Het bericht ‘Ministeries verzwijgen nog altijd gevoelige contacten met de tabaksindustrie’. |
|
Nine Kooiman |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Kent u het bericht «Ministeries verzwijgen nog altijd gevoelige contacten met de tabaksindustrie?»1
Ja.
Hoe strookt het in vraag 1 genoemde bericht met de belofte van de rijksoverheid om open te zijn over haar contacten met de tabaksindustrie «ter bescherming van het Nederlandse gezondheidsbeleid tegen commerciële belangen van de tabaksindustrie»?
De rijksoverheid is zeer terughoudend als het gaat om contact met de tabaksindustrie en staat enkel contact toe over uitvoeringstechnische kwesties. De rijksoverheid wil transparant zijn over deze contacten. Elk ministerie publiceert daarom de eigen documenten over contacten met de tabaksindustrie op de site: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/roken/transparant-over-contact-tabaksindustrie
Ik erken dat een deel van de contacten tussen ministeries en de tabaksindustrie nog niet was geopenbaard. De Belastingdienst/Douane werkt als uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Financiën aan een update van deze informatie. Het Ministerie van VWS en het Ministerie van EZK hebben inmiddels de betreffende documenten op de website van de rijksoverheid geplaatst.
Daarnaast worden documenten pas gepubliceerd, wanneer de discussie hierover is afgerond. Zo worden documenten over bijvoorbeeld het voorstel om een uitstalverbod te verplichten, pas gepubliceerd nadat de internetconsultatie is afgesloten.
Waarom heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn contacten met de tabaksindustrie niet openbaar gemaakt op zijn website?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat achtien documenten een publicatiedatum hebben gekregen die ligt (ver) voordat de beschreven contacten plaats zouden hebben gevonden?
Op de website van de rijksoverheid wordt per geplaatst document een datum van publicatie aangegeven. Deze datum van publicatie betreft niet de datum van het online plaatsen van het document op de website door de rijksoverheid. De datum die wordt weergegeven bij elk document is de datum waarop de oorspronkelijke vraag is binnengekomen.
Ter illustratie krijgt de op 12 januari 2016 ontvangen e-mail van de Vereniging Nederlandse Kerftabak (VNK) en die is beantwoord op 28 januari 2016 door het Ministerie van Financiën, als publicatiedatum 12 januari 2016.
Hoe kan het dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën stellen nog maar één keer per jaar met de tabaksindustrie te overleggen, terwijl uit het transparantieregister en de interne correspondentie blijkt dat dit in werkelijkheid 70 contactmomenten waren in anderhalf jaar tijd? Wat is uw verklaring voor dit aanzienlijke verschil?
Alle contacten die het Ministerie van Financiën, alsmede de Douane, heeft met de tabaksindustrie worden of zullen op korte termijn worden geregistreerd in het transparantieregister. Daarbij worden bijvoorbeeld ook e-mails geregistreerd die eenzijdig of ongevraagd worden toegezonden vanuit de tabaksbranche. Het Ministerie van Financiën, alsmede de Douane, ontvangen regelmatig eenzijdig e-mails vanuit de tabaksindustrie. Daarnaast heeft de Douane bijvoorbeeld twee keer per jaar een overleg over uitvoeringstechnische kwesties in het kader van de handhaving. Voorts kan het voorkomen dat overleg tussen het Ministerie van Financiën en de tabaksbranche gewenst is, bijvoorbeeld over de grootte van het accijnszegel. De vraag wat wordt verstaan onder «contactmomenten» en «overleggen» lijken in deze vraag door elkaar te lopen. Dit verklaart ook de in het artikel genoemde verschil.
Betekent het feit dat een derde deel van de contacten tussen ministeries en de tabaksindustrie niet is geopenbaard, dat de ministeries de nota van de regering, waarin wordt gesteld dat de overheid op zowel lokaal als landelijk niveau in de regel geen contacten mag onderhouden met de tabaksindustrie (Nota van toelichting Kamerstuk 2016/17, nr. 32011-52), en het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ter bestrijding van tabaksgebruik niet serieus nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is sprake van gesprekken met de tabaksindustrie over onderwerpen waar de overheid eigenlijk niet met de tabaksindustrie over in gesprek mag? Op wiens initiatief worden deze gesprekken georganiseerd? Kan uitputtend worden aangegeven waar deze gesprekken over gingen?
Niet-noodzakelijk contact met de tabaksindustrie staat op gespannen voet met artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. Contact met de tabaksindustrie vindt daarom alleen plaats als het gaat over uitvoeringstechnische kwesties die voortkomen uit vastgestelde wet- en regelgeving of publieke consultaties in het kader van nieuwe regelgeving.
De tabaksindustrie heeft bijvoorbeeld via een publieke internetconsultatie kunnen reageren op een voorstel voor nieuwe verpakkingseisen en het uitstalverbod.
Deze reacties zijn daarmee openbaar of worden door het Ministerie van VWS binnenkort openbaar gemaakt. Het Ministerie van VWS heeft naar aanleiding van moties van uw Kamer op eigen initiatief overleg gevoerd met een aantal branches van verkooppunten over de mogelijkheid om een convenant te sluiten voor de vrijwillige invoering van een uitstalverbod. De verslagen hiervan zijn openbaar gemaakt. Met de tabaksindustrie zelf is hierover niet overlegd.
Bent u bereid alle nog niet gepubliceerde documenten alsnog in het Transparantieregister Zorg op te nemen? Bent u bereid voortaan alle relevante documenten in het transparantieregister op te nemen?
Ja, deze contacten tussen het Ministerie van VWS en de tabaksindustrie zijn reeds gepubliceerd op de eerder genoemde website.
Is het toeval dat juist wanneer de contacten met de tabaksindustrie gevoelige onderwerpen (zoals het Track & Trace systeem van tabaksproducten of accijnsverhoging) betreffen de overheid het minst transparant is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rijksoverheid heeft het contact met de tabaksindustrie gepubliceerd, of werkt aan een update van deze informatie. Publicatie vindt plaats ongeacht de aard van het onderwerp.
Deelt u de conclusie van het artikel dat het speciaal ingerichte transparantieregister onvolledig, rommelig en vatbaar voor manipulatie is? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, waarom deelt u deze conclusie niet?
Het transparantieregister is speciaal ingericht om alle soorten contacten met de tabaksindustrie te publiceren. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen e-mails, verslagen of andere documenten.
Het bericht ‘Groeiend aantal gemeenten weigert contant geld aan balie’ |
|
Albert van den Bosch (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Groeiend aantal gemeenten weigert contant geld aan balie»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de gemeenten waar het niet mogelijk is met contant geld te betalen?
Er is geen compleet en sluitend overzicht van alle gemeenten die een pin-only beleid hanteren bij gemeentelijke publieksbalies. Uit een inventarisatie van het Ministerie van Financiën in 2016 blijkt dat op dat moment 21 gemeenten een pin-only beleid voerden, namelijk Amersfoort, Breda, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Etten-Leur, Geldermalsen, Hardenberg, Hellevoetsluis, Kampen, Krimpenerwaard, Leiden, Leidschendam-Voorburg, Molenwaard, Oldebroek, Ommen, Raalte, Sint-Michielsgestel, Valkenswaard, Vlaardingen en Zuidplas. Uit gesprekken die een delegatie van de Werkgroep Toegankelijkheid en Bereikbaarheid van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB)2 in 2017 met een aantal gemeenten voerde, blijkt dat in aanvulling inmiddels ook andere gemeenten een pin-only beleid voeren. Daarbij worden in de praktijk bij gelegenheid ook uitzonderingen gemaakt door gemeenten voor burgers die alleen met contant geld kunnen betalen.
Hoe is gewaarborgd dat mensen die niet kunnen of willen pinnen wel hun rekeningen kunnen betalen bij hun gemeente?
In de praktijk worden uitzonderingen gemaakt voor burgers die alleen kunnen betalen met contant geld. Gemeenten treffen verschillende oplossingen voor mensen die aan de balie niet kunnen of willen betalen met pin. Bijvoorbeeld door hen in de gelegenheid te stellen om geld over te maken voordat zij hun product ophalen, door een eenmalige machtiging uit te geven, of door een medewerker van de gemeente thuis bij de klant te laten komen, zodat aldaar alsnog met contant geld kan worden betaald.
Deelt u de mening dat de overheid toegankelijk moet zijn voor elke burger en dus ook alle wettige betaalmiddelen dient te accepteren?
Ik deel de mening van de Minister van Financiën dat de overheid toegankelijk moet zijn voor elke burger en dat het van belang is dat de toegang tot contant geld op orde is en blijft.3 Omdat niet alle burgers in staat zijn om (zelfstandig) met pin te betalen en de gemeente de enige instantie is waar burgers bepaalde documenten zoals paspoort kunnen aanvragen, acht ik het van belang dat uitzonderingen op het pin-only beleid voor deze burgers mogelijk blijven. In de praktijk worden dergelijke uitzonderingen ook gemaakt.
Onderschrijft u de analyse van de Nederlandsche Bank dat elke gemeente minimaal één balie moet hebben waar men contant kan betalen?
Zie antwoord vraag 4.
De uitvoering van de WMO in Groningen |
|
Léonie Sazias (50PLUS) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de reportage over de uitvoering van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) in Groningen in het programma Hallo Nederland, uitgezonden op 5 maart 2018?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Groningen 200 hulpbehoevende inwoners van de stad niet of onvoldoende hulp biedt? Hoe oordeelt u over het feit dat de gemeente Groningen de aanvraag van de mevrouw in de reportage heeft afgewezen, terwijl zij niet meer in staat is alleen te reizen?
De Wmo2015 geeft gemeenten de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning van ingezetenen ter bevordering van hun zelfredzaamheid en participatie. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeenteraad om die opdracht door te vertalen in lokaal beleid ten behoeve van de uitvoering. De Wmo2015 biedt de ingezetene die zich bij de gemeente meldt met een ondersteuningsvraag, de nodige waarborgen. Zo is de gemeente gehouden na een melding een zorgvuldig onderzoek in te stellen ten behoeve van de weging, of ondersteuning van de zijde van de gemeente in die betreffende situatie geboden moet worden. Als die vraag met ja wordt beantwoord, dient die ondersteuning in aard en omvang ook passend te zijn, aan te sluiten op de kenmerken van de persoon en diens situatie. Ingezetenen die het niet eens zijn met een beslissing van de gemeente op hun aanvraag, kunnen hier bezwaar tegen maken en daarna zo nodig in beroep gaan.
Ik kan niet treden in de afweging die de gemeente in individuele situaties heeft gemaakt. Het is primair aan de gemeenteraad om het college van burgemeester en wethouders te controleren op de uitvoering van de wet.
Ter beantwoording van uw vragen heb ik contact opgenomen met de gemeente Groningen. De gemeente Groningen heeft mij bevestigd de aanvragen om maatschappelijke ondersteuning van ingezetenen, waaronder die in de betreffende rapportage, zeer serieus te nemen en daarover het gesprek aan te gaan. Bij afwijzing zullen betrokkenen expliciet worden gewezen op de mogelijkheid van bezwaar.
Deelt u de mening dat deze zaak zo urgent is dat er geen tijd meer is om een beschikking af te wachten en dat deze mevrouw zo snel mogelijk geholpen moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten? Bent u eventueel bereid om dit snel met de gemeente Groningen te bespreken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat gemeenten bij elke Wmo-aanvraag een zorgvuldige individuele afweging maken en proberen met maatwerk een oplossing te bieden? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe gaat u dit bevorderen?
Ik deel deze mening ten volle, zie ook mijn antwoord onder 1. De Wmo2015 biedt op dit aspect voldoende helderheid aan gemeenten. Het is daarbij primair aan de gemeenteraden om toe te zien op een adequate uitvoering van de wet en het lokale beleid door het college. Daar waar een gemeente, anders dan incidenteel, blijkt geeft van een onvoldoende adequate uitvoering van de wet en de gemeenteraad zijn verantwoordelijkheid in deze niet neemt, kan ik het college aanspreken in mijn rol als interbestuurlijk toezichthouder. Daartoe zie ik momenteel geen aanleiding.
Deelt u de mening dat deze zorgvuldige afweging hier niet heeft plaatsgevonden, dat er vooral gekeken is naar regels en niet naar de persoonlijke situatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat dit een gevolg is van de ongewenste beleidsvrijheid van gemeenten, waardoor het recht op ondersteuning in feite afhankelijk is van je woonplaats? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals verwoord kan ik geen uitspraak doen over de situatie in de reportage.
Het is aan gemeenten om de Wmo2015 uit te voeren en ter invulling daarvan lokaal beleid vast te stellen dat zo goed mogelijk aansluit op de lokale situatie. Het beleid per gemeente kan verschillen, maar dat doet niets af aan de wettelijke opdracht voor gemeenten om passende voorzieningen van maatschappelijke ondersteuning te verstrekken aan hun ingezetenen, waarbij na zorgvuldig onderzoek is gebleken dat zij daarop zijn aangewezen.
De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en kan daardoor – in goed contact met die burger – ook de beste afweging maken welke vorm en mate van ondersteuning passend is.
Het bericht ‘De Rotterdamse buurten knappen niet op door armen te weren‘ |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de evaluatie, uitgevoerd door Twynstra Gudde in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, die volgens artikel 5, vijfde lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Rotterdamwet) moet worden uitgevoerd? Kent u het bericht «De Rotterdamse buurten knappen niet op door armen te weren»1?
Ik heb kennisgenomen van de belangrijkste conclusies uit de evaluatie, zoals die door de gemeenteraad in de aanvraag voor de gebiedsaanwijzing voor toepassing van artikel 8 en 9 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) zijn opgenomen. Ik ken het door u aangehaalde bericht.
Weet u dat in de aanvraag van de gemeente Rotterdam voor verlenging van de maatregel wordt aangegeven dat de evaluatie aantoont dat zonder toepassing van de wet de problemen veel groter waren geweest? Weet u dat dit volgens het College voor de Rechten van de Mens gebaseerd lijkt op cijfers over sociaaleconomische samenstelling van de wijk, terwijl het doel van de wet echter is niet het veranderen van de sociaaleconomische samenstelling van de wijk maar het vergroten van de leefbaarheid? Welke conclusies trekt u uit de evaluatie ten opzichte van de leefbaarheid?
In de aanvraag heeft de gemeenteraad aangegeven dat de evaluatie van de werking van de maatregel (selectieve woningtoewijzing op basis van «inkomen uit arbeid») aantoont dat de maatregel een positief effect heeft op het bijstandsniveau in de aangewezen gebieden. De maatregel verbetert de verhouding werkenden-niet werkenden en daarmee de zelfredzaamheid van de lokale bevolking. Ondanks de financiële en economische crisis is in de aangewezen wijken het aandeel inwoners dat afhankelijk is van een uitkering gedaald of in ieder geval niet toegenomen.
