De lozing van chemicaliën op de Waddenzee door Friesland Campina. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de lozing van chemicaliën, waaronder het industriële schoonmaakmiddel Divosan Delladet, door FrieslandCampina in de Waddenzee?
Ja, ik ben op de hoogte van de indirecte lozing die uiteindelijk in de Waddenzee terechtkomt.
Wat vindt u van het feit dat FrieslandCampina jaarlijks 938 kilo van een middel loost dat volgens het veiligheidsinformatieblad «zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen» is?
Het bevoegd gezag, in dit geval het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen (in het vervolg: de provincie of de provincie Groningen), gaat over de beoordeling van deze indirecte lozing, het toestaan daarvan door middel van een omgevingsvergunning en het actualiseren van de lozingsvoorschriften in de omgevingsvergunning.
Specifiek voor deze indirecte lozing van FrieslandCampina is van het bevoegd gezag, de provincie Groningen, begrepen dat de provincie een actualisatieprocedure heeft opgestart. Binnen de actualisatie van de omgevingsvergunning worden ook de lozingsvoorschriften geactualiseerd.
De vergunningprocedure bestaat uit verschillende stappen die ter toelichting hierna worden uitgelegd.
De eerste stappen van de beoordeling bestaan uit het voorkomen van emissies. Er wordt beoordeeld hoe schadelijk stoffen zijn vanuit het oogpunt van de waterkwaliteit. Daarbij wordt gekeken welke stoffen vervangen kunnen worden door andere minder schadelijke stoffen.
De tweede stap gaat om het minimaliseren van de emissie. Hierbij wordt er getoetst in welke technieken voor het zuiveren van de afvalwaterstroom technisch en economisch haalbaar zijn. In alle gevallen zal de degene die de activiteit verricht de Beste Beschikbare Technieken (BBT) moeten toepassen om emissies te voorkomen én te beperken. Het toepassen van BBT is een doelmatige methode om emissies te minimaliseren.
Met het zuiveren van afvalwater wordt vrijwel nooit alle stoffen volledig verwijderd. Er zal een restemissie overblijven. In de derde stap van het beoordelingskader wordt gekeken of de overgebleven immissie past binnen de normen die gesteld zijn aan het ontvangend oppervlaktewater. Indien de restemissie te groot is en daarmee een te grootte impact heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater zullen aanvullende maatregelen genomen moeten worden om de emissies verder te beperken. Alleen wanneer aan alle drie de stappen voldaan kan worden, wordt de vergunning afgegeven. Een schematische weergave van deze stappen is te zien in figuur 1.
Figuur 1: schematische weergave beoordeling wateremissie
Is er inzicht in de precieze samenstelling en concentraties van de chemicaliën die worden geloosd door FrieslandCampina? Indien niet, bent u bereid om onderzoek te initiëren om volledige transparantie te verkrijgen?
Op dit moment wordt er gewerkt aan het bezien en herzien van vergunningen in een landelijke actualisatieslag. In het kader van deze actualisatieslag wordt ook de vergunning van FrieslandCampina geactualiseerd door de provincie Groningen.
De actualisatie van de geldende vergunning is gestart in 2023 door informatie op te halen bij FrieslandCampina. Een onderdeel hiervan is het actualiseren van de lijst stoffen die worden geloosd door FrieslandCampina. De precieze samenstelling van de geloosde chemicaliën zijn bekend bij het bevoegd gezag, de provincie Groningen. De provincie Groningen heeft aangegeven dat er verwacht wordt dat er dit kwartaal nog een vernieuwde en, indien nodig aangescherpte, vergunning verleend zal worden.
Klopt het dat FrieslandCampina ook lozingen doet van stoffen waarvan niet bekend is wat de langetermijnimpact op het milieu is? Zo ja, hoe beoordeelt u dit vanuit het voorzorgsprincipe en de verplichtingen die Nederland heeft in het kader van bescherming van de Waddenzee?
De impact van een lozing wordt beoordeeld door middel van het Handboek immissietoets. Daarin wordt aangegeven dat de beste beschikbare technieken toegepast moeten worden om de impact te voorkomen en te beperken. Lozingen worden vervolgens alleen vergund wanneer de effecten van de lozing geen significante milieuverontreiniging veroorzaken. Zonder deze informatie kan geen vergunning worden verleend.
FrieslandCampina loost een aantal stoffen waarvoor er waterkwaliteitsnormen zijn vastgesteld. Voor de lozing van deze stoffen zijn de preventie, verminderen en toetsen stappen van de vergunningverlening al doorlopen en zijn de beste beschikbare technieken toegepast. Voor een aantal andere stoffen is nog geen waterkwaliteitsnorm in de regelgeving opgenomen. Voor deze stoffen moeten ook de beste beschikbare technieken worden toegepast, maar vervolgens moet er verder onderzoek worden gedaan naar deze stoffen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door FrieslandCampina en getoetst door de provincie Groningen, die hiervoor een termijn stelt in de actualisatievergunning. Wanneer deze onderzoeken zijn afgerond, kunnen strengere lozingsvoorschriften opgelegd worden wanneer de provincie dit nodig acht. Op deze manier kunnen de lozingseisen al op korte termijn aangescherpt worden voor de bekende stoffen én voldoende onderzoek gedaan worden naar de nog niet genormeerde stoffen.
Wat is uw reactie op de conclusie van Milieubureau Tauw dat er «mogelijk negatieve effecten» op het ontvangende water te verwachten zijn en dat de lozing «bezwaarlijk» is?
De provincie Groningen is verantwoordelijk voor het beoordelen en toestaan van de indirecte lozing, waarbij elke stof wordt geanalyseerd waarvan bekend is dat die wordt geloosd. De provincie Groningen heeft het initiatief genomen om de vergunning van FrieslandCampina te actualiseren. Bij de actualisatieprocedure is FrieslandCampina gevraagd om actuele informatie over de lozing aan te leveren wat wordt getoetst door het bevoegd gezag. Om deze informatie te kunnen verstrekken heeft FrieslandCampina het adviesbureau Tauw B.V. ingeschakeld. Tauw heeft onder andere de algemene beoordelingsmethodiek en een immissietoets uitgevoerd voor de indirecte lozing van FrieslandCampina.
Deze toetsen zullen worden beoordeeld door het bevoegd gezag, de provincie Groningen, waarbij Rijkswaterstaat een adviesrol heeft. Wanneer het bevoegd gezag oordeelt dat de lozing van de stof niet toelaatbaar is, dan zal deze stof in de hernieuwde vergunning niet worden toegelaten.
In hoeverre is het toegestaan om dergelijke stoffen in de Waddenzee te lozen?
Degene die de activiteit wil gaan verrichten moet aantonen dat er wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken (BBT) om de lozing te voorkomen, bijvoorbeeld schadelijk stoffen vervangen door andere stoffen, en het minimaliseren van de lozing, bijvoorbeeld een extra zuiveringsstap toevoegen. Tevens wordt er rekening gehouden met de effecten van de nog resterende lozingen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (immissietoets). Zie voor een uitgebreidere uitleg van het vergunningverleningsproces ook het antwoord bij vraag 2.
Het bevoegd gezag kan als vergunningvoorschrift ook een onderzoeksverplichting of een minimalisatieplicht opleggen om de lozing af te bouwen. Alleen als een bedrijf kan voldoen aan alle strikte voorwaarden die gesteld worden aan het gebruik, waaronder de toepassing van de best beschikbare technieken om emissies zoveel als mogelijk te beperken en de immissietoets, dan kan een vergunning worden afgegeven.
Hoe verhouden deze lozingen zich tot nationale en internationale regelgeving, zoals de Europese Kaderrichtlijn Water, de Natuurherstelverordening en de Vogel- en Habitatrichtlijn (graag een onderbouwing met de vermelding van relevante wet- en regelgeving en artikelen)?
Voor de lozingen zijn met name de Kaderrichtlijn Water, de Richtlijn industriële emissie en de Richtlijn stedelijk afvalwater van belang. Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de Omgevingswet en de daaronder hangende regelgeving. Deze activiteit, de indirecte lozing, is onder de Omgevingswet aangewezen als milieubelastende activiteit, waarvoor een vergunningplicht geldt.
In artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de vergunningverlening van milieubelastende activiteiten. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit mag onder andere alleen worden verleend indien:
In artikel 8.9 van het Bkl is ook geregeld dat bij de beoordeling of hieraan wordt voldaan ook rekening wordt gehouden met het Handboek immissietoets. Met behulp van het Handboek immissietoets wordt beoordeeld of in de nabijheid van de lozing (op de grens van de mengzone) wordt voldaan aan de geldende waterkwaliteitsdoelstellingen. In het Handboek immissietoets uit 2019 is ook beschreven hoe de toetsing bij (indirecte) lozingen plaatsvindt in verband met Natura-2000 gebieden.
Voor een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen is in artikel 8.22 van het Bkl verder geregeld dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
In artikelen 5.38 en verder van de Omgevingswet zijn regels opgenomen over de actualisatie, wijziging en intrekking van vergunningen. Op grond van artikel 5.38 van de Omgevingswet beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. In artikel 8.99, eerste lid, van het Bkl is geregeld dat het bevoegd gezag vervolgens verplicht is de vergunningvoorschriften te wijzigen indien hieruit blijkt dat de milieuverontreiniging die de activiteit veroorzaakt:
Het derde lid van artikel 8.99 van het Bkl geeft aan in welke gevallen in elk geval sprake is van ontwikkelingen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
In artikel 8.97 van het Bkl is de bevoegdheid van het bevoegd gezag geregeld om vergunningvoorschriften te wijzigen. Dat kan op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd.
Welke concrete stappen onderneemt u om lozingen van potentieel schadelijke stoffen in Natura2000-gebieden zoals de Waddenzee te beperken of te voorkomen, op welke termijn en wat zijn de meetbare resultaten van al gedane inspanningen?
De vergunningverleningsprocedure toetst de lozing aan de waterkwaliteits- doelstellingen en de effecten op het milieu. Het Natura2000-gebied van de Waddenzee is hierop geen uitzondering. Het is daarbij van belang dat alle bestaande vergunningen met regelmaat worden bezien en zo nodig herzien, zodat voorschriften in lijn zijn met de ontwikkelingen van technische mogelijkheden tot het beschermen en de kwaliteit van het milieu. Daarom is Rijkswaterstaat bezig met een traject waarbij vergunningen van lozingen op rijkswateren worden bezien en zo nodig herzien. Dit traject zal ervoor zorgen dat alle lozingsvergunningen van Rijkswaterstaat uiterlijk 2033 bezien en zo nodig herzien zijn. De vergunningen die relevant zijn voor de KRW zijn uiterlijk 2027 geactualiseerd.
Daarnaast loopt er een traject vanuit het Ministerie van IenW waarbij we het vergunningen-, toezichts- en handhavingsstelsel van de afvalwaterketen evalueren. In de evaluatie wordt beoordeeld of het VTH-stelsel functioneert zoals bedoeld en voldoet aan de huidige eisen. Het doel hiervan is om een advies te geven over mogelijke stelsel- en wetswijzigingen die de waterkwaliteit beter kunnen beschermen.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie waarbij de vergunningverlener, de provincie Groningen, niet weet sinds wanneer de lozing van deze stoffen plaatsvindt? Wat gaat u doen om daar verandering in te brengen?
In de vergunningaanvraag worden alle stoffen beoordeeld die worden aangeleverd door de initiatiefnemer en waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat ze in de lozing aanwezig kunnen zijn. De geldende vergunning uit 2009 wordt op dit moment geactualiseerd om de lozing te kunnen toetsen aan de voortschrijdende inzichten in beste beschikbare technieken en ontwikkelingen rondom de bescherming van de waterkwaliteit. Daarbij is het mogelijk dat er tot nieuwe inzichten wordt gekomen.
Er is van de provincie Groningen begrepen dat in de actualisatievergunning die zal worden opgesteld, de toegestane hulpstoffen expliciet worden opgenomen. Ook heb is begrepen dat de verwachting is dat er een voorschrift aan de vergunning verbonden wordt waarin is bepaald dat een register moet worden bijgehouden van de (hulp)stoffen die via het afvalwater kunnen worden geloosd.
Wat vindt u van de aanpak waarbij in de ontwerpvergunning wordt voorgeschreven dat het bedrijf moet onderzoeken of het gebruik van de middelen verminderd kan worden, zonder concrete gehaltes te specificeren?
Het vergunningentraject heeft als doel om emissies en negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen en te beperken. Om te beoordelen of een lozing verder voorkomen of verminder kan worden, wordt er gekeken naar de Beste Beschikbare Technieken (BBT). De BBT geeft aan welke inspanningen er in ieder geval van een bedrijf verwacht wordt, voordat er bij de restlozing beoordeeld wordt of dit kan voldoen aan de waterkwaliteitsdoelstellingen.
De lozing moet dus eerst zoveel mogelijk voorkomen of verminderd worden. Wanneer er specifieke concentraties worden genoemd om aan te voldoen, dan bestaat dan het risico dat er naar deze gehaltes toegewerkt wordt en de lozing niet maximaal geminimaliseerd of zelfs voorkomen wordt, terwijl dat wel mogelijk is. Het doel hierbij is dus niet om onder een norm te kunnen lozen, maar om zo min mogelijk te lozen. Het niet specificeren van de maximale gehaltes van de middelen in de lozing is dan ook de gebruikelijke aanpak.
Deelt u de mening van milieuorganisaties dat de gezondheid van de Waddenzee als uitgangspunt moet worden genomen bij het verlenen van vergunningen?
De vigerende wet- en regelgeving heeft als doel om het milieu van Nederland, waaronder kwetsbare natuurgebieden zoals de Waddenzee, te beschermen. Bij vergunningverlening wordt aan deze wet- en regelgeving getoetst. De invloed van activiteiten op de kwaliteit van het milieu is op deze manier ook opgenomen als één van de factoren waarop activiteiten beoordeeld moeten worden.
Hoe beoordeelt u de dagelijkse lozing van zeven miljoen liter afvalwater dat nog steeds zuivelresten en meststoffen bevat, in een UNESCO Werelderfgoed-gebied?
Zoals aangegeven is in het antwoord op vraag 2, wordt er voor elke afzonderlijke lozing en elke stof beoordeeld of de lozing kan worden voorkomen of geminimaliseerd, en vervolgens getoetst aan alle normen. Ik vertrouw erop dat het bevoegd gezag een lozing goed analyseert en deze toetst met gebruik van de beoordelingsrichtlijnen zoals beschreven in het Handboek immissietoets en de algemene beoordelingsmethodiek.
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen FrieslandCampina of andere bedrijven die de Waddenzee vervuilen, bijvoorbeeld door de herziening en aanscherping van vergunningen? Zo ja, op welke termijn en voor welke bedrijven en lozingen specifiek?
Om de waterkwaliteit van de Waddenzee te beschermen, is het van belang dat de lozingen op de Waddenzee goed in beeld zijn en actueel zijn. Op dit moment wordt de omgevingsvergunning van FrieslandCampina geactualiseerd. Het is aan het bevoegd gezag, de provincie Groningen, om de vergunning te herzien en de lozingsvoorschriften aan te scherpen. Rijkswaterstaat is daarbij intensief betrokken. De ontwerpvergunning voor FrieslandCampina heeft ter inzage gelegen. Van de provincie Groningen heb ik begrepen dat de verwachting is dat dit kwartaal de vernieuwde vergunning verleend zal worden.
Hoe beoordeelt u (wetenschappelijk onderbouwd) de situatie waarin lozingen van warm water plaatsvinden op het droogvallende wad, wat mogelijk verstorende effecten kan hebben?
Specifiek voor warmtelozingen heeft de Commissie Integraal Waterbeheer een beoordelingssystematiek voor warmtelozingen opgesteld. Deze systematiek en de toetsingscriteria zijn gebaseerd op literatuurstudies van beschikbare wetenschappelijke literatuur. Deze beoordelingssystematiek geeft, naast de Algemene Beoordelingsmethode en het Handboek immissietoets, inzicht in het effect van een warmtelozing op het waterlichaam waarop uiteindelijk geloosd wordt.
Hoe beoordeelt u de situatie waarbij het geloosde afvalwater in strijd is met de regels omdat het menggebied de bodem raakt?
Dit is niet aan mij om te beoordelen, maar aan het bevoegd gezag, de provincie Groningen. Van de provincie is begrepen dat de warmtelozing verder onderzocht moet worden. De provincie heeft aangegeven dat de informatie die is opgevraagd bij het bedrijf over de temperatuur van de lozing niet voldoende aanwezig was. Het is van belang dat de temperatuur van de lozing jaarrond gemeten wordt. Wanneer deze metingen compleet zijn, dan kan een volledige afweging gemaakt worden van effect van de lozing op de Waddenzee.
Dit aanvullend onderzoek zal naar verwachting onderdeel zijn van de geactualiseerde vergunning die naar verwachting dit kwartaal door de provincie Groningen verleend zal worden. Hierdoor kan de vergunning met aangescherpte lozingsvoorschriften al vergeven worden, terwijl het warmteonderzoek gedegen uitgevoerd kan worden. Dit onderzoek wordt beoordeeld door de provincie Groningen waarbij Rijkswaterstaat als adviseur optreedt. Na het onderzoek kunnen er aanvullende acties of maatregelen aan de lozingsvoorschriften toegevoegd worden.
Welke concrete stappen onderneemt u om te garanderen dat de definitieve vergunning volledig in lijn is met de nationale en Europese milieu- en natuurbeschermingseisen voor de Waddenzee, hoe ziet u uw verantwoordelijkheid in dit proces en op welke wijze heeft u hier contact over met de provincie Groningen?
Het bevoegd gezag, de provincie Groningen, is verantwoordelijk voor de actualisatie van de omgevingsvergunning en daarin de lozingsvoorschriften van FrieslandCampina. Een ontwerpbesluit daartoe heeft reeds ter inzage gelegen. Momenteel wordt de definitieve vergunning voorbereid. Bij de actualisatie is Rijkswaterstaat als adviseur betrokken. Ik heb er vertrouwen in dat in het kader van de actualisatie van de omgevingsvergunning adequate lozingsvoorschriften aan de vergunning worden verbonden, waardoor de vergunning in lijn is met de nationale en Europese milieu- en natuurbeschermingseisen voor de Waddenzee.
Kunt u alle vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Private equity die jaagt op corporatiemiljarden |
|
Jimmy Dijk |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennis genomen van het artikel in de NUL020 over private equity die jaagt op corporatiemiljarden? Zo ja, wat vindt u van dit artikel?1
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel. In het artikel wordt ingegaan op enkele private equity bedrijven die investeren in onderhouds- en renovatiebedrijven. In een open economie is het gebruikelijk dat bedrijven en partijen investeren in andere bedrijven, waaronder onderhouds- en renovatiebedrijven- die voor woningcorporaties opdrachten uitvoeren.
Bent u op de hoogte van het feit dat private equity zich de laatste jaren steeds meer ontfermt over onderhouds- en verbeterbedrijven in de bouw?2 Vindt u dit een goede ontwikkeling? Zo ja kunt u dit onderbouwen? Zo nee, wat gaat u hier aan doen?
De markt voor het onderhouden van huurwoningen van woningcorporaties is tot nu toe erg versnipperd en is in handen van veelal lokale en relatief kleine onderhouds- en renovatiebedrijven. De laatste jaren zijn er ook private equity bedrijven actief op deze markt door te investeren in deze onderhouds- en renovatiebedrijven. Zij proberen de winstgevendheid van bedrijven waarin zij investeren te vergroten. Veelal gebeurt dat door verschillende bedrijven samen te voegen en op die manier efficiënter te werken. Daarnaast kunnen de samengevoegde onderhoudsbedrijven door de schaalgrootte grote opdrachten aannemen. Deze ontwikkeling past binnen een open economie en ik zie vooralsnog geen signalen die mij zorgen baren.
Wist u dat de kosten voor woningcorporaties enorm omhoog gaan door deze private equity-overnames? Wat vindt u van deze ontwikkeling? Wat gaat u hiertegen doen?3
De toezichthouder Autoriteit woningcorporaties (hierna Aw) constateert in de Staat van de corporatiesector 20234 dat de uitgaven aan onderhoud en verbetering, gecorrigeerd voor de algemene bouwkostenstijging, in de periode 2018 t/m 2022 een bescheiden toename laten zien. De Aw constateert dat deze bescheiden toename wijst op extra onderhoud en verbetering door woningcorporaties, maar dat niet precies is vast te stellen hoeveel omdat niet bekend is waar het geld precies aan uit is gegeven. Op basis van deze informatie deel ik de stelling dan ook niet dat de kosten voor woningcorporaties enorm omhoog zijn gegaan als gevolg van private equity overnames bij onderhouds- en renovatiebedrijven.
De Aw geeft wel aan te zien dat er een toename is van private equity overnames bij onderhoudsbedrijven die voor woningcorporaties werken. Volgens de Aw is dit een ontwikkeling om kritisch te volgen, aangezien dit bij andere sectoren tot prijsstijgingen heeft geleid. De Aw trekt echter niet de conclusie dat de bescheiden toename in de uitgaven aan onderhoud en verbetering is toe te schrijven aan private equity overnames. De toezichthouder adviseert woningcorporaties wel om zoveel mogelijk de regie in eigen handen te houden. Deze aanbeveling van de Aw onderschrijf ik.
Heeft u kennis genomen van het feit dat de jaarlijkse kosten voor onderhoud in vijf jaar tijd zijn gestegen van ruim 1.100 euro naar meer dan 1.400 euro per corporatiewoning?4 Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, wat gaat u hier aan doen?
