Het bericht ‘Bonden: CAO-actievoerders ziekenhuizen last van intimidatie’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat het voeren van collectieve actie een van de meest belangrijkste rechten in ons arbeidsbestel is en het inperken daarvan in flagrante strijd daarmee is?1
Werkgevers en werknemers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor collectieve afspraken over arbeidsvoorwaarden. Goede dialoog is hiertoe de sleutel. Wanneer het niet lukt om middels dialoog een akkoord te bereiken over arbeidsvoorwaarden hebben werknemers het recht om over te gaan tot collectieve acties. Het recht op collectieve actie is een sociaal recht dat is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), een verdrag van de Raad van Europa. Dit recht mag niet zomaar worden beperkt of bestraft. In hoeverre er in dit geval sprake is van schending van dit recht, is aan de rechter om te beoordelen.
Vindt u het intimideren van werknemers die (willen) deelnemen aan collectieve acties behoren bij het goed werkgeverschap waarvan ook u steeds zegt dat dat zeker in de sector zorg zo belangrijk is?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat ziekenhuiswerkgevers die hun werknemers intimideren dan wel op andere wijze belemmeren in hun recht collectieve actie te voeren een fraai visitekaartje voor de sector, en voor de zorg in het algemeen, afgeven?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zou u willen zeggen tegen ziekenhuiswerkgevers die hun werknemers belemmeren in hun recht op het voeren van collectieve actie?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u ook niet dat de werkgevers in kwestie hun energie beter kunnen richten op het afsluiten van een goede collectieve arbeidsovereenkomst voor hun werknemers?
In algemene zin hecht ik er waarde aan dat werkgevers en werknemers gezamenlijk goede afspraken maken over arbeidsvoorwaarden. Daarvoor is het van belang dat werkgevers en werknemers in kwestie de cao-besprekingen weer hervatten.
Wilt u deze vragen met spoed beantwoorden, gezien het feit dat het van het grootste belang is dat werknemers bij ziekenhuizen (maar blijkbaar vooral ook ziekenhuiswerkgevers) weten dat het inperken van het recht op collectieve acties niet aan de orde kan zijn?
Vanwege de vakantieperiode heb ik uw Kamer een uitstelbericht moeten zenden, maar stuur u bij deze, mede namens mijn collega van SZW, de antwoorden.
Het artikel ‘Zorgfraudeurs hebben vaak al een strafblad’ |
|
Arno Rutte (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Zorgfraudeurs hebben vaak al een strafblad»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de resultaten van het onderzoek van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ), die lijken te suggereren dat er sprake is van een verband tussen frauderen in de zorg en de aanwezigheid van strafrechtelijke antecedenten? Deelt u de mening dat het onderzoek waardevol is voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg voor kwetsbare mensen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het waardevol dat het IKZ heeft onderzocht of fraudeurs in de zorg ook een strafblad hebben. Het is schokkend om te lezen dat er een verband lijkt te zijn tussen bestuurders die frauderen met geld dat bedoeld is voor zorg aan kwetsbare mensen en de aanwezigheid van strafrechtelijke antecedenten. Er zijn personen die willens en wetens misbruik maken van zorggelden en frauderen. Dit dupeert patiënten, verzekerden en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het zorgstelsel onder druk. Wij zien het vervolgonderzoek van het IKZ dan ook graag tegemoet.
Hoe spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders op dit moment een rol bij de vergunningsprocedure voor nieuwe zorgaanbieders? Brengt de invoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) daar verandering in? Geven de resultaten van het IKZ onderzoek aanleiding om de Wtza verder aan te scherpen? Zo ja, waarom en hoe? Zo nee, waarom niet?
Bij de huidige WTZi-toelating spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders geen rol. Met de invoering van de Wtza bestaat de mogelijkheid de Wtza-vergunning te weigeren of in te trekken als de bestuurder na een verzoek geen VOG kan verstrekken. Deze mogelijkheid tezamen met de mogelijkheid om de vergunning te weigeren of in te trekken op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), voorkomen dat door het verlenen van vergunningen fraude wordt gefaciliteerd. De resultaten van het IKZ-onderzoek geven geen aanleiding om de Wtza aan te scherpen.
Zoals aangegeven in de brief van 9 juli 20192 zullen we de vergunningplicht in de Wtza in de toekomst wel verder uitbreiden. Gezien de complexiteit en impact pakken we dit op in een apart traject dat moet uitmonden in een nieuw aanvullend wetsvoorstel dat voortbouwt op de Wtza. Bij deze verdere uitbreiding en inrichting is van belang een goede balans te vinden tussen regeldruk en uitvoeringslasten en de effectiviteit van de vergunningplicht.
Hoe spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders een rol bij de bestrijding van fraude met PGB’s? Mag de inspectie SZW om strafrechtelijke antecedenten vragen? Zo nee, waarom niet?
De bestrijding van fraude met Pgb’s vindt in eerste aanleg plaats door verstrekkers (gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars). Het Pgb kenmerkt zich door het feit dat de cliënt een overeenkomst sluit met een zorgaanbieder. De verstrekker is geen partij bij deze overeenkomst. Indien er sprake is van fraude waarbij de cliënt het slachtoffer is van de zorgaanbieder kan de verstrekker een civielrechtelijke procedure starten teneinde het geld dat niet is besteed aan zorg terug te vorderen van de zorgaanbieder. De ISZW verricht strafrechtelijk onderzoek onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM). Het OM kan een strafrechtelijke procedure starten als de cliënt of zorgaanbieder strafbare feiten heeft gepleegd, zoals valsheid in geschrifte, oplichting, witwassen, fiscale delicten. Daarbij kunnen door de ISZW strafrechtelijke antecedenten worden opgevraagd.
Hoe worden zorgbestuurders die eerder bewezen zorgfraude hebben gepleegd gecontroleerd als zij elders in de zorg opnieuw aan de slag willen bij een bestaande zorgorganisatie of een nog op te richten zorgorganisatie? Indien die controle niet plaatsvindt, deelt u dan de mening dat dit wel zou moeten? Vindt u dat het mogelijk moet zijn om mensen die zijn veroordeeld voor bepaalde delicten te verbieden om een zorgbedrijf te starten? Kunt u uitleggen waarom wel of niet?
De raad van toezicht van een zorginstelling dient op basis van de Governancecode Zorg 2017 zich voorafgaand aan de benoeming van een bestuurder te vergewissen van het werkverleden van de bestuurder, diens integriteit, kwaliteit en geschiktheid voor de functie. Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is in de Wtza de mogelijkheid opgenomen de Wtza-vergunning te weigeren of in te trekken als de bestuurder na een verzoek geen VOG kan verstrekken. Deze wet biedt tevens de mogelijkheid om een onderzoek te starten op grond van de Wet Bibob, waarna ook op basis van die bevindingen tot weigering of intrekking van een vergunning kan worden overgegaan. Daarnaast geldt onder de Wet kwaliteit, klachten geschillen zorg (Wkkgz) een vergewisplicht voor zorgaanbieders. Zij dienen zich ervan te vergewissen dat de wijze waarop zorgverleners in het verleden hebben gefunctioneerd niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg. Tot slot moeten zorgaanbieders op grond van de Wkkgz een VOG overleggen voor alle zorgverleners en andere personen die met cliënten in contact kunnen komen, indien zij langdurige zorg leveren of ggz zorg verlenen in een instelling waar mensen ook ’s nachts kunnen verblijven.
Hoe kan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) bijdragen aan de aanpak van zorgfraude? Wat kan de zorg daarbij leren van het onderwijs als het gaat om het inzetten van de Wet Bibob, waar het instrument onlangs is ingezet (in geval van het Haga lyceum) maar wel als ongebruikelijk werd gezien?
Met het wetsvoorstel Wtza en bijbehorend wetsvoorstel Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders wordt de Wet Bibob van toepassing op de vergunningverlening voor het leveren van zorg (artikel 5, tweede lid Wtza). Daarnaast wordt het met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bibob mogelijk om de Wet Bibob toe te passen op alle overheidsopdrachten, waaronder ook die in de zorgsector.3 Dit wetsvoorstel is op 4 maart 2019 aan uw Kamer verzonden. De toepassing van de Wet Bibob geeft bestuursorganen de mogelijkheid om haar eigen integriteit te beschermen door te voorkomen dat zij ongewild criminele activiteiten faciliteert. Een Bibob-onderzoek kan gestart worden wanneer een bestuursorgaan een vermoeden heeft dat er een risico bestaat op misbruik van een vergunning of een subsidie, een overheidsopdracht of een vastgoedtransactie. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen en geeft hen ruimte om in concrete individuele gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen.
Wat betreft het leren van de inzet van de Wet Bibob op andere domeinen kan ik in algemene zin opmerken dat bestuursorganen zich hierbij kunnen laten voorlichten, adviseren en/of ondersteunen door het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Het LBB heeft een belangrijke rol in het bewaken en waarborgen van een uniforme toepassing van de Wet Bibob en de kwaliteit van het onderzoek door bestuursorganen en heeft daarmee in de loop der tijd veel kennis, expertise en ervaring opgebouwd. Voorts valt ook onderwijsbekostiging onder de reikwijdte van de Wet Bibob. Met het voorliggende voorstel tot wijziging van de Wet Bibob wordt dit voor de rechtszekerheid geëxpliciteerd.4
Neemt u de aanbevelingen van het IKZ over vervolgonderzoek over? Zo ja, hoe gaat dit vervolgonderzoek er uit zien en wanneer kunnen we de publicatie hiervan verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ik neem de aanbevelingen van het IKZ over een vervolgonderzoek over. Het IKZ beslist echter zelf wanneer en in welke vorm zij tot publicatie van dit vervolgonderzoek zullen overgaan.
Desgevraagd heeft het IKZ aangegeven dat zij ernaar streven om deze zomer een voorstel voor een vervolgonderzoek uit te werken en dat dit voorstel in het najaar van 2019 aan haar partners zal worden voorgelegd. Zodra de uitkomsten van dit vervolgonderzoek bekend zijn, zullen wij dit delen met uw Kamer.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «China muslims: Xinjiang schools used to separate children from families»?1
Ja.
Wat vindt u van het bericht dat de Chinese overheid kinderen van Oeigoerse afkomst gedwongen weghaalt uit hun gemeenschap om hen in internaten te plaatsen?
Het kabinet vindt de berichtgeving over het gedwongen scheiden van Oeigoerse kinderen van hun ouders zeer zorgelijk. Het kabinet heeft geen reden om aan de berichtgeving te twijfelen maar kan dit niet op basis van eigen informatie bevestigen. Vanwege de strikte beveiliging en controle in Xinjiang is onafhankelijke toetsing van de berichtgeving in de praktijk niet haalbaar.
Deelt u de mening dat het bewijs verzameld door onderzoeker Adrian Zenz, aangehaald in het artikel, het zeer aannemelijk maakt dat dit op grote schaal gebeurt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat hier waarschijnlijk sprake is van schending van het «Verdrag inzake de rechten van het kind», dat ook door China is geratificeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u van plan hier op te reageren? Welke mogelijkheden ziet u om China ter verantwoording te roepen voor eventuele schendingen van het verdrag? Bent u bijvoorbeeld bereid deze kwestie in VN-verband ter sprake te brengen?
Met dien verstande dat de berichtgeving niet op basis van eigen informatie kan worden bevestigd, is het gedwongen scheiden van kinderen van hun ouders, als gevolg van het zonder strafrechtelijk proces vastzetten van de ouders vanwege hun religieuze en/of etnische achtergrond, in de visie van het kabinet onacceptabel en in strijd met VN-mensenrechtenverdragen, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind.
De motie Kuzu (35 000 V, nr. 42) roept het kabinet op om in VN-verband draagvlak te vinden voor het per direct sluiten van de Chinese heropvoedingskampen in Xinjiang. Deze kampen zijn deels oorzaak van het probleem dat kinderen van hun ouders worden gescheiden. Dit kabinet geeft uitvoering aan de motie door consistent te blijven pleiten voor toegang van VN-mensenrechtenexperts tot Xinjiang. Het antwoord op Kamervragen van de leden Kuzu en Ploumen (verzonden op 27 juni jl. met kenmerk 2019Z10940) bevat een overzicht van recente inspanningen van dit kabinet ter uitvoering van de motie. Dit kabinet is tevens bereid om specifieke zorgen over het gedwongen scheiden van kinderen van hun ouders in Xinjiang tijdens een volgende bilaterale mensenrechtendialoog met China aan te kaarten.
Deelt u de mening dat er tot op heden geen aanwijzing is dat de Chinese overheid iets doet aan de mensenrechtensituatie in Xinjiang, ondanks het feit dat Nederland en gelijkgezinde landen hier regelmatig aandacht voor vragen? Zo nee, welke aanwijzingen heeft u hiervoor? Zo ja, wat betekent dit voor uw toekomstige inzet om de mensenrechtensituatie in Xinjiang te verbeteren?
In het antwoord op de bovengenoemde Kamervragen van de leden Kuzu en Ploumen geeft het kabinet aan dat de opstelling van China verandert, wat aantoont dat de druk van Nederland, de EU en andere gelijkgezinde landen effect sorteert. De mensenrechtensituatie in Xinjiang laat echter nog geen verbetering zien. Om die reden blijft dit kabinet inzetten op het verhogen van de internationale druk op China om VN-mensenrechtenexperts toe te laten tot Xinjiang.
De inspanningen van dit kabinet werpen vruchten af. Zo stuurden 22 landen, waaronder Nederland, op 8 juli jl. een brief over Xinjiang aan de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad en de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN. Inmiddels is het aantal landen dat deze brief steunt opgelopen tot 24. Nog niet eerder spraken zoveel landen zich uit over de mensenrechtensituatie in Xinjiang.
Bent u bereid om sancties op te leggen aan specifieke individuen betrokken bij mensenrechtenschendingen in Xinjiang? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven blijft het kabinet zich inspannen om de mensenrechtensituatie in Xinjiang te verbeteren. Hiervoor worden verschillende initiatieven ondernomen, zowel bilateraal als op niveau van de VN en de EU. In multilateraal verband wordt momenteel niet gesproken over het instellen van sancties. Om effectief te zijn is voor sancties brede internationale steun nodig.
De Chinese markt is aantrekkelijk voor Nederlandse bedrijven. Bedrijven dienen echter beducht te zijn voor risico’s, zoals bescherming van intellectueel eigendom en ongewenste toepassingen van de geleverde producten door Chinese afnemers. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor hun due diligence. Daarbij dienen zij rekening te houden met de mogelijkheid dat Chinese partners een aandeel hebben in de totstandkoming van surveillancesystemen die beperking van fundamentele vrijheden van Chinese burgers tot gevolg hebben. In het geval van vergunning plichtige dual-use goederen kan een vergunning worden afgewezen, indien er zorgen bestaan ten aanzien van het eindgebruik in relatie tot mensenrechtenschendingen.
Bent u bereid om sancties op te leggen aan bedrijven die betrokken zijn bij het bouwen van «heropvoedingskampen» en kinderinternaten in Xinjiang? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het opzetten van een uitgebreid surveillance systeem onderdeel uitmaakt van de onderdrukking van de Oeigoeren in Xinjiang? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om sancties op te leggen aan bedrijven die betrokken zijn bij het leveren van surveillance apparatuur in Xinjiang?
Zie antwoord vraag 6.
Dat er mogelijk meer versterkingen nodig zijn door onnauwkeurige metingen |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Kent u het artikel van 10 juli 2019 van RTV Noord over mogelijk meer noodzakelijke versterkingen?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, wij zijn bekend met het artikel. Wij vinden het buitengewoon onfortuinlijk dat het verschil tussen de metingen met de twee netwerken tot onzekerheid over de versterkingsopgave leidt. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) geeft aan dat het mogelijk is dat er meer gebouwen zullen moeten worden opgenomen en beoordeeld om vast te stellen of versterking nodig is. SodM geeft tegelijkertijd aan dat dit niet leidt tot een andere prioritering en daarmee geen effect heeft op de volgorde die op dit moment is vastgelegd in de lokale plannen van aanpak. Daarmee loopt de uitvoering van de versterking geen vertraging op.
Deelt u de mening dat de berekening van risico’s die de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) gaat doen, veel te lang op zich laat wachten? Erkent u dat dit de onzekerheid bij Groningers nog meer doet toenemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waar onzekerheid bestaat over de data of het gebruik daarvan, moet deze zo snel en zorgvuldig mogelijk worden weggenomen. SodM heeft aangegeven dat de audit van het gehele seismische meetsysteem 12 tot 18 maanden in beslag neemt en dat deze tijd nodig is voor de genoemde zorgvuldigheid. SodM adviseert ook geen onmiddellijke aanpassing van de versterkingsoperatie en geeft aan dat de geconstateerde verschillen tussen de metingen verkregen met twee netwerken niet leiden tot een andere prioritering en daarmee geen effect heeft op de volgorde die op dit moment is vastgelegd in de lokale plannen van aanpak. Daarmee loopt de uitvoering van de versterking geen vertraging op.
Als bij nadere analyse inderdaad blijkt dat meer gebouwen moeten worden opgenomen in de versterkingsoperatie, zal dat gebeuren bij de jaarlijkse actualisatie van de lokale plannen van aanpak.
Wat gaat u tot die tijd doen voor de gedupeerde Groningers? Bent u bereid woningen van mensen die een versterkingsadvies hadden voordat u de versterking stil legde, alsnog te laten versterken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen deze inwoners dan hun eigen lokale aannemer kiezen?
De versterking is niet stilgelegd en wordt versneld conform de brief van 26 juni jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 664). Het Rijk heeft samen met de regio aanvullende afspraken gemaakt over huizen die al voor de nieuwe aanpak zijn beoordeeld. Zo is bijvoorbeeld afgesproken, conform het SodM-advies, dat de huizen met een (licht) verhoogd risicoprofiel uit de zogenaamde 1581-batch (die meer dan 400 huizen behelst) wordt uitgevoerd en herbeoordeeld. De uitvoering van de versterking vindt plaats conform het reguliere proces. We werken nu aan een variant waarbij de lessen uit de programma Eigen initiatief worden betrokken.
