Het bericht ‘Boos personeel, duurdere tickets en langere rijen: reiziger dreigt klos te worden van ingreep Schiphol bij beveiliging’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Boos personeel, duurdere tickets en langere rijen: reiziger dreigt klos te worden van ingreep Schiphol bij beveiliging»?1
Ja.
Wat vindt u van het voornemen van Schiphol om de inhuur van beveiligers van de luchthaven compleet anders in te richten?
De voorgenomen wijziging betreft de wijze waarop Schiphol beveiligingswerkzaamheden aanbesteedt. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van Schiphol. Schiphol is wettelijk verplicht beveiligingswerkzaamheden uit te laten voeren door beveiligingsbedrijven die aan strikte eisen voldoen. Schiphol moet ook toezicht houden op de uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden. Namens de Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Brigade Toezicht Beveiliging Burgerluchtvaart van de Koninklijke Marechaussee toezicht op de uitvoering van de beveiligingsmaatregelen. De voorgenomen wijziging verandert hier niets aan.
Wat heeft dit voornemen voor gevolgen voor het huidige beveiligingspersoneel van Schiphol?
Het huidige beveiligingspersoneel blijft na de aanbesteding werkzaam op Schiphol. Na gunning van de contracten vindt er waar nodig een contractwisseling plaats. Beveiligers en werknemers van beveiligingsbedrijven die op de luchthaven werken zullen in dienst treden bij de drie nieuwe vennootschappen.
Hoe kijkt u aan tegen dit voornemen in het licht van de effectiviteit van de beveiligingsdiensten op Schiphol, mede gelet op de rust die recent is ontstaan na de chaotische taferelen in 2022?
Schiphol geeft aan dat de nieuwe contracten zich richten op drie belangrijke bouwstenen: arbeidsomstandigheden en kwaliteit van werk, beveiligingsprestaties en kostenefficiëntie. Dit moet bijdragen aan het beperken van operationele inefficiënties en toekomstige serviceonderbrekingen (bijv. wachtrijen). Schiphol geeft ook aan dat de opbouw van lange-termijn partnerschappen de gemeenschappelijke belangen dient. Schiphol verwacht hiermee o.a. een betere informatiepositie te krijgen en bij problemen makkelijker te kunnen ingrijpen.
Heeft Schiphol reden te denken dat er minder wachtrijen en chaos zullen ontstaan, wanneer Schiphol met slechts drie beveiligingsbedrijven in zee gaat?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat het wenselijk is dat Schiphol extra kosten maakt door een aandeel te nemen in de drie beveiligingsbedrijven, terwijl Schiphol eerder de havengelden voor luchtvaartmaatschappijen heeft moeten verhogen wegens hoge inflatie, gestegen rente en de eerder voorgenomen investeringsplannen? Kan Schiphol zijn beschikbare middelen niet beter inzetten voor de eerder voorgenomen investeringsplannen?
De voorgenomen wijziging zal naar verwachting van Schiphol niet tot hogere kosten leiden. De voorgenomen wijziging staat los van de verhoging van de luchthavengelden voor de periode 1 april 2025 tot 1 april 2028. Daarnaast staat beveiliging los van de investeringsopgave.
Wat heeft het voornemen van Schiphol voor gevolgen voor de reizigers?
De voorgenomen wijziging moet bijdragen aan het beperken van operationele inefficiënties en toekomstige serviceonderbrekingen, zoals wachtrijen. Hiermee wil de voorgenomen wijziging zorgen voor kwaliteitsverbeteringen voor passagiers.
Verwacht u dat de tickets duurder zullen worden als Schiphol de gewenste reorganisatie in de beveiligingsdienst doorvoert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Ik ga af op de inschatting van Schiphol. De verwachting is niet dat de aanpak tot hogere kosten gaat leiden. Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u het ermee eens dat vliegtickets voor reizigers betaalbaar moeten blijven en dit voornemen van Schiphol daar niet aan bijdraagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u eraan doen om vliegtickets betaalbaar te houden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe groot acht u de kans dat de beveiliging van Schiphol straks in handen is van buitenlandse bedrijven? Zijn er veiligheidsrisico’s te bedenken wanneer de beveiliging van Schiphol in buitenlandse handen valt?
De beveiliging van de burgerluchtvaart is een publieke taak die in de Luchtvaartwet bij de luchthavenexploitant is belegd. Daarbij is Schiphol wettelijk verplicht de beveiligingswerkzaamheden uit te laten voeren door bedrijven die voldoen aan Nederlandse wet- en regelgeving en een registratie hebben volgens de Wet op de Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (WPBR). De dienstverlening op Schiphol is van een dermate grote omvang dat nu al internationale bedrijven de dienstverlening in opdracht van Schiphol uitvoeren. Die bedrijven voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Schiphol blijft zelf verantwoordelijk voor de beveiliging; die taak komt niet in buitenlandse handen.
Heeft het voornemen van Schiphol gevolgen voor de aanwezige luchtvaartmaatschappijen?
De voorgenomen wijziging heeft volgens Schiphol geen negatief gevolg voor luchtvaartmaatschappijen. De voorgenomen wijziging moet bijdragen aan kwaliteitsverbeteringen voor luchtvaartmaatschappijen, middels het beperken van operationele inefficiënties en toekomstige serviceonderbrekingen.
Heeft het voornemen van Schiphol gevolgen voor de aantrekkelijkheid van Schiphol als luchthaven?
Zoals al is aangegeven, moet het voornemen bijdragen aan het beperken van operationele inefficiënties en toekomstige serviceonderbrekingen. Ook wordt verwacht dat door de opbouw van lange-termijn partnerschappen een betere informatiepositie verkregen wordt en dat hierdoor gemakkelijker kan worden ingegrepen bij problemen. De voorgenomen wijziging beoogt dus bij te dragen aan het voornemen om een kwaliteitsluchthaven te zijn.
In hoeverre wordt rekening gehouden met beschikbare ervaring en capaciteit bij bedrijven die geïnteresseerd zijn in het verlenen van beveiligingsdiensten bij Schiphol?
Voor de uitvoering van de beveiliging op de luchthaven moet Schiphol aan strenge eisen voldoen, die zijn opgenomen in de aanbesteding. Bedrijven die geïnteresseerd zijn in het verlenen van beveiligingsdiensten op Schiphol moeten ook aan die eisen voldoen. Beschikbare ervaring, zoals relevante referenties over ervaring op een luchthaven en beschikbare capaciteit zijn onderdeel van de selectiecriteria in de aanbesteding.
Waarom stuit het voornemen van Schiphol om terug te gaan van zes naar drie bedrijven actief in de grondafhandeling op grote weerstand?
Op 10 mei 2024 is de beperking om het aantal grondafhandelingsbedrijven op Schiphol te beperken tot drie gepubliceerd in de Staatscourant.2 Deze beperking geldt uitsluitend voor de categorieën bagage- en platformafhandeling van passagiersvliegtuigen. Het doel van deze beperking is om bij te dragen aan een verbetering van de situatie in de grondafhandeling op Schiphol op het punt van efficiency, personeelstekort, veilige uitvoering van werkprocessen en verbetering van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van grondpersoneel. In het najaar van 2023 is een conceptversie van het besluit tot beperking ter consultatie voorgelegd aan betrokken partijen. Uit die consultatie kwam naar voren dat er onder de (sector)partijen zowel voor- als tegenstanders zijn. Sommige partijen zien de beperking als passende oplossing voor de problematiek in de grondafhandelingssituatie op Schiphol, terwijl anderen zorgen hebben over de overgangsperiode, hogere prijzen of het verliezen van toegang tot de markt. De beperking zal immers betekenen dat sommige bedrijven die nu actief zijn op Schiphol, na de beperking geen werkzaamheden meer mogen verrichten in de categorieën waarvoor de beperking zal gelden. Overigens werden in de consultatie vooral zorgen geuit over de beperking van het aantal vrachtafhandelaren, waarna is besloten de beperking niet voor vrachtafhandeling te laten gelden.
Wat betekent de reductie van zes naar drie bedrijven die de grondafhandeling verzorgen voor de betrouwbaarheid van de grondafhandeling?
Het besluit tot beperking van het aantal grondafhandelingsdiensten is genomen met als doel bij te dragen aan een verbetering van de situatie in de grondafhandeling op Schiphol op het punt van efficiency, personeelstekort, veilige uitvoering van werkprocessen en verbetering van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van grondpersoneel. Het onderzoek dat is uitgevoerd ter onderbouwing van de beperking heeft uitgewezen dat een combinatie van een beperking met flankerende maatregelen het best aansluit bij het behalen van de beoogde doelen
Wat betekent de reductie van zes naar drie bedrijven die de grondafhandeling verzorgen voor de toekomst van de bedrijven die buiten de boot vallen?
Dat er bedrijven buiten de boot vallen is een logisch gevolg van het invoeren van een dergelijke beperking. De regelgeving schrijft voor dat de selectie van bedrijven plaatsvindt via een Europese aanbestedingsprocedure die wordt uitgevoerd door Schiphol als exploitant van de luchthaven. Daarmee krijgen alle nu actieve bedrijven een eerlijke kans om mee te dingen naar een van de concessies in de nieuwe systematiek. Voor de bedrijven die geen concessie weten te bemachtigen, geldt dat zij geen werkzaamheden meer mogen verrichten in de categorieën die onder de beperking vallen. Zij mogen echter nog steeds werkzaamheden verrichten in afhandelingsdiensten waarvoor geen beperking is ingesteld. Ook kunnen deze bedrijven hun werkzaamheden op luchthavens anders dan Schiphol gewoon voortzetten.
Zorgt de reductie van zes naar drie bedrijven ervoor dat de kosten voor luchtvaartmaatschappijen toenemen?
Eventuele prijsverhogingen voor de kosten die luchtvaartmaatschappijen betalen voor grondafhandeling zijn afhankelijk van het contract tussen hen en de grondafhandelingsbedrijven die na de beperking een concessie bemachtigen.
Hoe groot acht u de kans dat buitenlandse bedrijven straks volledig verantwoordelijk zullen worden voor de grondafhandelingsoperatie? Vindt u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Van de zes partijen die momenteel de grondafhandeling op Schiphol verzorgen is het merendeel al buitenlands. Schiphol is verantwoordelijk voor het selecteren van de grondafhandelingsbedrijven die actief mogen zijn op Schiphol na de beperking. Schiphol zal hiervoor een (Europese) aanbestedingsprocedure beginnen. Aan deze aanbestedingsprocedure kan iedere partij, ook vanuit het buitenland, meedoen. De aanbesteding zal zo ontworpen zijn, dat de drie partijen die de beste dienstverlening kunnen leveren, geselecteerd zullen worden. De (on)wenselijkheid voor een volledig buitenlandse afhandeling speelt hierin geen rol. In de aanbesteding zal dan ook geen onderscheid gemaakt worden op het land van herkomst van de partij.
De alarmerende cijfers betreffende de teruggang van het aantal sociaal advocaten en de toegang tot het Recht die hiermee nog meer onder druk komt te staan |
|
Michiel van Nispen |
|
Struycken |
|
Bent u bekend met het verkennend onderzoek van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) dat is gedaan waaruit blijkt dat het aantal sociaal advocaten in hoog tempo is afgenomen?1
Ja.
Kunt u reageren op de conclusies, namelijk minder juridische hulp dan vier jaar geleden, de kans op escalatie van juridische problemen en de verslechterde toegang tot het recht voor mensen die afhankelijk zijn van gesubsidieerde rechtsbijstand?
De sociale advocatuur is een essentieel onderdeel van ons rechtsbestel en het op peil houden en versterken van de beroepsgroep is een belangrijk aandachtpunt voor de toegankelijkheid van het recht/de rechtsbijstand. De beroepsgroep staat echter onder druk, onder andere door vergrijzing en een gebrek aan instroom. Deze signalen zijn mij bekend, de in het artikel genoemde cijfers komen dan ook niet als een verrassing. De oplossing hiervoor is niet eenvoudig, vereist de lange adem, en er ligt een rol voor veel betrokken partijen, onder wie de Nederlandse orde van advocaten. Het aantrekkelijk maken van de sociale advocatuur kent veel dimensies.
Deelt u de verwachting dat de regio’s Noord-Nederland en Nijmegen die gebruikt zijn voor dit onderzoek, zeker geen uitzondering zullen zijn op deze problematische trend die helaas al jaren aan de gang is?
De regio’s Noord-Nederland en Nijmegen zullen geen uitzondering zijn. De sociale advocatuur staat onder druk. Zoals geantwoord onder vraag 2 is er sprake van vergrijzing en de instroom van nieuwe sociaal advocaten blijft achter. De berichtgeving hierover is zorgelijk, maar niet nieuw.
Deelt u de bezorgdheid over het groot aantal advocaten dat zich uitschrijft bij de Raad voor de Rechtsbijstand en dit ook fors meer is dan het aantal inschrijvingen?
Ja. De dalende trend wat betreft het aanbod van sociaal advocaten is helaas nog niet gekeerd. Het aantal advocaten in het stelsel was in 2023 5.971. In 2022 was dit aantal 6.125.
De afgelopen periode zijn wel de nodige stappen gezet, zoals vermeld in de negende en tiende voortgangsrapportage gesubsidieerde rechtsbijstand2, waar ik in gezamenlijke verantwoordelijkheid met de NOvA en de Raad voor Rechtsbijstand onverminderd mee doorga. Zo is er steeds meer aandacht voor het beroep van sociaal advocaat in het rechtenonderwijs, zodat studenten bekend raken met dit waardevolle en noodzakelijke beroep. De maatregelen op het gebied van de beroepsopleiding, onderwijs en vergoedingen uit het plan van aanpak sociale advocatuur in de brief van 20 april 2023 zijn in gang gezet, dit geldt tevens voor de maatschappelijke bijdrage van de advocatuur.3
Het is nu ook tijd om naar de langere termijn te kijken. Aansluitend op de maatregelen die al in gang zijn gezet, ga ik daarom de dialoog aan met de Nederlandse orde van advocaten, Vereniging Sociale Advocatuur Nederland, de Raad voor Rechtsbijstand en andere partijen die een rol spelen bij de toekomst van de advocatuur. Vanuit ieders gedeelde verantwoordelijkheid wil ik gericht doelen stellen en vervolgmaatregelen afspreken die bij dragen aan een volwaardig en toekomstgericht beroep van sociaal advocaat. Zodat daarmee de toegang tot het recht voor de rechtsbijstandsgerechtigde ook naar de toekomst toe geborgd blijft. Eind december vindt een eerste overleg plaats. Ik ben voornemens om u in april 2025 bij separate brief over dit traject nader te informeren.
Deelt u de mening dat het ook alarmerend is dat er wordt geconcludeerd dat de komende tien jaar maar liefst 30% van de sociaal advocaten met pensioen gaat?
Het baart mij zorgen. Van belang is daarom te zorgen voor voldoende instroom van nieuwe sociaal advocaten.
Kunt u specifiek ingaan op de meest schrijnende rechtsgebieden voor wat betreft de afname van het sociaal advocaten, zoals de gebieden sociale voorzieningen, sociale verzekeringen, huurrecht, arbeidsrecht en familierecht?2
In zijn algemeenheid geldt dat de cijfers niet nieuw en wel zorgelijk zijn. Wel behoeven de cijfers uit de genoemde rechtsgebieden enige nuancering. In het artikel van de NOS van 11 november jl. waarin deze rechtsgebieden specifiek worden genoemd zijn de huidige aantallen afgezet tegenover die van 2019. In 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand echter, in nauw overleg met de Nederlandse orde van advocaten, specialisatie eisen op die terreinen ingevoerd. Met het instellen van specialisatie eisen wordt de kwaliteit van de rechtsbijstand hoger, wat ook bijdraagt aan de effectieve toegang tot het recht. Waar voorheen iedere advocaat een toevoeging op het betreffende rechtsgebied kon aanvragen, moet de advocaat thans zijn deskundigheid aantonen. Een deel van de daling van het aantal advocaten is dan ook aan deze kwaliteitsimpuls toe te schrijven, wat overigens niet mijn zorgen bij de algemene dalende trend wegneemt. Zoals hiervoor bij vraag 4 beschreven tref ik diverse maatregelen om het tij te keren.
Wat vindt u principieel van het idee dat als dit langer doorgaat, dat het voor sommige mensen in de samenleving, namelijk de minder welvarende, voortaan niet meer mogelijk zal zijn om überhaupt nog juridische ondersteuning te hebben?
Toegang tot het recht is een fundament van onze democratische rechtsstaat. Sociaal advocaten zijn van wezenlijk belang voor deze toegang voor de
meest kwetsbare mensen in onze samenleving. In algemene zin geldt dat er momenteel nog voldoende sociaal advocaten zijn om aan de vraag van rechtzoekenden te voldoen. Wel zie ook ik dat het in sommige regio’s en in specifieke rechtsgebieden knelt. Dat baart mij zorgen. Het kabinet heeft 200 miljoen euro uitgetrokken voor goed bestuur en de rechtstaat. Ook is de Commissie-Van der Meer II op dit moment bezig met een tweede herijkingsoperatie van de vergoedingen voor de sociale advocatuur. Het plan van aanpak sociale advocatuur waarin een menukaart van oplossingsrichtingen in beeld is gebracht voor de aanwas van sociaal advocaten, is daarbij zoals aangegeven nog steeds van kracht.
Bent u ook bekend met de bevinding van de NOvA dat in een aantal regio’s de gesubsidieerde rechtsbijstand al onder druk staat en dat het dus code rood is?
Ja.
Bent u het ook eens met de conclusie van de NOvA dat de afname van het aantal sociaal advocaten met name te maken heeft met de te lage vergoedingen?
Een belangrijk aspect is de hoogte van de vergoedingen, waarvoor ik verantwoordelijk ben. Daarom onderzoekt op dit moment Commissie-Van der Meer II hoe de vergoeding aan kan sluiten bij de daadwerkelijke tijdsbesteding aan een zaak. Zoals ik bij brief van 15 november jl. aan uw Kamer heb medegedeeld, loopt het advies vertraging op en wordt het nu eind februari 2025 verwacht.5 Mede aan de hand van dat advies zal besluitvorming over de vergoedingen voor sociaal advocaten plaatsvinden.
Echter zijn er ook andere aspecten die zorgen voor een afname van het aantal sociaal advocaten, zoals de versnippering in de sociale advocatuur. Er wordt door sociaal advocaten een gebrek aan samenwerking en kennisdeling ervaren. Verder is er sprake van concurrentie van andere (juridische) sectoren. Daarnaast is binnen de sociale advocatuur relatief weinig sprake van innovatie. Sociaal advocaten ervaren problemen met digitaal werken en toegang tot kennis.6 Uit het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Orde van advocaten Gelderland volgt bovendien dat de context waarbinnen sociaal advocaten hun werk verrichten onderdeel is van het probleem. Sociaal advocaten zouden onbegrip ervaren vanuit ketenpartners en tegen bureaucratie aanlopen. Ook is de werkdruk erg hoog en rust er een negatief imago op het beroep van sociaal advocaat. Tot slot zijn veel studenten onbekend met het beroep van sociaal advocaat, waardoor jonge juristen ook niet instromen.
Met enkel het verhogen van de vergoedingen lossen we het probleem niet op. Ik wil samen met de NOvA als één van de oplossingen toewerken naar een duurzaam kantoormodel voor sociaal advocaten dat bedrijfsmatig efficiënt is, aantrekkelijk is voor jonge advocaten om te werken en waar de kwaliteit is geborgd. Ik zie daarin een verantwoordelijkheid voor de Nederlandse orde van advocaten. Zij nemen daartoe samen met de Raad voor Rechtsbijstand al initiatieven. Daarom zal ik op korte termijn hierover met de NOvA in gesprek te treden.
Wat gaat u doen aan de toenemende werkdruk voor sociaal advocaten die het gevolg is van veel vraag maar een steeds minder grote pool van sociaal advocaten die een zaak kunnen oppakken op toevoegingsbasis?
Enerzijds ga ik onverminderd door met de al ingezette maatregelen. Anderzijds is het van belang na te denken over de toekomst van de sociale advocatuur. Hoe we willen dat de sociale advocatuur er over 5, 10, 20 jaar uitziet. Daarom ga ik, zoals ook blijkt uit mijn antwoord onder vraag 4, de komende tijd in gesprek met de Nederlandse orde van advocaten, Vereniging Sociaal Advocatuur Nederland, de Raad voor Rechtsbijstand en andere partijen die een rol spelen bij de toekomst van de advocatuur. Daarbij sta ik open voor innovatieve ideeën.
Vanuit de advocatuur zelf ligt er ook een handschoen om op te pakken. Door vanuit de commerciële advocatuur een handje te helpen met detachering van stagiairs, delen van ICT-voorzieningen, licenties en juridische bibliotheken. Maar ook door te kijken hoe de advocatuur georganiseerd is. Het organiseren van een sociale, maatschappelijke component op de werkvloer kan aantrekkingskracht uitoefenen op jonge mensen. Andere bedrijfsmodellen zouden ervoor kunnen zorgen dat de sociale advocatuur ook naar de toekomst toe duurzaam kan worden vormgegeven. Hierover ga ik het gesprek aan met de Nederlandse orde van advocaten.
Bent u reeds met plannen bezig om fundamenteel iets aan dit grote tekort aan sociaal advocaten te doen, omdat dit een bedreiging van de toegang tot het recht en daarmee de rechtsstaat is, en wordt daarbij al rekening gehouden met het rapport van de commissie van der Meer II dat binnenkort zal verschijnen?