De genoemde uitgaven zijn afkomstig uit de Aedes benchmark van 2023 en hebben enkel betrekking op planmatig onderhoud. Voor de beoordeling van de toename van de totale onderhoudsuitgaven dient ook rekening te worden gehouden met de uitgaven aan mutatie- en reparatieonderhoud. Het een heeft namelijk invloed op het ander. Zo zal het reparatieonderhoud doorgaans afnemen nadat er planmatig onderhoud is uitgevoerd. Voor de beoordeling van de toename van de totale onderhoudslasten in de periode 2018 t/m 2022 verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Wat betekent deze instroom van private equity in de praktijk voor de corporaties? Kunt u dit onderbouwen? [4]
Woningcorporaties hebben een grote volkshuisvestelijke taak in het onderhouden en verduurzamen van hun huurwoningen. Daarnaast hebben woningcorporaties een grote opgave in het toevoegen van nieuwbouwwoningen en in het voorzien van betaalbare huurwoningen en leefbare wijken. Gezien deze grote opgave is het een goede ontwikkeling dat woningcorporaties zich verder blijven professionaliseren en daarbij ook kritisch kijken naar de partners aan wie zij hun onderhouds- en renovatiewerkzaamheden uitbesteden. Ook is het goed dat woningcorporaties continue kijken naar mogelijkheden om de manier waarop zij zaken met bedrijven doen te verbeteren. Woningcorporaties kunnen daarbij mogelijk kosten besparen door via schaalvergroting efficiënter te werken. Dat vereist ook dat er onderhouds- en renovatiebedrijven beschikbaar zijn die grote(re) opdrachten kunnen uitvoeren. Schaalvergroting aan de kant van deze onderhoudsbedrijven kan vanuit dat perspectief bijdragen aan bij de behoefte van woningcorporaties. Daarbij dient de corporatie uiteraard de kwaliteit van het geleverde werk in de gaten te houden.
Wat vindt u van het feit dat opgekochte bedrijven door private equity op den duur zo machtig worden dat ze hogere prijzen gaan vragen, zeker op een markt met schaarse arbeidskrachten? Wat gaat u daar aan doen?
Zoals hiervoor aangegeven worden de onderhouds- en renovatiewerkzaamheden veelal uitgevoerd door lokale aannemers. Dat private equity bedrijven overnames doen in deze sector is op zichzelf geen zorgwekkende ontwikkeling en er zijn mij geen signalen bekend dat deze overnames momenteel leiden tot een overmatige marktconcentratie en bovenmatige prijsstijgingen. Het kan ook juist een positieve ontwikkeling zijn als deze onderhoudsbedrijven door samenvoeging efficiënter en effectiever te werk gaan. Bij voldoende aanbieders op de markt leidt dit tot gezonde marktwerking en kan schaalvergroting juist leiden tot lagere inkoopprijzen voor woningcorporaties. Juist in een sector waarin er krapte is op de arbeidsmarkt is efficiency en innovatie nodig om de noodzakelijke onderhouds- en renovatiewerkzaamheden uitgevoerd te krijgen. Corporaties kunnen er daarnaast ook voor kiezen om een groot deel van het onderhoudswerk door een eigen interne onderhoudsdienst te laten uitvoeren. Niettemin deel ik de mening van de Aw dat we de ontwikkelingen rondom private equity en schaalvergroting in de sector voor onderhoudsbedrijven goed moeten blijven volgen. Tot slot wordt door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht gehouden op overnames en fusies. De ACM toetst of fusies en overnames die moeten worden gemeld een negatief effect hebben op de mededinging en voorkomt daarmee dat er een machtspositie kan ontstaan of dat deze wordt versterkt.
Bent u bekend met het recente onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en Maastricht Universiteit waaruit blijkt dat tienduizenden mensen met een diploma in de zorg of het onderwijs niet werkzaam zijn in het beroep waarvoor ze zijn opgeleid?1 2 3
Ja. Het krantenartikel behandelt een onderzoek waarover in februari 2024 gepubliceerd werd in ESB4 en waarover het Kamerlid De Kort (VVD) toen ook vragen stelde aan mij. Die zijn op 10 april beantwoord.5
Hoe verklaart u dat de «stille reserve» van, sinds 2000 afgestudeerden, gekwalificeerde docenten (62.000 personen) en verpleegkundigen (28.000 personen) aanzienlijk groter is dan de huidige tekorten in respectievelijk het onderwijs en de zorg?
Ik wil nogmaals benadrukken dat het belangrijk is en goed voor het onderwijs, dat mensen die voor het beroep leraar kiezen ook voor de klas willen blijven staan en hiertoe aangemoedigd worden. Datzelfde geldt voor de mensen die ervoor kiezen om als verpleegkundige aan de slag te gaan. Deze professionals moeten we koesteren zodat zij hun belangrijke werk in de zorg en het onderwijs kunnen en willen voortzetten.
Dat er toch sprake is van een stille reserve in beide sectoren heeft meerdere redenen: 1) waar iemand wil werken blijft een individuele keuze, de onderwijs- en zorgsector zijn daarin niet anders dan andere beroepssectoren. 2) Uit eerder onderzoek van OCW blijkt ook dat er een onderlinge wisselwerking is van stille reserve in de zorg en het onderwijs. 3) Daarnaast hebben we te maken met een krappe arbeidsmarkt waarin sectoren onderling veel concurreren. Met name de onderwijs- en zorgsector staan in een dergelijke krappe markt voor een grote uitdaging.
Voor het onderwijs geldt verder dat we ook tijdelijke verschuivingen zien waarin leraren tijdelijk iets anders gaan doen om vervolgens toch weer te kiezen voor het onderwijs. De praktijk wijst verder uit dat een groot deel van de stille reserve in het onderwijs en de zorg niet per se woont op de plaats waar ook de meeste behoefte is aan meer leerkrachten of verpleegkundigen.
Kunt u aangeven welke maatregelen u reeds heeft genomen of van plan bent te nemen om deze stille reserve te activeren en terug te laten keren naar hun oorspronkelijke beroep?
De Minister van VWS en ik willen de stille reserve inspireren om weer aan de slag te gaan, via het bredere arbeidsmarktbeleid dat wij voeren om de tekorten in de zorg en het onderwijs aan te pakken. Een goede en aantrekkelijke arbeidsmarkt voor de zorg- en onderwijssector heeft onze hoogte prioriteit. Het direct benaderen en/of aanschrijven van de stille reserve is AVG technisch niet mogelijk.6 Wel is een algemeen bericht naar de ABP deelnemers uitgegaan via de nieuwsbrief van het ABP. Dit waren interviews met gepensioneerden die doorwerken na AOW of zijn heringetreden in het onderwijs.7
Er zijn meerdere stappen gezet om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en daarmee ook de stille reserve aan te moedigen om weer te kiezen voor het onderwijs. Zo is geïnvesteerd in het verhogen van de salarissen van leraren waarmee de loonkloof tussen het po en vo is gedicht. Daarnaast is er geïnvesteerd in het verlichten van de werkdruk in het po en vo. Met de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) die in 2024 van start is gegaan, geven we een serieuze impuls aan de verdere professionalisering van leraren. Ook hebben we 21 januari de landelijke campagne «Werken met de Toekomst» gelanceerd om mensen enthousiast te maken voor een baan in het onderwijs: het is de plek waar je verschil kunt maken in de levens van kinderen, jongeren en jong-volwassenen. Over deze en andere maatregelen is de Kamer zeer recent ook nog geïnformeerd.8
Ook de Minister van VWS zet stappen om het werken in de zorg aantrekkelijk te maken. Daarvoor wordt ingezet langs drie lijnen, namelijk 1) het halveren van de administratietijd onder andere door de inzet van artificial intelligence, 2) de juiste inzet van medewerkers onder andere door arbitrage tussen zorgwetten waarbij de minste inzet van medewerkers uitgangspunt wordt en medisch technische zorginnovaties die arbeidsbesparend werken en 3) het vergroten van vakmanschap en werkplezier onder meer via een leidraad die werkgevers concrete handvatten biedt om hiermee aan de slag te gaan. Deze maatregelen moeten er gezamenlijk aan bijdragen dat de zorgvraag afneemt en het aantrekkelijk is en blijft om in de zorg te werken, ook voor mensen die tot de stille reserve behoren.
In het onderzoek wordt aangegeven dat veel mensen uit de stille reserve hun huidige werk aantrekkelijker vinden dan werken in de zorg of het onderwijs, onder meer vanwege een betere werk-privébalans en meer autonomie; wat doet u om de werkdruk in deze sectoren te verlichten en de autonomie van werknemers te vergroten?
Voor de aanpak van werkdruk zijn elk jaar werkdrukmiddelen beschikbaar voor po en vo. Scholen kunnen kiezen hoe zij de middelen inzetten. In opdracht van OCW wordt het proces en de effectiviteit van de werkdrukaanpak gemonitord. In december 2024 is de eindevaluatie opgeleverd.9 Dit rapport laat zien dat de werkdrukmiddelen lijken bij te dragen aan vermindering van de ervaren taakeisen en een toename van de regelmogelijkheden. Maar we zien ook dat het effect van de werkdrukmiddelen niet blijvend toeneemt en het gesprek over werkdruk minder vaak wordt gevoerd dan de eerste jaren na invoering van de werkdrukmiddelen. De komende maanden vinden met het onderwijsveld gesprekken plaats over het verlagen van werkdruk, de inzet van de werkdrukmiddelen en het vergroten van werkplezier, waarna beleidsopties worden uitgewerkt. De Kamer wordt hierover voor de zomer van ’25 geïnformeerd.
De mate van autonomie en professionele ruimte van leraren verschilt sterk per school. Een belangrijk instrument is het professioneel statuut waarin afspraken gemaakt worden over autonomie en de professionele ruimte tussen bestuur en onderwijsprofessionals. De Kamer is in de lerarenbrief geïnformeerd dat we binnenkort met een beleidsreactie komen op het onderzoek over het professioneel statuut.
Om de werkdruk in de zorg te verlichten wil de Minister van VWS in de eerste plaats de administratieve lasten verlagen en ervoor zorgen dat medewerkers op de juiste manier worden ingezet, onder meer met behulp van arbeidsbesparende technologie. Daarnaast wordt vanuit verschillende initiatieven ingezet op het bevorderen van professionele autonomie en zeggenschap van werknemers. Zo zijn er subsidiemiddelen beschikbaar om op instellingsniveau met zeggenschap aan de slag te gaan, om leermiddelen te ontwikkelen en activiteiten te organiseren om professionele autonomie te stimuleren10. Met de Monitor Zeggenschap wordt de formele en ervaren zeggenschap van professionals in kaart gebracht. De rapportage van de eerste her-meting en de bijhorende factsheet worden op korte termijn naar de Tweede Kamer verzonden. Deze informatie helpt werkgevers om gerichter zeggenschap en professionele autonomie in de zorg te kunnen verbeteren.
Bent u bereid samen te werken met werkgeversorganisaties om flexibele werktijden en andere maatregelen, zoals het beperken van nachtdiensten, te stimuleren, zodat met name vrouwen met zorgtaken makkelijker kunnen terugkeren naar de zorg?
De gezondheidszorg gaat 24 uur per dag en 7 dagen per week door, waardoor veel werk geen 9-tot-5 is. Ook in de nacht hebben we medewerkers nodig die klaarstaan om zorgvragen te vervullen. Gelukkig zijn er veel mensen die ook (of juist) op deze «afwijkende» werktijden willen werken. Tegelijkertijd zullen er mensen zijn met andere voorkeuren voor werktijden, omdat die bijvoorbeeld beter te combineren zijn met zorgtaken of andere verplichtingen in het privéleven. Op dit moment is het door het Arbeidstijdenbesluit niet altijd mogelijk voor werkgevers in de zorg om in de grote diversiteit van wensen en voorkeuren van medewerkers te voorzien. De wet- en regelgeving hieromtrent ligt op het beleidsterrein van de Minister van SZW. De Minister van VWS vindt het een interessant idee en gaat daarom, in navolging van de motie-Tielen11 die hier ook op ziet, in overleg met het Ministerie van SZW en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de zorg na of flexibilisering van de arbeidstijdenregelgeving op dit punt wenselijk en haalbaar is.
Eerder onderzoek wees uit dat starters in het onderwijs vaak uitvallen door gebrek aan goede begeleiding; wat doet u om te zorgen dat alle scholen een degelijk inwerkprogramma voor nieuwe docenten hebben?
Goede begeleiding is essentieel, en dat geldt ook voor loopbaanontwikkeling. Begeleiding krijgt in de cao’s gelukkig al meer aandacht en geld. Daarnaast zien we dat dat steeds meer starters worden begeleid. De begeleiding van de startende leraren ligt op ongeveer 90% in po en vo en 77% in het mbo.
De afgelopen jaren is er gewerkt aan een helderder structuur tussen scholen, opleidingen en leraren voor betere kwaliteit van de begeleiding van starters. Daarnaast worden er in de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren verschillende ontwikkelpaden gerealiseerd. Dit betekent in het begin van je carrière dat je bijvoorbeeld van start- naar vakbekwaam kan komen. Daarnaast kan een ervaren leraar een loopbaanpad kiezen waarin begeleiding van beginnende leraren een belangrijk onderdeel is. De verschillende loopbaanpaden helpen bij duidelijkere kwalitatieve kaders voor de begeleiding van startende leraren en ervaren docenten.
Heeft u zicht op de financiële en praktische haalbaarheid van een nationaal actieplan om de stille reserve te mobiliseren? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de stappen die u op dit gebied heeft gezet of gaat zetten?
De Minister van VWS en ik zetten in op een breed spectrum aan maatregelen om het werk in zorg en welzijn en het onderwijs aantrekkelijker te maken voor iedereen – inclusief de stille reserve. Zie ook de beantwoording van vraag 3 met de maatregelen die wij hiervoor nemen.
Hoe kan de overheid bijdragen aan een cultuurverandering binnen de zorg- en onderwijssectoren, zodat medewerkers meer waardering en ondersteuning ervaren, met als doel zowel uitstroom te beperken als herintreders te werven?
Langs verschillende lijnen is er inzet op beleid dat er aan bijdraagt dat het onderwijs een prettige plek is om als professional te werken. Zo beperken we de uitstroom van leraren en vergroten we de instroom van herintreders. In het funderend onderwijs wordt dit bijvoorbeeld gedaan met financiële middelen voor strategisch personeelsbeleid en een inspiratiebundel voor scholen over dit onderwerp. In aanvulling daarop wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid. Doelstelling van het wetsvoorstel is het bevorderen van professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van onderwijsprofessionals. Op deze manier zou onderwijspersoneel ook meer waardering en ondersteuning kunnen ervaren. Strategisch personeelsbeleid geeft invulling aan goed werkgeverschap en kan daarmee helpen de personeelstekorten in de sector te verminderen. Het streven is dat het wetsvoorstel voor de zomer van 2025 naar de Raad van State gaat. Met de onlangs gepresenteerde lerarencampagne (zie beantwoording vraag 3) benadrukken we ook nogmaals het belang en de waardering voor het werk van leraren.
Ook in de zorg is er veel aandacht voor het aantrekkelijker maken van het werken in zorg en welzijn. De Minister van VWS zet via ondersteuning van het Preventieplan voor medewerkers in zorg en welzijn in op het tegengaan van ongewenste uitstroom. Dit is een aanpak die ervoor zorgt dat werkgevers het verzuim en verloop in hun organisatie terugdringen door sámen met hun medewerkers te kijken naar oorzaken van hiervan en wat er daadwerkelijk nodig is om mensen gezond aan het werk te houden12. Een gezond en veilig werk- en leerklimaat, een leidinggevende die de werknemer in zijn of haar kracht zet en waardering uit en het betrekken van medewerkers in de besluitvorming zijn belangrijke elementen die in de eerste fase van het Preventieplan naar voren zijn komen. De Minister van VWS is van plan om samen met de initiatiefnemers de bevindingen zo breed mogelijk te verspreiden. Ook is de Minister van VWS voornemens om de aanpak van het Preventieplan op te nemen op het platform dat zij dit voorjaar tijdens een zorgtop zal lanceren. Op dit platform komen effectieve initiatieven die een bijdrage kunnen leveren aan het sverminderen van het arbeidsmarkttekort in de zorg. Dit levend platform zal voortdurend in ontwikkeling blijven en meebewegen met de tijd. Daarmee levert het naar verwachting ook een bijdrage aan de cultuurverandering in de zorgsector.
De onafhankelijkheid van de rechtspraak |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
van Weel , Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «Rechters maken zich grote zorgen: Nederlandse rechtsstaat loopt gevaar»1 en «Politiek kan te veel invloed op rechterlijke macht uitoefenen, zeggen wetenschappers: «Een kwaadwillende Minister heeft alle knoppen om aan te draaien»»?2
Ja.
Deelt u de zorgen van rechters en wetenschappers dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Nederland onder druk staat en de politiek te veel invloed op de rechterlijke macht kan uitoefenen? Deelt u de mening dat het uitzonderlijk is dat rechters zich op deze manier uitspreken en de publiciteit opzoeken en we hun zorgen dus uiterst serieus moeten nemen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Voor het goede functioneren van onze democratische rechtsstaat is de onafhankelijke rechtspraak van het grootste belang. Onze rechtspraak staat goed aangeschreven, en het vertrouwen dat mensen hebben in de rechters is onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2024.3 Dit beeld wordt bevestigd in het continue onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, met de constatering in het bericht van oktober 2024 dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de rechtspraak stabiel is op 76%.4Het behoud van deze onafhankelijkheid en dit vertrouwen in de rechterlijke macht vergen permanente aandacht en waakzaamheid. Wetenschappelijk onderzoek zoals het rapport van de Stichting Onderzoek Rechtspleging5 en kritische kanttekeningen vanuit de beroepsgroep leveren een belangrijke bijdrage aan gedachtenvorming over mogelijke versterking van de rechtsstaat in Nederland. Bij de herinrichting van de rechtspraak in 2002, waarbij de Raad voor de rechtspraak is opgericht, is door de wetgever uitvoerig ingegaan op de constitutionele beginselen die bij de inrichting van de rechterlijke organisatie in acht moeten worden genomen.6
Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in de voorlichting over de benoemingen in de rechtspraak treffend heeft verwoord, is daarbij onderstreept dat de «trias politica» in ons staatsbestel niet staat voor een absolute machtenscheiding maar voor een stelsel van elkaar wederzijds controlerende, in evenwicht houdende organen van wetgeving, bestuur en rechtspraak.7
Bij de inrichting van de rechterlijke organisatie dient, aldus de Afdeling advisering, niet alleen het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid goed tot zijn recht te komen, maar ook de ministeriële verantwoordelijkheid voor het functioneren van de rechterlijke organisatie als geheel, het budgetrecht van het parlement (artikel 105 van de Grondwet) en de positie van de formele wetgever (artikel 81 van de Grondwet). De wetgever heeft hierbij uitdrukkelijk de gedachte verworpen dat de rechterlijke onafhankelijkheid en de ministeriële verantwoordelijkheid elkaar uitsluiten.8 Met het oog op «checks and balances» werd een zekere ministeriële verantwoordelijkheid voor het functioneren van de rechterlijke organisatie en de besteding van de daarvoor in te zetten publieke middelen juist passend geacht. Daarbij is wel steeds uitdrukkelijk vermeld dat de ministeriële verantwoordelijkheid wordt begrensd door de rechterlijke onafhankelijkheid.9 Andere organen binnen de democratische rechtsstaat mogen op geen enkele wijze invloed uitoefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Ik neem de zorgen van de rechters uiteraard serieus. Ik ben voornemens uw Kamer medio 2025 een brief te sturen waarin ik nader in zal gaan op deze constitutionele uitgangspunten, meer in het bijzonder bij benoemingen van bestuurders in de rechtspraak. Zoals eerder aangekondigd zal ik uw Kamer informeren over zowel de benoemingsprocedure van gerechtsbestuurders, als het vervolg op de op 12 maart 2024 door uw Kamer aanvaarde motie-Sneller10 inzake het zo klein mogelijk maken van de rol van de Minister (in dit geval mijn rol als Staatssecretaris) in de benoemingsprocedure van leden van de Raad voor de rechtspraak. Ook betrek ik de aanbevelingen uit de publicatie van de Stichting Onderzoek Rechtspleging bij deze brief.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om de scheiding der machten te garanderen en kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de rol van de Raad voor de rechtspraak? Acht u deze waarborgen voldoende om politieke inmenging in de rechtspraak structureel te voorkomen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de kritiek van rechters en wetenschappers? Zo nee, welke waarborgen gaat u nog meer voorstellen?
De onafhankelijkheid van de rechtspraak is gewaarborgd in onder andere de Grondwet (GW). Artikel 17, eerste lid, GW bepaalt dat ieder recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Artikel 117, eerste lid, GW regelt de benoeming van rechters voor het leven en artikel 116, vierde lid, GW bepaalt – kort gezegd – dat toezicht op de ambtsvervulling door rechters uitsluitend kan worden uitgeoefend door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast. Ook in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) is de onafhankelijkheid van de rechtspraak gewaarborgd. Zo bepaalt artikel 93 eerste lid van de Wet RO dat de bevoegdheid van de Minister (i.c. de Staatssecretaris) om algemene aanwijzingen te geven, uitsluitend betrekking kan hebben op de taakuitvoering door de Raad voor de rechtspraak en dat een aanwijzing alleen kan worden gegeven voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie. Tevens bepaalt artikel 109 van de Wet RO dat de Minister (i.c. de Staatssecretaris) bij de uitoefening van zijn bevoegdheden niet treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. Uit artikel 97 van de Wet RO volgt dat de financiering van de rechtspraak geschiedt via een objectief systeem dat moet voldoen aan bepaalde criteria.
