Het artikel 'Deze man nooit je opvang binnenlaten’. Hoe één asielzoeker een heel overheidsapparaat op stang kon jagen' |
|
Boomsma |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel ««Deze man nooit je opvang binnenlaten». Hoe één asielzoeker een heel overheidsapparaat op stang kon jagen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit relaas? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat iemand op deze manier misbruik maakt van het asielsysteem, grote overlast en ellende veroorzaakt en de overheid op enorme kosten jaagt?
Het artikel schetst de complexiteit die kan bestaan in het terugkeerproces. Dergelijke complexiteit kan worden versterkt door medische en/of multiproblematiek. De onwenselijkheid van zulke casuïstiek behoeft geen betoog. Het terugkeerproces in de individuele zaak, die in het artikel wordt beschreven, is echter niet illustratief is voor de doorsnee gang van zaken in het brede terugkeerdomein.
Het terugkeerbeleid houdt in dat vreemdelingen die geen recht (meer) hebben op verblijf in Nederland, Nederland dienen te verlaten. Zo ook de overlastgevende vreemdelingen en vreemdelingen met criminele antecedenten zonder verblijfsrecht. Uitgangspunt is dat vreemdelingen in beginsel zelfstandig vertrekken. Als een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf weigert zelfstandig te vertrekken komt gedwongen terugkeer in beeld.
Soms is het bij een gebrek aan medewerking vanuit de vreemdeling niet mogelijk gedwongen terugkeer te realiseren. Bijvoorbeeld omdat een land van herkomst niet (voldoende) meewerkt met de identificatie en/of nationaliteitsvaststelling van de vreemdeling. In enkele gevallen veroorzaken vreemdelingen die wij niet gedwongen kunnen uitzetten langdurig overlast in gemeenten en/of op opvanglocaties, met grote sociaal-maatschappelijke lasten tot gevolg. Hoewel in zulke gevallen ook met prioriteit strafrechtelijke en/of medische trajecten uitgelopen worden, kan na verloop van tijd een patstelling ontstaan. In die gevallen wordt onder andere door lokaal bestuur indringend aandacht gevraagd voor het vinden van een duurzame oplossing. DTenV heeft de bevoegdheid om met maatwerkondersteuning alsnog terugkeer te forceren en hiermee de patstelling te doorbreken. Vanuit het brede Nederlandse belang geredeneerd is het dan ook verdedigbaar om maatwerkondersteuning toe te passen teneinde terugkeer van een vertrekplichtige vreemdeling met criminele antecedenten te forceren.
Welke manieren ziet u om dergelijk misbruik beter te bestrijden?
Overlastgevend en crimineel gedrag wordt waar mogelijk strafrechtelijk opgevolgd. Ik sta achter een harde aanpak van overlastgevende vreemdelingen zonder verblijfsrecht. DTenV prioriteert terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht die overlast veroorzaken en/of crimineel gedrag vertonen en is daar in veel gevallen succesvol in. In sommige gevallen kan maatwerkondersteuning door de DTenV in de praktijk het verschil betekenen tussen voortzetting van onrechtmatig verblijf (met bijkomende sociaal-maatschappelijke lasten) en het forceren van terugkeer.
Mijn inzet is om de noodzaak tot toepassing van dergelijk maatwerk door DTenV zo veel mogelijk weg te nemen. Verdere verbetering van de terugkeersamenwerking met herkomstlanden is daarvoor van belang, net als verdere uitwerking van diverse voornemens uit het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma op het terugkeerdomein. Denk bij dat laatste onder meer aan herziening van de Europese Terugkeerrichtlijn, implementatie van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, het verhogen van de capaciteit voor vreemdelingendetentie (rekening houdend met de algemene druk op de detentiecapaciteit) en de verruiming van het bereik de ongewenstverklaring als onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet.
Hoe vaak is vastgesteld dat asielzoekers liegen over hun identiteit, en welke consequenties kunnen daaraan worden verbonden?
De IND registreert niet of asielzoekers liegen of in hoeveel zaken de identiteit niet geloofwaardig wordt geacht. Deze gegevens kunnen daarom niet gedeeld worden.
Als de IND vaststelt dat de vreemdeling bewust de IND misleidt, valse informatie verstrekt of informatie achterhoudt, wordt dit betrokken bij de afhandeling van de aanvraag. Dit kan betekenen dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
Hoe vaak komt het voor dat asielzoekers weigeren mee te werken aan een taaltest?
Een zogenaamde taalindicatie of taalanalyse kan onderdeel zijn van de asielprocedure. De IND registreert niet of iemand hieraan weigert mee te werken. Deze gegevens kunnen daarom niet gegeneerd worden. Ook hier geldt dat een weigering om mee te werken wordt betrokkene bij de beoordeling van de aanvraag.
Indien op basis van een taaltest is vastgesteld dat een asielzoeker waarschijnlijk uit een ander land komt maar dat zelf ontkent en een valse naam en geboortedatum opgeeft, welke handelingsmogelijkheden heeft de regering dan?
De IND beoordeelt de asielaanvraag aan de hand van verschillende asielmotieven. Dit is vastgelegd in WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling.2 De IND beoordeelt altijd of de opgegeven identiteit, herkomst en nationaliteit geloofwaardig is of niet. Als de IND beoordeelt dat de nationaliteit ongeloofwaardig is, wordt de rest van de asielmotieven niet verder beoordeeld. In het terugkeerproces zal DTenV vervolgens de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling proberen vast te stellen. Aan autoriteiten van het vermoedelijke herkomstland wordt gevraagd daaraan medewerking te verlenen en vast te stellen of iemand al dan niet onderdaan is.
Indien wordt vastgesteld op basis van een taaltest dat iemand waarschijnlijk uit Marokko komt maar dat zelf ontkent en een valse naam en geboortedatum opgeeft, zijn er andere manieren om herkomst uit Marokko vast te stellen? Op welke manier wordt de Marokkaanse regering gemaand om haar eigen onderdanen te erkennen? Zijn er mogelijkheden om te komen tot een betere gegevensdeling of samenwerking en zo ja, welke?
De DTenV kan autoriteiten van het vermoedelijke herkomstland vragen om op basis van aanknopingspunten in het dossier de identiteit en nationaliteit van een onderdaan vast te stellen. Verklaringen van betrokkene in een asielgehoor over bijvoorbeeld familie of een gebeurtenis, kunnen aanleiding geven de focus te verleggen naar een ander potentieel herkomstland. In de praktijk is er veelal geen gebrek aan aanknopingspunten. De complexiteit zit verhoudingsgewijs vaker in de optelsom van de terugkeersamenwerking met het herkomstland en de opstelling van de vreemdeling. De terugkeersamenwerking met Marokko is inmiddels sterk verbeterd ten opzichte van de tijd waar het NRC-artikel naar verwijst.
Welke werkinstructie of juridische basis was er om de betrokken persoon uit het artikel onaangekondigd naar het hoofdkantoor van de Protestantse Kerk Nederland (PKN) te rijden en daar neer te zetten en weer weg te gaan?
Zoals u bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Als de maatregel van vreemdelingenbewaring moet worden opgeheven en de vreemdeling in vrijheid wordt gesteld is het aan hem om te bepalen waar hij naar toe gaat. Er bestaat geen beleidskader en ook geen werkinstructie waarin wordt voorzien in het overbrengen van onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen naar organisaties als PKN na opheffing van de vreemdelingenbewaring.
Welke werkinstructie of juridische basis was er om de betrokken persoon uit het verhaal naar de daklozenopvang te rijden en daar achter te laten? Hoe vaak worden mensen uit Ter Apel naar een daklozenopvang gereden en op basis van welk beleid?
Zoals u bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Het COA beoordeelt het recht op opvang van een asielzoeker bij binnenkomst in Ter Apel en monitort het recht op opvang gedurende het verblijf bij het COA. Indien er geen recht is op opvang kan het COA betrokkene niet opvangen en is het de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene om op een andere manier te voorzien in het onderdak. Het is geen COA-beleid om personen te vervoeren naar een daklozenopvang.
Hoeveel mensen bevinden zich in Nederland die geen verblijfsvergunning hebben maar niet gedwongen kunnen worden uitgezet?
Er bestaat geen volledig beeld van hoeveel personen zich onrechtmatig in Nederland verblijven én niet kunnen worden uitgezet. Volgens de laatste schatting van onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen verbleven in het jaar medio 2017–medio 2018 waarschijnlijk tussen 23.000 en 58.000 vreemdelingen onrechtmatig in Nederland. Op dit moment zijn onderzoekers bezig met het maken van een nieuwe schatting van het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Het is nog niet bekend wanneer cijfers n.a.v. deze nieuwe schatting zullen worden gepubliceerd.
Hoe vaak zijn de afgelopen jaren dergelijke deals gesloten waarbij overlastgevende en liegende asielzoekers extra geld krijgen om terug te keren naar het land van herkomst? Welke bedragen zijn daarbij uitgekeerd?
Het reguliere terugkeerondersteuningsbeleid van de DT&V bestaat uit; het informeren van de vreemdeling over terugkeer, facilitering van de reis en maximaal: € 200 ondersteuningsbijdrage, € 615 post-arrival assistance en herintegratieondersteuning in natura ter waarde van € 2.000.
De maatwerkbevoegdheid van DTenV is de afgelopen jaren in circa 900 zaken ingezet. In circa 2% van die gevallen is een ondersteuningspakket overeengekomen die de waarde van de terugkeerondersteuning, die wordt geboden in het kader van het reguliere terugkeerondersteuningsbeleid, overstijgt.
Er zijn circa 15 gevallen in beeld waarin € 3.000 of meer is meegegeven aan een vreemdeling in een maatwerkondersteuningspakket. Daarvan zijn de hoogste bedragen: € 17.000, € 9.000 en € 6.000. Circa 100 van eerdergenoemde 900 vreemdelingen hebben een zgn. VRIS-label (vreemdelingen die zijn verdacht van dan wel veroordeeld voor strafbare feiten). Circa 5 vreemdelingen met een VRIS-label ontvingen bij terugkeer een bedrag tussen de € 3.000 en € 5.000.
Hoe verhouden deze deals zich tot de regel dat terugkeerders met criminele antecedenten geen gebruik kunnen maken van de vertrekpremie?
Het algemene kader voor het ondersteunen bij zelfstandige terugkeer heb ik geschetst in mijn brief van 26 september jl3. Vreemdelingen met criminele antecedenten zijn in beginsel uitgesloten van reguliere terugkeerondersteuning die via IOM, NGO’s en het herintegratieprogramma van Frontex wordt aangeboden. In specifieke gevallen kan DTenV op grond van een brede belangenafweging besluiten deze vreemdelingen wél in aanmerking te laten komen voor maatwerkondersteuning. Zulk maatwerk wordt als ultimum remedium enkel ingezet wanneer terugkeer door omstandigheden niet op een andere manier afgedwongen kan worden en zich een mogelijkheid aandient om het onrechtmatige verblijf in Nederland te beëindigen. Hoewel er de laatste jaren minder aanleiding is maatwerk toe te passen – door de verbeterde terugkeersamenwerking met aantal belangrijke herkomstlanden – beschikt de DTenV nog over deze bevoegdheid en wordt die incidenteel ook toegepast. Mijn inzet is een context te creëren waarin de DTenV de maatwerkbevoegdheid vrijwel niet meer nodig heeft. Diverse maatregelen in het regeerprogramma leveren daar naar verwachting een betekenisvolle bijdrage aan.
Zijn er andere manieren om ervoor te zorgen dat wangedrag en bedrog wordt ontmoedigd en te voorkomen dat het wordt beloond?
Voorkomen moet worden dat vreemdelingen die moeten terugkeren naar land van herkomst, niet meewerken aan hun terugkeer en voor overlast zorgen. Daarom geldt een harde aanpak voor vreemdelingen die overlast veroorzaken en/of crimineel gedrag vertonen. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de werkelijkheid weerbarstig is, zeker wanneer bijvoorbeeld sprake is van multiproblematiek. In dergelijke complexe gevallen zijn soms onorthodoxe maatregelen nodig om feitelijke terugkeer te realiseren.
Aanvullend op de reeds bestaande brede overlastaanpak, zie ik noodzaak om ervoor te zorgen dat meer overlastgevende vreemdelingen zonder verblijfsrecht kunnen worden uitgezet.
De maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma ten aanzien van sneller vertrek zijn deels uitgewerkt in de nota van wijziging bij de novelle bij de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. Daarbij gaat het onder meer om het strafbaar stellen van het niet meewerken aan terugkeer. Na verwerking van het advies van de Raad van State zal de nota van wijziging bij de Tweede Kamer worden ingediend.
Conform het Regeerprogramma wordt daarnaast ook gewerkt aan het verhogen van de capaciteit voor vreemdelingenbewaring rekening houdend met de algemene druk op de detentiecapaciteit. Tevens is conform het regeerprogramma gewerkt aan een voorstel tot verruiming van het bereik de ongewenstverklaring als onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet. Dit voorstel is eind vorig jaar voor advies aan de Raad van State gezonden.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat in dit geval verschillende instanties de zorg over deze persoon steeds naar elkaar hebben doorgeschoven?
Zoals u bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Ziet u noodzaak om te komen tot een betere, meer eenduidige aanpak van dergelijke personen die overlast en zelfs gevaar veroorzaken maar niet kunnen worden uitgezet?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe vaak is de afgelopen twee jaar een schadevergoeding betaald omdat mensen onrechtmatig hebben vastgezeten in de vreemdelingendetentie, en voor welk bedrag, in totaal en gemiddeld per geval?
Als een bewaring onrechtmatig is heeft een vreemdeling recht op een schadevergoeding. Op grond van artikel 106 Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank kent dan een schadevergoeding toe aan de vreemdeling voor elke dag waarop onrechtmatige vreemdelingenbewaring in een detentiecentrum heeft plaatsgevonden. Mits de rechtbank in de uitspraak oordeelt dat de vreemdeling recht heeft op een schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingendetentie, dan moet de griffier deze schadevergoeding uitkeren aan (de advocaat van) de vreemdeling. Hoe dit verder verrekend wordt met de IND en verantwoord wordt binnen de rechtspraakbudgetten is mij onbekend.
De IND schaart de kosten die zij kwijt is aan het uitkeren van schadevergoedingen wegens onrechtmatige vreemdelingendetentie van vreemdelingen onder de noemer «overige gerechtskosten». Welk aandeel van deze kostenpost «schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie» omvat, wordt niet specifiek bijgehouden door de IND.
Waarom kon de man, toen uiteindelijk is ontdekt en vastgesteld dat hij inderdaad uit Marokko komt en een zus daar heeft wonen, niet alsnog worden uitgezet en waarom was het blijkbaar nodig om hem «om te kopen» met duizenden euro’s en giften? Werkte de Marokkaanse regering op dat moment nog steeds niet mee een uitzetting en zo ja, waarom niet?
Zoals u bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Indien de DTenV de mogelijkheid heeft om iemand uit te zetten zal dat – in het bijzonder in het geval van criminele antecedenten – niet worden nagelaten. Soms is het noodzakelijk om maatwerkondersteuning toe te passen om een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf met criminele antecedenten uit te zetten.
Het bericht ‘Zwaarst getroffen UWV-gedupeerden worden door minister niet geholpen, en dat mag volgens juristen niet’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Kunt u inhoudelijk reageren op de serieuze waarschuwing in het artikel dat het niet bekijken van andere fouten dan rekenfouten en het beperken van een hersteloperatie tot de periode 2020 tot 2024 juridisch onhoudbaar is?1
In de Kamerbrief van 22 november 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de scope van de hersteloperatie. In deze brief heb ik aangegeven dat de hersteloperatie zich beperkt tot fouten in de hoogte van de uitkering als gevolg van verkeerde dagloonberekeningen en op andere administratieve fouten die van invloed zijn op de hoogte van de WIA-uitkering, in de periode 2020–2024. De focus voor deze fouten ligt op de periode van 2020–2024, omdat in die periode in steekproeven, waarvan het aantal vanaf 2020 flink was teruggeschroefd, een substantieel aantal onjuistheden is aangetroffen met impact op de hoogte en de duur van de uitkering van mensen zonder dat aan deze bevindingen opvolging is gegeven. Dat ligt anders in de periode vóór 2020. Het foutpercentage lag destijds op een lager niveau, en fouten werden opgespoord en hersteld. In de antwoorden op de vragen 3 en 4 licht ik toe waarom de hersteloperatie niet ziet op sociaal-medische beoordelingen en de (juridische) onderbouwing hierbij.
Bent u van plan de hersteloperatie bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) net als in de hersteloperatie kinderopvangtoeslag zo ver te laten komen dat gedupeerden regelmatig met succes naar de rechter stappen om alsnog hun recht te halen?
De hersteloperatie is erop gericht dat UWV geconstateerde fouten zoveel als mogelijk zelf opspoort en herstelt. De pijnlijke boodschap is echter dat het niet mogelijk is om UWV eventuele fouten in sociaal-medische beoordelingen op te laten sporen en van daaruit te herstellen. Voor mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling werkt UWV aan een intensivering van het persoonlijk contact en de persoonlijke begeleiding. Hierop ga ik nader in bij het antwoord op vraag 5. UWV heeft in september 2024 ook een speciale bellijn geopend voor mensen die – naar aanleiding van de berichtgeving over de fouten bij UWV – ongerust zijn over hun beoordeling of uitkering.
Kunt u toelichten waarom u het een rechtvaardige keuze vindt om fouten bij sociaal-medische beoordelingen buiten beschouwing te laten vanwege de beperkte capaciteit, aangezien fouten bij deze beoordelingen de grootste gevolgen hebben voor gedupeerden en hun bestaanszekerheid direct raakt?
In de Kamerbrief van 22 november 2024 heb ik aangegeven dat de herstelactie zich niet richt op sociaal-medische beoordelingen en dat dit een pijnlijke keuze is voor de mensen die twijfelen aan de juistheid van hun beoordeling. Ten aanzien van de medische en arbeidskundige beoordelingen geldt dat in de steekproeven het oordeel «nader te bepalen» voorkomt. Het oordeel «nader te bepalen» betekent dat op basis van het schriftelijke dossier niet kon worden vastgesteld of de beoordeling goed is verlopen. Hierbij kan het dus zowel gaan om tekortschietende administratie als om fouten in de beoordeling. Graag had ik gezien dat ook hier eventuele fouten konden worden opgespoord en hersteld, omdat ik het belangrijk vind dat mensen erop moeten kunnen vertrouwen dat zij een juiste beoordeling hebben gehad. Voor mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling werkt UWV aan een intensivering van het persoonlijk contact en de persoonlijke begeleiding. Hier ga ik nader op in bij de beantwoording van vraag 5.
Kunt u inmiddels wel een duidelijk antwoord geven op de vraag of de door het Kabinet gemaakte keuze juridisch houdbaar is, in tegenstelling tot de Kamerbrief van 22 november waarin wel twijfels worden geuit maar een duidelijk antwoord uitblijft?
Bij het bepalen van de scope van de hersteloperatie is mijn uitgangspunt dat zoveel mogelijk tegemoet moet worden gekomen aan de belangen van mensen en dat dus zoveel mogelijk fouten worden opgespoord en hersteld. Hierbij zijn ook juridische aspecten en uitvoeringsaspecten gewogen. Binnen de wet- en regelgeving is ruimte om geconstateerde fouten te herstellen. Er is geen juridische verplichting om ambtshalve de fouten op te sporen. De keuze over de scope van de herstelactie is daarmee vooral een beleidsmatige en politieke keuze. Helaas lopen we hierbij tegen grenzen aan en heb ik het betrekken van mogelijke fouten bij de herstelactie af moeten wegen tegen het belang dat ook reguliere dienstverlening doorgang moet blijven vinden. Voor de goede orde merk ik tot slot op, dat anders dan in de vraag wordt gesuggereerd, in de Kamerbrief van 22 november geen twijfels zijn geuit over de juridische houdbaarheid van de scope van de hersteloperatie.
Bent u bereid, gezien het dilemma met betrekking tot de capaciteit, de Kamer voorstellen te doen wat wel kan?
Ik realiseer mij heel goed dat het voor de mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling een pijnlijke constatering is dat het niet mogelijk is om eventuele fouten in sociaal-medische beoordelingen op te sporen en van daaruit te herstellen. UWV probeert mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling zo goed mogelijk te ondersteunen. Momenteel werkt UWV al met de inzet van cliëntondersteuners bij urgente vraagstukken over bestaanszekerheid. Om zeker te zijn dat mensen de juiste ondersteuning krijgen, komt er een team van gespecialiseerde clientondersteuners. Vanuit dat team zorgt UWV voor persoonlijke begeleiding om vragen van mensen gericht in beeld te krijgen en ondersteuning te verzorgen bij vervolgstappen. Dat kan bijvoorbeeld leiden tot een herbeoordeling- of herzieningsverzoek, maar dat team kan net als nu ook schakelen met andere dienstverlening vanuit UWV, zoals het Team Geldzorgen of mediation. UWV heeft in september 2024 reeds een speciale bellijn geopend voor mensen die – naar aanleiding van de berichtgeving over de fouten bij UWV – ongerust zijn over hun beoordeling of uitkering. Tot en met januari 2025 hebben ruim 8.000 mensen hierover contact opgenomen met UWV. Zij stelden in totaal ruim 12.000 vragen. Bij een klein deel ging het om zorgen over mogelijke fouten in hun beoordeling. UWV heeft deze mensen gesproken en voor het overgrote deel was algemene informatie op dat moment voldoende. Met een klein deel zijn nadere afspraken gemaakt. Over de nadere inrichting van het team gaat UWV in gesprek met de cliëntenraden en sociale partners. Ik zal uw Kamer hier nader over informeren in de brief van maart over de verbeteraanpak.
Bent u bereid bij deze oplossingen verder te kijken dan capaciteit binnen het UWV zelf?
Vanzelfsprekend ben ik bereid om met brede blik naar oplossingen te kijken, maar het tekort aan specialistische capaciteit bestaat uiteraard zowel binnen als buiten UWV. Daarnaast acht ik het momenteel niet wenselijk om (een deel van) de hersteloperatie buiten UWV te plaatsen. Hierbij zijn de volgende redenen van belang:
Een hersteloperatie buiten UWV zou het niet mogelijk maken om mensen in één keer de juiste uitkering te geven bij een combinatie van meerdere herstelacties. Een voorbeeld hiervan is de herziening in verband met de uitspraak over loonloze tijdvakken. Op elementen waar gerichte expertise nodig is vanuit UWV zelf (zoals berekeningen op dagloon), zal UWV expertise uit de organisatie inzetten en waar nodig maakt UWV gericht gebruik van externe capaciteit. Samen met UWV bezie ik wat er nodig is om deze hersteloperatie goed uit te kunnen voeren en daar kom ik op terug in mijn voortgangsbrief in maart 2025.
Bent u van mening dat de huidige keuzes van het kabinet over de inrichting van de hersteloperatie getuigen van een betrouwbare overheid, mede gezien het rapport «Blind voor mens en recht» van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, waarin juist het onvoldoende oog hebben voor consequenties voor mensen als één van de belangrijke conclusies beschreven wordt?2
UWV werkt hard aan de verdere uitwerking van de aanpak om fouten te herstellen die zijn gemaakt bij de vaststelling van het dagloon van WIA-uitkeringen in de periode 2020–2024. De correctieoperatie is een omvangrijk en complex proces. Hierbij is zorgvuldigheid geboden, omdat het gaat om de bestaanszekerheid van mensen. Bij de inrichting van de hersteloperatie is daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de lessen uit het rapport «Blind voor mens en recht», eerdere herstelacties bij UWV en andere publieke dienstverleners en de NSOB-review op de verbeteraanpak. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording, is de scope van de hersteloperatie bewust beperkt tot fouten in de hoogte van de uitkering in de periode 2020–2024. Deze afbakening is enerzijds gekozen vanwege het grote aantal fouten vanaf 2020 en is anderzijds nodig om een uitvoerbare en haalbare aanpak te waarborgen, zonder dat de reguliere dienstverlening van UWV in het gedrang komt. Tegelijkertijd wordt binnen de hersteloperatie sterk ingezet op zorgvuldigheid, transparantie en ondersteuning, met oog voor de menselijke maat. Dit blijkt onder andere uit persoonlijke cliëntondersteuning en het beperken van keteneffecten in samenwerking met ketenpartners.
De effectiviteit van medische genderbehandelingen bij kinderen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Fleur Agema (PVV), Karremans |
|
![]() |
Kent u het artikel «Gender-affirming medical treatment for adolescents: a critical reflection on «effective» treatment outcomes» van vijf Amsterdamse wetenschappers, waaronder de hoofdbehandelaar van de genderkliniek van het Amsterdam UMC?1
Ik heb naar aanleiding van deze Kamervragen kennisgenomen van het bovenstaande artikel.