Ja. Zoals hiervoor al opgemerkt onderneem ik actie en zet ik bovendien de reeds ingezette plannen van mijn ambtsvoorganger onverminderd voort.
Bent u nu al bezig met het vinden van een dekking voor de uitvoering van deze bevindingen, die onvermijdelijk zullen concluderen dat er meer geld nodig is?
De Commissie-Van der Meer II is momenteel nog bezig met haar onderzoek. Daar loop ik niet op vooruit. Het kabinet zal na oplevering van het advies van de commissie besluiten hoe opvolging daaraan wordt gegeven.
De financiële gevolgen van het advies van de Commissie-Van der Meer II zijn nog onbekend. Het advies wordt eind februari 2025 verwacht. Voorafgaand aan het eventueel wijzigingen van de vergoedingen dient financiële besluitvorming tijdens het reguliere begrotingsproces plaats te vinden.
Het is daarom belangrijk om eerst de uitkomsten van het advies van de Commissie-Van der Meer II af te wachten. De verwachting nu is niet dat financiële gevolgen van het advies van vergelijkbare omvang zullen zijn als de financiële gevolgen van het advies van de Commissie-Van der Meer I. Er is momenteel echter geen dekking op de JenV-begroting voor eventuele meerkosten als gevolg van het advies van de Commissie-Van der Meer II.
Bent u bereid deze vragen binnen één week, voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid, te beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek naar de tevredenheid over hoorrecht onder gewezen deelnemers en gepensioneerden |
|
Agnes Joseph (NSC) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Kunt u de offerteaanvraag (kenmerk 2024–0000575876) voor het onderzoek naar het hoorrecht en de overeenkomst aan de Kamer doen toekomen?1
Kunt u aangeven hoeveel pensioenfondsen benaderd zijn en hoeveel pensioenfondsen uiteindelijk hebben deelgenomen aan het onderzoek? Kunt u voor elk van deze fondsen aangeven hoeveel deelnemers ze hebben en hoe ver ze in het transitieproces zijn?
Klopt het dat er case studies gemaakt zijn voor het onderzoek? Gezien het gebruikelijk is om bij onderzoeken ook de bijbehorende case studies te publiceren, kunt u ervoor zorgen dat deze case studies openbaar worden en per ommegaande aan de Kamer gestuurd worden?
Kunt u bovenstaande vragen voor woensdag 13 november 17.00 uur beantwoorden?
Kunt u alle correspondentie tussen EY en het ministerie over dit onderzoek, inclusief de conceptversies, binnen drie weken aan de Kamer doen toekomen?
Hierbij zend ik u het antwoord op vraag 5 van het lid Joseph van NSC over het onderzoek naar de tevredenheid over hoorrecht onder gewezen deelnemers en gepensioneerden (2024Z18141). U heeft mij gevraagd om alle correspondentie tussen EY en het ministerie over dit onderzoek, inclusief de conceptversies, aan de Kamer toe te sturen. Zoals ik in mijn eerdere beantwoording heb aangeven, stuur ik die aan uw Kamer toe, rekening houdend met het belang van de staat waaronder begrepen het bedrijfsbelang van betrokken partijen en vertrouwelijke informatie van derden. Dat betekent dat (delen van) de mailwisselingen zijn «gelakt» of niet kunnen worden gedeeld. Daarom worden ook de conceptversies van het rapport niet met uw Kamer gedeeld. Tot slot zijn de contactgegevens van medewerkers «gelakt» ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Bij een onafhankelijk onderzoek is het van belang dat bepaalde onderdelen in vertrouwen kunnen plaatsvinden. Zo dient bijvoorbeeld geborgd te kunnen worden dat de informatie die wordt uitgewisseld tussen onderzoekers en ondervraagden vertrouwelijk blijft, dan wel niet herleidbaar is tot individuen of concrete casussen. Het opnemen van vertrouwelijke, specifieke informatie in het rapport zou daarmee op gespannen voet kunnen staan. Zonder deze waarborgen vooraf zullen partijen in de toekomst zeer waarschijnlijk niet bereid zijn mee te blijven werken aan dergelijke onderzoeken.
De bijgevoegde correspondentie heeft betrekking om de correspondentie tussen EY en SZW gedurende de drie fases van het onderzoek. Het eerste deel betreft de oriëntatiefase en de start van de opdracht. Het tweede deel heeft betrekking op de uitvoering van het onderzoek. Het derde deel betreft de afronding van het onderzoek.
Overwogen is of het opnemen van de gespreksverslagen van de casestudies in het belang was van het onderzoek en strookte met de onderzoeksopdracht. Aangezien het onderzoek is bedoeld – zoals destijds door mijn ambtsvoorganger in uw Kamer is gemeld – om algemene lessen te trekken en niet om individuele casussen te beoordelen, zijn de gespreksverslagen niet in het definitieve rapport opgenomen. Daarnaast bevatten de gespreksverslagen tot individuele casuïstiek herleidbare informatie. Dit maakt dat deze gespreksverslagen in die vorm voor publicatie ongeschikt zijn, mede gegeven de verstrekte opdracht. Daarom zijn deze niet opgenomen in het definitieve rapport. Het alsnog delen van de bewuste gespreksverslagen, acht ik zodoende in het kader van het onderzoek en gegeven de onderzoeksopdracht die is verstrekt niet opportuun.
Indien uw Kamer evenwel wenst kennis te nemen van de onderliggende gespreksverslagen, met het kennelijke doel daarmee de gepubliceerde algemene onderzoeksconclusies te kunnen verifiëren, dan ben ik bereid om het onderzoeksbureau een vervolgopdracht te verstrekken. Dit om naar aanleiding van het eerder uitgevoerde onderzoek gebalanceerde en niet tot de specifieke casussen herleidbare verslagen op te laten leveren. Het valt vanwege het beslag op de capaciteit niet op voorhand te zeggen hoeveel tijd dit precies in beslag zal nemen.
De spreidingsmethodes in de uitkeringsfases van de nieuwe premieregelingen |
|
Agnes Joseph (NSC) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «De uitkeringsfase is vooral complex onder de motorkap»1 en «Nieuwe spreidingsmethode: onder motorkap ingewikkelder, uitkomst hetzelfde»?2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat veel pensioenfondsen voornemens waren asymptotisch (afnemend) spreiden toe te passen via de dekkingsgraadmethode, waarbij jaarlijks de uitkeringen van alle pensioengerechtigden worden verhoogd/verlaagd met 1/Xe deel van het nog niet verwerkte resultaat? Klopt het dat toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) wettelijke beperkingen zag die deze uitvoering belemmerde, vanwege onder andere de interpretatie van artikel 63a Pensioenwet dat een financiële schok altijd binnen tien jaar verwerkt moet zijn in de uitkering, wat bij asymptotisch spreiden in theorie niet altijd het geval is?
In het najaar van 2023 bleek uit signalen van sectorpartijen dat het amendement Palland3 zonder nadere uitvoeringskaders pensioenuitvoerders onvoldoende duidelijkheid geeft over de voorwaarden waar een uitkeringsfase met gelijke aanpassingen met spreiden aan moet voldoen in de uitvoering van een solidaire premieregeling. Zo bleek inderdaad dat asymptotisch (geheugenloos) spreiden, een methode om gelijke aanpassingen met spreiden te realiseren, zonder nadere uitwerking in het besluit niet mogelijk te zijn. Zo was bijvoorbeeld onduidelijk waar de toedelingsregels op moeten zien, of het uitkeringspatroon vast moet staan en hoe schokken binnen een spreidingsperiode van maximaal 10 jaar moeten zijn verwerkt. Om de gewenste helderheid bij het amendement te bieden, is overleg gevoerd met toezichthouders en sectorexperts over uitvoerbare kaders. Hierover heb ik uw kamer ook eerder geïnformeerd4 en Kamervragen over beantwoord5. In nauwe samenwerking met deze partijen is het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregelingen tot stand gekomen.6 Met dit besluit is tegemoetgekomen aan de wens van de pensioensector om gelijke aanpassingen met spreiden uitvoerbaar te maken in de solidaire premieregeling. Hieruit volgt onder andere dat een financiële schok altijd binnen 10 jaar moet zijn verwerkt in de uitkering.
Klopt het dat voetnoot 51 in de memorie van toelichting van de Wet toekomst pensioenen het asymptotisch spreiden expliciet wél toestaat?3
Het klopt dat in deze voetnoot staat dat fondsen minimaal 1/10 van een financiële schok mogen verwerken in de uitkering. Dit impliceert dat er onder bepaalde voorwaarden asymptotisch kon worden gespreid. In de praktijk bleek dat echter onduidelijk was
welke voorwaarden van toepassing waren op het asymptotisch spreiden en hoe dit in de praktijk tot uitvoering moest komen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 en in eerdere kamerbrieven8 was onduidelijk waar de toedelingsregels op moeten zien, of het uitkeringspatroon vast moet staan en hoe schokken binnen een spreidingsperiode van maximaal 10 jaar moeten zijn verwerkt. Daarnaast was op het moment dat de memorie van toelichting van de Wet toekomst pensioenen bij de Tweede Kamer was ingediend9 nog geen herverdeling tussen pensioengerechtigden mogelijk om gelijke aanpassingen met spreiden te realiseren. Dit werd pas mogelijk met het aangenomen amendement van het lid Palland.10 Om de gewenste helderheid te geven, is in nauwe samenwerking met toezichthouders en sectorexperts het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregelingen tot stand gekomen.11 Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de sector om gelijke aanpassingen met spreiden uitvoerbaar te maken in de solidaire premieregeling, via onder andere het spreiden met een afnemende mate (asymptotisch).
Kan worden gesteld dat met het opstellen van de wet beoogd is dat asymptotisch spreiden is toegestaan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, klopt het inderdaad dat binnen de kaders van de wet dit was beoogd. Daarbij blijft wel staan dat destijds geen herverdeling was beoogd. Ook is het een wettelijke eis dat financiële resultaten binnen een spreidingsperiode van maximaal 10 jaar in de uitkering moeten zijn verwerkt. Om te zorgen dat gelijke aanpassingen met spreiden ook bij de solidaire premieregeling mogelijk werd, is in nauwe samenwerking met de toezichthouders en de sector het Besluit Gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregeling tot stand gekomen.12 In dit besluit blijft daarmee het asymptotisch (in afnemende mate) spreiden mogelijk onder voorwaarden.
Klopt het dat, op basis van onder andere de transitieplannen, de meeste pensioenfondsen een spreidingsparameter van 3 of 5 willen hanteren, waarbij jaarlijks respectievelijk 1/3e of 1/5e van het onverwerkte resultaat wordt verwerkt?
Ja, ik zie in de sector dat de meeste pensioenuitvoerders kiezen voor een spreidingsparameter van 3 of 5. Dit is ook een gevolg van hetgeen bepaald in artikel 1ca, zevende lid, onderdeel a, van Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Hierin is opgenomen dat in het geval uitvoerders kiezen voor de asymptotische variant (afnemende mate) de contante waarde van de nog totaal in de uitkering te verwerken financiële resultaten voor meer dan zestig procent in de eerste helft van de spreidingsperiode ligt. Met deze voorwaarde wordt voorkomen dat financiële resultaten onnodig worden uitgesteld.
Klopt het dat asymptotisch/afnemend spreiden volgens de nieuwe «AMvB-methode»4 bij een spreidingsparameter van 5 in ca. 99% van de gevallen dezelfde (aanpassing van) uitkeringen oplevert als de dekkingsgraadmethode zonder de nieuwe wettelijke restricties, en dat wanneer er een verschil optreedt, dit gemiddeld ca. 1% bedraagt?
In hoe vaak van de gevallen er een aanpassing van de uitkeringen moet worden gedaan, is afhankelijk van diverse factoren. Zo is dit afhankelijk van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase, en daarmee de toedeling van beschermingsrendement en overrendement aan pensioengerechtigden, de grenzen die worden gesteld aan het spreidingsvermogen en de spreidingsparameter. In algemene zin kan niet worden gesteld dat de methode waar de vragensteller naar verwijst, in circa 99% van de gevallen dezelfde aanpassing van de uitkering oplevert als bij een spreidingsparameter van 5.
Klopt het dat bij een spreidingsparameter van 3 de uitkeringen met AMvB-restricties 100,0% van de gevallen gelijk zijn aan de uitkomsten volgens de dekkingsgraadmethode?
Zoals in het antwoord op vraag 6 toegelicht, is het afhankelijk van diverse factoren hoe vaak van de gevallen er een aanpassing in de uitkeringen moet worden gedaan. In algemene zin kan niet worden gesteld dat de methode waar de vragensteller naar verwijst, in alle gevallen dezelfde aanpassing van de uitkering oplevert als bij een spreidingsparameter van 3.
Indien u ontkennend heeft geantwoord op één van de twee vorige vragen, wat is volgens u de kans op en de grootte van een verschil tussen de uitkeringen bij de dekkingsgraadmethode en de asymptotische methode met AMvB-restricties? Kunt u hiervoor rekenen met een recente P-scenarioset, een pensioenfonds dat haar pensioengerechtigden 100% renteafdekking en 30% exposure naar zakelijke waarden toebedeelt, geen grenzen stelt aan het spreidingsvermogen, waarvan de populatie in evenwicht is en jaarlijks 10% van het uitkeringsvermogen aan pensioengerechtigden uitkeert?
Een berekening biedt gelet op de geschetste factoren en de fondsspecifieke keuzes die aanvullend hierop gedaan moeten worden geen nader inzicht. Zoals in de antwoorden op vragen 6 en 7 toegelicht, is hoe vaak van de gevallen er een aanpassing moet worden gedaan, afhankelijk van diverse factoren. Verder is het kiezen van een spreidingsparameter rond de 3 of 5 ook een gevolg van hetgeen bepaald in artikel 1ca, zevende lid, onderdeel a, van Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Hierin is opgenomen dat in het geval uitvoerders kiezen voor de asymptotische variant (afnemende mate), de contante waarde van de nog totaal in de uitkering te verwerken financiële resultaten voor meer dan zestig procent in de eerste helft van de spreidingsperiode ligt. Met deze voorwaarde wordt voorkomen dat financiële resultaten onnodig worden uitgesteld. Hoe vaak de uitkeringen moeten worden aangepast bij spreidingsparameters 3 of 5 blijft daarmee een fondsspecifieke keuze.
Bent u zich ervan bewust dat er veel onduidelijkheid bestaat over de nieuwe regels omtrent spreiden en dat sommige uitvoerders/uitvoeringsorganisaties daarom reeds hebben besloten af te zien van de asymptotische methodiek? Klopt het dat de nieuwe regels voor uitvoerders en deelnemers tot extra complexiteit en handelingen leiden door het jaarlijks berekenen en vastleggen van tien toekomstige aanpassingen met complexe formules?
Ik herken dit signaal niet, maar blijf de komende tijd uiteraard alert voor signalen in de sector. Met het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregeling14 wordt tegemoetgekomen aan de wens van de pensioensector om gelijke aanpassingen met spreiden uitvoerbaar te maken in de solidaire premieregeling. Sectorexperts zijn bij de totstandkoming van het besluit nauw betrokken geweest. De reacties op de internetconsultatie waren ook overwegend positief15 en partijen geven aan geholpen te zijn met dit besluit en hiermee uit de voeten kunnen. In de ogen van de betrokken partijen ligt er met dit besluit een uitvoeringskader dat recht doet aan de doelen van het amendement van het lid Palland en dat helderheid biedt over hoe deze doelen beheerst en integer in de uitvoeringspraktijk kunnen worden gerealiseerd. Ik herken dan ook niet dat de voorgestelde maatregelen de complexiteit rondom de uitvoering onnodig verhogen.
Bent u zich ervan bewust dat de eenvoudigere dekkingsgraadmethode, met nagenoeg identieke resultaten, mogelijk kan worden gemaakt door een aanpassing van artikel 63a van de Pensioenwet? Zo ja, hoe weegt u de voor- en nadelen van een dergelijke wetswijziging voor pensioenfondsen en hun uitvoerders?
Bij de zogenoemde dekkingsgraadmethode blijft onduidelijkheid bestaan over de kaders waarbinnen deze methodiek mag plaats vinden. Daarbij komt dat resultaten tot ver in de toekomst (meer dan 10 jaar spreidingsperiode) kunnen worden gespreid waardoor ze niet toekomen aan de gepensioneerden waaraan ze moeten worden toegedeeld. Positieve en negatieve resultaten kunnen daardoor voor rekening van toekomstige gepensioneerden komen. Het doorschuiven van resultaten naar volgende generaties past daarmee niet bij de doelen van de Wet toekomst pensioenen. Daarbij was het geen doel van het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregeling om de resultaten wezenlijk te veranderen. Het doel was om de gewenste helderheid bij het amendement van het lid Palland16 te bieden. Verder ligt er in de ogen van de betrokken partijen met dit besluit17 een uitvoeringskader dat recht doet aan de doelen van het amendement van het lid Palland en dat helderheid biedt over hoe deze doelen beheerst en integer in de uitvoeringspraktijk kunnen worden gerealiseerd.
Acht u het wenselijk dat de dekkingsgraadmethode middels een wetswijziging mogelijk wordt gemaakt? Zo nee, wat zijn de overwegingen hiervoor?
Nee, dat acht ik niet wenselijk. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, blijft bij de zogenoemde dekkingsgraadmethode onduidelijkheid bestaan over de kaders waarbinnen deze methodiek mag plaats vinden. Daarbij komt dat resultaten tot ver in de toekomst (meer dan 10 jaar spreidingsperiode) kunnen worden gespreid waardoor ze niet toekomen aan de gepensioneerden waaraan ze moeten worden toegedeeld. Positieve en negatieve resultaten kunnen daardoor voor rekening van toekomstige gepensioneerden komen. Het alsmaar doorschuiven van resultaten naar volgende generaties past daarmee niet bij de doelen van de Wet toekomst pensioenen. Met het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire regeling18 ligt er een uitvoeringskader dat recht doet aan de doelen van het amendement van het lid Palland en dat helderheid biedt over hoe deze doelen beheerst en integer in de uitvoeringspraktijk kunnen worden gerealiseerd. Daarmee kan ook in de solidaire premieregeling gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregeling worden gerealiseerd.
Bent u zich ervan bewust dat het spreiden via de AMvB-methode in de flexibele premieregeling momenteel juridisch niet kan vanwege artikel 63a lid 5 Pensioenwet, waarin staat «Gedurende de spreidingsperiode worden uitsluitend de uitkeringen en aanspraken van de bij aanvang van de spreidingsperiode tot de toedelingskring behorende personen in gelijke stappen aangepast», terwijl in de AMvB-methode de aanpassingen niet «in gelijke stappen» plaatsvinden?
Het Besluit is inderdaad bedoeld voor de solidaire premieregeling. Doel hiervan was verduidelijken van het amendement van het lid Palland, omdat deze zonder kaders onvoldoende duidelijkheid geeft over de voorwaarden waaraan een uitkeringsfase met gelijke aanpassingen met spreiden moet voldoen in de uitvoering van een solidaire premieregeling. Het Besluit ziet dus niet op de flexibele premieregeling. Met de huidige wet- en regelgeving kunnen in de flexibele premieregeling financiële schokken al collectief worden gespreid in een van de individuele opbouwfase gescheiden uitkeringsfase. In de praktijk is reeds gebleken dat dit uitvoerbaar is.
Bent u het met mij eens dat het wenselijk is voor de deelnemers aan de flexibele premieregeling om binnen de flexibele premieregeling ook asymptotisch spreiden (via de dekkingsgraadmethode of de AMvB-methode) mogelijk te maken, zodat alle gepensioneerden gelijke aanpassingen van de uitkeringen kunnen krijgen? En zo niet, waarom niet?
Het Besluit gelijke aanpassingen met spreiden bij de solidaire premieregelingen was nodig om het amendement van het lid Palland te verduidelijken. Dit amendement gaf zonder kaders onvoldoende duidelijkheid waarbinnen gelijke aanpassingen en spreiden mag plaatsvinden binnen de solidaire premieregeling. Met de huidige wet- en regelgeving kunnen in flexibele premieregeling financiële schokken al collectief gespreid worden in een van de individuele opbouwfase gescheiden uitkeringsfase via de zogenoemde dakpansgewijze methode. Binnen de verbeterde premieregeling is reeds gebleken dat deze methode uitvoerbaar is. Bovendien past de zogenoemde dakpansgewijze methode goed bij het meer individuele karakter van de flexibele premieregeling.
Ik wil evenwel bezien of er nog substantiële additionele uitvoeringswinst te behalen is met een door de vragensteller voorgestelde wijziging conform de AMvB-methode. Dit zal ik afwegen tegenover de inhoudelijke noodzaak, het extra beslag dat een eventuele wijziging vraagt van sectorpartijen om nieuwe regelgeving te accommoderen en het beslag op de wetgevende capaciteit. Ik zal uw Kamer hierover in het voorjaar informeren, zodat u dit bij de voorgenomen behandeling van de Toezeggingenwet kunt betrekken.
Bent u zich ervan bewust dat een dergelijke wetswijziging (dekkingsgraadmethode mogelijk maken, danwel 63a lid 5 Pensioenwet aanpassen in geval de AmvB-methode blijft) ook minder volatiele aanpassingen binnen de flexibele premieregeling mogelijk zou maken? Vindt u dit wenselijk? En zo niet waarom niet?