De taken en de bevoegdheden van de Raad voor de rechtspraak zijn wettelijk vastgelegd in de Wet RO, waarbij is geborgd dat deze uitsluitend zijn gericht op beheersmatige aangelegenheden (artikelen 91, 23a, 36, 37 en 92). Bovendien bepaalt artikel 96 van de Wet RO dat de Raad voor de rechtspraak bij de uitvoering van zijn taken niet treedt in de procesrechtelijke behandeling en de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak. Er zijn dus verschillende grondwettelijke en wettelijke waarborgen die ervoor zorgen dat rechters in een zaak recht kunnen spreken zonder enige bemoeienis van buitenaf.
In de in het antwoord op vraag 2 aangekondigde brief zal ik nader ingaan op de verschillende constitutionele uitgangspunten van ons rechtsbestel. Ik ga hierbij ook in op de rol van de Raad voor de rechtspraak in relatie tot de ministeriële verantwoordelijkheid en in verband daarmee de democratische legitimatie van de rechterlijke macht en benoemingen daarin.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van rechtsgeleerden in de onderzoeksbundel Constitutionele waarborgen3 dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak «boterzacht» is en «ingrijpende, stelselmatige verbeteringen noodzakelijk» zijn? Kunt u ingaan op elk van de aanbevelingen die genoemd worden in de onderzoeksbundel en per aanbeveling aangeven waarom u deze wel of niet overneemt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is de rechterlijke onafhankelijkheid op verschillende manieren zowel grondwettelijk als wettelijk gewaarborgd. De wettelijke en de grondwettelijke regelingen voorzien reeds in een groot aantal waarborgen, mede door spreiding van taken en bevoegdheden. Dit geldt ook voor de wijze waarop thans benoemingen van rechters en leden van de Raad voor de rechtspraak plaats vinden. De kwalificatie «boterzacht» kan ik in dit licht niet onderschrijven. Dit neemt niet weg dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak voortdurende aandacht behoeft en dat in dat licht steeds gekeken moet worden naar mogelijke verbeteringen. In de hiervoor aangekondigde brief zal ik uiteen zetten welke eventuele maatregelen mij daarbij voor ogen staan.
Deelt u de mening dat de politiek niets te zeggen zou moeten hebben over de benoeming van rechters? Wat is uw visie op het voorstel om de Minister op afstand te zetten van de benoemingen van de Raad voor de rechtspraak, zoals bepleit door rechters en hoogleraren? Bent u bereid met voorstellen te komen om dit te bewerkstelligen?
In voornoemde brief zal ik uiteenzetten op welke wijze ik uitvoering geef aan de in het antwoord op vraag 2 genoemde motie-Sneller die ziet op het zo klein mogelijk maken van de rol van bewindspersonen in de benoemingsprocedure van leden van de Raad voor de rechtspraak.
Bent u bereid om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht explicieter te verankeren in de Grondwet, zoals voorgesteld door diverse experts en rechtbankpresidenten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dit regelen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 is de onafhankelijkheid van de rechtspraak reeds op verschillende manieren in de Grondwet en in andere wetten en procedures verankerd. Vanuit de wetenschap wordt in dit verband wel de vraag gesteld of het daarnaast zinvol zou zijn om de Raad voor de rechtspraak in de Grondwet te verankeren.12 Bij de beantwoording van deze vraag is van belang voor ogen te hebben welke wettelijke taken de Raad voor de rechtspraak uitoefent. In Europa zijn grofweg twee modellen voor de inrichting en taakopdracht van een Raad voor de rechtspraak te onderscheiden, ook wel aangeduid als het Zuid-Europese en het Noord-Europese model.13 In het Zuid-Europese model heeft een Raad voor de rechtspraak primair verantwoordelijkheden en taken op het terrein van de rechterlijke carrière, zoals opleiding, benoeming, bevordering en (waar bij hoge uitzondering nodig) het opleggen van disciplinaire maatregelen. In het Noord-Europese model (waartoe onze Raad voor de rechtspraak behoort) heeft een Raad voor de rechtspraak beheersmatige taken, en (uitdrukkelijk) geen rechtspositionele taken en bevoegdheden jegens rechters noch enige inhoudelijke bemoeienis met rechtspraak in concrete zaken. Aan de vraag naar verankering van de Raad voor de rechtspraak in de Grondwet dient dus een nadere afweging inzake de positie en de taken van deze raad in ons rechtsbestel ten grondslag te liggen.
In de in het antwoord op vraag 2 aangekondigde brief zal ik, als vermeld, nader ingaan op de verschillende constitutionele uitgangspunten van ons rechtsbestel. Ik ga hierbij ook in op de taken en de bevoegdheden van de Raad voor de rechtspraak.
Deelt u de mening van hoogleraar Soeharno dat een aparte begroting voor de rechterlijke macht, in plaats van dat die onderdeel uitmaakt van de justitiebegroting, beter past bij een staatsmacht? Zo ja, kunt u ervoor zorgen dat dit voor de begroting van 2026 mogelijk wordt? Zo nee, waarom niet en waarom kan dit wel bij de Algemene Rekenkamer en Ombudsman, die ook een dergelijk begrotingssysteem kennen?
Bij de financiering van de rechtspraak moet recht worden gedaan aan de constitutionele principes van de rechterlijke onafhankelijkheid, de positie van de formele wetgever, het budgetrecht van het parlement en de ministeriële verantwoordelijkheid. Binnen deze uitgangspunten moet een verantwoorde balans worden gevonden. Vóór de herinrichting van de rechtspraak in 2002 had de Minister van Justitie een directe en allesomvattende beheersbevoegdheid14 ten aanzien van de gerechten.15 Deze situatie is in 2002 beëindigd met de toekenning van de beheersbevoegdheden aan de gerechten, de oprichting van de Raad voor de rechtspraak als «buffer» tussen de Minister en de rechtspraak, de aanzienlijke beperking van de bevoegdheden van de Minister en de wettelijke verankering van het financieringsmechanisme voor de rechtspraak.16 Het financieringsmechanisme is neergelegd in artikel 97 en verder van de Wet RO en het hierop gebaseerde Besluit financiering rechtspraak 2005. Dit financieringsmechanisme voorziet samen met de eigenstandige beheersbevoegdheden van de Raad voor de rechtspraak en de gerechten in een stevige zelfstandige positie van de rechtspraak, terwijl tegelijkertijd recht wordt gedaan aan de benodigde transparantie over de besteding van publieke middelen en aan het budgetrecht van het parlement (krachtens artikel 105 Grondwet).
Het is mij op voorhand niet duidelijk wat de gepercipieerde meerwaarde zou zijn van een eigen begroting. Een eigen begroting, zoals die van de Algemene Rekenkamer, betekent bijvoorbeeld niet dat deze dan is gevrijwaard van taakstellingen. En ook voor de in hoofdstuk 4 van de Grondwet bedoelde colleges, zoals de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Ombudsman, is het de verantwoordelijke Minister die de begroting in het parlement moet verdedigen. In de brief die in het antwoord op vraag 2 in het vooruitzicht is gesteld zal ik nader ingaan op deze vragen.
Hoe beoordeelt u op de situatie in landen zoals Polen en Hongarije, waar de rechterlijke onafhankelijkheid zwaar onder druk staat? Wat vindt u van de uitspraken van hoogleraar Soeharno dat de situatie in Nederland nog zwakker is dan de initiële situatie in Polen en Hongarije doordat in Nederland geen wetswijzigingen nodig zijn om vanuit de politiek vergaande invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht?
Het is goed te constateren dat de huidige Poolse regering zich sinds de start daarvan op 13 december 2023 gecommitteerd heeft aan het herstel van de rechtsstaat. Hiertoe heeft de regering een actieplan opgesteld dat nu in uitvoering is.17 De rechtsstaatssituatie in Hongarije blijft reden tot grote zorg, zoals regelmatig met uw Kamer gedeeld.18 Voor een beoordeling van de Nederlandse situatie verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Welke lessen trekt u uit het afglijden van de rechtsstaat in Polen en Hongarije en hoe gaat u voorkomen dat Nederland in dezelfde situatie terechtkomt? Op welke manier neemt u hierin de aanbevelingen uit de onderzoeksbundel Constitutionele waarborgen mee?
De algemene conclusie van de Venetië Commissie in haar rapport over de onafhankelijkheid van de rechtspraak (2023) is dat Nederland een goed-functionerende staat is met sterke democratische instituties en rechtsstatelijke waarborgen. Tevens constateert de Europese Commissie in het Rechtsstaatrapport 2024 over Nederland dat het waargenomen vertrouwen in de onafhankelijkheid van de rechtspraak in ons land onverminderd hoog is. Tegelijkertijd sterken de rechtsstatelijke achteruitgang in Hongarije en eerder in Polen mij in de overtuiging dat de onafhankelijkheid en het vertrouwen in de rechtspraak niet vanzelfsprekend zijn en dat het behoud daarvan voortdurende permanente aandacht en waakzaamheid vergt. De ervaringen in Hongarije en eerder in Polen tonen aan dat het van belang is dat de Europese Commissie snel en effectief optreedt om terugval van lidstaten op het terrein van de waarden van de EU uit artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te voorkomen en aan te pakken. De Europese Commissie dient daarbij gebruik te maken van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium en de inzet daarvan zorgvuldig te toetsen. In de regelmatige rechtsstaatrapporten van de Europese Commissie worden de rechtsstatelijke ontwikkelingen in landen zoals Polen en Hongarije ook uitgebreid geschetst. Voor het overige verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 2 en 3, alsmede naar de in het antwoord op vraag 2 aangekondigde brief.
Deelt u de mening dat politici die de onafhankelijkheid van rechters in twijfel trekken, zich openlijk negatief over hen uitlaten of hen een bepaald politiek etiket opplakken grote schade toebrengen aan de rechtsstaat? Welke maatregelen worden genomen om de rechterlijke macht te beschermen tegen aanvallen vanuit de politiek en om de invloed van politieke retoriek die rechters wegzet als «elitair» of «vooringenomen», tegen te gaan?
Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, ook als deze gaat over de rol van de verschillende staatsmachten binnen onze rechtsstaat. Deze dialoog dient steeds plaats te vinden met respect voor de onafhankelijkheid van de rechter. De onafhankelijke rechtspraak is een pijler onder onze rechtsstaat, die alleen goed kan functioneren als er vertrouwen is in de rechtspraak en als het gezag van de rechter wordt aanvaard. Het is opportuun dat behoedzaam wordt omgegaan met de rechterlijke macht, zeker wanneer uitlatingen worden gedaan over het rechterlijke oordeel in een rechtszaak. Hierin ligt een verantwoordelijkheid besloten voor politici, maar ook voor wetenschappers en journalisten. In de in het antwoord op vraag 2 aangekondigde brief zal ik mijn bredere visie geven op de onafhankelijke positie van de rechtspraak.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de motie om de rol van de Minister bij de benoemingsprocedure voor leden van de Raad voor de rechtspraak zo klein mogelijk te maken (Kamerstuk 29 279 nr. 845)?
In de aangekondigde brief zal ik uiteenzetten op welke wijze het kabinet uitvoering zal geven aan deze motie.
Kunt u bij de uitwerking van uw plannen voor een Constitutioneel Hof expliciet ingaan op de onwenselijkheid van enige politieke of bestuurlijke invloed op de benoeming van leden van dat hof en daarvoor specifieke wettelijke waarborgen invoeren? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik zijn voornemens uw Kamer binnenkort een brief te sturen waarin de contouren worden geschetst van een voorstel tot invoering van constitutionele toetsing en de instelling van een grondwettelijk hof. Het inrichten van een constitutioneel hof heeft gevolgen voor de onderlinge verhoudingen binnen de trias politica, in het bijzonder de verhouding tussen de wetgevende en de rechterlijke macht. De bijzondere positie van een grondwettelijk hof dient mede tot uiting te komen in de inrichting van de benoemingsprocedure voor de rechters in een dergelijk hof. Om de onafhankelijkheid van het hof te waarborgen is een goed doordachte en gebalanceerde benoemingsprocedure van belang. De vormgeving van de benoemingsprocedure en de genoemde waarborgen vergen nadere uitwerking op basis van de geschetste contouren in de aangekondigde brief.
De opmars van de HTS in Syrië |
|
Isa Kahraman (NSC), Pieter Omtzigt (NSC), Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (PVV), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van het artikel in de Volkskrant getiteld «Voor het eerst in jaren doet Hayat Tahrir al-Sham het Syrische regime wankelen − wie zijn deze rebellen?»?1
Ja.
Kunt u aangeven uit welke groeperingen Hayat Tahrir al-Sham (HTS) bestaat?
HTS is in 2017 gevormd uit een samengaan van meerdere gewapende Syrische verzetsgroeperingen van grotendeels soennitische islamitische signatuur, waaronder Jahbat Al-Nusra.
Welke landen leveren wapens of andere vormen van materiële of financiële hulp aan HTS?
Het is het kabinet niet bekend welke landen HTS in die vormen steunen.
Klopt het dat Turkije steun verleent aan HTS, zoals door meerdere media2 wordt gemeld? Zo ja, kunt u toelichten waar deze steun uit bestaat (bijvoorbeeld logistiek, wapens, financiering of andere hulp)?
Ik ben bekend met deze berichten, maar het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie waarmee deze berichten bevestigd of ontkend kunnen worden. Turkije geeft zelf aan de organisatie niet te steunen.
Constaterende dat HTS door de Verenigde Staten en de Verenigde Naties (VN) wordt aangemerkt als een terroristische organisatie, is de Europese Unie (EU) ook voornemens om deze organisatie op de terrorismelijst te zetten?
Hay'at Tahrir al-Sham (HTS) staat op de VN ISIS/Al-Qaida sanctielijst, deze listing is door de EU overgenomen. Daarmee ziet de EU, inclusief Nederland, HTS als een terroristische organisatie. De komende periode is het van belang om te bezien of de opstelling van HTS mogelijk aanleiding geeft tot het heroverwegen van de listing in VN- (en EU-) verband.
Welke maatregelen overweegt Nederland te nemen tegen landen die HTS direct of indirect ondersteunen? Is hierover binnen de EU of Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) overleg gaande?
Op dit moment heeft het kabinet geen informatie beschikbaar over welke landen HTS steunen. Binnen diverse internationale gremia is contact over de geopolitieke ontwikkelingen. Er is op dit moment geen overleg gaande binnen de NAVO hierover.
Beschouwt Nederland HTS als een terroristische organisatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft Nederland contacten gehad met HTS of heeft het momenteel lopende contacten? Zo ja, kunt u toelichten wat de doelstelling van deze contacten was?
Nederland onderhoudt momenteel geen contacten met HTS.
Kunt u bevestigen of er berichten zijn over toenemende mensenrechtenschendingen tegen minderheden in door HTS gecontroleerde gebieden? Indien ja, wat is uw oordeel hierover?
Uit meerdere rapporten van o.a. de VN onderzoekscommissie voor Syrië en mensenrechtenorganisaties blijkt dat ook HTS zich in Syrië schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen waaronder willekeurige arrestaties, marteling en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling van gedetineerden. Deze mensenrechtenschendingen waren echter niet zozeer gericht op minderheden, als wel op vermeende tegenstanders van HTS. Nederland beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat deze schendingen zijn toegenomen. Wat betreft de positie van minderheden in HTS-gebied geldt dat HTS zich vanaf 2021 actiever heeft ingezet voor de positie van minderheden, waaronder christenen en Druzen, door hen bijvoorbeeld land en bezittingen terug te geven, die eerder tijdens het Syrische conflict waren ingenomen. Het moet worden bezien of de mensenrechten van minderheden ook in de toekomst worden gerespecteerd. Nederland hecht aan die rechten, bijvoorbeeld voor christenen en Koerden, draagt dat actief uit en blijft alert op de ontwikkelingen.
Welke mogelijkheid ziet u om sancties of andere diplomatieke drukmiddelen in te zetten tegen landen of groeperingen die de mensenrechten in Syrië schenden, en is Nederland bereid dit in internationaal verband te bespreken?
Het huidige EU sanctieregime ten aanzien van Syrië zal hervormd moeten worden. Ter uitvoering van motie Paternotte/Kahraman (21 501-02, nr. 2991) bespreekt Nederland momenteel het sanctiebeleid met internationale en Europese partners. Dit beleid moet worden geënt op de nieuw ontstane situatie in Syrië, waarbij het uitgangspunt een inclusieve en vreedzame politieke transitie is. Uiteraard is respect voor mensenrechten en respect voor minderheden hierbij essentieel.
Welke stappen kan Nederland binnen de EU en de VN ondernemen om ervoor te zorgen dat er onafhankelijke waarnemers uit neutrale landen worden ingezet in de regio, om schendingen van minderheidsrechten te monitoren?
Nederland en de EU zullen naar aanleiding van de recente machtswisseling in Syrië nauwlettend in de gaten houden of de verschillende Syrische partijen tot een vreedzame machtsdeling kunnen komen, en zullen een dergelijke inclusieve politieke transitie waar mogelijk steunen, in eerste instantie via de VN. Het sturen van internationale waarnemers is in dit stadium niet aan de orde.
Aangezien HTS bekend staat als een jihadistische organisatie die minderheden zoals christenen3 (onder wie Arameeërs, Assyriërs, Grieks Orthodoxen, Katholieken en Armenen), Koerden en Yezidis ernstig onderdrukt, welke concrete stappen kan Nederland, eventueel in samenwerking met bondgenoten, ondernemen om de veiligheid van deze minderheden te waarborgen in de regio?
Zie ook vraag 9, 10 en 11. HTS heeft in de afgelopen jaren zijn houding met betrekking tot de positie van minderheden verbeterd. HTS-leider Abu Mohammad al Jolani heeft gewerkt aan het imago van een verzetsorganisatie tegen het regime van Assad, die wil pogen bescherming te bieden aan een ieder. Afgewacht moet worden in hoeverre HTS bereid en in staat zal zijn aan deze koers vast te houden nu het over een veel groter gebied de scepter zwaait. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Constaterende dat de humanitaire situatie in de regio Idlib en Aleppo verslechtert en dat grote groepen proberen te vluchten, welke mogelijkheden ziet u om humanitaire hulp te bieden, zodat deze vluchtelingen zoveel mogelijk in hun eigen land of regio opgevangen kunnen worden en niet gedwongen worden naar Europa te vluchten?
Humanitaire hulp aan de verschillende gebieden in Syrië werd tot nu toe met name gecoördineerd door de VN en geleverd via diverse kanalen. Ook Nederland draagt hier op jaarlijkse basis aan bij met flexibele meerjarige financiering aan humanitaire partners. Specifiek in 2024 gaat dit om EUR 19,2 miljoen: EUR 7,3 mln. via de Dutch Relief Alliance en EUR 12 mln. via twee VN humanitaire landenfondsen. Zodra de coördinatie in de nieuwe situatie vorm krijgt en humanitaire noden in kaart zijn gebracht, zullen VN-organisaties en NGO’s (mede) dankzij de flexibele financiering van Nederland in staat zijn snel te reageren. Op dit moment is de gehele situatie in Syrië, inclusief de humanitaire situatie, nog ongewis. Ter uitvoering van motie Van Baarle (21 501-02, nr. 2994) inventariseert het kabinet in EU-verband wat de maximaal mogelijk haalbare steun voor Syrië kan zijn.
Kunt u aangeven hoe Nederland samenwerkt met NGO’s, internationale organisaties, en lokale gemeenschappen om de situatie van minderheden in door HTS gecontroleerde gebieden te verbeteren?
Nederland werkt samen met verschillende VN-organisaties, NGO’s en het Rode Kruis en de Rode Halve Maan Beweging die actief zijn in Syrië. Zo steunt Nederland in het kader van gerechtigheid voor slachtoffers NGO’s die zorgen voor het documenteren van onder meer mensenrechtenschendingen en andere misstanden in Syrië. Daarnaast ondersteunt Nederland de Syrian Women Advisory Board om te bevorderen dat vrouwen deelnemen aan mogelijke vredesprocessen in Syrië. Deze steun zal ook door blijven gaan nu HTS de macht heeft gegrepen in voormalige regime gebieden. Nederland steunt ook initiatieven die buiten HTS gecontroleerd gebied vallen, zoals het Syria Recovery Trustfund, dat is gericht op ondersteuning van sociaaleconomische integratie van ontheemden, waaronder Al Hol-terugkeerders. Ten slotte ondersteunt Nederland humanitaire hulp in heel Syrië met flexibele meerjarige financiering aan humanitaire partners, waaronder de Dutch Relief Alliance, die met lokale organisaties samenwerken om te reageren op acute noden. Daarbij is er aandacht voor het bereiken van gemarginaliseerde groepen. Dit gebeurt ook in HTS gecontroleerd gebied, waar ondanks de onzekere en onveilige situatie een aantal lokale partners weer is gestart met activiteiten op het gebied van gezondheidszorg.
Welke internationale stappen kunnen ondernomen worden richting een duurzame vrede in Syrië?
Het is in eerste instantie aan de betrokken Syrische partijen om in de nieuwe machtsverhoudingen tot een vreedzame machtsdeling te komen. Het is daarbij zaak waar mogelijk die landen die een aanwezigheid hebben in Syrië, namelijk Rusland, Iran, Turkije, Israël en de VS op te roepen partijen die ruimte te geven en dit proces niet te frustreren uit eigenbelang. VNVR resolutie 2254 biedt een kader voor een inclusief politiek proces dat tot vrede en stabiliteit in Syrië moet leiden. Deze resolutie vormt tevens het mandaat van de VN Speciaal Gezant voor Syrië, Geir Pedersen. Het is aan Nederland en de EU om hem zoveel mogelijk te steunen in zijn pogingen een dergelijk proces te faciliteren. Daarbij moet worden aangetekend dat VNVR resolutie 2254 niet volledig toepasbaar is op de huidige realiteit, omdat bepaalde groepen die nu grote delen van Syrië in handen hebben, zoals HTS, daarin niet worden genoemd als partijen die bij het proces betrokken zijn. Er zal dus een manier moeten worden gevonden om ook die partijen volwaardig mee te nemen in een politiek proces. Tegelijkertijd biedt VNVR resolutie 2254 wel een goede basis en een raamwerk waarover brede overeenstemming bestaat.
