PBL noemt in de KEV afschaffing van de salderingsregeling |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) noemt in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) afschaffing van de salderingsregeling een van de maatregelen waardoor onder dit kabinet Nederland een flinke stap achteruit doet in het realiseren van de klimaatdoelen; heeft het PBL u hier voor verschijning van de KEV voor gewaarschuwd? Zo ja, wanneer was dat en waarom heeft u de Kamer hier niet over geïnformeerd?
In de Klimaat- en Energieverkenning worden ramingen voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparing gepresenteerd voor de jaren 2030 en 2035, en wordt in beeld gebracht wat de verwachte toekomstige effecten zijn van het klimaat- en energiebeleid in Nederland. De KEV raamt geen effecten van individuele beleidsmaatregelen, dus ook niet van de beëindiging van de salderingsregeling. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft mij niet op voorhand geïnformeerd over de impact van de beëindiging van de salderingsregeling op klimaatdoelen.
In de onlangs gepubliceerde Monitor Zon-PV van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) komt overigens naar voren dat de productie van kleinschalig opgesteld vermogen de verwachtingen bij het sluiten van het Klimaatakkoord ruimschoots overtreffen.1 Bij het sluiten van het Klimaatakkoord werd uitgegaan van een autonome groei van kleinschalig zon naar 7 TWh in 2030 en in 2023 was de jaarlijkse productie van kleinschalig opgesteld vermogen al 9,1 TWh.
Heeft u actief advies ingewonnen over de gevolgen van afschaffing van de salderingsregeling op uitrol van zon op dak en de CO2-impact daarvan? Zo ja, wat kwam hieruit?
Er is met diverse partijen contact geweest over de gevolgen van het beëindigen van de salderingsregeling per 2027. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 1 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel.2 Verder hebben zowel Berenschot3 als CE Delft en TNO4 gedurende het uitwerken van het wetsvoorstel een onderzoek gepubliceerd naar de gevolgen van het beëindigen van de salderingsregeling. De resultaten hiervan zijn betrokken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Wat betreft de uitrol van zon op dak zal er sprake zijn van een afnemende groei, maar zullen de investeringen in zonnepanelen naar verwachting niet stilvallen. Het blijft immers lonen om te investeren in zonnepanelen.
Het is niet mogelijk om een inschatting te geven van de CO2-impact van het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. Om deze reden doet het PBL in de KEV ook geen uitspraken over het effect van individuele maatregelen.
Zijn er ambtelijke inschattingen gemaakt van de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling op de uitrol van zon op dak en de CO2-impact daarvan? Zo ja, wat waren die inschattingen?
De inschatting is dat de uitrol van zonnepanelen zal afnemen vergeleken met de afgelopen jaren, maar niet zal stilvallen. In enkele jaren tijd is het aantal huishoudens met zonnepanelen gegroeid van 1 miljoen naar 3 miljoen en de groei van de jaarlijkse productie van kleinschalig opgesteld vermogen naar 9,1 TWh in 2023 overtreft ruim de verwachtingen bij het sluiten van het Klimaatakkoord. Deze groei zal afvlakken, maar volgens de RVO heeft dat voornamelijk te maken met het feit dat de prikkel van de hoge elektriciteitsprijzen uit 2022 er niet meer is. De RVO verwacht dat ook na het beëindigen van de salderingsregeling zonnepanelen zullen blijven zorgen voor een besparing op de energierekening.5 Verder verwachtte het PBL al in de KEV van 2023 dat het groeitempo van het aantal huishoudens met zonnepanelen zou afnemen vanwege de sterke groei van de jaren daarvoor.6 Eerder dit jaar noemde het PBL dat het raadzaam zou zijn om gezien het huidige overaanbod van elektriciteit uit zon-pv eerst het gebruik van elektriciteit door elektrificatie te stimuleren. Daarbij acht het PBL voldoende uitbreiding van het elektriciteitsnet een randvoorwaarde voor het stimuleren van extra zon-pv.7
Het is niet mogelijk om een inschatting te geven van de CO2-impact van het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. Om deze reden doet het PBL in de KEV ook geen uitspraken over het effect van individuele maatregelen.
Zijn er ook adviezen ingewonnen over, of inschattingen gemaakt van de kosten die worden veroorzaakt door de extra CO2-uitstoot door de afschaffing van de salderingsregeling?
Zoals aangegeven geeft het PBL aan dat het geen ramingen maakt in de KEV van de CO2-impact van individuele maatregelen, zoals het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. De salderingsregeling is een zeer effectieve maatregel geweest om de terugverdientijd van zonnepanelen te verkorten en daarmee zon op dak te stimuleren. Volgens de KEV is de productie van zonnestroom door huishoudens gestegen van 13 PJ in 2020 naar 31 PJ in 2023. Ook de RVO benoemt dat de eerdere verwachtingen uit het Klimaatakkoord voor kleinschalige zonnepaneelinstallaties al zijn overtroffen. De RVO verwacht dat ook na het beëindigen van de salderingsregeling zonnepanelen zullen blijven zorgen voor een besparing op de energierekening. Verder verwachtte het PBL al in de KEV van 2023 dat het groeitempo van het aantal huishoudens met zonnepanelen zou afnemen vanwege de sterke groei van de jaren daarvoor.
Bent u ermee bekend dat al in februari ambtenaren de toenmalige Minister van Financiën waarschuwde dat de doelen fors onder druk stonden? Hoe verhoudt het schrappen van de salderingsregeling en van andere klimaatmaatregelen zich hiertoe?
Ik ben bekend met de interne beslisnota’s van het Ministerie van Financiën, die in het kader van actieve openbaarmaking met het Belastingplanpakket 2025 openbaar zijn gemaakt. De conclusie van de interne adviesnota komt overeen met de nieuwe analyse van het PBL. De nieuwe KEV laat namelijk zien dat de kans kleiner dan 5 procent is dat het klimaatdoel voor 2030 wordt gehaald. Hierin is meegenomen dat de salderingsregeling per 2027 wordt beëindigd. Het kabinet houdt vast aan de afgesproken klimaatdoelen en neemt daarom in het voorjaar een besluit over alternatieve maatregelen. In de Klimaatnota heeft het kabinet al de eerste acties aangekondigd gericht op de aanpak van netcongestie en de maatwerkaanpak, onder andere om knelpunten in de uitvoering aan te pakken.
Zoals toegelicht in de eerdere antwoorden zijn de verwachtingen van de productie van kleinschalige zonnepaneelinstallaties sinds het sluiten van het Klimaatakkoord overtroffen. De salderingsregeling wordt beëindigd omdat het zorgt voor overbelasting van het net en er sprake is van een steeds grotere belastingderving. Toch zal de investering in zonnepanelen door huishoudens niet stilvallen: de investering in zonnepanelen blijft immers lonen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor aanvang van de tweede termijn van het Belastingplan?
Ja.
De loonruimte voor apotheekmedewerkers |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
In hoeverre is de oveheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) door de zorgverzekeraars verwerkt in de tarieven voor de apotheekzorg?
Ik ga er vanuit dat zorgverzekeraars zich ook voor de apotheekzorg houden aan de afspraak uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) om als startpunt van de onderhandeling de ova als index voor loonstijgingen te hanteren. Ook in de Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg van de NZa is deze afspraak als richtsnoer opgenomen. Indien zorgverzekeraars zich hier niet aan houden, dan kunnen partijen dat melden bij de NZa. Overigens betekent de IZA-afspraak niet dat zorgverzekeraars helemaal geen kortingen of opslagen mogen toepassen, nadat de ova als startpunt van de onderhandelingen is doorvertaald in de tarieven. Eventuele kortingen of opslagen die daarna worden voorgesteld, moeten wel altijd inzichtelijk worden gemaakt aan de wederpartij.
In hoeverre in de praktijk ook altijd de ova als startpunt van de onderhandelingen is doorvertaald in de tarieven, kan ik niet beoordelen. Daarvoor zou inzicht nodig zijn in alle individuele contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en aanbieders binnen de apotheekzorg. Dat inzicht heb ik niet. Op basis van alleen de uitkomst van de onderhandelingen (het afgesproken tarief) kan dit ook niet beoordeeld worden. Naast indexatie kunnen er immers ook nog andere op- of afslagen worden afgesproken. Uiteindelijk worden er overeenkomsten tussen zorgverzekeraars en apotheken gesloten met instemming van beide partijen.
Is de 368 miljoen euro die geraamd is voor de groei van lonen en prijzen in de apotheekzorg nu daadwerkelijk beschikbaar voor de onderhandelingen voor de cao?1
Die € 368 miljoen betreft een macro-bijstelling op het kader ten behoeve van enerzijds het opvangen van prijsstijgingen van materiaal en anderzijds het bieden van marktconforme loonruimte binnen de apotheeksector. Het grootste deel van die € 368 miljoen euro – namelijk € 319 miljoen euro – is geraamd in verband met verwachte prijsstijgingen van materiaal (o.a. geneesmiddelen). Partijen bepalen echter uiteindelijk zelf op welke wijze deze middelen worden ingezet.
Bij wie ligt die 368 miljoen euro nu precies? Is die door de zorgverzekeraars volledig verwerkt in de tarieven en ligt dat bedrag nu bij de apotheken, of ligt die deels nog bij de zorgverzekeraars?
De € 368 miljoen euro is geen geoormerkt geld, maar maakt integraal onderdeel uit van het kader voor farmaceutische zorg. Zorgverzekeraars Nederland is – zoals ieder jaar na Prinsjesdag – geïnformeerd over de loon- en prijsbijstelling 2025 binnen de verschillende Zvw-sectoren, waaronder de farmaceutische zorg. Daarnaast hebben verschillende partijen, waaronder de Zorgverzekeraars Nederland nog een aparte brief gekregen over het totaal beschikbare budget over 2025. De ophoging van het kader voor apotheekzorg werkt door in de hoogte van de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen vanuit het zorgverzekeringsfonds voor 2025. Verder is het aan zorgverzekeraars om bij het vaststellen van de hoogte van de nominale zorgpremie rekening te houden met de geraamde loon- en prijsbijstelling. Zij stemmen de hoogte van hun premie immers af op de verwachte zorgkosten. Verzekeraars ontvangen dus middelen via enerzijds het zorgverzekeringsfonds en anderzijds via de nominale premie die verzekerden betalen.
Vervolgens maken verzekeraars afspraken met aanbieders over te leveren zorg en bijbehorende tarieven. Daarbij geldt – zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 – dat in het IZA is afgesproken dat als startpunt van de onderhandeling de ova als index voor loonstijgingen wordt gehanteerd en dat deze afspraak ook als richtsnoer is opgenomen in de Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg van de NZa. De bedoeling is dat de contractonderhandelingen uiterlijk 12 november zijn afgerond met het oog op het overstapseizoen voor verzekerden. De daadwerkelijke zorguitgaven (en inkomsten voor aanbieders) hangen vervolgens af van de gemaakte contractafspraken en de zorg die in 2025 wordt geleverd. Zoals eerder aangegeven is maar een deel van het kader farmaceutische zorg gerelateerd aan personele inzet. Het grootste deel hangt samen met materiële kosten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de zorgverzekeraars, de werkgevers en het ministerie niet steeds naar elkaar blijven wijzen voor de financiering van een fatsoenlijke loonsverhoging voor zorgverleners?
Binnen het zorgverzekeringsstelsel zijn er duidelijk taken en verantwoordelijkheden. Het Ministerie van VWS stelt jaarlijks extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar via het ophogen van de financiële kaders, om zo marktconforme loonontwikkeling binnen de zorg mogelijk te maken. Vervolgens onderhandelen verzekeraars en aanbieders over contracten, waarbij zorgverzekeraars een zorgplicht hebben om voldoende zorg in te kopen voor hun verzekerden. Ook zijn zorgverzekeraars en zorgaanbieders in eerste instantie verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van zorg. VWS is geen partij in de contractonderhandelingen tussen verzekeraars en apotheken. Het betreft vrije tarieven. Tot slot is het aan sociale partners in de zorg om afspraken te maken over de arbeidsvoorwaarden van zorgmedewerkers. VWS is geen partij aan de cao-tafel en mag zich op grond van internationale verdragen hier ook niet mee bemoeien.
Wie is er nu verantwoordelijk voor het feit dat het niet lukt om een fatsoenlijke loonstijging te regelen voor apotheekmedewerkers? Komt dat door de zorgverzekeraars, de werkgevers of door het ministerie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om deze vragen voor 12 november a.s. te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gedetineerde uit De Westereen mocht niet in het Fries met beppe bellen' |
|
Jan Paternotte (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Struycken , Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat een gedetineerde uit De Westereen niet in het Fries met diens eigen dementerende Friese beppe mocht bellen?
Ja.
Deelt u de mening dat Friezen Fries mogen spreken?
Ja, ik deel uw mening dat Friezen Fries mogen spreken. Taal is een belangrijk onderdeel van cultuur en identiteit en iedere persoon heeft de vrijheid om de taal van zijn of haar keuze te gebruiken. In Friesland is het Fries, naast het Nederlands, ook erkend als officiële taal.1
Deelt u de mening dat een gedetineerde niet bestraft mag worden voor het spreken van de Friese taal?
Ik ga niet in op individuele gevallen. In principe staat het een gedetineerde vrij om met zijn of haar contacten een taal naar keuze te spreken. Hoewel ik erken dat vrije taalkeuze belangrijk is, kan het gebruik van andere talen dan de Nederlandse in detentie worden beperkt.
Zo kunnen bepaalde gedetineerden vanwege veiligheidsredenen, zoals bijvoorbeeld in de Extra Beveiligde Inrichting en op de Afdeling Intensief Toezicht, onder intensief toezicht staan. Dit toezicht kan bestaan uit het monitoren van telefonische contacten. Voor dit toezicht kan het noodzakelijk zijn dat als voorwaarde wordt gesteld dat de Nederlandse taal wordt gesproken. Als wordt aangetoond dat door een gedetineerde of dienst contact op geen enkele wijze in de Nederlandse taal kan worden gecommuniceerd, kan toestemming worden verleend in een andere taal te communiceren. In dat geval zal een tolk worden ingehuurd om te kunnen voorzien in het benodigde toezicht. De beroepsrechter heeft recentelijk geoordeeld dat, onder meer gelet op het benodigde toezicht en het niet beschikken over een tolk Fries, het niet onredelijk of onbillijk is om deze toestemming te weigeren in het geval een gedetineerde de Nederlandse taal ook machtig is.2
In zijn algemeenheid kan nog worden opgemerkt dat wanneer een gedetineerde zich niet houdt aan de afspraak dat in het Nederlands moet worden gecommuniceerd, het zo kan zijn dat monitoring niet mogelijk is en daarmee een veiligheidsrisico ontstaat. De directeur van een penitentiaire inrichting kan vervolgens genoodzaakt zijn maatregelen te treffen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een anderstalige gedetineerde waarschijnlijk wel diens eigen taal had mogen spreken, maar een Friestalige gedetineerde dat niet mocht omdat de penitentiaire inrichting in Arnhem niet bereid was een tolk in te huren ten behoeve van de monitoring?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de taalrechten van Friese gedetineerden die zich bedienen van een rijkstaal niet minder mogen zijn dan de taalrechten van Nederlandse gedetineerden die zich bedienen van een rijkstaal?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen zowel in het Fries als in het Nederlands te beantwoorden?
Ja. De vertaling in het Fries is bijgevoegd.
Het bericht ‘Wachttijden ggz niet goed vastgelegd, zeggen onderzoekers’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karremans |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Wachttijden ggz niet goed vastgelegd, zeggen onderzoekers»?1
Ja.
Bent u bekend met het nader onderzoek van de Vrije Universiteit en zorgverzekeraar VGZ op dit punt? Zo ja, bent u bereid hier een reactie op te geven? Zo nee, kunt u deze opvragen en alsnog een reactie geven?
Ja, ik ben bekend met dit onderzoek. De onderzoekers concluderen dat wachttijden en wachtplekken niet gemeten worden zoals bedoeld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hierdoor zouden verzekeraars geen goed zicht hebben op welke regio’s of diagnosegroepen de langste wachttijden hebben. De onderzoekers stellen bovendien dat de data niet voldoende bruikbaar zijn voor het monitoren van de zorgplicht van zorgverzekeraars door de NZa. Door niet te registreren aan de bron (patiënt) en per zorgverzekeraar is de huidige wijze van registratie kwetsbaar voor ongewenst gedrag van zowel zorgaanbieder als verzekeraar. Ook bij aanlevering zoals bedoeld, geeft deze data – aldus de onderzoekers – geen juist beeld van de zorgplicht per verzekeraar.
Zoals de NZa aangeeft in haar reactie op het onderzoek zijn de beperkingen die in het onderzoek worden geconstateerd al langer bekend bij zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de NZa.2 Ik hecht dan ook groot belang aan de inspanningen van de NZa om de betrouwbaarheid en stabiliteit van de wachttijdgegevens te verbeteren. Inzicht in de wachttijden in de ggz is immers belangrijk om te zorgen dat mensen de zorg krijgen die zij nodig hebben.
Om deze reden werken partijen ook in het kader van het Integraal Zorgakkoord (IZA) aan het verbeteren van wachttijdinformatie. Dit gebeurt op twee manieren: ten eerste werken partijen aan het accurater krijgen van de data en het verkleinen van de administratieve lasten voor ggz-aanbieders bij aanlevering. Ten tweede wordt gewerkt aan het verbeteren van regionaal inzicht aan de aanbodkant.
Wanneer kan de Kamer de informatie verwachten zoals aangegeven in het verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op het rapport MIND onderzoek wachttijden ggz van 4 april 2024 en de uitvoering van de motie Bikker-Van den Hil.2 3
Zoals geantwoord op een vraag van uw Kamer tijdens de begrotingsbehandeling3 vind ik het belangrijk dat duidelijk is wie bij welke zorgaanbieder voor welk behandelgebied op de wachtlijst staat. Daarbij heb ik ook aangegeven dat ik samen met de zorgverzekeraars en andere betrokken partijen wil verkennen hoe we dit inzicht kunnen verbeteren binnen de kaders van de privacywetgeving, waaronder de criteria van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Welke opties we hebben, vergt zorgvuldige afweging. Een van die afwegingen is de vraag in hoeverre voor het beoogde doel inzicht nodig is op geaggregeerd of persoonsniveau. Ik ben voornemens om uw Kamer voor het voorjaar (planning Q1 2025) hierover verder te informeren.
Klopt het dat de informatie over wachttijden nu twee jaar rechtstreeks bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt aangeboden? Ziet u verschil met de eerdere situatie waarin dit via Vektis plaatsvond en welke bevindingen heeft u daarbij?
Ja, het klopt dat zorgaanbieders sinds oktober 2022 de wachttijdinformatie rechtstreeks aanleveren bij de NZa via het Zorgbeeldportaal. Hiervoor werd wachttijdinformatie geregistreerd bij Vektis. De NZa heeft de nieuwe ruwe aangeleverde data met de oude ruwe aangeleverde data van Vektis vergeleken en vond geen significante verschillen. Uitgezonderd de maximumwachtweken die in de Vektis-data gemiddeld lager waren. Dit kwam door de «afkapwaarden» die Vektis hanteerde (wachttijden langer dan x weken werden niet meer geregistreerd), terwijl het Zorgbeeldportaal niet dergelijke limieten hanteert.
Wat doet de NZa met zorgaanbieders die foutief, niet volledig of tijdig informatie over wachttijden aanleveren? Hoe vaak worden de diverse instrumenten ingezet die de NZa hiervoor heeft? Zijn deze instrumenten toereikend?
De NZa monitort de data continu op opvallendheden en afwijkingen. In de handhaving hierop richt de NZa zich vooral op het verbeteren van de kwaliteit en volledigheid van de aangeleverde data. Wanneer de NZa opvallendheden in de data constateert, wordt in een maandelijkse cyclus telefonisch contact opgenomen met de betreffende zorgaanbieders en volgt controle van de data en uitleg over de juiste manier van aanlevering.
Ook benadert de NZA schriftelijk een grotere groep zorgaanbieders om hen op veelgemaakte fouten in de aanlevering te wijzen. Het blijft echter lastig voor de NZa om zorgaanbieders die, wellicht onbedoeld, onjuiste, maar niet opvallende data hebben ingediend, te identificeren. Dit probeert de NZa te ondervangen door verbeteringen door te voeren in het Zorgbeeldportaal, zoals herinneringen en pop ups bij mogelijk foutieve invoer. Daarnaast is de NZa voornemens instructievideo’s te maken om meer uitleg te geven over de juiste toepassingen van het Zorgbeeldportaal. Tevens wordt op korte termijn een proef gestart om te onderzoeken of het mogelijk is om retrospectieve wachttijden inzichtelijk te maken op basis van declaratiedata.