Wanneer gaat u de Kamer informeren over de rollen en verantwoordelijkheden van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en de NAM, evenals over de rolverdeling tussen beide, wie de regie heeft en hoe de kwaliteit wordt geborgd, zoals het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) adviseert in haar rapport?2
Zoals in de brief van 10 juli jl. (Kamerstuk 2019Z14913) toegezegd nemen wij dit advies van SodM over. Aangezien er grote samenhang bestaat met de evaluatie van het KNMI naar het interne werkproces, willen wij eerst de resultaten hiervan afwachten voordat wij uitspraken doen over rolverdeling en verantwoordelijkheden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat zal u begin dit najaar over de evaluatie informeren.
Hoe verklaart u dat vlak na het bericht dat mogelijk meer woningen versterkt moeten worden, een bericht verscheen dat de NAM en woningcorporaties de stekker uit de versterkingsoperatie trekken?3 Wat is hierop uw reactie?
Wij hechten eraan te benadrukken dat het stoppen van het genoemde proefproject volledig losstaat van het geconstateerde dempingseffect in een deel van het seismisch meetnetwerk. Het staat partijen vrij om onderling afspraken te maken, waarbij de aspecten van woningrenovatie, verduurzaming en versterking samen komen. Nu het genoemde proeftraject is gestopt, betekent dit uiteraard niet dat de woningen die nog niet aan de veiligheidsnorm voldoen, niet worden versterkt. Deze komen aan de beurt tijdens de reguliere versterkingsoperatie.
Wat gaat u doen om huurders in Groningen gerust te stellen? Wat gaat u doen om deze huurders te compenseren voor hun gebrek aan veiligheid? Welke compensatie krijgen huurders voor de tijd die zij er in gestoken hebben?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven is de versterking niet stilgelegd, de versterking wordt versneld. Woningen die niet aan de veiligheidsnorm voldoen worden versterkt. Dat geldt evengoed voor huurwoningen. Daarover zijn en worden afspraken gemaakt met woningcorporaties in het aardbevingsgebied.
De manier waarop woningcorporaties huurders betrekken en compenseren, is opgenomen in hun individuele sociale statuten. Voor deze compensatie zijn en worden separate afspraken gemaakt met de woningcorporaties in het aardbevingsgebied.
De brief van de minister van Justitie en Veiligheid 'Zaak Julio Poch' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bereid de reisverslagen van januari 2008 en mei 2008 openbaar te maken? Zo nee, bent u dan wel bereid de reisverslagen ter vertrouwelijke inzage bij de Kamer te leggen?
Zoals ik mijn brief aan uw Kamer van 3 juli 20191 heb aangegeven, beschik ik sinds 24 juni 2019 alleen over het reisverslag van de tweede dienstreis in mei 2008. Zoals ik ook in die brief heb aangegeven is bij de beslissing op het Wob-verzoek over de mate van openbaarheid van dit document beslist. Dit besluit ontvangt u heden per apart schrijven.
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb bericht2 heb ik dhr. Machielse gevraagd onafhankelijk onderzoek te verrichten naar het dossier. Het betreffende reisverslag van mei 2008 is ten behoeve van dit onderzoek aan hem verstrekt. Zoals ik toen ook heb aangegeven zal ik uw Kamer te gelegener tijd informeren over de resultaten van zijn onderzoek.3
Mocht in het kader van het in de kamerbrief genoemde WOB-verzoek een gelakte versie van het reisverslag van mei 2008 openbaar worden gemaakt, bent u dan bereid een niet-gelakte versie ter vertrouwelijke inzage bij de Kamer te leggen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u, gelet op uw opvatting dat «waarheidsvinding [..] in een reeds lang lopende zaak als de onderhavige dermate belangrijk [is] dat een uiterste inspanning hiertoe op zijn plaats is»1, de politie en het openbaar ministerie verzocht alle documenten met betrekking tot de zaak van de heer Poch aan u toe te doen komen? Zo ja, wanneer heeft u dit gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom waren de reisverslagen dan niet eerder bij u bekend?
Ik heb dhr. Machielse gevraagd onafhankelijk onderzoek te verrichten naar het dossier. Het openbaar ministerie (hierna: OM) is op 27 mei 2019 verzocht de benodigde maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat dhr. Machielse over alle stukken van OM en politie kan beschikken.
Ik heb het betreffende reisverslag niet eerder dan 24 juni 2019 ontvangen, de beslissing over het verstrekken hiervan lag bij het OM.
Zijn de reisverslagen van de dienstreizen in 2008 eerder aan u toegekomen? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 3.
Sluit u uit dat er nieuwe documenten gevonden worden die nieuwe feiten in deze zaak aan het licht kunnen brengen?
Nee. Zoals ik mijn brief aan uw Kamer van 18 januari 2019 heb aangegeven, hecht ik eraan dat er duidelijkheid is over de feiten in deze zaak. Om die reden heb ik opdracht gegeven tot het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar het dossier.
Herinnert u zich uw antwoorden op vragen van de leden Sjoerdsma en Groothuizen van 1 december 20172, en uw antwoorden op vragen van dezelfde leden van 14 maart 2018?3 Klopt het, dat de vertegenwoordiger van het Argentijnse Ministerie van Justitie en Mensenrechten in mei 2008, dus vóór afronding van hun eigen onderzoek, vóór het horen van de Nederlandse getuigen in december 20084, en vóórdat de Argentijnse onderzoeksrechter in maart 2009 de aanhouding van de heer Poch beval5, al een «expliciete voorkeur heeft uitgesproken voor uitlevering van de heer Poch aan Argentinië»?6 Klopt het dus, dat er over uitlevering is gesproken vóórdat Argentinië zelf onderzoek had verricht naar deze zaak, en dat dit enkel was gebaseerd op informatie vanuit Nederland? Bent u het in het licht van deze nieuwe informatie nog steeds van mening dat deze gang van zaken «niet ongeoorloofd» is?7
Ja, die herinner ik mij. Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2019 hierover heb aangegeven blijkt dat sprake is geweest van verkennende gesprekken waarin met verschillende Argentijnse gesprekspartners is gesproken over mogelijkheden van rechtshulp, de mogelijkheden met betrekking tot uitlevering daaronder begrepen.
Ook heb ik hierbij aangegeven dat uit het verslag blijkt dat een vertegenwoordiger van het Argentijnse Ministerie van Justitie en Mensenrechten richting de Nederlandse delegatie een expliciete voorkeur zou hebben uitgesproken voor uitlevering aan Argentinië ter fine van vervolging aldaar. Daarbij werd tevens door deze Argentijnse vertegenwoordiger aangegeven dat er geen bezwaar bestond als dhr. Poch in Nederland zou worden vervolgd.
Op grond van de mij bekende feiten ben ik nog steeds van mening dat deze gang van zaken niet ongeoorloofd is.
Waarom werd er in mei 2008 gesproken over rechtshulp én over uitlevering nog voordat een onderzoek was ingesteld door de Argentijnse autoriteiten? Op wiens initiatief werd over de uitlevering gesproken?
Zie antwoord vraag 6.
Herinnert u zich uw antwoord op de vraag of door het bezoek in mei 2008, dat buiten de officiële routes om plaatsvond, de waarborgen die verdachten door middel van een reguliere uitleveringsprocedure konden worden gegarandeerd, en uw antwoord daarop: «De gesprekken in Argentinië hadden geen betrekking op uitlevering, maar stonden in het teken van een verkenning van mogelijkheden om samen te werken in het opsporingsonderzoek. Deze werkbezoeken vonden plaats in overeenstemming met de instructie opsporingshandelingen in het buitenland en vormden voor een complexe zaak als deze geen ongebruikelijke gang van zaken.»?8 Bent u een andere mening toegedaan na het lezen en het beoordelen van de gespreksverslagen, waaruit blijkt dat er wel degelijk gesproken is over uitlevering? Zo ja, welke mening? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uitsluiten of tijdens de dienstreis in januari 2008 óók gesproken is over uitlevering aan Argentinië?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb bericht strekte het werkbezoek in januari 2008 tot voorbereiding voor de latere dienstreis in mei van datzelfde jaar ter verkenning van de mogelijkheden voor samenwerking.12 Wat exact tijdens de dienstreis in januari 2008 is besproken, is mij niet bekend.
Hoe heeft u gereageerd op de gesprekken zoals die hebben plaatsgevonden tijdens de dienstreis in mei 2008, specifiek op de voorkeur van Argentijnse kant tot uitlevering?
Ik heb het reisverslag ten behoeve van zijn onderzoek aan dhr. Machielse verstrekt en uw Kamer erover geïnformeerd.
Welke acties zijn in de periode na mei 2008 door u ondernomen teneinde aan deze voorkeur te voldoen?
Nederland heeft in deze zaak na mei 2008 diverse inkomende rechtshulpverzoeken behandeld. Zodoende heeft Nederland in het kader van deze rechtshulpverzoeken op verschillende manieren medewerking verleend aan het Argentijnse onderzoek. Tegelijkertijd liep ook het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek.
Wanneer verwacht u dat het onderzoek van de heer Machielse afgerond is? Zal dit onderzoeksrapport na afronding per direct naar de Kamer worden gestuurd?
Het onderzoek van de heer Machielse is niet aan een termijn gebonden. Over zijn bevindingen zal ik uw Kamer informeren. Tevens zal ik uw Kamer blijven informeren wanneer ik op andere wijze relevante nieuwe feiten over deze zaak verneem.
Het bericht dat de schaderegeling voor het derivatendrama handjeklap zou zijn met de banken |
|
Mahir Alkaya |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Hoe reageert u op het bericht op de website Follow the Money dat de schaderegeling voor het derivatendrama «handjeklap met de banken» zou zijn?1
Mijn voorganger heeft in 2016, op advies van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) drie onafhankelijke deskundigen (de derivatencommissie) aangesteld om een uniform herstelkader op te stellen en overeen te komen met de betrokken banken. Een belangrijk uitgangspunt van dit herstelkader is dat de uniformiteit ervan de interpretatieruimte van de herbeoordeling en compensatie door banken minimaliseert. Bij het opstellen van het kader hebben de deskundigen gesprekken gevoerd met zowel de banken als vertegenwoordigers van MKB- en claimorganisaties.
Herkent u zich in de observatie dat «de derivatencommissie te weinig vanuit het belang van de gedupeerden heeft gedacht en teveel naar de banken luisterde»?2 Wat gaat u doen om dit te onderzoeken en recht te zetten?
In algemene zin geldt dat het systeem dat is ingericht voor de afwikkeling van de rentederivatendossiers door de banken garant staat voor een hoge mate van zorgvuldigheid voor de gedupeerden. Bij het opstellen van het Uniform Herstelkader (UHK) zijn zowel de banken als MKB- en claimorganisaties betrokken geweest. De deskundigen van de derivatencommissie hebben mijn voorganger destijds aangegeven dat de grootste belangenbehartigers van het MKB het kader als positief beoordelen voor een overgroot deel van de MKB-ondernemers. De indruk die in het artikel wordt gewekt dat de derivatencommissie te veel naar de banken luisterde, deel ik daarom niet.
Deelt u de mening dat het geen acceptabele manier van werken is wanneer banken dreigen met het opzeggen van hun krediet wanneer ondernemers die onder het Uniform Herstelkader (UHK) vallen desalniettemin trachten hun recht te halen door middel van een rechtsgang? Wat gaat u doen om op te treden tegen deze vorm van machtsmisbruik en intimidatie?
Bij de AFM zijn geen gevallen bekend waarbij banken het krediet dreigen op te zeggen wanneer mkb-ondernemingen die onder het bereik van het UHK vallen hun recht proberen te halen bij de rechter. De Nederlandse Vereniging van Banken laat desgevraagd weten dat het opzeggen van een kredietrelatie in de regel is gebaseerd op een veelvoud van factoren, maar dat het enkele gegeven dat een klant die onder het UHK valt zijn recht probeert te halen bij de rechter in geen geval voldoende reden is om de relatie op te zeggen.
Acht u het redelijk dat gedupeerde grotere (semi)publieke instellingen zoals scholen en ziekenhuizen geheel buiten het UHK vallen? Heeft u hier goedkeuring aan gegeven?
Het UHK is van toepassing op klanten die een rentederivaat met een bank zijn aangegaan dat binnen het temporele bereik valt, en als de klant als niet-professioneel en niet-deskundig kwalificeert ten tijde van het afsluiten van het derivaat. Hierbij sluit het UHK aan bij de definitie van «professionele belegger» als vastgelegd in de Wet op het financieel toezicht. Het deskundigheidscriterium is van toepassing om te borgen dat het UHK zich richt op klanten die door informatieasymmetrie een kwetsbare positie innemen. Specifieke klanten waarvan een zekere deskundigheid verwacht mag worden zijn hiermee uitgesloten. Of semipublieke instellingen onder het toepassingsbereik van het UHK vallen hangt ervan af of zij op basis van het UHK als niet-professioneel en niet-deskundig zijn gekwalificeerd.
Waar het de goedkeuring van het UHK betreft is het zo dat de onafhankelijke derivatencommissie door mijn voorganger is gevraagd het kader op te stellen. Uw kamer is bij brief van 5 juli 2016 geïnformeerd over de inhoud van het door de onafhankelijke commissie vastgestelde kader.
Deelt u de mening dat door het uitsluiten van grotere (semi)publieke instellingen van het UHK de kans toeneemt dat belastinggeld oneigenlijk in de zakken van financiële instellingen blijft zitten? Hoe groot is de totale geleden schade door deze groep en wat gaat u wél voor hen doen?
Voor semipublieke instellingen die buiten het toepassingsgebied van het UHK vallen, geldt dat zij zijn aangewezen op de normale civiele procedures. Dit betekent niet dat zij hun schade niet vergoed kunnen krijgen. Hoe groot de totale schade is die semipublieke instellingen hebben geleden als gevolg van de rentederivatenproblematiek is mij niet bekend. De banken publiceren op hun websites enkel het bedrag dat aan compensaties is aangeboden en uitbetaald; de AFM rapporteert hierover in haar voortgangsrapportages. Per 31 mei 2019 is door de betrokken banken voor ruim EUR 1,27 miljard aan compensaties uitgekeerd aan klanten die binnen het toepassingsbereik van het UHK vallen.
Waarop is het überhaupt gebaseerd dat bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen wel complexe financiële producten zouden kunnen beoordelen, terwijl banken dit soort organisaties vaak als «niet-professioneel» aanmerkten? Deelt u de mening dat de omvang van een organisatie geen geschikt criterium is hiervoor?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de invloed van een te sterke bankenlobby op de afhandeling van dit drama, dat door de sector zelf is veroorzaakt, totaal onacceptabel is? Wat gaat u doen om deze bankenlobby onschadelijk te maken?
Zoals reeds aangegeven bij het antwoord op vraag 2 staat het UHK garant voor een hoge mate van zorgvuldigheid bij het herbeoordelen van rentederivatencontracten. Mijn voorganger heeft drie onafhankelijke experts de opdracht gegeven een om een civielrechtelijk herstelkader vast te stellen, en overeen te komen met de banken.3 Vertegenwoordigers van gedupeerden zijn bij dit proces betrokken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 deel ik de indruk niet dat er een te sterke bankenlobby is geweest.
Kunt u uitsluiten dat 1) de beperking van de reikwijdte van de doelgroep van het UHK, 2) de maximering aan het vergoedingsbedrag en 3) de naamswijziging van de term «compensatie» naar «coulancevergoeding» op aandringen van de banken zijn doorgevoerd?
De derivatencommissie heeft het uniform herstelkader als onafhankelijke partij opgesteld. Zij hebben hiervoor uitgebreid overleg gevoerd met zowel de banken als met vertegenwoordigers van mkb-ondernemingen. Hierdoor kon er een evenwichtig kader tot stand worden gebracht waarvan door een groot aantal vertegenwoordigers van mkb-ondernemers is aangegeven dat dit voor een groot deel van de achterban een acceptabele oplossing biedt.
In het antwoord op vraag 4 heb ik uitgelegd wat de achtergrond van de reikwijdte is. Met betrekking tot de maximering van het vergoedingsbedrag kan ik zeggen dat daarvan geen sprake is. De geleden schade wordt volledig vergoed, en is hiermee afhankelijk van de individuele derivatenproducten van de klant. Enkel de coulancevergoeding is gemaximeerd op EUR 100.000,–. De hoogte van deze vergoeding is tevens eveneens afhankelijk van het onderliggende rentederivaat. Hiervoor is gekozen door de onafhankelijke deskundigen omdat dit alles afwegende tot een doelmatig herstel leidt. Het compensatieaanbod wordt hier voor het overgrote deel van de mkb-ondernemers niet door beperkt.
De derivatencommissie heeft gekozen voor een coulancevergoeding, omdat het achteraf lastig vast te stellen is in welke gevallen de klant wel goed is geïnformeerd en in welke gevallen niet.
Bent u bereid om eerdere conceptversies van het UHK openbaar te maken, zodat duidelijk wordt wat de invloed van de bankenlobby is geweest? Zo nee, waarom niet?
De onafhankelijke deskundigen hebben het UHK opgesteld, in overleg met de banken en de vertegenwoordigers van mkb-ondernemingen. De definitieve versies van 5 juli 2016 en 19 december 2016 (na afronding van de pilotfase) hebben zij gepubliceerd en aan mij aangeboden. Over de publicatie van beide versies is uw Kamer destijds geïnformeerd.4
Het bericht ‘Banken dreigen rekening Haga Lyceum te blokkeren’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Banken dreigen rekening Haga Lyceum te blokkeren»?1
Ja.
Klopt het dat scholen in Nederland de middelen van de lumpsum op een buitenlandse rekening kunnen ontvangen? Indien dit mogelijk is, kunt u er dan voor zorgen dat deze mogelijkheid geschrapt wordt, zodat middelen van de lumpsum alleen nog op een Nederlandse rekening ontvangen kunnen worden?
Op dit moment hebben alle vo-scholen in Nederland een Nederlandse bankrekening2 en ontbreekt een acute noodzaak tot nieuwe wet- en regelgeving op dit punt. Bovendien moet de bekostiging aan de scholen altijd aan onderwijsdoelen worden besteed. De school legt daarover verantwoording af via het jaarverslag en de instellingsaccountant voert daarop de controle uit.