Kunt u deze vragen één voor één en voor het commissiedebat over het Midden-Oosten van 11 december a.s. beantwoorden?
Nee, maar wel op tijd voor het uitgestelde commissiedebat op 18 december.
Het bericht ‘MBO Westland zet in op minder schoolverlaters: oriëntatieperiode van zes maanden’. |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «MBO Westland zet in op minder schoolverlaters: oriëntatieperiode van zes maanden»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe werkwijze van MBO Westland om een oriëntatieperiode van zes maanden in te stellen zodat studenten beter kunnen bepalen welke studierichting het beste bij hun talenten en ambities past?
Ik ben enthousiast over de potentie van oriëntatieprogramma’s, om studenten die bij instroom in het mbo nog geen gerichte studiekeuze kunnen maken te begeleiden naar een passende keuze. Verschillende mbo-instellingen bieden dit al aan, met verschillende werkwijzen. In de Werkagenda mbo is afgesproken een experiment te starten, zodat gevolgd kan worden of en wanneer oriëntatieprogramma’s effectief zijn. In de beleidsregel oriëntatieprogramma’s is toegelicht welke ruimte mbo-instellingen hebben om een programma vorm te geven en is een pilot ingericht om oriëntatieprogramma’s te monitoren. Ik vind het goed om te zien dat MBO Westland het initiatief neemt om in augustus 2025 te starten met een oriëntatieprogramma en ik neem de resultaten graag mee in het pilotonderzoek.
Deelt u de mening dat het aantal voortijdige schoolverlaters in het mbo moet worden verminderd?
Ja. In het actieplan voortijdig schoolverlaten is uitgewerkt welke acties ingezet worden om te komen tot maximaal 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters. In het eerste kwartaal van 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan.
Deelt u de mening dat er binnen het hele beroepsonderwijs meer dan nu moet worden gedaan aan het verbeteren van loopbaanoriëntatie en begeleiding?
Kwalitatieve loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) is essentieel om studenten in staat te stellen om weloverwogen loopbaankeuzes te maken, met oog voor zowel arbeidsmarktperspectief als eigen interesses, talenten en capaciteiten. Door de afspraken die zijn gemaakt in de Werkagenda mbo 2023–2027 wordt per 2023 extra geïnvesteerd in de versterking van loopbaanoriëntatie en -begeleiding, door middel van de kwaliteitsmiddelen en Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB 2023. De eerste monitoringsresultaten laten zien dat mbo-instellingen investeren in extra fte’s, professionalisering van docenten, het intensiveren van de begeleiding van studenten en het organiseren van meer oriënterende beroeps- en bedrijfsbezoeken.2 Het zal echter enige tijd duren voordat de investeringen in LOB effect sorteren en daarom is het nu te vroeg om te concluderen dat er meer nodig is. De voortgang van de afspraken uit de Werkagenda worden tot en met 2027 nauw gemonitord. Daarna kan de balans worden opgemaakt. Tot die tijd wordt u jaarlijks geïnformeerd over de voortgang.
Ziet u de mogelijkheid om deze oriëntatieperiode van MBO Westland te monitoren?
Verschillende mbo-instellingen bieden oriëntatieprogramma’s aan. Daar ben ik blij mee, want ik wil graag onderzoeken of en wanneer oriëntatieprogramma’s effectief zijn in het voorkomen van uitval en onnodige switch, en of wet- en regelgeving toereikend is of aanpassing behoeft. Het initiatief van MBO Westland neem ik daarom ook graag mee in het onderzoek.
Welke concrete ontwikkelingen en meetbare resultaten zijn zichtbaar als gevolg van de jaarlijkse extra investering van 32 miljoen euro voor loopbaanoriëntatie en begeleiding?
Om te kunnen zien of de investeringen die in het kader van de Werkagenda zijn gedaan leiden tot de gewenste bewegingen is een monitoringsprogramma opgezet. Hierbij worden ook de investeringen voor de versterking van loopbaanoriëntatie- en begeleiding betrokken. U heeft recent de startmeting ontvangen. Daarin is te zien dat mbo-instellingen met de kwaliteitsagenda’s investeren in het organiseren van meer beroeps- en bedrijfsbezoeken (77% van de instellingen) en in de samenwerking met werkgevers op het gebied van voorlichting (85%). Daarnaast krijgt goede begeleiding ook aandacht doordat mbo-instellingen kwaliteitsmiddelen inzetten op extra fte’s voor LOB (70% van de instellingen) en professionalisering van docenten en loopbaanbegeleiders (75%). Dit stemt mij positief. Ik hoop dat deze inspanningen gaan resulteren in een hogere tevredenheid van studenten over de hulp van school bij de keuze voor verder leren of werken.
In het najaar van 2025 wordt u geïnformeerd over de mid-term review. Dit zal ook het moment zijn waar ik meer kan vertellen over de ontwikkelingen en resultaten die te zien zijn op het gebied van loopbaanoriëntatie- en begeleiding. Specifiek voor oriëntatieprogramma’s verwacht ik dat er in 2026 een tussenrapportage verschijnt, en in 2028 een eindrapportage.
Ziet u mogelijkheden om, naar aanleiding van initiatieven zoals MBO Westland Start, meer sturing te geven aan de studiekeuzes van studenten, zodat studenten vaker terechtkomen in sectoren met een beter en duurzaam arbeidsperspectief?
Ik vind het belangrijk dat studenten kunnen kiezen voor wat past bij hun talenten en wat ze leuk vinden. Deze keuze moeten zij kunnen maken binnen een opleidingsaanbod dat aansluit op de behoefte van de toekomstige arbeidsmarkt, landelijk en regionaal. Zodat zij goede kansen hebben op de arbeidsmarkt, ook voor de langere termijn. Scholen en bedrijfsleven hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor een passend aanbod in de regio. Deze verantwoordelijkheid moeten zij ook behouden. Maar ik zie dat er meer sturende landelijke regie of landelijke kaders nodig zijn, waarbinnen zij gezamenlijk tot afspraken kunnen komen in de regio. Daarom sluit ik samen met het onderwijs en bedrijfsleven een Pact Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is het ook van belang dat studenten arbeidsmarktinformatie meewegen in hun loopbaankeuzes. Hier speelt goede loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) een belangrijke rol in. Ik blijf de effecten van de investeringen in LOB volgen. Ook bekijk ik of, en voor wie, oriëntatieprogramma’s bijdragen aan het maken van duurzame studiekeuzes.
Het gebruik van de Wet Bibob bij subsidieverlening |
|
Joost Sneller (D66), Ingrid Michon (VVD) |
|
Beljaarts , van Weel , Sophie Hermans (VVD) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen, ingediend op 29 augustus 2022, door de leden Sneller (D66) en Michon-Derkzen (VVD), over het onbenut laten van Bibob-toetsing bij subsidieverlening?1
Ja.
Aangezien u in het antwoord op vragen 10, 11 en 12 van bovengenoemde set heeft aangegeven dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken voert met de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) om de toepassing van de Wet Bibob bij subsidieverlening te verbeteren; wat is de huidige stand van zaken van deze gesprekken, en welke concrete resultaten of beleidsmaatregelen zijn inmiddels voortgekomen uit deze gesprekken om het gebruik van de Wet Bibob bij subsidieverlening door de rijksoverheid te bevorderen?
Zoals mijn ambtsvoorganger in haar brief aan uw Kamer op 3 april 2023 aangaf, zijn door mijn ministerie gesprekken gevoerd met verschillende subsidieverlenende onderdelen van de rijksoverheid.2 Waar nodig zijn zij in contact gebracht met andere Rijksonderdelen die ervaring hebben met de Wet Bibob en met het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat in het kader van zijn voorlichtingstaak informerende of ondersteunende werkzaamheden verricht.
Rijksonderdelen zijn zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de Wet Bibob als zij een subsidie verlenen. In een groot deel van de gevallen is een Bibob-toets echter niet opportuun: het bedrag dat wordt verleend is klein of de subsidie wordt verstrekt aan een andere overheidsinstantie zoals een gemeente. Daarnaast biedt het subsidierecht via de Algemene wet bestuursrecht zelf ook de mogelijkheid om voorwaarden te stellen om misbruik tegen te gaan. Toepassing van de Wet Bibob is dan niet nodig.
Het opstellen van landelijk Bibob-beleid bij het verstrekken van subsidies voor het Rijk is niet mogelijk; de inzet van het instrument per Rijksonderdeel en per sector verschilt te veel. Wel hebben de betrokken ministeries met een aantal Rijksonderdelen gesprekken gevoerd, zoals Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO is onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en voert subsidieregelingen uit voor verschillende ministeries. RVO heeft naar aanleiding van de vorige Kamervragen een Bibob-adviesgroep opgericht. Zie ook de beantwoording van de vragen 3 en verder.
Niet alleen Rijksonderdelen zoals RVO verstrekken subsidies waarop de Wet Bibob van toepassing is, ook (beleids)afdelingen van de ministeries kunnen dat doen, zoals ook aangegeven in de bijlage bij de brief aan uw Kamer van 15 december 2023.3 Er is gekeken welke rol mijn ministerie daarin kan hebben en in dat kader zijn onder andere gesprekken gevoerd met het onderdeel binnen mijn ministerie dat de kaders opstelt voor het verstrekken van subsidies. Hun kader ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies wordt op dit moment uitgebreid met aandacht voor de Wet Bibob. Met deze afdeling zal ook worden nagedacht over mogelijke uitbreiding naar andere ministeries.
Wat zijn de concrete resultaten van de Bibob-adviesgroep die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2023 heeft ingesteld?
De Bibob-adviesgroep van RVO adviseert en ondersteunt binnen RVO over het proportioneel inzetten van de onderzoeksmogelijkheden die de wet Bibob biedt. Dit gebeurt op basis van adviesverzoeken die bij de adviesgroep kunnen worden ingediend door uitvoerende afdelingen van RVO. Ook kan een Bibob-tip (zie hierover ook vraag 5 en 7) aanleiding zijn voor bespreking van een casus in de adviesgroep. Vanaf 2023 heeft de Bibob-adviesgroep negen adviezen verstrekt over de inzet van de Wet Bibob binnen RVO. Geen van deze zaken gaf aanleiding om een adviesaanvraag bij het LBB te doen.
De Bibob-adviesgroep helpt binnen RVO ook bij een goede waarborging van ontvangen vertrouwelijke Bibob-gegevens. Daarnaast wordt vanuit de Bibob-adviesgroep deelgenomen aan externe overleggen en netwerken rondom de Wet Bibob, zoals het Landelijk Subsidieoverleg van het IPO (Interprovinciaal overleg) en het Landelijk Bibob-congres. Doel hiervan is om overheidsbreed kennis met elkaar te delen over de Wet Bibob en de toepassing daarvan in de praktijk.
Worden subsidieaanvragers van duurzame energieprojecten door RVO altijd gescreend op integriteit, bijvoorbeeld via een Bibob-toets, en zo ja, op welke wijze gebeurt dit?
Het screenen van subsidieaanvragers met behulp van de Wet Bibob gebeurt risicogericht. De inzet van de Wet Bibob bij subsidieverstrekking is een mogelijkheid om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan en wordt gedaan op basis van een risicoanalyse die gedaan wordt bij het opstellen van een nieuwe (subsidie)regeling.
Deze risicoanalyse die wordt uitgevoerd bij een nieuwe regeling vloeit voort uit het Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies (RUS) en het Uniform Subsidiekader (USK). Dit gebeurt in samenspraak met het ministerie dat de opdracht voor uitvoering van een subsidieregeling aan RVO geeft.
Een voorbeeld van screening op integriteit is de Stimulering Duurzame Energieproducten en Klimaattransitie (SDE++). Bij de SDE++ worden subsidieaanvragers in het kader van de Wet Bibob gescreend op basis van ontvangen tips door bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie. Daarnaast wordt de SDE++ ieder jaar geactualiseerd op basis van een (verkorte) risicoanalyse.
Aangezien bij subsidies voor de totstandkoming van duurzame energieprojecten, zoals energieparken, vaak ook een vergunning van de gemeente nodig is, deelt u de mening dat RVO transparant moet zijn richting gemeenten over het al dan niet uitvoeren van een Bibob-toets bij een subsidieaanvraag, zodat gemeenten deze informatie kunnen betrekken bij hun vergunningverlening?
Overheden die bevoegd zijn om de Wet Bibob toe te passen kunnen elkaar tippen om een Bibob-onderzoek te starten. Dat kan echter alleen als de ene overheidsinstantie weet dat de andere overheidsinstantie een rechtsverhouding heeft of wil aangaan met een betrokkene4 of iemand in zijn zakelijke omgeving. De tippende overheidsinstantie moet over informatie beschikken dat deze persoon in relatie staat tot strafbare feiten. Het is vervolgens aan de andere overheidsinstantie om een keuze aangaande het eigen onderzoek te maken. Informatie uit een Bibob-onderzoek kan onder voorwaarden wel gedeeld worden met elkaar.
Worden bij de beoordeling van een subsidieaanvraag door RVO gegevens uitgewisseld met andere bestuursorganen, zoals gemeenten, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit proces te verbeteren?
Bij het opstellen van een subsidieregeling wordt altijd gekeken naar hoe deze het beste uitgevoerd kan worden. Indien gegevensuitwisseling met andere organisaties of overheidsinstanties nodig is bij uitvoering en handhaving van een (subsidie)regeling, wordt dit nader geregeld in de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de betreffende subsidieregeling.
Een belangrijk aandachtspunt is dat de samenwerkende instanties bij gegevensuitwisseling, als daarbij sprake is van persoonsgegevens, hierbij voldoen aan de voorschriften van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit betekent onder meer dat er altijd een rechtsgrondslag moet zijn voor het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens en dat bepaalde vereisten gelden ter waarborging van een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens conform de wet. Persoonsgegevens kunnen dus niet zonder wettelijke grondslag tussen partijen en instanties uitgewisseld worden of voor andere doeleinden gebruikt worden dan waarvoor zij oorspronkelijk verzameld zijn.
Ook het delen van gegevens uit een Bibob-onderzoek van RVO na een subsidieaanvraag is aan strenge voorwaarden verbonden. Zoals bij de beantwoording van vraag 5 is aangegeven kan deze informatie soms wel gedeeld worden. Zo moet RVO onder andere weten dat een ander bestuursorgaan een eigen Bibob-onderzoek verricht naar personen die door RVO zijn onderzocht, de gegevens moeten noodzakelijk zijn voor het eigen onderzoek en de gegevens zou het bestuursorgaan ook zelf moeten kunnen verkrijgen.
Hoe wordt geborgd dat de vergunningverlenende gemeente op de hoogte wordt gesteld van het al dan niet uitvoeren van een Bibob-toets bij de betreffende subsidieaanvraag?
Zie ook het antwoord op vraag 5. Een tip behoort tot de mogelijkheden, maar daarvoor is wel noodzakelijk dat de ene overheidsinstantie op de hoogte is van een vergunning(aanvraag) bij de gemeente. De gemeente heeft echter wel altijd de mogelijkheid om het Bibob-register te raadplegen. In het Bibob-register moeten conclusies worden geregistreerd wanneer een (eigen) onderzoek heeft geleid tot een bepaalde mate van gevaar of een terugtrekking uit de procedure. Een zogenaamde «hit» kan voor een gemeente of andere overheidsinstelling aanleiding zijn om een onderzoek te starten en het kan vervolgens ook onder voorwaarden om informatie uit het al afgeronde Bibob-onderzoek verzoeken.
Kunt u aangeven hoe vaak RVO in 2021, 2022, 2023 en tot nu toe in 2024 een adviesaanvraag heeft gedaan bij het Landelijk Bureau Bibob?
RVO heeft tussen 2021 en nu in totaal tien adviesaanvragen gedaan bij het LBB. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat de adviesaanvragen van RVO in voornoemde periode per definitie zien op subsidies.
Kunt u per bestuursorgaan aangeven hoeveel adviesaanvragen er zijn gedaan bij het Landelijk Bureau Bibob in 2023 en tot nu toe in 2024?
Het LBB deelt in verband met de geheimhoudingsplicht in de Wet Bibob alleen cijfers over adviesaanvragen als deze cijfers niet te herleiden zijn naar individuele gevallen. Dit betekent dat het aantal adviesaanvragen per bestuursorgaan/rechtspersoon met overheidstaak slechts gedeeld wordt als dit een dusdanig aantal betreft dat op basis daarvan geen sprake is van herleidbaarheid naar een individueel geval. Een globaal overzicht van de cijfers is jaarlijks te vinden in het jaarverslag van het LBB.
In 2023 heeft het LBB in totaal 255 adviesaanvragen ontvangen. 230 daarvan waren afkomstig van gemeenten. 14 adviesaanvragen waren afkomstig provincies. 9 adviesaanvragen waren afkomstig van Rijksonderdelen. In totaal hebben 94 verschillende bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak in 2023 advies bij het LBB aangevraagd. Voor meer informatie over de cijfers in 2023 verwijs ik u naar het jaarverslag 2023 van het LBB.
In 2024 heeft het LBB tot en met 5 december 2024 in totaal 243 adviesaanvragen ontvangen. 209 daarvan waren afkomstig gemeenten. 7 adviesaanvragen waren afkomstig van provincies. 13 adviesaanvragen waren afkomstig van Rijksonderdelen. 13 adviesaanvragen waren afkomstig van een samenwerkingsverband. In totaal hebben 106 verschillende bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak tot en met 5 december 2024 een advies bij het LBB aangevraagd.
Wanneer bent u voornemens de Kamer te informeren over de inspanningen die worden gedaan om de inzet van de Bibob als instrument tegen ondermijning beter te kunnen benutten?
Mijn ministerie zet zich op een continue basis in om (de inzet van) het Bibob-instrument te optimaliseren. Zo wordt regelmatig met het LBB en de Regionale Informatie- en Expertisecentra gesproken over de inzet en over de ontwikkelingen bij bestuursorganen. Het jaarverslag van het LBB wordt naar de Kamer verzonden en geeft een goed beeld van de werkzaamheden van het LBB.
Daarnaast wordt in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum op dit moment daarnaast een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de recente wijzigingen van de Wet Bibob, waarbij ook aandacht wordt besteed aan moties en enkele actualiteiten.5 Een reactie op dit onderzoek en eventuele opvolging volgt na afronding, verwacht in het najaar van 2025. Ten slotte blijf ik mij inzetten om Rijksonderdelen bewust te maken van de mogelijkheid om de Wet Bibob in te zetten. Een update op dit onderwerp volgt voor de zomer.
Het bericht ‘Ministeries laten gevaarlijke man op straat zwerven, ondanks waarschuwingen’ |
|
Michiel van Nispen , Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (PVV), Struycken |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht: «Ministeries laten gevaarlijke man op straat zwerven, ondanks waarschuwingen. Het is wachten op een heftiger incident»? Kloppen de feiten zoals gesteld in dit artikel? Zo nee, wat klopt er niet?1
Wij gaan niet in op individuele situaties. Wel kunnen we uw Kamer melden dat de persoon in kwestie op korte termijn wordt opgenomen in Veldzicht, in navolging van de uitspraak van de rechter. Deze uitspraak gaan wij de komende tijd nader bestuderen. Voor de uitspraak van de rechter zijn meerdere spoedoverleggen geweest met betrokken partijen om tot een oplossing te komen. Daarbij kan in algemeenheid gesteld worden dat Veldzicht een psychiatrisch ziekenhuis is. Veldzicht beoordeelt iedere aanvraag afzonderlijk op medisch inhoudelijke gronden. In die beoordeling kunnen er contra-indicaties zijn op basis waarvan Veldzicht geen passende behandelzorg kan realiseren. Daar gaan wij als bewindspersonen niet over en daarin respecteren wij het oordeel van de medisch deskundigen in Veldzicht.
\Waarom verblijft deze ongedocumenteerde man met een ernstig gewelddadig verleden nog steeds op straat terwijl u beiden gewaarschuwd bent voor het gevaar dat hiervan uitgaat en er al serieuze veiligheidsincidenten zijn geweest, zoals de aanval op een willekeurige woning en de tassen met explosieven?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt betrokkene op korte termijn in Veldzicht opgenomen. Los van deze individuele casus is het volgende van belang. De afspraken die zijn gemaakt over ongedocumenteerden die kampen met ernstige psychische problemen blijven voorlopig ongewijzigd van kracht, ook na 1 januari 2025. Deze doelgroep wordt vooralsnog opgenomen en behandeld in Veldzicht als wordt voldaan aan de hiervoor geldende criteria en randvoorwaarden. Veldzicht maakt een medisch inhoudelijke afweging of zij de juiste behandelzorg kan bieden.
Waarom is deze man geweigerd in tbs-kliniek Veldzicht? Waren de plaatsen in deze kliniek niet juist voor dit soort gevallen bedoeld?
Er zijn bedden beschikbaar voor ongedocumenteerde vreemdelingen. Zoals bij antwoord 2 aangegeven, beoordeelt Veldzicht iedere aanvraag afzonderlijk op medisch-inhoudelijke gronden. In die beoordeling kunnen er contra-indicaties zijn op basis waarvan Veldzicht geen passende behandelzorg kan realiseren.