Daarnaast geeft de gemeenteraad aan dat er in de aangewezen gebieden nog steeds straten en buurten zijn die op bewonerskenmerken in de Leefbaarometer onvoldoende of ruim onvoldoende scoren ten opzichte van het gemiddelde. Verder blijkt uit de evaluatie dat in een aantal referentiewijken (Afrikaanderwijk, Vreewijk en Tussendijken) de leefbaarheid op een aantal criteria, waaronder de uitkeringsafhankelijkheid, is verslechterd. Hieruit concludeert de gemeenteraad dat zonder de toepassing van de Wbmgp de situatie verslechterd zou zijn in de wijken die zijn aangewezen. Alles bij elkaar genomen heeft de Rotterdamse gemeenteraad weloverwogen de conclusie getrokken dat het evaluatierapport voldoende aanleiding en noodzaak gaf om een nieuwe aanvraag te initiëren voor de aangewezen wijken Tarwewijk, Carnisse, Oud-Charlois, Hillesluis, Bloemhof en vijf straten in Delfshaven.
Naar aanleiding van de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens over de cijfers met betrekking tot de sociaaleconomische samenstelling van de wijk, benadruk ik dat de samenstelling van de bevolking een van de aspecten is van het brede begrip leefbaarheid (naast cijfers over woningen, voorzieningen, fysieke omgeving en veiligheid)2. Met de toepassing van artikel 8 (en artikel 9) van de Wbmgp wordt bijgedragen aan het tegengaan van segregatie en van een eenzijdige bevolkingssamenstelling. Ik kan mij dan ook vinden in de conclusie van de gemeenteraad op basis van de evaluatie dat de maatregel wat dit aspect betreft een positief effect heeft op het bevorderen van de leefbaarheid in de aangewezen wijken.
Aan welke criteria toetst u de aanvragen van gemeenten om gebruik te mogen maken van deze wet?
Ik beoordeel de aanvragen aan de hand van de vier criteria in de wet, te weten noodzakelijkheid, geschiktheid, subsidiariteit en proportionaliteit. De gemeenteraad moet in de aanvraag aan mij voldoende aannemelijk maken dat de beoogde gebiedsaanwijzing daaraan voldoet.
Neemt u in uw afweging om een aanvraag voor verlenging al dan niet goed te keuren mee dat toepassing van de Rotterdamwet een inbreuk maakt op grondrechten, zoals artikelen 1 en 22 van de Grondwet en dat, wanneer een wet niet effectief is, de inbreuk op het grondrecht niet gerechtvaardigd is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre voldoet de toepassing van artikel 8 van de Rotterdamwet in Rotterdam blijkens het evaluatierapport en eerdere evaluatierapporten aan die eisen?
De afweging of de Wbmgp een inbreuk maakt op grondrechten, zoals artikel 1 en 22 van de Grondwet, wordt niet betrokken bij de beoordeling van de afzonderlijke aanvragen van gemeenteraden voor een gebiedsaanwijzing om selectieve woningtoewijzing op grond van de Wbmgp te mogen toepassen. In de toelichting bij het wetsvoorstel en tijdens de parlementaire behandeling is aan de grondrechten nadrukkelijk aandacht besteed, zowel wat betreft het voorstel met betrekking tot artikel 8 en 9 (30 091), als bij het wetsvoorstel met betrekking tot het per 1 januari 2017 in werking getreden artikel 10 inzake selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlast gevend en crimineel gedrag (34 414).
Voorts merk ik hierbij op dat naar aanleiding van een casus bij de gemeente Rotterdam het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak heeft gedaan over de vraag of toepassing van artikel 8 van de Wbmgp een gerechtvaardigde beperking is van het recht van verplaatsing en om vrijelijk zijn verblijfsplaats te kiezen op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, art. 2, paragraaf 4, Vierde Protocol bij het EVRM). Nadat eerder (2016) de Kamer van het EHRM met 7 rechters oordeelde dat er geen sprake was van schending van het EVRM heeft ook de Grote Kamer met 17 rechters de zaak bezien en in november vorig jaar geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het EVRM m.a.w. dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigde beperking van betrokkene om vrijelijk haar verblijfplaats te kiezen.
Wat betreft de effectiviteit van de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp in Rotterdam verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2
Rechtvaardigen in uw ogen de zeer beperkte tot bijzonder negatieve effecten van de toepassing van artikel 8 van de Rotterdamwet, een verlenging van de toepassing van deze maatregel? Zo ja, op welke gronden trekt u deze conclusie?
Zoals in het antwoord bij vraag 2 is aangegeven, blijkt uit de evaluatie dat met de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp de verhouding werkenden-niet werkenden in een aangewezen wijk verbetert, dat daarmee een eenzijdige samenstelling van de bevolking wordt tegengegaan, en zo wordt bijgedragen aan de leefbaarheid. De aanvraag van de gemeenteraad van Rotterdam om de maatregelen op grond van artikel 8 en artikel 9 van de Wbmgp wederom te mogen toepassen in de aangewezen wijken zal ik beoordelen aan de hand van de bij antwoord 3 aangeduide vier criteria in de wet. Zodra ik daarover een besluit heb genomen, zal ik ook uw Kamer hierover informeren, zoals gebruikelijk is bij alle besluiten die ik neem over de aanvragen van gemeenteraden voor een gebiedsaanwijzing om selectieve woningtoewijzing toe te passen op grond van de Wbmgp.
Welke conclusies trekt u uit het geconstateerde «waterbedeffect» van toepassing van de Rotterdamwet?
Dat in een aantal referentiewijken (Afrikaanderwijk, Vreewijk en Tussendijken) de leefbaarheid op een aantal criteria, waaronder de uitkeringsafhankelijkheid, is verslechterd kan op een waterbed-effect duiden als gevolg van de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp. Het zou echter ook kunnen zijn dat deze wijken zich al negatiever aan het ontwikkelen waren, ongeacht de toepassing van artikel 8 in andere aangewezen wijken. In dat verband merk ik op dat het lastig is voor onderzoekers om een causaal verband aan te tonen van een mogelijk waterbed-effect. Daarvoor zijn er in het kader van een integrale gebiedsgerichte aanpak (fysiek, sociaal, veiligheid, selectieve woningtoewijzing) te veel factoren en te veel verschillende interventies en beleidsmaatregelen van invloed op de leefbaarheid in wijken en buurten.
Hoe verhoudt het feit dat de Rotterdamwet, naast Rotterdam (waar nu ook artikel 10 wordt toegepast), ook in Vlaardingen, Capelle en Schiedamdit wordt toegepast zich tot het vereiste in artikel 6, tweede lid, van de wet?
De gemeenteraad dient op basis van artikel 6, tweede lid, van de Wbmgp voor de toepassing van artikel 8 en artikel 10 van de Wbmgp aan mij voldoende aannemelijk te maken dat woningzoekenden aan wie als gevolg van de aanwijzing geen huisvestingsvergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte in de aangewezen gebieden, voldoende mogelijkheden houden om binnen de regio waarin de gemeente is gelegen, passende huisvesting te vinden.
Om dit in het kader van het proportionaliteitscriterium te kunnen beoordelen vraag ik op grond van artikel 6, vierde lid, van de Wbmgp advies aan gedeputeerde staten van de provincie. Voor de aanvragen van de gemeenteraden van Rotterdam, Vlaardingen, Capelle aan den IJssel en Schiedam is dat ook gebeurd. De gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland hebben bij deze aanvragen positief geadviseerd. Hierbij heeft de provincie bij de laatste aanvraag van de gemeenteraad van Rotterdam voor toepassing van artikel 10 wel opgemerkt dat de mogelijkheden voor woningzoekenden, die als gevolg van de aanwijzing op grond van de Wbmgp elders in de regio passende huisvesting moeten vinden, in de regio steeds verder beperkt worden. Omdat gedeputeerde staten zien dat door de aanwijzingen op grond van Wbmgp het regionale probleem groter wordt, is de provincie samen met de betrokken regio-gemeenten en corporaties een proces gestart om te bezien wat nodig is om te voorzien in een passend aanbod voor de doelgroepen. Dit proces wordt wat de provincie betreft zo ingericht dat de effecten van de huisvestingsverordeningen op basis van de Huisvestingswet 2014 en de Wbmgp worden meegenomen in concrete afspraken over de betaalbaarheid en beschikbaarheid van de sociale voorraad, de particuliere voorraad en de goedkope koopsector in de verschillende gemeenten van de regio. Ik juich het ingezette proces om tot regionale afspraken te komen toe, zodat die kunnen helpen bij de advisering door gedeputeerde staten over toekomstige aanvragen op basis van de Wbmgp.
Bent u bereid de toepassing van de Rotterdamwet tijdelijk op te schorten dan wel nieuwe aanvragen (ook tot verlenging) niet te honoreren, voor nader onderzoek gezien de zeer beperkte tot zeer negatieve effecten van toepassing van artikel 8 van de Rotterdamwet, zoals eerder ook gebleken uit het evaluatierapport van de Universiteit van Amsterdam?2 Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie geen aanleiding om de toepassing van selectieve woningtoewijzing op grond van artikel 8, 9 en/of 10 van de Wbmgp tijdelijk op te schorten of op voorhand nieuwe aanvragen van gemeenteraden terzake niet te honoreren. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord bij vraag 5 en tevens naar de kabinetsreactie4 eind 2015 op de wetenschappelijke evaluatie naar het effect van de Wbmgp, opgesteld door de Universiteit van Amsterdam. Wat betreft de volgende evaluatie van de Wbmgp merk ik op dat overeenkomstig artikel 17 van de Wbmgp iedere vijf jaar een evaluatie van de wet aan de Staten-Generaal wordt gezonden. De eerstvolgende evaluatie zal derhalve in 2020 plaatsvinden. Dan zal meer gezegd kunnen worden over de toepassing bij meer gemeenten van selectieve woningtoewijzing op grond van artikel 8, 9 en/of 10 van de Wbmgp en de effecten daarvan. Ook kan dan aandacht worden besteed aan de zorgen die er leven bij de vragensteller.
Deelt u de mening dat mensen met een laag inkomen niet als groep dienen te worden gestigmatiseerd? Hoe verhoudt zich naar uw mening artikel 8 van de Rotterdamwet waarin de economische positie van mensen wordt gekoppeld aan overlast gevend gedrag tot deze stigmatisering?
Ik ben het met u eens dat mensen met een laag inkomen niet als groep dienen te worden gestigmatiseerd. Dat is bij de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp ook niet aan de orde. Waar het hier om gaat is dat met het toepassen van deze maatregel een onevenwichtige bevolkingssamenstelling wordt tegengegaan en dat de gemeente samen met betrokken instellingen beter in staat is om de zittende bewoners in een kwetsbare sociaaleconomische positie te ondersteunen. Voor het verlenen van een huisvestingsvergunning vindt telkens een individuele beoordeling door de gemeente plaats. Hierbij merk ik nog op dat bij de toepassing van artikel 8 aan de woningzoekenden zonder inkomen uit arbeid èn die zes jaar of langer in de regio wonen geen huisvestingsvergunning wordt geweigerd in een aangewezen gebied. Ook heeft de gemeente de mogelijkheid om een hardheidsclausule toe te passen.
Verder kan ik niet genoeg benadrukken dat er geen enkele koppeling is tussen woningzoekenden met een zwakke sociaaleconomische positie (waarop artikel 8 van toepassing kan zijn) en overlastgevend of crimineel gedrag (waarop artikel 10 van toepassing is). Dat daar een relatie tussen zou zijn is echt een misverstand. Woningzoekenden met een bijstandsuitkering of laag inkomen die een woning willen betrekken in een aangewezen gebied waarop alleen artikel 10 van toepassing is en die geen ernstig overlastgevend of crimineel gedrag in het recente verleden hebben vertoond, ondervinden op grond van de Wbmgp geen enkele belemmering bij het vinden van een geschikte woonruimte in dat gebied.
Is het waar dat bepaalde doelgroepen zoals mensen die dakloos zijn, mensen met psychische problemen en statushouders die onder de 120 procent van het minimumloon verdienen moeite hebben met het vinden van passende woonruimte? Zo ja, is dit naar uw oordeel (mede) het gevolg van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek? Zo nee, waarom niet?
Indien de door u genoemde doelgroepen moeite hebben met het vinden van passende woonruimte, kan dat in bepaalde regio’s te maken hebben met schaarste op de woningmarkt. Bij de beoordeling van de aanvragen van gemeenteraden voor toepassing van selectieve woningtoewijzing op grond van de Wbmgp bekijk ik zorgvuldig of woningzoekenden, die geen huisvestingsvergunning kunnen krijgen als gevolg van de toepassing van artikel 8 of artikel 10 voor een aangewezen gebied, voldoende mogelijkheden houden om binnen de regio passende huisvesting te vinden. Ik vraag daarover ook advies van gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 7.
Is het waar dat kortlopende huurovereenkomsten niet onder de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek vallen en dat hierdoor in sommige wijken veel kortlopende huurovereenkomsten worden afgesloten? Hoe beoordeelt u dit effect van de wet?
De Wbmgp noch de Huisvestingswet bevatten bepalingen die gaan over de duur van een af te sluiten huurovereenkomst en maken dus geen onderscheid tussen huurcontracten die een gebruik betreffen dat naar zijn aard van korte duur is (doorgaans vakantiehuur, soms ook wel short stay genoemd), tijdelijke huurcontracten en huurcontracten voor onbepaalde tijd. Bij toepassing van artikel 8, 9 of 10 van de Wbmgp kan op grond van de huisvestingsverordening aan woningzoekenden al dan niet een huisvestingsvergunning worden verleend om woonruimte te betrekken in aangewezen complexen, straten of gebieden. Dat staat los van de tijdelijke huurovereenkomsten die op grond van de Wet doorstroming huurmarkt kunnen worden afgesloten en de «korte duur» huurcontracten.
Het bericht ‘Ook gemeenten doen contant geld in de ban’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Ook gemeenten doen contant geld in de ban»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten kunnen burgers niet meer met contant geld betalen?
Er is geen compleet en sluitend overzicht van het aantal gemeenten dat de mogelijkheid van contant betalen aan de balie heeft afgeschaft en dat in beginsel uitsluitend pinbetalingen accepteert (hierna: pin-only). Uit een inventarisatie van het Ministerie van Financiën blijkt dat het in 2016 om 21 gemeenten ging. Uit gesprekken die een delegatie van de Werkgroep Toegankelijkheid en Bereikbaarheid van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB)2 in 2017 met een aantal gemeenten voerde, blijkt dat in aanvulling inmiddels ook andere gemeenten een pin-only beleid voeren. Daarbij worden in de praktijk bij gelegenheid ook uitzonderingen gemaakt door gemeenten voor burgers die alleen met contant geld kunnen betalen.
Onderkent u dat er burgers zijn die om uiteenlopende redenen niet willen of kunnen pinnen: zoals ouderen, verstandelijk of visueel beperkten en daklozen?
Ja.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat betalen met contant geld mogelijk moet blijven, zeker omdat gemeenten een monopoliepositie hebben. Zo nee, waarom niet?