Limburgse zorgaanbieders die onterecht miljoenenwinsten opstreken |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgbedrijven kregen te veel»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat de financiële verantwoording over de jaren 2015 en 2016 nog steeds niet is afgerond? Kunt u uitleggen hoe dit mogelijk is?
De gemeente Maastricht heeft aangegeven dat voor de jaren 2015 en 2016 de eindafrekeningen voor geleverde productie, oftewel geleverde zorg, in respectievelijk 2016 en 2017 afgerond zijn. Het besproken onderzoek was geen productieonderzoek maar een zogenaamd «Arrangementen tarieven onderzoek», hetgeen inhoudt dat gekeken is of de zorgaanbieders in 2014 juiste informatie hebben verstrekt op basis waarvan de tarieven zijn vastgesteld. De regio Zuid-Limburg heeft in die periode 200 dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s) afgesloten die allemaal apart per zorgaanbieder door de gemeente Maastricht beoordeeld zijn. Om dit mogelijk te maken moesten alle zorgaanbieders de in 2014 aangeleverde informatie opnieuw aan de gemeente Maastricht aanleveren maar dan getoetst door een accountant. Omdat het onderzoek in de 2e helft van 2016 is gestart en veel zorgaanbieders meer tijd nodig hadden om de gevraagde informatie aan te leveren en diverse zorgaanbieders weigerden mee te werken aan het onderzoek, heeft naar zeggen van de gemeente de controle vertraging op gelopen.
Welke stappen worden ondernomen ten aanzien van de 50 zorgaanbieder bij wie bevindingen van verrekeningen zijn gedaan?
De gemeente Maastricht geeft het volgende aan. Nadat de controle heeft plaats gevonden en de zorgaanbieder door de gemeente Maastricht in de gelegenheid is gesteld te reageren, heeft de gemeente Maastricht zorgaanbieders de mogelijkheid gegeven een vervolggesprek te voeren met een onafhankelijk adviseur die niet bij het onderzoek betrokken is geweest. De onafhankelijk adviseur toetst naar aanleiding van opmerkingen van de zorgaanbieder of er op de eerdere vaststelling een aanpassing moet plaats vinden. Als er geen reden is om af te wijken wordt het advies afgegeven aan de directeur Sociaal Domein bij de gemeente Maastricht om te besluiten om tot verrekening over te gaan. Dit besluit kan leiden tot een terugvordering of een uitbetaling.
Zal de samenwerking tussen de gemeenten in kwestie en deze 50 zorgaanbieders worden gecontinueerd? Zo ja, zal dit plaatsvinden onder extra streng toezicht op declaraties?
De gemeente Maastricht heeft aangegeven dat in alle gevallen de samenwerking met de zorgaanbieders is gecontinueerd, omdat de afgesloten DVO slechts ruimte biedt voor ontbinding in geval van vaststelling van fraude. Fraude is niet vastgesteld bij de aanbieders. Er zijn wel veel administratieve invulfouten geconstateerd. Dit heeft ertoe geleid dat de hele controle cyclus is verscherpt en daar waar nodig is aangepast.
Welke reden dragen de twee zorgaanbieders aan die naar de rechter zijn gestapt?
Beide zorgaanbieders hebben bezwaar gemaakt omdat ze het niet eens zijn met de korting op de tarieven. Ook heeft men aangegeven dat de geboden zorg niet past binnen het arrangementensysteem2 dat door de Zuid-Limburgse gemeenten is gehanteerd. De aanbieders hebben destijds, bij het aangaan van de DVO 2015, ingestemd met het arrangementensysteem en de korting op de tarieven. Bij de eerste zitting heeft de rechter geoordeeld tot terugbetaling aan de gemeente. Het bezwaar van de tweede aanbieder is nu nog onder de rechter.
Kunt u zich voorstellen dat het voor burgers lastig te verkroppen is dat feiten en cijfers geheim worden gehouden omdat deze zaken fraude publiek geld betreffen? Vindt u dat gemeenten volstrekt transparant moeten zijn naar hun gemeenteraad (en daarmee naar hun inwoners) wanneer het gaat om zorggeld dat om allerlei redenen, bijvoorbeeld zoals hier aan de orde, niet aan zorg kan worden besteed? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dat gebeurt?
Ik vind het belangrijk dat gemeenten transparant zijn over de uitgaven van zorggeld. Het is de taak van de gemeenteraad om het college van burgemeester en wethouders te controleren. De gemeenteraad van Maastricht voert zijn taak uit door hierover vragen te stellen. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht heeft de gemeenteraad op 24 juni 2019 geïnformeerd over rechtmatigheidsonderzoeken in het Sociaal Domein3. De gemeenteraad Maastricht heeft hierover schriftelijke vragen gesteld. Naar aanleiding van de antwoorden van haar college burgemeester en wethouders heeft de gemeenteraad vervolgvragen gesteld. Gemeente Maastricht heeft aangegeven dat die na hun zomerreces worden beantwoord omdat het aanvullende uitwerking vereist.
Kunt u zich tevens voorstellen dat de gemeenteraad van Maastricht het gevoel bekruipt dat zij haar controlerende taak niet kan uitvoeren doordat informatie niet voldoende beschikbaar wordt gemaakt? Begrijpt u ook dat dit geen vertrouwen schept bij de inwoners van de gemeente? Zo ja, wat gaat u doen om deze situatie te verbeteren?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het uiterst zorgwekkend is dat berichten over gigantische winstmarges, miljoenenwinsten en gevallen van fraude de afgelopen periode toenemen? Heeft u het idee dat het hier «het topje van de ijsberg» betreft»?
Zoals ook aangegeven in de brief «Investeringsmogelijkheden voor zorgaanbieders en het bevorderen van kwaliteit en een transparante, integere en professionele bedrijfsvoering» die mede namens de Minister van Medische zorg en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 6 juli jl. naar uw Kamer is gestuurd, vind ik excessieve winsten maatschappelijk onacceptabel. De maatregelen die in deze brief worden genoemd moeten dergelijke uitwassen in de toekomst voorkomen. Voor zover deze excessieve winsten voortvloeien uit fraude of andere onrechtmatigheden zal daar door het toezicht uiteraard nu al streng tegen worden opgetreden. De precieze omvang van fraude in de zorg is echter lastig te kwantificeren, omdat fraude per definitie heimelijk plaatsvindt en we niet weten wat we niet weten. Eind september ontvangt uw Kamer de tweede voortgangsrapportage over het Programma Rechtmatige zorg 2018–2021 met de voortgang van de aanpak van fouten en fraude in de zorg.
Bent u bereid deze situatie te monitoren en de Kamer te informeren in geval van gelijksoortige zaken?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het is dan ook aan hen of zij cijfers over onrechtmatigheden registreren en/of publiceren. Het is mij niet bekend of iedere gemeente dergelijke cijfers bijhoudt en of dit op dezelfde wijze gebeurt.
Hoe groot bedraagt volgens u het bedrag aan zorggeld dat jaarlijks verloren gaat door bijvoorbeeld fraude, torenhoge winsten en allerlei ongewenste constructies bij aanbieders die door gemeenten worden gecontracteerd?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u nu steeds meer zaken «boven water komen» bereid (al dan niet steekproefsgewijs) extra onderzoek te (laten) verrichten naar aanbieders die door gemeenten zijn gecontracteerd?
Gemeenten zijn in het kader van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het formuleren van kwaliteitscriteria en het contracteren van aanbieders. Derhalve kunnen gemeenten ook zelf specifieke voorwaarden stellen waar zorgaanbieders aan dienen te voldoen. Bij de contractering van een aanbieder en de levering van ondersteuning is het aan de gemeente te beoordelen of deze voldoen aan de lokaal vastgestelde kwaliteitseisen. Dit vraagt van gemeenten goed opdrachtgeverschap in de vorm van contractbeheer inclusief een beoordeling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven. Dit is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Ik stimuleer en ondersteun gemeenten daarbij, onder meer via het Programma rechtmatige zorg en het Programma inkoop sociaal domein. Een goed voorbeeld is de toolbox zorgfraude die door de regio Twente is ontwikkeld. Daarin is onder meer opgenomen dat zorgaanbieders die in het verleden aantoonbaar hebben gefraudeerd, of waar de kwaliteit ernstig ondermaats was, worden uitgesloten van de gunning. Zorgaanbieders moeten eerst aantonen dat ze financieel gezond zijn.
Gelooft u nog steeds dat bijvoorbeeld het dwingend voorschrijven van toetsing vooraf (of andere maatregelen om controle en toezicht te versterken) bij aanbieders die door gemeenten worden gecontracteerd niet nodig is?
Zie antwoord vraag 11.
De start van het nieuwe schooljaar van basisscholen en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs met meer vacatures dan vorig jaar |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Deelt u de verwachting van de PO-Raad dat van de ruim 3.500 vacatures voor leraren in het basisonderwijs die er op dit moment zijn er 1.400 voor het begin van het nieuwe schooljaar nog niet zullen zijn ingevuld?1
Ik herken dat het lerarentekort op veel scholen een probleem is en het steeds moeilijker wordt om vacatures te vervullen. Dat blijkt ook uit de onderzoeken die ik jaarlijks aan uw Kamer stuur, de arbeidsmarktramingen en de arbeidsmarktbarometer. De definities en methoden zijn anders dan die in het onderzoek van de PO-Raad en daardoor zijn de uitkomsten niet goed vergelijkbaar.
Klopt het dat het lerarentekort nu al 5% groter is dan vorig jaar en dat het zal oplopen tot meer dan 10.000 voltijdsbanen in 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 1. Het getal van 10.000 voltijdsbanen is gebaseerd op de arbeidsmarktramingen die in januari aan uw Kamer zijn gestuurd. Die ramingen houden geen rekening met ingezet beleid. Het tekort in 2027 is dus naar verwachting lager dan de ramingen voorspellen. In de komende ramingen worden de effecten van het ingezette beleid wel meegenomen.
Wat betekent dit voor de kansenongelijkheid in het onderwijs, waarvoor de onderwijsinspectie dit voorjaar al waarschuwde in het licht van de scholen met kwetsbare leerlingen die vooral moeilijk leraren vinden?
Op alle scholen zijn voldoende en goede leraren nodig om goed onderwijs te kunnen geven. Daarom ondersteunen we scholen en gemeenten in de aanpak van het lerarentekort. Dat doen we onder meer door middel van een uitkering aan de G4 via het gemeentefonds. Schoolbesturen en lerarenopleidingen in de rest van het land kunnen subsidie aanvragen voor de specifieke aanpak van het lerarentekort in hun regio. Indien nodig kunnen zij van dat geld specifieke maatregelen treffen voor scholen met kwetsbare leerlingen.
Welke rol speelt de loonkloof tussen primair en voortgezet onderwijs bij de doorstroom van leraren van primair naar voortgezet onderwijs?
De invloed van de hoogte van de beloning op de mobiliteit van leraren tussen het po, het (v)so en het vo is mij niet bekend. Ik heb wel gegevens over de mobiliteit. De afgelopen jaren zijn gemiddeld 400 leraren per jaar van het po naar het vo overgestapt. Dat is slechts 0,3% van het totaal aantal leraren in het po. Naar verhouding is het aantal leraren dat overstapt van het vo naar het po vergelijkbaar. Ook vanuit het (v)so is een vergelijkbaar aantal leraren in het (v)so naar zowel het po als het vo gegaan.
Er kunnen meerdere redenen zijn waarom leraren vanuit het po van sector wisselen naar het vo. Die kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met de inhoud van het vak, de schoolorganisatie of een volgende stap in de loopbaan, maar ook het salaris. Die overwegingen kunnen van persoon tot persoon verschillen. Zoals ik u heb gemeld in mijn brief «naar een aantrekkelijke arbeidsmarkt» d.d. 2 juli jl. zijn we voornemens om ons bevoegdhedenstelsel anders in te richten, zodat loopbaanstappen over de grenzen van sectoren en vakken heen makkelijker worden.
Welke invloed onderkent u van de loonkloof tussen voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, nu het voortgezet speciaal onderwijs, dat ook onder de PO-raad valt, leraren blijkt te verliezen aan het reguliere voortgezet onderwijs, omdat zij daar beter worden betaald.
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wanneer kan de Kamer de eerste resultaten tegemoetzien van de landelijke registratie van de problematiek van het lerarentekort, waar de Kamer om heeft gevraagd?2 In hoeverre zult u de informatie die dit oplevert gaan gebruiken bij het vinden van een daadwerkelijke oplossing voor het lerarentekort?
Er worden momenteel gesprekken gevoerd over de uitvoering van de motie met onder andere de inspectie, de PO-Raad, de AOb en AVS. In het najaar informeer ik uw Kamer over de uitkomst. Ook zonder registratie is mij heel duidelijk dat het lerarentekort een groot probleem is. Daarom is de aanpak van het lerarentekort ook een prioriteit voor mij.
De grenseffecten van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Henk Krol (50PLUS) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() |
Kunt u een schatting geven van het aantal ambtenaren dat een sociale-zekerheid-switch maakt als gevolg van de invoering Wnra?
Het verkrijgen of verliezen van de ambtenarenstatus kan gevolgen hebben voor de socialezekerheidspositie van een grensoverschrijdende werknemer. Voor ambtenaren geldt dat zij op basis van Verordening (EG) 883/2004 (hierna: Verordening) onder de socialezekerheidswetgeving vallen van de lidstaat waarvoor zij als ambtenaar werkzaam zijn. Voor werknemers die geen ambtenaar zijn, wordt de sociale zekerheidspositie bepaald op basis van de reguliere aanwijsregels van Titel II van de Verordening. Personen die de ambtenarenstatus verliezen, zijn niet langer «automatisch» in Nederland sociaal verzekerd. Op basis van Titel II kan een voormalig ambtenaar bijvoorbeeld sociaal verzekerd zijn in zijn woonland of het land waar hij feitelijk werkt. Dit zal niet altijd Nederland zijn. Het merendeel van de voormalig ambtenaren zal ook na 1 januari 2020 onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel blijven vallen.
Hierbij merk ik op dat de grootste groep ambtenaren die vanaf 1 januari 2020 de ambtenarenstatus verliest, deze status verliest op grond van het wetsvoorstel Wnra onderwijs1, zoals aangenomen door uw Kamer op 18 juni 2019 en vervolgens ingediend bij de Eerste Kamer. De intentie van dit wetsvoorstel is om de rechtspositie van het personeel van openbare universiteiten en openbare universitair medische centra gelijk te trekken met het personeel van bijzondere universiteiten en bijzondere universitair medische centra.
Het personeel van bijzondere universiteiten en bijzondere universitair medische centra heeft ook nu al niet de ambtenarenstatus. Voor het personeel aan deze bijzondere instellingen wordt de socialezekerheidspositie daarom reeds op basis van de reguliere aanwijsregels bepaald. De socialezekerheidsswitch doet zich daarom niet voor bij deze universiteiten en deze universitair medische centra.
De openbare universiteiten en universitair medische centra bereiden zich momenteel (in onderlinge samenwerking) voor op de invoering van het wetsvoorstel Wnra onderwijs. In dat kader zijn zij bezig met de inventarisatie van het personeelsbestand en de uitbreiding van de benodigde kennis om te beoordelen in welke gevallen er van een socialezekerheidsswitch sprake kan zijn. Op basis van een globale inschatting van VSNU en NFU wonen er in totaal 3.000 tot 3.500 medewerkers van openbare instellingen (universiteiten en UMC’s) in het buitenland. Zij schatten in dat hiervan ongeveer 450 tot 550 medewerkers te maken kunnen krijgen met een socialezekerheidsswitch. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is in contact met de werkgeversorganisaties en zal de ontwikkelingen volgen.
Werknemers die de ambtenarenstatus per 1 januari 2020 verkrijgen, zijn vanaf deze datum «automatisch» in Nederland sociaal verzekerd. Dit zijn hoofdzakelijk werknemers van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en privaatrechtelijke zelfstandige bestuursorganen die als kerntaak het uitoefenen van openbaar gezag hebben, zoals de werknemers van het UWV, de SVB en de AFM. Voor het merendeel van deze werknemers geldt dat het verkrijgen van de ambtenarenstatus geen gevolgen zal hebben voor de socialezekerheidspositie, omdat zij al in Nederland sociaal verzekerd zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre deze switch voordelig dan wel nadelig is voor de voormalige ambtenaar en zijn Nederlandse werkgever? Kunt u tevens aangeven in hoeverre dit de relatie tussen werkgever en werknemer onder druk kan zetten?
Of deze wijziging in de toepasselijke socialezekerheidswetgeving nadelig of voordelig is voor de voormalig (of toekomstig) ambtenaar, hangt af van vele factoren, zoals het inkomen, het vermogen, de leefsituatie en de werksituatie. De financiële gevolgen en de waardering daarvan zullen hierdoor per individu verschillen. De gevolgen van een overgang van het Nederlandse naar een buitenlands socialezekerheidsstelsel dienen daarbij te worden bezien in zijn geheel. Hierbij dient niet alleen te worden gekeken naar de te betalen premies maar ook naar het recht op uitkeringen en de overige rechten op basis van dit buitenlandse stelsel.
Voor de Nederlandse werkgever kan een socialezekerheidsswitch van zijn werknemers tot een lastenverzwaring leiden. Zo kan de Nederlandse werkgever geconfronteerd worden met aanvullende administratieve lasten aangezien hij met verschillende socialezekerheidsstelsels rekening moet houden. Ook kunnen de socialezekerheidspremies in andere lidstaten hoger liggen dan in Nederland. Of en in hoeverre dit voor de werkgever tot een nadeel zal leiden, en daarmee mogelijk van invloed kan zijn op de relatie tussen werkgever en werknemer, zal per werkgever en per geval verschillen.
