» de trustkantoren, die voor derden vennootschappen beheren? Zo nee, wat bedoelt de Minister-President dan met «brievenbus-bv’s»?
De term «brievenbus-bv’s» heeft de Minister-President gebruikt in de context van de voorgestelde invoering van bronheffingen op betalingen van dividend, rente en royalty’s in misbruiksituaties en naar low tax jurisdictions. Met deze voorgestelde bronheffingen wil het kabinet Nederland onaantrekkelijk maken voor vennootschappen zonder reële economische activiteiten die Nederland enkel gebruiken om geld door te laten stromen.
Het is op dit moment niet mogelijk aan te geven hoeveel vennootschappen die nu in Nederland zijn gevestigd de voorgestelde bronheffingen zouden moeten inhouden, indien zij hun activiteiten onveranderd voortzetten in Nederland. In de wet zullen criteria worden vastgelegd op basis waarvan kan worden bepaald of betalingen door een Nederlandse vennootschap binnen de reikwijdte van de voorgestelde bronheffing vallen. De criteria worden gedurende het wetgevingsproces allereerst door het kabinet, maar uiteindelijk ook in overleg met het parlement bepaald.
Welk aandeel van de werkzaamheden van trustkantoren hebben als kern vennootschappen, die gebruik maken van de lage bronbelasting op rente en royalty’s? Kunt u het overzicht aan de Kamer sturen?
Voor een onderzoek naar vennootschappen met een beperkte economische aanwezigheid verwijs ik naar het SEO-rapport «Uit de schaduw van het bankwezen» uit 2013.6 In de kabinetsreactie op dit rapport7 trok het toenmalige kabinet de conclusie dat rente- en royaltystromen die door Nederlandse bfi’s (bijzondere financiële instellingen) worden ontvangen en worden uitbetaald aan vennootschappen in laagbelastende jurisdicties een wezenlijk risico meebrengen dat door het concern als geheel te weinig belasting wordt betaald en dat daardoor in strijd met de geest van de regels wordt gehandeld. Het kabinet adresseert dit risico met zijn voorstel voor een bronheffing op rente en royalty’s in misbruiksituaties en naar low tax jurisdictions.
Kunt u aangeven hoeveel vennootschappen, zonder reële economische activiteit (lees: substantie), zich vestigen in Nederland vanwege de lage bronbelasting op rente en royalty’s? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke andere redenen hebben vennootschappen, zonder reële economische activiteit (lees: substantie), om zich te vestigen in Nederland? Kunt u een uitgebreid overzicht hiervan geven?
In antwoord op vragen van de leden Diks en Van der Lee8 heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat multinationals en investeringsmaatschappijen regelmatig gebruik van Nederland maken als onderdeel van hun vennootschapsrechtelijke inrichting vanwege het gunstige vestigingsklimaat. Verschillende factoren dragen hieraan bij. Naast fiscale vestigingsfactoren heeft Nederland bijvoorbeeld een kwalitatief onderscheidend civielrechtelijk stelsel en bijbehorende rechtspleging, hoogopgeleide en internationaal georiënteerde werknemers en een goede infrastructuur. Binnen de vennootschapsrechtelijke inrichting worden soms verschillende Nederlandse vennootschappen gebruikt voor verschillende activiteiten, bijvoorbeeld omdat het wenselijk is dat de activiteiten juridisch afgescheiden plaatsvinden, terwijl het grootse deel van de substance is geconcentreerd in één vennootschap. Dit is overigens ook binnen het MKB niet ongebruikelijk.
Hoe vaak heeft het rulingteam van de Belastingdienst (APA-ATR team) zekerheid vooraf gegeven aan een vennootschap zonder reële economische activiteit over de betalen belasting in Nederland?
Op basis van het ATR-besluit9 wordt een verzoek tot zekerheid vooraf slechts in behandeling genomen indien het verzoekende lichaam voldoet aan de in de bijlage bij het besluit genoemde substance-eisen op het gebied van de reële aanwezigheid, dan wel het concern waartoe het verzoekende lichaam behoort in Nederland operationele activiteiten uitoefent of daartoe concrete plannen heeft. Daarnaast wordt geen Advance Pricing Agreement (APA) gesloten indien een dienstverleningslichaam niet voldoet aan één of meer van de in de bijlage bij dat besluit opgenomen vereisten op het gebied van de reële aanwezigheid in Nederland of geen reële risico’s loopt.
Een dienstverleningslichaam is een lichaam waarvan de werkzaamheden in een jaar hoofdzakelijk bestaan uit het rechtens dan wel in feite direct of indirect ontvangen en betalen van rente, royalty’s, huur of leasetermijnen, onder welke naam en in welke vorm dan ook, van, onderscheidenlijk aan, niet in Nederland gevestigde lichamen die behoren tot het concern waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt. In 2014 zijn 39, in 2015 zijn 48 en in 2016 zijn 31 APA’s afgesloten met een dienstverleningslichaam dat aan de vereisten voldoet op het gebied van reële aanwezigheid (substance) in Nederland.
Kunt u aangeven hoe vaak er een ruling is afgegeven voor enkel en alleen een vennootschap die rente en/of royalty’s betrof, voor een vennootschap die geen rente en/of royalty’s betrof en voor een mix van rente en/of royalty’s en andere belastingen betrof?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel brievenbus-bv’s zijn er in Nederland? Wie bepaalt dat een bv enkel een brievenbus-bv is? Hoe gaat dit in zijn werk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel werkgelegenheid biedt de trustsector/de brievenbus-bv’s in Nederland? Uit welke functies bestaat de personeelsopbouw?
Cijfers omtrent werkgelegenheid in de trustsector worden niet bijgehouden. In aansluiting op gepubliceerde cijfers van het SEO schat de branchevereniging, Holland Quaestor, dat de gereguleerde trustsector rechtstreeks goed is voor 2500 voltijd banen c.q. 3200 werknemers. Dat zijn banen die een direct verband houden met het verrichten van trustdiensten. De trustsector is heel divers en kent qua personeelsopbouw geen vast stramien. Op dit moment zijn er 224 vergunninghoudende gereguleerde marktspelers actief, variërend van grote internationaal opererende spelers met honderden werknemers die zijn gevestigd op de op het internationaal bedrijfsleven gerichte locaties in Nederland tot eenmansondernemingen.
Kunt u aangeven hoe «brievenbusfirma’s» precies belast gaan worden?4 Zijn het de «brievenbusfirma’s» die belast gaan worden of de eigenaren van de vennootschappen die beheerd worden door trustkantoren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven in hoeverre dit beleid afrekent met de «brievenbusfirma’s aan de Amsterdamse grachten en de Zuidas»?5 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
De sluiting van een grote truckparking bij Venlo en het gebrek aan goede alternatieven |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de problemen rondom en sluiting van De Keulse Barrière, een grote parking voor vrachtwagens nabij Venlo?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de sluiting van een dergelijke grote parkeervoorziening voor vrachtwagenchauffeurs uit binnen- en buitenland zonder dat er op dit moment een gedegen alternatief is voor chauffeurs die ook dienen te voldoen aan de rij- en rusttijden?
Ja. Met betrekking tot deze locatie verwijs ik ook naar de antwoorden van 12 februari 2016 op de vraag van het lid Ulenbelt (SP) over de voorgenomen sluiting van de Keulse Barrière (ah-tk-2015/2016–1529). Hierin is aangegeven dat Rijkswaterstaat samen met diverse gemeenten (waaronder Venlo), provincie, sector en politie in het kader van een in 2015 gesloten Convenant werkt aan het oplossen van de parkeerproblematiek voor vrachtwagens in Limburg, op zowel het hoofdwegennet als het onderliggend wegennet. In dit kader is op 13 november jl. een betaalde particuliere truckparking aan de James Cookweg in Venlo geopend met 220 plekken. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een truckparking in de gemeente Venray.
Overigens dient op grond van de uitspraak van de rechtbank Limburg in kort geding dd. 13 november jl. (zaaknr. C/03/242042 / KG ZA 17–558) het parkeerterrein De Keulse Barrière gedeeltelijk gedurende de week geopend te blijven.
Bent u bekend met het feit dat er volgens chauffeurs een groot tekort is aan gedegen en gratis- of betaalbare parkeerplaatsen, mede gelet op het feit dat veel Oost-Europese chauffeurs geen geld hebben voor betaalde mogelijkheden? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie, ook gezien het feit dat het ontbreken van degelijke alternatieven ook bijdraagt aan het niet kunnen of willen voldoen aan de verplichte rij- en rusttijden voor chauffeurs?
Ik ben bekend met het feit dat veel vrachtwagenchauffeurs ervoor kiezen voor de weekendrust gebruik te maken van gratis parkeervoorzieningen langs de snelwegen; de zogenaamde verzorgingsplaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn primair bedoeld voor een korte rust voor de automobilist en vrachtwagenchauffeur. Het gevolg van dit oneigenlijk gebruik van verzorgingsplaatsen is dat deze gedurende de avonden en weekenden in bepaalde regio’s overbezet zijn. Op de betaalde particuliere truckparkeerplaatsen langs het onderliggend wegennet is, afhankelijk van het tijdstip, soms nog wel ruimte om te parkeren. Zoals reeds is aangegeven in de brief aan uw Kamer van 7 juli jl. (kst-34550-A-63) hebben de belangrijkste corridorpartijen aangegeven dat er een programma-aanpak zal komen, gericht op de versterking van de goederencorridors Oost en Zuid-Oost. Binnen die aanpak zal gekeken worden waar nog aanvullende parkeercapaciteit wenselijk en mogelijk is. Of en in welke mate Oost-Europese chauffeurs een vergoeding krijgen om gebruik te maken van betaalde voorzieningen is bij mij niet bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat het ontbreken van goede alternatieven in deze grensregio voor problemen op andere parkings maar ook op willekeurige locaties zorgt, waarbij het ook eenvoudiger is voor buitenlandse chauffeurs om eventuele controle op rusttijden te ontwijken?
Ik ben mij ervan bewust dat het gebrek aan parkeercapaciteit tot problemen leidt en ben positief over initiatieven die in regionaal verband worden genomen om betaalbare private truckparkings met marktpartijen op te zetten. Voorbeelden van recent geopende beveiligde particuliere truckparkings zijn de parkings Hazeldonk, Maasvlakte Plaza, James Cookweg in Venlo en de binnenkort te openen truckparking in Duiven. De ILT kan de rij- en rusttijden tot 28 dagen terug uitlezen uit de tachograaf. Het parkeren op willekeurige locaties maakt het niet moeilijker om te handhaven. Voor meer details over de handhaving van de ILT verwijs ik u naar het meerjarenplan van de ILT (Bijlage bij Kamerstuk 34 775 XII, nr. 4 van 21 september 2017) en het rapport met de resultaten van de risicoanalyse (IBRA 1.0), dat is aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 80 van 6 juli 2017).
Bent u ook van mening dat deze lokale problematiek ook de aandacht van uw ministerie verdient, gelet op het grote aantal vrachtwagenchauffeurs dat nabij Venlo het land binnenkomt en dat wel aan dezelfde regels en veiligheidsvoorschriften dient te voldoen als Nederlandse collega’s, waarbij ook geschikte en passende parkeervoorzieningen horen?
De parkeerproblematiek langs de goederencorridors heeft mijn aandacht, onder andere op basis van de in het antwoord op vraag 2 genoemde programma-aanpak ter versterking van de goederencorridors Oost en Zuid.