Hoe verhoudt de weigering van deze persoon in Veldzicht zich tot uw herhaaldelijke beloftes dat mensen waar een risico van uitgaat niet zomaar op straat zouden worden gezet en de aangenomen Kamermotie die uitsprak dat de huidige doelgroep in Veldzicht behouden zou moeten blijven en er geen onomkeerbare stappen zouden worden gezet? Waar zijn uw «voorstellen om te voorkomen dat ongedocumenteerden en COA-bewoners met psychische problemen op straat komen te staan» zoals de motie van u vroeg?2
De motie- Van Nispen c.s. ziet erop toe dat de regering ten aanzien van de huidige doelgroep in Veldzicht geen onomkeerbare stappen zet en eerst met voorstellen komt om te voorkomen dat ongedocumenteerden en COA-bewoners met psychische problemen op straat komen te staan. Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Samenwerkingsconvenant COA en Veldzicht» (referentie 544779), kunt u ervan uitgaan dat de huidige populatie die in Veldzicht verblijft zonder passend alternatief in de GGZ niet zomaar op straat wordt gezet. Voor de groep ongedocumenteerden worden de huidige samenwerkingsafspraken niet gewijzigd. Ten aanzien van de motie hebben wij ook aangegeven dat goed gekeken moet worden per groep wie er op de juiste plek zit binnen Veldzicht. Daarom dienen COA-bewoners met een lagere beveiligingsbehoefte dan beveiligingsniveau 3 vanaf 1 januari in beginsel via de reguliere weg geplaatst te worden bij reguliere zorgaanbieders. Voor deze groep is een overgangsperiode van 3 maanden. Voor die gevallen dat plaatsing bij een reguliere zorgaanbieder, ondanks de inzet van het COA, de door COA gecontracteerde zorgpartijen, de crisisdienst en/of een crisismachtiging van de burgemeester, niet (direct) lukt en dit tot onveilige situaties zou leiden op de COA-opvanglocaties, stelt Veldzicht bedden beschikbaar. Hiermee wordt gehandeld in lijn met de motie.
Als deze persoon om wat voor reden dan ook niet in Veldzicht geplaatst wordt, waar moet deze persoon dan volgens u (beveiligd) opgevangen worden om te voorkomen dat er een ernstig gevaar van hem uitgaat voor de samenleving?
Deze persoon wordt naar aanleiding van de uitspraak van de rechter op korte termijn bij Veldzicht geplaatst. Zoals gezegd blijven de samenwerkingsafspraken ten aanzien van de groep ongedocumenteerden voorlopig ongewijzigd. Ons is wel duidelijk geworden dat er onduidelijkheden zijn onder welke voorwaarden ongedocumenteerden geplaatst kunnen worden. We gaan aan de slag om dit samen met Veldzicht, gemeenten en de Medisch Opvang Ongedocumenteerden te verduidelijken.
Voelt u zich verantwoordelijk voor het risico dat hiervan uitgaat? Zo nee, waarom niet? En zo nee, wie is er dan wel verantwoordelijk voor het beschermen van de veiligheid in de samenleving bij een aantoonbaar risico waarvoor bij herhaling gewaarschuwd wordt?
Het kabinet voelt een gezamenlijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat deze groep vreemdelingen met psychiatrische problematiek met de juiste zorg geholpen wordt en geen gevaar vormt voor de samenleving. De Minister van Asiel en Migratie is hierbij verantwoordelijk voor de vreemdelingenketen, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor de zorg die geboden wordt aan vreemdelingen met een strafrechtelijke titel en de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is stelselverantwoordelijk voor (het aanbod in) de reguliere ggz-zorg.
Wat gaat u per direct doen om (beveiligde) opvang te realiseren voor deze persoon?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen uiterlijk binnen een week beantwoorden, waarbij u zich verantwoordt over wat u in de tussentijd gedaan heeft om de veiligheid te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
De plannen voor (intensievere) controles aan de landsgrenzen |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Marjolein Faber (PVV), Judith Uitermark (NSC), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van het NRC van 24 oktober 2024 «En zo moest Wilders toch inbinden: asielnoodwet is van de baan», de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 februari 2023 inzake etnisch profileren door de Koninklijke Marechaussee, de brief van de directeur-generaal Migratie aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee van 17 februari 2023 inzake «Opvolging uitspraak gerechtshof d.d. 14 februari 2023 inzake gebruik etniciteit in selectiebeslissingen tijden MTV-controles», de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 februari 2023 «Uitspraak gerechtshof verbiedt de Marechaussee ras en etniciteit te gebruiken als indicator in selectiebeslissingen t.b.v. MTV-controles», de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 mei 2023 «Reactie op het verzoek van het lid Belhaj, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 14 februari 2023, over de uitspraak van het gerechtshof over etnisch profileren van de Marechaussee bij grenscontroles», de brief van Amnesy International aan het kabinet van 12 februari 2024 «Reactie Kamerbrief nr. 349, 16 mei 2023», het bericht van Vrij Nederland van 14 februari 2024 «Marechaussee blijft etnisch profileren», het bericht van NU.nl van 26 april 2024 «Ook marechaussee stopt met meewegen uiterlijk en afkomst bij controles» en met het position paper van de Koninklijke Marechaussee voor het rondetafelgesprek van 23 mei 2024 inzake risicoprofilering in het handhavingsbeleid?1 2 3 4 5 6 7 8 9
Ja.
Overwegende dat dit kabinet plannen heeft voor intensivering van grenscontroles, wordt er ook gecontroleerd als er geen concrete geïndividualiseerde aanwijzing is voor illegaal verblijf? Zo ja, hoe wordt dan gewaarborgd dat er niet mede op basis van uiterlijke kenmerken geselecteerd wordt?
Ook voor de binnengrenscontroles geldt, net als voor alle handelingen van de overheid, dat de Koninklijke Marechaussee (KMar) is gehouden aan het discriminatieverbod uit artikel 1 van de Grondwet en de gelijke behandelingswetgeving, zoals nader uitgewerkt in nationale en internationale jurisprudentie. Ten aanzien van de binnengrenscontroles, waarbij getoetst wordt op de voorwaarden voor de toegang tot Nederland, zet de KMar in op risicogestuurd en informatiegestuurd toezicht, zodat de bestaande capaciteit gericht wordt ingezet, de risicogestuurde controles zo effectief mogelijk zijn, en de impact op de economie en grensregio’s zo beperkt mogelijk is. Dit is in lijn met de algemene inzet van de KMar op informatiegestuurd grensmanagement.
Non-discriminatoir handelen is in alle gevallen het uitgangspunt bij alle uitvoeringshandelingen van de overheid. In dit kader maakt de KMar gebruik van het handelingskader Professioneel Controleren. Etniciteit is sinds november 2021 geen onderdeel meer van profielen en individuele selectiebeslissingen. Op grond van de uitspraak van het gerechtshof10 is de KMar in februari 2023 geïnstrueerd geen gebruik meer te maken van etnische kenmerken, ook niet in uitzonderlijke gevallen, waar dat nog zou gebeuren.
Als een persoon een klacht heeft over het handelen van de KMar, kan hij of zij zich melden bij de KMar voor een klachtenprocedure. De KMar heeft hier recent in geïnvesteerd om deze procedure te verbeteren en te professionaliseren. De Inspectie van Justitie en Veiligheid houdt toezicht op het handelen van de KMar. Ten slotte kunnen personen met klachten ook terecht bij de Nationale ombudsman.
Kunt u de waarborgen puntsgewijs benoemen en verduidelijken wie toezicht houdt op de naleving van de waarborgen in de praktijk?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het doen stoppen van een voertuig, terwijl een ander voertuig kan doorrijden, te kwalificeren valt als een selectiebeslissing?
De keuze wordt gemaakt om een bepaald voertuig te controleren.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee (KMar) is toegestaan om bij Mobiel toezicht veiligheid (MTV)-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van etnische kenmerken van inzittenden bij selectiebeslissingen?
Zoals reeds aangegeven bij vraag 3, maakt de KMar bij MTV-controles geen gebruik meer van etnische kenmerken, ook niet in uitzonderlijke gevallen, waar dat nog zou gebeuren. De MTV-controles worden uitgevoerd zonder gebruik te maken van etniciteit en ras als selectiecriterium.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee is toegestaan om bij MTV-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van de herkomst van een kenteken als een van de indicatoren voor een selectiebeslissing?
De KMar zet, onder andere met het handelingskader Professioneel Controleren, in op een professionele controle, waarin niet etnisch wordt geprofileerd. Dit handelingskader wordt doorgaans onder de aandacht gebracht van de medewerkers en leidinggevenden van de KMar, en biedt hen handvatten om de controle professioneel en non-discriminatoir uit te voeren. Bij binnengrenscontroles toetst de KMar aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland. Profileren is een belangrijk element in het risico- en informatiegestuurd controleren. Op basis van informatie worden selectie-indicatoren geïdentificeerd, waarmee voertuigen geselecteerd worden voor controle. Denk hierbij informatie over reisrouters en reisgezelschappen. Etniciteit is geen indicator in deze reeks. Een kenteken van een voertuig kan dit wel zijn. Ook wordt geselecteerd op basis van cijfers, trends en concrete tips van nationale en internationale partners. Hiermee wordt de pakkans van de controle vergroot en worden bonafide reizigers zo min mogelijk nodeloos aan de kant gezet.
Bent u van mening dat het de Koninklijke Marechaussee is toegestaan om bij MTV-controles (waarbij er geen geïndividualiseerde verdenking is) aan de landsgrenzen van Nederland gebruik te maken van specifieke stad- of regiocodes op een kenteken als een van de indicatoren voor een selectiebeslissing?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het item van Nieuwsuur over grenscontroles?10
Ja.
Bent u bekend met het statement van de vertegenwoordiger van de vakbond van de KMar in het Nieuwsuur-item, waarin wordt gezegd dat de KMar steekproefsgewijs gaan controleren?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de KMar steekproefsgewijs gaat controleren en toelichten wat dat precies betekent?
Zoals eerder aan uw Kamer is medegedeeld, zullen de Nederlandse grenscontroles niet systematisch worden uitgevoerd. De KMar zet haar personeel informatiegestuurd in op basis van risicoanalyses. Op deze wijze worden zo min mogelijk bonafide reizigers nodeloos gecontroleerd.
Overwegende dat in datzelfde publieke statement wordt gesteld door de vertegenwoordiger van de vakbond van de KMar dat de effectiviteit van controles met «goede sensoren» verhoogd worden, kunt u toelichten wat (voor type) deze sensoren zijn? Welke informatie wordt verzameld met deze sensoren en verwerkt? En hoe leidt dat tot selectie van (bepaalde) voertuigen/mensen die de grens passeren?
De sensoren betreffen onder andere camera’s die bij grensovergangen boven of langs de weg zijn geplaatst. Deze kunnen kentekens waarnemen. Deze kentekens kunnen worden getoetst aan een referentielijst om zo voertuigen te identificeren en valideren. Op de referentielijst staan voertuigen die in verband worden gebracht met bijvoorbeeld migratiecriminaliteit of een ander strafbaar feit. De identificatie van een voertuig kan aanleiding zijn voor een controle.
Ook kan gebruik worden gemaakt van andere sensoren en innovatieve technieken, zoals het detecteren van mensensmokkel met gebruikmaking van warmtebeelden.
Het artikel ‘Een nieuw kiesstelsel, ongelijk en onevenredig’ |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Een nieuw kiesstelsel, ongelijk en onevenredig»?1
Ja.
Deelt u de constatering dat de artikelen 4 en 53 van de Grondwet de ruimte die de wetgever heeft om een (al dan niet gematigd) districtenstelsel in te voeren sterk beperkt?
Het uitgangspunt bij het ontwerpen van het nieuwe kiesstelsel voor de Tweede Kamer is dat dit moet passen binnen de bestaande Grondwettelijke kaders. Er zijn verschillende artikelen in de Grondwet waar rekening mee moet worden gehouden bij de vormgeving van een nieuw kiesstelsel. Naast de in de vraag genoemde artikelen geldt dat in ieder geval voor de artikelen 50, 51, tweede lid, en 56.
Deelt u de constatering dat de uitgangspunten van gelijk kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging de belangrijkste constitutionele eisen zijn die aan het kiesstelsel worden gesteld?
Het nieuwe kiesstelsel moet passen binnen de Grondwettelijke kaders. Dat geldt voor alle artikelen die relevant zijn voor het kiesstelsel. Er bestaat tussen die artikelen geen hiërarchie.
Hoe ziet u de verhouding tussen deze uitgangspunten? Wegen zij beide even sterk of heeft een van beide uitgangspunten de overhand?
Zie het antwoord op vraag 3.
Ziet u overschotzetels, evenals uw ambtsvoorgangers, als onwenselijk?
Het nieuwe kiesstelsel moet passen binnen de bestaande Grondwettelijke kaders en moet dus voldoen aan het vereiste van evenredige vertegenwoordiging. Overschotzetels kunnen effect hebben op de evenredigheid van de uitslag. Als overschotzetels leiden tot een te onevenredige uitslag is dat onwenselijk. Bij de nog te maken keuzes voor het nieuwe kiesstelsel houd ik hier vanzelfsprekend rekening mee.
Bent u het eens met de auteur van het artikel dat de uitzonderingsclausule van artikel 4 Grondwet geen ruimte biedt beperkingen aan te brengen op de gelijkelijkheid van stemmen (par. 4.2)? Zo ja, geldt dat dan ook voor de conclusie dat een kiesstelsel dat afbreuk doet aan het gelijke kiesrecht ongrondwettig is?
Als aangekondigd in mijn brief van 4 december jl.2 laat ik door de universiteiten van Leiden en Twente onderzoek doen naar drie kiesstelselvarianten. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij de verder te maken keuzes voor het kiesstelsel. Hierbij heb ik nadrukkelijk aandacht voor het Grondwettelijk kader en dus ook voor de eis van gelijkelijkheid van stemmen.
Deelt u de opvatting dat er grote moeilijkheden kleven aan het verzekeren dat districten zich qua inwonertal evenredig verhouden en blijven verhouden tot het aantal zetels dat aan districten wordt toegewezen?
Om te komen tot een nieuw kiesstelsel moeten vele keuzes worden gemaakt. Er zijn veel knoppen om aan te draaien die een effect hebben op de evenredigheid van het kiesstelsel. Denk bij een districtenstelsel met meervoudige kiesdistricten onder meer aan: het aantal districten, de wijze van verdeling van zetels over en binnen de districten, de methode van restzetelverdeling en het aantal vereffeningszetels. De vraag of er grote moeilijkheden kleven aan het verzekeren dat districten zich qua inwonertal evenredig blijven verhouden tot het aantal zetels dat aan districten wordt toegewezen, kan daarom op dit moment nog niet worden beantwoord. Dit onderwerp betrek ik bij de verdere uitwerking van het kiesstelsel.
Gegeven dat het bij een districtenstelsel niet mogelijk is elke stem volledig gelijk te laten wegen, welke percentuele marge acht u acceptabel als het gaat om ongelijke weging van stemming? Kunt u de Code of Good Practice in Electoral Matters van de Commissie van Venetië bij uw antwoord betrekken?
Vanzelfsprekend wordt de Code of Good Practice in Electoral Matters van de Venetiëcommissie bij de verdere uitwerking van het stelsel betrokken.
Hoe kijkt u naar het effect dat een districtenstelsel de evenredigheid op ongelijke wijze aan kan tasten? Meer precies: het verschijnsel dat zetels in kleinere districten minder evenredig verdeeld kunnen worden en zij dus minder lokale vertegenwoordiging zullen krijgen dan grotere kiesdistricten (zie par. 5.2, laatste alinea)?
Dit is een aspect dat ik ook zal betrekken bij de uitwerking van het kiesstelsel.
Ziet u de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om nog voor de volgende verkiezingen een nieuw kiesstelsel te introduceren nog als haalbaar?
Ja.
Bent u bereid om, voordat het wetsvoorstel naar de Raad van State wordt gezonden een empirisch onderbouwde probleemanalyse aan de Kamer te zenden? En kunt u daarbij betrekken of en in hoeverre het probleem voor burgers gelegen is in het gebrek aan lokale vertegenwoordiging of in de relatieve oververtegenwoordiging van de (grote steden in de) Randstad?
Zoals aangekondigd in de brief van 4 december jl. verwacht ik in maart 2025 uw Kamer te informeren over de richting die het kabinet voor ogen heeft voor het Kiesstelsel. Daarbij besteed ik uiteraard aandacht aan de probleemanalyse. Dit zal daarnaast een belangrijk onderdeel zijn van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.
Welke alternatieve mogelijkheden ziet u om de band tussen kiezer en gekozene te verstevigen?
In het onderzoek van de universiteiten Leiden en Twente worden drie kiesstelselvariant onderzocht: 1) het Scandinavisch/Zweeds model; 2) het kieskringenstelsel; 3) het stelsel «Met één stem meer keus». Ik laat deze stelsels onderzoeken omdat deze varianten de band tussen kiezer en gekozenen kunnen verstevigen.
Hoe staat u tegenover het voorstel van een kiesstelsel waarbij kiezers zowel op een lijst als een kandidaat kunnen stemmen, en hoe verhoudt dit voorstel zich in uw ogen tot de principes van gelijk kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging?
Een dergelijk stelsel zoals ook – «Met één stem meer keus» – wordt betrokken bij het onderzoek door de universiteiten van Leiden en Twente en de nog te maken keuzes rond het kiesstelsel.
Het langlopende conflict tussen Multraship en de Roemeense overheid. |
|
Dennis Ram (PVV) |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat het sleep- en bergingsbedrijf Multraship uit Terneuzen anno 2024 al 20 jaar wacht op betaling vanuit de Roemeense overheid voor geleverde diensten tijdens een zeer specialistische bergingsoperatie in de Donau?1, 2
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Roemeense overheid nog steeds de openstaande rekening niet heeft betaald, ondanks bindende uitspraken van de International Chamber of Commerce en een duidelijke toezegging van een Roemeense Minister aan onze ambassadeur?
De Roemeense rechter heeft geoordeeld dat de uitspraak van het Internationale Hof van Arbitrage van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) niet ten uitvoer kan worden gelegd in Roemenië, vanwege procedurefouten door Multraship bij de samenstelling van het arbitragetribunaal. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in contact met Multraship en de Roemeense overheid over een oplossing voor deze kwestie. Op 1 december vonden er parlementsverkiezingen plaats in Roemenië. Zodra een nieuw kabinet is aangetreden zal ik deze zaak opnemen met mijn Roemeense counterpart.
Hoe beoordeelt u het gedrag van Roemenië t.a.v. Bilateraal Inversteringsverdrag uit 1930 (BIT) tussen Nederland en Roemenië, en t.a.v. de verdragen in de EU die van toepassing zijn op dit geschil?
De uitspraak van de ICC is gebaseerd op een contract tussen Multraship en Roemenië. Er is derhalve in deze situatie sprake van commerciële arbitrage. De claim is niet opgebracht onder het investeringsbeschermingsverdrag tussen Nederland en Roemenië uit 1994, dat in 2022 is beëindigd. Het is verder niet aan Nederland om over het gedrag van Roemenië in deze te oordelen. Dat laat onverlet dat, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, Nederland zich blijft inzetten om een dialoog te faciliteren tussen Multraship en de Roemeense overheid over een oplossing voor deze kwestie.
Welke concrete stappen kunt en wilt u zetten om maximale druk op Roemenië uit te oefenen en hen eindelijk te laten betalen na alle eerdere inspanningen?
Ik zal deze zaak op korte termijn opbrengen bij mijn Roemeense counterpart nadat de nieuwe Roemeense regering zitting heeft genomen. Daarnaast staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken met Multraship in contact over deze kwestie. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voor het Kerstreces 2024 beantwoorden?
Ja.
Het nieuwsbericht over sluiproutes voor de financiering van politieke partijen |
|
Michiel van Nispen |
|
Judith Uitermark (NSC) |
|
Bent u bekend met de inhoud van het artikel «Politieke partijen blijven anonieme donaties aannemen»? Wat is uw reactie daarop?1
Ja. Zie voor een reactie de antwoorden op onderstaande vragen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties politieke partijen adviseert om anonieme donaties van boven de 250 euro terug te storten op de rekening van de afzender in plaats van het bedrag te storten op de rekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Uit de Wfpp volgt dat bij giften boven de € 250 aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. Zo dienen bijvoorbeeld de NAW-gegevens van de donateur geregistreerd te worden en moeten bij een gift van een rechtspersoon de UBO-gegevens worden aangeleverd. Als een politieke partij een bedrag op haar bankrekening ontvangt zonder de benodigde gegevens over de oorsprong hiervan, is er volgens het Ministerie van BZK nog niet direct sprake van een anonieme gift. Het ministerie geeft politieke partijen dan drie mogelijkheden: alsnog de noodzakelijke gegevens achterhalen om de gift te mogen aanvaarden; het niet aanvaarden van het bedrag door het terug te storten; of het aannemen van de gift zonder de benodigde gegevens, maar de gift vervolgens overmaken op de rekening van BZK. BZK stelt in dat laatste geval een vorderingsbrief op waarmee het bedrag boven de € 250 euro wordt gevorderd.
Waarom wordt dit advies gegeven, terwijl in de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) artikel 23 staat dat dit bedrag overgemaakt moet worden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Wat is uw precieze lezing van dit wetsartikel en waar is die interpretatie op gebaseerd?
Niet iedere burger of rechtspersoon is bekend met de regels over financiering van politieke partijen zoals die in de Wfpp zijn neergelegd. Het kan dan ook voorkomen dat iemand onbedoeld aan een politieke partij schenkt op een manier die niet is toegestaan. Daarnaast is het mogelijk dat een politieke partij een ontvangen bedrag niet wenst te accepteren. Als een partij het ontvangen bedrag niet als gift wil of mag accepteren, moet zij de mogelijkheid hebben dit terug te storten. Pas als een partij besluit het bedrag te aanvaarden, is er sprake van een gift. De werkwijze van het terugstorten van een overmaking is daarmee in lijn met meerdere doelstellingen van de Wfpp, zoals dat transparant moet zijn van wie politieke partijen giften ontvangen en dat anonieme giften van boven de € 250, niet worden aanvaard door partijen.