Is de Nederlandse overheid als werkgever, wanneer hij zijn werknemer in bijv. België en Duitsland moet verzekeren, verplicht de Nederlandse Wet loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz) c.q. de aanvullende CAO toe te passen, of de Duitse respectievelijk Belgische regels inzake loondoorbetaling bij ziekte (incl. ziektegelduitkering)? Welke nationale, respectievelijk EU-rechtsgrondslag, ligt hieraan ten grondslag? Mogen de buitenlandse ziektewetuitkeringen in mindering gebracht worden op de Nederlandse loondoorbetaling bij ziekte?
Met betrekking tot de socialezekerheidsbescherming bepaalt de Verordening onder welke socialeverzekeringswetgeving een werknemer valt. Op basis van vaste rechtspraak van het Europees Hof valt een verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte ook onder de reikwijdte van de Verordening.2 Indien een werknemer op grond van de Verordening onder de Belgische of Duitse socialezekerheidswetgeving valt, betekent dit dat de werkgever geen loondoorbetalingsverplichting heeft op basis van de Nederlandse Wet loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz). Het wettelijke recht op loondoorbetaling bij ziekte zal in dat geval bepaald moeten worden op basis van het Belgisch of Duits recht, afhankelijk van het socialezekerheidsstelsel waar de werknemer onder valt.
De Verordening ziet op wettelijke regelingen van publiekrechtelijke organen. Daar vallen contractuele bepalingen (zoals cao’s) in beginsel niet onder. De cao-afspraken kunnen daardoor van toepassing blijven.
Verwacht u dat een groot aantal ambtenaren op grond van artikel 16 van de Verordening 883/2004 zullen vragen om de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te continueren? Welk beleid zal de Socoale Verzekeringsbank (SVB) voeren inzake de Wrna?
Op grond van artikel 16, eerste lid van de Verordening kunnen twee of meer lidstaten in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groep personen een overeenkomst afsluiten. Via een dergelijke overeenkomst kan in afwijking van de reguliere aanwijsregels de wetgeving van een andere lidstaat worden aangewezen. In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat het op dit moment lastig in te schatten is wat de effecten zijn van een socialezekerheidsswitch, omdat dit afhankelijk is van vele factoren. Daardoor is het ook moeilijk om in te schatten hoeveel voormalig ambtenaren de Nederlandse SVB zullen benaderen voor een artikel 16 overeenkomst.
De SVB zal de verzoeken om een artikel 16-overeenkomst behandelen overeenkomstig het huidige beleid. Voor een overzicht van de criteria waaraan de SVB een verzoek voor het sluiten van een artikel 16-overeenkomst in het belang van individuele personen toetst, verwijs ik u naar de website van de SVB.3
Kunt u aangeven op welke wijze de bevoegde organen van België en Duitsland, om een correcte afgifte van een A1-verklaring te waarborgen, geïnformeerd worden over de gevolgen van de wetswijziging?
De buitenlandse ministeries, waaronder de Belgische en Duitse ministeries, zullen – zoals gebruikelijk – via de Administratieve Commissie geïnformeerd worden over de gevolgen van de wetswijzigingen. Daarnaast zullen de Nederlandse uitvoeringsorganisaties hun zusterorganisaties in België en Duitsland hier ook actief over informeren.
Het bericht 'Lerarentekort loopt verder op: ‘Funest voor de kwaliteit’ |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() |
Herkent u de verwachting van de PO-Raad dat er aan het begin van het komende schooljaar 1.400 vacatures voor leraren openstaan in het primair onderwijs?1
Ik herken dat het lerarentekort op veel scholen een probleem is en het steeds moeilijker wordt om vacatures te vervullen. Dat blijkt ook uit de onderzoeken die ik jaarlijks aan uw Kamer stuur, de arbeidsmarktramingen en de arbeidsmarktbarometer. De definities en methoden zijn anders dan die in het onderzoek van de PO-Raad en daardoor zijn de uitkomsten niet goed vergelijkbaar.
Op welke wijze en wanneer geeft u uitvoering aan de motie van het lid Kwint c.s.2, die vraagt om de problematiek van het lerarentekort in de praktijk in kaart te brengen door landelijk te gaan registreren?
Ik voer momenteel gesprekken over de motie met onder andere de inspectie, de PO-Raad, de AOb en AVS. In het najaar informeer ik uw Kamer over de uitkomst.
Op welke wijze en wanneer geeft u uitvoering aan de gewijzigde motie van de leden Van Meenen/Westerveld3, die u vraagt om werkgevers en vakbonden met klem te bewegen de betaling en rechtspositie van invalkrachten aanzienlijk te versterken?
In de cao is de rechtspositie van invalkrachten gelijk aan die van vaste krachten. In de praktijk is dat volgens de motie niet altijd het geval. Ik zal de sociale partners daarop wijzen en hen verzoeken om de praktijk te verbeteren. Dat doe ik tijdens het eerstvolgende landelijke overleg lerarentekort begin oktober.
Hoeveel uitkeringsgerechtigde leraren zijn er al aan de slag geholpen vanuit het plan «1.000 leerkrachten aan de slag» van het Participatiefonds? Ligt dit plan op koers om inderdaad binnen twee jaar duizend leerkrachten aan de slag te helpen? Ziet u kans om dit plan te intensiveren?
Volgens het Participatiefonds staat het aantal werkhervattingen per 15 juli 2019, dus halverwege de uitvoering van het plan, op 570. Het plan ligt daarmee op koers. Bij de werkhervattingen gaat het niet alleen om leerkrachten maar bijvoorbeeld ook om onderwijsassistenten en schoolleiders. Van de 570 werkhervattingen zijn er 383 in het primair onderwijs (waarvan 271 als leer- of invalkracht), 63 in andere onderwijssectoren en 124 buiten het onderwijs, waaronder kinderopvang.
Mede op verzoek van de partijen aan de landelijke tafel lerarentekort is het Participatiefonds bezig met een intensivering van de aanpak, namelijk:
Welke resultaten heeft de landelijke taskforce opgeleverd? Welke knelpunten heeft deze taskforce geïdentificeerd en op welke manier zijn deze knelpunten opgelost? Welke knelpunten zijn er nog niet opgelost?
Samen met de partijen aan het landelijke overleg is de regeling voor de regionale aanpak uitgewerkt, waar inmiddels meer dan vijftig regio’s een aanvraag voor hebben ingediend en wordt op dit moment gezamenlijk een imagocampagne voorbereid. Deze gaat dit najaar van start. Er zijn knelpunten en oplossingsrichtingen besproken voor de begeleiding van zijinstromers en van startende leraren. Afgesproken is onder meer dat de coaches die genoemd zijn in het antwoord op vraag 4 hier een rol in kunnen spelen. Naar aanleiding van signalen van de PO-Raad over de ervaren tekorten in het (v)so zijn vlak voor de zomer in drie regio’s bijeenkomsten georganiseerd om knelpunten en oplossingsrichtingen te inventariseren. In het volgende landelijke overleg worden de resultaten en vervolgacties besproken.
Hoe heeft het ziekteverzuim onder leraren zich het afgelopen jaar ontwikkeld? Welke mogelijkheden ziet u voor scholen om het relatief hoge ziekteverzuim terug te dringen?
Het ziekteverzuim in het po is in 2018 ten opzichte van 2017 stabiel gebleven op 6%. In 2016 lag het ziekteverzuim nog iets hoger, namelijk op 6,3%.
Ik vind dat schoolbesturen hun verantwoordelijkheid moeten nemen om het ziekteverzuim op hun scholen terug te brengen. In het po worden besturen hierbij ondersteund door het Vervangingsfonds. De verwachting van het fonds is dat dit jaar rond de honderd schoolbesturen met een ziekteverzuim boven het landelijk gemiddelde meedoen aan het zogeheten Plan V. Dit plan bestaat uit een intensieve ondersteuning van twee tot drie jaar in het voeren van verzuimbeleid. Het is gebaseerd op een bewezen effectieve aanpak van het fonds waarin het hoge ziekteverzuim bij circa zestig schoolbesturen in 2016–2018 met gemiddeld 1,85 procentpunt is teruggebracht.
Welke maatregelen hebben scholen genomen, of kunnen zij nog nemen, om de deeltijdfactor te vergroten? Wat gaat u doen om te stimuleren dat het voor docenten aantrekkelijk is om hun werkduur te vergroten?
Op een aantal scholen wordt het gesprek gevoerd met leraren of zij meer willen werken, blijkt onder andere uit een analyse van het Arbeidsmarktplatform PO4. Vaak is dat incidenteel, in de griepgolf, en niet voor langere tijd. Ik denk dat het belangrijk is dat zo’n gesprek op meer scholen wordt gevoerd en dan niet alleen als noodmaatregel, maar ook met het oog op de langere termijn. Ik zie dat als onderdeel van goed personeelsbeleid. Het is positief dat startende leraren grotere contracten krijgen dan voorheen, zo laat de Loopbaanmonitor zien.
Ook het kabinet helpt mee de financiële aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten en heeft een lastenverlichting van € 5 miljard afgesproken (met een stapsgewijze verlaging van belastingtarieven en verhoging van de algemene heffingskorting en arbeidskorting vanaf 2019). Daarnaast is de kinderopvangtoeslag met € 248 miljoen geïntensiveerd. Werken gaat daardoor in de komende jaren voor iedereen meer lonen. Bovendien levert een dag meer werken in het onderwijs, afhankelijk van de gezinssituatie, de komende jaren daardoor zo’n 4 tot 12% meer op dan nu (los van de verhogingen van de lerarensalarissen).
Waarom gaat het Participatiefonds pas dit najaar voorlichting geven over de rechten en plichten voor uitkeringsgerechtigden, zoals u schreef in antwoord op vragen van de leden Heerema en Wiersma?4 Wat kunt u doen om dit te versnellen, zodat schoolbesturen ook op korte termijn al meer werkloze leraren willen inzetten?
Het Participatiefonds geeft continu voorlichting. Zodra een uitkeringsgerechtigde bij het fonds wordt aangemeld, wordt hij/zij uitgenodigd voor een verplichte voorlichtingsbijeenkomst, waarin alle rechten en plichten worden uiteengezet.
De in het antwoord op de eerdere vraag van de leden Heerema en Wiersma genoemde voorlichting is aanvullend hierop. Het bestaat uit een dit najaar te starten voorlichtingscampagne gericht op schoolbesturen (werkgevers) in het po. Het doel hiervan is vooroordelen over uitkeringsgerechtigd onderwijspersoneel weg te nemen bij schoolbesturen. Naar inschatting van het Participatiefonds is hier veel winst te behalen. Werkgevers ervaren drempels om uitkeringsgerechtigden aan te nemen, omdat zij bang zijn dat deze personen niet geschikt zijn. Een veel gehoord geluid is dat zij immers niet voor niets werkloos zijn. De in het antwoord op vraag 4 genoemde vrijstellingsregeling beoogt ook aan bij te dragen aan het wegnemen van drempels om uitkeringsgerechtigden aan te stellen.
Welke mogelijkheden ziet u om het voor werkloze leraren die niet in een regio met veel vacatures wonen, aantrekkelijker te maken om in een tekortregio aan de slag te gaan? Kunt u dit bijvoorbeeld ondersteunen met het organiseren van vervoer of woonruimte?
Werkloze leraren zijn gemiddeld ouder en vaak geworteld in de geografische regio. Zij moeten zelf de afweging maken of zij les willen en kunnen gaan geven in een tekortregio. In een aantal regio’s worden wel initiatieven genomen om het werken daar aantrekkelijker te maken. Zo ondersteunen Amsterdam en Rotterdam leraren met woonruimte, reiskosten en parkeerplaatsen.
Wat is uw reactie op het voorstel van de PO-Raad, de VO-raad en vakbonden voor een noodpakket tegen werkdruk en tekorten?5
Het kabinet investeert al fors in de salarissen en werkdruk in het primair onderwijs. Zoals ik al vaker heb gezegd, is er momenteel geen ruimte om nog extra middelen beschikbaar te stellen.
Herkent u de ontwikkeling dat het lerarentekort zich in toenemende mate concentreert bij scholen met een zwakke positie? Welke mogelijkheden ziet u om hier iets aan te doen? Bent u bijvoorbeeld bereid om in overleg met de PO-Raad en schoolbesturen te treden om uitwisseling of detachering van docenten tussen sterke en zwakke scholen te stimuleren?
De mate waarin regio’s en scholen tekorten ervaren verschilt. Wel heeft de inspectie het risico benoemd voor scholen met een complexe leerlingenpopulatie. De subsidieregeling voor de regionale aanpak biedt ook ruimte om hier specifieke activiteiten op in te zeten, zoals een boven bestuurlijke pool om de uitwisseling van personeel te stimuleren. Ook grotere besturen kunnen in overleg met scholen en leraren de mobiliteit stimuleren tussen scholen. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het personeelsbeleid op hun scholen.
Welke aanvullende acties gaat u deze weken ondernemen om te zorgen dat alle scholen in het komende schooljaar voldoende leraren hebben? Kunt u bijvoorbeeld extra capaciteit vrijmaken om schoolbesturen deze zomer te ondersteunen bij het zoeken naar leraren?
Op 13 juli heb ik uw Kamer een verzamelbrief gestuurd met passages over het lerarentekort7. Hierin staat onder andere dat er 4,5 miljoen euro extra is voor de regionale aanpak van het lerarentekort. Hierdoor kunnen er meer regio’s aan de slag om het lerarentekort in hun regio aan te pakken.
Kunt u uiterlijk een week voor aanvang van het nieuwe schooljaar de Kamer informeren over de stand van zaken rond het lerarentekort?
Op 13 juli heb ik uw Kamer een verzamelbrief gestuurd met passages over het lerarentekort8. In het najaar stuur ik u een uitgebreidere voortgangsrapportage.
Het bericht 'Overheid lanceert digitaal paspoort op mobiele telefoon’ |
|
Jan Middendorp (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u bovenstaand bericht «Overheid lanceert digitaal paspoort op mobiele telefoon»?1
Dit bericht is mij bekend.
Welke initiatieven op het gebied van een online identiteit, zoals ook beschreven in het artikel, zijn in ontwikkeling bij de overheid? Kunt u hiervan een overzicht verstrekken aan de Kamer?
De initiatieven omtrent een digitale identiteit bevinden zich in een beginstadium waarbij de focus ligt op experimenteren en leren. In deze fase worden vooral de technische, maatschappelijke en juridische aspecten onderzocht. Vanwege het grote belang van betrouwbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid van de middelen die zijn toegestaan in het huidige identiteitsstelsel is er een bindend wettelijk kader. Met dit kader worden de publieke belangen van burgers en bedrijven, zoals privacy, veiligheid en betrouwbaarheid, geborgd. Deze wettelijke eisen gelden ook voor experimenten met betrekking tot digitale identiteit.
Wereldwijd wordt nagedacht over het gebruik van een betrouwbare door de overheid erkende veilige en inclusieve digitale identiteit, waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd zonder fysiek identiteitsbewijs, met effectieve waarborgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. De ontwikkelingen op dit onderwerp gaan snel; publieke en private initiatieven en combinaties daarvan worden tegelijkertijd en naast elkaar ontwikkeld.
Binnen het programma NL DIGIbeter zijn de doelstellingen en acties ten aanzien van de digitale overheid op een rij gezet. De initiatieven die eveneens vormen van digitale identiteit beproeven -zoals in het FD beschreven- zijn opgenomen in deze agenda. Het gaat om vID (virtuele identiteit) en KTDI (Known Traveler Digital Identity).
Vindt er coördinatie plaats als het gaat om de initiatieven en ontwikkelingen op het terrein van de online identiteit? Zo ja, wie heeft de coördinatie? Hoe wordt voorkomen dat er initiatieven «»ongecoördineerd»» worden gestart?
De coördinatie ten aanzien van de mogelijke ontwikkeling van een digitale identiteit ligt bij mij. Het uitgangspunt is de geactualiseerde Agenda Digitale Overheid «NL DIGIbeter».
In de actielijnen bij NL DIGIbeter heb ik over digitale identiteit opgenomen dat er vanaf 2020 geëxperimenteerd wordt met de ontwikkeling van een virtuele identiteit (vID: identiteit op je mobiele telefoon). De technische ontwikkeling wordt beproefd, we onderzoeken de gevolgen voor wet- en regelgeving en maken een business case. Ook wordt in NL DIGIbeter het experiment met «Known Traveler Digital Identity» (KTDI: makkelijker internationaal reizen) genoemd. Dit is een initiatief van het Ministerie van JenV.
Hoe verhouden de initiatieven op het gebied van online identiteit zich tot het wetsvoorstel Digitale overheid (34 972)?
De Wet digitale overheid zal regels stellen aan de betrouwbaarheidsniveaus van inlogmiddelen die worden gebruikt om in te loggen bij dienstverlening van de overheid. Tevens zullen regels worden gesteld aan de vereiste betrouwbaarheidsniveaus voor deze dienstverlening.
Deze regels, die in de komende periode nader worden uitgewerkt, worden onder meer gebaseerd op de eIDAS-verordening, die op Europees niveau eisen stelt aan inlogmiddelen, en op de Algemene Verordening Gegevensbescherming, die privacy-eisen stelt. Als inlogmiddelen aan deze eisen voldoen kunnen deze worden toegelaten als inlogmiddel voor de overheid.
Hoe verhouden de initiatieven op het gebied van online identiteit zich tot het wetsvoorstel Paspoortwet (35 047)?
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de invoering van elektronische identificatie met een publiek identificatiemiddel en het uitbreiden van het basisregister Reisdocumenten wordt het mogelijk gemaakt door middel van een functionaliteit op de identiteitskaart in te loggen op niveau hoog bij de overheid. De basis is dus een fysieke identiteit in de vorm van de identiteitskaart waarop een applet2 is geplaatst met behulp waarvan online zaken kan worden gedaan met de overheid (eNIK). Indien de voorliggende initiatieven uitmonden in een vorm van digitale/virtuele identiteit, zou elektronisch zaken doen met de overheid mogelijk zijn, mits aan alle eisen wordt voldaan en sprake is van toelating tot het publieke domein (zie bij vraag 4). De ontwikkelingen zijn zeker nog niet in het stadium dat concreet gebruik mogelijk is.