Hoe wil u ervoor zorgen dat zorgverzekeraars kunnen beschikken over informatie over wachtenden zodat zij proactieve wachtlijstbemiddeling in kunnen zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat kunnen zorgverzekeraars zelf nog meer doen om zorgbemiddeling in de ggz in te zetten? Zijn er mogelijkheden die beter benut kunnen worden en bent u bereid daar het gesprek over te voeren?
Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 3, wil ik samen met de zorgverzekeraars en andere betrokken partijen verkennen hoe we het inzicht van zorgverzekeraars in wie bij welke zorgaanbieder voor welk behandelgebied op de wachtlijst staat kunnen verbeteren.
Sinds 1 september 2024 schrijft de NZa voor dat ook zorgaanbieders consumenten verwijzen naar zorgbemiddeling door de zorgverzekeraar en wachttijden inzichtelijk maken.
Daarnaast nemen zorgverzekeraars deel aan gezamenlijke initiatieven om het inzicht in wachttijden te verbeteren. Zo start er binnenkort een proef vanuit de IZA-werkgroep «Inzicht in Regionale Wachttijden» waarbij de NZa samen met zorgverzekeraars en vijf grote ggz-instellingen gaat kijken of declaratiedata (die zorgverzekeraars reeds ontvangen voor de uitvoering van hun wettelijke taken) gebruikt kan worden voor het genereren van goede wachttijdinformatie. Het streven is om voor 1 april 2025 duidelijkheid te hebben over de uitkomsten van deze proef.4 Ook wordt er door alle betrokken partijen ingezet op het vergroten van het regionale inzicht in de wachttijden, dat in 2026 significant verbeterd moet zijn. Zie de brief van mijn ambtsvoorganger hierover.5
Ik steun deze initiatieven en blijf uiteraard in gesprek met de zorgverzekeraars en andere betrokken partijen om de wachttijdinformatie te verbeteren.
Bent u bereid om uit te zoeken hoeveel wachttijden niet kloppend zijn? Op welke wijze zijn deze wachttijden niet kloppend? Zijn er verschillen tussen regio’s?
Zoals ik aangaf, monitort de NZa de aangeleverde data continu op mogelijke fouten. Wanneer de NZa signaleert dat een potentiële fout vaak gemaakt wordt, wordt op verschillende manieren geprobeerd deze te corrigeren (zie antwoord op vraag 4 en 5). Deze monitoring doet de NZa op zorgaanbiederniveau, niet op regioniveau.
Als u inzicht heeft in het aantal wachttijden die niet kloppen, zowel te lang, te kort als per regio, gaat u dan in overleg met de NZa hoe dit op te lossen? Zo ja, kunt u hiervoor een tijdspad geven? Zo nee, waarom niet?
Goede wachttijdeninformatie is van groot belang. Het is daarom goed dat de NZa continu werkt aan het verbetering van (de aanlevering van) de data. Zoals ik eerder schetste in mijn antwoorden op vragen 5 en 8 werkt de NZa momenteel op diverse manieren aan het verbeteren van het Zorgbeeldportaal en aan de wachttijdinformatie. Ik ben hierover continu met de NZa over in gesprek en zal dit punt ook de komende periode bij hen agenderen.
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Hamas in Europe»1 en het bericht «Buurlanden komt hij niet in, tóch mag omstreden kopstuk van pro-Palestinaclub spreken op universiteit in Nijmegen»2?
Het rapport «Hamas in Europe» is onder de aandacht gebracht bij de daartoe bevoegde instanties. Hamas is een terroristische organisatie en staat sinds 2003 op de Europese sanctielijst terrorisme. Ook aan Hamas gelieerde organisaties als Islamic Jihad en Al Qassem brigades staan op deze lijst. Sinds 2023 is ook de aan Hamas gelieerde stichting Al Aqsa op de nationale sanctielijst terrorisme geplaatst.
Het kabinet is er alles aan gelegen om onze samenleving te beschermen tegen terrorisme en extremisme en er worden stappen gezet op nationaal en internationaal niveau om de steun aan Hamas in en vanuit Nederland tegen te gaan. Vanzelfsprekend kan in de openbaarheid geen uitspraak worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten naar personen of organisaties, waarvan het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) mag op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar organisaties en personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD meldt in het jaarverslag van 2023 dat onderzocht wordt of de dreiging vanuit Hamas voor de nationale veiligheid van Nederland mogelijk verandert sinds het conflict in Gaza en enkele aanhoudingen in Europa.3 Dat onderzoek loopt door.
Het Openbaar Ministerie kan beoordelen of er sprake is van strafbare feiten en kan bepalen of er een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. De daarin te maken afwegingen zijn echter aan het Openbaar Ministerie; het kabinet geeft daartoe geen opdracht.
Zijn, behalve Amin Abou Rashed, die al vervolgd wordt, ook de andere in het rapport genoemde personen en organisaties bij u bekend en is u bekend of zij banden hebben met Hamas?
Zie antwoord vraag 1.
Indien zij niet bekend zijn of onbekend is of zij banden hebben met Hamas, bent u van mening dat dit rapport voldoende serieuze aanwijzingen bevat om onderzoek in te laten stellen door de daartoe bevoegde en aangewezen diensten naar genoemde organisaties en personen om na te gaan of zij inderdaad banden hebben met Hamas? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dergelijk onderzoek in te laten stellen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer personen of organisaties aantoonbaar banden hebben met Hamas, welke consequenties heeft dat, aangezien Hamas op de lijst van terreurorganisaties staat?
Welke (juridische) consequenties het onderhouden van banden met Hamas heeft, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Het geven van financiële steun aan Hamas kan bijvoorbeeld worden beschouwd als terrorismefinanciering (als bedoeld in artikel 421 Wetboek van Strafrecht), of als een overtreding van de Sanctiewet 1977. Of er in een specifieke casus sprake is van het plegen van strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen en – indien strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld – uiteindelijk aan de rechter.
Hoe heeft u, mede in het licht van dit rapport en het recente verbod in onder meer Canada van Samidoun3, gekeken naar de uitnodiging van de Radboud Universiteit aan de Europa-coördinator van Samidoun, Mohammed Khatib, die door onder meer een universitair docent Sociale Geografie actief wordt verspreid?
Voor haatzaaien en het verheerlijken van geweld is geen plaats in Nederland. De heer Khatib, en de organisatie Samidoun waar hij lid van is, legitimeert, vergoelijk en verheerlijkt geweld tegen de staat Israël, waaronder geweld door organisaties die op de terrorisme sanctielijst van de Europese Unie staan. Betrokkene heeft ook actief zijn steun uitgesproken voor terroristische organisaties. Deze uitspraken kunnen een radicaliserend effect hebben. Deze conclusies hebben ertoe geleid dat de Minister van Asiel en Migratie, in samenspraak met de Minister van Justitie en Veiligheid, betrokkene geweerd uit Nederland. Zie voor verdere toelichting de beantwoording op vraag acht.
Universiteiten zijn geen plek voor discriminatie, intimidatie en antisemitisme. Er is ruimte om scherpe discussies te voeren, maar deze dienen zich te bewegen binnen de grenzen van de wet, de academische standaarden, en de huisregels en gedragscodes van de instelling. Zolang er geen wettelijke beperkingen gelden voor een organisatie of beoogd spreker, is de instelling zelf verantwoordelijk voor bijeenkomsten die gehouden worden op het terrein van de instelling en voor afstemming met de lokale driehoek. Iedere student en medewerker heeft het recht om bijeenkomsten met een academisch karakter te organiseren. In algemene zin geldt dat het aan de instelling is om voorafgaand aan bijeenkomsten duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Deze academische vrijheid is een belangrijke waarde van onze rechtsstaat die we moeten verdedigen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is niet voornemens om op dit moment het gesprek aan te gaan met de Radboud Universiteit over deze specifieke lezing die door de Radboud Universiteit is geannuleerd nadat de spreker de toegang tot Nederland was ontzegd.
Het kabinet zal tevens onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid op korte termijn de Taskforce Bestrijding Antisemitisme oprichten. Deze Taskforce gaat op hoog niveau het komend jaar aan de slag met het doen van gerichte voorstellen voor de maatregelen ten behoeve van de veiligheid van Joden, waaronder de veiligheid van Joodse studenten op hogescholen en universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op de NS stations.
In hoeverre bent u voornemens met de Radboud Universiteit in gesprek te gaan naar aanleiding van de komst van dit Samidoun-kopstuk?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u reeds gesproken met uw Duitse collega’s over hoe om te gaan met organisaties als Samidoun, zoals u aangaf in antwoord op Kamervragen op 26 juli 2024?4
De Minister van Justitie en Veiligheid gaat in gesprek met collega’s in Duitsland over hoe om te gaan met deze en soortgelijke organisaties. Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden op dit moment voorbereidingen getroffen voor het laten plaatsvinden van dit gesprek. Over de uitkomsten zal de Kamer, conform de toezegging, vanzelfsprekend worden geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat u conform de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding een gebiedsverbod voor de Radboud Universiteit aan Mohammed Khatib kan opleggen? Waarom heeft u dit tot op heden nog niet gedaan?
Voor vreemdelingen die naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden en die daarmee een gevaar vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid is in Nederland geen plaats. Het kabinet is er alles aan gelegen om deze personen te weren als zij een dreiging vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Dit kan bijvoorbeeld – binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving – door het weigeren van een visum, een signalering in het Schengeninformatiesysteem of het opleggen van een ongewenstverklaring door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Betrokkene is inmiddels gesignaleerd ter fine van toegangsweigering. Hier is uw Kamer op 25 oktober over geïnformeerd.7 8
De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding biedt de mogelijkheid om aan een persoon, die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in het belang van de nationale veiligheid. Een mogelijke maatregel is een gebiedsverbod voor een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, mits kan worden onderbouwd dat de aanwezigheid van de persoon in dit specifieke gebied een dreiging tegen de nationale veiligheid vormt en de gedragingen van de persoon voldoen aan bovenstaande norm. Een gebiedsverbod voor heel Nederland is met het oog op de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel niet waarschijnlijk.
Het is van belang om te benadrukken dat er een verschil is in toetsingskaders tussen visumplichtigen en personen met een rechtmatig verblijf in de EU. Voor de laatstgenoemde categorie is de norm voor toegangsweigering hoger. Verder gaat de Minister van Justitie en Veiligheid niet in op de besluitvorming in deze individuele zaken.
Hoe verhouden de gronden waarop David Icke op 3 november 2022 door de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de toegang tot Nederland is ontzegd5 zich tot de mogelijkheden die u heeft om ook dit Samidoun-kopstuk de toegang tot Nederland te ontzeggen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u nauwkeurig inzichtelijk maken op welke termijn en op welke manier u uitvoering gaat geven aan de motie-Diederik van Dijk/Eerdmans6 over organisaties als Samidoun op de nationale sanctielijst terrorisme en in het CTER-register plaatsen?
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft, conform de motie Diederik van Dijk (SGP) en Eerdmans (JA21)10 toegezegd in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie en de AIVD over hoe zij om kunnen gaan met deze en soortgelijke organisaties. Vanzelfsprekend kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan over de onderzoeken en werkwijze van de AIVD. Het is van belang om te benadrukken dat het aan het Openbaar Ministerie en de AIVD zelf is om hier een afweging in te maken.
Het gesprek met het Openbaar Ministerie heeft op vrijdag 29 november plaatsgevonden. Het Openbaar Ministerie gaf daarbij aan geen aanknopingspunten te hebben voor strafrechtelijke verdenkingen ten aanzien van Samidoun in Nederland.
Bent u bekend met het bericht «6–0 voor toeslagenouders, maar Staat blijft doorprocederen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het beeld dat wordt geschetst in het artikel dat het doorprocederen van de Staat tegen beter weten in is?
Laat ik vooropstellen: het is zeer pijnlijk dat Dienst Toeslagen2 bij mensen in het verleden verboden indirect onderscheid gemaakt heeft. Ik herken het beeld dat in het artikel geschetst wordt echter niet. Het College heeft in alle tot nu toe gepubliceerde zaken inderdaad geconcludeerd dat er sprake was van verboden indirect onderscheid op grond van ras, maar tegelijkertijd is ook in al die zaken geconcludeerd dat er geen sprake was van directe discriminatie op grond van ras. In het artikel wordt daarnaast ook geschreven dat ouders een «vinkje» moeten halen via het College om te bewijzen dat zij gediscrimineerd zijn geweest voor de bepaling van de hoogte van hun schadevergoeding, dat is niet het geval.
Wat is de kern van de zes discriminatieklachten die gegrond zijn verklaard door het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College)?
De kern van de discriminatieklachten ziet op vermoedens van ongelijke behandeling of selectie bij de controle en terugvordering van kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen3 in het verleden.
Volgens het College is in deze zaken geen sprake geweest van verboden direct onderscheid. De gehanteerde criteria bij de controles, correcties en terugvordering van de kinderopvangtoeslag betreffen volgens het College neutrale criteria, waarbij de herkomst van verzoekers geen rol heeft gespeeld.
In het vooronderzoek heeft het College geconcludeerd dat het vermoeden bestaat dat Dienst Toeslagen bij de onderzochte onderdelen van de harde fraudeaanpak van de kinderopvangtoeslag indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Die harde fraudeaanpak zou personen met een buitenlandse afkomst in het bijzonder hebben getroffen.
Daarom wordt in de zaken waarop het Vooronderzoek van toepassing is de bewijslast omgekeerd. Zoals in het voorgaande antwoord is uiteengezet, is indirect onderscheid niet verboden als dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en het middel voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is. Het is aan Dienst Toeslagen om, gelet op de omkering van de bewijslast, dit aan te tonen.
Het College oordeelde in deze zaken dat Dienst Toeslagen de noodzaak van de werkwijze van de harde fraudeaanpak niet heeft aangetoond. Daarvoor had Dienst Toeslagen moeten bewijzen dat het nagestreefde doel niet bereikt had kunnen worden met minder vergaande middelen. Daarom staat vast dat Dienst Toeslagen verboden indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van ras tegenover de verzoekers bij de harde fraudeaanpak bij de correcties en terugvordering van kinderopvangtoeslag.
Dienst Toeslagen heeft op basis hiervan in recentere zaken op de klacht van indirecte discriminatie geen verweer gevoerd.
Deelt u de mening dat na zes oordelen van discriminatie er geen reden meer is om per geval verweer te voeren tegen deze klachten? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dat het kabinet doorgaat met verweer, terwijl gedupeerden al zwaar zijn belast?
Ik deel de mening niet dat er geen reden meer is om per geval verweer te voeren tegen de klachten die bij het College voorliggen. Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) beoordeelt of sprake is van onderscheid op grond van ras. Dit onderscheid kan direct of indirect zijn en het verbod hierop is vastgelegd in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB):
Dienst Toeslagen voert verweer tegen de klacht dat sprake is van directe discriminatie. Het standpunt van Dienst Toeslagen over directe discriminatie, namelijk dat daarvan geen sprake was, is tot nu toe ook in alle zaken door het College overgenomen.
Ten aanzien van indirecte discriminatie voert Dienst Toeslagen niet meer altijd verweer. Als blijkt dat er in de betreffende casus sprake is van een vermoeden van indirect onderscheid dat niet kan worden gerechtvaardigd, neemt Dienst Toeslagen dat aan en wordt geen verweer gevoerd op dat punt. In de zaak met het meest recente gepubliceerde oordeel (oordeel 2024–80 van 23 september 2024) is bijvoorbeeld ook geen verweer gevoerd tegen de aanklacht van verboden indirect onderscheid bij de harde fraudeaanpak bij correcties en terugvordering.
Daarbij komt dat Dienst Toeslagen niet op de hoogte is wie een klacht heeft ingediend en wat de klacht behelst totdat het College een klacht bij Dienst Toeslagen kenbaar maakt. Dienst Toeslagen krijgt die zaken steeds één voor één individueel aangereikt, waarbij steeds een eigen individueel klachtenformulier is ingevuld. Het kan daarom ook niet anders dat op individueel niveau verweer wordt gevoerd en de oordelen individueel worden afgewacht. De individuele verzoekers hebben daar ook recht op.
Ik ben mij ervan bewust dat voor de ervaring van gedupeerden ouders niets uitmaakt of zij direct of indirect gediscrimineerd zijn en dat een zaak bij het College zeer belastend voor hen kan zijn. Daarom is het belangrijk dat Dienst Toeslagen elke zaak heel zorgvuldig uiteenzet, Dienst Toeslagen maakt hiervoor een reconstructie van alle gegevens en behandelingen die beschikbaar zijn in diens dossier. Vervolgens beoordeelt Dienst Toeslagen steeds of er aanleiding is verweer te voeren tegen de aanklacht van discriminatie.
Waarom is de Staat voornemens door te blijven procederen, ondanks dat in de zes al beoordeelde gevallen er sprake is van discriminatie door de Belastingdienst? Deelt u de mening dat het doorprocederen tegen toeslagenouders, ondanks de reeds bestaande oordelen van het College, het vertrouwen in de overheid verder schaadt?
Zie antwoord vraag 4.
Nu zes gevallen van discriminatie zijn bevestigd door het College, waarom wordt er nog steeds een individueel oordeel afgewacht in andere zaken? Bent u bereid om de discriminatie in toekomstige zaken direct te erkennen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Advocaten bepleiten dat schadevergoedingen sneller toegekend moeten worden omdat de discriminatie duidelijk is. Neemt het kabinet specifieke stappen om dit proces te versnellen?
Het is niet zo dat gedupeerden een «vinkje» moeten halen via het College om te bewijzen dat zij gediscrimineerd zijn geweest voor de bepaling van de hoogte van hun schadevergoeding. UHT kijkt bij elke gedupeerde ouder of er in het dossier aanwijzingen zijn voor ongelijke behandeling. De compensatieregeling voor vooringenomen handelen ziet daarmee ook op (vermeend) verboden onderscheid.
Er zijn echter ook gedupeerden die aanwijzingen of vermoedens van discriminatie hebben zonder dat dit direct blijkt uit hun dossier, om hier recht aan te doen is met het College afgesproken dat ouders bij hen terecht kunnen met een melding of vermoeden van discriminatie.
Per individuele afzonderlijke casus wordt bezien of de gedupeerden mogelijk in aanmerking komen voor een eventuele (aanvullende) financiële tegemoetkoming, aangezien de meeste verzoekers bij het College al door UHT zijn erkend als gedupeerde en al zijn gecompenseerd. Dienst Toeslagen biedt de verzoekers in ieder geval aan de proceskosten, zoals kosten rechtsbijstandverlening, reiskosten en verletkosten te vergoeden.
Volgens het kabinet heeft het College de definitie van indirecte discriminatie «opgerekt». Op basis waarvan maakt het kabinet deze analyse en hoe wordt dit juridisch onderbouwd?
Het College concludeerde in haar Vooronderzoek in 2022 dat er voldoende feiten zijn die een vermoeden doen ontstaan dat bij de harde fraudeaanpak door Dienst Toeslagen indirect onderscheid is gemaakt op grond van afkomst tegenover de gedupeerde ouders: de onderzochte werkwijzen en processen van Dienst Toeslagen in de onderzochte jaren 2014 en 2018 troffen in het bijzonder personen met een buitenlandse afkomst. Deze conclusie heeft tot gevolg dat in de individuele zaken die aan het College zijn of worden voorgelegd de bewijslast omkeert en op Dienst Toeslagen rust om aan te tonen dat zij niet in strijd met in strijd met artikel 7a van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) heeft gehandeld. Het College heeft geoordeeld dat de omgekeerde bewijslast van toepassing is bij personen met een buitenlandse nationaliteit(en), personen met de Nederlandse nationaliteit en een andere nationaliteit en personen met een recente immigratiedatum (jong BSN-leeftijd).
In latere oordelen heeft het College de doelgroep verbreed waarop de omgekeerde bewijslast van toepassing is. De omgekeerde bewijslast geldt nu ook voor personen met klachten over andere jaren dan 2014 en 2018, en voor personen met een kenmerk, dat door het College in de wordt toegeschreven aan personen met een «buitenlandse achternaam» of het hebben van een kind met niet-Nederlandse afkomst. De definitie van indirecte discriminatie wordt daarmee niet opgerekt, enkel de doelgroep op wie de omgekeerde bewijslast van toepassing is.
Volgens het kabinet zou de opgerekte definitie niet meer zijn gebruikt bij het zesde oordeel. Hoe verschilt de definitie van de eerste vijf oordelen van de definitie van het zesde oordeel? Hoe verklaart het kabinet dat óók in het zesde oordeel is geoordeeld dat er sprake was van discriminatie door de Belastingdienst?»?
Het is niet zo dat de opgerekte definitie niet meer gebruikt is in het zesde oordeel (oordeel 2024–80 van 23 september 2024). Het geval is juist dat Dienst Toeslagen in deze zaak al in het verweerschrift heeft erkend dat bij de controle en de harde fraudeaanpak bij de correcties en terugvordering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van verboden indirect onderscheid. Deze erkenning is hoofdzakelijk gebaseerd op de oordelen die het College eerder in vergelijkbare zaken heeft uitgebracht en de bredere toepassing van het Vooronderzoek dat uit deze oordelen is gebleken.