De Nationale ombudsman stelt dat niet alle burgers in staat zijn om (zelfstandig) met pin te betalen en dat een pin-only beleid de toegang tot de overheid en het verkrijgen van essentiële documenten voor bepaalde groepen burgers bemoeilijkt.3 Net als de Nationale ombudsman acht ik het voor deze groepen van belang dat uitzonderingen op het pin-only beleid mogelijk moeten blijven.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) om gemeenten ertoe te bewegen af te zien van het weigeren van contante betalingen bij publieksbalies en zo uitsluiting te voorkomen?
Ja, ik ben bereid tot nader overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het MOB over de acceptatie van contant geld door gemeenten.
Het bericht ‘Vertrouwenspersonen #metoo-slachtoffers gedwarsboomd door werkgevers’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vertrouwenspersonen #metoo-slachtoffers gedwarsboomd door werkgevers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de cijfers uit de enquête van de Landelijke Vereniging van Vertrouwenspersonen (LVV) in samenwerking met onderzoeksprogramma De Monitor (KRO-NCRV) dat tien procent van de interne vertrouwenspersonen en 23 procent van de externe vertrouwenspersonen wel eens zijn teruggefloten door hun werkgever nadat zij zich hadden ingezet voor een slachtoffer?
De cijfers die uit deze enquête naar voren zijn gekomen, vind ik zorgwekkend.
Het Burgerlijk Wetboek verplicht de werkgever en de werknemer ertoe om zich als een goed werkgever en goed werknemer te gedragen. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) werkt deze algemene verplichting uit voor het terrein van de arbeidsomstandigheden. De Arbowet verplicht de werkgever om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor de werknemers. Daarbij dient de werkgever psychosociale arbeidsbelasting van de werknemers te voorkomen en een beleid te voeren om discriminatie, seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk tegen te gaan.
Een vertrouwenspersoon kan binnen een organisatie binnen dit beleid een belangrijke rol spelen door slachtoffers een luisterend oor te bieden en mee te denken over oplossingen en eventuele vervolgstappen.
De Inspectie SZW houdt toezicht op de kwaliteit van het door werkgevers gevoerde beleid om psychosociale arbeidsbelasting tegen te gaan. Daarbij wijst de Inspectie ook op het nut van het aanstellen van een vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen, naast bijvoorbeeld het opstellen van een klachtenregeling, om ongewenst gedrag aan te pakken en te helpen voorkomen. De Inspectie SZW benadrukt daarbij het belang van de expertise, benaderbaarheid én onafhankelijkheid van de vertrouwenspersoon2. Een vertrouwenspersoon moet immers in voldoende mate onafhankelijk zijn om in vertrouwen slachtoffers van ongewenst gedrag bij te kunnen staan. Een slachtoffer moet er zonder meer vanuit kunnen gaan dat wat in vertrouwen met de vertrouwenspersoon gedeeld is, niet zonder zijn of haar instemming bij de werkgever of derden terecht komt.
Wanneer een vertrouwenspersoon moet vrezen voor zijn of haar eigen positie vanwege het uitoefenen van de functie van vertrouwenspersoon, zal dit een wissel trekken op de uitvoering van de taken die horen bij die functie – taken die zowel persoonlijk leed kunnen helpen voorkomen als de werkcultuur binnen een organisatie kunnen helpen verbeteren. Ik hecht er dan ook zeer aan dat vertrouwenspersonen adequaat kunnen handelen en hierin onafhankelijk van de werkgever kunnen opereren.
Hoe verhoudt de uitkomst van dit onderzoek zich met de wettelijke plicht voor werkgevers om op basis van artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek en artikel 3.2 Arbeidsomstandighedenwet een veilige werkomgeving te bieden aan werknemers waarbij het aanstellen van een vertrouwenspersoon een mogelijkheid is om invulling te geven aan deze verplichting?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kunnen vertrouwenspersonen in een dergelijk klimaat de overige taken zoals voorlichten, informeren en inspireren van de organisatie dan wel het adviseren van bestuur en management, die de sociale veiligheid in de organisatie juist zouden moeten vergroten, goed uitvoeren?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om de huidige situatie waarin veel slachtoffers van seksuele intimidatie uit angst en schaamte vaak niet bij hun leidinggevende of vertrouwenspersoon durven aan te kloppen te verbeteren?
Een veilige werkomgeving is belangrijk om ongewenst gedrag te voorkomen. Alleen in een veilige werkomgeving kunnen grenzen aangegeven en gerespecteerd worden. Dit vereist allereerst een actieve inzet van de werkgever. Maar ook de vertrouwenspersoon, de bedrijfsarts en bedrijfsmaatschappelijk werk, die onderdeel uitmaken van de zorg op het werk, en de medezeggenschap kunnen hierin een belangrijke rol vervullen.
Zoals ik in de Kamerbrief over ongewenst seksueel gedrag, seksuele intimidatie en seksueel geweld3 heb geschetst, zal het Ministerie van SZW in 2018 extra aandacht besteden aan het vergroten van de bewustwording onder werkgevers met betrekking tot seksuele intimidatie en het belang van een veilige werkcultuur, onder meer door het organiseren van bijeenkomsten. Ook zal het ministerie de in de afgelopen jaren ontwikkelde instrumenten gericht op deze onderwerpen extra onder de aandacht brengen.»
Welke maatregelen gaat u nemen om de positie van vertrouwenspersonen te versterken, zodat vertrouwenspersonen niet bang hoeven te zijn om zélf hun baan kwijt te raken wanneer zij slachtoffers bijstaan dan wel gevraagd of ongevraagd adviseren en signaleren in het belang van de veiligheid binnen een organisatie?
Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van SZW naar de versterking van de rol en positie van vertrouwenspersonen, zal in april worden opgeleverd en zal ik conform de motie van de leden Özütok, Van Den Hul en Sjoerdsma4 voor de zomer voorzien van een beleidsreactie met uw Kamer delen. In mijn beleidsreactie zal ik ook ingaan op de mogelijkheden om de positie van vertrouwenspersonen in de praktijk te versterken.
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 al heb opgemerkt kunnen ook andere spelers dan de vertrouwenspersoon, zoals bedrijfsartsen, bedrijfsmaatschappelijk werk, Arbodiensten en ondernemingsraden, een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van een veilige werkcultuur, waarin grenzen aangegeven en gerespecteerd worden. Mijn inzet gericht op de bewustwording bij werkgevers, zal dan ook mede op hen gericht zijn.
Ziet u hierbij een rol voor samenwerkingspartners als de Arbodienst, bedrijfsarts, bedrijfsmaatschappelijk werk en medezeggenschapsorganen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Acht gemeenten accepteren alleen nog pinbetalingen’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Acht gemeenten accepteren alleen nog pinbetalingen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat contant geld een wettig betaalmiddel is en in principe geaccepteerd dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Europese bankbiljetten en -munten hebben krachtens Europees recht de status van een wettig betaalmiddel. In het algemeen geldt het recht om met contant geld te betalen niet ongeclausuleerd is. In de verordening over de invoering van de Euro is opgenomen «dat beperkingen inzake betalingen in bankbiljetten en munten, die de lidstaten om openbare redenen hebben getroffen, niet onverenigbaar zijn met de status van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en munten, mits er andere rechtsgeldige middelen beschikbaar zijn voor het verevenen van financiële schulden». 2 Naar Nederlands recht staat het partijen bij een overeenkomst in beginsel vrij om voor het aangaan van een transactie contant geld als betaalmiddel uit te sluiten, mits die uitsluiting niet onredelijk bezwarend is. Ten aanzien van de vraag welke ruimte gemeenten concreet hebben om de acceptatie van contant geld aan banden te leggen, bestaan nog geen (Europees)rechtelijke uitspraken die op dit punt duidelijkheid bieden.
Zijn gemeenten verplicht om wettige betaalmiddelen te accepteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de kritiek van de Nationale ombudsman en De Nederlandsche Bank op het feit dat burgers in sommige gemeenten niet contant kunnen betalen? Zo nee, waarom niet?
De Nationale ombudsman en het MOB3 hebben aangegeven dat een pin-only beleid de toegang tot de overheid en het verkrijgen van essentiële documenten voor bepaalde groepen burgers bemoeilijkt, en dat situaties waarin niet met contant geld kan worden betaald vooral problematisch en onredelijk bezwarend zijn als het gaat om lokale monopolies.4 Ik acht het van belang dat uitzonderingen op het pin-only beleid mogelijk moeten blijven voor burgers die alleen met contant geld kunnen betalen.
Wat kunnen burgers die, om het even welke reden, alleen met contant geld willen betalen bij gemeenten doen wanneer gemeenten geen contant geld accepteren?
Op grond van artikel 9:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen burgers in die gevallen een klacht bij hun gemeente indienen.
Bent u bereid om met de VNG en de betreffende gemeenten in gesprek te gaan over het feit dat contant geld een wettig betaalmiddel is en burgers in principe keuzevrijheid zouden moeten hebben om zelf te bepalen welk wettig betaalmiddel zij willen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bereid tot nader overleg over de acceptatie van contant geld door gemeenten.
Claims door pensioenfondsen met terugwerkende kracht |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de signalen dat bepaalde pensioenfondsen, met het oogpunt op risicobeperking, werkgevers aanschrijven en zelfs procederen tegen werkgevers om met terugwerkende kracht pensioenpremie te claimen?
Ja.
Vindt u dat werkgevers voldoende op de hoogte zijn van de plichten waaraan zij moeten voldoen als werkgever binnen een bepaalde sector, vallende onder een cao?
De verplichting voor werkgevers binnen een bepaalde sector om voor hun werknemers premie af te dragen aan een bedrijfstakpensioenfonds vloeit niet voort uit een cao, maar uit lidmaatschap van een werkgeversvereniging die betrokken is bij het bedrijfstakpensioenfonds of uit de verplichtstelling. Daarnaast kan er voor de desbetreffende beroepsgroep een beroepspensioenregeling verplichtgesteld zijn.
Ik ga ervan uit dat werkgevers die vanwege hun lidmaatschap van een werkgevers- of beroepspensioenvereniging gebonden zijn aan een bedrijfstakpensioenfonds of beroepspensioenregeling door deze vereniging op de verplichte deelname worden gewezen. De verplichtstelling aan een bedrijfstakpensioenfonds of aan een beroepspensioenregeling ontstaat door een verplichtstellingsbesluit. Dit is een wet in materiële zin die wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op http://cao.minszw.nl. Op dit moment zijn er 48 verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en 9 verplichtgestelde beroepspensioenregelingen.
Bij twijfel of de werkgever onder een verplichtstelling valt, biedt de website of de klantenservice van het pensioenfonds antwoord op deze vraag. Pensioenfondsen zijn op grond van art. 46a Pensioenwet en art. 57a Wet verplichte beroepspensioenregeling wettelijk verplicht om het pensioenreglement en het uitvoeringsreglement, waarin de verplichtingen voor werkgevers te vinden zijn, op hun website beschikbaar te stellen.
Zijn er andere gevallen bekend, naast het niet betalen van pensioenpremies, waarbij werkgevers zich onbedoeld niet houden aan de regels die zijn vastgesteld in de cao?
Het Ministerie van SZW monitort niet of werkgevers zich onbedoeld niet houden aan de regels die zijn vastgesteld in de cao. Dit zijn civielrechtelijke aangelegenheden. Daarom ligt de naleving en handhaving van de gemaakte afspraken hier bij de cao-partijen, en kunnen individuele werkgevers en werknemers naleving eisen, desnoods via de rechter. Op verzoek van cao-partijen kan Inspectie SZW bij de naleving van cao-afspraken ondersteunen door het verrichten van onderzoek.
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, vloeit de verplichting van werkgevers om premie af te dragen aan een bedrijfstakpensioenfonds niet voort uit een cao, maar uit het lidmaatschap van een werkgeversvereniging die betrokken is bij het bedrijfstakpensioenfonds of uit de verplichtstelling.
In hoeverre wordt er bij dit soort exercities rekening gehouden met de financiële positie van deze instellingen? Is er bijvoorbeeld een richtlijn of afspraak vanuit de Pensioenfederatie om kleine ideële stichtingen te ontzien wanneer er door het achteraf betalen van premies een faillissement dreigt?
Verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen houden bij de vraag of een werkgever verplicht moet aansluiten in beginsel geen rekening met de aard, de omvang en/of financiële positie van de werkgever, maar uitsluitend met de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit geldt ook als de werkgever met terugwerkende kracht moet worden aangesloten, omdat de werkgever niet eerder bij het pensioenfonds bekend was. Doordat verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen verplicht zijn om ook pensioenaanspraken toe te kennen aan deelnemers voor wie geen premie is afgedragen, zijn ze gehouden om alle werkgevers die onder de verplichtstelling vallen daadwerkelijk aan te sluiten en de premie te innen. Als bepaalde werkgevers worden ontzien, wordt het draagvlak voor de verplichtstelling in deze sector ondermijnd. Daarom heeft de Pensioenfederatie geen beleid om bepaalde werkgevers van de premieverplichting te ontzien. Bij de invordering van verschuldigde premie wordt echter wel, indien mogelijk, rekening gehouden met de financiële positie van de werkgever, in de zin dat een betalingsregeling kan worden getroffen.
Wat gebeurt er als een werkgever onder de werkingssfeer van pensioenfonds A bleek te vallen, terwijl de werkgever pensioenpremie heeft afgedragen aan pensioenaanbieder B? Moet de werkgever dan alsnog alle niet-betaalde pensioenpremies aan fonds A afdragen, of wordt dit tussen de verschillende pensioenaanbieders verrekend? Maakt het uit of de pensioenaanbieder B dan een fonds of verzekeraar is?
Wanneer blijkt dat een werkgever verplicht had moeten aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds, terwijl over dezelfde periode reeds premieafdracht heeft plaatsgevonden aan een andere pensioenuitvoerder, zal in principe over die periode alsnog premieafdracht aan het bedrijfstakpensioenfonds moeten plaatsvinden. Echter, een dubbele pensioenvoorziening over hetzelfde dienstverband gedurende dezelfde periode is maatschappelijk en fiscaal ongewenst.
Het is dan ook gebruikelijk dat bedrijfstakpensioenfondsen een vrijstelling verlenen voor het verleden als de pensioenvoorziening bij de andere pensioenuitvoerder gelijkwaardig is of gelijkwaardig gemaakt kan worden. Deze vrijstelling geldt dan over de hele periode waarin de werkgever een pensioenregeling had ondergebracht bij een andere pensioenuitvoerder, terwijl deze aangesloten had moeten zijn bij het bedrijfstakpensioenfonds. Er hoeft dan geen premie aan het bedrijfstakpensioenfonds betaald te worden over die periode. Vanzelfsprekend vergt het gelijkwaardig maken ook de medewerking van de andere pensioenuitvoerder.
