Hulp na seksueel misbruik |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Karremans |
|
![]() |
Kunt u uiteenzetten wat er sinds eerder gestelde Kamervragen in 2020 is gebeurd om seksueel misbruik bij kinderen en jongeren eerder te herkennen en te behandelen?1 Wat is er bijvoorbeeld nu concreet verbeterd met de programma’s over traumascreening en de pilots waar naar wordt verwezen in de antwoorden op deze Kamervragen?
Binnen het programma Geweld hoort nergens thuis (2018–2021) zijn instrumenten ontwikkeld voor de verschillende groepen beroepsprofessionals. Zo zijn praktische hulpmiddelen ontwikkeld voor het screenen van ingrijpende ervaringen en het herkennen van trauma en handelen ten behoeve van traumasensitiviteit.
Met ondersteuning van gemeenten en het Ministerie van VWS wordt expertiseplatform trauma en gehechtheid na huiselijk geweld «de Drakentemmers» ondersteund. Dit platform heeft als doel de deskundigheid van behandelaren en professionals over trauma, onder andere na seksueel geweld, te bevorderen. Inmiddels zijn 250 behandelaren en 1.100 andere professionals uit 265 organisaties aangesloten. Trauma behandelaren en professionals in het sociaal en veiligheidsdomein kunnen zich verder professionaliseren via leerlijnen en zij kunnen op het platform hun kennis en vaardigheden uitbreiden door onlinetrainingen en begeleide intervisie.
Daarnaast wordt binnen het traject «Goed georganiseerd landschap van hulp-, meld- en steunpunten», stapsgewijs gewerkt aan verbeteringen vanuit het slachtofferperspectief voor slachtoffers van seksueel geweld en hun omgeving. Deze verbeteractie is opgenomen in het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel geweld en grensoverschrijdend gedrag2. De organisaties die onderdeel uitmaken van de multidisciplinaire samenwerking rond slachtoffers van seksueel geweld hebben de handen ineengeslagen om vanuit het perspectief van het slachtoffer het landschap van steun-, hulp- en meldpunten én de samenwerking hiertussen te verbeteren. Te weten: Politie, Openbaar Ministerie (OM), Veilig Thuis (VT), Centrum Seksueel Geweld (CSG), Slachtofferhulp Nederland (SHN) en Perspectief Herstelbemiddeling (PH), samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Er is een concept werkwijze ontworpen op basis waarvan slachtoffers (kinderen én volwassenen) van on- en offline seksueel geweld en hun omgeving, door een gestandaardiseerde aanmelding, multidisciplinaire beoordeling en eenduidige casusregie, de meest passende inzet van organisaties op het gebied van veiligheid, medische, forensische en psychische zorg, strafrecht en/of herstel wordt geboden3.
Is de kennis over het herkennen van seksueel misbruik onder hulpverleners verbeterd, en wordt dit onderwerp meegenomen in opleidingen of na- en bijscholing?
Het is belangrijk dat kennis en deskundigheid wordt bevorderd onder professionals. Daarom zetten we in op bundeling van kennis over de herkenning, aanpak en behandeling van (trauma's van minderjarige) slachtoffers van (georganiseerd en gewelddadig) seksueel misbruik. Doel is het bundelen en ontsluiten van wetenschappelijke, praktijk- en ervaringskennis. Dit doen we samen met de sector en de professionals waar het om gaat.
Herkent u signalen van onder meer het Centrum Seksueel Geweld dat het vaak moeilijk is om passende vervolgbehandelingen te vinden vanwege de wachtlijsten in de GGZ? Zo ja, deelt u de mening dat hier ook een verantwoordelijkheid ligt bij u om te zorgen dat er meer capaciteit komt?
Ja, dit herken ik. In de GGZ hebben we helaas al lange tijd te maken met wachttijden, waardoor sommige mensen te lang op zorg moeten wachten. Dit geldt ook voor mensen die in behandeling zijn in verband met psychische problematiek als gevolg van seksueel misbruik.
Wat betreft de verantwoordelijkheden in ons stelsel wijs ik er op dat in ons stelsel de zorgverzekeraar een zorgplicht heeft jegens iedere individuele verzekerde en daarmee de taak om voldoende zorg in te kopen voor al zijn verzekerden. Tegelijkertijd voel ik mij als vanzelfsprekend verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van de GGZ. In dit kader hebben we daarom eerder in het Integraal Zorg Akkoord (IZA) een brede set aan maatregelen genomen om eraan bij te dragen dat de zorg toegankelijker wordt4.
De komende periode wil ik daarnaast aanvullende afspraken met financiers en aanbieders van zorg maken over de toegankelijkheid van de GGZ, dit in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord. Uw Kamer zal hierover op korte termijn worden geïnformeerd.
Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid om bijvoorbeeld meer financiële middelen beschikbaar te maken zodat er meer gespecialiseerde traumapsychologen met specifieke expertise op dit gebied kunnen worden aangenomen?
Voor een traumapsycholoog geldt dat dit vaak een psycholoog of psychotherapeut met een specialisatie in trauma of PTSS-behandeling is. Dit kan een basispsycholoog, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog of psychiater zijn. Deze opleidingen financieren we centraal vanuit de overheid door middel van een beschikbaarheidsbijdrage. Verdere specialisaties vallen buiten deze bekostiging.
Om te bepalen wat de benodigde opleidingsplekken zijn voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog en psychiater in heel Nederland wordt dit gebaseerd op de ramingen van het Capaciteitsorgaan die hierover een onafhankelijk advies geeft.
In hoeverre is het voornemen om te waarborgen dat gespecialiseerde kennis over seksueel misbruik ook aanwezig is bij de Bovenregionale Expertisenetwerken Jeugd (BEN) die in 2020 nog in de opstartfase zaten, ook echt uitgekomen? Hoe wordt deze kennis ingezet?
De projectleiders van de Bovenregionale Expertisenetwerken (BEN) wisselen op landelijk niveau ervaring, kennis en ontwikkelingen uit om van elkaar te leren en te voorkomen dat jeugdigen met complexe hulpvragen tussen wal en schip vallen in de hulpverlening. Elk BEN faciliteert uitwisseling van kennis en expertise tussen de Regionaal Expertteams in hun landsdeel, bijvoorbeeld via gezamenlijke bijeenkomsten, reflectie of vragen over casuïstiek. Ook faciliteren de BENs scholingen voor professionals op het gebied van kennisbevordering en ontwikkeling ten behoeve van jeugdigen met de meest complexe hulpvragen.
In opdracht van de BENs is een Deltaplan Jeugdtrauma5 ontwikkeld omdat uit vele vastgelopen, complexe hulpvragen blijkt dat ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden niet tijdig of niet goed gesignaleerd of behandeld zijn. Seksueel misbruik of seksueel geweld is zo’n ingrijpende levensgebeurtenis die kan lijden tot trauma. De ambitie van dit landelijke meerjarenplan is om onverwerkte ingrijpende jeugdervaringen en de impact hiervan te verminderen. Dit gebeurt met alle domeinen waar dit aan raakt, zoals onderwijs, zorg, kinderopvang, informele steun- en wijkorganisaties, justitie, schuldhulpverlening en wetenschap.
Herkent u de signalen dat het voor specifieke groepen mensen zoals vluchtelingen, migranten, LHBTIQ+, mannen, of mensen met een beperking, nog moeilijker is om hulp te vinden? Zo ja, is hier specifieke aandacht voor? Op welke manier?
Ja, dit herken ik. Het Centrum Seksueel Geweld heeft in haar dienstverlening aandacht voor onder meer lhbtiq+ personen, mannen en mensen met een beperking. Mensen kunnen (anoniem) in gesprek gaan met hulpverleners waarna passende hulp wordt geboden.
De Staatssecretaris van OCW ondersteunt meerjarig een aantal allianties van maatschappelijke organisaties om drempels te verlagen en kennis te vergroten. Zoals de alliantie Act4Respect en Verandering van Binnenuit.
Daarnaast heeft het Ministerie van OCW van 2022 tot en met 2024 het project SAMEN ondersteund. Dit project bood verschillende diensten om seksueel, gender gerelateerd en huiselijk geweld binnen migrantengemeenschappen in Nederland te voorkomen en bestrijden. Uit het project komt een rapport met aanbevelingen
zoals het versterken van de positie van sleutelpersonen, een faciliterende rol van gemeenten voor laagdrempelige hulpverlening en een cultuursensitieve benadering door professionals.
Verder wordt op dit moment toegewerkt naar een werkagenda voor de implementatie van het VN Verdrag Handicap. Onderdeel van deze werkagenda is het beter beschermen van mensen met een beperking tegen geweld en misbruik. Hierbij is specifiek aandacht voor de toegankelijkheid en verbetering van informatie over hulp en ondersteuning voor mensen met een beperking die slachtoffer zijn van geweld en misbruik.
Op welke manier worden mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking beschermd tegen seksueel geweld? Deelt u de mening dat mensen die niet kunnen lezen of schrijven of zich moeilijk kunnen uiten in een extra kwetsbare positie zitten?
Ik deel met u dat mensen in een afhankelijkheidsrelatie in een kwetsbare positie kunnen zitten. Voor bewoners met een beperking in een instelling is er een aantal waarborgen om (seksueel) geweld tegen te gaan. In zijn algemeenheid moeten professionals in de zorg gebruik maken van de meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling. Deze meldcode is bedoeld voor (vermoedens van) fysiek, psychisch of seksueel geweld en verwaarlozing. De stappen in de meldcode helpen de professionals vanaf het moment van signaleren tot aan het besluit over het al dan niet doen van een melding bij Veilig Thuis en het verlenen van hulp.
Daarnaast staat in artikel 11:2 van het cao-gehandicaptenzorg beschreven dat een gehandicaptenzorginstelling een plan van aanpak heeft op de aanpak van onveiligheid (waaronder grensoverschrijdend gedrag). In dit plan van aanpak staat hoe de organisatie invulling geeft aan de bewustwording en erkenning van grensoverschrijdend gedrag, hoe invulling wordt gegeven aan preventie en welke afspraken gelden op moment dat er zich toch een incident voordoet.
Tot slot voert de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke zorg de beleidsvisie «intimiteit en seksualiteit voor mensen met een beperking» uit6. Hierin is preventie van grensoverschrijdend gedrag door het bespreekbaar maken van intimiteit en seksualiteit een thema.
Is er bijvoorbeeld aangepaste informatie voor mensen die wonen in een instelling? Zijn er voldoende gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief langsgaan en alert zijn op mogelijke signalen van misbruik en grensoverschrijdend gedrag?
Er is aangepaste informatie beschikbaar over grensoverschrijdend gedrag en relaties voor mensen met een (verstandelijke beperking). Deze informatie wordt ontwikkeld door particulieren en/of zorgorganisaties. Denk bijvoorbeeld aan begrijpelijke website Steffie7, maar ook het programma «Lief, Lijf en Leven»8.
Er is geen zicht op het aantal gespecialiseerde vertrouwenspersonen dat proactief langsgaat bij instellingen. In de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking (20 maart 2024) heeft mijn ambtsvoorganger met uw Kamer gedeeld dat de aanpak van het kabinet zich vooral richt op het voorkómen van grensoverschrijdend gedrag, bijvoorbeeld door het vergroten van bewustwording vooraf en het bespreekbaar maken van intimiteit en seksualiteit. Cliëntenvertrouwenspersonen alleen kunnen een gesloten systeem niet veranderen, daar is bewustwording en bespreekbaarheid voor nodig.
Het is essentieel dat voorkomen moet worden dat mensen met een beperking in een afhankelijkheidsrelatie te maken krijgen met ongewenst gedrag. Voor zowel cliënten als medewerkers in de zorginstellingen en zorgboerderijen moet sprake zijn van een veilige omgeving. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke zorg onderzoekt daarom de mogelijkheden van een transparantieregister, waarmee meer zicht komt op waar kleinschalige woonvormen zich bevinden zodat deze meegenomen kunnen worden in het toezicht van de IGJ. Ook is het van belang dat alle mensen die zorginstellingen bezoeken alert zijn op signalen van grensoverschrijdend gedrag en ook weten wat ze ermee moeten doen. Dat gaat dus om het vergroten van de bewustwording. Daarmee gaat de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke zorg aan de slag. U wordt geïnformeerd over de plannen in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda die dit voorjaar met uw Kamer wordt gedeeld.
In 2016 speelde seksueel misbruik bij 40% van de opnames in de gesloten jeugdzorg een rol. Zijn hier inmiddels nieuwe cijfers over bekend? Zo ja, wilt u die delen?
Het aantal meisjes dat geplaatst wordt in de gesloten jeugdhulp is sindsdien met 35% afgenomen. Op basis van wat bekend is in de instroomgegevens is het nog steeds dat van de meisjes die nu nog in de gesloten jeugdhulp geplaatst worden ongeveer 40% te maken heeft gehad met seksueel misbruik.
Is bekend hoe vaak slachtoffers van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen of in de GGZ in een afgesloten ruimte (isoleercel of afgesloten kamer) worden geplaatst?
De eindrapportage van «Ik laat je niet alleen» laat zien welke typen vrijheidsbeperkende maatregelen hoe vaak zijn ingezet in de gesloten jeugdhulp van januari tot en met september 2023. In 4,3% van de gevallen ging het om insluiting waarbij de isoleer/separeerruimte op slot zat. In 1,7% van de gevallen ging het om een overige ruimte met de deur op slot. In 14,6% van de gevallen werd de eigen kamer op slot gedaan9. Sinds de inwerkingtreding van de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp mag insluiting alleen toegepast worden in een noodsituatie bij jongeren van 12 jaar en ouder. Die insluiting moet plaatsvinden in een afzonderlijke en veilige verblijfsruimte. Het is niet bekend in hoeveel van de
gevallen een insluiting een slachtoffer van seksueel misbruik betreft. Voor de GGZ geldt ook dat aan de IGJ wordt gemeld hoe vaak dwang wordt ingezet, maar daarbij zijn cijfers in relatie tot specifiek seksueel misbruik niet bekend.
In hoeverre wordt bij preventief onderzoek of dwangmaatregelen ook rekening gehouden met de slachtoffers van seksueel misbruik?
Toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in de gesloten jeugdhulp mag alleen plaatsvinden op basis van het nee, tenzij-principe. Dat betekent dat die maatregelen niet mogen worden toegepast tenzij er geen minder bezwarend alternatief is, de maatregel proportioneel is en naar verwachting effectief is. Bij de weging van de effectiviteit hoort (uiteraard) ook dat hierbij rekening wordt gehouden met omstandigheden als misbruik en andere ervaringen die extra belastend kunnen zijn voor de jeugdige. Toepassing voor een extra vrijheidsbeperkende maatregel moet door daarvoor toegeruste medewerkers gebeuren. Voordat zij een dergelijke maatregel toepassen, moeten zij dus de situatie van de jeugdige betrekken en het gesprek hierover proberen aan te gaan.
Binnen de gesloten jeugdhulp mag bij het gegronde vermoeden van aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen of van voorwerpen die een jeugdige niet in zijn bezit mag hebben, de jeugdhulpverantwoordelijke bij een jeugdige onderzoek aan het lichaam of de kleding doen. Ook dan geldt het nee, tenzij-principe. Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige moet bovendien worden verricht op besloten plaatsen en voor zover mogelijk door personen van het geslacht dat de voorkeur heeft van de jeugdige. In open jeugdhulpinstellingen mogen deze onderzoeken niet plaatsvinden.
Ook in de GGZ geldt dat dwang zo min mogelijk wordt toegepast en dat hierbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van betrokkene. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kent hiervoor allerlei waarborgen.
Ziet u naar aanleiding van het verslag van de European Committee for the prevention against torture and inhuman or degrading threatment or punishment (CPT) aanleiding om het beleid te veranderen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de precieze afspraken die u gaat maken?
De preliminary observations van het CPT heb ik op 19 december 2024 samen met mijn brief hierover met de Kamer gedeeld. Bij het bezoek is gebleken dat bij één afdeling van de bezochte locaties het onderzoek aan het lichaam op een niet-toegestane wijze gebeurde. De betreffende instelling heeft meteen na het CPT-bezoek besloten de uitvoering van deze maatregel aan te passen. Ook heb ik van de constatering van het CPT-melding gedaan bij de IGJ, want ik ben het vanzelfsprekend met de CPT-delegatie eens dat dit niet acceptabel is.De observaties van het CPT zijn voor mij aanleiding geweest in overleg te treden met de aanbieders en gemeenten om te komen tot afspraken over de implementatie van de wet. Uitgangspunt daarvoor zijn de hoofdoelen van de wetsherziening van januari 202410: rechtsbescherming jeugdigen en verminderen van de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen. Bestuurders gesloten jeugdhulp hebben besloten er beter op te gaan toezien dat alleen daarvoor opgeleide medewerkers de maatregel vastpakken en vasthouden toepassen. Over de verdere invulling en uitvoering van de afspraken met de sector informeer ik u in de kabinetsreactie op het eindrapport van het CPT. Afhankelijk van die rapportage, zal ik ook overwegen of verdere stappen of beleidswijzigingen noodzakelijk zijn.
Is bekend of slachtoffers van seksueel geweld (zowel kinderen als volwassenen) inmiddels tijdig en adequate hulp kunnen krijgen? Zo nee, bent u bereid om dit met de sector in kaart te brengen?
Slachtoffers van seksueel geweld kunnen gebruik maken van een divers aanbod aan zorg en ondersteuning, of het geweld nu recent of langer geleden heeft plaatsgevonden. Slachtoffers kunnen bijvoorbeeld 24/7 gebruik maken van de telefoon- en chatdiensten van organisaties als Fier, Centrum voor Seksueel Geweld en Slachtofferhulp Nederland. Bij recent geweld (korter dan 7 dagen geleden) is o.a. het Centrum voor Seksueel Geweld beschikbaar voor het bieden van medische en psychische zorg en ondersteuning en (met toestemming van het slachtoffer) sporenonderzoek. Daarna, of wanneer het geweld langer geleden heeft plaatsgevonden, ontvangt het slachtoffer specialistische zorg via de reguliere zorgroutes. Voor volwassenen gaat het hier om specialistische zorg in de reguliere GGZ, voor minderjarigen om zorg vanuit de Jeugdwet. Urgentie van de problematiek is bij wachttijden leidend, ongeacht de oorzaak van de ontstane (multi)problematiek.
De kwaliteit van zorg en de aanpak van wachttijden maken een belangrijk onderdeel uit van verschillende zorgakkoorden en programma’s, waaronder het IZA en de Hervormingsagenda Jeugd. De in deze akkoorden en programma’s gemaakte afspraken en uit te voeren activiteiten dragen ook bij aan een vermindering van de wachttijd voor slachtoffers van seksueel geweld. Een aparte aanpak voor slachtoffers van seksueel geweld is daarmee niet gewenst.
In hoeverre is de website watkanmijhelpen.nl nog actueel? Wordt deze website bijgehouden en actief onder de aandacht gebracht?
De website watkanmijhelpen.nl is per oktober 2024 niet meer beschikbaar. Bezoekers worden automatisch doorgestuurd naar informatie over slachtofferbeleid op Rijksoverheid.nl. De website was onderdeel van de meerjaren campagne «Wat kan mij helpen». Met deze campagne wilde het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met Slachtofferhulp Nederland, het Centrum Seksueel Geweld en de politie, mensen die een negatieve seksuele
ervaring hebben meegemaakt motiveren hulp te zoeken, omdat deze hulp hen iets kan opleveren. Er is besloten om de website offline te halen, omdat de campagne is afgerond en beter toegankelijke informatie inmiddels via andere kanalen beschikbaar is.
Zijn er cijfers bekend van aantallen bezoekers van deze website en is bekend of mensen die op zoek zijn naar informatie ook worden geholpen? Deelt u de mening dat de informatie op deze website niet heel toegankelijk is geschreven en bent u bereid om dit aan te passen?
Zoals hierboven genoemd is de website watkanmijhelpen.nl niet meer beschikbaar. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen hulp en ondersteuning krijgen via de website, chat en telefoon van het Centrum Seksueel Geweld en Slachtofferhulp Nederland. Daarnaast biedt Slachtofferwijzer.nl een platform waar slachtoffers de juiste informatie, hulp en ervaringsverhalen kunnen vinden. Dit platform is een initiatief van Fonds Slachtofferhulp. Op deze website, die sinds 2012 beschikbaar is, kunnen slachtoffers, hun naasten, hulpverleners en geïnteresseerden informatie vinden over praktische, juridische, emotionele en financiële hulpverlening. De site wordt door ruim 45.000 unieke bezoekers per maand bezocht. Informatie over hulpverlening op het terrein van seksueel misbruik is een van de thema’s waar de meeste bezoekers naar zoeken. Het afgelopen jaar heeft Fonds Slachtofferhulp met subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de website grondig vernieuwd. De site is inhoudelijk en technisch extra toegankelijk gemaakt, bijvoorbeeld voor mensen met een visuele of taalkundige beperking. Daarnaast komt de site inhoudelijk beter tegemoet aan de behoeften en belevingswereld van slachtoffers. Slachtoffers ervaren door de stepped care benadering meer maatwerk en (h)erkenning voor hun specifieke situatie en behoeften.
Daarnaast heeft Fonds Slachtofferhulp een online platform voor en door jongeren ontwikkeld over (online) seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik.
Klopt het dat seksuologische hulp niet wordt vergoed? Zo ja, deelt u de mening dat hier een uitzondering voor zou moeten komen voor slachtoffers van seksueel geweld? Zo nee, waarom niet?
Seksuologie wordt vergoed uit het basispakket, als het deel uitmaakt van een psychische behandeling in de GGZ. Hierbij is het niet relevant of de (medische) noodzaak voor zorg ontstaat door ziekte, een aandoening of een externe oorzaak, zoals grensoverschrijdend gedrag of seksueel geweld dat is aangedaan. De vergoeding van zorg is namelijk gebaseerd op de (gezondheids)indicatie.
Het bericht dat gezinnen de prijs betalen voor structurele tekorten in de kraamzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat gezinnen de prijs betalen voor structurele tekorten in de kraamzorg?1
Ik vind het belangrijk dat zwangeren en hun partners de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start hebben, en dat kinderen een goede start in het leven maken. Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. De afgelopen tijd hebben zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders zich ingespannen om iedere kraamvrouw die dat wil te voorzien van kraamzorg. Ik vind het vervelend dat het ondanks al deze inspanningen nog niet altijd lukt om iedere zwangere die dit wil, van kraamzorg te voorzien. Het blijft een gezamenlijke opdracht om de krapte in de kraamzorg te verminderen en passende zorg beschikbaar te houden voor alle zwangeren en hun gezinnen.
Met oog op het werken aan een toekomstbestendige sector hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg een convenant2 afgesloten. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over het opleiden van extra kraamverzorgenden en het waarborgen van het minimaal aantal uren kraamzorg voor elke kraamvrouw. Daarnaast hebben ZN en Bo Geboortezorg een gezamenlijke toekomstvisie opgesteld, die verder wordt uitgewerkt in een versnellingsagenda kraamzorg. Voor de korte termijn zijn er aanvullende afspraken gemaakt over de zorglevering in 2025. Ik waardeer dat beide partijen hun verantwoordelijkheid hebben genomen en werken aan een toekomstbestendige sector. Het Ministerie van VWS ondersteunt deze inspanningen onder meer via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg.
Hoe reageert u op de signalen dat steeds meer gezinnen aangeven de eigen bijdrage voor kraamzorg niet te kunnen betalen en dat het aantal gezinnen dat minder kraamzorg krijgt vanwege de kosten in drie jaar is verdriedubbeld? Hoe verhoudt dit zich tot het belang dat het kabinet hecht aan de eerste 1.000 dagen van kinderen?
Ik vind het belangrijk dat zorg terecht komt bij de gezinnen die dit het hardst nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Ik vind het daarom zorgwekkend dat steeds meer gezinnen ervoor kiezen af te zien van kraamzorg.
Op landelijk niveau zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal mensen en de exacte reden waarom zij afzien van kraamzorg. Wel blijkt uit onderzoek3 dat niet alleen financiële overwegingen reden zijn voor het minder of niet gebruiken van kraamzorg. Dit ligt genuanceerder. In sommige gevallen is bijvoorbeeld de informatie over de kraamzorg en de eigen bijdrage onvoldoende toegespitst op kwetsbare doelgroepen, waardoor zij afzien van kraamzorg. Ook kunnen de tekorten in de sector een rol spelen bij de verminderde afname van kraamzorg.
Om passende kraamzorg te realiseren is er door Bo Geboortezorg en ZN een gezamenlijk visie en versnellingsagenda voor de kraamzorg ontwikkeld4. De twee partijen willen hierin ook aandacht besteden aan de eigen bijdrage. Ik volg dit proces nauwgezet en houd vinger aan de pols.
Deelt u de mening dat het idee van gelijke kansen een keiharde leugen blijkt op het moment dat u mensen vanaf dag één beboet door het opleggen van een eigen bijdrage als ze hun kind een goede start willen geven? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Ik vind het belangrijk dat kraamvrouwen, hun pasgeborene(n) en gezin de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Vanuit het Ministerie van VWS wordt dit bijvoorbeeld ondersteund door middel van het landelijk actieprogramma Kansrijke Start. Ook worden gemeentepolissen voor minima aangeboden voor het dekken van de eigen bijdrage.
Zoals aangegeven bij vraag 2, zijn financiële overwegingen niet de enige reden om af te zien van kraamzorg. Ook informatievoorziening en de tekorten in de sector spelen hierin een rol.
Ik ben blij dat Bo Geboortezorg en ZN werken aan een toekomstbestendige sector en passende kraamzorg. Ik acht het van groot belang dat zij uitvoering geven aan de versnellingsagenda en de komende maanden betekenisvolle stappen zetten. Het Ministerie van VWS ondersteunt deze transitie onder andere via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg en aanvullende onderzoeksmiddelen via het ZonMw programma Zwangerschap en geboorte III.
Bent u bereid om de eigen bijdrage voor kraamzorg af te schaffen, zodat kraamzorg niet langer ontoegankelijk wordt gemaakt voor ouders met een lager inkomen?
Het afschaffen van de eigen bijdrage voor de kraamzorg kost circa 25 miljoen. Ik heb daar geen dekking voor. De kraamzorg is wel uitgezonderd van het eigen risico.
In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat met ingang van 2027 het eigen risico meer dan gehalveerd wordt door deze te verlagen naar € 165,–. Daarnaast wordt vanaf 2027 het eigen risico voor de medisch specialistische zorg met de tranchering gemaximeerd op € 50,– per behandeling. Deze maatregelen zorgen voor een gelijkwaardigere toegang van zorg voor alle verzekerden.
Hoe verhoudt de vergoeding van wachtdiensten bij kraamverzorgenden zich tot de vergoedingen voor wachtdiensten in andere (deel)sectoren? Kunt u dit met een tabel inzichtelijk maken?
De afspraken over de vergoeding van bereikbaarheidsdiensten verschillen per cao en zijn lastig te vergelijken. Weergave in een tabel is daarom niet mogelijk. In sommige cao’s gaat het om een vergoeding per dienst, in andere cao’s om een vergoeding per uur. Ook kan er sprake zijn van een vergoeding in vrije tijd. Op basis van een aantal cao’s beschik ik over onderstaande informatie. Het uitleggen van de cao-afspraken is echter aan sociale partners.
In de Cao Kraamzorg is voor maandag t/m vrijdag per blok van maximaal 8 uur een bruto vergoeding van € 11,44 opgenomen. Zaterdag, zondag en feestdagen is de bruto vergoeding per blok van maximaal 8 uur € 17,16. Indien de werknemer tijdens het «wachtdienstblok» niet is opgeroepen voor het verlenen van partusassistentie of ingezet voor een verzorging, ontvangt de werknemer 150% van de vergoeding van dát «wachtdienstblok».