Het spreiden van financiële resultaten over tijd zorgt voor een stabielere uitkering. Dit is reeds mogelijk in de flexibele premieregeling.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden binnen drie weken?
Ja.
Het bericht 'Amber (27) is hersteld maar ‘woont’ al maanden noodgedwongen in het ziekenhuis: ‘Erger dan dit kan het niet worden’' |
|
Sarah Dobbe |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Amber (27) is hersteld maar «woont» al maanden noodgedwongen in het ziekenhuis: «Erger dan dit kan het niet worden»»?1
Uit direct contact met mevrouw Meijn blijkt dat zij inmiddels ontslagen is uit het ziekenhuis en een eigen woning toegewezen heeft gekregen. Wel vind ik het spijtig om te moeten vernemen dat het niet was gelukt om op korte termijn een passende woonplek met de juiste zorg en ondersteuning voor mevrouw Meijn te vinden en dat zij daardoor genoodzaakt was langer in het ziekenhuis te verblijven dan haar medische situatie vereiste.
Hoe vaak komt het voor dat mensen langer in het ziekenhuis moeten blijven, omdat er geen passende woonplek met de juiste zorg kan worden gevonden?
Hier zijn geen exacte cijfers over bekend. Wel is bekend dat mensen soms langer in het ziekenhuis moeten verblijven, niet omdat hun medische situatie dat vereist, maar omdat er geen geschikte woonplek of zorgvoorziening voor hen beschikbaar is. Het is echter moeilijk om precies aan te geven hoe vaak dit gebeurt, omdat de cijfers kunnen variëren afhankelijk van regio's, het type zorg en de betrokken zorginstellingen.
Hoe kan het dat de zorg in het ziekenhuis op dit moment niet meer vergoed wordt door de zorgverzekeraar, terwijl er nog geen alternatief is gevonden?
Zorgverzekeraars kunnen om diverse redenen stoppen met het vergoeden van zorg in een ziekenhuis. Dit kan zelfs als er nog geen direct alternatief is gevonden voor de zorg die daar wordt geboden. Zo stopt een zorgverzekeraar meestal met het vergoeden van zorg in een ziekenhuis wanneer de patiënt medisch hersteld is verklaard, omdat de zorg dan niet meer als noodzakelijke of acute medische behandeling wordt beschouwd. Zorgverzekeraars hebben verschillende polisvoorwaarden waarin is vastgelegd welke zorg wel of niet wordt vergoed, inclusief de duur van ziekenhuisopname. Zodra iemand medisch hersteld is en er dus vervolgzorg of nazorg nodig is, kan deze zorg dus buiten de dekking van de zorgverzekering vallen.
Wie is er verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat iemand in deze situatie een passende woonplek met de juiste zorg krijgt? Hoe komt het dat dit nu niet duidelijk lijkt te zijn?
De verantwoordelijkheid voor het zorgen voor een passende woonplek met de juiste zorg is verdeeld over verschillende instanties, afhankelijk van de situatie en zorgvraag van de persoon in kwestie. In deze casus wenste mevrouw Meijn een aangepaste woning met de juiste ondersteuning en zorg. Aangezien zij geen indicatie heeft voor de Wet langdurige zorg (Wlz), was de gemeente verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een passende woonplek en toegang tot de juiste zorg, ondersteuning en voorzieningen die haar in staat stelt om zelfstandig te wonen. Gemeenten moeten maatwerk leveren door te kijken naar de specifieke situatie van het individu en passende zorg en ondersteuning op maat aan te bieden. Hierbij werken gemeenten met diverse partijen samen. Omdat de verantwoordelijkheden in dit proces vaak met elkaar overlappen, is een goede afstemming tussen gemeente, zorginstellingen, zorgverzekeraars, woningcorporatie of andere verhuurder en andere betrokkenen nodig om te voorkomen dat iemand onnodig lang moet wachten op een passende woonplek met de juiste zorg.
Is er een verband tussen de bezuinigingen op de langdurige zorg en de gemeenten, en het feit dat het zo lastig is om in deze situatie een passende woonplek met de juiste zorg te kunnen vinden?
Gemeenten kijken vanwege schaarste aan personeel en middelen kritisch naar welke vormen van ondersteuning en welke aanpassingen van de woning noodzakelijk zijn. Het gebrek aan betaalbare woonruimte vormt een knelpunt bij het vinden van een passende woonplek met de juiste zorg voor mensen met een (gecombineerde) zorgvraag zoals in het geval van mevrouw Meijn.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat mensen in dit soort situaties wel toegang krijgen tot een passende woonplek met de juiste zorg?
Met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zet het kabinet in op voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Dit wetsvoorstel geeft het Rijk, provincies en gemeenten de wettelijke instrumenten te sturen op hoeveel, waar en voor wie er wordt gebouwd, dat er sneller kan worden gebouwd en dat de meest kwetsbare groepen mensen met urgentie een woning krijgen. Het wetsvoorstel regelt verder dat gemeenten in het Wmo-beleidsplan aandacht moeten besteden aan de zorg- en ondersteuningsbehoefte bij de huisvesting van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen aandachtsgroepen. Onder die aangewezen aandachtsgroepen vallen ook de medisch urgenten en mensen met een ernstige chronische beperking.
Door deze maatregelen wordt ervoor gezorgd dat mensen in dit soort situaties sneller geholpen worden aan een passende woonplek met de juiste zorg. Het wetsvoorstel is begin maart van dit jaar naar uw Kamer gezonden.
De onmiddellijke vacaturestop vanwege miljoenenbezuinigingen en concurrentie van zelfstandige behandelklinieken bij het OLVG |
|
René Claassen (PVV) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onmiddellijke vacaturestop bij OLVG vanwege miljoenenbezuinigingen»?1
Ja.
Herkent u de situatie die in het artikel wordt geschetst? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ik herken het beeld in het artikel dat het OLVG, maar ook andere zorgorganisaties, kampen met personeelstekorten. Dit is het grootste probleem in zorg en welzijn. Ook de vraag naar verpleegkundigen is groot. Met de inzet uit het regeerprogramma doe ik er alles aan wat in mijn macht ligt om een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort af te wenden. Mijn grootste prioriteit is de aanpak om de administratieve lasten voor medewerkers te halveren naar maximaal 20% van de werktijd. Ook wil ik stimuleren dat medewerkers op de juiste manier wordt ingezet, waarbij de minste inzet van medewerkers het uitgangspunt moet worden. Innovaties die de inzet van medewerkers verminderen, en tegelijk de belasting voor de patiënt of cliënt doen afnemen, dragen hieraan bij. Tot slot zet ik in op het vergroten van vakmanschap en werkplezier, zodat medewerkers zich kunnen ontwikkelen en graag in de zorg willen en blijven. Ik werk hiervoor samen met het veld een leidraad uit die werkgevers handvatten biedt om de in-en doorstroom van professionals te bevorderen, en de uitstroom te beperken. Het is daarnaast aan ziekenhuizen zelf om te bepalen hoe zij hun bedrijfsvoering inrichten en welke vacatures zij open stellen.
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel «dat er veel concurrentie van zelfstandige behandelklinieken is»?
Zelfstandige behandel centra (zbc’s) leveren een bijdrage aan het verminderen van wachtlijsten voor eenvoudigere, zogeheten laagcomplexe ingrepen. Zbc’s zijn daarmee een aanvulling op de zorg die in ziekenhuizen wordt geleverd. Maar het is niet de bedoeling dat de ene partij voor het leveren van zorg een gunstiger uitgangspositie heeft dan de andere. Dat vraagt een goede balans tussen universitair medische centra, topklinische ziekenhuizen, stads- en streekziekenhuizen en zbc’s in een gelijk speelveld. Hier zet ik de komende periode op in met afspraken in het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.
Het jaarlijks onderzoek van BDO Accountants & Adviseurs concludeert dat een toenemend aantal ziekenhuizen financiële problemen heeft, kunt u aangeven wat hiervan de invloed van zelfstandige behandelklinieken is? Zo nee, waarom niet?2
Ik beschik niet over cijfers die inzicht geven in de invloed van zbc’s op de financiële resultaten van ziekenhuizen. De financiële situatie van ziekenhuizen wordt door verschillende factoren bepaald. In iedere zorgsector zijn op dit moment algemene factoren van invloed op de instellingsresultaten, zoals personeelsschaarste en algemene toename van kosten. In deze context zijn positieve cijfers niet altijd te verwachten. Daarnaast zijn, zoals in alle zorgsectoren, ook bij de ziekenhuizen, verschillen tussen instellingen van invloed op de resultaten. Het is daarom aan aanbieders om op basis van een regionale visie op de inrichting van het zorglandschap de bedrijfsvoering van de zorgorganisatie toekomstbestendig in te richten, en aan verzekeraars en aanbieders om in het verlengde daarvan passende contractafspraken te maken. Ik sta voor een evenwichtig zorglandschap, waarin grote ziekenhuizen, kleine ziekenhuizen en zbc’s elkaar versterken en samenwerken, waarin dus expliciet plek is voor meerdere soorten aanbieders van medisch specialistische zorg, naast en met elkaar. Ik wil met zorgverzekeraars en zorgaanbieders afspraken maken om te komen tot een evenwichtig zorglandschap, waarbij gelijkwaardigere toegang tot zorg dichtbij huis voor patiënten een uitgangspunt is.
Deelt u de mening dat een toenemend aantal zelfstandig behandelklinieken, een negatief effect heeft op de arbeidsmarkt binnen de reguliere eerste- en tweedelijnszorg? Zo nee, waarom niet?
Het geluid dat zbc’s in dezelfde vijver van personeel vissen als de ziekenhuizen, is mij bekend en komt vaker naar voren. Ik beschik echter niet over specifieke data in dit kader. Van ZKN, de branchevereniging van klinieken in Nederland, heb ik begrepen dat pensioendata van PFZW waarover zij beschikking hebben, aantoont dat er een kleine uitstroom is van medewerkers van ziekenhuizen naar klinieken. En dat om die reden het toenemend aantal zbc’s op dit moment nog geen negatief effect heeft op de arbeidsmarkt binnen de reguliere eerste – en tweedelijnszorg. Ik ben voornemens om in het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord afspraken te maken over een evenwichtig, toegankelijk en stuurbaar speelveld.
Kunt u de beantwoording van deze vragen voor het commissiedebat arbeidsmarktbeleid in de zorg, gepland op 19 december 2024, aan de Kamer sturen?
Ja.
De verduurzaming Rotterdamse haven en fossiele lock-in |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «De Rotterdamse haven heeft een toekomstplan nodig», verschenen in NRC op 30 oktober 2024?1
Ja.
In hoeverre bent u het eens met de stelling van de auteurs dat de Rotterdamse haven een integraal toekomstplan nodig heeft voor de toekomst, dat onder meer rekening houdt met de bescherming van de lokale leefomgeving, de klimaatdoelstellingen en het behoud van werkgelegenheid ook op de lange termijn?
De Rotterdamse haven is een sleutel in veel transities waar Nederland voor staat. Dat vraagt naast ombouw en afbouw van het bestaande, ruimte voor nieuwe spelers die bijdragen aan de transitie. Deze transities moeten gerealiseerd worden in goede balans met de leefomgeving. Vanwege het belang van deze opgave werk ik samen met de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de Provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam, Havenbedrijf Rotterdam, DCMR en een reeks aan andere regionale partners samen in NOVEX Rotterdamse haven.
In december 2023 hebben de partners gezamenlijk een ontwikkelperspectief opgeleverd wat gezien moet worden als een eerste stap naar een toekomstplan voor de Rotterdamse haven. Het doel: «De haven van Rotterdam is in 2050 het meest duurzame haven- en industriecomplex ter wereld functionerend in een krachtige toekomstbestendige metropoolregio. Hiermee houden we de haven internationaal concurrerend en bieden we perspectief voor het duurzaam en toekomstbestendig verdienvermogen van de haven met lokale, regionale en (inter)nationale meerwaarde. Ook creëren we een krachtige en toekomstbestendige metropoolregio in de nabijheid van de haven. Zonder sterke metropoolregio met onderwijs, gekwalificeerd personeel, kennisinstellingen, proeftuinen, MKB en aantrekkelijke woonmilieus geen transitie.»
Op dit moment werken de partners in NOVEX Rotterdamse haven samen aan een investerings- en een uitvoeringsagenda om de stap richting uitvoering van het ontwikkelperspectief te kunnen zetten.
In hoeverre bent u het eens met de stelling van de auteurs dat een dergelijk toekomstplan, in ieder geval een afbouw moet omvatten van fossiele activiteiten in de haven, dat wil zeggen de activiteiten rondom olie, kolen en aardgas?
NOVEX Rotterdamse haven, dat zich richt op 2050 met een doorkijk naar 2100, zal rekening houden met een verminderde vraag naar fossiel en daarmee ook gedeeltelijke afbouw van fossiele activiteiten, als logisch gevolg van een veranderende markt en het klimaatbeleid. Daarnaast ontvangt de Kamer in Q2 2025 een brief die in zal gaan op de algehele verantwoorde afbouw van fossiele energiedragers in het energiesysteem. De brief heeft daarmee een bredere scope, maar zal ook raken aan de fossiele activiteiten in de Rotterdamse haven.
In hoeverre bent u het eens met de stelling van de auteurs dat het Havenbedrijf Rotterdam een belangrijke rol speelt in het opstellen en uitvoeren van een dergelijk plan voor de Rotterdamse haven?
Havenbedrijf Rotterdam is een belangrijke partner in NOVEX Rotterdamse haven.
Welke extra beleidsmaatregelen voorziet u – gelet op de meeste recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waaruit volgt dat de klimaatdoelen uit zicht raken en dat extra beleid met snel effect nodig is – in de Rotterdamse haven die moeten leiden tot een reductie van broeikasgassen van de industrie in de Rotterdamse haven? En hoeveel bedraagt de verwachte extra emissiereductie daarvan?
In het voorjaar wordt tot alternatief beleid besloten zodat de afgesproken doelen, conform het hoofdlijnenakkoord, binnen bereik komen. Ik kan nu niet vooruitlopen op die maatregelen maar zij zullen zich naar alle waarschijnlijkheid niet specifiek richten op de Rotterdamse haven. Wel zullen zij mogelijk effect hebben op de bedrijven in de Rotterdamse haven. Ook worden op dit moment gesprekken gevoerd met een aantal bedrijven in de Rotterdamse haven in het kader van de maatwerkafspraken en wordt cluster maatwerkaanpak onderzocht voor de Botlek.
In hoeverre houden de maatregelen die u voorziet voor de industrie in de Rotterdamse haven rekening met ketenemissies, dat wil zeggen emissies die verband houden met fossiele activiteiten in de haven maar die leiden tot uitstoot van broeikasgassen elders (binnen of buiten Nederland)?
Zie antwoorden 5 en 7.
In hoeverre dragen de beoogde maatwerkafspraken met bedrijven in de Rotterdamse haven bij aan de afbouw van fossiele activiteiten? . In hoeverre voorzien deze afspraken erin om ruimte te creëren voor nieuwe, duurzame activiteiten in de Rotterdamse haven, met het oog op het behoud van economische activiteiten en werkgelegenheid in de Rotterdamse haven?
De maatwerkaanpak is primair gericht op de grootste emittenten van broeikasgassen en een additionele reductie van CO2 emissies (scope 1) bij deze bedrijven in 2030 ten opzichte van de reductie die past bij het pad van de nationale CO2-heffing.
Het merendeel van de verduurzamingsprojecten in de portfolio’s van maatwerkbedrijven die actief zijn in de Rotterdamse haven, is gericht op het afvangen en opslaan van CO2 (CCS) en het vervangen van fossiele input als grondstof of als bron voor verhitting door bijvoorbeeld de inzet op elektrificatie of het gebruik van koolstofarme waterstof.
In meerdere Expression of Principles (EoP’s) is zichtbaar dat naast de reductie van scope 1 emissies bij maatwerkbedrijven er ook een positieve bijdrage wordt geleverd aan de reductie van scope 2 en scope 3 emissies in de keten, bij eindgebruikers en aan verbetering van de leefomgeving.
Een voorwaarde in de maatwerkafspraken is dat de maatwerkbedrijven een visie moeten hebben op hun weg naar klimaatneutraliteit, zodat ze hun activiteiten nu en in de toekomst in Nederland kunnen blijven ontwikkelen. Door te investeren in innovatie en verduurzaming, werken we naar een schone basisindustrie in 2050 die van belang is voor onze economie en voorkomen we dat bedrijven vertrekken.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van het PBL in o.a. Trajectverkenning klimaatneutraal 2050 over een mogelijke fossiele lock-in bij een te ruim aanbod van Carbon Capture and Storage (CCS) tegen lage kosten, specifiek in de context van de Rotterdamse haven?
Het kabinet wil de industrie stimuleren en ondersteunen om in Nederland haar processen te verduurzamen en daarmee voorkomen dat bedrijven uit Nederland vertrekken. Zo worden belangrijke economische activiteiten en werkgelegenheid behouden.
Voorwaarde voor de reductie van scope 1 emissie bij maatwerkbedrijven is veelal dat ook andere bedrijven in de keten duurzame grondstoffen leveren of afnemen. De maatwerkaanpak heeft daardoor direct en indirect een positieve bijdrage aan de verduurzaming van het bredere haven- en industrieel complex in Rotterdam.
Op dit moment wordt, als uitwerking van de Routekaart Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI), voor de vijf industrieclusters, waaronder Rotterdam/Moerdijk, een onderzoek uitgevoerd naar de beschikbare ruimte voor de industrie in de toekomst. Uit dat onderzoek moet blijken in hoeverre er voldoende fysieke- en milieuruimte is voor de verduurzaming van de bestaande activiteiten (ombouw) en voor de opbouw van nieuwe industrie. De bevindingen worden in Q2 van 2025 verwacht en aan de Kamer gestuurd.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de inzet van CCS in de Rotterdamse haven leidt tot een vertraging in de transitie naar werkelijk duurzame alternatieven?
Zonder de inzet van Carbon Capture and Storage (CCS) worden CO2-reductiedoelstellingen niet gehaald. CCS zorgt bovendien voor het behoud en het versterken van het concurrentievermogen van Nederland. Daarnaast kan de CCS-infrastructuur worden ingezet voor het hergebruik van CO2 en het op de langere termijn behalen van negatieve emissies. Dit alles neemt niet weg dat de prikkel om verder te verduurzamen moet blijven bestaan.
Bij een te ruim aanbod van opslag van CO2 tegen relatief lage kosten op de korte termijn kan op de lange termijn een lock-in op fossiele energiedragers ontstaan. Dit is ook zo door PBL benoemd. Wat in het algemeen geldt, geldt ook in de context van de Rotterdamse haven. Daarom blijft het kabinet zorgvuldig sturen op de inzet van CCS, om er zo voor te zorgen dat de opslagcapaciteit zo efficiënt mogelijk wordt benut, tot én na 2050. Tegelijkertijd ziet het kabinet ook dat het risico op een lock-in van fossiele CCS om meerdere redenen beperkt is. Ten eerste streeft het kabinet, zoals ook uiteengezet in het Nationaal Plan Energiesysteem, naar een volledig circulaire en fossielvrije economie. Daartoe worden richting 2050 het gebruik van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk geminimaliseerd en wordt de behoefte aan fossiele CCS op de lange termijn ook afgebouwd. Onderdeel daarvan is dat na 2035 geen nieuwe SDE++-beschikkingen voor fossiele CCS worden afgegeven.
Als een bedrijf SDE++-subsidie ontvangt, kan het wel zo zijn dat het bedrijf gedurende de looptijd van de beschikking – dus 15 jaar – niet zal overstappen naar een andere techniek. Dit geldt echter voor alle technieken die met de SDE++ worden gesubsidieerd. Daartegenover staat ook dat na afloop van de subsidie operationele kosten blijven bestaan en bedrijven alternatieve verduurzamingsmogelijkheden daartegen zullen afwegen. Bovendien kunnen andere verduurzamingstechnieken parallel worden ingezet. Niet alle CO2-emissies op een productielocatie zullen met CCS kunnen worden gereduceerd. Bedrijven die voor CCS kiezen, kunnen met andere woorden nog steeds kiezen voor alternatieve verduurzamingsopties naast de inzet van CCS.
Kunt u toelichten hoe de «zeef» in de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-regeling (SDE++) in de praktijk functioneert voor projecten in de Rotterdamse haven, en hoe vaak is gebleken dat er kosteneffectieve alternatieven waren voor CCS?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u specificeren hoe de «hekjes» in het SDE++-budget concreet bijdragen aan de ontwikkeling van duurzame alternatieven in de Rotterdamse haven?
De SDE++ is een generieke regeling voor bedrijven en non-profitorganisaties die grootschalig hernieuwbare energie opwekken of de CO2-uitstoot verminderen. Ook verduurzamingsprojecten in de Rotterdamse haven, waaronder projecten gericht op het afvangen en laten opslaan van CO2 (CCS), kunnen hiervoor in aanmerking komen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat subsidiëring van CCS niet ten koste mag gaan van de ontwikkeling van duurzame energietechnieken. De zeefstudie heeft als doel om te bepalen of er alternatieve maatregelen zijn waarvan de kosteneffectiviteit vergelijkbaar is met die van CCS, om zo te bepalen of stimulering van CCS middels de SDE++ nog steeds passend is. Tot en met de SDE++ 2024 hebben deze jaarlijkse onderzoeken nog geen aanleiding gegeven tot subsidiebeperkingen voor CCS in de SDE++.