Klopt het dat buitenlandse mogendheden of organisaties grote donaties kunnen doen aan politieke partijen, door dit in eerste instantie over te maken aan een lokale afdeling van de partij, omdat deze niet onder het verbod vallen?
In de Wfpp is bepaald dat de wettelijke voorschriften over ontvangen giften niet gelden voor decentrale politieke partijen en afdelingen van politieke partijen. Veel landelijke politieke partijen nemen desondanks giften aan hun lokale afdelingen mee in de jaarlijkse verantwoording. In de Wet op de politieke partijen (Wpp), die de regering zo spoedig mogelijk bij uw Kamer hoopt in te indienen, doet de regering voorstellen voor regels over de financiering van lokale politieke partijen en afdelingen.
Klopt het dat politieke partijen nog steeds donaties van boven een ton kunnen ontvangen, doordat bedrijven, zoals Otto Workforce, persoonlijke holdings van bestuurders gebruiken om het bedrag op te splitsen in kleinere delen?
De Wfpp maximeert de giften die een politieke partij mag ontvangen tot € 100.000 per gever, per kalenderjaar. Daarnaast is het vanaf 1 januari 2024 voor politieke partijen verplicht bij giften van een rechtspersoon de UBO-gegevens te registeren. Op deze manier is duidelijk welk natuurlijk persoon uiteindelijk belanghebbende is bij de rechtspersoon. Het ontvangen van giften van verschillende gevers die aan elkaar verbonden zijn, is niet in strijd met de wet. Tegelijkertijd stellen de transparantieregels uit de Wfpp een norm en is het mogelijk dat hier een maatschappelijke discussie over plaatsvindt.
Klopt het dat een enkele afzender meer dan een ton kan doneren, door dit te spreiden over meerdere politieke partijen?
De Wfpp verbiedt politieke partijen om van een donateur jaarlijks giften van meer dan € 100.000 te aanvaarden. De verplichting berust daarmee op de politieke partij en niet op de donateur. Het doel van het artikel dat dit verbiedt, is om ongewenste financiële beïnvloeding van politieke partijen tegen te gaan door te voorkomen dat een politieke partij een substantieel deel van haar inkomen zou verkrijgen via één donateur. Een verbod op het ontvangen van giften van een donateur die al aan een andere politieke partij heeft gedoneerd is voor politieke partijen vrijwel niet te handhaven, omdat ze dan onderling op ieder moment direct informatie over ontvangen giften zouden moeten uitwisselen.
Klopt het dat er nog steeds anoniem gedoneerd kan worden aan een politieke partij door vanaf verschillende rekeningnummers elke keer duizend euro over te maken?
Nee. Bij een gift van € 1.000 dienen de NAW-gegevens geregistreerd te worden. Wel zijn anonieme donaties tot € 250 toegestaan. Doordat deze donaties anoniem zijn is het inherent onmogelijk om te bepalen of deze donaties door een en dezelfde of door meerdere personen zijn gedaan.
Bent u het eens met de stelling dat de Wfpp onvoldoende in staat is gebleken dit soort constructies te voorkomen en dat daarmee het doel van de wet, namelijk dat de politiek niet door grote geldschieters beïnvloed hoort te worden, niet wordt bereikt?
Het doel van de Wfpp is om de financiering van politieke partijen transparant te maken. Het is niet mogelijk om wettelijk alle mogelijke omzeilingsroutes te dichten. Politieke partijen hebben zelf ook een verantwoordelijkheid om in de geest van de Wfpp te handelen en verantwoording af te leggen over hun financiering. De transparantie die volgt uit de Wfpp maakt het mogelijk om een maatschappelijke discussie te voeren over hoe partijen aan hun financiering komen. Per 1 januari 2023 en 1 januari 2024 is de Wfpp aangescherpt en zijn de drempelbedragen verlaagd waarboven de transparantieverplichtingen van toepassing zijn. Ook is de regering voornemens zo spoedig mogelijk een voorstel betreffende de Wet op de politieke partijen in te dienen bij uw Kamer. Op basis van dat voorstel voer ik graag het debat met uw Kamer over de financieringsregels voor politieke partijen.
Bent u bereid de mazen in deze wet te dichten? Zo ja, welke maatregelen gaat u hier precies voor nemen? Op welke termijn?
Zie antwoord vraag 8.
Israëlische ongewenste inmenging |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
van Weel , Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Kunt u, zoals toegezegd door de Minister van Buitenlandse Zaken, het onderzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) naar de vraag of er sprake is qua vorm en inhoud van ongewenste inmenging door de Israëlische autoriteiten, op zeer korte termijn met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt de wijze van verspreiding van het rapport van het Israëlische ministerie ongebruikelijk en, gegeven de mogelijke negatieve gevolgen voor Nederlandse ingezetenen, onwenselijk. Dit is ook in de Kamerbrief van 29 november jl. toegelicht. Zoals in die brief aangegeven kan eventuele, aanvullende informatie via de daartoe geëigende kanalen met uw Kamer worden gedeeld. Deze informatie kan niet in het openbaar worden gedeeld omdat dit onze veiligheidsbelangen kan schaden.
Naar welke aspecten en voorvallen is er gekeken in dit onderzoek naar ongewenste inmenging? Kunt u daarop een toelichting geven, ook op de gehanteerde onderzoeksaanpak?
Zie het antwoord op vraag 1.
Als het onderzoek zich heeft beperkt tot het rapport waarvan de Israëlische Minister van Diaspora en Antisemitismebestrijding op social media een samenvatting heeft gedeeld, waarom is er naar andere interventies van diens ministerie of van andere Israëlische overheidsinstellingen, waarbij mogelijk ook sprake kan zijn van ongewenste beïnvloeding, geen onderzoek naar gedaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u in dat geval alsnog bereid om ook onderzoek te doen naar de aard en gevolgen van andere relevante feiten en omstandigheden, waaronder de persconferentie van premier Netanyahu en de daarin gedane beweringen rond 03.00 uur ’s nachts op 8 november 2024, het ongevraagde bezoek aan Nederland van Minister Sa’ar en de voorzitter van de Knesset, de openbaring over en interpretatie door president Herzog van zijn gesprek met onze Koning, de bewering van Minister Sa’ar dat de Nederlandse autoriteiten vooraf door Israël zouden zijn geïnformeerd over de ongeregeldheden, de persoonlijke aanval van Minister Sa’ar op de burgemeester van Amsterdam en de door media onthulde jarenlange intimidatie- en spionagecampagne van Israël bij het Internationaal Strafhof? Zo nee, waarom weigert het kabinet te onderzoeken of, en zo ja waarom, deze feiten en omstandigheden aangemerkt moeten worden als ongewenste buitenlandse inmenging?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee kunnen worden geconfronteerd. Universele rechtsprincipes gelden altijd en overal. Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationale Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Er kunnen uit veiligheidsoverwegingen geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Voor de overige vragen zie het antwoord op vraag 1.
Op welk niveau heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten over de ongewenste inmenging aangesproken? Heeft u de Israëlische ambassadeur ontboden?
Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd dat het de wijze van verspreiding van het rapport van het Israëlische ministerie ongebruikelijk en, gegeven de mogelijke negatieve gevolgen voor Nederlandse ingezetenen, onwenselijk vindt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische ambassadeur hierop aangesproken.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en uiterlijk voor het debat over het Midden-Oosten op 11 december 2024 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Toekomst Spaarne Gasthuis Haarlem nog ongewis: "Grote zorg dat Noord verdwijnt"?’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Toekomst Spaarne Gasthuis Haarlem nog ongewis: «Grote zorg dat Noord verdwijnt»?1
Ik heb begrepen dat het Spaarne Gasthuis zich bezint op de inrichting van de zorg in de toekomst. Ik kan mij voorstellen dat dit bij inwoners, patiënten, lokale besturen, zorgverleners en ketenpartners leidt tot vragen en onzekerheden.
Het Spaarne Gasthuis heeft in Haarlem twee locaties. Op dit moment wordt op de locatie Haarlem Noord zorg geboden in (een aantal) poliklinieken, zijn er diagnostische functies en worden ingrepen in dagbehandeling gedaan. Daarnaast is op de locatie Haarlem Noord een huisartsenpost gevestigd, die op bepaalde momenten ook diagnostiek levert, met een korte lijn naar het ziekenhuis. Er is geen spoedeisende hulp (SEH), er rijden geen ambulances naar Haarlem Noord en de locatie is ’s nachts dicht.
Het Spaarne Gasthuis heeft mij geïnformeerd dat zij in de toekomst de zorg zodanig wil organiseren dat er dag en nacht tweedelijns zorg toegankelijk blijft voor alle 500.000 inwoners in de regio. Daarvoor is het volgens het ziekenhuis van belang om samen met partners in de keten (zoals VVT, huisartsen) de instroom en uitstroom van patiënten te verbeteren. Ik begrijp van het ziekenhuis dat het de intentie is om een zorgfunctie op de locatie Haarlem Noord te behouden. Samen met de zorgpartners en op basis van de behoeften van patiënten en bewoners onderzoekt het Spaarne Gasthuis hoe het in de toekomst invulling geeft aan de locatie Haarlem Noord. De insteek van het Spaarne Gasthuis is om alle locaties te blijven inzetten voor de toegankelijkheid van zorg in de regio. Er sluiten volgens het ziekenhuis geen locaties.
Zou u het wenselijk vinden als het ziekenhuis locaties zal gaan sluiten en/of uitkleden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik sta niet aan de ene of de andere kant. Ik ga ervan uit dat het ziekenhuis toegankelijkheid een belangrijk uitgangspunt vindt en meeweegt wat belanghebbenden hierover zeggen in alle overleggen die worden gevoerd, voorafgaand aan de te maken keuzes.
Het kabinet zet zich in voor een gelijkwaardigere toegang tot zorg door de randvoorwaarden voor het zorglandschap in Nederland te veranderen in een tijd dat personeelstekorten fors oplopen. Dit doen we aan de hand van de maatregelen, zoals budgetbekostiging van acute zorg en de inzet op meerjarige financiële afspraken tussen verzekeraars en ziekenhuizen. Verder zet ik in op afspraken over hoe ziekenhuizen meer gaan samenwerken, zodat ziekenhuizen
goede zorg kunnen leveren en operaties van meer eenvoudige aard worden gespreid. Dit komt de toegankelijkheid voor patiënten ten goede. In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn hierover al afspraken gemaakt en deze beweging moet worden verstevigd. Het ziekenhuis dichtbij wordt het uitgangspunt van onze ziekenhuiszorg. Ik werk in dat kader bijvoorbeeld ook aan regelgeving, om ervoor te zorgen dat de beschikbaarheid van spoedeisende zorg en acute verloskunde in iedere regio goed geregeld is. Vooruitlopend daarop wordt een handreiking opgesteld. Met deze plannen geef ik ziekenhuizen dichtbij bestaansrecht.
Gaat u – net als u doet bij het uitkleden van het ziekenhuis in Heerlen – weer aan de kant staan van het ziekenhuisbestuur en de zorgverzekeraars, in plaats van aan de kant van patiënten en personeel? Zo nee, kunt u zich hierover publiekelijk uitspreken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u contact gehad met het Spaarne Gasthuis? Zo nee, waarom niet en bent u van plan dit wel te gaan doen? Zo ja, kunt u alle onderliggende stukken ter voorbereiding of verslagen van dit contact naar de Tweede Kamer sturen?
Ja, in januari 2025 staat een overleg gepland tussen het ministerie en de raad van bestuur van het Spaarne Gasthuis. Naar aanleiding van deze Kamervragen is er contact opgenomen met het Spaarne Gasthuis. Er zijn geen onderliggende stukken uitgewisseld.
Hoe ziet het «nauwe overleg met interne en externe betrokkenen» eruit dat het ziekenhuis pretendeert te hebben? Kunt u ons hiervan een tijdlijn geven?
Het Spaarne Gasthuis geeft de volgende tijdlijnen aan:
Welke stap gaat u zetten als in 2025 blijkt dat het ziekenhuis locaties zal gaan sluiten en/of uitkleden? Gaat u dit besluit accepteren of bent u bereid in te grijpen en de bevoegdheid over dit ziekenhuis naar u toe te trekken?
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heeft het Spaarne Gasthuis aangegeven dat de insteek is om alle locaties te blijven inzetten voor de toegankelijkheid van zorg in de regio. Er sluiten volgens het ziekenhuis geen locaties. De landelijke politiek heeft ook geen bevoegdheid om locaties open te houden en kan het ziekenhuis niet dwingen bepaalde zorg op bepaalde locaties te leveren. Ik kan ook niet beoordelen wat het beste is voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van de zorg. Ik vertrouw erop dat het ziekenhuis zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt en in het belang van de patiënten, medewerkers en het behoud van de zorg, de juiste beslissingen neemt. Daartoe overlegt het ziekenhuis met alle partijen.
Op welke manier bent u van plan om de lokale politiek, maar ook patiënten en personeel zeggenschap te gaan geven over hun ziekenhuis? Wanneer kunnen we deze plannen verwachten?
In het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregeling Wkkgz (amvb acute zorg) is geregeld hoe inwoners en lokaal bestuur betrokken moeten worden bij besluitvorming over het aanbod van acute zorg. In de brief van 18 juni 2024 is uiteengezet wat er nog meer is geregeld voor betrokkenheid van gemeenten, patiënten en personeel bij sluiting van (delen van) ziekenhuizen.2 In het regeerprogramma staat dat het kabinet met een handreiking komt voor het overleg in de regio over wijzigingen in het aanbod van acute zorg. Ik verwacht deze handreiking in de zomer van 2025 gereed te hebben. Mede op basis daarvan zal ik het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregeling Wkkgz aanscherpen.
Deelt u de mening dat «versnelde concentratie» helemaal niet zorgt voor de juiste zorg op de juiste plek zoals het ziekenhuis stelt, maar dit juist haaks staat op elkaar omdat veel mensen geen zorg dichtbij meer kunnen krijgen?
Ik vind het belangrijk dat veel mensen goede zorg dichtbij kunnen krijgen. Ik ga ervan uit dat het ziekenhuis in haar onderzoeken naar mogelijke varianten de reistijd voor verschillende groepen patiënten en medewerkers betrekt.
Heeft u kennisgenomen van de unaniem aangenomen motie in de Haarlemse gemeenteraad die pleit voor het volwaardig houden van het ziekenhuis in Haarlem? Vind u dat het ziekenhuisbestuur deze motie zou moeten opvolgen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de aangenomen motie en ik kan mij goed voorstellen dat ook de lokale bestuur vragen heeft over de toekomst van het ziekenhuis. Het Spaarne Gasthuis heeft mij geïnformeerd dat op 2 december jl. is gesproken met de gemeenteraad van Haarlem over hun zorgen en dat antwoord is gegeven op vragen die leefden in de gemeenteraad. Toegezegd is dat dit overleg
in de toekomst vervolg krijgt. Met de gemeenteraden van andere gemeenten in het verzorgingsgebied zoals Velsen en Haarlemmermeer, staan vergelijkbare afspraken gepland in december 2024 en januari 2025.
Keuzes over de inrichting van het ziekenhuis, kan alleen het ziekenhuis maken. Bestuurders en zorgprofessionals van het ziekenhuis moeten immers altijd de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het leveren van veilige en goede zorg. Dat bij wijzigingen in het aanbod of over nieuwbouw van ziekenhuizen goed en tijdig overleg plaatsvindt met ook het lokaal bestuur vind ik daarbij zeer van belang.
Deelt u de mening dat het sluiten van ziekenhuizen niet het probleem bij de bron aanpakken is, als de aanleiding van het sluiten van ziekenhuis het tekort aan zorgpersoneel is?
Ja, die mening deel ik. In het regeerprogramma heb ik daarom een breed pakket aan maatregelen aangekondigd om het personeelstekort aan te pakken. Met het halveren van de administratietijd, de juiste inzet van medewerkers en het vergroten van vakmanschap en werkplezier zet ik in op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Dit is een grote uitdaging die niet op korte termijn gerealiseerd is. Het uitwerken van de eerder aangekondigde maatregelen uit het regeerprogramma hebben mijn volle focus. Tegelijkertijd zie ik ook dat we extra stappen zullen moeten zetten om de behoefte aan personeel («de vraagkant») te verminderen. Door vanuit andere domeinen ondersteuning te bieden kunnen we, wanneer dat passend is voor de zorgvraag, het beroep op de zorg in de ziekenhuizen verkleinen. Hiervoor is een goede samenwerking nodig tussen het sociaal en medische domein. Momenteel ben ik in gesprek met de betrokken partijen in het veld om hier afspraken over maken in het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Ik verwacht uw Kamer begin 2025 over het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord te kunnen informeren.
Welke extra stappen bent u – naast de al aangekondigde maatregelen uit het regeerprogramma – van plan om te zetten om het personeelstekort aan te pakken zodat kan worden voorkomen dat er meer ziekenhuizen gaan sluiten?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat het huidige zorgsysteem niet functioneert omdat concurrentie in plaats van samenwerking wordt beloond? Op welke manier gaat u hier iets aan doen?
Op verschillende manieren werk ik aan minder marktwerking in de zorg waar dat nodig is. Zo werk ik bijvoorbeeld aan de budgetbekostiging van de acute ziekenhuiszorg. Begin 2025 stuur ik u de uitgebreidere visie van dit kabinet op marktwerking in de zorg.
Bent u bekend met het artikel «Nederland is verslingerd geraakt aan Kazachstaanse olie, omgeven met ziekte, milieuschade en corruptie»?1
Ja.
Klopt het dat Atradius Dutch State Business (ADSB) in december 2014 namens de Nederlandse staat voor 275.7 miljoen euro garant stond voor de bouw van een kanaal in de Kaspische Zee naar het Tengiz-olieveld door het Nederlandse bedrijf Van Oord?
Ja.
Zijn er uit deze exportkredietverzekering trekkingen gedaan? Gaat dit om een lopende polis waarop nog aanspraak gemaakt zou kunnen worden?
Uit een exportkredietverzekering kunnen geen trekkingen worden gedaan. Als er voor een project een financieringspolis wordt afgegeven, kan onder de verzekerde lening worden getrokken. Hiervan was in dit geval geen sprake. Voor het project is enkel een exporteurspolis afgegeven. Deze polis is in 2016 beëindigd. Er is geen schade uitgekeerd onder deze polis.
In zijn algemeenheid, op welke gronden kunnen mogelijke trekkingen uit een afgegeven exportkredietverzekering nog worden geblokkeerd?
ADSB kan als schadebeperkende maatregel een aanwijzing geven aan de exporteur om het werk te stoppen of trekkingen uit de lening blokkeren indien er aanwijzingen zijn dat debiteur haar verplichtingen niet zal nakomen. Als een verzekerde (de exporteur of financier) niet voldoet aan voorwaarden uit de verzekeringspolis kan deze in het uiterste geval het recht op schade-uitkering verliezen. Zoals beschreven in het antwoord van vraag 3 is deze situatie voor onderhavige transactie niet aan de orde geweest.
Klopt het dat het project van Van Oord in Prorva de hoge risicostatus A heeft gekregen omdat er sprake was van grote potentiele negatieve milieu en/of maatschappelijke effecten, eventueel tot buiten de locatie van het project?
Ja.
Klopt het dat projecten in de hoge milieu en sociale risicocategorie A instemming vereisen van niet alleen ADSB, maar ook de ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken?
Ja.
Welke risico’s constateerden ADSB, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Financiën bij hun beoordeling van het project? Welke risico’s werden specifiek gesignaleerd op het gebied van: verlies van inkomsten voor de lokale bewoners; gezondheidsschade voor lokale bewoners; vernietiging van natuur in het gebied; en corruptie of verwevenheid met de overheid van de debiteur? Hoe zijn beide ministeries desondanks tot een positief oordeel gekomen?
ADSB heeft een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd voor het project op basis van het in 2014 geldende beleid voor de ekv. Risico’s omtrent noodsituaties, zoals een olielekkage maar ook de impact van het project op het beschermde gevoelige gebied van het project, zijn hierin meegenomen. Ook is er gekeken naar emissies naar lucht, waterverbruik, afvalwater en afvalmanagement. Voor de sociale effecten is onder andere gekeken naar de werkomstandigheden en naar de gevolgen voor de lokale visserij. Geconcludeerd is dat op het gebied van deze milieu- en sociale risico’s voldoende maatregelen zijn getroffen om de risico’s te mitigeren of compenseren.
Wat betreft corruptie en verwevenheid met de overheid van debiteur is geconstateerd dat Kazachstan een land is met dergelijke risico’s. Tijdens de beoordeling is vastgesteld dat de debiteur verbonden is met de overheid van Kazachstan via het aandeelhouderschap van staatsbedrijf Kazmunaygas. Deze feiten zijn meegewogen in het due dilligence onderzoek en beoordeeld conform het toenmalig geldende beleid.
Bent u bekend met het fenomeen dat corruptie vaak plaatsvindt met de hulp van professionele uitvoerders door middel van bijvoorbeeld ondoorzichtige financiële systemen en anonieme lege vennootschappen die corruptie mogelijk maken?
Ja.
Zo ja, hoe zijn uw ministeries toch tot een positief oordeel gekomen ondanks de constatering dat debiteur van het project, Tenizservice, een «vehicle» is van Tengizchevroil, het feit dat het land hoog in de corruptie-indexen staat en het signaal van de Nederlandse ambassade over mogelijke politieke connecties van Tenizservice?
Deze factoren zijn destijds geconstateerd, maar dit risico werd op basis van het destijds geldende toetsingskader niet als belemmering gezien. De bij de ambassade bekende connecties van de genoemde bedrijven werden door de ambassade destijds niet als ongebruikelijk of onoverkomelijk gezien binnen Kazachstan.