Ter vergelijking: in de Cao VVT is de vergoeding voor bereikbaarheids- of consignatiedienst van maandag t/m vrijdag tussen 06.00 en 00.00 uur € 3,50 per uur. Voor bereikbaarheids- of consignatiedienst op zaterdag, zondag, feestdag en in de nacht is dat € 7,00 per uur. In de Cao Ziekenhuizen is de vergoeding per bereikbaarheidsdienst van 12 uur op feestdagen € 162,50, op zaterdagen en zondagen € 137,50 en op overige dagen € 87,50. In de Cao Gehandicaptenzorg ontvangen medewerkers voor de uren doorgebracht in bereikbaarheids-, consignatie- en consultatiedienst een compensatie in vrije tijd, namelijk per uur 3/18 op erkende feestdagen, 2/18 op zaterdagen en zondagen en 1/18 op overige dagen.
Deelt u de analyse dat de slechte betaling van wachtdiensten verbeterd moet worden om het tekort aan kraamverzorgenden aan te pakken?
Nee, deze analyse deel ik niet. Bijna alle sectoren in de economie hebben namelijk te maken met personeelstekorten. Ook deelsectoren met hogere vergoedingen voor bereikbaarheidsdiensten, zoals bijvoorbeeld de ziekenhuizen, hebben last van personeelstekorten. De aantrekkelijkheid van werken in de zorg is niet enkel afhankelijk van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken. Het uitstroomonderzoek van RegioPlus5 laat zien dat arbeidsvoorwaarden niet bij de eerste 5 redenen staat om te vertrekken bij een werkgever. Om personeel te behouden zijn in eerste instantie werkgevers aan zet. Via de leidraad vakmanschap en werkplezier – die ik als bijlage bij het aanvullend zorg en welzijnsakkoord naar uw Kamer zal sturen – zal ik op basis van voorlopers handvatten bieden aan werkgevers om hier verder mee aan de slag te gaan.
Tot slot wil ik benadrukken dat sociale partners in de zorg besluiten en afspraken maken over de arbeidsvoorwaarden en daarmee ook over de vergoeding van wachtdiensten. Ik ben geen partij aan de cao-tafel en mag mij hier op grond van internationale verdragen ook niet in mengen.
Bent u bereid om via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA)-middelen voldoende budget beschikbaar te stellen om een betere vergoeding van wachtdiensten mogelijk te maken?
Ik stel ieder jaar extra marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte (ova) beschikbaar via ophoging van de financiële kaders en de gereguleerde tarieven. Zo ook voor de kraamzorg. Het is aan sociale partners om op basis hiervan te komen tot passende cao-afspraken. De beloning en invulling van wachtdiensten maken daar ook onderdeel vanuit. VWS is geen partij aan deze cao-tafel en mag zich op grond van internationale verdragen ook niet met deze afspraken bemoeien. Uiteraard dienen de afspraken over wachtdiensten en de toepassing daarvan in de praktijk -daarbij wel in lijn te zijn met wet- en regelgeving, zoals de Arbeidstijdenwet en de Wet Minimumloon.
Als u meer budget beschikbaar wil stellen, heeft u daar dekking voor nodig.
Het lopende onderzoek van FIOD naar scheepsbouwbedrijf Damen Shipyards in verband met corruptieverdenkingen |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Scheepsbouwer Damen beloofde beterschap na corruptieverdenkingen, maar zet nog steeds verdachte transacties op»?1
Ja.
Kunt u inmiddels aangeven wanneer de FIOD het onderzoek naar mogelijke corruptie door Damen Shipyards zal afronden? Zo nee, waarom kunt u dit nog steeds niet en wanneer verwacht u dit wel te kunnen?
Over lopende strafrechtelijke onderzoeken kunnen geen mededelingen worden gedaan en Defensie heeft geen inzage in de werkwijze van de FIOD en het lopende onderzoek.
Defensie beschikt niet over informatie of andere bedrijven die deelnemen aan haar aanbestedingstrajecten, onderwerp zijn of zijn geweest van een strafrechtelijk onderzoek.
Klopt het dat Damen Shipyards er door het openbaar ministerie (OM) van verdacht wordt via tussenpersonen steekpenningen te hebben gegeven aan buitenlandse overheidsambtenaren ter verkrijging van overheidsopdrachten?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het wenselijk dat binnen de bestaande aanbestedingsregels voor Defensiematerieel lopende strafrechtelijke onderzoeken naar aanbieders niet worden meegewogen? Zo ja, waarom? Zo nee, staat iets u in de weg om dit aan te passen?
In de Europese aanbestedingsregelgeving is bepaald dat een onderneming moet worden uitgesloten van een aanbesteding wanneer deze in de afgelopen vier jaar onherroepelijk is veroordeeld voor bepaalde strafbare feiten, waaronder fraude en omkoping.
Een lopend strafrechtelijk onderzoek en vermoedens van fraude en omkoping zijn geen dwingende grond voor uitsluiting van een onderneming bij een aanbesteding. Ik zie geen noodzaak voor Defensie om van bestaande regelgeving af te wijken.
Deelt u de mening dat het feit dat Damen Shipyards eerder met de Wereldbank heeft geschikt in een sanctie voor corruptie in Sierra Leone an sich al een overweging dient te zijn in het betrekken van het bedrijf in aanbestedingsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een onherroepelijke veroordeling voor strafbare feiten en de genoemde schikking is daarmee conform de regelgeving geen grond voor uitsluiting van Damen Shipyards in aanbestedingsprocedures.
Heeft u indicaties op basis waarvan u kunt aannemen dat Damen Shipyards inmiddels de bedrijfsvoering dusdanig heeft aangepast dat er redelijke grond is om te vertrouwen dat corruptie in de toekomst niet meer voor zal komen? Zo ja, welke?
Damen Shipyards heeft sinds 2014, deels mede onder toezicht van de Wereldbank, een verbeterprogramma op het terrein van compliance doorgevoerd. Zo zijn de interne maatregelen aangescherpt. Er is onder meer een nieuwe gedragscode opgesteld en het eigen personeel is getraind in het herkennen van verdachte situaties. Daarnaast heeft Damen Shipyards een interne commissie ingesteld die alle overeenkomsten met agenten goedkeurt en periodiek alle bestaande agenten beoordeelt. De Wereldbank heeft Damen Shipyards in 2017 van haar uitsluitingslijst afgehaald. Damen hanteert al meer dan tien jaar een compliance-programma dat wereldwijd van toepassing is op alle Damen entiteiten, hun medewerkers en derde partijen die voor Damen opereren. Dit programma wordt periodiek gecontroleerd door de externe accountant en beschreven in het jaarlijkse Corporate Sustainability Report.
Ook heeft Damen Shipyards, na een korte uitsluiting in 2016, weer toegang tot de exportkredietverzekeringen (EKV’n) van de Nederlandse Staat. Atradius Dutch State Business (ADSB), dat namens de Staat EKV’n uitvoert, heeft het compliance beleid van Damen Shipyards als gedegen beoordeeld. Wel geldt onder de EKV, voor Damen Shipyards, nog steeds een verscherpt toezicht. Dat betekent dat Damen Shipyards bij EKV-aanvragen extra informatie moet aanleveren over de mogelijke betrokkenheid van derden. Ook voert ADSB sinds 2016 jaarlijks een Customer Due Diligence uit. Hieruit is tot op heden geen informatie over mogelijke nieuwe corruptiezaken naar voren gekomen.
Acht u het denkbaar dat Defensie materieel verwerft bij een bedrijf dat opereert met steekpenningen voor het verkrijgen van opdrachten doordat op het moment van aanbesteding het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond? Zo ja, kunt u de rationale van de moraliteit achter die stellingname toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn u lopende of afgeronde strafrechtelijke onderzoeken bekend tegen andere aanbieders in lopende aanbestedingstrajecten van Defensie? Zo ja, om welke aanbieders gaat het en van welke feiten worden zij verdacht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vanwege de samenhang van vragen geef ik u bij enkele vragen gebundeld antwoord.
Het bericht dat een broker miljoenen aan belastinggeld verdiende door de financiering van asielbedden in hotels |
|
Michiel van Nispen |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Herinnert u zich eerdere Kamervragen van het lid Van Nispen (SP) over frauderende tussenpersonen die rijk worden van de verhuur van asielhotelkamers?1
Ja.
Kunt u reflecteren op recente berichtgeving van het FD over een casus waarin tussenpersoon LCHD met torenhoge marges op de hotelkamers ongeveer 1 ton per dag verdiende?2
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen van 1 juli 20243 zal ik vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van het Openbaar Ministerie en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst geen verdere uitspraken doen over deze zaak. Verder geldt in algemene zin dat het COA bij het afsluiten van nieuwe contracten met hotels zoveel mogelijk werkt zonder de inzet van externe tussenpartijen. De dienstverlening van het LCHD is reeds beëindigd.
Vindt u dit op enige wijze verantwoorde uitgaven die worden gefinancierd door de belastingbetaler?
De afgelopen jaren is er door o.a. de hoge instroom en de stagnerende uitstroom een groot en aanhoudend tekort aan asielopvangplekken. Dit leidde er vaak toe dat er op het laatste moment werd uitgeweken naar kostbare oplossingen voor de huisvesting van asielzoekers en statushouders. Ik vind deze uitgaven veel te hoog. Daarom streef ik ernaar om de duurste vormen van opvang, zoals in hotels en op cruiseschepen, zo snel mogelijk af te bouwen.
Hoe kunt u uitleggen dat er jarenlang met deze tussenpersoon is gehandeld die zowel commissies als hoge marges op hotelkamers kon opstrijken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is dit in lijn met de werkafspraak met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) dat tussenpersonen worden vermeden bij het aangaan van contracten?
Zoals eerder vermeld in de beantwoording van de vragen van 1 juli jl. en 11 november, is het inzetten van hotelkamers arbeidsintensief en vereist het een ander netwerk en expertise dan momenteel bij het COA beschikbaar is. Om deze reden werd in het verleden gekozen voor het inschakelen van een partij die gespecialiseerd is in tijdelijke huisvesting, die zich richt op het opvragen, contracteren en voortdurend monitoren van beschikbare hotelcapaciteit en wijzigingen in het gebruik. Bij het afsluiten van nieuwe hotelcontracten wordt nu in principe zonder externe partijen gewerkt.
Op welke wijze bent u van plan de duurste vormen van noodopvang in hotels en cruiseschepen zo snel mogelijk af te bouwen?
Het COA werkt hard om de reguliere capaciteit van opvangplekken uit te breiden. Zodra er voldoende reguliere opvangplekken zijn, kunnen de duurste opvangvormen worden afgeschaald. Daarnaast verblijven er momenteel bijna 18.000 statushouders in de asielopvang en dit aantal zal naar verwachting groeien. Ik werk, samen met gemeenten, eraan om o.a. doorstroomlocaties voor statushouders in te richten zodat deze groep niet meer in de COA opvang hoeft te verblijven.
Beseft u zich dat deze situatie is ontstaan door een tekort aan structurele opvang en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit tekort zo snel mogelijk wordt verholpen?
Zolang de instroom te hoog is en de statushouders niet kunnen doorstromen door het enorme tekort aan woningen blijft het tekort aan opvang.
Wat betekent het voornemen van u als antwoord op eerder genoemde Kamervragen, «bij het afsluiten van nieuwe contracten met hotels wordt momenteel zoveel mogelijk gewerkt zonder de inzet van externe partijen», aangezien het altijd mogelijk is om contracten af te sluiten zonder externe partij?
Alle hotels die nu in gebruik zijn en die in het verleden gecontracteerd zijn via een bemiddelingsconstruct worden nu rechtstreeks door het COA benaderd om indien noodzakelijk een nieuw contract aan te gaan. Tegelijkertijd valt de inzet van externe partijen, in algemene zin, niet uit te sluiten. Bijvoorbeeld voor juridische of planologische dienstverlening maakt het COA gebruik van externe expertise. Ook reageren bij aanbestedingen soms consortia waarbij diensten door verschillende partijen worden aangeboden.
Klopt het dat de beloofde samenwerking met LCHD per 1 januari 2025 ook officieel is gestopt door het COA?
Ja.
Kunt u de terechte vraag van advocaat en hoogleraar Marcel Ruygvoorn beantwoorden waarom überhaupt is gekozen voor een juridische constructie, waarbij een partij fors kan verdienen en geen verplichting heeft om asielzoekers te plaatsen?
Ik verwijs hierbij graag naar het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te wijzen op deze kwestie zodat bezien kan worden wat de mogelijkheden zijn te handelen? Zijn er volgens u ook mogelijk strafbare feiten gepleegd?
Uit het artikel maak ik op dat de ACM reeds gewezen is op deze kwestie. Voorts verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 en 5.
Welke mogelijkheden ziet u zelf nog voor vervolgonderzoek? Worden ook de mogelijkheden onderzocht om geld terug te vorderen van LCHD?
Indien er sprake is van strafbare of onrechtmatige gedragingen zal het COA hier opvolging aan geven en bezien of het opportuun is om geld terug te vorderen. Hiervoor moet het onderzoek van de FIOD en het OM worden afgewacht.
Hoe gaat u voorkomen dat er in de toekomst nog deals worden gemaakt met tussenpersonen bij contracten?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 8.
De pandemische paraatheid van Nederland in het licht van recente internationale ontwikkelingen en aangekondigde bezuinigingen. |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV), Wiersma |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Virus maakt opmars in China, beelden van volle ziekenhuizen»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Eyeing Potential Bird Flu Outbreak, Biden Administration Ramps Up Preparedness»?2
Ja.
Kunt u reageren op de beslissing van de Verenigde Staten om extra geld toe te wijden aan pandemische paraatheid, in het licht van recente virusuitbraken?
Het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid, het US Department of Health and Human Services (HHS), heeft 17 januari jl. bekend gemaakt dat het 590 miljoen dollar zal investeren in de ontwikkeling van een mRNA-gebaseerd vaccin van het farmaceutische bedrijf Moderna voor de mogelijke inzet tegen pandemische influenza, waaronder ook ten behoeve van een H5N1 mRNA vaccin tegen de vogelgriep. Deze investering komt bovenop eerdere steun van de Amerikaanse overheid aan het bedrijf in 2023 om een mRNA vaccin te ontwikkelen tegen pandemische influenza. De ontwikkeling van nieuwe vaccins is een belangrijk onderdeel van de paraatheid en respons tegen toekomstige grootschalige uitbraken van infectieziekten. In die zin juich ik dergelijke investeringen toe, ook omdat in de Verenigde Staten op dit moment een uitbraak van vogelgriep onder melkkoeien plaatsvindt.
Een vaccin wordt pas ingezet als er een uitbraak van een virus als vogelgriep is. Ik ben van mening dat het erg belangrijk is om ook aan de preventieve kant de monitoring en surveillance systemen optimaal in te zetten en maatregelen te treffen om een uitbraak zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Op Europees niveau zijn in de afgelopen jaren gezamenlijke aanbestedingen gedaan in beschikbaarheidscontracten voor de productie van pandemische griepvaccins, om in tijd van crisis snel te kunnen beschikken over grote hoeveelheden vaccins, en in noodvoorraden en productiecapaciteit voor op eiwit gebaseerde vaccins tegen de in de EU vigerende variant van de vogelgriep. Ons land neemt aan deze contracten deel. Ten slotte heeft de Europese Commissie beschikbaarheidscontracten afgesloten met een aantal Europese fabrikanten voor de productie van ruim 325 miljoen vaccins, waaronder eiwit gebaseerde vaccins, vector gebaseerde vaccins en ook mRNA vaccins. Ten slotte investeert de Europese Unie ook in belangrijke mate in de ontwikkeling van EU-samenwerking rondom en in de ontwikkeling van nieuwe vaccins. Hiervoor was in 2024 ruim 149 miljoen euro beschikbaar.3
Kunt u aangeven of en hoe er overleg plaatsvindt met uw Europese collega’s over deze mondiale pandemische ontwikkelingen?
Na de Covid-19 pandemie is er op Europees niveau een uitbreiding van wet- en regelgeving en instrumenten geweest. Zo is in 2022 de verordening Ernstige Grensoverschrijdende Gezondheidsbedreigingen (EU-verordening EU/2022/2371) aangenomen, met daarin een versterking van instrumenten, structuren en mechanismen op het vlak van preventie, paraatheid en respons, met name ook rondom infectieziekten en een mogelijke pandemie. Ook is er een Europees noodkader vastgesteld door de Raad (Raadsverordening EU/2022/2372), met daarin opschalingsmogelijkheden om de beschikbaarheid van medische producten te borgen in crisistijd. De EU heeft daarmee aanvullende, coördinerende en ondersteunende bevoegdheden gekregen, waarmee zij ook de lidstaten in de gelegenheid stelt om samenwerking waar dat wenselijk wordt geacht te versterken.
Onder de EU-verordening is ook het EU-gezondheidsbeveiligingscomité operationeel dat meerdere keren per maand overlegt over gezondheidsbedreigingen binnen de EU, maar ook daarbuiten zoals over de verspreiding van de vogelgriep in de Verenigde Staten, en infectieziekten als mpox en Marburg in Afrika. Het Ministerie van VWS neemt hieraan deel. Daarbij wordt informatie gedeeld door EU-agentschappen zoals het Europees Centrum voor Ziektepreventie en -Bestrijding (ECDC), het Europees geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Ook de EU-autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (DG HERA) draagt hieraan bij en wordt er nauw samengewerkt met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Waar nodig kunnen er via opinies en aanbevelingen op EU-niveau acties ondernomen worden.
Op deze wijze houdt het Ministerie van VWS samen met internationale collega’s een vinger aan de pols. Wanneer nodig kan er op Raadsniveau worden opgeschaald, zowel binnen de EU-gezondheidsraad als via het geïntegreerde politieke crisisrespons mechanisme van de Raad (IPCR).
Wat zijn volgens u momenteek de belangrijkste knelpunten in de pandemische paraatheid van Nederland en welke maatregelen gaat u nemen om deze aan te pakken?
De COVID-19-pandemie leerde ons dat we beter voorbereid moeten zijn op potentiële pandemieën. Daarom heeft het Ministerie van VWS het beleidsprogramma pandemische paraatheid gestart waarin ook de lessen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV), die hebben aangegeven waar de belangrijkste knelpunten zaten, zijn betrokken. In de afgelopen jaren is hard ingezet op het versterken van onze paraatheid, zoals te lezen in de voortgangsbrief over het programma4 en in de reactie op de rapporten van de OVV.5 Hier zijn het ministerie en verschillende veldpartijen nog volop mee bezig. Tegelijkertijd moeten wij paraat staan voor ander onheil dat op ons afkomt, zoals hybride conflicten, een natuurramp of een nieuwe pandemie. Deze dreigingen vragen om versterking van de weerbaarheid van onze zorg. Doel is om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid, waar uw Kamer op 6 december jl. per brief over is geïnformeerd, wordt in de komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. In dit traject wordt ook de weerbaarheidsopgave voor de zorg nader geconcretiseerd. De maatregelen die bijdragen aan pandemische paraatheid, fungeren tevens als fundament voor basis noodzorg bij crisis en conflict en zullen hier dan ook bij worden betrokken.
Herkent u de zorgen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) dat Nederland niet voorbereid is op een volgende pandemie? Zo ja, welke zorgen deelt u? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS herkent de zorgen van de OVV. Welke ramp zich ook voordoet: we moeten in alle gevallen paraat en weerbaar zijn. We leven in een tijd waarin we worden geconfronteerd met allerlei dreigingen die ook onze gezondheid en toegang tot zorg kunnen raken. Denk aan dreigingen van conflicten, natuurrampen of pandemieën. Het is belangrijk dat we voor crises paraat en weerbaar zijn. Daarbij staat centraal dat – wat er ook gebeurt – zoveel mogelijk patiënten zo lang mogelijk zorg blijven krijgen van passende kwaliteit. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordt in de komende maanden verder uitgewerkt. De zorg speelt daarin een belangrijke rol.
Het streven is om de maatregelen die zijn gestart in het kader van pandemische paraatheid en even noodzakelijk zijn in voor basisnoodzorg in het kader van weerbaarheid, voort te zetten. Zoals eerder aangegeven wordt er gezocht naar middelen hiervoor. Daar is tijd voor nodig. Het Ministerie van VWS verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te kunnen geven over de middelen voor 2026 en verder.
Kunt u inzicht geven in de concrete stappen die u heeft gezet om alternatieve financiering te vinden voor de Nederlandse pandemische paraatheid gezien de eerder aangekondigde bezuiniging van 300 miljoen euro en welke opties worden momenteel overwogen?
De bezuinigingen op pandemische paraatheid lopen de komende jaren op en zullen in 2029 het volledige bedrag van 300 miljoen omvatten. De 50 miljoen die in 2025 moest worden bezuinigd op pandemische paraatheid, is ingevuld door een aantal beleidsvoornemens die in 2025 zouden starten «on hold» te zetten. Oftewel: er start in 2025 geen nieuw beleid, maar al het beleid dat al loopt, gaat gewoon door. Het Ministerie van VWS verwacht u na de voorjaarsnota, medio 2025, meer duidelijkheid te kunnen geven over de middelen voor 2026 en verder. U kunt ervan op aan dat deze opgave de volle aandacht heeft.
Hoe verhoudt de bezuiniging op zorgstages zich tot de noodzaak van voldoende zorgpersoneel voor een goede pandemische paraatheid?
Het Stagefonds is bedoeld om meer stageplekken te creëren en hiermee de instroom in de zorg te vergroten. Daarmee is het ook van invloed op de beschikbaarheid van zorgpersoneel bij een crisis, zoals een pandemie. De Algemene Rekenkamer heeft in haar Verantwoordingsonderzoek 2022 geconcludeerd dat het stopzetten van de subsidie via het Stagefonds waarschijnlijk geen directe gevolgen zal hebben voor het aantal stageplaatsen in de zorg. Zorginstellingen hechten voor zichzelf en voor het brede maatschappelijk belang waarde aan het aanbieden van stageplaatsen voor werving van personeel. Daarmee is het aanbieden van stages onderdeel van het strategische personeelsbeleid van zorginstellingen en niet primair afhankelijk van de subsidie. Uit het onderzoek blijkt dat de subsidie niet nauw verbonden is aan het aantal stageplaatsen. De grootste uitdaging bij het creëren van meer stageplekken is niet het gebrek aan financiële middelen, maar een tekort aan stagebegeleiders. Extra geld vanuit het Stagefonds zou dit structurele probleem niet oplossen. Daarmee draagt het Stagefonds te weinig bij aan het aan het beschikbaar hebben van voldoende zorgpersoneel voor het leveren van goede reguliere zorg, maar ook voor het leveren van zorg ten tijde van crises.
Kunt u aangeven welke stappen u onderneemt om de vaccinatiebereidheid in Nederland te vergroten als onderdeel van de pandemische paraatheid?
In het licht van de gedaalde vaccinatiegraden zet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in op het vergroten van het vertrouwen in vaccinaties. Bijvoorbeeld door voorlichting over vaccinaties beter te laten aansluiten op de behoeften van doelgroepen die op dit moment minder goed worden bereikt.
Hiertoe wordt, onder voorbehoud van goedkeuring van de VWS-begroting door de Eerste Kamer, met de G4-gemeenten een pilot opgezet voor het intensiveren van de wijkgerichte aanpak en het landelijk verspreiden van geleerde lessen.6 Omdat het in een mogelijke volgende pandemie opnieuw nodig kan zijn om in korte tijd veel mensen te vaccineren, draagt het versterken van het vertrouwen in vaccinaties ook bij aan de pandemische paraatheid.
Ten aanzien van de vaccinatiebereidheid geven experts aan dat succesvol vaccineren tijds-en arbeidsintensief is, hoe verhoudt dit zich tot de bezuinigingen op onder andere de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD)?
Het kabinet zet volop in op preventie om de gezondheid van alle Nederlanders te beschermen en te bevorderen. Vaccinatie is hier een belangrijk onderdeel van. Op de uitvoering van vaccinatieprogramma’s wordt door het kabinet niet bezuinigd. Sterker nog, er wordt – indien de VWS-begroting wordt goedgekeurd door de Eerste Kamer – dit jaar meer geïnvesteerd.
Kunt u reageren op het advies van experts, zoals de regionaal directeur van WHO Europa, om maatregelen te nemen tegen luchtwegvirussen zoals thuisblijven bij verkoudheidsklachten en het dragen van mondkapjes op drukke plekken?
Deze adviezen komen in grote lijnen overeen met het advies dat ook door het RIVM wordt gegeven en zijn dus herkenbaar. Het RIVM-advies luidt als volgt:
Kunt u aangeven of recent pandemiestimulaties zijn uitgevoerd om de paraatheid van zorginstellingen te testen en zo ja, welke lessen zijn hieruit getrokken?
Zorgorganisaties zijn zelf verantwoordelijk voor hun voorbereiding op crises omstandigheden, inclusief het opstellen van hun opleidings-, trainings- en oefen- (OTO) programma en het bepalen van scenario’s voor oefeningen binnen de eigen organisatie. In algemene zin wordt er gewerkt aan het versterken van samenwerking en kennisdeling om de pandemische paraatheid verder te verbeteren. Voorbeelden van recente trainingen en oefeningen met een pandemisch scenario zijn het scholen van medewerkers van de High Level Isolation Unit in het Radboudumc, het oefenen van de inzet van de isolatieboxen van het Calamiteitenhospitaal, (boven) regionale oefeningen van GGD-organisaties in verschillende regio’s, de ondersteuning bij de ontwikkeling van een leermodule infectieziektebestrijding en een ketenoefening op basis van Viraal Hemoragisch Koorts (VHK) in Noord-Nederland. Binnen veel zorginstellingen is infectiepreventie een vast onderdeel van standaard scholingen voor medewerkers, denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van persoonlijke beschermende maatregelen. Komende tijd wordt er regionaal en landelijk verder gewerkt aan het actualiseren en generiek maken van plannen voor coördinatie en samenwerking in onder andere een pandemisch scenario. In het najaar van 2025 staat een landelijke oefening gepland om het landelijke plan te oefenen. Ook regionaal zijn er oefeningen gepland die gericht zijn op (keten) samenwerking.
Wat is de stand van zaken met de vogelgriepuitbraak in Nederland?
Na bijna een jaar zijn sinds 18 november weer drie besmettingen met het hoogpathogene vogelgriepvirus geconstateerd. De Deskundigengroep Dierziekten heeft op 29 januari 2025 een nieuwe risicobeoordeling uitgevoerd, waarin wordt aangegeven dat de kans dat een pluimveebedrijf besmet raakt, op dit moment hoog is. Daarbij is de mate van onzekerheid groot. Het blijft daarom van belang dat we ons blijven voorbereiden op mogelijke uitbraken van vogelgriep en maatregelen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen.
Is het risico op een (dodelijke) vogelgriepbesmetting voor Nederlandse pluim- en rundveehouders vergelijkbaar met dat van pluim- en rundveehouders in de Verenigigde Staten? Zo ja, Kunt u toelichten of u naar aanleiding van het bericht uit Louisiana, over het eerste dodelijke slachtoffer van de vogelgriep door contact met pluimvee3, van plan bent extra maatregelen te nemen?
In Nederland heb ik geen aanwijzingen voor vogelgriep bij runderen (Kamerstuk 28 807, nr. 303). Het risico voor Nederlandse rundveehouders is daarom niet vergelijkbaar met rundveehouders in de Verenigde Staten (VS). Onder pluimvee zijn er nog af en toe uitbraken in Nederland. Het is lastig te beoordelen of het risico voor Nederlandse pluimveehouders vergelijkbaar is met die van pluimveehouders uit de VS. Dit is onder andere afhankelijk van het type virus, de infectiedruk en de mate van blootstelling. De H5N1-variant die in de VS rondgaat komt in Nederland, en in de rest van Europa, op dit moment niet voor. Daarnaast wordt in Nederland met de monitoring en Early Warning systematiek hoogpathogene vogelgriep (HPAI) in pluimvee snel opgespoord en wordt het besmette pluimvee vaak binnen een dag geruimd door de NVWA om de kans op verspreiding zo klein mogelijk te houden. Het Ministerie van LVVN blijft in samenwerking met het Ministerie van VWS de ontwikkelingen hieromtrent volgen.