Hoe verhouden de initiatieven op het gebied van online identiteit zich tot de initiatiefnota «»Online identiteit en regie op persoonsgegevens»» (34 993)?
Het initiatief zoals beschreven in het artikel heeft met de initiatiefnota gemeen dat het de burger meer regie op zijn eigen persoonsgegevens wil geven. Een belangrijk verschil met de initiatiefnota is dat het initiatief (ook) gericht is op het verstrekken van gegevens aan partijen buiten de overheid, terwijl de initiatiefnota zich (primair) richt op verstrekking van gegevens binnen de overheid. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Hoe verhoudt dit initiatief zich tot de «»self sovereign identity»» waar het Ministerie van Justitie en Veiligheid mee bezig is, zoals beschreven in het artikel? Op welke manier heeft het digitale paspoort invloed op het initiatief bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en bij initiatieven op andere ministeries?
Het initiatief «self souvereign identity» zoals dat is opgenomen in de digitale agenda NL DIGIbeter is een initiatief van BZK. De trajecten van JenV zien op dit moment op digitale identiteitscontrole. Het ontwikkelen van een digitale identiteit is een mogelijke volgende stap die in de toekomst voor deze trajecten relevant kan zijn. Daarbij geldt dat het kabinet in het regeerakkoord aangegeven heeft te willen investeren in digitalisering van paspoortcontroles.
In 2018 is het meerjarenprogramma «»Burgers en bedrijven in regie op hun gegevens»» gestart, wanneer ontvangt de Kamer de visie van het kabinet op «regie op gegevens», zoals toegezegd in de brief van 14 januari 2019? Hoe verhoudt deze visie zich tot het initiatief beschreven in het artikel?
De beleidsbrief Regie op Gegevens, zoals toegezegd in de brief van 14 januari 2019, is op 11 juli jl. aan de Kamer gezonden (Kamerstuk 32 761, nr. 147). Het digitaal kunnen delen van de eigen persoonsgegevens met partijen buiten de overheid is een van de kernthema’s van de visie. Zoals de beleidsbrief aangeeft kan dit op verschillende manieren. Het initiatief zoals beschreven in het artikel is één mogelijke manier die nu onderzocht wordt. Andere mogelijke manieren zijn bijvoorbeeld via een gewaarmerkte PDF (zoals in het initiatief De Blauwe Knop) of via MijnOverheid (zoals in de voorgenomen pilot voor het delen van inkomensgegevens met woningcorporaties). De verschillende manieren hebben gemeen dat ze allemaal aan de eisen moeten voldoen zoals de visie die beschrijft, bijvoorbeeld ten aanzien van privacy.
Wat is de relatie tussen de uitkomsten van het rapport »»Grip op gegevens: het stelsel van basisregistraties voor burgers en bedrijven»» van de Algemene Rekenkamer»» (29 362-281) en het initiatief, beschreven in het artikel?
In zowel het rapport van de Algemene Rekenkamer als in het voorliggend initiatief ligt het accent op de persoonsgegevens zoals die zijn vastgelegd in de basisregistraties van de overheid. Beide zijn erop gericht de regie van de burger op zijn eigen gegevens te vergroten. Uitgaand van de drie vormen van regie die het kabinet heeft onderscheiden in de beleidsbrief Regie op Gegevens van 11 juli jl., ligt het accent in het rapport van de Rekenkamer daarbij op (1) inzage in en correctie van de eigen persoonlijke gegevens en (2) het verplicht gebruik van de persoonsgegevens uit de basisregistraties en het daarmee samenhangende recht op eenmalige gegevensverstrekking. Het initiatief als beschreven in dit artikel heeft – als het gaat om het vergroten van de regie op de eigen persoonlijke gegevens – vooral betrekking op (3) het zelf kunnen bepalen welke persoonlijke gegevens (die zijn opgeslagen in hun digitale identiteitsmiddel) worden gedeeld met de betreffende dienstverlener.
Wat is de opdracht (incl. tijd en budget) die de TU Delft heeft gekregen van de Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
De TU Delft ontvangt van BZK een bijdrage van € 130.000 per jaar voor de duur van 5 jaar. Deze bijdrage is ter ondersteuning van een onderzoeksprogramma naar «self sovereign identity» op basis van blockchain technologie.
In welke mate speelt toegankelijkheid een rol bij het ontwikkelen van een digitaal paspoort? Is het digitaal paspoort op de mobiele telefoon te gebruiken op ieder veel voorkomend besturingssysteem? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt voor de digitalisering van de overheidsdienstverlening dat toegankelijkheid voor alle burgers het uitgangspunt is. Ook in technische zin (bestuurssyteem). Om die reden is er een actieplan Inclusiviteit dat onder mijn verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd. Toegankelijkheid en inclusiviteit gelden dus evenzeer voor het gebruik van identificatie- en authenticatiemiddelen in relatie tot dienstverlening door de overheid.
Beantwoording van het verzoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken om een reactie op de twee rondetafelgesprekken over woonfraude |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Deelt u, naar aanleiding van uw reactie op de twee rondetafelgesprekken over woonfraude, de mening dat onder andere een digitale inkomenstoets een goede manier is om fraude preventief aan te pakken?
Het digitaliseren van de inkomenstoets bij woningtoewijzing door woningcorporaties draagt bij aan verschillende doelstellingen. Allereerst wordt het voor de burger eenvoudiger om op een sociale huurwoning van een corporatie te reageren. Ook zal een digitale inkomenstoets tot lagere administratieve lasten leiden bij woningcorporaties en neemt de kans op fraude bij woningtoewijzing af.
Door het inkomen van een huishoudens bij woningtoewijzing digitaal te toetsen met gegevens die direct uit een gevalideerde bron afkomstig zijn, is het niet langer mogelijk om gemanipuleerde inkomensgegevens aan te leveren. Om dit te bewerkstelligen moet er eerst ervaring worden opgedaan met een pilot waarin een beperkt aantal corporaties huurders de mogelijkheid zal bieden om naast de reguliere wijze van inkomenstoetsing te kiezen voor een digitale inkomenstoets.
Vindt u dat een verhuurder voor het aangaan van een huurcontract ook zonder toestemming van de potentiële huurder een digitale toets moet kunnen uitvoeren? Zo nee, hoe denkt u dan dat verhuurders fraude preventief kunnen ontdekken en stoppen?
Nee, want het raadplegen van de inkomensgegevens (een verwerking onder de AVG) zonder toestemming van de potentiële huurder is in strijd met de AVG. De AVG biedt kaders zodat ieders recht op privacy is gewaarborgd. In de AVG zijn zes grondslagen benoemd waaronder verwerking van persoonsgegevens is toegestaan. Toestemming is de enige grondslag die het uitvoeren van een digitale inkomenstoets mogelijk maakt. Het zonder toestemming digitaal raadplegen van een inkomen door een verhuurder past niet binnen de kaders zoals opgenomen in de AVG.
Het digitaliseren van de inkomenstoets leidt ertoe dat er minder mogelijkheid is om te frauderen omdat de inkomensgegevens vanuit een gevalideerde bron komen. Een digitale inkomenstoets is voor burgers ook een makkelijkere manier om gegevens aan te leveren dan de huidige werkwijze. De verwachting is dan ook dat een groot deel van de burgers vrijwillig zal kiezen voor de digitale inkomenstoets. Corporaties kunnen dan meer aandacht besteden aan de papieren inkomenstoets en zodoende meer fraudegevallen via deze route opsporen. Een hogere «pakkans» via deze route kan ook een preventieve werking hebben.
Welke organisaties zijn aangesloten op de pilot met betrekking tot de digitale inkomenstoets?
Aan de pilot zullen de Belastingdienst, Aedes, enkele woningcorporaties, Logius en BZK deelnemen.
Worden naast de inkomensgegevens van de Belastingdienst ook de actuele inkomensgegevens van het UWV digitaal beschikbaar gesteld ten behoeve van de digitale inkomenstoets? Worden ook de persoonsgegevens uit de BRP beschikbaar gesteld?
In de pilot wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) van de Belastingdienst en uit de Basisregistratie Personen (BRP). Welke gegevens precies uit de BRI en BRP verstrekt zullen worden moet in de uitwerking van de pilot nader bepaald worden.
De inkomensgegevens van het UWV maken geen deel uit van de pilot. In het najaar wordt met het UWV gesproken om te bezien of dit een meerwaarde heeft ten opzichte van de gegevens uit de BRI en wat de mogelijkheden zijn van het gebruik van de inkomensgegevens die bij UWV beschikbaar zijn.
Indien de pilot succesvol is, wanneer wordt deze sectorbreed uitgerold?
Het is van belang dat de inrichting van de digitale inkomenstoets zorgvuldig gebeurt. Daarom wordt er stap-voor-stap bezien hoe het proces verder wordt ingericht. Primair ligt de focus nu op het voorbereiden van de pilot waarmee we ervaring op doen met het delen van gegevens. Of en in welk tempo er sectorbreed opgeschaald wordt is nog niet bekend. Dit is mede afhankelijk van de uitkomsten en ervaringen van de pilot. Verwacht wordt dat de pilot medio volgend jaar is afgerond. De kamer zal dan geïnformeerd worden over de uitkomsten van de pilot en de vervolgstappen.
Kunt u toezeggen dat de digitale gegevens voorzien worden van een digitale handtekening van MijnOverheid en dat de gegevens via een API-(application programming interface)koppeling beschikbaar gesteld worden aan de betreffende corporatie?
Met het huidige ontwerp van de oplossingsrichting wordt uitgegaan van een digitale ondertekening door de overheid. Of dit MijnOverheid of de houder van de basisregistratie wordt, dient nog te worden bezien. De gegevens worden verstrekt door middel van een API-koppeling.
De Asian Infrastructure Investment Bank |
|
Bart Snels (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Hoe kijkt u terug op uw eerste drie jaar als aandeelhouder van de Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)? In hoeverre heeft u de discussie over mensenrechten en milieustandaarden binnen de AIIB op de agenda kunnen zetten? Welk resultaat heeft u hiermee bereikt?
In 2015 heeft Nederland besloten om toe te treden tot de Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)1. De voornaamste beweegredenen hiertoe waren het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling en betere infrastructuur in Azië, gezien het groot tekort aan financiering voor infrastructuurprojecten in deze regio, en om in de oprichtingsjaren direct invloed te hebben op de vormgeving van het beleid van de AIIB.
De AIIB heeft sinds de operationele start meer dan 40 projecten met een totale waarde van USD circa 8 miljard goedgekeurd2. Het grootste deel van deze projecten is in Azië en ter bevordering van betere infrastructuur. Vanaf het begin heeft de AIIB samengewerkt met andere Internationale Financiële Instellingen (IFIs), waaronder de Wereldbank en de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD). Deze samenwerking was cruciaal, en maakte het mogelijk voor de AIIB om lering te trekken uit de werkwijze en best practices bij andere IFIs. De drie kredietbeoordelaars hebben onlangs hun hoogste kredietrating bevestigd voor de AIIB met als reden het solide risicomanagement- en liquiditeitsbeleid, de kapitaaltoereikendheid en de sterke steun van de brede aandeelhoudersbasis. De AIIB heeft daarnaast recent succesvol een eerste obligatie uitgegeven in USD, met veel vraag van internationale institutionele beleggers. Nederland heeft een aandeel van 1.07% in de AIIB3
Op het gebied van de institutionele opbouw heeft de AIIB ook goede stappen gezet. De governance is vormgegeven, sectorale strategieën zijn nader uitgewerkt en het personeels- en ledenbestand is uitgebreid. Het vastgestelde Environmental and Social Framework4 (ESF) – het overkoepelende raamwerk van de AIIB voor safeguards op onder meer klimaat, arbeidsvoorwaarden, gender en mensenrechten – vormt de basis voor het beschermen van mens en milieu bij de operaties van de AIIB. Nederland heeft in deze discussie, samen met andere landen en via de eurozonekiesgroep in de Raad van Bewindvoerders (RvB), actief ingezet op verschillende onderdelen die toezien op mensenrechten en milieustandaarden. Dit heeft ertoe geleid dat in het ESF onder andere de ILO-arbeidsstandaarden ten aanzien van uitsluiten van alle vormen van kinderarbeid, de doelen van het Akkoord van Parijs, de bescherming van kwetsbare groepen en inheemse volkeren en het belang van gendergelijkheid en inclusiviteit zijn vastgelegd.
In het ESF wordt daarnaast sterk aandacht gevestigd op duurzaamheid en operaties ten behoeve van klimaatmitigatie- en adaptatie. Nederland vraagt extra aandacht van de AIIB om te zorgen dat de ambities en standaarden die zijn vastgelegd in het ESF daadwerkelijk worden geïmplementeerd en in de operaties toegepast.
De eerste operationele jaren illustreren dat de AIIB financieel gezond is en in de operaties en werkwijze waarde hecht aan hoge internationale standaarden. Het is tegelijkertijd van belang dat de AIIB de komende jaren in de transitie van startup naar een volwaardig operationele IFI laat zien dat efficiency en naleving van standaarden elkaar niet uitsluiten. Op dit moment is het te vroeg daarover te oordelen. De interne evaluatiecommissie van de AIIB is inmiddels opgericht, Nederland zal het werk van deze commissie blijven volgen.
Herinnert u zich de motie1 waarin de regering wordt verzocht om zich ervoor in te spannen dat het safeguardsbeleid van de AIIB minimaal op het niveau wordt gebracht van vergelijkbare multilaterale banken? Is dit gelukt? Hoe heeft u zich hiervoor ingespannen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven vormt het ESF het overkoepelende raamwerk van de AIIB voor safeguards. Het ESF is qua inhoud, reikwijdte en diepgang vergelijkbaar met dat van andere IFIs (o.a. de Aziatische Ontwikkelingsbank).
Nederland heeft zich bij de vorming van het ESF actief ingezet voor goede afspraken onder dit raamwerk dat de standaarden zet op het gebied van milieu- en sociale impact. Nederland heeft zich daarbij, samen met andere gelijkgezinde landen, onder andere specifiek gericht op specifieke bepalingen voor effecten op milieu en maatschappij en onvrijwillige verhuizing en inheemse volkeren.
Nederland heeft erop aangedrongen dat tijdige consultatie met stakeholders goed verweven is in de processen van de AIIB. In het ESF is betrokkenheid van stakeholder (stakeholder engagement) nu als belangrijk principe vastgelegd. Bij de projecten van de AIIB zijn cliënten gebonden aan het houden van consultaties met stakeholders zoals de lokale bevolking, maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden zowel tijdens de voorbereidings- als implementatiefase.
Cliënten moeten daarnaast bij projecten met omvangrijke milieu- en sociale impact een project-gerelateerd klachtenmechanisme instellen. Stakeholders kunnen bij een dergelijk klachtenmechanisme klachten en bezwaren indienen omtrent de sociale- en milieugevolgen van projecten. De AIIB heeft daarnaast ook een klachtenmechanisme opgezet dat klachten ten opzichte van de AIIB in behandeling neemt. Het beleid voor het klachtenmechanisme van de AIIB is vastgelegd in het zogenaamde Project-affected People’s Mechanism6 (PPM).
Het beleid en governance van de AIIB worden gevormd op basis van consensus tussen de verschillende aandeelhouders. Dit was ook het geval bij de totstandkoming van het ESF. Een groot aantal punten, waarvoor Nederland zich, samen met gelijkgestemde landen heeft ingezet, is uiteindelijk vastgelegd in het beleid. Op andere onderdelen, zoals het expliciet benoemen van bepaalde kwetsbare groepen (waaronder LGBTI) en tijdgebonden regels ten aanzien van vrijgeven van informatie over milieu- en sociale impact bij projecten, had Nederland graag verdere versterking en detailniveau gezien. Het ESF wordt later dit jaar herzien. Dit biedt gelegenheid om het raamwerk te evalueren en waar nodig in te zetten op versterking in het beleid en de uitvoering in de praktijk.
Implementatie en toepassing van het beleid vergt strikte monitoring, het is daarom des te belangrijker dat de AIIB leert van de ervaring van de implementatie van het beleid in de eerste jaren. De betrokkenheid van stakeholders, gelet op de ervaringen die zij tot dusver hebben met de implementatie van het ESF, is daarom bij het proces van herziening van het ESF van essentieel belang.
Klopt het dat in de China notitie «een nieuwe balans» staat vermeld dat Nederland de bestaande samenwerking met China wil aangrijpen om de discussie aan te gaan over voorwaarden voor financiering en standaarden van investeringen? Deelt u de opvatting dat het Nederlandse aandeelhouderschap van de AIIB mogelijkheden biedt voor deze discussie?
Het klopt dat het kabinet in de China notitie «Een nieuwe balans» heeft aangegeven dat Nederland bestaande samenwerking met China wil aangrijpen om de discussie aan te gaan over (een verschillende kijk op) voorwaarden voor financiering en standaarden.
Hoewel de AIIB in 2015 op initiatief van China is opgericht en gevestigd is in Beijing, is het een multilaterale financiële instelling waarbij de internationale governance structuur is vastgelegd in de statuten (Articles of Agreement). Het aandeelhouderschap van de AIIB biedt mogelijkheden voor een discussie over voorwaarden voor financiering en standaarden in multilateraal verband. Zo zet Nederland zich in voor de hoogste standaarden en toepassing daarvan in alle door de AIIB gefinancierde projecten of initiatieven, conform Nederlandse inzet bij andere Internationale Financiële Instellingen (IFI’s). Specifiek heeft Nederland recentelijk, via de eurozonekiesgroep, de AIIB opgeroepen tot een versteviging van het beleid ten aanzien van schuldhoudbaarheid. Voor wat betreft de financiering van de AIIB zijn alle partijen, waaronder ook eventuele Chinese aannemers of financiers, die samenwerken met AIIB gebonden aan voorwaarden en de standaarden die de AIIB hanteert.
In de toekomst zal Nederland zowel bilaterale contactmomenten als overleg binnen kiesgroepen van IFI’s aangrijpen om de dialoog met China over schuldhoudbaarheid, duurzaamheid, sociale- en bestuurlijke standaarden te voeren.