Welke checks and balances hanteren ADSB en uw ministeries richting de verzekeringnemer om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld corruptie faciliteert? Welke formele stappen zetten ADSB en uw ministeries in samenspraak met de verzekeringnemer, zowel voorafgaand aan de uitgifte van de verzekering als tijdens de uitvoering van het verzekerde activiteiten?
Nederland wil via de ekv niet betrokken zijn bij transacties waarbij sprake is van corruptie, daarom is het anti-omkopingsbeleid van toepassing op alle ekv-aanvragen. Dit beleidskader is in 2022 geëvalueerd door externe consultant Partner in Compliance en vervolgens herzien en aangescherpt. Hierover is uw Kamer destijds uitgebreid geïnformeerd.2 In het huidige beleid, dat sinds mei 2024 van kracht is, wordt door ADSB onderzoek verricht naar alle relevante partijen binnen de transactie en vindt er vervolgens een inventarisatie en beoordeling van mogelijke corruptierisico’s plaats. Denk hierbij aan de beoordeling van de Ultimate Beneficial Owner (UBO) en betrokken agenten. Als er sprake lijkt te zijn van een verhoogd risico, vindt er aanvullend onderzoek (EDD) plaats door de tweedelijns compliance experts van ADSB. De uiteindelijke risico-classificatie is van invloed op de frequentie van de monitoring door ADSB na afgifte van een dekkingstoezegging- of advies. Het monitoren bestaat uit een hernieuwde screening van de bekende relevante partijen eventueel aangevuld met de beoordeling van eventuele nieuwe informatie.3
Hoe zijn ADSB en de ministeries omgegaan met berichten in de Kazachstaanse pers dat Tenizservice in handen is van «olieprins» Timoer Koelibajev?
Ten tijde van de beoordeling van de aanvraag waren ADSB en de ministeries niet bekend met informatie die erop wees dat Timoer Koelibajev indirect aandeelhouder was van Tenizservice.
Wat was in 2014 de procedure van ADSB en van uw ministeries om te achterhalen wie de «ultimate beneficial owner» (UBO) is van betrokken bedrijven? Zijn daar externe experts bij betrokken geweest, en zo ja, welke? Tot welke conclusie kwamen uw ministeries toen? En indien de procedure sindsdien veranderd is, hoe is die procedure tegenwoordig?
Het achterhalen van UBO’s was tijdens de behandeling van deze casus in 2014, anders dan nu, geen vereiste. Daar zijn dan ook geen externe experts bij betrokken geweest. Wel heeft ADSB voor de beoordeling van de aanvraag informatie over de aandeelhouders van Tenizservice gebruikt afkomstig uit diverse bronnen, waaronder Dun & Bradstreet, Van Oord en Tengizchevroil.
Wat was er bekend bij ADSB en de ministeries over de UBO van Tenizservice?
De directe aandeelhouders van TenizService waren staatsbedrijf KazMunayGas (49%) en Waterford International Holdings Ltd. (51%). Uit de aandeelhouderstructuur bleek dat er vier bedrijven via Waterford een indirect belang in TenizService hadden. Van twee van deze bedrijven is het ten tijde van de aanvraag niet mogelijk geweest om de UBO’s te achterhalen. Van 12 personen met een belang in de andere twee bedrijven is vastgesteld dat ze niet op een sanctielijst stonden.
Als niet onomstotelijk bekend was wie de UBO was en niet uitgesloten was dat dit een politieke figuur was, waarom kon het project dan toch goedgekeurd worden?
Zoals beschreven in het antwoord vraag 13 heeft ADSB onderzoek verricht naar de eigenaarsstructuur. Hierbij was het destijds niet mogelijk om alle UBO’s te achterhalen, dit was volgens het in 2014 geldende beleid ook niet noodzakelijk voor goedkeuring. Inmiddels is het volgens beleid wel vereist dat de volledige eigenaarsstructuur wordt achterhaald.
Klopt het dat projecten voor het verkrijgen van een exportkredietverzekering moeten voldoen aan OESO-regelgeving voor het voorkomen, minimaliseren, verzachten of verhelpen van negatieve sociale en ecologische effecten?
Bedrijven die een verzekeringsaanvraag doen bij ADSB tekenen een inspanningsverklaring voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen. ADSB toetst aanvragen op gevolgen voor mens en milieu projectniveau aan de IFC Performance Standards.4
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de ecologische effecten van het aanleggen van een kanaal in ecologisch zeer kwetsbaar gebied?
Het is in eerste instantie de taak van de projecteigenaar om nadelige milieu- en sociale effecten van een project te voorkomen, mitigeren en waar nodig te compenseren. Dit is beschreven in de milieu- en sociale effectrapportage en managementplannen van het project en wordt vervolgens door de milieu- en sociale experts van ADSB beoordeeld.
Wanneer er sprake is van negatieve effecten die worden veroorzaakt door de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de Nederlandse exporteur, dan wordt er van deze partij ook actie verwacht. Voor onderhavig project is dit het geval geweest voor ecologische effecten. Van Oord heeft maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen van de baggerwerkzaamheden op de lokale natuurwaarden te mitigeren of compenseren. Zo zijn met het gebaggerde materiaal speciale eilandjes gemaakt wat gunstig is voor het leefgebied van de steur. Verder heeft Van Oord nauw samengewerkt met gespecialiseerde natuurobservatoren en zijn de werkmethoden aangepast om het project op een verantwoorde manier uit te kunnen voeren. Gedurende het project zijn er maatregelen genomen om geluidsimpact en watervertroebeling tijdens de werkzaamheden te minimaliseren.
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de sociaaleconomische effecten, bijvoorbeeld het verloren gaan van de inkomstenbron van vissers in het gebied?
Zie antwoord vraag 16.
Welke maatregelen heeft Van Oord voorgesteld voor het voorkomen en mitigeren van de gezondheidseffecten voor de werknemers van het project en de bewoners in het gebied?
Zie antwoord vraag 16.
Werden deze maatregelen als voldoende beschouwd door ADSB en de ministeries? Waarom?
Ja. In de beoordeling heeft ADSB vastgesteld dat Van Oord de benodigde maatregelen heeft getroffen om nadelige gevolgen van hun werkzaamheden conform de IFC Performance Standards te mitigeren of compenseren.
Is tijdens en na afloop van het project onderzocht wat de sociaaleconomische, gezondheids- en ecologische effecten van het project waren en of de genomen maatregelen succesvol waren in het voorkomen en/of mitigeren van deze effecten? Hoe is deze monitoring en evaluatie uitgevoerd? Welke instantie(s) hebben de monitoring en evaluatie uitgevoerd?
Nee, ten tijde van afgifte van de polis was monitoring nog niet vastgelegd in het beleid. Sinds 1 januari 2022 monitort ADSB alle hoogste-risico-projecten na afgifte van de ekv.
Hoe is het rapport uit juni 2013 van de onafhankelijke maatschappelijke organisatie Crude Accountability2 meegewogen in de beslissing om het project te verzekeren in december 2014?
In de milieu- en sociale beoordeling van het project heeft ADSB dit rapport uitgebreid meegenomen. Er zijn reacties op de bevindingen uit het rapport gevraagd aan de exporteur, de debiteur en de ambassade. Ook is er in het publieke domein informatie gevonden over het rapport dat door ADSB bij de beoordeling is meegenomen.
Indien er onduidelijkheden over het rapport bestonden, hebben ADSB of de ministeries contact opgenomen met Crude Accountability?
Nee.
Welke andere signalen van lokale ngo’s, milieu en mensenrechtenorganisaties en andere actoren zijn ontvangen, bijvoorbeeld via de Nederlandse ambassade? Hoe is door ADSB en de ministeries omgegaan met deze signalen?
Naar aanleiding van de publicatie van informatie over dit project op de website van ADSB zijn geen reacties van ngo’s binnengekomen. ADSB heeft zelf actief onderzoek gedaan naar berichtgeving in het publieke domein, waarbij onder andere eerdergenoemd rapport is aangetroffen. Ook heeft ADSB contact gehad met de ambassade om lokale input mee te kunnen nemen.
Doen ADSB en de ministeries zelf onderzoek, of laten zij onafhankelijk onderzoek doen, naar de effecten op de bewoners, milieu en de lokale economie, of komt deze informatie uitsluitend van organisaties ter plaatse? Kunt u deze keuze toelichten?
Een projecteigenaar dient zelf een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren wat resulteert in een milieu- en sociale effectrapportage. Met dat als input doet ADSB zelf onderzoek waarbij risico’s op (potentiële) negatieve effecten voor mens, dier en milieu worden geïdentificeerd. Negatieve effecten die niet voorkomen of gemitigeerd kunnen worden, dienen conform internationale standaarden te worden gecompenseerd.6 Per project wordt bepaald wat er nodig is voor een goede beoordeling. Voor complexe- of hoge risicoprojecten maakt ADSB bijvoorbeeld vaak gebruik van onafhankelijke adviseurs, zoals onlangs voor baggerprojecten in de Malediven en de Filipijnen.7
Hoe wordt informatie gewogen die betrokken bedrijven – die een belang hebben bij goedkeuring van het project – hierover aanleveren?
Informatie van de exporteur en de projecteigenaar is essentieel voor de beoordeling van de projectrisico’s. Betrokken bedrijven worden geacht goed onderbouwde en waarheidsgetrouwe informatie aan te leveren. Zoals in voorgaande antwoorden reeds is aangegeven wordt ook via andere onafhankelijke bronnen informatie ingewonnen om de aangeleverde informatie te verifiëren. Bijvoorbeeld via ambassades, ngo’s of door het inschakelen van onafhankelijke adviseurs.
De zorgen bij de UNHCR betreffende het kleinere aantal vluchtelingen dat Nederland gaat opvangen |
|
Michiel van Nispen |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur waarin het Nederlandse hoofd van de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR, Andrea Vonkeman, haar zorgen uit over het feit dat Nederland nu nog maar 200 UNHCR-vluchtelingen wil opvangen in plaats van 500 vluchtelingen?1
Ik ben hiermee bekend.
Kunt u reflecteren op de uitspraak dat het aantal UNHCR-plekken «tot nader order» omlaag wordt gebracht? Onder welke voorwaarden of welke omstandigheden kan dit aantal weer omhoog? Is er ook een moment of tijd afgesproken waarop de situatie wordt geëvalueerd?
Tot nader order betekent totdat het huidige (of een opvolgend) kabinet meent dat andere inzet aan de orde is.
Beseft u dat deze groep UNHCR-vluchtelingen wordt geselecteerd vanwege de kwetsbare omstandigheden waarin deze vluchtelingen zich bevinden en dat het hier dus onomstreden gaat om vluchtelingen die vluchten voor oorlog en/of geweld?2
Ja, dat besef ik.
Wat vindt u ervan dat Nederland door het besluit om nog maar 200 UNHCR-vluchtelingen op te vangen onder het gemiddelde van welvarende landen komt, ook als het gaat om de verhouding ten opzichte van de bevolkingsgrootte?
Het kabinet heeft in de brief van 25 oktober jongstleden aangegeven waarom is gekomen tot de daarin aangekondigde maatregelen. De in de vraag genoemde vergelijkingen maken dat niet anders.
Hoe bekijkt u dit in het licht van recente cijfers van UNHCR waarin gesteld wordt dat het aantal mensen op de vlucht voor oorlog of geweld in 2024 opnieuw een recordhoogte heeft bereikt van 120 miljoen vluchtelingen en dat meer mensen dan ooit behoefte hebben aan hervestiging?3
Helaas is de situatie in de wereld dusdanig dat de afgelopen jaren sprake is van een enorme toename van de hervestigingsnoden. Het kabinet is zich daarvan bewust. In de brief van 25 oktober heeft het kabinet aangegeven waarom is gekomen tot de daarin aangekondigde maatregelen waaronder de maatregel betreffende het nationaal quotum.
Bent u bekend met het feit dat UNHCR verwacht dat met hervestiging een permanente oplossing/uitkomst wordt geboden waarbij vluchtelingen hun leven kunnen opbouwen in Nederland waarbij ze een integraal onderdeel van de maatschappij worden?4
Hervestiging is een van de duurzame oplossingen voor vluchtelingen, als terugkeer of lokale integratie in een opvangland als duurzame oplossingen niet voorhanden zijn. Hier staat niet aan in de weg dat hervestigde vluchtelingen in eerste instantie een tijdelijk verblijfsrecht wordt verstrekt. Op dit moment worden hervestigde vluchtelingen na aankomst in Nederland ook al in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Er is in deze geen sprake van een ongunstiger behandeling dan andere asielstatushouders.
Hoe bekijkt u dit in het licht van de genomen maatregelen dat statushouders geen permanente verblijfsvergunning meer kunnen verkrijgen wat ertoe leidt dat vestiging in een gemeente zeer moeilijk gaat worden met de genomen maatregelen?
Zoals ook geantwoord op vraag 6 worden hervestigde vluchtelingen in dezen niet ongunstiger behandeld dan andere asielstatushouders.
Bent u bereid om voor hervestigde vluchtelingen een uitzonderingspositie te creëren inzake de geldigheidsduur van de vergunning en toegang tot huisvestiging zodat hervestiging voor hen wel een permanente oplossing blijft?
Een dergelijke uitzonderingspositie is thans niet voorzien.
Deelt u de mening dat een dergelijke uitzonderinspositie voor hervestigde vluchtelingen nodig is om ervoor te zorgen dat overkomst via hervestiging (en andere legale routes) de voorkeur blijft houden van zowel landen als vluchtelingen?
Ik heb hier op dit moment geen indicatie voor.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over de JBZ-Raad (asiel en vreemdelingenzaken), voorzien op 11 december 2024?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het wegtrekken van talent uit de Verenigde Staten naar aanleiding van de verkiezingswinst van Trump |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Eddy van Hijum (CDA), Beljaarts |
|
![]() |
Deelt u de opvatting dat Nederland behoefte heeft aan getalenteerd personeel om bij te dragen aan het Nederlandse verdienvermogen en de Nederlandse economie?
Ja, kennismigratie is van essentieel belang voor de kenniseconomie, concurrentiekracht en het innovatief vermogen van Nederland. Het kabinet wil een uitnodigend beleid blijven voeren voor kennismigranten die belangrijk zijn voor onze economie en samenleving. Met een gerichter arbeidsmigratiebeleid zorgen we ervoor dat we kunde en krachten toevoegen aan de economie en dat we deze mensen kunnen ontvangen op een manier die past bij Nederland.
Erkent u dat dergelijk personeel schaars is, en dat er een internationale strijd is om dergelijk talent aan te trekken? Erkent u dat er verschillende landen zijn die hier al veel actiever mee bezig zijn dan Nederland, waaronder bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Spanje?
Ja, kennismigranten zijn schaars en (omringende) landen voeren een uitnodigend beleid voor internationaal talent. Het kabinet voert daarom een uitnodigend landenneutraal beleid voor het aantrekken van internationaal talent dat een bijdrage levert aan de Nederlandse kenniseconomie, concurrentiekracht en het innovatief vermogen.
De keuze van een kennismigrant om zich in een land te vestigen is overigens afhankelijk van een complex aantal factoren. Hierover is een recent onderzoek van Regioplan naar uw Kamer gestuurd1. Uit dit onderzoek blijkt dat de belangrijkste beweegredenen voor de keuze voor Nederland als vestigingsland de volgende zijn: loopbaanmogelijkheden en kennisinfrastructuur, de financiële overwegingen en de kwaliteit van het leefklimaat (veiligheid, cultuur, manier van leven).
Bent u ervan bewust dat de herverkiezing van Trump in de Verenigde Staten ertoe kan leiden dat er minder visa worden uitgegeven aan buitenlands talent dat zich wil vestigen in de Verenigde Staten, zoals studenten, onderzoekers of technici?1
Het kabinet gaat niet speculeren over Amerikaanse maatregelen na 20 januari 2025. Zoals u van ons mag verwachten volgen we internationale ontwikkelingen op de voet en spreken we hierover met onze partners, bijvoorbeeld in Europa.
Bent u op de hoogte van berichtgeving waarin wordt gesteld dat groepen Amerikanen die ontevreden zijn over de verkiezing van Trump overwegen om het land te verlaten?2, 3, 4
Ja
Ziet u dit als kans om meer internationaal talent naar Nederland te trekken?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijk beleid dat de volgende regering in de Verenigde Staten gaat invoeren.
Het kabinet streeft in algemene zin naar een selectief en gericht arbeidsmigratiebeleid, dat landenneutraal is. Specifiek voor internationaal toptalent – dat een bijdrage levert aan de Nederlandse kenniseconomie, concurrentiekracht en het innovatief vermogen – voert het kabinet een uitnodigend beleid. Dit zorgt ervoor dat we kennis en expertise toevoegen aan de Nederlandse economie.
The Netherlands Point of Entry (hierna NPoE), onderdeel van de RVO, heeft de opdracht om actief talent te informeren over Nederland als vestigingsland. Zij zijn daarom aanwezig op verschillende techbeurzen en carrièrebeurzen in het buitenland. Daarnaast coördineert NPoE ook de Talent Coalition. Dit is een samenwerkingsverband tussen regionale partijen zoals Brainport Eindhoven, internationale welkomstcentra en landelijke partijen zoals Techleap en Nuffic. In dit verband worden gezamenlijke initiatieven genomen om Nederland op de kaart te zetten voor internationaal talent.
Verder wordt gewerkt aan het aantrekkelijk maken van online platforms zoals Welcome to NL, de job board en Work in NL. Op deze online platforms staan niet alleen vacatures, maar wordt ook informatie gegeven over het leven in Nederland, wat een eventuele kennismigrant moet regelen en de verschillende regelingen op basis waarvan kennismigranten kunnen verblijven en werken in Nederland.
Welke mogelijkheden ziet u om Nederland te positioneren als hét alternatief voor talent dat normaal gesproken naar de Verenigde Staten zou emigreren, en voor talent dat nu overweegt de Verenigde Staten te verlaten, bijvoorbeeld tech talent uit Silicon Valley?
Zoals aangegeven voert het kabinet een uitnodigend landenneutraal kennismigrantenbeleid, waarbij gericht talent wordt aangetrokken.
In het geval van aantrekken van talent uit de Verenigde Staten wordt op dit moment al het volgende gedaan. Zo bestaat een samenwerking met verschillende Amerikaanse top universiteiten, zoals MIT. Jaarlijks wordt meegedaan aan de European Career Fair van MIT, samen met verschillende bedrijven en regionale partners. Deze carrièrebeurs wordt niet alleen door MIT studenten bezocht, maar ook door studenten van andere (Ivy League) universiteiten zoals Yale, Harvard, NYU en Cornell tech. Verder bestaat een samenwerking met MIT waarbij master en PHD studenten stage kunnen lopen bij Nederlandse bedrijven, genaamd MIT MISTI. RVO zet zich actief in om startups en bedrijven te koppelen aan geschikte MIT stagiairs. Ten slotte verzorgt RVO diverse presentaties en webinars bij diverse Ivy League universiteiten in de Verenigde Staten, zoals ook Yale, Brown, NYU, Columbia en Cornell Tech om internationaal talent bekend te maken met Nederland als mogelijk vestigingsland na hun studie. Sinds dit jaar ligt meer nadruk op het aantrekken van talent op de NTS technologieën. Zo wordt actief geworven op ruimtevaart, AI, Life Sciences & Health, biotech, cybersecurity, fintech, kwantum, halfgeleiderindustrie en duurzame innovatie. Dit uit zich ook in het selecteren van de juiste universiteiten en faculteiten om de samenwerking mee aan te gaan.
Hoe kijkt u naar het optrekken met andere EU-lidstaten om een gezamenlijk Europees programma te ontwikkelen dat gericht is op het aantrekken van technologisch en academisch talent uit de Verenigde Staten?
Het kabinet zet in op het aantrekken van kennis en talent dat voor de Nederlandse economie en samenleving van toegevoegde waarde is en voor wie het kabinet een uitnodigend beleid voert. Zo zorgen we ervoor dat we kunde en krachten toevoegen aan de economie die past bij Nederland. Het kabinet hecht er waarde aan hierover in Europees verband gesprekken te voeren en doet dit ook doorlopend.
Welke specifieke sectoren (zoals AI of biotech) ziet u als kansrijk om talent uit de Verenigde Staten aan te trekken, en hoe wilt u deze sectoren promoten bij Amerikaanse professionals?
Zie vraag 6.
Hoe kijkt u tegen het introduceren van een speciaal talentvisum, vergelijkbaar met het Verenigd-Koninkrijk5 en Frankrijk6, waarbij talent uit het buitenland gemakkelijk aangetrokken kan worden en kan bijdragen aan de Nederlandse economie?
Nederland heeft zoals aangegeven een uitnodigend, landenneutraal toelatingsbeleid ten aanzien van kennismigranten. Er bestaan verschillende regelingen om de overkomst en tewerkstelling van verschillende groepen talent te faciliteren.
Naast de kennismigrantenregeling kent Nederland toegesneden regelingen voor zelfstandige ondernemers, voor ondernemers die onder begeleiding van een Nederlandse facilitator hier een startup kunnen oprichten en voor essentieel startup personeel. Daarnaast bestaan er EU-brede regelingen voor onderzoekers en voor kennismigranten, de Europese Blauwe Kaart. Tot slot is er de verblijfsvergunning zoekjaar hoogopgeleiden, die afgestudeerden in staat stelt een jaar lang in Nederland te verblijven om een baan (als kennismigrant) te vinden of een innovatieve onderneming te starten. In aanmerking komen, kort gezegd, derdelanders die een studie of onderzoeksproject hebben voltooid aan een Nederlandse onderwijsinstelling, of aan buitenlandse top-200 instelling. Daarmee fungeert de zoekjaarvergunning al als «talentvisum». Bovendien wordt de zoekjaarvergunning momenteel doorgelicht om te bezien hoe deze beter en gerichter zou kunnen worden vormgegeven, met name ten behoeve van talent in STEM-sectoren (Science, Technology, Engineering and Maths). Introductie van een nieuw «talentvisum» wordt in dit licht overbodig geacht.