De casus waarnaar u verwijst betreft een persoon met een leeftijd boven de 65 jaar met een onderliggende ziekte. Deze persoon was blootgesteld geweest aan besmette wilde vogels en hobby pluimvee. Er waren geen aanwijzingen voor mens-op-mens transmissie. Deze casus is besproken in het Signaleringsoverleg-Zoönosen en de experts hebben geen aanleiding gezien om aanvullende veterinaire of volksgezondheidsmaatregelen te adviseren.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat pluimveebedrijven zich niet in de buurt van waterrijke gebieden vestigen, om zo besmettingen en uitbraken te minimaliseren?
In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Economic Research (WEcR) voeren momenteel een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Daarna zullen andere experts een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Dit soort structuurmaatregelen zijn ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Erkent u dat een hoge veedichtheid het risico op het ontstaan en verspreiden van zoönose, zoals de vogelgriep, vergroot? Zo ja, kunt u afzonderlijk antwoord geven op de vragen 17, 18 en 19?
In 2023 is het rapport «Preventie van efficiënte transmissie van zoönotische ziektekiemen tussen veehouderijen» aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 683, nr. 273). Dit rapport is opgesteld door een expertgroep onder leiding van de voorzitter van het Netherlands Centre for One Health. De experts geven aan dat het algemene beeld is dat een hoge bedrijfsdichtheid de kans op tussenbedrijfstransmissie vergroot. In dit rapport wordt met modellering wetenschappelijk onderbouwd dat een hogere bedrijfsdichtheid van pluimveebedrijven de kans op tussenbedrijfstransmissie van het vogelgriepvirus vergroot. Vanwege dit verhoogde risico worden bij (dreigende) uitbraken aanvullende maatregelen getroffen in deze gebieden.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat de pluimveedichtheid in een gebied op een dusdanig niveau is dat de kans op besmetting tussen bedrijven gering is?
Pluimveehouders zijn zich erg bewust van de risico’s op vogelgriep, zeker in gebieden met een hoge concentratie van bedrijven. Het algemene beeld is dat pluimveehouders en dierenartsen alert zijn en verdenkingen snel melden. De NVWA handelt ook zeer snel bij verdenkingen van vogelgriep. Bij een besmetting wordt direct geruimd. Dit beperkt de risico’s op verspreiding van vogelgriep tussen bedrijven aanzienlijk. Zoals in het antwoord op vraag 15 is beschreven, wordt daarnaast momenteel een impactanalyse uitgevoerd naar structuurmaatregelen in waterrijke gebieden en pluimveedichte gebieden. Dat betreft een eventueel verbod op nieuwvestiging en/of uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden. Daarnaast hebben 245 pluimveehouders zich aangemeld voor de landelijke subsidieregelingen voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv en de Lbv-plus)). Dit kan ertoe leiden dat het aantal pluimveebedrijven in deze gebieden afneemt, wat er weer toe kan leiden dat de kans op uitbraken met en verspreiding van vogelgriep afneemt. Het is op voorhand moeilijk te voorspellen hoe groot het effect hiervan zal zijn; dat hangt onder meer af van aan hoeveel en welke pluimveehouders de subsidie wordt verleend.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat gemengde bedrijven extra maatregelen nemen om intersoortelijke transmissies te voorkomen?
Ten algemene geldt dat het niet mogelijk is om verspreiding van zoönosen en dierziekten volledig te voorkomen. Het beleid is er wel op gericht om het risico op uitbraken en verspreiding zoveel mogelijk te verlagen. Bij een uitbraak van vogelgriep onder het pluimvee op een bedrijf waar ook varkens en/of rundvee wordt gehouden, wordt ook standaard onderzoek naar vogelgriep gedaan bij de varkens en/of het rundvee op het bedrijf. Tot nu toe is nog nooit vogelgriep bij varkens en runderen vastgesteld in Nederland.
Voor pluimveebedrijven wordt op korte termijn een verplicht bioveiligheidsplan ingevoerd. Daarin zijn specifieke aandachtspunten opgenomen voor gemengde bedrijven. Op termijn wordt het bioveiligheidsplan ook voor andere sectoren uitgerold.
De landelijke subsidieregelingen voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging kunnen er ook toe leiden dat gemengde bedrijven stoppen. Het is vooraf moeilijk te voorspellen wat het effect hiervan zal zijn op het aantal gemengde bedrijven.
Welke stappen neemt u om te zorgen dat veebedrijven, zoals pluimvee en rundvee, een laag risico hebben elkaars dieren te besmetten? Kijkt u daarbij naar mogelijkheden om te zorgen dat veebedrijven zich niet dicht bij elkaar vestigen, en zo de veedichtheid van verschillende soorten te verkleinen?
We hebben in Nederland een goed monitoringsysteem waarmee signalen van infectieziekten bij dieren vroegtijdig kunnen worden opgespoord en opgevolgd. Sinds 2003 is de basismonitoring (uitgevoerd door Royal GD) operationeel, met als doel het opsporen van uitbraken van bekende en onbekende ziekteverwekkers of aandoeningen bij landbouwhuisdieren. Nieuwe verschijnselen en veranderende trends worden door de basismonitoring opgemerkt en zorgvuldig geanalyseerd.
Daarnaast worden bij iedere uitbraak van vogelgriep op een pluimveebedrijf waar ook herkauwers en/of varkens aanwezig zijn, de herkauwers en/of varkens gescreend op vogelgriep. Ook is het verplicht om een positieve laboratoriumuitslag van vogelgriep bij zoogdieren te melden bij de NVWA.
Bij verdenkingen of uitbraken van dierziekten waarbij meerdere diersoorten gevoelig zijn voor de ziekteverwekker, kunnen (preventieve) maatregelen getroffen worden die toezien op alle gevoelige diersoorten, bijvoorbeeld een bezoekersverbod, hygiënemaatregelen of een vervoersverbod.
In het antwoord op vraag 15 en 17 is aangegeven dat er nu een impactanalyse wordt uitgevoerd naar structuurmaatregelen voor pluimveebedrijven in o.a. pluimveedichte gebieden. Dergelijke maatregelen zijn ingrijpend en vergen een stevige onderbouwing en nieuwe wettelijke bevoegdheden. Er worden geen vergelijkbare ruimtelijke maatregelen verkend voor andere veehouderijen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk gezien de actuele en mondiale pandemische ontwikkelingen te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Minister scheldt FINEB-schulden Bonaire kwijt’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Minister scheldt FINEB-studieschulden Bonaire kwijt»?1
Ja.
Wat was de reden voor het Bestuurscollege van Bonaire om een kwijtschelding van deze FINEB-studieschulden bij u aan te vragen en deed zij dit mede namens de Bestuurscolleges van Sint-Eustatius en Saba?
FINEB-studieleningen werden tussen 2004 en 2010 verstrekt door de stichting Fundashon Finansiamentu di Estudio di Bonaire (FINEB) aan studenten van Bonaire die gingen studeren op Bonaire, Curaçao, Aruba of in Europees Nederland. De stichting FINEB werd gefinancierd door Bonaire. Na de staatkundige hervorming van 2010 heeft de Nederlandse Staat de vorderingen die de stichting FINEB had op de studenten overgenomen. Dit is vastgelegd in een akte van cessie. Met Bonaire is destijds overeengekomen dat de Staat, en in dit geval de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de studieschulden int en dat de opbrengsten met aftrek van de gemaakte uitvoeringskosten, werden afgedragen aan het Openbaar Lichaam Bonaire. In de praktijk werden de FINEB-schulden geïnd door de Rijksdienst Caribisch Nederland namens DUO. Inmiddels zijn de opbrengsten van het innen van studieleningen dusdanig teruggelopen dat deze niet meer in verhouding staan tot de kosten van de inning. Het innen van deze schulden heeft daarmee geen financiële meerwaarde meer.
Het Bestuurscollege van Bonaire heeft begin 2024 aan mij een verzoek gedaan tot kwijtschelding van de openstaande FINEB-studieschulden. In haar verzoek vraagt het Bestuurscollege aandacht voor deze studieschulden, omdat zij de situatie rondom het terugbetalen van deze studieleningen zorgelijk achtte. Dat kwam onder meer omdat een deel van de FINEB-debiteuren door de geldende terugbetaalvoorwaarden problemen hadden met het terugbetalen van deze studieschulden en daardoor in financieel schrijnende situaties terecht zijn gekomen. Aangezien de FINEB alleen betrekking had op Bonairiaanse studenten, zijn de Bestuurscolleges van Sint-Eustatius en Saba niet betrokken.
Klopt het dat u in uw meest recente brief over studiefinanciering en -schulden niets heeft gedeeld over uw voornemen om de FINEB-studieschulden kwijt te schelden?2
Ja, dat klopt. Vanwege de complexiteit van de (juridische) vormgeving van de FINEB-leningen heeft het enige tijd geduurd voordat ik een beslissing kon nemen op het verzoek van het Bestuurscollege van Bonaire. Op het moment dat de in de vraag genoemde Kamerbrief over studiefinanciering naar de Kamer werd verstuurd was nog onduidelijk hoe de kwijtschelding van de openstaande FINEB-schulden zou kunnen worden vormgegeven.
Kunt u uw overwegingen om deze studieschulden kwijt te schelden delen met de Kamer?
Ik heb het besluit genomen om de nog openstaande FINEB-studieschulden per 1 januari 2025 kwijt te schelden, omdat de wijze waarop FINEB-studieleningen zijn verstrekt verouderd is en niet meer bij deze tijd past. Deze leningen zijn niet verstrekt op basis van OCW-wetgeving, maar op basis van een individuele overeenkomst gesloten tussen de stichting FINEB en de student. De voorwaarden die van toepassing waren op de FINEB-studieleningen passen dan ook niet goed binnen het systeem van de studiefinanciering zoals we dat nu kennen. Zo moesten FINEB-debiteuren een rente van 10% betalen en moest er altijd iemand als borg fungeren. In de praktijk waren dat meestal de ouders. Als de debiteur zelf niet kon betalen, werd de schuld bij de borg geïnd. Dit kon tot financieel schrijnende situaties leiden. Studieleningen die worden verstrekt op basis van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of de Wet studiefinanciering BES (WSF BES) verschillen, zowel juridisch als in de uitwerking, dan ook sterk van FINEB-leningen.
Kunt u aangeven om hoeveel FINEB-studieschulden het ging? Zo nee, waarom niet?
Nadat het Ministerie van OCW na 2010 de vorderingen die de FINEB had op de studenten heeft overgenomen waren er nog 650 openstaande dossiers (debiteuren). Het gemiddelde leenbedrag was op dat moment $ 13.941.3 Van de 650 dossiers zijn er tot en met 31 december 2024 277 afgehandeld en gesloten. Dit als gevolg van volledige afbetaling van de schuld of bijvoorbeeld overlijden van de debiteur. Per 1 januari 2025 zijn de nog openstaande studieschulden van de resterende 373 debiteuren kwijtgescholden. Het gaat om een totaalbedrag van $ 4.378.045. Het gemiddelde leenbedrag per 31 december 2024 bedroeg $ 11.737.
Klopt het dat de gemiddelde lening 17.500 dollar (± € 16.972,–) bedroeg?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u schetsen hoeveel in totaal nu kwijtgescholden is?
Zie antwoord vraag 5.
Uit welk begrotingsartikel wordt het kwijtschelden van deze schulden gedekt?
Een beperkt deel van het totaalbedrag aan openstaande schulden stond op de begroting van OCW. Het gaat om een bedrag van $ 368.853. De rest, $ 4.009.192, stond op de begroting van het Openbaar Lichaam Bonaire.
De gelden voor het verstrekken van de leningen zijn destijds aan de FINEB verstrekt door Bonaire. Nadat het Ministerie van OCW de vorderingen op de studenten heeft overgenomen van de FINEB werden de opbrengsten – na aftrek van de uitvoeringskosten – nog steeds overgemaakt aan Bonaire, conform hetgeen was overeengekomen in de akte van cessie. Het Openbaar Lichaam Bonaire heeft de nog openstaande post inmiddels afgeschreven op de begroting.
Voor het Ministerie van OCW geldt dat het tussen 2010 en 2011 met de overgang naar de WSF BES tijdelijk heeft voorzien in een voortzetting van de rechten die studenten onder de FINEB hadden opgebouwd. Daarvan stond op 31 december 2024 nog een bedrag van $ 368.853 open. Kwijtschelding van deze schulden wordt altijd op artikel 11 verwerkt.
Klopt het dat er voor BES-studenten drie varianten studieleningen zijn: WSF BES, DUO en FINEB?
Studenten van Bonaire, Saba of Sint-Eustatius komen in aanmerking voor studiefinanciering op grond van de WSF BES als zij ervoor kiezen om op een van deze drie eilanden te gaan studeren,4 in een van de andere landen van het Koninkrijk, in de overige Caribische regio, bijvoorbeeld Colombia, Puerto Rico of de Dominicaanse Republiek, of in Canada of de VS. Als studenten van Bonaire, Saba of Sint-Eustatius in Europees Nederland gaan studeren, komen zij in aanmerking voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Het gaat dus altijd om één van de twee.
Als deze studenten in Europees Nederland gaan studeren komen ze wel ook in aanmerking voor een (eenmalige) opstarttoelage op grond van de WSF BES. Deze toelage is er om te kunnen voorzien in de eerste kosten voor de reis naar Europees Nederland en de kosten voor bijvoorbeeld (winter)kleding en de inrichting van de studentenkamer.
Voor FINEB-studieleningen kwamen alleen studenten van Bonaire in aanmerking. Deze leningen worden sinds 2010 niet meer uitgegeven.
Klopt het dat de taak van de FINEB als verstrekker van studiefinanciering is overgegaan naar DUO?
DUO heeft de FINEB niet overgenomen, maar voorziet in het verstrekken van studiefinanciering voor studenten van Caribisch Nederland op grond van de WSF BES of de WSF 2000.
De stichting FINEB verstrekte tussen 2004 en 2010 studieleningen aan studenten van Bonaire. Bonaire voorzag in de financiering van deze stichting. Na de staatkundige herinrichting van 2010 heeft de FINEB haar taken gestaakt en is de stichting opgeheven. Na 2010 zijn geen FINEB-leningen meer verstrekt. Daarnaast werd met de staatkundige herinrichting het Ministerie van OCW verantwoordelijk voor de studiefinanciering van de studenten op Caribisch Nederland. Sinds 2010 is de WSF BES van toepassing op studenten van Caribisch Nederland die in de regio gaan studeren. Deze regelgeving wordt uitgevoerd door DUO en de Rijksdienst Caribisch Nederland.
Tot wanneer konden BES-studenten een FINEB-studiefinanciering krijgen?
FINEB-studieleningen werden verstrekt tussen 2004 en 2010.
Kunt u aangeven wat de leenvoorwaarden voor een FINEB-studielening waren?
Destijds zijn de FINEB-leningen afgesloten onder de voorwaarden zoals neergelegd in de overeenkomst tussen de FINEB en de student. Op deze overeenkomsten waren de Algemene- en Leningsvoorwaarden van de FINEB van toepassing.5 Zo werd de FINEB-lening afgesloten tegen 10% rente en werd er een borg aangesteld. Ook moest bijvoorbeeld, afhankelijk van de hoogte van de lening, de schuld in een vastgesteld aantal maanden worden terugbetaald.
De terugbetalingsvoorwaarden zijn in oktober 2013 op enkele punten versoepeld. Zo werd de terugbetalingsperiode verlengd, en gold vanaf die tijd dat de nog openstaande FINEB-lening werd kwijtgescholden als de debiteur kwam te overlijden. Tot die tijd ging de schuld bij overlijden over op de borg. In de bijlage treft u de herziene terugbetalingsvoorwaarden zoals die golden vanaf oktober 2013 tot en met 31 december 2024. Voor de punten die niet zijn versoepeld, zoals de hoogte van de rente en het aanstellen van een borg, golden nog steeds de eerder genoemde Algemene- en Leningsvoorwaarden van de FINEB.
Bestond er in de terugbetalingsregeling de mogelijkheid tot opschorting van terugbetaling indien terugbetalen tijdelijk niet wenselijk was?
Nee, deze mogelijkheid bestond niet.
Klopt het dat u een beleidsreactie op een vergelijkend onderzoek naar de WSF 2000 en de WSF BES heeft toegezegd voor het voorjaar van 2025?
Ja, dat klopt.
Vond u het niet passender om een verzoek tot kwijtschelding uit te stellen tot de resultaten van dit onderzoek binnen waren en de Kamer zo beter deelgenoot te maken van uw afwegingen? Zo nee, waarom niet?
De beslissing tot kwijtschelding van de nog openstaande FINEB-schulden staat los van de afwegingen die ik nog zal maken in het kader van het vergelijkend onderzoek naar de WSF BES en de WSF 2000, omdat de FINEB-leningen sterk verschillen van leningen aangegaan onder de WSF BES of de WSF 2000.
Ik vond het daarnaast belangrijk om zo snel mogelijk een beslissing te nemen op het verzoek van het Bestuurscollege van Bonaire over deze kwijtschelding. In het bijzonder met het oog op de belangen van de FINEB-debiteuren. Zoals hiervoor aangegeven was de wijze waarop FINEB-studieleningen zijn verstrekt verouderd en passen de voorwaarden van deze leningen niet meer bij deze tijd.
Leerlingen die thuiszitten zonder onderwijs en de financiële reserves van samenwerkingsverbanden |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Kunt u in algemene zin reageren op het nieuwe overzicht van de Algemene Onderwijsbond met de financiële reserves per samenwerkingsverband?1 Vindt u dat de samenwerkingsverbanden de gemaakte afspraken voldoende nakomen? Wat is uw verwachting voor de komende jaren?
Het is belangrijk dat geld wordt besteed aan waar het voor bedoeld is: aan extra ondersteuning voor leerlingen die dat nodig hebben. Daarom is een bovenmatig eigen vermogen bij samenwerkingsverbanden passend onderwijs ongewenst. Dat is ook de reden waarom samen met de samenwerkingsverbanden, mede op aansporing van uw Kamer, is gewerkt aan het afbouwen van reserves. Daarover zijn onder andere vanuit de verbeteraanpak passend onderwijs afspraken gemaakt. Omdat de reserves minder snel werden afgebouwd dan verwacht heeft dit, mede als gevolg van de motie Westerveld2, in 2023 geresulteerd in het toepassen van een generieke korting op de bovenmatige eigen vermogens van de samenwerkingsverbanden.3 Daarbij zijn de samenwerkingsverbanden die na de korting onder de signaleringswaarde voor bovenmatig eigen vermogen die de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) bij haar toezicht hanteert zaten gecompenseerd.
De cijfers van de Algemene Onderwijsbond (AOb) komen overeen met de cijfers uit de brief Financiële Positie Onderwijsinstellingen 2023, die ik voor de begrotingsbehandeling naar uw Kamer heb gestuurd.4 In 2019 was er sprake van € 184 mln. aan mogelijk bovenmatig eigen vermogen bij de samenwerkingsverbanden. Eind 2023 was dat nog € 59 mln. Dat is een behoorlijke afname. Maar het bedrag is nog wel hoger dan wat er in het originele afbouwplan, dat de samenwerkingsverbanden zelf hebben opgesteld, stond. De samenwerkingsverbanden geven in hun meerjarenbegrotingen aan verder in te teren op hun eigen vermogen door het te besteden aan de wettelijke taken die betrekking hebben op het bieden van passend onderwijs. Daarom verwacht ik dat het bovenmatig eigen vermogen van samenwerkingsverbanden verder zal afnemen.
Wat vindt u ervan dat de helft van de samenwerkingsverbanden de signaleringswaarden van de Inspectie van het Onderwijs overschrijdt en dus nog steeds een te forse bovenmatige financiële reserve heeft? Kunt u de uitschieters verklaren? Wordt er contact opgenomen met de betreffende bestuurders van deze samenwerkingsverbanden?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, zie ik dat het mogelijk bovenmatig eigen vermogen de laatste jaren sterk is afgenomen. Dat is een positieve ontwikkeling. Ook zie ik dat het aantal samenwerkingsverbanden met een mogelijk bovenmatig eigen vermogen sterk is afgenomen. In 2019 waren dit er 137 en in 2023 zijn dit er 76. Er is geen eenduidig beeld van de redenen waarom bepaalde samenwerkingsverbanden meer vermogen hebben dan andere. Mijn verwachting is wel dat het aantal samenwerkingsverbanden met een mogelijk bovenmatig eigen vermogen nog verder zal afnemen als gevolg van de verwachte daling van het bovenmatig eigen vermogen in de sector. De afgelopen jaren is het bovenmatig eigen vermogen immers steeds afgenomen.
Tijdens de reguliere onderzoeken van de inspectie bij de samenwerkingsverbanden, is een mogelijk bovenmatig vermogen – indien van toepassing – standaard onderwerp van gesprek met het bestuur en de raad van toezicht.
Heeft u in beeld waar de bovenmatige financiële reserves in het afgelopen jaar aan zijn besteed? Wie controleert of deze bedragen zijn gegaan naar passend onderwijs, zoals het verzoek was in de motie van het lid Westerveld2?
Samenwerkingsverbanden en schoolbesturen hebben in hun jaarverslageninzichtelijk gemaakt waar zij hun middelen aan hebben besteed. Met de Kamerbrief Financiële Positie Onderwijsinstellingen 2023 is uw Kamer hierover geïnformeerd.6 In deze brief staat dat samenwerkingsverbanden en universiteiten de enige onderwijssectoren zijn die meer geld hebben uitgegeven dan ontvangen. Voor het vierde jaar op rij hebben de samenwerkingsverbanden een negatief resultaat gehaald, waardoor het eigen vermogen is afgenomen.
De inspectie houdt toezicht op besteding van middelen. De middelen mogen alleen besteed worden aan de wettelijke taken die betrekking hebben op het bieden van passend onderwijs.
Tijdens de onderzoeken van de inspectie worden de toezichthoudende organen van samenwerkingsverbanden en schoolbesturen door de inspectie aangesproken over de doelmatige en rechtmatige besteding van middelen. Als die niet afdoende wordt verantwoord wordt hier een herstelopdracht voor gegeven. Ook wordt er tijdens die onderzoeken aandacht besteed aan het zicht van besturen op de doelmatige besteding van de middelen passend onderwijs.
De middelen die overbleven, nadat er in november 2023 een generieke korting was toegepast en samenwerkingsverbanden zonder bovenmatig eigen vermogen gecompenseerd waren, zijn in dezelfde periode besteed aan residentieel onderwijs, expertise- en garantiebekostiging en hoogbegaafdheid.7
Is er een beeld van het aantal kinderen dat geen passend onderwijs krijgt en/of thuiszit per regio? Zo ja, zijn er ook in de regio’s waar veel kinderen geen passend onderwijs krijgen samenwerkingsverbanden met een bovenmatig eigen vermogen?
Er is een gedeeltelijk beeld van het aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling van de leerplicht heeft. Jaarlijks stelt DUO een rapportage op van de leerplichttellingen (per gemeente) over het daaraan voorafgaande schooljaar.
De rapportage van de leerplichttellingen geeft geen beeld van het verzuim per samenwerkingsverband. Reden hiervan is dat de leerplicht onder de verantwoordelijkheid van gemeenten valt en de regio van samenwerkingsverbanden niet altijd overeenkomt met die van gemeenten, waardoor er geen zuiver beeld ontstaat. Ook is er geen volledig beeld van het totaal van verzuim, omdat in de rapportage niet het (langdurig) «geoorloofd verzuim» wordt meegenomen, zoals ziekteverzuim.
Omdat het belangrijk is dat we wel inzicht krijgen in het totaal van verzuim (geoorloofd en ongeoorloofd), óók op het niveau van samenwerkingsverbanden, heb ik onlangs het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim aan uw Kamer aangeboden. Met dit wetsvoorstel wordt niet alleen geëxpliciteerd dat scholen effectief verzuimbeleid gaan voeren – in goede samenwerking met gemeenten en samenwerkingsverbanden –, maar krijgen we ook een actueel en accuraat beeld van het totale verzuim op scholen, binnen samenwerkingsverbanden en binnen gemeenten.
Bij de brief over de Verbeteraanpak passend onderwijs van 10 mei 2024 is de laatste rapportage van de leerplichttelling bijgevoegd (over schooljaar 2022–2023).8 Uw Kamer ontvangt de leerplichttellingen over schooljaar 2023–2024 bij de Kamerbrief passend onderwijs die ik u zal sturen voorafgaand aan het commissiedebat passend onderwijs van 21 mei aanstaande.
Wordt bij het vierjaarlijkse onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs ook specifiek gekeken naar de verhouding van het budget dat gaat naar leerlingen en naar organisatiekosten? Zo ja, zitten hier grote verschillen per samenwerkingsverband?
De inspectie bekijkt of er beleidsrijk wordt begroot. Er wordt gekeken of er een koppeling is tussen de besteding van middelen en doelen uit het ondersteuningsplan. Kosten die gemaakt worden voor de organisatie van een samenwerkingsverband kunnen daar ook aan bijdragen. Bijvoorbeeld als er specifieke expertise in wordt gehuurd.
Een samenwerkingsverband bepaalt zelf hoe het geld wordt verdeeld en ingezet. Een groot deel van de samenwerkingsverbanden kiest ervoor om een deel van de beschikbare middelen door te zetten naar de schoolbesturen zelf, waarbij de schoolbesturen de middelen inzetten voor passend onderwijs volgens de afspraken gemaakt en vastgelegd in het ondersteuningsplan. Een samenwerkingsverband kan er ook voor kiezen om (een deel van) het geld zelf direct in te zetten voor passend onderwijs, door bijvoorbeeld zelf personeel in te huren. Of voor een mix hiertussen. Daarom is het lastig om samenwerkingsverbanden onderling te vergelijken. Er wordt dan ook niet gekeken hoe deze verhouding verschilt per samenwerkingsverband. In algemene zin geldt wel dat centraal georganiseerde samenwerkingsverbanden hogere organisatiekosten hebben dan decentraal georganiseerde samenwerkingsverbanden. Bij decentraal georganiseerde samenwerkingsverbanden worden de organisatiekosten door de onderliggende scholen gemaakt.
Is er een beeld van de personele ontwikkeling van samenwerkingsverbanden en daarmee ook de beloningen van de bestuurders? Zo nee, bent u bereid om dit in beeld te brengen met daarin specifieke aandacht voor de bezoldiging?
Op basis van de Wet Normering Topinkomens (WNT) wordt de maximale bezoldiging binnen de (semi) publieke sector genormeerd. Dit geldt ook voor topfunctionarissen in het onderwijs. Onderwijsinstellingen, waaronder de samenwerkingsverbanden, verantwoorden zich over de WNT in het jaarverslag. We weten daarom dat de bezoldigingen van bestuurders van samenwerkingsverbanden ruim onder het toepasselijk maximum liggen. Er zijn geen meldingen van overtreding van de WNT door samenwerkingsverbanden binnengekomen. De inspectie houdt toezicht op de WNT in de onderwijssector en handhaaft indien nodig.
Zijn er naar aanleiding van berichten over het gestegen aantal thuiszitters ook specifieke afspraken gemaakt met de samenwerkingsverbanden? Zo ja, waar zijn die in te zien? Zo nee, waarom niet?
Ik ben doorlopend in gesprek met de samenwerkingsverbanden (en andere partijen) over hoe we het aantal thuiszitters terug kunnen dringen en wat daarvoor nodig is. Dit vraagt, gezien de hardnekkigheid van de thuiszittersproblematiek, om blijvende urgentie en maatwerk. Ook omdat er geen «one size fits all»-oplossingen zijn, daarvoor is het vraagstuk te ingewikkeld en de problematiek te weerbarstig.