Wel heeft Dienst Toeslagen verweerd dat sprake is geweest van het maken van direct onderscheid op grond van ras. Het College heeft daarop in haar oordeel aangegeven geen aanwijzingen gevonden te hebben dat de verzoeker vanwege diens herkomst anders is behandeld dan anderen. Het oordeel luidde dan ook dat Dienst Toeslagen geen direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.
Kunt u toelichten welke gevolgen u voorziet van een veranderende definitie van indirecte discriminatie in toekomstige zaken waarover het College zal beslissen?
Het is de verwachting dat het Vooronderzoek steeds vaker van toepassing zal zijn vanwege de uitbreiding van de doelgroep (zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8), waardoor steeds vaker indirect onderscheid zal worden aangenomen. Zoals in voorgaande antwoorden toegelicht, is indirect onderscheid niet verboden als dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en het middel voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is. Of het indirecte onderscheid verboden is, moet dus per zaak beoordeeld blijven worden, waarbij Dienst Toeslagen steeds de conclusies uit de eerdere oordelen in acht neemt. Net als in het meest recente oordeel zal daardoor steeds vaker voorkomen dat Dienst Toeslagen het maken van verboden indirect onderscheid bij bepaalde werkwijze in het verleden niet betwist en het College telkens zal bevestigen dat sprake was van verboden indirect onderscheid.
Bent u op de hoogte van het artikel «De afwikkeling bij de toeslagenaffaire kan veel sneller als die aan de rechter wordt overgedragen»?
Ja.
Deelt u de mening uit dit artikel? Kan op deze manier een substantiële versnelling worden aangebracht in het herstelproces, dat is vastgelopen en moet worden gereset?
In de brief die vandaag separaat aan uw Kamer is verzonden is de instelling aangekondigd van de Adviescommissie Voortgang Hersteloperatie Toeslagen onder leiding van de heer Van Dam. Deze commissie wordt onder meer gevraagd om mogelijkheden in kaart te brengen om tot een versnelde, meer mensgerichte aanpak te komen die zoveel mogelijk leidt tot integrale hulp en afronding. Ook zal de commissie kijken naar onderliggende knelpunten op onderwerpen als bezwaren en de opschaling van schaderoutes.
De auteur van het artikel4 stelt een alternatief voor de afwikkeling van massa-schade aan de orde, te weten de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Belanghebbenden kunnen gezamenlijk een vordering indienen die door de rechter wordt beoordeeld. Met een dergelijke massaclaim kan worden vermeden dat er meerdere juridische procedures worden gestart door verschillende belanghebbenden over dezelfde gebeurtenis. De bedoeling van deze wet is om tot vergoeding van massaschade te komen wanneer partijen er niet in slagen om op een andere manier tot een oplossing te komen of om te schikken, zoals de auteur ook opmerkt.
Een alternatief voor een massa-claim van de zijde van gedupeerden, biedt de Wet Collectieve Afwikkeling massaschade, afgekort de WCAM. Hoewel de auteur deze optie niet noemt, biedt deze wijze van massa-afwikkeling de mogelijkheid om gezamenlijk (via belangenbehartiging) te werken aan een massa-schikking die partijen daarna voorleggen aan het Gerechtshof ter bekrachtiging. Op dit moment zet het kabinet in op de ontwikkeling van schaderoutes die het mogelijk maken om, naast de CWS-route met een berekening van individuele schade, met ouders een individuele schikking te beproeven via een drietal schikkingsroutes die aansluiten bij de individuele behoefte van de ouder voor eigen regie. Als het lukt om met dit integrale schadestelsel binnen een aanvaardbaar tijdpad tot individuele afwikkeling te komen, dan heeft dit vooralsnog de voorkeur van het kabinet.
Het kabinet staat in beginsel open voor het onderzoeken van alternatieven, mits dit daadwerkelijk zal leiden tot versnelling. De WAMCA/WCAM methode kennen beide de nodige tijdsinspanning en beperkingen, zoals reeds tijdens de Herijking naar voren kwam. Als partijen in het kader van een gezamenlijke WCAM-procedure spoedig tot een schikking kunnen komen en aan overige randvoorwaarden is voldaan, is de verwachting dat de WCAM een volwaardig alternatief kan zijn voor het huidige integrale schadestelsel. Als wordt gekozen voor de WCAM, behouden individuele ouders de mogelijkheid om niet mee te doen aan de WCAM (door middel van een opt-out) en voor hen blijft de wettelijke regeling bestaan voor het laten berekenen van complexe schade door de CWS.
Klopt het dat de rechter een aantal categorieën kan aanbrengen van gelijksoortige zaken en dan in deze zaken een gelijksoortige compensatie kan toekennen, zonder dat iedere zaak individueel moet worden bezien?
Ja. De rechter kan inderdaad categorieën aanbrengen in het kader van de WAMCA. Of dit in de praktijk leidt tot een redelijke vergoeding voor iedere gedupeerde, en hoe concreet een billijke afbakening kan worden bereikt, is niet in detail door de auteur onderzocht. Bij een WCAM-schikking kan eveneens gezocht worden naar het afbakenen van categorieën. Ouders die zich hier niet in kunnen vinden, behouden de mogelijkheid voor een opt-out.
Deelt u de mening dat via de Wet Wamca de rechter bindende uitspraak kan doen, wat niet alleen tijdwinst zou opleveren, maar ook bij de gedupeerde ouders een gevoel van rechtvaardigheid kan geven, omdat niet de overheid, maar de rechter hierover beslist?
Het gevoel van rechtvaardigheid zal voor een groot deel afhangen van de inhoud van de eventuele rechterlijke uitspraak of van de inhoud van een eventuele collectieve schikking. Daarover kan het kabinet niet op voorhand uitspraken doen. Er bestaat binnen de groep van gedupeerde ouders veel diversiteit. Of een gevoel van rechtvaardigheid groter is bij een massa-afwikkeling dan wanneer een individuele schikking wordt bereikt, of wanneer een individuele werkelijke schadeberekening tot stand komt via de CWS, is niet op voorhand te zeggen.
Moet u niet, gezien de situatie over de gehele keten, een crisisorganisatie overwegen?
Ik deel het gevoel van urgentie dat uit deze vraag spreekt. Echter is het zo dat de hele hersteloperatie – UHT, CWS, SGH – in feite uit crisisorganisaties bestaat die specifiek opgericht zijn om het herstel van getroffen ouders te faciliteren. Een extra organisatie zou in deze fase naar mijn inschatting niet bijdragen aan versnelling.
Is een oplossing denkbaar zoals in de Verenigde Staten met een collectieve actie, met daarbij een opt-out, en daarnaast nog verschillende opties op basis van de aangeleverde bewijzen?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat dit de ouders weer regie geeft, met name in de afweging tussen zorgvuldigheid en snelheid?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat het met name bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) ontbreekt aan de nodige snelheid, zowel in het zelf opzetten van een efficiëntere organisatiestructuur als in het afhandelen van de verzoeken om de werkelijke aanvullende schade te vergoeden?
De relatief lage behandelsnelheid van de CWS is al langer tijd een punt van aandacht. De afgelopen maanden zijn veranderingen doorgevoerd bij CWS op het gebied van beleid, proces en organisatie. Met als doel sneller en ruimhartiger te werk te gaan. Per juli is het nieuwe schadebeleid van CWS vastgesteld. Hierin werkt de commissie o.a. meer met vaste bedragen en vereenvoudigde regels. Het is nog te vroeg om de structurele effecten te zien van de nieuwe werkwijze van CWS, maar we zien dat de productiesnelheid sinds de zomer iets verbetert en dat er ruimhartiger wordt beoordeeld.
Klopt het dat de CWS tot nu toe in vier jaar 540 zaken heeft afgehandeld? Terwijl de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) toe zou kunnen werken naar 350 zaken per week?
UHT heeft in augustus van dit jaar op 540 adviezen een beschikking afgegeven. Het aantal adviezen van CWS ligt inclusief adviezen op bezwaar iets hoger, namelijk ruim 730. In het opschalingsplan met SGH is afgesproken dat zij erop richten in mei 2025 het niveau van 350 terugkoppelgesprekken (laatste stap voor een VSO) bereikt kan worden.
Geconstateerd moet echter worden dat SGH tot nu toe niet op koers ligt om dit te halen. Inmiddels zijn daartoe binnen de kaders van de huidige DVO tussen SGH en Ministerie van Financiën nadere, tijdelijke, afspraken gemaakt waarmee beoogd wordt de productie bij SGH op gang te krijgen. Na zes weken zal moeten worden geconstateerd of deze afspraken het gewenste effect hebben gehad en wordt bezien of de opschaling haalbaar is binnen de reguliere condities van de DVO. Het is nog te vroeg om daar iets definitiefs over te melden.
Wanneer verwacht u de 350 zaken per week te bereiken?
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u toelichten waarom de CWS niet in de buurt komt van het door de SGH gestelde doel?
Hoewel het schadebeleid van CWS is aangepast, is deze route nog steeds gericht op ouders die behoefte hebben aan een meer precieze berekening van schade met de mogelijkheid tot bezwaar en beroep. De werkwijze en het tempo van CWS zal daarom nooit volledig vergelijkbaar zijn met die van SGH en is ook niet zo bedoeld.
Deelt u de conclusie dat de afhandeling van aanvullende schade door de CWS, met 540 ouders in vier jaar tijd, ook niet loopt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De afhandeling van aanvullende schade door CWS is de afgelopen jaren zeer moeizaam verlopen. De wijzigingen die onlangs zijn doorgevoerd acht ik dan ook zeer noodzakelijk. In het regeerprogramma is de ambitie opgenomen in 2027 de afwikkeling van werkelijke schade af te ronden. Om dat te halen blijf ik continu met de uitvoerders binnen de schadeketen, dus zeker ook met CWS, in gesprek om te bezien waar verdere versnelling en verbetering kan plaatsvinden.
Zijn er alternatieven denkbaar volgens u als de huidige aanvullende schaderoutes vast blijven lopen?
Alternatieven zijn altijd denkbaar, SGH is immers ook ooit ontwikkeld als alternatief voor de CWS, maar daarbij moet rekening worden gehouden met de vraag of de tijd die gaat zitten in het ontwikkelen van een nieuwe route, een dergelijke route daadwerkelijk versnelling biedt voor ouders. De ervaring leert ook dat ingrijpende aanpassingen in het proces in eerste instantie vertragen in plaats van versnellen. Tevens wijs ik erop dat een volledig digitale route nog in ontwikkeling is en naar verwachting op korte termijn live kan gaan.
In hoeverre herkent u zich in het beeld dat de samenwerking met de SGH in een impasse zit sinds de samenwerkingsovereenkomst van voor de zomer?
Het beeld van een impasse herken ik niet. SGH ligt niet op koers om de productie te halen uit het opschalingsplan. Inmiddels zijn daartoe nadere afspraken gemaakt tussen SGH en ministerie.
Kunt u voor het commissiedebat op 6 november 2024 met de SGH bespreken of u beiden nog vertrouwen hebt in een goed verloop van de huidige samenwerkingsovereenkomst?
Met SGH is de afgelopen weken – ook in aanloop naar dit debat – veelvuldig gesproken. SGH en het ministerie wensen hun samenwerking op basis van de deze zomer gesloten dienstverleningsovereenkomst voort te zetten.
Kunt u aangeven waarom er voor bijzondere, schrijnende en traumatische gebeurtenissen een maximum bedrag van 2.500 euro is afgesproken?
Indien gedoeld wordt op de schadepost «uitzonderlijke impactvolle gebeurtenissen» (met een bedrag van 2.500 euro) binnen het Herstelmodel van de SGH-route, dan betreft dit een meer algemene forfaitaire schadepost om te kunnen komen tot de vergoeding van schade die niet op andere wijze binnen het Herstelmodel van de SGH-route kan worden vergoed, en die wel veroorzaakt is door de KOT-problematiek. Deze schadepost komt drie keer voor in het Herstelmodel, namelijk onder leefgebied Financiën, Gezin en Zorg, telkens voor 2.500 euro. Dit is gedaan om ruimte te bieden voor bijzondere situaties die anders buiten het bestek van deze forfaitaire route zouden vallen. Zo kan, onder voorwaarde van causaal verband, toch binnen het Herstelmodel erkenning gegeven worden aan bijzondere gebeurtenissen als gevolg van de KOT-problematiek. Het Herstelmodel van de SGH-route is op vrijdag 25 oktober gepubliceerd.
Herinnert u zich de motie-Van Vroonhoven van april 2024 over een uniforme schadeafhandeling binnen het bestuursrecht? Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Bent u hier al mee bezig?
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft uw Kamer bij brief van 24 oktober 2024 geïnformeerd over de motie Van Vroonhoven.5 De uitvoering van deze motie wordt meegenomen bij de kabinetsreactie op het rapport Herstel bieden: een vak apart van de Nationale ombudsman.
Deelt u de mening dat een uniforme, bestuursrechtelijke herstelregeling met de bijbehorende waarborgen een snelle en zorgvuldige hersteloperatie mogelijk kan maken?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de mening dat voor de schadeberekeningen de oorspronkelijke beschikkingen (met name de hogere terugbetalingen) uit de periode 2010–2020 als leidraad genomen kunnen worden?
De context van deze vraag ontbreekt waardoor het helaas niet mogelijk is om de bedoeling van deze vraag op een juiste manier in te schatten, zodat een passend antwoord gegeven kan worden. In zijn algemeenheid geldt dat tijdens de Integrale Beoordeling exact in kaart gebracht wordt met welke beschikkingen, terugvorderingen en terugbetalingen de ouder in het verleden te maken kreeg in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire en in welk jaar dit het geval was. Dit kan de periode betreffen voorafgaand aan de door u genoemde periode 2010–2020.
Kunt u deze Kamervragen afzonderlijk beantwoorden binnen een termijn van twee weken, in ieder geval ruim voor het commissiedebat van 6 november 2024?
Ja, het is gelukt deze antwoorden voor het komende commissiedebat aan uw Kamer aan te bieden. Vanwege de samenhang zijn sommige vragen/antwoorden gegroepeerd.
Het bezoek van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan de top van de BRICS-landen |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat het een volstrekt verkeerd besluit is van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) – António Guterres – om op bezoek te gaan bij de top van de BRICS-landen in Rusland? Zo nee, waarom niet?1
De jaarlijkse top op het niveau van regeringsleiders is een vast onderdeel van de BRICS en de Secretaris-Generaal van de VN neemt gewoonlijk deel aan deze top, net als dat hij deelneemt aan toppen van de G7 en G20. Gezien het Russische voorzitterschap had het kabinet echter willen zien dat de VN bij deze top in Kazan niet door de Secretaris-Generaal vertegenwoordigd was, maar op een lager niveau. Dit bezwaar heeft Nederland, net als de EU en andere gelijkgezinden, duidelijk aan de SG kenbaar gemaakt.
Deelt u de analyse dat de oorlogsmisdadiger Vladimir Poetin met het organiseren van deze top in Kazan juist wil uitstralen dat het westerse beleid van isolatie en sancties niet heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?
Ontegenzeggelijk heeft president Poetin, die door het Internationaal Strafhof verdacht wordt van oorlogsmisdrijven en voor wie er een arrestatiebevel uitstaat, in de beeldvorming willen en kunnen benadrukken dat Rusland nog steeds relaties onderhoudt met veel landen ondanks de agressieoorlog tegen Oekraïne.
Deelt u de mening dat met dit bezoek de Secretaris-Generaal onnodig bijdraagt aan het aanzien van deze top van BRICS-landen en daarmee bijdraagt aan het aanzien van de oorlogsmisdadiger Vladimir Poetin? Zo nee, waarom niet?
Op de BRICS top komen, naast de BRICS-leden, meerdere VN-lidstaten samen op hoog niveau. De Secretaris-Generaal van de VN neemt, zoals hij dat ook doet bij G7- en G20-toppen, in de regel deel aan BRICS-toppen gelet op het percentage van de wereldbevolking en het groeiende mondiale economische gewicht dat de BRICS-landen vertegenwoordigen. Tijdens zijn deelname aan de top heeft de Secretaris-Generaal op Russisch grondgebied en tegen president Poetin herhaald dat de agressieoorlog tegen Oekraïne een schending van het internationaal recht en het VN Handvest is, en dat de territoriale integriteit van Oekraïne gerespecteerd dient te worden. Het kabinet blijft evenwel van mening dat de VN die boodschap ook op een ander niveau dan de Secretaris-Generaal had kunnen afgeven op deze top.
Klopt het dat de Secretaris-Generaal op donderdag 24 oktober jongstleden tevens een persoonlijke ontmoeting gepland heeft staan met de oorlogsmisdadiger Vladimir Poetin? Zo ja, wat vindt u hiervan?
In 2013 heeft de toenmalige Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties richtlijnen opgesteld over het contact tussen VN-functionarissen en personen tegen wie door het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel is uitgevaardigd.2 Deze richtlijnen voorzien niet in een absoluut contactverbod, maar bepalen wel dat dergelijke contacten beperkt dienen te worden tot contacten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van essentiële door de VN gemandateerde activiteiten. Het is daarbij aan de VN zelf om in het licht van de omstandigheden van het geval te bepalen of daar sprake van is. Om ondermijning van het gezag van het Internationaal Strafhof te voorkomen, was het wenselijk geweest als de VN in het licht van deze richtlijnen nader had onderbouwd waarom deelname aan de BRICS-top op het niveau van de Secretaris-Generaal noodzakelijk was. Dat geldt a fortiori voor de persoonlijke ontmoeting van de Secretaris-Generaal met president Poetin.
Deelt u de mening dat het een verkeerd signaal is dat uitgerekend de Secretaris-Generaal van de VN een ontmoeting heeft met een persoon waar het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel tegen heeft uitgevaardigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het hypocriet en cynisch is dat de Secretaris-Generaal van de VN wel naar een top van BRICS-landen in Rusland gaat, maar eerder de uitnodiging voor de Vredesconferentie in Luzern van afgelopen juni heeft afgeslagen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 1 had het kabinet liever gezien dat de VN bij de top in Kazan niet op het niveau van de Secretaris-Generaal was vertegenwoordigd. Juist omdat hij eerder bij de Vredestop in Zwitserland niet aanwezig was, valt zijn aanwezigheid in Rusland des te meer op.
Deelt u de mening dat áls de VN al aanwezig zouden moeten zijn bij de top van BRICS-landen, dit dan veel beter door een ander afgevaardigde dan de Secretaris-Generaal – met minder symbolische waarde – zou moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 1 en 3.
Deelt u de mening dat met dit bezoek de Secretaris-Generaal riskeert dat de VN als instituut minder relevant kan worden en daarmee dreigt richting een vergelijkbare status als voorheen de (tandeloze) Volkerenbond af te glijden? Zo nee, waarom niet?
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties vertegenwoordigt alle 193 VN-lidstaten. De BRICS-top bracht leiders samen van een aantal landen die in toenemende mate een invloedrijke rol spelen binnen de VN, waaronder de Chinese president Xi, de Turkse president Erdogan en de Zuid Afrikaanse president Ramaphosa. De Secretaris-Generaal neemt deel aan dergelijke toppen om met deze leiders te engageren. Rusland blijft, ondanks de verwerpelijke agressieoorlog tegen een buurland, een VN-lidstaat en tevens een permanent lid van de VN Veiligheidsraad. Dit betekent dat de Secretaris-Generaal een precaire balans moet behouden tussen de belangen van de verschillende lidstaten. Hierbij staat de Secretaris-Generaal evenwel duidelijk voor het respecteren van de doelstellingen en principes van het VN Handvest, en is hij helder in zijn veroordelingen van de Russische schendingen van het Handvest. Ook speelde de VN een belangrijke rol in de totstandkoming van de toenmalige Black Sea Grain Initiative, waarmee graantransporten in een moeilijke periode deels hervat konden worden. Daarnaast spelen meerdere VN-organisaties nog steeds een belangrijke rol in het leveren van hulp, het opvangen van vluchtelingen, controles op nucleaire veiligheid en rapportage van mensenrechtenschendingen ten behoeve van accountabilityprocedures.
Bent u bereid om met een zo groot mogelijke samenwerking met uw collega’s in andere landen dit bezoek van de Secretaris-Generaal af te keuren en dit bij de eerstvolgende VN-top ter sprake te brengen? Zo nee, waarom niet?
Deze afkeuring is reeds aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gecommuniceerd, zowel bilateraal als in samenwerking met de EU en gelijkgezinde landen.
Het bericht 'Kinderrechtencollectief: 65% meer kinderen in noodopvang is onacceptabel' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kinderrechtencollectief: 65% meer kinderen in noodopvang is onacceptabel»?1
Ja.