Hoe zorgt u ervoor – gelet op de waarschuwing van het PBL – dat de inzet van CCS in de Rotterdamse haven niet leidt tot een verlenging van de levensduur van fossiele infrastructuur en activiteiten?
De hekjes zijn sinds 2023 opgenomen in de SDE++. De hekjes zorgen ervoor dat technieken die nu minder kosteneffectief zijn, maar wel noodzakelijk voor de energietransitie, eerder in aanmerking komen voor subsidie. Middels de hekjes wordt budget gereserveerd in de domeinen met een gemiddeld hogere subsidiebehoefte. Dit zijn de domeinen lagetemperatuurwarmte, hogetemperatuurwarmte en moleculen. In 2024 was er € 1 miljard per domein gereserveerd, op een totaal openstellingsbudget van € 11,5 miljard. Door deze hekjes komen verduurzamingsprojecten in de Rotterdamse haven die onder deze domeinen vallen eerder in aanmerking voor subsidie. Een voorbeeld zijn de categorieën voor geavanceerde hernieuwbare brandstoffen, die onder het domein moleculen vallen. Het is niet mogelijk om nu een uitspraak te doen over de mate waarin de hekjes tot zover hebben bijgedragen aan de ontwikkeling in deze domeinen, omdat er op dit moment nog geen informatie beschikbaar is over de definitieve resultaten van de openstellingsrondes van 2023 en 2024. Deze informatie volgt op een later moment.
Het bericht ‘Tientallen kanalen met sportwedtips op Telegram, kansspelautoriteit stelt onderzoek in’ |
|
Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tientallen kanalen met sportwedtips op Telegram, kansspelautoriteit stelt onderzoek in»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek is gebleken dat er tientallen platformen op Telegram zijn die tips en voorspellingen aanbieden voor sportwedstrijden, bedoeld voor mensen die geld willen inzetten op sportwedstrijden?
Uit de rapportage van Pointer en aanverwante berichten blijkt niet dat sportwedstrijden daadwerkelijk gemanipuleerd worden (matchfixing). De tips en voorspellingen lijken nep te zijn. Bij dit soort praktijken zijn het doorgaans de gebruikers die in abonnementsvorm betalen aan de wedtip-platformen. Het lijkt hier niet te gaan om kansspelreclame of matchfixing, maar om oplichting. Er wordt immers geen reclame gemaakt voor kansspelaanbieders, maar voor de wedtip-platformen. Oplichting is schadelijk en daarnaast strafbaar. Slachtoffers kunnen aangifte doen van oplichting bij de politie.
Bent u het met het CDA eens dat door deze kanalen vooral jongeren worden gestimuleerd om online te gaan gokken, vaak ook bij illegale gokbedrijven zonder vergunning in Nederland?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over de mate waarin deze kanalen jongeren stimuleren om te gaan gokken. Uit onderzoek blijkt in algemene zin dat het inzetten van rolmodellen bij kansspelreclame bijdraagt aan de sociale acceptatie en normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen. Indien rolmodellen worden ingezet, leidt dat tevens tot relativering van het succes van kansspelen en wordt het inschatten van de daaraan verbonden risico’s nog lastiger.2, 3 Mede daarom is sinds 30 juni 2022 het verbod op rolmodellen bij het maken van kansspelreclame van kracht.4
Op welke manier kunnen jongeren beschermd worden tegen deze sporttipsterplatformen, die hun pijlen hebben gericht op kwetsbare personen?
Het vergroten van de online weerbaarheid van burgers heeft de aandacht van het kabinet. Hierover werd uw Kamer geïnformeerd bij de beantwoording van Kamervragen van de leden Van Nispen (SP), Kuik (CDA) en Bikker (Christenunie).5 Zo heeft de Rijksoverheid een meerjarig campagneprogramma om de digitale weerbaarheid van de Nederlandse burger, waaronder die tegen social engineering, te vergroten en het slachtofferschap van cybercrime en online fraude te verminderen. Bij social engineering maken fraudeurs misbruik van menselijke eigenschappen zoals angst, hebzucht, nieuwsgierigheid, vertrouwen en
onwetendheid om slachtoffers geld afhandig te maken. De campagne geeft daarom ook specifieke aandacht aan jongeren en het vergroten van hun handelingsperspectief om onder andere berichten en advertenties die te mooi lijken om waar te kunnen zijn tijdig te herkennen.
Het bewuster en weerbaarder maken van burgers van de werkwijzen die leiden tot online fraude is ook de inzet van de Integrale Aanpak Online Fraude.6 Naast het belang van preventie en weerbaarheid is oplichting strafbaar. Slachtoffers kunnen dit melden bij de Fraudehelpdesk of aangifte doen bij de politie.
Verder ziet onder andere de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toe op de naleving van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en dat handelaren geen oneerlijke handelspraktijken verrichten zoals bedoeld in afdeling 3a van titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Als daar aanleiding toe is, kan de ACM handhavend optreden en een boete opleggen. Malafide aanbieders van sportwedtips kunnen ook gemeld worden bij de ACM.
Valt promotie van sporttipsterplatformen door influencers onder het verbod voor rolmodellen om reclame te maken voor online kansspelaanbieders?
Promotie door rolmodellen kan onder bepaalde omstandigheden onder het reclameverbod vallen zoals beschreven in de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen.7 Het verbod op de inzet van rolmodellen geldt enkel voor vergunde kansspelaanbieders. Reclame maken voor onvergund kansspelaanbod, ook door middel van rolmodellen, valt onder het verbod opgenomen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de kansspelen (Wok), het zogenoemde «bevorderingsverbod». De Ksa is verantwoordelijk voor handhaving wanneer geconstateerd wordt dat de wet overtreden wordt. Zoals beschreven in antwoord 2, valt op basis van de Pointer rapportage niet op te maken dat de Telegramkanalen reclame maken voor (vergunde) kansspelaanbieders, maar lijkt het doel te zijn dat mensen zich abonneren op de kanalen.
Zo ja, op welke manier wordt hierop gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u zicht op het aantal Telegramkanalen waarop reclame wordt gemaakt voor illegale online kansspelaanbieders zonder vergunning?
De Ksa geeft aan op de hoogte te zijn van tientallen kanalen. Het exacte aantal wisselt, omdat oplichters voortdurend van kanaal wisselen.
Vindt u het wenselijk dat legale kansspelaanbieders op Telegram ook reclame maken om klanten naar hun casino te lokken? Zo ja, waarom?
Sinds de invoering van het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka) is het maken van reclame voor online kansspelen sterk beperkt maar niet verboden. Het doel van het Besluit orka is zoveel mogelijk te voorkomen dat reclame voor kansspelen op afstand kwetsbare groepen bereikt. De regels schrijven voor dat de vergunninghouder vooraf de best beschikbare maatregelen moet treffen om te voorkomen dat een wervings- of reclameactiviteit personen in de leeftijdscategorie tussen achttien en 24 jaar bereikt, en achteraf met de best beschikbare technieken aan moet kunnen tonen dat hier in tenminste 95% van de gevallen aan is voldaan.8 Deze strenge eisen gelden voor het gebruik van alle vormen van online communicatie en sociale media. Dit betekent dat deze regels ook van toepassing zijn op Telegram en reclame die daar niet aan voldoet niet alleen onwenselijk is maar ook verboden. De Ksa is belast met handhaving van de wet- en regelgeving.
Kunt u de Kamer informeren wanneer de Kansspelautoriteit het aangekondigde onderzoek naar deze Telegramkanalen heeft afgerond?
Indien onderzoeken van de Ksa aanleiding geven tot toezicht en handhaving of nadere beleidsregels, worden deze gepubliceerd op de website van de Ksa. Op het moment dat de resultaten bekend zijn, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met Telegram over de onwenselijkheid van het inzetten van influencers om reclames te maken op Telegram-kanalen voor online kansspelaanbieders? Zo ja, kunt u Telegram hierop aanspreken?
De Ksa is verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de wet- en regelgeving voor kansspelen. De Ksa heeft met media en socialemediaplatformen eerder vergelijkbare gesprekken gevoerd om onwenselijke praktijken te adresseren en zal nagaan of dat ditmaal ook effectief kan zijn bij Telegram.
De salariskosten per medewerker bij Stichting SGH |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Achahbar |
|
|
Bent u op de hoogte van de aanzienlijke salariskosten per medewerker bij Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH), oplopend tot 243.000 euro per jaar en kunt u toelichten waarom hiermee is ingestemd en welke maatregelen worden genomen om deze kosten te rechtvaardigen en zo mogelijk te beperken?1
Ja, ik ben op de hoogte van de salariskosten. De begroting van de SGH is primair gebaseerd op inhuur van personeel, omdat het hier om een complexe tijdelijke opdracht gaat. Over de uitvoering van de opdracht legt de SGH elk kwartaal verantwoording af, in welk gesprek uiteraard ook de doelmatigheid van gemaakte kosten aan de orde komt. De afrekening van de SGH-kosten geschiedt op basis van werkelijke kosten. Aan het eind van het jaar vindt de financiële afsluiting van SGH plaats, welke door een onafhankelijke accountant wordt gecontroleerd. Mocht dan blijken dat in 2024 teveel of te weinig aan SGH is betaald, wordt dit in 2025 verrekend.
Waarom beweert de SGH dat er geen sprake is van commerciële tarieven, terwijl er hoge salariskosten voor juridische en andere specialisten zijn en er niet wordt gekozen voor vaste vergoedingen die aansluiten bij publieke sectorstandaarden?
SGH heeft als uitvoerende organisatie geen commercieel belang bij het afwikkelen van aanvullende schadevergoedingen. SGH geeft aan dat haar uurtarieven zijn gemaximeerd op het tarief van de sociale advocatuur. Declarabele uurtarieven zijn iets anders dan het «salaris» van iemand in vaste dienst en deze zijn daarom niet altijd vergelijkbaar.
Waarom worden de uitgebreide financiële jaarverslagen voor 2023 en 2024 niet openbaar gemaakt en welke maatregelen worden getroffen om volledige transparantie over het gebruik van publieke middelen binnen de stichting te waarborgen, zodat de Kamer haar controlerende taak kan vervullen?
Omdat de werkzaamheden van SGH in 2023 beperkt waren, is hier geen uitgebreide jaarrekening voor opgesteld. Met SGH is de afspraak gemaakt dat de kosten over 2024 door een externe accountant worden gecontroleerd. Zie hiervoor ook de bijlage F bij de afgesloten dienstverleningsovereenkomst. Deze is u toegezonden op 25 oktober jl. als bijlage bij de Brief Tweede termijn WGO (Kamerstukken II, 2023/24, 36 577, nr. 11)
Bent u ermee bekend dat de SGH jaarlijks 240.000 euro overmaakt naar de Number 5 Foundation van prinses Laurentien en wordt dit bedrag naast goedkeuring van de accountant onafhankelijk en transparant beoordeeld en zijn er plannen deze uitgaven te herzien?
Ik ben hiermee bekend. Het is aan de onafhankelijke accountant om te beoordelen of dit bedrag terecht van SGH aan de Number 5 Foundation wordt overgemaakt.
Kunt u toelichten waarom letselschade-experts, ondanks eerdere toezeggingen om hun expertise vrijwillig ter beschikking te stellen, nu toch aanzienlijke vergoedingen ontvangen?
In beginsel was het uitgangspunt van SGH gebruik te maken van vrijwillige letselschade-experts. Om kwantitatief en kwalitatief de benodigde opschaling te borgen heeft de SGH inmiddels een aantal betaalde schade-experts ingehuurd.
Hoe wordt onafhankelijk toezicht gewaarborgd op de besteding van de 100 miljoen euro die het Ministerie van Financiën aan de SGH heeft toegewezen?
Aan het eind van het jaar vindt de financiële afsluiting van SGH plaats, welke door een onafhankelijke accountant wordt gecontroleerd. De € 100 miljoen betreft de begroting van SGH. SGH wordt per kwartaal voor 80% van de begroting gefinancierd. SGH en het ministerie bespreken periodiek in welke mate de begroting wordt uitgeput. Op basis van de uitputting wordt de hoogte van het volgende kwartaalbedrag bepaald. Mocht dan blijken dat in 2024 teveel of te weinig aan SGH is betaald, wordt dit in 2025 verrekend.
Bent u het ermee eens dat de hersteloperatie geen verdienmodel zou moeten worden voor dure consultants, gezien het uurtarief van 172 euro voor juridische medewerkers bij de SGH, waarvoor een volle werkweek kan worden gedeclareerd, terwijl dit in de sociale advocatuur niet gangbaar is?
Ik ben het ermee eens dat de hersteloperatie geen verdienmodel moet zijn.
Het tijdens de aankomende informele Europese Raad aandringen op veiligheidsgaranties voor Oekraïne naar aanleiding van de verkiezingen in de Verenigde Staten. |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Schoof |
|
![]() |
Bent u het ermee eens dat de Europese Unie (EU) voortrekker moet zijn om de veiligheid van Oekraïne te garanderen?
Nederland en de Europese Unie zullen er, samen met de NAVO, G7 en andere internationale partners alles moeten blijven doen om Oekraïne te steunen tegen de Russische agressie. Daar heeft de EU, samen met deze partners, een grote rol in.
De EU is een van de voortrekkers op steun voor Oekraïne en heeft zich in een veiligheidsarrangement met Oekraïne vastgelegd om het land in elk geval de komende tien jaar te blijven steunen.
Bent u bekend met de uitspraak van Donald Trump dat president Zelensky zelf mede-aanstichter is van de oorlog met Rusland en heeft gesuggereerd dat Oekraïne misschien een deel van het land moet opgeven om een deal te maken?
Het kabinet is bekend met mediaberichtgeving van deze strekking. Het is van belang om geen overhaaste conclusies te trekken over wijzigingen in VS beleid ten aanzien van Oekraïne. De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn hecht, en we zijn doorlopend met VS in gesprek over onze gedeelde belangen en de grote uitdagingen waar zowel de VS als de EU voor staan. Oekraïne is daarin een prioriteit. Deze gesprekken zullen we blijven voeren. VS leverde tot op heden veruit de meeste militaire steun. Militaire steun aan Oekraïne blijft onverminderd cruciaal.
Deelt u de mening dat de verkiezingsuitslag kan hebben gezorgd voor onrust onder de Oekraïense bevolking en aan het Oekraïense front?
De Oekraïense bevolking leeft al ruim 2,5 jaar in permanente angst en onrust ten gevolge van de nietsontziende Russische agressieoorlog. De verkiezingsuitslag wordt wereldwijd gevolgd, ook in Oekraïne. Er kan niet vooruitgelopen worden op het beleid van de VS ten aanzien van Oekraïne.
Bent u van mening dat aan Rusland duidelijk gemaakt moet worden dat de Europese steun onveranderd blijft en indien nodig alleen maar zal toenemen?
Het kabinet is van mening dat onverminderde Europese steun aan Oekraïne van groot belang is. De Europese Regeringsleiders hebben tijdens de Europese Raad van 17-18 oktober jl. de inzet van de EU herbevestigd om politieke, financiële, economische, humanitaire, militaire en diplomatieke steun aan Oekraïne te blijven verlenen zo lang als dat nodig is.
Bent u bereid tijdens de informele Europese Raad van 8 november 2024 aan te dringen op extra veiligheidsgaranties (inclusief financiële steun) voor Oekraïne vanuit de EU?
De Europese Unie heeft niet het mandaat om veiligheidsgaranties af te geven. Collectieve verdediging binnen de EU, artikel 42 lid 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) geldt alleen voor lidstaten. De EU heeft zich in een veiligheidsarrangement met Oekraïne vastgelegd om het land in elk geval de komende tien jaar te blijven steunen. NL zet zich in om voortgezette EU-steun aan Oekraïne te blijven verzekeren.
Kunt u deze vragen voor het begin van de informele Europese Raad van 8 november a.s. beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Niet-rendabele talenstudies verdwijnen, want studenten doen liever een brede bachelor’ |
|
Claudia van Zanten (BBB), Rosanne Hertzberger (VVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Niet-rendabele talenstudies verdwijnen, want studenten doen liever een brede bachelor»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Wat is uw reactie op de constatering dat op verschillende plaatsen tegelijk kleine talenstudies geschrapt gaan worden die voor de Nederlandse samenleving, het onderwijs, de economie en onze internationale positie van wezenlijk belang zijn?
Recent hebben Universiteit Leiden (UL) en Universiteit Utrecht (UU) hun plannen bekendgemaakt tot wijzigingen in het opleidingsaanbod binnen het talen- en cultuurdomein. Ik begrijp de zorgen naar aanleiding van deze berichten. De zorgen zijn het grootst voor het onderwijs in Frans en Duits in verband met de schoolvakken Frans en Duits op het voortgezet onderwijs.
De genoemde talenopleidingen kennen reeds decennialang een daling van de instroom. Ondanks de vele inspanningen van de sector lukt het niet om dit tij te keren. Uit cijfers blijkt dat jongeren steeds vaker kiezen voor brede opleidingen, eventueel met een taalcomponent. De kans dat studenten in groten getale weer gaan kiezen voor een klassieke bachelor in het talen- en cultuurdomein is gering. De universiteiten hebben daarom in het sectorplan Talen & Culturen gekozen voor een vernieuwde aanpak. Met dit sectorplan wordt ingezet op vernieuwing van het onderwijs, de borging van de expertise en het aantrekken van meer studenten.
De voorgenomen plannen voor de wijzigingen in het opleidingsaanbod van de universiteiten Utrecht en Leiden zijn in lijn met de sectorplannen. Het is een bewuste keuze geweest om de sectorplannen te continueren en ik steun dan ook de aanpak van de universiteiten om gezamenlijk te komen tot keuzes, waaronder ook het sectorplan Talen & Culturen. In lijn met het amendement Stoffer2 op de begroting OCW zal ik het landelijke Disciplineoverleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG) in samenwerking met de Universiteiten van Nederland (UNL) verzoeken om te bezien hoe binnen het plan van aanpak Talen & Culturen een actieplan opgesteld kan worden dat specifiek de toekomst van deze studies in Nederland verzekert en de positie ervan versterkt. Voor een verdere toelichting op de kleine talenopleidingen verwijs ik door naar mijn recente Kamerbrief en de verklaring van de universiteiten3.
Zijn u nog meer signalen bekend van andere universiteiten die talenstudies willen beëindigen?
Vooralsnog zijn mij geen signalen bekend.
In hoeverre is voorafgaand overleg gevoerd tussen universiteiten over de voorgenomen beëindiging van talenstudies en hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot eerdere actieplannen en richtlijnen om meer regie te voeren ten behoeve van het behoud van talenstudies?
De keuze voor de voorgenomen beëindiging ligt bij de instellingen zelf.
Er wordt binnen de geesteswetenschappen, waaronder de taal- en cultuuropleidingen vallen, regelmatig overleg gevoerd op verschillende niveaus (sectoraal, domeinniveau en tussen instellingen). Voorts gelden voor unica-opleidingen in de Geesteswetenschappen afspraken over welke route een instelling volgt indien zij het voornemen heeft een unica-opleiding of -specialisatie in de Geesteswetenschappen op te heffen. Deze procedure is onlangs herbevestigd (en deels aangepast).
Deze procedure behelst een advies van de zusterfaculteiten binnen het Decanenoverleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG). Dit advies wordt vervolgens voorgelegd aan de SSH-raad en het rectorencollege van UNL. Vervolgens verstrekken het zij op basis hiervan, elk vanuit een eigen verantwoordelijkheid, een zwaarwegend advies aan het College van Bestuur (CvB) van de desbetreffende instelling. Uiteindelijk ligt het besluit bij het CvB van de desbetreffende instelling. Alle betrokken partijen en ikzelf hechten waarde aan de opvolging van deze procedure zodat besluiten zorgvuldig worden genomen. Graag verwijs ik uw Kamer naar mijn recente kamerbrief en de bijbehorende verklaring van het DLG (Decanenoverleg Letteren en Geesteswetenschappen), de SSH-Raad en UNL voor de recent herbevestigde procedure.4
Tot slot zal ik met de onderwijsinstellingen verkennen hoe in het kader van de motie Martens-America5 het landelijke aanbod van opleidingen kan worden gewaarborgd en te voorkomen dat er opleidingen zonder gezamenlijk overleg uit Nederland verdwijnen.
Kunt u aangeven op hoeveel plekken in Nederland de academische bachelor- en masteropleidingen Frans en Duits nog gevolgd kunnen worden indien de opleidingen in Utrecht en Leiden zouden verdwijnen?
Indien bovenstaande zelfstandige bacheloropleidingen worden afgebouwd dan zijn Frans en Duits als zelfstandige bachelor nog te volgen aan de universiteiten van Amsterdam en Nijmegen. Landelijk gezien zijn op masterniveau de meeste taal- en cultuuropleidingen reeds samengevoegd tot bredere opleidingen zoals Literatuurwetenschap en Taalkunde, waarbinnen studenten kunnen kiezen voor een specialisatie.
Overigens betekent het afbouwen van zelfstandige opleidingen (waaronder bij de bacheloropleidingen Frans en Duits) niet direct dat de expertise in die talen bij de betrokken instellingen verdwijnt. Die expertise wordt onder brede opleidingen voor een grotere groep studenten beschikbaar gemaakt en blijft daarmee voor de samenleving, het onderwijs, de economie en onze internationale positie behouden.
Wat is volgens u het absolute minimum voor de aanwezigheid en spreiding van de opleidingen Frans en Duits, mede gezien de wettelijke positie van vreemde talen in het voortgezet onderwijs, en vindt u het bijvoorbeeld acceptabel dat de academische opleiding Duitse taal en cultuur niet meer in Nederland aanwezig zou zijn?