Als de pensioenvoorziening bij de andere pensioenuitvoerder niet gelijkwaardig is of gemaakt kan worden, ontstaat er een complexe situatie. Er zijn twee opties om uit deze situatie te komen, waarbij telkens de medewerking van beide pensioenuitvoerders noodzakelijk is. Men kan ervoor kiezen de pensioenvoorziening bij de andere uitvoerder af te kopen en een aansluiting met terugwerkende kracht bij de juiste pensioenuitvoerder te bewerkstelligen, of men kan kiezen voor een collectieve waardeoverdracht naar het bedrijfstakpensioenfonds, waarna het tekort aan pensioenpremie bijgestort moet worden.
Als er sprake is van een lopende verzekeringsovereenkomst, dan kunnen bedrijfstakpensioenfondsen een zogenaamde «afwikkelvrijstelling» verlenen. Dat houdt in dat het lopende contract met de verzekeraar uitgediend kan worden en dat pas daarna de aansluiting bij het bedrijfstakpensioenfonds effectief wordt. Wel zal ook in dat geval de regeling bij de verzekeraar gelijkwaardig moeten zijn of worden gemaakt.
Zijn er ook pensioenfondsen die er voor kiezen om werkgevers, die in het verleden onterecht geen premie hebben afgedragen, alleen vanaf dat moment premie te laten afdragen? Zo ja, wordt dan daarbij de voorwaarde gehanteerd dat er premie is afgedragen aan een ander fonds?
Ik heb geen zicht op het vrijstellings- en incassobeleid van individuele bedrijfstakpensioenfondsen. Vanuit de Pensioenfederatie is er geen algemeen vrijstellings- en incassobeleid, zie hiervoor mijn antwoord onder vraag 4.
Incassofraude bij banken |
|
Maarten Groothuizen (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Fraude met incasso’s eenvoudig door gat in systeem banken»?1
Ja.
Klopt het dat ING en Rabobank voor een overboeking slechts controleren of een IBAN-rekeningnummer bestaat uit een in theorie geldige combinatie, maar niet of dat rekeningnummer daadwerkelijk bestaat? Zo ja, waarom hanteren banken dat systeem?
Sinds de invoering van de Single Euro Payments Area (hierna: SEPA) in augustus 2014 zijn alle banken binnen SEPA, waaronder Rabobank, ING en alle andere Nederlandse banken, verplicht om het International Bank Account Number (hierna: IBAN) te gebruiken als standaard voor bankrekeningnummers. Banken en betaalinstellingen geven zelf IBAN’s uit, maar hebben over en weer geen inzage in elkaars individuele IBAN-administraties. Dat heeft tot gevolg dat zij alleen een zogeheten syntaxcontrole op de validiteit van het IBAN kunnen uitvoeren, ofwel een controle of het IBAN voldoet aan de «in theorie geldige combinatie».
Incassanten (bijvoorbeeld energieleveranciers) die rekeningen sturen naar klanten maken doorgaans gebruik van de Europese incasso, de betaalwijze die in het artikel wordt bedoeld. Hiermee krijgt een incassant de mogelijkheid om automatisch eenmalig of periodiek een bedrag af te laten schrijven van rekeningen van zijn debiteuren (consumenten of zakelijke partijen) ten gunste van zijn eigen rekening. Een incassant sluit daarvoor met zijn bank een incassocontract af en vraagt zijn debiteuren via een machtiging om toestemming voor de afschrijving. De Europese incasso werkt in de praktijk als volgt: voor de uitvoering van een dergelijke opdracht wordt de betaalrekening van een incassant met het bedrag van de opdracht gecrediteerd (bijgeschreven), en de betaalrekening van de debiteur met hetzelfde bedrag gedebiteerd (afgeschreven). Dit is de interbancaire verwerking. Wanneer de bank van de debiteur de incasso-opdracht van de bank van de incassant ontvangt, controleert eerstgenoemde bank of het te incasseren IBAN daadwerkelijk bestaat. Als dat niet het geval is, wordt de incassotransactie afgekeurd en ontvangt de bank van de incassant daarover bericht. Daarnaast wordt gecontroleerd of er voldoende saldo is voor de incasso.
De bank van de incassant heeft in bepaalde gevallen het recht om tot terugboeking van de Europese incasso over te gaan. Dit mag als de debiteur geen gerechtvaardigde verplichting tot betalen heeft en daarom diens bank om terugboeking heeft verzocht. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de debiteur geen machtiging heeft afgegeven voor de incasso of de machtiging heeft ingetrokken, als het bedrag afwijkt van de verplichting of het bedrag dubbel is afgeschreven, of als sprake is van saldotekort op de betaalrekening van de debiteur. Deze voorwaarden, rechten en plichten vloeien voort uit de SEPA-verordening en zijn te vinden in de incassocontracten die zijn afgesloten tussen bank en incassant.
In het systeem van de automatische incasso kan het zijn dat betalingen eerst interbancair worden verwerkt, waarbij door sommige banken mogelijk van een tussenrekening gebruik wordt gemaakt, en dat de controle later plaatsvindt. Terugboekingen, vanwege fraude met incasso’s, saldotekort of om een andere reden, komen relatief weinig voor. Daarom is het hanteren van een dergelijk systeem voor banken, incassanten en consumenten over het algemeen doelmatig, omdat de transactieverwerking op deze manier relatief makkelijk en snel kan gaan. Hoe en wanneer wordt verwerkt en gecontroleerd, kan per klant en per bank verschillen. In het incassocontract worden hier door banken en incassanten maatwerk-afspraken over gemaakt.
Zijn er nog andere Nederlandse banken die zo werken? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij een dergelijke overboeking het over te schrijven geldbedrag wordt voorgeschoten vanaf een tussenrekening? Zo ja, waarom hanteren banken dat systeem?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het geschatte schadebedrag van de in het artikel beschreven vorm van (incasso-)fraude over de jaren 2014–2017?
De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Betaalvereniging Nederland rapporteren sinds 2009 halfjaarlijks over de geaggregeerde fraudecijfers in het betalingsverkeer om inzicht te geven in de aard en omvang daarvan._ De totale jaarlijkse incassofraude bedroeg gemiddeld circa 285 duizend euro per jaar over de jaren 2014–2017. In diezelfde periode zijn in Nederland gemiddeld jaarlijks circa 1,37 miljard incassotransacties voldaan, met een gemiddelde jaarlijkse totale waarde van 247 miljard euro. Op de gemiddelde jaarlijkse totale waarde van alle incassotransacties gaat het in de genoemde periode om circa 0,000115 procent aan frauduleuze incassotransacties. Voor een beoordeling van het in het artikel_ genoemde schadebedrag van 32.000 euro als gevolg van fraude met automatische incasso’s in 2016 acht ik het van belang dit bedrag af te zetten tegen het totaal-bedrag dat er in dat jaar in automatische incasso’s om ging. Dat is voor 2016 in totaal 250 miljard euro. Dat betekent dat het in 2016 ging om 0,0000128% aan schade als gevolg van frauduleuze incassotransacties.
De beperkte omvang laat onverlet dat rapportage over incassofraude en schade daardoor belangrijk is en blijft: zicht op de aard en omvang is essentieel voor de bestrijding. De Europese herziene richtlijn betaaldiensten (PSD II) schrijft voor dat betaaldienstverleners hun bevoegde autoriteiten (in Nederland is dat De Nederlandsche Bank, DNB) ten minste jaarlijks statistische gegevens over fraude met betrekking tot verschillende betaalmiddelen verstrekken. Dat betekent dat de in Nederland al bestaande frauderapportages, die tot op heden op vrijwillige basis worden verstrekt, worden geformaliseerd en geharmoniseerd op Europees niveau. Ook worden de rapportages verankerd in het nationaal toezicht.
Hoe vaak is over de bovengenoemde jaren aangifte gedaan van deze vorm van incassofraude?
Het is niet bekend hoe vaak over de bovengenoemde jaren aangifte is gedaan van deze vorm van incassofraude. Incassofraude bij banken wordt door de politie niet als zodanig geregistreerd. Afhankelijk van de wijze waarop het delict gepleegd of gemeld is, wordt het geregistreerd onder fraude met betaalmiddelen of overige horizontale fraude. Beide delicten vallen onder meerdere vormen van fraude, om die reden kan niet worden geconstateerd in hoeveel gevallen het incassofraude bij banken betreft. In geval van fraude zal de bank van de incassant de schade proberen te verhalen op de vermeende fraudeur, al dan niet in het kader van het strafproces.
Hoe beoordeelt u het in het artikel genoemde schadebedrag van 32.000 euro dat in 2016 is gemeld door Nederlandse banken bij de Nederlandse Vereniging van Banken? Klopt het dat deze gegevens niet worden gecontroleerd? Zo ja, waarom worden die gegevens niet gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 5.
Wie draait in de regel op voor de geleden schade?
Zie antwoord vraag 6.
Is de werkwijze, ervan uitgaande dat Rabobank en ING inderdaad het geld overmaken vanaf een tussenrekening en niet controleren of een IBAN-rekeningnummer daadwerkelijk bestaat, in strijd met Nederlandse of internationale regels?
De werkwijze, zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 2, 3 en 4, is in lijn met de geldende (Europese) regelgeving, waaronder de Europese richtlijn betaaldiensten (PSD I), PSD II en de SEPA-verordening. De transactieverwerking in geval van de Europese incasso is over het algemeen doelmatig: het systeem kent de voordelen van gemak, snelle verwerking en lage kosten voor banken, incassanten en consumenten. Banken dienen evenwel oog te hebben voor risico’s. Bij het afsluiten van een incassocontract met een incassant maken zij de afweging tussen risico en efficiëntie. Daarnaast monitoren banken het incassogedrag van incassanten, mede om mogelijke fouten en fraude te voorkomen. Tot slot kent Europese wetgeving verschillende consumentenbeschermende maatregelen, zoals het terugboekrecht in de SEPA-verordening. Deze wettelijke waarborgen, in combinatie met de inspanningen van banken en de beperkte omvang van incasso-fraude, geven mij het vertrouwen dat het systeem op dit moment voldoende op orde is.
Het is belangrijk dat alle betrokken partijen, waaronder incassanten, op de hoogte zijn van de rechten, plichten en gevolgen van niet-naleving zoals vastgelegd in regelgeving en in de tussen incassant en bank afgesloten incassocontracten. Daarin staat onder andere dat incasso-opdrachten voor wat betreft de standaard Europese incasso gedurende een bepaald aantal werkdagen na verwerking door de debetbank kunnen worden teruggedraaid en dat de creditbank niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van de terugboeking. Het is de verantwoordelijkheid van de incassant om deze regels te kennen en er naar te handelen, en van de bank om deze regels onder de aandacht te brengen in accurate productinformatie over de Europese incasso. Via het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) zal ik de banken verzoeken hier de komende tijd hernieuwde aandacht aan te geven.
Hoe verhoudt zich het feit, ervan uitgaande dat Rabobank en ING inderdaad het geld overmaken vanaf een tussenrekening en niet controleren of een IBAN-rekeningnummer daadwerkelijk bestaat, tot de voorschriften, normen en aanbevelingen die gelden binnen de Single European Payments Area?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u de werkwijze, ervan uitgaande dat Rabobank en ING inderdaad het geld overmaken vanaf een tussenrekening en niet controleren of een IBAN-rekeningnummer daadwerkelijk bestaat?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid met de betrokken banken in gesprek te treden over hun werkwijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u het eens met de stelling dat banken ten minste de incassant zouden moeten waarschuwen dat het overgemaakte geld een voorschot is en dat het mogelijk is dat de betaling kan worden teruggedraaid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Kingdom of the Netherlands: Concluding Statement of the 2018 Article IV Consultation’ van het IMF |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aanbevelingen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) die zijn gedaan tijdens een bezoek aan Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van het IMF dat de lonen in Nederland omhoog zouden moeten? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de lonen te verhogen?
De loonontwikkeling laat een stijgende lijn zien. Volgens de meest recente raming van het PCB stijgen de contractlonen in 2018 met 2,2% en in 2019 met 3,2%.2 De toegenomen ruimte voor hogere lonen ontstaat door de aantrekkende economie, door toegenomen winstgevendheid bij bedrijven en door de aanzienlijke daling van de werkloosheid. Dat de lonen daadwerkelijk omhoog gaan is goed nieuws, na jaren van een gematigde loonontwikkeling.
De loonstijging is beperkt of slechts indirect te beïnvloeden door kabinetsbeleid. Loonbeleid vereist maatwerk, en is dus aan decentrale cao-partijen. De situatie is immers van sector tot sector verschillend. Of werkgevers hogere lonen aan hun werknemers kunnen betalen, hangt af van de winstgevendheid en financieel-economische vooruitzichten van bedrijven. Afhankelijk van de omstandigheden stellen decentrale partijen prioriteiten, waarbij de primaire beloning één van de afwegingen is. De overheid kan wel met sociale partners bespreken dat zij graag ziet dat daar waar ruimte is voor loonsverhogingen, deze ruimte hier ook voor wordt benut.
Ik heb er vertrouwen in dat sociale partners, waar ruimte is, hun verantwoordelijkheid zullen nemen en de beschikbare loonruimte passend benutten.
Deelt u de mening van het IMF dat het wenselijk zou zijn als zelfstandigen meer basale sociale verzekeringen zouden krijgen, om de tweedeling op de arbeidsmarkt tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen gaat u daartoe nemen?
In Nederland vallen zelfstandigen niet onder de werknemersverzekeringen. Het uitgangspunt van het beleid is dat zelfstandigen zelf het beste kunnen beoordelen of zij een verzekering nodig hebben en zij ook in staat zijn een verzekering af te sluiten. In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet zal verkennen hoe bij zelfstandigen de verzekeringsgraad voor arbeidsongeschiktheid kan worden verhoogd. Het kabinet hecht eraan dat zelfstandigen een bewuste keuze kunnen maken om zich wel of niet te verzekeren en dat zelfstandigen die daarvoor kiezen in beginsel toegang hebben tot de verzekeringsmarkt. Het kabinet gaat daarom in gesprek met de verzekeraars om een beter verzekeringsaanbod te bevorderen.
Indien er sprake is van schijnzelfstandigheid horen werkenden uiteraard onder de bescherming van de arbeidsovereenkomst en de werknemersverzekeringen te vallen. Daarom heeft het kabinet in het regeerakkoord nieuwe maatregelen aangekondigd om schijnzelfstandigheid te bestrijden, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt, en duidelijkheid te geven aan echte zelfstandigen, zodat zij hun werk kunnen blijven doen.
Deelt u de mening van het IMF dat het verschil in fiscale belasting tussen zelfstandigen en werknemers verminderd zou moeten worden om de tweedeling op de arbeidsmarkt tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen daartoe?
Het is bekend dat de belastingdruk van zzp’ers lager ligt dan die van werknemers. Dit staat niet op zichzelf – er zijn meer institutionele verschillen tussen zzp’ers en werknemers. Zoals aangekondigd in het regeerakkoord neemt het kabinet maatregelen om de verschillen tussen contractvormen te verkleinen en schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Zo zal bij een laag tarief in combinatie van een lange duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met reguliere bedrijfsactiviteiten altijd sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Om de fiscale verschillen te verkleinen zullen de aftrekposten voor zelfstandigen, net als andere aftrekposten, vanaf 2020 geleidelijk worden afgebouwd tot ze alleen nog aftrekbaar zijn tegen het basistarief. Echte zelfstandigen krijgen de ruimte om te ondernemen. Zij en hun inhuurders moeten de zekerheid krijgen dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. 3
Hoe verhouden de aanbevelingen van het IMF aangaande het tegengaan van de tweedeling op de arbeidsmarkt zich tot de beleidsvoornemens van het kabinet-Rutte III?