Wat bedoelde u toen u tijdens het vragenuur van 15 oktober jl. zei: «Volgens mij voldoen onze opvangcentra aan de wettelijke voorschriften. Ik heb nog geen andere verhalen gehoord. Er is nog geen bericht tot mij gekomen dat dat niet het geval zou zijn. Ik kan me niet voorstellen dat er kinderen ondervoed zijn, want er wordt gewoon voorzien in voeding. Bed, bad, brood: dat is gewoon allemaal aanwezig.»? Was u op dat moment onbekend met de vele rapporten over dit onderwerp, zoals de rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Kinderombudsman? Kunt u alsnog een reactie geven op deze rapporten en aangeven wat er met al deze aanbevelingen is gedaan? Welke stappen zet u om aan deze kwaliteitsnormen te voldoen en wanneer voldoet u hieraan? Kunt u in uw antwoord apart ingaan op de genoemde aspecten (onderwijs, verblijfsduur, leefomstandigheden, zorg en personeel)?2, 3 en 4
Op het moment dat ik werd gevraagd naar het artikel waarin wordt ingegaan op de opvangsituatie in de noodopvang in Assen, had dit bericht mij nog niet bereikt. Naar aanleiding van het signaal van de GGD zijn de kinderen waarvan de GGD heeft aangegeven dat zij ondergewicht hadden met prioriteit verplaatst. Ter verbetering van de situatie in de noodopvang in Assen zijn sinds de zomer tevens enkele andere maatregelen ingezet. Hier heb ik uw Kamer bij brief van 4 november 2023 over geïnformeerd.
De verscheidene rapporten die eerder over dit onderwerp zijn geschreven zijn mij bekend. Door de aanhoudende druk op de opvangcapaciteit van COA verblijven alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) en kinderen in gezinnen noodgedwongen in noodopvanglocaties. Het uitgangspunt is dat kinderen niet in noodopvanglocaties verblijven, maar met de huidige druk op de opvangcapaciteit is het momenteel niet haalbaar om hieraan te voldoen.
Met het verblijf van kinderen in noodopvanglocaties en met de verhuisbewegingen die kinderen noodgedwongen maken is het niet altijd mogelijk om hen de aandacht en de begeleiding te bieden die zij nodig hebben. Dit is reden tot grote zorg. Het betreft immers een kwetsbare doelgroep. Tevens maken de verhuisbewegingen dat het niet altijd mogelijk is om kinderen de juiste zorg en continuïteit in onderwijs te bieden. Hier ben ik met de Ministeries van OCW en VWS over in gesprek.
Omdat kinderen zoals gezegd een kwetsbare doelgroep betreffen is binnen de asielopvang extra aandacht voor de kwaliteit van opvanglocaties waar zij verblijven. Het COA doet er alles aan om de veiligheid en het welbevinden van kinderen op alle opvanglocaties te waarborgen. Zo is het streven dat op iedere locatie een contactpersoon kind aanwezig is. De contactpersoon kind is coördinerend in het organiseren van activiteiten en voorlichting voor kinderen. Het COA stelt daarnaast voor alle locaties financiering beschikbaar om activiteiten voor kinderen te organiseren. Zo wordt op verschillende locaties samengewerkt met vaste samenwerkingspartners die activiteiten organiseren voor kinderen, gericht op ontspanning, ontwikkeling en psycho-sociale begeleiding. Op locaties die slechts heel kort open zijn en waar dit lastig blijkt, zet het COA zich in samenwerking met de gemeente en lokale vrijwilligers(organisaties) in om op zichzelf staande activiteiten aan te bieden.
Hoe duidt u de grote stijging van het aantal kinderen in noodopvanglocaties (inmiddels meer dan 5.500)? Vindt u dit, net als uw voorganger, onwenselijk?
De toename van het aantal kinderen in de noodopvang is te verklaren door de aanhoudende druk op de opvangcapaciteit van het COA. De bezetting op opvanglocaties blijft toenemen en ligt op veel plekken rond of zelfs boven de 100%, waardoor er bijna geen bewegingsruimte meer zit in (ver)plaatsingen. Daarbij bevindt 40% van de asielzoekers die bij het COA verblijven zich inmiddels op noodopvanglocaties. Dit onderschrijft de wens van mijzelf en het COA om te komen tot meer duurzame, stabiele opvangvoorzieningen zonder doelgroepbeperkingen.
Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er kwaliteitsverschillen zijn tussen noodopvanglocaties. Sommige van dergelijke locaties doen qua voorzieningenniveau niet onder voor reguliere locaties. Al zijn deze locaties nog steeds wel kortdurend, hetgeen bijvoorbeeld meer verhuisbewegingen tot gevolg heeft.
Zorgt u, net als uw voorganger, dat gemeenten geen eisen gaan stellen aan de op te vangen doelgroep, omdat juist dat maakt dat veel gezinnen in de noodopvang terechtkomen?
Met de inwerkingtreding van de Spreidingswet is het niet langer mogelijk voor gemeenten om doelgroepenbeperkingen te hanteren. Zolang de Spreidingswet van kracht is, is het niet mogelijk voor gemeenten om eisen te stellen aan de op te vangen doelgroep op locaties.
Welke stappen zet u om te zorgen dat kinderen die toch in de noodopvang komen binnen drie maanden onderwijs krijgen, zoals wettelijk verplicht?
Het onderwijs in de buurt van noodopvanglocaties is lastig te organiseren vanwege plotselinge verhuisbewegingen die kinderen maken en de incidentele toestroom van leerlingen. Ik heb daarom grote waardering voor de inzet die scholen in zowel primair als voortgezet onderwijs plegen om deze leerlingen zo snel mogelijk een onderwijsaanbod te bieden. Sinds 2023 ondersteunen regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs van het Ministerie van OCW scholen en gemeenten bij het vinden van een passende oplossing. Indien scholen en gemeenten er in urgente situaties niet in slagen om in voldoende onderwijsplekken te voorzien, kan een gemeente bij de Staatssecretaris van OCW een verzoek indienen om een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (TNV) in te richten. In een TNV kan een schoolbestuur aanpassingen doen aan de invulling van onderwijstijd, onderwijspersoneel en de onderwijsinhoud. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan een verkenning om het onderwijs voor nieuwkomers structureel en duurzaam te verbeteren.
Wat is de voortgang ten aanzien van de aangenomen motie van het lid Van Meenen c.s. (D66, Eerste Kamer), die verzoekt het aantal gedwongen verhuisbewegingen van kinderen tot een maximum van een te beperken? Welke stappen, behalve het verminderen van de instroom, neemt u om dit te bewerkstelligen? Op welke termijn gaat u aan de motie voldoen?5
Alle inzet van het COA is erop gericht om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit lukt dit momenteel helaas onvoldoende.
De oplossing voor het verminderen van het aantal verhuisbewegingen en het verbeteren van de situatie in de opvang ligt, ook voor kinderen, in het creëren van voldoende duurzame opvangplekken. Daarnaast blijf ik mij, zoals ik al vaker heb aangegeven, stevig inzetten op een beperking van de asielinstroom.
Momenteel loopt de realisatie van voldoende duurzame opvangplekken achter op het geprognosticeerde benodigde aantal. Een andere oorzaak van de grote druk op de asielopvang is het achterblijven van de uitstroom van statushouders naar huisvesting in gemeenten. Met de Minister van VRO ben ik hierover in gesprek. Specifiek voor amv geldt dat er onvoldoende kleinschalige opvangplekken voor amv met een verblijfsstatus beschikbaar zijn bij Nidos, waardoor deze jongeren noodgedwongen langer in de opvang van het COA verblijven. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit is echter niet te zeggen op welke termijn het aantal verhuisbewegingen dat kinderen maken tot een maximum van een beperkt kan worden.
De omgang met het parlement en de problemen in het gevangeniswezen |
|
Michiel van Nispen , Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Coenradie |
|
![]() |
Hoe is dit bericht in de Telegraaf tot stand gekomen?1 Was dit vooraf door uw ministerie ingebracht bij de krant of door het PVV-Kamerlid?
Er is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorafgaand aan het tweeminutendebat Gevangeniswezen en tbs op 23 oktober 2024 geen contact geweest met de Telegraaf of een ander medium ten aanzien van de plannen om merkkleding in detentie te beperken. In mijn appreciatie van de motie Van Dijk (PVV) omtrent uniformen in detentie heb ik aangegeven dat ik bezig ben met plannen voor het beperken van het dragen van merkkleding in detentie. Nadat ik mijn appreciatie met uw Kamer heb gedeeld is de media hier op gewezen.
Hoe komt het dat er een motie door de PVV-fractie is ingediend over kleding bij het tweeminutendebat gevangeniswezen, waar het in het hele commissiedebat niet over is gegaan, waarna u uw «plan van aanpak» aan kon kondigen? Is dat puur toeval geweest?
Ik ga niet over de moties die politieke partijen indienen. Het is mij ook niet bekend wat voor de PVV-fractie aanleiding is geweest om de betreffende motie op dat moment in te dienen. Ik ga wel over mijn eigen reactie op voorstellen die uw Kamer indient. Naar aanleiding van deze motie heb ik uw Kamer geïnformeerd over het gekozen pad waar ik wél mee bezig ben. Daarbij wil ik opmerken dat al eerder aan uw Kamer is gemeld dat er plannen waren om het dragen van merkkleding in detentie te beperken (zie ook het antwoord op vraag 5).
Erkent u dat er vooraf contact is geweest tussen u en het PVV-Kamerlid en dat dit een vooropgezet plannetje is om in het nieuws te komen op een stoer thema terwijl het enorme probleem van het cellentekort hiermee lang niet is opgelost?
Er is geen sprake geweest van contact tussen het PVV-Kamerlid en mij voorafgaand aan het tweeminutendebat ten aanzien van de door het PVV-Kamerlid ingediende motie, anders dan de gebruikelijke sondering door mijn politiek assistent. Ook is er geen sprake geweest van een vooropgezet plan om in de media te verschijnen.
Bent u bereid de Kamer voortaan serieuzer te nemen dan dit?
Vanzelfsprekend neem ik uw Kamer serieus.
Heeft u uw prioriteiten wel op orde door nu met plannen te komen voor kleding van gevangenen terwijl er nog niets aan gedaan is om het vak van inrichtingsmedewerker aantrekkelijker te maken?
De plannen voor het beperken van dure merkkleding in gevangenissen zijn geen recent ontstane plannen. Al in november 2021 is door de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming aangekondigd het invoeren van dure merkkleding en/of accessoires in de gevangenis te willen beperken, nu het voorkomt dat deze door gedetineerden worden doorgegeven in ruil voor een handeling.2 Dit is in 2022 door de daaropvolgende Minister voor Rechtsbescherming onderstreept.3 Een uitwerking is opgenomen in de derde voortgangsbrief aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens berechting en detentie van afgelopen juni.4 In deze brief is benoemd dat met de herschrijving van de modelhuisregels voor de Extra Beveiligde Inrichting en het invoeren van modelhuisregels voor de Afdeling Intensief Toezicht een algeheel verbod zal worden opgenomen op kleding en schoenen die genoemd worden op de lijst met niet toegestane merken of die een bepaalde waarde hebben. Wanneer de reguliere modelhuisregels worden aangepast zal een dergelijk verbod ook daarin worden opgenomen. Ik heb de afgelopen weken met DJI gesprekken gevoerd over de snelheid waarmee de reguliere modelhuisregels kunnen worden aangepast. Ik wil namelijk het beperken van merkkleding conform de eerder gedane toezeggingen op een zo kort mogelijk termijn vervullen, op zo’n manier dat het werkbaar is voor het personeel in de inrichtingen.
Daarnaast tref ik ook maatregelen en werk ik initiatieven uit om het werken binnen een inrichting aantrekkelijk te houden. Zo wordt er volop ingezet op het werven van nieuw personeel om zo de werkdruk op het huidige personeel te verlagen, vinden er innovaties plaats die het werk kunnen verlichten en worden de administratieve lasten verlicht met het nieuwe detentie- en re-integratieplan.
Heeft u wel eens aan gevangenispersoneel gevraagd wat voor hen de belangrijkste thema’s en knelpunten zijn in het huidige gevangeniswezen? Noemen zij dan doorgaans het grote personeelstekort, de onveiligheid voor personeel, de hoge werkdruk? Of is dan de kleding van gedetineerden het belangrijkste knelpunt dat zij noemen? Bent u bereid nogmaals met gevangenispersoneel in gesprek te gaan en naar hun zorgen te luisteren en hen serieus te nemen?
Ja, ik heb de afgelopen maanden veel werkbezoeken afgelegd aan verschillende PI’s en daar gesproken met het personeel van DJI. Daarbij zijn diverse onderwerpen en aspecten van het werk genoemd. Ook in de komende periode blijf ik werkbezoeken afleggen en gesprekken voeren met het personeel van DJI. Ik heb grote waardering voor het werk dat zij leveren en neem de gesprekken met hen zeer serieus.
Het brief advies van de Adviesraad internationale vraagstukken over het Israëlisch-Palestijns conflict |
|
Sarah Dobbe |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Heeft u al kennis kunnen nemen van het advies «naar een nieuwe koers voor Nederland in het Israëlisch-Palestijns conflict» van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)?1
Hoe serieus neemt u adviezen van de AIV?
Gaat u de aanbevelingen van de AIV integraal overnemen? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u een van de conclusies van de AIV dat het Nederlandse beleid t.a.v. het Israëlisch-Palestijns conflict onvoldoende effectief is en herijking behoeft? Zo nee, waarom niet?
Bent u, in lijn met het AIV advies en uitspraken van voormalig Minister Bruins-Slot, nu bereid om over te gaan op (gedeeltelijke) opschorting van het associatieverdrag van de Europese Unie (EU) met Israël? Zo nee, waarom niet en kunt u daar uitgebreid op reageren?
Bent u bereid, in lijn van het AIV advies, tot het stoppen van bilaterale samenwerking met Israël zodra deze bijdraagt aan het schenden van het internationale humanitaire recht? Zo nee, waarom niet en kunt u daar uitgebreid op reageren?
Onderschrijft u dat Nederland, als gastland van het Internationaal Gerechtshof en -Strafhof, wat betreft het naleven van internationaal recht een speciale positie heeft? Zo ja, wanneer gaat u daar eindelijk gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u het gevaar van een dubbele standaard als het gaat om de veroordeling van schendingen van internationaal recht, zoals in het AIV advies wordt beschreven? Zo ja, waarom heeft u tot nu toe een dubbele standaard toegepast? Waarom bent u snel met veroordelingen uitspreken bij schendingen van internationaal recht door geopolitieke tegenstanders en terughoudend bij bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan uw inspanningen te intensiveren om een staakt het vuren in Gaza en Libanon te bereiken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Hoe bent u van plan om, in lijn met het AIV advies, bij te dragen aan het monitoren van een staakt het vuren en de hereniging van Gaza en de Westoever?
Gaat u het advies om de Palestijnse staat zo spoedig mogelijk te erkennen opvolgen? Zo nee, waarom niet?
Gaat u het advies opvolgen om middels een uitgebreid landelijk actieplan antisemitisme, islamofobie en polarisatie rondom dit conflict tegen te gaan?
Bent u het eens dat publiekelijk uitspreken of demonstreren tegen de genocide op de Palestijnen niet antisemitisch is en dat politici die het woord antisemitisme misbruiken om politieke tegenstanders verdacht te maken bijdragen aan polarisatie?
Bent u bereid om de vragen afzonderlijk en, gezien de urgentie van het onderwerp waarbij elke dag telt, binnen twee weken te beantwoorden?
Oekraïne als atoommacht |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Heeft Zelensky recent tijdens een Europese Raad in Brussel inderdaad gedreigd atoomwapens te zullen gaan ontwikkelen als Oekraïne geen lid kan worden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)?1
President Zelensky sprak op 17 oktober jl. in Brussel over het Boedapest Memorandum, dat 30 jaar geleden werd gesloten, en over de Oekraïense wens om lid te worden van de NAVO. In die context sprak hij ook over kernwapens. Later die dag stelde President Zelensky in een persconferentie met SG NAVO Mark Rutte expliciet dat Oekraïne geen kernwapens nastreeft. Het Oekraïense Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft dit eveneens op 17 oktober in een verklaring2 herhaald en daarnaast bevestigd dat Oekraïne gecommitteerd is en blijft aan het Non-Proliferatie Verdrag.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat Oekraïne op dit moment poogt om atoomwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen? Indien dit het geval is, op welke termijn beschikt Oekraïne naar verwachting over atoomwapens?
Het kabinet heeft geen enkele aanwijzing dat Oekraïne poogt om kernwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen.
Is het voor het Nederlandse kabinet acceptabel als Oekraïne probeert om atoomwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen?
Voor Nederland is het Non-Proliferatie Verdrag de hoeksteen op het gebied van non-proliferatie en ontwapening. Uit de al aangehaalde verklaring van het Oekraïense Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat Oekraïne gecommitteerd is en blijft aan het Non-Proliferatie Verdrag als niet-kernwapenland.
Wat zijn naar verwachting de gevolgen voor Nederland als Oekraïne atoomwapens inzet tegen Rusland?
Oekraïne heeft geen kernwapens. Het kabinet speculeert niet over hypothetische situaties.
Hoe groot schat u de kans in dat Rusland, zodra het door Oekraïne met nucleaire wapens wordt aangevallen, Nederland, – een land dat immers niet alleen voorop loopt in het militair steunen van Oekraïne maar onder andere F16s die met nucleaire wapens beladen kunnen worden heeft geleverd aan Oekraïne – in een vergeldingsactie zal aanvallen met nucleaire wapens?
Oekraïne heeft geen kernwapens. Het kabinet speculeert niet over hypothetische situaties.
Kunt u de bovenstaande vijf vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u, gezien de urgentie, er gaan immers geruchten dat Oekraïne binnen een paar weken al over atoomwapens zou kunnen beschikken, deze vragen binnen de vastgestelde termijn van drie weken beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor donderdag 24 oktober om 9.00 uur aangezien de antwoorden op deze vragen relevant zijn voor de begrotingsbehandeling VWS?
Uiteraard zijn wij hiertoe bereid.
Hoeveel zorgorganisaties heeft het Ministerie van VWS sinds de oprichting van het Stagefonds Zorg ondersteund met stagesubsidies? Hoeveel geld is daar per jaar voor uitgekeerd? Ten behoeve van hoeveel stageplaatsen? Klopt het dat de middelen in het stagefonds de afgelopen jaren wel voor 100% benut zijn of dat er zelfs meer beroep op wordt gedaan dan wat er beschikbaar is?
Er is niet bijgehouden hoeveel zorgorganisaties gebruik hebben gemaakt van de subsidieregeling Stageplaatsen Zorg (hierna: Stagefonds) sinds de start van de regeling. Over het studiejaar 2022–2023 hebben 7.295 zorgorganisaties het stagefonds voor 58.102 fte gebruikt. Het Stagefonds werkt met een subsidieplafond van € 122 miljoen dat elk jaar volledig wordt benut. Dat heeft ook te maken met de inrichting van de regeling: op het moment dat er minder aanvragen worden gedaan wordt het bedrag per aanvraag verhoogd. Andersom wordt ook het bedrag per aanvraag verlaagd als er meer aanvragen worden gedaan. Zo past de vergoeding altijd binnen het beschikbare plafond. De berekening van de subsidie per zorgorganisatie hangt af van het totaal aantal zorgorganisaties dat een aanvraag indient. Ook de Algemene Rekenkamer stelt dat de uitgaven ondoelmatig zijn.
Hoeveel van het geld uit het Stagefonds Zorg werd gebruikt voor de begeleiding van mbo-studenten? Hoeveel daarvan werd gebruikt voor de begeleiding van hbo-studenten? Wat zijn de gevolgen voor de instroom van mbo-studenten voor opleidingen in de zorg wanneer het Stagefonds Zorg wegvalt?
Over het studiejaar 2022–2023 werd voor 13.549 fte aan subsidie voor hbo-studenten verstrekt en voor 44.553 fte aan mbo-studenten. In totaal gaat het om 58.102 fte.
De instroom van de studenten in het mbo is niet beperkt door het aantal stageplaatsen. Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer is het aantal stageplaatsen in de zorg niet nauw verbonden met de beschikbare subsidie.
Hoeveel tekorten aan stageplaatsen zijn er op dit moment in de zorg? Kunt u dit uitsplitsen naar de verschillende onderwijsniveaus?
Op 10 oktober 2023 is uw Kamer door de toenmalige Minister van OCW geïnformeerd over de stagetekorten in het hbo. Absolute cijfers ontbreken, maar ongeveer 29% van de ondervraagde studenten geeft aan dat het veel moeite kost om een stageplek te vinden. Vooral studenten gezondheidszorg, recht en gedrag & maatschappij zeggen meer moeite te hebben om een stageplaats te vinden. Voor het mbo heeft Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna SBB) een stagebarometer gepubliceerd. Voor zorg, welzijn en sport breed was in 2023 een tekort van 885 stageplekken. Na het stopzetten van het Stagefonds blijft er vanaf 2028 € 40 miljoen beschikbaar om vakmanschap te bevorderen en afspraken in de akkoorden te maken om het Regeerprogramma uit te voeren. Bijvoorbeeld over voldoende instroom en doorstroom via opleiden en bij- en nascholing buiten het ziekenhuis.