In hoeverre kijkt u kritisch mee bij investeringsbesluiten die door de AIIB worden genomen? Heeft u genoeg capaciteit om kritisch mee te kijken naar de naleving van internationale afspraken over milieu en mensenrechten?
Alle investeringsbesluiten worden voorzien van een standpunt waarin eventuele zorgen of aandachtspunten worden meegenomen. Hierin trekt Nederland samen op met de andere landen in de eurozonekiesgroep. Deze standpunten worden ingebracht in de Raad van Bewindvoerders.
Naast de ex-ante beoordeling van investeringsbesluiten zal Nederland eventuele zorgen over signalen over tekortkomingen of afwijkingen van het AIIB beleid in de implementatie, o.a. op het gebied van milieu en mensenrechten, onder de aandacht van de AIIB brengen.
Klopt het dat burgers die schade ondervinden van projecten van de AIIB maar beperkt in gesprek kunnen met een projectverantwoordelijke manager? Hoe beoordeelt u het klachtenmechanisme van de AIIB? Klopt het dat indieners van klachten eerst aan onredelijke voorwaarden moeten voldoen? Heeft de klachtenafdeling binnen de AIIB een onafhankelijke positie of kan het voorkomen dat een operationeel manager tegelijkertijd verantwoordelijk is voor de beoordeling van klachten en de evaluatie van projecten?
De AIIB heeft een organisatiestructuur zonder regionale kantoren. Het is echter belangrijk dat (lokale) partijen, wanneer nodig, de AIIB kunnen benaderen.
Een goed functionerend, onafhankelijk en toegankelijk klachtenmechanisme voor projecten met omvangrijke milieu- en sociale impact is daarbij essentieel voor elke IFI. Dit is een blijvend aandachtspunt en waar signalen worden opgevangen dat de toegankelijkheid mogelijk tekort schiet zet Nederland zich sterk in dat het principe van transparantie en stakeholder engagement wordt toegepast.
De Compliance, Evaluation, Integrity Unit (CEIU) binnen de AIIB is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het klachtenmechanisme van de AIIB. De managing director CEIU rapporteert direct aan de Raad van Bewindvoerders.
Een operationeel manager kan niet een klacht in behandeling nemen en hetzelfde project evalueren. Nederland ziet, samen met gelijkgestemde landen, toe op de onafhankelijkheid van het klachtensysteem en zal dat ook in de toekomst doen.
Wat zijn uw ambities en mogelijkheden voor het bereiken van verbeterd toezicht en transparantere besluitvorming binnen de AIIB? Hoe gaat u zich opstellen in deze discussie bij de jaarvergadering van de AIIB komende maand (12 & 13 juli 2019)?
Nederland heeft zich altijd actief opgesteld in discussies rondom toezicht, transparantie en de bredere governance structuur van de AIIB.
Nederland heeft daarbij continue gepleit voor een invulling van beleid die conform de statuten van de AIIB rust op de principes van transparantie, openheid, onafhankelijkheid en accountability en naleving hiervan in de praktijk.
Een goed functionerend en beslissingsbevoegde Raad van Bewindvoerders, een onafhankelijk opererend en goed functionerend klachtenmechanisme en een continue betrokkenheid van stakeholders is cruciaal voor effectief toezicht en transparante besluitvorming binnen de AIIB. Deze boodschap is ook tijdens de recente AIIB jaarvergadering in Luxemburg overgebracht (zie bijlage voor de Nederlandse gouverneursverklaring)7.
Klopt het dat veel informatie waar NGO’s om vragen, zoals milieueffectrapportages, projectvoorstellen en kwartaalrapportages niet of nauwelijks beschikbaar zijn op de website van de AIIB? Bestaan er tijdgebonden regels voor de openbaarheid van informatie? Worden deze nageleefd?
Het overkoepelende beleid voor het openbaar maken van informatie is in 2018 vastgelegd (Public Information Policy)8. Voor de totstandkoming van dit beleid heeft Nederland ingezet op maximale transparantie, qua inhoud en timing voor het vrijgeven van informatie. Dit heeft vooral betrekking op het vrijgeven van algemene informatie over projectvoorstellen voorafgaand aan goedkeuring in de Raad van Bewindvoerders en het openbaar maken van milieueffectrapportages bij projecten met significante milieu- en sociale impact.
Momenteel wordt voor milieu- en sociale impact bij projecten veel verantwoordelijkheid bij de cliënten van de AIIB gelegd en erop vertrouwd dat deze informatie tijdig openbaar gemaakt wordt. Deze informatie wordt pas laat openbaar gemaakt op de website van de AIIB. Bij de geplande herziening van ESF later dit jaar zal Nederland, in lijn met eerdere inbreng, de AIIB aansporen om hier strakkere tijdscriteria te hanteren voor hun cliënten.
Algemene informatie over investeringsbesluiten wordt openbaar gemaakt op de website van de AIIB in de vorm van korte samenvattingen, Project Summary Information9. Afhankelijk van het type investering wordt de informatie in de interne projectvoorbereidingscyclus van de AIIB openbaar gemaakt. Bij overheidsleningen wordt dit relatief vroeg in de projectvoorbereidingscyclus vrijgegeven, bij leningen aan de private sector in een later stadium. Bij gebrek aan duidelijke tijdgebonden regels wordt relevante informatie soms relatief laat openbaargemaakt. Nederland zal de AIIB blijven verzoeken om het principe van transparantie conform de statuten van de AIIB in de praktijk te brengen en duidelijke tijdgebonden regels te introduceren.
Welke mogelijkheden ziet u om de Kamer regelmatiger te informeren over de voorwaarden voor financiering en standaarden van investeringen bij de AIIB?
De Tweede Kamer wordt via de begroting van het Ministerie van Financiën regulier geïnformeerd over de AIIB. Ik stel voor om jaarlijks na de bijeenkomst van het hoogste bestuursorgaan, de Board of Governors, van de AIIB een verslag met de Tweede Kamer te delen om daarmee de Kamer te voorzien van de belangrijkste informatie ten aanzien van relevante ontwikkelingen bij de AIIB.
Ten tijde van het afronden van het Verdrag van AIIB10 is daarnaast toegezegd de Kamer te blijven informeren omtrent het beleid van de AIIB, met name ten aanzien van de waarborgen op het gebied van milieu- en sociale impact. Hier is nadat het ESF was goedgekeurd gevolg aan gegeven11. Bij de geplande herziening van het ESF zal ik de Tweede Kamer opnieuw informeren over mogelijke veranderingen in standaarden en voorwaarden voor financieringen.
Het bericht 'Websites overtreden massaal cookiewallverbod' |
|
Tobias van Gent (VVD), Jan Middendorp (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht over «Websites overtreden massaal cookiewallverbod»»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Autoriteit Persoonsgegevens dat gratis websites ook gratis toegankelijk moeten zijn voor bezoekers die geen toestemming geven voor zogenaamde «tracking cookies»» ten bate van gericht adverteren? Hoe beoordeelt u deze zienswijze? Kunt u daarbij betrekken dat cookiewalls zijn ingesteld om te kunnen voldoen aan de eisen van de wet om toestemming te vragen bij het gebruik van bepaalde cookies bij gratis websites zoals nieuwswebsites?
Ja ik ben bekend met de uitspraak van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Door middel van tracking cookies (volgsoftware) kunnen bedrijven het internetgedrag van mensen volgen. Persoonlijke interesses kunnen zo worden afgeleid om vervolgens profielen van deze mensen samen te stellen en gericht te kunnen adverteren. Op grond van artikel 11.7a Telecommunicatiewet (Tw) is voor het gebruik van tracking cookies toestemming van de gebruiker vereist. Nu in artikel 11.7a van de Tw verwezen wordt naar de AVG is het begrip toestemming in de Tw gelijk aan het begrip toestemming zoals dat gedefinieerd is in de AVG. Dit betekent onder meer dat de toestemming vrijelijk moet zijn gegeven en moet voldoen aan de eisen van artikel 7 van de AVG. Artikel 7, vierde lid, van de AVG bepaalt dat bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven onder meer ten sterkste rekening moet worden gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst (…) toestemming is vereist voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst. AP komt op grond van deze bepaling tot het oordeel dat er bij gebruik van cookiewalls geen sprake is van vrijelijk gegeven toestemming en dat cookiewalls derhalve niet zijn toegestaan.
Zie voorts mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met het beleid in andere Europese landen ten aanzien van deze trackingcookies en cookiewallverboden? Is dat gelijk in alle landen of zijn er verschillen op het punt van het gebruik/toestemming vragen voor of verbieden van tracking cookies en cookiewalls? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht geven?
De zogenoemde cookiepaling is onderdeel van de Europese ePrivacy richtlijn 2002/58, die in Nederland in artikel 11.7a van de Tw is geïmplementeerd. In deze Europese richtlijn wordt geregeld wie onder welke voorwaarden gegevens van een ander mag verwerken die op diens eindapparatuur staan.
Ook in andere landen is men bezig met normuitleg over het gebruik van (tracking)cookies. In Frankrijk heeft CNIL, de Franse toezichthouder, onlangs richtlijnen vastgesteld over het gebruik van cookies/cookiewalls en het geven van toestemming. Daarin stelt CNIL dat het gebruik van een cookiewall in strijd is met de AVG omdat er dan geen sprake is van een vrijelijk verleende toestemming (artikel 2 Richtlijnen). Deze richtlijnen zijn alleen in het Frans beschikbaar.2 Ook de Engelse toezichthouder, ICO, heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van (tracking)cookies, en dan met name in de context van «real-time bidding». Over cookiewalls stelt de ICO dat een cookiewall «is unlikely to represent valid consent», maar dat er ook andere overwegingen zijn, en wijst op het recht van vrijheid van ondernemerschap.3 Verder staat het onderwerp op de agenda van Technology Expert Subgroup van de European Data Protection Board (EDPB).
Ik beschik verder niet over een overzicht waarin het beleid of uitleg van andere Europese landen ten aanzien van tracking cookies en cookiewalls wordt weergegeven.
Voor het overige heeft de AP mij laten weten dat zij binnen de European Data Protection Board nauw samenwerkt met haar Europese collega-toezichthouders, onder meer om te komen tot gemeenschappelijke guidelines over de toepassing/uitleg van AVG-normen. Bij het bepalen van haar standpunt over cookiewalls, heeft de AP zich mede gebaseerd op de gemeenschappelijke EDPB guidelines over toestemming (Guidelines on Consent under Regulation 2016/679 (wp259rev.01)).
Hoe beoordeelt u de stelling dat een mogelijk verbod op cookiewalls in het huidige competitieve landschap het verdienmodel raakt van bedrijven? Kunt u daarbij met name ingaan op de verdienmodellen van bedrijven die content (nieuws, redactionele artikelen) produceren en deze op gratis websites aanbieden?
Ik wil vooropstellen dat het hier gaat om de bescherming van een grondrecht. Daarnaast is privacy belangrijk voor het goed functioneren van de elektronische communicatiemarkt. Als gebruikers van elektronische communicatiediensten er niet op kunnen vertrouwen dat hun privacy gewaarborgd is, zal dit het gebruik van deze diensten – met of zonder cookiewalls – aanzienlijk beperken. In die zin moeten bedrijven met businessmodellen waarbij de gebruikers twijfels hebben over hun privacybescherming, zich afvragen of ze voldoende aansluiten op de wensen en behoeftes van hun klanten.
Een cookiewall – in een competitief landschap – heeft tot gevolg dat een website of dienst alleen toegankelijk is op voorwaarde dat de gebruikers de cookies accepteren. Het is dan inderdaad de vraag of eindgebruikers hebben in dat geval een vrije keuze hebben. Daarom pleit Nederland in lijn met de motie Verhoeven voor een verbod op deze zogenoemde cookiewalls.4 Ik ben er van overtuigd dat de huidige (Europese) wettelijke kaders voldoende ruimte bieden om innovatie binnen het bedrijfsleven en een goede privacybescherming hand in hand te laten gaan.
Hoe beoordeelt u de stelling dat een mogelijk verbod op cookiewalls in het huidige competitieve landschap Nederlandse mediabedrijven op achterstand zet op grote internationale techbedrijven (bijvoorbeeld social media bedrijven) vooral omdat de laatste toestemming vragen voor gericht adverteren met gebruik van persoonsgegevens van gebruikers via algemene voorwaarden?
Op grond van artikel 11.7a, lid 1, Tw is het alleen toegestaan om cookies te plaatsen indien de gebruiker is voorzien van duidelijke en volledige informatie. Deze informatie moet in ieder geval weergeven welke informatie wordt verzameld en voor welke doeleinden deze informatie wordt gebruikt. De memorie van toelichting bij dit artikel voegt hieraan toe dat de informatie gemakkelijk te vinden moet zijn en in begrijpelijke bewoordingen gegeven.5 Als deze informatie in algemene voorwaarden wordt opgenomen is niet voldaan aan voornoemde eis om de gebruiker duidelijk te informeren.
Voor het plaatsen en lezen van cookies, met uitzondering van functionele cookies en niet-privacygevoelige analytische cookies, dient, zoals al eerder aangegeven, toestemming te worden verkregen. Het moet hier gaan om vrijelijk verleende toestemming. Rechtsgeldige toestemming voor het gebruik van cookies moet blijken uit een daar toe strekkende handeling van de eindgebruiker (klikken op een «ja» knop of verder surfen na de mededeling dat cookies zullen worden geplaatst)Toestemming kan dus niet worden verkregen via algemene voorwaarden.6
De voornoemde verplichtingen gelden niet alleen voor Nederlandse websites, maar voor een ieder die gegevens plaatst op of uitleest die zijn opgeslagen in de randapparatuur van een gebruiker. Het maakt daarbij niet uit waar deze partij gevestigd is. Bepalend is dat deze norm tot doel heeft gebruikers in Nederland te beschermen. De informatieplicht en het toestemmingsvereiste gelden derhalve voor zowel Nederlandse websites als voor internationale bedrijven die zich (mede) op Nederlandse gebruikers richten. Dat laatste kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de aard van de aangeboden informatie, de mogelijkheid om producten in Nederland te laten bezorgen of uit de omstandigheid dat een website in de Nederlandse taal wordt aangeboden. Hierbij is het domein van de website (.nl/.eu/.com/.net/etc.) niet doorslaggevend.
Ik ben dan ook van oordeel dat Nederlandse mediabedrijven op dit punt geen achterstand hebben op internationale bedrijven.
Waarom kan toestemming voor instrumenten om gericht te adverteren (zoals tracking cookies) niet via algemene voorwaarden geregeld worden?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u omschrijven hoe de wet- en regelgeving omtrent tracking cookies en cookiewalls in de telecommunicatiewet, de ePrivacy richtlijn en de Algemene verordening gegevensbescherming zich tot elkaar verhouden?
De bepalingen in de Tw vormen een omzetting van de Europese ePrivacy richtlijn, richtlijn nr. 2002/58. De ePrivacyrichtlijn en daarmee de Tw is een lex specialis ten opzichte van de AVG. Dit betekent dat voor zover de regels van de Tw en de AVG samenlopen de regels van de Tw voorgaan op die van de AVG. Bij het gebruik van cookies gaat het daarbij vooral om de verwerkingsgrondslagen. Op basis van de Tw mogen gegevens die via cookies zijn verkregen alleen worden verwerkt als deze verwerking nodig is voor de levering van een door de eindgebruiker gevraagde dienst of als de eindgebruiker toestemming heeft verleend.
Het begrip toestemming in de Tw is, zoals al gezegd, hetzelfde als het begrip toestemming in de AVG. Daarom zijn, zoals ook al bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven, de eisen die de AVG stelt aan rechtsgeldige toestemming ook van toepassing bij toestemming in het kader van cookies.
Momenteel worden onderhandelingen gevoerd over een nieuwe Europese ePrivacyverordening die de huidige richtlijn zal vervangen. Het Europees parlement heeft aangegeven een expliciet verbod op cookiewalls te willen opnemen in de nieuwe ePrivacyverordening. De Raad van de Europese Unie heeft nog geen standpunt ingenomen. In lijn met de motie Verhoeven pleit Nederland in de Raad voor een verbod op deze zogenoemde cookiewalls. Met een dergelijk verbod zou -los van de interpretatie van artikel 7, vierde lid, van de AVG, onomstreden duidelijk worden bepaald dat cookiewalls niet zijn toegestaan. Zo wordt voorkomen dat er tussen de lidstaten interpretatieverschillen optreden. Hoewel de onderhandelingen in de Raad over de ePrivacyverordening nog steeds niet zijn afgerond is al wel duidelijk dat er weinig steun is voor een verbod op cookiewalls. Uiteindelijk zal veel afhangen van de onderhandelingen met het Europese parlement.
De verdenking van omkoping en corruptie bij Shell en het verschoningsrecht van bedrijfsjuristen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de Togacolumn, waarin de verdenking van corruptie en omkoping door Shell centraal staat om uiteen te zetten welke onwenselijke gevolgen het verschoningsrecht van bedrijfsjuristen kan hebben?1
Een onderscheid moet worden gemaakt tussen bedrijfsjuristen en advocaten die in dienstbetrekking werkzaam zijn. Bedrijfsjuristen kunnen zich niet beroepen op het verschoningsrecht. Nederlandse advocaten die in dienstbetrekking werkzaam zijn kunnen, blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad, (onder bepaalde omstandigheden en ten aanzien van bepaalde informatie) wel een beroep doen op het verschoningsrecht (zie de antwoorden op de vragen 3 tot en met2.
In de Togacolumn wordt gerefereerd aan het lopende strafrechtelijke onderzoek in de zaak Shell. In die specifieke situatie gaat het om 15 juristen die bij Shell in Nederland of dochterondernemingen in het buitenland werkzaam zijn en die niet in Nederland, maar in het buitenland staan ingeschreven bij een Bar-association. Het OM heeft in die zaak aan de rechter, onder andere, de vraag voorgelegd of deze 15 juristen een beroep kunnen doen op het verschoningsrecht. Gelet op het feit dat het hier een lopende strafzaak betreft die ten aanzien van deze rechtsvraag onder de rechter is, zal ik daar hier verder niet op ingaan.