Het IMF adviseert het kabinet om tweedeling op de arbeidsmarkt tegen te gaan. In dit kader verwelkomt het IMF de beleidsvoornemens van het kabinet, die erop gericht zijn tegenstellingen op de arbeidsmarkt te verminderen. Het kabinet streeft naar een nieuwe balans op de arbeidsmarkt, zodat deze kansen biedt aan iedereen. In mijn brief «Naar een nieuwe balans op de arbeidsmarkt»4 heb ik u geïnformeerd over de ambitieuze agenda van het kabinet voor de arbeidsmarkt.
Deelt u de mening van het IMF dat het kabinet meer moet uitgeven dan het voornemens is te doen om koopkracht en economische groei te stimuleren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat uitwerken in beleid?
Het Regeerakkoord van het kabinet voorziet in een lastenverlichting en hogere uitgaven die oplopen tot 14,5 mld euro in 2021. Momenteel is de economische situatie positief: het bbp groeit in hoog tempo, en het CPB geeft aan dat er sprake is van hoogconjunctuur. Ook het IMF geeft in zijn Concluding Statement aan dat additionele overheidsuitgaven juist een procyclisch effect zouden hebben. Vanuit macro-economisch perspectief en de werking van het trendmatig begrotingsbeleid zijn extra overheidsuitgaven bovenop het Regeerakkoord op dit moment dus niet noodzakelijk of verstandig. Het is aan te raden om juist in deze goede tijden buffers op te bouwen zodat de overheidsfinanciën beter bestand zijn tegen economische tegenwind.
Het bericht ‘Supermarkten zetten telers onder druk met nieuw keurmerk groente en fruit’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de afspraken van verschillende supermarkten om te komen tot een nieuw keurmerk?1
Ja.
Hoe verhoudt het uitgangspunt van dit nieuwe keurmerk, dat supermarkten niet verplicht zijn boeren en tuinders extra te betalen om te voldoen aan de extra eisen voor het nieuwe keurmerk, zich tot de passage in het regeerakkoord dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) erop gaat toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn?
Als een supermarkt bovenwettelijke eisen stelt, moeten boeren en tuinders gewaardeerd worden voor de extra inzet die daarmee van hen verlangd wordt. In het regeerakkoord staat dat de ACM erop gaat toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijk eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn. Over de nadere invulling daarvan zal ik u samen met de Staatssecretaris van EZK voor de zomer informeren en zal daarbij ook de keurmerken meenemen. Dit neemt niet weg dat ik vind dat alle partijen in de keten een morele verantwoordelijkheid hebben én dienen te nemen dat duurzaamheid beloond wordt. Dat kan in de vorm van het bieden van een hogere prijs, maar de waardering kan ook tot uiting komen in bijvoorbeeld leveringszekerheid over een langere periode door bijvoorbeeld langjarige contracten. Ik wil hierover op korte termijn in de bredere context van de passages in de het regeerakkoord over de positie van de boer in de keten het gesprek aangaan met de retail en andere partijen in de keten.
Deelt u de mening dat aandacht voor duurzaamheid voor producten uit binnen- en ook buitenland belangrijk is, maar dat dit hand in hand moet gaan met een eerlijke vergoeding voor de boer en tuinder? Zo nee, waarom niet?
Voor de verduurzaming van de land- en tuinbouw is het van belang dat de daarmee gepaard gaande inspanningen passend worden beloond. Daar waar een passende beloning onvoldoende tot stand komt moet dit gestimuleerd worden. Het regeerakkoord biedt daarvoor aanknopingspunten en daarover zal ik u voor de zomer informeren.
Kan de ACM op dit moment toezien op deze afspraken? Zo ja, wat zijn de bevoegdheden? Zo nee, wat zou er in wetgeving veranderd moeten worden om deze bevoegdheden aan de ACM te geven? En mocht er wetgeving voor nodig zijn, wanneer komt deze wetgeving naar de Kamer?
De ACM heeft op dit moment geen inzicht in de contracten tussen producenten en afnemers; daar heeft de ACM geen bevoegdheden voor en is ook niet als taak bij de ACM belegd. Op dit moment wordt in kaart gebracht welke opties er zijn om er voor te zorgen dat de extra inspanningen van boeren en tuinders ook worden beloond.
Deelt u de mening dat als boeren en tuinders niet vergoed worden voor deze stappen de bedrijfsvoering in gevaar komt en daarmee de voedselproductie in Nederland, die al erg duurzaam, efficiënt en van hoge kwaliteit is?
Ik vind het van groot belang dat de ketenpartijen in onderling overleg komen tot passende vergoedingen. De overeengekomen vergoedingen dienen naar mijn mening zodanig te zijn dat boeren en tuinders op een economisch duurzame wijze, conform eventuele bovenwettelijk eisen, kunnen produceren.
Onvoorziene fiscale gevolgen van de bevingsschade |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Los ook meteen de fiscale sores rond de bevingsschade in Groningen op»?1
Ja.
Deelt u de mening dat onduidelijkheid over de fiscale gevolgen van compensatie en versterking tot onzekerheid kan leiden bij mensen die zoveel mogelijk voorkomen moet worden?
Ja. Op 19 maart jongstleden is het nieuwe schadeloket van de onafhankelijke Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) gestart. De commissie stelt binnen de kaders van het Besluit Mijnbouwschade Groningen haar werkwijze vast. De TCMG publiceert naar verwachting in april haar werkwijze. Zodra de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade haar werkwijze heeft vastgesteld en gepubliceerd, is het van belang snel duidelijkheid te scheppen over de eventuele fiscale gevolgen van besluiten.
Het voornemen is om op de website van de Belastingdienst een publicatie op te nemen waarin de fiscale behandeling van de compensatieregelingen is opgenomen. Dat geldt zowel voor particulieren als voor ondernemers voor de inkomstenbelasting. Een dergelijke beschrijving schept duidelijkheid voor degenen die de vergoedingen ontvangen.
Wilt u ingaan op de genoemde voorbeelden in het artikel en helderheid geven voor die situaties?
Er is onderscheid tussen compensatie die wordt ontvangen door particulieren en compensatie die wordt ontvangen door ondernemers. Hierna wordt ingegaan op de in het artikel benoemde voorbeelden.
In het algemeen geldt dat vergoedingen in de privésfeer voor (immateriële) schade niet worden aangemerkt als voordelen uit een bron van inkomen. Mits de vergoedingen niet zien op inkomensschade zijn deze dus niet belastbaar in box 1. Dit geldt ook voor vergoedingen in de privésfeer voor de waardedaling van een eigen woning.
In eerste instantie wordt bij materiële schade ingezet op schadeherstel en de verwachting is dat eventuele schadevergoedingen benut worden om schade te herstellen.
Het bedrag van de vergoedingen kan – afhankelijk van de aanwending van die vergoedingen – op de peildatum, 1 januari van de kalenderjaren na het jaar van ontvangst van de vergoedingen, wel deel uitmaken van de rendementsgrondslag van box 3. Voor zover de rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen (€ 30.000, bij fiscale partners € 60.000) is belasting verschuldigd. Ook de rechten op schadevergoedingen kunnen op de peildatum deel uitmaken van de rendementsgrondslag van box 3. Via het verzamelinkomen en de rendementsgrondslag van box 3 werkt dit door naar de inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen (inkomenstoets en vermogenstoets). De rendementsgrondslag van box 3 wordt elk jaar op 1 januari vastgesteld.
Zoals hiervoor toegelicht kan het bedrag van de vergoeding voor de waardedaling van de eigen woning – afhankelijk van de aanwending van die vergoeding – dan wel het recht op vergoeding een bezitting vormen in box 3.
Het gebruiken van een ontvangen vergoeding voor het al dan niet aflossen van de eigenwoningschuld is een keuze van de gedupeerde. Indien de vergoeding voor de waardedaling van de eigen woning wordt gebruikt voor het aflossen van de eigenwoningschuld, vermindert de eigenwoningschuld. Bij verkoop van de eigen woning wordt de eventuele eigenwoningreserve vastgesteld.2 De eigenwoningreserve is van belang voor het bepalen van de maximale hoogte van de eigenwoningschuld van een eventuele nieuwe eigen woning. Omdat het uitgangspunt van de regeling is dat het bedrag van de eigenwoningreserve wordt aangewend voor de volgende eigen woning, geldt dat hoe hoger de eigenwoningreserve is, hoe lager de maximale eigenwoningschuld is. De renteaftrek is beperkt tot rente over schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen aflossingen die kunnen worden gedaan door de ontvangst van een vergoeding voor de waardedaling van de eigen woning en andere aflossingen.
In het artikel wordt ook gerefereerd aan onteigening en bedrijfsverplaatsing. Er is geen sprake van onteigening en het is de inschatting dat bedrijfsverplaatsing direct of indirect gerelateerd aan winning uit het Groningenveld zich slechts in een beperkt aantal gevallen zal (kunnen) voordoen.
Bij een bedrijfsverplaatsing van een onderneming (voor de inkomstenbelasting) gedreven door een natuurlijk persoon speelt de vraag of sprake is van staking van de onderneming, gevolgd door de start van een nieuwe onderneming, of dat sprake is van verplaatsing en voortzetting van de («oude») onderneming.
Of sprake is van staking van de onderneming is een feitelijke toets die aan de hand van de jurisprudentie (identiteitscriterium) moet plaatsvinden. Genoemd criterium houdt in dat de verplaatsing door een ondernemer van zijn bedrijfsuitoefening niet leidt tot staking van de onderneming indien de identiteit van de onderneming ondanks de verplaatsing ervan wezenlijk dezelfde is gebleven.
Als geen sprake is van staking van een onderneming zal ten aanzien van de ontvangen schadevergoeding en de bij verkoop gerealiseerde boekwinst veelal de herinvesteringsreserve soelaas kunnen bieden. Als wel sprake is van staking gelden er stakingsfaciliteiten en kan mogelijk een beroep worden gedaan op de doorschuifregeling via te conserveren inkomen naar een andere onderneming, zodat geen sprake is van onmiddellijke belastingheffing.
Bij een bv of een andere belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting doet zich bij een bedrijfsverplaatsing geen staking van een onderneming voor.
Hoe worden de vergoedingen voor immateriële schade en de waardedaling van woningen in de belastingheffing betrokken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe is dat in deze gevallen voor bedrijven en maakt het daarbij nog uit in welke vorm (bv, nv, vof, zzp) de onderneming wordt gedreven?
Zie antwoord vraag 3.
Overweegt u een specifiek fiscaal beleidsbesluit voor Groningen? Zo ja, wanneer kan dat tegemoet worden gezien?
Voor zowel burgers als bedrijven is het belangrijk dat helder wordt gecommuniceerd wat de mogelijke fiscale gevolgen zijn van de verschillende compensatieregelingen. Daartoe behoren ook de gevolgen voor het recht op toeslagen. Zodra de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade haar werkwijze heeft vastgesteld en gepubliceerd, is het van belang snel duidelijkheid te scheppen over de eventuele fiscale gevolgen van deze regelingen.
Er wordt geen specifiek fiscaal beleidsbesluit overwogen. Zoals ik eerder aangaf bestaat wel het voornemen om op de website van de Belastingdienst een publicatie op te nemen waarin de fiscale behandeling van de compensatieregelingen is opgenomen. Andere websites voor betrokkenen kunnen dan een link opnemen naar de informatie op de website van de Belastingdienst.
Bent u bereid fiscale helderheid te scheppen voor alle inwoners en bedrijven in Groningen? Zo ja, op welke wijze gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Een financieel nadeel voor docenten die in België wonen en in Nederland hun beroep uitoefenen |
|
Paul van Meenen (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het probleem dat docenten die in België wonen en in Nederland hun beroep uitoefenen, de eerste twee jaar in België inkomstenbelasting betalen en daardoor financieel nadeel ondervinden ten opzichte van hun in Nederland wonende collega’s?1
De Nederlandse loonheffing die wordt ingehouden op het belastbare loon bestaat uit de premies volksverzekeringen en de loonbelasting. Met betrekking tot de premies volksverzekeringen regelt EU verordening Nr. 883/04 waar een werknemer premieplichtig is. Wanneer een inwoner uit België in Nederland in loondienst werkzaam is, is die persoon in beginsel in Nederland (het werkland) premieplichtig. In het belastingverdrag tussen Nederland en België is vervolgens geregeld welk land belasting mag heffen over het loon. Voor (hoog)leraren bevat dat verdrag een specifieke bepaling. Deze bepaling bepaalt, kort gezegd, dat een (hoog)leraar die in een van beide landen woont en in het andere land werkt (onderwijs geeft of wetenschappelijk onderzoek verricht) de eerste twee jaar in de woonstaat belasting blijft betalen.
De discoördinatie tussen de belasting- en de premieheffing die aldus ontstaat bij niet in Nederland wonende docenten, kan ook bij andere beroepen voorkomen indien het heffingsrecht van belastingen en premies volksverzekeringen niet aan hetzelfde land toekomt. Zo beschrijft de Vereniging voor Belastingwetenschap dat deze discoördinatie bij onder andere telewerkers, zelfstandigen en werknemers in het internationaal beroepsgoederenvervoer op kan treden.
De loonheffing in Nederland bestaat tot een inkomen van € 33.994 (2018) uit premies volksverzekeringen (premieplicht in Nederland) en loonbelasting (heffingsrecht België gedurende de eerste twee jaar). Het grootste gedeelte van de loonheffing die tot deze inkomensgrens wordt afgedragen, bestaat uit premies volksverzekeringen. Boven die inkomensgrens bestaat de loonheffing uit enkel loonbelasting. Omdat België een eigen belastingstelsel heeft (met onder andere een andere verdeling tussen belastingen en socialezekerheidspremies), kan deze combinatie (belasting in België en premies volksverzekeringen in Nederland) hoger uitvallen dan de totale loonheffing over het loon van een
Nederlandse collega die belasting en premies in Nederland betaalt. Dit kan er toe leiden dat docenten die in België wonen en in Nederland hun beroep uitoefenen een lager netto loon ontvangen dan hun collega’s die Nederland wonen. In de omgekeerde situatie kan dit voor in Nederland wonende docenten die werkzaam zijn in België leiden tot een hoger netto loon dan hun collega’s die in België wonen.
Hoe groot het nadeel is dat een in België wonende docent ondervindt in verband met deze verdeling van premieplicht en belastingheffing, is onder meer afhankelijk van de hoogte van het loon dat die docent ontvangt.