Wat vindt u van de volgende conclusie en stellingname van de onderzoekers: «Instead of solely focusing on substantiating the «effectiveness» of GAMT [gender-affirming medical treatment] with empirical evidence and justifying its provision by showing overall improvement, we should explore how to better support healthcare providers and TGD [trans and gender diverse individuals] in navigating negative feelings throughout and post-GAMT.»? Wat vindt u van hun suggestie dat aangetoonde verbeteringen met de betrekking tot de mentale gezondheid niet noodzakelijkerwijs vereist zijn om deze behandelingen voort te zetten?
In Nederland wordt pas na uitgebreide psychologische evaluatie en ondersteuning medische behandeling ingezet op gebied van transgenderzorg voor kinderen en jongeren. Kinderen en adolescenten die een medische behandeling ondergaan, worden gedurende het traject nauwlettend gemonitord om hen te ondersteunen, de voortgang te volgen en eventuele negatieve gevolgen van de behandeling tijdig te herkennen. Daarnaast wordt, in samenwerking met ouders/verzorgers en betrokken behandelaren regelmatig gereflecteerd op de voortgang van de behandeling. Ik verwijs hiervoor ook naar de brieven over dit onderwerp van juni en november 20242,3.
Het genoemde artikel onderzoekt ethisch de uitkomstmaten4 die in wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt om de zorg voor transgender jongeren te rechtvaardigen, waarbij zowel de waarde van de huidige uitkomstmaten als de mogelijke kanttekeningen daarbij worden besproken. Het doel van het artikel is om te reflecteren op de verschillende uitkomstmaten die tot nu toe gebruikt zijn in wetenschappelijk onderzoek om een vollediger en meer genuanceerd beeld te krijgen van uitkomsten en effectiviteit van behandeling. Uw vraag over de suggestie dat aangetoonde verbeteringen in de mentale gezondheid niet noodzakelijk zijn voor het voortzetten van behandelingen, kan ik niet beoordelen. Er wordt in dit artikel nergens definitief stelling genomen of een antwoord geformuleerd op deze vraag.
Aangezien de onderzoekers een normatieve discussie willen starten over hoe de effectiviteit van genderbehandelingen bij minderjarigen gezien moet worden, wat is uw reactie op de vraag die zij opwerpen: «(…) if GAMT does not necessarily require demonstrating improvement to justify its provision, what should its objectives be? In other words, what ethical and philosophical justifications should underpin GAMT for adolescents, and what does good GAMT for adolescents entail?»
Het is een terechte vraag wat goede transgenderzorg voor kinderen inhoudt. De Gezondheidsraad is gevraagd de Nederlandse aanpak te vergelijken met de aanpak in andere landen met andere zorgstandaarden en geldende wet- en regelgeving. De Gezondheidsraad5 is verzocht om daarbij onder andere ook in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend is over de (langetermijn-) gevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Ik ga ervan uit dat het bovenstaande artikel ook wordt meegenomen in het nog uit te brengen advies.
Wat vindt u van de mogelijkheid die in het artikel wordt opgeworpen om, analoog aan bijvoorbeeld abortus of anticonceptie, genderbehandelingen bij minderjarigen te gaan bezien en rechtvaardigen vanuit persoonlijke wensen («personal desire») en autonomie? Hoe beoordeelt u deze suggestie vanuit het perspectief van de bescherming van de rechten van het kind en de professionele verantwoordelijkheid van artsen, waarbij onder meer een toets op noodzaak, zorgvuldigheid en het kiezen van de minst belastende, en zo mogelijk omkeerbare, ingreep een belangrijke plaats heeft?
Zie antwoord op vraag 2 en 3.
Deelt u de mening dat een dergelijke benadering haaks staat op de empirische benadering die in Nederland tot op heden geldt ten aanzien van de effectiviteit van medische behandelingen, zeker bij kinderen?
Het is aan de wetenschap en het zorgveld zelf om te werken aan kennis- en expertiseontwikkeling. In het veld vindt (inter)nationale samenwerking plaats op het gebied van kennis- en expertiseontwikkeling. Het is vervolgens aan veldpartijen om gezamenlijk richtlijnen op te stellen, die dienen als kwaliteitsstandaard of onderdeel van de professionele standaard, en daarin invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is. Zorgaanbieders moeten deze richtlijnen vervolgens toepassen, zoals voor alle vormen van zorg in Nederland geldt, op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
De zorg aan transgender personen staat beschreven in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch6. Deze is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, medische praktijkervaring, input van patiënten en internationale richtlijnen.
Erkent u dat een dergelijke benadering gebaseerd op de persoonlijke wensen en autonomie van een kind risicovol is, gelet op de onomkeerbaarheid van bepaalde medische genderbehandelingen, de onduidelijkheid over effecten op de langere termijn en het voorkomen van transitiespijt?
De zorg aan transgender personen staat beschreven in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch7. Deze is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, medische praktijkervaring, input van patiënten en internationale richtlijnen. Vanuit de expertisecentra wordt genderzorg zodanig ingericht dat het risico op transitiespijt, door een zorgvuldige en persoonlijke aanpak, zo veel mogelijk wordt geminimaliseerd.
Als een empirische onderbouwing voor de effectiviteit van medische genderbehandelingen ontbreekt, hoe verhoudt dit zich tot het kabinetsdoel (bijvoorbeeld vastgelegd in het Integraal Zorgakkoord) om passende zorg te bevorderen en niet-passende zorg tegen te gaan?
Passende zorg is waardegedreven. Dit betekent dat zorg op de eerste plaats effectief is, oftewel voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, en daarmee meerwaarde heeft voor de patiënt. Daarnaast betekent het ook een doelmatige inzet van mensen, middelen en materialen. Empirische onderbouwing voor de effectiviteit van medische genderbehandelingen is daarbij uiteraard belangrijk. De stand van de wetenschap en praktijk is het wettelijke criterium dat bepaalt dat de te verzekeren zorg in voldoende mate bewezen effectief moet zijn. Naast de wetenschappelijke onderbouwing zijn ook de ervaringen uit de praktijk van zorgverleners en patiënten van grote waarde (Evidence-Based Medicine).
Zorgbreed geldt dat niet alle behandelingen met hoge bewijslast kunnen worden onderbouwd. Kennis van zorgverleners en patiënten is nodig om te bepalen of zorg klinische meerwaarde heeft. Het is wettelijk bepaald dat alle te verzekeren zorg in de Zorgverzekeringswet dient te voldoen aan het criterium «de stand van de wetenschap en praktijk». De Zorgverzekeringswet kent voor het grootste deel een open systeem van het basispakket. Geneeskundige zorg die bewezen effectief wordt geacht, stroomt automatisch in het te verzekeren pakket. Voor de open instroom van zorg geldt dat er een grote verantwoordelijkheid ligt bij het veld. Wetenschappelijke en beroepsverenigingen maken de effectiviteit van zorg inzichtelijk en of deze voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk. Genderincongruentie is opgenomen in de «International Classification of Diseases (ICD-11)». Volgens het internationaal verschenen rapport «Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People, Version 8», bestaat voor een deel van deze transgender personen een medische noodzaak tot zorg. Nederland volgt deze internationale consensus. De individuele beoordeling van noodzakelijkheid gaat om de afweging of in het individuele geval de zorg, bijvoorbeeld een genderbevestigende operatie, het aangewezen middel is voor de verzekerde.
Kunt u toelichten aan welke criteria en/of normen medische genderbehandelingen bij minderjarigen op dit moment worden getoetst als het gaat om effectiviteit en passende zorg? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op het pakketcriterium «noodzakelijkheid» en de door Zorginstituut Nederland gehanteerde definitie van «effectiviteit»?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn, bijvoorbeeld voor de vergoeding vanuit de Zorgverzekeringswet, als medische genderbehandelingen bij kinderen niet blijken voldoen aan deze normen?
Voor het vergoeden van medische genderbehandelingen bij kinderen gelden dezelfde criteria/normen als bij elke andere vorm van medisch specialistische zorg. Zie hiervoor verder de beantwoording van vraag 8.
Wat is de status van het traject «Probleemanalyse psychologische zorg bij transgenderzorg» vanuit de Pakketagenda passende zorg 2023–2025 van Zorginstituut Nederland?
Een van de onderwerpen op de pakketagenda 2023–2025 is «Transgenderzorg afbakening».Samen met betrokken partijen kijkt het Zorginstituut welk deel van de psychologische zorg aan transgender personen valt onder de ggz-aanspraak en welk deel hoort bij het somatische traject. Het Zorginstituut voert op dit moment verkennende gesprekken met partijen in de transgenderzorg om de huidige situatie in kaart te brengen. De opleverdatum van het eindrapport is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van diverse ontwikkelingen zoals de doorontwikkeling van de richtlijn transgenderzorg-somatisch en -psychisch en de oprichting van het Landelijk Platform Transgenderzorg.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat over medische ethiek (15 januari 2025)?
Ja.
Het bericht 'Bijna vijftig strijders en zes jihadisten uit buitenland benoemd tot officieren in Syrië' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het bericht «Bijna vijftig strijders en zes jihadisten uit buitenland benoemd tot officieren in Syrië»?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië op de voet. Dit blijkt onder andere uit het bezoek dat de Syrië Gezant bracht aan Syrië op 2 en 4 januari jl., waaruit vooralsnog het beeld naar voren komt dat in een uiterst complexe en diffuse interne situatie het interim-bestuur inzet op een inclusieve koers, met respect voor mensenrechten.
Zonder af te willen doen aan de grote behoefte aan hulp en bescherming voor alle verschillende bevolkingsgroepen, zoals onder andere de Christenen, Alavieten en Koerden binnen de Syrische bevolking in deze voor hen dynamische tijden, kunt u zich voorstellen dat met name deze passage leidt tot verontwaardigde reacties van Nederlandse burgers: «De de facto leider van Syrië, Ahmed al-Sharaa, had maandag een ontmoeting met een Oekraïense delegatie, geleid door de Oekraïense buitenlandminister Andrii Sybiha. Sybiha zei dat Oekraïne meer voedsel en hulpgoederen naar Syrië zal sturen»?
Veel Nederlanders ondervinden dagelijks de negatieve gevolgen van diverse conflicten wereldwijd. Zo stegen door de grootschalige invasie door Rusland in Oekraïne voedsel- en energieprijzen in Nederland en Europa; het kabinet is zich daar terdege bewust van. Conform het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma steunt Nederland Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel en we doen dit onverminderd.
Sinds het uitbreken van de agressieoorlog door Rusland faciliteert het World Food Programme (WFP) het zogeheten Grain from Ukraine Initiative. Dit initiatief wordt gefinancierd door internationale donoren (het deel voor Syrië met name door Noorwegen en Luxemburg) en richt zich enerzijds op het hulp bieden aan boeren en voedselproducenten in Oekraïne door het inkopen van graan, anderzijds op het leveren van graan aan hulpbehoevende landen zoals Syrië. Dit initiatief helpt dus niet alleen honger in deze landen te bestrijden, maar draagt ook bij aan de ondersteuning van de graanproductie in Oekraïne en de veerkracht van Oekraïense boeren. Oekraïne beheert het initiatief maar levert zelf geen financiële bijdrage. Er is dus geen sprake van een donatie van Oekraïne.
Hoe rijmt u het feit dat Nederland als een van de trouwste bondgenoten van Oekraïne tot nu toe ruim 12 miljard euro heeft uitgegeven aan (de oorlog in) Oekraïne en heeft aangegeven de steun aan Oekraïne «onverminderd voort te zullen zetten», met het bericht dat Oekraïne nu heeft toegezegd meer voedsel en hulpmiddelen aan Syrië te zullen sturen?
Het kabinet heeft zoals u weet via het Regeerprogramma afgesproken de steun aan Oekraïne onverminderd voort te zetten. Het gaat hierbij naast militaire steun ook om niet-militaire steun om Oekraïne economisch en maatschappelijk op de been te houden. Ondanks de forse impact van de oorlog is Oekraïne nog steeds een grote producent van graan en een essentiële leverancier voor veel landen in Afrika en het Midden-Oosten, waaronder Syrië. Volgens het kabinet is er hierbij geen sprake van tegenstrijdigheid omdat het niet gaat om een donatie van Oekraïne aan Syrië, zoals ook toegelicht in antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of hieruit te concluderen valt dat de Oekraïne eigenlijk zelf geen behoefte meer heeft aan Nederlandse steun of in ieder geval genoeg heeft ontvangen?
Gezien het feit dat Oekraïne slechts beheerder is van het Grain from Ukraine Initiative en geen financiële bijdrage levert, kan dit niet geconcludeerd worden. De financiële bijdragen aan het WFP worden uitsluitend gedaan door donorlanden. Nederland heeft een bijdrage geleverd aan het Grain from Ukraine initiatief respectievelijk EUR 4 miljoen in 2022 en EUR 2 miljoen in 2023.2
Kunt u aangeven hoe u denkt de Nederlandse bevolking deze steun van Oekraïne aan Syrië te kunnen uitleggen, in een periode waarin Nederland zich (anders dan andere lidstaten van de EU) wel aan de begrotingsregels (zoals die van de Europese Monetaire Unie) houdt en Nederland om die reden minder investeringen kan doen in bijvoorbeeld infrastructuur, koopkracht en verlaging van energietarieven, accijnzen en andere voor onze eigen bevolking zeer belangrijke zaken?
Zoals uitgelegd in antwoord 2 en 3, is er geen sprake van een donatie van Oekraïne aan Syrië.
Wilt u toezeggen dat u de Oekraïense regering gaat vragen hoe zij dit zelf denkt te kunnen verantwoorden aan hun belangrijkste geldschieters en bondgenoten?
Het Grain from Ukraine Initiative is een samenwerking tussen het WFP en Oekraïne, gestoeld op humanitaire principes en met steun van internationale donoren tot stand gekomen. Oekraïne voert het initiatief uit en WFP rapporteert aan de deelnemende internationale partners over de voortgang. Zo zijn door middel van het initiatief meer dan 286.000 ton landbouwproducten geleverd aan 12 landen met kritieke voedseltekorten.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het eerstvolgende debat van de commissie Buitenlandse Zaken (over het Midden-Oosten) op 14 januari 2025 beantwoorden?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
De brief van de NORTH group |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Schoof , Karremans |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de bijgevoegde brief en wetenschappelijke onderbouwing van de NORTH group inzake de veiligheid en effectiviteit van de gemodificeerde mRNA-producten voor COVID-19?1
Het Nederlandse vaccinatiebeleid is gestoeld op onafhankelijke wetenschappelijke advisering. Signaleringen over vaccins worden doorlopend gemonitord en onderzocht. Als hiertoe aanleiding is, wordt passende actie ondernomen om de veiligheid van vaccinaties te waarborgen. In de beantwoording van diverse schriftelijke vragen over COVID-19-vaccinatie zijn mijn ambtsvoorgangers al uitgebreid ingegaan op de zorgen die in de genoemde brief worden geuit. Hieronder heb ik in mijn beantwoording verwijzingen naar deze eerdere antwoorden opgenomen.
Erkent u dat de injecties tegen COVID-19 nooit zijn getest op hun vermogen om virusoverdracht te stoppen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt u de in de brief geuite zorgen hieromtrent?
Voor een uitgebreide toelichting op dit onderwerp verwijs ik naar de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) d.d. 12 oktober 2022.2
Erkent u dat COVID-19-injecties een ongekend aantal gemelde bijwerkingen, alsmede sterfgevallen, tot gevolg hadden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt u de in de brief geuite zorgen hieromtrent?
Voor een uitgebreide toelichting op het aantal gemelde bijwerkingen verwijs ik naar de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Van Haga d.d. 25 juli 2022.3 Er is brede wetenschappelijke consensus dat de COVID-19-vaccins goed beschermen tegen ernstige ziekte en overlijden.
Erkent u dat analyses door meerdere, onafhankelijke wetenschappers wijzen op variabele en buitensporige hoeveelheden residueel plasmide-DNA in de producten van Pfizer en Moderna, welke nooit in op de markt gebrachte flacons terecht hadden mogen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt u de in de brief geuite zorgen hieromtrent?
Ik onderschrijf deze analyses niet. Zie voor een uitgebreide toelichting de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Van Haga d.d. 17 april4 en 3 oktober 2023.5 Ook verwijs ik naar de reactie die de Australische Therapeutic Goods Administration (TGA) heeft gegeven naar aanleiding van berichtgeving over dit onderwerp.6
Bent u bereid tot het onmiddellijk beëindigen van het gebruik van gemodificeerde mRNA-injecties tegen COVID-19, alsook het initiëren van een terugroepactie van deze producten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid een onafhankelijk en transparant onderzoek naar de naleving van voorschriften, wijze van goedkeuring en gebruik van de mRNA-injecties te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De veiligheid van COVID-19-vaccins is uitgebreid onderzocht en beoordeeld door verschillende onafhankelijke wetenschappelijke instanties, waaronder het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Gezondheidsraad. Ik zie geen aanleiding om extra onderzoek te laten uitvoeren naar de wijze van goedkeuring en het gebruik van COVID-19-vaccins.
Kunt u de Kamer voorzien in wetenschappelijk bewijs dat de stelling, dat er absoluut geen risico is op schade aan menselijk DNA, onweerlegbaar onderbouwt? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het ontbreken van de juiste hulpstoffen (enzymen), kunnen zowel het mRNA als eventuele stukjes plasmide-DNA die achtergebleven kunnen zijn in het vaccin niet binnendringen tot de celkern van de lichaamscellen, waar het DNA zich bevindt. De vaccins kunnen het menselijk DNA dus niet veranderen. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de brief aan uw Kamer van 6 maart 2023.7
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de artikelen «Energieminister Qatar dreigt gaslevering EU te stoppen»1 en «Topman Boskalis «verketterd» om kritiek op vestigingsklimaat»2?
Ja.
Deelt u de zorgen over de impact van de EU-verordening CSDDD die in beide artikelen worden geuit? Zo ja, kunt u nader toelichten op welke wijze u dit, al dan niet in EU-verband, gaat mitigeren? Zo nee, kunt u nader toelichten waarom niet?
De zorgen die worden geuit neemt het kabinet serieus. De CSDDD-richtlijn vereist echter niet van bedrijven dat zij oneindig onderzoek doen, maar biedt juist de mogelijkheid om de focus te leggen op de ernstigste risico’s op mensenrechtenschendingen en milieuschade en op haalbare stappen ter verbetering. Bedrijven kunnen prioriteiten stellen bij het aanpakken van risico’s in de toeleveringsketen. De richtlijn biedt bovendien ruimte voor bedrijven om verbeteringen door te voeren voordat sancties in beeld komen. De manier waarop het toezicht wordt ingericht, en de toezichtstijl van de toezichthouder kunnen hierbij ook helpen de genoemde zorgen te adresseren. Zo heeft de ACM, in Nederland de beoogd toezichthouder, ervaring met positief toezicht. Het doel van positief toezicht is het stimuleren van positief handelen door ondernemingen. Uitgangspunt is dat bedrijven tijd en ruimte hebben om kennis, beleid en maatregelen op te bouwen en dat het toezicht hieraan bijdraagt. Daarnaast zet het kabinet in op goede ondersteuning van het bedrijfsleven. Zo kunnen bedrijven terecht bij het MVO steunpunt en biedt het instrument voor sectorale samenwerking de mogelijkheid om gezamenlijk te werken aan verantwoord ondernemen. Ook worden Nederlandse bedrijven met hun ketenpartners in productielanden ondersteund, waaronder met het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen bij RVO en de nieuwe opzet van samenwerking met maatschappelijke organisaties die zich onder andere richt op schone en eerlijke handel3.
Het is met name aan de Europese Commissie om in dialoog te gaan met landen zoals Qatar over hun zorgen. De Europese Commissie ontwikkelt bovendien een reeks richtsnoeren die bedrijven ondersteunt bij het uitvoeren van hun gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen. Nederland zal deze initiatieven aanjagen en ondersteunen, onder meer door zelf ook in gesprek te treden met derde landen en partijen die zorgen uiten.
Heeft u al meer soortgelijke signalen gekregen van Nederlandse bedrijven dan wel buitenlandse bedrijven? Zo ja, welke en op welke wijze gaat u met deze signalen om?
Ja, er zijn soortgelijke signalen ontvangen van Nederlandse en buitenlandse bedrijven. Om deze zorgen te adresseren worden gesprekken gevoerd met deze bedrijven en landen over de wetgeving. De invoering van EU-wetgeving, zoals de CSDDD, biedt ook momentum voor gesprekken over verantwoord ondernemen. Het voeren en onderhouden van een constructieve dialoog is hierbij het uitgangspunt. Tegelijkertijd zijn er ook positieve signalen ontvangen van Nederlandse bedrijven die de CSDDD juist verwelkomen. Dat zien we ook terug in de reacties van bedrijven in de internetconsultatie van de nationale implementatiewet van de CSDDD, de Wet internationaal verantwoord ondernemen (Wivo). Verschillende bedrijven geven aan dat wetgeving economische kansen biedt en bij kan dragen aan een gelijk speelveld en heldere verwachtingen voor het bedrijfsleven.
Is er onderzoek gedaan naar de effecten van de CSDDD op de concurrentiekracht van de EU en zijn daarbij ook de effecten voor het investeringsklimaat en bijvoorbeeld leveringszekerheidsvraagstukken meegenomen? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen? Zo niet, bent u bereid alsnog zo’n onderzoek te doen naar zowel de korte- als lange termijn impact, al dan niet in EU-verband?
De Europese Commissie heeft een impact assessment laten uitvoeren voorafgaand aan de publicatie van het CSDDD-voorstel4. Hierin wordt onder andere specifiek verwezen naar de te verwachten effecten op het concurrentievermogen van Europese ondernemingen. Op de middellange tot lange termijn wordt verwacht dat de voordelen voor bedrijven de kosten op de korte termijn zullen overtreffen (in termen van efficiëntiewinst, meer veerkracht, betere financiële prestaties door innovatie) en mogelijk ook zullen leiden tot first mover advantage op de wereldmarkt waaronder het veiligstellen van toegang tot hulpbronnen. Ten aanzien van leveringszekerheid verwacht de Commissie dat gepaste zorgvuldigheid positieve effecten kan hebben, in het bijzonder in de context van externe schokken zoals een pandemie, onder meer omdat bedrijven hierdoor grondiger kennis hebben van (kwetsbaarheden in) hun toeleveringsketen.
Tegelijkertijd geeft de impact assessment aan dat bedrijven op korte termijn te maken kunnen krijgen met nalevingskosten. Er wordt op basis van de bepalingen in de richtlijn verwacht dat de kosten van de richtlijn zullen worden gedeeld tussen de grote en kleinere ketenpartners. Zo schrijft de richtlijn voor dat grote ondernemingen waar nodig steun verlenen aan het MKB in hun keten. Denk aan het bieden van trainingen of financiële ondersteuning. Ook wordt verwacht dat deelname aan sectorale samenwerkingsverbanden de kosten zullen drukken. Desalniettemin kan het voor MKB-bedrijven initieel een uitdaging gaan vormen. Uiteraard zal er ook een grondige ex-post evaluatie van de richtlijn moeten plaatsvinden om de daadwerkelijke effecten in kaart te brengen (zie ook antwoord op vraag 8).
Kunt u ingaan op de stelling dat Nederland «een extra schepje bovenop» de Europese regelgeving doet? Welke aanvullende eisen stelt Nederland precies en wat is de rechtvaardiging hiervoor? Hoe staat dit in relatie tot de afspraken in het regeerakkoord Nederlandse toppen op Europese regelgeving tegen te gaan?
Dit is onjuist. Er is geen sprake van «een extra schepje bovenop» of aanvullende eisen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkt momenteel aan de «Wet internationaal verantwoord ondernemen» (Wivo), de nationale implementatiewet van de CSDDD. De richtlijn wordt omgezet volgens de vaste uitgangspunten van dit kabinet om «zuiver en lastenluw om te zetten» zonder nationale koppen. De wet bevat alleen regels die nodig zijn voor het omzetten van de Europese richtlijn. Hierbij is gekozen voor regels die zo min mogelijk extra werk en kosten opleveren voor het Nederlandse bedrijfsleven. Op één punt wordt voor een beperkte nadere invulling van de richtlijn gekozen: in het wetsvoorstel is opgenomen dat ondernemingen mogen samenwerken voor het opstellen en uitvoeren van het klimaattransitieplan. Dit is geen verplichting en juist gericht op lastenverlaging, omdat dit het voor bedrijven gemakkelijker maakt een klimaatplan op te stellen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de totstandkoming van deze regelgeving rekening is gehouden met de effecten die deze wetgeving heeft op onze handelsrelatie met landen die over strategische grondstoffen beschikken, die voor Nederland essentieel zijn?