Bent u bereid om vanuit uw verantwoordelijkheid voor het transport en de veiligheid op onze rijkswegen in gesprek te treden met de gemeente Venlo over de noodzaak om in deze regio voor gedegen alternatieven en voorzieningen te zorgen, problemen met het parkeren van vrachtwagens en het voldoen aan de noodzakelijke rusttijden te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en met welke inzet wijze bent u voornemens dit gesprek aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Rijkswaterstaat voert in het kader van het in 2015 gesloten Convenant over truckparkeren in de provincie Limburg overleg met de gemeente Venlo over deze problematiek. In het kader van dit Convenant heeft IenW een financiële bijdrage gegeven aan het initiatief van de gemeente Venlo om te komen tot een truckparking aan de James Cookweg. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een truckparking in de gemeente Venray.
De dramatische effecten van sleepnetten op de Noordzee |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het onderzoek van het Wereld Natuur Fonds (WNF) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat de populaties van zeedieren op de bodem van de Noordzee gemiddeld met meer dan 30% zijn afgenomen, voornamelijk als gevolg van de boomkorvisserij?1
Ja.
Deelt u de mening dat de boomkorvisserij, waarbij sleepnetten over de zeebodem worden getrokken en de bodem met zware kettingen als het ware wordt omgeploegd, een verwoestend effect heeft op het bodemleven van de zee? Zo ja, bent u bereid tot uitfasering van deze vorm van visserij? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op de vragen 3 en 4 van het lid Futselaar (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 579).
Hoe kan het dat ondanks dat de boomkor inmiddels op zijn retour is en vervangen wordt door voor de bodem minder schadelijke technieken, de bodemfauna in de Noordzee nog geen herstel vertoont?1 Betekent dit dat deze technieken medeverantwoordelijk zijn voor de achteruitgang van de dieren in en op de zeebodem?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat ook bij de pulsvisserij de bodemfauna, zowel in de ondergrond als op de bodem wordt weggevangen, gedood of verspreid?2 Deelt u de mening dat ook in de pulsvisserij nog steeds sprake is van aanzienlijke bijvangst? Deelt u de mening dat ook de pulsvisserij schade toebrengt aan de zeebodem? Zo nee, waarom niet?
Het pulstuig is lichter dan de traditionele boomkor, waardoor het tuig de zeebodem minder diep penetreert. De vissnelheid is langzamer waardoor het in totaal beviste oppervlakte kleiner is. Dit draagt bij aan minder verstoring aan de zeebodem. De pulskor heeft een verbeterde selectiviteit op tong, een reductie van 46% op het brandstofgebruik en meer dan 50% vermindering van ongewenste vangst van bodemleven en ondermaatse vis. Het is een veelbelovend alternatief voor de traditionele boomkor. Er loopt reeds onderzoek naar de lange termijn effecten van pulsvisserijop het mariene ecosysteem en organismen, dat in opdracht van mijn ministerie wordt uitgevoerd en mede gefinancierd wordt uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij.
Op welke wijze beschermt u het bodemleven tegen deze verschillende vormen van bodemvisserij? Bent u bereid om te komen met ambitieuze doelen voor het herstel van het bodemleven? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 4 van het lid Futselaar (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 579).
Het bericht dat senioren in Apeldoorn overdonderd zijn door de komst van Turkse leeftijdsgenoten |
|
Machiel de Graaf (PVV), Fleur Agema (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Senioren in Apeldoorn overdonderd door komst Turkse leeftijdsgenoten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het een onzalig plan is, waarmee bewoners van een seniorencomplex in Apeldoorn zijn overvallen, om in het vervolg ieder vrijkomend appartement te verhuren aan Turkse ouderen – die thuiszorg ontvangen van Waalstad – en de flat daarmee in «klein-Turkije» te veranderen?
Woningcorporaties zijn, binnen de kaders van de Woningwet en de Huisvestingswet, vrij om hun toewijzingsbeleid vorm te geven. Volgens de Woningwet worden woningcorporaties geacht hun beleid in samenspraak met gemeenten en huurdersorganisaties vorm te geven. Huurders kunnen zodoende de keuzes die corporaties in hun beleid willen maken beïnvloeden. Idealiter leidt dit proces tot concrete prestatieafspraken, die onder meer kunnen gaan over de huisvesting van bepaalde doelgroepen, zoals personen met een zorgvraag. Woningcorporaties kunnen ervoor kiezen samen te werken met een zorgaanbieder en cliënten van de laatste te huisvesten. Dit is met name in de ouderen- en gehandicaptenzorg niet ongebruikelijk omdat dit de zorgverlening efficiënter kan maken. Soms wordt er daarbij voor gekozen mensen met een gemeenschappelijke noemer, zoals een zorgzwaarte, beperking, leefstijl of achtergrond bijeen te laten wonen.
In de Wet op het overleg huurders verhuurder (ook wel Overlegwet genoemd) staat op welke wijze verhuurders hun huurders bij voorgenomen wijzigingen in het beleid, waaronder het toewijzings- en verhuurbeleid, moeten betrekken. De huurdersorganisatie heeft adviesrecht bij het toewijzings- en verhuurbeleid. En bij beleidsvoornemens voor een specifiek wooncomplex heeft ook de bewonerscommissie van dat wooncomplex, als die er is, adviesrecht. Dit houdt in dat de verhuurder de huurdersorganisatie (en bewonerscommissie) over de voorgenomen beleidswijziging moet informeren, er met hen overleg over moet voeren indien de huurdersvertegenwoordiging dat wenst en de gelegenheid moet geven binnen 6 weken schriftelijk advies uit te brengen.
Voor zover ik kan nagaan heeft de woningcorporatie binnen de kaders van de wet gehandeld. Dat neemt niet weg dat bewoners ontevreden kunnen zijn over een door de corporatie genomen besluit. Corporaties zijn daarom verplicht een onafhankelijke klachtencommissie in te stellen. Bij Ons Huis is deze, zoals bij meer woningcorporaties, regionaal georganiseerd. Een huurder die vindt dat zijn klacht niet goed door een corporatie is afgewikkeld kan naar de rechter stappen.
Ik heb in het toewijzingsbeleid van individuele woningcorporaties geen rol, maar hoop dat bewoners en woningcorporatie tot een vergelijk kunnen komen.
Deelt u de mening dat het achterbaks is de huidige bewoners, zonder enige vorm van inspraak, voor een voldongen feit te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom worden Nederlandse ouderen gediscrimineerd ten opzichte van Turkse ouderen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe bestaat het dat een thuiszorgorganisatie een heel seniorencomplex kaapt? Deelt u de mening dat dit van de zotte is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze discriminatie van Nederlandse ouderen te staken en met betrokken partijen in overleg te gaan, zodat deze plannen van tafel kunnen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De douane |
|
Ronald van Raak |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het gebruik van zwaailicht en sirene door de douane?1
Eerder is met uw Kamer gesproken over de mogelijkheid van ontheffingen voor de Douane, waardoor het douaniers in bepaalde situaties toegestaan zou worden om gebruik te maken van zwaailicht en sirene en om harder te rijden dan de maximumsnelheid.2 Zoals is toegezegd is dit voorjaar bij de toenmalig Minister van Infrastructuur en Milieu een aanvraag ingediend door de Douane om aangewezen te worden als hulpverleningsdienst die optische en geluidsignalen (OGS) mag gebruiken.3 Op basis van toetsing aan de criteria die hiervoor worden gehanteerd is deze aanvraag echter afgewezen.
Voordat de aanvraag werd ingediend, heeft de Staatssecretaris van Financiën in het Algemeen Overleg Douane, d.d. 21 december 2016, gezegd dat geprobeerd zou worden bij de werkvloer aan te sluiten.4 Aan de door de Douane geuite behoefte is tegemoet gekomen door een vrijstelling te verlenen op het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) met betrekking tot de maximumsnelheid. De RVV-vrijstelling is inmiddels door Rijkswaterstaat namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleend. Daarnaast werken de politie en de Douane samen, bijvoorbeeld in geval van incidenten in de haven van Rotterdam. Als de Douane met een verdachte situatie wordt geconfronteerd, hebben zij een directe lijn met de Zeehavenpolitie en schakelen de mobilofoonkanalen aan elkaar.5
Klopt het dat de douane niet wordt aangewezen als hulpverleningsdienst in het kader van het voeren van optische- en geluidssignalen? Zo ja, hoe valt dat te rijmen met eerdere toezeggingen om de douane uit te rusten met optische- en geluidssignalen en hoe valt het te rijmen met de toezegging dat er wordt aangesloten bij de werkvloer?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de overwegingen geweest bij de keuze om de douane niet toe te staan met sirene en zwaailicht te laten rijden?
Voor de toewijzing van OGS aan een nieuwe dienst moet sprake zijn van een duidelijke noodzaak, afgewogen tegen het verkeerveiligheidsbelang. In nader overleg met de Douane is gebleken dat de mate van inzet te beperkt is om tot een aanwijzing over te gaan. Als gevolg van het incidenteel verwachte gebruik van OGS door de Douane kan niet voldoende worden gewaarborgd dat de betrokken bestuurders blijvend veilig kunnen rijden met OGS, wat als voorwaarde geldt voor toekenning. Daarnaast is het van belang dat het aantal diensten met OGS beperkt blijft met het oog op de herkenbaarheid van OGS-voertuigen bij het publiek. Bovendien zijn andere middelen toereikend om in de door de Douane geschetste problematiek te voorzien, zoals een RVV-vrijstelling van de maximumsnelheid en samenwerkingsafspraken met de politie.
Op basis van bovenstaande afweging zal de Minister van I&W de Douane niet als hulpverleningsdienst met OGS aanwijzen en zal de Douane derhalve niet over kunnen gaan tot het voeren van OGS.
Bent u bereid alsnog de douane toe te staan met zwaailicht en sirene te laten rijden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht “CFT: Opschorten terugbetalingen Saba” |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «CFT: Opschorten terugbetalingen Saba?»1
Ja.
In hoeverre is het de taak van het College Financieel Toezicht om politiek advies te geven?
Het Cft adviseert de openbare lichamen en de Minister van BZK in het kader van het toezicht op de toepassing van de bij wet vastgestelde normen ter zake van de voorbereiding, de uitvoering en de verantwoording van de begroting door het openbaar lichaam.
In dat verband is recent het Cft-advies aan het bestuurscollege van Saba op de ontwerpbegroting 2018 gepubliceerd. Saba dient een sluitende begroting op te stellen op basis van het baten-lastenstelsel. Een sluitende begroting op basis van het baten-lastenstelsel hoeft niet automatisch te betekenen dat de begroting ook op basis van het kasstelsel sluitend is. Om te voorkomen dat Saba te veel inteert op haar liquiditeiten heeft het Cft het bestuurscollege van Saba geadviseerd om de Minister van BZK te verzoeken om de aflossing van de renteloze leningen in 2018 op te schorten. Hiermee is, gezamenlijk met een aantal kleinere maatregelen, de begroting 2018 sluitend.
Deze bevoegdheid heeft de Minister van BZK (i.a.m. de Minister van Financiën) gelet op artikel 89 lid 4 van de FinBES. Mocht daar invulling aan gegeven worden, zal dat niet leiden tot het vervallen van de verplichting tot terugbetalen maar tot opschorting van de aflossing. De begroting van Saba inclusief het aan mij gerichte advies heb ik nog niet ontvangen. De FinBES schrijft voor dat ik een begroting, door tussenkomst van het Cft, uiterlijk 15 november dien te ontvangen. Zodra de begroting ontvangen is, neem ik een besluit deze al dan niet goed te keuren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties?
Ja.
Het bericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het Living Planet Report |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Jaco Geurts (CDA), Eppo Bruins (CU) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «30 Procent minder dieren in Noordzee» van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over het Living Planet Report?1
Ja.