Welke fiscale instrumenten heeft het kabinet om internationaal talent aan te trekken die ingezet kunnen worden specifiek om deze doelgroep te bereiken?
Internationaal talent dat naar Nederland komt en voldoet aan de voorwaarden kan gebruik maken van de 30%-regeling voor hoogopgeleide buitenlandse werknemers. Bij tweede nota van wijziging bij het Belastingplan 2025 is een wijziging opgenomen om het forfait van de regeling niet af te bouwen in stappen, maar dit vast te stellen op 27% per 2027. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van de niet-forfaitaire regeling, de zogenaamde ETK-regeling, waarmee onder voorwaarden de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast vergoed kunnen worden. Ook hier is sprake van landenneutraal beleid, omdat de fiscale faciliteiten geen onderscheid maken naar het land van herkomst van de ingekomen werknemer.
Bent u bekend met het rapport «Effect van Amerikaanse invoertarieven op de Nederlandse en Europese economie» van het Centraal Planbureau?1
Ja.
Hoe weegt u dit rapport in zijn geheel?
Het rapport geeft waardevolle inzichten in de handelsrelatie met de VS en laat zien dat het instellen van tarieven het grootste effect op de eigen economie heeft. Zo berekent het CPB dat Amerikaanse tarieven van 10 procent op alle invoer, 60 procent op invoer uit China, en 100 procent op auto’s, kunnen leiden tot een negatief effect van ongeveer 20 procent op zowel de invoer als uitvoer van de VS. Hierbij geldt dat de effecten verschillen tussen diverse sectoren. De gevolgen van tarieven op de eigen economie zijn dus potentieel verreikend. Dit neemt niet weg dat Amerikaanse tarieven ook effect hebben op de Nederlandse (en Europese) economie, al noemt CPB dat effect «relatief beperkt.»
Verder maakt het rapport inzichtelijk dat Amerikaanse tarieven ook een groot effect hebben op de output van de Amerikaanse maakindustrie en de concurrentiekracht van de Amerikaanse dienstensector, wederom met verschil tussen diverse sectoren.
Het rapport geeft aan dat voor specifieke bedrijfstakken in de Nederlandse maakindustrie de productie zal afnemen als gevolg van de importheffingen die de Verenigde Staten mogelijk gaat heffen. Vooral de productie van machine- en apparaten (–6%), elektronica en optiek (–5,7%) en voertuigen (–5,3%) wordt getroffen door verminderde export naar de Verenigde Staten. Wat betekent dit concreet voor Nederlandse bedrijven in deze sectoren?
Als gevolg van de tarieven zullen buitenlandse, waaronder Nederlandse, producten op de Amerikaanse markt duurder worden. De vraag zal daardoor verminderen en dat zal de Nederlandse productie afremmen. Tegelijkertijd onderstreept het rapport dat Nederland en Nederlandse bedrijven vele andere handelspartners hebben naast de VS. Exporteurs zullen handel verleggen naar andere markten. Dit zal de gevolgen voor Nederlandse bedrijven mitigeren.
Welke maatregelen neemt u, al dan niet in EU-verband, om de concurrentiepositie van deze vitale industrieën te beschermen tegen deze tarieven en om productiedaling te voorkomen?
De EU beschikt over een breed handelsinstrumentarium om het gelijke speelveld met derde landen te beschermen. Zo kan de EU een geschillenbeslechtingsprocedure bij de WTO starten indien het vermoeden bestaat dat een derde land zich niet aan de WTO-regels houdt. Daarbij kan de EU op basis van de Verordening handhaving van internationale handelsregels (Trade Enforcement Regulation, TER) haar belangen die voortvloeien uit internationale handelsafspraken beschermen wanneer een derde land een WTO geschillenbeslechtingsprocedure blokkeert.
Daarnaast beschikt de EU over klassieke handelsdefensieve instrumenten zoals antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen en is de trade toolbox de laatste jaren uitgebreid met onder andere de verordening buitenlandse subsidies, het anti-dwang instrument en het internationaal aanbestedingsinstrument. Met dit instrumentarium kan de Europese Commissie onderzoeken starten en optreden in situaties waar zij dit nodig acht. Effectieve implementatie van dit instrumentarium draagt bij aan de bescherming van een gelijk speelveld voor bedrijven en versterkt het geopolitieke handelingsvermogen van de EU.
Daarnaast dient binnen de EU gewerkt te worden aan het versterken van de eigen industrie, onder meer door uitvoering te geven aan aanbevelingen uit het Draghi rapport. U bent hier reeds als Kamer over geïnformeerd.2
Het rapport geeft aan dat bij vergeldend EU-tarief van 10% op de import van Amerikaanse goederen de export en import voor zowel Nederland als de EU met 0,2% punt daalt. Behoort het heffen van zo’n tarief volgens u tot de mogelijkheden? Zo nee, waarom niet? En zo ja, waar denkt u aan?
Wanneer Europese belangen geschaad worden omdat derde landen hun invoertarieven verhogen, kan de EU tegenmaatregelen nemen in de vorm van rebalancerende tarieven. De doelstelling is om handelsverhoudingen te balanceren na handelsverstorende maatregelen van een derde land, niet om tarieven van het derde land te vergelden. Ook wordt zo voorkomen dat het betreffende derde land – of andere derde landen – lichtvaardig overgaan tot verdere tariefverhogingen. Tegelijkertijd geven eigen tarieven een betere onderhandelingspositie vis-a-vis het derde land om diens tarieven terug te draaien.
De EU volgt een WTO-conform proces om rebalancerende tarieven vast te stellen. Daarbij is de Nederlandse inzet dat de EU de-escalerend te werk zal gaan, bijvoorbeeld door rebalancerende tarieven gefaseerd in te voeren.
Kunt u het krachtenveld binnen de EU schetsen als het gaat om het eventueel heffen van importtarieven?
De Europese Commissie en de lidstaten trekken gezamenlijk op bij het voeren van een assertieve gemeenschappelijke handelspolitiek, en breder buitenlands economisch beleid, ter behartiging van de eigen belangen. Dit vereist afwegingen over de inzet richting derde landen, waarbij ook de-escalatie dienend aan de Europese belangen kan zijn. In het geval van tegenmaatregelen wordt ook de bredere relatie met het desbetreffende land meegewogen. Er is in de Raad overeenstemming over het belang van EU eenheid. Er is nog niet concreet gesproken over specifieke tegenmaatregelen in reactie op mogelijke Amerikaanse tarieven.
Deelt u de analyse dat vergeldingsmaatregelen van de EU weinig effect hebben op de Amerikaanse economie maar wel risico's met zich meebrengen voor escalatie?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, dienen rebalancerende maatregelen om de balans in de handelsverhoudingen te herstellen, te voorkomen dat derde landen verdere tariefverhogingen instellen en om de onderhandelingspositie te verbeteren. Mogelijke escalerende effecten worden meegewogen.
Overigens leggen andere landen, buiten de EU, in het model van CPB geen invoertarieven op de VS op. Wanneer (veel) andere landen dat wel doen, zal de collectieve impact op de VS anders zijn.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Nederlandse dienstensector, die volgens het rapport juist kan profiteren van deze situatie, deze kansen optimaal kan benutten?
Het ondersteunen van bedrijven bij ondernemen over de grens gebeurt door inzet van een breed handelsinstrumentarium. Het gaat hierbij om o.a. handelsmissies, subsidies, leningen en exportkredietgaranties, maar ook om advies en bemiddeling. Dat vereist nauwe samenwerking met kennisinstellingen, bedrijven en tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) en het Ministerie van Economische Zaken (EZ) om innovatie en handel te stimuleren, en kansen te ontwikkelen en op deze manier gezamenlijk bij te dragen aan het versterken van het Nederlandse verdienvermogen en de concurrentiepositie. Nederlandse bedrijven in de dienstensector profiteren voornamelijk van hogere kosten voor Amerikaanse diensten, resulterende in een betere concurrentiepositie, aldus het rapport. Het bestaande handelsinstrumentarium kan deze bedrijven ondersteunen.
Wat is uw reactie op de conclusie dat deze tarieven kunnen leiden tot handelsverschuivingen waarbij Chinese producten via andere landen worden omgeleid?
Het CPB concludeert dat als gevolg van Amerikaanse tarieven van 60 procent op Chinese import, Chinese producten mogelijk worden omgeleid naar andere markten. Dit zal zijn omdat Chinese producten duurder worden op de Amerikaanse markt. Hierdoor zal de vraag verminderen en gaan Chinese exporteurs op zoek naar nieuwe markten. Wanneer dit resulteert in een (dreigende) grote toename van Chinese import in de EU, dan kan de EU handelsdefensieve maatregelen nemen om de interne markt te beschermen.
Hoe beoordeelt u het risico dat Nederlandse bedrijven hun productie gaan verplaatsen naar andere landen om de Amerikaanse tarieven te omzeilen?
De investeringsbeslissingen van bedrijven zijn van veel factoren afhankelijk, waaronder – maar niet uitsluitend – Amerikaanse tarieven. Per sector en zelfs per bedrijf zal de calculatie verschillen. Het is mogelijk dat bedrijven hun productie verplaatsen, maar het is nu te vroeg om te speculeren over de rol van mogelijke toekomstige Amerikaanse tarieven hierin.
Welke stappen neemt u om de toegang tot financiering voor getroffen bedrijven te verbeteren zodat zij deze moeilijke periode kunnen overbruggen?
Het is te vroeg om maatregelen te nemen rondom bedrijfsfinanciering. Het is nog niet bekend welke maatregelen de VS zal nemen. En als er sprake zal zijn van tarieven, spreekt het niet voor zich dat de overheid financieringsmaatregelen moet nemen.
In algemene zin zet dit kabinet wel stappen om de financiering voor het bedrijfsleven te verbeteren. Op hoofdlijnen functioneert de financieringsmarkt goed, zoals blijkt uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering.3 De meeste bedrijven hebben goede toegang tot financiering en over het algemeen sluit het financieringsinstrumentarium van de overheid goed aan op de behoeften van bedrijven waarin de markt niet kan voorzien op de bedrijfsfinancieringsmarkt.
Wel zijn er twee belangrijke knelpunten. Ten eerste is er een tekort aan durfkapitaal voor latere groeifases van innovatieve scale-ups die belangrijk zijn voor een toekomstig en duurzaam verdienvermogen. De doorgroei van startups naar scale-ups blijft daarom achter in Nederland. Het tweede knelpunt betreft de beperkte toegang van mkb-bedrijven tot kleine kredietverlening, aangezien banken zich in toenemende mate uit dit segment terugtrekken.
Het kabinet pakt deze knelpunten met name aan door de slagkracht van Invest-NL te vergroten met 900 miljoen euro en van Invest International met 100 miljoen euro. Daarnaast zet het kabinet in op een versterking van de private financieringsmarkt door te werken aan een versteviging van de kapitaalmarktunie en een betere toegang tot financiering voor ondernemers. Dat laatste doet het kabinet via de FinancieringsGids en een verkenning van een verruiming van de garantstelling op financiering via de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB); met name voor de financieringsmarkt tot 1 miljoen euro, zodat het mkb makkelijker aan financiering kan komen.
Hoe gaat u om met de mogelijke verschuiving van handelsstromen en wat betekent dit voor onze havens en logistieke sector?
Nederland is een internationaal knooppunt in mondiale handelsstromen. De ontwikkeling van deze handelsstromen zijn van meerdere economische en geopolitieke factoren afhankelijk. De effecten van eventuele Amerikaanse tarieven spelen hierin geen primaire rol. Bovendien zullen deze tarieven deels leiden tot verschuivingen in internationale handelsstromen, hetgeen niet per se leidt tot minder activiteit voor onze havens en logistieke dienstverleners.
Welke maatregelen overweegt u te nemen om het verlies aan werkgelegenheid in de getroffen sectoren op te vangen?
Het is te vroeg om te spreken over maatregelen om het verlies aan werkgelegenheid op te vangen. Het is nog niet bekend welke maatregelen de VS zal nemen. De grote krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt beperkt bovendien de risico’s van verlies aan werkgelegenheid.
Bovendien is het Nederlandse bedrijfsleven dynamisch en weerbaar. De meeste bedrijven zijn in staat om zich snel aan te passen aan veranderende economische omstandigheden. Deze vorm van dynamiek zorgt ervoor dat de Nederlandse economie modern en concurrerend blijft, en dat moeten we koesteren. In het geval van verslechterende toegang tot een bepaalde exportmarkt is het bijvoorbeeld aannemelijk dat bedrijven andere afzetmarkten zoeken, en zo de schade beperken. Het is belangrijk dat we deze wendbaarheid van bedrijven de ruimte geven.
Het kabinet houdt de vinger aan de pols en staat in nauw contact met het bedrijfsleven.
Bedrijven die verdienen aan illegale Israëlische nederzettingen |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de meest recente editie van het rapport «Don’t buy into occupation»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat 822 Europese financiële instituties een financiële relatie zouden hebben met 58 bedrijven die actief betrokken zouden zijn bij illegale Israëlische nederzettingen?
Het standpunt van het kabinet ten aanzien van Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden (inclusief Oost-Jeruzalem) is bekend. Nederland beschouwt Israëlische nederzettingen als strijdig met internationaal recht en een obstakel voor het bereiken van een duurzame oplossing die door beide partijen wordt gedragen, waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Het kabinet is het voorts eens met de conclusie van het Internationaal Gerechtshof in zijn advies van 19 juli 2024 dat de aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden onrechtmatig is en draagt deze positie actief uit.
Bedrijfsactiviteiten die bijdragen aan het ontwikkelen of bestendigen van nederzettingen beschouwt het kabinet als onwenselijk. Dit geldt ook voor activiteiten van financiële instellingen.
Wat is uw reactie op de bevinding dat de vijf grootste Nederlandse pensioenfondsen een bedrag van in totaal 1,6 miljard euro zouden investeren in bedrijven die in verband worden gebracht met infrastructurele projecten die ofwel illegale nederzettingen met elkaar verbinden en gebouwd worden op illegaal bezet gebied, ofwel niet gebruikt mogen worden door mensen zonder de Israëlische nationaliteit en dat deze fondsen in totaal 7 miljard euro zouden beleggen in bedrijven op de Don't buy into occupation (DBIO)-lijst2
Nederland kent sinds 2006 een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in Israëlische nederzettingen in bezet gebied. Conform dit beleid ondersteunt de Nederlandse overheid geen activiteiten van bedrijven die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen, of deze direct faciliteren. Het gaat om activiteiten in nederzettingen, activiteiten van bedrijven gevestigd in nederzettingen en activiteiten buiten nederzettingen die ten gunste komen aan nederzettingen en kolonisten. Nederlandse bedrijven worden over dit ontmoedigingsbeleid geïnformeerd.
Conform motie Van Dijk (Kamerstukken 21 501-02, nr. 2379) is het Ministerie van Buitenlandse Zaken eerder in gesprek gegaan met een vertegenwoordiging van de Nederlandse pensioensector. Hierin is het ontmoedigingsbeleid toegelicht. Daarnaast verwerkt het kabinet in het kader van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen dat pensioenfondsen gepaste zorgvuldigheid toepassen bij hun investeringen en hierover zo transparant mogelijk rapporteren. Hierbij moeten risico’s op mensenrechtenschendingen in de beleggingsportefeuille in kaart gebracht worden en wordt verwacht dat fondsen hun invloed aanwenden om deze risico’s bij bedrijven aan te pakken of te voorkomen.
Vindt u dat de Nederlandse pensioenfondsen voldoende doen om te voorkomen dat hun beleggingen direct of indirect bijdragen aan het illegale nederzettingenbeleid van Israël? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, welke maatregelen gaat u dan nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat Nederlandse bedrijven voldoende doen om te voorkomen dat zij met economische activiteiten direct of indirect bijdragen aan het illegale nederzettingenbeleid van Israël? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, welke maatregelen gaat u dan nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer komt u met uw analyse of het Nederlandse beleidskader gewijzigd dient te worden naar aanleiding van de advisory opinion van het internationaal gerechtshof over de Palestijnse gebieden?
Op verzoek van uw Kamer heeft het kabinet op 9 december jl. zijn reactie verzonden op het briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict. In deze reactie is het kabinet tevens ingegaan op het advies van het Internationaal Gerechtshof inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden van 19 juli jl.
Het kabinet zal het huidige nationale beleid nadrukkelijk blijven uitvoeren naar aanleiding van het advies van het Hof en houdt terzake ook met Europese partners contact, zoals met Frankrijk en Duitsland.
Wat is uw reactie op het AIV-advies dat er een effectiever monitoringmechanisme moet komen om economische en andere vormen van samenwerking met illegale Israëlische nederzettingen tegen te gaan?3
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van het AIV-advies om Europese bedrijven en investeerders die op welke wijze dan ook bijdragen aan het illegale nederzettingenbeleid van bepaalde aanbestedingsprocessen uitgesloten dienen te worden?4
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om het Nederlandse ontmoedigingsbeleid aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het rapport over de staatscommissie demografie |
|
Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Mona Keijzer (BBB), Marjolein Faber (PVV), Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Welke onderdelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie demografische ontwikkelingen 20501 worden door dit kabinet onderschreven en welke onderdelen van de reactie worden niet onderschreven?
Zoals met uw Kamer gedeeld per brief van 22 november jl.2 omarmt het kabinet het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om te sturen in de richting van het scenario van gematigde bevolkingsgroei.
Een belangrijke stap richting gematigde bevolkingsgroei is grip op migratie. Dit kabinet zet voor asielmigratie in op het strengste pakket aan asielmaatregelen ooit. Daarnaast kiest het kabinet voor een selectiever en gerichter beleid ten aanzien van alle vormen van migratie, ook op arbeids- en studiemigratie. De eerste stappen op het gebied van arbeidsmigratie zijn ook recentelijk met uw Kamer gedeeld.
Om te sturen op gematigde bevolkingsgroei is ook breder dan het beleidsterrein van migratie weging van verschillende belangen nodig, ook in onderlinge samenhang. Het kabinet zet het debat over demografie daarom voort en is ook bereid om politieke keuzes te maken.
Van welk van de zeven scenario’s gaat het kabinet uit bij het beleid? Of met welk van de scenario’s wordt rekening gehouden?
Het kabinet onderschrijft het advies van de Staatscommissie, dat een scenario van gematigde groei van de bevolking het beste uitgangspunt biedt voor Nederland. Met scherpe keuzes wil het kabinet politiek sturen op beperking van de bevolkingsgroei.
Kunt u de verkenning naar de governance voor een meerjarige programmatische aanpak aan de Kamer doen toekomen?2
Naar aanleiding van de toezegging van het demissionaire kabinet in de Kamerbrief van 24 mei 2024 is in november 2024 een opdracht verstrekt aan ABDTOPConsult voor een verkenning naar de beste wijze om binnen het Rijk tot een domeinoverstijgende, meerjarige programmatische aanpak te komen. De uitkomsten van deze verkenning worden verwacht in het voorjaar van 2025. Deze uitkomsten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Welke punten uit de programmatische aanpak, zoals een vierjaarlijkse staat van de demografie, bent u bereid over te nemen?
Het kabinet onderschrijft dat sturing op de demografische ontwikkeling van Nederland wenselijk en noodzakelijk is. Naast een domeinoverstijgende, programmatische aanpak is daartoe ook een solide feitenbasis nodig. Het kabinet heeft daartoe reeds veel informatie tot haar beschikking en zal uitwerken wat verder nodig is om het cijfermatig inzicht te verbeteren. Op basis daarvan zal het kabinet een jaarlijkse monitor ontwikkelen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt en wordt gereflecteerd op hoe de bevolkingsgroei en -samenstelling in Nederland zich ontwikkelt en hoe de verschillende typen migratie daaraan bijdragen. Ingezette beleidsmaatregelen worden hiertegen afgezet om inzichtelijk te maken op bijsturing nodig is.
Daarnaast is een kennisinfrastructuur opgezet, waarvan het CBS en het NIDI de basis vormen. Deze kennisinfrastructuur houdt enerzijds de vinger aan de pols en levert anderzijds concrete handvatten voor beleid op met jaarlijkse thematische verdiepingen op verschillende onderwerpen die met demografie samen hangen. Zo verschijnt in januari 2025 een rapport over Wonen en de levensloop bij het NIDI. Onderdeel van deze kennisinfrastructuur is tevens, dat het CBS elke vijf jaar de scenario’s van de verkenning Bevolking 2050 actualiseert.
Op basis van bovenstaande kan het kabinet inzichtelijk maken of we op koers zijn richting gematigde groei en waar de demografische ontwikkelingen tot knelpunten leiden. Met de blik op de toekomst kunnen we op basis van deze inzichten waar nodig nieuwe maatregelen en handelingsperspectieven ontwikkelen.
Heeft het kabinet beleidsdoelstellingen op het gebied van demografie? Zo ja, welke?
Het kabinet is voornemens te sturen op een scenario van gematigde bevolkingsgroei. Dit scenario biedt volgens de Staatscommissie het beste uitgangspunt voor economische en brede welvaart, de toegankelijkheid van publieke voorzieningen en sociale cohesie. Een integraal beleid voeren op demografie gaat niet over één nacht ijs. Er is nadere uitwerking en besluitvorming nodig op alle terreinen en op de onderlinge samenhang. Op de verschillende deelterreinen, zoals wonen en migratie, wordt uw Kamer via reguliere wegen reeds geïnformeerd. Daarnaast zal de verkenning naar een meerjarige, programmatische aanpak handvatten bieden om tot integraal beleid over individuele domeinen heen te komen.
Kunt u deze vragen voor het debat beantwoorden?
Helaas is dit niet haalbaar gebleken.