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen over de richtlijn voortdurend gewezen op de noodzaak voor de Commissie om in dialoog te treden met derde landen die effecten van deze richtlijn zouden ondervinden, juist om verstoringen in de handelsrelaties te voorkomen. Ook gedurende de implementatiefase van de richtlijn zal dit een aandachtspunt blijven. Goede handelsbetrekkingen met derde landen zijn immers van groot belang, bijvoorbeeld omdat deze een belangrijke rol kunnen spelen bij de preventie en beperking van risicovolle strategische afhankelijkheden. Het kabinet heeft ook gepleit voor flankerend beleid dat bedrijven en derde landen helpt risico’s in de toeleveringsketen aan te pakken. Daarbij kunnen lessen getrokken worden uit het European Partnership on Responsible Minerals, dat als flankerend instrument fungeert bij de Europese conflictmineralenverordening. Zowel op Europees als op nationaal niveau wordt gewerkt aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, via de Critical Raw Materials Act en de Nationale Grondstoffenstrategie.5 Onderdeel van deze strategieën is samenwerking met derde landen.
Hoe wordt bij de CSDDD rekening gehouden met de lagere productiestandaarden en wet- en regelgeving in landen buiten de EU en de beperkte invloed die Europese bedrijven hierop hebben?
Productiestandaarden zien toe op de wijze waarop productie plaatsvindt. Het gaat dan onder andere om wet- en regelgeving ten aanzien van arbeidsstandaarden en bescherming van het milieu. Derde landen hebben hier, net zoals de EU, een right to regulate. Ieder land heeft een eigen systeem van wet- en regelgeving. Verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk, omdat deze voortkomen uit de sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Dit maakt dat de EU terughoudend is in het direct opleggen van eigen productiestandaarden aan derde landen; dat is ook niet het doel van de CSDDD.
Verschillen in productiestandaarden of in de invulling die gegeven wordt aan implementatie van internationaal erkende standaarden op gebied van mensen- of arbeidsrecht, maken niet direct dat een land niet voldoet aan de eisen onder deze internationale instrumenten. In eerste instantie moeten bedrijven zich daarom richten op het voldoen aan lokale wet- en regelgeving wanneer ze internationaal opereren. Wanneer lokale wet- en regelgeving echter onvoldoende bescherming bieden voor internationaal erkende normen en standaarden, valt de CSDDD terug op deze internationale standaarden als ondergrens.
Het kabinet en de Europese Commissie zijn zich bewust van de beperkte invloed die Europese bedrijven op lokale wetgeving buiten de EU hebben. Het kabinet staat Nederlandse bedrijven met toeleveranciers in productielanden waar internationale standaarden onvoldoende gewaarborgd worden bij met flankerend beleid, gericht op implementatie van deze standaarden. Daarbij is het belangrijk te onderstrepen dat de verplichting onder de CSDDD niet het veranderen van lokale wetgeving is, maar het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in internationale waardeketens om zo risico’s voor mens en milieu te beperken.
Is er bij de CSDDD voorzien in een evaluatiebepaling? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe die eruit ziet en zo nee, op welke wijze kunnen eventuele negatieve effecten, zeker als deze onvoorzien zijn, worden gemitigeerd?
Ja, artikel 36 van de CSDDD bevat een evaluatiebepaling. Uiterlijk op 26 juli 2030, en vervolgens om de drie jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en doeltreffendheid van deze richtlijn. De Commissie kan daarbij voorstellen doen tot aanpassing, bijvoorbeeld om onvoorziene of ongewenste effecten aan te pakken.
Bent u bekend met de conclusies uit het Draghi rapport over de impact van het EU-duurzaamheidsraamwerk, waaronder CSDDD, op het bedrijfsleven? Deelt u de zorgen over de hoge nalevingskosten (€ 150.000 – € 1 miljoen) en de onduidelijkheid over de samenhang met andere wetgeving? Zo ja, hoe gaat u dit adresseren?
Ja, ik ben bekend met de conclusies uit het Draghi rapport. Als onderdeel van de nationale omzetting van de CSDDD in Nederland is er een bedrijfseffectentoets (BET) uitgevoerd. Hierbij zijn onder andere de regeldrukkosten in kaart gebracht voor de Nederlandse ondernemingen die onder de CSDDD verplichtingen gaan vallen. Op 23 december jl. heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) advies uitgebracht over het Nederlandse conceptvoorstel voor de Wivo6. Hierin adviseert het college positief over het indienen en vaststellen van het wetsvoorstel, nadat er rekening is gehouden met een aantal adviespunten. Eén daarvan is om aan te geven op welke wijze de CSDDD en andere Europese wetgeving op elkaar aansluiten en hier rekening mee te houden bij de uitwerking van de open normen. In de memorie van toelichting zal deze samenhang verduidelijkt worden. Ook blijft Nederland er bij de Europese Commissie op aandringen helderheid te scheppen over de samenhang met andere wetgeving, bijvoorbeeld in de richtsnoeren die de Commissie onder de CSDDD nog zal opleveren.
Deelt u de zorg dat de CSDDD voor extra lastendruk voor ondernemers gaat zorgen? Is er een indicatie van hoeveel de lastendruk voor ondernemers in het algemeen, en het MKB in het bijzonder, toeneemt na implementatie van CSDDD? Op welke wijze heeft u bedrijven en ondernemers betrokken bij de nadere uitwerking en implementatie van de CSDDD?
Als onderdeel van de nationale omzetting in Nederland is er een bedrijfseffectentoets (BET) uitgevoerd. De nieuwe regeldrukkosten voor een zeer grote onderneming in Nederland worden geraamd op € 29.760,– eenmalige regeldrukkosten en € 273.460,– structurele regeldrukkosten per jaar. Dit zijn de regeldrukkosten minus de bedrijfseigen kosten die grote ondernemingen ook zouden maken indien de richtlijn er niet zou komen. Tegenover deze kosten staan uiteraard ook baten voor het bedrijf, zoals betere financiële prestaties, lagere kapitaalkosten, een beter merkimago en reputatie, positieve impact op personeelszaken, beter beheer van risico’s, en verbeterde operationele efficiëntie en innovatie7. Daarnaast zijn er maatschappelijke baten, omdat de richtlijn beoogt ongewenste effecten van bedrijven op mens en milieu te voorkomen en aan te pakken, zodat deze niet op de samenleving worden afgewenteld.
In het kader van deze BET is er ook een MKB-toets uitgevoerd. Het MKB maakt geen deel uit van de reikwijdte van de CSDDD en zal dus niet aan de verplichtingen van de richtlijn moeten voldoen. Wel kunnen MKB’ers met indirecte gevolgen van de richtlijn te maken krijgen wanneer zij bijvoorbeeld toeleverancier zijn van een grote onderneming die onder de verplichtingen valt en van hen informatieverzoeken ontvangen. Voor de MKB-toets is gesproken met MKB’ers die hun huidige ervaringen en verwachtingen over de aanstaande regelgeving konden delen. Hieruit kwam naar voren dat veel MKB’ers waarmee gesproken is in principe positief staan ten opzichte van de CSDDD. Ook werd duidelijk dat veel van hen al te maken hebben met informatieverzoeken van grote ondernemingen, vooral op grond van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Zij maken zich zorgen om de werkbaarheid van deze verzoeken, met name omdat deze vaak generiek of disproportioneel zijn.
Tijdens het implementatietraject van de CSDDD tot nu toe zijn er verschillende stakeholderbijeenkomsten geweest waaraan bedrijven en vertegenwoordigers namens het bedrijfsleven, zoals VNO-NCW/MKB Nederland, hebben deelgenomen. Verder stond voor iedere onderneming de internetconsultatie voor de Wivo open van 18 november tot 29 december 2024. In het verdere implementatietraject zal het kabinet continue in gesprek blijven met het bedrijfsleven om binnen de richtlijn de ruimte te benutten om regeldruk voor ondernemingen te beperken.
Op welke wijze gaat u bedrijven en ondernemers ondersteunen bij de implementatie van de wetgeving, zowel op het gebied van de administratieve verplichtingen als bij het inzicht krijgen in de productieketens in het buitenland? Op welke termijn kunnen ondernemers hier iets van verwachten?
Het Nederlandse bedrijfsleven wordt al op verschillende manieren ondersteund. Zo kunnen bedrijven terecht bij het MVO-steunpunt van RVO voor o.a. op maat gemaakt advies, tools en informatie. Ook bestaat de MVO risicochecker die bedrijven helpt risico’s in hun waardeketens in kaart te brengen. Daarnaast biedt het instrument sectorale samenwerking de mogelijkheid om (gesubsidieerd) gezamenlijk te werken aan verantwoord ondernemen. Het kabinet staat Nederlandse bedrijven, samen met hun toeleveranciers in minder ontwikkelde productielanden, bovendien bij met flankerende ontwikkelingshulp. Het postennetwerk ondersteunt bedrijven door hen in contact te brengen met lokale partners en stakeholders.
De Europese Commissie zal ook richtsnoeren opleveren die bedrijven zullen helpen om invulling te geven aan de verplichtingen uit de CSDDD. De Europese Commissie zal daarnaast een centrale helpdesk opzetten waar ondernemingen terecht kunnen voor informatie en richtsnoeren over het naleven van de CSDDD.
Kunt u toezeggen dat Nederland zich in zal spannen dat de CSDDD zo lastenluw mogelijk wordt geïmplementeerd en er geen sprake zal zijn van nationale koppen? Zo ja, kunt u nader toelichten op welke wijze daarin wordt voorzien en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe realistisch acht u de implementatiedatum voor de CSDDD en vindt u het gelet op de impact ervan op bedrijven en de conclusies uit het Draghi rapport verstandig om net als bij de ontbossingsverordening meer tijd te nemen? Zo ja, op welke wijze zet u zich hiervoor in? Zo nee, waarom niet?
Nederland is net als de andere EU-lidstaten verplicht om de op 25 juli 2024 in werking getreden EU-richtlijn in twee jaar om te zetten in nationale wetgeving. Vervolgens gaat de wetgeving gefaseerd van toepassing worden voor eerst de zeer grote ondernemingen vanaf juli 2027 tot en met de grote ondernemingen die onder de uiteindelijke reikwijdte vallen (>1.000 medewerkers en meer dan EUR 450 miljoen netto omzet) die vanaf juli 2029 moeten voldoen. Naast de implementatietijd van twee jaar duurt het dus nog drie jaar extra voordat de richtlijn op de volledige doelgroep van toepassing is.
Gezien het feit dat onlangs de internetconsultatie van het conceptwetsvoorstel is afgerond en het aangepaste voorstel naar verwachting in het voorjaar aangeboden kan worden aan de Raad van State, acht ik de implementatietermijn voor de CSDDD realistisch. In het kader van de ontbossingsverordening was het de Commissie niet gelukt bepaalde cruciale richtsnoeren en andere randvoorwaarden tijdig op te leveren. Het kabinet zet zich samen met andere lidstaten in voor tijdige oplevering van de richtsnoeren onder de CSDDD.
Kunt u aangeven of de effecten van de CSDDD nu de implementatie concreter wordt, ook in het licht van de bevindingen uit het Draghi rapport, onderwerp van gesprek zijn in de EU? Zo ja, op welke wijze?
De effecten van de CSDDD kunnen pas daadwerkelijk in kaart gebracht worden wanneer deze vanaf juli 2027 van toepassing gaat worden voor de eerste groep grote ondernemingen. De Commissie zal de effecten ook gaan monitoren als onderdeel van de geplande evaluatie. Los hiervan werkt de Commissie, deels in reactie op het Draghi rapport, op dit moment aan een zogenaamd «omnibusvoorstel» dat bedoeld is om de regeldruk van verschillende Europese wetten tegelijk in samenhang terug te dringen. Over dit geplande voorstel zijn nog weinig details bekend maar het wordt onder meer in verband gebracht met de CSDDD. Het kabinet onderschrijft het doel van regeldrukvermindering, zoals ook opgenomen in het regeerprogramma. Het kabinet wil daarbij in ieder geval inzetten op het terugdringen van dubbele en onnodig complexe rapportageverplichtingen in de gedelegeerde handelingen onder de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de CSDDD. Het kabinet zal aanvullende voorstellen op hun merites beoordelen en houdt daarbij ook de rechtszekerheid voor bedrijven in het oog. Ook zal het kabinet wijzen op het belang van tijdige oplevering van richtsnoeren, het belang van dialoog met derde landen en goede ondersteuning van het bedrijfsleven tijdens de implementatie. Zodra het voorstel gepresenteerd wordt, zal het kabinet zoals gebruikelijk een beoordeling ervan met de Kamer delen en bezien hoe hier rekening mee gehouden moet worden in de implementatie van de CSDDD.
Is dit onderwerp ter sprake gekomen tijdens de Ondernemers Top, georganiseerd afgelopen december ’24? Zo nee, op welk moment zijn de Ministers voornemens dit gesprek aan te gaan met ondernemers? Zo ja, wat was hier de uitkomst van?
Op 9 december jl. vond de eerste Ondernemers Top plaats, waar het kabinet heeft geluisterd naar ruim 160 ondernemers en vertegenwoordigers van brancheorganisaties over uitdagingen en kansen binnen het ondernemingsklimaat. De CSDDD is tijdens de Ondernemers Top niet ter sprake gekomen. Het kabinet acht het echter van groot belang om input van ondernemers te ontvangen over deze richtlijn en betrekt hen daarom actief bij de nadere uitwerking en implementatie ervan.
Een belangrijk middel om de mening van ondernemers te horen, is de eind vorig jaar gehouden internetconsultatie. De consultatie bood gelegenheid voor bedrijven, brancheorganisaties en andere belanghebbenden om commentaar en ideeën kenbaar te maken. Deze inbreng wordt momenteel nader geanalyseerd en zal waar relevant bij het wetsvoorstel en de memorie van toelichting worden betrokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat «informele Raad Buitenlandse Zaken Handel» op 22 januari 2025?
Ja
De uitvoering van de aangenomen motie Beckerman/Nijboer (Kamerstuk 33 529, nr. 1154) |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie Beckerman/Nijboer (Kamerstuk 33 529, nr. 1154) die tot doel had om alle gedupeerden die eigen geld hadden moeten investeren in de versterking, schadeloos te stellen?
Bewoners die kosten gemaakt hebben voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, of kosten die daar direct uit voortkomen, moeten die kosten vergoed krijgen. NCG heeft een meldpunt ingericht waar bewoners zich kunnen melden en analyseert deze meldingen, waar nodig met gemeenten. Bij het meldpunt van de NCG hebben zich in totaal 214 bewoners gemeld. Hiervan vallen 127 adressen onder regie NCG en 87 adressen onder regie van de gemeenten (Batch 1588).
Hoeveel meldingen zijn er binnengekomen bij het meldpunt van de Nationaal Coordinator Groningen (NCG)? Hoeveel zijn er toegekend? Hoeveel zijn er afgewezen?
Er zijn 214 meldingen binnengekomen.
Voor de 127 meldingen waarvan de versterking valt onder regie van de NCG, geldt dat er inmiddels 92 zijn afgehandeld. Bij 11 meldingen heeft een vergoeding plaatsgevonden, 5 bewoners hebben hun melding ingetrokken, 1 melding is vergoed door IMG en 75 meldingen zijn afgewezen. Daarnaast is in 10 meldingen een voorgenomen besluit verstuurd en zijn nog 25 meldingen in behandeling.
Ten aanzien van de 87 meldingen gedaan door bewoners uit de Batch 15881 geldt dat er 6 meldingen af zijn gehandeld, dat er in 24 meldingen een voorgenomen besluit is verzonden, er in 51 meldingen een informatiebrief is verstuurd en in 4 meldingen is er separaat contact met de desbetreffende gemeente. Deze informatiebrieven zijn verstuurd omdat een aantal meldingen verder wordt geanalyseerd. Dit doet de NCG samen met de gemeente door te toetsen of het gekregen budget voldoende was voor een functioneel vergelijkbare woning. Het streven is om bewoners in de komende maanden uitsluitsel te geven over hun melding.
Tot nu toe is in totaal € 143.873 vergoed voor Batch 1588-meldingen en € 118.028 voor regie-NCG-meldingen. Kosten die zijn gemaakt voor de noodzakelijke versterking moeten worden vergoed, hier is dus vooraf geen vast bedrag voor geraamd. Ik heb met de gemeenten contact om te borgen dat zij voldoende middelen hebben om bewoners te kunnen compenseren in het geval blijkt dat bewoners zelf kosten hebben moeten maken voor de noodzakelijke versterking van hun woning.
Hoeveel geld is er in totaal uitgegeven aan de uitvoering van deze motie? Was er vooraf een bedrag geraamd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u per batch of regeling aangeven hoeveel mensen zich hebben gemeld en hoeveel meldingen zijn afgewezen en toegekend?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe worden gemeenten gecompenseerd die mensen uit Batch 1588 moeten compenseren die kosten hebben gemaakt voor de versterking? Gaat dit op declaratiebasis met het rijk of is hier een vast bedrag voor afgesproken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Krijgt u net als wij signalen dat juist bewoners die niet onder de NCG vielen, maar wel kosten hebben gemaakt voor de versterking, nu afgewezen worden bij het Meldpunt kosten versterking?
Er hebben zich bewoners gemeld in verband met de kosten die ze hebben gemaakt voor versterking. Al deze bewoners hebben een afwijzing gekregen, omdat er nooit een beoordeling heeft plaatsgevonden of versterking noodzakelijk was. Ook is er in de overeenkomsten met de NAM vaak afgesproken dat bewoners akkoord gaan met het afgesproken bedrag en in de toekomst geen aanspraak meer maken voor nieuwe vergoedingen (finale kwijting).
Ik heb recentelijk met twee bewoners gesproken van wie de afhandeling onder de NAM valt. Deze bewoners hebben hun zorgen geuit en aangegeven dat de afwijzing in hun ogen onredelijk is omdat deze overeenkomsten vaak onder druk van verdere procedures werden afgesloten. Op basis van dit gesprek onderzoek ik of en zo ja hoe alsnog een vergoeding van kosten zou kunnen worden gegeven in het geval de afspraken met de NAM als onredelijk kunnen worden gezien. Ik informeer uw Kamer voor de zomer over de uitkomsten van deze verkenning.
Herkent u dat bewoners die in de versterking zaten voor de trajecten dievia de NCG liepen en die een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met de NAM of Centraal Veilig Wonen (CVW), vaker een afwijzing ontvangen? Is een strikt juridische benadering van artikel 13j, zevende lid hier debet aan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Herkent u dat veel mensen in Batch 1588 eigen kosten hebben moeten maken voor de versterking? Herkent u zich in de woorden van uw voorganger dat hij «geschrokken was van de verhalen» van deze mensen?
Tot nu toe hebben 87 bewoners aangegeven dat zij eigen kosten hebben moeten maken voor de versterking van hun woning. De NCG toetst samen met gemeenten of deze bewoners een functioneel vergelijkbare woning hebben kunnen kopen en/of realiseren van het door hen eerder ontvangen budget. Ik wil bewoners zo snel als mogelijk duidelijkheid geven over de vraag of zij voor aanvullende vergoeding in aanmerking komen. Tegelijkertijd wil ik ook een goed en ordentelijk besluit nemen: zorgvuldig, eenduidig en met aandacht voor de specifieke situatie van de bewoner. Bij een voorgenomen besluit krijgt een bewoner altijd een termijn om met een zienswijze te reageren hierop. Als een bewoner meer tijd nodig heeft voor deze zienswijze, dan wordt daar ruimhartig mee omgegaan. Streven is om bewoners in de komende maanden definitief uitsluitsel te geven over het (gedeeltelijk) toekennen of afwijzen van hun melding.
Als blijkt dat er kosten zijn gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, vind ik het belangrijk dat deze alsnog worden vergoed. Echter, niet in alle gevallen vindt er een vergoeding plaats. Dit komt omdat is vastgesteld dat bewoners volgens de bestaande kaders hebben gekregen waar ze recht op hadden. Ik snap dat dit misschien niet voor alle bewoners de uitkomst is waar ze op hadden gehoopt. Daar heb ik ook oog voor. Voordat bewoners een definitief besluit ontvangen, kunnen zij hun zienswijze delen. Als zij dat willen, kunnen zij ook persoonlijk toelichting krijgen op het voorgenomen besluit. Ook kunnen bewoners tegen het definitieve besluit in bezwaar en beroep.
Herkent u voorts dat een deel van deze mensen uit Batch 1588 in de week voor kerst een afwijzing heeft gekregen voor de aanvraag voor compensatie voor de kosten gemaakt voor de versterking? Waarom zijn deze mensen afgewezen? Waarom krijgen zij, na lang gewacht te hebben, maar tot 14 januari 2025 de tijd om te reageren op deze afwijzing? Is dat niet veel te kort? In deze vakantieperiode is het toch bijna onmogelijk om hiervoor ondersteuning te vinden?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u tevens dat een groot deel van de aanvragers uit Batch 1588 nog moet wachten en er nog nader onderzoek wordt gedaan? Hoe lang gaat dat duren? Wie doet dit onderzoek en waarom?
Ja. Het klopt dat een deel van de aanvragers uit Batch 1588 nog moet wachten en dat er nader onderzoek wordt gedaan. Bijvoorbeeld om goed te kunnen beoordelen of vergoeding op zijn plaats is. Dit nader onderzoek doe ik samen met NCG en gemeenten en zal ik zo snel mogelijk afronden.
Waarom wordt het geld dat mensen uit Batch 1588 krijgen en nu dus wel gecompenseerd worden, op een SNN- rekening gestort? Deze rekeningen worden toch bijna gesloten nu de vijfjaarstermijn bijna verstrijkt? Waarom krijgen mensen het bedrag niet op hun eigen rekening uitbetaald?
De gemeente is betrokken bij de toekenningen vanuit het meldpunt. Bij een klein aantal meldingen is geconstateerd dat de memo ondergrens niet (goed) is toegepast. Voor deze bewoners heeft een budgetverhoging plaatsgevonden, binnen de werkwijze van batch 1588. Dit gebeurt via het bouwdepot bij SNN. Het bedrag dat is toegewezen is bedoeld om de kosten te dekken die horen bij de sloop/nieuwbouw of versterking van de woning. In deze gevallen was het depot nog niet afgesloten. Dit depot is tot vijf jaar nadat de beschikking is verleend beschikbaar. Deze termijn kan op verzoek van de eigenaar worden verlengd. Mocht het meldpunt bijdragen doen aan adressen waarvan de subsidie reeds is vastgesteld en het depot gesloten, kan het zijn dat de betaling rechtstreeks via NCG plaatsvindt. Deze situatie heeft zich tot nu toe nog niet voorgedaan.
Heeft u zich reeds verdiept in de situatie van huurders en eigenaren in Batch 1588 die nog bezig zijn met de versterking en daarbij problemen ervaren, zoals het niet hebben van een passende wisselwoning of het niet krijgen van een vergelijkbare nieuwe woning? Zo nee, wilt u dit gaan doen? Is de € 50.000 die via bewonersbegeleiders beschikbaar is gesteld om knelpunten in de versterking op te lossen er ook voor de bewoners in Batch 1588?
De toekenning van wisselwoningen gaat via de gemaakte afspraken, waarbij in specifieke gevallen maatwerk is toegepast. De memo ondergrens wordt toegepast om te toetsen of het toegekende budget voldoende is voor een functioneel vergelijkbare woning. De € 50.000 die via bewonersbegeleiders beschikbaar is gesteld om knelpunten in de versterking op te lossen is niet van toepassing voor de bewoners in Batch 1588. Voor knelpunten in batch 1588 is een risicofonds opgenomen in het totaal budget voor batch 1588.
Wat wilt u doen voor de bewoners uit Batch 1588 en andere batches die te maken hebben met (soms ernstige) bouwfouten?
Op 20 januari jl. heb ik hierover een brief naar uw Kamer gestuurd.2 Zoals ik het lid Beckerman heb toegezegd3 zal ik ook met de gemeenten in gesprek gaan over het toezicht op bouwfouten om het aantal bouwfouten waar bewoners mee geconfronteerd worden tot een minimum te beperken, ook voor bewoners uit Batch 1588. Ik zal de Kamer zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor de zomer informeren over de uitkomsten van de doorlichting van de NCG en het gesprek met de gemeenten.
In 2019 heeft de Hoge Raad bevestigd dat gederfd woongenot materiele schade is; klopt het dat hier tot op heden nog geen compensatieregeling voor is? Wanneer komt deze regeling?
Het klopt dat er nog geen regeling is voor gederfd woongenot. Het IMG heeft een pilotstudie gedaan om inzicht te krijgen hoe compensatie voor verschillende situaties uitpakt. Op basis van deze studie gaat het IMG dit jaar een besluit nemen over de ontwikkeling van de regeling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Herstel Groningen van 30 januari 2025?
Ja.
Drones die boven de PI Vught vliegen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Coenradie |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Drones vliegen boven PI in Vught, gevangenis omringd door agenten»?1
Ja.
Hoeveel drones zijn op 23 december 2024 boven de PI Vught geconstateerd en vlogen deze drones specifiek boven Unit 5 (de Extra Beveiligde Inrichting)?
Er zijn meerdere drones gesignaleerd boven de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught op 23 december jl. Het aantal is niet met volledige zekerheid vast te stellen omdat meerdere waarnemingen van de drones, ook één drone kan betreffen die meerdere keren overvliegt. Uit veiligheidsoverwegingen ga ik niet in op de exacte vlieglocatie van de drones. Deze informatie kan namelijk waardevol zijn voor criminelen.
Na constatering van de drones heeft p DJI direct gehandeld door het terrein van de PI Vught te controleren en inspecteren op contrabande. Er zijn geen contrabande aangetroffen.
In hoeverre zijn de bestuurders van deze drones te achterhalen en wordt daar ook actief op ingezet?
Ja, er wordt door de betrokken ketenpartners actief ingezet op het achterhalen van de herkomst van deze drones. Op de vraag in hoeverre zij te achterhalen zijn kan ik vanwege opsporingsbelangen niet nader ingaan.
Hoeveel incidenten met drones hebben zich in 2024 voorgedaan bij Penitentiaire Inrichtingen en hoe vaak zijn drones boven het terrein van de PI Vught en specifiek boven de Extra Beveiligde Inrichting geconstateerd?
Uit veiligheidsoverwegingen maak ik deze landelijke cijfers niet openbaar. Deze informatie kan namelijk waardevol zijn voor criminelen.
Per incident maakt DJI een afweging of er een piketmelding volgt waarbij dit incident gedeeld wordt op de website van DJI. Bij deze afweging wordt er gekeken naar de ernst en omvang van het incident. In 2024 is er één piketmelding gemaakt van een incident met een drone en gepubliceerd op de website van DJI. Dit betreft het incident op 23 december 2024 bij de PI Vught.
Hoe kan het gebeuren dat boven het terrein van de PI Vught waar zich de zwaarst beveiligde penitentiaire inrichting van Nederland bevindt, meerdere drones een langdurige periode in tijd vliegen, terwijl daar sprake is van een no-fly zone?
Sinds juli 2022 is het luchtruim boven en rondom de PI Vught tijdelijk gesloten voor de burgerluchtvaart en drones. Deze sluiting is verlengd voor 2025 en ik heb een aanvraag ingediend tot permanente sluiting van het luchtruim boven en rondom de PI Vught bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).2
Een luchtruimsluiting betekent niet automatisch dat er geen drones het gebied in kunnen vliegen. Om die reden is er een dronedetectiesysteem aanwezig en wordt er nauw samengewerkt met veiligheidspartners in de regio om eventuele drones zo snel mogelijk te signaleren en daarop te acteren.
Waarom worden drones boven de PI Vught waar dus sprake is van een no-fly zone, niet direct uitgeschakeld of op andere wijze direct uit de lucht gehaald door bijvoorbeeld te storen?
DJI heeft geen bevoegdheid om drones te verstoren en/of uit de lucht te halen. Hiervoor moet DJI een bijstandsverzoek doen bij de Politie. DJI wil graag beschikken over deze bevoegdheden. De (juridische) mogelijkheden hiertoe worden momenteel verkend. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over deze uitkomsten.
Bij de signalering van een drone hanteert DJI op dit moment een zogeheten «opvolgprotocol» waar acties uiteen worden gezet om de drone zo snel mogelijk uit het gebied van de luchtruimsluiting te krijgen en de Penitentiaire Inrichting te inspecteren op contrabande.
Vindt u dat drones boven de Extra Beveiligde Inrichting direct uit de lucht gehaald moeten kunnen worden? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd op 23 december 2024? Zo nee, welke bevoegdheden en/of maatregelen zijn noodzakelijk om dit zo snel mogelijk te realiseren?
Ik zou graag zien dat DJI deze drones uit de lucht kan halen. Ik verken momenteel de (juridische) mogelijkheid daartoe. Uw Kamer wordt, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, na de zomer geïnformeerd over deze uitkomsten. In de tussentijd bestaat via andere wegen de mogelijkheid om drones te verstoren bij de PI Vught. Uit veiligheidsoverwegingen kan ik hier verder niet op ingaan.
Vindt u dat DJI een eigenstandige bevoegdheid moet hebben om drones uit de lucht te halen, zeker boven gevoelige locaties zoals de Extra Beveiligde Inrichting? Zo ja, gaat u deze bevoegdheid zo spoedig mogelijk realiseren en kunt u de Kamer van de voortgang op de hoogte houden? Zo nee, hoe gaat u er dan voor zorgen dat DJI in gevaarlijke situaties zo snel mogelijk een drone uit de lucht kan halen?
Zie antwoord vraag 7.
Voldoen de dronedetectie en de counterdrone maatregelen bij de meest gevoelige locaties zoals de Extra Beveiligde Inrichting? Zo ja, bent u er dan van overtuigd dat drones niet gebruikt kunnen worden voor ontsnappingen of aanslagen? Zo nee, wat heeft u dan nodig?
Drones rondom PI’s zie ik als risicovol. DJI werkt dan ook nauw samen met partners uit het veiligheidsdomein om drones zo snel mogelijk te signaleren en daarop te acteren.
De dronetechnologie is sterk in ontwikkeling en stelt DJI voor uitdagingen. In het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet structureel een bedrag van 16 miljoen extra aan de bestrijding van voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD) beschikbaar wordt gesteld. Gelet op technische ontwikkelingen van drones zal een belangrijk deel van deze financiële middelen worden ingezet voor het tegengaan van drones. De Kamer zal hierover in het eerste kwartaal van dit jaar via de voortgangsbrief over Veiligheid en Ondermijning nader worden geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De situatie van Aramese christenen in Maaloula (Syrië) |
|
Pieter Omtzigt (NSC), Isa Kahraman (NSC) |
|
Caspar Veldkamp (NSC), Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht inLe Point getiteld «À Maaloula, en Syrie, «les musulmans sont en colère et les chrétiens ont peur»» (vertaald: «In Maaloula, Syrië, zijn moslims boos en christenen bang»)1 en op de website van de Aramese Beweging voor Mensenrechten met de titel «Alarm over dreigende uitzetting van Aramese christenen uit Maaloula door HTS gelieerde terreurgroep»?2
Ja.
Bent u op de hoogte van de recente escalatie in Maaloula, waarbij gewapende jihadistische groeperingen gelieerd aan Hayat Tahrir al-Sham (HTS), de Aramese christelijke gemeenschap bedreigen met gedwongen uitzetting en het onteigenen van eigendommen?
Sinds de val van het Assad-regime op 8 december 2024 is de situatie onoverzichtelijk. Het kabinet is bekend met de berichten over vermeende bedreigingen van inwoners van Maaloula door gewapende groepen. Tegelijkertijd blijft het HTS-leiderschap oproepen tot bescherming van de diverse gemeenschappen, onder wie ook christenen. Het kabinet beschikt niet over informatie die de berichten bevestigt dat er sinds de val van het Assad-regime sektarische incidenten hebben plaatsgevonden tegen Aramese christenen in Maaloula.
Welke specifieke maatregelen overweegt het kabinet om de verantwoordelijken van HTS en gerelateerde groeperingen aansprakelijk te stellen voor hun mensenrechtenschendingen, waaronder de bedreigingen, onteigeningen en vervolging van de Aramese christenen in Maaloula?
Het kabinet beschikt niet over informatie die de berichten bevestigt dat er sinds de val van het Assad-regime sektarische incidenten hebben plaatsgevonden tegen de Aramese christenen in Maaloula.
Het kabinet blijft de jarenlange inzet op accountability voor alle mensenrechtenschendingen in Syrië voortzetten. Dat doet het onder andere door steun aan het International, Impartial and Independent Mechanismvoor Syrië (IIIM) en de Commission of Inquiry, welke zich beide inzetten voor het verzamelen van bewijsmateriaal over ernstige misdrijven. Ook worden er verschillende NGO’s ondersteund in het kader van bewijsvergaring en advocacy.
Is Nederland bereid om internationaal, bijvoorbeeld via de Europese Unie (EU) of de Verenigde Naties, druk uit te oefenen op de Syrische autoriteiten en andere betrokken partijen om de veiligheid van de Aramese christenen in Maaloula te waarborgen en de stad te beschermen als UNESCO Werelderfgoed?
Het kabinet zet zich in bilateraal en multilateraal verband in voor de bescherming van de diverse gemeenschappen in Syrië, onder wie christenen en Koerden. In VN- en EU-verband blijft Nederland hiertoe oproepen, zoals het bijvoorbeeld gedaan heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 16 december 20243, en vraagt in de context van sanctieverlichting ook aandacht voor de status en bescherming van de diverse gemeenschappen. Ook heeft de Speciaal Gezant voor Syrië tijdens zijn recente bezoek aan Damascus op 2 en 4 januari jl. over het belang van de bescherming van alle bevolkingsgroepen gesproken, onder andere met het Grieks-orthodox patriarchaat van Antiochië. Nederland zet zich daarnaast in bilateraal en multilateraal verband in algemene zin in voor de bescherming van cultureel erfgoed in Syrië.
Bent u bereid via al uw diplomatieke contacten en netwerken stappen te ondernemen om de christelijke gemeenschappen in Maaloula te beschermen? Bent u bereid op te roepen tot een onmiddellijke stopzetting van dreigingen en onteigeningen in dit gebied?
Het kabinet roept in zijn diplomatieke contacten sinds de val van het regime expliciet op tot het beschermen van de diverse gemeenschappen, onder wie christenen en Koerden, en zal dat ook blijven doen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u toelichten wat de internationale gemeenschap doet om ervoor te zorgen dat HTS en andere groeperingen de rechten van minderheden in Syrië, waaronder christenen, respecteren en beschermen, zodat er voor alle inwoners van Syrië een plaats is en het niet vervalt tot een sektarische staat met veel geweld en van waaruit opnieuw groepen zullen vluchten?
Verschillende landen zijn sinds de val van het Assad-regime bijeengekomen om de situatie in Syrië te bespreken, waarbij werd opgeroepen tot de bescherming van de rechten van de diverse gemeenschappen. Bijvoorbeeld op 14 december 2024 in Aqaba in Jordanië, maar ook binnen VN- en EU-verband. Daarnaast hebben verschillende landen een bezoek aan Damascus afgelegd voor gesprekken met het interim-bestuur, waarin het belang van de rechten van de diverse gemeenschappen en een inclusieve politieke transitie is benadrukt. Op 3 januari jl. deden Frankrijk en Duitsland dat op ministerieel niveau en Nederland op niveau van de Speciaal Gezant. Ook worden er, onder andere door Nederland, verschillende initiatieven ondersteund die zich richten op accountability en de bescherming van mensenrechten. Zie ook de antwoorden op vragen 3, 4 en 5.
Welke stappen kunnen u en de internationale gemeenschap nemen om ervoor te zorgen dat christenen in Syrië het kerstfeest in vrede en veiligheid kunnen vieren, daar waar Christenen in Syrië met het naderende kerstfeest mogelijk extra kwetsbaar zijn voor aanvallen door jihadistische groeperingen?
Zie de antwoorden op vragen 3, 4, 5 en 6.
Hoe gaat u zich inzetten voor de constitutionele mensenrechten van Arameeërs en andere Christenen in Syrië? Op welke wijze zet u zich in, zodat Arameeërs en andere Chistenen ook aan tafel zitten bij de onderhandelingen over de nieuwe constitutie van Syrië om hun mensenrechten te waarborgen?
Het kabinet onderstreept in zijn diplomatieke contacten, waaronder met het interim-bestuur in Syrië, het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie in Syrië. Daarbij is de bescherming van en een rol in het politieke proces voor de diverse gemeenschappen, onder wie christenen en Koerden, van belang. Het kabinet roept hiertoe op in de verschillende gremia waar deze ontwikkelingen op de agenda staan. Daarnaast steunt het kabinet het kantoor van de VN Speciaal Gezant voor Syrië dat zich tevens inzet voor een inclusief proces.
Zie ook de antwoorden op vragen 3, 4, 5 en 6.
Bent u bekend met de nauwe banden tussen HTS en de Turkse autoriteiten? Welke invloed wordt binnen de NAVO en vanuit de EU uitgeoefend op Turkije en andere landen die banden hebben met HTS om ervoor te zorgen dat er in Syrië een samenleving en regering ontstaan, die stabiel zijn en waar er plaats en vertegenwoordiging is voor alle huidige bewoners van Syrië?
Zoals toegelicht in beantwoording op voorgaande vragen, onderstreept het kabinet in zijn diplomatieke contacten het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie in Syrië. Ook de EU doet dat. Turkije heeft zich uitgesproken voor een inclusief bestuur in Syrië, met respect voor de diverse gemeenschappen. Turkije heeft zijn ambassade in Damascus heropend en de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken was een van de eerste Ministers die Damascus bezocht na de val van Assad.
Wat is de strategie van de EU ten aanzien van de nieuwe machthebbers van Syrië? Welke EU-lidstaten erkennen HTS, het Syrian National Army (SNA) en de Syrian Democractic Forces (SDF) in Syrië en wie onderhoudt welke banden met deze groepen?
De Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 16 december 2024 was eensgezind dat er een door Syriërs geleide politieke dialoog, gesteund door de VN en in de geest van VN-Veiligheidsraad resolutie 2254 moet plaatsvinden, waarbij respect voor de diverse gemeenschappen een belangrijk aspect is. Lidstaten waren het ook eens over dat het bieden van humanitaire hulp, accountability en contact met regionale spelers (m.n. Turkije) centraal moeten staan in de aanpak van de EU. HTS staat op de VN ISIS/Al-Qaida sanctielijst, deze listing is door de EU overgenomen. De HV concludeerde op basis van de discussie dat moet worden bekeken hoe met Hay’at Tahrir al-Sham (HTS) te engageren. De HV onderstreepte dat het huidige sanctieregime urgent moet worden herzien als gevolg van de ontwikkelingen.
Verschillende lidstaten, waaronder Frankrijk, Duitsland en België, hebben in Damascus contact gehad met het door HTS geïnstalleerde interim-bestuur, dan wel met HTS-leider Al-Sharaa. Daarnaast onderhoudt een aantal lidstaten contacten met entiteiten in Noordoost-Syrië, zoals het aan de SDF gelieerde Democratisch Autonoom Bestuur in Noordoost-Syrië (DAANES). Het kabinet is niet bekend met directe contacten tussen lidstaten en het Syrian National Army.
Welk beleid voeren Nederland en de EU met betrekking tot de aanvallen van Turkije en HTS op de SDF?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Turkije in de grensregio met Syrië en Irak. Daarbij staat voorop dat Turkije dient te handelen conform het internationaal recht. In lijn met motie Piri/Paternotte en motie Ceder4, heeft het kabinet zowel bilateraal als in EU-verband Turkije opgeroepen tot een einde aan aanvallen in Noord-Syrië. Zowel NL als de EU benadrukken richting HTS het belang van de bescherming van de diverse gemeenschappen, onder wie christenen en Koerden. Het kabinet is niet bekend met recente aanvallen op de SDF door HTS.
Herinnert u zich dat u HTS als extremistisch beschouwde? Wat waren daarvan de redenen en hoe beschouwt u HTS op dit moment?
HTS is in 2017 ontstaan als fusie tussen verschillende gewapende groepen, waar Jabhat Fatah al-Sham de belangrijkste van was. Jabhat Fatah al-Sham was op haar beurt in 2016 ontstaan uit een fusie van groepen waar Jabhat al-Nusra de belangrijkste van was. Jabhat-al-Nusra fungeerde tot 2016 als de Syrische tak van Al-Qaeda en stond destijds al onder leiding stond van Ahmed al Sharaa (toen bekend onder zijn strijdnaam Al-Jolani), de huidige leider van HTS. HTS staat (onder meer) op de VN ISIS/Al-Qaida sanctielijst, deze listing is door de EU overgenomen. Daarmee ziet ook Nederland HTS als een terroristische organisatie.
Naast de fusies en naamswijzigingen zou er volgens berichten echter ook een gedragswijziging plaatsgevonden hebben bij HTS. Het heeft de banden met Al-Qaeda al enige jaren geleden publiekelijk verbroken. Het heeft bovendien al vanaf het begin een Syrische, en geen internationale, agenda nagestreefd. Dat betekende onder meer dat de organisatie in tegenstelling tot bijvoorbeeld kern-Al Qa’ida of ISIS nooit een extern aanslagprogramma heeft gehad dat gericht was op het plegen van terroristische aanslagen in Europa.
In Idlib zou HTS, na haar machtsovername daar in 2017/2018, een minder radicaal beleid hebben gevoerd dan Al Qa’ida of ISIS. Zo zou het in vergelijking met deze organisaties gemeenschappen, zoals christenen, beter hebben behandeld. Sinds de inname van Damascus roept Al-Sharaa op tot de bescherming van gemeenschappen en minderheden (zoals druzen, christenen en Koerden) en lijkt HTS zich daar tot nu toe ook voor in te zetten.
De komende periode is het van belang om te bezien of HTS een gematigde opstelling waarmaakt. Nederland zal dit kritisch blijven bezien. Alleen als een gematigder opstelling van HTS zich in daden toont, zal dat aanleiding kunnen zijn tot het heroverwegen van de listing. Gesprekken hierover moeten plaatsvinden in VN- en EU- verband. Het kabinet zal de situatie naar vermogen blijven monitoren, en HTS op zijn daden beoordelen.
Verliest iedereen die voor HTS vecht of gevochten heeft, het Nederlanderschap conform artikel 14, lid 4, Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals u eerder antwoordde op Kamervragen?3
Het kabinet kijkt bij alle uitreizigers naar mogelijkheden om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, ter bescherming van de nationale veiligheid. De Staatssecretaris van Rechtsbescherming, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Asiel en Migratie beoordelen per individueel geval of het Nederlanderschap van een persoon wordt ingetrokken en of dit gepaard gaat met een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring. Hierbij dient in ieder geval sprake te zijn van een meervoudige nationaliteit.
Artikel 14, vierde lid, RWN bepaalt dat het Nederlanderschap, in het belang van de nationale veiligheid, kan worden ingetrokken van personen die zich in het buitenland hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Hierbij moet er sprake zijn van één van de organisaties op de lijst zoals bedoeld in dit artikel: 1. Al Qa’ida en organisaties die gelieerd zijn aan al Qa’ida, 2. Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) en organisaties die gelieerd zijn aan ISIS en 3. Hay’at Tahrir al-Sham (HTS) en organisaties die gelieerd zijn aan HTS. Daarnaast geldt dat de persoon 18 jaar of ouder is en de gedragingen moeten ten minste op of na 11 maart 2017 hebben plaatsgevonden of voortgeduurd. De bevoegdheid tot het intrekken van het Nederlanderschap is per 1 maart 2022 voor de duur van 5 jaar verlengd, tot 1 maart 2027.
Ook kan het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN indien er sprake is van een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf (als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht). Dit gaat vaak gepaard met een zwaar inreisverbod.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het beboeten van supermarkten vanwege te veel ongezond voedsel |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV), Beljaarts , Eelco Heinen (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het bericht over het beboeten van supermarkten voor te veel ongezond voedsel en het advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) om dit te doen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de RVS waarschuwt voor een groeiend aantal mensen met overgewicht? Vindt u dat supermarketen en de voedingsindustrie hierin een deel van de verantwoordelijkheid dragen?
Ik herken de problematiek van een groeiend aantal mensen met overgewicht en ben het eens met de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving dat supermarkten, vanwege de spilfunctie die zij hebben in onze dagelijkse voeding, een verantwoordelijkheid hebben, om de gezonde keuze makkelijker te maken.
Supermarkten hebben veel invloed op wat mensen eten en ze kunnen gezonde keuzes makkelijker maken voor hen. De verhouding van ongezonde en gezonde producten in de winkel is sturend en ook aanbiedingen en reclames voor ongezonde producten beïnvloeden consumenten. De consument kiest uiteindelijk zelf wat hij koopt en eet, maar deze keuze wordt (onbewust) zeer sterk beïnvloed door de inrichting en het aanbod van supermarkten.
Gezien de toenemende problematiek van het groeiend aantal mensen met overgewicht en of een ongezond voedingspatroon en ziektes die hierdoor veroorzaakt of verergerd worden, is het zaak dat supermarkten maatregelen nemen om hun aanbod en verkoop van gezonde producten te vergroten.
CBL en supermarkten geven aan te zien dat zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om gezonde voeding een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven te maken en de verkopen meer in lijn te brengen met de «Schijf van Vijf». Ik zie dit als een mooi uitgangspunt om concrete afspraken te gaan maken met supermarkten over een betere balans in de verkoopverhouding gezond-ongezond.
Wist u dat 79 procent van het aanbod in de supermarkt buiten de schijf van 5 valt en dit aanbod vaak ook ultra bewerkt voedsel is? Kunt u een overzicht geven van de bestuurlijke, juridische en politieke middelen die er zijn om dit terug te dringen?
Ik weet op basis van het in opdracht van VWS uitgevoerde onderzoek van de WUR dat circa 80% van het aanbod in supermarkten bestaat uit producten buiten de Schijf van Vijf2.
Mijn streven is dat gezond voedsel de norm wordt. Dit is nodig om de doelstelling van dit kabinet voor een gezonde generatie in 2040 te halen. Dit vergt een gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen om de voedselomgeving te veranderen en ongezonde keuzes minder vanzelfsprekend te maken.
Zoals aangegeven in mijn antwoord bij vraag 2 wil ik concrete afspraken maken met supermarkten over het verkoopaandeel gezonde producten. Ik wil hiermee de afspraken versterken die in 2018 in het Nationaal Preventieakkoord zijn gemaakt, maar tot nog toe onvoldoende resultaat hebben gehad.
Daarnaast ga ik het verkoopaandeel gezonde producten van supermarkten monitoren en publiceren zodat er beter zicht ontstaat op de voortgang en partijen hierop indien nodig aangesproken kunnen worden.
Ook juridische maatregelen sluit ik niet uit. Hierbij is de uitdaging een maatregel zo te formuleren dat dit past binnen bestaande wetgeving met betrekking tot onder andere vrij verkeer van goederen en diensten en mededinging.
Wat vindt u er van dat 80 procent van de uitgaven aan reclame voor voedsel wordt uitgegeven aan reclames voor ongezonde voeding?2 Wat gaat u hieraan doen?
Vanzelfsprekend zou ik dit liever anders zien, namelijk dat deze uitgaven naar reclames voor gezonde voeding gaan. De wetgeving, waar ik op dit moment aan werk, om het verbod op marketing van ongezonde producten gericht op kinderen mogelijk te maken, zie ik als een belangrijke stap. Kinderen zijn namelijk extra gevoelig voor de verleiding van ongezond eten omdat het brein nog niet volledig is ontwikkeld. Hierdoor kunnen zij moeilijker weerstand bieden. Voor een algemeen reclameverbod op ongezonde producten ervaar ik echter geen draagvlak.
Welke middelen zijn er om reclame voor ongezonde voeding te verbieden? Kunt u een overzicht sturen van de landen die al volledige of gedeeltelijke verboden op reclame voor ongezonde voeding hebben ingevoerd?
Op dit moment vindt in Nederland de regulering van reclame voor voedingsmiddelen plaats via de Reclamecode voor Voedingsmiddelen, een vorm van zelfregulering. Om kinderen nog beter te beschermen bereid ik op dit moment wetgeving voor op het gebied van marketing gericht op kinderen van ongezonde voedingsmiddelen. Binnen en buiten Europa zijn er enkele landen die beperkingen
op reclame van ongezonde voeding wettelijk hebben ingevoerd, zoals Chili, Portugal en Engeland. De WHO rapporteert regelmatig over dit onderwerp met voorbeelden uit verschillende landen4. Er is mij geen volledig overzicht bekend van de landen met verboden op reclame voor ongezonde voeding.
Deelt u de mening van de RVS dat de situatie nu zo ernstig is dat de overheid verbeteringen moet afdwingen met financiële prikkels?
Ik deel de mening van de RVS dat de situatie die is ontstaan door ongezonde voeding ernstig is. Er is een groeiend aantal mensen met ziekten of overgewicht (mede) ten gevolge van ongezonde voeding.
In 2023 had 11,3% van de 4 tot 12 jarigen en 14,3% van de 12–18 jarigen overgewicht. Uit de nieuwste Volksgezondheid Toekomstverkenning (VTV) van het RIVM blijkt dat overgewicht het snelst toeneemt onder jongvolwassenen en dat mensen ook steeds jonger zijn wanneer overgewicht ontstaat.5 Dit kost gezonde levensjaren en leidt ook tot meer sterfte.
Het RIVM heeft berekend dat zonder extra maatregelen het percentage inwoners van Nederland met overgewicht zal oplopen tot 64 procent in 2050. Dit is zorgelijk, zeker omdat onder jongvolwassenen het overgewicht het snelste zal toenemen in de toekomst. Dit heeft grote persoonlijke en maatschappelijke consequenties.
Om de doelen voor een gezonde generatie in 2040 op het gebied van overgewicht te behalen is een lange adem en een samenhangende, effectieve aanpak nodig. Deze aanpak vraagt een combinatie van maatregelen, waar ook financiële prikkels onderdeel van zullen uitmaken.
Voor wat betreft het stimuleren van de gezonde keuze door supermarkten zet ik eerst in om op korte termijn concrete afspraken te maken en doelstellingen af te spreken met de supermarkten over de verkoopverhouding gezond/ongezonde producten.
Zoals aangegeven bij de aanbieding van het rapport van de RVS aan Uw Kamer zal ik nog met een inhoudelijke reactie komen op de aanbevelingen uit het rapport. Ten aanzien van de aanbeveling om een bonus-malussysteem voor supermarkten in te voeren ben ik terughoudend over de haalbaarheid ervan. Met name omdat een dergelijke regeling moet passen binnen de regels die gelden op het vlak van onder meer mededinging, staatssteun, de Europese dienstenrichtlijn en fiscale regelgeving. Ook voorzie ik een toename van regeldruk.
Omdat het keuzegedrag van consumenten ook wordt beïnvloed door de prijs, beraadt het kabinet zich momenteel op de omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken met een vlak tarief dat voor alle dranken hetzelfde is, naar een gedifferentieerde belasting op basis van het suikergehalte van de drank. Onder een gedifferentieerde belasting geldt dat alcoholvrije dranken die veel suiker bevatten lager belast worden en alcoholvrije dranken die minder suiker bevatten hoger belast worden.
Welke mogelijkheden zijn er om de productie van ongezond voedsel te normeren? Wat is uw standpunt ten opzichte van deze mogelijkheden?
Eén van de pijlers van het voedingsbeleid is gericht op het verbeteren van de samenstelling van bewerkte producten: minder zout, suiker en verzadigd vet en het verhogen van het vezelgehalte. Dit wordt ondersteund door de Nationale Aanpak Productverbetering (NAPV) dat onder regie van VWS wordt uitgevoerd. Doelstelling hiervan is dat in 2030 over de gehele breedte van productgroepen én in alle kanalen (naast supermarkten, ook out-of-home) verbetering is gerealiseerd in de samenstelling van bewerkte producten.
Verplichtende nationale voorschriften voor de samenstelling van voeding ter bevordering van de gezondheid zullen in lijn moeten zijn met het EU-recht. Voor het uitwerken van nationale voorschriften voor productverbetering binnen de Europese wettelijke kaders is advies gevraagd aan de landsadvocaat.6 Uit het advies blijkt dat als er maximumgehaltes voor zout, suiker en/of verzadigd vet worden vastgesteld, deze voorschriften, die het vrije verkeer beperken, enkel gerechtvaardigd zijn als ze geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om de volksgezondheid te beschermen. Een alternatieve optie is om in te zetten op geharmoniseerde Europese wetgeving. Van een dergelijke harmonisatie is op dit moment (vooralsnog) geen sprake.
Hoe gaat u striktere regelgeving inzetten om aanbod van ongezond voedsel in supermarkten tegen te gaan, zoals de RVS vraagt?
Het keuzegedrag van consumenten wordt beïnvloed door het aanbod, prijs en marketing. Om effectief preventiebeleid te voeren op voeding, zal aan al deze onderwerpen gewerkt moeten worden met een breed pakket aan wettelijke en niet-wettelijke maatregelen.
Dit voorjaar komt het kabinet met een nieuwe, samenhangende, effectieve preventiestrategie, waarbinnen ook (wettelijke) maatregelen op het gebied van het stimuleren van gezond eten een plek krijgen.
Eén van de prijsmaatregelen die het kabinet momenteel in overweging heeft, is het invoeren van een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Daarnaast bereid ik regelgeving voor om kindermarketing te beperken.
Met betrekking tot meer aanbod en verkoop van gezonde producten zet ik in om op korte termijn concrete afspraken en doelstellingen met de supermarkten af te spreken over de verkoopverhouding gezonde/ongezonde producten.
Hoe reageert u op de stelling dat supermarkten veel te veel inzetten op winstmaximalisatie en daardoor ongezond voedsel blijven aanbieden?3
Supermarkten zijn bedrijven met vanzelfsprekend commerciële belangen. In de supermarktbranche speelt prijsconcurrentie een grote rol. Tegelijkertijd zie ik dat gezondheid een thema is waar supermarkten zich aan verbinden en doelen voor stellen net zoals voor andere maatschappelijke thema’s zoals de eiwittransitie en duurzaamheid waarover ze verplicht moeten rapporteren volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive.
Concreet heeft de meerderheid van de supermarkten (Aldi, Dirk, Ekoplaza en Jumbo en Lidl) in 2023 een doelstelling op het vergroten van het aandeel Schijf van Vijf in de verkoop8. Daarnaast werken supermarkten vanuit hun gezondheidsbeleid aan de Nationale Aanpak Productverbetering en hebben ze Nutri-Score ingevoerd. Ik zie supermarkten daarmee als een belangrijke maatschappelijke partner voor mijn beleid om de gezonde keuze te stimuleren. Ik waardeer deze positieve houding van de supermarkten en ik denk dat hiermee een goede basis bestaat om verdergaande afspraken te maken over een betere verkoopverhouding gezond/ongezond.
Heeft u kennis genomen van de uitingen van supermarktbrancheorganisatie CBL die erkent dat het voedselaanbod gezonder moet? Wat gaat u doen om te dwingen om deze mooie woorden in daden om te zetten?4
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat vindt u van het idee om gezond voedsel goedkoper te maken omdat de huidige prijs hiervan voorkomt dat mensen gezondere keuzes kunnen maken?5 Welke rol ligt hier voor de overheid volgens u?
Prijs is één van de factoren die invloed heeft op de voedingskeuzes die we maken. Naast prijs spelen promotie, plaatsing in de winkel en het product dat aangeboden wordt een rol. Onze voedselomgeving, waarin we verleid worden tot het maken van ongezonde keuzes, is van grote invloed. Om effectief preventiebeleid te voeren op ongezonde voeding, zal aan al deze onderwerpen gewerkt moeten worden met een breed pakket aan maatregelen. Dit voorjaar komt het kabinet met een nieuwe, samenhangende, effectieve preventiestrategie waarbinnen ook maatregelen op het gebied van het stimuleren van gezond eten een plek krijgen. Zoals hierboven ook aangegeven heeft het kabinet momenteel in overweging om de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken om te zetten naar een gedifferentieerde belasting op basis van het suikergehalte van de drank, waardoor dranken met meer suiker zwaarder belast zullen worden dan dranken met weinig suiker.
Kunt u een overzicht sturen in tabelvorm van de prijsstijgingen van gezonde producten in de schijf van vijf en van ongezonde producten voor de afgelopen vijf jaar per jaar?
Ik beschik niet over een dergelijk overzicht van de afgelopen vijf jaar. Wel heeft het CBS een uitgebreide analyse gemaakt van de prijsontwikkeling van gezondere en ongezondere voedingsmiddelen in de periode tussen 2010 en 2020.11 Voor de categorisering van producten is gebruik gemaakt van de kennis van het Voedingscentrum. Deze prijsontwikkeling van dranken en voedingsmiddelen staat weergegeven in onderstaande grafiek. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens van het CBS (Prijsontwikkeling van gezondere en ongezondere voedingsmiddelen, 2010-2020 | CBS). Daar is ook een tabel te vinden met de prijsindex van gezonde en ongezondere producten.
Wat zou het kosten om de btw op alle gezonde producten in de schijf van vijf af te schaffen?
Het is niet mogelijk om een exacte berekening te maken van de kosten van het verlagen van het btw-tarief op gezonde producten in de Schijf van Vijf. Dit komt doordat op dit moment niet op het detailniveau van de Schijf van Vijf data zijn over hoeveel er van welk product geconsumeerd wordt. Bovendien stuit een afbakening die aansluit bij de Schijf van Vijf zeer waarschijnlijk op het fiscale neutraliteitsbeginsel waardoor een onbekend aantal producten die niet in de Schijf van Vijf vallen ook binnen de reikwijdte worden getrokken. Hiermee is een dergelijke afbakening slecht juridisch houdbaar en moeilijk uitvoerbaar.
In de tabel hieronder wordt voor een aantal overkoepelende categorieën de kosten van het verlagen van de btw-tarieven weergegeven.
Totaal voedingsmiddelen en dranken
6.728
Aardappelen, groenten en fruit
1.474
Vlees en vleesproducten
1.196
Vis
214
Zuivel, eieren, oliën en vetten
947
Brood, broodproducten, koekjes, gebak en banket
970
Kruidenierswaren
1.622
Alcoholvrije dranken
305
Deelt u de mening dat de btw op gezonde voeding zou moeten worden afgeschaft?
Nee die mening deel ik niet. In 2023 heeft SEO een onderzoeksrapport opgeleverd over mogelijke afbakeningsvarianten voor een btw-nultarief op groente en fruit. Hieruit blijkt dat de btw ten principale een ongeschikt instrument is om de consumptie van groente en fruit te stimuleren. Alle afbakeningsvarianten, waaronder de varianten die aanhaken bij de term onbewerkte groente en fruit, scoren slecht op juridische houdbaarheid, doelmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid. Gezonde voeding is niet beter af te bakenen dan groente en fruit. Een btw-nultarief op gezonde voeding zal dan ook slecht scoren op juridische houdbaarheid, doelmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid. Invoering van deze maatregel is bovendien zeer kostbaar; het invoeren van een btw-nultarief op gezonde voeding zou leiden tot een derving van enkele miljarden per jaar. Het kabinet heeft daarom op dit moment geen voornemen om een btw-nultarief op gezonde voeding in te voeren.
Weigering door Algerijnse ambassade om door rechter toegewezen ontslagvergoeding te betalen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() |
Klopt het dat u van mening bent dat u helemaal niets kunt doen voor een voormalig medewerker van de Algerijnse ambassade in Nederland, aan wie die ambassade weigert een door een Nederlandse rechter toegewezen ontslagvergoeding ad € 140.000 te betalen1?
Op een paar uitzonderingen na, is een Nederlandse rechter gemachtigd om uitspraken te doen volgens het Nederlandse arbeidsrecht over zaken die lokaal personeel van buitenlandse ambassades in Nederland aangaan.2 In verreweg de meeste gevallen wordt het Nederlandse arbeidsrecht door de vreemde staat gerespecteerd. Er zijn helaas uitzonderingen waarbij vreemde staten deze rechterlijke uitspraken niet opvolgen. De Nederlandse staat is zelf geen partij bij arbeidsgeschillen tussen lokale werknemers en buitenlandse ambassades. Dat neemt niet weg dat het ministerie het belangrijk vindt dat uitspraken van de Nederlandse rechter worden nageleefd. In de brief van 23 december 2022 heeft toenmalig Minister Hoekstra de Tweede Kamer geïnformeerd over het juridisch kader en diplomatieke stappen die mijn ministerie onderneemt bij deze arbeidsgeschillen. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar deze brief.3
Het ministerie heeft de ontvangen klacht van de voormalig medewerker van de Algerijnse ambassade over niet-naleving van de uitspraak van de Nederlandse rechter door de Algerijnse autoriteiten zonder meer serieus genomen. Dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, volgt uit de intensieve inspanningen om langs diplomatieke weg naar oplossingen te zoeken.
Daarbij verwijs ik u naar het verslag van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven over het verzoekschrift van dhr. K. inzake een klacht over het handelen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat op 21 november 2024 is gepubliceerd.4 In dit verslag staan de inspanningen van het ministerie beschreven.
De commissie heeft geoordeeld dat het ministerie de zaak van betrokkene serieus heeft behandeld. De commissie ziet geen aanleiding om op dit punt een voorstel aan de Kamer te doen. De commissie heeft het verslag doorgestuurd naar de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken.
Hoe beoordeelt u het dat de Algerijnse ambassadeur zijn houding toelicht met «ik doe wat ik wil in Nederland» en er in ieder geval blijk van geeft geen boodschap te hebben aan een uitspraak van de Nederlandse rechter?
Ik betreur het ten zeerste dat de Algerijnse autoriteiten ondanks herhaaldelijke verzoeken van het ministerie het vonnis van de Nederlandse rechter niet naleven.
Heeft u de ambassadeur op het matje geroepen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is er van Algerijnse zijde enige inhoudelijke uitleg gegeven waarom de uitspraak van de Nederlandse rechter wordt genegeerd? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Als bemiddelende partij tussen de voormalig medewerker van de Algerijnse ambassade en de autoriteiten van Algerije heeft het ministerie zowel schriftelijk als in gesprekken meermaals aandacht gevraagd voor deze zaak bij de autoriteiten in Algerije en bij de Algerijnse ambassade in Nederland. De contacten vonden plaats op hoog ambtelijk niveau. In aanvulling daarop heeft toenmalig Minister Hoekstra de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken op 17 juli 2023 persoonlijk per brief om aandacht gevraagd voor de zaak van betrokkene. In deze brief is gewezen op het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer waarin is vastgelegd dat diplomatieke missies de wet- en regelgeving van het gastland moeten respecteren. Specifiek is benoemd dat hieronder ook uitspraken van de Nederlandse rechter vallen in arbeidsgeschillen met lokale werknemers, zoals het vonnis van het gerechtshof van 5 juli 2022. Het belang dat Nederland hecht aan het respecteren en naleven van het vonnis van de Nederlandse rechter is daarbij benadrukt.
Ondanks herhaaldelijke verzoeken, is er door ons ministerie geen schriftelijke reactie ontvangen op deze brief. Wel kan uit een mondelinge reactie van de Algerijnse autoriteiten op de brief worden opgemaakt dat niet wordt overwogen over te gaan tot betaling. Daarbij is geen inhoudelijke uitleg gegeven. Hiermee is na twee jaar een einde gekomen aan de bemiddelende rol die het ministerie op zich heeft genomen.
Vindt u het gepast dat Nederlandse ambtenaren of bewindspersonen na zo'n Algerijnse middelvinger nog feestjes of recepties van de Algerijnse ambassade bezoeken? Zo neen, wilt u dan in het kabinet bespreken om daarvan af te zien?
Nederland en Algerije onderhouden diplomatieke betrekkingen. Als onderdeel van die betrekkingen vinden ook contactmomenten tussen de diplomatieke vertegenwoordiging en het Ministerie van Buitenlandse Zaken plaats. Dergelijke gelegenheden worden ook gebruikt om kwesties als de onderhavige op te brengen.
Zijn er andere mogelijkheden om druk op deze zaak te zetten?
Ik ben mij zeer bewust van de financiële en persoonlijke gevolgen die de afwikkeling van arbeidsgeschillen kunnen hebben. Ik merk hierbij op dat het niet aan Nederland, maar aan Algerije is, om het vonnis na te leven. Nederland kan hierin uitsluitend een rol spelen als bemiddelende partij en heeft deze rol ook op zich genomen. In alle gevallen moet rekening worden gehouden met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Daarin staat weliswaar dat de wetten en regelingen van de ontvangende staat moeten worden gerespecteerd, maar tegelijkertijd genieten vreemde staten en hun ambassades immuniteit van executie waardoor de naleving van nationale vonnissen niet kan worden afgedwongen. De Algerijnse autoriteiten overwegen niet om over te gaan tot betaling. Hiermee is na twee jaar een einde gekomen aan de bemiddelende rol die het ministerie op zich heeft genomen. Uit het artikel van Omroep West maak ik op dat door betrokkene wordt overwogen om de nationale rechtsmiddelen uit te putten door beslaglegging om zo te komen tot tenuitvoerlegging van de nationale uitspraak.
De online surveillance van Bunq |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Eelco Heinen (VVD), Judith Uitermark (NSC) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Bunq ondervraagt klant via bankapp na onlinekritiek»?1, 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het Financieele Dagblad schreef dat Bunq klanten via haar bankapp zou hebben benaderd en zou hebben gedreigd met beëindiging van de klantrelatie nadat deze klanten online kritiek hadden geuit over de bank. Voor de beantwoording van deze Kamervragen heb ik contact opgenomen met Bunq. De bank zegt contact op te nemen met klanten met als doel om haar dienstverlening te verbeteren. Daarbij is Bunq niet actief op zoek naar klanten die zich negatief uitlaten online over de bank. Bunq geeft aan dat het de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd. De klanten die in het artikel van het Financieele Dagblad worden genoemd, zijn nog klanten bij Bunq.
In het algemeen geldt dat bankgegevens, zoals de naam van de cliënt, bankrekeningnummer en transactiegegevens, worden beschouwd als persoonsgegevens en vallen dus onder de privacywetgeving: de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in combinatie met de Nederlandse Uitvoeringswet AVG (UAVG). Voor het verwerken van deze persoonsgegevens is een grondslag vereist. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is de toezichthouder op naleving van de (U)AVG.
Was u op de hoogte van deze signalen? Zo ja, hoe lang waren de signalen al bij u of betrokken toezichthouders bekend?
Nee, ik heb bij de publicatie van het artikel in het Financieel Dagblad voor het eerst kennisgenomen van deze berichten. De Nederlandsche Bank (DNB) is in dit geval de relevante financiële toezichthouder. DNB is over individuele instellingen geheimhouding verschuldigd. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft hier een rol. De AP kan op grond van klachten of uit eigen beweging onderzoek doen naar mogelijke overtredingen van de privacywetgeving, waaronder oneigenlijk gebruik van bankgegevens. Ik heb van de AP hier geen signalen over ontvangen.
Heeft u contact gehad met Bunq naar aanleiding van dit bericht? Zo ja, met welke boodschap zocht u contact? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen ben ik in gesprek gegaan met Bunq. In het algemeen geeft Bunq aan dat zij dagelijks in contact staat met haar klanten om naar hun feedback en ervaringen te luisteren en dat veiligheid en privacy altijd voorop staan. Verder geeft Bunq aan dat de bank de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd. Voorts heeft Bunq aangegeven dat zij klanten benadert die op sociale media en fora berichten over de bank plaatsen, zodat zij haar dienstverlening kan verbeteren.
Zijn er naar aanleiding van dit bericht en eerdere berichten over misstanden bij Bunq aanscherpingen geweest in het toezicht op deze bank? Is het u bekend of Bunq sindsdien interne procedures en toezicht heeft ingericht om dit soort praktijken te voorkomen?
Het is aan de AP om handhavend op te treden ten aanzien van de correcte naleving van de (U)AVG. Daarnaast zijn er verschillende wetten, waaronder de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet 1977 (Sw) die het wettelijk kader aangeven waar banken zich aan moeten houden en waar DNB toezicht op houdt. DNB is geheimhouding verschuldigd over vertrouwelijke gegevens die zij in het kader van haar toezichttaak ontvangt en verwerkt. Over specifieke instellingen kan DNB daarom geen uitspraken doen. DNB hanteert in haar toezicht een risicogebaseerde aanpak en betrekt onder meer incidentmeldingen en andere signalen bij haar prioriteitstelling. Als DNB vaststelt dat een instelling de desbetreffende wetgeving onvoldoende naleeft, kan DNB maatregelen nemen, waaronder handhavende maatregelen.
Bent u van mening dat Bunq een juiste afweging gemaakt tussen de privacy van haar klanten en het eigen economische belang als zij dreigt om de relatie met een klant te beëindigen als negatieve uitingen online niet worden verwijderd?
Bij navraag laat Bunq weten dat zij de genoemde klanten niet heeft bedreigd met beëindiging van de klantrelatie en de klantrelatie ook niet heeft beëindigd.
Bent u het met de indieners eens dat een bank onder geen enkele voorwaarden haar klanten onder druk mag zetten om zich op een bepaalde manier in het openbaar te uiten?
Ja, daar ben ik het mee eens.
Kunt u bevestigen of Bunq daadwerkelijk klantrelaties heeft beëindigd nadat klanten kritiek hebben geuit? Hoe beoordeelt u dit in het licht van de afhankelijkheidsrelatie die een klant heeft tot zijn of haar bank?
Bij navraag laat Bunq weten dat het uiten van kritiek geen grond is om de klantrelatie te beëindigen. Volgens Bunq zijn er geen klantrelaties beëindigd vanwege het uiten van kritiek.
Op welke gronden mag een bank haar relatie met een klant beëindigen? Welke bescherming geniet de klant bij een eenzijdige beëindiging van het contact aan de kant van de bank?
Beide partijen, zowel de bank als de klant, hebben het recht om de relatie te beëindigen. De gronden waarop een bank een klantrelatie kan beëindigen zijn wanneer een witwasrisico niet gemitigeerd kan worden of het cliëntonderzoek niet voltooid kan worden.3 Daarnaast kan de bank in kwestie opzeggingsgronden geformuleerd hebben in de algemene voorwaarden, zoals wanneer een betaalrekening van een particulier gebruikt wordt voor zakelijke doeleinden. In al deze gevallen hebben banken een algemene zorgplicht tegenover hun klanten, indien zij de rekening willen opzeggen. Dit betekent dat de bank op zorgvuldige wijze de belangen van de klant in acht moet nemen. Daarnaast mag de bank een klantrelatie niet beëindigen wanneer dit tot onaanvaardbare gevolgen leidt.
Wanneer een particuliere klant een klacht heeft over het handelen van een bank, kan de klant, na het doorlopen van de interne klachtprocedure van de bank, terecht bij Het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Daarnaast kan een klant naar de civiele rechter stappen.
In welke wet- en regelgeving is vastgelegd hoe banken wel en niet om mogen gaan met klantgegevens? Zijn consumenten wettelijk beschermd van dit soort wanpraktijken? Zo ja, hoe wordt erop toegezien dat banken dit naleven?
Zoals in de beantwoording bij vraag 2 is aangegeven, worden bankgegevens beschouwd als persoonsgegevens en zij vallen dus onder de privacywetgeving: de AVG in combinatie met de UAVG. Voor het verwerken van deze persoonsgegevens is een geldige grondslag vereist. De AP is de primaire toezichthouder op naleving van de (U)AVG. De AP kan op grond van klachten of uit eigen beweging onderzoek doen naar mogelijke overtredingen van de privacywetgeving. Het online uiten van kritiek op een bank is geen geldige grondslag voor het verwerken van klantgegevens.
Heeft Bunq beleid om te mogen achterhalen welke gebruikers negatieve uitingen doen over de bank? Zo ja, vindt u dit terecht en worden klanten hier voldoende van op de hoogte gebracht?
Bunq heeft aangegeven dat zij online sociale media en fora in de gaten houdt om de veiligheid van klanten te bevorderen. Ook zegt Bunq te reageren op online uitingen om te achterhalen hoe zij haar dienstverlening kan verbeteren.
Bunq kijkt daarom naar openbare online content, maar geeft aan niet specifiek te zoeken naar negatieve reacties.
Is het toegestaan dat Bunq klantgegevens, zoals gebruikersnamen, koppelt aan informatie verkregen op andere platforms, ook als dit eigen (anonieme) meningen betreft?
Het online uiten van kritiek op een bank is geen geldige grondslag voor het verwerken van klantgegevens.
Bent u bereid om de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandse Bank (DNB), in navolging van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), te vragen om deze situatie te onderzoeken?
De AFM en DNB zijn zelfstandige bestuursorganen en functioneren als onafhankelijke toezichthouders. Ik kan de toezichthouders daarom niet vragen om een specifieke situatie te onderzoeken. De toezichthouders maken zelf de afweging wat onderzocht dient te worden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo afzonderlijk van elkaar, zo spoedig en volledig als mogelijk beantwoord. Vanwege de vragen aan Bunq en de toezichthouders heeft de beantwoording wat langer geduurd.
De extra bezuinigingen op SZW als gevolg van de ‘onderwijsdeal’ |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat als gevolg van de zogeheten «onderwijsdeal» 34 miljoen euro extra wordt bezuinigd op de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
Ja dat klopt.
Op welke manier wordt invulling gegeven aan deze bezuinigingen?
Op welke manier invulling wordt gegeven aan de extra taakstelling, is op dit moment nog niet duidelijk. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van verschillende opties voor deze invulling. Zodra besloten is over de invulling wordt de kamer zo snel mogelijk hierover geïnformeerd, waarschijnlijk bij voorjaarsnota.
Welk aandeel van de bezuinigingen slaat neer op uitvoeringsinstanties?
Uw Kamer heeft er in het Amendement Bontenbal c.s. voor gekozen om de SZW-uitvoeringsorganisaties (UWV en SVB) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) mee te nemen in de grondslag voor de bezuiniging die bij SZW terechtkomt. Het overgrote deel van de gebruikte grondslag hangt samen met deze uitvoeringsorganisaties. Daardoor is de extra taakstelling voor SZW groter ten opzichte van de extra taakstelling van andere departementen. Op dit moment wordt gewerkt aan de invulling van deze extra taakstelling, waarbij het belang van de uitvoering zwaar meeweegt. Bij dit gesprek zijn de uitvoeringsinstanties betrokken. In hoeverre de extra taakstelling ook bij de uitvoeringsorganisaties en NLA terechtkomt, is dus nog niet besloten.
Hoeveel wordt bezuinigd op de Nederlandse Arbeidsinspectie, Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Betekenen deze bezuinigen een vermindering van het aantal fte? Zo ja, hoeveel?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt dit zich tot het voornemen uit het Hoofdlijnenakkoord om uitvoeringsinstanties te ontzien?