Komt dit doordat de sociale premies in Nederland wel worden afgedragen, terwijl die in België onderdeel zijn van de inkomstenbelasting?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot is het uiteindelijke nadeel van het verschil in belasting?
Zie antwoord vraag 1.
Geldt dit probleem alleen voor docenten of speelt dit ook bij andere beroepen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel docenten in grensstreken werken in Nederland op vaste basis, terwijl zij in België wonen?
Deze informatie is helaas niet beschikbaar.
Kan een docent die is opgeleid in België direct aan de slag in Nederland met een bevoegdheid?
Volgens de EU-richtlijnen omtrent beroepskwalificaties kunnen personen die in België toegang hebben tot het beroep docent primair onderwijs en leraar voortgezet onderwijs ook in Nederland aan de slag. Zij moeten hiervoor wel een diploma-erkenning aanvragen bij DUO. Het kan dan voorkomen dat DUO aanvullende eisen stelt in de vorm van scholing, een stage of een andersoortige proeve van bekwaamheid, om aan te tonen dat de persoon in kwestie aan de door de beroepsgroep gestelde en wettelijk vastgelegde bekwaamheidseisen voldoet. In het overgrote deel van de gevallen worden diploma’s van lerarenopleidingen in België zonder aanvullende eisen door DUO erkend. Indien sprake is van een afwijzing dan kan met bijscholing alsnog de juiste kwalificatie worden verkregen.
Is het salarisniveau van docenten in België vergelijkbaar met dat van docenten in Nederland?
Het salarisniveau van docenten primair onderwijs en leraren voortgezet onderwijs in België is redelijk vergelijkbaar met dat in Nederland. In Nederland werkende leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs verdienen meer dan in België werkende leraren. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs is dit andersom: in België werkende leraren verdienen iets meer dan leraren die werkzaam zijn in Nederland.
Wat is de arbeidsmarktsituatie van docenten in België?
In de jaarlijkse publicatie Education at Glance van the Organisation for Economic Co-operation and Development wordt niet alleen het salaris van leraren vergeleken, zoals in bovengenoemde vraag beschreven. In hoofdstuk D wordt ook o.a. de leeftijdsopbouw van het lerarencorps, de taken en verantwoordelijkheden van leraren en het aantal uren dat leraren lesgeven naast elkaar gezet. Daaruit blijkt dat de situatie in België vergelijkbaar is met die in Nederland.
Wat is het doel van de zogenaamde «hoogleraarbepaling» in artikel 20 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag?
Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat bij tijdelijke werkzaamheden in het andere land (zoals bij gastdocentschap) het heffingsrecht verschuift met de daaraan verbonden administratieve lasten. Inmiddels is het Nederlands verdragsbeleid om niet meer te streven naar de opname van een dergelijke bepaling. Het doel van deze bepaling (het verminderen van administratieve lasten) wordt vaak niet gehaald. Op dit moment zijn verdragsonderhandelingen met België voor het nieuwe belastingverdrag gaande. Nederland heeft de problematiek met betrekking tot de hooglerarenbepaling al aan de orde gesteld met als doel de genoemde problematiek op te lossen.
Wat zouden de effecten zijn als dit artikel wordt aangepast naar de vorm zoals in het Nederlands-Duitse belastingverdrag, artikel 19?
In het verdrag met Duitsland is ook een hooglerarenbepaling opgenomen. In die bepaling is het heffingsrecht direct aan het werkland toegewezen in de aan de orde zijnde gevallen. De discoördinatie tussen premies volksverzekeringen en belastingheffing speelt in dat verdrag daarom in beginsel niet en is er geen verschil tussen collega’s die in Nederland of in Duitsland wonen.
Zou een dergelijke wijziging kunnen helpen bij het verminderen van de tekorten aan docenten in Nederland?
Voor docenten die in België wonen en graag in Nederland willen werken (terwijl ze in België willen blijven wonen) wordt het aantrekkelijker om in Nederland te werken als nadelige effecten als gevolg van een samenloop van verschillende regels worden weggenomen. Dit zou inderdaad kunnen helpen eventuele tekorten op Nederlandse scholen in de grensstreek te verminderen.
Bent u bereid bovenstaand onderwerp ter sprake te brengen bij overleg tussen de Nederlandse en Belgische bewindslieden?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat de Noorse gevangenen verdwijnen uit Veenhuizen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «We zetten alles op alles om Norgerhaven open te houden»?1
Ja.
Wat gaat u doen om Norgerhaven open te houden en zo de werkgelegenheid van 250 mensen te behouden?
Ik beraad mij thans op de gevolgen van de Noorse beslissing om het gebruik van de locatie Norgerhaven niet te verlengen. Dit dient in samenhang te worden bezien met de bestemming van de totale beschikbare detentiecapaciteit.
Wat betekent de afspraak in het regeerakkoord dat bij de sluiting van gevangenissen de regionale gebieden zoveel mogelijk worden ontzien voor Veenhuizen en voor Ter Apel?
De afspraken uit het regeerakkoord vormen de basis voor mijn aangekondigde visie op het gevangeniswezen. De bestemming van de totale detentiecapaciteit hangt nauw samen met die visie, die ik voor het zomerreces aan uw Kamer zal sturen.
Deelt u de mening dat deze berichten opnieuw voor onrust en onzekerheid voor vele gezinnen zorgen? Wat gaat u doen om die onrust zo snel mogelijk weg te nemen?
Ik kan mij goed voorstellen dat de Noorse beslissing om het gebruik van de locatie Norgerhaven niet te verlengen tot onzekerheid leidt bij de medewerkers van de Penitentiaire Inrichting en hun gezinnen. Hoewel ik deze onrust zo snel mogelijk wil wegnemen, kan ik op dit moment nog geen duidelijkheid verschaffen over de precieze gevolgen van deze beslissing voor de capaciteit van Norgerhaven. Daarvoor moet ik eerst een zorgvuldige afweging maken gebaseerd op de meest recente ramingen van de capaciteitsbehoefte, zoals die in mei uw Kamer zullen worden toegezonden, en in relatie tot de totale detentiecapaciteit.
Daarna kan ik in samenhang met mijn visie op het gevangeniswezen duidelijkheid verschaffen over de bestemming van de totale beschikbare detentiecapaciteit, inclusief de capaciteit van Norgerhaven.
Wanneer is er duidelijkheid over de werkzekerheid in gevangenissen in de regio, zoals Veenhuizen en Ter Apel?
In samenhang met mijn visie op het gevangeniswezen informeer ik uw Kamer en het personeel voor het zomerreces over de bestemming van de totale detentiecapaciteit. Ten aanzien van werkzekerheid heb ik Uw Kamer bij brief van 28 november 2017 bericht dat eind vorig jaar het DJI-convenant «Werken aan een Solide Personeelsbeleid» is getekend. In dit convenant zijn ook afspraken gemaakt over de werkzekerheid van het personeel.
Bent u bereid om op korte termijn voor al die medewerkers zekerheid te bieden, zodat zij niet met grote regelmaat moeten vrezen voor hun baan?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat ggz instelling Parnassia Groep ROM gegevens deelt met Stichting Benchmark GGZ |
|
Nine Kooiman |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Bent u bekend met het bericht in Trouw (d.d. 27 februari) dat ggz instelling Parnassia Groep ROM-gegevens (Routine Outcome Monitoring) deelt met Stichting Benchmark GGZ (SBG), zonder hier expliciete toestemming voor te vragen aan de patiënt?1
Ja.
Wat vindt u er van dat Parnassia Groep zonder expliciete toestemming van de patiënt en zonder dat hier een wettelijke grondslag voor is, ROM-gegevens deelt met SBG?
Waar het om gaat is of ROM-gegevens persoonsgegevens zijn die vallen onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in kort geding van 2 augustus 20172 bepaald dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Er is nog geen uitspraak van een rechter in een bodemprocedure of een oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Op dit moment doet de AP onderzoek naar de vraag of er sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp.
Op dit moment is dus niet met zekerheid te zeggen óf ROM-gegevens persoonsgegevens zijn die vallen onder de Wbp. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger geadviseerd om in de periode tot de uitspraak van de AP voor de zekerheid met expliciete toestemming van de patiënt te werken. Deze lijn zet ik voort.
Hoe verhoudt het handelen van Parnassia Groep zich tot uw uitspraak in het algemeen overleg d.d. 29 november 2017 dat het uitgangspunt is dat gegevens die nu geleverd worden aan de SBG langs de meetlat van toestemming gelegd zijn?2
Ik heb geadviseerd om voor de zekerheid met expliciete toestemming te werken. Het oordeel van de AP bepaalt of er sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Patiënten van de Parnassia Groep worden geïnformeerd en kunnen ervoor kiezen om niet deel te nemen (zie ook mijn antwoord op vraag 9).
Op dit moment zie ik geen noodzaak tot meer actie.
Ziet u ook in dat er meer actie nodig is om patiënten te beschermen tegen het delen van persoonlijke ROM-gegevens zonder wettelijke basis?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u Parnassia Groep tot de orde roepen? Kunt u dit toelichten?
Het is niet aan mij om Parnassia tot de orde te roepen. De AP is toezichthouder op dit terrein.
Is u bekend welke reden Parnassia Groep ertoe beweegt om ROM-gegevens te blijven delen met SBG, zonder hiervoor expliciete toestemming te vragen van de patiënt? Zo ja, kunt u reageren op deze motieven? Zo nee, kunt u hierover navraag doen bij Parnassia Groep?
Ik heb navraag gedaan bij Parnassia Groep. Parnassia Groep probeert o.a. door ROM haar zorg voor patiënten met een psychische stoornis te verbeteren. Voor de huidige patiënten is het een belangrijk middel om de eigen resultaten van de behandeling inzichtelijk te maken. Voor toekomstige patiënten is het van groot belang dat inzicht geboden wordt in welke behandelingen het beste resultaat hebben. Dit laatste kan door te meten en te vergelijken; zowel groepen patiënten als afdelingen onderling (er worden nooit individuele gegevens vergeleken).
Parnassia Groep heeft aangegeven dat zij geen expliciete toestemming vraagt aan patiënten, specifiek voor ROM, omdat het leidt tot een toename van administratieve lasten. In het geval van ROM is er een goede voorlichting voor de patiënt beschikbaar (zie ook mijn antwoord op vraag 9).
Is u bekend hoeveel andere ggz instellingen nog steeds ROM-gegevens zonder expliciete toestemming van de patiënt delen met SBG? Zo nee, kunt u dit onderzoeken? Gaat u al deze instellingen hier op aanspreken?
Er zijn mij geen andere signalen bekend. Ik zie vooralsnog geen aanleiding om dit onderzoeken. Overigens houdt de AP toezicht op de naleving van de privacywetgeving.
Bent u het ermee eens dat het Parnassia Groep voldoende aanleiding vormt voor een onderzoek naar of en hoe vaak het voorkomt dat zorgaanbieders gekort worden door zorgverzekeraars bij het niet nakomen van hun verplichting voor de aanlevering van ROM-gegevens?
Het klopt niet dat zorginstellingen gekort worden bij het niet voldoende aanleveren van ROM-gegevens. De gegevens van de Parnassia Groep worden momenteel niet gedeeld met derden, ook niet met zorgverzekeraars.
Bent u het ermee eens Parnassia Groep aantoont dat het niet meer voldoende is om de verantwoordelijkheid van goede voorlichting aan de patiënt inzake ROM bij de professional te leggen, zoals uw voorganger, Minister Schippers, betoogde? Zo ja, bent u bereid over te gaan tot actievere controle? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat de patiënt goed wordt voorgelicht?3
De verantwoordelijkheid van een goede voorlichting aan de patiënt inzake ROM ligt bij de professional. Parnassia Groep heeft mij laten weten dat zij het als haar verantwoordelijkheid ziet om haar patiënten goed te informeren over ROM. Zij doet dit als volgt.
Patiënten ontvangen een brief met uitleg over de ROM. Voorts is er informatie beschikbaar op de website van Parnassia Groep. Daarnaast bespreekt de behandelaar de werkwijze en het doel van de ROM met zijn patiënten. Hierbij staat het iedere patiënt vrij om niet deel te nemen aan ROM.
Wanneer verwacht u de uitspraak van Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over de vraag of de aanlevering van ROM-gegevens aan de privacy wetgeving voldoet?
Ik heb contact opgenomen met de AP. Het is nog niet duidelijk wanneer de AP uitspraak zal doen.
Het ANBO-onderzoek waaruit blijkt dat honderdduizenden ouderen met een aflossingsvrije hypotheek in de problemen komen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het ANBO-onderzoek over de problemen waar ouderen tegenaan lopen door aflossingsvrije hypotheken?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat volgens De Nederlandsche Bank (DNB) honderdduizenden ouderen met aflossingsvrije hypotheken in de problemen dreigen te komen?
De discussie over mogelijke problemen bij aflossingsvrije hypotheken heeft de aandacht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), De Nederlandsche Bank (DNB), de Europese Centrale Bank (ECB) en van het Rijk. Het Financieel Stabiliteitscomité (FSC), waar de toezichthouders AFM en DNB, het Ministerie van Financiën en het Centraal Planbureau (CPB) spreken over risico’s op de financiële markten, heeft in november 2017 over mogelijke risico’s bij aflossingsvrije hypotheken gesproken. DNB heeft in oktober 2017 haar Overzicht Financiële Stabiliteit (OFS) gepubliceerd. In dit rapport heeft DNB ook aandacht besteed aan de risico’s die zij ziet met betrekking tot aflossingsvrije en beleggingshypotheken.
DNB concludeert dat meer dan de helft van de Nederlandse hypotheekschuld bestaat uit leningen waarop niet regulier wordt afgelost. Hoewel de aflossingsvrije schuld gestaag afneemt, stelt DNB in dit rapport dat een groot deel van de betreffende huishoudens mogelijk niet over voldoende financiële middelen beschikt om hun schuld voor of op de einddatum volledig af te lossen. Hierdoor kan het aflopen van deze leningen met fricties gepaard gaan. DNB geeft aan dat huishoudens mogelijk ongewild hun huis moeten verkopen of te maken krijgen met hogere hypotheekuitgaven bij een lager inkomen.
AFM en DNB roepen daarom huishoudens op tijdig maatregelen te nemen om deze fricties te voorkomen. De toezichthouders verwachten van kredietverstrekkers dat zij actief contact opnemen met klanten die mogelijk in de problemen komen. Ook is het wenselijk dat zij hun klanten stimuleren om het aflossingsvrije deel van de financiering – waar mogelijk – te beperken. Zo kan de financiële ruimte die ontstaat als een hypotheek wordt overgesloten tegen een lagere rente, mogelijk worden gebruikt om extra af te lossen op aflossingsvrije hypotheekschuld of deze om te zetten in een annuïtaire lening.
De groep consumenten met een aflossingsvrije hypotheek is heterogeen. Binnen de huidige aanpak van de AFM en DNB brengen de vier grootste banken nu de risico’s van hun hypotheekportefeuille in kaart en zetten zij zich in om klanten die kwetsbaar zijn te activeren. De toezichthouders vinden het belangrijk dat alle kredietverstrekkers een resultaatgerichte aanpak ontwikkelen en – voor zover nodig en mogelijk – intermediairs daarbij te betrekken.