Conform de motie van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA)9 om te blijven werken aan terugdringen van bovenmatige reserves heb ik daarom, zoals ook toegezegd aan het lid Van Zanten (BBB) in het debat over de begrotingsbehandeling van 28 november jl., de samenwerkingsverbanden opgeroepen om onbenutte reserves en het geld dat bestemd is voor speciale ondersteuning te besteden aan de leerlingen die dat nodig hebben. Waaronder aan programma’s voor leerlingen met autisme, conform de motie van het lid Van Zanten (BBB).10
Ook kijkt mijn ministerie op dit moment kritisch naar de werking en inrichting van samenwerkingsverbanden, mede naar aanleiding van de motie van het lid Soepboer (NSC) waarin het kabinet onder andere wordt opgeroepen om te kijken de werking, positie en het ondersteunings- en financieringsmodel van samenwerkingsverbanden.11 Met de Kamerbrief over passend onderwijs die u ontvangt voor het commissiedebat passend onderwijs in mei, informeer ik uw Kamer hier verder over.
Klopt het dat op de website OCWincijfers (https://www.ocwincijfers.nl/) gestructureerde informatie over samenwerkingsverbanden ontbreekt en via de datasets van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) alleen de adresgegevens te vinden zijn? Zo nee, waar zijn de andere geleverde cijfers te vinden? Zo ja, bent u bereid om ook met samenwerkingsverbanden afspraken te maken over het aanleveren van andere relevante gegevens zodat die openbaar inzichtelijk zijn?
Er is op verschillende plekken al informatie te vinden over samenwerkingsverbanden. Zo bevat de website OCW in Cijfers een aantal gegevens over samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld voor de samenwerkingsverbanden in het voortgezet onderwijs.12 Verder biedt de website samenwerkingsverbanden op de kaart meer informatie en gegevens.13 Op de website van DUO zijn alle jaarrekening gegevens van samenwerkingsverbanden inzichtelijk gemaakt.14
Uitsluiting juridische hulp bij conflicten die te maken hebben met invaren door DAS rechtsbijstandverzekering |
|
Inge van Dijk (CDA), Agnes Joseph (NSC) |
|
Struycken , Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het informatiedocument over het verzekeringsproduct van de rechtsbijstandverzekering van DAS?1
Ja, ik ben met dit document bekend.
Kunt u bevestigen dat hierin staat «U krijgt geen juridische hulp bij conflicten die te maken hebben met «invaren»», «Invaren is het overgaan van het oude naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wet toekomst pensioenen»?
Ja, dit kan ik bevestigen. Dit staat vermeld op pagina 14 van de Polisvoorwaarden DAS voor Particulieren Totaal (01-2025)2.
Kunt u aangeven waarom deze verzekeraar heeft besloten om de rechtsbijstand voor geschillen over invaren uit te sluiten?
Het is niet aan mij om de beweegredenen van een commerciële partij te duiden. Als ik afga op het artikel in PensioenPro van woensdag 8 januari 2025 is het besluit van deze bewuste verzekeraar om conflicten die te maken hebben met invaren niet mee te verzekeren, gedaan met het oog op het behoud van de kwaliteit van dienstverlening en de prijsstelling van de geboden juridische diensten.
Kunt u aangeven sinds wanneer deze voorwaarde is opgenomen binnen deze verzekering?
De polisvoorwaarden gelden voor nieuwe rechtsbijstandverzekeringen van DAS vanaf 1 januari 2025. Voor bestaande particuliere rechtsbijstandverzekeringen van DAS is de ingangsdatum afhankelijk van de prolongatiedatum in het jaar 2025 en kan dus per verzekerde verschillen.
Kunt u uitleggen wat voor gevolgen het voor de rechtspositie van mensen heeft als verzekeraars juridische hulp bij conflicten die te maken hebben met invaren uitsluiten?
De effectieve rechtsbescherming voor mensen bij het invaren wordt niet bepaald door de polisvoorwaarden van enige rechtsbijstandsverzekeraar. De rechtsbescherming is met inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) versterkt. Er zijn meer wettelijke waarborgen voor de interne klachtenprocedure van de pensioenuitvoerder waarin het voor iedereen mogelijk is een klacht in te dienen. Tevens zijn de Geschilleninstantie Pensioenen (GIP) en Kifid aangewezen als externe, onafhankelijke instanties voor geschillen rondom pensioen. Voor zowel de klachten als de geschillen zijn de procedures laagdrempelig, omdat er allereerst geen noodzaak is voor procesvertegenwoordiging. Daarnaast zijn er voor deze procedures geen kosten voor een (bindend) advies. In dit kader vind ik het verder van belang om te melden dat het GIP geschillen kan behandelen die te maken hebben met het invaren. De enige uitzondering hierop geldt het besluit van sociale partners over het invaren. Verder blijft de gang naar de rechter voor iedereen openstaan. Voor de volledigheid merk ik nog op dat er meerdere manieren zijn om procesvertegenwoordiging te krijgen. Dat is ook in het geval de kosten voor een advocaat voor een individu niet mogelijk zijn. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van gesubsidieerde rechtsbijstand.
Kunt u aangeven onder welke voorwaarden verzekeraars mogen besluiten bepaalde geschillen uit te sluiten?
Het is aan een verzekeraar om zelf de polisvoorwaarden van een verzekering te bepalen. Daarbij moet iedere verzekeraar zich houden aan alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Dat betekent dat verzekerden de mogelijkheid hebben om de verzekering op te zeggen op de datum dat de wijziging ingaat als zij het niet eens zijn dat de verzekeraar dit nieuwe risico niet wil verzekeren. Het overhevelen van pensioenaanspraken naar een nieuw stelsel is te zien als een nieuw risico waar geen premieafdracht tegenover staat. In de situatie bij DAS geldt dat de verzekering voor overige pensioenzaken dus wel aanspraak biedt op juridische hulp.
Is juridische hulp bij conflicten die te maken hebben met invaren uitgesloten bij meer verzekeraars, of zijn verzekeraars mogelijk van plan dit binnenkort te doen? Zo ja, om welke verzekeraars gaat dit?
Op dit moment is bij mij niet bekend of andere rechtsbijstandsverzekeraars het voornemen hebben om op dit punt hun beleid aan te passen.
Kunt u zich inspannen om te voorkomen dat meer verzekeraars juridische hulp bij conflicten die te maken hebben met invaren uitsluiten?
Ik vind het van belang dat zowel mensen als bedrijven zich kunnen verzekeren voor rechtsbijstand. Toegang tot het recht is belangrijk. Iedereen kan immers te maken krijgen met een juridisch probleem. Niet alleen begrijpelijke informatie maar ook toegankelijk advies zijn manieren om toegang tot het recht te versterken, vooral voor mensen in een kwetsbare situatie. Op dit moment is nog steeds sprake van een breed aanbod van producten en diensten van verschillende verzekeraars. Dit biedt mensen de mogelijkheid om te kiezen uit diverse polisvoorwaarden. Verzekeraars bepalen zelf welke producten en diensten zij aanbieden en aan wie ze deze verstrekken. Pas wanneer bepaalde risico’s geheel onverzekerbaar zijn of enkel tegen extreem hoge kosten verzekerd kunnen worden, zou overheidsingrijpen mogelijk aan de orde zijn. Dat is nu nog niet het geval, omdat het invaren op dit moment niet door alle verzekeraars is uitgesloten dan wel omdat mij niet bekend is dat de verzekeraars het risico tegen extreem hoge kosten aanbieden.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Verbond van Verzekeraars over dergelijke uitsluitingsbepalingen voor invaren bij rechtsbijstandsverzekeringen en hoe de rechtsbescherming van consumenten kan worden gegarandeerd?
Het is aan de verzekeraars om hun eigen polisvoorwaarden te bepalen. Het Verbond en de aangesloten leden mogen geen afspraken maken over de dekking dan wel acties ondernemen die zouden kunnen leiden tot afgestemd gedrag dat de concurrentie belemmert. De inhoud van verzekeringen kan worden vergeleken op basis van de toepasselijke polisvoorwaarden van de verzekeraars of via vergelijkingssites. Echter laat ik mij graag nader informeren door het Verbond als daar op enig moment aanleiding voor is.
Kunt u alle vragen één voor één beantwoorden vóór het debat over de Wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel?2
De vragen zijn binnen de gestelde termijn beantwoord.
Het bericht 'Vandaag gestolen, morgen in Polen: ‘De hele polder wordt leeggeroofd' |
|
Pieter Grinwis (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
van Weel , Wiersma |
|
![]() |
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Vandaag gestolen, morgen in Polen: «De hele polder wordt leeggeroofd»»?1
Diefstal van vaak kostbare landbouwvoertuigen en -apparatuur kan een grote impact hebben op agrarisch ondernemers. Naast de financiële schade, is het ook een inbreuk op de veiligheid. Ik deel de zorg die in het artikel wordt geuit en ondersteun de oproep voor een gerichte en gezamenlijke aanpak die in de onderstaande beantwoording nader wordt toegelicht.
Hoe groot is het probleem van de diefstal van trekkers en andere landbouwmachines? Kunt u hierbij aantallen en bedragen aangeven? Is er sprake van een stijgende trend?
Uit onderstaande cijfers van de politie blijkt geen stijgende trend van het stelen van trekkers en andere landbouwmachines. Een voertuig telt alleen mee als het hele voertuig als gestolen goed geregistreerd staat, niet als alleen een onderdeel is gestolen:
2021
2022
2023
2024
Eindtotaal
137
253
190
155
De politie heeft geen inzicht in de bedragen van de gestolen voertuigen.
Klopt het dat door verschillende politiesystemen deze vorm van criminaliteit per regio anders wordt geregistreerd, waardoor een gezamenlijke aanpak lastig is? Bent u bereid om in samenspraak met de politie deze registratiesystemen tegen het licht te houden en aan te passen, zodat er meer zicht komt op de omvang van het probleem en de aanpak effectiever kan worden?
De politie werkt met een landelijk systeem waar de aangiftes in worden verwerkt. Sinds enkele jaren moeten landbouwvoertuigen op de openbare weg ook zijn voorzien van een kenteken. Hierdoor is de diefstal van landbouwvoertuigen die zijn voorzien van een kenteken terug te vinden in de systemen. Momenteel werkt de politie aan een voorziening die trends en ontwikkelingen op dergelijke criminaliteitsfenomenen landelijk analyseert en hier een waarschuwing op nieuwe trends, zoals pieken van bepaalde criminaliteit en regio’s, kan geven.
Wat is de inzet vanuit uw ministeries om deze vormen van internationale, georganiseerde criminaliteit op het platteland tegen te gaan? Overweegt u hierbij ook onorthodoxe maatregelen? Is het bijvoorbeeld mogelijk de geïntensiveerde grenscontroles ook in te zetten voor de aanpak van deze internationale criminele bendes? Zo ja, benut u dit instrument? Zo nee, waarom niet?
Via de structurele financiering van de Platforms Veilig Ondernemen vinden, in samenwerking met gemeenten en brancheorganisaties, verschillende activiteiten plaats voor een veiliger buitengebied. Door de Platforms Veilig Ondernemen wordt voorlichting gegeven en handelingsperspectief geboden om deze criminaliteit te bemoeilijken, net als door brancheorganisaties.
De aanpak voor een veilig buitengebied en voor het tegengaan van mobiel banditisme maakt deel uit van het Actieprogramma Veilig Ondernemen, vastgesteld en gemonitord door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing onder voorzitterschap van de Minister van Justitie en Veiligheid2. Het met partners opgestelde barrièremodel mobiele bendes geeft richting aan de gezamenlijke aanpak.
Een gecombineerd team van de politie, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft recent een analyse gedaan naar internationale, georganiseerde vermogenscriminaliteit.3 Op basis hiervan wordt met publieke en private partners gewerkt aan een beschrijving van modus operandi in combinatie met een gericht handelingsperspectief en de implementatie van het opgeleverde barrièremodel GPS-diefstal van landbouwapparatuur. De politie onderzoekt hoe informatie op fenomeenniveau en operationeel niveau verzameld en ontsloten kan worden binnen de nieuwe Nationale Intelligence Voorziening. Het doel is om tot een informatievoorziening te komen waarbij (in publiek-privaat verband) informatie gedeeld kan worden. De strafvorderingsrichtlijn mobiel banditisme wordt doorlopend op passende momenten onder de aandacht gebracht door en binnen het Openbaar Ministerie.
Vanaf 1 januari 2025 geldt een kentekenplicht voor alle (land)bouwvoertuigen met een registratieplicht. Ervan uitgaande dat een kenteken enig preventief effect heeft tegen diefstal, kan dit mettertijd bijdragen aan het terugdringen van het aantal diefstallen.
Sinds 9 december 2024 heeft Nederland tijdelijk de binnengrenscontroles ingevoerd. Het doel van binnengrenscontroles is het voorkomen van irreguliere migratie en aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit, in het bijzonder migratiecriminaliteit zoals mensensmokkel of identiteitsfraude. De controles focussen zich op personen die Nederland inreizen. Bij de grenscontroles toetst de Koninklijke Marechaussee of personen voldoen aan de toegangsvoorwaarden voor Nederland. Het is bestaande praktijk dat de Koninklijke Marechaussee bij grenscontroles van personen, kan handelen als het op signalen stuit van (andere vormen van) criminaliteit, waaronder diefstal van goederen. Afhankelijk van het strafbare feit kan de Koninklijke Marechaussee dit zelf afhandelen of overdragen aan andere (rechtshandhavings)autoriteiten. De Koninklijke Marechaussee en politie wisselen tevens op een structurele wijze informatie uit, o.a. over grensoverschrijdende criminaliteit.
Welke prioriteit heeft de aanpak van georganiseerde criminaliteit op het platteland bij politie en justitie? Zijn er voldoende middelen en capaciteit beschikbaar om dit effectief aan te pakken?
De strijd tegen de georganiseerde ondermijnende criminaliteit is een topprioriteit van dit kabinet en ook zeker van politie en justitie. Deze strekt zich zowel nationaal als internationaal uit en draait op het voorkomen, verstoren, bestraffen en beschermen van de georganiseerde criminaliteit. De Regionale Informatie- en Expertisecentra hebben dit onderwerp ook scherp op het vizier.
De politie werkt bovendien samen met brancheorganisaties om preventie te verbeteren. Ze nemen deel aan de werkgroep mobiel banditisme en er is samenwerking in het barrièremiddel GPS diefstallen waar in 2024 met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid aan is gewerkt. Ook werkt de politie aan een voorziening om toenemende criminaliteit sneller op te merken en hiernaar te handelen, al dan niet in samenwerking met de sector en gemeenten.
Ook op het platteland gaat de politie met de beschikbare middelen en capaciteit zo effectief mogelijk te werk. Zoals ook eerder in de halfjaarberichten politie aan uw Kamer gemeld, leidt op dit moment in álle politieregio’s de druk op politiecapaciteit tot knelpunten. Dit verschilt overigens wel van plek tot plek. Maar omdat de politiecapaciteit per definitie schaars is betekent dit dat er altijd keuzes moeten worden gemaakt over de inzet van de politiecapaciteit.
Vind u het in het licht van dit nieuws verantwoord om te bezuinigen op de vertrouwenspersonen voor veilige buitengebieden, waardoor het onzeker is of deze aanpak kan worden voortgezet? Bent u bereid om alsnog deze financiering (met het budget van 2024) te garanderen voor 2025 en de jaren daarna?
Het buitengebied is aantrekkelijk voor criminelen. Met name door een grote mate van anonimiteit, leegstaande stallen en boeren en tuinders in een kwetsbare positie. Onderzoek «Weerbare boeren in een kwetsbaar gebied (2020)»4 wees uit dat één op de vijf boeren weleens was benaderd voor criminele activiteiten. Bovendien kwam naar voren in het onderzoek dat de meldingsbereid in het buitengebied laag is. Hierom is sinds 2022 een vertrouwenspersoon voor ondernemers in het agrarische gebied actief. Deze vertrouwenspersoon helpt agrariërs en tuinders wanneer zij een vermoeden hebben van criminaliteit of onveiligheid ervaren. Naar aanleiding van de Motie Bikker van 24 mei 2023 over de landelijke uitrol van de Brabantse aanpak om boeren weerbaarder te maken tegen drugscriminaliteit5, zijn er twee vertrouwenspersonen bij drie brancheorganisaties aangesteld. Hiermee is er sprake van een landelijke dekking voor de agrarische sector.
De vertrouwenspersonen worden met incidentele middelen behorende bij het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 gefinancierd. Aan de financiering voor het opstarten van vertrouwenspersonen in de agrarische sector zijn door het Ministerie van Justitie en Veiligheid op voorhand en in de subsidiebesluiten uitgangspunten geformuleerd en kenbaar gemaakt. Onderdeel hiervan is dat de functie van vertrouwenspersoon en de opbrengsten ervan door de (branche)organisaties geborgd worden, zodat de bijdrage aan de weerbaarheid van de branche tegen (ondermijnende) criminaliteit gecontinueerd wordt.
Verwacht u dat het plaatsen van meer camera’s met automatische nummerbordherkenning (ANPR) gaat helpen in de strijd tegen deze criminaliteit? Zo ja, bent u bereid om meer van deze camera’s te laten plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Een van de doelstellingen van het regeerprogramma is het verhogen van de pakkans door te investeren in de opsporing, waarbij deze inzet ook een preventieve werking kan hebben. Het kabinet heeft structureel extra gelden beschikbaar gesteld voor technologisch hoogwaardige middelen, waaronder ANPR-camera’s. De definitieve toekenning van de extra gelden bevindt zich in een afrondende fase.
Is het beeld vergelijkbaar met onze buurlanden? Welke stappen onderneemt u samen met de buurlanden om deze internationale bendes aan te pakken?
Deze criminaliteit is geen typisch Nederlands probleem. Ook in België, Frankrijk en Duitsland wordt kostbare landbouwapparatuur gestolen. Mede om die reden is een samenwerking met Europol aangegaan. Deze samenwerking is in EU-verband ook een prioriteit vanuit het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT)6 via een aanpak die onder meer bestaat uit controles aan de buitengrenzen, publiek-private samenwerking, opleiding en preventie. De politie en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid zijn hierin actief.
De inwerkingtreding van het Benelux verdrag voor politiesamenwerking heeft de operationele samenwerking tussen de verdragspartijen verbeterd. Zo is de grensoverschrijdende uitoefening van bevoegdheden vereenvoudigd en verruimd, bijvoorbeeld bij grensoverschrijdende achtervolging. Daarnaast biedt het verdrag, in aanvulling op het EU-recht, een aantal verdergaande mogelijkheden voor deling van politiegegevens. Zo worden tijdens gezamenlijke acties en in gemeenschappelijke politieposten direct politiedatabanken geraadpleegd. In een uitvoeringsovereenkomst worden voorwaarden vastgelegd waaronder politiediensten op basis van hit/no hit kunnen zien of andere politiediensten binnen de Benelux gegevens hebben over bepaalde personen.
Hoe wordt voorkomen dat gestolen materieel waarvan de locatie bekend is, toch in het buitenland bij de heler blijft? Welke stappen worden ondernomen om gestolen goederen weer terug naar Nederland te halen? Welke stappen worden ondernomen om naast daders ook helers aan te pakken?
Zodra een landbouwvoertuig dat voorzien is van een kenteken in Europa door de politie wordt aangetroffen zal deze in het systeem zien dat het om een gestolen voertuig gaat en de opdracht krijgen deze in beslag te nemen. Dit kan zowel op het kenteken als op het Voertuig identificatie nummer (VIN). Als het voertuig op een andere wijze is aangetroffen door de eigenaar zelf en deze dit bij de politie meldt, zal de politie een Europees onderzoeksbevel op moeten maken en verzenden naar de autoriteiten. Dit is een proces waar veel tijd in zit, en wat internationaal over veel schijven gaat. Vaak gaat het uiteindelijk goed, maar het komt ook voor dat er door werkdruk, andere prioriteiten of internationale regelgeving een verzoek niet opgemaakt wordt, of door het ontvangende land niet kan worden uitgevoerd.
Om de helers aan te pakken heeft Nederland in verschillende Europese landen het Nederlandse systeem rondom heling en het digitaal opkopersregister gepresenteerd. Dit is positief ontvangen en er zijn landen bezig met een soortgelijk systeem.
De onlangs verschenen rapporten van Amnesty, Human Rights Watch en Artsen Zonder Grenzen over de situatie in Gaza. |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het rapport ««You feel like you are subhuman»: Israel’s genocide against Palestinians in Gaza»1, het rapport «Israel’s Crime of Extermination, Acts of Genocide in Gaza»2 en het rapport «Gaza: Life in a death trap»3?
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «You feel like you are subhuman»: Israel’s genocide against Palestinians in Gaza van Amnesty International?
Ik verwijs u hiervoor graag naar de aan uw Kamer gestuurde brief n.a.v. verzoeken vanuit de Tweede Kamer over het Genocideverdrag en appreciatie rapporten van NGO’s.
Hoe beoordeelt u de reactie van de Israëlische regering, die heeft gezegd: «The deplorable and fanatical organisation Amnesty International has produced a fabricated report that is entirely false and based on lies.» (The Guardian, 5 december 2024)
Het is aan ieder land zelf om een appreciatie te geven van het rapport van Amnesty International.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat Israël zich schuldig maakt aan de handeling «het doden van leden van de groep», die strafbaar is onder het Genocideverdrag?
Het kabinet ziet het groot menselijk lijden in de Gazastrook en de ernst van de situatie. Genocide is een zeer ernstig misdrijf, en complex om vast te stellen, met name daar waar het gaat om het aantonen van genocidale opzet. Voor de vaststelling of een bepaalde gebeurtenis als genocide kan worden gekwalificeerd, is grondig feitenonderzoek van groot belang. Nederland is in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren.4 Volgens het staand beleid van het kabinet zijn bij het doen van dergelijke kwalificaties uitspraken van (internationale) gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek of vaststellingen door de VN (Veiligheidsraad) zwaarwegend. Hoewel het rapport van Amnesty een bijdrage levert aan het feitenonderzoek, bestaat voor het kabinet in dit geval geen reden om af te wijken van de gebruikelijke terughoudendheid bij het kwalificeren van gebeurtenissen als genocide.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat Israël zich schuldig maakt aan de handeling «het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep», die strafbaar is onder het Genocideverdrag?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat Israël zich schuldig maakt aan de handeling «het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke vernietiging», die strafbaar is onder het Genocideverdrag?
Zie het antwoord op vraag 4.
Onderschrijft u Amnesty International's interpretatie van de «only reasonable inference test» van het Internationaal Gerechtshof (p. 101–103 van het Amnesty-rapport)?
De definitie van genocide bestaat uit meerdere elementen, waaronder het element van genocidale opzet. Het aantonen van genocidale opzet is in de praktijk echter lastig. Uit jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof (IGH) volgt dat wanneer bewijs van genocidale opzet enkel uit een patroon van handelingen bestaat, het noodzakelijk is dat de enige redelijke gevolgtrekking («the only reasonable inference») van deze handelingen het doel is om de groep als zodanig te vernietigen.
Ook Amnesty International zet de standaarden voor het vaststellen van genocidale opzet uiteen volgens de jurisprudentie van internationale hoven en tribunalen, waaronder het IGH. Amnesty International merkt daarbij op dat deze «only reasonable inference»-standaard tot reacties heeft geleid. Sommige experts hebben gewaarschuwd dat deze standaard zodanig strikt zou kunnen worden uitgelegd, dat dit het vaststellen van genocidale opzet in oorlogstijd in feite onmogelijk zou maken; dit terwijl het Genocideverdrag expliciet stelt dat genocide ook in oorlogstijd verboden is.
De benadering van Amnesty International voor het afleiden van genocidale opzet uit een handelingspatroon verwijst op bepaalde onderdelen naar die van Nederland. De discussie over de uitleg van de «only reasonable inference»-standaard speelt ook ten aanzien van gebeurtenissen elders. Zo heeft Nederland een standpunt ingenomen ten aanzien van deze discussie in een gezamenlijke interventie in de IGH-zaak tussen Gambia en Myanmar over vermeende genocide jegens de Rohingya in Myanmar. In deze interventie stellen de interveniërende landen, waaronder Nederland, onder meer dat het Hof een evenwichtige benadering zou moeten hanteren bij het afleiden van genocidale opzet uit een patroon van handelingen, waarbij de ernst van het misdrijf in acht wordt genomen zonder dat de drempel voor het vaststellen van genocidale opzet te hoog wordt. Hierbij is het onder andere van belang dat het beschikbare bewijsmateriaal op een alomvattende manier wordt getoetst. Volgens de interveniërende landen kan een dergelijke evenwichtige benadering worden gebaseerd op de bestaande jurisprudentie van het IGH.
Zo nee, waarom niet en waarin verschilt deze interpretatie van die van Nederland in de interventie van november 2023 bij het Internationaal Gerechtshof in de zaakGambia vs. Myanmar?
Zie het antwoord op vraag 7. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het IGH zich nog niet heeft uitgesproken over het in de gezamenlijke interventie ingenomen standpunt.
Bent u van mening dat het door Amnesty gepresenteerde bewijsmateriaal voor genocidale intentie zoals bedoeld in artikel II (twee) van het genocideverdrag aan de «only reasonable inference test» van het Internationaal Gerechtshof voldoet?
Amnesty International zet uiteen hoe het, in het licht van de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof en de bestaande discussie over deze bewijsstandaard, te werk is gegaan bij het afleiden van genocidale opzet uit o.a. het patroon van handelingen van de Israëlische autoriteiten, naast meer rechtstreeks bewijs zoals uitspraken van Israëlische gezagsdragers. Vervolgens concludeert Amnesty International dat de onder het Genocideverdrag verboden handelingen zijn uitgevoerd met genocidale opzet.
Onder andere vanwege de complexiteit van het aantonen van genocidale opzet, is het kabinet – zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 – in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Volgens het staand beleid van het kabinet zijn bij het doen van dergelijke kwalificaties uitspraken van (internationale) gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek of vaststellingen door de VN (Veiligheidsraad) zwaarwegend. Dit geldt ook voor de huidige situatie in de Gazastrook. Op dit moment loopt bij het Internationaal Gerechtshof een zaak tussen Zuid-Afrika en Israël over schendingen van verplichtingen van Israël onder het Genocideverdrag. Indien de zaak inhoudelijk wordt behandeld, zal Hof zich ook buigen over bewijs van genocidale opzet. Het kabinet loopt niet vooruit op deze uitspraak.
Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 9.
Welke aanbevelingen die Amnesty International doet aan derde staten, waaronder Nederland (paragraaf 8.2.4), bent u van plan over te nemen?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief waarin de Nederlandse inzet wordt beschreven.
Welke aanbevelingen bent u van plan niet over te nemen en waarom niet?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief waarin de Nederlandse inzet wordt beschreven.
Als u van mening bent dat er geen sprake is van genocide of genocidale handelingen, kwalificeert u de handelingen van Israël zoals beschreven in hoofdstuk 6 van het rapport van Amnesty International dan als misdrijven tegen de menselijkheid en/of als systematische of grootschalige oorlogsmisdrijven?
Om te kwalificeren als misdrijf tegen de menselijkheid moet sprake zijn van bepaalde handelingen gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking. Het kabinet is over het algemeen terughoudend bij het kwalificeren van handelingen van een vreemde krijgsmacht, buiten het Nederlandse grondgebied, ook als het mogelijke oorlogsmisdrijven betreft. Dit neemt niet weg dat de omschreven handelingen vragen oproepen over de naleving van internationaalrechtelijke verplichtingen door Israël. Feitenonderzoek is hiervoor van belang.
Zo nee, meent u dan dat er sprake is van rechtmatig optreden van Israël in Gaza?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u het rapport van Human Rights Watch «Israel’s Crime of Extermination, Acts of Genocide in Gaza», uitgebracht op 19 december 2024?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het Human Rights Watch rapport dat de Israëlische autoriteiten Palestijnen in Gaza opzettelijk onvoldoende toegang tot water hebben verleend sinds oktober 2023, resulterende in mogelijk duizenden doden?
Het rapport van Human Rights Watch onderstreept de catastrofale situatie in de Gazastrook. Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over het tekort aan water voor de burgerbevolking. Israël heeft op basis van het bezettingsrecht de plicht de bevolking van de bezette Palestijnse Gebieden te voorzien van noodzakelijke levensmiddelen en andere noodzakelijke basisbehoeften, waaronder water.
Het opzettelijk onthouden van toegang tot voldoende water is in strijd met het humanitair oorlogsrecht en kan een internationaal misdrijf vormen. Het is uiteindelijk aan een rechter om te bepalen of, en welke, schendingen zijn begaan.
Het kabinet heeft de strijdende partijen voortdurend opgeroepen zich aan het humanitair oorlogsrecht te houden. Dat omvat ook het verbod op het aanvallen, vernietigen, verwijderen of onbruikbaar maken van objecten die onmisbaar zijn voor het overleven van de burgerbevolking.
Bent u het eens met de conclusie van Human Rights Watch dat de Israëlische autoriteiten opzettelijk levensomstandigheden hebben gecreëerd om de Palestijnen in Gaza geheel of gedeeltelijk fysiek te vernietigen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zal Nederland de aanbeveling van Human Rights Watch om een wapenembargo tegen Israël en sancties tegen de Israëlische regering in te voeren om een eind te maken aan het risico dat Nederland medeplichtig is aan Israëlische misdaden tegen de menselijkheid en genocidale daden, opvolgen?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief waarin de Nederlandse inzet wordt beschreven.
Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 18.
Hoe beoordeelt u het rapport van Artsen Zonder Grenzen «Gaza: Life in a death trap», uitgebracht op 19 december 2024?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief.
Wat is uw reactie op de conclusie van Artsen Zonder Grenzen dat de tekenen van etnische zuivering in Gaza onmiskenbaar zijn?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief.
Deelt u de conclusie van Artsen Zonder Grenzen dat Israël geen maatregelen heeft getroffen om genocide in Gaza te voorkomen?
Als partij aan het Genocideverdrag heeft Israël onder meer de verplichting om genocide te voorkomen. Deze verplichting strekt zich ook uit tot de andere in artikel III genoemde feiten van het Genocideverdrag, zoals het rechtstreeks en openbaar aanzetten tot genocide. Israël ontkent dat er sprake is van genocide. Als onderdeel van de voorlopige maatregelen die aan Israël zijn opgelegd in de IGH-zaak aangespannen door Zuid-Afrika, moet Israël rapporteren over de maatregelen die het neemt om genocide te voorkomen. Deze rapporten zijn echter vertrouwelijk en Israël doet hier in het openbaar geen uitspraken over. Nederland wijst Israël, samen met partners, consequent op de verplichting om zich te houden aan het internationaal recht, waaronder de implementatie van de voorlopige maatregelen van het IGH.
Zo nee, kunt u concrete maatregelen noemen die Israël getroffen heeft om genocide in Gaza te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 22.
Bent u bereid via de Europese Unie (EU) in de Associatieraad te eisen dat Israël op korte termijn met een stappenplan komt om humanitaire toegang en bescherming van humanitaire werkers mogelijk te maken in Gaza?
Het is evident dat de humanitaire situatie in de Gazastrook – ook na ingaan van het staakt-het-vuren – catastrofaal is. Deze vraagt om onmiddellijke verbetering. Dit betreft zowel de kwantiteit en kwaliteit van goederen, als mogelijkheden voor hulporganisaties om deze veilig en ongehinderd te verspreiden. Het kabinet blijft Israël met klem oproepen tot het verruimen en versnellen van toegang van humanitaire hulp. Dit doen we bilateraal maar ook in Europees en multilateraal verband. Het is de Nederlandse inzet om dit ook onderdeel van de mogelijk aanstaande Associatieraad te maken.
Op welke manier voldoet Nederland aan de plicht voor partijen bij het Genocideverdrag om Israëls genocide in Gaza te stoppen of te voorkomen?
Ik verwijs u graag naar de eerder genoemde Kamerbrief.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden vóór de voortzetting van het commissiedebat Midden-Oosten op 14 of 21 januari?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De gevolgen van de actualisatie van de Beleidslijn Grote Rivieren |
|
Caroline van der Plas (BBB), Chris Stoffer (SGP) |
|
Wiersma , Barry Madlener (PVV) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de potentieel grote gevolgen van de voorgenomen actualisatie van de Beleidslijn Grote Rivieren voor agrarische bedrijfsontwikkeling in overloopgebieden als de Kampereilanden, waar tientallen melkveebedrijven actief zijn?1
Ja, naar aanleiding van de internetconsultatie is inderdaad kennisgenomen van de zorgen die er zijn vanuit gebieden als Kampereiland over de actualisatie van de Beleidslijn grote rivieren.
Kunt u de gevolgen van de voorgenomen wijziging voor bewoners en ondernemers, zoals die in het kader van het Beleidskompas in kaart zijn gebracht, met de Kamer delen?
Voor een laaggelegen delta als Nederland is waterveiligheid en een toekomstbestendig rivierbeheer een basisvoorwaarde om grote delen van ons land veilig te houden. Dat betekent dat er voldoende ruimte moet zijn om hoogwater (tijdig) af te voeren en te bergen en dat de rivier voldoende ruimte houdt voor toekomstige rivierverruimingen.
Daarom is er (al vanaf 1996) een beleidslijn die tot doel heeft dat nieuwe activiteiten of objecten de toekomstige rivierverruimingen niet moeilijker of duurder maken en om te voorkomen dat er bij bewoners en ondernemers onnodige schade door hoogwater ontstaat. Met de huidige inzichten weten we dat aanpassing van deze Beleidslijn grote rivieren (Beleidslijn) nodig is om deze doelen te blijven bereiken, zeker omdat hoogwaters vaker zullen gaan voorkomen. Door de aanpassingen zijn in een deel van het rivierbed de ontwikkelmogelijk-heden voor bewoners en ondernemers van niet-riviergebonden activiteiten beperkter geworden. Daarbij krijgt iedereen in de gebieden waar de regels strenger zijn geworden nog een eenmalige uitbreidingsmogelijkheid van 10%. Voor de gevolgen voor agrarische grondgebonden bedrijven wordt verwezen naar het antwoord op vraag 4.
Voor een meer uitgebreide weergave van de gevolgen van de wijziging van de Beleidslijn wordt verwezen naar de brief die de Kamer parallel ontvangt over de Beleidslijn.
Waarom is in het Beleidskompasformulier voor de internetconsultatie slechts één zin opgenomen over de gevolgen van het voorstel, terwijl die in de praktijk groot kunnen zijn?
Het beleidskompas bevat inderdaad slechts een summiere weergave van de gevolgen. Het besluit (Bgr 2025) bevat wel een uitgebreide toelichting van de gevolgen. Ook zijn er bij de stukken voor de internetconsultatie QenA’s gevoegd waarin specifiek wordt ingegaan op de gevolgen van het besluit.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van de genoemde actualisatie zijn voor agrarische bedrijven?
Voor agrarische bedrijven, die in de voormalige stroomvoerende regime liggen, verandert er nagenoeg niets. Voor de bedrijven die in het voormalig bergend regime liggen gaan de regels gelden die ook al golden voor de bedrijven in het stroomvoerend regime. Dat betekent dat in deze gebieden het «nee-tenzij» principe ook gaat gelden. Dit is nodig omdat de beleidsregels in het voormalige bergende regime te veel ruimte lieten voor ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed. Zie hiervoor ook antwoord 9.
Dit betekent echter niet dat er niets meer kan. Naast riviergebonden activiteiten wordt er, onder reeds bestaande voorwaarden, ook toestemming gegeven voor een aantal niet-riviergebonden activiteiten.
Zo kan een grondgebonden agrarisch bedrijf op grond van artikel 5, onderdeel b, een vergunning krijgen voor het uitbreiden en vernieuwen van het bedrijf, bijvoorbeeld om te voldoen aan regelgeving op gebied van stikstof, dierenwelzijn, brandveiligheid, etc.
Ook kan op basis van artikel 5 onderdeel c, een vergunning worden afgegeven voor activiteiten die nodig zijn voor de verduurzaming van de energievoorziening van een agrarisch bedrijf, zoals een mestvergistingsinstallatie, zonnepanelen of zonnecollectoren, warmtepomp of warmtekrachtkoppeling.
Daarnaast blijft de algemene bepaling bestaan om de bestaande bebouwing eenmalig met maximaal 10% uit te breiden. Dit geldt overigens niet alleen voor de agrarische bebouwing, maar voor alle bestaande bebouwing. Dus ook voor overige bedrijfsgebouwen, woningen, etc. In het voormalige bergende regime verschuift de peildatum hiervoor naar de ingangsdatum van de Bgr 2025.
Ook kan voor kleine of tijdelijke activiteiten en activiteiten van ondergeschikt belang nog steeds een vergunning worden verkregen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om: sloop en herbouw van bestaande bouwwerken, kleine bouwwerken zoals overkappingen en schuilgelegenheden, grondverzet, beplanting, erfafscheidingen, hekwerken en rasters, etc.
Voor veel kleine activiteiten, zoals bebouwing kleiner dan 30 m2 of ophogingen tot 50 m3 is overigens geen vergunning van de Minister van IenW nodig.
Deelt u de analyse dat de voorgenomen wijziging het voor agrarische bedrijven veel lastiger maakt om hun bedrijven met het oog op de toekomst te ontwikkelen en te verduurzamen, omdat er weinig ruimte meer geboden wordt voor wettelijk verplichte en maatschappelijk gewenste stal- en bedrijfsvernieuwing voor onder meer dierenwelzijn (meer ruimte per dierplaats), brandveiligheid (grotere afstand tussen stallen) en mestverwerking?
Nee, zie het antwoord op vraag 4.
Wat is het perspectief voor agrarische bedrijven in overloopgebieden en andere buitendijkse gebieden als nauwelijks ruimte geboden wordt voor wettelijk verplichte of juridisch noodzakelijke bedrijfsontwikkeling en stalvernieuwing, inclusief financiering daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 4, de bepalingen uit artikel 5 van de Bgr bieden ruimte voor dergelijke noodzakelijke activiteiten.
Heeft de voorgenomen wijziging van de Beleidslijn Grote Rivieren gevolgen voor het gebruik van (dierlijke) meststoffen?
Nee.
Deelt u de analyse dat de forse inperking van de toekomstige gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden in een gebied als de Kampereilanden, waarbij ook waterveilige woningbouw op terpen onmogelijk lijkt te worden gemaakt, de leefbaarheid van zo’n gebied onder grote druk zetten?
Nee, deze analyse wordt niet gedeeld. We hebben kennisgenomen van de zorgen uit dit gebied. Er heeft een ambtelijk gesprek plaatsgevonden met de gemeente Kampen. Tijdens dit overleg is besproken hoe het gemeentelijke en provinciale beleid zich verhoudt tot de geactualiseerde Bgr 2025. Gebleken is dat de beleidskaders goed op elkaar aansluiten. De actualisatie van de Bgr vormt geen significante belemmering voor de huidige gebruiksfuncties en activiteiten en de ontwikkelmogelijkheden in het gebied, ook omdat alle bestaande bebouwing (woningen, (agrarische) bedrijven, etc.) en bijbehorende erven op het Kampereiland buiten het toepassingsbereik van de Bgr vallen en deze uitzonderingspositie ook onder de Bgr 2025 behouden blijft. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Waarom zouden de huidige afspraken voor Kampereilanden als overloopgebied, waarbij is vastgelegd dat alle ontwikkelingen op de Kampereilanden overstromingsbestendig moeten zijn en er zo nodig compensatie voor waterberging plaatsvindt, onvoldoende waarborgen bieden voor de (toekomstige) waterveiligheid?
De voormalige regels boden onvoldoende waarborgen voor een toekomstbestendig rivierbeheer en voor de waterveiligheid omdat de beleidsregels met name in het voormalige bergende regime te veel ruimte lieten voor ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed.
Onder de voormalige regels waren grootschalige woningbouw en zelfs de aanleg van nieuwe dorpen toegestaan, zolang er werd voldaan aan de eisen voor compensatie. Dit zou ingeval van verwachte grotere en frequentere perioden van hoogwater grote risico's met zich mee brengen en de ruimte van noodzakelijke rivierverruimingsmaatregelen (op termijn) onnodig beperken en de kosten van maatregelen verhogen. Als uitwerking van de wettelijk vastgelegde systeemverantwoordelijkheid van de Minister van IenW zijn door de actualisatie van het beleid deze risico’s beperkt, zonder daarmee alle ontwikkelingen in het rivierbed stop te zetten. Daarmee wordt een betere balans bereikt tussen toekomstbestendig waterbeheer en waterveiligheid en gewenste en noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Waarom wilt u het onderscheid tussen het bergend deel van een rivierbed en het stroomvoerend deel laten vervallen, terwijl er qua waterveiligheid een groot verschil zit tussen het stroomvoerend deel van een rivierbed en bijvoorbeeld een overloopgebied beschermd door een regionale kering dat bijvoorbeeld eens in de vijfhonderd jaar mag overstromen?
Het vasthouden aan het «ja, mits» principe van het voormalig bergend regime was onverstandig, omdat uit onderzoek2 bleek dat dit in het rivierbed te veel ruimte gaf voor niet-riviergebonden activiteiten, zoals grootschalige woningbouw, vakantieparken en grootschalige niet-riviergebonden industriële bebouwing. Met de verwachte hogere rivierafvoeren en zeespiegelstijging is terughoudendheid noodzakelijk met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed om schade te voorkomen en ruimte te houden voor toekomstige rivierverruiming en dijkversterking. Daarnaast bleek het onderscheid tussen stroomvoerend en bergend regime moeilijk te maken vanwege de complexe rivierkundige rol van gebieden tijdens hoogwater. Waterveiligheidsexperts van het Expertise Netwerk Waterveiligheid ondersteunen in hun advies over de actualisatie van de Bgr daarom ook de keuze voor uniforme regels voor alle gebieden in het rivierbed die vallen onder het toepassingsbereik van de Bgr.
Voor een aantal specifieke locaties, zoals de Kampereilanden, de Afgedamde Maas en de Hollandse IJssel, waar buitendijks gelegen gebieden tot op zekere hoogte beschermd zijn door aangewezen keringen wordt in 2025 nader onderzoek opgestart naar de begrenzing van het toepassingsgebied van de Bgr. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek wordt samen met de betreffende decentrale overheden gekeken of er aanpassingen in het toepassingsgebied van de Bgr 2025 nodig en wenselijk zijn.
Welke opties heeft u onderzocht om in overloopgebieden en andere waterbergingsgebieden meer of minder ruimte te geven voor niet riviergebonden activiteiten ten opzichte van het stroomvoerende deel van rivierbedden? Waarom heeft u niet voor een minder vergaande optie gekozen?
Zoals in het beleidskompas is te lezen zijn opties als een publiekscampagne en financiële instrumenten onderzocht als mogelijke maatregelen om het beleidsdoel te realiseren. Hoewel deze opties waardevol zijn, bieden ze op zichzelf onvoldoende garantie om ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed structureel te voorkomen. Daarom is ook gekozen voor het actualiseren van de beleidsregels.
Bent u bereid te bezien wat de mogelijkheden zijn om gebieden aan te wijzen, zoals de Kampereilanden, waar meer ruimte kan komen voor niet riviergebonden activiteiten, zoals in de grondgebonden agrarische sector, zo nodig met compenserende maatregelen in de vorm van extra waterberging elders, waarbij de toekomstige waterveiligheid geborgd blijft?
Ja. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 10 wordt dit jaar gestart met nader onderzoek naar de begrenzing van een aantal specifieke gebieden, waaronder Kampereiland, de Afgedamde Maas en Hollandse IJssel. Verder blijven er op grond van de nieuwe Bgr in het gehele rivierbed ontwikkelmogelijkheden voor de grondgebonde agrarische sector. Zie ook het antwoord op onder andere vragen 4 en 8.
Bent u bereid te bezien wat de mogelijkheden zijn om bestaande agrarische bedrijven in overloopgebieden ruimte te geven om hun bedrijfslocatie aan te passen aan de wettelijke eisen en maatschappelijke opgaven?
Ja, daar is reeds in voorzien. Deze mogelijkheden biedt de nieuwe Bgr nog steeds, zie de antwoorden op vragen 4 en 8.
Gaat u in overleg met betrokken gemeenten en de agrarische sector over de mogelijkheden om onnodig grote gevolgen van de te wijzigen Beleidslijn Grote Rivieren, en daarmee samenhangende regelgeving, te voorkomen?
De verwachting is dat er geen sprake zal zijn van grote gevolgen voor de grondgebonden agrarische sector. Mocht dit desondanks in een bepaalde situatie toch het geval zijn, dan is er uiteraard de bereidheid om hierover in overleg te treden.
Hoe worden agrarische bedrijven financieel gecompenseerd of anderszins perspectief geboden, mocht de voorgenomen wijziging doorgezet worden?
De grondgebonden agrarische sector wordt nog steeds perspectief geboden, door de uitzonderingsmogelijkheden die daarvoor expliciet in de nieuwe Bgr zijn opgenomen, zie het antwoord op vraag 4.
Daarnaast geldt in algemene zin dat op grond van artikel 15.1 van de Omgevingswet iedereen het recht heeft om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen indien daartoe een aanleiding mocht bestaan.
De verplichte jaarlijkse WOZ-waardebepaling door gemeenten |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Mona Keijzer (BBB), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Heeft het kabinet al een reactie gegeven of kunt u een reactie geven op de aangenomen motie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten om een tweejaarlijkse waardering van de WOZ-waarde te overwegen?
Het kabinet heeft via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten («VNG») kennisgenomen van deze aangenomen motie die tijdens de ledenvergadering van 26 juni 2024 door gemeenten Katwijk en Gouda is ingediend. De VNG heeft ter opvolging van de motie het Erasmus Studiecentrum voor Belastingen Lokale Overheden («ESBL») de opdracht gegund om onderzoek te doen naar de gevolgen van een tweejaarlijkse (her)waardering. De Ministeries van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Belastingdienst zijn vertegenwoordigd in de klankbordgroep van het onderzoek. Naast ambtelijke vertegenwoordiging, bestaat de klankbordgroep ook uit belangenverenigingen, zoals Vereniging Eigen Huis. Zolang het onderzoek loopt ziet het kabinet zelf nog geen aanleiding om tweejaarlijkse waardering van WOZ-objecten nader te verkennen of afzonderlijk contact op te nemen met de gemeenten Katwijk en Gouda. Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek kan wel worden opgemerkt dat een tweejaarlijkse waardering niet in lijn is met de huidige beleidslijn om bij belastingheffing waar mogelijk te heffen op basis van actualiteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet met belangstelling uitkijkt naar de uitkomsten van het onderzoek. Gezien het naar aanleiding van de motie opgestarte onderzoek, waar het Rijk ook bij betrokken is, zou een reactie vanuit het kabinet op een tweejaarlijkse (her)waardering op dit moment prematuur zijn.
Heeft het kabinet contact opgenomen met de initiatief nemende gemeenten Katwijk, Gouda of andere partijen om deze optie verder te onderzoeken? Zo ja, wat is hiervan de uitkomst geweest?
Zie antwoord vraag 1.
Is nog steeds de verwachting dat er medio maart 2025 een onderzoek uitgevoerd door prof. mr. dr. Schep en de heer Kastelein LL.M. en zal aan de hand daarvan een kabinetsreactie komen die concreet in zal gaan op het voorstel om de WOZ-waardebepaling tweejaarlijks te doen?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord onder vragen 1 en 2. Het kabinet wacht met belangstelling de uitkomsten van het onderzoek af en de eventuele vervolgstappen van de VNG. Als de onderzoeksresultaten aan het kabinet worden aangeboden, zal een kabinetsreactie volgen.
Overweegt het kabinet ook om gemeenten zelf te laten bepalen met welke frequentie zij de WOZ-waarden van de objecten in hun eigen gemeenten bepalen?
Gelet op het uitgangspunt van de Wet waardering onroerende zaken («Wet WOZ») om te zorgen voor een landelijke, uniforme waardering ziet het kabinet geen mogelijkheid om gemeenten zelf deze frequentie te laten bepalen. Een dergelijke beleidsruimte kan leiden tot rechtsongelijkheid tussen belanghebbenden, waardoor het voor belanghebbenden uitmaakt in welke gemeente de onroerende zaak ligt. Dit terwijl het waardegegeven (de WOZ-waarde) niet alleen voor lokale toepassingen wordt gebruikt (zoals bepaalde lokale belastingen), maar ook voor toepassingen door het Rijk (onder meer voor verscheidene rijksbelastingen, maar ook bijvoorbeeld voor het woningwaarderingsstelsel). Een stelsel waarbij gemeenten zelf de frequentie van waardering kunnen bepalen zou daarnaast aanzienlijke budgettaire- en uitvoeringstechnische impact kunnen hebben voor de afnemers van WOZ-gegevens.
In hoeveel andere ontwikkelde landen is er sprake van een jaarlijkse waardebepaling van onroerend goed door de overheid ten behoeve van belastingheffing?
Het kabinet is niet op de hoogte van een uitputtende lijst van landen (of jurisdicties) waar sprake is van een jaarlijkse waardebepaling van onroerend goed ten behoeve van belastingheffing. De Council on State Taxation («COST»)1 en het International Property Tax Institute («IPTI»)2 hebben in 2019 wel een «Scorecard» gemaakt waarin de transparantie, consistentie en procedurele rechtvaardigheid van de waarderingssystemen van onroerend goed in 77 jurisdicties wordt vergeleken.3 In deze Scorecard wordt onder andere vermeld hoe vaak onroerend goed in de onderzochte jurisdicties4 wordt gewaardeerd. Overigens spreekt de International Association of Assessing Officers («IAAO») daarnaast in het door haar in 2020 gepubliceerde Standard on Property Tax Policy een voorkeur uit voor jaarlijkse waardering van onroerend goed.5
Kunt u overzicht geven van de ontwikkeling van de uitvoeringskosten die gepaard gaan met de uitvoering van de WOZ door gemeenten, in totaal, in percentage van de totale ozb-opbrengst en gemiddeld per object over de afgelopen tien jaar?
Het onderstaande overzicht toont de gevraagde gegevens. Voor de volledigheid zijn de uitbetaalde bedragen aan proceskostenvergoedingen apart weergegeven, maar deze kosten maken onderdeel uit van de post uitvoeringskosten. (Bron: CBS en WK6)
Periode
2014
2015
2016
2017
2018*
2019
2020
2021
2022
2023
Totaal OZB (in mln euro)
3.542
3.690
3.776
3.873
3.985
4.165
4.399
4.658
4.881
5.262
Uitvoeringskosten WOZ1
(in mln euro)
155
150
150
153
141
161
171
177
194
233
Uitvoeringskosten WOZ als
% OZB
4,4%
4,1%
4%
4%
3,5%
3,9%
3,9%
3,8%
4%
4,4%
Uitbetaalde proceskostenvergoedingen (in mln euro)
6,6
6,8
6,4
7,3
9,7
12
17
18
20
41
Uitvoeringskosten per object
(in euro)
17
16,5
16,9
17,3
15,75
17,8
18,8
19,33
20,94
24,99
In 2018 systeemwijziging overhead; cijfers 2017 en eerder is uitgegaan hoogste bedrag.
Door de uitvoeringskosten alleen af te zetten tegen de OZB-opbrengst ontstaat geen volledig beeld van de uitvoeringskosten in relatie tot de belastingopbrengst gebaseerd op de WOZ-waarde, gezien de WOZ-waarde ook wordt gebruikt als basis voor verscheidene rijksbelastingen en andere lokale heffingen.7
Zijn er cijfers beschikbaar over het deel van de uitvoeringskosten dat verband houdt met het feit dat de waardebepaling van de WOZ verplicht jaarlijks gebeurt?
Op dit moment zijn dergelijke cijfers niet beschikbaar. Verder bestaat er door minder frequente waardering een groot risico op belastingderving doordat waardestijgingen een jaar later pas in aanmerking worden genomen voor de (rijks)belastingen waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt wordt genomen. In het VNG/ESBL onderzoek zal generiek aan de daarbij betrokken uitvoeringsorganisaties worden gevraagd naar hun inschatting van het effect van een tweejaarlijkse waardering op de uitvoeringskosten.
Is het mogelijk om de optie om de WOZ-waardebepaling tweejaarlijks te doen op te nemen in de Ombuigingslijst?
De Ombuigingslijst bevat ambtelijk geïnventariseerde besparingsmogelijkheden om de rijksbegroting aan te passen, waarbij ernaar gestreefd wordt om voor een breed politiek spectrum opties in beeld te brengen. Ik zal mijn departement vragen om de voorgestelde maatregel in ogenschouw te nemen bij het actualiseren van de Ombuigingslijst, die tijdens Prinsjesdag 2025 wordt gepubliceerd. Daarbij wordt ook bezien of de maatregel leidt tot een besparing op de Rijksbegroting.
Bestaan er schattingen welke besparingen in uitvoeringskosten (op termijn) gerealiseerd zouden kunnen worden indien overgestapt wordt op een tweejaarlijkse of driejaarlijkse waardering van de WOZ-waarde?
Zie antwoord vraag 7.
Is er contact geweest met verzekeraars, banken en/of andere private partijen die gebruik maken van de WOZ-waardebepaling welke effecten het afstappen van de verplichte jaarlijkse waardebepaling voor hun bedrijfsvoering zou hebben?
Eén van de onderzoeksvragen van het VNG/ESBL onderzoek ziet op de gevolgen voor derden die bevoegd zijn gebruik te maken van de WOZ-waarde, waaronder verzekeraars en banken. Ik verwijs ook naar het antwoord onder vragen 1 en 2. Om die reden heeft het kabinet ook geen contact gehad met verzekeraars, banken en/of andere private partijen.
Zou het mogelijk zijn om private partijen die gebruik maken van de WOZ-waardebepaling, zoals verzekeraars en banken, een bijdrage te laten leveren aan de uitvoeringskosten van de WOZ bij gemeenten?
De kosten voor de uitvoering van de Wet WOZ worden op dit moment gedragen door de afnemers, te weten het Rijk, de waterschappen en gemeenten. Verzekeraars en banken zijn enkel bevoegd de WOZ-waarde te gebruiken voor specifieke publieke doeleinden, namelijk bij een vermoeden van vastgoedfraude en in het kader van de onderzoeks- en meldingsplicht op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme.
In de Wet WOZ is een delegatiegrondslag8 opgenomen om de WOZ-waarde als open data en in bulk-verstrekking (onder andere aan derden) mogelijk te maken voor geautomatiseerde verwerking en daarvoor kosten in rekening te brengen. In die zin bestaat de potentiële mogelijkheid om private partijen een bijdrage te laten leveren aan de uitvoeringskosten. Op dit moment is (nog) geen invulling gegeven aan deze delegatiegrondslag en staat de Wet WOZ dergelijke verstrekkingen dus niet toe. Bij vervolgstappen in de verkenning naar de wenselijkheid van vormgeving van verdere openbaarheid en breder gebruik van de WOZ-waarde wordt invulling van deze delegatiebepaling in ogenschouw genomen.9
De problemen bij het UWV |
|
Pieter Omtzigt (NSC), Saris |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de reactie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) op de berichtgeving van EenVandaag en het AD?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen.
Kunt u ervoor zorgen dat er een lijst komt van alle rapporten die de interne auditdienst van het UWV de afgelopen tien jaar heeft opgesteld en dat die openbaar gemaakt worden, hetzij door toezending aan de Kamer, hetzij door publicatie op het internet?