Wat zijn de verwachte gevolgen van het niet verlengen van het Stagefonds Zorg op de personele capaciteit in de zorg?
Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2022 zorgt het Stagefonds niet voor meer stages. Het tekort aan stageplekken in de zorgsector kan niet opgelost worden met subsidie en dus een financiële aanpak zoals het Stagefonds. Daarmee is het Stagefonds ondoelmatig. Door de Algemene Rekenkamer is onderzocht of het stopzetten van de subsidie gevolgen heeft voor het stageaanbod. De conclusie is dat dit onwaarschijnlijk is.
Voor welk bedrag is in 2023 beroep gedaan op het Stagefonds Zorg? Hoeveel subsidie is aangevraagd en hoeveel daarvan is uitgekeerd?
Het subsidieplafond voor het studiejaar 2022–2023 was € 122 miljoen. Dit bedrag is volledig aangevraagd en uitgekeerd.
Welke gevolgen heeft het bezuinigen op het stagefonds voor de instellingen die stageplaatsen willen verlenen? Wat is de impact daarvan op de opleidingen, die van voldoende stageplaatsen afhankelijk zijn?
Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2022 zorgt het stagefonds niet voor meer stages. De Algemene Rekenkamer heeft onderzocht of het stopzetten van de subsidie gevolgen heeft voor het stageaanbod. De conclusie is dat dit onwaarschijnlijk is. Zorgaanbieders bieden stages aan om toekomstig personeel te werven en aan hen te binden. Dit is daarmee in hun eigen belang. Het stagefonds was daarbij slechts een financiële tegemoetkoming.
Tegelijkertijd ben ik, de Minister van VWS, met u van mening dat opleiden van zorgpersoneel blijvend onze aandacht verdient. Het is belangrijk om voldoende en goed toegerust zorgpersoneel op te leiden en te komen tot een goede verdeling tussen opleidingen binnen en buiten het ziekenhuis.
Na het stopzetten van het Stagefonds blijft er vanaf 2028 € 40 miljoen beschikbaar om vakmanschap te bevorderen en afspraken in de akkoorden te maken om het Regeerprogramma uit te voeren. Bijvoorbeeld over voldoende instroom en doorstroom via opleiden en bij- en nascholing buiten het ziekenhuis. Voor het einde van het jaar werk ik de leidraad vakmanschap en werkplezier uit. Deze genoemde middelen wil ik inzetten om afspraken te maken over voldoende instroom en doorstroom via opleiden en bij- en nascholing buiten het ziekenhuis.
Daarnaast blijf ik me inzetten voor voldoende en goed toegeruste zorgmedewerkers binnen het ziekenhuis en in de wijk. Zo heb ik op 11 oktober 2024 de Kamer geïnformeerd over mijn voornemen tot het publiceren van de subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ voor de subsidiejaren 2025 en 2026. Deze subsidieregeling stimuleert ziekenhuizen, umc’s en zelfstandig msz-klinieken strategisch op te leiden door bij- en nascholing.
Daarnaast stel ik per 2025 middelen beschikbaar om werkgevers te compenseren voor het opleiden van zij-instromers in de wijkverpleging via de regeling Werkgeverskosten opleiden wijkverpleging. Naast strategisch opleiden en bij- en nascholing blijf ik investeren in het bekostigen van een groot aantal (medische) vervolgopleidingen via de beschikbaarheidsbijdrage.
Wat zijn de verwachte gevolgen van het niet verlengen van het Stagefonds Zorg voor het aanbod van stageplekken in Caribisch Nederland en de personele capaciteit in de zorg in Caribisch Nederland?
Het Stagefonds is recent niet gebruikt voor instellingen in Caribisch Nederland.
Hoeveel transvrouwen hebben sinds 2019 gebruik gemaakt van de subsidieregeling borstprothesen? Kunt u hiervan een overzicht per jaar leveren? Kunt u toelichten waarom ervoor gekozen is om de subsidieregeling niet te verlengen na 2028?
Sinds 2019 hebben 623 transgender vrouwen gebruik gemaakt van de subsidieregeling. Een overzicht per jaar is te zien in de onderstaande tabel met het aantal toekenningen benoemd. Er wordt minder gebruik gemaakt van de regeling dan van tevoren werd verwacht. Het gebruik van de regeling, zowel de aanvragen als de toekenningen, neemt af. De beëindiging van de regeling is daarom een logische stap.
195
166
134
117
145
117
874
190
166
122
100
127
102
807
Huidig jaar. Er kunnen nog aanvragen binnenkomen.
Inclusief de toekenningen waarbij, door het niet uitvoeren van de behandeling, een terugvordering heeft plaatsgevonden. Dit betreft enkele gevallen.
In welke gevallen zouden transvrouwen borstprothesen niet meer vergoed krijgen als de subsidieregeling borstprothesen zou worden afgeschaft en in welke gevallen nog wel?
Transgender vrouwen kunnen na het verlopen van de regeling alsnog een vergoeding ontvangen voor borstprothesen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) als zij voldoen aan de geldende criteria die gesteld worden voor agenesie/aplasie bij cisgender vrouwen. Dat is het geval als er geen plooi onder de borst aanwezig is en er minder dan 1 centimeter klierweefsel is. In alle andere gevallen moeten transgender vrouwen, net als cisgender vrouwen, de behandeling zelf betalen.
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de keuze is gemaakt om een structurele korting toe te passen op het niet-verplichte budget voor oorlogsgetroffenen en herinnering Tweede Wereldoorlog?
Ik, de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport, sta voor een kwalitatief hoogwaardige zorg- en dienstverlening aan oorlogsslachtoffers en voor de continuïteit van de huidige infrastructuur om de Tweede Wereldoorlog te herdenken en herinneren.
Tegelijkertijd besef ik dat de aangekondigde bezuinigingen ook dit beleidsterrein raken. Ik heb echter een maximale inspanning gedaan om de impact hiervan te minimaliseren. Ik kies er voor om de bestaande infrastructuur van veldpartijen te behouden, er wordt dus niet bezuinigd op bijvoorbeeld de herinneringscentra en de zorg en ondersteuning aan oorlogsslachtoffers. De bezuiniging bestaat met name uit het afzien van het opzetten van nieuw beleid en extra investeringen in de WOII sector.
Kunt u aangeven hoeveel personen in de afgelopen jaren zijn geholpen door het Joods Maatschappelijk Werk? Kunt u per jaar aangeven welke daling u voorziet in aanvragen en welk financieel gevolg dit heeft?
In 2023 had JMW in totaal ongeveer 1.975 cliënten. Voor de daling van het aantal cliënten, baseren we ons op de prognoses van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over het aantal cliënten dat een beroep doet op de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. De afgelopen jaren was deze daling iets meer dan 8% per jaar. De prognose van de SVB is dat deze doelgroep de komende jaren met 8–10% per jaar daalt. Op basis van deze prognose wordt verwacht dat de primaire doelgroep van JMW die bestaat uit eerste generatie oorlogsgetroffenen, met een vergelijkbaar percentage zal afnemen. Aangezien de kosten niet evenredig afnemen met de afname van de doelgroep, is de afname van de kosten vanaf 2027 begroot op 3%-4% per jaar.
Hoeveel aanvragen zijn er sinds 2023 geweest voor de subsidieregeling Intergenerationeel wonen? Hoeveel aanvragen staan op dit moment nog open en zullen zij nog wel gebruik kunnen maken van de subsidieregeling? Hoeveel geld is nog onbesteed binnen de subsidieregeling? Hoeveel geld wordt er gemiddeld uitgekeerd per aanvraag?
In 2023 is er door 8 organisaties subsidie aangevraagd en in 2024 door 4 organisaties. Er is gemiddeld € 100.000 per organisatie aangevraagd. Er zijn op dit moment geen openstaande aanvragen omdat het tijdvak van 2024 reeds is gesloten. Vanaf 18 november 2024 t/m 30 april 2025 is het weer mogelijk om subsidie aan te vragen. Dit is het laatste tijdvak van deze subsidieregeling dat open wordt gesteld. In 2023 was er een onderuitputting van +/- € 3, 5 mln. en in 2024 was er een onderuitputting van +/- € 7,7 mln. In 2023 was het subsidieplafond € 3,9 miljoen en in 2024 € 7,8 mln. Voor aanvragen hoger dan € 25.000, geldt dat 50% uit wordt betaald bij verlening en 50% bij vaststelling. De 50% die uit wordt betaald bij vaststelling, komt ten laste van het plafond van het jaar waarin de vaststelling plaatsvindt.
Wanneer wordt de Kamer exact geïnformeerd over de nadere invulling van het bedrag van 16 miljoen ter bevordering van de sociale cohesie?
De komende periode zal de vormgeving van de beleidsinzet ter bevordering van cohesie tussen samenwonende generaties nader worden uitgewerkt. Het streven is om de Kamer in de loop van 2025 te informeren over de nadere invulling van de beschikbare (en vanaf 2028 structurele) € 16 miljoen ter bevordering van de sociale cohesie.
Hoeveel patiënten maken op dit moment gebruik van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV)? Om wat voor soort zorg gaat het hierbij en welke groepen worden hier bediend?
Het is niet bekend voor hoeveel unieke patiënten gebruik wordt gemaakt van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV). Het CAK verwacht voor 2024 52.000 declaraties en € 95 miljoen aan zorgkosten te vergoeden. Het gaat om eerstelijnsverblijf, farmacie, GGZ, huisartsenzorg, kraamzorg, paramedische zorg, tandheelkundige hulp, verloskundige zorg, wijkverpleging, ziekenhuiszorg en zorg aan zintuigelijk gehandicapten. Het gaat budgettair gezien met name om ziekenhuiszorg en GGZ-zorg. De subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden is bedoeld voor zorg aan onverzekerde personen die rechtmatig in Nederland verblijven. Deze groep is onder te verdelen in de volgende subgroepen:
Onverzekerde personen die wél verzekeringsplichtig zijn:
Onverzekerde personen die niet verzekeringsplichtig zijn:
De maatregel richt zich op deze laatste groep onverzekerde personen die niet verzekeringsplichtig zijn.
Hoeveel minder mensen kunnen gebruik maken van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) na de bezuiniging van € 40 miljoen per 2027? Hoe wordt de beoogde afweging gemaakt welke zorg vanaf 2027 wel en niet nodig is voor deze groep? Wat verstaat u onder acute zorg? Hoe verhoudt zich dit tot medisch noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend voor hoeveel unieke patiënten gebruik wordt gemaakt van de SOV.
Acute zorg staat omschreven in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) als «zorg in verband met een ervaren of geobserveerde mogelijke ernstige of een op korte termijn levensbedreigende situatie als gevolg van een gezondheidsprobleem of letsel dat plotseling is ontstaan of is verergerd.» Deze zorg blijft voor iedereen beschikbaar.
Soms is zorg medisch noodzakelijk, maar is er geen levensbedreigende situatie. Voor Nederlanders die in het buitenland op vakantie zijn geldt bijvoorbeeld ook dat acute zorg direct wordt geleverd. Maar als zorg planbaar is (dus niet-acuut) wordt de zorg niet zomaar vergoed. Dan moet de zorgverzekeraar daar eerst toestemming voor geven.
Hoeveel levensjaren zou het naar verwachting kosten als er in 2027 ruim de helft van het budget voor de SOV wordt wegbezuinigd?
Dat valt niet te zeggen.
Welk deel van het budget van de SOV wordt gebruikt door toeristen en welk deel door dak- en thuisloze mensen?
Dit is niet bekend.
Wat betekent de ingeboekte bezuiniging op subsidies voor de regeling voor onverzekerbare vreemdelingen?
De regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV) is geen subsidieregeling, maar een wettelijke regeling. Dit is een andere regeling dan de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV). De OVV is bedoeld voor kosten van zorg aan onverzekerbare vreemdelingen. Dit zijn vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven, zoals uitgeprocedeerde asielzoekers. De ingeboekte bezuiniging heeft geen invloed op het budget voor de OVV.
Wat voor gevolgen hebben de bezuinigingen naar onderzoek in kwaliteit en kwaliteitsverbetering van de zorg bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), het Zorginstituut en ZonMw? Hoeveel mensen verliezen hierdoor hun baan? Worden lopende onderzoeken afgerond? Hoe wordt bepaald op welke onderzoeken geschrapt wordt?
In de bijlage van de kamerbrief die u afgelopen maandag heeft ontvangen, heeft u kunnen lezen dat wij ervoor hebben gekozen om minder budget beschikbaar te stellen voor onderzoek en kwaliteit bij het RIVM, ZonMw en het Zorginstituut Nederland. De gevolgen hiervan voor RIVM en ZonMw, ook voor het personeel, worden nader in kaart gebracht. Het Zorginstituut voert de Subsidieregeling veelbelovende zorg uit. De regeling zal worden gestopt. Na het stoppen van de subsidieregeling kunnen geen nieuwe subsidies worden verleend. Onderzoeken waarvoor al subsidie is verleend worden conform planning afgerond.
Welke onderzoeken en programma's worden niet voortgezet bij het Zorginstituut doordat de regeling Veelbelovende zorg niet wordt verlengd?
De subsidieregeling Veelbelovende zorg stopt. Er was vaak sprake van onderuitputting. Na het aflopen van de subsidieregeling worden geen nieuwe subsidies verleend. Onderzoeken waarvoor al subsidie is verleend worden volgens planning afgerond. Zo wordt een huidig onderzoek naar neusdruppels met stamcellen bij pasgeborenen met hersenschade nog afgerond.
Hoeveel subsidie kreeg het Nederlandse Jeugdinstituut (NJI) en Stichting LOC waardevolle zorg de afgelopen jaren? Op welke manier is het doelmatig om € 2 miljoen te korten op beiden? Ten koste van welke taken gaat dit?
Stichting LOC en het Nederlands Jeugdinstituut (Nji) kregen over de periode 2022 tot en met 2024 de volgende bedragen.
2022
2023
2024
Stichting Loc
€ 440.000
€ 446.000
€ 447.600
Nji
€ 11.000.000
€ 12.500.000
€ 19.037.000
Het Nji kreeg in 2024 18 miljoen, hiervan is € 6,7 miljoen euro bestemd voor de uitvoering van de Hervormingsagenda jeugd, op dit gedeelte wordt niet gekort. Gezamenlijk voor beide instellingen is er met deze taakstelling een korting van € 1,7 miljoen euro ingeboekt. Per instelling is bekeken welke korting passend is. Beide organisaties zijn op de hoogte gesteld over de korting. Over welke specifieke taken dit gaat gaan we nog nader in gesprek met NJi en LOC.
Welke projecten en opdrachten zaten in de planning die door de circa € 2 miljoen oplopend tot structureel circa € 10 miljoen korting op de niet verplichte subsidie- en opdrachtenbudgetten Jeugd vanaf 2026 nu niet door kunnen gaan? In hoeverre raakt dit de afspraken van de Hervormingsagenda Jeugd?
Vanaf 2026 wordt het niet verplichte deel van het subsidie- en opdrachtenbudget gekort. Op het moment van inboeken van de taakstelling zijn hier nog geen verplichtingen voor aangegaan. Dit beperkt de ruimte, zeker vanaf 2028, om nieuwe regelingen, projectsubsidies en opdrachten in de toekomst te verstrekken. De middelen die reeds beschikbaar waren voor de uitvoering van de Hervormingsagenda zijn niet gekort met deze taakstelling.
Hoeveel subsidie wordt er in de duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) regeling beschikbaar gesteld voor specifiek de verduurzaming van sportverenigingen?
De regeling voor duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) is een subsidieregeling voor al het maatschappelijk vastgoed in Nederland. Samen met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zorg ik ervoor dat sportverenigingen vanaf 1 april 2025 gebruik kunnen maken van deze regeling. Daarbij is 2025 een overgangsjaar, waarbij sportverenigingen voor verschillende maatregelen gebruik kunnen maken van zowel de BOSA als DUMAVA. Binnen de DUMAVA is er geen geld geoormerkt voor sportverenigingen. Het zijn algemene middelen. Specifieke schotten zijn onwenselijk. Voor 2025 is er momenteel € 358 miljoen begroot voor de DUMAVA.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de nog niet ingewilligde Stimulering bouw en onderhoud van sportaccomodaties (BOSA) aanvragen bij de DUMAVA-regeling terecht komen, aangezien de DUMAVA-regeling op dit moment niet openstaat voor sportorganisaties?
Samen met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zorg ik, de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, ervoor dat sportverenigingen vanaf 1 april 2025 gebruik kunnen maken van deze regeling. Hiervoor wordt momenteel een wijzigingsregeling opgesteld om dit juridisch ook mogelijk te maken. Verenigingen met een niet ingewilligde BOSA-aanvraag kunnen volgend jaar een nieuwe aanvraag indienen bij DUMAVA.
Hoeveel sportverenigingen kunnen er de komende jaren verduurzaamd worden met hulp van de BOSA-subsidie, als we uitgaan van de gemiddelde hoogte van aanvragen uit het verleden?
Allereerst moet ik, de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, benadrukken dat het moeilijk is om hier exacte aantallen aan te koppelen, vanwege alle variabelen binnen de regeling. Bijvoorbeeld dat verenigingen meermaals een aanvraag kunnen indienen.
Voor 2025 is een budget van circa € 74 miljoen beschikbaar. Over de jaren heen kan ik grofweg concluderen dat 1/3 van dit bedrag naar verduurzamingsmaatregelen gaat. Dit betekent dat in 2025 een bedrag van circa € 24,5 miljoen uit de BOSA regeling gebruikt wordt voor verduurzamingsmaatregelen.
Concluderend is de verwachting dat in 2025 circa 900 sportverenigingen voor een totaal bedrag van circa € 24,5 miljoen verduurzamingsmaatregelen nemen. Voor de periode vanaf 2026 onderzoek ik de mogelijkheid de verduurzaming van sportverenigingen volledig bij DUMAVA te beleggen.
Wat bedoelt u precies met de zinsnee dat de bezuiniging van € 5 miljoen op onderzoek en innovatie voor de sport de sport «in de basis niet raakt»?
Deze middelen worden ingezet om onderzoek te doen, professionals te ondersteunen met kennis of om innovaties in de sport te ontwikkelen. Deze middelen worden niet ingezet ten behoeve van ondersteuning van sportverenigingen en -clubs of ten behoeve van het ondersteunen van mensen om te gaan of blijven sporten of bewegen. Zo worden subsidies aan bijvoorbeeld Jeugdfonds Sport en Cultuur en Fonds Gehandicaptensport Nederland niet geraakt.
Welke specifieke maatregelen worden geschrapt met de € 10 miljoen bezuiniging op het specifieke uitkering (SPUK) Sportakkoord 2?
De SPUK Sportakkoord zijn middelen voor gemeenten om uitvoering te geven aan het Sportakkoord. De bestuurlijke afspraken met gemeenten en de sportsector met betrekking tot het Sportakkoord lopen tot eind 2026. De middelen worden geschrapt vanaf 2027. Zoals afgesproken met de Tweede Kamer willen we deze eerst goed evalueren, alvorens we besluiten hoe en op welke manier we hier mee doorgaan. Er is nu nog geen vervolg vastgesteld voor het Sportakkoord.
Welke specifieke taken gaat NOC-NSF loslaten naar aanleiding van de € 900.000 bezuiniging?
De bezuiniging van € 900.000 in de sportsector gaat in vanaf 2027. De projectsubsidie aan NOC*NSF, waarmee de afspraken die in Sportakkoord II zijn gemaakt worden uitgevoerd, is dan afgelopen. In de lopende subsidie afspraken hoeft NOC*NSF niet te bezuinigen. Op basis van het dan in te zetten beleid worden nieuwe afspraken gemaakt met de sportsector waar eventuele middelen voor worden ingezet.
Ten koste van wat gaat de bezuiniging van € 400.000 op het Mulier instituut? Gaan andere instituten het sportonderzoek overnemen?
Er kunnen nu nog geen uitspraken worden gedaan wat er niet of minder onderzocht gaat worden door Mulier Instituut. In 2025 wordt er op de instellingssubsidie van Mulier Instituut nog geen bezuiniging gedaan. De bezuiniging van € 366.000 zal ingaan per 2026. In het eerste kwartaal van 2025 worden met Mulier Instituut besproken gemaakt welke onderzoeken wel, en welke onderzoeken niet zullen worden opgepakt. De kennisinstituten zijn momenteel met elkaar in overleg over hoe de onderzoeken zo goed mogelijk op elkaar kunnen worden afgestemd. Als Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zal ik daar ook bij aansluiten.