Er is momenteel geen norm hiervoor. Wel dient er sprake te zijn van een landelijk dekkend aanbod. Als de studentenaantallen van een opleiding van grote maatschappelijke waarde in de ogen van een instellingen te klein worden, dan is het aan de instellingen samen om te bezien hoe het onderwijs behouden kan blijven. Het maken van keuzes, het eventueel stoppen van zelfstandige opleidingen en wat er wordt verstaan onder een minimaal landelijk dekkend aanbod zie ik als zeer relevante vragen voor de nabije toekomst om samen te verkennen. Zoals in het antwoord op vraag 4 weergegeven zal ik in het kader van de motie Martens-America met de sector bekijken hoe we invulling kunnen blijven geven aan een landelijk dekkend aanbod.
Op welke wijze bevordert u dat de instellingen tot gezamenlijke minimumnormen komen voor het behoud van opleidingen zoals Franse en Duitse taal en cultuur en op welke wijze kunt u daarbij faciliteren?
Dit doe ik ten eerste door mijn besluit om de sectorplannen in stand te houden. Daarnaast stimuleer ik het gesprek binnen de sector over het landelijke opleidingsaanbod. Voor unica-opleidingen in de Geesteswetenschappen gelden afspraken over welke route een instelling volgt indien zij het voornemen heeft een unica-opleiding of een specialisatie in de Geesteswetenschappen op te heffen, zie ook mijn antwoord op vraag 4. Zoals in datzelfde antwoord aangegeven, wil ik mede in het kader van de motie Martens-America met de sector bekijken hoe we tegen de achtergrond van de krimpproblematiek en bezuinigingen invulling kunnen blijven geven aan een landelijk dekkend aanbod.
Hoe zorgt u ervoor dat we in de toekomst voldoende docenten voor het voortgezet onderwijs kunnen opleiden in deze talen?
Het tekort aan leraren in de schooltalen Duits en Frans is de laatste twee decennia groter geworden. Vandaar dat ik de vernieuwende beweging in het sectorplan Talen & Culturen steun. In het sectorplan is niet alleen afgesproken om de talige expertise breder beschikbaar te maken, maar ook om in de komende jaren te bezien hoe de toegang tot de lerarenopleiding kan worden verbreed, zodat studenten met een verwante vooropleiding ook toegang tot de lerarenopleiding kunnen krijgen.
Daarnaast bestaan er ook andere routes voor het behalen van een eerste en/of tweedegraads bevoegdheid Frans of Duits. Zo is er een divers aanbod van tweedegraads opleidingen in de vorm van een hbo-bachelor en zijn er aanvullende masters te volgen aan hogescholen waarmee een eerstegraads bevoegdheid kan worden gehaald.
Om de tekorten aan leraren in Frans en Duits tegen te gaan is het ook van belang dat het beroep van docent aantrekkelijk is en blijft en dat we zo veel mogelijk doelgroepen interesseren voor het onderwijs door een breed aanbod van routes tot het leraarschap aan te bieden. Ik verwijs u hiervoor graag naar de Kamerbrief over de lerarenstrategie en de aanpak van het lerarentekort die wij recentelijk aan uw Kamer hebben gezonden.6
Hoe ziet u het belang voor Nederland van kleine opleidingen taal en cultuur zoals Turks, Perzisch, Arabisch en Koreaans, die ook als eigenstandige opleidingen dreigen te verdwijnen aan de Universiteit Leiden?
In het algemeen zie ik het belang van kennis van andere talen en culturen zowel voor de wetenschap als de maatschappij. Dat betekent niet dat kleine studies niet aan verandering onderhevig kunnen zijn. Het is normaal dat het onderwijsaanbod in beweging is. De wereld is immers in verandering, evenals de vakgebieden en de voorkeuren van studenten. Het is belangrijk dat het onderwijs daarop responsief inspeelt. Het is aan de instellingen samen om te bepalen hoe het onderwijs behouden kan blijven. Dit kan in allerlei vormen, bijvoorbeeld door middel van het samenvoegen van kleine opleidingen, verbreding van opleidingen, interdisciplinair onderwijs of het gezamenlijk verzorgen van onderwijs. Overigens betekent het stopzetten van een zelfstandige bacheloropleiding niet dat de bijbehorende expertise niet meer aanwezig is. Veel studies zijn in grotere facultaire onderzoeksinstituten georganiseerd en die kennis vindt een plek in deze bredere kennisstructuur.
Acht u het als stelselverantwoordelijke van belang voor Nederland om een kleine, maar vaste groep deskundigen op te leiden die kennis heeft over deze talen en culturen?
Ik ben als Minister van OCW stelselverantwoordelijk voor een macrodoelmatig opleidingsaanbod. Dat wil zeggen dat het opleidingsaanbod, met een efficiënte inzet van middelen, zo goed mogelijk inspeelt op de behoeften van de arbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap. Binnen dat kader behoort het initiatief tot het opstarten of beëindigen van individuele opleidingen aan de instellingen toe. Voorts is het aan de instellingen om de behoefte van de arbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap blijvend te vertalen naar een passend onderwijsaanbod en dat ook te onderhouden. Ik verwacht van hen dat zij hier gezamenlijk en regulier op reflecteren, in dialoog met maatschappelijke partners. De stelselverantwoordelijkheid van de Minister van OCW heeft zich de afgelopen decennia vooral gericht op het toetsen van de doelmatigheid bij nieuwe opleidingen in het bekostigde stelsel.
Met de daling van het aantal studenten bij bepaalde opleidingen en het besluit van instellingen opleidingen te stoppen of anders in te richten wordt het vraagstuk hoe ik als Minister van OCW invulling wil geven aan een andere, tot nu toe minder belichte zijde van de stelselverantwoordelijkheid urgenter. Namelijk het in stand houden van een minimaal dekkend landelijk aanbod. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven ga ik hierover met de instellingen in gesprek.
Op welke wijze worden de opleidingen Nederlandse taal en cultuur getroffen door deze hervormingen?
Om de opleidingen Nederlands te versterken blijf ik middelen beschikbaar stellen n.a.v. het amendement Van der Molen/Westerveld.7 Daarbij is de afspraak dat op vijf vestigingen de opleiding Nederlands wordt aangeboden. Ook binnen de opleidingen Nederlands is er sprake van vernieuwing en ook deze opleidingen doen mee met de gezamenlijke plannen uit het sectorplan Talen & Culturen, waarmee wordt ingezet op meer samenwerking en profilering. Dat maakt ook deze opleidingen weerbaarder en robuuster.
Deelt u de opvatting dat een brede bachelor Europese taal en cultuur geen toereikend alternatief is voor de inhoud en kwaliteit van een specifieke talenstudie wanneer er geen volledige specialisatie binnen die bachelor mogelijk is en worden aankomende studenten hierover voldoende geïnformeerd?
Ik kan in algemene zin geen uitspraken doen over hoe bepaalde expertises het beste inhoudelijk vormgegeven kunnen worden in het universitair onderwijs.
Rijksuniversiteit Groningen heeft tien jaar geleden al besloten de bachelors Duits en Frans op te nemen in een brede bachelor. De afgestudeerden aan deze brede opleiding voldoen aan het niveau voor toelating tot de talenmasters en de lerarenopleiding (Frans of Duits). Uiteraard worden aankomende studenten op de gebruikelijke wijze geïnformeerd over het programma (voorlichting; website; testimonials etc.) mochten de voorgenomen plannen doorgevoerd worden.
Welke inzet pleegt u om de trend naar meer brede opleidingen in het talendomein te stuiten?
De trend naar brede opleidingen is een internationaal en langlopend verschijnsel. De eerdergenoemde talenopleidingen kennen reeds decennialang een daling van de instroom. Ondanks grote inzet vanuit de sector en overheid (waaronder campagnes) is deze daling niet voorkomen. Ik denk dan ook dat het verstandig is zoals de sector doet, bijvoorbeeld via het sectorplan Talen, in te spelen op deze trend zodat opleidingen en expertise geborgd kunnen blijven.
Bent u bereid een numerus fixus te overwegen voor brede bachelors teneinde belangstelling voor specifieke studies hoog te houden?
Vooralsnog ben ik dit niet van plan. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat aankomende studenten dan voor een smalle talenopleiding zullen kiezen.
Bent u bereid om, gelet op de dreigende verschraling in het opleidingenaanbod, met alle sectororganisaties en de vakverenigingen gezamenlijk te werken aan een actieplan voor versterking van de opleidingen Franse- en Duitse taal en cultuur?
Er is al een actieplan, namelijk het sectorplan Talen & Culturen. De versterking van het opleidingsaanbod in de talensector komt tot uitdrukking in actielijn 1 van het sectorplan, namelijk de onderbrenging van de betreffende expertise in bredere opleidingen, evenals in actielijn 3, het verbreden van de toegang tot de lerarenopleiding. Actielijn 2 van dat sectorplan richt zich op het borgen van expertise op landelijk niveau voor een specifiek programma taal en cultuur (Frans of Duits). Daarvoor zijn de faculteiten met talige expertise gezamenlijk verantwoordelijk. Dit aanbod zorgt ervoor dat studenten die specifiek Duits of Frans willen studeren, dat ook in de toekomst zullen kunnen doen. Voor meer informatie verwijs ik uw Kamer naar de eerdergenoemde Kamerbrief en de bijbehorende verklaring van het DLG, SSH-Raad en UNL.
Voorts zal ik over de uitvoering van het amendement Stoffer8 op de begroting OCW met het DLG in gesprek gaan.
Kunt u ervoor zorgen dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen worden gezet zoals het opheffen van CROHO-labels?
Onder welk CROHO (RIO) label onderwijs en expertise geborgd blijft, is een keuze van de universiteit in afstemming en overleg met de andere universiteiten, daaronder valt ook het eventueel opheffen van een CROHO (RIO)-label. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 9.
De overstap van de industrie naar groene waterstof en de raffinageroute |
|
Henk Vermeer (BBB), Henri Bontenbal (CDA), Silvio Erkens (VVD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Chris Jansen (PVV), Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Industrie vreest einde groene waterstof: «Dit plan legt er een bom onder»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling vanuit de industrie dat de Nederlandse waterstofeconomie om zeep wordt geholpen door de voorgestelde correctiefactor van 0,4 voor de raffinageroute, omdat daarmee de waarde van geproduceerde groene waterstof meer dan gehalveerd wordt?
De raffinageroute in de systematiek Energie voor Vervoer van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) beoogt een bijdrage te leveren aan de Nederlandse waterstofmarkt, in aanvulling op het waterstofinstrumentarium van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). Van het begin af aan is helder gemaakt dat het gebruik van hernieuwbare (groene) waterstof in raffinaderijen onder voorwaarden mag meetellen voor credits. Hierover zijn in het verleden ook afspraken gemaakt, zie onder meer «Kabinetsaanpak Klimaatbeleid»2.
In de eerste voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer d.d. 26 april 20243 is aangegeven dat er begrensd ruimte komt voor de raffinageroute. In deze brief is ook een correctiefactor aangekondigd, inclusief nader onderzoek om de hoogte van de correctiefactor te bepalen. Bij de totstandkoming van deze keuze is de markt geraadpleegd. Destijds waren de reacties veelal positief ten opzichte van eerdere beleidsopties die voor hebben gelegen. De raffinageroute met correctiefactor werd gezien als een goed midden tussen CO2-reductie in de sector mobiliteit, prijseffecten aan de pomp en stimulering van hernieuwbare waterstof.
In hoeverre is er contact geweest met de sector over de impact van deze maatregel op concrete projecten voor elektrolyse? Wat doet de correctiefactor met de business case voor deze projecten?
Voor het TNO-onderzoek dat ten grondslag ligt aan de aangekondigde hoogte van de correctiefactor, zoals voorgesteld door de Staatssecretaris van IenW in zijn brief van 30 oktober 2024, zijn uiteenlopende marktpartijen gesproken over de correctiefactor en de impact daarvan. Een deel van de bedrijven gaf aan zich zorgen te maken over de impact van de correctiefactor op de businesscase vanwege de lagere waarde van credits. Een ander deel van de respondenten pleit juist voor een (lage) correctiefactor om ruimte te scheppen voor meer elektrolyseprojecten. Ten slotte zijn er partijen die aangeven dat snelle duidelijkheid omtrent de raffinageroute voor hun investeringsbeslissing van groter belang is dan de hoogte van de correctiefactor; langere onduidelijkheid is voor deze partijen onwenselijk.
TNO geeft aan dat bij het bepalen van de correctiefactor kan worden meegewogen wat de impact is van andere opties naast de inzet van hernieuwbare waterstof via de raffinageroute en via direct gebruik met mogelijk lagere kosten, zoals bijmenging van geïmporteerde synthetische brandstoffen. Dit zou de kans op inzet van in Nederland geproduceerde waterstof via direct gebruik en via de raffinageroute kunnen verkleinen. Het is nog onduidelijk welke rol de import van synthetische brandstoffen tot en met 2030 zal spelen; de verwachting is dat dit op korte termijn nog niet op grote schaal het geval zal zijn. De onzekerheid hierover op de verwachte creditwaarde lijkt echter wel een aandachtspunt in de sector.
Naast gesprekken met marktpartijen ten behoeve van het TNO-onderzoek, heeft IenW ambtelijk in april 2024 een breed bezochte stakeholderbijeenkomst belegd rond de invulling van de implementatie van de RED-III (inclusief raffinageroute en correctiefactor) en hebben verschillende 1-op-1 gesprekken met sectorpartijen plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de business case voor elektrolyseprojecten in Nederland zich tot de business case in Duitsland, België en Frankrijk zowel voor als na introductie van de correctiefactor?
Met de openstelling van de raffinageroute (met correctiefactor) wordt ook in Nederland een aanvullende mogelijkheid geboden om hernieuwbare waterstof te verwaarden. Dit zou moeten bijdragen aan de businesscase voor elektrolyseprojecten zoals benoemd in de Kamerbrief Voortgang implementatie RED-III vervoer4. In de brief is aangegeven dat de voorkeur uit gaat naar directe inzet van hernieuwbare waterstof in de mobiliteit, maar ook dat er op dit moment in Nederland nog niet veel elektrolysecapaciteit is om hernieuwbare waterstof te produceren. De raffinageroute beoogt de elektrolysecapaciteit op te schalen, wat uiteindelijk ook de directe inzet van hernieuwbare waterstof ten goede komt.
De systematiek Energie voor Vervoer, waar de raffinageroute onderdeel van is, richt zich niet enkel op het halen van de doelen uit de Hernieuwbare Energierichtlijn (RED-III), maar ook op de nationale klimaatdoelen. Inzet van hernieuwbare waterstof via de raffinageroute draagt niet bij aan het Nederlandse klimaatdoel voor de sector mobiliteit, maar aan het doel voor de sector industrie. In de andere landen wordt dit onderscheid niet op deze manier gemaakt. In Nederland wordt een subverplichting voor elke mobiliteitssector (land, zee, binnenvaart en luchtvaart) ingevoerd, waar ook de raffinageroute aan kan bijdragen. Hierdoor is de vormgeving zoals gebruikt in Duitsland en Frankrijk niet vergelijkbaar met onze systematiek.
De stimulerende rol van de raffinageroute is door de correctiefactor minder groot dan in de hierboven genoemde landen. Dit is een bewuste keuze om een gelijk speelveld tussen de raffinageroute en direct gebruik van hernieuwbare waterstof in mobiliteit te creëren. In de voorstellen voor de implementatie van de RED-III in Nederland is gekozen voor een vormgeving waarin het prijseffect aan de pomp beperkt blijft. Bij een grotere ruimte voor de raffinageroute buiten het subdoel voor hernieuwbare waterstof of een extra stimuleringsfactor zoals in Duitsland, zou het prijseffect aan de pomp toenemen.
Is de impact van de gekozen correctiefactor op investeringen in groene waterstof in Nederland goed in beeld gebracht? Kunt u hier inzicht in geven?
De verwachte impact op investeringen was geen onderdeel van de onderzoeksvraag om te komen tot een correctiefactor. Door de respondenten in het TNO-onderzoek is hier wel op gereflecteerd, zoals toegelicht onder vraag 3.
Na het stellen van Kamervragen heeft de Kamer de motie van de leden Bontenbal en Vermeer aangenomen over een onderzoek naar hoe de raffinageroute eruit moet zien om maximaal bij te dragen aan de verduurzamingsdoelstellingen van de industrie5. Er is gestart met invulling te geven aan deze motie en dit zal meer inzicht geven in de impact van correctiefactoren op investeringen in hernieuwbare waterstof in Nederland, de verduurzaming(sdoelen) in de industrie en de doelen van de systematiek Energie voor Vervoer.
Deelt u de mening dat er momenteel nog geen volwassen markt is voor groene waterstof en dat de overheid, als het de industrie wil helpen verduurzamen, het opbouwen van deze markt zou moeten ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de markt voor hernieuwbare waterstof zit nog in de beginfase en wordt daarbij ook geconfronteerd met de nodige hobbels. In de Kamerbrief Voortgang waterstofbeleid6 die voorafgaand aan het commissiedebat «Waterstof, groen gas en andere energiedragers» op 10 december naar de Kamer is gestuurd, beschrijft de Minister van KGG de stand van zaken en de vervolgstappen.
Onderkent u het feit dat de raffinageroute er juist voor zou moeten zorgen dat de waterstofmarkt op gang komt en er een basis voor investeringen in groene waterstof beschikbaar komt? Hoe draagt het voorstel voor de correctiefactor daaraan bij?
De raffinageroute is een van de instrumenten om de hernieuwbare waterstofmarkt op gang te brengen. Het waterstofinstrumentarium vanuit KGG bestaat verder uit onder meer IPCEI-subsidies, OWE-subsidies, een importtender onder H2Global en toekomstige vraagsubsidies. Daarnaast werkt KGG aan een mogelijke jaarverplichting voor het gebruik van hernieuwbare waterstof in industriële processen.
De raffinageroute was oorspronkelijk bedoeld om de eerste elektrolyseprojecten te realiseren. Er is te zien dat investeringsbeslissingen in grootschalige elektrolyseprojecten uitblijven, onder meer vanwege onzekerheden over de afname. Naast voornoemde instrumenten blijft de raffinageroute een relevant instrument om een zekere afzetmarkt voor hernieuwbare waterstof te bieden. De correctiefactor is ontworpen om directe inzet te belonen, ook vanwege de directe CO2-reductie die dit voor de sector mobiliteit oplevert. De correctiefactor zorgt voor een gelijker speelveld tussen de geprefereerde directe inzet en inzet via de raffinageroute. Verder creëert het aanvullende ruimte voor de raffinageroute, zonder dat de subdoelen hoeven te worden verhoogd en de prijs aan de pomp verder stijgt.
Deelt u de constatering dat het voorstel voor deze correctiefactor ervoor zal zorgen investeringen in groene waterstof niet in Nederland plaats zullen vinden, maar in ons omringende landen waar geen correctiefactor geldt en waar ook andere voorwaarden voor waterstofproductie gunstiger zijn? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden, gezien de onzekerheden in de markt, bijvoorbeeld op het gebied en gereedkomen van waterstof(import)infrastructuur. Er zijn inderdaad risico’s en daarom wordt een zorgvuldig proces gevolgd. Er zijn nationaal verplichtingen voor de inzet van hernieuwbare waterstof in vervoer neergelegd op basis van de RED-III (ook zijn er op basis van de RED-III nationaal verplichtingen voor de inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie). Het behalen van de verplichting voor waterstof in vervoer kan via directe inzet en/of de raffinageroute worden ingevuld. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de inzet van nationaal geproduceerde en geïmporteerde hernieuwbare waterstof of synthetische brandstoffen. Met de voorgestelde correctiefactor wordt een gelijk speelveld gecreëerd tussen directe inzet (ook uit importstromen) en indirecte inzet via de raffinageroute.
De directe inzet moet zich nog verder ontwikkelen. De resultaten van de eerste openstelling van de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWiM) tonen interesse van de markt, met een overinschrijving van 78% op het budget van 22 miljoen euro.
De verwachting was dat import van hernieuwbare waterstof en synthetische brandstoffen een beperkte rol zal spelen richting 2030. Hiermee was de inschatting dat de raffinageroute ook bij de implementatie van de voorgestelde correctiefactor voldoende afzetmogelijkheden heeft. Zoals aangegeven onder vraag 5 is gestart met het uitvoering geven aan de motie om de impact van de correctiefactor nader te onderzoeken. De resultaten hiervan en de signalen die zijn ontvangen bij de consultatie van de Regeling energie vervoer aankomend voorjaar zullen worden meegewogen in het proces.
Er is voor gekozen om geen einddatum op te nemen voor de raffinageroute, in afwachting van post-2030 doelen die in de mogelijke opvolger van de RED-III worden gesteld. Het is nog geen gegeven dat er een opvolger komt, maar het kabinet zet zich daar richting de Commissie voor in.
Hoe rijmt u het voorstel voor de correctiefactor met het voornemen uit het regeerprogramma on Nederlandse koppen op Europees beleid te schrappen?