In de grondslag van deze extra taakstelling zijn, in tegenstelling tot de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord, de uitvoeringsinstanties UWV en SVB wel meegenomen. Het is nog niet duidelijk hoe de uiteindelijke invulling van deze extra taakstelling zich verhoudt tot het voornemen uit het HLA. De uitgangspunten van het HLA en het belang van de uitvoering wegen zwaar mee in dit besluit.
Hoe verhoudt deze voorgenomen bezuiniging zich tot de door u uitgesproken wens om de Nederlandse Arbeidsinspectie te versterken?
Het is mijn wens om de Nederlandse Arbeidsinspectie te versterken. Recent heb ik in een kamerbief aangekondigd de handhavingscapaciteit te versterken. Deze wens weegt ook mee in de keuze voor invulling van deze extra taakstelling.
Welke gevolgen gaan de bezuinigingen hebben voor de hersteloperaties van het UWV?
De hersteloperatie van het UWV heeft, zoals u weet, mijn volle aandacht. Welke gevolgen deze extra taakstelling heeft voor het UWV, is op dit moment nog niet duidelijk. Ook het belang van de hersteloperatie wordt meegewogen bij het invullen van de extra taakstelling.
Private financiële middelen met betrekking tot een energiefonds |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Nobel |
|
![]() ![]() ![]() |
Kunt u aangeven waarom het niet is gelukt om voldoende private financiële middelen beschikbaar gesteld te krijgen?1
Voor het kerstreces werd er onvoldoende aan de juridische en financiële voorwaarden voldaan om over te gaan tot een subsidieverstrekking voor een energiefonds. Er is na het kerstreces opnieuw met de energiesector overlegd. Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn alle partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen. Dat fonds ondersteunt huishoudens met een laag (midden) inkomen en een hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening, gekoppeld aan verduurzaming.
Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. Een van de punten die nader wordt uitgewerkt, is de bijdrage vanuit de energiesector in brede zin ten behoeve van de uitvoeringskosten voor het energiefonds. Diverse energieleveranciers2 zijn reeds bereid om (opnieuw) een financiële bijdrage beschikbaar te stellen, waar wij hen erkentelijk voor zijn. Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatsteun te mitigeren. Hiervan is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een dergelijke procedure kent een lange doorlooptijd.
Bij een constructie zoals bij het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2023 en 2024 is het randvoorwaardelijk dat andere partijen, anders dan het Rijk, ook financieel bijdragen tot meer dan één derde van de totale som. Dit bleek niet haalbaar. Daarbij is ook bezien of het mogelijk was om te komen tot een fonds met een lagere totale inleg. Daarbij moest geconstateerd worden dat daarmee de uitvoeringskosten van het fonds niet in verhouding stonden tot het aantal huishoudens dat met het resterende bedrag geholpen kon worden. Daarnaast bestaat het risico dat het fonds dan zeer snel de deuren weer zou moeten sluiten en veel huishoudens niet geholpen worden. Er is uiteindelijk besloten om de inleg van het Rijk meer dan twee derde van de totale inleg te laten zijn, zodat het toch mogelijk is om zoveel mogelijk huishoudens te helpen op de energierekening via het energiefonds en daarmee tot dit positieve besluit te kunnen komen. Dit belang weegt voor ons zwaarder dan het mogelijke risico van het creëren van een buitenwettelijk bestuursorgaan.
Met de stap om tot een energiefonds in 2025 te komen, wordt niet alleen ingezet op het kunnen blijven geven van inkomenssteun nu, maar wordt ook toegewerkt naar een meer structurele aanpak van energiearmoede door compensatie van hoge energierekeningen in combinatie met verduurzamingsmaatregelen die leiden tot structureel lagere energielasten voor huishoudens.
Vanaf 2026 staat Social Climate Fund (SCF) ter beschikking voor het opvangen van de effecten van het emissiehandelssysteem voor CO2-emissies van de gebouwde omgeving en transport (ETS2) voor kwetsbare huishoudens en micro-bedrijven. Om aanspraak te maken op deze middelen moet Nederland vóór juli 2025 een Sociaal Klimaatplan indienen bij de Europese Commissie.
Eind november heeft het kabinet zich gebogen over de voorstellen die door diverse departementen zijn ingediend ten behoeve van het SCF. Het kabinet heeft besloten om alle voorstellen in consultatie te brengen bij relevante stakeholders en de Tweede Kamer. Daarna wordt besloten welk voorstel ingediend wordt bij de Europese Commissie.
Het Ministerie van SZW en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) hebben gezamenlijk een voorstel ingediend voor het SCF, waarbij ingezet wordt op maatregelen die bijdragen aan verduurzaming en het energiezuiniger maken van woningen in combinatie met directe inkomenssteun voor kwetsbare groepen (energiefonds). Zo worden huishoudens structureel geholpen en worden zij weerbaarder voor stijgende energielasten, mede als gevolg van ETS2.
De partijen die nu betrokken zijn bij het energiefonds in 2025, worden ook betrokken bij de verdere uitwerking van de planvorming voor het SCF. Deze consultatie is inmiddels gestart.
Zodra meer duidelijk is over de openstelling van het fonds en de specifieke voorwaarden, informeren wij de Tweede Kamer en huishoudens hierover. Ik realiseer mij dat het al februari is en huishoudens behoefte hebben aan duidelijkheid. Mede vanwege dat er al veel huishoudens zijn met een vast contract, zien we dat steun op de energierekening het gehele jaar welkom is. Er wordt met de hoogste urgentie gewerkt aan de uitwerking van het fonds.
Kunt u gedetailleerd aangeven welke inspanningen u heeft verricht, met welke partijen er is gesproken en welke partijen bereidheid toonden om financieel bij te dragen?
Er zijn door de Ministeries van SZW, KGG en VRO met de energiesector en medeoverheden meerdere gesprekken op bestuurlijk niveau gevoerd. Zo zijn er verschillende constructieve gesprekken gevoerd met de grote en kleine energieleveranciers, Energie Nederland, netbeheerders, Netbeheer Nederland, de VNG en als aandeelhouders van de netbeheerders met verschillende gemeenten en provincies. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met andere private partijen zoals een aantal banken. Ook zijn diverse particuliere fondsen, loterijen en goede doelenorganisaties gevraagd om bij te dragen. Schuldenlab heeft in het proces een faciliterende rol gespeeld. Een aantal energieleveranciers is bereid om (opnieuw) een financiële bijdrage beschikbaar te stellen.
Hoe groot is precies het verschil tussen de gewenste private bijdrage en de toegezegde private bijdrage? Door welke partijen zijn private bijdragen toegezegd? En waarom is dit bedrag naar uw opvatting onvoldoende om voortzetting van het Noodfonds in 2025 mogelijk te maken? Hoeveel huishoudens hadden in 2025 voor de beschikbare 60 miljoen euro geholpen kunnen worden?
Een deel van de vragen is op dit moment niet te beantwoorden. Na het Kerstreces is namelijk opnieuw het gesprek gevoerd met de energiesector (energieleveranciers en netbeheerders). Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn alle betrokken partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen. Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft minimaal 8 weken nodig vanaf het moment dat het formele verzoek van het kabinet wordt ingediend.
Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatsteun te mitigeren. Hiervan is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een dergelijke procedure kent een lange doorlooptijd.
Zijn er ook niet-financiële verschillen waarop de gesprekken zijn stukgelopen, en zo ja, welke?
Nee.
Blijft de gereserveerde 60 miljoen euro volledig beschikbaar voor ondersteuning voor huishoudens met betalingsproblemen?
De gereserveerde middelen komen ten goede aan huishoudens die een tegemoetkoming krijgen uit het energiefonds in 2025. Van de 60 miljoen euro wordt maximaal 1 miljoen euro gereserveerd voor financiële ondersteuning voor huishoudens in Caribisch Nederland. Daarnaast wordt ook een reservering gemaakt uit deze middelen voor aanvullende ondersteuning voor huishoudens bij het aanvraagproces en het mogelijk maken van een aanvraag door huishoudens met een blokaansluiting. Er wordt nog onderzocht of dit technisch mogelijk is.
Als dit technisch mogelijk blijkt, wordt invulling gegeven aan de motie van de leden Kops en Vermeer3 om bij de uitwerking van het energiefonds ervoor te zorgen dat ook huishoudens met blokaansluiting in aanmerking kunnen komen voor energiecompensatiemaatregelen, tot uitvoering te brengen.
Het energiefonds 2025 geldt als nieuw beleid dat in verband met het budgetrecht van de Eerste en Tweede Kamer pas van start kan gaan nadat de beide Kamers met de ontwerpbegrotingen hebben ingestemd. Om huishoudens zo snel mogelijk te kunnen ondersteunen bij de energierekening is subsidieverlening op korte termijn belangrijk. Om de effectiviteit van het beleid te waarborgen is het daarom van groot belang dat het wij zo snel mogelijk over kunnen gaan tot subsidieverlening en niet hoeven te wachten op de stemmingen in de Eerste Kamer over de ontwerpbegroting 2025 van SZW. Hiermee kan het fonds een aantal weken eerder open. Dat maakt echt een verschil voor kwetsbare huishoudens.
De subsidieverlening zal zo snel mogelijk worden gestart zodra de inleg vanuit de energiesector duidelijk is en de subsidieaanvraag is ontvangen. De beschikbare middelen kunnen vervolgens direct aan Stichting Tijdelijks Noodfonds Energie (TNE) worden betaald, zodat het energiefonds na subsidieverlening zo snel als mogelijk operatief kan zijn. Daarom willen wij voor het energiefonds een beroep doen op artikel 2.25 lid 2 van de Comptabiliteitswet, zodat kwetsbare huishoudens zo snel mogelijk ondersteund kunnen worden bij het betalen van de energierekening (bijlage 1). Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft minimaal 8 weken nodig vanaf het moment dat het formele verzoek van het kabinet wordt ingediend.
In hoeverre wilt u zich inzetten voor het behoud van de Noodfonds-infrastructuur?
Na het Kerstreces zijn er constructieve gesprekken gevoerd met de energiesector. Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn alle betrokken partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen. Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft minimaal 8 weken nodig vanaf het moment dat het formele verzoek van het kabinet wordt ingediend. De Kamer wordt hier zo snel mogelijk nader over geïnformeerd. Bij de uitvoering hiervan maakt het kabinet graag gebruik van de expertise, ervaring en reeds bestaande infrastructuur van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE). Daarover zal het gesprek gevoerd worden zodra de verdeling van de definitieve dekking van de uitvoeringskosten door de energiesector duidelijk is.
Bent u van plan om met overbruggingsmaatregelen te komen? Bent u bijvoorbeeld bereid om het huidige Noodfonds te verlengen ten minste totdat er een alternatief is ontwikkeld?
Na het kerstreces zijn er constructieve gesprekken gevoerd met de energiesector. Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn alle betrokken partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen. Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. De Kamer wordt hier zo snel mogelijk nader over geïnformeerd.
Vanaf 2026 staat Social Climate Fund (SCF) ter beschikking voor het opvangen van de effecten van het emissiehandelssysteem voor CO2-emissies van de gebouwde omgeving en transport (ETS2) voor kwetsbare huishoudens en micro-bedrijven. Één van de mogelijke voorstellen om in te dienen bij de Europese Commissie behelst maatregelen die bijdragen aan verduurzaming en energiezuiniger maken van woningen in combinatie met directe inkomenssteun voor kwetsbare groepen (zoals een energiefonds).
Bent u bereid om bovenstaande vragen separaat te beantwoorden en geen onomkeerbare stappen te zetten totdat u hierover met de Kamer van gedachten heeft gewisseld?
Ja.
Het bericht 'Dringend meer geld nodig voor schoolgebouwen' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dringend meer geld nodig voor schoolgebouwen»?1
Ja.
Bent u het eens met de mening dat de kwaliteit van schoolgebouwen, waaronder luchtkwaliteit, verlichting en inrichting, van belang is voor schoolprestaties en het tegengaan van ziekteverzuim bij leerlingen en leraren?
Uit onderzoek is gebleken dat het binnenklimaat effect heeft op de leerprestaties en belangrijk is voor het tegengaan van ziekteverzuim.2
Deelt u de conclusie van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting dat het Rijk gemeenten jaarlijks tenminste 730 miljoen euro (geïndexeerd naar het prijspeil van 2023: 1,2 miljard euro) te weinig geeft voor nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen?
Het bedrag van 730 miljoen euro jaarlijks komt uit het genoemde IBO, waarin is berekend wat er nodig is om alle schoolgebouwen in 2050 te laten voldoen aan de klimaatdoelstellingen. De achtergrond hiervan is dat het vervangingstempo opgeschroefd moet worden naar 3,33% per jaar, om alle gebouwen tijdig te vervangen en aan de klimaateisen te laten voldoen. In de beleidsreactie op het IBO is dit bedrag door het kabinet reeds onderschreven.3
Vindt u de huidige financiering in het gemeentefonds voldoende toereikend om scholen te verduurzamen, zodat gemeenten in de toekomst niet meer financieel leeglopen op kosten voor gas en stroom?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (ver)nieuwbouw en schoolbesturen voor de materiële instandhouding van schoolgebouwen. Vanuit die verantwoordelijkheid mag van gemeenten en schoolbesturen worden verwacht dat zij in het proces van planvorming, uitvoering en onderhoud van nieuwe huisvesting goed met elkaar optrekken, rekening houdend met de bestaande bestuurlijke en financiële kaders die tot hun beschikking staan.
Voor de middelen uit het gemeentefonds geldt dat het gemeentefonds een verdeelmodel is en geen financieringsmodel. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen is afhankelijk van hun objectieve kenmerken (maatstaven) en de lokale belastingcapaciteit. Maatstaven gerelateerd aan het onderwijs zijn onder andere: jongeren, leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Middelen uit het gemeentefonds zijn niet geoormerkt en dus vrij besteedbaar. Dit geeft gemeenten de vrijheid om eigen beleidsdoelstellingen te formuleren en de middelen volgens die beleidsdoelstellingen uit te geven zoals bijvoorbeeld aan verduurzaming. Er kan dan ook niet gesteld worden dat gemeenten een bepaald bedrag voor onderwijs krijgen op basis van het gemeentefonds.
Hoe gaat onderwijshuisvesting deel uitmaken van het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs (Kamerstuk 31 293, nr. 762) en welke financiële middelen koppelt u hieraan?2
Zoals aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord5 en het regeerprogramma6 wil het kabinet samen met mensen uit de onderwijspraktijk werken aan de basis voor kwalitatief goed onderwijs voor alle leerlingen. Medio november 2024 heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen met daarin een aanzet op hoofdlijnen om te komen tot een gedragen Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs.7 In het voorjaar van 2025 deelt het kabinet het uitgewerkte Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs met uw Kamer. Het kabinet werkt het Herstelplan uit binnen de beschikbare middelen op de OCW-begroting.
Hoe reageert u op de noodkreet van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat de huidige financiering van onderwijshuisvesting «volstrekt onvoldoende» is om de kosten voor onderwijshuisvesting te dragen?
Veel schoolgebouwen zijn verouderd en tot en met 2050 ligt er een grote opgave. Het eerlijke verhaal is dat dit kabinet scherpe keuzes heeft moeten maken; er zijn geen aanvullende middelen. Dit neemt niet weg dat de bestaande middelen zo goed mogelijk moeten worden ingezet. Samen met de sector zetten we daar ook op in, bijvoorbeeld met de Programmatische Aanpak Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting.8
Vindt u dat het wetsvoorstel met nieuwe eisen aan onderwijshuisvesting voldoet aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet?
Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting stelt geen nieuwe eisen aan schoolgebouwen. Het wetsvoorstel bevat een verplichting voor gemeenten om een integraal huisvestingplan (IHP) op te stellen en een verplichting voor schoolbesturen om een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) op te stellen. Een verplicht op overeenstemming gericht overleg (OOGO) tussen gemeenten en het schoolbestuur over het IHP van de gemeenten, MJOP van het schoolbestuur en de exploitatielasten van de school, beoogt de samenwerking en besluitvorming op basis van total-cost-of-ownerschip te bevorderen. In het nader rapport op het wetsvoorstel dat recentelijk aan uw Kamer is gezonden, wordt hier nader op ingegaan. Naar aanleiding van het advies van de afdeling is de memorie van toelichting aangevuld. Hierin is beschreven wat de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor gemeenten als gevolg van het opstellen van een IHP en de wijze waarop zij daarvoor worden gecompenseerd. Vanaf het moment van inwerkingtreding wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd aan het gemeentefonds ter compensatie van de toegenomen kosten voor gemeenten.
Bent u het eens met de mening dat met nieuwe taken en eisen voor gemeenten aan onderwijshuisvesting ook toereikende financiering gepaard moet gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reageert u op de kritiek van de Raad van State dat de financiële gevolgen van het in vraag 8 genoemde wetsvoorstel voor gemeenten onvoldoende zijn toegelicht?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Kind met achternaam van beide ouders kan, maar niet iedereen geeft toestemming’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Struycken |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kind met achternaam van beide ouders kan, maar niet iedereen geeft toestemming»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat kinderen inzet dreigen te worden van een juridische strijd als gevolg van de nieuwe regeling inzake geslachtsnamen? Welke inzet pleegt u om verdere juridisering te voorkomen?
Artikel 5 Boek 1 BW biedt geen mogelijkheid om een geschil over de geslachtsnaam voor te leggen aan de rechter of om vervangende toestemming te vragen, zo blijkt ook uit inmiddels bestendige jurisprudentie.2 Net als mijn voorganger ben ik vooralsnog geen voorstander van een dergelijke mogelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de introductie van de gecombineerde geslachtsnaam is besproken dat het de verantwoordelijkheid van ouders voor de naamskeuze voor het kind zou miskennen en de mogelijkheden voor het juridiseren van het conflict tussen ouders zou vergroten. Daarnaast legt dit een extra druk op de rechterlijke macht, terwijl een goede belangenafweging – bij uitstek een taak van de rechter – hierbij niet goed is te maken, zeker nu daarbij vaak geen zakelijke, maar eerder en enkel emotionele argumenten een rol spelen.3
Kunt u bevestigen dat de wetgever weloverwogen voor de nieuwe regeling en het overgangsrecht heeft gekozen? Deelt u de mening dat het niet wenselijk is om de onrust en onzekerheid verder te vergroten door de regeling aan te passen?
Bij de totstandkoming van de Wet introductie gecombineerde geslachtsnaam (Wigg), en meer in het bijzonder de overgangsregeling, is een bewuste keuze gemaakt ten aanzien van de reikwijdte en duur van die regeling. Aanvankelijk is in de Wigg bij nota van wijziging een overgangsregeling opgenomen voor kinderen geboren op of na 29 januari 2019.4 5 Naar verwachting zou daarmee alleen voor vrij jonge kinderen van de overgangsregeling gebruik kunnen worden gemaakt. Hiermee werd aangesloten bij het beleid en de rechtspraak om terughoudend om te gaan met de wijziging van de geslachtsnaam van kinderen.6 De naam van een kind vormt onderdeel van diens identiteit en wordt als zodanig ook beschermd door artikel 8 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor jonge kinderen die zich nog niet zo zeer bewust zijn van de geslachtsnaam die zij dragen, geldt minder sterk dat hun identiteit wordt aangetast als hun naam wijzigt. Oudere kinderen zullen zich in toenemende mate bewust zijn van de geslachtsnaam die zij dragen. Voor hen werd daarom terughoudendheid betracht bij de mogelijkheid tot wijzigen van hun geslachtsnaam. Bovenstaande overwegingen hebben ook geleid tot de keuze om de overgangsregeling voor de duur van één jaar open te stellen.
Bij amendement is de reikwijdte van de overgangsregeling opgerekt en is deze opengesteld voor kinderen geboren op of na 1 januari 2016.7 Daarbij werd ervan uitgegaan dat de overgangsregeling nog steeds alleen open zou komen te staan voor relatief jonge kinderen, namelijk voor kinderen die op de datum van inwerkingtreding van de Wigg maximaal acht jaar oud zouden zijn. Overwogen werd dat die leeftijdsgrens goed aansluit bij de grens die in de rechtspraak al deels wordt toegepast, namelijk dat een kind vanaf acht jaar gehoord wordt in familierechtelijke zaken die de (rechts)positie van het kind betreffen. Tot de leeftijd van acht jaar is de identiteit van het kind nog niet dermate ontwikkeld dat het veranderen van de geslachtsnaam negatieve gevolgen zou kunnen hebben, aldus de indieners van het amendement.
Indien de overgangsregeling zou worden verlengd, zou daar een beroep op kunnen worden gedaan ook voor oudere kinderen. Ik acht dat gelet op het voorgaande niet wenselijk.
Onderschrijft u de lezing van de rechtbanken, dat het niet aan de rechter is om vervangende toestemming te verlenen? Bent u ook van mening dat het zware middel van de vervangende rechterlijke toestemming niet voor situaties als deze bedoeld is?
Zie antwoord vraag 2.
De Balanced Approach procedure |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel in de Volkskrant waarin staat dat de Europese Commissie ontkent Nederland te hebben gewaarschuwd voor juridische problemen als het kabinet zou vasthouden aan het oude krimpplan voor Schiphol?1
Ja.
Klopt het dat de Europese Commissie niet gewaarschuwd heeft, zoals het artikel beschrijft? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan wel zo geïnformeerd? Zo nee, hoe zit het dan?
De Europese Commissie heeft ambtelijk gewaarschuwd dat er een ernstig risico is om te beargumenteren dat een getal onder de genotificeerde bandbreedte nog steeds deel uitmaakt van de lopende notificatie. Dat zou betekenen dat er mogelijk een nieuwe notificatie moet worden ingediend bij een getal buiten de bandbreedte. Een nieuwe notificatie zou hebben geleid tot vertraging van de inwerkingtreding van de geluidsbeperkende maatregelen. Gelet op de in de Geluidsverordening voorgeschreven termijnen en processtappen en de noodzaak om nieuwe berekeningen uit te voeren zou het dan niet langer meer mogelijk zijn om per november 2025 een maatregelenpakket in werking te laten treden. Dat is een groot risico dat het kabinet niet wilde nemen.
Bent u bereid de Kamer de gespreksnotities en documenten te geven die bewijzen dat er wel gewaarschuwd zou zijn? Zo nee, waarom niet?
In het tweeminutendebat van 17 december 2024 heb ik toegezegd dat ik in overleg met de Europese Commissie ga om te bezien welke relevante correspondentie ik in welke vorm met de Tweede Kamer kan delen. Dit overleg is inmiddels gevoerd en de documenten zijn vertrouwelijk ter inzage gelegd op 23 januari 20252.
Kunt u uitsluiten dat er gespreksnotities of andersoortige documenten zijn die bewijzen dat er wel gewaarschuwd zou zijn? Zo nee, hoe zit het dan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u een feitenrelaas geven met de relevante gebeurtenissen en een korte beschrijving van de relevante contacten met vertegenwoordigers van de EU, sinds het moment dat er voor het eerst ideeën kwamen dat de omvang van het aantal vliegbewegingen op Schiphol mogelijk zou moeten worden ingeperkt en hierbij nadrukkelijk inbegrepen alle communicatie, voordat het idee ontstond dat een balanced approach vereist zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Vanaf het eerste contact (op 5 juli 2022; vlak na het Hoofdlijnenbesluit Schiphol van 24 juni 2022) heeft de Europese Commissie duidelijk gemaakt dat een Balanced approach procedure nodig zou zijn voor het doorvoeren van een geluidsgerelateerde exploitatiebeperking, zoals de Geluidsverordening voorschrijft. Er zijn dus geen contacten met de Europese Commissie in de periode «voordat het idee ontstond dan een Balanced Approach vereist zou zijn».
In de voorbereiding van en gedurende de procedure is er doorlopend contact geweest met de Europese Commissie. Inhoudelijke contacten hebben veelal op ambtelijk niveau met DG Move (verantwoordelijk voor de balanced approach procedure) en indien nodig ook met DG Environment (verantwoordelijk voor de geluidsverordening) en DG Clima plaatsgevonden. Dat contact was en is er op verschillende niveaus: zowel ambtelijk als politiek. Ook is er contact geweest met de kabinetten van de Eurocommissarissen door de Permanente Vertegenwoordiging.
Kunt u aangeven welke adviezen en instructies vanuit de EU zijn (mee)gegeven aan Nederland gedurende deze periode? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de voorbereiding op de procedure is met de Europese Commissie gesproken over de vereisten die de balanced approach-procedure voorschrijft. Vervolgens is de procedure opgestart en doorlopen. Na de notificatie van 1 september 2023 is het contact met de Europese Commissie geïntensiveerd. Hetgeen uit die contacten is voortgekomen is ook op meerdere momenten met uw Kamer gedeeld3. Dit is onder andere ook in het aanvullende raadplegingsdocument van mei 2024 te lezen. Tijdens deze contacten zijn door de Europese Commissie vragen gesteld, met name over de proportionaliteit van de verschillende maatregelen en het beoogde tempo waarin het geluidsdoel bereikt zou worden. Daarnaast heeft de Europese Commissie de voorkeur voor alternatieve maatregelen om het geluidsdoel te halen benadrukt, in plaats van een reductie van het aantal vliegtuigbewegingen, omdat uit de verordening volgt dat een reductie van het aantal vliegtuigbewegingen een «matter of last resort» is bij het nemen van maatregelen.
Met de nieuwe notificatie van 4 september 2024 en de aanvulling daarop van 6 december 2024, wordt tegemoet gekomen aan deze aandachtspunten en de reacties op de aanvullende raadpleging van mei 2024.
Klopt het dat in een mail van 16 juni 2022 met als onderwerp «gesprek met PV» het gaat over het voorbereiden van een zogenaamd non-paper waarbij een van de bullets luidt: waarom wij denken dat balanced approach procedure van toepassing is. Bespreekpunt: ziet DG move dat ook zo?
Ja.
Kunt u dat non-paper aan de Kamer verstrekken? Zo nee, waarom niet, en hoe stelt u zich dan voor hoe de Kamer zich voldoende geïnformeerd kan achten?
Dat non-paper is er uiteindelijk niet gekomen. Het was onderdeel van het proces van gedachtevorming. De inhoud heeft vervolgens een plek gekregen in het notificatiedocument van 1 september 2023. Dat het kabinet besloten heeft om de balanced approach-procedure te doorlopen staat in de hoofdlijnenbrief van juni 20224. De reden waarom het kabinet daartoe heeft besloten staat ook in die brief.
Klopt het dat met het non-paper Nederland zelf bedacht heeft dat een balanced approach nodig zou zijn en met die boodschap op de EU is afgestapt? Zo ja, waarom is niet gekozen om eerst de mening van de EU te horen en er open in te gaan? Zo nee, wat is de status van het non-paper?
Het feit dat een balanced approach procedure nodig is, volgt uit Verordening (EU) Nr. 598/2014. Uit deze verordening inzake geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens volgt dat wanneer de invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen overwogen wordt voor luchthavens groter dan 50.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer, de Balanced approach procedure moet worden doorlopen. De definitie voor een «geluidsgerelateerde actie» is als volgt (Artikel 2 lid 5 van de Verordening): «elke maatregel die gevolgen heeft voor de geluidsomgeving rond een luchthaven, waarvoor de beginselen van de evenwichtige aanpak van toepassing zijn, inclusief andere niet-operationele acties die gevolgen kunnen hebben voor het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan vliegtuiglawaai.» En voor «exploitatiebeperking» (Artikel 2 lid 6 van de Verordening): «een geluidsgerelateerde actie die de toegang tot of de operationele capaciteit van een luchthaven vermindert, inclusief exploitatiebeperkingen die gericht zijn op de uitdienstneming van marginaal conforme luchtvaartuigen op specifieke luchthavens en partiële exploitatiebeperkingen, die bijvoorbeeld gedurende bepaalde tijdsperioden van de dag of alleen voor bepaalde start- en landingsbanen gelden.» Dit is ook bevestigd door de Hoge Raad in de uitspraak 12 juli 2024.
Klopt het dat de EU slechts een advies geeft over de door Nederland ingediende plannen voor de balanced approach? Zo ja, kunt u aangeven wat dit betekent voor de beleidsvrijheid van het kabinet en het Nederlandse parlement? Zo nee, hoe zit het dan?
Op grond van artikel 8, derde lid, van verordening (EU) nr. 598/2014 toetst de Europese Commissie de procedure voor de invoering van een exploitatiebeperking en kan zij vervolgens een advies uitbrengen. Een bevestiging van de Europese Commissie waarin zij aangeeft dat bij de invoering van een geluidsgerelateerde exploitatiebeperking de in de verordening vastgestelde procedure in acht is genomen, is – mede gelet op de internationale belangen – van belang om de exploitatiebeperking te kunnen doorvoeren. Na ontvangst van het advies zal het kabinet een afweging maken welke vervolgstap kan worden gezet. Het niet naleven van de balanced approach-procedure kan immers uitmonden in een infractieprocedure van de Europese Commissie.
Klopt het dat de Nederlandse overheid heeft toegestaan dat op Schiphol vanaf de periode 2010–2015 ca. 80.000–100.000 vluchten meer worden uitgevoerd dan binnen de vigerende wet- en regelgeving is toegestaan, zoals uw voorganger bevestigde?2 Zo nee, hoe zit het dan precies?
In 2023 is op basis van onderzoek een inschatting gemaakt van het jaarvolume dat mogelijk is binnen de grenswaarden in handhavingspunten uit het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) 2008 door onderzoeksbureau To70. Dit leidde tot een binnen deze grenswaarden inpasbaar verkeersvolume van 400.000–420.000 vliegtuigbewegingen, als het anticiperend handhaven zou worden beëindigd. Het rapport inclusief achtergrond en methodische beschrijving is openbaar.6 Deze analyse geldt voor de onderzochte situatie op dat moment. In overeenstemming met de Aldersakkoorden is Schiphol onder het anticiperend handhaven feitelijk doorgegroeid tot een aantal van circa 500.000 vliegtuigbewegingen in 2019. Dit aantal vliegtuigbewegingen is wettelijk niet vastgelegd als maximum.
Bent u het eens met de uitspraak van uw voorganger op nationale tv in november 2023 dat «de geldende regelgeving voor Schiphol minder geluid toestaat dan we de afgelopen 10–15 jaar hebben gedaan»? Indien niet, wat is volgens u de juiste situatie en waarom was de uitspraak van uw voorganger onjuist?
Ja.
Is het standpunt van de landsadvocaat over de rechtmatigheid van het krimpbesluit waar uw voorganger in januari 2024 van aangaf dat hij het daarmee eens is3 gedeeld met de EU? Zo ja, kunt u de bijbehorende documenten of gespreksnotities aan de Kamer overleggen? Zo nee, waarom is dat niet gedeeld met de EU?
Het standpunt dat voor het beëindigen van het anticiperend handhaven in combinatie met de invoering van de experimenteerregeling geen balanced approach-procedure doorlopen hoeft te worden is in contacten met de Europese Commissie aan de orde geweest. Uitgangspunt is dat correspondentie met de Europese Commissie strikt vertrouwelijk is en niet openbaar wordt gemaakt tijdens lopende procedures. Met de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 is duidelijk geworden dat de Staat het stoppen met anticiperend handhaven in combinatie met de experimenteerregeling slechts mag invoeren, nadat een balanced approach-procedure is doorlopen.
Gezien de constateringen als genoemd onder 11), 12) en 13) en het feit dat uw voorganger in januari 2024 dus stelde dat er geen sprake is van een exploitatiebeperking, waarom is er dan in 2023 – en dus voor de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 – een «balanced approach»-procedure gestart? Kunt u ook uitleggen hoe die beslissing niet tegenstrijdig is aan de standpunten van uw voorganger (en de Staat), zoals hij die had tot aan tenminste januari 2024?
Voor de beantwoording is relevant dat er door het vorige kabinet onderscheid is gemaakt tussen drie verschillende sporen. Spoor 1 betrof het stoppen met het anticiperend handhaven en herstellen van de rechtspositie van omwonenden, Spoor 2 is gericht op het herstellen van de balans en het met voorrang aanpakken van de geluidsoverlast en binnen Spoor 3 wordt gewerkt aan een nieuw stelsel waarin niet wordt gestuurd op aantallen vliegtuigbewegingen maar op (milieu)normen. In dit kader zijn Spoor 1 en 2 relevant. Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 9 stond voor Spoor 2 (de definitieve verankering van de het maatregelenpakket en de bijbehorende capaciteitsbeperking) vanaf het begin af aan vast dat hiervoor een balanced approach-procedure moest worden gevolgd. Voor Spoor 1 (het loslaten van het anticiperend handhaven) was dit niet het geval. Daarvan was destijds de opvatting dat hiervoor geen balanced approach-procedure hoeft te worden doorlopen. Dit is aan de orde geweest in diverse rechtszaken. De Hoge Raad heeft op datum 12 juli 2024 geoordeeld dat voor het stoppen met anticiperend handhaven op grond van Europese regels ook de balanced approach moet worden gevolgd.
Is voor de «balanced approach-procedure formeel gestart werd met de EU besproken of er mogelijkheden zijn om Schiphol binnen de vigerende wet- en regelgeving te brengen zonder «balanced approach»-procedure, ook wanneer dit zou betekenen dat hiervoor deels ook een capaciteitsreductie nodig zou zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer alle gespreksnotities en documenten doen toekomen die daarop betrekking hebben?
Nee, de Europese Commissie heeft vanaf het eerste contact duidelijk gemaakt dat een Balanced approach procedure nodig zou zijn voor het doorvoeren van een geluidsgerelateerde exploitatiebeperking, zoals de Geluidsverordening voorschrijft. Zoals in de antwoorden op vragen 13 en 14 is te lezen, is dit gesprek met de Europese Commissie wel gevoerd met betrekking tot het stoppen met anticiperend handhaven.
Klopt het dat een «balanced approach»-procedure alleen vereist is, indien het doel bij het eventueel inperken van de capaciteit van een luchthaven ligt in het verminderen van de geluidshinder? Zo nee, kunt u uitleggen hoe het dan zit?
De Balanced Approach procedure dient te worden doorlopen wanneer een lidstaat een geluidsgerelateerde exploitatiebeperking wil doorvoeren op een luchthaven met meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen per jaar. Het gaat hierbij om elke maatregel die gevolgen heeft voor de geluidsomgeving rond een luchthaven, waarvoor de beginselen van de evenwichtige aanpak van toepassing zijn, inclusief andere niet-operationele acties die gevolgen kunnen hebben voor het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan vliegtuiglawaai en die een exploitatiebeperking tot gevolg heeft.
Indien Nederland het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol omwille van stikstofreductie zou willen beperken, zou daarvoor dan ook een «balanced approach»-procedure vereist zijn? Zo ja, kunt u dat motiveren?
De balanced approach Verordening (EU) 598/2014 bevat enkel regels en procedures voor de invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen voor luchthavens. Wanneer het aantal vliegtuigbewegingen die maximaal worden toegestaan op Schiphol moeten worden beperkt uitsluitend omwille van stikstofreductie zijn wellicht de beginselen van de evenwichtige aanpak (balanced approach) niet van toepassing.
Klopt het dat in september 2023 de Nederlandse Staat in het dan ingediende formele notificatiedocument de EU heeft geïnformeerd dat de doelstellingen van de balanced approach waren om te komen tot een hinderreductie als in de meegezonden tabel?4
Ja.
Klopt het dat in september 2024 een nieuw notificatiedocument is ingezonden met daarin het volgende citaat: «The noise abatement objective to be achieved is expressed in percentages compared to a reference situation and is in addition to the annual autonomous development.» «The amended notification package is based on two phases. For the first phase, an implementation date of November 2025 is assumed. This date allows for alternative measures compared to the original implementation date of November 2024. The first phase aims to achieve a total of 17% of the 24-hour noise abatement objective. This means that 3% remains.»?
Ja.
Klopt het dat vervolgens op 6 december 2024 een brief is verzonden met als onderwerp «Outcome calculations of the Balanced Approach» waarin het volgende staat: «You will find enclosed the letter to the Dutch parliament in which the choice to implement a reduction percentage of –15% by November 2025, as opposed to the previously communicated –17%, has been made known and explained. Below are the measures, including capacity limitation, that realise this reduction»?
Ja.
Bent u het met mij eens dat de doelstelling van de hinderreductie hiermee sinds de formele start van de «balanced approach»-procedure tweemaal is afgezwakt?
Nee, hiermee ben ik het niet eens. Het bijstellen van het te behalen geluidsdoel in de eerste fase per november 2025 doet op geen afbreuk aan het geluidsdoel zoals dit is vastgelegd in het Actieplan Geluid Schiphol 2024–2029: –20% voor het etmaal en –15% voor de nacht bovenop de autonome ontwikkelingen. Sinds de start van de balanced approach-procedure is deze doelstelling niet afgezwakt. Voor de realisatie van het etmaaldoel is een fasering aangebracht, de doelstelling voor de nachtperiode wordt ruimschoots gehaald met het voorgestelde maatregelenpakket per november 2025. De fasering, die ook in de notificatie van 1 september 2023 al werd voorgesteld, zorgt ervoor dat in de eerste fase –15% van het subdoel voor het etmaal wordt ingevuld, en de resterende –5% in een volgende fase.
Als u een boodschap zou moeten geven aan de omwonenden van Schiphol die hoop putten uit het aangekondigde hoofdlijnenbesluit van juni 2022 waarbij eerst werd aangekondigd dat het aantal vluchten op Schiphol tot 440.000 zou worden beperkt en later hoorden dat de hinder met ten minste 20% zou verminderen, en die doelen sinds 2022 steeds verder afgezwakt zien worden, wat zou u dan willen zeggen?
In het regeerprogramma heeft het kabinet afgesproken dat het de rechtspositie van omwonenden van Schiphol zo snel mogelijk wil herstellen en de geluidsbelasting met 20% terug wil dringen. Het kabinet is er daarom alles aan gelegen om de lopende Europese balanced approach-procedure voort te zetten en met goed gevolg te doorlopen, zodat de resultaten kunnen worden vastgelegd in het LVB. Zie verder het antwoord op vraag 21.
Op welke manieren borgt de EU dat de belangen van omwonenden een ten minste gelijkwaardig gewicht krijgen aan de belangen van de luchtvaartsector met zijn grote lobbykracht? Kunt u beschrijven welke middelen burgers daartoe hebben?
Dat de luchtvaartsector een grote lobbykracht heeft wordt herkend. Echter, burgers hebben dezelfde toegang als ondernemingen tot instellingen, organen en instanties van de Europese Unie. Het EU-verdrag voorziet in de betrokkenheid van burgers bij alle onderdelen van het optreden van de Unie. Daarnaast zijn de instellingen en lidstaten, wanneer zij handelen binnen de werkingssfeer van het Unierecht, gebonden aan het EU Handvest. Daarnaast hebben in het kader van de balanced approach-procedure twee brede consultaties plaatsgevonden waar iedereen, zowel burgers als bedrijven, op kon reageren. Zo hebben alle belanghebbenden de mogelijkheid gehad voor inspraak.
Is het correct dat voor de hinderreductie enkel de additionele vlootvernieuwing mag worden meegeteld? Zo nee, hoe zit het dan?
In het Actieplan Geluid Schiphol 2024–2029 is het geluidsdoel van –20% op het etmaal en –15% in de nacht vastgelegd en is bepaald dat dit percentage bovenop de autonome ontwikkeling komt. Vlootvernieuwing is een doorlopend proces en vindt plaats ongeacht het invoeren van maatregelen door de overheid. Voor de berekeningen in de balanced approach-procedure wordt daarom gerekend met een trend die recht doet aan die ontwikkeling. Reductie van de geluidsbelasting door vlootvernieuwing die binnen de autonome ontwikkeling valt, telt niet mee als maatregel binnen de huidige procedure. Alleen het aandeel vlootvernieuwing dat op dat moment boven de trend uitstijgt, telt mee in de maatregel Additionele vlootvernieuwing.
Betekent dat ook dat als een maatschappij een relatief oude vloot heeft en al voor een omvangrijke verjongingsslag stond, er relatief weinig vliegtuigen als additionele vervanging gezien mogen worden? Zo nee, waarom niet?
Voor de maatregel Additionele vlootvernieuwing wordt gekeken of de vlootvernieuwing binnen een bepaalde periode boven de historische trend, oftewel autonome ontwikkeling, uitstijgt. Indien dat het geval is, wordt het deel dat boven die historische trend uitstijgt meegenomen in de maatregel Additionele vlootvernieuwing.
Bent u bekend met deze analyse van Follow the Money, een collectief van ervaren onderzoeksjournalisten in Nederland over de vloot van KLM: KLM’s vliegtuigen zijn ouder, luidruchtiger en minder zuinig dan nodig – Follow the Money – Platform voor onderzoeksjournalistiek? Wat zijn in uw ogen de bevindingen van dit onderzoek?
Ja, ik ben hier bekend mee. De feiten die in de analyse naar voren worden gebracht spreken voor zich.
Bent u het ermee eens dat dat binnen de normenhiërachie die geldt in het Unierecht secundair recht ondergeschikt is aan het primaire recht? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Ja.
Klopt het dat Artikel 11 VWEU stelt dat milieubeschermingseisen in de omschrijving en uitvoering van al het EU-beleid geïntegreerd dienen te worden? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dat klopt. Op grond van artikel 11 VWEU moet de EU de milieubeschermingseisen integreren in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.
Klopt het dat het Grondrechtenhandvest met artikel 7 het recht op privé, familie- en gezinsleven beschermt? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat het Grondrechtenhandvest met artikel 37 een nadrukkelijk recht op milieubescherming bevat? Zo nee, hoe zit het dan?
Artikel 37 van het Handvest formuleert een beginsel dat bepaalt dat een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.
Bent u het ermee eens dat de Straatburgse grondrechten als algemeen beginsel deel uitmaken van het Unierecht? Zo nee, hoe zit het dan?
Met de Straatburgse grondrechten wordt het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bedoeld. Op grond van artikel 6, derde lid, van het VEU maken de rechten en vrijheden van het EVRM als algemene beginselen deel uit van het Unierecht.
Bent u het ermee eens dat internationale normen, ook wanneer die volgen uit (bijvoorbeeld) het Verdrag van Chicago, niet kunnen derogeren aan grondrechten die binnen de EU bescherming dienen te krijgen? Zo nee, kunt u dit motiveren?
Bij het afspreken van internationale normen, zoals die bijvoorbeeld volgen uit het Verdrag van Chicago, moeten de lidstaten en de Europese Unie de grondrechten die binnen de EU beschermd worden respecteren.
Kan u de vragen een voor een behandelen?
Ja.
Het bericht 'Cryptowereld creëert systeemrisico dat aan kredietcrisis doet denken' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Cryptowereld creëert systeemrisico dat aan kredietcrisis doet denken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze ontwikkeling onwenselijk is en ontmoedigd dient te worden?
Het beleid voor de markten in cryptoactiva is erop gericht consumenten te beschermen, marktmisbruik tegen te gaan, prudentiële eisen te stellen voor aanbieders van cryptodiensten en te zorgen voor effectief toezicht. Dit is opgenomen in de implementatie van de Europese Markten in Cryptoactiva Verordening (MiCA). MiCA is op 30 december 2024 van toepassing geworden. Vanuit prudentieel oogpunt neem ik signalen dat nieuwe ontwikkelingen op de cryptoactivamarkten kunnen leiden tot systeemrisico’s uiteraard zeer serieus. Een van de risico’s is dat consumenten niet altijd goed kunnen inschatten wat het effect van dergelijke constructies is. Daarom blijf ik benadrukken dat het handelen in crypto’s zeer risicovol blijft.
Hoe schat u de risico’s in van deze ontwikkelingen voor de financiële stabiliteit van Nederland?
Het artikel schetst risico’s van het klonen van cryptoactiva. Het klonen of repliceren van cryptoactiva zorgt ervoor dat dezelfde cryptomunt meerdere keren kan worden gebruikt. Het artikel waarschuwt vooral voor het veelvoudig klonen, laag over laag, waardoor de onderliggende activa moeilijk te herleiden valt. Op dit moment zijn de risico’s van deze ontwikkelingen voor de financiële stabiliteit in Nederland beperkt. Naar schatting hebben kloonprotocollen wereldwijd nu zo’n 26 miljard USD aangetrokken.2 Dat gegeven is reden voor De Nederlandsche Bank (DNB) om deze ontwikkeling, net als andere ontwikkelingen die een impact kunnen hebben op de financiële stabiliteit, te blijven monitoren. Tegelijkertijd is het goed te realiseren dat de totale crypto marktkapitalisatie op ongeveer 3,6 triljoen USD geschat wordt.3 Hoewel dit soort data zeer veranderlijk zijn, laat het zien dat de waarde in deze kloonprotocollen op dit moment slechts 0,72% van de totale wereldwijde cryptomarkt vertegenwoordigt. Daarnaast is de interactie tussen traditionele financiële instellingen en de cryptowereld nog beperkt.
In hoeverre ziet u een toenemende interactie tussen de cryptowereld en de traditionele financiële sector?
Zoals aangegeven is de interactie tussen traditionele financiële instellingen en de cryptowereld op dit moment nog beperkt, maar deze neemt langzaam toe. Deze toename wordt onder andere gedreven door een toename aan crypto-gerelateerde producten of diensten die aangeboden worden door traditionele financiële instellingen, het toenemende gebruik van stablecoins, en de toename van het aantal financiële producten dat is gebaseerd op cryptoactiva, zoals exchange traded funds (ETF). Naarmate bepaalde belangrijke instellingen binnen het financieel systeem, zoals banken, een grotere blootstelling aan crypto’s hebben, neemt het risico dat de volatiliteit van de cryptomarkten overslaat naar de traditionele financiële markten ook toe. Een omgekeerd risico zou bij stablecoins kunnen ontstaan. Stablecoins zijn cryptoactiva die claimen dat zij een stabiele waarde behouden doordat ze gedekt zouden zijn door tegoeden in een officiële valuta of andere activa. Wanneer in korte tijd op grote schaal stablecoins worden ingewisseld voor fiat geld, en de onderliggende activa dus verkocht moeten worden, kan dat in theorie impact hebben op de stabiliteit van bijvoorbeeld de obligatiemarkt of op de liquiditeit in de financiële markten. Ondanks dat ze langzaam toenemen zijn deze risico’s zijn op dit moment nog zeer beperkt. Dit zien we ook terug in analyses van internationale organisaties die zich bezighouden met financiële stabiliteit.4 DNB monitort deze risico’s doorlopend. Daarnaast is er met MiCA en het prudentiële raamwerk onder Basel regelgeving gekomen om deze risico’s tegen te gaan (zie antwoord vraag5.
Welke maatregelen neemt u om eventuele negatieve effecten op de financiële stabiliteit te voorkomen?
Met MiCA is een belangrijke stap gezet naar het reguleren van cryptomarkten en daarmee het inperken van de risico’s. MiCA legt verplichtingen op aan uitgevers van cryptoactiva en dienstverleners, die mede gericht zijn op het voorkomen van risico’s voor de financiële stabiliteit. Zo moeten uitgevers van stablecoins zich houden aan prudentiële eisen. Het aanhouden van kapitaal om liquiditeitsrisico’s te voorkomen is hier een belangrijk onderdeel van. Daarnaast zijn uitgevers van cryptoactiva verplicht om een witboek voor het betreffende activum op te stellen waarin de essentiële informatie is opgenomen voor partijen die de cryptoactiva in bezit hebben of van plan zijn om deze aan te kopen. Hierin moet ook informatie zijn opgenomen over financiële stabiliteit. Verder kunnen uitgevers van stablecoins bij een bepaalde omvang worden aangewezen als significant. Omdat deze significante stablecoins als ruilmiddel kunnen worden gebruikt om grote volumes betalingstransacties mee uit te voeren, kunnen zich specifieke risico’s voordoen en worden er strengere prudentiële eisen gesteld, zoals het monitoren van liquiditeitsbehoeften om aan terugbetalingsverzoeken van houders te kunnen voldoen. Het toezicht op significante stablecoins gaat daarnaast over naar de Europese Banken Autoriteit (EBA), waarbij de Europese Centrale Bank (ECB) een belangrijke rol heeft ten aanzien van de risico’s voor de financiële stabiliteit. De gedachte is dat daarmee eventuele concentratierisico’s binnen de EU en netwerkeffecten beter kunnen worden gemonitord.
Daarnaast heeft het Bazels comité voor bankentoezicht (BCBS) in 2022 een eerste standaard gepubliceerd voor de prudentiële behandeling van cryptoactiva door banken, om risico’s die volgen uit de eerder beschreven verwevenheid adequaat te adresseren. De toepassing van deze standaarden is verwerkt in de finale teksten van de derde verordening kapitaalvereisten (CRR3), die op 1 januari 2025 in werking is getreden en rechtsreeks in de Nederlandse rechtsorde geldt. Een deel van de standaarden is later verder ontwikkeld door het Bazels comité en moeten nog in de Europese kapitaalvereisten worden verwerkt. Daarom is op dit moment in de CRR3 een tijdelijk regime opgenomen dat nog aangepast dient te worden aan de finale standaarden voor cryptoactiva. Het tijdelijke regime bestaat uit specifieke risicowegingen voor verschillende categorieën cryptoactiva blootstellingen van banken. De risicoweging zegt iets over de hoeveelheid kapitaal die door banken opzij moet worden gezet om de blootstelling aan cryptoactiva te ondervangen.