Klopt het dat het CBS voor het Living Planet Report data van Wageningen Marine Research heeft gebruikt?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het CBS in haar bericht concludeert: «De boomkorvisserij, een visserijmethode waarbij sleepnetten met wekkerkettingen over de zeebodem worden getrokken, is één van de belangrijkste oorzaken voor de afname van bodemdieren in de Noordzee»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Wageningen Marine Research op haar website heeft gemeld dat op basis van de data deze conclusie niet getrokken kan worden? Klopt het dat de data voor andere doeleinden zijn verzameld? Klopt het dat CBS conclusies trekt terwijl ze zelf geen onderzoek heeft gedaan?
Ja, ik ben op de hoogte van de reactie van Wageningen Marine Research op het oorspronkelijke bericht. Het CBS heeft de Living Planet Indexes (LPI’s) berekend en met toelichting gepubliceerd op basis van de data die zijn verkregen uit verschillende bronnen. Het gaat met name om de gegevens uit twee grote, langjarige programma’s, te weten:
In het algemeen gebruikt het CBS voor zijn statistieken zoveel mogelijk reeds verzamelde gegevens (vooral registraties van de overheid); dat bespaart kosten en voorkomt onnodige lastendruk. Dat is ook hier het geval geweest.
In hoeverre staat het CBS achter deze gepubliceerde conclusie?
Het CBS is tot de conclusie gekomen dat het oorspronkelijke bericht van 30 oktober jl. op enkele punten aanpassing behoefde en heeft op 3 november jl. een aangepaste versie gepubliceerd.2 Ik betreur dat aanpassing nodig was, maar vind het goed dat het CBS deze publicatie heeft gerectificeerd. De in vraag 3 geciteerde tekst is als volgt aangepast: «Onderzoek van de Universiteit Wageningen concludeert dat de boomkorvisserij, dit is een visserijmethode waarbij sleepnetten met wekkerkettingen over de zeebodem worden getrokken, leidt tot sterke verschuivingen in de samenstelling van de bodemgemeenschap.»
Deelt u de mening dat de conclusie ten onrechte de indruk wekt betrouwbaar te zijn door het feit dat het CBS haar naam hieraan verbindt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vaak per jaar verricht het CBS dienstverlening voor belangenorganisaties?
In aanvulling op het reguliere programma, dat wordt bekostigd uit de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, voert het CBS ook betaalde opdrachten uit, vooral voor overheidsorganisaties. In deze categorie valt ook het onderzoek naar de LPI’s. Daarnaast voert het CBS ook incidenteel betaalde opdrachten voor derden uit. In 2017 heeft het CBS ruim 600 betaalde opdrachten uitgevoerd, daarvan waren er ca. 20 in opdracht van belangengroeperingen (vooral brancheverenigingen). Voor deze betaalde opdrachten brengt het CBS de integrale kostprijs in rekening.
Het algemene publicatiebeleid van het CBS3 is ook voor betaalde opdrachten van toepassing. Daarin is onder meer voorzien dat in alle gevallen het CBS zelf bepaalt wat, wanneer en hoe wordt gepubliceerd, zoals ook in de Wet op het CBS is opgenomen. Onderzoeksresultaten worden gratis beschikbaar gesteld via de website van het CBS. Wanneer een opdrachtgever de door het CBS samengestelde onderzoeksresultaten gebruikt in een eigen publicatie dient het CBS als bron te worden vermeld. Daarnaast hanteert het CBS onder meer de volgende algemene voorwaarden bij betaalde opdrachten:4 het CBS voert het onderzoek zorgvuldig, vakbekwaam en onafhankelijk uit en bepaalt de methode die gebruikt wordt voor het onderzoek en de uitkomsten. Ik acht deze voorwaarden passend en adequaat. Het is van belang dat het CBS zorgvuldig en onafhankelijk kan voorzien in de maatschappelijke behoefte aan statistische informatie, zodat een geïnformeerde maatschappelijke discussie kan plaatsvinden.
Ontvangt het CBS inkomsten voor deze dienstverlening?
Zie antwoord vraag 7.
Welke afspraken maakt het CBS met belangenorganisaties over publicatie, vermelding van het CBS en de formulering van conclusies?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat dergelijke samenwerking en de bijbehorende afspraken passend en adequaat zijn en bent u van mening dat additionele afspraken nodig zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de boomkorvisserij ten onrechte imagoschade heeft opgelopen door het feit dat het CBS haar goede naam en faam hecht aan de onjuiste conclusie?
Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 5 en 6.
Bent u bereid het CBS te vragen een rectificatie te publiceren en excuses aan te bieden aan de vissers en de visserijorganisaties?
Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 5 en 6.
De achterstanden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant |
|
Attje Kuiken (PvdA), Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Behandeling hoger beroep vaak te laat vanwege drukte rechtbank Breda»?1
Ja.
Hoe vaak komt het voor dat vanwege achterstanden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant vertragingen bij de behandeling van hoger beroepen in grote strafzaken ontstaan? Hoe vaak komt het voor dat in relatief eenvoudige hoger beroepzaken sprake is van gebrekkige dossiers?
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) heeft aangegeven dat dergelijke gegevens niet uit de systemen kunnen worden afgeleid. Begin 2017 hebben de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het hof ‘s-Hertogenbosch vastgesteld dat in een onwenselijk aantal zaken de rechtbank de strafdossiers niet tijdig en/of niet volledig aanleverde bij het hof. De appèlakte ontbrak bijvoorbeeld, waardoor het hof niet kon beoordelen of er hoger beroep was ingesteld en zo ja, of dat tijdig was gebeurd. Er was geen aparte registratie van ingestelde appèllen.
De rechtbank heeft hiervoor inmiddels maatregelen getroffen, zoals het aanstellen van een appèllencoördinator, het houden van een «exitcontrole» van zaken, uitbreiding van de personeelscapaciteit en frequent overleg met het hof.
Er wordt beoogd om binnen een jaar alle appèldossiers compleet en tijdig in te dienen bij het hof.
De hoofdregel is dat alle zaken worden uitgewerkt. Om zaken in eerste aanleg sneller te laten doorstromen naar hoger beroep heeft het hof in overleg met de rechtbank tijdelijk andere afspraken gemaakt. Deze komen er kort gezegd op neer dat in bepaalde categorieën zaken, met name politierechter- en kantonzaken, wordt gewerkt met dossiers waarin het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank ontbreekt. Het hof beschikt wel altijd over de zogeheten Aantekening Mondeling Vonnis (AMV) met daarin de kerngegevens van de beslissing van de politierechter. Als tijdens de behandeling van een zaak in hoger beroep blijkt dat het proces-verbaal nodig is voor een goede behandeling, dan wordt de rechtbank gevraagd dit proces-verbaal alsnog uit te werken. Voor de rechtbank en het hof is de kwaliteit van de behandeling in hoger beroep bepalend.
Schrikt u ook als u leest dat in 80 procent iets aan het appeldossier schort? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Rvdr heeft mij laten weten dat dit percentage betrekking heeft op de situatie van ongeveer een half jaar geleden. Toen was er nog geen sprake van een structurele aparte zaaksregistratie. Ook had op dat moment de rechtbank nog niet de in het antwoord op vraag 2 genoemde maatregelen genomen en de afspraken met het hof gemaakt. Ik zie dat percentage dan ook als een momentopname. Inmiddels zijn maatregelen genomen en afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat de appèldossiers op orde komen.
Deelt u de mening dat vertragingen en gebrekkige dossiers de belangen van slachtoffers en eventuele nabestaanden schaden omdat die langer in onzekerheid moeten blijven over de afloop van een strafzaak? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is onwenselijk als een strafzaak door vermijdbare vertragingen langer duurt dan nodig is. Uit de genomen maatregelen leid ik af dat alle betrokken instanties de schadelijke effecten onderkennen en zich inspannen om te voorkomen dat een strafzaak langer duurt dan nodig is.
Hoe vaak wordt vanwege de genoemde gebreken het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht geschonden?
Het hof houdt geen aparte registratie bij van de overschrijdingen van de redelijke termijn en welke gevolgen het hof daaraan heeft verbonden. Exacte gegevens hierover kunnen pas na zeer tijdrovend onderzoek worden verkregen: daarvoor moeten alle zaken bij het hof die zijn afgedaan en die afkomstig zijn van de rechtbank Zeeland-West Brabant afzonderlijk worden bekeken.
Overigens hoeft een te late inzending van een appèl niet te leiden tot een overschrijding van de redelijke termijn. Bij het antwoord op de vraag of de redelijk termijn is geschonden, is de doorlooptijd van een zaak in hoger beroep slechts een onderdeel.
Hoe vaak leidt de overschrijding van termijnen tot toepassen van strafkorting? Deelt u de mening dat strafkortingen om die reden onwenselijk zijn?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening van de rechtbank dat de problemen ontstaan zijn vanwege het toenemend aantal grote, complexe strafzaken dat mede voortvloeit uit de opgevoerde strijd in de regio tegen de ondermijnende (drugs)criminaliteit? Zo ja, wat gaat u doen om er voor te zorgen dat die problemen opgelost worden? Zo nee, waarom niet?
Mij is bekend dat in het arrondissement Zeeland-West-Brabant al enige jaren een toenemend aantal grote, complexe strafzaken wordt behandeld. Deze complexe strafzaken kosten de rechtbank veel extra capaciteit. De rechtbank heeft op meerdere terreinen acties ondernomen om dit zaaksaanbod op te vangen. Zo wordt onder meer een speciale grote zaken- of ondermijningskamer ingericht die op 1 januari 2018 zal starten, is het aantal strafrechters uitgebreid, zijn extra rechters in opleiding aangenomen en is er een project gestart om de achterstanden in appèllen weg te werken.
Wilt u in overleg met de Raad voor de rechtspraak treden om er voor te zorgen dat er voldoende capaciteit bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is om aan de genoemde problemen een einde te maken? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen en wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dat overleg? Zo nee, waarom niet?
De maatregelen die de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het hof ’s-Hertogenbosch hebben genomen geven mij voldoende vertrouwen dat op termijn de problemen kunnen worden opgelost. Om die reden acht ik het op dit moment niet noodzakelijk om daarover in overleg te gaan met de Rvdr.
Zijn de problemen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant symptomatisch voor de problemen bij andere rechtbanken? Zo ja, waar blijkt dat uit en wat gaat u doen om aan die problemen een einde te maken? Zo nee, waarom niet?
De Rvdr heeft mij laten weten geen informatie te hebben dat zich bij andere rechtbanken dergelijke problemen ook voordoen. Ik zie dan ook geen reden om maatregelen te nemen.
Een lastercampagne van pro-Israël activisten tegen de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Oud-CIDI medewerker achter lastercampagne tegen Minister Kaag» over kwalijke pogingen van Likoed Nederland, het Centrum Documentatie en Informatie Israël (CIDI) en Holland Support Israel om de integriteit en geschiktheid van mevrouw Kaag als Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in diskrediet te brengen?1
Ja.
Veroordeelt u persoonlijke aanvallen op bewindspersonen, waarbij in het geval van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zelfs haar kinderen en echtgenoot zijn betrokken?
Het kabinet neemt hier volledig afstand van.
Klopt het dat Cnaan Liphshiz, auteur van het tendentieuze artikel «Holland’s new deputy foreign Minister accused Netanyahu of racism», de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenswerking onjuist heeft geciteerd, in die zin dat zij in 1996, anders dan Cnaan Liphshiz doet voorkomen, niet heeft gezegd dat zij premier Netanyahu racistisch en demagogisch vindt?2 Zo ja, betreurt u dat dit nepnieuws door Israëlische media en Nederlandse pro-Israël organisaties en activisten breed is verspreid?