Waar landt de generieke apparaatstelling? Om hoeveel fte gaat het? Kan dit uitgesplitst worden per uitvoeringsorganisatie? Hoe verhoudt zich dit tot eerdere berichtgeving dat de taakstelling op het ambtenarenapparaat niet bij uitvoeringsorganisaties terecht zou komen?
In antwoorden op Kamervragen is door de Minister van Binnenlandse Zaken aangegeven dat de generieke taakstelling op het apparaat een budgettaire taakstelling is.1 Daarbij is gesteld dat de Ministers zelf over de invulling gaan. Dit maakt dat ook de uitvoering onderdeel kan uitmaken van de taakstelling. De generieke taakstelling is toegepast voor het gehele VWS-concern. Dit is in 2025 een taakstelling van 1%, oplopend naar 2,5% in 2029 en structureel. Het toepassen van de generieke taakstelling is in lijn met de invulling van de taakstelling bij andere departementen.
In onderstaande tabel is een uitsplitsing gegeven van de generieke taakstelling per uitvoeringsorganisatie:
– 1%
– 1%
– 1,5%
– 2%
– 2,5%
Generieke taakstelling CCMO
– 0,1
– 0,1
– 0,2
– 0,2
– 0,3
Generieke taakstelling DUS-I
– 0,1
0
– 0,1
– 0,1
– 0,1
Generieke taakstelling ESTT
– 0,1
– 0,1
– 0,2
– 0,2
– 0,3
Generieke taakstelling GR
0
0
– 0,1
– 0,1
– 0,1
Generieke taakstelling NSR
0
0
0
0
0
Generieke taakstelling RVS
0
0
– 0,1
– 0,1
– 0,1
Generieke taakstelling SCP
– 0,2
– 0,2
– 0,3
– 0,4
– 0,5
Generieke taakstelling (a)CBG
– 0,1
– 0,1
– 0,1
– 0,1
– 0,1
Generieke taakstelling CIBG
– 0,5
– 0,5
– 0,7
– 0,9
– 1,1
Generieke taakstelling RIVM
– 5,2
– 4,6
– 6,3
– 7,9
– 9,4
Generieke taakstelling CAK
– 1,5
– 1,4
– 2,1
– 2,7
– 3,3
Generieke taakstelling CIZ
– 1,5
– 1,5
– 2,3
– 3,2
– 4,1
Generieke taakstelling CSZ
0
0
0
0
0
Generieke taakstelling Dopingautoriteit
0
0
– 0,1
– 0,1
– 0,1
Generieke taakstelling NVWA
– 1,4
– 1,5
– 2,2
– 3,1
– 3,9
Generieke taakstelling Nza
– 0,8
– 0,8
– 1,1
– 1,5
– 1,9
Generieke taakstelling PUR
0
0
0
0
0
Generieke taakstelling ZiNL
– 0,8
– 0,8
– 1,1
– 1,5
– 1,8
Generieke taakstelling ZonMw
– 0,6
– 0,6
– 0,9
– 1,2
– 1,4
Kunt u een volledig overzicht leveren van de bezuinigingen op de SPUKs, uitgesplitst per SPUK? Welke gevolgen, in het bijzonder op het vlak van seksuele gezondheid en preventie, ziet u naar aanleiding van deze bezuinigingen?
Onderstaande tabel toont het overzicht van de kortingen per specifieke uitkering die bij verwerking van het Hoofdlijnenakkoord zijn geboekt op de begroting van het Ministerie van VWS.
In het regeerprogramma is aangegeven dat het kabinet werkt aan het omzetten van specifieke uitkeringen in fondsuitkeringen, wat leidt tot meer autonomie voor gemeenten en minder administratie- en controlelasten bij alle overheden. Het kabinet werkt aan een afwegingskader dat voor iedere specifieke uitkering wordt
doorlopen om begin 2025 te komen tot een definitieve lijst van SPUKS die worden omgezet. Hierbij wordt onder andere gekeken naar wat de consequenties zijn van omzetting van een specifieke uitkering in een fondsuitkering in samenhang met de toegepaste korting. Dit geldt ook voor de specifieke uitkeringen aanvullende seksuele gezondheidzorg en op het gebied van preventie.
1
SPUK gezondheidsachterstanden1
0
0
0
– 1.536
– 1.535
– 1.535
2
SPUK Kansrijke start1
0
0
0
– 1.536
– 1.535
– 1.535
3
SPUK Valpreventie1
0
0
0
– 3.755
– 3.752
– 3.752
4
Brede SPUK
0
0
– 20.996
0
0
0
5
SPUK Versterking GGD'en
0
0
– 4.546
– 3.517
– 3.515
– 3.515
6
SPUK Heroïnebehandeling
0
0
– 1.333
– 1.236
– 1.235
– 1.235
7
SPUK Aanvullende seksuele gezondheidzorg
0
0
– 3.924
– 3.302
– 3.273
– 3.273
8
SPUK Transformatiemiddelen
0
0
-495
-495
0
0
9
SPUK aanpak huiselijk geweld
0
0
– 770
– 770
– 770
– 770
10
SPUK IZA
0
0
– 14.100
– 15.000
– 15.000
– 15.000
11
SPUK Mantelzorg1
0
0
0
– 900
– 900
– 900
12
SPUK randv. functies jeugdhulp
0
0
– 3.210
– 3.210
– 3.210
– 3.210
13
SPUK frictiekosten jeugd
0
0
– 6.000
– 6.500
– 2.800
0
14
SPUK Lokaal Sportakkoord1
0
0
0
– 1.000
– 1.000
– 1.000
15
SPUK Stimulering Sport
0
0
– 19.800
– 19.800
– 19.800
– 19.800
17
SPUK BRC1
0
0
0
– 7.230
– 7.230
– 7.230
16
SPUK Stimulering Sport – ontvangsten
0
0
– 2.500
– 2.500
– 2.500
– 2.500
betreft budget voor specifieke uitkeringen die t/m 2026 onderdeel zijn van de brede SPUK (regel 4)
Kunt u inzichtelijk maken waar de ombuigingen op de niet-verplichte ruimte van de verschillende artikelen terecht komen?
Hieronder treft u in de tabel (kolom Artikel onderdeel») een overzicht op welke artikelonderdelen de ombuigingen op de niet verplichte ruimte worden verwerkt op de VWS begroting.
Korting op niet verplichte ruimte art. 1 Volksgezondheid (art. 1.1)
SJPS
–
– 457
– 457
– 457
– 457
Artikel 1.1 Gezondheidsbeleid (Subsidies):
– Lokaal gezondheidsbeleid
Korting op niet verplichte ruimte art. 3 Langdurige Zorg en Ondersteuning (art. 3.1)
SLMZ
–
– 1.690
– 1.690
– 1.690
– 1.690
Artikel 3.1 Participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen (Subsidies):
– Toegang tot zorg en ondersteuning
– Passende zorg en levensbrede ondersteuning
– Inclusieve samenleving
– Overige
Korting op niet verplichte ruimte art. 3 Langdurige Zorg en Ondersteuning (art. 3.2)
SLMZ
– 5.000
– 7.522
– 7.522
– 7.522
– 7.522
Artikel 3.2 Langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten (Subsidies):
– Kennis, informatie en innovatiebeleid
– Zorg merkbaar beter maken
Korting op niet verplichte ruimte art. 4 Zorgbreed beleid (art. 4.1)1
MVWS
–
– 2.050
–
–
–
Artikel 4.2 Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt (Subsidies):
– Overige
Korting op niet verplichte ruimte art. 5 Jeugd (art. 5.3)
SJPS
–
– 1.956
– 5.268
– 9.863
– 10.080
Artikel 5.3 Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel (Subsidies):
– Jeugdbeleid
Artikel Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel (Opdrachten):
– Jeugdbeleid
Korting op niet verplichte ruimte art. 6 Sport en bewegen (art. 6.4)
SJPS
–
– 4.525
– 4.850
– 5.600
– 5.600
Artikel 6.4 Sport verenigt Nederland (Subsidies):
– Kennis en innovatie
– Sportakkoord
Korting op niet verplichte ruimte art. 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII (art. 7.1)
SJPS
–
– 100
– 1.300
– 2.200
– 2.200
Artikel 7.1 De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII (Subsidies):
– Overige
Per abuis is er weergegeven dat de korting op de niet verplichte ruimte op artikelonderdeel 4.1 «Positie cliënt en transparantie van zorg» wordt verwerkt. Dit is niet correct aangezien het wordt verwerkt op artikelonderdeel 4.2 «Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt».
Welke bezuinigingen op subsidies gaan al in 2025 in? Kunt u dit in een tabel aangeven?
In de ontwerpbegroting 2025 is de taakstelling 2025 als volgt verwerkt:
4 Zorgbreed beleid
€ 30
Dit bestaat voor € 20 miljoen uit hogere ontvangsten, en € 10 miljoen lagere uitgaven. De ontvangsten hebben betrekking op afrekening van eerder verstrekte subsidievoorschotten. De uitgaven zijn met € 10 miljoen naar beneden bijgesteld omdat verwacht wordt dat er op het totaalbedrag van € 676 miljoen enige onderuitputting zal optreden.
6 Sport en bewegen
€ 23
De ontvangstenraming is opgehoogd met € 23 miljoen in verband met verwachte terugontvangsten uit de SPUK Meerkosten Energie Openbare Zwembaden (MEOZ). De voornaamste verklaring hiervoor is dat gasprijzen gedurende de regeling lager uitvielen dan de op voorhand geschatte gasprijzen.
Totaal
€ 53
Het nieuws dat veel kinderen in erbarmelijke omstandigheden wonen in de asielnoodopvang in Nederland |
|
Jimmy Dijk , Michiel van Nispen |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Kinderrechtencollectief waaruit blijkt dat steeds meer kinderen moeten wonen in de asielnoodopvang onder zeer erbarmelijke en kindonvriendelijke woonomstandigheden?1
Ja.
Hoe kunt u de toename van het aantal kinderen in de noodopvang van 65 procent sinds de zomer van 2023 verklaren?
De toename van het aantal kinderen in de noodopvang is te verklaren door de aanhoudende druk op de opvangcapaciteit van het COA. De bezetting op opvanglocaties blijft toenemen en ligt op veel plekken rond of zelfs boven de 100%, waardoor er bijna geen bewegingsruimte meer zit in (ver)plaatsingen. Daarbij bevindt 40% van de asielzoekers die bij het COA verblijven zich inmiddels op noodopvanglocaties. Dit onderschrijft de wens van mijzelf en het COA om te komen tot meer duurzame, stabiele opvangvoorzieningen zonder doelgroepbeperkingen.
Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er kwaliteitsverschillen zijn tussen noodopvanglocaties. Sommige van dergelijke locaties doen qua voorzieningenniveau niet onder voor reguliere locaties. Al zijn deze locaties nog steeds wel kortdurend, hetgeen bijvoorbeeld meer verhuisbewegingen tot gevolg heeft.
Hoe kan het dat het niet de bedoeling is dat kinderen langer dan enkele dagen op noodlocaties verblijven, maar zij in werkelijkheid daar soms maanden leven? Waarom gaan niet alle alarmbellen rinkelen bij uw ministerie als deze situatie zich voordoet?
Zoals uw Kamer bekend is staat de asielopvang al geruime tijd onder grote druk. Hierdoor is het noodzakelijk om gebruik te maken van noodopvanglocaties. Deze locaties zijn minder goed geschikt voor langdurig verblijf van kwetsbare doelgroepen, waaronder kinderen. Zo beschikken de bewoners van deze locaties over minder privacy en gaat verblijf in noodopvanglocaties gepaard met meer verhuisbewegingen. Noodopvanglocaties zijn immers kortdurend en moeten noodgedwongen weer sluiten, hetgeen verhuisbewegingen tot gevolg heeft. Mij is bekend dat verhuisbewegingen een negatieve impact op het welbevinden van kinderen hebben, omdat zij een stabiele en vertrouwde omgeving nodig hebben waar zij zich in veiligheid kunnen ontwikkelen. Daarnaast zorgen de verhuisbeweging ervoor dat het onderwijs en de eventuele zorg waar een kind gebruik van maakt moeilijker voortgezet kunnen worden.
Alle inzet van het COA is erop gericht om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken en hen zo min mogelijk in de noodopvanglocaties te plaatsen. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit lukt dit momenteel helaas onvoldoende. Dit is een onwenselijke situatie.
Omdat kinderen een kwetsbare doelgroep betreffen is binnen de asielopvang extra aandacht voor hen. Het COA doet er alles aan om de veiligheid en het welbevinden van kinderen op alle opvanglocaties te waarborgen. Zo is het streven dat op iedere locatie een contactpersoon kind aanwezig is. De contactpersoon kind is coördinerend in het organiseren van activiteiten en voorlichting voor kinderen. Het COA stelt daarnaast voor alle locaties financiering beschikbaar om activiteiten voor kinderen te organiseren, al is dat voor zeer kortdurende noodlocaties niet altijd mogelijk. Specifiek voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) geldt dat amv-medewerkers opgeleid zijn om te werken met deze doelgroep. Deze medewerkers staan zoveel mogelijk in contact met de amv, zodat eventuele zorgelijke signalen snel opgepakt kunnen worden. Tevens is mijn ministerie met de Ministeries van OCW en VWS en de VNG in gesprek om de toegang tot onderwijs en zorg voor deze kinderen te verbeteren.
Trekt u zich als Minister iets aan van de conclusie dat kinderrechten elke dag worden geschonden? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op het feit dat bij de noodopvang veel verhuismomenten plaatsvinden en er over het algemeen minder privacy en veiligheid voor kinderen is dan bij een regulier asielzoekerscentrum (azc)? Erkent u dat dit erg schadelijk is voor kinderen? Zo ja, wat gaat u doen om deze schade te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onderwijs in de asielnoodopvang, in vergelijking met een regulier azc, laat, slecht of niet geregeld is? Zo ja, deelt u de mening dat we daarom moeten voorkomen dat kinderen terechtkomen in de asielnoodopvang? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat het onderwijs op noodopvanglocaties lastig te organiseren is. Plotselinge verhuisbewegingen en incidentele toestroom van leerlingen zijn voor scholen minder voorspelbaar en planbaar, waardoor het onderwijs moeilijker te organiseren is rond noodopvanglocaties dan rond reguliere azc’s. Ik heb daarom grote waardering voor de inzet die scholen in zowel primair als voortgezet onderwijs plegen om leerlingen die in noodopvanglocaties verblijven zo snel mogelijk een onderwijsaanbod te bieden.
Het Ministerie van OCW heeft tijdelijke wetgeving mogelijk gemaakt om scholen extra ruimte te bieden om de onderwijscapaciteit op te schalen. Een regulier onderwijsaanbod is echter altijd te verkiezen boven een tijdelijke plek in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 3, 4 en 5 aangeef is alle inzet van het COA er op gericht om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken en zo min mogelijk in noodopvanglocaties te plaatsen. Dit lukt met de huidige druk op de opvangcapaciteit onvoldoende, wat ik een onwenselijke situatie vind.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook GGD-artsen aan de alarmbel hebben getrokken als het gaat om de toegang tot de gezondheidszorg en ook de slechte mentale gezondheidszorg voor kinderen? Zo ja, wat is uw reactie op deze oproep van de GGD-artsen en gaat u hierop actie ondernemen?
Ja. Ik heb mijn reactie op deze oproep bij brief van 4 november aan uw Kamer verzonden.
Ziet u in het kader van deze problematiek ook het grote belang van de spreidingswet zodat er voldoende ruimte beschikbaar is voor kinderen in een regulier azc? Zo ja, welk gevolg geeft u hieraan?
Uw Kamer is door de Minister-President bij brief van 25 oktober 2024 geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om de spreidingswet in te trekken, zo mogelijk nog dit jaar. Dit laat onverlet dat het COA zich onverminderd blijft inzetten om voldoende opvangplekken te creëren voor kinderen in bestaande en nieuwe azc’s.
Bent u van plan om in het asielbeleid prioriteit te geven aan goede en gezonde opvang voor kinderen? Zo ja, kunt u de concrete stappen die u gaat nemen hiervoor toelichten?
Een goede en gezonde opvang voor kinderen blijft uiteraard uitgangspunt van het asielbeleid. Stabiliteit in het leven van een kind is cruciaal voor een goede ontwikkeling. Daarnaast is het van groot belang om te voorkomen dat we kinderen en hun zorgbehoeften uit het oog verliezen. Mijn ministerie en het COA vinden het daarom belangrijk dat de situatie van kinderen in de asielopvang zo snel mogelijk verbetert.
De oplossing voor het verbeteren van de situatie in de opvang, ook voor kinderen, ligt in het creëren van voldoende duurzame opvangplekken voor asielzoekers. Momenteel loopt de realisatie van voldoende duurzame opvangplekken achter op het geprognosticeerde benodigde aantal. Een andere oorzaak van de grote druk op de asielopvang is het achterblijven van de uitstroom van statushouders naar huisvesting in gemeenten. Specifiek voor amv geldt dat er onvoldoende kleinschalige opvangplekken voor amv met een verblijfsstatus beschikbaar zijn bij Nidos, waardoor deze jongeren noodgedwongen langer in de opvang van het COA verblijven. Met de Minister van VRO ben ik hierover in gesprek. Voor de andere stappen die ik onderneem om de opvang van kinderen te verbeteren verwijs ik naar het antwoord op vragen 3, 4 en 5
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Nispen over zorgen dat kinderen opgevangen worden op plekken waar voorzieningen voor kinderen zijn?2
Het COA is voortdurend op zoek naar nieuwe structurele locaties. Het uitgangspunt is dat kinderen en andere kwetsbare personen met voorrang worden opgevangen op locaties die van structurele aard zijn en zo min mogelijk op noodopvanglocaties verblijven. Ik zet mij hier samen met het COA blijvend voor in. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit is echter niet te zeggen op welke termijn het niet meer voor zal komen dat kinderen op noodopvanglocaties verblijven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat op korte termijn kinderen alleen nog maar op reguliere locaties worden opgevangen, zodat het aantal kinderen in de noodopvang snel afneemt?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven vanaf welke datum het niet meer voor zal komen dat kinderen worden opgevangen in de noodopvang of op andere plaatsen die niet geschikt zijn voor kinderen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Asiel en Migratie?
Dat is helaas niet gelukt.
Herinnert u zich de brief inzake het contact tussen u en de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken?1
Ja.
Heeft u tijdens uw gesprek met uw Oegandese collega wel of niet expliciet gesproken over de mogelijkheid om uitgeprocedeerde asielzoekers vanuit Nederland naar Oeganda te sturen?
Gedurende het gesprek is zowel opvang van vluchtelingen uit de regio als opvang van asielzoekers in Oeganda aan de orde gekomen. Ook is al eerder op ambtelijk niveau gesproken over de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers uit Nederland naar Oeganda.
Is er een gespreksverslag gemaakt van uw gesprek met de Oegandese Minister? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de betreffende passages met de Kamer delen?
Van het gehele bezoek aan Oeganda is een verslag gemaakt. Het gesprek met de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken is in dit verslag opgenomen. Er is geen separaat verslag gemaakt van dit gesprek.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en kunt u dat doen voor vrijdag 1 november 17.00 uur?
Het is helaas niet gelukt deze vragen voor 1 november te beantwoorden.
Het bericht ‘Ingrijpen bij Co-Med bleef uit na waarschuwingen over wanbestuur’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ingrijpen bij Co-Med bleef uit na waarschuwingen over wanbestuur»?1
Ja.
Hoe kan het dat er jarenlang niet is ingegrepen door toezichthouders, inspecties, opsporingsinstanties en zorgverzekeraars terwijl er serieus onderbouwde meldingen door huisartsen, medisch specialisten en werknemers zijn gedaan over misleiding, declaratiefraude, zelfverrijking, wanbestuur, misbruik van gemeenschapsgeld en slechte zorg bij Co-Med?
Ik vind het voor alle patiënten en medewerkers van Co-Med erg vervelend wat er is gebeurd. Iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op goede huisartsen zorg. Diverse partijen, waaronder de toezichthouders en zorgverzekeraars, hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid allerlei acties ondernomen in deze casus. Hoe dat is verlopen en welke lessen daaruit geleerd kunnen worden, maakt onderdeel uit van de evaluatie die ik momenteel aan het vormgeven ben met de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Een belangrijk onderdeel van deze evaluatie is de vraag of het toezichtinstrumentarium van de toezichthouders voldoende toereikend is, als de patiëntveiligheid in het geding is, of dat aanpassingen nodig zijn om de slagvaardigheid te vergroten. Een situatie als met Co-Med mag niet meer voorkomen. Daarom laat ik evalueren wat hier gebeurd is. Tegelijkertijd moesten partijen het in de tijd ook doen met de informatie waar zij toen beschikking over hadden. Daarnaast geef ik samen met het veld ook uitvoering aan de aanbevelingen van de toezichthouders om de risico’s van bedrijfsketens in de huisartsenzorg tegen te gaan2.