MiCA en andere prudentiële regels bieden verschillende waarborgen die bijdragen aan de stabiliteit. Tegelijkertijd is sprake van snelle ontwikkelingen binnen en buiten Europa die nog niet altijd gedekt worden door toezicht. Deze ontwikkelingen worden meegenomen in de evaluaties die de Europese Commissie, EBA en ESMA zullen uitvoeren over de effecten van MiCA. In juni 2025 zal de Europese Commissie met een eerste verslag komen. Het functioneren van de prudentiële vereisten, de vereisten voor significante stablecoins en nieuwe ontwikkelingen zijn expliciet onderdeel van de evaluatie. Ook zullen ESMA en EBA gezamenlijk jaarlijks een verslag maken van de marktontwikkelingen. Het eerste verslag wordt in december 2025 verwacht.
Tot slot worden ontwikkelingen omtrent cryptoactiva en eventuele impact op de financiële stabiliteit gemonitord in internationale gremia zoals in het Financial Stability Board(FSB), die de stabiliteit van het mondiale financiële stelsel bewaakt. Aangezien cryptoactiva vanwege hun digitale karakter per definitie landsgrensoverstijgend zijn, is internationale samenwerking bij het monitoren van de risico’s van groot belang.
Welke stappen onderneemt u om de risico's die voortvloeien uit het onbeperkt «klonen» van cryptomunten en het daarmee gepaard gaande (laag op laag) hergebruik van onderpand te reguleren en te monitoren?
Op dit moment zijn dit soort gedecentraliseerde platformen en diensten (zoals genoemd in het artikel) nog ongereguleerd. Zij vallen niet onder een gereguleerde dienst of product binnen de reikwijdte van MiCA. Wel wordt er op Europees niveau nagedacht hoe we met dit soort platformen moeten omgaan en hoe deze eventueel gereguleerd kunnen worden. In juni 2025 zal door de Europese Commissie, gezamenlijk met EBA en ESMA, het eerste evaluatieverslag worden opgeleverd, waarbij de reikwijdte van MiCA ook wordt meegenomen.
Om de werking van de MiCA verordening te beoordelen voert de Europese Commissie kort na het van kracht worden van de verordening een evaluatie uit. Het tussentijdse verslag van die evaluatie wordt op 30 juni 2025 ingediend. Daarin wordt ook gekeken naar de effecten op de financiële stabiliteit en naar de prudentiële eisen die nu aan uitgevers van cryptoactiva en cryptoactivadienstverleners worden gesteld. Mede op basis daarvan zal ook bekeken of aanvullende regelgeving nodig is.
Deelt u de mening dat de huidige ontwikkelingen in de cryptomarkt parallellen vertonen met de situatie voorafgaand aan de kredietcrisis van 2008?
Het oneindig klonen van cryptoactiva vertoont gelijkenissen met enkele complexe en risicovolle financiële producten, zoals herhypothecatie en buitensporige hefboomwerking, die hebben bijgedragen aan het ontstaat van de kredietcrisis van 2008. Naast die gelijkenissen zijn er echter ook grote verschillen, zowel in de aard van de producten, de omvang van de markt, als de blootstelling van financiële instellingen aan de producten. Met name de zeer lage blootstelling van de traditionele financiële sector aan crypto-gerelateerde producten maakt dat de huidige ontwikkelingen in de cryptomarkt anders geduid moeten worden dan de situatie voorafgaand aan de kredietcrisis van 2008. Ook de FSB benadrukt de beperkte connectie en de beperkte risico’s voor de financiële stabiliteit.6
Welke lessen uit die periode past u toe om een soortgelijke crisis te voorkomen?
Nederland heeft zich de afgelopen jaren in EU-verband ingezet voor strenge en effectieve regelgeving voor cryptoactiva. Ook de toezichthouders zijn scherp op de risico’s die crypto’s met zich meebrengen. De risico’s van crypto’s op de financiële stabiliteit worden daarnaast periodiek besproken in het Nederlandse Financiële Stabiliteitscomité. De risico’s van cryptoklonen blijven op dit moment voornamelijk beperkt tot de cryptomarkt en worden door onder andere DNB goed in de gaten gehouden. Hoewel MiCA sinds kort van toepassing is, heb ik al aangegeven dat er op afzienbare termijn een herziening moet komen van MiCA om de meeste recente ontwikkelingen in de cryptosector te ondervangen. Uiterlijk in 2027 moet de Commissie met een volledig rapport komen waarin wordt gekeken naar recente ontwikkelingen en de noodzaak om MiCA te herzien.
Welke initiatieven neemt u binnen de EU om de systeemrisico's van de cryptomarkt aan te pakken en te zorgen voor een gecoördineerde aanpak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 wordt aangegeven, is met de implementatie van MiCA en de implementatie van de BCBS-standaard voor crypto’s recent een regelgevend kader geïntroduceerd voor de cryptomarkten dat ook ziet op de financiële stabiliteit. Voor stablecoins zijn strengere prudentiële eisen gesteld, omdat stablecoins een specifiek risico voor de financiële stabiliteit kunnen vormen. Voor cryptoactiva die verhandeld worden binnen de Europese Unie geldt in elke lidstaat hetzelfde regelgevend kader. Elke lidstaat heeft een toezichthouder aangewezen die hier toezicht op houdt. In Nederland zijn de AFM en DNB verantwoordelijk voor het cryptotoezicht waarbij DNB toeziet op de prudentiële eisen.
Zoals in het antwoord op vraag 6 ook wordt gemeld, voert de Europese Commissie kort na het van kracht worden van de verordening een evaluatie uit om de werking van de verordening te beoordelen. Het tussentijdse verslag van die evaluatie wordt op 30 juni 2025 ingediend. Daarin wordt ook gekeken naar de effecten op de financiële stabiliteit. Verder is het belangrijk om systeemrisico’s in mondiale context te bekijken. Daarom blijf ik deze ontwikkelingen bespreken binnen internationale overlegorganen zoals de FSB.
Welke stappen onderneemt u om (jonge) beleggers te informeren over de risico's van investeren in cryptomunten, gezien de complexiteit en de potentiële systeemrisico's die hiermee gepaard gaan?
Om (jongere) beleggers te informeren over de risico’s van het handelen in cryptoactiva heeft het Ministerie van Financiën in 2022 de campagne Slim in Crypto gelanceerd. Het doel van de campagne was ervoor te zorgen dat jongeren goed voorbereid zijn op het moment dat zij cryptoactiva kopen. Via korte video’s op online platforms werden jongeren gewezen op bijvoorbeeld de volatiliteit van de koers of de complexiteit van de cryptoactiva. De website van de campagne is nog steeds in de lucht en is recent geactualiseerd nu MiCA van kracht is geworden.
Het platform Wijzer in geldzaken werkt op verschillende manieren aan het vergroten van het financiële bewustzijn en de financiële vaardigheden van mensen in Nederland en om jongeren financieel weerbaar te maken. Zo wordt elk jaar de «Week van het Geld» georganiseerd. Deze week dient als een belangrijke aanjager voor het structureel stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren, zowel op school als thuis. Het hele jaar door biedt Wijzer in geldzaken onderwijsmateriaal voor scholen aan met daarin aandacht voor de risico’s van investeren in crypto.
Tot slot voer ik een onderzoek uit naar de risico’s van het handelen in crypto. Hierbij kijk ik specifiek naar de rol van reclame en sociale media en naar de eventuele verslavingsgevoeligheid van het handelen in cryptoactiva. In het voorjaar van dit jaar zal ik de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek en eventuele beleidsvoornemens informeren.
Recente arresten van het Gerechtshof over de proceskostenvergoeding in Mulderzaken |
|
Michiel van Nispen |
|
Struycken |
|
Heeft u kennisgenomen van de recente arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de proceskostenvergoeding in Mulderzaken?1 Herinnert u zich tevens antwoorden op eerdere schriftelijke vragen hierover?2
Ja.
Wat zijn volgens u de consequenties van deze rechterlijke uitspraken voor de proceskostenvergoeding in Mulderzaken en de door de Kamer gewenste beleidswijziging, gerealiseerd met het amendement-Inge van Dijk c.s. bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen (Kamerstuk 36 427, nr. 7)?
Per 1 januari 2024 is de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm3 in werking getreden. De Wet herwaardering regelt onder meer dat overcompensatie wordt weggenomen bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zaken binnen deze rechtsgebieden. Door het amendement van het lid Van Dijk (CDA) c.s. is onder meer de verlaging van de proceskostenvergoeding ook van toepassing op Wahv-zaken (Mulderzaken). Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in de, in de vraag aangehaalde, arresten kort gezegd geoordeeld dat bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding onderscheid wordt gemaakt tussen Wahv-procedures enerzijds en andere bestuursrechtelijke procedures, niet zijnde WOZ- en bpm-procedures, anderzijds. Het hof concludeert dat het niet kan beoordelen of het gemaakte onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, omdat de daarvoor noodzakelijke informatie bij de totstandkoming van de regeling niet naar voren zou zijn gekomen. Omdat daardoor niet kan worden uitgesloten dat er strijd is met het discriminatieverbod, moet genoemde regeling, waarmee de proceskostenvergoeding wordt verlaagd in Mulderzaken, bij de vaststelling van een proceskostenvergoeding buiten toepassing worden gelaten, aldus het hof. Als gevolg van de arresten zal de reguliere, hogere vergoeding, zoals van toepassing op overige bestuursrechtelijke zaken, weer gelden.
Vindt u het ook nog steeds wenselijk, conform de bedoeling van de wetgever, dat proceskostenvergoedingen ook in Mulderzaken gematigd zouden moeten worden vanwege de vaak beperkte tijdsbesteding door de bureaus die bijstand verlenen, er vaak veel zaken op een dag behandeld worden door hetzelfde bureau en de proceskostenvergoedingen behoorlijk kunnen oplopen? Zo ja, welke maatregelen gaat u dan nemen om er voor te zorgen dat de bedoeling van de wetgever ook dusdanig onderbouwd of uitgedrukt wordt in de wet om de problematiek zoals die in de arresten tot uiting komt een antwoord te bieden?
Het vorige kabinet heeft het amendement destijds gesteund omdat de verwachting was dat de daarin besloten wijzigingen een grote bijdrage zouden leveren aan het tegengaan van de acute problematiek veroorzaakt door de toestroom van zaken van no cure no pay-bedrijven in de keten – met name bij het Openbaar Ministerie (OM) en de Rechtspraak – en daarbij het gebruik van proceskostenvergoeding als verdienmodel een halt zou worden toegeroepen. Voornoemde arresten leiden niet tot een andere afweging. Het is aan het OM om juridische vervolgstappen te nemen naar aanleiding van het arrest. Ik heb inmiddels vernomen van het OM dat zij de arresten van het hof bestudeert en zich beraadt op eventuele vervolgstappen. Het OM betrekt hierbij het recente arrest van de Hoge Raad over de hoogte van de proceskostenvergoeding in WOZ-zaken en bpm-zaken.4 De Hoge Raad heeft de verlaging van de proceskostenvergoeding in WOZ- en bpm-zaken niet in strijd geacht met het discriminatieverbod. Het OM betrekt in haar beraadslaging eveneens de recente uitspraken van de rechtbank Den Haag, waarin de kantonrechter gemotiveerd afwijkt van de in het antwoord op vraag 2 genoemde lijn uit de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden.5 Inmiddels heb ik eveneens vernomen dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad naar aanleiding van voornoemde arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden aangekondigd heeft voornemens te zijn om een vordering tot cassatie in belang der wet in te stellen.6 Afhankelijk van de uitkomsten zal verder worden bezien of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen nodig zijn.
Is volgens u een wijziging van de wet vereist, of zou kunnen worden volstaan met nadere informatie, omdat de overweging van het Hof luidt dat «bij gebrek aan in het kader van de totstandkoming aanwezige informatie» niet zou kunnen worden beoordeeld of sprake is van «strijd met het discriminatieverbod ex art 14 EVRM en/of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM»?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Duizenden asielzoekers krijgen werkvergunning nu regels soepeler zijn' |
|
Bente Becker (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Eddy van Hijum (CDA), Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Duizenden asielzoekers krijgen werkvergunning nu regels soepeler zijn»?1
Ja.
Klopt de analyse dat de toename toe te schrijven is aan het loslaten van de 24 weken eis? Zo nee, waarom niet? Welke redenen zouden hier nog meer aan ten grondslag kunnen liggen?
De inschatting is inderdaad dat de sterke toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen aan werkgevers voor het laten werken van asielzoekers voor een groot deel komt door het vervallen van de 24-weken-eis. Ook vóór de uitspraak over de 24-weken-eis was er al sprake van een stijging van het aantal aanvragen. De inschatting is dat de toename ook gedeeltelijk komt door de extra aandacht die er is geweest voor de mogelijkheid voor werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen. Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 november 20232 kunnen de tewerkstellingsvergunningen worden afgegeven voor een langere duur dan maximaal 24 weken in een periode van 52 weken. In het onderzoek van Regioplan3 zijn de verschillende belemmeringen voor de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers en voor werkgevers om hen in dienst te nemen uitgewerkt. Deze belemmeringen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën: wet- en regelgeving, maatschappelijke contextfactoren en individuele factoren. Uit dit rapport volgt dat de 24-weken-eis de grootste belemmering was binnen de categorie wet- en regelgeving.
Klopt het dat 25–30% van de tewerkstellingsvergunning (twv’s) wordt afgewezen? Zo nee, wat is dan het percentage? Op basis waarvan kan een afwijzing plaatsvinden? Wat zijn de meest belangrijke en opvallendste afwijzingsgronden?
UWV beoordeelt bij de behandeling van een tewerkstellingsvergunningaanvraag of aan de voorwaarden wordt voldaan. UWV doet, indien het een aanvraag voor een asielzoeker betreft onder andere navraag bij de IND en het COA om te controleren of de asielaanvraag van de asielzoeker tenminste zes maanden in behandeling is en er recht is op opvang. Ook controleert UWV onder andere of het loon marktconform is. Als de aanvraag voldoet aan alle vereisten, dan verleent UWV de tewerkstellingsvergunning aan de werkgever. De aanvraag kan worden afgewezen als er bijvoorbeeld geen positieve verklaring van de IND of van het COA is. Of als de werkgever een loon opgeeft dat voor de specifieke functie niet marktconform is.
In 2024 zijn er bij UWV 12.284 aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker ingediend. In 2024 is in 1.405 gevallen de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker geweigerd. Dit komt neer op een percentage van 11,44% geweigerde aanvragen van de in 2024 ingediende aanvragen.
UWV heeft in de publicatie «Tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers. Eén jaar na de afschaffing van de 24-wekeneis.» van december 2024 aangegeven dat gemiddeld ongeveer 25 tot 30% van de aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker wordt of afgewezen of de aanvraag ingetrokken. Hierbij is er vaak sprake van een combinatie van redenen op grond waarvan de aanvraag wordt stopgezet of afgewezen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:
Onderstaande tabel met de redenen voor het intrekken van de aanvragen of van het afwijzen van de aanvraag voor de tewerkstellingsvergunning is opgenomen in de voornoemde publicatie.
Hoe lang duurt het proces vanaf de aanvraag van de twv tot de inwilliging of afwijzing gemiddeld in het geval van asielzoekers? Hoe verhoudt zich dit tot het proces voor niet-asielzoekers?
De wettelijke beslistermijn voor UWV om een beslissing te nemen op een aanvraag van een werkgevers voor een tewerkstellingsvergunning bedraagt vijf weken. In de periode april–augustus vorig jaar liep de behandeling van de aanvragen van tewerkstellingsvergunningen echter vertraging op, waardoor werkgevers rekening moesten houden met vier extra weken. De oorzaak was de samenloop van een grote toename van het aantal aanvragen en de implementatie van een nieuw verwerkingssysteem bij UWV. UWV heeft hierop extra maatregelen genomen en de achterstanden zijn sinds medio augustus weer ingelopen.
UWV heeft naar aanleiding van een verzoek vanuit SZW een verkenning uitgevoerd of en vanaf wanneer zij complete aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker, binnen een streeftermijn van twee weken zouden kunnen behandelen in plaats van binnen de wettelijke beslistermijn van vijf weken. De reden van dit verzoek is dat uit het onderzoek van Regioplan is gebleken dat de beslistermijn van vijf weken een belemmering vormt voor werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen. UWV heeft aangegeven deze afhandelingstermijn van twee weken bij complete vragen per 1 januari 2025 na te streven.
Van de aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker die in de maanden november en december 2024 compleet werden aangeleverd, heeft UWV in 83,7% respectievelijk 80% van de aanvragen binnen twee weken een tewerkstellingsvergunning verleend. De gemiddelde doorlooptijd van een complete aanvraag was in die maanden 13 dagen. Van de niet compleet aangeleverde aanvragen heeft UWV in november en december 2024 in 70,9 respectievelijk 83,4% van de gevallen een tewerkstellingsvergunning binnen vijf weken verleend. De gemiddelde doorlooptijd van deze aanvragen was in december 2024 28 dagen.
Voor alle aanvragen, dus ook voor de aanvragen voor asielzoekers, heeft UWV een wettelijke beslistermijn van vijf weken, waarbij UWV een tijdigheidscijfer van 90% nastreeft.
Klopt het dat een afwijzingsgrond kan zijn dat de vreemdeling uitgezet wordt/vertrekt? Hoe vaak komt dit voor?
De regeling voor asielzoekers om te werken ziet op de asielzoekers voor wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en door wie een asielaanvraag is ingediend. Het gaat dan om asielzoekers die in afwachting zijn van de beslissing op hun aanvraag of in afwachting van de beslissing op een bezwaar- of beroepsschrift. Er moet sprake zijn van een lopende asielaanvraag die in behandeling is. Voor Dublinclaimanten, waarbij de persoon in afwachting is op de overdracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, is deze regeling niet van toepassing. Bij een tewerkstellingsvergunningaanvraag voor personen uit deze groep gelden de reguliere voorwaarden, waarbij onder andere ook een toets op prioriteitgenietend aanbod wordt uitgevoerd.
Onder de herziene Opvangrichtlijn die uiterlijk 12 juni 2026 moet zijn geïmplementeerd geldt dat onder andere Dublinclaimanten geen toegang meer krijgen tot de arbeidsmarkt. Dit geldt eveneens voor een aantal andere categorieën asielzoekers binnen de versnelde procedure voor wie de kans klein is dat hun asielaanvraag zal worden ingewilligd, bijvoorbeeld asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst.
Hoe groot is het aandeel veilige landers en «kansarme» asielzoekers dat een twv krijgt als onderdeel van het totaal aantal asielzoekers dat een twv krijgt?
In de regelgeving voor het afgeven van tewerkstellingsvergunningaanvragen voor asielzoekers geldt op dit moment geen onderscheid tussen asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst of asielzoekers met een lage kans op inwilliging van hun asielverzoek. Omdat van een dergelijke differentiatie op dit moment nog geen sprake is kan niet worden aangegeven voor hoeveel asielzoekers uit deze groepen op dit moment een tewerkstellingsvergunning aan de werkgever is afgegeven.
Op basis van de nationaliteit van de asielzoeker en op basis van de lijst met de landen die zijn aangewezen als veilig land4, kan UWV wel aangeven hoeveel tewerkstellingsvergunningen zijn verleend aan asielzoekers met de nationaliteit van een veilig land. Op basis van de nationaliteiten op de lijst met veilige landen is in 2024 voor 93 asielzoekers met de nationaliteit van een veilig land een tewerkstellingsvergunning verleend op een totaal van 12.284 aanvragen (waarvan er 1.405 aanvragen zijn afgewezen). Van het aantal in 2024 afgegeven tewerkstellingsvergunningen is een percentage van minder dan 1% van de vergunningen afgegeven voor het laten werken van een asielzoeker uit een veilig land van herkomst.
Klopt het dat de aangenomen motie van de leden Becker en Flach 32 824, nr. 435 wordt meegenomen bij het uitwerken in het EU-migratiepact, zoals toegezegd aan het lid Rajkowski (VVD) bij het begrotingsdebat Asiel en Migratie?2
Ja. De herziene Opvangrichtlijn moet uiterlijk op 12 juni 2026 geïmplementeerd zijn. De uitwerking van de motie Becker/Flach wordt in dit implementatietraject meegenomen. Onder de herziene Europese Opvangrichtlijn wordt een aantal categorieën asielzoekers uitgesloten van toegang tot de arbeidsmarkt. Het gaat hierbij om een aantal groepen asielzoekers binnen de versnelde procedure voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun aanvraag zal worden ingewilligd, bijvoorbeeld omdat:
De uitsluiting van de arbeidsmarkt geldt ook voor Dublinclaimanten die een overdrachtsbesluit hebben gekregen.
Op vrijdag 20 december is de implementatiewet voor het Asiel- en migratiepact 2026 in consultatie gebracht. In dit wetsvoorstel is ook een wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen. Met deze wijziging zijn een nieuwe weigeringsgrond en een intrekkingsgrond opgenomen voor tewerkstellingsvergunningaanvragen. Hiermee moeten aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker voor wie binnen de versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten, zoals ook opgenomen in de motie, worden geweigerd. Daarnaast moet een reeds verleende tewerkstellingsvergunning worden ingetrokken indien de asielzoeker onder een categorie binnen de versnelde procedure komt te vallen voor wie geen toegang tot de arbeidsmarkt is.
Hoe staat het met de uitvoering van de toezegging aan het lid Aartsen (VVD) over het anticiperen van het UWV op het beperken van de mogelijkheden voor de mensen uit veilige landen die minder kans hebben op een asielvergunning om toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt?
Om vooruitlopend op de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn het beperken van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers uit veilige landen te realiseren is niet haalbaar. Op dit moment is er in de regelgeving nog geen onderscheid opgenomen tussen verschillende categorieën asielzoekers o.b.v. de herkomst uit een veilig land. Met de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn wordt dit onderscheid wel opgenomen. Hierbij geldt echter voor bijvoorbeeld de veilige landen van herkomst straks een Europese lijst, in plaats van de huidige nationale lijst. Of deze Europese lijst overeenkomt met de huidige Nederlands lijst is nog niet bekend. Voor het uitsluiten van de toegang tot verschillende groepen asielzoekers tot de arbeidsmarkt is een wettelijke grondslag nodig. Op dit moment werkt de IND met een sporenbeleid, waarbij spoor 1 de Dublinprocedure betreft en asielzoekers uit een veilig land van herkomst in behandelspoor 2 worden ingedeeld. Deze asielaanvragen in spoor 2 worden in de vereenvoudigde asielprocedure behandeld. Om deze groepen al vooruitlopend op de implementatie uit te sluiten van de toegang tot de arbeidsmarkt zou de Wet arbeid vreemdelingen aangepast moeten worden. Deze wijziging is opgenomen in de implementatiewet voor het Asiel- en migratiepact 2026. Zolang deze wet nog niet in werking is getreden kan de vergunningsaanvraag niet worden afgewezen, aangezien de wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. Anticiperen op wetgeving is in dit geval niet mogelijk. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich tegen het anticiperen op wetgeving indien dit zou leiden tot een nadeliger positie van degene ten aanzien van wie geanticipeerd wordt op wetgeving.
Daarnaast heeft dit ook impact op het proces bij de uitvoering, onder andere bij UWV en IND. Gelet op de benodigde tijd voor een dergelijke aanpassing van de wet en het feit dat de herziene Opvangrichtlijn uiterlijk in juni 2026 geïmplementeerd moet zijn is het niet realistisch om gelet op zowel de juridische als de uitvoeringstechnische bezwaren, daaraan voorafgaand nog andere wijzigingen door te voeren. Dit zou namelijk de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn dusdanig belemmeren dat tijdige implementatie lastig zal worden. Hiermee acht ik de toezegging aan het lid Aartsen afgedaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om veilige landers/«kansarme» asielzoekers hier te laten werken, terwijl de kans op een verblijfsvergunning nihil is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Onder de herziene Europese Opvangrichtlijn wordt een aantal categorieën asielzoekers uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt. Het gaat dan om asielzoekers met een kleine kans op inwilliging van hun asielaanvraag (zie het antwoord op vraag 7). Dit betekent dat asielzoekers die vallen onder één van deze categorieën wanneer zij onder de versnelde procedure vallen na de implementatie niet mogen werken. De herziene Opvangrichtlijn moet uiterlijk 12 juni 2026 zijn geïmplementeerd en zoals bij het antwoord op vraag 7 reeds is aangegeven is de wetswijziging hiertoe momenteel reeds voorgelegd voor internetconsultatie.
Ik vind het belangrijk dat asielzoekers voor wie de kans juist groot is dat zij een asielvergunning krijgen snel aan het werk kunnen. Met het werk kunnen zij namelijk sneller de taal leren, bouwen zij een netwerk op en doen zij werkervaring op. Werk is daarnaast een goede manier om te leren over de Nederlandse gewoontes en cultuur. Daarnaast leveren zij zo een bijdrage aan de Nederlandse samenleving en aan de kosten van de opvang. Ook in het regeerprogramma is opgenomen om onder andere specifiek asielzoekers van wie de kans groot is dat zij een asielvergunning krijgen – in lijn met de herziene Opvangrichtlijn die wordt geïmplementeerd – te stimuleren om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en belemmeringen hiertoe weg te nemen.