Het genoemde citaat is onjuist. Minister Kaag wees in de uitzending van Buitenhof van 1996 op de mening van deelnemers aan demonstraties voor vrede over Premier Netanyahu. Het kabinet betreurt dat hierdoor verkeerde beeldvorming is ontstaan.
Klopt het dat Liphshiz in zijn diensttijd als onderzoeker voor de militaire inlichtingendienst van het Israëlische leger heeft gewerkt?3
Het kabinet beschikt niet over de informatie om deze vraag te kunnen beantwoorden.
Hoe beoordeelt u dat Israël die inlichtingendienst inzet om activisten in Europa te bespioneren die opkomen voor de Palestijnen?4
Over kennis van en onderzoek naar activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Covertly, Israel prepares to fight boycott activists online»?5
Ja.
Beschikt u over informatie dat Nederlandse burgers die opkomen voor de Palestijnen, door Israëlische inlichtingendiensten of bedrijven worden gemonitord en/of gehinderd? Zo ja, wat voor maatregelen neemt u om deze burgers te beschermen? Zo nee, kunt u uitsluiten dat dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 5.
Faciliteert of steunt Nederland op enigerlei wijze spionage en/of sabotage door Israël van Nederlandse burgers die activisme ontplooien dat wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? Zo ja, op welke manier gebeurt dit? Zo nee, kunt u dit uitsluiten?
De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten voeren hun activiteiten uit op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002). Bij het opstellen van deze wet is nadrukkelijk rekening gehouden met de vereisten die uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeien.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, graag voor de plenaire behandeling van de begrotingen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Het kabinet heeft alle vragen beantwoord.
Kent u het rapport van de World Meteorological Organization (WMO), waaruit blijkt dat ondanks de huidige inspanningen de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer nieuwe recordhoogtes heeft bereikt (in één jaar tijd van 400 ppm naar 403.3 ppm)?1
Ja.
Kent u de publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), waaruit blijkt dat het regeerakkoord slechts de helft van de klimaatdoelen binnen bereik brengt?2
Ja, ik ken deze publicatie.
Wat is uw reactie op de bevinding dat Nederland daardoor ver boven de doelstellingen (maximaal 2 °C en streven naar 1,5 °C temperatuurstijging) van het Akkoord van Parijs gaat uitkomen? Deelt u de mening dat het niet halen van de doelstellingen uit het Akkoord van Parijs onacceptabel en levensgevaarlijk is? Kunt u een reactie geven voor zowel de bevindingen van het PBL als het WMO?
Het kabinet ziet het als haar plicht om er alles aan te doen de doelstellingen uit het klimaatverdrag van Parijs te realiseren. Voor een reactie op de bevindingen van het WMO en PBL, verwijs ik respectievelijk naar de beantwoording van vraag 4 en vraag 7.
Leiden de conclusies van het WMO voor u, net als voor de Verenigde Naties, tot een hernieuwd en versterkt gevoel van urgentie?
De urgentie die het kabinet voelt komt duidelijk naar voren uit het regeerakkoord, waarin klimaat- en energiebeleid een prominente positie inneemt en voor het beperken van broeikasgasemissies ambitieuze doelstellingen zijn geformuleerd.
Het WMO maakt in hun analyse een onderscheid tussen CO2-uitstoot en CO2-concentratie. CO2-uitstoot is de CO2 die wordt uitgestoten, terwijl CO2-concentratie de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer betreft als gevolg van de interactie tussen verschillende (natuurlijke) processen.
De sterke toename van de CO2 concentratie is – zoals de WMO zelf aan geeft – vooral het gevolg van natuurlijke fluctuaties in het klimaatsysteem (onder meer als gevolg van El Niño). Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de emissies van CO2 mondiaal terug te dringen om de Parijs doelen te realiseren.
Deelt u de mening dat Nederland onvoldoende bijdraagt aan het terugdringen van de concentratie broeikasgassen, zoals ook bleek uit de recent verschenen Nationale Energieverkenning 2017 en de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek?3 4
Nee, ik deel deze mening niet. Uit de NEV 2017 blijkt dat Nederland in 2020 t.o.v. 1990 een broeikasgasreductie realiseert van 23%. Nederland realiseert daarbij in 2020 het Europees verplichtende doel van 16% reductie in de niet-ETS sectoren t.o.v. 2005. Met het volledig uitvoeren van de maatregelen uit het Energieakkoord kan zelfs een reductie van 25% in 2020 worden bereikt. In 2030 groeit de broeikasgasreductie volgens de NEV2017 verder naar ruim 30%, op basis van voorgenomen beleid, niet in de laatste plaats door een forse verdere groei van de productie van windenergie op zee.
In het regeerakkoord geeft het kabinet aan maatregelen te nemen die Nederland voorbereiden op een reductie van 49% in 2030. In Europa neemt het kabinet het voortouw om het EU reductiedoel te verhogen van ten minste 40% CO2-reductie in 2030 (t.o.v. 1990), naar 55% reductie in 2030. Mocht een aangescherpte EU doelstelling niet haalbaar blijken, dan zal Nederland ernaar streven om met gelijkgestemde Noordwest Europese landen tot ambitieuzere afspraken te komen. Omdat de uitkomsten van de internationale gesprekken nog niet vaststaan, kan de uiteindelijke doelstelling afwijken van de 49% waar het kabinet nu vanuit gaat.
Gezien de inzet van het kabinet ben ik van mening dat Nederland zowel op de kortere als de langere termijn juist een substantiële bijdrage levert aan het terugdringen van de broeikasgasuitstoot.
Deelt u de mening dat de tijd van vrijblijvendheid voorbij is en dat we ervoor moeten zorgen dat onomstotelijk vast komt te staan dat we de gestelde doelen gaan halen?
Ja, we zullen de komende periode maatregelen in gang zetten die Nederland voorbereiden op een reductie van 49% in 2030. De aangekondigde Klimaatwet kan een bijdrage leveren aan de verankering en realisatie van de gestelde doelen.
Deelt u de mening dat de maatregelen, zoals vastgelegd in het regeerakkoord «Vertrouwen in de Toekomst», gegeven de huidige trend van nog altijd sterk toenemende concentraties broeikasgassen en de achterblijvende resultaten van beleid, absoluut onvoldoende zijn om aan de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te voldoen? Zo nee, waarom niet?
De ambities in het regeerakkoord, te weten een reductie van broeikasgasemissies van 49% in 2030 ten opzichte van 1990, die aangescherpt kan worden tot 55% als daarover in Europa of met omringende landen afspraken over gemaakt kunnen worden, zijn in lijn met de doelen van het klimaatakkoord van Parijs om de temperatuurstijging te beperken tot ruim onder de 2 graden, respectievelijk te streven naar 1,5 graad temperatuurstijging. Dit bevestigt het PBL in haar analyse van het regeerakkoord.
De concrete maatregelen uit het regeerakkoord die nu al kunnen worden doorgerekend, leiden volgens PBL ruwweg tot de helft van het effect dat nodig is om de doelstelling van 49% broeikasgasreductie in 2030 te realiseren. Het PBL rapport biedt, zoals PBL ook zelf aangeeft, een tussenstand waarin zoveel als mogelijk de effecten van maatregelen en opties zijn bepaald die op dit moment al voldoende aanknopingspunten bieden voor een concrete uitwerking. Het kabinet gebruikt de komende periode om tot verdere uitwerking van maatregelen te komen die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren. Het aangekondigde Klimaat- en Energieakkoord speelt hier een belangrijke rol bij.
Deelt u de mening dat u daarom moet komen met een plan voor een snelle en drastische emissiereductie binnen uw eigen regeerperiode, zeker nu het PBL concludeert dat het regeerakkoord slechts de helft van de emissiereductie uitdaging dekt?5
Ik ben van mening dat er binnen deze regeerperiode een uitwerking moet komen die ervoor zorgt dat er in 2030 49% CO2-reductie wordt gerealiseerd. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, zal het Klimaat- en Energieakkoord hier een belangrijke bijdrage aan moeten gaan leveren.
Dit wil echter niet zeggen dat ook alle benodigde CO2-reducties voor 2030 al binnen deze regeerperiode gerealiseerd zullen worden. Klimaatbeleid is immers gericht op de lange termijn en niet alle maatregelen die deze regeerperiode worden genomen, leiden al direct tot CO2-reductie op korte termijn. Ook maatregelen die pas in een volgende regeerperiode tot CO2-reductie leiden of maatregelen die CO2-reductie in de toekomst mogelijk maken, zoals investeringen in laadinfrastructuur voor elektrisch rijden, zijn van groot belang voor de lange termijn transitie naar een CO2-arme economie.
Deelt u de mening dat het verkleinen van de veestapel en het zo snel mogelijke sluiten van alle kolencentrales op korte termijn noodzakelijk zijn om de concentratie van broeikasgassen terug te dringen? Zo nee, waarom niet?
In het regeerakkoord heeft het kabinet duidelijke keuzes gemaakt ten aanzien van de uitfasering van de kolencentrales en ten aanzien van de bijdrage van de landbouwsector aan CO2-reductie in 2030. De kolencentrales zullen uiterlijk in 2030 worden gesloten. De emissies in de landbouwsector zullen ten opzichte van het emissiepad bij ongewijzigd beleid met 3,5 Mton moeten afnemen in 2030. Het kabinet zal met de sector in gesprek gaan over de invulling van deze reductie. Daarbij hebben technische maatregelen de voorkeur boven volumebeperkende maatregelen, zoals het verkleinen van de veestapel.
Voor zowel de landbouwsector als ten aanzien de kolencentrales zal het kabinet bij de verdere uitwerking oog moeten blijven houden voor mogelijke grensoverschrijdende aspecten op Europees niveau, zoals weglekeffecten.
De Tussentijdse rapportage Schakelteam voor personen met verward gedrag |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Rapport: zorg verwarde personen deugt niet»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van Onno Hoes dat de urgentie nog nooit zo hoog is geweest en dat nog lang niet alle gemeenten hun aanpak op orde hebben? Zo ja, welke stappen gaat u op korte termijn nemen om deze gemeentelijke aanpak te bevorderen? Zo nee, waarom deelt u deze conclusie niet?
Ik deel de conclusie van het Schakelteam dat er de afgelopen twee jaar veel is gebeurd in de aanpak van de problemen van mensen met verward gedrag, maar dat we er desondanks nog niet zijn. In de beleidsreactie op de tussenrapportage van het Schakelteam, die ik op 24 november jongstleden aan uw Kamer heb toegestuurd, ga ik in op de aanbevelingen van het Schakelteam en de acties die ik met anderen zal ondernemen om de goed werkende aanpak te ondersteunen.
Deelt u de opvatting van het Schakelteam dat vervoer een onmisbaar element is in een goede aanpak van de problematiek van personen met verward gedrag?
Ja.
Wat vindt u ervan dat er pas in enkele regio’s afspraken zijn over vervoer, terwijl dit per 1 januari 2018 geregeld zou moeten zijn?