In algemene zin kan ik – in relatie tot mogelijk onwenselijke gevolgen van het verschoningsrecht- wel opmerken dat het voor een goede rechtsbedeling van belang is dat rechtzoekenden zich tot een advocaat kunnen wenden en dat hetgeen zij die advocaat toevertrouwen vertrouwelijk blijft. In de rechtspraak is een toetsingskader ontwikkeld, aan de hand waarvan kan worden bepaald in welke omstandigheden kennisneming van informatie van advocaten toch mogelijk is en het verschoningsrecht aldus kan worden «doorbroken».
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat strafrechtelijke onderzoeken onnodige vertraging oplopen indien een beroep op het verschoningsrecht wordt gedaan. De artikelen 552a, achtste lid, en artikel 552d, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevatten termijnen voor de beslissing op ingestelde rechtsmiddelen tegen kennisneming van stukken van advocaten waarop mogelijk het verschoningsrecht van toepassing is. Daarnaast zal naar verwachting dit najaar een WODC-onderzoek van start gaan om nader inzicht te verkrijgen in de aard, omvang en de gevolgen van beroepen op professioneel verschoningsrecht voor doorlooptijden van strafrechtelijk onderzoek.
Ook is het afgelopen half jaar in het kader van het StartUp in Residence II – programma van mijn ministerie bezien of een technische oplossing denkbaar is om verschoningsgerechtigd materiaal door gebruik van digitale technieken snel en verifieerbaar uit omvangrijke (digitale) kantooradministraties te filteren, om zo eventueel de doorlooptijden in de opsporing te beperken. De uitkomsten van het project zullen op korte termijn met de betrokken praktijkorganisaties worden gedeeld.
Ten slotte wijs ik erop dat in het concept nieuwe Wetboek van Strafvordering, de criteria voor «doorbreking» van het verschoningsrecht worden gecodificeerd. Daarnaast wordt in het nieuwe Wetboek een procedure geïntroduceerd voor inbeslagneming van informatie die onder het verschoningsrecht valt. Daarbij wordt ook een aparte procedure opgenomen die moet worden gevolgd wanneer verschoningsgerechtigde informatie wordt aangetroffen bij andere personen en instellingen dan advocaten zelf. Het gaat dan bijvoorbeeld om correspondentie van bedrijven met hun advocaat.
Hoe ver strekt volgens u de reikwijdte van het verschoningsrecht?
Het verschoningsrecht is slechts aan enkele categorieën beroepsbeoefenaren (advocaten, notarissen, artsen, geestelijken) toegekend. De reikwijdte van het verschoningsrecht wordt bepaald door artikel 218 Sv en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Blijkens die jurisprudentie strekt het verschoningsrecht van advocaten zich uit over «juridische dienstverlening aan personen die zich tot hem hebben gewend vanwege de hoedanigheid van advocaat».
De algemene raad van de NOvA heeft in februari 2018 aangepaste gedragsregels vastgesteld waarin – in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad – met betrekking tot de in acht te nemen vertrouwelijkheid is gerefereerd aan het feit dat bepalend voor de vraag of het verschoningsrecht van toepassing is of het gaat om informatie die een advocaat is toevertrouwd in zijn hoedanigheid van advocaat. Daarbij is met voorbeelden duidelijk gemaakt in welke gevallen een beroep op die vertrouwelijkheid niet aan de orde is, bijvoorbeeld omdat de informatie de advocaat niet «als zodanig is toevertrouwd».
Klopt het dat het verschoningsrecht in Nederland zo ruim wordt opgevat dat ook alle als advocaat beëdigde bedrijfsjuristen die in loondienst zijn hier onder vallen waardoor alle vormen van communicatie die aan deze advocaten zijn toevertrouwd geheim gehouden mogen worden en als gevolg daarvan buiten het opsporingsonderzoek mogen blijven, ook als het gaat om documenten die bij de verdachte partij in beslag zijn genomen?
In zijn uitspraak van 15 maart 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat «gezien de Nederlandse praktijk en de waarborgen die aldus in Nederland omtrent de wijze van praktijkuitoefening van advocaten in dienstbetrekking bestaan» er «geen grond is om aan een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is».3
Dat neemt niet weg dat ook ten aanzien van advocaten in dienstbetrekking geldt dat hun verschoningsrecht zich slechts uitstrekt over «advocatuurlijke» werkzaamheden. Niet alle informatie die met hen gewisseld wordt, valt dus zonder meer onder het verschoningsrecht. Daar komt bij dat, voor zover de advocaat zelf betrokken is bij de strafbare feiten, mogelijk een doorbreking van het verschoningsrecht aan de orde kan zijn. Ook voorwerpen waarmee een strafbaar feit is gepleegd of waar het strafbare feit betrekking op heeft, kunnen altijd in beslag genomen worden.4 Zie verder het antwoord op vraag 1.
Op grond van de Verordening op de advocatuur heeft de NOvA bovendien strikte voorwaarden gesteld aan het als Nederlandse advocaat werkzaam zijn bij een werkgever. Zo moet de werkgever zich conform de bepalingen van een professioneel statuut jegens de betreffende advocaat verbinden de onafhankelijke praktijkuitoefening te eerbiedigen en de ongestoorde naleving van de beroeps- en gedragsregels als advocaat te bevorderen (artikel 5.12 van de verordening op de advocatuur). Het professionele statuut beschermt de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat tegen ongewenste beïnvloeding door zijn werkgever met wie per definitie een hiërarchische verhouding bestaat. Deze en andere bepalingen hebben tot doel te bereiken dat de betreffende advocaat de rechtspraktijk conform de kernwaarden van de advocatuur in onafhankelijkheid kan uitoefenen en dat er geen verschillende regimes gehanteerd worden. De deken en de tuchtrechter zien hier bij Nederlandse advocaten in loondienst op toe.
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven is een van de vragen die aan de rechter is voorgelegd hoe in dit verband moet worden omgegaan met juristen die in het buitenland staan ingeschreven bij een Bar-association.
Als uw antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, vindt u het gevolg wenselijk dat, bijvoorbeeld in het geval van Shell die 14 bedrijfsjuristen in loondienst heeft, alles waar deze loondienstadvocaten bij worden betrokken, al staan ze in de cc van een email, onder de vertrouwelijkheid van het verschoningsrecht valt?
Zoals gezegd kan ik niet ingaan op de aangehaalde zaak, omdat er sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Verder valt, zoals in antwoord op vraag 3 beschreven, niet alle informatie die met een Nederlandse advocaat (in loondienst) gewisseld wordt onder het verschoningsrecht. Het enkele feit dat een advocaat in de cc van emailverkeer is gezet, maakt nog niet dat die informatie daarmee ook onder het verschoningsrecht valt, zo volgt ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zoals in antwoord op vraag 2 aan de orde kwam, heeft de NOvA de gedragsgregels in februari 2018 aangepast. Daarbij is met voorbeelden duidelijk gemaakt in welke gevallen een beroep op die vertrouwelijkheid niet aan de orde is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het «inkopiëren» van een advocaat in de cc-regel van een e-mail met geen ander doel dan de inhoud van de e-mail onder de vertrouwelijkheid te brengen of het laten deelnemen van een advocaat aan een gesprek met het enige doel om wat tijdens het gesprek ter tafel komt vertrouwelijk te laten zijn.
Is het verschoningsrecht volgens u ooit zo bedoeld, namelijk dat een machtige multinational zich kan verschuilen achter een legertje advocaten die voor hun inkomsten geheel en uitsluitend afhankelijk zijn van de verdachte?
Het verschoningsrecht is bedoeld om te garanderen dat eenieder in vertrouwen toegang kan krijgen tot een advocaat. In het antwoord op de vragen 1 t/m 4 ben ik ingegaan op de reikwijdte van het verschoningsrecht.
Ziet u, al dan niet naar aanleiding van de in de column beschreven Europese rechtspraak, aanleiding de in Nederland ontstane praktijk eens tegen het licht te houden en te bezien of de huidige reikwijdte van het verschoningsrecht van advocaten in loondienst te rechtvaardigen blijft of aangepast moet worden?
Daartoe zie ik – gelet op mijn hiervoor gegeven antwoorden – op dit moment geen aanleiding.
De onrust op het ministerie naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek in de WODC-affaire |
|
Maarten Groothuizen (D66), Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de kritiek van de ondernemingsraad van het SG-cluster op de aangifte die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gedaan in de WODC-affaire?1
Ja.
Deelt u de mening van de Ondernemingsraad dat het in dit specifieke geval juist had getuigd van een sterk reflectief vermogen en een uiting van de zo gewenste cultuurverandering als geen aangifte was gedaan en in plaats daarvan het lekken was bezien in de geest van de klokkenluidersregeling? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 juni jl. aangaf schaadt stelselmatig lekken het onderlinge vertrouwen, de privacy van betrokkenen en de interne openheid tussen medewerkers onderling. Mijn doel is een veilige werkomgeving voor álle medewerkers van mijn departement. Dat houdt ook in dat medewerkers van mijn departement erop moeten kunnen vertrouwen dat informatie van hun hand niet buiten hun medeweten om wordt verstrekt aan onbevoegde derden. Het is in dat verband van groot belang dat de interne procedures voor het melden van misstanden optimaal functioneren. Ik heb daarom de afgelopen periode sterk ingezet op het optimaliseren van deze procedures. Onder meer dankzij de aanbevelingen van de commissie Verhulp zijn hierin belangrijke verbeteringen aangebracht.2 Ik heb uw Kamer hierover onder andere bij brief van 23 oktober 2018 bericht.
Het lekken van informatie kan een ambtsmisdrijf zijn. De beoordeling of dat aan de orde is, is niet aan mij. Zoals ik in mijn brief van 24 juni jl. heb aangegeven achtte ik mij gehouden om aangifte te doen van het lekken van de vertrouwelijke notitie, op basis van het oordeel van het OM dat er in dat geval voldoende opsporingsindicaties waren voor nader onderzoek.
Ik benadruk hier overigens dat lekken van (vertrouwelijke) informatie uit het departement niet hetzelfde is als het melden van een vermoedelijke misstand in de zin van de Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie. Voor het melden van een vermoedelijke misstand zijn daarvoor aangewezen procedures binnen en buiten het departement.3 Die zijn in dit geval niet gevolgd en er is met het doen van aangifte in mijn ogen dan ook niet gehandeld in strijd met de geest van de klokkenluidersregeling.
Wat is uw reactie op de opmerking van de Ondernemingsraad dat het gevoel van ongemak en onbehagen wordt veroorzaakt doordat juist in deze casus wordt overgegaan tot het doen van aangifte?
Ik verwijs naar mijn brief van 24 juni jl. en naar mijn antwoord op vraag 2.
Vreest u dat de manier van afhandeling van de primaire melding van de misstand en de latere aangifte van het lekken als gedragseffect zullen hebben dat minder mensen interne kritiek durven te uiten of de interne klokkenluidersprocedure zullen volgen? Zo nee, waarom niet?
Ik streef naar een veilige werkomgeving voor álle medewerkers van mijn departement. Daarom moeten de interne procedures voor het melden van vermoedens van misstanden optimaal functioneren. Daartoe is veel geïnvesteerd de afgelopen jaren, zoals ik in meerdere brieven aan uw Kamer uiteen heb gezet.4 Naar aanleiding van de WODC-kwestie en de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissies die ik naar aanleiding daarvan heb ingesteld, zijn er belangrijke verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van de interne procedures voor het melden van misstanden. Met alle genomen integriteitsmaatregelen wordt beoogd dat medewerkers zich juist veilig voelen om eventuele misstanden te melden. Een veilige werkomgeving voor medewerkers houdt tegelijk ook in dat zij binnen de gestelde kaders vrijelijk documenten en e-mails kunnen wisselen, zonder dat deze worden gelekt naar onbevoegde derden.
Klopt het dat de plaatsvervangend Secretaris-Generaal, degene die ook in november de aangifte deed namens het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de afgelopen maanden als leidinggevende diverse mensen heeft ondervraagd in een zoektocht naar lekken? Wat is hier precies gebeurd? Zijn er gespreksverslagen gemaakt? Zo ja, kunt u deze (geanonimiseerd) aan de Kamer doen toekomen?
Mij is verklaard dat in 2018 en 2019 diverse gesprekken over het thema integriteit zijn gevoerd met medewerkers onder leiding van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal (hierna: pSG). Deze gesprekken vonden plaats vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid. Er is onder andere gesproken met medewerkers die klachten hadden ingediend over lekken en/of zich daardoor onveilig voelden.
In maart en mei 2019 zijn gesprekken gevoerd met enkele andere medewerkers, waarin ook is gesproken over het thema integriteit. De gesprekken waren mede bedoeld om beter zicht te krijgen op de cultuur en de werkomstandigheden in het verleden bij dienstonderdelen waar deze medewerkers werkzaam waren. In die gesprekken (maart en mei 2019) zijn tevens vragen aan de orde gekomen die raakten aan het lopende onderzoek van de Rijksrecherche. In de gesprekken van mei 2019 is ook aangegeven dat een strafrechtelijk onderzoek was gestart naar het lekken van de vertrouwelijke notitie in de WODC-kwestie.
De gesprekken in maart en mei 2019 zijn gevoerd nadat aangifte was gedaan. Voor mij is duidelijk dat het lopende onderzoek bij de Rijksrecherche tot gevolg moest hebben dat mijn departement zich vanaf dat moment terughoudend moest opstellen ten aanzien van het onderwerp van strafrechtelijk onderzoek. Deze gesprekken hadden daarom over dat onderwerp niet moeten worden gevoerd. Dat dit desondanks toch is gebeurd, was reden voor de pSG om zijn functie ter beschikking te stellen.
Er zijn van de gesprekken zoals hierboven beschreven geen gespreksverslagen gemaakt.
Op welke momenten vonden deze ondervragingen precies plaats? Was het strafrechtelijk onderzoek naar het lek toen al begonnen?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 5.
Zijn de betrokken personen van tevoren ingelicht over het doel van de gesprekken? Zo ja, hoe luidde dat doel? Zo nee, waarom niet? Klopt het dat mensen die gehoord werden in het kader van dit onderzoek daarbij niet werden bijgestaan door een advocaat en ook niet op hun rechten werden gewezen? Wat vindt u hiervan?
Bij aanvang zijn betrokkenen ingelicht over het doel van het gesprek. In verband met de vraag naar bijstand van een advocaat merk ik op dat de gesprekken geen onderdeel uitmaakten van een lopend disciplinair traject. Formeel was die noodzaak er dan ook niet. Uit mijn antwoord op vraag 5 volgt dat gesprekken waarin ook vragen aan de orde zijn gekomen die onderwerp waren van het onderzoek van de Rijksrecherche, over dat onderwerp niet hadden moeten worden gevoerd.
Kunt u uitsluiten dat op enig moment door personen op het Ministerie van Justitie en Veiligheid op enigerlei wijze nog ander onderzoek is gedaan naar de lekken op het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Zo nee, kunt u zo precies mogelijk uiteenzetten welke onderzoeken hebben plaatsgevonden, wanneer zij hebben plaatsgevonden en door wie zij zijn uitgevoerd?
In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat er binnen de rijksoverheid en ook binnen mijn ministerie (interne) onderzoeken naar lekken plaatsvinden als daartoe aanleiding is. Hiervan wordt uw Kamer door de Minister van BZK jaarlijks op de hoogte gesteld in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk.5
Hoe kijkt u terug op uw eigen uitspraak, gedaan tijdens het Kamerdebat op 27 juni 2019 in reactie op vragen over het strafrechtelijk onderzoek in de WODC-affaire, dat u eind juni 2018 heeft gezegd dat dit buiten het departement door het openbaar ministerie en de Rijksrecherche moest worden bekeken, omdat u niet wilde dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich daar zelf in zou begeven?2 Vindt u, gezien de beschreven gang van zaken, dat aan deze wens gehoor is gegeven?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 5 en 7.
Op welk moment precies raakte u op de hoogte van dit onderzoek van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal? Hoe lang was dit nadat deze dit onderzoek begon? Hoe kan het dat u daarvan niet direct op de hoogte was? Indien u hiervan op de hoogte was, waarom heeft u de Kamer hierover niet geïnformeerd?
Begin mei van dit jaar ben ik door de pSG geïnformeerd over het feit dat er in de loop van mei gesprekken zouden worden gevoerd, waarin zou worden meegedeeld dat er een strafrechtelijk onderzoek liep. Dat een dergelijk notificatiegesprek wordt gevoerd is gebruikelijk. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 5. Dat er in maart een eerdere gespreksronde heeft plaatsgevonden weet ik sinds begin juli.
Hoe gaat u het onderlinge vertrouwen op het Ministerie van Justitie en Veiligheid herstellen als het zo is dat buiten uw medeweten om door leidinggevenden onderzoek wordt verricht naar mensen die een evidente misstand naar buiten hebben gebracht?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt zich de ondervraging door de plaatsvervangend Secretaris-Generaal tot de aanbevelingen over klokkenluiders van de Raad van Europa, in het bijzonder die over de bescherming tegen vergelding?3
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 juni jl. heb geschreven heeft de klokkenluidster in deze kwestie te goeder trouw en naar behoren, maar tevergeefs, een vermoeden van een misstand proberen aan te kaarten. Haar komt beroep toe op de klokkenluidersregeling. Degene(n) die de vertrouwelijke notitie heeft/hebben gelekt, heeft/hebben niet de klokkenluidersregeling gevolgd. Daarmee komt aan diegene(n) niet de bescherming toe die aan de klokkenluidster wel toekomt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De problemen bij Yarden |
|
Mahir Alkaya |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kan Yarden de all-inclusive verzekering zomaar aanpassen?»?1 Wat vindt u van de slechte financiële positie van Yarden, dat 1,4 miljoen mensen verzekert?
Ik heb kennisgenomen van het feit dat de solvabiliteitspositie van Yarden, de zogenaamde solvency capital ratio, in het derde kwartaal van 2018 onder de wettelijke norm van 100% is gedaald. De solvabiliteitseisen die aan verzekeraars worden gesteld hebben tot doel een robuuste financiële bedrijfsvoering van de onderneming te waarborgen, waardoor de verzekeraar ook in de toekomst in staat is aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Indien een verzekeraar onder de wettelijk voorgeschreven solvabiliteitseis zakt, is dat een zorgelijke ontwikkeling. De wet vereist in een dergelijk geval dat de verzekeraar in een zogenoemd herstelplan maatregelen voorstelt om de financiële positie te verbeteren, zodanig dat hij weer voldoet aan de wettelijke grens van 100%. Een dergelijk herstelplan behoeft de instemming van de Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder.
Onderdeel van het door Yarden ingediende herstelplan is dat Yarden gebruik maakt van de mogelijkheid als opgenomen in de voorwaarden van een aantal van haar verzekeringsovereenkomsten, de zogenoemde pakketpolissen, om in bepaalde gevallen aanpassingen te doen, mogelijk ten nadele van betrokken polishouders. Een versobering van de polisvoorwaarden door een beroep op een dergelijke clausule, kan echter slechts worden gedaan in uitzonderlijke gevallen waarin alle overige alternatieven zijn uitgeput. Yarden heeft aangekondigd dat, kort gezegd, de betreffende polishouders vanaf 1 januari 2020 zelf de kostenstijging ten gevolge van het inflatierisico en inkooprisico moeten dragen. Daarmee verlegt Yarden vanaf 1 januari 2020 het risico van toekomstige kostenstijgingen, ten gevolge van het inflatierisico en het inkooprisico, van de uitvaart naar de polishouder. Dit heeft tot gevolg dat de financiële positie van Yarden verbetert. Het is erg vervelend dat polishouders daardoor worden geconfronteerd met een versobering. Tegelijkertijd is het in het belang van alle betrokkenen dat Yarden in staat is de financiële positie te herstellen.
Vindt u het rechtvaardig dat de polishouders, die juist verzekerd wilden zijn, moeten opdraaien voor de slechte inschattingen van deze grote financiële instelling?
Indien een verzekeraar in de problemen komt moet hij een herstelplan opstellen om weer aan de wettelijke vereisten te voldoen en om toekomstige verplichtingen na te kunnen komen. In dit geval heeft Yarden gebruik moeten maken van de «en-bloc» clausule in de polisvoorwaarden. Deze clausule is bedoeld om in uitzonderlijke gevallen te worden toegepast bij grote financiële problemen bij de verzekeraar.
Waarom is er niet gekozen voor een «bail-in», zoals mogelijk gemaakt door de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars, zodat de eigenaren en aandeelhouders van Yarden die in goede tijden hebben gedeeld in de winst in slechte tijden ook verantwoordelijkheid nemen?
Het toepassen van een bail-in was niet aan de orde. Ingevolge de richtlijn Solvabiliteit II geldt voor verzekeraars een zogenaamde interventieladder. Zodra sprake is van onderschrijding van het wettelijk solvabiliteitskapitaalvereiste (het «SKV»), dient de verzekeraar de toezichthouder daarvan op de hoogte te brengen. Binnen twee maanden na constatering van de onderschrijding dient de verzekeraar een herstelplan aan de toezichthouder te presenteren. In beginsel geldt dat het SKV binnen zes maanden na constatering van de onderschrijding weer op peil dient te zijn gebracht. Gedurende de periode van onderschrijding zal de verzekeraar onder verscherpt toezicht staan.
Op het moment dat de verzekeraar over onvoldoende kapitaal beschikt om dekking van het minimumkapitaalvereiste (het «MKV») te garanderen, of het vermoeden heeft dat dit binnen drie maanden zal gebeuren, moet de toezichthouder ook hiervan op de hoogte worden gebracht. In dit geval is de verzekeraar verplicht een financieel kortetermijnplan op te stellen, waarin vermeld staat op welke wijze en binnen welke termijn weer aan de solvabiliteitseisen voldaan zal worden. Daarna moet binnen drie maanden het MKV weer op peil zijn. De toezichthouder zal maatregelen treffen indien het MKV niet of niet tijdig wordt bereikt. Het optreden van de toezichthouder is dan gericht op het treffen van maatregelen om de solvabiliteit van de betrokken verzekeraar te verbeteren. Bovendien heeft de toezichthouder de bevoegdheid om de vrije beschikking over de beleggingen te beperken. Als de toezichthouder van mening is dat het financieel kortetermijnplan onvoldoende is voor herstel, of als de verzekeraar er niet in slaagt binnen drie maanden te voldoen aan het MKV, is de toezichthouder genoodzaakt om de vergunning van de verzekeraar in te trekken.
Indien toepassing van de interventie de financiële positie van de verzekeraar niet heeft verbeterd zal afwikkeling door toepassing van de nieuwe bevoegdheden door DNB aan de orde komen, mits aan de algemeen belang toets wordt voldaan. Indien niet aan de criteria voor afwikkeling wordt voldaan, volgt faillissement zoals omschreven in de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars.
Zullen naast de 380.000 reeds aangetaste polissen ook andere nog bijgesteld worden? Krijgen in betere tijden deze mensen hun polisvoorwaarden weer terug?
Op basis van de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn alleen de pakketpolissen aangepast. De aanpassing in de voorwaarden betekent dat de verzekering nu de vorm heeft van een natura-uitvaartverzekering tegen een gemaximeerd bedrag. Het is aan de onderneming zelf om te bepalen of de polisvoorwaarden in betere tijden weer worden hersteld in hun «oude» vorm.
Wat gaan u en De Nederlandsche Bank (DNB) doen om verdere problemen bij Yarden en het verlies van de inleg en verzekering van 1,4 miljoen mensen te voorkomen?
DNB ziet toe op naleving van wet- en regelgeving en heeft erop toegezien dat Yarden een herstelplan opstelde om het kapitaaltekort te herstellen. Met het huidige herstelplan en de uitvoering hiervan voldoet de solvabiliteitsratio weer aan de wettelijke vereisten. De uitvoering van het herstelplan is aan de ene kant zeer vervelend voor polishouders, maar zorgt er aan de andere kant voor dat de financiële positie van Yarden is verbeterd en het verzekeringsbedrijf kan worden voortgezet. Dat is ook in het belang van de polishouders.
Als Yarden failliet gaat, zijn dan alle polishouders hun geld kwijt? Hoe zou de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars hen precies beschermen?
Graag beantwoord ik deze vraag samen met vraag 7.
Hoeveel zou het de mensen die zich hier verzekerd hebben kosten wanneer Yarden failliet zou gaan?
Door de genomen maatregelen is Yarden weer solvabel, en kan weer aan haar verplichtingen voldoen. Interventie is in dit stadium niet aan de orde. Er is geen sprake geweest van een acuut tekort aan liquiditeit. Yarden heeft haar financiële positie kunnen herstellen door de wijziging in de voorwaarden.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is uiteengezet, dient de toezichthouder de vergunning in te trekken indien de verzekeraar er niet in slaagt tijdig te voldoen aan het MKV. Het is mogelijk dat dan nog aanzienlijke waarden tegenover de technische voorzieningen staan en dat de polishouders, ook in geval van faillissement, niet hun gehele inleg kwijt zijn.
Naar aanleiding van de vraag hoe de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars polishouders precies zou beschermen, wordt opgemerkt dat het doel is de verliezen voor polishouders te beperken; er is echter geen garantie dat verliezen niet optreden. Voor een uitgebreide uiteenzetting wordt verwezen naar Kamerstuk 34 842, nr. 3, p. 15–27.
Gezien de vele factoren die bij een faillissement een rol zouden kunnen spelen, is het niet mogelijk voor een hypothetische situatie te voorspellen hoe groot het nadeel zou zijn voor verzekerden indien Yarden failliet zou gaan. Deze situatie heeft zich niet voorgedaan: op basis van de inventieladder als opgenomen in de richtlijn Solvabiliteit II, is de onderschrijding van het solvabiliteitskapitaalvereiste geadresseerd middels bovengenoemd herstelplan.
Het bericht dat Careyn de inspectie op het verkeerde been heeft gezet |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat vindt u van de bevindingen van de makers van het televisieprogramma Zembla die melden dat tijdens een inspectiebezoek aan verzorgingshuis Tuindorp-Oost, zorginstelling Careyn de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om de tuin heeft geleid?1
De IGJ bepaalt zelf de concrete invulling van het bezoek. Bij dit bezoek heeft de IGJ ter plekke bepaald welke verdiepingen en cliëntkamers zij wilde zien.
Hoogleraar veiligheid in de zorg Jan Klein oordeelt dat het niet terecht is dat Careyn beweert dat de IGJ de juistheid van de interne verhuizing bevestigt, omdat dit niet terug te lezen is in de stukken die via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zijn opgevraagd. Careyn geeft aan dat in het inspectieverslag wel terug te lezen is dat de IGJ de verhuizing een juist besluit vindt. Hoe oordeelt u over deze verschillende bevindingen?
In het inspectieverslag constateert de IGJ dat het pand ooit is gebouwd als serviceflat voor zelfstandig wonende senioren. Het gebouw is gedateerd en in principe niet geschikt voor ouderen met een complexe zorgvraag. Vanuit het oogpunt van kwaliteit en veiligheid van zorg is de IGJ van mening dat de keuzes die Careyn heeft gemaakt met betrekking tot de verhuizing navolgbaar zijn. De IGJ heeft niet getoetst of de verhuizing correct is uitgevoerd. Dit is geen taak van de IGJ.
De zorgvuldige verhuizing van bewoners is de verantwoordelijkheid van een zorgaanbieder. Wanneer de IGJ signalen heeft dat de kwaliteit of veiligheid van zorg in het geding is door een verhuizing neemt zij dat mee in het toezicht.
Wat vindt u ervan dat het inspectiebezoek vooraf aangekondigd was en dat er niet met alle betrokken bewoners of met de cliëntenraad is gesproken?
De IGJ maakt binnen de uitvoering van het toezicht haar eigen professionele keuzes, zo ook over het wel of niet aankondigen van een bezoek. Een aangekondigd bezoek heeft altijd onaangekondigde elementen. De IGJ heeft dit bezoek kort van tevoren aangekondigd teneinde tijdens het bezoek de beschikbaarheid van de juiste personen te garanderen. Bij dit bezoek heeft de IGJ ter plekke bepaald in welke documenten en cliëntdossiers zij inzage wilde hebben en welke verdiepingen en cliëntkamers zij wilde zien. De bevindingen waren voor de IGJ geen aanleiding voor aanvullende toezichtactiviteiten.
Gedurende het algemene toezichttraject op Careyn heeft de IGJ contact gehad met een vertegenwoordiging van de cliëntenraad.
Klopt het dat de IGJ alleen sprak met personeelsleden in bijzijn van een lid van de Raad van Bestuur? Deelt u de mening dat dit de kans vergroot dat alleen de positieve kanten van het verhaal gehoord zijn?
Toezicht is maatwerk. De IGJ maakt in elke situatie de afweging wat de juiste setting is om relevante informatie te ontvangen. Als de inspecteurs geen openheid ervaren dan passen ze de invulling van het bezoek daarop aan.
Kunt u uw reflectie geven over het handelen van Careyn en van de IGJ in deze situatie?
De IGJ verwacht dat een zorgaanbieder goed communiceert richting bewoners en familie bij een besluit tot verhuizen. Ook verwacht zij dat de zorgaanbieder de cliënt en diens familie de juiste begeleiding biedt. In dit geval merkt de IGJ op dat de door Careyn gevolgde procedure beter had gekund. Dit heeft de bestuurder van Careyn vervolgens zelf ook erkend.
De IGJ toetst niet of een verhuizing correct is uitgevoerd. De IGJ toetst de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Wanneer de IGJ constateert dat laatstgenoemde in het geding is door een verhuizing neemt zij dat mee in het toezicht. De IGJ maakt binnen de uitvoering van het toezicht haar eigen professionele keuzes, zo ook over de wijze waarop zij een inspectiebezoek uitvoert.
Welke maatregelen kunt u nemen of bent u bereid te nemen om deze geschillen op te lossen?
Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om te besluiten tot het verhuizen van bewoners. Een verhuizing is kan voor bewoners een zeer ingrijpende gebeurtenis zijn, maar is soms noodzakelijk om goede zorg te (blijven) bieden. Indien bewoners het daar niet mee eens zijn kunnen zij zich richten tot de klachtenfunctionaris van de betreffende zorgaanbieder. Deze procedure is in dit geval ook gevolgd. De IGJ heeft hier geen rol in.
Het bericht dat ruim 200 gemeenten drugsgebruik op straat verbieden terwijl het van de wet mag |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Van de wet mag het, maar ruim 200 gemeenten verbieden drugsgebruik op straat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 218 van de 355 gemeenten een algeheel verbod op het gebruik van (soft- en hard-)drugs hebben afgekondigd, terwijl de Opiumwet het gebruik expliciet niet strafbaar stelt, maar alleen de handel erin en productie ervan?
De Opiumwet stelt naast (onder meer) de handel in en productie van drugs ook het aanwezig-hebben van drugs expliciet strafbaar, maar inderdaad niet het gebruik van drugs. Het enkele feit dat het gebruik van drugs in de Opiumwet niet strafbaar is gesteld, wil nog niet zeggen dat het gemeenten niet is toegestaan om in de lokale Algemene Plaatselijke Verordeningen (APV) het gebruik van drugs in de openbare ruimte strafbaar te stellen.
De Opiumwet is primair gericht op bescherming van de volksgezondheid. Het gebruik van drugs is daarom bewust buiten de werkingssfeer van de Opiumwet gelaten om te voorkomen dat door strafbaarstelling mensen geen hulp zouden zoeken als zij als gevolg van hun drugsgebruik in de problemen komen. Het niet strafbaar stellen van drugsgebruik moet daarom worden gezien als beschermingsmaatregel die past binnen het Nederlandse drugsbeleid, dat enerzijds is gestoeld op preventie, voorkomen van drugsgerelateerde gezondheidsschade, de inzet van vroegsignalering en kortdurende interventies, verslavingszorg, en harm reduction en anderzijds op het tegengaan van de criminele drugsindustrie. Het behouden van toegankelijke (verslavings)zorg door het strafrechtelijk ontzien van de gebruiker is dus een vitaal onderdeel van het Nederlandse drugsbeleid. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft uw Kamer per brief van 25 april 2019 geïnformeerd over het (hard)drugspreventiebeleid.2 Het preventiebeleid zet stevig in op voorkomen van gebruik en het tegengaan van normalisering van gebruik. Over de aanpak van de (synthetische) drugsindustrie heb ik u meer per brief van 25 juli jl. geïnformeerd.3
Gemeenten zijn op grond van artikel 121 en 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het maken van (aanvullende) verordeningen, voor zover deze niet in strijd zijn met hogere regelingen. Het gebruik van drugs in de openbare ruimte kan gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij burgers oproepen. Veel gemeenten hebben daarom in de APV een verbod om op of aan de openbare weg drugs te gebruiken. De gemeenten dienen daarbij het belang van handhaving van de openbare orde. Omdat de gemeenten met dat verbod een ander belang nastreven dan het belang van bescherming van de volksgezondheid uit de Opiumwet, zijn gemeenten daartoe bevoegd, zo blijkt expliciet uit een arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 20154. De in de APV’s genoemde verboden zien alleen op het gebruik in de openbare ruimte; het gebruik in de privésfeer blijft onverminderd niet strafbaar. Daarnaast moeten gebruikers straffeloos hulp kunnen vragen ondanks het verbod in de APV.
Hoe beoordeelt u een algeheel verbod op het gebruik van drugs als middel om overlast te bestrijden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is een lokaal verbod op het gebruik van drugs in de openbare ruimte niet in strijd met de Opiumwet. In hoeverre gemeenten het al dan niet noodzakelijk achten het gebruik van drugs in de gehele gemeente te verbieden of dat slechts specifieke plaatsen worden aangewezen waar het gebruik van drugs strafbaar is gesteld, is een afweging die het beste lokaal gemaakt kan worden, afgestemd op de plaatselijke problematiek en behoeften.
Deelt u mijn mening en die van de experts, die in het artikel worden aangehaald, dat een specifiek gebiedsverbod beter is dan een algeheel verbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er andere mogelijkheden zijn die gemeenten kunnen aangrijpen om overlast te voorkomen, zoals «orde verstoring» (het hinderlijk rondhangen of intimiderend overkomen)?
Gemeenten beschikken over een breed instrumentarium om overlast te voorkomen en te bestrijden. Deze mogelijkheden zullen in sommige gevallen ook gebruikt kunnen worden ter bestrijding van drugsoverlast. Zo is in veel gemeenten een artikel in de APV opgenomen dat het verbiedt om zonder redelijk doel in portieken, poorten, of bij gebouwen rond te hangen. Deze bepaling kan echter ontoereikend zijn om het hinderlijk gebruik van drugs in de openbare ruimte in het algemeen te bestrijden. Hetzelfde geldt voor de bepaling die sommige gemeenten in hun APV hebben opgenomen ter bestrijding van straatintimidatie. Of en in hoeverre de noodzaak bestaat om een specifieke bepaling in de APV op te nemen die het gebruik van drugs in de openbare ruimte verbiedt en waar in de gemeente een dergelijk verbod van toepassing dient te zijn, is een afweging die het beste lokaal gemaakt kan worden.
Bent u van mening dat wanneer gemeenten iets strafbaar stellen dat in de Opiumwet uitdrukkelijk is uitgesloten, zij daarmee de Opiumwet doorkruisen? Wanneer wordt bij een gebiedsverbod de Opiumwet juridisch doorkruist? Wanneer wordt bij een algeheel verbod de Opiumwet juridisch doorkruist?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke acties bent u bereid te nemen om gemeenten te helpen de juiste maatregelen te treffen tegen eventuele overlast, zonder dat daarmee de Opiumwet juridisch doorkruist wordt?
Onder verwijzing naar mijn vorige antwoorden stel ik vast dat het gebruik van drugs in de openbare ruimte lokaal verboden kan worden door gemeenten zonder dat de Opiumwet juridisch wordt doorkruist. De gemeenten zijn zelf het beste in staat om in te schatten welke maatregelen daarvoor, gelet op de plaatselijke problematiek en behoeften, moeten worden genomen.