In de toegezegde Kabinetsreactie op het OFS van DNB zal aangegeven worden hoe het Kabinet tegen deze risico’s aankijkt. Ook wordt dieper ingegaan op de vervolgstappen die de sector en de toezichthouders op dit moment zetten om de risicogroep beter in beeld te krijgen en mogelijke problemen te voorkomen. De Kamer zal deze Kabinetsreactie voor de zomer ontvangen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat ouderen met aflossingsvrije hypotheken in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat banken die eerst aflossingsvrije hypotheken adviseerden nu vaak niet bereid zijn aan het einde van de looptijd een nieuwe hypotheek aan te bieden, met als gevolg dat mensen noodgedwongen moeten verhuizen?
Ik heb geen signalen dat kredietverstrekkers niet bereid zijn om hun bestaande klanten aan het einde van de looptijd een nieuwe hypotheek aan te bieden. Uiteraard moet het verstrekken van een nieuwe hypotheek op de einddatum wel verantwoord zijn, het blijft immers een krediet. De regelgeving biedt bovendien ruimte om in specifieke gevallen van de inkomensnormen af te wijken indien dit verantwoord is. Het is niet uit te sluiten dat een deel van de consumenten een te laag inkomen heeft (bijvoorbeeld alleen AOW) om een nieuwe hypotheek af te sluiten op de einddatum. Deze groep is naar verwachting beperkt.
Op dit moment proberen de kredietverstrekkers in kaart te brengen welke risicocategorieën er zijn en welke consumenten mogelijk een groter risico lopen. De toezichthouders zien hier op toe. In de toegezegde Kabinetsreactie kom ik hier op terug. Uit het eerdere onderzoek van DNB blijkt dat een groot aantal aflossingsvrije hypotheken afloopt tussen 2035 en 2038. Dit betekent dat veel consumenten nog ruim 15 jaar de tijd hebben om, indien zij tot een risicocategorie behoren, stappen te zetten om dit risico te verkleinen. Uiteraard hebben kredietverstrekkers en adviseurs een rol om hun klanten te informeren over hun huidige en toekomstige situatie en passend te adviseren om toekomstige problemen te voorkomen.
Klopt het dat juist ouderen met een laag inkomen, alleen AOW, of AOW en een beetje pensioen hiervan bovengemiddeld de dupe zijn? Worden zij door het beleid van banken op kosten gejaagd, omdat huren vaak veel duurder is dan in hun eigen koopwoning met een beperkte hypotheek en de huidige lage rente te blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het te rechtvaardigen dat mensen min of meer gedwongen moeten verhuizen?
DNB concludeert op basis van haar onderzoek dat een groot deel van de huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek mogelijk onvoldoende spaargeld en andere financiële bezittingen heeft om de hypotheek voor of op de einddatum volledig af te lossen. Het is echter de vraag of het voor alle consumenten noodzakelijk is om de hypotheek volledig af te lossen op de einddatum. Consumenten kunnen er ook voor kiezen (een gedeelte van) de hypotheek door te rollen (te herfinancieren) op de einddatum. Indien dit op basis van de geldende leennormen verantwoord is, zal het in de praktijk geen probleem opleveren om op de einddatum de hypotheek te herfinancieren. Van gedwongen verkoop zal dan bij deze consumenten dus geen sprake zijn.
In sommige gevallen is het mogelijk niet verantwoord om de hypotheek op de einddatum te herfinancieren omdat de consument een te laag inkomen heeft om de woonlasten te betalen. Door tijdig te anticiperen op deze situatie kunnen mogelijke herfinancieringsproblemen op de einddatum voorkomen worden of kan gezocht worden naar een toekomstbestendige woning die beter past bij het inkomen. In hoeverre dit onwenselijk is voor de consument hangt van zijn/haar situatie op dat moment af.
Hoe verhoudt de zorgplicht van banken zich tot de stelling van banken dat aan het einde van de looptijd de volledige hypotheeksom moet worden voldaan? Denkt u dat mensen dat verwachten en vindt u dat mensen daar goed over zijn voorgelicht?
Bij het aangaan van een hypotheek gaat een consument een verplichting aan met de kredietverstrekker over de voorwaarden van het krediet en de wijze waarop het krediet op termijn moet worden terugbetaald. Bij een volledig aflossingsvrije hypotheek geldt dat gedurende de looptijd de consument enkel rente over het krediet betaalt en dat er geen periodiek aflossing verplicht is. Hierdoor zijn de maandelijkse lasten van een aflossingsvrije hypotheek laag. De aflossing van het krediet vindt plaats op de einddatum, meestal na 30 jaar. Er zijn ook aflossingsvrije hypotheken afgesloten zonder einddatum. Bij deze hypotheken heeft de consumenten na 30 jaar geen recht meer op hypotheekrenteaftrek, maar hoeft het krediet (nog) niet te worden afgelost. Gelet op de aandacht voor de mogelijke risico’s die kunnen ontstaan op de einddatum, zullen kredietverstrekkers de groep risicovolle klanten met voorrang benaderen om hen te wijzen op de mogelijkheden om eventuele problemen te voorkomen.
DNB geeft aan dat de helft van de huishoudens een aflossingsvrije lening combineert met een lening waarop wel wordt afgelost tijdens de looptijd of aan het einde daarvan. Dit beperkt het risico voor de consument.
Tot slot geeft DNB aan dat veel leningen over 15 tot 20 jaar aflopen. Dit geeft kwetsbare huishoudens een lange periode om maatregelen te nemen om het risico op problemen op de einddatum te voorkomen.
Deelt u de mening dat het een heel vreemd uitgangspunt van banken is, te verwachten dat mensen na 30 jaar de volledige hypotheek zelf bij elkaar gespaard hebben en kunnen aflossen? Dan hadden banken toch beter een spaarhypotheek kunnen adviseren?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u ook dat op banken een plicht rust om na afloop van de aflossingsvrije periode met mensen een oplossing te zoeken, met als uitgangspunt dat zij zoveel mogelijk in hun eigen huis kunnen blijven wonen?
Kredietverstrekkers brengen nu de risico’s van hun hypotheekportefeuille in kaart en zetten zich in om klanten die kwetsbaar zijn te activeren. Kwetsbare groepen zullen door de kredietverstrekker met voorrang benaderd worden om de situatie van de klant verder in kaart te brengen en te kijken welke mogelijkheden er zijn om mogelijke problemen op de einddatum te voorkomen. Op kredietverstrekkers rust een verplichting om consumenten te informeren over bijvoorbeeld wijzigingen in de wet die voor de consument belangrijk zijn. Ook bij de consument ligt een verantwoordelijkheid, namelijk om de contractuele afspraken die met de kredietverstrekker zijn gemaakt na te komen, en op tijd stappen te zetten om mogelijke problemen te voorkomen.
Op dit moment heb ik geen indicatie dat de regelgeving, welke juist bedoeld is om problemen in de toekomst (door overkreditering) te voorkomen, knellend is en tot problemen leidt bij consumenten met een aflossingsvrije hypotheek. Mochten deze knelpunten er zijn, dan roep ik partijen op dit te melden. Deze knelpunten kunnen dan worden besproken op het Platform Hypotheken met onder andere de sector, consumentenorganisaties en de AFM.
Bent u bereid te kijken of de huidige regels die de Autoriteit Financiële Markten (AFM) hanteert knellend zijn en waar mogelijk die knelpunten weg te nemen?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kan het dat overwaarde van huizen door ouderen in Nederland zo slecht kan worden benut, terwijl daar in veel andere landen zulke goede ervaringen mee zijn?
Ik vind het belangrijk dat er voor senioren mogelijkheden zijn om (een deel van) de overwaarde op hun woning op een verantwoorde manier te verzilveren. Op dit moment hebben senioren die in de huidige woning willen blijven wonen en (een deel van) de overwaarde in hun woning willen verzilveren verschillende opties. Een veel gebruikte optie is het afsluiten van een aflossingsvrije hypotheek voor een deel van de waarde van de woning. Daarnaast zijn er marktpartijen die specifieke producten aanbieden, zoals een krediethypotheek, opeethypotheek of een sale-and-lease-backconstructie. Het is ook mogelijk om de overwaarde vrij te maken door de woning te verkopen en te verhuizen naar een andere woning.
Het is verstandig dat consumenten zich goed laten adviseren als zij gebruik willen maken van deze mogelijkheden.
Zou het niet goed zijn, vooral voor ouderen met een beperkt pensioen, dat zij een deel van de overwaarde van hun huis zouden kunnen opnemen?
Zie antwoord vraag 11.
Wat vindt u van het Noorse model, waarbij mensen op twee manieren kunnen kiezen tegen redelijke voorwaarden hun overwaarde te verzilveren?
In Noorwegen zijn, net als in Nederland, verschillende mogelijkheden om de overwaarde in de eigen woning te verzilveren. Het is echter niet eenvoudig om de voor- en nadelen van verschillende hypotheekproducten in andere landen met elkaar te vergelijken omdat dit erg afhankelijk is van nationale wet- en regelgeving.
Het Noorse model lijkt in bepaalde opzichten op een krediethypotheek, waarbij de consument flexibel bedragen kan opnemen (bijlenen) die worden bijgeschreven bij de hypotheekschuld. Er gelden in Noorwegen voor dit product geen minimum opnamebedragen en er kan tot 75% van de woningwaarde worden «verzilverd». Deze flexibiliteit heeft voordelen, maar er zijn ook risico’s aan verbonden. De hogere hypotheekschuld gaat gepaard met hogere rentelasten voor de consument, die de consument moet kunnen voldoen. Er zijn in Nederland in principe geen belemmeringen om een dergelijk product op de markt te brengen. Er bestaan reeds vergelijkbare producten. Wel geldt er in een Nederland een verplichte inkomenstoets om te bepalen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt.
De mogelijkheden om in Nederland de overwaarde uit de eigen woning te verzilveren en mogelijke knelpunten hierbij worden besproken met de sector tijdens het Platform Hypotheken. Over de uitkomsten van deze platformbijeenkomsten zal uw Kamer voor de zomer nader worden geïnformeerd.
Bent u bereid in Nederland de seniorenlening en de «Bankrekeninghypotheek» (Rammelån eller Fleksilån) mogelijk te maken door met banken in gesprek te gaan?
Zie antwoord vraag 13.
Een brede open studie naar het zorgstelsel en de zorgkosten |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u in het debat over de Algemene Financiële Beschouwingen gezegd heeft, nadat meerdere fracties in de Kamer u verzocht hadden de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) te laten kijken naar het zorgstelsel en de zorgkosten die systematisch harder groeien dan de economie: »Ik denk dat het verstandig is dat ik de geluiden die ik Kamerbreed heb gehoord, bespreek met één bewindspersoon of beide bewindspersonen van VWS en dat we dan als kabinet het gesprek aangaan met de WRR»?1
Hebben de voorgenoemde gesprekken plaatsgevonden en wat was de uitkomst?
Ja, wij hebben uw verzoek besproken en steunen het verzoek van harte. Wij zijn hierover nu in overleg met de WRR. Er heeft inmiddels een tweetal besprekingen op ambtelijk niveau plaatsgevonden. Zoals het kabinet heeft aangegeven tijdens het debat in de Tweede Kamer beslist de WRR over zijn eigen werkprogramma. De Raad heeft ons verzoek in beraad en beslist vermoedelijk dit voorjaar of dit onderzoek een plaats kan krijgen in het werkprogramma.
Zijn het kabinet en de WRR bereid om een brede open studie te verrichten naar het zorgstelsel en de zorgkosten?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ' Loek Winter omzeilt winstverbod zorg ' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Loek Winter omzeilt winstverbod zorg»?1
Ja.
Klopt het dat het verbod om winst te maken in de zorg ook inhoud dat eigenaren van een zorginstelling geen publiek geld mogen overmaken aan privé besloten vennootschappen (bv’s) die daarop dividend uitkeren?
Over winstuitkering door zorgaanbieders zijn regels gesteld in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). De WTZi bepaalt dat aan instellingen met een winstoogmerk slechts een toelating wordt verleend indien die instelling een bij algemene maatregel van bestuur gespecificeerde vorm van zorg aanbiedt. De regels verschillen per sector en dit is uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WTZi. Het staat WTZi-toegelaten instellingen in principe vrij om een deel van de activiteiten uit te besteden, ook aan besloten vennootschappen.
In het toegezegde standpunt over winstuitkering in de zorg zal ook worden ingegaan op de relatie tussen het verbod op winstoogmerk en bepaalde bedrijfsstructuren waarbij activiteiten worden ondergebracht bij dochterondernemingen of derden. Zoals mijn collega van Medische Zorg en Sport uw Kamer in zijn brief van 13 februari 2018 heeft toegelicht, is het streven dit standpunt in het voorjaar naar uw Kamer te sturen.2
Klopt het dat constructies met onderaannemers in de zorg ook vaak gebruikt worden om de Wet normering topinkomens(WNT)te ontwijken?
De WNT is van toepassing op instellingen met een toelating op grond van de WTZi. Bv’s die als onderaannemer zorg leveren aan de zogenaamde WTZi-instelling hebben zelf geen WTZi-toelating nodig en om die reden is de WNT niet van toepassing. Dit kan leiden tot ontwijkconstructies. Het tegengaan van mogelijke ontwijkconstructies heeft prioriteit. Daarom wordt, samen met de Minister van BZK, gewerkt aan een wetstraject om onderaannemers onder de WNT te brengen en zodoende ontwijkconstructies aan te pakken. Het streven is dat het wetsvoorstel voor het einde van het jaar bij uw Kamer aanhangig wordt gemaakt. De Minister van BZK en de Minister voor Medische Zorg en Sport hebben uw Kamer hierover op 22 februari 2018 geïnformeerd.3
Zijn er minder restricties in instellingen voor mensen met een beperking om winst te maken in de zorg dan in andere zorginstellingen (ziekenhuizen, verpleeginstellingen)?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb toegelicht, zijn over winstuitkering door zorgaanbieders regels neergelegd in de WTZi en het Uitvoeringsbesluit WTZi. Deze regels verschillen per zorgsector. Op grond van de WTZi en het Uitvoeringsbesluit WTZi kan als vuistregel worden gehanteerd dat winstuitkering is toegestaan voor aanbieders van extramurale zorg maar is verboden voor aanbieders van intramurale zorg.
Klopt het dat het vastgoed van een zorginstelling het meest ondoorzichtige onderdeel is en daardoor het meest kwetsbaar voor omzeilingen van het verbod om winst te maken in de zorg?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb toegelicht, staat het WTZi-toegelaten instellingen in principe vrij om een deel van de activiteiten uit te besteden. Dat geldt ook voor vastgoed. In het toegezegde standpunt over winstuitkering in de zorg zal nader worden ingegaan op de relatie tussen het verbod op winstoogmerk en bepaalde bedrijfsstructuren waarbij activiteiten worden ondergebracht bij dochterondernemingen of derden.