Uit de tussenrapportage van het Schakelteam blijkt dat de inspanningen in de regio op passend vervoer voor personen met verward gedrag achterblijven op de verwachtingen. De politie heeft aangegeven zich hier zorgen om te maken. In een overleg met bestuurders van politie, AZN en GGZ Nederland is aan het Schakelteam gevraagd om hier actie op te ondernemen. Om de partijen in de regio te ondersteunen bij het antwoord op de vraag hoe voor de korte én voor de langere termijn passend vervoer goed kan worden ingevuld vindt tot en met december 2017 op initiatief van het Schakelteam een aantal regionale bijeenkomsten vervoer plaats. Daarbij is de regio indeling van de politie eenheden een belangrijk uitgangspunt. Op deze wijze wordt goed zichtbaar welke afspraken er tussen betrokkenen nodig zijn om de rol van de politie over te nemen. In de bijeenkomsten wordt gekeken naar drie elementen, te weten de eigen activiteiten in de regio en de voortgang hiervan, de regionale belemmeringen en de landelijke belemmeringen. Het Schakelteam zal waar nodig een ondersteunende en signalerende rol vervullen om de belemmeringen aan te pakken. Eventueel worden de regionale belemmeringen gericht opgepakt in vervolgsessies, ondersteund door een zogenaamde brigadier vervoer, die vanuit het Schakelteam is aangesteld. Signalen over belemmeringen op landelijk niveau zullen door het Schakelteam worden neergelegd bij de daarvoor verantwoordelijke partijen. Na afloop van de regionale bijeenkomsten zal ik de Tweede Kamer over de resultaten informeren.
Bent u bereid om bij het tekort schieten van vervoer voor deze kwetsbare doelgroep in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u dit doen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is volgens u de minimale aanrijtijd, en in hoeverre is de minimale aanrijtijd ook vanaf 2018 gegarandeerd? Is er in alle regio’s sprake van 24-uurs dekking van vervoer? Zo nee, welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om de minimale aanrijtijd en de 24-uurs dekking te realiseren?
Op pagina 26 van het Voorlopig model vervoer (bijlage bij TK 25 424, nr. 346) staan de maximale aanrijtijden. Afhankelijk van de urgentiegraad varieert die van 15 minuten tot 2 uur. In de gevallen waarin de politie nu rijdt, is veelal sprake van een maximale aanrijtijd van een half uur. De politie rijdt veelal naar de beoordelingslocatie en in urgente gevallen moet de persoon binnen een uur beoordeeld worden. Volgens het Voorlopig model vervoer geldt in die gevallen een aanrijtijd van een half uur.
In alle regio’s is 24 uur per dag ambulancezorg beschikbaar. De ambulance is wellicht niet altijd binnen een half uur aanwezig en is niet altijd het meest passende vervoer. Om te zorgen dat er 24 uur per dag aan de eisen voor passend vervoer en de maximale aanrijtijden van het Voorlopig model kan worden voldaan, vinden momenteel regionale bijeenkomsten plaats. Ik ga ervan uit dat de lopende pilots met vervoer van personen met verward gedrag bij ZonMw meer zicht geven op de gerealiseerde aanrijtijden.
Hoe zou dit vervoer volgens u structureel gefinancierd moeten worden?
Vervoer door een regionale ambulancevoorziening of een onderaannemer van een regionale ambulancevoorziening van personen die op grond van een somatische en/of psychische aandoening ambulancezorg nodig hebben is reeds structureel gefinancierd.
Vervoer met psychiatrische hulpverlening door andere aanbieders kan momenteel gefinancierd worden op basis van een pilot die is toegewezen door ZonMw. Blijkt na beoordeling dat er niet direct zorg noodzakelijk is, dan is de bekostiging van het vervoer aan de gemeente. Over de wenselijkheid en noodzaak van een specifieke regeling voor vervoer met psychiatrische hulpverlening en de structurele bekostiging ervan zal ik u begin 2018 informeren. Voor een afgewogen oordeel en besluitvorming is het van belang meer informatie te verkrijgen, onder andere uit de lopende pilots vervoer en uit de regiobijeenkomsten vervoer die de komende maanden plaatsvinden.
Deelt u de opvatting van het Schakelteam dat de huidige praktijk dat mensen met verward gedrag in een politiecel belanden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van groot belang dat mensen die zorg nodig hebben en niet verdacht worden van een strafbaar feit, gepaste zorg krijgen en niet bij de politie terecht komen. Als de openbare orde in het geding is, bij strafbare feiten, gevaar of dreiging wordt de politie betrokken, ook als het personen met verward gedrag betreft. Waar het om gaat is dat we met alle partijen landelijk en lokaal samenwerken en mensen structureel een veilig thuis kunnen bieden. Soms is dat even de zorg, andere keren weer een dak boven hun hoofd of begeleiding vanuit het gemeentelijk domein. Het gaat erom dat alle partijen elkaar weten te vinden en er goede afspraken zijn dan wel komen over wie wat doet in welke situatie. Het Schakelteam en de opdrachtgevers faciliteren partijen hierbij.
Bent u het met het Schakelteam eens dat passende crisisopvang onmisbaar is voor opvang van mensen met verward gedrag? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat mensen met verward gedrag, de hulp of ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Wat dat precies is, hangt af van de mate van (de ernst van) het verwarde gedrag en de omstandigheden van het geval. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer iemand op straat wordt aangetroffen, kan het nodig zijn de persoon naar een specifieke beoordelingslocatie te brengen om het verwarde gedrag te beoordelen en de persoon ter plekke te stabiliseren, in een ander geval kan iemand in de eigen omgeving worden beoordeeld en kan na deze beoordeling geconcludeerd worden door de hulpverlener dat verdere ondersteuning niet nodig is. In weer andere gevallen kan het nodig zijn dat mensen met verward gedrag tijdelijk even ergens opgevangen worden, zonder dat daadwerkelijk behandeling nodig is.
Op dit moment staan crisisdiensten 24 uur per dag klaar om mensen met verward gedrag te beoordelen om te bezien of sprake is van een acute psychiatrische crisis. Deze beoordeling kan zowel plaatsvinden in de eigen omgeving van de persoon die het betreft maar ook op een beoordelingslocatie/crisisdienst zelf. Indien sprake is van een acuut psychiatrische crisis, zet de crisisdienst zich in om de patiënt te stabiliseren en zo nodig te behandelen. Dit betreft zorg die geleverd wordt op basis van de Zorgverzekeringswet. Het is een taak van gemeenten om mensen die in een crisissituatie verkeren zonder dat sprake is van een acute psychische aandoening, op te vangen. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van het aantal plekken dat gemeenten hiervoor beschikbaar hebben.
Bent u van mening dat er 24 uur per dag crisisopvang beschikbaar moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Is er nu sprake van voldoende crisisopvang in de gemeenten? Zo nee, wat wilt u hier aan doen? Kunt u een overzicht geven van de vraag en het aanbod van crisisopvang per gemeente?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u ook dat time-out-plekken in voldoende mate aanwezig zouden moeten zijn, zodat echte crisis voorkomen kan worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u er op sturen dat er meer van deze plekken komen?
Conform het regeerakkoord zal ik binnen de bestaande kaders de beschikbaarheid stimuleren van plaatsen voor een tijdelijke opname op eigen verzoek. Met aanbieders, gemeenten en zorgverzekeraars bespreek ik wat hiervoor nodig is.
Misstanden in het gevangenisziekenhuis te Scheveningen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Misstanden in gevangenisziekenhuis Scheveningen»?1
Ja.
Hoe reageert u op de klachten van betrokkenen over de Commissie van Toezicht (CvT)?
Op de betreffende individuele klachten kan ik uiteraard niet ingaan. Klachten van gedetineerden kunnen worden ingediend bij de Commissie van Toezicht en worden altijd conform de geldende procedure afgehandeld. Op de uitspraak van de beklagcommissie kan desgewenst, door de gedetineerde of de penitentiaire inrichting (PI), hoger beroep worden ingesteld bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing (RSJ). Daarnaast kan ik uw Kamer melden dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (hierna: inspectie) de directie van PI Haaglanden zal vragen om een reactie op de signalen zoals beschreven in het artikel. Indien nodig kan zij naar aanleiding van die reactie nadere stappen ondernemen.
Is dit de eerste keer sinds maart 2014 dat klachten, zoals die in het bovenstaande artikel genoemd worden, naar boven komen? Welke maatregelen heeft u genomen om de gang van zaken bij het gevangenisziekenhuis te verbeteren?
In maart 2014 heeft de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg het intensieve toezicht op het JCvSZ opgeheven. Het JCvSZ valt sindsdien onder het reguliere toezicht van de inspectie. Dat houdt in dat de inspectie calamiteitenrapportages beoordeelt, in voorkomende gevallen nader onderzoek uitvoert en bezoeken brengt in het kader van haar reguliere risicotoezicht. Klachten die ingediend worden door gedetineerden worden afgehandeld door de CvT of, bij medisch inhoudelijke klachten, een arts van het Bureau Medische Advisering. In 2016 zijn 21 klachten van gedetineerden uit het JCvSZ behandeld. Van deze 21 zijn twee klachten gegrond verklaard. Deze hielden geen verband met de in de Nieuwe Revu gemelde klachten. Geen van de ongegrond verklaarde klachten heeft geleid tot het doorsturen van de klacht naar de RSJ.
In welk opzicht verschillen de klachten die nu boven tafel komen van de klachten over het gevangenisziekenhuis Scheveningen uit 2013 en daarvoor?
De huidige klachten in het artikel zien veelal op praktische zaken en informatieverstrekking. De klachten die dateren uit de periode vóór 2013 zagen op de criteria ten aanzien van de zorgzwaarte in relatie tot de mogelijkheden; wanneer wordt een gedetineerde opgenomen in het JCvSZ, wanneer is behandeling in de eigen PI voldoende en wanneer dient overgegaan te worden tot een ziekenhuisopname in een regionaal ziekenhuis. Voorts zagen de klachten op dossieropbouw en de apotheek.
Wat waren de redenen om het geïntensiveerde toezicht op het gevangenisziekenhuis weer op te heffen in maart 2014?
Naar aanleiding van het onderzoek door de inspectie heeft het JCvSZ een verbeterplan gemaakt en geïmplementeerd. Na de afronding van de implementatie en toetsing hiervan door de inspectie is het geïntensiveerde toezicht beëindigd en heeft de inspectie een rapport uitgebracht. De voorwaarden voor verantwoorde zorgverlening waren naar het oordeel van de inspectie voldoende geborgd en de randvoorwaarden voor kwalitatief goede zorg op orde.
Sindsdien heeft de inspectie meerdere bezoeken gebracht aan het JCvSZ. Geen van deze bezoeken heeft de inspectie aanleiding gegeven om het huidige reguliere toezicht te wijzigen. Het laatste bezoek heeft plaatsgevonden in juni 2017.
Op welke manier en op welke momenten heeft na maart 2014 toezicht plaatsgevonden op het gevangenisziekenhuis?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de CvT niet altijd op klachten van gedetineerden reageert? Zo ja, waarom niet?
Nee, bij de CvT ingediende klachten worden altijd in behandeling genomen.
Bent u bereid te onderzoeken of opnieuw verscherpt toezicht noodzakelijk is bij het gevangenisziekenhuis te Scheveningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer wordt de Kamer over dit onderzoek geïnformeerd?
De inspectie heeft desgevraagd aangegeven geen aanleiding te hebben om verscherpt of geïntensiveerd toezicht in te stellen.
Het bericht ‘Keuzevrijheid is in het geding’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het commentaar «Keuzevrijheid is in het geding»?1
Ja.
Deelt u de mening dat meer concurrentie en meer nieuwe toetreders van belang zijn voor de keuzevrijheid, prijs en kwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Ja. De keuzevrijheid, prijs en kwaliteit zijn vooral gebaat bij effectieve concurrentie onder zorgverzekeraars. De kans dat dit wordt versterkt is groter als het aantal verzekeraars toeneemt.