De Auditdienst UWV stelt kwartaal- en vanaf 2022 tertaalrapportages op, die een samenvatting bieden van de belangrijkste activiteiten en bevindingen van de Auditdienst. Deze bieden het gewenste overzicht. De bewaartermijn is zeven jaar. U ontvangt deze rapportages over de periode 2018 t/m 2024 (bijlage 2.1 t/m 2.24). De laatste tertaalrapportage van 2024 is nog niet definitief vastgesteld. Deze kan ik u later doen toekomen. In de rapportage zijn op juridische grond een aantal passages weggelakt. Dit betreft namen (of foto’s) van UWV-medewerkers, namen van leveranciers en bedrijfsgevoelige passages over IT-zaken in het kader van informatiebeveiliging. Indien gewenst kan ik de rapporten waarin minder zaken zijn weggelakt vertrouwelijk met u delen.
Kunt u ervoor zorgen dat alle rapporten van de auditdienst Rijk van de afgelopen tien jaar over het UWV op een gezamenlijke plek beschikbaar zijn? Kunt u een lijst van die rapporten bij deze vragen voegen?
Sinds 2015 stuurt de Minister van Financiën ieder half jaar per departement een overzicht met de titels van uitgebrachte rapporten en publiceert dit op rijksoverheid.nl2. Vanaf 2019 is op verzoek van uw Kamer deze lijst voorzien met een korte toelichting en een link naar het betreffende rapport, zoals door het betreffende departement actief openbaar gemaakt op rijksoverheid.nl. Voor het Ministerie van SZW is dit «ADR-rapporten Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Rijksoverheid | Rijksoverheid.nl3. De overzichten met titels met rapporten van de 2e helft 2024 zijn nog niet gepubliceerd en volgen medio februari.
Er zijn rapporten die niet actief openbaar zijn gemaakt en derhalve niet op deze plek beschikbaar zijn, vanwege de volgende redenen:
Een lijst van de openbare rapporten over UWV is als bijlage 3 bijgevoegd. In de lijst zijn ook de rapporten opgenomen van andere ministeries dan het Ministerie van SZW.
Zijn er zaken in de rapporten van de interne auditdiensten die nu bekend worden en niet aan het kabinet zijn meegedeeld? Zo ja, welke zijn dat dan?
De rapporten van de interne auditdienst van UWV zien vaak in een hoge mate van detail op een veelheid van onderwerpen in de uitvoering en verantwoording van regelgeving alsmede de bedrijfsvoering. De interne auditdienst verricht zijn werk primair ten behoeve van het interne leerproces binnen UWV. Het is van groot belang dat de rapporten van een auditdienst maar ook andere signalen op waarde worden geschat en besproken. Binnen SZW is periodiek contact met de Auditdienst UWV waarin wordt doorgevraagd op bevindingen van audits.
Over de grotere risico’s en uitdagingen in de uitvoering wordt tussen SZW en UWV, ook op bestuurlijk niveau, regelmatig gesproken. De Kamer wordt onder meer via de halfjaarlijkse stand van de uitvoering hierover geïnformeerd. Indien opportuun, worden bepaalde vraagstukken die bij UWV als ook andere publieke dienstverleners spelen, ook binnen het kabinet besproken. Ik heb op dit moment geen aanwijzing dat in de in antwoord op vraag 2 genoemde stukken signalen bevatten die niet eerder zijn opgemerkt. Specifiek ten aanzien van fouten in de vaststelling van WIA-uitkeringen zijn wel signalen gemist, zoals ik eerder met uw Kamer heb gedeeld. De Algemene Rekenkamer doet op dit moment een onderzoek naar sturing, verantwoording en toezicht, waarin ook wordt bezien hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Kunt u de laatste drie jaarlijkse reviews op de auditdiensten van het UWV doen toekomen aan de Kamer?
De reviews werden op de werkzaamheden van de auditdienst UWV werden niet jaarlijks uitgevoerd. De reviews die zijn uitgevoerd over de jaren 2016 en 2018 zijn bijgevoegd als bijlage 4.
Op basis van welke informatie is besloten om geen reviews meer uit te voeren op de auditdiensten?
Het doel van de reviews was om een oordeel te geven over de toereikendheid van de uitgevoerde werkzaamheden van de interne auditdiensten. Hierbij werd getoetst of de werkzaamheden die door de interne auditdiensten zijn uitgevoerd voldoen aan de van toepassing zijnde beroepsstandaarden.
De meest recente review over de werkzaamheden van de auditdiensten, die plaatsvond middels een assurance opdracht aan de ADR over het jaar 2018, leverde geen aanvullende inzichten of toegevoegde waarde op voor de zbo’s of voor het Ministerie van SZW.
De ontwikkeling van de overige interne controle- en kwaliteitsmechanismen bij de zbo’s is verder ontwikkeld. Zo heeft UWV de Audit Adviescommissie (AAC) versterkt met een externe voorzitter en externe leden.
Binnen het Ministerie van SZW is het organisatiegerichte toezicht op UWV en de SVB vanaf 2020 verstevigd door een klein team hiervoor op te richten. Via dit team wordt op reguliere basis informatie van de interne auditdiensten verkregen4.
Kunt u een overzicht geven van de dwangsommen die het UWV de afgelopen drie jaar heeft betaald? Kunt u per jaar aangeven waarvoor dwangsommen betaald zijn en hoe hoog ze waren?
In de voortgangsbrief van 23 oktober 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de oplopende dwangsommen die UWV betaald bij niet tijdig beslissen voor de WIA. Bijgaande tabel toont de bedragen over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 waarbij opgemerkt moet worden dat het bij 2024 om de maanden tot en met november gaat.
De bedragen zijn onderverdeeld tussen sociaal medisch beoordelen (SMZ) en andere bezwaar en beroepszaken (B&B). Bij SMZ heeft circa 60% van de dwangsommen betrekking op herbeoordelingen, 38% heeft betrekking op WIA-eindewachttijd.
Jaar
Dwangsommen SMZ
Dwangsommen B&B
Gerechtelijke dwangsommen
2021
€ 5.000.000
€ 500.000
€ 12.170
2022
€ 10.600.000
€ 1.200.000
€ 33.600
2023
€ 11.900.000
€ 3.000.000
€ 73.700
2024
€ 10.800.000
€ 7.000.000
€ 99.600
Kunt u een overzicht geven van rechterlijke uitspraken die het UWV de afgelopen drie jaar heeft verloren? Kunt u aangeven wat de inhoud was?
UWV legt in de openbare verantwoordingsinformatie (jaarverslagen, tertaalrapportages) vast wat binnen Bezwaar en Beroep het aantal beslissingen is, uitgesplitst per wet en welk percentage daarvan «gegrond» dan wel «niet gegrond», «niet ontvankelijk», «ingetrokken en overige» is. Enkele nuances hierbij zijn dat een beroep ook gegrond kan zijn op formele gronden, waarbij de materiële uitkomst hetzelfde blijft. De informatie van 2022 is vastgesteld in de bijlage kwantitatieve informatie van het UWV Jaarverslag 20225. Voor 2023 is de informatie vastgelegd in de bijlage kwantitatieve informatie van het UWV Jaarverslag 20236
Cijfers over 2024 kunnen we u bieden zodra het jaarverslag van 2024 is vastgesteld.
Kunt u een overzicht geven van rechterlijke uitspraken die het UWV niet uitvoert?
UWV hanteert als werkwijze dat rechterlijke uitspraken worden uitgevoerd. Er is geen overzicht van rechterlijke uitspraken die UWV niet uitvoert.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
De Bijzonder Beheer Barometer van PwC |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Beljaarts , Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Bijzonder Beheer Barometer van PwC?1
Ja.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat winkelstraten levendig blijven, terwijl er een gezonde prikkel behouden blijft voor bedrijven om in te spelen op veranderingen?
De verantwoordelijkheid voor het levendig houden van de winkelstraten ligt in de eerste plaats bij de bedrijven en bij de lokale overheid. De aantrekkelijkheid van winkelstraten staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een toekomstbestendige binnenstad waarin ruimte is voor wonen, werken en vrijetijdsbesteding, evenals voor functies zoals cultuur, maatschappelijke voorzieningen en zorg. Gemeenten hebben hierin een regierol, maar het is van belang dat alle betrokken partijen samenwerken om binnensteden levendig te houden.
Naast de lokale stakeholders zijn er ook landelijk georganiseerde partijen die ondersteuning bieden door verbindingen te leggen, kennis en ervaring te ontwikkelen en te delen, en lokale obstakels aan te pakken en waar mogelijk op te lossen. Mijn ministerie speelt hierbij op verschillende manieren een rol. Zo steun ik het platform Retailagenda en de CityDeal Dynamische Binnensteden met procesfinanciering en menskracht. De Retailagenda biedt een bestuurlijk platform waarin brancheorganisaties, kennisinstellingen en overheden samenkomen om kennis te ontwikkelen en uit te wisselen. In de CityDeal Dynamische Binnensteden werken grote steden samen aan nieuwe instrumenten en leren ze van elkaar om barrières weg te nemen. Hieraan nemen ook andere departementen, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen deel.
Daarnaast biedt de BIZ-wet (Bedrijfsinvesteringszone) een effectief instrument om ondernemers en vastgoedeigenaren samen te laten werken. Hiermee kunnen gezamenlijke projectplannen worden gefinancierd, waarbij de gemeente een ondersteunende rol vervult. Tenslotte is er de Impulsaanpak Winkelgebieden, waarmee gemeenten en private investeerders via subsidies kunnen werken aan de herinrichting en transformatie van binnenstedelijke winkelgebieden.
Deelt u de mening dat in dit kader een voortzetting van de Impulsaanpak Winkelgebieden zou helpen? Zo ja, hoe gaat u er dan voor zorgen dat deze regeling behouden blijft?
De grote belangstelling voor de Impulsaanpak Winkelgebieden laat zien dat de regeling werkt en een belangrijke bijdrage levert aan zowel het sociaaleconomisch versterken van binnensteden, als het realiseren van de binnenstedelijk woningbouwopgave. Het maakt tastbaar dat er veel meer gebieden in Nederlandse binnensteden zijn, die vragen om een integrale, gezamenlijke, gebiedsgerichte aanpak door gemeenten en hun private partners. Deze grote belangstelling laat zien dat de Impulsaanpak Winkelgebieden voorziet in een grote behoefte.
De 4e tranche van de Impulsaanpak winkelgebieden is vooralsnog de laatste tranche. De enorme vraag naar deze subsidie heeft geleid tot een oproep vanuit gemeenten en maatschappelijke organisaties om de Impulsaanpak te verlengen. Tijdens de behandeling van de EZ-begroting heeft uw Kamer gevraagd om snel geïnformeerd te worden over het functioneren van de regeling, als basis voor een gesprek over de mogelijke verlenging van de Impulsaanpak. Ik zet er op in deze informatie in maart aan uw Kamer aan te bieden. Voor een mogelijke verlenging is momenteel geen budget beschikbaar.
Deelt u de constatering in de PwC barometer dat deze laatste eis voor grote bedrijven vaak niet uitvoerbaar is, omdat grote bedrijven dan vaak tot overeenstemming moeten komen met soms wel honderden schuldeisers?
De ontvanger voert ten aanzien van ondernemers in beginsel een stringent uitstel- en kwijtscheldingsbeleid. Een belangrijke reden hiervoor is het risico op concurrentieverstoring. Door het stellen van (strikte) voorwaarden wordt getracht het risico op concurrentieverstoring zo veel mogelijk te beperken. Eén van de voorwaarden waarmee wordt getracht het risico op concurrentieverstoring te beperken ziet op het betrekken van alle crediteuren in een saneringsakkoord.
Uit artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990) volgt de voorwaarde dat kwijtschelding voor rijksbelastingen in de zakelijke sfeer uitsluitend plaatsvindt als onder meer alle crediteuren van de betreffende belastingschuldige in het saneringsakkoord worden betrokken. Naast dat met de hiervoor genoemde voorwaarde het risico op concurrentieverstoring kan worden beperkt, doet het ook recht aan de positie van de ontvanger en het belang van een succesvolle inning van belastinggelden.
Zonder de eerdergenoemde voorwaarde zou een belastingschuldige ervoor kunnen kiezen zijn andere crediteuren buiten het saneringsakkoord te laten en hun vordering (later) volledig te voldoen, terwijl de ontvanger een (groot) deel van zijn fiscale vordering prijsgeeft en het risico bestaat op een eenzijdige sanering. In 2023 is het risico op eenzijdige saneringen al benoemd door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.2
De Staatssecretaris van Financiën is op de hoogte van het aanschrijven van alle crediteuren in het kader van een algeheel saneringsakkoord bezwaarlijk kan zijn voor de belastingschuldige, bijvoorbeeld vanwege de hoeveelheid crediteuren die in het akkoord moeten worden betrokken. In dat kader wordt u gewezen op hetgeen de Belastingdienst in zijn beleid heeft vastgelegd omtrent de onderhavige voorwaarde. In de Leidraad Invordering 2008 (LI 2008) is opgenomen dat een aantal crediteuren van de belastingschuldige vanwege hun onderscheidende positie niet hoeft te worden betrokken in het saneringsakkoord.3 Het gaat hierbij onder meer om pandhouders en zogenaamde dwangcrediteuren. Bij een dwangcrediteur kan worden gedacht aan een leverancier die niet wenst mee te werken aan een saneringsakkoord, terwijl die leverancier wel noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming. De ontvanger heeft derhalve ruimte om bij de onderhavige voorwaarde maatwerk te bieden, waarmee in voorkomend geval tegemoet wordt gekomen aan bezwaren van de belastingschuldige bij het aanbieden van een akkoord.
Door de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) is er voor ondernemers met financiële problemen een extra mogelijkheid – naast de bestaande mogelijkheid om buiten faillissement of surseance van betaling door een schuldeisersakkoord tot afspraken met crediteuren te kunnen komen − ontstaan om tot een oplossing te komen voor deze financiële problemen. Hierbij heeft de wetgever bewust gekeken naar het verbeteren van de positie van concurrente crediteuren. Daarnaast heeft de wetgever een regeling willen creëren die niet alleen bruikbaar is voor grote bedrijven, maar ook voor het midden- en kleinbedrijf.4
In de Bijzonder Beheer Barometer van PwC wordt opgemerkt dat de WHOA juist wél ruimte zou bieden om operationele crediteuren (zoals leveranciers) buiten een herstructurering te houden. Hierbij moet worden benadrukt dat die ruimte beperkt is. Een van de uitgangspunten van de WHOA is dat de reorganisatiewaarde die met het akkoord wordt bereikt wordt verdeeld overeenkomstig de wettelijke rangorde van schuldeisers5. Die rangorde wordt geschonden indien de concurrente vorderingen van de leveranciers integraal worden betaald terwijl de preferente belastingschulden (partieel) worden kwijtgescholden.
De WHOA regels bieden dus geen vrijbrief om handelscrediteuren zoals leveranciers categorisch buiten een aan de Belastingdienst aangeboden akkoord te houden. Wel is het zo, dat een uitzondering mogelijk is indien daartoe een «redelijke grond» bestaat. Dit biedt soms enige ruimte om bijvoorbeeld kleinere handelsvorderingen buiten het akkoord te laten. Een akkoord in het kader van de WHOA is overigens niet een-op-een te vergelijken met een buitengerechtelijk saneringsakkoord. Beide trajecten hebben hun eigen voorwaarden en eigen achtergrond. Op meerdere punten wijkt een akkoord in het kader van de WHOA af van een buitengerechtelijk akkoord. Bij het buitengerechtelijk akkoord wordt bijvoorbeeld niet gewerkt met klassen en geldt ook niet de zogenaamde 20%-regel6.
Tot slot is in dit kader relevant om op te merken dat binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst met enige regelmaat wordt onderzocht of het kwijtscheldingsbeleid dient te worden aangepast. De ontvanger voert ten aanzien van ondernemers in beginsel een stringent uitstel- en kwijtscheldingsbeleid. Een belangrijke reden hiervoor is het risico op concurrentieverstoring. Door het stellen van (strikte) voorwaarden wordt getracht het risico op concurrentieverstoring zo veel mogelijk te beperken. Eén van de voorwaarden waarmee wordt getracht het risico op concurrentieverstoring te beperken ziet op het betrekken van alle crediteuren in een saneringsakkoord. Uit artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990) volgt de voorwaarde dat kwijtschelding voor rijksbelastingen in de zakelijke sfeer uitsluitend plaatsvindt als onder meer alle crediteuren van de betreffende belastingschuldige in het saneringsakkoord worden betrokken. Naast dat met de hiervoor genoemde voorwaarde het risico op concurrentieverstoring kan worden beperkt, doet het ook recht aan de positie van de ontvanger en het belang van een succesvolle inning van belastinggelden. Zonder de eerdergenoemde voorwaarde zou een belastingschuldige ervoor kunnen kiezen zijn andere crediteuren buiten het saneringsakkoord te laten en hun vordering (later) volledig te voldoen, terwijl de ontvanger een (groot) deel van zijn vordering prijsgeeft en het risico bestaat op een eenzijdige sanering. Ik heb in 2023 uw Kamer geïnformeerd over het risico op eenzijdige saneringen.7
Ik ben mij ervan bewust dat het aanschrijven van alle crediteuren in het kader van een algeheel saneringsakkoord bezwaarlijk kan zijn voor de belastingschuldige, bijvoorbeeld vanwege de hoeveelheid crediteuren die in het akkoord moeten worden betrokken. In dat kader wijs ik uw Kamer op hetgeen de Belastingdienst in zijn beleid heeft vastgelegd omtrent de onderhavige voorwaarde. In de Leidraad Invordering 2008 (LI 2008) is opgenomen dat een aantal crediteuren van de belastingschuldige vanwege hun onderscheidende positie niet hoeft te worden betrokken in het saneringsakkoord.8 Het gaat hierbij onder meer om pandhouders en zogenaamde dwangcrediteuren. Bij een dwangcrediteur kan worden gedacht aan een leverancier die niet wenst mee te werken aan een saneringsakkoord, terwijl die leverancier wel noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming. De ontvanger heeft derhalve ruimte om bij de onderhavige voorwaarde maatwerk te bieden, waarmee in voorkomend geval tegemoet wordt gekomen aan bezwaren van de belastingschuldige bij het aanbieden van een akkoord.
Door de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) is er voor ondernemers met financiële problemen een extra mogelijkheid – naast de bestaande mogelijkheid om buiten faillissement of surseance van betaling door een schuldeisersakkoord tot afspraken met crediteuren te kunnen komen − ontstaan om tot een oplossing te komen voor deze financiële problemen. Hierbij hebben wij bewust gekeken naar het verbeteren van de positie van concurrente crediteuren. Daarnaast hebben wij een regeling willen creëren die niet alleen bruikbaar is voor grote bedrijven, maar ook voor het midden- en kleinbedrijf. In de Bijzonder Beheer Barometer van PwC wordt opgemerkt dat de WHOA juist wél ruimte biedt om operationele crediteuren buiten een herstructurering te houden. In het kader van een WHOA-akkoord is beleidsmatig vastgelegd dat de ontvanger kan afwijken van de voorwaarde dat alle schuldeisers dienen mee te werken aan het saneringsakkoord. Een akkoord in het kader van de WHOA is niet een-op-een te vergelijken met een buitengerechtelijk saneringsakkoord. Beide trajecten hebben hun eigen voorwaarden en eigen achtergrond. Op meerdere punten wijkt een akkoord in het kader van de WHOA af van een buitengerechtelijk akkoord. Bij het buitengerechtelijk akkoord wordt bijvoorbeeld niet gewerkt met klassen en geldt ook niet de zogenaamde 20%-regel9.
Tot slot is in dit kader relevant om op te merken dat binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst met enige regelmaat wordt onderzocht of het kwijtscheldingsbeleid dient te worden aangepast. Op dit moment wordt door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst actief bekeken of het kwijtscheldingsbeleid dat heeft te gelden bij rijksbelastingen in de zakelijke sfeer verandering behoeft en zo ja op welke manier. Het voorgaande omvat mede de in de URIW 1990 opgenomen voorwaarde dat de belastingschuldige al zijn crediteuren bij het saneringsakkoord dient te betrekken om in aanmerking te kunnen komen voor kwijtschelding van rijksbelastingen in de zakelijke sfeer. Mocht blijken dat aanpassing van deze voorwaarde − of een andere voorwaarde die heeft te gelden − noodzakelijk en wenselijk is en duidelijk is op welke wijze het kwijtscheldingsbeleid vervolgens dient te worden aangepast, zal ik de noodzakelijke en wenselijke wijziging in de URIW 1990 of LI 2008 doorvoeren.
Uiteraard worden hiervoor signalen uit de praktijk nauwlettend gemonitord.
Deelt u de mening dat deze eis van de Belastingdienst temeer onuitvoerbaar is voor bedrijven omdat het informeren van vele schuldeisers de onrust onder schuldeisers kan aanwakkeren en daarom de financiële situatie van het anders levensvatbare bedrijf verder kan doen laten verslechteren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien bevestigend beantwoord bij vraag 3 en 4, ziet u reden tot aanpassing van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA), waarin deze eis van de Belastingdienst wordt geregeld?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de constatering uit de PwC barometer dat deze eis al snel resulteert in een hogere betalingsverplichting over die twaalf maanden dan zonder sanering, waardoor deze eis van de Belastingdienst eveneens onuitvoerbaar is voor veel bedrijven? Zo ja, ziet u reden tot aanpassing van deze voorwaarde van de Belastingdienst?
Het saneringsbeleid van de Belastingdienst voorziet erin dat een afgesproken saneringsbedrag ook daadwerkelijk door middel van een betalingsregeling kan worden voldaan. Daaraan worden diverse voorwaarden gesteld. Zo bedraagt de maximale duur in beginsel twaalf maanden.
Uit de PwC barometer valt af te leiden dat PwC van mening is dat het goed zou zijn om de eerdergenoemde maximale aflossingstermijn te verlengen naar 5 tot 7 jaar. Het is echter heel lastig om voor een zodanig lange periode aannemelijk te maken dat aan de aflossingsverplichtingen en nieuw opkomende fiscale verplichtingen kan worden voldaan. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat een prognose over zo’n lange periode in de regel nauwelijks betrouwbaar is. Als de Belastingdienst akkoord zou gaan in dergelijke gevallen, moet hij dus een akkoord aanvaarden zonder dat geborgd is dat alle voorwaarden door de belastingschuldige kunnen worden nagekomen. Voor de betrokken belastingschuldige en diens andere schuldeisers blijft gedurende de gehele periode onzeker of de fiscale kwijtschelding een feit is. Dat is immers pas zeker na voldoening van de laatste termijn. Het voorstel van PwC wordt daarom niet onderschreven.
Het is echter niet op voorhand uitgesloten dat in individuele uitzonderlijke gevallen de Belastingdienst akkoord gaat met een aflossingsperiode van langer dan twaalf maanden. Wel zal de nakoming van het akkoord voldoende gewaarborgd moeten kunnen worden.10 Elementen die daarbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de door of namens de aanvrager verstrekte prognoses en onderbouwing daarvan en het onderbouwde oordeel van de eigen waarderingsdeskundige van de Belastingdienst daarover.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 20 februari 2025, zodat de beantwoording kan worden betrokken bij het commissiedebat Belastingdienst?
Nee, de beantwoording heeft door afstemming helaas langer geduurd.
De mogelijke sluiting van Gezondheidscentrum Kanaleneiland |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Heeft u de berichten gelezen over de mogelijke sluiting van het gezondheidscentrum in Kanaleneiland en wat is uw reactie hierop?1
Ja, ik heb het bericht over de mogelijke sluiting van het gezondheidscentrum in Kanaleneiland gelezen. Ik vind het belangrijk dat iedere inwoner van Nederland toegang heeft tot huisartsenzorg in de buurt. Hiervoor is passende huisvesting een belangrijke randvoorwaarde. Huisvestingsproblematiek bij huisartsen en gezondheidscentra is een complex vraagstuk. Samen met betrokken landelijke partijen werk ik hard aan concrete oplossingen hiervoor. De huisarts is primair verantwoordelijk voor het vinden van geschikte huisvesting. Wanneer dit niet lukt, moet deze zo spoedig mogelijk aan de bel trekken bij de regionale huisartsenorganisatie (RHO) en zorgverzekeraar. Wanneer huisvestingsproblematiek leidt tot problemen in de continuïteit van zorg, dan heeft de zorgverzekeraar een belangrijke verantwoordelijkheid. Deze heeft immers zorgplicht voor zijn verzekerden.2 Dat betekent niet dat de zorgverzekeraar het probleem alleen kan oplossen. Zeker als er sprake is van ruimtegebrek in een wijk, heeft ook de gemeente een belangrijke rol om met huisartsen en zorgverzekeraars mee te denken. De gemeente kan bijvoorbeeld eerstelijnszorg in omgevingsplannen opnemen, afspraken maken met woningbouwcorporaties over de bouw en beheer van buurtgezondheidscentra, of eerstelijnszorg opnemen in gemeentelijk vastgoedbeleid.3 Gemeenten hebben ook bevestigd dat zij de maatschappelijke verantwoordelijkheid voelen om te zorgen dat in elke wijk toegang is tot eerstelijnszorg voor hun inwoners.4
Huisvestingsvraagstukken zijn veelal afhankelijk van de lokale situatie. Oplossingen kunnen alleen gevonden worden als lokale betrokken partijen goed samenwerken. Met landelijke afspraken in de handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra5 ondersteun ik lokale partijen hierbij. Het is echter niet mijn rol om mij te mengen in specifieke casuïstiek, zoals de kwestie bij het gezondheidscentrum in Kanaleneiland. Uit contacten met de betreffende partijen weet ik dat er op lokaal niveau goed samengewerkt wordt. Dat is positief. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit vraagstuk daarmee niet direct is opgelost.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de huisartsenpraktijk in Kanaleneiland zou verdwijnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft u al gezet om dit te voorkomen?
Ik vind het belangrijk dat iedereen toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, zodat de continuïteit van de huisartsenzorg gewaarborgd wordt. Als de toegankelijkheid van de huisartsenzorg in het geding komt (mede) door huisvestingsproblematiek, vind ik dat onwenselijk. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 ondersteun ik lokale en regionale partijen bij het vinden van oplossingen door landelijke afspraken te maken.
Heeft u gesproken met de zorgverleners die bijdragen aan en de patiënten die afhankelijk zijn van de zorg van Gezondheidscentrum Kanaleneiland? Zo ja, wanneer en met wie? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van berichtgeving over deze casus heb ik het afgelopen jaar, zoals vaker gebeurt, contact gehad met de bij deze casus betrokken partijen. Ik heb verschillende partijen gesproken waaronder de betreffende huisarts, de regionale huisartsen organisatie, de zorgverzekeraar en de gemeente. Ik heb geconstateerd dat alle partijen zich actief inzetten om het gezondheidscentrum Kanaleneiland te behouden en actief op zoek zijn naar een passende oplossing.
Wat vindt u ervan dat vastgoedondernemer Urban Interest kan bepalen dat de toegankelijkheid tot zorg afneemt, vindt u dit acceptabel? Zo nee, wat gaat u doen om dit in deze situatie en in de toekomst te voorkomen?
Urban Interest draagt geen verantwoordelijkheid met betrekking tot de zorg. De huisarts sluit als zelfstandig ondernemer een huurcontract af met de verhuurder voor de betreffende locatie. In dit contract kunnen de voorwaarden voor het beëindigen van de overeenkomst worden vastgelegd. Wanneer de verhuurder, in dit geval Urban Interest, besluit de locatie een ander doel te geven en het contract te beëindigen of niet te verlengen, is het belangrijk dat de huisarts zo tijdig mogelijk in overleg treedt met de RHO, zorgverzekeraars, en gemeenten. In het faciliteren van dit contact heeft de RHO een belangrijke rol. Ik verwacht dat partijen bij huisvestingsproblematiek acteren volgens de handelingsperspectieven die landelijk zijn afgesproken in de handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra.6
Bij welke partij of instantie vindt u dat de verantwoordelijkheid ligt om te zorgen voor de toegankelijkheid van zorg door het behouden van het Gezondheidscentrum Kanaleneiland?
Als de continuïteit van zorg in het geding komt, ligt er zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 een belangrijke rol voor de zorgverzekeraar. Huisvestingsproblematiek binnen de huisartsenzorg is een complex vraagstuk en voor de oplossing is goede samenwerking tussen verschillende partijen noodzakelijk. In deze casus zijn alle benodigde partijen nauw betrokken. Ik ondersteun lokale en regionale partijen, zoals aangegeven, met landelijke afspraken die zijn opgenomen in de handreiking. De handreiking is eind 2023 opgeleverd, maar daarmee is mijn werk nog niet klaar.
Mijn rol zie ik binnen dit dossier op drie punten. Ten eerste verken ik op basis van het in mijn opdracht uitgevoerde onderzoek van PwC hoe financiële knelpunten bij huisvestingsproblematiek kunnen worden opgelost.7 Ten tweede zorg ik dat er dit voorjaar een nieuwe versie van de handreiking komt, die ook aangeeft hoe partijen financiële problematiek kunnen oplossen. Ten derde spreek ik in de gesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord met betrokken landelijke partijen. Onderdeel van deze gesprekken is de handreiking. Met bovenstaande acties draag ik eraan bij dat huisartsen beter ondersteund en geholpen worden wanneer zij huisvestingsproblematiek ervaren. Dat wil echter niet zeggen dat alle problemen snel kunnen worden opgelost. Het blijft een complex probleem.
Hoe gaat u voorkomen dat zorgverzekeraars, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) en de gemeenten naar elkaar blijven wijzen om dit probleem op te lossen? Welke rol ziet u weggelegd voor u als Minister hierin?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u ingaan op de zorgplicht die zorgverzekeraars hebben om te zorgen voor goede zorg in deze buurt en de daarbij behorende locatie?
Zoals aangegeven, hebben zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht de rol om te voorzien in toegankelijke huisartsenzorg voor hun eigen verzekerden. Voor toegankelijke huisartsenzorg is passende huisvesting een belangrijke randvoorwaarde. Als de toegankelijkheid in het geding komt door huisvestingsproblematiek bij huisartsen, verwacht ik dat zorgverzekeraars actief bijdragen aan het oplossen van het huisvestingsprobleem, bijvoorbeeld door het bieden van (financieel) maatwerk. De bekostiging van de huisartsenzorg biedt hier ook ruimte voor. Ik wil hierbij wel benadrukken dat dit maatwerk niet in alle gevallen betekent dat alle wensen van een huisarts ten aanzien van de huisvesting gerealiseerd kunnen worden. Het is immers ook de taak van zorgverzekeraars om te zorgen dat premiegeld zorgvuldig en doelmatig wordt uitgegeven. Ook is het belangrijk dat de zorgverzekeraar tijdig bij het vraagstuk betrokken wordt, zodat deze al vanaf het begin kan meedenken over passende oplossingen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met alle partijen om het gezondheidscentrum te behouden en over de mogelijke uitbreiding van dit centrum? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer hiervan op de hoogte houden?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 heb ik contact gehad met de betrokken partijen bij deze casus. Als Minister ga ik mij niet verder in deze gesprekken mengen en ik vind het ook niet mijn rol om de Kamer over deze individuele casus te informeren. Wel ben ik altijd bereid om vanuit het ministerie met lokale partijen mee te denken of hen van informatie te voorzien. Partijen in Utrecht weten de ambtenaren van VWS ook te vinden wanneer dit nodig is.
Welk plan heeft u klaarliggen op uw ministerie zodra bekend wordt dat het gezondheidscentrum gaat sluiten en 9.000 patiënten geen toegang meer hebben tot een huisarts in de buurt?
De verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de toegankelijkheid van de huisartsenzorg ligt middels de zorgplicht bij de zorgverzekeraars. Zoals aangegeven is de grootste zorgverzekeraar nauw betrokken bij het vraagstuk in Kanaleneiland. Ik heb er vertrouwen in dat partijen gezamenlijk tot een goede oplossing komen en dat de zorgverzekeraars daarbij ook verantwoordelijkheid nemen.
Kunt u onderzoeken wat de mogelijkheden zijn in dit soort situaties om huisartsenpraktijken te behouden, bijvoorbeeld door het verplicht afstoten van het pand als een eigenaar van de zorgfunctie af wil? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onwenselijk om te verkennen of er mogelijkheden zijn tot het verplicht afstoten van panden, omdat de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet is overgelaten aan de gemeente. Ik vind het wel belangrijk dat gemeenten handelingsopties hebben om ervoor te zorgen dat er in elke wijk voldoende vastgoed is voor zorg. Deze handelingsopties bestaan al en staan beschreven in de Handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra.8 Hoewel dat bij bestaande bouw lastiger te realiseren is, bestaan er wel mogelijkheden.
Op welke manier bent u van plan om deze goede vorm van samenwerking – waar zorgverleners vanuit verschillende disciplines op één locatie zitten om gemakkelijk naar elkaar door te kunnen verwijzen – beter te ondersteunen zodat zorgverleners patiënten sneller en beter kunnen helpen?
Ik vind een goede onderlinge samenwerking tussen (eerstelijns)zorgverleners belangrijk ten behoeve van goede zorg voor hun patiëntenpopulatie. Dat kan in één pand, maar hoeft natuurlijk niet en dat is ook niet overal mogelijk. Zorgverleners weten elkaar vaak ook goed te vinden zonder dat zij in hetzelfde pand praktijk houden. Met de Visie eerstelijnszorg 2030 zet ik, samen met de eerstelijnspartijen, in op hechte wijkverbanden, die een sterke(re) samenwerking beoogt tussen tenminste huisartsen, wijkverpleegkundigen, apothekers en professionals uit het sociaal domein. Zij worden daarin ondersteund door regionale samenwerkingsverbanden die ze taken uit handen nemen zoals administratieve lasten en organisatorische taken. Huisvesting in één pand in de wijk kan daarbij een pré zijn, maar is geen vereiste. De afweging welke vorm van huisvesting passend en realistisch is, blijft een lokale en regionale afweging waarover zorgverleners, zorgverzekeraars en gemeenten met elkaar het gesprek moeten voeren.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie Dijk over een Noodplan Huisartsenpraktijken, en wanneer kunnen we de uitwerking hiervan verwachten in de Tweede Kamer en welke plannen staan hierin?
Ik ben bezig met aanvullende afspraken over huisvesting die terugkomen in de Handreiking Huisvesting 2.0. Daarnaast spreek ik met de landelijk betrokken partijen in het kader van het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Onderdeel van deze gesprekken is de handreiking. Op die manier geef ik ook uitvoering aan de motie Dijk.
De uitspraken over het aanmerken van het spuiwater uit de stikstofkraker als dierlijke meststof |
|
André Flach (SGP) |
|
Wiersma |
|
![]() |
Is de veronderstelling juist dat de ammoniak of ammonium dat opgenomen of aanwezig is in het spuiwater van zowel de traditionele luchtwasser als de stikstofkraker uit dierlijke mest afkomstig is, derhalve dezelfde afkomst heeft en in de meststoffenregelgeving op gelijke wijze behandeld zou moeten worden?1
Nee. Bij luchtwasinstallaties die op stallen en bedrijfshallen worden geplaatst om ammoniakemissies te reduceren, is het spuiwater een restproduct of afvalstof. Met deze luchtwasinstallaties worden emissies afgevangen die in normale omstandigheden als gasvormige verliezen in de lucht zouden komen. Dit spuiwater is in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet aangewezen als afvalstof of reststof die als meststof kan worden verhandeld en daarmee gebruikt. Dit betekent dat het gaat om andere stoffen dan meststoffen.
Bij een stikstofkraker, waarbij door loog toe te voegen en, of verhitting, de stikstof actief uit de mest wordt gedreven om af te vangen in het spuiwater, gaat het om gerichte verwerking van dierlijke mest en daarmee een product uit dierlijke mest. Daarmee is het een product van dierlijke mest en valt het onder de begripsbepaling van dierlijke mest in de Nitraatrichtlijn. In artikel 2, onderdeel g, van de Nitraatrichtlijn is dierlijke mest immers gedefinieerd als: «excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook produkten daarvan». Voor dierlijke mest geldt de in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn gestelde maximale gebruiksnorm van 170 kg N per hectare per jaar (behoudens derogatie).
Is ammoniak in de stallucht anders dan ammoniak in de lucht in de stikstofkraker?
Ammoniak (NH3) is ammoniak; de chemische samenstelling is hetzelfde.
Is de veronderstelling juist dat ammoniak zoals het opgenomen is in het spuiwater van een stikstofkraker qua samenstelling hetzelfde is als ammoniak van welke andere bron dan ook, dat het zwavelzuur dat de basis vormt van spuiwater uit de stikstofkraker geen dierlijke herkomst heeft en dat het spuiwater uit de stikstofkraker daarom (juridisch) onderscheiden moet worden van de dunne en dikke fractie uit de stikstofkraker die inderdaad «waste products excreted by livestock (...), even in processed form» in de zin van de Nitraatrichtlijn (artikel 2) zijn?2
Nee, het spuiwater als een product dat voorkomt uit een actieve behandeling van de mest, blijft volgens de Nitraatrichtlijn, net als de dunne en de dikke fractie na mestscheiding, dierlijke mest. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Heeft de Europese Commissie (EC) goedkeuring gegeven voor inzet van spuiwater uit luchtwassers als niet-dierlijke meststof? Zo ja, op welke titel?
Spuiwaters van composteerhallen, eerder ook toegelaten met een ontheffingsbeschikking op basis van het Meststoffenbesluit 1977, en van stallen zijn kort na de introductie van de bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet daaraan toegevoegd. Met deze bijlage wordt gereguleerd dat de in de bijlage opgenomen afvalstoffen of reststoffen als meststof mogen worden verhandeld. Daarmee is het verhandelen van deze afvalstoffen als meststof sinds lange tijd de praktijk. Daarover zijn nooit vragen of opmerkingen ontvangen van de Europese Commissie (verder EC). De laatste wijziging van de bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet met betrekking tot spuiwaters van luchtwasinstallaties op bedrijfsgebouwen (Staatscourant 2023, 19345) is, net als andere wijzigingen van bijlage Aa, als technisch voorschrift voorgelegd aan de EC. Ook in dat kader zijn geen vragen of opmerkingen ontvangen van de EC.
Kunt u precies aangeven welke informatie u hebt gedeeld met de EC over het karakter van het spuiwater uit de stikstofkraker en waarom de EC het blijft zien als dierlijke meststof?
Naar aanleiding van vragen vanuit bedrijven die stikstofkrakerinstallaties maken en vanuit controle en handhaving zijn vragen gesteld aan de EC. Aan de EC is gevraagd of op basis van de Meststoffenverordening (Verordening 2019/1009), producten van productencategorie «PFC 1 C) I) b) i) enkelvoudige vloeibare anorganische macronutriëntenmeststof», die vallen onder componentencategorie «CMC 15 teruggewonnen zeer zuivere materialen», waarvan de herkomst op basis van het product niet te herleiden valt, gezien zouden moeten worden als dierlijke mest onder de Nitraatrichtlijn. In haar antwoord geeft de EC de volgende interpretatie van de status van dit product onder de Nitraatrichtlijn, onder de notie dat bindende uitspraken over de interpretate van Europese Richtlijnen worden gegeven door het Hof van Justitie van de Europese Unie. De EC geeft aan dat het product zoals omschreven door Nederland in haar ogen valt onder de limiet van 170 kg N/ha voor dierlijke mest als opgenomen in bijlage III (2) van de Nitraatrichtlijn, omdat uit de definitie van dierlijke mest in de Nitraatrichtlijn (artikel 2 onder g) volgt dat onder dierlijke mest ook verwerkte dierlijke mest moet worden verstaan. En dat, in aanvulling op deze juridische overweging, deze interpretatie in lijn is met het doel van de Nitraatrichtlijn om het water te beschermen tegen vervuiling door agrarische bronnen. Bovendien bevestigt het feit dat de EC deze meststof heeft opgenomen als één van de drie producten in het RENURE-voorstel, dat op dit moment voorligt in het Nitraatcomité, waarmee onder voorwaarden toegestaan zou zijn om deze boven de limiet van 170 kg N/ha te plaatsen, dat de EC van mening is dat deze meststof op dit moment niet boven die limiet geplaatst mag worden en dus gezien moeten worden als dierlijke mest. Ik zet er, zoals bij uw Kamer bekend, op in dat het RENURE-voorstel zo snel mogelijk wordt aangenomen.
Gaat de EC stappen ondernemen richting Duitsland nu de Duitse werkwijze voor de classificering van dierlijke meststoffen blijkbaar niet voldoet aan de Nitraatrichtlijn, zoals deze wordt geïnterpreteerd door de EC?
Het is niet aan mij om in te gaan op de handelwijze van de EC richting andere lidstaten.
Is er relevante jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot het classificeren van dierlijke meststoffen beschikbaar? Zo ja, kunt u hier enig inzicht in geven?
Hierover bestaat, voor zover bekend, geen relevante jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie.
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
![]() |
Herinnert u zich de eerder gestelde Kamervragen over hulpmiddelen voor mensen met een beperking van 7 februari 2024?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat ondanks dat uw ambtsvoorganger de noodzaak erkent van snelle levering en reparaties, er nog steeds regelmatig berichten zijn van mensen die ernstig in hun leven of hun gezondheid worden belemmerd, omdat hulpmiddelen niet worden geleverd of reparaties lang op zich laten wachten?
Ik vind het vreselijk als mensen (te) lang moeten wachten op de levering of reparatie van hun hulpmiddel(en), zeker wanneer dat mensen betreft die ernstig nadeel ondervinden van deze wachttijd, bijvoorbeeld doordat zij niet meer (zelfstandig) kunnen participeren in de maatschappij. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder aan uw Kamer schreef, treedt er met name vertraging op als sprake is van een aan de cliënt aangepast complex hulpmiddel. Ook zijn onderdelen niet altijd beschikbaar. Uit navraag bij branchevereniging Firevaned blijkt dat er nog steeds sprake is van levertijden als gevolg van schaarste van onderdelen.
Firevaned geeft aan dat dit wordt versterkt door de grote diversiteit en complexiteit van hulpmiddelen. In complexe situaties kan een hulpmiddel uit onderdelen van drie tot vier fabrikanten bestaan. Ook heeft de hulpmiddelen branche nog steeds te maken met een krappe arbeidsmarkt, met name in uitvoerende beroepen zoals bij monteurs. Dit kan ook bijdragen aan langere wachttijden.
Daarnaast kan een lange duur van levering of reparatie aan communicatie tussen verschillende partijen liggen. Dit komt vaker voor bij complexe problematiek. Daarvoor heeft mijn voorganger met samenwerkingspartners het Convenant maatwerkprocedure toegang opgesteld met als doel dat cliënten met complexe op-maat-gemaakte hulpmiddelen en/of in complexe situaties zo snel mogelijk een passend hulpmiddel ontvangen. In 2025 werk ik aan het vergroten van de naleving van dit convenant. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 10.
Vertegenwoordigers van gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en leveranciers van hulpmiddelen geven aan dat het algemene beeld is dat de meeste hulpmiddelen binnen de gemaakte afspraken beschikbaar komen of worden gerepareerd. In individuele gevallen kan het langer duren voordat een (gerepareerd) hulpmiddel beschikbaar komt.
Is er een goed beeld van de wachttijden? Zo nee, bent u bereid om dit te monitoren?
De branchevereniging Firevaned geeft aan dat leveranciers zicht hebben op de wachttijden voor levering en reparaties van hulpmiddelen. Deze informatie delen zij met de opdrachtgever, op basis van gemaakte afspraken. Daarnaast is in het Landelijk normenkader hulpmiddelen opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. En dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf.2
Ik vind het niet nodig om, naast de afspraken die veldpartijen maken over het in beeld brengen van wachttijden, een monitor op te zetten. Wel ben ik bereid om te bekijken of algemene ontwikkelingen met betrekking tot de (ervaren) problematiek rond wachttijden een plek kunnen krijgen in de uitwerking van het VN-verdrag Handicap. Hier informeer ik uw Kamer voor het zomerreces over.
Deelt u de mening dat het dagenlang moeten wachten op reparaties in tegenspraak is met het VN-verdrag Handicap, onder meer artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
Het belang van het naleven en het implementeren van het VN-verdrag Handicap, waaronder de door u genoemde artikelen, onderschrijf ik. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij het implementeren van dit VN-verdrag, waaronder het zorgen voor passende ondersteuning, zorg en toegang tot eventuele hulpmiddelen. Daarbij hebben gemeenten de vrijheid en verantwoordelijkheid om deze verdragsverplichtingen in te vullen op een manier die aansluit bij de specifieke, lokale context. Ik vertrouw erop dat gemeenten en aanbieders zich maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat mensen met een beperking die afhankelijk zijn van hulpmiddelen zo snel mogelijk geholpen worden, zodat zij zo goed mogelijk mee kunnen doen in de samenleving.
Bent u bereid om in de stelselwetten, waar u in de vorige antwoorden naar verwijst, afspraken op te nemen over wettelijke termijnen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet bereid om in de stelselwetten (Wmo, Zvw en Wlz) afspraken op te nemen over wettelijke termijnen. Het is aan veldpartijen om daar gezamenlijk afspraken over te maken en deze na te komen.
Bij het verstrekken van hulpmiddelen vanuit de Wmo geldt dat het aan gemeenten is om passende afspraken te maken met leveranciers over de service aan hulpmiddelen, ook specifiek voor de maatwerkvoorzieningen. In het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt.
Het is aan zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat een Zvw-verzekerde altijd kan beschikken over een geschikt hulpmiddel. Tevens hebben zorgverzekeraars een zorgplicht, die al wettelijk is vastgelegd.3 Om hieraan te voldoen maken zorgverzekeraars onder andere afspraken over de toegang en bereikbaarheid van hulpmiddelenzorg met gecontracteerde zorgverleners en maken ze overeenkomsten met leveranciers van hulpmiddelen. Dit omvat ook afspraken over eventuele reserve en vervangende hulpmiddelen.
Daarnaast kunnen hulpmiddelen ook vanuit de Wlz verstrekt worden. Dit geldt voor cliënten met een Wlz-indicatie die verblijven in een zorginstelling. Zorgkantoren maken afspraken met leveranciers van mobiliteitshulpmiddelen. Het Protocol Mobiliteitshulpmiddelen Wlz maakt deel uit van dit contract. Dit protocol omvat onder andere de levertijden van hulpmiddelen. Voor andere individuele hulpmiddelen (zoals incontinentiemateriaal) sluiten zorgkantoren ook contracten met leveranciers. Inhoudelijk sluiten zij hierbij aan bij de contracten die zorgverzekeraars afsluiten. Tevens is in de Wlz vastgelegd dat zorgkantoren én Wlz-uitvoerders een zorgplicht hebben.4
Waar kunnen mensen naar toe op het moment dat de verantwoordelijke gemeente, het zorgkantoor of de verzekeraar niet voldoet aan de domeinspecifieke afspraken of de zorgplicht?
Voor de Wmo geldt dat cliënten contact op kunnen nemen met het sociaal wijkteam of het Wmo- of zorgloket van hun gemeente. Daarnaast is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de gemeente. Een onafhankelijke cliëntondersteuner kan hierbij ondersteunen. Voor de Zvw geldt dat een verzekerde contact kan opnemen met de desbetreffende zorgverzekeraar wanneer diegene het hulpmiddel niet (tijdig) ontvangt. Zo nodig kan de verzekerde ook een klacht indienen bij de zorgverzekeraar. Voor de Wlz geldt dat de zorginstelling het zorgkantoor kan verzoeken om te bemiddelen wanneer de hulpmiddelenleverancier niet tijdig levert.
Als zorgverzekeraars of zorgkantoren in gebreke blijven, dan kan er een melding gedaan worden bij de NZa. De NZa heeft hier een meldpunt voor ingericht.5 Specifiek voor de Zvw geldt dat een verzekerde ook contact op kan nemen met de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen en daar, zo nodig, een klacht in kan dienen. Tot slot kunnen cliënten terecht bij de Nationale ombudsman met een klacht over een overheidsinstelling of organisatie die een overheidstaak uitvoert.
Wie controleert of gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars zich houden aan de afspraken? Is er ook een toezichthoudende instantie die kan handhaven en deze partijen op hun verantwoordelijkheden wijst als die niet worden nagekomen?
Het is aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat het college op een passende manier invulling geeft aan de verplichtingen die gemeenten hebben in het kader van de Wmo. De NZa houdt toezicht op het nakomen van de zorgplicht door zorgverzekeraars en zorgkantoren.
Op welke manier heeft uw ambtsvoorganger de signalen doorgegeven aan gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars en wat is daar vervolgens mee gedaan?
De signalen over wachttijden zijn doorgegeven aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG heeft vervolgens een aantal keer overlegd met branchevereniging Firevaned over mogelijke oplossingen. Maar, doordat een groot deel van de problematiek zit in de schaarste van onderdelen en krapte op de arbeidsmarkt is deze problematiek niet makkelijk te verhelpen.
Er is contact geweest met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) over de wachttijden van reparaties van hulpmiddelen. ZN gaf aan dat in de overeenkomsten die zorgverzekeraars afsluiten met hulpmiddelenleveranciers, onder andere afspraken worden opgenomen over reparaties, vervangende hulpmiddelen en hulpmiddelen die van levensbelang zijn.
Vanuit de zorgkantoren wordt aangegeven de signalen over te lange wachttijden bij reparaties niet te herkennen. Hulpmiddelen in de Wlz worden enkel verstrekt aan cliënten die verblijven in zorginstellingen. Doordat cliënten gezamenlijk op één locatie woonachtig zijn, zijn leveranciers beter gefaciliteerd om tijdig onderhoud en reparaties, dus op grotere schaal en efficiënt, uit te voeren. De zorgkantoren geven aan de performance van de leveranciers te blijven monitoren en waar nodig, mede op basis van signalen vanuit de zorginstelling, hierover het gesprek met de leverancier aan te gaan.
Is er inmiddels een betere samenwerking tussen alle betrokken partijen om, indien nodig, tijdelijk vervangende hulpmiddelen te leveren?
Naar aanleiding van uw eerdere Kamervragen heb ik het signaal over de behoefte voor een hulpmiddelenpoule onder de aandacht gebracht bij zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren. Daarbij wil ik vermelden dat in de Wlz bijna alle zorgkantoren al jarenlang samenwerken door mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) te verstrekken vanuit enkele regionale depots, waarbij de nadruk ligt op herverstrekking.
Verder geldt voor de huidige praktijk het volgende: Firevaned geeft aan dat bij lang durende reparaties van hulpmiddelen, er wordt gezocht naar een passend vervangend hulpmiddel, om cliënten zo mobiel mogelijk te houden. De VNG geeft aan dat in de contracten met leveranciers is opgenomen dat een cliënt een vervangend hulpmiddel krijgt als die hiervan afhankelijk is. ZN geeft aan dat zorgverzekeraars voor dergelijke gevallen afspraken maken met de gecontracteerde aanbieders.
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend? Zo nee, bent u bereid om dit opnieuw onder de aandacht te brengen bij de desbetreffende gemeenten?
Op 20 december 2024 heb ik uw Kamer het onderzoeksrapport «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen» aangeboden.6 Van de aan het onderzoek deelnemende gemeenten geeft een meerderheid aan te handelen volgens het Convenant maatwerkprocedure toegang (63 procent) en het Convenant meeverhuizen (83 procent), maar slechts een derde tot de helft heeft deze convenanten ondertekend. De onderzoekers doen verschillende aanbevelingen om de naleving van de convenanten te vergroten en knelpunten bij gemeenten voor het ondertekenen van de convenanten weg te nemen. Ik vind het belangrijk dat er opvolging wordt gegeven aan deze aanbevelingen en dat de betrokken partijen zich hiervoor inzetten. Ik ga daarom in gesprek met Firevaned en de VNG voor de uitvoering van de aanbevelingen en zal de Tweede Kamer voor de zomer van 2025 informeren over de uitkomsten van dit gesprek.
Wat kunt u nog meer doen om op korte termijn te zorgen dat mensen die lang moeten wachten op een hulpmiddel, geholpen worden?
De problematiek rondom wachttijden voor hulpmiddelen is helaas niet eenvoudig op te lossen. In het geval van arbeidstekorten en schaarste van onderdelen zoeken leveranciers onder andere de samenwerking met fabrikanten nadrukkelijker op om dit op te lossen, bijvoorbeeld door meer in te zetten op standaardisatie van onderdelen. Daarnaast kan de inzet van een casemanager vanuit de leverancier en/of gemeente waar nodig en mogelijk helpen bij het vinden van een alternatieve oplossing voor mensen die lang moeten wachten op een hulpmiddel. Tot slot zet ik in 2025 in op het verbeteren van de naleving van de Verbeteragenda Hulpmiddelen. Dat doe ik door de producten uit de Verbeteragenda, waar mogelijk, te koppelen met de uitwerking van het VN-verdrag Handicap. Daarnaast ga ik in gesprek met Firevaned en de VNG over de uitvoering van de aanbevelingen uit het bij antwoord 10 beschreven onderzoeksrapport.
Het bericht 'Openbare agenda's van bewindslieden geven te weinig inzicht in hun lobbywerk' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Bent u het ermee eens dat het accuraat en transparant openstellen van uw agenda van groot belang is, omdat het voor mensen in Nederland inzicht geeft in uw activiteiten als Minister en omdat het laat zien op welke wijze uw werk wordt beïnvloed door de mensen met wie u (niet) spreekt?1
Ja
Klopt uw online agenda wat betreft afspraken met externen in de weken sinds uw aantreden als Minister? Zo nee, waarom niet?
Ja, bij het opstellen van de openbare agenda worden altijd de uitvoeringsrichtlijnen Openbare Agenda bewindslieden gehanteerd. Er was sprake van enkele omissies in de agenda, die zijn reeds hersteld.
Waarom ontbreekt de agenda van de weken 29, 30, 31, 44 en 48?
De agenda van de weken 29, 30, 31, 44 en 48 staan online. Het ministerie streeft ernaar om de agenda zo snel mogelijk na de betreffende week te publiceren. In voornoemde gevallen is sprake van vertraagde plaatsing.
Klopt het dat er in de weken 49, 45, 36 en 34 geen enkele afspraak buiten het departement of de Tweede Kamer of met een persoon of organisatie buiten uw eigen organisatie was? Zo nee, waarom staan deze niet in de agenda?
Nee, dat klopt niet. Het ministerie streeft ernaar om de agenda zo snel mogelijk na de betreffende week te publiceren. In voornoemde gevallen is sprake van vertraagde plaatsing. De missende afspraken zijn reeds toegevoegd.
Klopt het dat u de afgelopen tijd, ondanks de druk op Ter Apel, slechts zes burgemeesters persoonlijk hebt gesproken (afgezien van een burgemeestersbijeenkomst in Putten)? Zo nee, waarom staat dit niet in de openbare agenda? Zo ja, waarom heeft u in de beantwoording van Kamervragen en in debatten steeds geen antwoord gegeven op de vraag hoeveel burgemeesters u heeft gesproken?
Dat klopt niet, de afgelopen maanden hebben er meerdere gesprekken met verschillende burgemeesters plaatsgevonden. Daarnaast zijn er natuurlijk ook gesprekken met burgemeesters in bestuurlijke overleggen.
Klopt het dat u geen kennismaking of ander gesprek heeft gehad met de volgende uitvoeringsorganisaties, ketenpartners en adviesorganen die van belang zijn voor migratie, asiel, opvang en terugkeer (graag individueel beantwoorden)? Zo nee, waarom staat dit niet in uw agenda en kunt u aangeven op welk moment dit gesprek wel heeft plaatsgevonden? Zo ja, waarom heeft u hen (nog) niet gesproken, bent u bereid dit op korte termijn te doen?
Kennismaking heeft op 18/11 plaatsgevonden.
Meerdere werkbezoeken/momenten waarop ik gesproken heb met het IOM (bijvoorbeeld werkbezoek aan Polen 2/10/24 en Bilateraal gesprek met de directeur-generaal van het IOM 29/1/2025).
Meerdere werkbezoeken/momenten waarop ik gesproken heb met Nidos (bijvoorbeeld werkbezoek op AMV-locatie 3/2/25).
Er heeft geen kennismaking plaatsgevonden.
Kennismaking heeft op 18/11 plaatsgevonden.
Er heeft geen kennismaking plaatsgevonden.
Meerdere werkbezoeken/momenten waarop ik gesproken heb met UNHCR (bijvoorbeeld werkbezoek aan Polen 2/10/24 en kennismaking 20/1/25).
Het bericht ‘Zorg Spoedeisende hulp loopt vast door ouderen, maar terug naar huis is vaak ook geen optie’ |
|
Judith Tielen (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
Vicky Maeijer (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zorg Spoedeisende hulp loopt vast door ouderen, maar terug naar huis is vaak ook geen optie»1?
Ja.
In hoeverre verwacht u dat de nu al stijgende aantallen patiënten die noodgedwongen in een ziekenhuis moeten overnachten, verder zullen stijgen, met het oog op de dubbele vergrijzing2? Kunt u dat met cijfers aangeven?
De meest recente NZa monitor acute zorg3 laat zien dat het aantal bezoeken aan de acute zorg door 75+»ers daalt. Daar waar in 2017 en 2018 het aantal patiënten van 75+ dat in de avond, nacht of het weekend huisartsenzorg nodig had nog boven de 400 per 1.000 inwoners lag is dat cijfer in de jaren erna gedaald naar in 2021 ruim onder de 400 per 1.000 inwoners. Ook is het aantal SEH-bezoeken per 1.000 65+»ers in 2022 lager dan in 2017. We zien dus dat de groep ouderen in de samenleving groeit maar het aantal bezoeken aan de acute zorg niet evenredig meegroeit.
Nadat de financiering van de verzorgingshuizen is gestopt per 2013/2014 is het ELV (eerstelijnsverblijf) de plek geworden waar (veelal) ouderen tijdelijk opgenomen kunnen worden voordat ze weer naar huis gaan. Het ELV, en andere kortdurende zorg bedden, kunnen we op dit moment niet voldoende inzetten om te zorgen dat ouderen niet noodgedwongen in het ziekenhuis moeten blijven. Het liefste zou ik willen dat ze niet op de SEH terecht komen. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat toegang tot intramurale zorg de kans op een ziekenhuisopname binnen één jaar met negen procentpunt verlaagt.4 Dit wijst mogelijk op positieve gezondheidseffecten van de verpleeghuiszorg, maar het is ook mogelijk dat een deel van de ziekenhuiszorg wordt overgenomen door de zorginstelling. Om dit in kaart te brengen heb ik in het regeerprogramma opgenomen dat er een nadere doorrekening zal plaatsvinden naar de mogelijke terugkeer van de verzorgingshuizen.
Om de huidige druk op de zorg na een bezoek aan de acute zorg door een kwetsbare ouderen nu al te ontlasten zetten we hier met o.a. bestaande afspraken in het IZA en mogelijk aanvullende afspraken beleid op in.
Hoe staan deze cijfers in verhouding tot de afspraken gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA)? Wat is de verwachting van de impact van het IZA op de in het artikel genoemde problemen, zowel in kwaliteit als in cijfers?
We vinden het belangrijk dat, in lijn met IZA, onnodige SEH/ziekenhuisopnames voorkomen worden. De in het IZA afgesproken versterking van de eerstelijnszorg en zorgcoördinatie moeten hieraan bijdragen. Binnen zorgcoördinatie kijken triagisten met een brede blik naar een zorgvraag, zodat zij zorg kunnen inzetten die het best aansluit bij de persoonlijke context van de patiënt. Daarnaast is het van belang dat er goede alternatieven zoals kortdurend verblijf beschikbaar zijn.
We werken samen met partijen aan het versterken van de eerstelijnszorg om gelijkwaardigere toegang van zorg dichtbij te realiseren. Hierbij werken we aan het inrichten van hechte wijkverbanden waarin de belangrijkste zorgverleners in de wijk nauw met elkaar samenwerken. De samenwerking in de wijkverpleging is hier een belangrijk aandachtspunt.
Ook ondersteunen we de zorgverleners in de wijk door ze op regionaal niveau taken uit handen te nemen bijvoorbeeld met administratieve en ICT ondersteuning.
Daarnaast ondersteunen we de beweging die regio’s maken naar zorgcoördinatie. Hierbij werken onder andere huisartsenposten, de ambulancezorg via de meldkamer 112, de regionale coördinatiepunten eerstelijnsverblijf en de acute ggz samen om telefonische triage zo in te richten dat direct de meest geschikte zorg kan worden ingezet. Ook als dit zorg buiten de SEH is, kan zorgcoördinatie vervolgens door inzicht in actueel beschikbare zorgcapaciteit en goede samenwerkingsafspraken tussen zorgaanbieders bijdragen aan het sneller vinden van een locatie waar deze zorg beschikbaar is. Zo kan een patiënt snel de zorg ontvangen die past bij hun behoefte en wat op dat moment nodig is. We stimuleren initiatieven binnen de kortdurende zorg zoals de wijkkliniek, een vorm van tijdelijk verblijf waar samenwerking tussen de 1e en 2e lijn centraal staat, om zorg te bieden voor patiënten die niet thuis kunnen blijven, maar ook niet in het ziekenhuis op hun plek zijn. In opdracht van ons werkt het programma Beter Thuis II van ZonMW aan het ontwikkelen van de kwaliteit van zorg binnen de kortdurende herstelgerichte zorg. Hierbij is inzicht in effectiviteit van innovaties onderdeel.
Deelt u de mening dat een ziekenhuisopname voor (kwetsbare) ouderen eigenlijk altijd risicovol is en dat deze zoveel mogelijk moeten worden voorkomen? Zo ja, op welke manier wordt dit nu effectief aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, we delen de mening dat een ziekenhuisopname voor (kwetsbare) ouderen vaak risicovol is. Kwetsbare ouderen verdienen een veilige en fijne plek om te herstellen, zonder de stress van een ziekenhuisomgeving. Tijdens een ziekenhuisopname lopen zij verhoogde risico’s op functieverlies, infecties, en verwardheid (delier).
Om onnodige ziekenhuisopnames te voorkomen richten wij ons op het versterken van de eerstelijnszorg en de uitbreiding en verbetering van kortdurende zorg, zoals een goede toegang tot eerstelijnsverblijfbedden.
De tarieven voor het eerstelijnsverblijf zijn per 1 januari jongstleden verhoogd, naar aanleiding van een kostenonderzoek van de NZa. Dit zal het aanbieden van deze zorg aantrekkelijk maken voor instellingen. De tarieven moeten kostendekkend zijn. Daarnaast moet de manier waarop dit betaald wordt makkelijker en duidelijker worden. We gaan de NZa vragen om een experiment uit te voeren naar de beste bekostiging voor het tijdelijk verblijf in de Zvw.
De aanwijzing hiervoor wordt op korte termijn aan de Kamer voorgelegd. Ook moeten de afspraken over wie recht heeft op deze zorg duidelijker zijn. We hebben hiervoor het Zorginstituut om advies gevraagd.
In hoeverre blijft het voorkomen van deze onnodige ziekenhuisopnames bij ouderen onderdeel van het aanvullend zorg en welzijnsakkoord? Wordt deze doelstelling ook opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg waar momenteel aan gewerkt wordt?
Het Hoofdlijnenakkoord Ouderzorg (HLO) wordt naar verwachting op korte termijn afgesloten. Dit akkoord spitst zich voor de periode 2025–2028 toe op de Wet langdurige zorg. De onderwerpen die in dit akkoord staan kunnen voor de lange termijn, waar wordt ingezet op een vereenvoudiging van het totale stelsel van zorg en ondersteuning voor ouderen, bijdragen aan de vermindering van onnodige ziekenhuisopnames.
Daarnaast is in het regeerprogramma opgenomen dat er een nadere doorrekening zal worden uitgevoerd naar de terugkeer van de verzorgingshuizen. Naar verwachting kan het onderzoek binnenkort starten en in september 2025 worden afgerond. De terugkeer van verzorgingshuizen kan een bijdrage leveren aan de invulling van de woon-zorgvraag van ouderen en mogelijk het beroep op spoedeisende hulp verminderen.
Wat zijn de te verwachten effecten van de maatregelen aangekondigd in de brief over de versterking van de eerstelijnszorg3 op het aantal (onnodige) ziekenhuisopnames van ouderen? Kunt u dat met cijfers aangeven?
Op basis van eerdere Nederlandse studies en metingen wordt geschat dat ongeveer 20% van alle SEH-bezoeken bij ouderen vermijdbaar zijn door eerder in te grijpen.6 Het is op voorhand echter niet met cijfers aan te geven welk effect het beter inrichten van de proactieve zorg thuis precies heeft voor het aantal (onnodige) ziekenhuisopnames onder ouderen.
De versterking van de eerstelijnszorg focust op verbetering van de toegankelijkheid en continuïteit van zorg, door een betere samenwerking van verschillende zorgverleners in hechte wijkverbanden. Deze wijksamenwerking, tussen in ieder geval huisarts, wijkverpleging, apotheker en sociaal domein, wordt ondersteund door regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden. Deze zorgen voor het ontlasten van de zorgprofessionals door bijvoorbeeld afspraken te maken over samenwerking met de ziekenhuizen of de GGZ en ook administratieve taken uit handen te nemen.
Zorg- en hulpverlening in de wijk die beter in samenhang kan worden geboden zorgt ervoor dat de zorg- en hulpverleners zicht hebben op de kwetsbare mensen in de wijk. Door zicht te hebben op deze mensen kan vroegtijdig hulp geboden worden wat (onnodige) ziekenhuisopnames kan voorkomen. In een rapport over acute ouderenzorg is aangetoond dat de meeste acute zorgvragen ontstaan bij thuiswonende ouderen met een verhoogde kwetsbaarheid.
Kunt u een overzicht geven van regionale samenwerkingsafspraken over gezondheidsbevordering voor ouderen met valrisico zoals opgenomen in het IZA? Wat is de verwachting van de (kwantitatieve) effecten van deze afspraken? Welke andere preventieafspraken zijn in regio’s gemaakt?
In het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) hebben het Ministerie van VWS, zorgverzekeraars en gemeenten de volgende afspraken gemaakt over de te behalen landelijke resultaten voor valpreventie:
Regio’s maken zelf plannen hoe ze deze resultaten gaan behalen en volgen hierin de ketenaanpak valpreventie. Voor een effectieve aanpak is goede samenwerking tussen medisch en sociaal domein essentieel. In de eerste fase van deze samenwerking, waarin veel regio’s nog zitten, wordt vooral tijd besteed aan het vormgeven van deze afspraken en dus het inrichten van de ketenaanpak. Jaarlijks monitort het RIVM de voortgang, zowel op het samenwerkingsproces als op de uiteindelijk te bereiken doelen. Afgelopen december heeft het RIVM de resultaten van de monitor Valpreventie (over de periode 2023 en eerste half jaar 2024) gepubliceerd op haar website. Hieruit blijkt dat in elk geval 82% van de gemeenten is gestart met de inrichting van de (keten)aanpak. Bijna al deze gemeenten gaven aan samen te werken met tenminste fysiotherapeuten (96%) en buurtsportcoaches (83%). Van de zorgverzekeraars geeft de helft aan samenwerkingsafspraken te hebben gemaakt met gemeenten.
Het RIVM brengt ook per regio afzonderlijk in beeld wat voortgang is op de implementatie en uitvoering van de ketenaanpak Valpreventie (Monitor Valpreventie | Regiobeeld).
In het IZA en GALA zijn diverse afspraken gemaakt over de inzet van met name gemeenten en zorgverzekeraars op gezondheidsbevordering en preventie. Het is in principe aan deze partijen om de landelijke afspraken regionaal en lokaal concreet vorm te geven. In december 2024 is een eerste voortgangsrapportage van het RIVM over de voortgang op de afspraken uit het GALA naar uw Kamer gezonden. Dit geeft een eerste beeld van de inzet van partijen op gezondheidsbevordering en preventie.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de IZA-doelstelling dat in 2025 20% minder ouderen met een kwetsbare gezondheid onnodig opgenomen worden op de spoedeisende hulp (SEH)? Deelt u de mening dat het bericht over de spoedeisende hulp laat zien dat deze doelstelling nog wel heel ver weg lijkt?
Het IZA wordt gemonitord via verschillende routes. Een van die monitors gaat over de uitkomsten voor verschillende doelgroepen, waarvan een van de doelgroepen kwetsbare ouderen betreft. Deze informatie wordt op regiokantoor niveau ontsloten op www.regiobeeld.nl. Na de 1-meting van de monitor die einde voorjaar 2025 is voorzien, kunnen we uw Kamer informeren over de stand van zaken op de uitkomsten van de monitor.
In hoeverre worden patiënten met meerdere aandoeningen (multimorbide) meegenomen in de akkoorden? Wat voor effect heeft het «nogmaals onder de aandacht van de relevantie IZA-partijen brengen van de noodzaak voor goede organisatie rond de multimorbide patiënt' gehad, zoals u antwoordde op eerdere vragen van het lid Tielen4?
Het IZA is een integraal akkoord voor alle patiëntgroepen, zo ook patiënten met meerdere aandoeningen en alle ouderen. Daarbij vinden we het voor alle patiënten belangrijk dat de urgentie leidend is.
Het is belangrijk dat deze patiënten goed geholpen worden en kwalitatief goede zorg ontvangen. Het beleid dat is ingezet, onder andere in het kader van passende zorg, draagt hier aan bij. We vinden het daarom belangrijk dat binnen en tussen de ziekenhuizen en zorgaanbieders meer wordt samengewerkt. Met de afspraken in het IZA zijn de eerste stappen gezet voor de benodigde transitie naar meer samenwerking, netwerkzorg en meer digitale en hybride zorg. Daarbij vinden we het voor alle patiënten belangrijk dat de urgentie leidend is.
Hoeveel initiatieven zijn gericht op het vinden van de juiste plek voor een patiënt zodat deze niet hoeft te worden opgenomen, zoals Het Regionaal Transferpunt Salland, het Zorgplein-Gooi en het Centraal Aanmeldpunt Verplaatsingen in Zeeland? Wat doet u om ervoor te zorgen dat er in het hele land (meer) gebruik wordt gemaakt van al bestaande samenwerkingen?
Er is een landelijk dekkend netwerk van regionale coördinatiefuncties eerstelijnsverblijf (ELV) ingericht om zorgverleners te helpen bij het vinden van een geschikt en beschikbaar eerstelijnsverblijfbed. Deze al bestaande ELV-coördinatiefuncties vormen een belangrijk deel van de basis van het onderdeel inzicht in capaciteit binnen de implementatie en doorontwikkeling van zorgcoördinatie die momenteel in alle regio’s plaatsvindt. Binnen de plannen voor zorgcoördinatie wordt de samenwerking tussen ELV-coördinatiefuncties onderling en met andere zorgpartijen verder uitgebreid, zodat zorgverleners op één punt terecht kunnen voor het vinden van een geschikte plek of extramurale zorgverlener voor hun patiënt.
Wat doen zorginstellingen en organisaties momenteel om te leren van bestaande initiatieven gericht op samenwerking binnen en buiten het ziekenhuis, zoals de Intensieve Samenwerking Afdeling van het Jeroen Bosch Ziekenhuis, het GEM-team in het Tergooi MC, de Herstelkliniek van Pantein en Spaarnelabs? Is dat wat u betreft voldoende? Zo ja, hoe is dat te zien in de voortgang op IZA-doelstellingen? Zo nee, hoe zorgt u ervoor dat zorginstellingen meer gebruik maken van elkaars ervaringen?
Het hele IZA is gericht op bevordering van samenwerking, in de regio en in netwerken. In iedere zorgkantoorregio wordt of is een overlegtafel ingericht voor het bevorderen van de regionale samenwerking. Ook de ROAZ-regio’s voeren overleg om samen de toegankelijkheid van zorg te verbeteren. Deze samenwerking wordt bevorderd door het maken van regio- en ROAZ-beelden en regio- en ROAZ-plannen. Door als ketenpartners samen de uitdagingen te formuleringen en de voorstellen om daar mee om te gaan en te komen tot transformatieplannen wordt de samenwerking bevorderd. Voor dergelijke plannen zijn middelen beschikbaar gesteld. Door informatie over goedgekeurde transformatieplannen en goede praktijkvoorbeelden te delen op www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl stimuleren we dat zorgaanbieders en regio’s leren van elkaar.
Bent u bereid om zelf meer daadkracht te tonen jegens alle zorginstellingen om te voorkomen dat overal opnieuw geprobeerd wordt het wiel uit te vinden en er meer arbeidskracht wordt besteed aan praten en overleggen dan aan effectieve uitvoering? Zo ja, op welke termijn is daar effect van te verwachten? Zo nee, waarom niet?
We vinden het belangrijk dat succesvolle initiatieven worden opgeschaald, waarbij het uiteraard van belang is om rekening te houden met de lokale context. Daarom heb ik, Minister van VWS, onder andere een leidraad Vakmanschap en werkplezier in ontwikkeling die zorginstellingen concrete handvatten en inspirerende voorbeelden biedt om hiermee mee aan de slag te gaan. Zoals ik uw Kamer eerder heb toegezegd, zal ik na het verschijnen van het AZWA een zorgtop organiseren. Daar wil ik podium bieden aan effectieve initiatieven die een succesvolle bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het arbeidsmarkttekort.
We moedigen alle zorginstellingen aan om hier hun voordeel mee te doen en optimaal gebruik te maken van de vele veelbelovende initiatieven die er al zijn. Dit geldt ook voor instellingen in het kader van zorg en ondersteuning voor ouderen. Daarnaast is binnen de ouderzorg ondersteuning mogelijk van individuele instellingen bij de verbetering van bedrijfsvoering via het Waardigheid en Trots initiatief. Meer dan 100 zorgbieders maken daar momenteel al gebruik van.
Het bericht ‘Zwaarst getroffen UWV-gedupeerden worden door minister niet geholpen, en dat mag volgens juristen niet’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
![]() |
Kunt u inhoudelijk reageren op de serieuze waarschuwing in het artikel dat het niet bekijken van andere fouten dan rekenfouten en het beperken van een hersteloperatie tot de periode 2020 tot 2024 juridisch onhoudbaar is?1
In de Kamerbrief van 22 november 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de scope van de hersteloperatie. In deze brief heb ik aangegeven dat de hersteloperatie zich beperkt tot fouten in de hoogte van de uitkering als gevolg van verkeerde dagloonberekeningen en op andere administratieve fouten die van invloed zijn op de hoogte van de WIA-uitkering, in de periode 2020–2024. De focus voor deze fouten ligt op de periode van 2020–2024, omdat in die periode in steekproeven, waarvan het aantal vanaf 2020 flink was teruggeschroefd, een substantieel aantal onjuistheden is aangetroffen met impact op de hoogte en de duur van de uitkering van mensen zonder dat aan deze bevindingen opvolging is gegeven. Dat ligt anders in de periode vóór 2020. Het foutpercentage lag destijds op een lager niveau, en fouten werden opgespoord en hersteld. In de antwoorden op de vragen 3 en 4 licht ik toe waarom de hersteloperatie niet ziet op sociaal-medische beoordelingen en de (juridische) onderbouwing hierbij.
Bent u van plan de hersteloperatie bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) net als in de hersteloperatie kinderopvangtoeslag zo ver te laten komen dat gedupeerden regelmatig met succes naar de rechter stappen om alsnog hun recht te halen?
De hersteloperatie is erop gericht dat UWV geconstateerde fouten zoveel als mogelijk zelf opspoort en herstelt. De pijnlijke boodschap is echter dat het niet mogelijk is om UWV eventuele fouten in sociaal-medische beoordelingen op te laten sporen en van daaruit te herstellen. Voor mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling werkt UWV aan een intensivering van het persoonlijk contact en de persoonlijke begeleiding. Hierop ga ik nader in bij het antwoord op vraag 5. UWV heeft in september 2024 ook een speciale bellijn geopend voor mensen die – naar aanleiding van de berichtgeving over de fouten bij UWV – ongerust zijn over hun beoordeling of uitkering.
Kunt u toelichten waarom u het een rechtvaardige keuze vindt om fouten bij sociaal-medische beoordelingen buiten beschouwing te laten vanwege de beperkte capaciteit, aangezien fouten bij deze beoordelingen de grootste gevolgen hebben voor gedupeerden en hun bestaanszekerheid direct raakt?
In de Kamerbrief van 22 november 2024 heb ik aangegeven dat de herstelactie zich niet richt op sociaal-medische beoordelingen en dat dit een pijnlijke keuze is voor de mensen die twijfelen aan de juistheid van hun beoordeling. Ten aanzien van de medische en arbeidskundige beoordelingen geldt dat in de steekproeven het oordeel «nader te bepalen» voorkomt. Het oordeel «nader te bepalen» betekent dat op basis van het schriftelijke dossier niet kon worden vastgesteld of de beoordeling goed is verlopen. Hierbij kan het dus zowel gaan om tekortschietende administratie als om fouten in de beoordeling. Graag had ik gezien dat ook hier eventuele fouten konden worden opgespoord en hersteld, omdat ik het belangrijk vind dat mensen erop moeten kunnen vertrouwen dat zij een juiste beoordeling hebben gehad. Voor mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling werkt UWV aan een intensivering van het persoonlijk contact en de persoonlijke begeleiding. Hier ga ik nader op in bij de beantwoording van vraag 5.
Kunt u inmiddels wel een duidelijk antwoord geven op de vraag of de door het Kabinet gemaakte keuze juridisch houdbaar is, in tegenstelling tot de Kamerbrief van 22 november waarin wel twijfels worden geuit maar een duidelijk antwoord uitblijft?
Bij het bepalen van de scope van de hersteloperatie is mijn uitgangspunt dat zoveel mogelijk tegemoet moet worden gekomen aan de belangen van mensen en dat dus zoveel mogelijk fouten worden opgespoord en hersteld. Hierbij zijn ook juridische aspecten en uitvoeringsaspecten gewogen. Binnen de wet- en regelgeving is ruimte om geconstateerde fouten te herstellen. Er is geen juridische verplichting om ambtshalve de fouten op te sporen. De keuze over de scope van de herstelactie is daarmee vooral een beleidsmatige en politieke keuze. Helaas lopen we hierbij tegen grenzen aan en heb ik het betrekken van mogelijke fouten bij de herstelactie af moeten wegen tegen het belang dat ook reguliere dienstverlening doorgang moet blijven vinden. Voor de goede orde merk ik tot slot op, dat anders dan in de vraag wordt gesuggereerd, in de Kamerbrief van 22 november geen twijfels zijn geuit over de juridische houdbaarheid van de scope van de hersteloperatie.
Bent u bereid, gezien het dilemma met betrekking tot de capaciteit, de Kamer voorstellen te doen wat wel kan?
Ik realiseer mij heel goed dat het voor de mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling een pijnlijke constatering is dat het niet mogelijk is om eventuele fouten in sociaal-medische beoordelingen op te sporen en van daaruit te herstellen. UWV probeert mensen die twijfelen aan de uitkomst van hun beoordeling zo goed mogelijk te ondersteunen. Momenteel werkt UWV al met de inzet van cliëntondersteuners bij urgente vraagstukken over bestaanszekerheid. Om zeker te zijn dat mensen de juiste ondersteuning krijgen, komt er een team van gespecialiseerde clientondersteuners. Vanuit dat team zorgt UWV voor persoonlijke begeleiding om vragen van mensen gericht in beeld te krijgen en ondersteuning te verzorgen bij vervolgstappen. Dat kan bijvoorbeeld leiden tot een herbeoordeling- of herzieningsverzoek, maar dat team kan net als nu ook schakelen met andere dienstverlening vanuit UWV, zoals het Team Geldzorgen of mediation. UWV heeft in september 2024 reeds een speciale bellijn geopend voor mensen die – naar aanleiding van de berichtgeving over de fouten bij UWV – ongerust zijn over hun beoordeling of uitkering. Tot en met januari 2025 hebben ruim 8.000 mensen hierover contact opgenomen met UWV. Zij stelden in totaal ruim 12.000 vragen. Bij een klein deel ging het om zorgen over mogelijke fouten in hun beoordeling. UWV heeft deze mensen gesproken en voor het overgrote deel was algemene informatie op dat moment voldoende. Met een klein deel zijn nadere afspraken gemaakt. Over de nadere inrichting van het team gaat UWV in gesprek met de cliëntenraden en sociale partners. Ik zal uw Kamer hier nader over informeren in de brief van maart over de verbeteraanpak.
Bent u bereid bij deze oplossingen verder te kijken dan capaciteit binnen het UWV zelf?
Vanzelfsprekend ben ik bereid om met brede blik naar oplossingen te kijken, maar het tekort aan specialistische capaciteit bestaat uiteraard zowel binnen als buiten UWV. Daarnaast acht ik het momenteel niet wenselijk om (een deel van) de hersteloperatie buiten UWV te plaatsen. Hierbij zijn de volgende redenen van belang:
Een hersteloperatie buiten UWV zou het niet mogelijk maken om mensen in één keer de juiste uitkering te geven bij een combinatie van meerdere herstelacties. Een voorbeeld hiervan is de herziening in verband met de uitspraak over loonloze tijdvakken. Op elementen waar gerichte expertise nodig is vanuit UWV zelf (zoals berekeningen op dagloon), zal UWV expertise uit de organisatie inzetten en waar nodig maakt UWV gericht gebruik van externe capaciteit. Samen met UWV bezie ik wat er nodig is om deze hersteloperatie goed uit te kunnen voeren en daar kom ik op terug in mijn voortgangsbrief in maart 2025.
Bent u van mening dat de huidige keuzes van het kabinet over de inrichting van de hersteloperatie getuigen van een betrouwbare overheid, mede gezien het rapport «Blind voor mens en recht» van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, waarin juist het onvoldoende oog hebben voor consequenties voor mensen als één van de belangrijke conclusies beschreven wordt?2
UWV werkt hard aan de verdere uitwerking van de aanpak om fouten te herstellen die zijn gemaakt bij de vaststelling van het dagloon van WIA-uitkeringen in de periode 2020–2024. De correctieoperatie is een omvangrijk en complex proces. Hierbij is zorgvuldigheid geboden, omdat het gaat om de bestaanszekerheid van mensen. Bij de inrichting van de hersteloperatie is daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de lessen uit het rapport «Blind voor mens en recht», eerdere herstelacties bij UWV en andere publieke dienstverleners en de NSOB-review op de verbeteraanpak. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording, is de scope van de hersteloperatie bewust beperkt tot fouten in de hoogte van de uitkering in de periode 2020–2024. Deze afbakening is enerzijds gekozen vanwege het grote aantal fouten vanaf 2020 en is anderzijds nodig om een uitvoerbare en haalbare aanpak te waarborgen, zonder dat de reguliere dienstverlening van UWV in het gedrang komt. Tegelijkertijd wordt binnen de hersteloperatie sterk ingezet op zorgvuldigheid, transparantie en ondersteuning, met oog voor de menselijke maat. Dit blijkt onder andere uit persoonlijke cliëntondersteuning en het beperken van keteneffecten in samenwerking met ketenpartners.