Wat vindt u ervan dat de verzekeraars CZ en VGZ het omvallen van de keten als een groter probleem zagen dan het aanpakken van de misstanden? Wat vindt u ervan dat CZ er bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) actief op aandrong om Co-Med, ondanks alle misstanden, niet te hard aan te pakken?
Iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op goede huisartsenzorg. Tegelijkertijd zie ik ook het spanningsveld dat is ontstaan tussen enerzijds de zorgplicht van zorgverzekeraars en anderzijds de schaarste van huisartsen.
Ik heb van zorgverzekeraars begrepen dat er de afgelopen jaren regelmatig contact geweest is tussen toezichthouders en zorgverzekeraars over Co-Med. Zorgverzekeraar CZ heeft in de zomer 2023 contact opgenomen met de IGJ, nadat CZ een kopie van het voornemen tot aanwijzing van Co-Med ontvangen had. Het zou op dat moment volgens de zorgverzekeraars tot ernstige problemen kunnen leiden als de zorg voor grote groepen verzekerden zou wegvallen, en er geen vangnet beschikbaar was. De zorgverzekeraars wilden dit risico actief onder de aandacht brengen van de IGJ en verzochten om tijdige informatie van de IGJ om ongelukken te voorkomen. De IGJ heeft mij laten weten dat bij haar handelen er altijd een afweging van belangen plaatsvindt. In dit geval heeft dat echter niet geleid tot een ander besluit en heeft de IGJ de voorgenomen aanwijzing doorgezet.
Deelt u de analyse uit het NRC-artikel dat Co-Med «too big to fail» was en dat juist daarom zorgverzekeraars aandrongen op het niet te hard aanpakken van Co-Med, ondanks de grove mistanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals nader uiteengezet in mijn antwoord op vraag 2, ben ik momenteel samen met de IGJ en de NZa bezig met het vormgeven van een evaluatie. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten daarvan.
Deelt u de mening dat, ondanks dat Co-Med niet geconcentreerd was in één regio, deze huisartsenketen «too big to fail» was doordat zorgverzekeraars niet aan hun zorgplicht kunnen voldoen bij een faillissement en daardoor wanpraktijken te lang gedoogden?
Dit moet blijken uit de evaluatie die momenteel wordt vormgegeven. Het waren regionale praktijken met ieder een eigenstandige overeenkomst. Wel waren het 50.000 verzekerden die van de een op de andere dag het risico liepen om zonder huisarts komen te zitten. Vanuit zorgplicht zagen zorgverzekeraars een faillissement als een «last resort» scenario. De voorkeur was voor de zorgverzekeraars steeds een verbetering van de toegang van de zorg, zonder dat er een (onvoorspelbaar) faillissements-scenario ging starten.
Deelt u de mening dat dit een problematische perverse prikkel is voor zorgverzekeraars waardoor slechte zorg en zelfs wanpraktijken te lang kunnen voortbestaan?
Wanpraktijken moeten nooit kunnen blijven bestaan. Uit de evaluatie moet onder andere blijken of eerder ingegrepen had kunnen worden, en welke lessen te trekken zijn voor de toekomst.
Hoeveel patiënten kan een huisartsenketen volgens u maximaal hebben voordat het «too big to fail» is en zorgverzekeraars dus niet meer aan hun zorgplicht kunnen voldoen bij een faillissement of verplichte sluiting door wanpraktijken?
Het rapport van de IGJ en NZa spreekt van «too big to fail» wanneer snelgroeiende bedrijfsketens in korte tijd een aanzienlijk marktaandeel verwerven en daarmee uitgroeien tot een huisartsenzorgorganisatie van aanzienlijke omvang3. Dit kan volgens de toezichthouders risico’s voor de toegankelijkheid en kwaliteit van huisartsenzorg met zich meebrengen, wanneer een bedrijfsketen onvoldoende borging heeft voor goed bestuur en professionele bedrijfsvoering of in (financiële) problemen komt. Ik ben het eens met de toezichthouders dat grote huisartsenorganisatie risico’s met zich mee kunnen brengen, zoals in geval van Co-Med. Om deze risico’s te beperken ben ik op dit moment bezig met de voorbereiding voor een wetswijzing van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), waarbij ik de NZa meer bevoegdheden wil geven voor de Zorg specifieke concentratietoets. Een onderdeel daarvan is dat de continuïteit van zorg wordt meegenomen voor alle zorgvormen in deze toetsing.
Tegelijkertijd vind ik de exacte omvang van een keten minder van belang. In alle sectoren kennen we grote marktpartijen, waarbij een ongecontroleerd faillissement zou leiden tot knelpunten voor de zorgplicht van zorgverzekeraars.
Wel is het belangrijk dat zorgverzekeraars in nauwe samenwerking met regionale huisartsenorganisaties tijdig zicht hebben op mogelijke knelpunten in hun regio, om problemen met de toegankelijkheid van zorg te voorkomen. Ik vind het belangrijk dat zorgverzekeraars in de contractering heldere afspraken maken om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg te borgen. Deze afspraken zijn voor alle zorgsoorten en zorgaanbieders relevant.
Daarnaast is er met zorgverzekeraars afgesproken dat ze een concreet plan opstellen voor het geval een keten (plotseling) geen kwalitatieve huisartsenzorg meer kan leveren. Als deze situatie zich voordoet zonder dat de zorgverzekeraar hierop goed is voorbereid, zal de NZa indien nodig handhavend optreden.
Welke stappen gaat u ondernemen om te zorgen dat wanpraktijken zoals structurele misleiding, declaratiefraude, zelfverrijking, wanbestuur, misbruik van gemeenschapsgeld en slechte zorg in de toekomst nooit meer zullen plaatsvinden in de eerstelijnszorg?
Allereerst wil ik benadrukken dat binnen de zorg geen plek zou moeten zijn voor personen die hun eigen financiële belangen vooropstellen, in plaats van het belang van de patiënt. Commerciële partijen kunnen een bijdrage leveren aan de toegankelijkheid van zorg en innovatie. Deze partijen weren komt de patiënt niet ten goede, maar ik ken ook de risico’s. Wat ik wenselijk vind, is dat daar waar de winsten excessief zijn, of daar waar geld wordt weggesluisd, dat we daar gericht gaan ingrijpen. Dit wil ik doen door middel van het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering Zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). Dit wetsvoorstel zal ik begin 2025 naar uw kamer sturen.
Naar aanleiding van eerdere aanbevelingen van de toezichthouders over bedrijfsketens in de huisartsenzorg, werk ik al samen met de veldpartijen aan manieren om in de toekomst eerder of beter in te kunnen grijpen in dergelijke situaties.
Daarnaast ben ik, zoals hiervoor aangegeven, momenteel bezig met het vormgeven van de evaluatie van het verloop bij Co-Med om daarmee lessen te kunnen trekken voor de toekomst.
De beantwoording van eerdere vragen over ongerechtvaardigde ontslagen op staande voet van arbeidsmigranten in de vleessector |
|
Bart van Kent |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Kunt u verdere toelichting geven op uw antwoord op vraag 6 en tabel 3?1 Om hoeveel uitzendbureaus gaat dit? Hoeveel personen zijn daar op staande voet ontslagen?
U verwijst naar de onderstaande tabel die in de beantwoording op de door u gestelde Kamervragen is opgenomen.2 Het aantal uitzendbureaus waar het percentage ontslag op staande voet «tussen de 20% en 50%» of «50% of hoger» is van alle einde arbeidsverhoudingen is af te lezen in tabel 1. Zo werden er in 2020 bij drie uitzendbureaus 20% tot 50% van alle arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet en werden er bij twee uitzendbureaus 50% of meer van alle arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. In 2021 waren er drie uitzendbureaus waar 20% tot 50% van alle beëindigde arbeidsverhoudingen de reden ontslagen op staande voet hadden en was er één uitzendbureau waar van alle einde arbeidsverhoudingen 50% of meer van de werknemers op staande voet waren ontslagen. Het aantal bedrijven uit tabel 1 dat hoge percentages (≥20%) ontslag op staande voet heeft is berekend per jaar. Het kan zo zijn dat een uitzendbedrijf meerdere jaren hoge percentages ontslag op staande voet heeft. Het gaat dus niet om unieke werkgevers. Eén werkgever kan verdeeld over de jaren meerdere keren voorkomen.
Jaar
Aantal bedrijven met % ontslag op staande voet tussen de 20%-50%
Aantal bedrijven met % ontslag op staande voet >50%
Aantal arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet bij de uitzendbedrijven waar ≥ 20% ontslag op staande voet van alle
2020
3
2
1.506
2021
3
1
1.349
2022
2
2
4.078
2023
3
0
3.563
In kolom vier van tabel 1 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen met als reden ontslag op staande voet bij de uitzendbureaus waar het percentage ontslag op staande voet van alle einde arbeidsverhoudingen ≥20% was. Bij deze aantallen geldt ook dat een persoon meerdere keren kan voorkomen, namelijk wanneer een persoon vaker op staande voet is ontslagen, daarom spreken we van aantallen einde arbeidsverhoudingen in plaats van aantal ontslagen personen.
Kunt u de namen van deze uitzendbureaus geven?
De vragen 2 tot en met 6 kunnen helaas niet worden beantwoord. Het UWV mag deze gegevens op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en meerdere geheimhoudingsbepalingen niet delen. De geheimhouding van de identiteit van de bestuurders van de uitzendbureaus kan niet worden gewaarborgd wanneer deze gegevens worden gedeeld.
Uit de Polisadministratie is te herleiden hoeveel mensen op staande voet zijn ontslagen per bedrijf. Echter worden deze gegevens normaliter niet uit de Polisadministratie gehaald en openbaar gemaakt vanwege de AVG. Op basis van de aantallen ontslagen op staande voet in relatie tot de bedrijfsomvang zou namelijk kunnen worden herleid om welke uitzendbedrijven het gaat.
Overigens kan ook niet met zekerheid worden gesteld dat deze aantallen ontslag op staande voet de reële werkelijkheid weergeven. Wanneer de arbeidsverhouding is beëindigd wordt dit, naast de reden van deze beëindiging, door de werkgever/salarisadministrateur bij de loonaangifte doorgegeven. Dit is vervolgens in de Polisadministratie terug te zien als ingevulde waarde «reden einde arbeidsverhouding». Het UWV en de Belastingdienst voeren geen controle uit of de ingevulde waarde ook daadwerkelijk overeenkomst met de feitelijke situatie. Het betreft dus een administratieve werkelijkheid. Ook geven de aantallen geen verklaring voor de achterliggende motivering van de werkgever bij het gebruik van een bepaalde reden voor einde arbeidsverhouding en de daarbij ingevulde waarde. Het onevenredig veel invullen van ontslag op staande voet als reden einde dienstverband kan een aanwijzing zijn van misbruik, echter zijn er ook andere redenen voor het invullen hiervan mogelijk, zoals repetitieve administratieve fouten. Ongeacht de achterliggende reden voor het hoge aantal ontslagen op staande voet, is het gevolg hiervan dat werknemers geen aanspraak kunnen maken op opgebouwde rechten. Dit vind ik zeer kwalijk. Er kan op zijn minst gesteld worden dat hier geen sprake is van goed werkgeverschap.
Kunt u per uitzendbureau toelichten hoeveel uitzendkrachten en werknemers zij in dienst hebben?
Zie antwoord vraag 2.
In welke provincies en gemeenten zijn deze uitzendbureaus gevestigd?
Zie antwoord vraag 2.
Wie zijn de eigenaren van deze uitzendbureaus?
Zie antwoord vraag 2.
Welke andere informatie kunt u met de Kamer delen over het misbruik van ontslag op staande voet door deze uitzendbureaus?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen worden genomen om het misbruik van ontslag op staande voet bij deze bedrijven aan te pakken?
Misbruik van ontslag op staande voet keur ik ten zeerste af. Daarom ben ik na het signaal van de Arbeidsinspectie meteen in gesprek gegaan met het UWV, de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst om te bezien welke stappen er kunnen worden gezet. Helaas blijkt dat op dit moment geen van de betrokken organisaties bevoegd is om misbruik van ontslag op staande voet aan te pakken. Want zowel het aanpakken van dergelijk misbruik van ontslag op staande voet als ook het controleren van de reden van het einde van de arbeidsverhouding op juistheid vallen niet onder de wettelijke taakopdracht van de Arbeidsinspectie, het UWV of de Belastingdienst.
Wanneer het UWV gegevens kan delen met Arbeidsinspectie en Belastingdienst, zoals bedrijfsnamen met hoge percentages ontslag op staande voet, dan kunnen deze organisaties die gegevens gebruiken als risico-indicator bij de invulling van het risicogerichte toezicht binnen hun eigen arbeidsrechtelijke respectievelijke fiscale werkdomein. Aangezien er nu geen gepaste instrumenten zijn om eventueel misbruik van ontslag op staande voet aan te pakken, beraad ik mij op te nemen vervolgstappen en wie hierbij te betrekken.
Hoeveel mensen worden jaarlijks op staande voet ontslagen? Hoe verhoudt dit zich met ontslagen op staande voet bij uitzendbureaus?
In tabel 2 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen voor de afgelopen vier jaar in Nederland. In tabel 3 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen voor de afgelopen vier jaar in de uitzendsector. Gegevens uit het huidige jaar 2024 zijn niet meegenomen, aangezien dit jaar nog niet is afgerond. In beide tabellen is een opsplitsing gemaakt naar het al dan niet hebben van de Nederlandse nationaliteit en naar ontslag op staande voet. In tabel 2 zijn in de totale einde arbeidsverhouding cijfers ook de aantallen van de uitzendbranche meegenomen.
2020
2.687.499
Ja
11.482
0,43%
2020
492.723
Nee
4.455
0,90%
2021
2.995.495
Ja
11.360
0,38%
2021
631.052
Nee
6.581
1,04%
2022
3.227.128
Ja
15.864
0,49%
2022
761.288
Nee
9.444
1,24%
2023
3.147.469
Ja
15.707
0,50%
2023
846.015
Nee
10.088
1,19%
2020
343.970
Ja
1.300
0,38%
2020
238.588
Nee
2.906
1,22%
2021
498.549
Ja
1.106
0,22%
2021
359.686
Nee
5.004
1,39%
2022
512.524
Ja
1.286
0,25%
2022
408.542
Nee
6.165
1,51%
2023
438.049
Ja
1.157
0,26%
2023
447.088
Nee
6.290
1,41%
In 2023 zijn 25.795 arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. We kunnen niet met zekerheid zeggen of daadwerkelijk 25.795 mensen op staande voet zijn ontslagen. Het kan zijn dat één persoon twee of meerdere keren op staande voet is ontslagen. In de uitzendsector zijn in 2023 7.447 arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. Het gemiddeld percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding lag in Nederland in 2023 op 0,65%. Het gemiddeld percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding lag in uitzendsector in 2023 op 0,84%.
Hoeveel mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit worden jaarlijks op staande voet ontslagen? Hoe verhoudt dit zich met ontslagen op staande voet van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit bij uitzendbureaus?
In 2023 zijn er in totaal 10.088 arbeidsverhoudingen van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit beëindigd met als reden ontslag op staande voet. In 2023 zijn er in de uitzendsector 6.290 arbeidsverhoudingen van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit beëindigd met als reden ontslag op staande voet. Hieruit blijkt dat circa 62% van de mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit met als reden ontslag op staande voet in de uitzendsector voorkomt. Het percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding voor mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit lag in zijn totaal in 2023 op 1,19% en in de uitzendsector op 1,41%.
Het percentage ontslagen op staande voet ten opzichte van het totaal aantal einde arbeidsverhoudingen voor mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit is hoger dan voor mensen met een Nederlandse nationaliteit. Dat is opvallend en vind ik zorgelijk. Wanneer iemand ten onrechte op staande voet wordt ontslagen, is het belangrijk dat diegene weet dat zij dit kunnen aanvechten via de rechter. Via het UWV kunnen zij alsnog een werkloosheidsuitkering aanvragen. Als iemand niet weet wat de grond van zijn ontslag is dan kan het UWV diegene hierbij helpen. Dan moet diegene wel zelf naar het UWV gaan. De kans is groter dat mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit de Nederlandse taal minder machtig zijn en minder snel bij het UWV terechtkomen. Hierdoor zijn zij kwetsbaarder voor misbruik van ontslag op staande voet.
Daarom blijf ik het signaal ontslag op staande voet onder de aandacht brengen, waaronder bij de betrokken brancheorganisaties. Verder is de informatie gedeeld met de «Work in NL» informatiepunten zodat arbeidsmigranten beter over hun rechten kunnen worden geïnformeerd.3 Voor rechtshulp kunnen mensen ook aankloppen bij het Juridisch Loket met hun juridische vragen of problemen. Bijvoorbeeld over huur, contracten, loon en verzekeringen. Het verbeteren van de toegang tot het recht voor kwetsbare werknemers is een van de maatregelen vanuit het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.4
De massadeportatie van Krim-Tataren door de Sovjet-Unie in 1944 als genocide erkennen |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944, waarbij rond de 200.000 Krim-Tataren naar Centraal-Azië werden gedeporteerd en waarbij tienduizenden omkwamen?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het parlement van Estland onlangs de massadeportatie van Krim-Tataren naar Centraal-Azië in 1944 door de Sovjet-Unie erkend heeft als genocide?1
Ja.2
Wat is uw reactie op de stelling van het parlement van Estland dat Rusland sinds de illegale bezetting van de Krim in 2014 het beleid van genocide tegen de Krim-Tataren een vervolg heeft gegeven, met als doel de identiteit en het historische en culturele erfgoed van de Krim-Tataren definitief te vernietigen?
Elk parlement heeft het recht om zijn eigen verklaringen op te stellen. Sinds de illegale bezetting door Rusland van de Krim heeft de bevolking van het schiereiland het erg zwaar. Dit geldt ook voor de Krim-Tataren.3 Velen zijn zonder aanleiding gevangen gezet, gemarteld of verdwenen. Velen zijn ook gevlucht naar andere delen van Oekraïne.
Wat is uw reactie op de oproep van het parlement van Estland aan de internationale gemeenschap om solidariteit met de Krim-Tataren te tonen en de bezetting en annexatie van de Krim te blijven veroordelen?
Die oproep is begrijpelijk. De bevolking van de Krim leeft al ruim tien jaar onder wrede Russische bezetting die tot veel menselijk leed leidt, waaronder onder de Krim-Tataren die tussen de 10 en 15% van de bevolking op de Krim uitmaken. Het is daarom belangrijk om dit onderwerp hoog op de internationale agenda te houden. Net als de meeste landen in de wereld erkent ook Nederland de illegale annexatie van de Krim door Rusland niet.
Klopt het dat de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 eerder ook al door Oekraïne, Canada, Polen, Letland en Litouwen als genocide is bestempeld? Kunt u aangeven welke overige landen deze massadeportatie officieel als genocide hebben bestempeld?
Ja, dat klopt. Naast de genoemde landen hebben geen andere landen de massadeportatie officieel als genocide bestempeld.
Bent u ermee bekend dat de toenmalige Sovjetrepubliek Rusland in april 1991 een wet aan heeft genomen genaamd «Over Rehabilitatie van de Onderdrukte Volkeren» waarin is vastgelegd dat de deportaties tijdens het regime van Josef Stalin (1922–1953) onder de noemer genocide vallen?2
Ik ben bekend met de wet van de toenmalige Sovjetrepubliek Rusland uit april 1991 waarin die volkeren (naties, volkeren of etnische groepen of andere historisch gevormde cultureel-etnische gemeenschappen, bijvoorbeeld de Kozakken) als onderdrukt erkend worden, ten aanzien van wie op basis van hun kenmerken van nationale of andere afkomst op staatsniveau een beleid van laster en genocide gevoerd werd, dat gepaard ging met gedwongen verhuizing, de afschaffing van bestuursentiteiten van deze volkeren, het hertekenen van grenzen en het voeren van een regime van terreur en geweld op plaatsen van hervestiging.5
Wat is de reden dat Nederland de massadeportatie van Krim-Tataren (nog) niet als genocide heeft bestempeld?
Genocide is een zeer ernstig internationaal misdrijf, dat wel «the crime of crimes» wordt genoemd. Uit de definitie van genocide, zoals opgenomen in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van Genocide (Genocideverdrag), vloeien specifieke bewijselementen voort. Alleen als aan alle elementen van de definitie onder het Genocideverdrag is voldaan, kan een gebeurtenis worden aangemerkt als genocide.
Een belangrijk element van de definitie van genocide is de zogenaamde genocidale opzet. Dit wil zeggen dat, om te kunnen spreken van genocide, de misdrijven gepleegd moeten zijn met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. Dit is een hoge bewijsdrempel.
Bij de vaststelling of een bepaalde gebeurtenis als genocide kan worden gekwalificeerd, is grondig feitenonderzoek daarnaast van groot belang.