Welke plannen zijn er de laatste jaren geweest voor het opstarten van een nieuwe zorgverzekeraar in Nederland? Kan in zijn algemeenheid iets worden gezegd waarom die initiatieven uiteindelijk niet zijn doorgegaan? Indien dit niet het geval is, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft in kader van het rapport «Toetredings- en groeidrempels op de zorgverzekeringsmarkt» van 24 januari 20172 onderzoek gedaan naar de belangrijkste toetredingsbarrières voor nieuwe zorgverzekeraars. Ook de oprichters van aspirant zorgverzekeraars Anno 12 en Zorgeloos zijn voor dit onderzoek geïnterviewd. De ACM noemt in haar rapport als barrières onder meer het moeten voldoen aan de Europese kapitaalseisen in combinatie met de acceptatieplicht, het verkrijgen van een Europees verplichte vergunning van de Nederlandsche Bank (DNB) en reguleringsonzekerheid in de zorg. Aspirant zorgverzekeraar Anno 12 heeft een vergunning bij DNB aangevraagd en ook gekregen, maar later toch besloten om niet verder te gaan. Aspirant zorgverzekeraar Zorgeloos heeft nog geen vergunning bij DNB aangevraagd. Verder spelen volgens de door de ACM geïinterviewde marktpartijen de hoge kosten die met toetreding gepaard gaan en die niet kunnen worden terugverdiend, alsook de lage verwachte winstmarge op de zorgverzekeringsmarkt nog een rol. De aspirant toetreder zal waarschijnlijk al deze omstandigheden meewegen bij de beantwoording van de vraag of toetreding voor hem economisch opportuun is.
Ook zal daarbij een rol spelen het gemak waarmee de aspirant toetreder aan eigen vermogen kan komen om de toetreding te financieren. In dit kader ben ik evenals de ACM, DNB en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) van mening dat beperking van de mogelijkheid om kapitaal aan te trekken door de mogelijke invoering van het wetsvoorstel Verbod op winstuitkering zorgverzekeraars, de toetreding een stuk lastiger maakt.
In hoeverre zijn de regelgeving en het toezicht met betrekking tot de zorgverzekeraars proportioneel, bijvoorbeeld om makkelijk van start te kunnen gaan? Hoe zijn de regelgeving en het toezicht in Nederland in vergelijking met andere landen? Waar zitten de verschillen?
Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de proportionaliteit van de regelgeving voor en het toezicht op (toetredende) zorgverzekeraars. Hierbij voel ik mij gesteund door het feit dat er volgend jaar een nieuwe zorgverzekeraar – IptiQ – op de markt actief wordt. Een groot gedeelte van het toezichtskader wordt Europees bepaald en is dus in alle Europese landen gelijk. Daarbij merk ik op dat er aan zorgverzekeraars in Nederland specifieke eisen worden gesteld. Zoals het door de overheid vastgestelde basispakket, de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie. Deze eisen zijn van groot belang om de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg te borgen.
Waar zitten volgens u de knelpunten en barrières voor nieuwe toetreders op de markt voor zorgverzekeraars?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat de mogelijkheden voor nieuwe toetreders tot de zorgverzekeringsmarkt, om voldoende kapitaal aan te trekken, beperkt zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een eventueel winstverbod voor zorgverzekeraars de mogelijkheden om kapitaal aan te trekken en tot de zorgverzekeringsmarkt toe te treden nog verder zal beperken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de Autoriteit Consument en Markt (ACM) te verzoeken een onderzoek te laten doen naar de toetredingsbarrières en de concurrentie in de markt voor zorgverzekeraars? Zo nee, waarom niet?
De ACM heeft op 24 januari 2017 reeds het onderzoek «Toetredings- en groeidrempels op de zorgverzekeringsmarkt»3 gepubliceerd, waarin zij ingaat op de belangrijkste toetredingsbarrières voor nieuwe zorgverzekeraars. Aanvullend onderzoek heeft daarom op dit moment geen meerwaarde.
De aangekondigde ontslagen bij Ziekenhuis Groep Twente |
|
Nine Kooiman |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Bent u ook zo verontwaardigd over de berichtgeving van de bestuurders van Ziekenhuis Groep Twente (ZGT) die aangekondigd hebben 150 banen te willen schrappen en medewerkers te willen ontslaan?1
In antwoord op uw eerdere Kamervragen heeft mijn ambtsvoorganger u op 23 augustus (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2528) laten weten dat het nooit prettig is om te horen dat een ziekenhuis financieel gezien in zwaar weer zit, zeker niet wanneer dit mogelijk tot gedwongen ontslagen leidt. Ik sluit mij hier bij aan.
ZGT heeft mij laten weten dat het herstelplan een intern plan is dat alleen met de banken en zorgverzekeraars wordt gedeeld. De benodigde kostenreductie kan helaas niet zonder reductie van arbeidsplaatsen – 150 FTE in de periode 2017 t/m 2019 – plaatsvinden. Een substantieel deel hiervan zal plaatsvinden bij stafafdelingen en de «handen aan het bed» worden zoveel mogelijk ontzien. ZGT verwacht een groot gedeelte van deze reductie op te kunnen vangen met natuurlijk verloop; gedwongen ontslagen worden echter niet uitgesloten, aldus ZGT.
De vakbonden zijn in een eerder stadium geïnformeerd over de mogelijke personeelsreductie. Er zijn besprekingen gestart over een nieuw sociaal plan ter vervanging van het huidige plan. In overleg met de vakbonden wil ZGT komen tot een zo gunstig mogelijk sociaal plan voor zijn medewerkers. Belangrijke onderdelen in het sociaal plan zijn zowel de interne-, als externe mobiliteitsbevorderende maatregelen. In overleg is het huidige sociaal plan verlengd tot 31 januari 2018 of zoveel eerder er een nieuw sociaal plan is. Op 2 november jongstleden is een eerste onderhandelingsresultaat bereikt met de vakbonden over een nieuw sociaal plan, aldus ZGT.
Wat zijn de precieze redenen voor dit massaontslag? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom zijn de vakbonden niet betrokken geweest bij de besluitvorming om 150 banen te schrappen bij het ZGT? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg geoordeeld of deze ontslagen consequenties hebben voor de veiligheid en kwaliteit van zorg? Zo ja, wat waren hun bevindingen? Zo nee, waarom was de inspectie hierbij niet betrokken?
Een reorganisatie vormt een risico voor de kwaliteit van zorg. Het is aan de raad van bestuur om maatregelen te treffen, om te zorgen dat de kwaliteit en veiligheid zijn geborgd. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ i.o.) ziet hierop toe, maar toetst niet vooraf een reorganisatieplan. Bij ZGT ziet de IGJ i.o. intensief toe op de actuele ontwikkelingen en spreekt met de raad van bestuur over mogelijke risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg die samenhangen met de reorganisatie. Indien de IGJ i.o. op enig moment oordeelt dat de kwaliteit en/of veiligheid van zorg in het geding zijn, zal zij ingrijpen.
Klopt het dat de banken nog geen uitsluitsel hebben gegeven over de waarde van de voorliggende plannen van het ZGT? Kunt u aangeven wat de rol van de banken in deze situatie precies is,?3
ZGT heeft mij laten weten dat het momenteel constructief in gesprek is met de banken. Conform de standaardprocedure in dit soort situaties laten de banken de haalbaarheid van het herstelplan toetsen. De toetsing vindt in de komende weken plaats. Daarnaast volgen de banken het proces dat ZGT volgt om vanaf 2020 weer een «toekomstgericht en financieel gezond ziekenhuis» te zijn nauwgezet, aldus ZGT.
Zijn er andere bezuinigingen die de bestuurders van het ZGT willen doorvoeren binnen het ziekenhuis? Zo ja, welke bezuinigingen zijn dit? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 3 heb laten weten heeft ZGT aangegeven dat het herstelplan een intern plan is dat alleen met de banken en zorgverzekeraars wordt gedeeld. Mij is alleen bekend dat het herstelplan zich richt op maatregelen die tot gerichte kostenreductie leiden (waaronder in ieder geval de reductie van arbeidsplaatsen), nieuwe afspraken met de zorgverzekeraars en volumereductie in het kader van doelmatige en zinnige zorg. Zoals ik u op 6 november jl. (antwoord op vraag 1) heb laten weten wordt er een apart traject doorlopen met betrekking tot het zorgaanbod op beide locaties van het ziekenhuis, hierover heeft het ziekenhuis nog geen beslissing genomen.
Blijft de spoedeisende hulppost van het ZGT in Hengelo behouden? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?4
Zie mijn antwoord op vraag 6 en mijn antwoord (bij de vragen 4 en 5) van 6 november jongstleden.
Zijn de dreigende patiëntenstops van de baan bij het ZGT? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?5
Zie mijn antwoord (bij vraag 1) van 6 november jongstleden.
Wilt u het zogenaamde herstelplan van het ZGT zo snel mogelijk de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 3.
Wat gaat u doen om te zorgen dat deze ontslagen ongedaan worden gemaakt, zodat medewerkers hun baan kunnen behouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals u weet is het niet aan mij om mij hierin te mengen. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor een gezonde financiële bedrijfsvoering. Het is echter goed om te merken dat ZGT en de vakbonden samenwerken aan een nieuw sociaal plan.
Welke maatregelen gaat u treffen om te zorgen dat ZGT Hengelo een volwaardig ziekenhuis wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord (bij de vragen 4 en 5) van 6 november jongstleden.
Het bericht 'De overheid is de regie kwijt in het bestrijden van overlast van ratten' |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met bericht «Steeds meer overlast in steden en buitengebieden. Rattenbestrijding strandt»?1
Ja.
Welk ministerie heeft de regie over het bestrijden van overlast van ratten?
Er zijn drie ministeries die gezamenlijk regie voeren op het bestrijden van overlast van ratten. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is verantwoordelijk voor het natuurbeleid, en als onderdeel daarvan het beheersbaar houden van rattenpopulaties en omdat ratten ziekten kunnen overdragen op dieren. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is vanuit zijn verantwoordelijk voor de volksgezondheid betrokken omdat ratten ziekten kunnen overdragen op mensen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is verantwoordelijk voor beleid inzake toelating en gebruik van biociden waar ook rodenticiden onder vallen. Deze drie ministeries beogen een duurzaam plaagdierbeleid waarbij preventie centraal staat.
Kunt u bevestigen dat er een groot risico is voor de volksgezondheid als de overlast van ratten verder toeneemt, omdat ratten ziektes (waaronder dierziektes) kunnen verspreiden en ratten drager zijn van verschillende bacteriën?
Ratten zijn altijd aanwezig geweest in Nederland. Of meer rattenoverlast leidt tot een groter risico voor de volksgezondheid, hangt in belangrijke mate af van de blootstelling van de mens aan ratten. In zijn algemeenheid kan wel gesteld worden dat de infectiedruk vanuit de omgeving toeneemt als er meer ratten zijn. In ziekte gerelateerde cijfers is geen bevestiging te zien van een groter risico.
De stijging die in 2014 werd gezien in het aantal meldingen van leptospirose (zoals de ziekte van Weil) heeft zich niet doorgezet.
Deelt u de mening van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen dat de preventie niet goed geregeld is? Deelt u de mening van ongediertebestrijders die waarschuwen voor »middeleeuwse taferelen met veel ziektes»? Zo nee, waarom niet?
De mening van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) dat de preventie niet goed geregeld is, deel ik niet. Het beleid is juist gericht op het voorkómen van onbeheersbare situaties. Preventie staat aan de basis van het geïntegreerde plaagdiermanagement (IPM). Zowel in de opleiding, examinering van het vakbekwaamheidsbewijs voor professionele plaagdierbeheersers als in de licentie voor beheersing op een agrarisch bedrijf, is IPM opgenomen. Ook heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden IPM verplicht gesteld voor buitengebruik van anticoagulantia, het meeste gebruikte gif tegen ratten.
Verder deel ik om verschillende redenen het geschetste toekomstbeeld van het KAD niet. Om te voorkomen dat plagen in de toekomst niet meer kunnen worden beheerst, is preventie essentieel en moeten rodenticiden pas gebruikt worden als andere maatregelen (nog) niet voldoende effect hebben. Verder is, zoals in antwoord op vraag 3 al aangegeven, er geen signaal dat een door ratten overgebrachte ziekte uit de hand loopt. De hygiëne is tegenwoordig veel beter dan in het verleden, waardoor mensen veel minder met (uitwerpselen van) ratten in aanraking zullen komen, zelfs als er veel ratten zijn. Ook is de kwaliteit van de infrastructuur veel beter: er is riolering, schoon drinkwater en afvalverwijdering.
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderzoek doet naar onder andere de omvang van de landelijke rattenplaag? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomsten van dit onderzoek aan de Kamer te kunnen sturen?
Het RIVM doet onderzoek naar ratten om de risico’s voor de volksgezondheid beter in te kunnen schatten. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is het RIVM in 2014 gestart met een rattenmonitoring om inzicht te krijgen in de dynamiek van rattenpopulaties. Ook wordt onderzocht welke ziekteverwekkers er in de ratten zitten en de meldingen van patiënten, besmet met ziektes uit ratten, worden bijgehouden. Informatie uit de rattenmonitor maakt het mogelijk dat het juiste beleid door overheden wordt bepaald en dat risicocommunicatie naar burgers kan worden uitgevoerd. Informatie over knaagdieren en de trends in zoönosen die via hen worden overgedragen, maakt deel uit van de Staat van Zoönosen 2 en deze is de Kamer ook toegezonden (brief van 6 december 2017, Kamerstuk 34 775-XVI, nr. 45). Uit de resultaten tot nu toe blijkt dat geen sprake is van een landelijke plaag: de trends per gemeente kennen grote verschillen. De omvang van de rattenpopulatie lijkt sterk bepaald te worden door gemeentelijk beleid aangaande afval, plaagdieren, door gedrag van burgers en door bouwactiviteiten. De rattenpopulaties in de buitengebieden worden bijgehouden door trends te bepalen in de bijvangsten van de bruine ratten bij de muskus- en beverratbestrijding. Hierin zijn over de jaren schommelingen te zien, maar geen duidelijke stijgende trend.
Wat heeft u met de conclusie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gedaan dat stedelijke gebieden in toenemende mate te kampen hebben met ongedierte en door ongedierte overgedragen ziekten?
Het meest recente en meest relevante rapport van de WHO, «Public Health Significance of Urban Pests», stamt uit 2008. In dit rapport wordt geconcludeerd dat alle aspecten van het gedrag en kennis over de biologie van knaagdieren moeten worden meegenomen door partijen die zich met plaagdiermanagement bezighouden. Daarnaast wordt in genoemd rapport gesteld dat het noodzakelijk is om een wettelijk kader te hebben, op landelijk en lokaal niveau, en voor individuen die grond of huizen bezitten. Deze wetgeving moet de verantwoordelijkheid voor de preventie en bestrijding van plagen beleggen en kaders scheppen voor de regulering van de uitvoering van plaagdierbeheersing.
In Nederland zijn deze wettelijke kaders aanwezig, daarbij kan worden gedacht aan, het Bouwbesluit, de Wet Publieke Gezondheid, Warenwet en de Woningwet maar ook de Algemene Plaatselijke Verordening. Zo is preventie en bestrijding van plaagdieren o.a. verankerd in de Woningwet en in de Wet Publieke Gezondheid. Het Bouwbesluit en de Woningwet bevatten voorschriften over het zodanig gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein dat overlast door schadelijk of hinderlijk gedierte wordt voorkomen.
In de afgelopen jaren is, onder andere door het RIVM, verschillende malen onderzoek uitgevoerd naar ziekteverwekkers bij ratten. De komende jaren zal binnen het lopende RIVM-onderzoek nog meer aandacht worden besteed aan zoönosen overgedragen door wilde dieren die in de stedelijke omgeving leven (urban wildlife zoonoses) waaronder ratten. Dit moet leiden tot handvatten voor gemeenten om in het kader van de nieuwe Omgevingswet de risico’s en preventie van deze zoönosen mee te nemen in hun ruimtelijke plannen.
Bestaat de Initiatiefgroep dierplaagbestrijding nog steeds? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel vergaderingen heeft de initiatiefgroep gehad sinds 27 oktober 2011? Wat is er besproken en wat is er met de uitkomsten van dit overleg gedaan?
De Initiatiefgroep dierplaagbestrijding is niet meer actief. Op dit moment fungeert er een werkgroep om de rattenmonitoring in Nederland te verbeteren. De meeste partijen in de initiatiefgroep zijn nu partij in deze werkgroep rattenmonitoring inclusief de drie betrokken ministeries. Deze groep leent zich goed voor uitwisseling van kennis en vraagstukken.
Daarnaast is er voor zwemwaterkwaliteit, inclusief zoönosen, een werkgroep zwemwater waar ook de beheersing van bruine rat wordt meegenomen. Specifiek voor waterspeelplaatsen stelt het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS komend jaar richtlijnen op over onder andere ziekteverwekkers. Dit wordt door het Ministerie van IenW met de betrokken partijen afgestemd.
Ten aanzien van de problematiek van de stalbranden vindt overleg plaats tussen het Ministerie van LNV en de agrarische sector.
Bent u van mening dat voor de beheersing van knaagdieren het toepassen van geïntegreerde plaagdierbeheersing (Integrated Pest Management) zowel buiten als binnen goed functioneert? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Het functioneren van geïntegreerde plaagdiermanagement is op dit moment nog niet concreet geëvalueerd. In het «Plan van aanpak knaagdierbeheersing» van 20153 is aangekondigd dat een onderzoek naar de effectiviteit van het geïntegreerd plaagdiermanagement zal worden uitgevoerd om hiermee de uitvoering te kunnen optimaliseren. Wageningen University and Research heeft een projectplan voor dit onderzoek ontwikkeld en ingediend voor financiering bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijke Onderzoek. Indien succesvol, zal naar verwachting in 2018 dit onderzoek starten. Daarnaast wordt een offerte voor een project uitgezet door het Ministerie van IenW om de doorvergiftiging van de anticoagulantia in roofvogels en zoogdieren opnieuw te beoordelen.
Is de speciale voorlichting voor de particulier, zoals aangekondigd in de brief de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2015 (Kamerstuk 27 858, nr. 322), reeds ontwikkeld en hoeveel particulieren hebben hier gebruik van gemaakt?
Zoals toegelicht in de brief van 2 juli 2015, is in opdracht van het Ministerie van IenW Milieu Centraal gevraagd om voorlichting naar de particulier te verzorgen. Op hun website (www.milieucentraal.nl) wordt informatie verstrekt hoe plaagdieroverlast kan worden voorkomen en wat te doen als er muizen en ratten worden gesignaleerd.
Milieu Centraal voert consumentenonderzoek uit om te achterhalen hoe particulieren omgaan met bestrijdingsmiddelen in het algemeen en de problematiek van knaagdieren in het bijzonder. De communicatie van Milieu Centraal wordt afgestemd op de uitkomsten hiervan. Dankzij het aanbieden van kant-en-klare informatieve artikelen aan huis-aan-huisbladen, is het bereik van Milieu Centraal groot.
Bent u van mening dat de speciale voorlichting werkt nu blijkt dat de overlast van ratten in steden en buitengebieden nog steeds toeneemt?
Voorlichting aan particulieren is belangrijk omdat hun omgang met voedsel en afval buitenshuis een belangrijke rol speelt in de preventieve aanpak. Voorlichting aan particulieren is één van maatregelen om tot een duurzaam rattenbeleid te komen. Gemeenten hebben hierin ook een belangrijke taak, vanuit de Wet Publieke Gezondheid. Hoewel het lastig is om dat ene aspect te kwantificeren, ben ik van mening dat de voorlichting van Milieu Centraal bijdraagt aan de bewustwording bij particulieren om zorgvuldig met voedsel en afval om te gaan teneinde overlast van ratten tegen te gaan.
Nederland als belastingparadijs voor Amerikaanse bedrijven |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over Nederland als belastingparadijs voor Amerikaanse bedrijven?1
Ja.
Klopt het, dat van de 500 grootste Amerikaanse bedrijven meer dan de helft een dochteronderneming in Nederland heeft, teneinde zo min mogelijk belasting te hoeven betalen? Zo nee, om hoeveel bedrijven gaat het dan wel en wat doen deze bedrijven in Nederland?
In het krantenbericht wordt verwezen naar een publicatie van het Institute on Taxation and Economic Policy (ITEP)2. Voor deze publicatie heeft ITEP de dochtermaatschappijen geteld die de Amerikaanse bedrijven die zijn opgenomen in de Fortune 500-lijst hebben in vijftig specifieke landen, waaronder Nederland.3 ITEP komt op basis hiervan tot de conclusie dat Nederland, Singapore, Hongkong, Luxemburg en Zwitserland van de vijftig onderzochte landen de landen zijn waarin de meeste Fortune 500-bedrijven ten minste één dochtermaatschappij hebben.4 Volgens ITEP heeft meer dan de helft van de bedrijven op de Fortune 500-lijst een dochtermaatschappij in Nederland.5 Ik heb geen zelfstandig onderzoek gedaan naar deze cijfers en kan dus niet aangeven of deze kloppen.
Uit de publicatie blijkt niet dat ITEP specifiek heeft onderzocht om welke redenen de Fortune 500-bedrijven een dochtermaatschappij in Nederland hebben. Nederland heeft altijd ingezet op het hebben van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemers, waar zowel fiscale als niet-fiscale factoren aan bijdragen. Vanwege onze open, op internationale handel gerichte economie en vanwege het belang van de buitenlandse markt voor Nederlandse ondernemers heeft het Nederlandse fiscale systeem van oudsher een internationale focus. Ook voor Amerikaanse bedrijven kan Nederland voor uiteenlopende bedrijfsmatige activiteiten een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn, zoals bijvoorbeeld voor Europese hoofdkantooractiviteiten.
Op het onderzoek van CORPNET, waaraan onderzoeker Heemskerk heeft bijgedragen, is mijn ambtsvoorganger bij de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer ook ingegaan.6 Ik sluit me aan bij de in die antwoorden gedane constatering van mijn ambtsvoorganger dat de internationale focus van ons fiscale systeem en de verschillen tussen nationale belastingstelsels ook een keerzijde hebben. Zo is het verleidelijk gebruik te maken van het Nederlandse systeem en onze verdragen in gevallen waarvoor deze eigenlijk niet bedoeld zijn. Mede om die reden heeft Nederland zich steeds nadrukkelijk gecommitteerd aan het BEPS-project van de OESO/G20 en geeft Nederland op verschillende manieren gevolg aan de eindrapporten. Daarnaast zal Nederland deze kabinetsperiode de maatregelen uit de EU-richtlijnen tegen belastingontwijking ATAD 1 en ATAD 2 implementeren en een bronbelasting invoeren op dividend, rente en royalty’s naar low tax jurisdictions en in misbruiksituaties. Hiermee wil het kabinet het onaantrekkelijker maken om Nederlandse vennootschappen om voornamelijk fiscale motieven te gebruiken in een internationale structuur. Ik herken het beeld dat Nederland niet zou optreden tegen belastingontwijking dan ook niet.