Hier is geen sprake van een nationale kop. De correctiefactor is een uitwerking van een Europese verplichting, die ontworpen is zodat de systematiek Energie voor Vervoer ook voldoende bijdraagt aan het nationale klimaatdoel voor de sector mobiliteit. Het regeerprogramma houdt vast aan de klimaatdoelen. Als de correctiefactor hoger wordt, of wordt losgelaten, wordt het maximaal in te zetten volume via de raffinageroute kleiner, of moet het subdoel worden verhoogd, samen met aanvullende maatregelen om het behalen van het nationale klimaatdoel voor de sector mobiliteit te borgen.
Kunt uitleggen op welke wijze deze correctiefactor direct gebruik stimuleert? Wat zijn verwachte effecten van de correctiefactor op direct gebruik?
De correctiefactor zorgt ervoor dat een gelijker speelveld ontstaat tussen de inzet van hernieuwbare waterstof bij de raffinage van (fossiele) transportbrandstoffen en de directe levering van hernieuwbare waterstof aan waterstofvoertuigen / (lucht)vaartuigen. Verder leidt de correctiefactor ertoe dat de raffinagecredits minder snel het subdoel vullen; ze tellen immers minder mee. Hierdoor blijft eerder ruimte over voor directe inzet onder het subdoel.
Uit het TNO-onderzoek blijkt dat zonder correctiefactor directe inzet zeer beperkt aan bod komt binnen de systematiek Energie voor Vervoer, aangezien de raffinageroute dan de goedkoopste manier is om credits te genereren en daarmee aan de RFNBO-verplichting te voldoen.
Wat zijn de gevolgen van de gekozen correctiefactor voor het doelbereik van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE)? Wat is de verwachting van de elektrolysecapaciteit die met en zonder de correctiefactor kan worden gerealiseerd met het voor de OWE beschikbare budget? Klopt het dat de correctiefactor zal zorgen voor een hogere subsidiebehoefte en dat er dus meer belastinggeld nodig zal zijn om dezelfde doelen te halen?
Er zijn beperkt waterstofmiddelen beschikbaar voor het realiseren van de ambitieuze bindende Europese waterstofdoelen voor de mobiliteit en de industrie. Het openstellen van de raffinageroute leidt naar verwachting tot minder benodigde OWE-subsidie dan de situatie waarin geen raffinageroute beschikbaar is. Een mogelijk gevolg van de voorgestelde correctiefactor is dat elektrolyseprojecten die van plan zijn aan raffinaderijen te leveren meer OWE-subsidie gaan aanvragen, omdat de betalingsbereidheid van raffinaderijen voor hernieuwbare waterstof afneemt als gevolg van een lagere waarde van credits verkregen via de raffinageroute. Dit zou betekenen dat de totale subsidiebehoefte voor het behalen van nationale en Europese hernieuwbare waterstofdoelen stijgt. Zodra de uitkomsten van de huidige OWE-openstelling bekend zijn, kan beter worden ingeschat wat het effect is van de gekozen correctiefactor op de subsidiebehoefte van de Europese doelen.
Kunt u aangeven in hoeverre de volgende elementen onderdeel waren van de opdracht aan TNO voor haar onderzoek:
In de eerste voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer van april heeft de Staatssecretaris van IenW aangegeven dat het ministerie zou laten onderzoeken welke correctiefactor het meest geschikt is om te bewerkstelligen dat de directe inzet van RFNBO's in de verschillende mobiliteitssectoren meer loont dan de inzet van hernieuwbare waterstof in raffinaderijen. De opdracht richtte zich hiermee specifiek op het gelijke speelveld tussen directe inzet en inzet via de raffinageroute. De andere aspecten die in de vraag worden genoemd zijn deels toegelicht in het TNO-onderzoek, op basis van input van de respondenten. Deze vormden formeel geen onderdeel van de onderzoeksopdracht en zijn niet meegenomen in het bepalen van de voorgestelde hoogte van de correctiefactor.
Welke alternatieve beleidsopties heeft u onderzocht en besproken met de sector om te komen tot een pakket waarmee zowel de doelen voor Renewable Fuel of Non-Biological Origin-gebruik (RFNBO-gebruik) in de mobiliteit en het opschalen van de elektrolysecapaciteit in Nederland? Is bijvoorbeeld de optie van een hogere correctiefactor, met daarbij ook een hoger doel voor het RFNBO-volume? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de eerste voorstellen van de Commissie is in de startfase van de implementatie van de RED-III gesproken over hogere subdoelen voor hernieuwbare waterstof in mobiliteit. Na bekendmaking van de forse ambitieverlaging in de definitieve RED-III is gekozen om de nationale subdoelen in lijn te brengen met de Europese doelen om nationale koppen te vermijden.
Hierna zijn opties verkend om (1) een verplichting aan raffinaderijen op te leggen voor de inzet van hernieuwbare waterstof, en (2) om raffinagecredits te laten concurreren met onder meer geavanceerde biobrandstoffen in plaats van directe inzet van RFNBO’s. De optie van het niet instellen van een correctiefactor is bekeken, maar is niet voorgesteld vanwege voorziene gevolgen. Ten eerste zou de raffinageroute dan slechts ruimte bieden aan een beperkt aantal elektrolyseprojecten (circa 500 MW). Het zou verhoging van het subdoel voor hernieuwbare waterstof in mobiliteit vergen om genoeg ruimte voor de ons bekende elektrolyseprojecten te creëren. Omdat de raffinageroute niet bijdraagt aan CO2-reductie in de mobiliteit, zou bij verhoging van het subdoel ook de algehele jaarverplichting extra moeten worden verhoogd om het klimaatdoel veilig te stellen. Dit zou resulteren in een stijging van de prijs aan de pomp. Bovendien zou dit ten koste gaan van de beleidswens van IenW om directe inzet van hernieuwbare waterstof in de mobiliteit te stimuleren met de systematiek Energie voor Vervoer.
In het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het verlengde van de motie Bontenbal en Vermeer wordt onder meer inzicht gegeven in de impact van correctiefactoren op investeringen in hernieuwbare waterstof in Nederland, de verduurzaming(sdoelen) in de industrie en de doelen van de systematiek Energie voor Vervoer.
Bent u bereid om het hierboven omschreven alternatief en andere alternatieve maatregelen voor de correctiefactor van 0,4 alsnog te overwegen om te komen tot een beleidspakket dat zowel direct gebruik als het opschalen van waterstofproductie in Nederland stimuleert? Zo nee, waarom niet?
Zoals genoemd onder vraag 5, wordt momenteel invulling gegeven aan de motie van de leden Bontenbal en Vermeer die oproept tot nader onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek – tezamen met de reacties op het wijzigingsvoorstel Besluit Energie Vervoer – neemt het kabinet mee in de verdere implementatie van RED-III vervoer. Hierbij wordt een balans gezocht tussen de hoofddoelen van de systematiek Energie voor Vervoer, stimulering van Nederlandse waterstofproductie en -toepassing in industrie en/of mobiliteit en de prijs aan de pomp.
Verdwijnende parkeerplaatsen in binnensteden |
|
Peter de Groot (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Barry Madlener (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel ««Jullie zijn knettergek»: emoties laaien op tijdens protest tegen verdwijnen parkeerplaatsen in binnenstad»?1
Ja.
Deelt u de mening dat mensen die afhankelijk zijn van de auto, of daarmee gemakkelijker van A naar B kunnen komen, in een binnenstad zoals Nijmegen ernstig benadeeld worden door de gemeente?
Het is vervelend voor de bewoners die afhankelijk zijn van de auto dat parkeerplekken dichtbij hun huis verdwijnen en dat parkeerplekken duurder worden. Het is echter aan de gemeenteraad om keuzes te maken over het parkeerbeleid en de inrichting van haar openbare ruimte, waaronder het aanleggen of weghalen van parkeerplaatsen en hierbij alle lokale belangen af te wegen.
Deelt u de mening dat dit slecht is voor de bereikbaarheid en vervoersmogelijkheden voor de bewoners in die wijken? Zo nee, waarom niet?
Goede bereikbaarheid en vervoersmogelijkheden voor bewoners zijn erg belangrijk. Het is aan de gemeente om keuzes te maken over de bereikbaarheid en vervoersmogelijkheden en daar de verschillende lokale afwegingen bij te maken.
Deelt u de mening dat bij het uitstootvrijer maken van stedelijke gebieden, personenauto’s tot in ieder geval ruim na 2035 ontzien moeten worden en dat daarna een geleidelijk en realistisch tijdpad mogelijk moet worden gemaakt?
De zero-emissiezones die naar verwachting per 1 januari ingevoerd worden gelden niet voor personenauto’s. Ik ben niet van plan de benodigde wetswijziging voor de invoering van zero-emissiezones voor personenvoertuigen uit te werken.
Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat gemeenten het bewoners in binnensteden toch onmogelijk maken om te parkeren bij hun woning? Bent u bereid deze mogelijkheden aan te wenden?
Gemeenten wegen bij de inrichting van de openbare ruimte zelf de lokale belangen af. Ik heb tijdens de begrotingsbehandeling2 al toegezegd met gemeenten in gesprek te gaan over parkeertarieven. In die gesprekken neem ik ook de zorgen over voldoende parkeergelegenheden mee.
Heeft u een beeld van initiatieven in gemeenten in Nederland die ertoe leiden dat de auto wordt weggepest uit wijken/stadsdelen?
Nee, zo’n beeld heb ik niet.
Zo nee, bent u bereid dit overzicht van initiatieven te verkrijgen en zo spoedig mogelijk als onderdeel van de toezegging die is gedaan tijdens de begrotingsbehandeling (naar aanleiding van motie Veltman2) aan de Kamer te doen toekomen?
Omdat keuzes over de inrichting van de openbare ruimte een gemeentelijke aangelegenheid zijn, worden deze maatregelen door gemeenten zelf vormgegeven en geïmplementeerd. Dit doen zij op basis van de lokale situatie en behoeften. Gezien de grote lokale verschillen en het ontbreken van een handelingsperspectief voor het rijk is het maken van een integraal en vergelijkbaar overzicht niet goed mogelijk en geen effectief gebruik van overheidsmiddelen.
Houdt het ministerie toezicht op de parkeernormen bij nieuwbouwprojecten? Zo ja, kunt u nader ingaan op deze parkeernormen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie houdt geen toezicht op parkeernormen bij nieuwbouwprojecten. Parkeernormen worden lokaal vastgesteld, ook bij nieuwbouwprojecten. Gemeenten zijn hier zelf voor verantwoordelijk.
Is er een trend dat de parkeernormen bij nieuwbouwprojecten lager worden?
o.a. via contacten met gemeenten krijgt het ministerie signalen dat gemeenten er voor kiezen om lagere parkeernormen in te voeren bij nieuwbouwprojecten, in met name verstedelijkt gebied. Gemeenten sturen hiermee op de bereikbaarheid en leefbaarheid van wijken.
Bent u van plan om een vaste parkeernorm te onderzoeken bij nieuwbouwprojecten, zodat de auto niet weggepest wordt bij de bouw van nieuwe woningen en zodat parkeerchaos voorkomen wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u de resultaten van dit onderzoek delen?
Nee, gemeenten zijn hier zelf voor verantwoordelijk.
De Meerjarige Productie Prognose 2024-II |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Meerjaren Productie Prognose (MPP) 2024-II van het Ministerie van Asiel & Migratie?1
Ja.
Was deze prognose bij u bekend toen de begroting van het Ministerie van Asiel & Migratie werd vastgesteld?
Nee. Op dat moment was de MPP 2024–1 bekend2.
Zo nee, op basis waarvan bent u akkoord gegaan met de enorme bezuinigingen op het COA en de IND in de komende jaren?
Het kabinet Rutte IV heeft bij Voorjaarsnota 2024 de MPP 2024–1 incidenteel verwerkt tot en met 2026. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 afgesproken dat in samenhang met het asielmaatregelenpakket de asieluitgaven met 500 miljoen euro in 2027 en met 1 miljard euro vanaf 2028 worden verlaagd.
Zo ja, hoe verklaart u de grote verschillen tussen a) de verwachte instroom en b) de bezetting van COA-opvang in de begroting en de MPP? En hoe heeft u deze begroting goed kunnen keuren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Op welke momenten hebt u overleg gehad over de begroting van het Ministerie van Asiel & Migratie en met wie?
Op 20 augustus jl. heb ik bilateraal overleg gehad met de Minister van Asiel en Migratie. Op 28 augustus jl. heeft het kabinet in de begrotingsraad de ontwerpbegroting 2025 van Asiel en Migratie besproken.
Hoe reageert u op de opmerkingen uit de brief van Algemene Rekenkamer, waar onder andere grote zorgen worden uitgesproken over de begroting van het COA ten opzichte van de verwachte bezetting van COA opvang?2 Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u deze begroting goedgekeurd?
De maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord, Regeerprogramma en de nadere uitwerking hiervan in de brief van de Minister-President van 25 oktober jl. moeten leiden tot een lagere asielinstroom en -bezetting. Zoals gebruikelijk zal het kabinet uw Kamer bij Voorjaarsnota 2025 informeren over eventuele budgettaire bijstellingen voor de begroting van Asiel en Migratie. Hierbij wordt de informatie uit de MPP 2024–2 betrokken.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk woensdag 6 november om 20.00u beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Voor welk type speler zijn offshore casino’s perfect?’ |
|
Dral |
|
Struycken |
|
Bent u bekend met het artikel «Voor welk type speler zijn offshore casino’s perfect?»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het artikel illegaal online kansspelaanbod (namelijk offshore casino’s ofwel illegale casino’s, die niet gebonden zijn aan lokale beperkingen, zoals bijvoorbeeld het uitsluitingsregister Cruks) onder de aandacht van de Nederlandse consument brengt en in de conclusie aanbeveelt als perfect voor een divers scala aan spelers die op zoek zijn naar meer vrijheid, betere beloningen en de nieuwste technologie in hun online game-ervaring»?
Ik vind het alarmerend dat op een webpagina van een lokaal dagblad een ogenschijnlijk feitelijk artikel lijkt te staan, dat in werkelijkheid verkapte reclame voor illegaal gokken is. Ik verwerp dit ten zeerste. Het is in Nederland verboden om kansspelen zonder vergunning aan te bieden of daarvoor reclame te maken. Mijn inzet is om mensen te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en er zijn geen waarborgen voor bescherming bij illegale kansspelen. Het is zorgelijk dat een dergelijk artikel voor iedereen vindbaar was en daarmee ook voor kwetsbare groepen, als jongeren, jongvolwassenen en risico- en probleemspelers.
Wat vindt u ervan dat artikelen zoals deze de indruk wekken onderdeel te zijn van een nieuwswebsite en bovendien makkelijk te vinden zijn voor jongeren?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is een platform of aanbieder van content zoals een lokaal dagblad in overtreding als er schadelijke informatie over illegaal online kansspelaanbod wordt verspreid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 3 is het in Nederland verboden om kansspelen zonder vergunning aan te bieden of daarvoor reclame te maken. Dit staat in de Wet op de Kansspelen.2 De Kansspelautoriteit (Ksa) is de toezichthouder op de Wet op de kansspelen en handhaaft hierop. In een uitzonderlijk geval kan het Openbaar Ministerie overgaan op strafvervolging. De Ksa heeft verschillende handhavingsinstrumenten om op te treden tegen illegaal aanbod of het bevorderen hiervan. Dit omvat zowel sancties, zoals een bestuurlijke boete, een last onder bestuursdwang, een en last onder dwangsom of een bindende aanwijzing3, als informele instrumenten, zoals normoverdragende gesprekken, informatieve brieven, en waarschuwingen. De Ksa kijkt daarbij van geval tot geval welk middel opportuun is om de overtreding zo snel mogelijk te doen stoppen. In gevallen zoals het artikel van dagblad010 ligt een informeel traject voor de hand, omdat dit sneller en efficiënter is. Om de overtreding snel te doen stoppen, heeft de Ksa contact opgenomen met de redactie van dagblad010 en is het artikel vrijwel direct verwijderd. Voor een succesvol boetetraject daarentegen zou al snel een jaar benodigd zijn.
De Ksa ziet een bredere trend van reclame voor illegale casino’s op sociale media of verborgen als artikel op een(nieuws)website. De Ksa hanteert hiervoor een projectmatige aanpak. Reclamemakers worden telefonisch benaderd en daarna indien nodig per brief gemaand te stoppen met de reclame. Naderhand controleert de Ksa of de reclame ook definitief is gestopt. In juli 2024 is dit project gestart. Dit heeft geleid tot een veertigtal brieven. Vergeleken hiermee is het aantal sancties voor reclame in de regel beperkt. De Ksa heeft in 2024 nog geen boete, lasten onder dwangsom of bindende aanwijzing opgelegd aan illegale aanbieder of bevorderaar, omdat de Ksa bovenstaande aanpak in de praktijk effectiever acht.
Welke taken, bevoegdheden en middelen heeft de Kansspelautoriteit (KSA) om op te treden tegen dit soort websites waarop consumenten worden verleid om geld te vergokken bij aanbieders die in Nederland illegaal zijn? Hoe vaak heeft de KSA vanaf 2021 waarschuwingen gestuurd naar websites om reclame voor illegale aanbieders te verwijderen en hoeveel andere sancties zijn er sindsdien opgelegd voor het faciliteren van reclame voor illegale aanbieders?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er in Nederland inmiddels een situatie is ontstaan waarin Nederlandse vergunde aanbieders van online kansspelen zich netjes aan de regels moeten houden, terwijl niet-Nederlandse vergunde online casino’s zonder beperking en zonder effectief toezicht en handhaving nog steeds toegankelijk lijken te zijn, ook voor minderjarigen? Zo ja, deelt u de mening dat dit een groot probleem is omdat minderjarigen zo niet worden beschermd en vergunde aanbieders op deze wijze ernstig benadeeld worden en dat dit probleem met urgentie moet worden aangepakt?
De evaluatie van de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) is 5 november jl. met uw Kamer gedeeld.4 De beleidsreactie op de evaluatie zal ik naar uw Kamer sturen voor het commissiedebat kansspelen op 27 maart 2025. Hierin zal ik met uw Kamer delen op welke wijze ik op basis van een nieuwe visie op kansspelen invulling geef aan de bescherming van mensen, in het bijzonder minderjarigen en jongvolwassenen, en de aanpak van illegaal aanbod. Uit de monitoringsrapportages van de Ksa van de afgelopen jaren blijkt dat illegaal aanbod en reclame daarvoor beschikbaar blijft, omdat er aanbieders zijn die er doelbewust voor kiezen om zich niet te houden aan wet- en regelgeving en ook geen bescherming willen bieden aan spelers, laat staan dat zij minderjarigen de toegang weigeren. Dit vind ik zeer onwenselijk. In mijn beantwoording op de Kamervragen van Tseggai over de Scholierenmonitor van het Trimbos-instituut, heb ik ook aangegeven dat de aanpak van illegaal aanbod een van de prioriteiten van mij en ook van de Ksa is.5 Hier heb ik ook aangegeven dat ik samen met de Ksa en het Trimbos-instituut kijk hoe kan worden onderzocht dat minderjarigen terecht komen bij (illegale) gokaanbieders.
Bij het mondelinge vragenuur van 10 september jl. heeft u toegezegd dit op Europees niveau te willen bespreken; kunt u aangeven welke stappen er sinds de toezegging hebben plaatsgevonden en op welke momenten de Kamer verder nog wordt geïnformeerd over de inzet van het kabinet bij deze gesprekken?
Tijdens het mondelinge vragenuur van 10 september jl. heb ik inderdaad aangegeven dat het een interessante route is om te kijken hoe ik samen met de Ksa verder kan samenwerken met andere landen, omdat dit een grensoverschrijdend probleem is.6 Het internet is niet gebonden aan landsgrenzen. Daarom neemt de Ksa ook deel aan het Gaming Regulators European Forum (Gref), een samenwerkingsverband van toezichthouders in een groot aantal landen in Europa op het gebied van kansspelen dat tot doel heeft kennis, ervaring en ideeën op het terrein van kansspelbeleid uit te wisselen en samenwerking op internationaal niveau te bevorderen.7 Onderdeel daarvan is een handhavingswerkgroep. Deze groep bevordert de uitwisseling van kennis en expertise m.b.t. de aanpak van illegale kansspelen. Het gaat hierbij onder andere om het delen van ervaringen op het gebied van onderzoekmethoden, -processen en de effectiviteit van interventies. Verder zal ik, om tot een effectievere handhaving op illegaal aanbod van kansspelen te komen, verkennen welke mogelijkheden er op Europees niveau liggen, zowel via het Gref als via de Europese Unie. Europese kansspelwetgeving is zeer versnipperd, maar ik zoek de mogelijkheden voor samenwerking op basis van bestaande wet- en regelgeving. Wanneer er nieuwe ontwikkelingen te melden zijn, zal ik uw Kamer daarover informeren in de volgende voortgangsrapportage over kansspelen op afstand.
Klopt het dat sinds enkele maanden de omzet van de legale online kansspelaanbieders lijkt af te nemen terwijl de omvang van de totale markt nauwelijks verandert? Zo ja, hoe verklaart u dat?
De Ksa rapporteert elke zes maanden over de ontwikkelingen van de online kansspelmarkt. De laatste rapportage is op 10 oktober jl. met uw Kamer gedeeld. De volgende monitoringsrapportage wordt in het voorjaar van 2025 verwacht. Het is nu voorbarig om uitspraken te doen over marktontwikkelingen.