In het licht van het bovenstaande stelt de Nederlandse regering zich terughoudend op bij het kwalificeren van bepaalde gebeurtenissen als genocide. Voor de Nederlandse regering zijn uitspraken van (internationale) gerechts- en strafhoven en eventuele vaststellingen door de Verenigde Naties hierbij in beginsel leidend.
Verder acht de regering terughoudendheid geboden bij het erkennen van gebeurtenissen als genocide, wanneer deze gebeurtenissen zich hebben afgespeeld voor de aanneming van het Genocideverdrag in 1948.
Overigens hecht ik eraan te benadrukken dat de terughoudendheid die de regering dus in het algemeen betracht ten aanzien van het kwalificeren van gebeurtenissen als genocide, niet moet worden begrepen als een gebrek aan erkenning van de ernst van deze historische gebeurtenissen of als een gebrek aan medeleven met de slachtoffers ervan.
Deelt u de stellingen van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV):
In advies nr. 28, inzake mogelijkheden, betekenis en wenselijkheid van het gebruik door politici van de term genocide, heeft de CAVV de stelling dat alleen de rechter kan vaststellen dat sprake is (geweest) van genocide, genuanceerd door te concluderen dat er geen regel van internationaal recht bestaat die in de weg zou staan aan de vaststelling door de regering of het parlement dat in een bepaalde staat genocide wordt of is gepleegd. Volgens de CAVV verzet het internationaal recht zich dus niet tegen het doen van een dergelijke vaststelling. Tegelijkertijd is de CAVV van oordeel dat hier, mede in het licht van de noodzaak tot degelijk feitenonderzoek, terughoudend mee moet worden omgegaan. Ik onderschrijf de geadviseerde terughoudendheid. Ook heeft de CAVV in Advies nr. 28, volgens mij terecht, gewezen op het verschil in juridische betekenis tussen dergelijke vaststellingen door de regering en het parlement. De regering is de belangrijkste vertegenwoordiger van de staat in de internationale betrekkingen. Hoewel ook het parlement een zelfstandig standpunt kan innemen over de vraag of in een andere staat genocide wordt of is gepleegd, of de regering kan oproepen daarover een standpunt in te nemen, komt aan een dergelijk standpunt van het parlement volkenrechtelijk minder gewicht toe.
Onder welke voorwaarden is de regering bereid om vast te stellen dat de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 door de Sovjet-Unie onder de noemer genocide valt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) om advies te vragen over het vraagstuk of de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 door de Sovjet-Unie ook door Nederland officieel bestempeld zou moeten worden als genocide? Zo nee, waarom niet?
In het licht van eerdere adviezen van de CAVV over deze thematiek, met name het hiervoor genoemde Advies nr. 28 (inzake mogelijkheden, betekenis en wenselijkheid van het gebruik door politici van de term genocide) en Advies nr. 42 (over internationaalrechtelijke vraagstukken rond de erkenning van de Holodomor als genocide)7, acht ik mij voldoende voorgelicht over de volkenrechtelijke vraagstukken rondom de erkenning van gebeurtenissen, zowel historische als hedendaagse, als genocide. Verdere advisering door de CAVV over de deze thematiek in relatie tot specifieke situaties – hoe ernstig ook – acht ik dan ook niet noodzakelijk voor het vaststellen van het standpunt van het kabinet.
Het bericht 'Einde Buy Now Pay Later stap dichterbij' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Struycken , Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU inzake Buy Now Pay Later (BNPL), dat er wél sprake is van een kredietvergoeding wanneer de kredietgever, om economisch voordeel te krijgen, bij het sluiten van de overeenkomst er op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet na zal komen?1
Ja.
Bent u bekend met het onderzoek van de AFM dat BNPL-aanbieders tot 40% van hun inkomsten halen uit te laat betalen, en dat dit zo’n groot deel van de inkomsten is, dat dit een onderdeel is van het verdienmodel?
Wij zijn bekend met het rapport van de AFM. De AFM stelt dat in 2021 de aanmaningskosten een substantieel deel (tot 40%) vormden van de inkomsten van sommige BNPL-aanbieders en deze inkomsten kunnen winstgevend zijn.2
Klopt het daarom dat BNPL niet buiten de Richtlijn consumentenkrediet kan vallen, en daarom net zo goed aan de regels moet voldoen?
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft op 17 oktober jl. uitspraak3 gedaan over de betreffende zaak waar onder meer het verdienmodel van een BNPL-aanbieder ter discussie stond. De Nederlandse staat heeft tijdens dit proces zijn zienswijze gedeeld met het Hof. Samenvattend oordeelt het Hof dat de rente en de kosten van niet-nakoming in beginsel geen deel uitmaken van de «rente» en de «andere kosten» in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48, ongeacht of de toepassing en de hoogte van die rente en die kosten bij wet zijn voorzien dan wel in de kredietovereenkomst zijn vastgelegd. BNPL is in beginsel uitgezonderd van de Richtlijn consumentenkrediet, tenzij de BNPL-aanbieder al bij het sluiten van de overeenkomst anticipeert op wanbetaling om economisch voordeel te behalen, oftewel de niet-nakomingskosten deel uitmaken van het verdienmodel van de aanbieder. Het Hof verwijst in de uitspraak tevens naar de zienswijze van Nederland. Of er sprake is van een economisch voordeel hangt af van de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en andere relevante omstandigheden, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten. Om te kunnen bepalen of de betreffende BNPL-aanbieder in deze specifieke zaak binnen het toepassingsbereik van de huidige Richtlijn consumentenkrediet valt en welke implicaties dit heeft, moet de uitspraak van de rechter worden afgewacht. Voor deze casus zal de Hoge Raad de vragen van de kantonrechter te Arnhem beantwoorden, waarna de kantonrechter, die over de feitelijke beoordeling gaat, uitspraak zal doen. Een nadere uitleg hierover treft u aan in de heden verzonden Kamerbrief over BNPL.
Bent u het met ons eens dat voor BNPL dus moet worden gewaarschuwd voor de risico’s van kredieten, dat duidelijk moet zijn wat de kosten zijn en waarbij de kredietwaardigheid van de consument moet worden beoordeeld?
Nederland heeft zich er tijdens de onderhandelingen over de herziening van de richtlijn consumentenkrediet sterk voor ingezet om BNPL onder de reikwijdte van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet te plaatsen, zodat onder meer de in de vraag genoemde maatregelen, verplicht worden voor BNPL-aanbieders. Deze inzet is succesvol geweest; de aanbieders van BNPL-betaaldiensten komen dan ook te vallen onder de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet. Vanaf dan moeten ook de aanbieders van BNPL-betaaldiensten aan dezelfde, strenge regels voldoen als de aanbieders van consumptief krediet. In de praktijk betekent dit dat de aanbieders onder andere een krediettoets moeten gaan uitvoeren (waaronder een BKR-toets) en moeten voldoen aan regels ten aanzien van informatieverstrekking en reclame-uitingen.
Kunt u nagaan bij de Hoge Raad wat hun tijdsplanning is om deze uitspraak verder te beoordelen?
Na ontvangst van de uitspraak van het Hof worden de partijen in de procedure en de belanghebbende die zich in de procedure heeft gemeld, door de Hoge Raad uitgenodigd om schriftelijke opmerkingen te maken naar aanleiding van de uitspraak van het Hof (het partijdebat). Vervolgens wordt aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad gelegenheid gegeven voor het nemen van een nadere conclusie in de zaak. Daarna bepaalt de Hoge Raad de dag waarop hij uitspraak zal doen. De Hoge Raad heeft aangegeven dat de tijd waarop hij zal beslissen naar huidige verwachting zal worden bepaald op een dag in de tweede helft van 2025.
Het EU-Mercosur-verdrag |
|
Christine Teunissen (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Op welke wijze geeft het kabinet concreet invulling aan de zin in het hoofdlijnenakkoord: «We willen niet importeren wat we niet mogen produceren» in relatie tot de Nederlandse inzet aangaande het EU-Mercosur-verdrag?
Het kabinet zal pas een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur akkoord wanneer de onderhandelingen zijn afgerond en alle daartoe noodzakelijke stukken door de Europese Commissie ter besluitvorming aan de Raad worden aangeboden. Als besluitvorming gedurende deze kabinetsperiode plaatsvindt, dan zullen bij de standpuntbepaling ook relevante beleidsstandpunten uit het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma worden meegenomen.
Op dit moment beziet het kabinet de mogelijkheden om op Europees niveau eisen te stellen aan de invoer van producten die binnen de EU niet geproduceerd mogen worden, zoals opgenomen in het regeerprogramma.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Kamer zich al meerdere malen heeft uitgesproken tegen een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen, onder meer in 2023 met de breed aangenomen motie Ouwehand c.s. (Kamerstuk 34 682, nr. 125) waarin het kabinet verzocht wordt «bij de Europese Commissie en in de Raad klip-en-klaar duidelijk te maken dat Nederland in ieder geval een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen zal blokkeren» en waarbij het kabinet wordt verzocht «voor deze positie actief steun te vergaren bij de andere lidstaten en binnen een maand verslag te doen aan de Kamer.»?
Ja.
Op welke wijze voert het kabinet deze motie uit?
Het vorige kabinet heeft op 13 februari 2024 gereageerd1 op de motie van de leden Ouwehand en Grinwis c.s. van 1 februari 20242 met een vergelijkbare strekking. Die lijn is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 19 september jl. bevestigd door de Minister president.3
Nederland geeft zowel bij de Europese Commissie als bij andere lidstaten consequent aan dat een EU-Mercosur akkoord zeer gevoelig ligt in Nederland en er in het bijzonder zorgen bestaan binnen de landbouwsector over de landbouwafspraken in het EU-Mercosur onderhandelaarsakkoord uit 2019.
Heeft u de Europese Commissie geïnformeerd dat Nederland in ieder geval een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen zal blokkeren, conform de motie Ouwehand c.s.? Zo nee, wanneer gaat u dat alsnog doen?
De Europese Commissie is bekend met de moties die uw Kamer heeft aangenomen over een EU-Mercosur akkoord. Voor wat betreft landbouw, geeft de Europese Commissie aan dat de afspraken over markttoegang voor landbouwproducten in het EU-Mercosur onderhandelaarsakkoord uit 2019 beperkt zijn, omdat er tariefcontingenten zijn opgenomen voor sensitieve producten.
Zoals bij u bekend, zal het kabinet pas een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur akkoord op het moment dat de onderhandelingen zijn afgerond en alle daartoe noodzakelijke stukken door de Europese Commissie ter besluitvorming aan de Raad worden aangeboden.
Kunt u een overzicht geven van uw inspanningen op het onderhandelingsresultaat van dit verdrag te beïnvloeden en hoe dat zich verhoudt tot de duidelijke uitspraak van de motie Ouwehand c.s.?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, geeft Nederland consequent aan dat een EU-Mercosur akkoord zeer gevoelig ligt in uw Kamer. Ook bepleit Nederland binnen de EU dat een mogelijk EU-Mercosur akkoord een integraal associatieakkoord blijft, conform motie Teunissen c.s.4
Wat is de huidige positie van het kabinet over wat de EU-inzet zou moeten zijn voor het EU-Mercosur-verdrag?
Momenteel richt de Europese Commissie zich in de onderhandelingen met name op het maken van afspraken over het tegengaan van ontbossing en het opnemen van het klimaatakkoord van Parijs als essentieel element bij het verdrag. Dit is mede op verzoek van de lidstaten, waaronder eerder Nederland5, omdat de afspraken in het onderhandelaarsakkoord uit 2019 op dit terrein verder geconcretiseerd kunnen worden. Er wordt niet gesproken over herziening van de afspraken over markttoegang voor sensitieve landbouwproducten zoals die in 2019 zijn uit onderhandeld.
De Europese Commissie houdt de lidstaten op de hoogte van het verloop van de onderhandelingen, maar heeft de nodige ruimte om zelf tekstvoorstellen te doen aan de onderhandelingspartners, zonder deze vooraf bij de lidstaten te toetsen. Nederland zal een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur verdrag op het moment dat de onderhandelingen zijn afgerond en er daadwerkelijk sprake is van besluitvorming.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp in de week van 11 november?
Ja.
Bent u op de hoogte van het bericht «Vrouw overleden die na aanrijding drie kwartier moest wachten op ambulance terwijl «particuliere» ziekenwagen om de hoek stond»?1
Ja. Allereerst, wat verschrikkelijk dat deze mevrouw onder deze omstandigheden overleden is. Ik wens haar naasten veel sterkte met dit verlies.
Bent u bekend met signalen uit de gemeente Nunspeet over slechte aanrijtijden van ambulances? Zo ja, wat is uw reactie op deze problemen rondom aanrijtijden?
Ik ben bekend met de signalen uit de gemeente Nunspeet. De streefnorm van 15-minuten die in de Regeling Ambulancezorgvoorzieningen is opgenomen, geldt echter voor de gehele Veiligheidsregio en niet voor afzonderlijke locaties of gemeenten.
Uiteraard streeft de ambulancesector ernaar om voor alle gebieden in een regio adequate responstijden te realiseren. Dit doen zij onder andere met een vernieuwde urgentie-indeling (VUI) die sinds oktober 2024 is geïmplementeerd bij alle meldkamers ambulancezorg. Met deze urgentie-indeling borgt de RAV de kwaliteit en tijdigheid van ambulancezorg door nog fijnmaziger te triëren op ernst en spoed.
Onder andere de categorie «spoed» is met de VUI herzien, waarbij er nu een medisch onderbouwd onderscheid is tussen «hoogst mogelijke spoed» en «hoge spoed». Zo krijgt een reanimatie, ernstige bloeding of verstikking een hogere prioriteit dan bijvoorbeeld een complexe beenbreuk doordat er in een dergelijk geval geen sprake is van acuut levensgevaar.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft in 2022 geconstateerd dat de responstijden van de RAV Noord- en Oost-Gelderland (NOG) waar Nunspeet onder valt, niet voldeden aan de streefnorm van 15-minuten in 95% van de inzetten. De responstijden zijn in deze regio al jaren op een redelijk constant niveau. De IGJ geeft aan dat ondanks het niet voldoen aan de streefnorm er geen aanwijzingen zijn dat er in RAV-NOG (structureel) sprake is van risico’s ten gevolge van het overschrijden van de responstijd.
Bent u bekend met het feit dat cijfers over aanrijtijden door de ambulancedienst nu alleen nog maar vertrouwelijk worden meegedeeld, terwijl dit eerder openbaar was? Kan u aangeven waarom dit zo is? Kan u deze cijfers over aanrijtijden alsnog openbaar maken?
Cijfers over aanrijtijden en andere kwaliteitsindicatoren bij de RAV worden sinds 2008 jaarlijks gedeeld door Ambulancezorg Nederland (AZN). Deze cijfers zijn op regionaal en landelijk niveau en terug te vinden op de online pagina van AZN.2
In Nunspeet heeft een ambulancepost in ’t Harde op gemeentelijk niveau voor verbetering gezorgd, maar vooralsnog niet of onvoldoende in de meer afgelegen kernen; hoe gaat u de aanrijtijden in deze kernen verbeteren?
Het RIVM maakt in opdracht van het Ministerie van VWS jaarlijks een berekening van de benodigde middelen per RAV in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Dit rekenmodel is onder andere gebaseerd op de aanrijtijden en spreiding van de standplaatsen, zodat er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan deze uitgangspunten te voldoen, zonder dat er sprake is van dure en inefficiënte overcapaciteit. Dit referentiekader vormt de basis van waar de standplaatsen komen. De bereikbaarheid wordt echter altijd op regionaal niveau vastgesteld voor alle inwoners binnen de RAV-regio, zoals ook is vastgelegd in de regeling die hoort bij de Wet ambulancezorgvoorzieningen.
Zijn er nog andere kernen in gemeenten waar de aanrijtijden van ambulances onvoldoende zijn, en zo ja welke?
In 2023 was de landelijk gemiddelde responstijd 16:50 minuten. Per RAV-regio varieert de responstijd tussen de 14:40 minuten voor Kennemerland en 18:28 minuten voor Gelderland-Midden. Deze cijfers per regio zijn terug te vinden in het sectorkompas van AZN.
Cijfers op lokaal niveau worden wel geregistreerd door de RAV. Hierover wordt echter niet gerapporteerd door AZN omdat, zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, de bereikbaarheid van de RAV wordt vastgesteld op regionaal niveau. Naar aanleiding van de motie van het lid Rikkers-Oosterkamp c.s. over het voeren van een gesprek met AZN om transparantie te geven over de aanrijtijden per gemeente, ga ik daarover in gesprek met AZN.3
Wat gaat u landelijk doen om de aanrijtijden in kernen te verbeteren?
Sinds oktober 2024 is de nieuwe urgentie-indeling bij alle meldkamers ambulancezorg geïmplementeerd. Het doel van de nieuwe indeling is om de kwaliteit van de ambulancezorg te verbeteren. De nieuwe urgentie-indeling doet meer recht aan de medische behoeften van patiënten en is meer medisch logisch opgebouwd. Het is de bedoeling dat de ambulance sneller ter plaatse is als het echt nodig is, ook bij rampen en ongevallen, en dat in andere gevallen iets meer tijd wordt genomen voor verrijkte en verlengde triage om meteen de juiste zorg op de juiste plek in te zetten, in welke gevallen de responstijd (geoorloofd) iets langer kan zijn. Het resultaat van deze verrijkte triage kan zijn dat het inzetten van een ambulance niet nodig blijkt te zijn.
AZN heeft mij geïnformeerd dat uit hun tussentijdse evaluatie blijkt dat de aanrijtijden voor patiënten met de hoogst mogelijke spoed daadwerkelijk is verbeterd. Op termijn wordt bezien of en zo ja, welke gevolgen de nieuwe urgentie-indeling heeft voor de 15-minutenstreefnorm.
In verschillende gemeenten zijn en waren cijfers over aanrijmomenten van ambulances te laag, deze gemeenten krijgen vervolgens in de totale cijfers wel een voldoende; wilt u werken aan een metingsvariant waar per gemeentekern kan worden gemeten wat de aanrijtijden zijn?
Zoals ik ook in antwoord 6 heb aangegeven, wordt naar aanleiding van de motie van het lid Rikkers-Oosterkamp c.s. gesproken met AZN over het transparant maken van aanrijtijden op lokaal niveau. Deze gesprekken zijn momenteel in gang gezet. Als de gesprekken zijn afgerond, zal ik de Kamer informeren.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het de afgelopen jaren is voorgekomen dat een ambulance later dan de wettelijke aanrijtijd ter plaatse van een incident was? Kunt u tevens inzichtelijk maken hoe vaak er bij deze gevallen een dodelijke afloop te betreuren is geweest?
Ik beschik niet over cijfers hoe vaak het voor is gekomen dat een ambulance er langer over deed dan de streefnorm van 15 minuten. Wel levert AZN sinds 2008 cijfers over onder andere gemiddelde responstijden en aanrijtijden. Deze zijn te vinden op www.ambulancezorg.nl/sectorkompas. Het landelijk gemiddelde is dat 95% van de spoedritten bij de patiënt is binnen 16:50 minuten in 2023, binnen 17:00 minuten in 2022 en binnen 16:44 minuten in 2021.
De IGJ heeft in de periode van 2022 tot en met oktober 2024 in totaal vier, in dit kader relevante, rapportages van calamiteitenonderzoeken ontvangen.4 Calamiteitenmeldingen worden gedaan naar aanleiding van een niet-beoogde gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van zorg en tot de dood van, of ernstige schadelijk gevolg, voor een patiënt heeft geleid. De IGJ geeft aan dat echter niet altijd goed is vast te stellen welke invloed een langere aanrijtijd heeft gehad. Deze calamiteiten vonden niet plaats in de veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland.
Deelt u de mening dat lokale problemen beter in beeld moeten komen zodat er beter gestuurd kan worden op strategische plaatsing van ambulanceposten en standplaatsen? Hoe denkt u over plaatsgebonden verantwoording in plaats van regionaal, dus op lokaal niveau met specificatie per kern?
De streefnorm van 15 minuten wordt op het niveau van de veiligheidsregio gemonitord, waarbij 95% van de spoedinzetten binnen 15 minuten ter plaatse moet zijn. Dat gebeurt op het niveau van de veiligheidsregio omdat daarmee het goed en in samenhang functioneren van de verschillende crisisdiensten wordt ondersteund. Monitoren of verantwoorden op lokaal niveau sluit daar niet op aan.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, vormt het referentiekader spreiding en beschikbaarheid van het RIVM de basis voor de standplaatsen.
Om lokaal paraat te staan voor inzetten binnen de streefnorm, moet er een aanzienlijke hoeveelheid extra ambulances worden ingezet. Ook moeten dan veel ambulanceverpleegkundigen worden onttrokken uit andere sectoren van de zorg. Vervolgens neemt het aantal inzetten per ambulance flink af. Uit het oogpunt van efficiëntie en kwaliteit acht ik daarom plaatsgebonden verantwoording niet wenselijk.