Klopt het dat Nederland, voor deze Fortune-500-bedrijven, wereldkampioen hulp bij belastingontwijking is? Klopt het, dat deze bedrijven uit de Verenigde Staten (VS) in geen enkel ander land ter wereld meer dochterbedrijven heeft dan in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat, zowel als het gaat om het aantal dochterondernemingen, als om de opgegeven buitenlandse inkomsten van deze VS-bedrijven, Nederland samen met Zwitserland en Luxemburg steeds voorkomt in de top 5? Nederland zou toch niet steeds in dit lijstje van beruchte landen moeten voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom vervult Nederland een spilfunctie, zoals onderzoeker Heemskerk van de Universiteit van Amsterdam stelt, met name voor moedermaatschappijen van multinationals? Deelt u de mening, zoals in het artikel gesteld door het instituut voor fiscaal beleid (ITEP), dat Nederland internationaal steeds bekender wordt als instrument van belastingontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel vermogen wordt er via Nederland overgemaakt naar de bekende belastingparadijzen? Kunt u hier een schatting van maken?
Nederland hanteert geen lijst van «bekende belastingparadijzen». In EU-verband wordt momenteel wel gewerkt aan een gezamenlijke lijst van non-coöperatieve jurisdicties en deze lijst zal naar verwachting tijdens de ECOFIN-vergadering op 5 december aanstaande worden aangenomen. ITEP heeft voor haar onderzoek een eigen lijst van vijftig landen gebruikt, waarop ook landen als Nederland, Singapore, Hongkong en Zwitserland staan. Er is geen overzicht beschikbaar van alle vermogensstromen naar de vijftig door ITEP gekozen landen.
Deelt u de mening dat Nederland niet wereldkampioen belastingontwijking zou moeten zijn? Deelt u de mening dat Nederland zou moeten excelleren op heel andere gebieden, zoals agrofood en watertechnologie, maar niet in het faciliteren van belastingontwijking?
Dit kabinet streeft er naar om Nederland een aantrekkelijk vestigingsland te laten zijn, gericht op bedrijven die reële economische activiteiten ontplooien en reële werkgelegenheid creëren. Tegelijkertijd pakt dit kabinet bedrijven aan die om fiscale redenen alleen op papier in Nederland gevestigd zijn. Dit streven uit zich in verschillende fiscale en niet-fiscale maatregelen. De grondslagverbreding in de vennootschapsbelasting (vpb), de verlaging van het vpb-tarief, het afschaffen van de dividendbelasting, de introductie van bronheffingen op dividend, rente en royalty’s in misbruiksituaties en naar low tax jurisdictions en alle andere maatregelen tegen belastingontwijking vormen een pakket dat, in onderlinge samenhang bezien, een belangrijke bijdrage levert aan het behouden van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven die in Nederland reële economische activiteiten ontplooien. Het pakket aan maatregelen zorgt er juist voor dat Nederland onaantrekkelijk wordt voor vennootschappen zonder reële economische activiteiten die Nederland enkel gebruiken om geld te laten doorstromen naar een low tax jurisdiction of in een misbruiksituatie.
Waarom worden deze buitenlandse bedrijven door het kabinet-Rutte III verder aangemoedigd naar Nederland te komen vanwege fiscale redenen naar Nederland te komen, door de vennootschapsbelasting met 3,3 miljard euro fors te verlagen en de dividendbelasting met 1,4 miljard euro zelfs helemaal af te schaffen?
Zie antwoord vraag 7.
Had u deze kapitalistensubsidie van 4,7 miljard euro niet op een betere manier kunnen besteden, bijvoorbeeld door het eigen risico in de zorg met 3,7 miljard euro af te schaffen dan wel het BTW-tarief niet te verhogen naar 9% oftewel 2,6 miljard euro?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze haar in de soep van het kabinet-Rutte III weer uit de soep halen en in de prullenbak gooien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht van Radar dat er klachten binnen komen van ouders die zich zorgen maken over de studievoortgang van hun kinderen |
|
Peter Kwint |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Acht u het wenselijk dat mbo-studenten wekenlang (hebben) moeten wachten op digitaal lesmateriaal door een probleem bij Studers? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Nee, dit is uiteraard een onwenselijke situatie. Ik vind het van cruciaal belang dat alle studenten over het materiaal kunnen beschikken dat zij nodig hebben om hun lessen goed te kunnen volgen. Afspraken tussen leveranciers van lesmateriaal en scholen zijn afspraken tussen twee private partijen. Ik heb daar geen directe bemoeienis mee. Wel heb ik bij alle partijen (scholen en uitgevers) benadrukt dat er een spoedige oplossing moet komen. Er wordt op dit moment door alle partijen (o.a. uitgeverijen, distributeurs, mbo-instellingen, saMBO-ICT (de ICT-organisatie van en voor de mbo-instellingen) en Kennisnet) hard gewerkt om de problemen aan te pakken. De problemen lijken bijna opgelost, ambitie is om midden november voor alle studenten een oplossing te hebben. Daarnaast komt er een onafhankelijk onderzoek om de problematiek te analyseren. Uitkomsten van dit onderzoek worden gebruikt om problemen in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen en betere afspraken tussen partijen te maken over de noodzakelijke regie bij dit soort complexe trajecten.
Hoeveel mbo-studenten hebben op dit moment nog geen toegang tot hun digitaal lesmateriaal van Studers?
Het exacte aantal studenten is mij niet bekend. Ik heb begrepen dat de grootste problemen opgelost zijn en dat er nog een kleine groep studenten rest die een-op-een geholpen worden in een nauwe samenwerking tussen de instelling en de betreffende leveranciers (het betrof niet alleen het lesmateriaal van Studers).
Zijn er signalen dat er ook bij andere distributeurs problemen zijn met het leveren van digitaal lesmateriaal aan mbo-studenten? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hierbij?
De problemen deden zich met name voor bij distributeur Studers (78%), echter in een snelle inventarisatie door saMBO-ICT in oktober naar de problemen bij instellingen werden ook Malmberg (13%), Lisette (4%) en SPL (4%) genoemd. De percentages komen overigens overeen met de marktaandelen die de leveranciers hebben. Het exacte aantal resterende studenten met problemen is mij niet bekend. Ik heb begrepen dat in de periode tussen de inventarisatie en het schrijven van deze brief het merendeel van de problemen opgelost is.
Kunt u garanderen dat mbo-studenten geen leerachterstand ontwikkelen of verwijderd worden van de mbo-instelling, doordat Studers en mogelijk andere distributeurs het digitaal lesmateriaal nog niet hebben geleverd aan mbo-studenten? Zo ja, bent u bereid stappen te ondernemen als hiervan toch sprake is en welke stappen onderneemt u dan? Zo nee, welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat alle mbo-studenten per direct toegang hebben tot hun digitale lesmateriaal, leerachterstanden worden weggewerkt en verwijderingen worden teruggedraaid?
Docenten zijn gelukkig professionals die lesstof vaak ook op andere manieren kunnen onderwijzen. Instellingen en studenten kunnen daarnaast, indien noodzakelijk, ook uitwijken naar andere leveranciers en ander lesmateriaal.
Dat maakt het uiteraard niet minder vervelend dat er problemen waren met de toegang tot het leermateriaal. Hiervoor zijn helaas geen eenvoudige oplossingen. Oorzaken voor de problemen liepen uiteen. Ieder jaar wordt er een grote operatie uitgevoerd om alle leerlingen in het voortgezet onderwijs en studenten in het middelbaar beroepsonderwijs van de juiste digitale leermiddelen te voorzien. Dit is een complex samenspel tussen distributeurs, de verschillende uitgevers waar scholen zaken mee doen en de leveranciers van digitale leerplatforms. De overheid heeft hierin geen rol, anders dan dat zij soms wettelijke kaders stelt voor de gegevensverwerking van burgers en studenten. Deze kaders moeten door leveranciers vertaald worden naar maatregelen in hun systemen. Door wijzigingen in de ict-systemen, processen en werkwijzen, hebben alle betrokkenen verstoringen en incidenten ervaren. Doordat er dit jaar veel aanpassingen in korte tijd tegelijk zijn uitgevoerd, waren de problemen groter dan in voorgaande jaren. Daarnaast neemt in het algemeen het belang van digitaal leermateriaal voor het onderwijs toe, wat maakt dat de consequenties van eventuele problemen groter kunnen zijn voor de gebruikers. De private partijen hebben aangegeven een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de problematiek. Ik vind het belangrijk dat dit onderzoek er komt, zodat problemen in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen worden.
Hoe gaat u voorkomen dat studenten in de problemen komen bij toetsen/examens over stof die zij niet tot zich hebben kunnen nemen? Hoe bewaakt u tegelijkertijd dat studenten wel alle benodigde kennis die zij gedurende het schooljaar moeten opdoen, daadwerkelijk opdoen?
Dit is een zaak tussen de school en de student. Scholen zijn verantwoordelijk voor het geven, en toetsen, van onderwijs en voor het maken van een overzicht van het leermateriaal dat een student nodig heeft om onderwijs te volgen. Het is aan de student of, en waar, deze het leermateriaal vervolgens aanschaft. Wanneer er problemen optreden bij het gebruik van (digitaal) leermateriaal in de (digitale) leeromgeving van de school, is het aan de school, de student en de leveranciers om hier een oplossing voor te zoeken. Ik heb hierin geen formele rol. Ik ben van mening dat scholen en onderwijsprofessionals over voldoende veerkracht en professionaliteit beschikken om hiermee goed om te gaan. Studenten sluiten, door het aanschaffen van leermateriaal (of licenties daarvoor), een overeenkomst met een leverancier. Wanneer hierbij problemen optreden, zullen zij (al dan niet geholpen door hun school) binnen de afspraken van deze overeenkomst onderling tot een bevredigende oplossing moeten komen voor de gerezen problemen.
Klopt het dat het digitaal lesmateriaal voor tien maanden is aangekocht door ouders en/of mbo-studenten? Bent u bereid ervoor te zorgen dat gedupeerde studenten en/of hun ouders het geld terugkrijgen van de periode waarin de student geen toegang had tot het digitaal lesmateriaal? Zo ja, op welke termijn kunnen zij dit geld terug verwachten? Zo nee, waarom niet?
Dit is een zaak tussen studenten, de leveranciers en de scholen. Ik heb hierin geen formele rol.
Als Studers in een brief aan een ROC aangeeft dat 98% van het digitaal lesmateriaal beschikbaar is, hoe verhoudt dit percentage zich tot de hoeveelheid klachten van ouders en studenten die aangeven nog geen toegang te hebben tot het digitaal lesmateriaal? Kunt u uw antwoord toelichten?2
De hoeveelheid lesmateriaal, meer specifiek licenties op dit lesmateriaal, met toegangsproblemen is de afgelopen weken snel afgenomen door de genomen maatregelen en oplossingen. Momenteel is er met 1% van de digitale licenties nog een technisch probleem. Mij is verzekerd dat er door de gehele keten hard gewerkt wordt om ook de laatste problemen snel op te lossen.
Hoeveel leerlingen in het primair- en voortgezet onderwijs ondervinden op dit moment problemen met de toegang tot digitaal lesmateriaal? Kunt u ook bij deze groep leerlingen garanderen dat zij geen leerachterstand oplopen vanwege de problemen met digitaal lesmateriaal? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Voormalig Staatssecretaris Dekker heeft uw Kamer op 3 oktober jl. geïnformeerd over de problemen in het voortgezet onderwijs4. Er is door alle partijen hard gewerkt om deze op te lossen. Ik heb begrepen dat de problemen voor vrijwel alle scholen en leerlingen inmiddels zijn opgelost. Mij hebben geen signalen bereikt dat deze problemen in het primair onderwijs spelen.
Ik vind het belangrijk dat alle leerlingen over hun leermateriaal kunnen beschikken. Ik betreur het dat de betreffende docenten en scholen hierdoor genoodzaakt zijn om over te schakelen op alternatieve manieren om de lesstof bij te brengen, zodat deze leerlingen geen leerachterstand oplopen.