De berichten dat criminelen op grote schaal actief zijn in de zorg |
|
Sarah Dobbe |
|
van Weel , Fleur Agema (PVV), Eppo Bruins (CU) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Onderwijsminister waarschuwt opleidingen voor fraude met zorgcertificaten»?1
Misstanden in de zorg waarbij sprake is van slechte kwaliteit van zorg, zorgfraude of zorgcriminaliteit zijn ernstig en moeten koste wat kost worden tegengegaan. Vanwege de financiële gevolgen en vooral ook vanwege de maatschappelijke gevolgen, bijvoorbeeld dat patiënten dan vaak niet de zorg krijgen die zij nodig hebben of in een extra kwetsbare positie terechtkomen. De verwevenheid met zware criminaliteit maakt dit zorgelijker.
Zoals in eerdere Kamerbrieven aangegeven, zijn verschillende partijen, zoals de Inspectie van het Onderwijs (IvhO), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Openbaar Ministerie (OM) en de betrokken ministeries, daarom gezamenlijk aan de slag om paal en perk te stellen aan misstanden in de zorg.2
De Minister van OCW heeft met zijn brief van 6 november 2024 mbo-instellingen verzocht om tot nader order voor een aantal opleidingscodes terughoudend te zijn met het in behandeling nemen van ervaringscertificaten (EVC) van EVC-aanbieders. Instellingen moeten er zeker van zijn dat het EVC-ervaringscertificaat deugdelijk is onderbouwd. De examencommissies zijn gewezen op hun wettelijke taak om zorgvuldig om te gaan met het verlenen van vrijstellingen. Op deze manier kunnen kwaadwillenden minder gemakkelijk via EVC aan een zorgdiploma komen.3 De Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) heeft op 8 november 2024 besloten om tijdelijk alle registratieaanvragen met een EVC-certificaat op te schorten om de betrouwbaarheid en kwaliteit van het register te waarborgen. Tegelijkertijd worden de registratieaanvragen nader onderzocht, worden de dossiers van eerdere registraties bekeken en wordt het proces rondom de registratie tegen het licht gehouden.
De relevantie hiervan wordt met de bevindingen, zoals aan de orde komen in de artikelen die u noemt, onderstreept. Het probleem vraagt ook om maatregelen ten behoeve van een integere en weerbare economie en maatschappij, zoals de zorgsector. Conform de in eerdergenoemde Kamerbrieven aan uw Kamer gedane toezegging, wordt u op korte termijn nader geïnformeerd over vervolgacties. Daar wordt op dit moment aan gewerkt op basis van een brede integrale benadering en in samenwerking met onder andere de betrokken ministeries, gemeenten, toezichthouders, opsporingsdiensten, zorgkantoren, zorgverzekeraars en opleiders. Het doel van de aanpak is om het zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminelen om nog in het zorgdomein actief te zijn en om de zorgsector weerbaarder te maken tegen criminelen. Er wordt op drie speerpunten ingezet om dit doel te bereiken. Het gaat om (1) het opwerpen van barrières, (2) het vergroten van de weerbaarheid en (3) het verstevigen van toezicht, handhaving en opsporing.
Wat is uw reactie op het bericht ««Drugshandelaren en plofkrakers op grote schaal» actief in de zorg, kwetsbare patiënten in gevaar»?2
Conform de in eerdergenoemde Kamerbrieven aan uw Kamer gedane toezegging, wordt u op korte termijn nader geïnformeerd over vervolgacties van onder andere de betrokken ministeries om gezamenlijk paal en perk te stellen aan de geschetste misstanden in de zorg.
Hoe kan het dat er van de 100 meldingen van diplomafraude die in 2023 door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) werden gedaan, geen enkele is opgepakt door de politie?
In de afweging of een aangifte wordt opgepakt door de politie worden onder verantwoordelijkheid van de Officier van Justitie verschillende aspecten afgewogen, waaronder de vraag of voldoende bewijs voorhanden is of de vraag hoe schaarse capaciteit binnen de opsporing het beste kan worden ingezet. In 2023 werden de meldingen van DUO die lokaal werden gedaan, nog niet gezien in het licht van de latere analyse van ondermijning in de zorg en de schakel die diplomafraude daarin blijkt te vormen.
Hoe kan het dat er van de 900 risicomeldingen die in twee jaar tijd door de Kamer van Koophandel (KvK) werden gedaan, geen enkele heeft geleid tot vervolging?
Het bestrijden van een maatschappelijk probleem als zorgcriminaliteit en zorgfraude vraagt om een ketenbrede inspanning. Het strafrecht moet worden gezien als ultimum remedium, naast de inzet van civiel- en bestuursrechtelijk toezicht en handhaving.
Het is van veel factoren afhankelijk of een risicomelding van de Kamer van Koophandel (KvK) leidt tot een onderzoek van een toezichthouder in de zorg of een opsporingsdienst en vervolgens tot vervolging. Zo weegt bijvoorbeeld mee of er al andere (onderzoeks)informatie of meldingen bekend zijn. In het algemeen geldt dat gelet op het moment van inschrijving bij de KvK en het dan gesignaleerde risico, er nog onvoldoende bekend is voor een toezichtsonderzoek dan wel het starten van een strafrechtelijk onderzoek of vervolging. In het traject verbeteren van screening aan de voorkant van zorgaanbieders, wordt het hele proces van inschrijving van een zorgonderneming tot aan het daadwerkelijke leveren van zorg onder de loep gehouden. Dat betekent dat ook wordt gekeken naar de werkwijze van KvK en de partijen die deze risicomeldingen ontvangen en de verbeteringen die daarin mogelijk zijn.
Bent u van plan om ervoor te zorgen dat de meldingen die worden gedaan van (mogelijke) zorgfraude daadwerkelijk worden opgepakt door de verantwoordelijke instanties en hier voldoende capaciteit voor vrij te maken?
Op de wijze waarop toezichthouders in het zorgdomein invulling geven aan hun taak en capaciteitsinzet, voeren zij eigenstandig beleid. Het Ministerie van VWS en de toezichthouders voeren structureel overleg om hen in staat te stellen hun taak zo optimaal mogelijk uit te oefenen. Opsporingsdiensten maken afspraken met het OM in de vorm van handhavingsarrangementen over de prioritering en capaciteit. Ook voor zorgfraude is er een handhavingsarrangement.
Beseft u dat het afbraakbeleid dat de afgelopen jaren op de zorg is gevoerd, via bezuinigingen, marktwerking en achtergebleven lonen en zeggenschap voor zorgverleners, de zorg tot een ideale prooi voor criminelen maakt, doordat zij misbruik kunnen maken van personeelstekorten en een enorm gebrek aan effectief toezicht op een zeer complex zorgsysteem? Zo ja, bent u bereid om te stoppen met dit afbraakbeleid?
Criminaliteit en fraude zijn strafbaar, maar ook van alle tijden. De aanpak van zorgfraude is opgenomen in het hoofdlijnenakkoord en is dus een prioriteit van dit kabinet. Er gaat dit jaar 109 miljard euro om in de zorg en dat trekt ook mensen met verkeerde bedoelingen aan. De problematiek van ondermijning en zware criminaliteit gaat verder dan het zorgdomein. Daarom pakt dit kabinet dit breed en in samenhang aan.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van zorg niet langer ten prooi vallen aan zorgcowboys?
In het zorgdomein zijn toetredingsdrempels opgeworpen met bijvoorbeeld de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) en lokale regelgeving van gemeenten. Er kan zowel wat betreft kwaliteit, rechtmatigheid als integriteit naar (het verleden van) bestuurders en zorgverleners worden gekeken, onder andere door het CIBG, de IGJ, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en gemeenten.
De doelgroep voor de vergunningplicht Wtza is per 1 januari 2025 uitgebreid. Vanaf dat moment moeten alle zorginstellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg beschikken over een toelatingsvergunning, ook de kleinere zorginstellingen met 10 of minder zorgverleners. Dat vergroot bijvoorbeeld de groep zorginstellingen van wie in het kader van de vergunningplicht een VOG verlangd kan worden en ten aanzien van wie een integriteitsbeoordeling op grond van de Wet Bibob kan worden uitgevoerd.
Het is aan inkopers van zorg om met inkoopbeleid, contractvoorwaarden en beheersmaatregelen in waarborgen te voorzien en zorgvuldig te zijn in met wie een contract wordt aangegaan of verlengd. Daarbij kan per 1 januari 2025 gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) biedt. Er is onder andere mogelijk gemaakt dat zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten elkaar voor frauderende zorgaanbieders, waaronder diens bestuurders en leidinggevenden, kunnen waarschuwen. Daarmee kan worden tegengegaan dat zij hun activiteiten elders voortzetten of anderszins opnieuw beginnen.
In aanvulling op het beleid dat gericht is op de zorginstellingen, geldt dat per 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium op de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) is opgeheven. Dit betekent dat weer volledig gehandhaafd gaat worden op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffing. De verwachting is dat hierdoor bij diverse instellingen minder zzp’ers en daarmee meer vaste gezichten op groepen met kwetsbare patiënten ingezet zullen worden. Gelet op de signalen dat sprake is van een toename van het aantal criminele zzp’ers in de zorg, kan voornoemde maatregel ook bijdragen aan veilige en goede zorg.
De Minister van VWS wil in het eerste kwartaal van 2025 het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) aan uw Kamer aanbieden. Met dat wetsvoorstel worden de weigerings- en intrekkingsgronden van een vergunning uitgebreid en kunnen zorgaanbieders waarvan niet aannemelijk is dat ze aan de voorwaarden voor het verlenen van goede en rechtsmatige zorg gaan voldoen, beter worden geweerd of gestopt.
Zoals bij vraag 1 aangegeven, heeft de Minister van OCW onderwijsinstellingen opgeroepen om terughoudend te zijn met het in behandeling nemen van EVC-certificaten voor een aantal opleidingen. Op deze manier wordt voorkomen dat te gemakkelijk vrijstellingen voor de gehele of een deel van een mbo-opleiding wordt gegeven op basis van een ondeugdelijk EVC-certificaat. Ook de SKJ heeft besloten om tijdelijk alle registratieaanvragen met een EVC-certificaat op te schorten om de betrouwbaarheid en kwaliteit van het register te waarborgen. Daarnaast voert de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) gericht kwaliteitsbezoeken uit bij leerbedrijven in de zorg om sneller in te kunnen grijpen bij malafide stagebedrijven in de zorg.
De Minister van JenV wijst erop dat werkgevers in de zorgsector bovendien kunnen vragen om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Werknemers en ondernemers kunnen met een VOG worden onderzocht op hun justitiële verleden.
De aanbesteding van rechtsbijstand aan Nederlandse ter doodveroordeelden |
|
Ulysse Ellian (VVD), Jan Paternotte (D66) |
|
Caspar Veldkamp (NSC), van Weel |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat een aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden ten behoeve van de bijstand aan Nederlanders die in het buitenland ter dood zijn veroordeeld of zouden kunnen worden?
Ja. Net als in 2020 is een meervoudige onderhandse aanbestedingsprocedure gevolgd.
Waarom zijn deze diensten met hetzelfde soort werk in diverse «lots» opgeknipt? Waren deze diensten eerder ook in diverse percelen opgeknipt?
Bij de meervoudige onderhandse aanbesteding in 2020 zijn meerdere Nederlandse partijen benaderd. Destijds heeft slechts één partij zich ingeschreven. Bij de nieuwe aanbesteding is ervoor gekozen de werkzaamheden te verdelen over drie percelen, zodat meer partijen, nationaal en internationaal, gecontracteerd konden worden. Het doel hiervan was meer expertise en ervaring ten gunste van de juridische bijstand van de Nederlandse gedetineerden te kunnen inzetten. Daarnaast biedt het contracteren van meerdere partijen de mogelijkheid dat partijen elkaar kunnen vervangen bijv. in geval van belangenconflict of benodigde flexibele capaciteit. Verder komt dit tegemoet aan de wens juridische bijstand niet alleen in individuele zaken in te zetten, maar ook beleidsmatig deze expertise te versterken ten behoeve van het afschaffen van de doodstraf wereldwijd.
Welke rol speelt de aantoonbare ervaring met bijstand aan Nederlandse gedetineerden die een organisatie wel of niet heeft en specifiek in de landen Indonesië en Iran?
Voor de aanbesteding is gezocht naar partijen met kennis, ervaring en een netwerk op het gebied van internationaal strafrecht en specifiek doodstrafzaken. Dit omvat ervaring met alle landen wereldwijd waar de doodstraf bestaat.
Waarom kan de uitkomst van deze aanbestedingsprocedure zijn dat een Engelse organisatie Nederlandse ter dood veroordeelden in het buitenland gaat bijstaan?
Zoals bij vraag 2 aangegeven was bij de meervoudige onderhandse aanbestedingsprocedure in 2020 weinig respons. Daarom zijn bij deze aanbesteding bewust ook potentiële buitenlandse partijen met ervaring in het bijstaan van gedetineerden uit meerdere landen uitgenodigd een offerte in te dienen.
Van belang is dat bij doodstrafzaken per definitie juridische bijstand moet worden geboden in niet-Nederlandse rechtsstelsels. Specifieke kennis, ervaring en een netwerk met betrekking tot dat lokale rechtsgebied en een goede communicatielijn in het betreffende detentieland, hebben voorop gestaan bij deze aanbesteding. Een lokale advocaat in het buitenland is cruciaal: deze advocaat moet goed kunnen communiceren met de lokale autoriteiten en organisaties. De Nederlandse taal is vooral relevant in de begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland (en hun thuisfront) op andere vlakken zoals consulaire bijstand, resocialisatie en zorg. Deze begeleiding wordt door consulair medewerkers van Buitenlandse Zaken en Nederlands sprekende subsidiepartners gedaan. In het bijzonder bij zaken met een risico op doodstraf wordt door consulair medewerkers een vinger aan de pols gehouden.
Waarom zou het in het belang van een Nederlandse ter dood veroordeelde in het buitenland zijn dat hij of zij wordt bijgestaan door mensen die geen Nederlands spreken, geen Nederlands netwerk hebben en het Nederlandse rechtssysteem niet kennen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke (ervarings-)deskundigen op het gebied van de doodstraf zijn betrokken geweest bij de samenstelling van de aanbestedingsprocedure?
Een team van ervaren consulaire beleidsmedewerkers en inkoopspecialisten is betrokken geweest bij de aanbestedingsprocedure. Buitenlandse Zaken heeft jarenlange ervaring op het gebied van het geven van consulaire bijstand. Ook heeft een marktverkenning naar Nederlandse en buitenlandse partijen die ervaring hebben met het bijstaan van buitenlandse gedetineerden bij doodstrafzaken plaatsgevonden en zijn partnerlanden benaderd voor uitwisseling van inzet, ervaring en strategie.
Vindt u het belangrijk dat Nederlandse ter dood veroordeelden in het buitenland juist worden bijgestaan door een organisatie met mensen die Nederlands spreken? Zo ja of nee, waarom?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om zorg te dragen dat Nederlanders in het buitenland die ter dood worden veroordeeld, worden bijgestaan door een Nederlandse organisatie? Zo ja of nee, waarom?
Zie antwoord vraag 4.
Vrijwillige verenigingsbestuurders die persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Struycken , Karremans |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving in NRC over vrijwillige verenigingsbestuurders die steeds vaker persoonlijk aansprakelijk gesteld worden?1 En heeft u kennisgenomen van het onderzoek van het Register voor Verenigingsbestuurders (RVVB) naar risico’s en bescherming van verenigingsbestuurders?2
Via de berichtgeving in de NRC hebben wij kennisgenomen van enkele resultaten uit het onderzoek van het Register voor Verenigingsbestuurders naar risico’s en bescherming van verenigingsbestuurders. Op het moment van het opstellen van de beantwoording van deze vragen was het onderzoek nog niet gepubliceerd. Wij kijken met interesse uit naar de volledige resultaten van het onderzoek.
Deelt u de mening dat we mensen die als vrijwilliger in een verenigingsbestuur een bijdrage aan de samenleving willen leveren moeten koesteren? Deelt u ook de mening dat wet- en regelgeving daarom zo min mogelijk moet ontmoedigen om als vrijwillige verenigingsbestuurder aan de slag te gaan?
Vrijwilligers zijn van onschatbare waarde voor de samenleving en wij delen de mening dat zij gekoesterd moeten worden. Ook delen wij de mening dat wet- en regelgeving daarom zo min mogelijk moet ontmoedigen om als vrijwillige verenigingsbestuurder aan de slag te gaan. Daarom werken wij samen met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst een aanpak uit om de regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen te verminderen.3 Wij streven ernaar u voor het einde van dit jaar hierover te kunnen informeren.
Heeft u in beeld hoe vaak per jaar vrijwillige verenigingsbestuurders aansprakelijk worden gesteld? Kunt u een inschatting geven of dit is toegenomen sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in 2021 (Wbtr)?
Graag verduidelijken wij dat de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (hierna: Wbtr)4 waar het de aansprakelijkheid van bestuurders5 van informele of niet-commerciële verenigingen6 betreft, enkel regels bevat voor hoofdelijke aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervullingin geval van faillissement. De Wbtr heeft geen verandering gebracht in de vóór de invoering van deze wet al bestaande regels voor hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van verenigingen buiten faillissement.
Vóór de inwerkingtreding van de Wbtr kon de curator bestuurders van informele en niet-commerciële verenigingen in faillissement nog niet aansprakelijk stellen wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in geval van faillissement. Zo’n vordering kon alleen ingesteld worden tegen bestuurders van formele en commerciële verenigingen. De Wbtr heeft deze lacune opgevuld en geregeld dat het bestuur van informele en niet-commerciële verenigingen in geval van faillissement van de vereniging aansprakelijk kan zijn wanneer het zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld én aannemelijk is dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.7 Ook bij een vereniging kan het immers voorkomen dat bestuurders zich schuldig maken aan fraude of vormen van ernstig taakverzuim. Als een vereniging als gevolg daarvan failliet gaat en daarbij bijvoorbeeld schuldeisers of werknemers benadeeld worden, dient de curator adequate instrumenten te hebben om de geleden schade te verhalen op het bestuur dat zijn taken ernstig heeft verzuimd.8 Een bestuurder is overigens niet aansprakelijk wanneer hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden.
Vanuit gepubliceerde rechterlijke uitspraken zijn ons op dit moment geen gevallen bekend waarin de curator een dergelijke aansprakelijkheidsvordering in faillissement heeft ingesteld ten aanzien van een (vrijwillige) bestuurder van een informele of niet-commerciële vereniging.9 Het is moeilijk te zeggen of het totaal aantal aansprakelijkheidsstellingen van verenigingsbestuurders is toegenomen. Niet alle aansprakelijkheidsstellingen hoeven immers tot gerechtelijke procedures te leiden. Op basis van het voorgaande is echter niet aannemelijk dat de Wbtr hier invloed op heeft gehad, aangezien de aanscherping van de aansprakelijkheidspositie van verenigingsbestuurders met deze wet zich beperkt tot aansprakelijkheid in faillissement van bestuurders van informele en niet-commerciële verenigingen. Bovendien is ons op dit moment hierover geen gepubliceerde rechtspraak bekend. Het vraagstuk van mogelijke toename van aansprakelijkheidsstellingen van bestuurders ten gevolge van de Wbtr zal worden betrokken bij de reeds aangekondigde wetsevaluatie van deze wet (zie over de evaluatie nader het antwoord op vraag 16).10
Klopt het dat het beoogde doel van de Wbtr was om de aansprakelijkheidspositie van bestuurders te verduidelijken, maar verder niet inhoudelijk te wijzigen?3
Het doel van de Wbtr is het verbeteren van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen.12 Als onderdeel daarvan zijn, zoals ook in het antwoord op de vorige vraag is toegelicht, de bepalingen over aansprakelijkheid bij faillissement die reeds golden voor formele en commerciële verenigingen ook komen te gelden voor bestuurders van informele en niet-commerciële verenigingen.13 Dit betreft wel degelijk een – zij het tot faillissementssituaties beperkte – aanscherping van de aansprakelijkheidspositie van bestuurders van verenigingen. Dit is ook zo gecommuniceerd door de rijksoverheid (zie het antwoord op uw volgende vraag).
De passage waar de vraag naar verwijst, ziet echter op de (evaluatie van de) Wet bestuur en toezicht 2011.14 Deze wet betrof met name bepalingen over bestuur en toezicht bij NV’s en BV’s. Het doel van die Wet bestuur en toezicht 2011 was inderdaad om de aansprakelijkheidspositie van bestuurders te verduidelijken, maar verder niet inhoudelijk te wijzigen. Uit de evaluatie van die wet in 2017 bleek dat dit doel bereikt werd.15
Klopt het dat bij de introductie van de Wbtr tevens werd gecommuniceerd dat vrijwillige verenigingsbestuurders niet hoefden te vrezen voor deze nieuwe wet?
Bij de introductie van de Wbtr is aandacht besteed aan de positie van vrijwillige verenigingsbestuurders. Om deze bestuurders op de hoogte te brengen van de voor hen geldende nieuwe bepalingen, is door de rijksoverheid een voorlichtingsprogramma gestart. Daarbij is niet gecommuniceerd dat verenigingsbestuurders niet hoefden te vrezen voor de Wbtr, maar is gewezen op de uitbreiding van de aansprakelijkheidsregeling in faillissement naar informele en niet-commerciële verenigingen. Dit is onder meer gebeurd in een in 2021 op de website van de rijksoverheid gepubliceerd informatieblad (factsheet) over de Wbtr.16 Ook de KvK wijst op haar webpagina over de Wbtr op deze aanpassing van de aansprakelijkheidsregeling.17
Hoe oordeelt u nu over de uiteindelijke werking van de Wbtr, gezien de eerste ervaringen dat de Wbtr desondanks toch tot meer aansprakelijkheidsclaims tegen vrijwillige verenigingsbestuurders heeft geleid?