Houdt de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de redelijkheid van de huurprijs die aan cliënten wordt gevraagd en de investeringen in het onderhoud van een zorginstelling? Zo nee, wie wordt geacht daarop toezicht te houden?
De IGJ houdt geen toezicht op de huurprijzen die zorgaanbieders vragen aan hun cliënten. Wanneer sprake is van afzonderlijke huurovereenkomsten op basis van scheiden wonen en zorg kan een cliënt, afhankelijk van de aard van het geschil en het type woning dat het betreft (zelfstandige of onzelfstandige woonruimte, geliberaliseerd of gereguleerd), naar de Huurcommissie of de kantonrechter stappen. Verder gaan zorgaanbieders zelf over de investeringen in het onderhoud van hun vastgoed. De gemeente houdt daarbij toezicht op de naleving van het Bouwbesluit. Op het moment dat achterstallig onderhoud leidt tot risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg grijpt de IGJ in.
Overigens wordt in de berichtgeving niet gesproken over afzonderlijke huurovereenkomsten met cliënten maar over zorg in natura, waarbij het verblijf wordt bekostigd vanuit de Wlz.
Welke mogelijkheden heeft een cliëntenraad om, wanneer zij menen dat er onvoldoende geïnvesteerd wordt in het onderhoud van de zorginstelling, dit af te dwingen bij de directie?
De cliëntenraad heeft het recht om het investeringsbeleid van de zorginstelling op de agenda te plaatsen in zijn overleggen met het bestuur van de zorginstelling en kan hierover gevraagd en ongevraagd een formeel advies uitbrengen aan het bestuur. Op grond van artikel 4 Wmcz mag de zorgaanbieder geen van het door de cliëntenraad uitgebrachte advies afwijkend besluit nemen dan nadat daarover, voor zover redelijkerwijze mogelijk, ten minste een keer met de cliëntenraad overleg is gepleegd. Daarnaast kan de cliëntenraad zich natuurlijk ook wenden tot het toezichthoudend orgaan en de ondernemingsraad om zijn eventuele zorgen te delen.
Klopt het dat de cliëntenraad inzicht moet worden gegeven in waar de directie de publieke middelen aan besteed van een zorginstelling?
Ja. Op grond van artikel 3 lid 1 sub g van de Wet medezeggenschap zorginstellingen (Wmcz) heeft de cliëntenraad een adviesrecht op de begroting en de jaarrekening van de instelling. Voorts regelt deze wet dat de zorgaanbieder de cliëntenraad tijdig en desgevraagd alle inlichtingen en gegevens dient te geven die de cliëntenraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft (artikel 5 Wmcz).
Kan het zo zijn dat bij een overname of doorstart na een faillissement de curator dusdanige eisen stelt dat daardoor ingeboet wordt op de kwaliteit van zorgverlening aan cliënten van een zorginstelling?
Het bestuur van een instelling is te allen tijde verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlening. Eventuele afspraken met een curator in geval van een doorstart of overname doen hier niets aan af.
Het bericht 'Steenkolenoverslag Rotterdamse haven met 25 jaar verlengd' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Steenkolenoverslag Rotterdamse haven met 25 jaar verlengd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Rotterdamse haven elke mogelijkheid moet aangrijpen om de invoer van kolen te ontmoedigen zodat de energietransitie kan worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Het overgrote deel van de kolenoverslag in de Rotterdamse haven wordt doorgevoerd naar Duitsland en wordt daar gebruikt voor energieopwekking en in de staalindustrie. Het afbouwen van kolenoverslag in Rotterdam zou deze ladingstroom en de daaraan verbonden toegevoegde waarde en werkgelegenheid enkel verplaatsen naar Duitse en Belgische zeehavens. Het beperken van de op- en overslag van kolen in Rotterdam leidt niet tot vermindering van de CO2-uitstoot. De oplossing zit in het verminderen van het gebruik van kolen, niet in het verleggen van de route naar de eindgebruikers.
De vermindering van het gebruik van kolen is al zichtbaar in de cijfers van de Rotterdamse haven. In het eerste kwartaal van dit jaar is er een afname van 19% van de kolenoverslag ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Deze afname is met name het gevolg van sluiting van oude kolencentrales in Duitsland en Nederland. Over heel 2017 was er ook een afname van de kolenoverslag.
Deelt u de mening dat het feit dat de kolenoverslag in de Rotterdamse haven de grootste van Europa is niet strookt met het ondertekenen van het klimaatakkoord van Parijs door Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Rotterdamse haven op andere manieren, bijvoorbeeld door het verhogen van tarieven, steenkool kan weren?
Contracten en tariefstellingen zijn een zaak tussen het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) en haar klanten, waaronder kolenoverslagbedrijven. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 2, 3 en 5, zou beperking van kolenoverslag in Rotterdam de goederenstroom verleggen naar Belgische en Duitse havens en daarmee geen effectieve maatregel zijn voor reductie van CO2-uitstoot.
Gaat u er bij het Havenbedrijf Rotterdam op aandringen om alles in het werk te zetten om de invoer van steenkool te ontmoedigen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wie is verantwoordelijk voor de strategische keuzes op lange termijn voor de Rotterdamse haven? Het havenbedrijf, de gemeente Rotterdam of heeft het Rijk ook een rol?
Een eerste verantwoordelijkheid ligt bij HbR zelf, dat middels haar eigen ondernemingsstrategie invloed heeft op de strategische keuzes voor de Rotterdamse haven als geheel. HbR stelt deze ondernemingsstrategie op en voert deze uit. Als aandeelhouders van HbR zijn de Staat en de gemeente Rotterdam betrokken bij de totstandkoming van de strategie en keuren deze de strategie goed. In de huidige ondernemingsstrategie is de duurzaamheid in de logistieke ketens en het industriecluster één van de pijlers voor de toekomst van de haven. HbR opereert vanzelfsprekend niet alleen, maar investeert samen met haar klanten en stakeholders in duurzame groei van het haven- en industriegebied.
Daarnaast neemt de energietransitie als één van de pijlers van de toekomstige ontwikkeling van de haven in de bredere Havenvisie 2030 «Port Compass» een belangrijke plek in. Ook bij de totstandkoming, de realisatie en de monitoring van deze visie zijn het Rijk en de gemeente Rotterdam betrokken. De jaarlijkse voortgangsrapportage is een gezamenlijk product van de convenantpartners Deltalinqs, HbR, gemeente Rotterdam, provincie Zuid-Holland en het Rijk (ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Infrastructuur en Waterstaat).
De energietransitie en het klimaat staan voorts als vraagstukken bij de Rotterdamse haven op de kaart door de betrokkenheid bij de gesprekken over een Klimaatakkoord. Zoals bekend zet het kabinet in op een transitie naar een CO2-arme en circulair producerende industrie. Daarvoor zijn er momenteel vijf sectorale tafels ingesteld, waaronder één voor de industrie. Als grootschalig industrieel cluster maakt de Rotterdamse haven daarvan een belangrijk onderdeel uit. Alle partijen die actief zijn in het Rotterdamse havenindustrieel complex hebben hierin een verantwoordelijkheid.
Is er een visie voor het behoud van werkgelegenheid in onze havens als de fossiele sector meer en meer uit wordt gefaseerd?
Het kabinet zet in op een transitie naar een CO2-arme en circulair producerende industrie. Dat vergt naast het afbouwen van industriële processen en vergroening van bestaande industrieën (ombouw) het initiëren en aantrekken van nieuwe duurzame industrieën (opbouw). Het kabinet wil in Nederland een vestigingsklimaat creëren dat specifiek aantrekkelijk is voor industriële activiteiten die bijdragen aan CO2-neutrale processen en wil deze industriële bedrijvigheid en de nieuwe banen die daarmee samenhangen aantrekken.
Zouden de kades voor de kolenoverslag niet beter gebruikt kunnen worden om (container-)vracht over te slaan naar binnenvaartschepen om zo de modal-split te verbeteren?
Veel droge lading, waaronder kolen, wordt per binnenvaart vervoerd naar het achterland. In het licht van de hierboven al aangehaalde doorvoer van kolen en de autonome vraag naar kolen in Duitsland geldt voor dit moment dat er nog steeds kades in de Rotterdamse haven nodig zijn voor de kolenoverslag. Als in de loop van de mondiale transitie naar een CO2-arme en circulair producerende industrie de behoefte aan kolendoorvoer naar Duitsland afneemt, zullen als gevolg daarvan ook de kades voor kolenoverslag minder nodig zijn. Of dat betekent dat die dan beschikbaar komen voor containeroverslag met aan- en afvoer via binnenvaartschepen is nog niet te voorzien. Ook de circulaire economie zal naar nu verwacht wordt met bulkvervoer van o.a. biomassa gepaard gaan die op de huidige kolenkades kan worden overgeslagen. De aanwending van de kades in de Rotterdamse haven is bovendien niet aan het kabinet, maar aan HbR zelf.
Het havenbedrijf is daarbij overigens al actief met het bevorderen van de modal-split: het stimuleren van verdere transport via spoor of binnenvaart.
Het bericht ´Mister Cloud’ |
|
Monica den Boer (D66), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het interview in Blauw (editie februari 2018) van de heer L. Kuijs («Mister Cloud»), directeur van de Politieacademie en portefeuillehouder Kennis binnen de politie?
Ja.
Kunt u aangeven in welke opzichten het in dit interview verwoorde concept van de «Kenniscloud» afwijkt van het (reeds vanaf 2000) ontwikkelde Politiekennisnet (PKN), dan wel Kennis op Maat Politie (KomPol), dat sinds 2013 het PKN verving? Was het PKN c.q. KomPol ook niet een concept waarbij kennis vanuit de politiepraktijk – met behulp van zo’n 800 auteurs onder begeleiding van ervaren kennismakelaars – actueel werd gehouden? Vervulde de Politieacademie een centrale rol in het ontsluiten, veredelen en valideren van die aangeleverde informatie? Functioneert KomPol nog? Wat heeft de Politieacademie de afgelopen jaren gedaan om het PKN c.q. KomPol actief te houden c.q. te onderhouden? Welke lessen zijn in het kader van het PKN c.q. KomPol geleerd die bij het opzetten van de «Kenniscloud» benut kunnen worden?
Kennis op maat politie (Kompol) en de mediacollectie zijn de belangrijkste kennisdiensten van de Politieacademie. Doorwerking van politie specifieke kennis in onderwijs en praktijk staat centraal. Daarvoor worden voortdurend verbindingen gelegd tussen deze kennisdiensten onderling, het team Onderzoek, andere kennisinstellingen, de politiepraktijk en het politieonderwijs. Dit bevordert het eenduidig werken volgens de laatste stand van zaken. Wanneer bijvoorbeeld het OM met de politie afspraken maakt, worden deze in samenwerking met de experts vertaald tot gevalideerde politiekundige kennis op Kompol.
De kenniscloud faciliteert en verbindt de bestaande kennisinitiatieven en betrokken afdelingen en medewerkers. Het zorgt ervoor dat politiemensen vakinhoudelijke informatie eenvoudiger kunnen opzoeken en delen. De kenniscloud is feitelijk dus een geordende verzameling van politiekennis, die online te benaderen is en daarom een aanvulling op Kompol.
Kunt u aangeven wat de rol is van «communities of practice», moderatoren en kennis-referenten? Welke actor geeft de doorslag bij het valideren van kennis voor en door de politie?
De «communities of practice» (COP) zijn (informele)groepen politiemensen die zich op basis van kennis van en/of affiniteit met een onderwerp hebben georganiseerd. Binnen deze groep wordt kennis en expertise gedeeld en verdiept.
Kennis binnen de politieorganisatie wordt op deze wijze beter samengebracht. Indien het gaat om kennis waarover beleid is vastgesteld is de betreffende portefeuillehouder binnen de politie doorslaggevend voor het valideren van kennis.
Vindt u het juist dat in het interview geen melding wordt gemaakt van de noodzaak tot het delen van kennis met de ketenpartners van de politie, zoals de Koninklijke Marechaussee, het openbaar ministerie, de Immigratie en Naturalisatiedienst en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst? Kunt u helderheid verschaffen over de wijze waarop dit gebeurt en of de kennis ook daadwerkelijk wordt benut door de ketenpartners?
De politie deelt en betrekt kennis in haar netwerk. Zo ondersteunt, faciliteert en verbindt de kennisfunctie van de Politieacademie (Kennis- en Informatieknooppunt, KIK) naast de politie ook ketenpartners, zoals het Openbaar Ministerie (OM), de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de Koninklijke Marechaussee (KMar).
Wat is het businessmodel dat ten grondslag ligt aan de «Kenniscloud«? Is het louter een netwerkmodel dat is gebaseerd op het belangeloos geven en delen van informatie, of is sprake van abonnementen en belangen van commerciële uitgevers?
Er is geen sprake van commerciële belangen. Kenniscloud is gericht op het delen van kennis binnen de politieorganisatie, zodat beschikbare kennis toegankelijk wordt gemaakt voor iedere politiemedewerker die dit nodig heeft. Indien gewenst en noodzakelijk, wordt de kennis ook gedeeld met ketenpartners.
Deelt u de opvatting van de heer Kuijs «dat de meeste parate kennis aanwezig is bij net afgestudeerde agenten»? Hoe verhoudt de ervarings- en praktijkkennis van politiemensen uit de praktijk zich hiertoe? Hoe kijkt het korps en de korpschef hier naar?
Wat theoretische kennis betreft is deze vaak het meest paraat bij mensen die deze kortgeleden geleerd hebben. Kennis en ervaring uit de praktijk zijn uiteraard ook zeer waardevol en volop aanwezig bij politiemensen met meer werkervaring. In aanvulling hierop is het ook zaak dat politiemedewerkers gedurende hun loopbaan de voor hun functie benodigde parate kennis goed onderhouden. Naar aanleiding van mijn toezegging op een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de parate kennis van politieambtenaren in de basispolitiezorg1 ontwikkelt de politie op dit moment het zogenoemde Kwaliteitssysteem Vakbekwaamheid.
Herkent u zich in de constatering van de heer Kuijs dat ten aanzien van het vermeende gebrek aan kwaliteit van processen-verbaal het grootste probleem is dat «elke officier (van justitie) zijn eigen eisen heeft voor het dossier». Deelt de korpschef en de leiding van het openbaar ministerie deze opinie? Hoe verhoudt deze constatering zich tot de conclusies van het rapport «Handelen naar waarheid» en het daarop gebaseerde verbeterprogramma?
Politie en OM werken in het Kwaliteitsprogramma politie-OM al enige jaren samen aan de verbetering van opsporing en vervolging. Een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsprogramma is het verbeteren van de kwaliteit van het procesdossier (proces-verbaal) bij veel voorkomende criminaliteit. In 2017 is de politie, samen met het OM, gestart met de implementatie van de «kwaliteitsstandaard procesdossier VVC», zodat er op een eenduidige manier gewerkt wordt Deze kwaliteitsstandaard is opgesteld door Politie en OM samen.