Uit gepubliceerde rechterlijke uitspraken zijn ons vooralsnog geen gevallen bekend waarin door de curator gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van aansprakelijkheidsstelling van vrijwillige verenigingsbestuurders in geval van faillissement wegens onbehoorlijke taakvervulling zoals voorzien in de Wbtr. Zie het antwoord op vraag 3. Over de werking van de Wbtr kunnen nu nog geen uitspraken worden gedaan omdat de wet nog moet worden geëvalueerd. Bij de wetsevaluatie zal gekeken worden in hoeverre de met de Wbtr beoogde doelen zijn bereikt, ook meer specifiek ten aanzien van de aansprakelijkheidsregeling voor verenigingsbestuurders in faillissement (zie nader over de evaluatie het antwoord op vraag 16).
Op welke wijze is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Dam c.s. waarin verzocht werd bij het invoeren van de Wbtr actief de gevolgen van de wet te communiceren aan bestaande verenigingen en stichtingen?4
Aan de motie van het lid Van Dam c.s. is in 2021 uitvoering gegeven door een voorlichtingsprogramma vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid tezamen met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de Kamer van Koophandel (KvK), De Nederlandse Associatie (DNA) – een vereniging die Nederlandse brancheverenigingen, federaties, beroepsverenigingen, sportbonden en ledenorganisaties verenigt – en het Instituut voor Verenigingen, Branches en Beroepen (IVBB). Hierover zijn uw Kamer en de Eerste Kamer bericht.19
Dit voorlichtingsprogramma bestond uit het geven van publieksvoorlichting over de gevolgen van de wet op www.rijksoverheid.nl en de website van de KvK door middel van het voornoemde informatieblad over de wet en verscheidene instructievideo’s.20 De KNB heeft de Nederlandse notarissen ingelicht over deze wet zodat de notaris het contact met een vereniging kon aangrijpen om de verschillende aspecten van de wet aan de orde te stellen. Ook de organisaties DNA en IVBB hebben het informatieblad verspreid onder al haar leden.
Wat is uw reactie op de bevindingen van de RVVB dat een kwart van de ondervraagde verenigingsbestuurders aangeeft beperkt of helemaal niet op de hoogte te zijn van de risico’s die zij lopen als vrijwillig bestuurder? Hoe beoordeelt u in dat licht de effectiviteit van de uitvoering van de eerdergenoemde motie van het lid Van Dam c.s.?
Het voornoemde voorlichtingsprogramma over de Wbtr dateert uit 2021. Ook was die voorlichting beperkt tot uitleg over de in de Wbtr opgenomen aansprakelijkheidsregels in geval van faillissement. In de reactie op het «Onderzoek regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen»21 streeft het kabinet ernaar voor het einde van dit jaar nieuwe maatregelen aan te kondigen om vrijwilligersorganisaties te ondersteunen bij de toepassing van wet- en regelgeving in de uitvoering in algemene zin. Bovendien wordt er al ingezet op deskundigheidsbevordering van vrijwilligersorganisaties omtrent wettelijke verplichtingen door middel van de volgende reeds aangekondigde maatregelen22:
Wij verwachten dat deze maatregelen ook zullen bijdragen aan de bewustwording bij en kennis van verenigingsbestuurders over de mogelijkheid van bestuursaansprakelijkheid in het algemeen en bestuursaansprakelijkheid in faillissement onder de Wbtr in het bijzonder.
Deelt u, mede naar aanleiding van de voorbeelden die in het artikel van NRC en in het rapport van de RVVB genoemd worden, de mening dat de risico’s en problemen rond de Wbtr en de bestuursaansprakelijkheid die daarmee samenhangt niet enkel kunnen worden opgelost met behulp van verzekeringen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt de mogelijke zorgen die verenigingsbestuurders hebben over het risico op bestuursaansprakelijkheid serieus. De oplossing voor deze zorgen is niet enkel gelegen in het verzekeren van dit risico. Zoals wij in ons antwoord op de vorige vraag geschetst hebben, speelt met name publieksvoorlichting hierbij een belangrijke rol, in het bijzonder om mogelijke misvattingen rondom de Wbtr weg te nemen. Uit het hiervoor genoemde rapport «Regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen» bleek bijvoorbeeld dat er ten aanzien van de Wbtr sprake is van enkele «misvattingen» bij vrijwilligersorganisaties. Bijvoorbeeld over de verplichting om de statuten aan te passen, waardoor in de praktijk toch regeldruk wordt ervaren. De voornaamste aanbeveling van de onderzoekers op het terrein van de Wbtr is om deze misvattingen weg te nemen door te voorzien in informatie en communicatie over de Wbtr, specifiek in wat dit betekent voor vrijwilligersorganisaties.24 Niet alleen ten aanzien van de vraag naar het mogelijk aanpassen van statuten op grond van de Wbtr, maar ook ten aanzien van de aansprakelijkheid van vrijwillige bestuurders kunnen vragen en onduidelijkheid leven bij vrijwilligersorganisaties. De aansprakelijkheidsregeling in de Wbtr kent een beperkte reikwijdte, dat wil zeggen dat de wet is beperkt tot aansprakelijkheid in faillissement wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, maar wordt mogelijk in de praktijk breder opgevat. Het kabinet verwacht dat de in de vorige vraag genoemde maatregelen om vrijwilligersorganisaties te ondersteunen bij de uitvoering van wet- en regelgeving bij zullen dragen aan kennis over de Wbtr.
Kunt u, bijvoorbeeld samen met het Verbond van Verzekeraars, inzicht geven over hoeveel premie verzekeraars jaarlijks innen bij sportverenigingen (en gemeenten in het geval van de VNG vrijwilligersverzekering) en hoeveel zij daadwerkelijk jaarlijks aan schade uitkeren? Zo nee, waarom niet?
Wij hebben navraag gedaan bij de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Het is niet inzichtelijk hoeveel premie verzekeraars innen bij sportverenigingen en hoeveel schade zij uitkeren. Verzekeraars stellen geen informatie beschikbaar op dergelijk detailniveau. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat dit concurrentiële informatie betreft. De VNG heeft geen inzicht in deze gegevens, aangezien zij geen contractpartij is. Verzekeraars hebben contracten met afzonderlijke gemeenten.
De vrijwilligersverzekering is destijds ontwikkeld met Centraal Beheer Achmea. Uit de algemene informatie van Centraal Beheer Achmea blijkt dat meer dan 300 gemeenten meedoen aan de collectieve vrijwilligersverzekering die Centraal Beheer Achmea uitvoert.25 Hiermee zijn alle vrijwilligers in die gemeenten gezamenlijk verzekerd via de gemeente. Dat betekent dat alleen al langs die lijn vrijwilligers van circa 85% sportverenigingen verzekerd zijn, onder andere voor bestuursaansprakelijkheid. Het is aannemelijk dat een onbekend aantal vrijwilligersorganisaties zich daarnaast op eigen initiatief zelf verzekerd heeft, ofwel via hun eigen koepelorganisatie (sportbond).
Bent u bereid in overleg met de Nederlandse orde van advocaten gedragsregels op te stellen met als doel dat voorkomen wordt dat vrijwillige verenigingsbestuurders onnodig juridisch bedreigd worden? Zo nee, waarom niet?
Naast wet- en regelgeving (beroepsregels) kennen advocaten gedragsregels die door de beroepsgroep zelf worden vastgesteld. Deze zijn bedoeld als richtlijn voor de advocaat voor zijn handelen bij de uitoefening van de praktijk. De gedragsregels brengen de wettelijke betamelijkheidsnormen onder woorden waaraan advocaten zich zouden moeten houden in de zin van de artikelen 10a en 46 van de Advocatenwet. De gedragsregels beogen een richtlijn te zijn voor advocaten om hun doen en laten op af te stemmen. Het is uiteindelijk aan de tuchtrechter om een oordeel te vellen over de vraag of een handelwijze past bij de eisen die mogen worden gesteld aan de goede taakuitoefening van een behoorlijk advocaat. De gedragsregels binden daarbij de tuchtrechter niet, maar kleuren de uitleg van de wettelijke betamelijkheidsnormen wel in.
Uit zowel de Advocatenwet als de Gedragsregels 2018 volgt dat advocaten onafhankelijk en integer moeten zijn. Gelet op de bijzondere positie in het rechtsbestel zijn advocaten gehouden hun beroep op betamelijke wijze uit te oefenen.26 Een advocaat legt bovendien een eed of belofte af waarin hij zweert en belooft dat hij geen zaak zal aanraden of verdedigen die hij «in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn». Uit dit kader vloeit ook nu al voort dat advocaten geacht worden niet onnodig te procederen en hun beroep op een fatsoenlijke wijze te beoefenen. Onnodig juridische bedreiging past daar niet bij.
Daarnaast wijzen wij op de onafhankelijke positie van de advocatuur ten opzichte van de overheid. De Nederlandse orde van advocaten is een publiekrechtelijke beroepsorganisatie met eigen regelgevende bevoegdheden. Ten opzichte van de inhoud van deze gedragsregels past dan ook afstand vanuit de regering. Een overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten achten wij tegen deze achtergrond niet passend.
Op welke wijze kunnen vrijwillige verenigingsbestuurders veilig incidenten melden, zonder daar zelf juridische gevolgen van te ondervinden?
Er zijn verschillende soorten incidenten. Afhankelijk van het incident, kunnen bepaalde stappen ondernomen worden:
Op welke wijze zou volgens u georganiseerd kunnen worden dat vrijwillige verenigingsbestuurders op een laagdrempelige wijze direct toegang kunnen krijgen tot ondersteuning en begeleiding bij juridische conflictsituaties? Bent u bereid hiervoor een voorstel uit te werken?
Vrijwillige verenigingsbestuurders kunnen zich voor het inwinnen van juridisch advies wenden tot een rechtsbijstandverlener, bijvoorbeeld een advocaat of mediator. Op de website van Het Juridisch Loket kan bovendien iedereen juridische informatie, tips en voorbeeldbrieven vinden. Wanneer een vrijwillige verenigingsbestuurder een laag inkomen heeft, kan diegene ook persoonlijk worden geholpen door Het Juridisch Loket. Burgers met een juridisch probleem en een laag inkomen kunnen bovendien als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen aanspraak maken op gesubsidieerde rechtsbijstand. Voor veel sportverenigingen geldt al dat koepels een collectieve rechtsbijstandsverzekering hebben voor hun leden (zie hierover het antwoord op vraag 10). In andere gevallen komen de kosten van een rechtsbijstandsverlener voor eigen rekening. Verder bestaat voor vrijwillige verenigingsbestuurders de mogelijkheid om zich te verzekeren voor de kosten van rechtsbijstand. Wij zien gelet op de mogelijkheden die er al zijn geen aanleiding om een voorstel uit te werken.
Klopt het dat in de Wbtr uiteindelijk geen regeling is opgenomen om de drempel voor aansprakelijkheid van onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen en stichtingen te verhogen, terwijl dat in de oorspronkelijke versie van het wetsvoorstel wel was opgenomen?5
Nee, dit klopt niet. De regeling uit het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen, zoals oorspronkelijk ingediend bij uw Kamer in 2016 waarnaar in de vraag wordt verwezen, is eveneens onderdeel van de uiteindelijke wet.28 Het gaat daarbij om de regeling die bepaalt dat bij aansprakelijkheid in faillissement het zogenaamde bewijsvermoeden niet van toepassing is op zowel bezoldigde als onbezoldigde bestuurders van informele verenigingen en niet-commerciële verenigingen en stichtingen.29 Het bewijsvermoeden houdt in dat wanneer niet aan de jaarrekeningplicht of boekhoudplicht is voldaan, er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder is dan aansprakelijk jegens de vereniging of stichting, tenzij hij aantoont dat het faillissement niet veroorzaakt is door kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het is met het bewijsvermoeden eenvoudiger voor de curator de bestuurder aansprakelijk te stellen in geval van faillissement. Omdat het bewijsvermoeden niet van toepassing is op bestuurders van informele verenigingen en niet-commerciële verenigingen en stichtingen betekent dit dat wanneer zij de boekhouding niet op orde hebben, dit niet automatisch een reden voor aansprakelijkheid is. Daarmee is de drempel voor aansprakelijkheid in faillissement bij informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen hoger dan bij commerciële en formele verenigingen, commerciële stichtingen en semipublieke verenigingen en stichtingen. Hiermee is tegemoetgekomen aan de wens om rekening te houden met de verschillen in professionaliteit tussen bijvoorbeeld enerzijds tennisverenigingen en anderzijds woningcorporaties.30
Als het antwoord op vraag 14 bevestigend is, kunt u dan aangeven waarom een dergelijke regeling uiteindelijk niet in de wet is opgenomen? Zou u bereid zijn te bezien of er alsnog een dergelijke regeling in de wet opgenomen kan worden?
Zie het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid de wetsevaluatie van de Wbtr, die conform artikel XVIa binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet naar de Kamer gezonden moet worden, zo spoedig mogelijk uit te laten voeren? Bent u tevens bereid de brief met de verlening van de opdracht voor de wetevaluatie van tevoren met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Conform Artikel XVIA van de Wbtr moet een evaluatie van de wet voor 1 juli 2026 naar Uw Kamer worden verzonden. Dit betekent dat de evaluatie zal worden gestart op korte termijn, dat wil zeggen medio 2025. Deze wetsevaluatie zal zoals gebruikelijk worden uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het WODC is aldus de opdrachtgever van het evaluatieonderzoek en de onderzoeksinstelling die de evaluatie uitvoert de opdrachtnemer. Het kabinet is bereid de opdrachtbrief te delen maar vraagt begrip voor het feit dat de uiteindelijke inhoud van deze brief wordt bepaald door het WODC in samenwerking met de onderzoeksinstelling die de evaluatie uitvoert.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg Sport en Bewegen van 2 december 2024?
Ja, dat is mogelijk.
59 grote en kleine podiumgroepen en festivals die op het omvallen staan, ondanks een positief advies van het Fonds Podiumkunsten |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de 59 culturele instellingen met een positief advies van het Fonds Podiumkunsten wiens voortbestaan wordt bedreigd doordat er onvoldoende middelen zijn?
Ja, ik ben hiermee bekend. Uit de informatie die ik van het Fonds Podiumkunsten heb ontvangen, blijkt dat het aantal inmiddels met twee is gedaald. Dit heeft te maken met de terugtrekking van één gehonoreerde instelling, waardoor twee van de 59 instellingen alsnog gehonoreerd konden worden.
Kunt u een lijst opleveren van deze culturele ondernemingen en het gevraagde bedrag?
Ja, zie bijlage.
Wat gaat u doen om deze culturele ondernemingen te redden?
De gehele OCW-begroting is weliswaar ruim € 57 miljard, maar de cultuurbegroting (artikel 14) voor 2025 is daar maar een heel beperkt deel van (€ 1,4 miljard). In de ontwerpbegroting heb ik de uitgaven voor dit deel van de OCW-begroting, het uit te voeren beleid en de ambities voor 2025 toegelicht. Met de nota van wijziging is vervolgens invulling gegeven aan het OCW-aandeel in de rijksbrede subsidietaakstelling. Over de gehele OCW-begroting loopt dit op naar € 261 miljoen, voor cultuur komt deze taakstelling uit op € 10 miljoen. Hierbij heb ik het primaire proces zoveel mogelijk kunnen ontzien. Ik zie geen ruimte om op de cultuurbegroting nog eens ruim € 10 miljoen te vinden, zonder dat dit ten koste gaat van andere door de Kamer gedeelde prioriteiten.
Wel zal het Fonds Podiumkunsten eenmalig een frictiekostenvergoeding aan deze instellingen uitkeren.
Voor talentontwikkeling in de klassieke muziek heb ik een uitzondering gemaakt, omdat een volledige schakel, gericht op de doorstroom van jong talent naar de professionele beroepspraktijk of het kunstvakonderwijs, zou verdwijnen. Dekking hiervoor (€ 7,6 miljoen voor een periode van vier jaar) is gevonden op de begroting van het Fonds voor Cultuurparticipatie, aangevuld met een bijdrage vanuit de cultuurbegroting en van het Fonds Podiumkunsten.
Kunt u eenmalig € 10,9 miljoen vrijmaken voor deze culturele instellingen in 2025, nadat u eerder € 8 miljoen heeft gevonden voor klassieke jeugdkoren en jeugdorkesten? Zo nee, waarom lukt het u niet om eenmalig € 10,9 miljoen te vinden op een begroting van € 57.000 miljoen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is het wel gelukt om, gegeven de grootte van de Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)-begroting, de klassieke jeugdkoren en jeugdorkesten te helpen bij de augustusbesluitvorming en niet ook deze 59 culturele ondernemingen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het totale kapitaalvernietiging is om deze culturele ondernemingen nu subsidie te ontzeggen?
Het Fonds Podiumkunsten richt zich, net als de andere Rijkscultuurfondsen, in de financiering op vernieuwing van het culturele veld. Uitgangspunt is dus dat er ruimte is voor nieuwe aanvragers. Als er aanvragen van nieuwkomers worden gehonoreerd, dan moet er ook sprake zijn van afvallers die de vorige keer wel subsidie kregen.
Hoe reflecteert u op deze kaalslag in de culturele sector, bovenop de btw-verhoging, het ravijnjaar van gemeenten en de verhoging van de kansspelbelasting?
Ik ben mij ervan bewust dat een deel van de sector te maken krijgt met een stapeling van verschillende financiële maatregelen. Die zijn echter niet allemaal negatief. Zo worden er ook maatregelen genomen die zorgen voor een lastenverlichting voor burgers en bedrijven en worden er geen aanpassingen gedaan aan de giftenaftrek voor particulieren. Buiten deze fiscale maatregelen heeft het kabinet de verhoging van de BIS-middelen van het vorige kabinet overgenomen, waardoor er aanzienlijk meer geld beschikbaar is dan bij het begin van de vorige besluitvormingsronde.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de culturele en creatieve sector zal ik de impact van de fiscale maatregelen monitoren. Indien nodig kijk ik -binnen de financiële kaders van de OCW-begroting- naar mogelijkheden om het verdienvermogen van de sector te verbeteren.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg over cultuur beantwoorden?
Het contact dat Faissal Taghi mag hebben in de Extra Beveiligde Inrichting |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Coenradie |
|
![]() |
Klopt het dat Faissal Taghi in een groep is geplaatst en met die groep contact mag hebben in de Extra Beveiligde Inrichting?
Ik ga niet in op de situatie van individuele gedetineerden.
Waarom, wanneer en door wie is dit besloten?
Ik ga niet in op de situatie van individuele gedetineerden. In het algemeen geldt dat de selectiefunctionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens mij beslissen waar en in welk regime een gedetineerde wordt geplaatst. Bij de eerste plaatsing wordt een risicoprofiel vastgesteld waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Plaatsing in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) wordt zorgvuldig gewogen conform de procedure uit art. 26 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog). De directeur is bevoegd EBI-gedetineerden een cel aan te wijzen. Dit gebeurt op basis van het risicoprofiel en informatie van de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarbij geldt dat er over de samenstellingen van de compartimenten periodieke afstemming is tussen de DJI, de politie en het OM.
Bent u op de hoogte gesteld van de beslissing om Faissal Taghi in een groep te plaatsen?
Ik heb zeer regelmatig contact met DJI, ook over individuele casuïstiek. Ik ga niet in op welke casuïstiek dat betreft.
Hoeveel gedetineerden in de Extra Beveiligde Inrichting hebben nu een individueel programma en mogen dus geen contact met anderen hebben zoals verzocht in de aangenomen motie Ellian (24 587, nr. 969)?
Het wettelijk uitgangspunt is dat een gedetineerde op de EBI in een individueel programma wordt geplaatst. De EBI kent bovendien een sober dagprogramma. Een EBI-gedetineerde brengt (afgezien van bijvoorbeeld advocatenbezoeken) circa 21 uur per dag alleen op cel door.
Wanneer het vanuit veiligheidsoverwegingen verantwoord is kan de directeur, na afstemming met het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid van DJI, het OM en de politie, besluiten om een gedetineerde in een kleine groep de activiteiten van het dagprogramma te laten volgen. De samenstelling van deze groepen wordt periodiek door DJI, het OM en de politie getoetst.
Voor meer gedetailleerde informatie over aantallen verwijs ik naar de vertrouwelijke technische briefing over de EBI, die op 19 november plaatsvindt. Op de genoemde motie ga ik in het antwoord op vraag 5 nader in.
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan deze motie waarmee uitdrukkelijk bedoeld is dat leden van het crimineel samenwerkingsverband van Ridouan Taghi geen contact mogen hebben met andere gedetineerden in de Extra Beveiligde Inrichting?
Naar aanleiding van de aangenomen motie waar in de vraag naar verwezen wordt, hebben DJI, OM en politie de samenstelling van de kleine groepen en de programma’s extra tegen het licht gehouden. Dat is conform de appreciatie die ik heb uitgesproken bij de indiening van de motie op 11 september jl.
Deze (her)beoordeling, die ook extra kan plaatsvinden naar aanleiding van ontwikkelingen of gebeurtenissen, blijft periodiek plaatsvinden, zoals ook al gebruikelijk was. Ik hecht eraan dat deze beoordeling plaatsvindt op basis van expertise en (veiligheids)informatie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen een week beantwoorden?
Ik heb de vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoord.