De oproep uit Suriname om hulp te bieden met vaccineren |
|
Jan Paternotte (D66), Alexander Hammelburg (D66), Don Ceder (CU), Raoul Boucke (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Suriname vraagt Nederland om hulp bij vaccineren, maar wacht op antwoord»?1
Ja.
Klopt het dat u twee weken geleden een brief heeft ontvangen van de Minister van Volksgezondheid van de Republiek Suriname waar tot op heden nog niet op is gereageerd?
Het klopt dat ik een brief heb ontvangen van de Surinaamse Minister van Volksgezondheid. Ik heb deze brief beantwoord. Tevens heb ik de Minister van Volksgezondheid van Suriname gesproken op 26 mei en op 1 juni jl. En nog steeds sta ik in contact met mijn collega.
Deelt u de zorgen over het hoge aantal corona besmettingen (onder andere door de Braziliaanse variant) en de beperkte intensive care (ic)-capaciteit in Suriname?
Ja.
Heeft u informatie over de impact van het exportverbod van India op de beschikbare vaccins in Suriname? Welke andere landen worden er door dit verbod getroffen?
India kampt nog altijd met zeer hoge aantallen besmettingen. Enige tijd geleden heeft India aangegeven dat het de export van vaccins aan banden legt om allereerst aan de binnenlandse vraag te voldoen. Ik heb geen zicht op wat de impact van het exportverbod is op Suriname. India hoopt deze zomer de productie substantieel te verhogen om zo ook weer aan de internationale verplichtingen te kunnen voldoen.
De verwachting is dat Nederland in grote mate in de vaccinbehoefte van Suriname kan voorzien. Zie ook de beantwoording onder vraag 7 en 8. Tevens neemt Suriname deel aan het COVAX-programma waaruit het kleine aantallen vaccins ontvangt.
In hoeverre is binnen de Nederlandse vaccinatiestrategie opgenomen bij welke vaccinatiegraad vaccins zullen worden gedoneerd aan landen waar kwetsbare groepen en gezondheidsmedewerkers nog niet zijn gevaccineerd door een tekort aan vaccins?
Er is binnen de Nederlandse vaccinatiestrategie geen moment gedefinieerd waarop vaccins gedoneerd zullen gaan worden.
Welke afspraken zijn er reeds gemaakt over het doneren van vaccins via de COVID-19 Vaccines Global Access (COVAX)-faciliteit?
Nederland heeft in totaal EUR 70 miljoen gedoneerd aan COVAX voor de aankoop van vaccins voor 92 lage en middeninkomenslanden. Het streven is om eind 2021 via de pijler COVAX tenminste 30% van de bevolking in de 92 landen te vaccineren. Dit betreft eerstelijns gezondheidszorgmedewerkers en kwetsbare groepen zoals ouderen en mensen met onderliggend lijden.
Daarnaast heeft premier Rutte op de Global Health Summit aangekondigd vaccins in natura te doneren aan COVAX via het EU Vaccine Sharing Mechanism. Het precieze aantal wordt binnenkort vastgesteld.
Deelt u de mening dat Nederland door haar geschiedenis en de vele Nederlanders met een Surinaamse achtergrond een bijzondere relatie heeft met Suriname? Zo ja, bent u bereid Suriname ondersteuning te bieden in de inkoop van vaccins en andere medische hulpgoederen, in het bijzonder injectienaalden en -spuiten ten behoeve van vaccinaties?
Vanwege de bijzondere relatie met Suriname heeft Nederland welwillend naar het Surinaamse verzoek gekeken en heb ik samen met mijn collega Kaag en collega Bijleveld besloten zo snel mogelijk zuurstofcontainers te leveren aan Suriname om te helpen bij de meeste acute nood in de ziekenhuizen. Op woensdag 2 juni jl. is het vliegtuig met zuurstofcontainers aangekomen in Suriname. Ook waren er pallets met beschermingsmiddelen aan boord. Op 9 juni jl. heeft de regering 90.000 doses AstraZeneca plus naalden en spuiten naar Suriname gestuurd. Nederland heeft tevens toegezegd dat er vanaf week 25, mits de leveringen het toelaten, vaccins worden geleverd aan Suriname. Tot die tijd blijf ik mij inspannen om eerder vaccins te kunnen leveren aan Suriname. Het exacte aantal te doneren vaccins wordt momenteel nader bepaald, maar zal gezien de bevolkingsopbouw van Suriname, alsmede de vaccinatiebereidheid, liggen tussen de 500.000 en 750.000 doses. Dit is voldoende om de gehele bevolking boven de 18 jaar te vaccineren. Voor meer informatie verwijs ik graag ook nog naar de stand-van-zakenbrief Covid 19 van 28 mei jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 1241).
Op vrijdag 4 juni jl. is de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aangestelde speciaal gezant Marc Sprenger samen met een team van Nederlandse zorg professionals naar Suriname afgereisd. In het vliegtuig had hij medische hulpmiddelen en COVID-testen met zich mee. Dhr. Sprenger was afgelopen maanden de vaccinatiegezant voor de Caribische delen van het Koninkrijk. De missie, onder leiding van Sprenger, gaat kijken en luisteren naar wat er exact nodig is om de noodsituatie met de Surinaamse medici onder controle te krijgen. Hij bezoekt o.a. zo’n 5 ziekenhuizen en verschillende vaccinatielocaties. Ook doet hij het binnenland van Suriname aan.
Kan Nederland ondersteuning bieden aan de logistieke operatie van het vaccinatieprogramma in Suriname zoals dat ook is geboden aan de Caribische delen van het Koninkrijk?
Zie antwoord vraag 7.
Een Surinaams verzoek om hulp in de strijd tegen het coronavirus |
|
Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Suriname vraagt Nederland om hulp bij vaccineren, maar wacht op antwoord»?1
Ja.
Klopt het dat Suriname al twee weken op een antwoord op een hulpverzoek wacht? Wat is hiervoor de reden?
Vanwege de bijzondere relatie met Suriname heeft Nederland welwillend naar het Surinaamse verzoek gekeken en heb ik samen met mijn collega de Jonge en collega Bijleveld besloten zo snel mogelijk zuurstofcontainers te leveren aan Suriname om te helpen bij de meeste acute nood in de ziekenhuizen. Op woensdag 2 juni jl. is het vliegtuig met zuurstofcontainers aangekomen in Suriname. Ook waren er pallets met beschermingsmiddelen aan boord.
Op 9 juni jl. heeft de regering 90.000 doses AstraZeneca plus naalden en spuiten naar Suriname gestuurd. Nederland heeft tevens toegezegd dat er vanaf week 25, mits de leveringen het toelaten, vaccins worden geleverd aan Suriname. Tot die tijd blijft de regering zich inspannen om eerder vaccins te kunnen leveren aan Suriname. Meer informatie hierover kunt u vinden in de stand-van-zakenbrief Covid 19 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei jl. (2368124 – 1009693 PDC19).
Wilt u dit verzoek spoedig beantwoorden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of u sympathiek staat tegenover het Surinaamse verzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat vicepremier Dritan Abazovic wordt bedreigd door een drugsbende |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de vicepremier van Montenegro Dritan Abazovic wordt bedreigd door een drugsbende vanwege zijn anti-corruptiebeleid?1
Ja.
Heeft u contact met uw ambtsgenoten in Montenegro om deze bedreigingen te adresseren? Zo ja, hoe verloopt dit contact? Zo nee, bent u bereid om op korte termijn contact op te nemen met de regering van Montenegro om deze bedreigingen te adresseren, Nederlandse steun voor bedreigde politici als Dritan Abazovic uit te spreken en daarbij indien gewenst hulp van Nederlandse zijde aan te bieden?
Het onder druk zetten en bedreigen van politici door de georganiseerde misdaad keur ik uiteraard af. Het versterken van de rechtsstaat en de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie zijn prioriteit in de dialoog met Montenegro als kandidaat-lidstaat van de EU.
De bestrijding van georganiseerde misdaad vormt tevens onderwerp van gesprek tussen Nederland en Montenegro. Nederland ondersteunt de hervormingen van de rechtsstaat in Montenegro, zowel bilateraal als via EU-programma’s. Zo helpt Nederland Montenegro, via bilaterale projecten gesteund uit het Matrafonds, bij het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur, het vergroten van toegang tot de rechtspraak, het zorgen voor een veilige omgeving voor klokkenluiders en het versterken van de onafhankelijkheid van de rechtspraak.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Montenegro heeft bekend gemaakt aanvullende beschermingsmaatregelen voor vicepremier Abazovic te hebben getroffen en de politie doet onderzoek.
Aanvullende actie door Nederland is op dit moment dan ook niet nodig.
Hebben uw Europese ambtsgenoten en/of EU-functionarissen contact met de regering van Montenegro over deze kwestie? Zo ja, hoe verloopt dit proces? Zo nee, bent u bereid hiervoor in EU-verband aandacht te vragen?
De Montenegrijnse overheid heeft de EU-ambassades (inclusief de Nederlandse ambassade in Belgrado, geaccrediteerd voor Montenegro) schriftelijk geïnformeerd over de kwestie en de door hen getroffen maatregelen.
Kunt u toelichten hoe de EU-Montenegro Stabilisatie- en Associatieovereenkomst de bestrijding van corruptie in Montenegro adresseert en hoeveel EU-middelen er worden toegekend hieraan, uitgesplitst per project? In hoeverre worden er beleid, instituties en projecten gesteund die de criminaliteit van drugsbendes zoals de Kavac and Skaljari tegengaan?
De EU-Montenegro Stabilisatie- en Associatieraad bespreekt met enige regelmaat de ontwikkelingen in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en de progressie in de uitvoering van de overeenkomst. Bestrijding van corruptie valt onder rechtsstaathoofdstukken 23 en 24. Elk jaar wordt de voortgang van de individuele landen op de Westelijke Balkan geëvalueerd in de voortgangsrapportages van de Europese Commissie, uw Kamer ontvangt hierover een appreciatie van het kabinet.
Via het EU Instrument voor Pretoetredingssteun (IPA) worden (potentiële) kandidaat-lidstaten ondersteund in hun toetredingsproces en bij de daarvoor noodzakelijke hervormingen. Over de periode 2014–2020 is er EUR 279 miljoen IPA-geld gealloceerd voor Montenegro, EUR 42.3 miljoen daarvan is bedoeld voor de versterking en verbetering van de Rule of Law en fundamentele vrijheden2. Daarmee zijn de volgende vijf programma’s opgezet:
Bent u het ermee eens dat anti-corruptiebestrijding in Montenegro een van de belangrijkste prioriteiten is in het kader van de toetredingsonderhandelingen met de EU, welke ook uitgebreid aan bod komt in voortgangsrapporten van de Commissie?2 Bent u bereid te pleiten voor ophoging van dit budget om de instituties – zoals de Anti-Corruptie Autoriteit – en middelen die corruptie tegengaan, te versterken? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van georganiseerde misdaad en het bestrijden van corruptie zijn prioriteit in het toetredingsproces van (potentiële) kandidaat-lidstaten. Elk jaar wordt de voortgang van de individuele landen op de Westelijke Balkan geëvalueerd in de voortgangsrapportages van de Europese Commissie. Het kabinet blijft ook de komende periode nauwlettend monitoren of er politieke wil en voldoende onafhankelijkheid binnen de strafrechtketen bestaat om door te pakken op pijnpunten zoals bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad. Vanuit het Instrument voor Pretoetredingssteun (IPA) ondersteunt de EU diverse programma’s voor de aanpak van georganiseerde misdaad en het bestrijden van corruptie. In de discussie over de toekenning van nieuwe IPA-fondsen (IPA III) zal het kabinet wederom inzetten op voldoende aandacht voor dit thema.
Kunt u bij de eerstvolgende toetredingsconferentie toezeggen namens Nederland expliciete aandacht te besteden aan de bestrijding van corruptie en het bedreigen van politici zoals vicepremier Dritan Abazovic? Zo nee, waarom niet?
Nederland besteedt in interventies tijdens EU vergaderingen over het toetredingsproces van de kandidaat-lidstaten op de Westelijke Balkan, inclusief Montenegro, vrijwel altijd aandacht aan de noodzakelijke vooruitgang op het terrein van de rechtsstaat, inclusief de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie en de implementatie van de hervormingen op dit terrein.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De mededeling dat Iran voor een volle termijn van 4 jaar is verkozen tot lid van de VN-Vrouwencommissie |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Hoe heeft Nederland gestemd, en op basis van welke argumenten?1
Nederland doet in het openbaar geen uitspraken over stemgedrag bij geheime stemmingen, omdat landen moeten kunnen rekenen op de vertrouwelijkheid van de door hun uitgebrachte stem en Nederland de afspraken daarover niet eenzijdig kan schenden. Bij het bepalen van de Nederlandse stempositie weegt de mensenrechtensituatie in een land altijd sterk mee, zo ook in dit geval. Zie verder de vertrouwelijke bijlage die is meegestuurd met deze antwoorden.
Hoe is de besluitvorming bij uw ministerie omtrent deze kandidatuur tot stand gekomen? Heeft de Directie Multilaterale Instellingen en Mensenrechten (DMM) deze kandidatuur zelf afgewikkeld, of werd het Bureau Politieke Zaken (BPZ) erbij betrokken? Waar begon uw betrokkenheid?
De steminstructie voor deze kandidatuur is met relevante directies binnen het ministerie afgestemd en vond plaats onder mijn politieke verantwoordelijkheid.
Heeft u deze kandidatuur besproken met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? In welke mate werd de Minister-President in de discussies betrokken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de steminstructie en de bijbehorende correspondentie tussen het ministerie en de Permanente Vertegenwoordiging van de VN in New York ter inzage aan de Tweede Kamer te geven?
Zie het antwoord op vraag 1 en de vertrouwelijke bijlage2 die is meegestuurd.
Is de Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA), de mogelijke redding van de «Iran Nuclear Deal», een overweging geweest om u mild op te stellen ten aanzien van Iran, en de kandidatuur voor de VN-Vrouwencommissie te steunen? Was de Minister-President ervan op de hoogte?
Nee.
Op de Algemene Raad van de Europese Unie (19 april jl.) werd de kwestie Iran besproken; was het thema JCPOA onderwerp van gesprek in de formele en informele delen van de Raad om het stemgedrag inzake de kandidatuur van Iran voor de VN-Vrouwencommissie onderling af te stemmen? Zo ja, wie stemde wat af met wie?
Nee, daar is niet over gesproken.
Bent u bekend met het bericht dat Iran is verkozen als lid van de Commissie voor de Status van de Vrouw (CSW) van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC)?1
Ja
Bent u het eens dat, gezien de ongelijkwaardige positie van vrouwen in het land, het misplaatst en onterecht is dat Iran nu zitting heeft in een commissie die tot doel heeft vrouwenrechten te beschermen?
Nederland is kritisch op het trackrecord van Iran wat betreft vrouwenrechten. De Nederlandse zorgen over vrouwenrechten in Iran zijn welbekend, en Nederland deelt deze zorgen met regelmaat zowel publiekelijk als in bilaterale gesprekken met Iran.
Klopt het dat de stemming geheim was, maar dat desondanks uit de uitslag kan worden opgemaakt dat tenminste vier van de 15 EU/westelijke landen in de Economische en Sociale Raad voor de toetreding van Iran tot de Commissie hebben gestemd?
Omdat de stemmingen geheim waren, is niet bekend hoe de ECOSOC-leden hebben gestemd. Wel is bekend dat 43 van de 53 bij de stemming aanwezige ECOSOC-leden voor de kandidatuur van Iran hebben gestemd. Er zitten momenteel 13 landen van Western European & Others Group (WEOG) in de ECOSOC, waarvan 7 EU-lidstaten, waaronder Nederland.
Heeft Nederland voor of tegen gestemd en waarom?
Nederland doet in het openbaar geen uitspraken over stemgedrag bij geheime stemmingen, omdat landen moeten kunnen rekenen op de vertrouwelijkheid van hun uitgebrachte stem en Nederland de afspraken daarover niet eenzijdig kan schenden. Bij het bepalen van de stempositie, weegt de mensenrechtensituatie in een land altijd sterk mee, zo ook in dit geval. Zie verder de vertrouwelijke bijlage2 die is meegestuurd met deze antwoorden.
Uitleveringen en uitzettingen aan Rwanda |
|
Michiel van Nispen , Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (minister economische zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Bent u bekend met het artikel «Het ambtsbericht Rwanda» in het Nederlands Juristenblad van 9 april jl.? Wat is daarop uw reactie?1
Ja. In dit artikel wordt een kritisch beeld geschetst over de situatie in Rwanda en de beoordeling daarvan door Nederland in uitleverings- en uitzettingsprocedures. Dat kritische beeld is niet nieuw en tot op zekere hoogte herkenbaar. Ik herken mij niet in de conclusies die worden getrokken. In navolgende antwoorden zal ik dit verder toelichten.
Staat de demissionaire regering nog altijd achter de inhoud van het betreffende ambtsbericht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Het ambtsbericht biedt een objectieve beschrijving van de situatie in Rwanda tijdens de verslagperiode. Voor het opstellen van het ambtsbericht is zorgvuldig onderzoek gedaan aan de hand van bronnen die binnen de verslagperiode zijn uitgebracht. Hierbij is gebruikt gemaakt van geselecteerde, geanalyseerde en gecontroleerde informatie uit openbare en vertrouwelijke bronnen, inclusief informatie die afkomstig is van (internationale) ngo’s, vakliteratuur, berichtgeving in de media, vertrouwelijke rapportages van Nederlandse vertegenwoordigingen en vertrouwelijke informatie die ter plaatse wordt ingewonnen.
Beschouwt de demissionaire regering Rwanda nog altijd als een land waar verdachten aan uitgeleverd kunnen worden om een eerlijk proces te ondergaan? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Het kabinet ziet in dit artikel geen reden om tot een ander beleid met betrekking tot uitlevering naar Rwanda te komen. De mensenrechtensituatie in Rwanda is sinds de uitlevering van twee verdachten in 2016 niet significant veranderd. Nadat eerder al het Rwandatribunaal en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hadden geoordeeld dat uitlevering van genocideverdachten aan Rwanda niet in strijd is met de mensenrechten heeft het VN Anti-Foltercomité in 2019 twee klachten over uitlevering aan Rwanda ongegrond verklaard.2 Dit oordeel van het Comité ondersteunt de conclusie dat de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda niet dusdanig zorgelijk is dat het uitleveren van genocideverdachten per definitie niet verantwoord is.
Het kabinet hecht grote waarde aan het tegengaan van straffeloosheid en het voorkomen dat Nederland een toevluchtsoord wordt voor genocideplegers. Sinds jaar en dag hanteert Nederland het uitgangspunt dat de opsporing en vervolging van internationale misdrijven zoveel mogelijk plaatsvindt in het land waar de misdrijven zijn gepleegd. Dit heeft een aantal praktische en maatschappelijke redenen: zo bevindt zich daar doorgaans het meeste bewijs en zijn de procesdeelnemers ingevoerd in de taal, de cultuur en de achtergronden van de gebeurtenissen. Daarnaast bevinden zich daar over het algemeen ook de meeste slachtoffers en getuigen. Door deze misdrijven aldaar te vervolgen kunnen slachtoffers, nabestaanden en getuigen met eigen ogen zien dat en hoe er recht wordt gedaan. Door te kijken of verdachten van deze misdrijven uitgeleverd kunnen worden komt Nederland verdrags- en mensenrechtelijke verplichtingen na die van wezenlijk belang zijn voor de handhaving en het bestaan van de internationale rechtsorde.
Hoe waardeert u de beschouwingen van internationale ngo’s zoals Ibrahim Index of African Governance, Freedom House, Amnesty International en Human Rights Watch die allen kritisch zijn op de situatie met betrekking tot mensenrechten en justitie in Rwanda?
Nederland volgt de mensenrechtensituatie en rechtsstaat in Rwanda op de voet, onder meer via onze ambassade. We vormen daarover een oordeel op basis van verschillende bronnen. Daarbij worden beschouwingen van betrouwbare internationale ngo’s, zoals van de organisaties die hierboven genoemd zijn, meegewogen. Behalve kritische beschouwingen verschijnen er ook rapporten die positief zijn over Rwanda, zoals het rapport van maart jl. van The World Justice Project. Al deze verschillende beschouwingen tezamen helpen bij de eigen oordeelsvorming.
Het kabinet deelt een deel van de zorgen van de genoemde organisaties als het gaat om de mensenrechtensituatie en rechtsstaat in Rwanda. Er wordt regelmatig met de Rwandese autoriteiten in gesprek gegaan over onze zorgpunten. Zo vroeg de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken in een gesprek met zijn Rwandese collega Biruta in september 2020 aandacht voor het belang van mensenrechten, onder andere door te wijzen op het belang van een open en eerlijk proces in een in Rwanda lopende rechtszaak. Maar dit gebeurt ook publiekelijk, zoals op 25 januari jl. tijdens de Universal Periodic Review van de VN Mensenrechtenraad. Nederland sprak toen onder meer zijn zorgen uit over berichten over gedwongen verdwijningen waar niet altijd door de Rwandese autoriteiten op wordt gereageerd en riep Rwanda op om zich aan te sluiten bij het internationale VN-verdrag tegen gedwongen verdwijningen.
Daarnaast draagt Nederland sinds het einde van de genocide in 1994 bij aan de promotie en bescherming van de mensenrechten en de opbouw en versterking van de rechtsstaat in Rwanda. Zo draagt Nederland al 25 jaar bij aan de versterking van de justitieketen en de verbetering van de toegang tot justitie. Van 1 t/m 3 juni organiseert Nederland samen met het Rwandese Ministerie van Justitie een conferentie in Kigali ter gelegenheid van 25 jaar justitiesamenwerking. Daar zullen we gezamenlijk stilstaan bij de behaalde successen van de samenwerking maar ook bij de uitdagingen die Rwanda nog voor zich heeft liggen. Onze ambassade in Kigali heeft een eigen mensenrechtenfonds waarmee het projecten en initiatieven op het terrein van mensenrechten ondersteunt.
Hoe beoordeelt u de monitoring van het proces van de twee Rwandese verdachten die in 2016 zijn uitgeleverd aan Rwanda? Is er volgens u nog altijd sprake van een eerlijk proces?2
Het kabinet heeft er op basis van de thans beschikbare informatie vertrouwen in dat de verdachten een behoorlijk strafproces krijgen.
De vervolging en berechting van uitgeleverde genocideverdachten aan Rwanda vindt plaats onder de zogenoemde «Transfer Law». Dit betekent dat zij onder internationale wetgeving worden vervolgd en berecht en dat het proces kan worden getoetst aan artikelen 3 (verbod op foltering) en 6 (recht op een eerlijk proces) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (afgekort EVRM). Op advies van de rechtbank en in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden de processen van deze twee verdachten gemonitord door de non-gouvernementele organisatie de International Commission of Jurists (ICJ). Het doel van deze monitoring is om informatie te vergaren over de Rwandese gerechtelijke procedures en de naleving van het recht van de verdachten op een eerlijk proces. De rapportages die ICJ opstelt zijn openbaar beschikbaar via de website van de rijksoverheid.4 Het meest recente rapport ziet toe op de periode december 2020–februari 2021. Uit de monitoringsrapporten is mij niet gebleken van schendingen van het recht op een eerlijk proces, noch van problemen die niet binnen het Rwandese strafrechtsysteem kunnen worden opgelost.
Naast ICJ houdt ook de Nederlandse Ambassade in Kigali een vinger aan de pols. Rwanda is zich bewust van het belang dat Nederland eraan hecht dat de processen aan de internationale standaarden voldoen. Dat aan die internationale standaarden wordt voldaan is overigens ook in het belang van Rwanda zelf omdat deze zaken een belangrijk precedent kunnen vormen voor toekomstige uitleveringen en de toelaatbaarheid daarvan.
Zijn er sinds de uitlevering van de twee bovenstaande verdachten nog meer verdachten uitgeleverd aan Rwanda en worden die gemonitord? Zo ja, hoe beoordeelt u het proces in die zaken?
De twee uitleveringen uit 2016 zijn tot dit moment de laatste uitleveringen door Nederland aan Rwanda geweest. Wel heeft de rechtbank in 20195 en 2021 de uitlevering van twee andere verdachten aan Rwanda toelaatbaar verklaard en mij geadviseerd de procedures in Rwanda te laten monitoren. Dit advies van de rechtbank heb ik overgenomen in mijn besluit de uitlevering van een van deze verdachten toe te staan. De verdachte heeft daarop een kortgedingprocedure aangespannen. De rechtbank heeft zijn vorderingen afgelopen december 2020 afgewezen waarna het gerechtshof dat vonnis op 4 mei jl. heeft bekrachtigd. De beslissing van de rechtbank tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de andere verdachte is nog niet onherroepelijk, zodat ik over die uitlevering nog geen besluit heb genomen.
Voor een overzicht van de lopende procedures met betrekking tot internationale misdrijven verwijs ik u naar de jaarlijkse rapportagebrief internationale misdrijven.6
Zijn er sinds 2016 asielzoekers geweigerd op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en uitgezet naar Rwanda? Zo ja, heeft u vertrouwen in een eerlijk proces mocht Rwanda daartoe over gaan?
Er zijn sinds 2016 geen 1F-tegenwerpingen gedaan in asielaanvragen van Rwandese vreemdelingen. Ook heeft in deze periode geen (gedwongen) vertrek plaatsgevonden naar Rwanda van personen aan wie artikel 1F is tegengeworpen. Zoals hiervoor is vermeld werden in 2016 wel twee Rwandezen uitgeleverd aan Rwanda. Hun strafzaken in Rwanda lopen momenteel. Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven worden hun processen gemonitord door ICJ. Op basis van de beschikbare informatie heeft het kabinet er vertrouwen in dat zij een behoorlijk strafproces krijgen.
Ik wijs er in dit kader nog op dat in 2008 is besloten alle in het verleden door de IND in behandeling genomen aanvragen, asiel en regulier, van Rwandese vreemdelingen waarin geen 1F-onderzoek had plaatsgevonden, alsnog te screenen op mogelijke 1F-indicaties. Aanleiding hiervoor was dat er in de periode na 1994 meer gedetailleerde informatie beschikbaar was gekomen over de Rwandese genocide en mogelijke daders – onder meer uit ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, rapportages van mensenrechtenorganisaties en strafprocedures gevoerd voor het Rwandatribunaal in Arusha. Over de voortgang in deze zaken wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd in de volgende rapportagebrief Internationale Misdrijven.
Is de demissionaire regering voornemens om op basis van dit artikel tot een ander beleid met betrekking tot uitleveringen en uitzettingen naar Rwanda te komen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet ziet in dit artikel geen reden om tot ander beleid te komen.
Voor wat betreft het beleid ten aanzien van uitlevering verwijs ik u naar mijn reactie op vraag 3.
Voor wat betreft gedwongen vertrek naar Rwanda geldt dat als een in Nederland verblijvende vreemdeling aanvoert dat hij of zij gevaar loopt, de IND het risico op een schending van artikel 3 EVRM in een asielaanvraag zal beoordelen en daarbij de dan bekende informatie uit diverse (internationale) bronnen over Rwanda betrekt. Voor Rwanda geldt geen specifiek landgebonden asielbeleid, dit is mede ingegeven door de zeer lage asielinstroom uit dat land (ongeveer vijf eerste asielaanvragen per jaar in 2019 en 2020. De informatie uit het artikel geeft geen aanleiding aanpassingen te doen in het algemene beleid voor asielaanvragen, noch specifiek landgebonden beleid op te stellen voor asielzoekers afkomstig uit Rwanda.
Hebt u de Turkse autoriteiten om opheldering gevraagd over het feit dat de monnik Sefer Aho Biliçen veroordeeld is tot 25 maanden gevangenisstraf omdat hij vanuit zijn christelijke plicht twee Koerdische bezoekers eten en drinken heeft gegeven, zonder geweten te hebben dat hier om leden van de PKK ging? Zo nee, waarom niet? Veroordeelt u de vervolging van Sefer Aho Biliçen vanwege dit feit? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade volgt net als enkele andere gelijkgestemde landen de ontwikkelingen in deze kwestie op de voet. In algemene zin dringt Nederland zowel bilateraal als in multilateraal verband er bij Turkije op aan om de rechtsstaat en de mensenrechten te respecteren, waaronder een eerlijke rechtsgang. Er loopt momenteel een hoger beroep procedure bij de Turkse rechter.
Bent u overigens van mening dat de rechtspraak in Turkije onafhankelijk is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Nederland heeft grote zorgen over de mensenrechten en de rechtsstaat in Turkije en stelt deze zorgen consequent aan de orde. De Europese Commissie constateerde in het laatste voortgangsrapport opnieuw dat Turkije zich verder is blijven verwijderen van de Europese Unie, met serieuze achteruitgang op het gebied van democratie, rechtsstaat, fundamentele rechten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ook in EU-verband worden deze zorgen consistent aangekaart.
Bent u ook op de hoogte van het feit dat de laatste christelijke bewoners van een dorp in Zuid-Oost Turkije op 11 januari 2020 verdwenen zijn, van wie één later dood is teruggevonden?1
Ja. Het onderzoek van de Turkse autoriteiten naar de toedracht hiervan duurt nog voort.
Hoe verhouden deze incidenten zich volgens u tot de algemene houding en optreden van de Turkse autoriteiten ten opzichte van de laatste restanten van de christelijke bevolking in het gebied?
De Europese Commissie constateert in haar laatste landenrapport over Turkije (2020) dat vrijheid van religie en levensovertuiging in het algemeen wordt gerespecteerd in Turkije, maar wijst op specifieke problemen en incidenten. Als voorbeelden noemt de Commissie de moord op een buitenlandse protestantse pastor in november 2019, de uitzetting van enkele tientallen buitenlandse protestanten uit Turkije, langlopende claims rondom de teruggave van land aan de Syrisch-Orthodoxe gemeenschap en het ontbreken van een rechtspersoonlijke titel voor bepaalde religieuze gemeenschappen. Het kabinet onderschrijft deze constatering van de Commissie en de suggestie om de aanbevelingen van de Venetië-Commissie aan Turkije uit 2010 ten aanzien van religieuze minderheden uit te voeren.
Bovendien heeft Nederland ook in Turkije aandacht voor religieuze minderheden, waaronder christenen, onder andere in de vorm van mensenrechtenprojecten met religieuze gemeenschappen. Ook hebben de Nederlandse ambassade in Ankara en het Nederlandse Consulaat-Generaal in Istanbul met regelmaat contact met de vertegenwoordigers van de diverse religieuze gemeenschappen, inclusief vertegenwoordigers van christelijke gemeenschappen in Zuidoost-Turkije.
Kunt u deze incidenten ook duiden in het licht van de stijging van Turkije op de ranglijst christenvervolging naar de 25e plaats, de hoogste notering in de afgelopen vijf jaar?2 Welke gevolgtrekkingen voor uw beleid ten aanzien van Turkije maakt u hieruit?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat religieuze minderheden in Turkije dezelfde rechten hebben als andere Turken, of dat hun rechten voldoende beschermd worden? Zo nee, spreekt u de Turkse overheid hierop aan?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u resultaten gezien van alle keren dat u, uw EU-collega’s of de EU zelf Turkije op deze situatie en dergelijke schendingen hebben aangesproken? Zo ja, heeft u aanwijzingen dat de situatie voor religieuze minderheden zoals de Aramese christenen structureel verbeterd is? Zo ja, welke aanwijzingen heeft u daarvoor?
Enkele concrete resultaten zijn gedeeltelijke teruggave van landerijen van het Mor Gabrielklooster in Tur Abdin in juni 2018 en de bouw van een nieuwe Syrisch-Orthodoxe kerk in Istanbul, waarvan de eerste steen in augustus 2019 door president Erdogan is gelegd.
Dat neemt niet weg dat er nog veel ruimte is voor verbetering, zoals door de Europese Commissie wordt geconstateerd en door het kabinet wordt onderschreven (zie antwoord op vraag 5 en 6).
Indien u geen of onvoldoende resultaat heeft gezien, overweegt u een andere omgang of verhouding met Turkije? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Nederland zal het belang van voortgang op het terrein van mensenrechten en de rechtsstaat in Turkije, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging, blijven benadrukken.
Wat betekent de vervolging van de monnik voor de kennelijke toenaderingspogingen van de Turkse regering tot de Europese Unie?
Er is sinds kort inderdaad sprake van enige toenadering tussen de Europese Unie en Turkije. De leden van de Europese Raad (ER) concludeerden in maart jl. dat, mits de huidige de-escalatie in de Oostelijke Middellandse Zee wordt voortgezet en Turkije zich constructief opstelt, de Europese Unie bereid is om de samenwerking met Turkije op een aantal gebieden van gemeenschappelijk belang op een gefaseerde, proportionele en omkeerbare wijze te intensiveren en verdere besluiten te nemen tijdens de bijeenkomst van de ER in juni. Mede op aandringen van Nederland stelden de leden van de ER dat de rechtsstaat en de grondrechten in Turkije een grote bron van zorg zijn. De leden van de ER concludeerden dat een dialoog over deze kwesties een integraal onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en Turkije blijft.
In algemene zin geldt dat Nederland verbeteringen op het terrein van de rechtsstaat en de mensenrechten, inclusief de vrijheid van religie en levensovertuiging, als integraal onderdeel van EU-Turkijerelatie beschouwt.
Op grond waarvan zou toenadering volgens u plaats kunnen vinden? Is daar nu volgens u grond voor? Kunt u uw antwoord toelichten? Acht u toenadering in het licht van deze ontwikkelingen wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u het ermee eens dat voor een werkelijke normalisering van de betrekkingen met Turkije een van de voorwaarden is dat het beleid om christenen te marginaliseren en onderdrukken tot een einde zal moeten zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid bij uw Europese collega’s aan te dringen op het beëindigen van de uitbetaling van de toetredingssteun aan Turkije? Zo nee, waarom niet? Welke redenen geven andere EU-lidstaten om dit niet te doen?
Nederland pleit conform de motie van de leden Roemer en Segers (Kamerstuk 32 824 en 29 279, nr. 158) in Europees kader reeds geruime tijd voor de opschorting van pretoetredingssteun aan Turkije en zal dit blijven doen. Hiervoor is echter geen steun binnen de Raad. Een groot aantal lidstaten vreest dat het opschorten van deze steun de gematigde krachten in Turkije verder onder druk zal zetten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Deze vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Het bericht dat Iran is verkozen tot lid van een VN-vrouwenrechtencommissie |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat Iran, waar vrouwenrechten zo’n beetje non-existent zijn, tijdens een vergadering van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) is verkozen als lid van een VN-vrouwenrechtencommissie?1
Ja, het klopt dat Iran is verkozen als lid van de Commission on the Status of Women (CSW), een VN-commissie waar telkens 45 VN-lidstaten lid van zijn.
Kunt u bevestigen dat meerdere EU-landen hebben ingestemd met het toelaten van het islamofascistische Iran voor een periode van vier jaar? Welke landen waren dat?
Omdat de stemmingen geheim waren, is niet bekend hoe de ECOSOC-leden hebben gestemd. Wel is bekend dat 43 van de 53 tijdens de stemming aanwezige ECOSOC-leden voor de kandidatuur van Iran hebben gestemd. Er zitten momenteel 13 landen van Western European & Others Group (WEOG) in de ECOSOC, waarvan 7 EU-lidstaten, waaronder Nederland.
Heeft Nederland tegen de toelating gestemd en heeft Nederland zich bij andere landen en de VN verzet tegen het toelaten van Iran? Zo nee, waarom niet?
Nederland doet in het openbaar geen uitspraken over stemgedrag bij geheime stemmingen, omdat landen moeten kunnen rekenen op de vertrouwelijkheid van de door hun uitgebrachte stem en Nederland de afspraken daarover niet eenzijdig kan schenden. Bij het bepalen van de Nederlandse stempositie weegt de mensenrechtensituatie in een land altijd sterk mee, zo ook in dit geval. Zie verder de vertrouwelijke bijlage2 die is meegestuurd met deze antwoorden.
Erkent u dat dit krankzinnige besluit een mokerslag is in het gezicht is van de Iraanse vrouwen die zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor meer vrouwenrechten?
Nederland is kritisch op het trackrecord van Iran wat betreft vrouwenrechten. De Nederlandse zorgen over vrouwenrechten in Iran zijn welbekend, en Nederland deelt deze zorgen met regelmaat zowel publiekelijk als in bilaterale gesprekken met Iran.
Is het toelaten van Iran ook een «zakelijke afweging» zoals uw collega de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking eerder het dragen van een hoofddoek verdedigde?
Nee.
Bent u bereid formeel en publiekelijk fel protest aan te tekenen tegen de Iraanse deelname aan de VN-vrouwenrechtencommissie?
Zie antwoord op vraag 4. Protest aantekenen zal geen effect hebben omdat Iran werd gekozen via de daarvoor geldende procedure.
Bent u bereid de eventuele Nederlandse medewerking en financiering van deze zinloze en ongeloofwaardige VN-commissie per direct stop te zetten?
De Commission on the Status of Women (CSW) speelt een belangrijke rol bij het bevorderen van de rechten van vrouwen en meisjes, het documenteren van de realiteit van hun leven en het vormgeven van wereldwijde normen voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen en meisjes. Naast lidstaten, dragen ook maatschappelijke organisaties en met name vrouwenrechtenorganisaties bij aan de kracht van deze commissie om vrouwenrechtenschendingen wereldwijd aan het licht te brengen. NL draagt via UN Women indirect financieel bij aan de CSW, maar ziet o.b.v. voornoemde verkiezing geen aanleiding om deze financiering aan te passen.
Etikettering van producten uit illegale nederzettingen in bezet Palestijns gebied |
|
Jasper van Dijk |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Boete voor onjuist etiket Israëlische wijnen»?1 Klopt het dat het Israël Producten Centrum te Nijkerk een boete heeft gekregen van 2.100 euro omdat etiketten op wijnflessen uit bezet Palestijns gebied niet kloppen?
Ja en dat klopt.
Wat vindt u van de hoogte van de boete? Is die voldoende om herhaling te voorkomen?
De hoogte van de boete vloeit voort uit vier bewezen beboetbare feiten. Dit zijn overtredingen van artikel 2, lid 6, van Warenwetbesluit Informatie Levensmiddelen in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a, van Verordening (EU) 1169/2011. De hoogte van de boete bij overtreding van voornoemd voorschrift is vastgesteld in het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. In dit geval is viermaal overtreding van het betreffende voorschrift geconstateerd. Voor ieder van die overtredingen is een boete opgelegd. Deze boetes zijn opgeteld om het totaalbedrag van de boete te berekenen. Bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen boete is er rekening mee gehouden dat de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie de overtreding kan worden toegerekend op de dag van de overtreding, niet meer dan vijftig werknemers telde. Het is aan het Israël Producten Centrum om in het vervolg ervoor te zorgen dat de herkomstduiding van hun producten aan de wettelijke eisen voldoet.
Hoe gaat erop toegezien worden dat etiketten daadwerkelijk aangepast worden zodat duidelijk wordt dat de producten uit bezet Palestijns gebied komen?
De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van de regelgeving voor etikettering van levensmiddelen. Zij doet dit conform het staande interventiebeleid. Consumenten kunnen, indien zij vermoeden dat er sprake is van misleiding over de herkomst van een product, een klacht indienen bij de NVWA. Wanneer geconstateerd wordt dat er sprake is van onjuiste informatie op etiketten, wordt er gehandhaafd en kunnen sancties worden toegepast – bijvoorbeeld door middel van een boete.
Het kabinet is van mening dat dit interventiebeleid op een objectieve manier moet worden toegepast, om de onafhankelijkheid van de handhaving te kunnen blijven garanderen.
Kunt u aangeven of importheffing over deze producten is betaald aangezien ze niet uit Israël afkomstig zijn en daarom in het associatieakkoord vastgestelde handelsvoordelen niet van toepassing zijn?
De Douane kan vanwege haar geheimhoudingsplicht op basis van EU-douanewetgeving geen informatie verstrekken over individuele aangiften (zie artikel 12 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie).
Op grond van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël kunnen producten uit Israël, binnen de grenzen van 1967, in aanmerking komen voor een preferentiële tariefbehandeling. Producten die zijn geproduceerd in Israëlische nederzettingen in de sinds juni 1967 door Israël bezette gebieden komen hiervoor niet in aanmerking. Importeurs die een tariefpreferentie claimen, moeten de postcode en de naam van de stad, het dorp of het industriegebied waaraan de producten hun oorsprong ontlenen vermelden op het vereiste oorsprongsbewijs. Douaneautoriteiten van de EU-lidstaten voeren controles uit, en maken daarbij gebruik van beschikbare informatie, inclusief een lijst met postcodes zoals gepubliceerd door de Europese Commissie. Bij twijfel over de oorsprong van een product waarvoor een tariefpreferentie wordt geclaimd, kunnen zij overeenkomstig art. 32 van Protocol 4 uit het Associatieakkoord om verificatie van de informatie vragen.
Wanneer een importeur geen beroep doet op preferentiële tariefbehandeling, zijn de invoerrechten van toepassing die door de EU voor derde landen zijn vastgesteld binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Hoe wordt er vanuit Nederland en de EU op toegezien dat importheffing plaatsvindt voor producten uit illegale nederzettingen?
Zie antwoord vraag 4.
Ligt het niet voor de hand, aangezien het maken van onderscheid in de praktijk moeilijk is, dat handel uit illegale nederzettingen aan banden wordt gelegd?
Het kabinet is, in lijn met de EU-positie, geen voorstander van een importverbod van goederen uit nederzettingen of maatregelen die leiden tot een boycot van deze goederen.
Kunt u aangeven hoeveel Nederland en hoeveel de EU jaarlijks (ongeveer) importeren uit illegale nederzettingen in bezet Palestijns gebied?
Zowel het kabinet als de Europese Commissie beschikken niet over cijfers die de handel met illegale Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied kwantificeren. Ook zijn er geen gegevens waaruit blijkt waar de handel met nederzettingen uit bestaat.
Exportkredietverzekeringen voor omstreden gasproject in Mozambique |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «De verborgen oorlog in Mozambique»1 en «Nederland blijft zinnen op rol in gasproject in door geweld geplaagd Mozambique»2?
Ja.
Hoe duidt u de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot de escalatie van geweld en zware mensenrechtenschendingen in Cabo Delgado, als aanvulling op de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juli 20203 en op het antwoord van de Staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2021 op vragen van het lid Van den Nieuwenhuijzen over de gaswinning en het escalerende geweld in Noord-Mozambique4? Hoe duidt u berichten over buitenlandse militaire betrokkenheid in het gebied?
Nederland maakt zich ernstig zorgen over de berichten over grootschalige mensenrechtenschendingen in Cabo Delgado en spreekt zich daarover uit zowel richting de Mozambikaanse autoriteiten alsmede binnen de EU. Ook de EU heeft deze zorgen overgebracht in gesprekken met de Mozambikaanse autoriteiten.
De communicatie van de Mozambikaanse overheid over de gebeurtenissen in Cabo Delgado en de activiteiten van de autoriteiten zijn niet altijd helder. De Mozambikaanse overheid blijkt onvoldoende in staat de aanslagen te voorkomen. Het Mozambikaanse leger en de nationale politie zijn aanwezig in de provincie maar zijn onvoldoende geëquipeerd duurzaam orde te handhaven in het omvangrijke en afgelegen gebied. Het is belangrijk dat de overheid de grondoorzaken van conflict adresseert, omdat de onvrede en het geweld deels lijken voort te komen uit de grote armoede en ongelijkheid onder de bevolking.
Voor wat betreft de buitenlandse militaire betrokkenheid in het gebied zijn er berichten dat de Mozambikaanse overheid in 2019, met zowel materieel als personeel, werd gesteund door de Russische Wagner Group. In 2020 wordt gerapporteerd over de aanwezigheid van de Van Dyck Advisory Group (DAG), een Zuid-Afrikaans veiligheidsbedrijf. Inmiddels lijkt het contract tussen de Mozambikaanse overheid en DAG niet verlengd.
Bent u bekend met het bericht «Frelimo gambled everything on gas – and lost»5? Onderschrijft u de conclusie van dit artikel dat de gasprojecten van Total en ExxonMobil in de provincie Cabo Delgado voorlopig niet van de grond zullen komen? Welke consequenties voorziet u voor betrokken Nederlandse bedrijven en financiers?
Ik ben bekend met het bericht. De ontwikkel- en bouwtijd van complexe projecten vergen vele jaren. Het doel van de Mozambikaanse overheid bij de ontwikkeling en exploitatie van de gasvondsten was dat dit een grote kans zou bieden voor de ontwikkeling van de economie van het land en op termijn een aanzienlijke inkomstenbron zou worden voor de overheidsbegroting. Dit werd ook onderschreven door verschillende internationale organisaties, waaronder het IMF en de Wereldbank. Op dit moment zijn de gevolgen van de recente ontwikkelingen van de geweldsconflicten op de continuïteit van het project onduidelijk. Daarom is het niet mogelijk vast te stellen wat de consequenties voor de betrokken Nederlandse bedrijven zijn. Het kabinet volgt de situatie nauwlettend.
Hoe schat u de veiligheids-, mensenrechten-, sociale- en milieurisico’s in, nu buitenlandse bedrijven, zoals Total, specifiek worden getarget door de gewapende groepen? Kunt u in de beantwoording van deze vraag de risico’s specificeren voor lokale bevolking, lokale overheid, lokale werknemers van aannemers in de gasontwikkeling, buitenlandse arbeiders in het gebied, en expats?
Door de gewelddadige aanvallen staat de veiligheids- en mensenrechtensituatie in de gehele regio onder druk hetgeen grote risico’s met zich meebrengt voor alle groepen inwoners in Cabo Delgado en alle typen werknemers betrokken bij het LNG project.
Wat doet Nederland, bijvoorbeeld via de ambassade in Maputo, om de Mozambikaanse burgers, in het bijzonder vrouwen die door het geweld of de mensenrechtenschendingen in het gasproject slachtoffer zijn geworden, te helpen? Wat doet Nederland om de vermisten te vinden?
De gewelddadige aanvallen op de stad Palma hebben zeer negatieve gevolgen, vooral ook voor vrouwen en meisjes. Ze zijn met name kwetsbaar voor seksueel geweld en vormen de meerderheid in de vluchtelingenstromen. Het aantal ongeplande zwangerschappen en kindhuwelijken stijgt. Met Nederlandse steun biedt UNFPA hulp aan slachtoffers van geweld. Dit houdt bijvoorbeeld in het verlenen van mentale en psychosociale hulp en het verstrekken van kits met hygiënische artikelen voor vrouwen.
Bent u ermee bekend dat Shell een sale and purchase overeenkomst met Mozambique LNG heeft ondertekend om 2 MTPA (million tonnes per annum) gas te kopen?6 Is dit gas voor de import naar Nederland of ergens anders in Europa? Zo nee, waar zal dit gas worden gebruikt?
Ja, daar ben ik mee bekend. Shell is een van de leidende LNG traders in de wereld en levert LNG in tientallen landen met grootste afzet in China en Japan. Wat de specifieke bestemming van de LNG uit Mozambique zal zijn is mij niet bekend.
Hoeveel aanvragen voor een exportkredietverzekering en/of -garantie in relatie tot gasprojecten in noord-Mozambique zijn bij Atradius DSB in behandeling? Klopt het dat Van Oord de aanvrager is van een exportkredietverzekering? Om welke bedrijven gaat het nog meer?
Er is een exporteurspolis verstrekt aan de Nederlandse exporteur Van Oord voor de offshore aannemerijwerkzaamheden aan het project. In het kader van die transactie is ook een financieringspolis verstrekt aan Standard Chartered Bank voor de verzekering van de projectfinanciering van het Nederlandse exportgedeelte van het project, plus een gedeelte lokale kosten. Naast dit project is er kredietverzekering verstrekt aan Damen voor een ponton dat (onder meer) ingezet zal worden bij de gasprojecten in Mozambique. Op dit moment zijn er verder geen aanvragen in behandeling.
Hoe zit de exportkredietverzekering of -garantie financieel in elkaar? Klopt het dat de verzekering zal bestaan uit het garanderen van leningen van vijf commerciële banken, te weten Mizuho Bank, Sumitomo Mitsui Banking Corporation, Standard Chartered Bank, Société Générale en Crédit Agricole Group?
Zie het antwoord op vraag 7. De andere eventueel betrokken partijen zijn niet verzekerd door Nederland. Wij kunnen u hierover dus geen informatie verstrekken voor zover niet reeds openbaar.
Wat is de status van de verzekeringsaanvragen? Heeft de Nederlandse staat dekkingstoezeggingen afgegeven aan Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij on- of ofshore gasprojecten in de provincie Cabo Delgado?
Inmiddels zijn, per 25 en 26 maart, als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren, de daadwerkelijke verzekeringspolissen verstrekt. Dit is inmiddels gepubliceerd, op de website van Atradius DSB.7 De dekkingstoezeggingen zijn indertijd op 1 juli 2020 uitgereikt. Zie de beantwoording van vraag 7 om welke bedrijven dit gaat.
Klopt het dat er wel een dekkingstoezegging is gedaan, maar nog geen polis is uitgereikt? Kunt u toelichten wanneer u verwacht een beslissing te nemen over de polis(sen) en op basis waarvan deze beslissing wordt genomen? Worden bovenstaande ontwikkelingen hierin meegenomen?
Nee dat klopt niet, de polissen zijn eind maart verstrekt. Zie ook het antwoord op vraag 9: de uitgereikte dekkingstoezeggingen van 1 juli jl. zijn omgezet in polissen als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren. ADSB/de Staat raakten pas later op de hoogte van de ernst en de omvang van de ontwikkelingen.
Klopt het dat Nederlandse bedrijven werkzaamheden ten behoeve van de gasprojecten in Cabo Delgado hebben opgeschort?7 Kunnen deze bedrijven in deze omstandigheden vanwege de opgelopen schade een beroep doen op dekkingstoezeggingen krachtens de exportkredietverzekering? Welke mogelijkheden heeft de exportkredietverzekering om dergelijke schade te verhalen op de overheid van Mozambique?
Ja, projectleider Total heeft recent «force majeure» uitgeroepen over de uitvoeringswerkzaamheden aan het project. De werkzaamheden aan het project zijn voorlopig gestaakt en de aannemers gedemobiliseerd. Demobilisering is een mogelijke schadepost die gedekt wordt onder de exporteurspolis. Of er daadwerkelijk sprake is van demobilisatieschade is nog onbekend. De Nederlandse overheid kan dit niet verhalen op de regering van Mozambique. De overheid van Mozambique is geen mogelijke regrespartij onder deze exporteurspolis, ook staat de Mozambikaanse overheid niet garant voor de regrespartij. Verder wil het kabinet benadrukken dat de exportkredietverzekering een budgetneutraal instrument is dat bekostigd wordt (inclusief eventuele schades) uit de premiebetalingen door verzekerden.
Hoe is het mogelijk dat Total in juli 2020 communiceerde dat Atradius DSB ondersteuning biedt aan het Mozambique LNG project8, dat de Staatssecretaris van Financiën in november 2020 tijdens een debat zei dat was besloten het project te dekken en toe te staan9, maar het Ministerie van Financiën afgelopen week tegen NRC zei dat het besluit om deel te nemen aan de projectfinanciering nog niet is gemaakt?
De strekking van de communicatie door het Ministerie van Financiën in het artikel in NRC heeft wellicht voor wat verwarring gezorgd. Mijn opmerkingen in het debat van november 2020 zijn correct: indertijd was reeds besloten, zoals toegelicht in vraag 9, een dekkingstoezegging te verlenen. De uitgereikte dekkingstoezeggingen van 1 juli jl. zijn vervolgens omgezet in polissen als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren, zie het antwoord op vraag 10. De NRC citeert een woordvoerder van het Ministerie van Financiën. De intentie hierbij was niet te stellen dat er nog een besluit moest worden genomen over dekking van het project, maar dat nog niet duidelijk was of de ontstane situatie gevolgen moest hebben voor het genomen besluit. De verzekeringspolissen waren op dat moment namelijk al verstrekt. Deze informatie was op dat moment overigens nog niet gepubliceerd op de website. Conform beleid gebeurt dit altijd met enige vertraging.
Bent u het ermee eens dat dit de gang van zaken voor de Kamer en externe partijen zoals ngo's minder navolgbaar maakt?
Ja.
Bent u bereid vanaf heden op de website van Atradius DSB voor elk categorie A-project ex-ante aan te geven wat de status is van de aanvraag?
Dit is reeds de praktijk. Alle aanvragen voor categorie A-projecten worden op voorhand gepubliceerd op de website van Atradius DSB. Wanneer vervolgens een polis daadwerkelijk wordt afgegeven wordt de polisafgifte ook gepubliceerd. Deze publicatie vindt standaard plaats 30 dagen11 na afgifte van de polis.
In hoeverre heeft Atradius DSB een gedegen analyse gemaakt van het risico van geweld in Cabo Delgado en wat is u daarover medegedeeld? Vormt de gemaakte analyse een voldoende basis waarop een beslissing over de polis kan worden genomen? Zijn gezien de dramatische recente ontwikkelingen de gemaakte analyses achterhaald en overweegt u nieuwe analyses te laten maken?
In het kader van de mvo-beoordeling in het verzekeringsacceptatieproces heeft Atradius DSB een analyse gemaakt van het geweldsrisico. Deze analyse was één van de elementen op basis waarvan de beslissing over de polis is genomen. Bij de analyse is gebruikt gemaakt van verschillende bronnen, waaronder de analyses van het projectconsortium zelf, onafhankelijke onderzoeken, contacten met lokale en internationale ngo’s en informatie van de Nederlandse ambassade. Er is inmiddels sprake van een ernstige veiligheidssituatie waardoor Total force majeure heeft uitgeroepen. Hiermee is het project tot nader orde de facto stilgelegd. Voor een eventuele herstart van het project zal uiteraard een nieuwe veiligheidsanalyse moeten worden opgemaakt.
Op welke gronden kunt u de polis afwijzen? Kunt u voor elk van deze gronden aangeven hoe u daar naar kijkt?
De polissen zijn reeds uitgegeven, hierdoor is het afwijzen van polissen niet meer aan de orde. Het is echter in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk om een polis op te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een verzekerde in gebreke is of wanneer er aantoonbaar sprake is van fraude. Gelet op de recente ontwikkelingen in Mozambique, volgen de Staat en Atradius DSB de situatie nauwgezet en zullen op passende wijze handelen binnen de voorwaarden van de polissen.
Heeft u onderzocht op welke gronden kan worden afgezien van het verstrekken van exportkredietsteun, ondanks een eventuele dekkingstoezegging, gezien de escalatie van geweld en zware mensenrechtenschendingen gelinkt aan het gasproject? Tot welke bevindingen komt u?
ADSB zal in lijn met het mvo-beleid voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 26 485, nr. 255) invloed uitoefenen om het project te laten voldoen aan de internationaal afgesproken mvo-voorwaarden. Voor een eventuele herstart van het project zal een nieuwe veiligheidsanalyse worden gemaakt.
Ontstaat er een schadepost nu het project, in ieder geval tijdelijk, stil ligt? Zo ja, hoe groot is de schade (ongeveer)? En op wie gaat u die schade verhalen? Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat de schade betaald wordt door de belastingbetaler in Mozambique?
Of er een schadepost ontstaat onder de verstrekte ekv-polissen en hoe groot deze eventueel zal zijn en op wie deze eventueel verhaald kan worden is op dit moment nog niet te zeggen. De situatie en de gevolgen hiervan zijn daarvoor op dit moment nog te onduidelijk. Desalniettemin zal de Nederlandse staat eventuele schade niet verhalen op de Mozambikaanse overheid dan wel op de Mozambikaanse belastingbetaler. De Mozambikaanse overheid is immers geen regrespartij in de betreffende verzekeringspolissen. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u de klimaatimpact van de gasprojecten in Mozambique in kaart gebracht en onderzocht in hoeverre investeringen in de gasvelden in Mozambique verenigbaar zijn met de klimaatafspraken die zijn gemaakt in Klimaatakkoord van Parijs, en specifiek het doel om financiële stromen compatibel te maken met de transitie naar koolstofarme en klimaatweerbare ontwikkeling (artikel 2.1.c.)? Heeft u de risico’s dat deze investeringen zich niet uitbetalen en stranded assets worden in kaart gebracht? En zijn de mogelijkheden voor en voordelen van investeringen in hernieuwbare energiebronnen in Mozambique voor ontwikkeling op de lange termijn in kaart gebracht?
De projectaanvraag is beoordeeld op lokale wet- en regelgeving en internationale standaarden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, in dit geval de OECD Common Approaches en de IFC Performance Standards. Daarbij is in het kader van IFC Performance Standard 3 door Atradius DSB gekeken naar het efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het voorkomen van verontreiniging. Om meer inzicht te krijgen in hoeverre het project bijdraagt aan vermindering van CO2 emissies is er in opdracht van de projectfinanciers een «Carbon Emission Benchmarking» studie gedaan in maart 2020. Hierbij is het Sustainable Development Scenario van het IEA als uitgangspunt genomen. De studie laat zien dat vergelijking van het gebruik van LNG uit dit project in stroomopwekking in landen als China en India, ter vervanging van kolen- en olie-gestookte energiecentrales, een vermindering zou kunnen opleveren van meer dan een half miljoen ton CO2-uitstoot per TWh geproduceerde elektriciteit.
De ekv-aanvraag is door Atradius DSB uitgebreid beoordeeld op financiële en niet-financiële risico’s. Hieruit is gebleken dat het project voldoende robuust was en in staat om diverse tegenvallers op te vangen, zoals vertragingen, slechtere wisselkoersen of hogere operationele kosten. Voor de beoordeling van de ekv-aanvraag was tevens relevant dat de afname van het LNG zeker gesteld was via lange termijn afnamecontracten met kredietwaardige afnemers en dat het project over voldoende buffers beschikte om een langdurig lage olieprijs het hoofd te bieden. In de beoordeling van deze ekv-aanvraag is door Atradius DSB niet gekeken naar alternatieve investeringen in hernieuwbare energiebronnen in Mozambique, daar een dergelijke exercitie buiten de doelstelling van de ekv valt.
Deelt u de mening dat het Mozambique LNG project een concreet voorbeeld is van een fossiel project dat mensenrechtenschendingen veroorzaakt, bijdraagt aan de destabilisatie en schuldenverhoging van een heel land en het versnellen van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtenschendingen en destabilisatie in de regio Cabo Delgado zijn veroorzaakt door extremistische opstandelingen. In hoeverre de aanwezigheid van het LNG project in de regio een rol heeft gespeeld bij het geweld door de extremisten is moeilijk vast te stellen. Zie ook het antwoord op vraag 28.
Voor een toelichting op de klimaatimpact van het project zie het antwoord op vraag 19.
Uit de due diligence van Atradius DSB komt naar voren dat het project per saldo een substantiële positieve bijdrage levert aan de overheidsfinanciën van Mozambique, een beeld dat bevestigd wordt door het IMF en de Wereldbank Zo levert het project onder andere belastingen en dividenden op. Wel is het zo, net als in elk infrastructureel project, dat de lasten uitgaan voor de baten.
Deelt u het inzicht dat er, zeker nu de veiligheid van de lokale bevolking klem is komen te zitten tussen de radicale groepen, het Mozambikaanse leger en buitenlandse private militairen, in dit Mozambique gasproject sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu? Bent u het ermee eens dat Nederland geen exportkredietverzekering moet verlenen in relatie tot de gasprojecten in Mozambique? Zo nee, waarom niet?
De ekv is verstrekt op basis van een positieve beoordeling van de financiële risico’s en de risico’s op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het project voldeed daarbij aan alle internationale standaarden en het mvo beleidskader voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer.
ADSB zal in lijn met het mvo-beleid voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 26 485, nr. 255) invloed uitoefenen om het project te laten voldoen aan de internationaal afgesproken mvo-voorwaarden.
Wanneer zal de Kamerbrief met scenario’s voor het in lijn brengen van de exportkredietverzekering met de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs naar de Kamer worden gestuurd?
De Kamerbrief met daarin een verkenning voor het in lijn brengen van de exportkredietverzekering met de Overeenkomst van Parijs is op 11 mei verzonden naar uw Kamer.
Zal het maken van een afbouwpad om de exportfinanciering van fossiele projecten uit te faseren, onderdeel uitmaken van het onderzoek dat E3F gaat doen10, de kopgroep waar Nederland nu samen met zes andere Europese landen deel van uitmaakt en die het voortouw neemt bij de inzet van publieke exportfinanciering om de klimaatdoelstellingen te halen? Kunt u de afspraken hieromtrent met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om u hiervoor in te zetten binnen E3F?
Met de lancering van de Export Finance for Future (E3F) coalitie hebben Frankrijk, Denemarken, Duitsland, Nederland, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden afgesproken om exportfinanciering voor klimaatvriendelijke en duurzame projecten te stimuleren en voor fossiele sectoren te beperken. Onderdeel van de afspraken is dat onderzocht wordt hoe steun voor fossiele transacties kan worden afgebouwd. Dit kan qua maatregelen en tempo per land verschillen. Concreet hebbende deelnemende landen zich wel alvast gecommitteerd aan het beëindigen van ekv-steun voor kolencentrales en direct aan kolengerelateerde projecten. De afspraken die de zeven landen hebben gemaakt kunt u hier terugvinden13.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe beleid van het Verenigd Koninkrijk (VK), dat betekent dat het VK geen nieuwe investeringen meer in fossiele energieprojecten in het buitenland zal doen? Bent u van plan dit voorbeeld te volgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb kennisgenomen van het nieuwe beleid omtrent de exportkredietverzekering in het VK. Zoals besproken met uw kamer in het AO van 19 november jl. neemt het huidige demissionair kabinet geen besluit over een concreet afbouwpad fossiele transacties in onze exportkredietverzekering, maar laat dit over aan het volgende kabinet. Ik heb daarom een verkenning toegezegd ten behoeve van de besluitvorming van het volgende kabinet. Deze heeft u inmiddels ontvangen.
Bent u het ermee eens dat, gezien de noodzaak om de productie van fossiele brandstoffen af te bouwen, en gezien alleen al de uitstoot van de olie en gas die momenteel wordt geproduceerd een opwarming van meer dan twee graden Celsius zal veroorzaken, investeringen in het aanboren van nieuwe olie- en gasvelden niet verenigbaar zijn met het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel dat we momenteel niet op koers liggen om de afgesproken mondiale temperatuurdoelen uit de Overeenkomst van Parijs te halen. Ook deel ik dat het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden afgebouwd. Landen gaan echter zelf over de invulling van hun eigen opgave in het kader van deze doelen. Om de overgang te bewerkstelligen naar hernieuwbare alternatieven, moeten we internationaal samenwerken. Nederland heeft zich daarom aangesloten bij de E3F coalitie.
Bent u ermee bekend met dat in juli 2020 FMO een lening van 25 miljoen heeft verschaft aan Banco Comercial e de Investimentos (BCI)?11 Heeft FMO onderzocht of deze lening (indirect) ondersteuning geeft aan de gas sector, inclusief aanverwante faciliteiten zoals transport of huisvesting, in Mozambique?
Ja, daar ben ik bekend mee. Ik heb van FMO begrepen dat de lening aan Banco Comercial e de Investimentos is bedoeld om de private sector in Mozambique betere toegang te geven tot financiering. De lening van FMO heeft niet als doel om de gassector direct of indirect te ondersteunen. De gassector kwam ook niet naar voren in het onderzoek naar de milieu en sociale risico’s, dat is uitgevoerd voorafgaande aan het verstrekken van de investering.
Bent u bekend met de conclusie van vele deskundigen, ngo's en VN-instituties, dat de winning van conflictgrondstoffen zoals gas wereldwijd de grootste oorzaak is van gewapend conflict?
Het is mij bekend dat de winning van natuurlijke hulpbronnen een belangrijke factor kan zijn in het veroorzaken of in stand houden van conflict of instabiliteit in een land of regio. Overigens heeft de EU vier grondstoffen aangemerkt als conflictmineralen, namelijk tin, wolfraam, tantaal en goud (uitvoering van Verordening 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017). Ze worden conflictmineralen genoemd omdat delving van deze mineralen vaak plaatsvindt in instabiele regio’s en gepaard gaat met misstanden zoals geweld en dwangarbeid. De mijnbouw en illegale handel is vaak in handen van gewapende groepen die hun activiteiten financieren met de opbrengsten.
Erkent u dat het conflict in Mozambique begon naar aanleiding van onvrede over gasexploitaties door Westerse bedrijven, die de lokale bevolking wel opzadelen met een vervuilde leefomgeving maar niet zorgen voor een verbetering van levensstandaarden? Wat vind u ervan dat de Nederlandse regering fossiele exploitaties financiert die aantoonbaar bijdragen aan een burgeroorlog?
De situatie in Cabo Delgado is complex. Werkloosheid en analfabetisme zijn hoog en veel mensen leven onder de armoedegrens. Het centraal bestuur is zwak en er is veel georganiseerde misdaad, met name actief in mensen-, drugs- en grondstoffensmokkel. Het gevoel van onvrede richting de overheid in algemene zin en richting een regering die tweeduizend kilometer zuidwaarts zit lijkt dan ook een belangrijke rol te spelen bij het ontstaan en voortduren van het geweld. De motieven van de gewelddadig extremisten blijven echter onduidelijk. Het feit dat de gasvelden al in 2011 zijn ontdekt maar dat tot nu verbetering van de leefomstandigheden is uitgebleven, kan hieraan bijdragen.
De Nederlandse staat treedt niet op als financier van deze fossiele exploitatie, Nederland verzekert de projectfinanciering en de risico’s die gelopen worden de Nederlandse exporteur. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 15 heeft Atradius DSB een uitgebreide analyse gemaakt van het geweldsrisico van het verzekerde project. Op basis van de recente zeer zorgwekkende berichten uit Mozambique blijkt dat deze analyse inmiddels achterhaald is. De Nederlandse staat en Atradius DSB volgen de situatie daarom nauwlettend.
Deelt u de mening dat het verlenen van exportkredietverzekeringen voor projecten die bijdragen aan gewelddadig conflict regelrecht indruist tegen de prioriteiten van het buitenlands mensenrechtenbeleid van dit demissionair kabinet, waaronder het bevorderen van de internationale rechtsorde en de strijd tegen straffeloosheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het tegengaan van de handel in conflictgrondstoffen verankerd wordt in het buitenlands mensenrechtenbeleid en handelsbeleid?
Het verstrekken van exportkredietverzekeringen is gebaseerd op internationale (OECD/IFC) mvo-standaarden, waaronder op het gebied van veiligheid en mensenrechten. Dit betekent dat via de ekv geen projecten kunnen worden verzekerd met onaanvaardbare risico’s op mens, dier en milieugebied. Projecten die bijdragen aan gewelddadige conflicten kunnen derhalve ook niet worden verzekerd via de ekv. Juist vanwege de inbedding van de genoemde internationale standaarden binnen de ekv, is van rechtstreeks indruisen van de ekv tegen de internationale rechtsorde en straffeloosheid geen sprake.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 27 valt de import van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden onder de conflictmineralenverordening (Kamerstuk 35 506). Bedrijven die deze mineralen importeren moeten stappen zetten om te zorgen dat zij niet middels hun handel bijdragen aan conflict en gerelateerde mensenrechtenschendingen. Het kabinet heeft in de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten» (Kamerstuk 26 485, nr. 337) nieuw IMVO-beleid voorgesteld. Kern van dit nieuwe beleid is een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor bedrijven, bij voorkeur op Europees niveau.
Één mondiaal minimumtarief voor winstbelasting |
|
Mahir Alkaya , Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «VS willen weer hogere winstbelasting»?1
Het artikel bespreekt het pleidooi van de Minister van Financiën van de Verenigde Staten voor mondiale afspraken over een minimumniveau van belastingheffing voor grote multinationals. In het Inclusive Framework georganiseerd door de OESO2 wordt al geruime tijd gesproken over een herziening van het internationale belastingsysteem. Ook een minimumniveau van belastingheffing bij internationaal opererende bedrijven staat daar op de agenda (Pijler 2). Dat de Verenigde Staten nu pleiten voor sterke wereldwijde afspraken hierover vind ik een positief signaal. De uitlatingen van de Amerikaanse Minister van Financiën laten zien dat de Verenigde Staten volledig gecommitteerd zijn aan het vinden van een multilaterale oplossing met 139 landen in het Inclusive Framework. Nederland steunt het doel van het Inclusive Framework om halverwege 2021 tot overeenstemming te komen over een herziening van het internationale belastingsysteem. Ik zie deze ontwikkeling als een forse stap in de goede richting om dat doel te bereiken.
Deelt u de mening dat een mondiaal minimumtarief voor winst- en vennootschapsbelasting een goed middel is tegen een race to the bottom waarbij landen een steeds lagere winstbelasting rekenen om bedrijven aan te trekken?
Ja, mondiale afspraken over een minimumniveau van belastingheffing zijn een goed middel om belastingconcurrentie te verminderen. Een minimumniveau van belastingheffing reduceert de prikkel voor landen om een laag belastingtarief te hanteren. Als landen een (te) laag belastingtarief hanteren, krijgen andere landen namelijk de mogelijkheid om over de winst die bedrijven in dat laagbelastende land maken alsnog belasting bij te heffen tot het minimumtarief. Een minimumniveau van belastingheffing draagt daarnaast bij aan het tegengaan van belastingontwijking. Het minimumniveau reduceert namelijk de prikkel voor bedrijven om winsten te verschuiven naar laagbelastende landen. Bovendien kunnen dit soort internationale afspraken bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het Nederlandse vestigingsklimaat voor het reële bedrijfsleven. Een minimumniveau van belastingheffing verkleint namelijk het verschil tussen de belasting die bedrijven in Nederland betalen en de lagere belastingdruk die deze bedrijven mogelijk in andere landen zouden ervaren. De invloed van het niveau van (vennootschaps)belastingheffing op investeringsbeslissingen neemt daarmee af en de concurrentiekracht van ons bedrijfsleven wordt verbeterd. Het belang van andere factoren die Nederland aantrekkelijk maken als vestigingsplaats neemt daarmee toe.
Deelt u het pleidooi van de Amerikaanse Minister van Financiën Janet Yellen om een dergelijk mondiaal minimumtarief in te stellen? Zo nee, wat onderneemt u tegen de mondiale race to the bottom?
Ja. Nederland heeft zich in het Inclusive Framework van de OESO steeds voorstander getoond van afspraken in (een zo breed mogelijk) internationaal verband over een herziening van het internationale belastingstelsel, waaronder een minimumniveau van belastingheffing voor grote bedrijven.3 Nederland pleit daarbij voor eenvoudige en uitvoerbare maatregelen die zo effectief mogelijk de prikkel tot belastingconcurrentie verminderen. Nederland zal zich ervoor blijven inzetten om halverwege 2021 tot afspraken te komen in het Inclusive Framework van de OESO.
Deelt u de mening dat het invoeren van een minimumtarief iets anders is dan de zogenoemde CCCTB (Common Consolidated Corporate Tax Base ofwel de gemeenschappelijke geconsolideerde belastinggrondslag) waarmee lidstaten hun soevereiniteit over belastingheffing van multinationals grotendeels kwijtraken? Deelt u voorts de mening dat een minimumtarief en minimumgrondslag minstens zo effectief zouden zijn om de race to the bottom tegen te gaan?
Ja, de maatregelen die in het Inclusive Framework worden besproken om een minimumniveau van belastingheffing te waarborgen, verschillen van de voorstellen van de Europese Commissie voor een CCCTB. De CCCTB ziet op het creëren van een gemeenschappelijke geconsolideerde belastinggrondslag zodat er een Europees gelijk speelveld wordt gecreëerd. Op basis van de CCCTB zou in alle EU-lidstaten op dezelfde manier de belastbare winst worden berekend en wordt grondslaguitholling in de EU tegen gegaan. De CCCTB heeft daarmee inderdaad tot gevolg dat de soevereiniteit van lidstaten wat betreft de invulling van de winstbelasting verder wordt ingeperkt.
Op basis van de Pijler 2-voorstellen die in het Inclusive Framework worden besproken, wordt achteraf gekeken of er feitelijk genoeg belasting is geheven. Indien dit niet het geval is, kan extra belasting worden bijgeheven om een minimumniveau van belastingheffing te bereiken. Daarnaast zet dit OESO-initiatief erop in om een wereldwijd gelijk speelveld te creëren. Kortom, beide systemen kunnen eraan bijdragen om het risico op een zogenaamde race to the bottom tegen te gaan.
Deelt u de mening dat mondiale afstemming op financieel gebied nodig is om het doorgeslagen kapitalisme te beteugelen, waarbij het grootbedrijf massaal profiteert van de onderlinge belastingconcurrentie?
Afspraken over de belastingheffing van multinationals zijn het effectiefst als ze in een zo breed mogelijk internationaal verband worden gemaakt. Nederland heeft zich daarom steeds een voorstander getoond van afspraken in internationaal verband over een herziening van het internationale belastingsysteem.
Wat onderneemt u om te voorkomen dat Nederland bekend staat als «een belastingparadijs dat meehelpt aan het ontwijken van winstbelastingen»?
Al vanaf het begin van deze kabinetsperiode is het aanpakken van belastingontwijking een van de speerpunten geweest van dit kabinet.4 De afgelopen jaren zijn in dit kader veel maatregelen genomen. In een recente factsheet zijn alle maatregelen van dit kabinet opgenomen, met een toelichting op de manier waarop het kabinet hiermee belastingontwijking en -ontduiking voorkomt.5 Ook verwijs ik graag naar enkele recente brieven die ik naar uw Kamer heb verzonden waarin ik uitgebreid inga op de aanpak van belastingontwijking.6 Naast de wetgeving die al is ingevoerd, of binnen afzienbare tijd in werking zal treden of reeds is aangekondigd, is het van belang dat de strijd tegen belastingontwijking- en ontduiking voortvarend wordt voortgezet. Internationale samenwerking is hierbij essentieel. Uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking zijn immers vaak internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken. In dit verband steunt Nederland initiatieven om tot een verdere gecoördineerde aanpak van belastingontwijking te komen. Zo draagt Nederland actief bij om tot internationale oplossingen te komen op het gebied van de winstbelasting.
Bent u bereid om het plan van Minister Yellen actief te ondersteunen en te promoten op internationale fora en de G20? Zo nee, waarom niet?
Het pleidooi van de Minister van Financiën van de Verenigde Staten gaat over mondiale afspraken over een minimumniveau van belastingheffing voor grote multinationals. In het Inclusive Framework van de OESO wordt al geruime tijd gesproken over dergelijke afspraken. Nederland heeft zich steeds positief en constructief opgesteld in deze discussies. Nederland zal zich ervoor blijven inzetten om halverwege 2021 overeenstemming te bereiken over effectieve en (ook voor ontwikkelingslanden) uitvoerbare afspraken over de herziening van het internationale belastingsysteem. Ook in G20-verband zal Nederland zich voorstander blijven tonen van het werk dat in de OESO wordt gedaan.
Het stemgedrag van Nederland in de VN-Mensenrechtenraad |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Waarom heeft Nederland in de VN-Mensenrechtenraad opnieuw voor resoluties gestemd die eenzijdig tegen Israël zijn gericht zijn?1
Nederland en de EU hebben met de Palestijnse Autoriteit (PA) onderhandeld over het verminderen van het aantal resoluties dat de PA indient bij de Mensenrechtenraad en het verder afbouwen van het specifieke agendapunt over Israël («Item 7»). Als gevolg van deze inzet heeft de PA in de 46e zitting van de Mensenrechtenraad de eerdere «Human Rights» en «Accountability» resoluties samengevoegd en ingediend onder agendapunt 2, waar ook andere mensenrechtensituaties worden behandeld.
Daarnaast hebben de onderhandelingen in de 46e zitting tussen de EU en de Palestijnse delegatie geleid tot een meer gebalanceerde en evenwichtige tekst van de samengevoegde resolutie onder agendapunt 2. Deze resolutie roept op tot respecteren van internationaal recht en mensenrechten, en benadrukt het belang van accountability voor alle schendingen daarvan. De resolutie roept specifiek op tot een einde aan alle schendingen van internationaal recht door gewapende groepen. Voorts veroordeelt de resolutie geweld door alle partijen en in het bijzonder raketbeschietingen op Israël. Deze aspecten sluiten aan bij het Nederlandse en Europese beleid inzake het Midden Oosten Vredes Proces (MOVP), waarbij Nederland zowel bilateraal als in multilateraal verband beide partijen aanspreekt op hun handelen. Nederland stemde dan ook in gezelschap van EU-partners voor deze resolutie onder agendapunt 2. De resolutie werd met 32 voorstemmen aangenomen.
Nederland stemde voorts – net zoals de meeste EU lidstaten – voor de resoluties die het nederzettingenbeleid veroordelen («Settlements» resolutie), en het Palestijns recht op zelfbeschikking bevestigen («Self-Determination» resolutie). De voorstem op de «Settlements» resolutie is in lijn met de Nederlandse positie over nederzettingen. Het voortdurend uitbreiden van nederzettingen bemoeilijkt in toenemende mate een twee-statenoplossing. Dat geldt in het bijzonder voor stappen voor uitbreiding op een aantal plaatsen zoals Givat Hamatos, die Oost-Jeruzalem af dreigen te snijden van de rest van de Westelijke Jordaanoever. De tekst van de «Settlements» resolutie werd dit jaar aanzienlijk ingekort.
De tekst van de «Self-determination» resolutie bevestigde het Palestijnse recht op zelfbeschikking, wat vanzelfsprekend een wezenlijk element is van het Nederlandse MOVP-beleid waarvoor ook binnen de Kamer brede steun bestaat. Een tegenstem op deze twee resoluties zou niet in overeenstemming zijn met de kern van het MOVP-beleid, de verwezenlijking van een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël op basis van de grenzen van 1967.
Hoe verhoudt dit stemgedrag zich tot de Nederlandse doelstelling om een einde te maken aan dit exclusief tegen Israël gerichte agendapunt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe geloofwaardig vindt u het voor het VN-mensenrechtenbeleid dat dit agendapunt nog steeds bestaat?
De Mensenrechtenraad heeft ondanks het bestaan van agendapunt 7 aangetoond een relevant VN-forum te zijn voor de bescherming en bevordering van mensenrechten. Het kabinet beschouwt de Mensenrechtenraad als een belangrijk platform voor het agenderen van mensenrechtenschendingen en het tegengaan van straffeloosheid wereldwijd. Nederland beschouwt agendapunt 7 over Israël en de bezette gebieden als een voorbeeld van disproportionele aandacht voor Israël, maar is van mening dat mensenrechtenschendingen als gevolg van het Israëlisch-Palestijns conflict wel op de agenda van de Mensenrechtenraad thuishoren. Daarom acht het kabinet het een goede zaak dat het aantal resoluties onder agendapunt 7 afneemt en zal het zich blijven inzetten voor verdere afbouw van dit agendapunt.
Deelt u de mening dat het stemmen voor resoluties onder dit agendapunt bijdraagt aan de legitimatie van het eenzijdig tegen Israël gerichte agendapunt? Zo nee, waarom niet?
Nederland werkt samen met andere Europese landen aan het geleidelijk afbouwen van het aparte agendapunt 7 door het aantal resoluties te verlagen en resoluties onder andere agendapunten geagendeerd te krijgen. Als gevolg van onze inzet, heeft de Palestijnse Autoriteit dit jaar één resolutie minder ingediend en het aantal resoluties dat het indient onder het speciale agendapunt 7 gehalveerd ten opzichte van 2018. De Palestijnse Autoriteit is bereid tot deze aanpassingen vanwege de opstelling van Nederland en de meeste andere EU lidstaten in de onderhandelingen. Bij de stemming beoordeelt Nederland iedere resolutie op zijn totale inhoud en hanteert daarbij als maatstaf internationaal recht, het regeerakkoord, EU-Raadsconclusies en EU-beleid t.a.v. het MOVP en de motie Van der Staaij (Kamerstuk 34 775, nr. 44).
Bent u bereid om voortaan standaard tegen iedere resolutie onder dit agendapunt te stemmen dan wel van stemming te onthouden om daarmee het Nederlandse standpunt dat dit agendapunt moet verdwijnen kracht bij te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 en 2 zou een tegenstem of onthouding niet in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van het Nederlandse en Europese MOVP-beleid alsmede de Nederlandse en Europese positie inzake het nederzettingenbeleid.
Een tegenstem zou voorts niet leiden tot afbouw van het aparte agendapunt 7 of afname van het aantal resoluties. De Palestijnen kunnen in VN-verband rekenen op grote mate van steun bij VN-lidstaten, ook in de Mensenrechtenraad. Dat betekent dat de resoluties met een grote meerderheid worden aangenomen, ook als Nederland tegen zou stemmen. Door in EU-verband met de Palestijnse Autoriteiten te onderhandelen kan Nederland invloed uitoefenen op het aantal resoluties en hun inhoud. De Palestijnse bereidheid om teksten te verbeteren en het aantal resoluties te verlagen hangt in grote mate af van de bereidheid van de EU lidstaten om voor de aangepaste resoluties te stemmen.
Het bericht dat tientallen Chinese onderzoekers in Delft banden hadden met het Chinese leger |
|
Sietse Fritsma (PVV), Harm Beertema (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tientallen onderzoekers in Delft hadden band met leger»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat 29 promovendi en gastonderzoekers van de National University of Defense Technology (NUDT) uit China, onderzoek deden aan de TU Delft op deels militair technologische vakgebieden?
De TU Delft laat desgevraagd weten dat van de in totaal circa 3.000 in maart 2021 aan de TU Delft verbonden promovendi 10 personen een masterdiploma hebben behaald bij de National University of Defense Technology.
Wat de vakgebieden betreft, is het onderscheid tussen gebieden die wel/niet militair relevant zijn, niet altijd duidelijk te maken. Universitair onderzoek heeft doorgaans een fundamenteel karakter. Onderzoeken uit dit soort vakgebieden worden gebruikt voor de ontwikkeling van technologie met een meer toegepast niveau, op allerhande terreinen en op manieren die veelal niet van te voren werden voorzien, ook militair.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 27 november 2020, wordt door het kabinet een inventarisatie gedaan om scherper in beeld te krijgen welke vakgebieden bescherming behoeven in het licht van nationale veiligheid. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van het proces om te komen tot een bindend toetsingskader op risicovakgebieden om ongewenste kennis- en technologieoverdracht tegen te gaan. Uw Kamer zal zo snel mogelijk, maar uiterlijk najaar 2021 opnieuw worden geïnformeerd over de voortgang op dit traject.2
Hoeveel van deze promovendi en onderzoekers zijn volgens uw informatie direct of indirect verbonden aan het Chinese Volksbevrijdingsleger (PLA)?
Over het algemeen geldt dat spionage door China een punt van zorg is. De inlichtingendiensten doen in het openbaar geen uitspraken over hun kennisniveau.
Directe of indirecte verbondenheid van promovendi en onderzoekers aan het Chinese Volksbevrijdingsleger is volgens de Nederlandse wet niet strafbaar, maar kan wel risico’s voor de nationale veiligheid opleveren. Het kabinet werkt aan een landenneutraal pakket maatregelen dat samengenomen een handelingsperspectief biedt aan zowel de kennisinstellingen als de rijksoverheid om ongewenste kennisoverdracht tegen te gaan, zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag twee.
Is het volgens u aannemelijk, of zelfs door onze eigen diensten bewezen, dat er als gevolg van deze Chinese invasie op de TU Delft kennis/technologie naar het PLA is gevloeid?
Verscheidene openbare onderzoeksinstituten, waaronder het Australian
Strategic Policy Institute (ASPI), wijzen op de banden van sommige Chinese studenten met het PLA en het feit dat sommige Chinese studenten na terugkeer naar China benaderd worden om informatie te delen. Hoewel hiermee niet concreet voor deze casus gezegd is dat kennis en technologie van de TU Delft naar de PLA is gevloeid, laat het wel zien dat er risico’s zijn dat ook in Nederland academische samenwerking met China in bepaalde gevallen kan hebben geleid tot ongewenste technologieoverdracht. AIVD en MIVD doen in het openbaar geen uitspraken over hun kennisniveau.
Onderzoek van ASPI laat bijvoorbeeld zien dat diverse Chinese kennisinstellingen banden hebben met het leger en dat promovendi en onderzoekers in bepaalde gevallen in het buitenland worden ingezet om kennis te vergaren voor het Chinese leger. Daarom is het essentieel dat we kennis en bewustzijn bij kennisinstellingen over de risico’s van ongewenste kennisoverdracht bij internationale samenwerking vergroten. Ter versterking van de kennisveiligheid, heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd in de op 27 november jl. aan uw Kamer gestuurde brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap. Het doel van dit pakket is o.a. de kennisveiligheid te vergroten door ongewenste kennisoverdracht en ongewenste beïnvloeding tegen te gaan.
Deelt u de mening van hoogleraar Alexander Verbraeck dat we niet naïef moeten zijn en dat er ook kennis naar het PLA vloeit als wordt samengewerkt met niet-militaire universiteiten? Zo ja, hoe monitort u dergelijke samenwerkingsverbanden?
Ik ben van mening dat álle vormen van ongewenste kennisoverdracht zoals ik die beschreven heb in de Kamerbrief over kennisveiligheid, moeten worden tegengegaan. Het Nederlands hoger onderwijsstelsel wordt gekenmerkt door een hoge mate van autonomie voor de hogescholen en universiteiten. Deze is wettelijk geborgd in de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het aangaan van een (internationale) samenwerking, is dan ook de verantwoordelijkheid van een instelling zelf. Dat betekent dat een universiteit bij elke samenwerking, nationaal en internationaal, een gedegen afweging dient te maken van de kansen en risico’s die een samenwerking oplevert.
Het is hierbij belangrijk om het veiligheidsbeleid binnen de instellingen nadrukkelijk te verankeren en duidelijkheid te krijgen over de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen. Samen met de koepels, universiteiten en onderzoeksinstituten zullen de ministeries van OCW en EZK daarom werken aan bestuurlijke afspraken. Het doel ervan is commitment te organiseren en borgen, en te werken aan een gezamenlijke visie op kennisveiligheid. Het streven is de bestuurlijke afspraken tweede helft 2021 gereed te hebben.
Zoals ik in het antwoord op vraag twee al aangaf, wordt ook gewerkt aan een toetsingskader op risicovakgebieden. Onderdeel hiervan is om deze risicovakgebieden, in samenwerking met de kennisinstellingen, te bezien welke elementen van samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse partners een risico vormen op ongewenste kennisoverdracht. Het in december jl. verschenen rapport van RVO, waarin onder andere 183 Memoranda of Understanding (MoU’s) van de zes aan het onderzoek deelnemende Nederlandse universiteiten met Chinese kennisinstellingen zijn bestudeerd, is hierbij een goede eerste stap om het benodigde inzicht te verkrijgen.3
Tot slot herhaal ik hier mijn oproep uit de Kamerbrief Samenwerking met China op het gebied van onderzoek en wetenschap aan alle Nederlandse kennisinstellingen om bestaande samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse kennisinstellingen tegen het licht te houden en te onderzoeken of de nationale veiligheid hierin voldoende geborgd is. Waar dat niet het geval is, zou het wenselijk zijn dat afspraken op dit punt door de betrokken instellingen worden herzien.4
Kunt u cijfermatig weergeven hoeveel Chinese promovendi en onderzoekers de afgelopen tien jaar aan Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen werkten of onderzoek deden, en hoeveel Chinezen het momenteel betreft?
Nee, over deze cijfers beschik ik niet, aangezien er in Nederland geen centraal register bestaat waarin de nationaliteit van onderzoekers en promovendi die onderzoek doen aan Nederlandse kennisinstellingen wordt bijgehouden.
Het RVO rapport beveelt onder andere aan om afzonderlijke registratiesystemen van universiteiten voor promovendi te koppelen en kennis te delen tussen instellingen rond de werving van PhD’s. Aan een aantal van deze concrete aanbevelingen wordt al opvolging gegeven. Zo onderzoeken universiteiten in VSNU-verband de haalbaarheid van een landelijk systeem voor registratie van PhD’s. Dit systeem kan inzichtelijk maken welke arbeidsrelatie een promovendus heeft met de instelling en op welk kennisgebied er een PhD-relatie is. Het systeem zal echter geen inzicht geven in nationaliteit of land van herkomst van de promovendi, mede in het licht van privacywetgeving.
Wat heeft u gedaan met de gezamenlijke waarschuwing van de inlichtingendiensten MIVD en AIVD en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in het «dreigingsbeeld statelijke actoren» dat «Spionageactiviteiten van China met name gericht zijn op Nederlandse topsectoren en kennisinstellingen»?2
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren biedt inzicht in de activiteiten van statelijke actoren die onze nationale veiligheid kunnen schaden, waarbij ook Nederlandse kennisinstellingen en bedrijfsleven, in het bijzonder de topsectoren doelwit zijn.6 Uw Kamer is eerder geïnformeerd via de Kamerbrief «Tegengaan statelijke dreigingen» over de kabinetsbrede, geïntegreerde aanpak van statelijke dreigingen, waarin ook onderwerpen als de investeringstoets, exportcontrole, cyberveiligheid en (economische) spionage aan bod komen.7
Uw Kamer is geïnformeerd via de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap over de maatregelen die het kabinet samen met het Nederlandse kennisveld neemt ter versterking van de kennisveiligheid.8 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn ook nauw betrokken bij de uitwerking van deze maatregelen.
Screenen de Nederlandse inlichtingendiensten Chinese onderzoekers standaard als zij aan Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen komen werken? Zo ja, in hoeveel gevallen heeft dit geleid tot het weren van Chinezen? Zo nee, bent u bereid alle toekomstige plus reeds aanwezige Chinese onderzoekers individueel door de AIVD en MIVD te laten screenen?
Internationale uitwisseling en kennisoverdracht zijn essentieel om het hoger onderwijs en het (toegepaste) onderzoek in Nederland op peil te houden en wordt daarom gestimuleerd. Met en vanuit elk land kan gewenste kennisoverdracht plaatsvinden. Tegelijkertijd moet ongewenste overdracht van (sensitieve) kennis en technologie, met negatieve gevolgen voor de nationale veiligheid van ons land en aantasting van de Nederlandse innovatiekracht voorkomen worden. Daarnaast gaat het ook om heimelijke beïnvloeding van hoger onderwijs en wetenschap door statelijke actoren, die o.a. kan leiden tot vormen van (zelf)censuur met aantasting van de academische vrijheid tot gevolg. Zoals ook benadrukt in de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap, kiest het kabinet hierbij voor een aanpak die landenneutraal van aard is.
De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten voeren niet standaard een naslag of een veiligheidsonderzoek uit naar Chinese onderzoekers als zij aan Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen komen werken. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) biedt daartoe geen basis en bovendien zou dit in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel. Er wordt wel gewerkt aan een landenneutraal toetsingskader voor risicovakgebieden, waarnaar ik eerder verwees in mijn antwoord op vraag twee.
Deelt u de constatering van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI) dat samenwerking met Chinese «Seven Sons of National Defence» universiteiten een uitermate hoog veiligheidsrisico met zich meebrengt?3
Ja, die deel ik. Over China’s Seven Sons of National Defence universiteiten kan gezegd worden dat zij banden hebben met China’s militaire en defensie-industrie. Wanneer er vanuit Nederland wordt samengewerkt met deze universiteiten bestaat het risico op technologieoverdracht, zeker op gebieden waar de kenniskloof met Nederland groot is. Dergelijke technologieoverdracht kan leiden tot ongewenst eindgebruik, bijvoorbeeld in militaire of surveillance toepassingen. Ook kan technologieoverdracht op termijn het Nederlandse verdienvermogen aantasten of leiden tot (gedeeltelijke) technologische afhankelijkheid van China.
Is het vanuit het oogpunt van onze nationale veiligheid en vanuit het oogpunt van ongewenste kennisoverdracht nog wel verantwoord dat de TU Delft samenwerkt met universiteiten van de «Seven Sons» groep? Graag een uitvoerige toelichting.
In vervolg op mijn antwoord op vraag 9 en in lijn met de brief «Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap», raad ik kennisinstellingen aan zich zeer grondig te verdiepen in de risico’s die met een dergelijke samenwerking samenhangen en waar nodig robuuste mitigerende maatregelen te treffen.
Internationale samenwerking brengt kansen maar ook risico’s met zich mee. Zoals het risico op kennisoverdracht die vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid onwenselijk is. Daarom moeten universiteiten weerbaar zijn, door voorafgaande aan het aangaan van een samenwerking ook het nationale veiligheidsperspectief mee te nemen in de afweging. Het is daarbij van belang om voorafgaand (met welke andere universiteit of bedrijf ook) aan de hand van een risicoanalyse in kaart te brengen wat de te beschermen belangen zijn, welke dreiging er bestaat tegen deze belangen en in hoeverre deze risico´s beheersbaar zijn (door al getroffen maatregelen) of beheersbaar kunnen worden gemaakt (door het nemen van nieuwe maatregelen).
Het kabinet werkt bovendien aan maatregelen om ongewenste kennisoverdracht tegen te gaan, waarnaar eerder werd verwezen bij het antwoord op vragen vier en vijf.
Kunt u aangeven welke Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen nog meer samenwerken met één of meer universiteiten van de «Seven Sons» groep? Klopt het dat het in ieder geval de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Technische Universiteit Eindhoven, de Wageningen University, de Universiteit Twente en de Rijksuniversiteit Groningen betreft?
Nee, daarover kan ik geen uitsluitsel geven omdat er geen landelijk register van samenwerkingsverbanden bestaat. In mijn opdracht heeft RVO een verkenning uitgevoerd bij zes Nederlandse universiteiten waaruit blijkt dat een aantal universiteiten inderdaad een overeenkomst (Memorandum of Understanding) heeft afgesloten met een van de universiteiten die tot de «Seven Sons of National Defense» worden gerekend. Dit zijn de Rijksuniversiteit Groningen, TU Eindhoven, TU Delft en de Universiteit Twente.
Hoe staat het met de gesprekken van de TU Delft met «drie ministeries om met een gezamenlijk antwoord te komen op de China-kwestie»? Hebben deze gesprekken inmiddels tot maatregelen geleid?
Er wordt gedoeld op het gesprek dat is gevoerd in het kader van de kennisveiligheidsdialoog. Dat is de gespreksronde die het kabinet voert met besturen van alle individuele universiteiten, onderzoeksinstituten en hogescholen om beelden over de situatie rond kennisveiligheid bij de instellingen uit te wisselen en aan de hand van concrete casuïstiek mogelijke handelingsperspectieven te bespreken. De insteek van deze gesprekken is landenneutraal en dus nadrukkelijk niet gericht op één specifiek land.
De opbrengsten van de kennisveiligheidsdialoog zijn tweeledig. Enerzijds draagt de dialoog binnen de instellingen bij aan een verdere versterking van het bewustzijn rond statelijke dreigingen en aan bekendheid met reeds bestaande instrumenten om op een verantwoorde manier eigen afwegingen te maken. Anderzijds levert de gesprekkenreeks voor het kabinet waardevolle inzichten op, die zijn meegenomen in de totstandkoming van de maatregelen rondom kennisveiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De maatregelen uit die brief worden op dit moment geoperationaliseerd door het Rijk, waarbij ook de kennissector (VSNU, TO2’s, KNAW,VH, NWO, NFU) betrokken is.
Bent u bereid een zwarte lijst op te stellen van Chinese universiteiten en onderzoeksinstellingen waar Nederlandse universiteiten en instellingen vanwege veiligheidsrisico’s en ongewenste kennisoverdracht bij voorbaat niet mee moeten samenwerken?
Zoals gezegd in eerdere antwoorden wordt gewerkt aan een (landenneutraal) toetsingskader om ongewenste kennis- en technologieoverdracht tegen te gaan. Om een beeld te krijgen van de mogelijke reikwijdte van een dergelijke toets wordt een inventarisatie gedaan van risicovakgebieden die bescherming behoeven in het licht van nationale veiligheid uitgevoerd.10 De te beschermen Nederlandse belangen vormen het uitgangspunt voor de getroffen beleidsmaatregelen in de brief Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap. Het gaat daarbij om een combinatie van bewustwording en zelfregulering binnen het kennisveld en een bindend toetsingskader op risicovakgebieden.
Daarbij geldt dat academische kernwaarden als academische vrijheid, wetenschappelijke integriteit, openheid, toegankelijkheid en institutionele autonomie steeds de toetsstenen van ons handelen zijn. De academische kernwaarden zijn immers integraal onderdeel van onze te beschermen belangen. Internationale uitwisseling en kennisoverdracht zijn daarbij onontbeerlijk om hoger onderwijs en het (toegepaste) onderzoek in Nederland op peil te houden.
Het bericht dat de demonstraties in Myanmar uit de hand lopen. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten uit Myanmar waaruit blijkt dat de demonstraties steeds verder uit de hand lopen en de veiligheidstroepen inmiddels stungranaten, traangas en echte kogels inzetten tegen de eigen bevolking?1 2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat meer dan 1.700 demonstranten gevangenen zijn genomen en meer dan 61 mensen zijn gedood door de regeringstroepen sinds 1 februari 2021?
Ja. Het is afschuwelijk dat het aantal doden en gearresteerden blijft toenemen.
Bent u ervan op de hoogte dat de meeste demonstranten jonger zijn dan 20 jaar?
Ja.
Klopt het dat de lidstaten van de Europese Unie (EU) half februari al akkoord zijn gegaan met nieuwe economische en individuele sancties voor de legertop van Myanmar, hun familieleden en aan hen gelieerde bedrijven? Zo ja, waarom heeft de EU deze sancties nog niet ingesteld terwijl de Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS) uitspreekt dat «de EU klaar staat om sancties op te leggen»?
De Raad Buitenlandse Zaken van 22 februari jl. bereikte een politiek akkoord over de noodzaak tot uitbreiding van sancties tegen directbetrokkenen bij de militaire coup. Vervolgens is het proces gestart om namen te identificeren, bewijslast te verzamelen en de formele besluitvorming voor te bereiden. Dit resulteerde in een besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 maart jl. om sancties in te stellen tegen elf militairen3 die betrokken zijn bij de gewelddadige onderdrukking van protesten, ondermijning van democratie en schending van mensenrechten4. Om deze sancties mogelijk te maken zijn de criteria binnen het bestaande sanctieregime uitgebreid naar ondermijning van de rechtsstaat en de democratie. Daarnaast zijn de criteria van het sanctieregime uitgebreid om politiefunctionarissen en bedrijven die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van het leger, of die inkomsten genereren voor, steun verlenen aan of profiteren van het leger, te kunnen sanctioneren.
Kunt u een overzicht aan de Kamer doen toekomen van de lijst van functionarissen die getarget worden door individuele sancties?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u een overzicht aan de Kamer doen toekomen van de extra economische sancties die genomen zijn naar aanleiding van de staatsgreep?
Zie antwoord vraag 4.
Is er diplomatiek verkeer tussen de Verenigde Staten de EU over hoe de sancties elkaar kunnen aanvullen of versterken?
De Raadsconclusies van 22 februari jl. bevestigen de inzet van de EU om gezamenlijk met regionale en internationale partners op te treden. Nederland onderhoudt ook bilateraal contact met de Verenigde Staten en andere gelijkgezinde landen over maatregelen die worden genomen naar aanleiding van de militaire coup, waaronder sancties.
Hoe verzekert de EU dat de sancties weinig of geen invloed hebben op de bevolking van Myanmar?
De Raadsconclusies van 22 februari jl. benadrukken dat de EU ernaar streeft maatregelen te vermijden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de bevolking van Myanmar en de meest kwetsbaren in het bijzonder5. Dit geldt ook voor sancties. Het doel is het instellen van gerichte sancties die de militairen raken die direct betrokken zijn bij de coup en die zo min mogelijk gevolgen hebben voor de bevolking.
Op welke manier wordt er door de internationale gemeenschap humanitaire hulp geboden aan de bevolking van Myanmar?
De internationale gemeenschap verleent humanitaire hulp voornamelijk via VN-kanalen en de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging. Voor de respons op de humanitaire crisis in Myanmar, die reeds ernstig was vóór de militaire coup, hebben de VN-organisaties in 2021 naar verwachting ongeveer EUR 230 miljoen nodig. Het Bureau van de VN voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (OCHA) geeft aan dat ongeveer 1 miljoen mensen in Myanmar behoefte hebben aan humanitaire hulp. Het VN-responsplan voor 2021 is van vergelijkbare grootte als dat voor 2020, welke voor 68% was gefinancierd eind 2020. Hoewel Nederland geen directe, geoormerkte steun verleent aan de door OCHA gecoördineerde respons in Myanmar, geeft het aanzienlijke ongeoormerkte bijdragen aan diverse humanitaire VN-organisaties die in Myanmar actief zijn, en die de Nederlandse bijdrage kunnen inzetten om de respons snel en flexibel te financieren, naar gelang de humanitaire noden.
Ook het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) publiceerde een noodappeal voor 2021 voor Myanmar, waarin het aangeeft ongeveer EUR 63 miljoen nodig te hebben voor ondersteuning van internally displaced persons en andere slachtoffers van geweld in Myanmar, bijvoorbeeld in de deelstaten Chin, Kachin, Rakhine en Shan. Nederland ondersteunt het ICRC in 2021 met een ongeoormerkte bijdrage van EUR 40 miljoen.
Kunt u de Kamer verzekeren dat Nederland en de EEAS alles doen wat in hun macht ligt om mensenrechtenverdedigers, journalisten, medewerkers van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en vervolgde mensen te beschermen?
Steun aan mensenrechtenverdedigers is een essentieel onderdeel van het Nederlands mensenrechtenbeleid. De Raadsconclusies van 22 februari jl. benadrukken dat engagement met het maatschappelijk middenveld en steun aan mensenrechtenverdedigers en journalisten een prioriteit blijven6. Nederland spant zich samen met gelijkgezinde landen in om steun te bieden aan het maatschappelijk middenveld (mensenrechtenverdedigers, journalisten en anderen die zich inzetten voor de terugkeer naar democratie).
Heeft u over de situatie in Myanmar contact met de regering van Indonesië, de enige lidstaat van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN) die zich duidelijk uitspreekt over de situatie?
Ja. Het is van groot belang dat ASEAN zijn verantwoordelijkheid neemt om bij te dragen aan een vreedzame oplossing van de situatie in Myanmar. In diplomatieke contacten met Indonesië spreek ik de Nederlandse waardering uit voor de voortrekkersrol die Indonesië hier op zich heeft genomen.
Heeft u enig zicht op de situatie van minderheden in Myanmar zoals de Rohingya? Zo ja, worden zij onder het nieuwe beleid niet wederom verstoten?
De situatie van etnische minderheden in Myanmar, waaronder de Rohingya, is nog altijd zorgelijk. Onderliggende problemen in Rakhine zijn niet opgelost en de situatie blijft fragiel. Het geweld van het leger en de politie is gericht tegen alle burgers die zich verzetten tegen de militaire coup.
Kunt u de Kamer informeren over de genomen maatregelen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die gisteren bijeen is gekomen? Kunt u daarbij aangeven wat de vervolgstappen van Nederland en de EU zijn?
De Veiligheidsraad is na de militaire coup twee keer in spoedzitting bijeen gekomen. Na de eerste spoedzitting is een persverklaring7 aangenomen en na de tweede spoedzitting is een presidential statement8 uitgegaan. De Veiligheidsraad heeft eensgezind ernstige zorgen uitgesproken over de situatie in Myanmar en het gebruik van geweld tegen vreedzame demonstranten veroordeeld. De Veiligheidsraad roept op geen geweld te gebruiken, gevangenen vrij te laten, mensenrechten te respecteren en de rechtsstaat te herstellen. In de presidential statement van 10 maart jl. spreekt de Veiligheidsraad steun uit voor de pogingen van de VN Speciale Gezant voor Myanmar Burgener om dialoog te faciliteren en dringt de Veiligheidsraad aan op een spoedig bezoek van de VN Speciale Gezant aan Myanmar. Nederland en de EU blijven eveneens oproepen tot toegang voor de VN Speciale Gezant.
Het rapport 'Same Faith, Different Persecution' van Open Doors |
|
Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU), Jan de Graaf (CDA), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Wat heeft het overleg in 2020 opgeleverd van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging met de speciaal vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties (VN) voor seksueel geweld in conflict en de speciale VN-rapporteur over het onderwerp Gender Specific Religious Persecution, waar u in de beantwoording van onze vragen daarover aan refereerde?1
In de beantwoording van de Kamervragen over seksueel geweld tegen christelijke vrouwen (27 maart 2020, kenmerk 2020Z04470) is toegezegd dat de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging (SGRL) een gesprek zou hebben met de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN voor Seksueel Geweld in Conflict en met de VN Speciaal Rapporteur voor Religie en Levensovertuiging, Dr. Shaheed, om dit onderwerp aan te kaarten. In het gesprek tussen de SGRL en Dr. Shaheed kwam naar voren dat niet de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN voor Seksueel Geweld in Conflict, maar juist de VN Speciaal Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen de meest voordehand liggende partner is om genderspecifieke religieuze vervolging te aan te pakken. Dr. Shaheed zegde toe de Speciaal Rapporteur voor geweld tegen vrouwen te zullen betrekken bij de uitvoering van zijn rapport over religie en gender. Ook zal Dr. Shaheed nauw samenwerken met de Werkgroep Discriminatie van Vrouwen en Meisjes.
Met Dr. Shaheed is afgesproken dat de financiële middelen die door Nederland beschikbaar zijn gesteld aan het Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) en de VN Speciaal Rapporteur voor Religie en Levensovertuiging (conform motie 35 570 V, nr. 48) onder meer worden ingezet voor activiteiten op het snijvlak van religie en gender.
Herkent u de bevinding uit het nieuwste rapport over dit onderwerp2 dat juist vrouwen of meisjes uit religieuze minderheden onderworpen worden aan gedwongen huwelijken en mensenhandel om zo hun religieuze gemeenschap te raken? Hoe kunt u dit gegeven in het Nederlandse mensenrechtenbeleid adresseren?
Het kabinet herkent dat vrouwen en meisjes uit religieuze minderheden onderworpen worden aan gedwongen huwelijken en mensenhandel. Dit is een zorgelijke ontwikkeling die het kabinet nauwlettend in de gaten houdt en indien opportuun opbrengt in politieke consultaties. Of gedwongen huwelijken en mensenhandel worden ingezet als middel om een breder doel te bereiken, namelijk het bewust raken van religieuze gemeenschappen, kan het kabinet niet bevestigen. Vrouwen en meisjes uit religieuze minderheden zijn veelal ook kwetsbaar door de achtergestelde sociaaleconomische positie waarin ze zich bevinden.
De dubbele kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes uit religieuze minderheden raakt aan twee Nederlandse mensenrechtenprioriteiten, namelijk gelijke rechten voor vrouwen en meisjes en de vrijheid van religie en levensovertuiging en wordt met name geadresseerd vanuit de Nederlandse inzet op deze tweede prioriteit. Binnen de vrijheid van religie en levensovertuiging heeft Nederland specifiek aandacht voor kwetsbare groepen, zoals vrouwen en meisjes. Dit uit zich onder andere in mensenrechtenprojecten die op het snijvlak liggen van religie en gelijke rechten voor vrouwen en meisjes en in het toepassen van een genderlens in mensenrechtenprojecten. Binnen de prioriteit gelijke rechten voor vrouwen en meisjes zet Nederland zich in voor de verbetering van de (maatschappelijke) positie van vrouwen en meisjes. Hierbij is het van belang om de positie van vrouwen zodanig te versterken dat zij ook zelf in staat zijn hun gelijke rechten voor de wet af te dwingen. Daarnaast worden kwesties zoals gedwongen bekeringen en huwelijken aangekaart in bilateraal verband tijdens politieke consultaties. Nederland adresseert het thema religie en gender ook binnen de International Religious Freedom and Belief Alliance (IRFBA). Binnenkort zal IRFBA spreken over (genderspecifieke) geloofsvervolging in overwegend christelijke landen in Latijns-Amerika dat specifiek in het rapport is uitgelicht.
Bent u het eens met de aanbeveling uit dit rapport dat er doelgericht beleid en hulp nodig is voor deze vrouwen die dubbel kwetsbaar zijn, als lid van een religieuze minderheid?
Dubbele kwetsbaarheden van vrouwen en meisjes kunnen worden versterkt wanneer beleid en interventies daar blind voor zijn. Dit besprak de Nederlandse Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging ook met de VN Speciaal Rapporteur voor Religie en Levensovertuiging. De VN Speciaal Rapporteur benoemde in zijn recente rapport over de vrijheid van religie en levensovertuiging in relatie tot de Duurzame Ontwikkelingsdoelen het belang van doelgerichte interventies om deze dubbele kwetsbaarheden tegen te gaan. De financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld aan OHCHR en de VN Speciaal Rapporteur voor Religie en Levensovertuiging (conform motie 35 570 V, nr. 48) zullen onder meer worden ingezet om opvolging te geven aan de aanbevelingen die voortvloeien uit dit rapport.
Hoe reageren de overheden van landen waar deze vorm van religieuze onderdrukking plaatsvindt, erop wanneer Nederland hen hierop aanspreekt?
In algemene zin staan overheden van andere landen open voor dit soort gesprekken, al wordt ter uitleg of verdediging regelmatig teruggegrepen op de culturele context in het desbetreffende land.
Bent u van mening dat er internationaal gezien, bijvoorbeeld binnen de VN, voldoende aandacht is voor deze kwetsbare groepen? Zo ja, waar blijkt dat dan uit? Zo nee, wat kunt u daar aan doen?
Het verbeteren van de positie van kwetsbare groepen is integraal onderdeel van het werk van de VN. De VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten spant zich specifiek in voor de meest kwetsbaren, waaronder vrouwen en meisjes. Dit is onder andere vastgelegd in het United Nations Human Rights Management Plan (2018–2021). Daarnaast zijn er diverse Speciaal Rapporteurs, zoals de Speciaal Rapporteur voor Religie en Levensovertuiging, de Speciaal Rapporteur voor Minderhedenkwesties, Speciaal Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen, en diverse werkgroepen, zoals de Werkgroep Discriminatie van Vrouwen en Meisjes en het Forum voor Minderheidskwesties, die zich bezighouden met de positie van kwetsbare groepen. Bovendien zijn alle mandaathouders verplicht om een genderlens toe te passen binnen hun werk. Tevens is er in reactie op de huidige COVID-19 crisis in het bijzonder aandacht voor de positie van vrouwen en meisjes.
De positie van de LHBT+ gemeenschap in Ghana |
|
Tom van den Nieuwenhuijzen-Wittens (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Founder of LGBTQI center shut down in Ghana says he fears for his safety» van CNN?1
Ja.
Klopt het dat de Ghanese politie het kantoor en gemeenschapscentrum van de organisatie LGBT+ Rights Ghana heeft bestormd? Wat is er precies gebeurd?
Na de opening van het gemeenschapscentrum heeft de verhuurder van het pand de overeenkomst met LGBT+ Rights Ghana opgezegd, omdat de activiteiten van het centrum vooraf niet duidelijk aan hem zouden zijn gecommuniceerd. Tevens dreigden meerdere groepen en personen het pand in brand te steken. Een bezoek van de verhuurder aan het centrum verliep daardoor onder politiebegeleiding, waardoor de indruk is gewekt dat het hier om politie-ingrijpen ging. Dit was niet het geval. De politie is naar eigen zeggen meegegaan naar het centrum om rust en orde te herstellen. Er was nadrukkelijk geen intentie of opdracht om de leden van de organisatie te arresteren of het pand te bestormen.
Bent u bereid om de Ghanese autoriteiten om opheldering te vragen over de bestorming van het centrum en erop aan te dringen dat LGBT+ Rights Ghana het centrum kan heropenen en haar werkzaamheden kan hervatten?
Aangezien het centrum niet is bestormd en niet van overheidswege is gesloten, is er geen directe aanleiding om de Ghanese autoriteiten op dit punt aan te spreken. Nederland bespreekt de algemene situatie van LHBTI-personen in Ghana wel regelmatig in bilaterale contacten met de Ghanese autoriteiten. Als onderdeel van de dialoog over mensenrechten en bescherming van minderheden is ook de situatie rondom het gemeenschapscentrum onderwerp van gesprek.
Waren vertegenwoordigers van de Nederlandse ambassade ook aanwezig bij de opening van het centrum op 31 januari? Heeft Nederland of de Europese Unie de oprichting van het centrum mede gefinancierd?
Helaas kon er geen vertegenwoordiger van de Nederlandse ambassade aanwezig zijn bij de opening van het centrum. Nederland noch de Europese Unie heeft financieel bijgedragen aan het centrum. Wel is er brede steun vanuit Nederland voor organisaties in Ghana die zich inzetten voor de bescherming en rechten van minderheden, inclusief LHBTI-personen.
Wat is de huidige veiligheidssituatie voor Alex Kofi Donkor, de directeur van LGBT+ Rights Ghana? In hoeverre kunnen Nederland en de Europese Unie bijdragen aan zijn veiligheid?
Er is in Ghana geen actief overheidsbeleid gericht tegen de LHBTI-gemeenschap. Veelal is politie-ingrijpen juist gericht op bescherming van personen en hun eigendommen. Omdat in dit geval de gemoederen in de samenleving hoog opliepen en de betreffende persoon in de media door meerdere groepen en personen werd bedreigd, was zijn veiligheid in het geding. Over zijn specifieke veiligheidssituatie en eventuele bescherming kan om voor de hand liggende redenen geen informatie worden gedeeld.
Wat is de algemene situatie van de LHBT+ gemeenschap in Ghana? In hoeverre wordt deze groep gediscrimineerd, in de samenleving als geheel en door de Ghanese overheid in het bijzonder?
In Ghana worden LHBTI-personen over het algemeen niet geaccepteerd. LHBTI-personen in Ghana ondervinden discriminatie en zijn soms slachtoffer van geweld. Een recente peiling wijst uit dat 87% van de Ghanezen tegen de aanwezigheid van dit specifieke LHBT+ kantoor is. De Ghanese overheid houdt zich over het algemeen wel aan internationale mensenrechtenafspraken, hoewel ministers en andere autoriteiten zich op persoonlijke titel regelmatig afkeurend uitspreken over de LHBTI- gemeenschap.
Welke rol spelen religieuze leiders en de media in het aanwakkeren van haat jegens de LHBT+ gemeenschap in Ghana?
Religieuze leiders en de media in Ghana staan in het algemeen afkeurend tegenover de LHBTI-gemeenschap. De opening van het gemeenschapscentrum heeft het debat over de positie van de LHBTI-gemeenschap weer in de actualiteit gebracht. Hoewel er ook een tegengeluid is, zoals een oproep door de Ghanese diaspora voor meer tolerantie, is de algemene teneur ongenuanceerd en nadelig voor de gemeenschap.
Op welke wijze ondersteunen Nederland en de Europese Unie de Ghanese LHBT+ gemeenschap? Bent u bereid om deze ondersteuning te intensiveren, gezien het verslechterende klimaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Nederland ondersteunt wereldwijd maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de gelijke rechten van LHBTI-personen en trekt samen met internationale partners, zoals de EU, op om de positie van LHBTI-personen te verbeteren, ook in Ghana. De Nederlandse mensenrechtenambassadeur ging tijdens haar bezoek aan Ghana in februari 2020 in gesprek met LHBTI-personen om te horen over hun ervaringen en uitdagingen en besprak dit onderwerp op hoog politiek niveau en met de Ghanese Mensenrechtencommissie. Nederland bekijkt voortdurend bij welke steun de LHBTI+ gemeenschap in Ghana het meeste baat heeft.
De virtuele handelsmissie India, de omstreden landbouwwetten, de repressie van de maatschappelijke protesten en mogelijke gevolgen voor Nederlandse bedrijven |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Is tijdens de virtuele handelsmissie met de Indiase regering van 8 tot 12 februari jl. gesproken over de vergaande nieuwe landbouwwetten in India, die in eerste instantie zonder dialoog met boerenvakbonden tot stand zijn gekomen, en de al maanden durende boerenprotesten daartegen1, alsmede over de gevolgen die dit mogelijk heeft voor het opereren van Nederlandse bedrijven in de landbouwsector? Zo ja, wat is daarover besproken en zo nee, wat is uw mening over deze kwesties?
Tijdens de virtuele handelsmissie hebben geen gesprekken met de Indiase regering plaatsgevonden. Voor mijn appreciatie over de landbouwwetten verwijs ik naar de beantwoording op vragen van het lid Kuzu (DENK) met kenmerk Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2129.
Zijn de kwesties van onder meer gebonden arbeid, kinderarbeid, de discriminatie van Dalits2, en het veelal ontbreken van een leefbaar loon of inkomen voor met name vrouwen in de Indiase landbouw tijdens de virtuele handelsmissie besproken? Zo ja, wat is daarvan het resultaat? Zo nee, op welke andere momenten en manieren werden en/of worden deze kwesties aan de orde gesteld?
Tijdens de kick-off van het landbouw gerelateerde deel van de virtuele handelsmissie zijn deelnemers gewezen op het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tevens is tijdens de missie een artikel3 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in de Indiase landbouwsector gepubliceerd en onder de aandacht van missiedeelnemers gebracht. De Nederlandse overheid verwacht van Nederlandse bedrijven die handel drijven met India of daar opereren dat zij conform de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen handelen.
Aandacht voor de positie van vrouwen, ook in de landbouwsector in India, is één van de speerpunten van de inzet van het kabinet. Vrouwen en meisjes in India worden hard geraakt door de impact van de Covid-19 crisis. Via een aantal projecten wordt getracht vrouwen en meisjes door middel van trainingen te ondersteunen zodat zij in de toekomst zoveel mogelijk in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien.
Is eveneens met de Indiase regering gesproken over de volgens Human Rights Watch3 ongefundeerde beschuldigingen van criminele handelingen door acht journalisten vanwege berichtgeving over de boerenprotesten in januari 2021? Zo ja, wat is besproken en zo nee, wat is uw opvatting over deze beschuldigingen en meer algemeen over het in diskrediet brengen van journalisten en anderen die over de protesten berichten?
Het kabinet volgt de mensenrechtensituatie in India, inclusief de (sociale) mediavrijheid, werknemersrechten en mensenrechten in de breedste zin van het woord, op de voet en in nauw overleg met EU-partners. Zorgen over mensenrechtenkwesties worden zowel op politiek als ambtelijk niveau regelmatig naar voren gebracht, bilateraal en in EU-verband. Meest recent is dit gebeurd in hoogambtelijke gesprekken met de nieuwe Indiase ambassadeur in Nederland.
In het kader van de lokale EU-India mensenrechtendialoog zullen diverse kanten van de mensenrechtensituatie worden belicht en zal het belang van een sterk maatschappelijk middenveld worden onderstreept.
Wat vind u van het in dit kader door de Indiase overheid afsluiten van internet, het censureren van sociale media en wat Amnesty International aanduidt als «the escalating crackdown on protesters, farming leaders and journalists» etc., alsmede de oproep van Amnesty tot «immediate and unconditional release of those arrested solely for peacefully exercising their rights to freedom of expression and peaceful assembly»?4
Zie antwoord vraag 3.
Is de toenemende bredere repressie van critici van de regering, waaronder maatschappelijke organisaties, vakbonden, journalisten, academici etc. zoals onder meer beschreven in het Global Report 2021 – India, Events in 2020 5 van Human Rights Watch tijdens de missie of tijdens andere recente contacten van de Nederlandse met de Indiase regering door Nederland aan de orde gesteld? Zo ja, wat was de Nederlandse inzet op dit punt en de Indiase reactie daarop? Zo nee, bent u dit alsnog van plan en zo ja, wanneer, dit indringend bij de Indiase regering aan de orde te stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot nieuwe onderhandelingen over mogelijke EU-India handels- en investeringsovereenkomsten? Staat u (nog steeds) achter de opvatting dat daarin (zo mogelijk bindende) bepalingen moeten worden opgenomen over het naleven van internationale verdragen op het gebied van onder meer arbeids- en mensenrechten? Heeft Nederland op dit gebied een bijdrage gedaan waarin de hierboven genoemde kwesties en recente ontwikkelingen zijn meegenomen aan de EU-India «High-Level Dialogue on Trade and Investment» van 6 februari?
Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage handelsakkoorden van 21 februari 2021 (bijlage bij de Geannoteerde Agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken Handel van 2 maart 2021, kamerstuk 21 501-02, nr. 2294) liggen de onderhandelingen over een mogelijk EU-India handels- en investeringsakkoord sinds de zomer van 2013 stil. Na verschillende pogingen om de EU-India Free Trade Agreement onderhandelingen te heropenen, is in juni 2018 besloten de onderhandelingen voorlopig niet te herstarten wegens een blijvend gebrek aan een gelijk ambitieniveau. De Commissie blijft de strategische dialoog met India voortzetten, o.a. via de High Level Dialogue on Trade and Investment, om de onderhandelingen in de toekomst te kunnen heropenen. Momenteel is er geen zicht op een herstart van de onderhandelingen. Individuele lidstaten nemen niet deel aan bovengenoemde High Level Dialogue on Trade and Investment, Nederland heeft dan ook geen bijdrage gedaan.
Bilaterale Belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting. |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Wanneer bent u, samen met de Minister van Financien, voornemens om de planningsbrief 2021 naar de Kamer te sturen?
Tijdens het AO belastingontwijking van 11 februari jl. heb ik toegezegd uw Kamer een brief te sturen over de stand van zaken en planning met betrekking tot de onderhandeling van belastingverdragen. Ik verwacht deze brief in april aan uw Kamer te sturen.
Kunt u toezeggen om jaarlijks bij de planningsbrief een overzicht mee te sturen van de belastingverdragen waarin is opgenomen met welke landen in het lopende jaar een (nieuw/herzien/protocol wijziging) belastingverdrag is gesloten, met welke landen Nederland op dat moment onderhandelt en met welke landen Nederland voornemens is om het komende jaar de onderhandelingen te starten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten op welke manier u dit wilt vormgeven in overeenstemming met uw eerdere toezegging bij het algemeen overleg Belastingontwijking van 11 februari 2021?
Ja, in de brief die ik in april aan uw Kamer wil sturen zal ik in ieder geval ingaan op (i) de in het afgelopen jaar gevoerde onderhandelingen, (ii) de in het afgelopen jaar ondertekende belastingverdragen en wijzigingsprotocollen en de stand van de goedkeurings- en ratificatieprocedure met betrekking tot deze en andere reeds ondertekende belastingverdragen en (iii) het onderhandelplan voor het komende jaar. In het vervolg zal ik jaarlijks in het eerste kwartaal een dergelijke brief aan uw Kamer sturen, zodat u periodiek inzicht krijgt in de stand van zaken met betrekking tot de verdragsonderhandelingen.
In de aankomende brief zal ik, zoals toegezegd aan mevrouw Leijten, ook ingaan op het Nederlandse beleid met betrekking tot de maximale (bron)belastingtarieven in de belastingverdragen met ontwikkelingslanden.
Deelt u de mening dat informatie als de stand van zaken van de onderhandeling voor Nederlanders in het buitenland of mensen woonachtig in Nederland en belastingplichtig in een ander land uiterst relevant is en dat duidelijkheid over het tijdspad van het onderhandelingsproces hun ook de mogelijkheid geeft om hun zienswijze te delen over verbeterpunten ten aanzien van het «oude» verdrag? Zo nee, waarom niet?
Ja, het sluiten of aanpassen van belastingverdragen kan gevolgen hebben voor zowel burgers als bedrijven die over de landsgrenzen heen economisch actief zijn. Het is van belang dat belanghebbenden zicht hebben op welke onderhandelingen er (gaan) lopen, zodat zij de mogelijkheid hebben om informatie die relevant kan zijn voor die onderhandelingen te delen. In dat kader wordt jaarlijks al een nieuwsbericht gepubliceerd waarin wordt aangegeven welke onderhandelingen het ministerie dat jaar beoogt te starten of voort te zetten.1 In dit nieuwsbericht worden belanghebbenden expliciet uitgenodigd informatie of zienswijzen die mogelijk relevant zijn voor de aangekondigde onderhandelingen te delen met het ministerie, zodat het ministerie deze informatie vervolgens kan betrekken bij de onderhandelingen. Daarnaast heeft het ministerie regelmatig contact met NGO’s, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, waarbij signalen ten aanzien van de belastingverdragen kunnen worden gedeeld.
Kunt u bevestigen dat Nederland als richtlijn voor de onderhandeling tot het sluiten van een bilateraal belastingverdrag uitgaat van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid?
Ja. De Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 («NFV 2020») geeft de Nederlandse onderhandelingsinzet op hoofdlijnen weer en dient dus als richtlijn bij onderhandelingen over een bilateraal belastingverdrag. Ik merk daarbij wel op dat ieder land waarmee wordt onderhandeld een eigen verdragsbeleid kent. Dat verdragsbeleid zal in beginsel (op punten) afwijken van het Nederlandse verdragsbeleid. Het zal daarom in de praktijk lastig zijn om de volledige beleidsinzet uit de NFV 2020 te realiseren in een belastingverdrag. Om voor uw Kamer inzichtelijk te maken in welke mate de uitgangspunten van de NFV 2020 hun weerslag hebben gevonden in het desbetreffende nieuwe verdrag wordt een toetsschema met de standaardcriteria uit de NFV 2020 als vast onderdeel opgenomen in de toelichtende nota bij nieuwe verdragen.
Hoe wordt in de reeds lopende onderhandelingen waarborg gegeven aan de wijzigingen in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 ten opzichte van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011?
De NFV 2020 legt de uitgangspunten vast zoals Nederland die in de praktijk vaak al hanteerde. Zo geldt bijvoorbeeld dat de bepalingen tegen verdragsmisbruik die zijn ontwikkeld in het kader van het BEPS-project al deel uitmaakten van het Nederlandse verdragsbeleid.2 Veel uitgangspunten uit de NFV 2020 zijn dus ook bij de reeds lopende onderhandelingen onderdeel van de Nederlandse onderhandelingsinzet geweest. Op punten waarbij Nederland in lopende onderhandelingen initieel van een andere inzet is uitgegaan, zal worden bezien in hoeverre het mogelijk is om de uitgangspunten uit de NFV 2020 alsnog te realiseren.
Klopt het dat Nederland, door het fiscaal faciliteren van het pensioen via de socialezekerheidswetgeving, het te rechtvaardigen acht om af te wijken van de exclusieve woonstaatheffing voor particuliere pensioenen en socialezekerheidsuitkeringen zoals in het OESO-modelverdrag staat opgenomen? Kunt u dit toelichten?
Ja, Nederland zet in op een uitsluitende bronstaatheffing voor pensioenen en socialezekerheidsuitkeringen. De reden hiervoor is dat een pensioen tijdens het werkzame leven in Nederland fiscaal gefacilieerd wordt opgebouwd. Dat wil zeggen dat de pensioenpremies aftrekbaar zijn en de pensioenaanspraken onbelast. Om die reden wil Nederland het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen behouden. Daarnaast spelen budgettaire redenen en het voorkomen van dubbele niet-belasting een rol. Deze verdragsinzet geldt overigens ook voor lijfrente-uitkeringen.
Hoe wordt in het kader van het afwijken van het OESO-modelverdrag ten aanzien van de exclusieve woonstaatheffing voor particuliere pensioenen en socialezekerheidsuitkeringen bij het sluiten van een belastingverdrag (wijziging dan wel nieuw) rekening gehouden met de reeds geldende manier van belastingafdracht?
Indien nog geen verdrag van toepassing is, past Nederland als bronstaat al een bronstaatheffing voor pensioenuitkeringen en socialezekerheidsuitkeringen toe. Indien het woonland het pensioen en/of de sociale zekerheidsuitkering ook belast, is sprake van dubbele belastingheffing. Een nieuw verdrag zal er dan in voorzien dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen.
Indien sprake is van wijziging ten opzichte van de bestaande verdragssituatie, leidt dit mogelijk tot een gehele of gedeeltelijke verschuiving van de heffingsrechten van het woonland naar het bronland. Dit kan inkomenseffecten voor verschillende groepen belastingplichtigen met zich brengen. Om deze inkomensgevolgen te beperken en/of om de budgettaire effecten voor de verdragspartner te mitigeren, kan het onder omstandigheden wenselijk zijn om een overgangsregeling op te nemen in het verdrag. Een overgangsregeling zorgt ervoor dat de gevolgen van de nieuwe heffingsrechtverdeling geleidelijk of pas later intreden. Dit belang moet worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het budgettaire effect voor Nederland (de bronstaatheffing kan pas later volledig worden geëffectueerd), de uitvoeringsaspecten en administratieve lasten, omdat een overgangsregeling complex kan zijn voor de uitvoering. Of en in hoeverre een overgangsregeling wenselijk is, wordt op basis van deze afweging per geval beoordeeld.
Kunt u reflecteren op de stand van zaken van de onderhandelingen met Frankrijk over het belastingverdrag, de wijzigingen in het recentelijk gesloten belastingverdrag met Zwitserland en toelichten op welke punten het protocol tot wijziging van het belastingverdrag met Polen afwijkt van het Nederlandse verdragsbeleid dan wel is gewijzigd ten opzichte van het huidige verdrag?
Op dit moment wordt er niet onderhandeld met Frankrijk. Bij initiële besprekingen over het herzien van het belastingverdrag bleken de Nederlandse en Franse wensen niet op elkaar aan te sluiten. Daarom is er daarna niet verder gesproken over aanpassing van het verdrag. Wel hebben Nederland en Frankrijk beide gekozen voor toepassing van het Multilaterale Instrument, waardoor per 2020 aanvullende antimisbruikbepalingen aan het belastingverdrag zijn toegevoegd.
Per 1 januari 2021 is een protocol tot wijziging van het belastingverdrag met Zwitserland van toepassing geworden.3 Met dit wijzigingsprotocol is het in 2010 gesloten belastingverdrag op een aantal onderdelen gewijzigd en is in hoofdzaak bereikt dat het verdrag in lijn is gebracht met de zogenoemde minimumstandaard die is ontwikkeld in het OESO/G20-project «Addressing Base Erosion & Profit Shifting» («BEPS-project»). Voorts is de verdragstoepassing ten aanzien van pensioenfondsen en van instellingen voor collectieve belegging verduidelijkt en is de verdeling van heffingsrechten over pensioenen en dergelijke uitkeringen herzien. Daarnaast zijn enkele technische wijzigingen opgenomen. Voor een uitgebreide toelichting op deze wijzigingen verwijs ik naar de toelichtende nota bij dit wijzigingsprotocol.4
Op 29 oktober 2020 hebben Nederland en Polen een protocol tot wijziging van het belastingverdrag uit 2002 ondertekend.5 Dit wijzigingsprotocol is voorgelegd aan de Raad van State ter advisering en wordt aansluitend aan uw Kamer voorgelegd ter goedkeuring. De inzet van Nederland bij de verdragsonderhandelingen was gebaseerd op het verdragsbeleid zoals neergelegd in de NFV 2011, waarbij echter ook rekening is gehouden met de relevante ontwikkelingen sinds de publicatie van de NFV 2011. Zo zijn de aanbevelingen uit het BEPS-project en het MLI door Nederland direct tot het Nederlandse verdragsbeleid gerekend. Met het wijzigingsprotocol wordt in hoofdzaak bereikt dat het belastingverdrag met Polen in lijn wordt gebracht met de minimumstandaard van het BEPS-project. Daarnaast wordt het verdrag met Polen op een aantal punten geactualiseerd, in aansluiting bij het OESO-modelverdrag volgens de tekstversie van 2017, en wordt de heffingsrechtverdeling op enkele punten herzien. Dit laatste betreft met name de voordelen behaald bij de vervreemding van aandelen in zogenoemde «onroerendezaaklichamen» en pensioenuitkeringen. Uiteraard zal ik uw Kamer in het kader van de aanstaande goedkeuringsprocedure over dit wijzigingsprotocol een toelichtende nota sturen, waarin uitgebreider en per onderdeel wordt ingegaan op de verschillende wijzigingen en de verhouding tot het verdragsbeleid.
Hoe wordt bij een mogelijke herziening van de afspraak tussen Nederland en Frankrijk dat Nederland geen bronbelasting over in Nederland opgebouwde pensioenen heft, terwijl volgens de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 Nederland hier wel op inzet bij de onderhandeling over een nieuw belastingverdrag rekening gehouden met in Frankrijk woonachtige Nederlanders? Kunt u toezeggen dat dit niet leidt tot een dubbele belastingheffing? Kunt u toelichten of dit leidt tot een hogere belastingafdracht in zijn totaliteit als zowel aan Nederland als aan Frankrijk over (een deel van) het opgebouwde pensioen belasting betaald moet worden? Hoe wordt rekenschap gegeven van de verschillende aftrekposten? Hoe worden de administratieve lasten zoveel als mogelijk beperkt?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 aangaf, wordt er op dit moment niet onderhandeld met Frankrijk. Mocht er in de toekomst weer met Frankrijk worden onderhandeld over het belastingverdrag, dan zal Nederland conform de NFV 2020 een bronstaatheffing voor pensioenen voorstellen. Zowel wanneer een eventueel herzien verdrag zou voorzien in een bronstaatheffing als wanneer dat verdrag zou voorzien in een woonstaatheffing, wijst het belastingverdrag het heffingsrecht in beginsel toe aan één van beide landen en wordt dubbele belastingheffing over een pensioenuitkering voorkomen.
Het maken van nieuwe afspraken over de verdeling van heffingsrechten tussen landen kan voor belastingplichtigen leiden tot inkomensgevolgen. Belastingplichtigen kunnen bij een nieuwe verdeling van heffingsrechten immers te maken krijgen met een ander belastingstelsel dan eerder het geval was. De vraag of en in hoeverre inkomensgevolgen optreden (mede) als gevolg van een gewijzigd belastingverdrag is per individueel geval afhankelijk van verschillende factoren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de persoonlijke situatie van een belastingplichtige, waaronder de hoogte van het (overige) inkomen, de belastingheffing in het andere land en de wijzigingen in fiscale wetgeving waar belastingplichtigen na het sluiten van het belastingverdrag mee te maken krijgen. Zoals ik aangaf in antwoord op vraag 7, kan worden overwogen om overgangsrecht overeen te komen waardoor de gevolgen van een nieuwe heffingsverdeling geleidelijk of pas later intreden.
Klopt het dat door het herziene belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in Nederland opgebouwde pensioenen van Nederlanders woonachtig in Zwitserland vanaf 1 januari 2021 door Nederland mogen worden belast (maximaal 15% van het brutobedrag over periodieke pensioen- socialezekerheidsuitkeringen en volledig belasting over eenmalige uitkeringen)? Zo nee, kunt u dat toelichten?
Ja. Met het wijzigingsprotocol is het oorspronkelijke pensioenartikel (artikel 18) in het belastingverdrag met Zwitserland vervangen door een geheel nieuw artikel 18. Het nieuwe artikel 18 van het Verdrag is op 1 januari 2021 van toepassing geworden. Op grond van het nieuwe artikel 18, eerste lid, van het Verdrag mag de bronstaat heffen over onder andere pensioenen en lijfrenten, alsmede socialezekerheidsuitkeringen. Het heffingsrecht van de bronstaat is beperkt tot maximaal 15% over het brutobedrag van de pensioenen en lijfrenten alsmede socialezekerheidsuitkeringen indien het reguliere, periodieke uitkeringen betreft. Dit betekent dat in Nederland opgebouwde pensioenen6 van inwoners van Zwitserland vanaf 1 januari 2021 door Nederland mogen worden belast tot maximaal 15% van het brutobedrag van de betaling, indien het gaat om reguliere, periodieke uitkeringen.
In geval van een eenmalige uitkering, zoals bij afkoop van pensioenaanspraken het geval kan zijn, is het heffingsrecht van de bronstaat niet beperkt tot 15% van het brutobedrag. In dat geval mag de bronstaat de uitkering dus volledig belasten.
Kunt u toelichten op welke manier deze wijziging in het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland tot stand is gekomen? Waarom is besloten tot het maximale percentage van 15%? Welke nadere afspraken zijn gemaakt over het «maximum» percentage met Zwitserland om mogelijke dubbele belastingheffing te voorkomen? Betekent dit dat Nederland 15% belasting mag heffen over het brutobedrag aan bijvoorbeeld pensioenuitkering en dat Zwitserland ook nog over een deel belasting mag heffen? Wat betekent dit voor de totale belastingafdracht van in Zwitserland woonachtige Nederlanders? Wat betekent de wijziging per 1 januari 2021 voor de afdracht in vergelijking met voorgaande jaren, zowel in belastingpercentage als in de procedure? Kunnen gepensioneerde Nederlanders evengoed nog gebruik maken van verschillende aftrekposten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel? Hoe worden de administratieve lasten zoveel als mogelijk beperkt?
Overeenkomstig het Nederlandse verdragsbeleid heeft Nederland tijdens de onderhandelingen met Zwitserland over een nieuw pensioenartikel voorgesteld de bronstaat een volledig heffingsrecht toe te kennen. Zwitserland kon met een dergelijk generiek heffingsrecht voor de bronstaat echter niet instemmen. Het huidige artikel in het Verdrag is derhalve het resultaat van een compromis tussen Nederland en Zwitserland.7
Zoals in mijn antwoord op vraag 10 is vermeld, mag de bronstaat op grond van het gewijzigde Verdrag een pensioenuitkering belasten. Zwitserland mag een uit Nederland afkomstig pensioen dat wordt genoten door een inwoner van dat land in de belastingheffing betrekken, maar dient daarbij wel te voorzien in voorkoming van dubbele belasting voor de in Nederland geheven belasting. In de nieuwe voorkomingsbepaling in het Verdrag (het huidige artikel 22, vijfde lid, onderdeel c) is opgenomen dat bij uit Nederland afkomstige periodieke pensioenen, waarover Nederland tot 15% belasting mag heffen, Zwitserland (op verzoek) een partiële vrijstelling toepast van 1/3 van het nettobedrag van het desbetreffende inkomensbestanddeel. Welke gevolgen deze wijzigingen voor individuele belastingplichtigen in Zwitserland hebben, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. Dit zal mede afhangen van het Zwitserse kanton waar iemand woont, zijn of haar persoonlijke situatie en in hoeverre aanspraak kan worden gemaakt op eventuele aftrekposten. Verder beschik ik niet over gegevens van de totale belastingafdracht van Nederlanders die in Zwitserland wonen. Gegevens over de inkomsten van en belastingafdracht door in het buitenland wonende Nederlanders zijn voor de Nederlandse belastingheffing in beginsel niet relevant.
Inwoners van Zwitserland met een pensioen uit Nederland dienen aangifte te doen in Zwitserland en Nederland. In beginsel vindt de bronstaatheffing van maximaal 15% over het brutopensioen dat afkomstig is uit Nederland en dat wordt betaald aan een inwoner van Zwitserland plaats door middel van inhouding en afdracht door de inhoudingsplichtige voor de loonbelasting, of in samenhang met de aanslagregeling in de inkomstenbelasting indien voor de loonbelasting geen rekening is gehouden met de beperking tot 15%. In Zwitserland zal de belastingplichtige een beroep moeten doen op de bovengenoemde partiële vrijstelling.
Herinnert u zich dat er tijdens het algemeen overleg Belastingontwijking op 11 februari 2021 reeds kort is gesproken over artikel 17 in het OESO-modelverdrag; het artikel dat regelt welk land belasting mag heffen over het inkomen van sporters en artiesten?
Ja.
Wanneer verwacht u de Kamer te kunnen informeren over de toegezegde mogelijke oplossingen rond artikel 17 (artikel 17 schrijft voor dat in principe het werkland mag heffen over het inkomen van sporters en artiesten, daar waar Nederland vanwege de administratieve gevolgen en het risico op dubbele belasting graag ziet dat het woonland belasting heft over het inkomen van sporters en artiesten) en de rapportage over de uitwerking van het artikel in (de komende) bilaterale belastingverdragen?
In de NFV 2020 staat beschreven wat bij verdragsonderhandelingen de Nederlandse inzet is met betrekking tot de heffing over het inkomen van sporters en artiesten. In mijn brief aan uw Kamer van 21 januari jl.8 heb ik deze inzet nader toegelicht en aangegeven welke problematiek Nederland met deze inzet beoogt op te lossen. In het algemeen overleg van 11 februari 2021 kwam de verdragspositie van sporters en artiesten opnieuw ter sprake en werd een aantal van de hierna volgende vragen gesteld. Ik heb toen toegezegd om hier schriftelijk op terug te komen. Dat doe ik door middel van de onderstaande beantwoording. Over de realisatie van de Nederlandse inzet op dit punt zal ik uw Kamer informeren in de toelichtende nota die bij ieder verdrag en wijzigingsprotocol aan uw Kamer wordt gestuurd.
Kunt u toezeggen dat u in bilaterale belastingverdragsonderhandelingen altijd eerst probeert om artikel 17 over de belastingheffing voor sporters en artiesten te schrappen alvorens in te zetten op de inperkingen rond artikel 17 zoals genoemd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020? Zo nee, waarom niet? Bent u ervan op de hoogte dat Denemarken en Ierland bijvoorbeeld ook geen bronheffing kennen voor buitenlandse sporters en artiesten, dat België en Frankrijk in hun bilaterale belastingverdrag geen artikel 17 hebben en dat ontwikkelingslanden ook geen waarde hechten aan artikel 17?
De problematiek voor sporters en artiesten ontstaat doordat het internationaal gebruikelijk is dat belastingheffing bij deze groep plaatsvindt in het land van optreden. De gevolgen van belastingheffing in het land van optreden zijn veel administratieve lasten en vaak ook een hoge belastingdruk. Nederland is geen voorstander van dit uitgangspunt, maar vrijwel alle andere landen hechten hieraan. Nederland is een van de weinige landen die zich (in internationaal verband) de afgelopen jaren ervoor hebben ingespannen dat sporters en artiesten alleen worden belast in het woonland. Allereerst door vanaf 2007 in veruit de meeste gevallen buitenlandse sporters en artiesten niet meer in de Nederlandse belastingheffing te betrekken, zoals bijvoorbeeld ook Denemarken en Ierland buitenlandse sporters en artiesten niet in de belastingheffing betrekken. Ten tweede door sinds de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 te streven naar het achterwege laten van een afzonderlijk sporters- en artiestenartikel in belastingverdragen.
De afgelopen jaren is in de onderhandelingen met verschillende landen gepoogd om een afzonderlijk sporters- en artiestenartikel in belastingverdragen achterwege te laten. Hiermee zou in veruit de meeste gevallen worden voorkomen dat sporters en artiesten in het land van optreden worden belast en daarmee zouden de daarmee gepaard gaande problemen zich niet voordoen. Voor vrijwel alle landen waarmee hierover is gesproken inclusief ontwikkelingslanden bleek dit een brug te ver, omdat die landen sterk hechten aan belastingheffing in het land van optreden. Het is daarom niet zinvol gebleken om het huidige beleid te continueren en is het wenselijk om op een andere wijze zoveel mogelijk vorm te geven aan het uitgangspunt van het Nederlandse beleid (kort gezegd: woonstaatheffing). Dit zal naar verwachting voor de sporters en artiesten die (ook) in het buitenland optreden een beter resultaat opleveren. In de NFV 2020 is daarom als uitgangspunt opgenomen om voortaan een afzonderlijk sporters- en artiestenartikel op te nemen met zoveel mogelijk uitzonderingen.
Daarbij geldt dat Nederland voor iedere onderhandelingsronde onderzoekt hoe de nationale wet van de (toekomstige) verdragspartner in elkaar zit en wat de verdragspartner in verdragen met andere landen heeft afgesproken. Als uit dit onderzoek blijkt dat de (toekomstige) verdragspartner ook geen bronstaatheffing kent op het inkomen van buitenlandse sporters en artiesten, of als blijkt dat dit land als verdragsbeleid heeft om geen artikel voor sporters en artiesten op te nemen, zal Nederland eerst voorstellen om geen artikel voor sporters en artiesten op te nemen. In de praktijk zal dit echter om een zeer beperkt aantal (toekomstige) verdragspartners gaan.
Wanneer gaat Nederland de bronstaatheffing voor buitenlandse sporters en artiesten herintroduceren aangezien u nu van mening bent dat het in de meeste gevallen niet opportuun is om artikel 17 uit de belastingverdragen te houden? Hoe tracht u hierbij rekening te houden met landen als Denemarken en Ierland die geen bronheffing hebben voor buitenlandse sporters en artiesten?
Het (her)introduceren van een belastingplicht voor buitenlandse sporters en artiesten die in Nederland optreden, zou de Nederlandse onderhandelingspositie in bilaterale verdragsonderhandelingen kunnen verbeteren en daarmee bijdragen aan een beter onderhandelingsresultaat voor de Nederlandse sporters en artiesten die in het buitenland actief zijn. Voor andere belanghebbenden kan zo’n herintroductie echter negatieve gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor de Nederlandse organisatoren van evenementen. Ik wil daarom benadrukken dat eerst zal worden onderzocht of het (her)introduceren van een Nederlandse belastingplicht wenselijk is. Alle belangen zullen in dit proces zorgvuldig worden gewogen. Het onderzoek staat voor de middellange termijn gepland.
Kunt u een toelichting geven op de drie optionele maatregelen die Nederland wil nastreven om de reikwijdte van de bronheffing door invoering van artikel 17 zoveel mogelijk te beperken? Kunt u per optionele maatregel concreet ingaan op onderstaande opmerkingen:
Tegen voornoemde achtergrond opgenomen in de beantwoording op vraag 14 zal onder meer ingezet worden op een drempelbedrag in de sporters- en artiestenbepaling. Een drempelbedrag is een goede generieke maatregel die een grote groep sporters en artiesten uitsluit van de bronstaatheffing. Indien het drempelbedrag niet wordt overschreden, zullen Nederlandse sporters en artiesten namelijk (uiteindelijk) uitsluitend in het woonland belast worden. Als gevolg daarvan blijft de mogelijke dubbele belastingheffing die gepaard gaat met een bronstaatheffing achterwege. In het OESO-commentaar wordt voor de hoogte van een dergelijke drempel aangesloten bij 15.000 «IMF drawing rights» per belastingplichtige per jaar. Dit is het equivalent van thans circa € 18.000. Dit is een realistisch uitgangspunt. Daarbij zal Nederland waar mogelijk inzetten op een hoger bedrag ook omdat dit de effectiviteit van de drempel vergroot. Om praktische redenen zal de drempel (doorgaans) pas achteraf kunnen worden toegepast door (de belastingdiensten van) verdragspartners.
Voorts zet Nederland zich ervoor in dat inkomsten van sporters en artiesten van wie het optreden grotendeels (voor meer dan 50%) gefinancierd wordt uit publieke middelen uitsluitend ter belastingheffing aan de woonstaat zijn toegewezen. Het OESO-commentaar benoemt een mogelijke bepaling op grond waarvan een uitzondering op de bronstaatheffing geldt voor activiteiten die helemaal of grotendeels worden gefinancierd met publieke middelen. De 50%-grens die wordt voorgesteld in de NFV 2020 («grotendeels»-criterium) sluit hierbij aan. Voor het vaststellen of wordt voldaan aan de 50%-grens is doorslaggevend in welke mate de activiteiten van de sporter of artiest worden gefinancierd uit publieke middelen. Uit de aangifte van sporters en artiesten volgt momenteel niet uit welke middelen zij betaald worden. De Belastingdienst beschikt daardoor niet over cijfers ten aanzien van de financiering van activiteiten van sporters en artiesten uit publieke middelen. Bijgevolg heeft de Belastingdienst ook geen zicht op de gevolgen indien het percentage wordt verlaagd. Desalniettemin ben ik bereid om in te zetten op een lager percentage indien hier in een specifieke verdragsrelatie voldoende aanleiding voor is. Daar kan bijvoorbeeld aanleiding toe blijken als belanghebbenden zich hierover bij mijn ministerie melden.
Verder staat Nederland toe dat sporters en artiesten buitenlandse (bron)belasting met Nederlandse belasting kunnen verrekenen om dubbele belastingheffing te voorkomen. Om verschillende redenen is het echter niet altijd mogelijk om de volledige buitenlandse belastingheffing te verrekenen met de Nederlandse belastingheffing. Zo vindt de verrekening van buitenlandse (bron)belasting in het woonland in het algemeen, ook in Nederland, plaats op basis van, kort gezegd, het (netto)inkomen dat in de belastingheffing wordt betrokken, oftewel op basis van het inkomen nádat kostenaftrek heeft plaatsgevonden. Echter, in het buitenland wordt vaak geen kostenaftrek toegestaan waardoor de belastingdruk aanzienlijk hoger kan uitvallen dan de Nederlandse belastingdruk. Hierdoor is volledige verrekening van buitenlandse (bron)belasting niet altijd mogelijk. Nederland zet daarom in op de mogelijkheid dat de sporter of artiest op diens verzoek ook in het land van optreden op nettobasis wordt belast. Nederlandse sporters en artiesten kunnen dan in Nederland in het algemeen de in het land van optreden geheven belasting eenvoudiger verrekenen.
Voor de volledigheid merk ik op dat in beginsel de mogelijkheid bestaat om niet verrekende buitenlandse (bron)belasting voort te wentelen naar de toekomst, zodat onder omstandigheden in een later belastingjaar alsnog tot verrekening kan worden overgegaan. Aanvullende eenzijdige maatregelen die voorzien in meer mogelijkheden om buitenlandse belastingen in Nederland te verrekenen, zullen er effectief toe leiden dat de buitenlandse belasting van sporters en artiesten wordt betaald met Nederlands belastinggeld. Dit is internationaal zeer ongebruikelijk en onwenselijk. Ik ben bekend met de genoemde conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft echter nog geen uitspraak gedaan. Het staat de Hoge Raad vrij om de conclusie van de Advocaat-Generaal te volgen maar ook om tot een ander oordeel te komen. Het is daarom niet opportuun om nu al te reageren op de onderhavige (nog lopende) zaak. Ik wacht de uitspraak van de Hoge Raad af.
Pogingen van de Europese Commissie om kritische EU-lidstaten en nationale parlementen buitenspel te zetten bij het EU-Mercosur-verdrag, naar aanleiding van berichtgeving in Politico |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kunt u zich herinneren dat de Tweede Kamer wil dat EU-Mercosurverdrag van tafel gaat?
Ik ben bekend met de door het lid Ouwehand (PvdD) op 20 februari 2020 ingediende en gewijzigde motie die op 2 juni 2020 werd aangenomen (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1521). De motie verzoekt de regering de Europese Commissie te laten weten dat Nederland de steun voor het Mercosur-verdrag intrekt.
Zoals uw Kamer weet, heeft het kabinet nog geen positie ingenomen omtrent het voorgenomen akkoord tussen de Europese Unie en de Mercosur landen.
Kunt u bevestigen dat behalve bij Nederland ook bij andere EU-lidstaten zeer grote bezwaren tegen het EU-Mercosurverdrag leven?1
De Europese Commissie heeft nog geen voorstel voor een raadsbesluit ter ondertekening van het akkoord gedaan aan de lidstaten.
Kunt u bevestigen dat de tijdelijk EU-voorzitter Portugal de ambitie heeft om het EU-Mercosurverdrag in haar eigen halfjaarlijkse termijn (voor eind juni) door de Raad te laten goedkeuren?2
Portugal heeft in haar voorzitterschapsprogramma aangegeven speciale aandacht te willen geven aan de afronding van het onderhandelingsproces van het EU-Mercosur associatieakkoord en bij te willen dragen aan het creëren van de voorwaarden voor het ondertekenen van het akkoord.
Kunt u bevestigen dat de EU-buitenlandcoördinator Borrell heeft gezegd dat het EU-Mercosur-verdrag mogelijk gesplitst wordt in een handelsverdrag en een politiek verdrag? Kunt u dit toelichten?
In zijn voordracht in het Europees Parlement op 19 januari jongstleden, heeft de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie, de heer Josep Borrell, het belang van het EU-Mercosur akkoord benadrukt. Hij gaf aan dat de situatie voor wat betreft het akkoord complex is. Borrell stelde dat er verschillende oplossingen denkbaar zijn en dat de Commissie en de Raad een beslissing zullen moeten nemen over het al dan niet splitsen van het akkoord. Borrell merkte ook op dat mogelijk aanvullende afspraken nodig zijn om een betere bescherming van het milieu te verzekeren.
Op basis van welk mandaat kan de Commissie besluiten tot een splitsing?
De Europese Commissie is gemachtigd om onderhandelingen te voeren over een akkoord met de Mercosur landen op basis van onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad heeft vastgesteld. Of de aard van een akkoord gemengd is of EU-only wordt bepaald door de uiteindelijke inhoud van het akkoord. Naar verwachting zal een associatieakkoord onder de gezamenlijke bevoegdheid van de EU en de lidstaten vallen.
De Commissie kan als onderhandelaar (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) ook een voorstel doen om het onderhandelingsresultaat in meerdere akkoorden voor te leggen. De aard van een akkoord zal pas definitief kunnen worden bepaald op basis van de uitonderhandelde tekst, voorafgaand aan ondertekening. Op basis van de inhoud doet de Commissie (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) een voorstel. De Raad besluit hier vervolgens over.
Kunt u bevestigen dat het splitsen van een associatieverdrag in meerdere onderdelen nog nooit eerder gedaan is?
In een associatieakkoord maakt de EU afspraken met een derde land. Deze afspraken zien vaak op de ontwikkeling van de politieke, sociale, culturele, handels- en veiligheidsrelatie. Het is niet ongebruikelijk dat een associatieakkoord ook een handelsgedeelte bevat. Evenmin is het echter ongebruikelijk dat de EU met een derde land in plaats van een associatieakkoord afzonderlijke akkoorden sluit over diverse onderdelen van de relatie. Dit is bijvoorbeeld recent gebeurd met Japan, Vietnam en Singapore.
Kunt u bevestigen dat bij een splitsing het Nederlandse kabinet haar vetorecht in de Raad verliest over het met afstand meest controversiële element van het EU-Mercosurverdrag (het handelsgedeelte)?
Mocht een apart handelsakkoord worden voorgelegd dat naar de aard «EU only» is, dan is het aan de Raad om te besluiten over de ondertekening en het is aan de Raad en het Europees Parlement om te besluiten tot goedkeuring van het akkoord. Nederland is vertegenwoordigd in de Raad en besluit hierover mee. Het kabinet legt verantwoording af aan de Kamer over de positie die wordt ingenomen in de Raad.
Kunt u bevestigen dat bij een splitsing ook de Tweede Kamer niet meer de mogelijkheid heeft om het handelsgedeelte te ratificeren of te verwerpen, waardoor de Tweede Kamer feitelijk buitenspel wordt gezet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat wilt u zeggen tegen Nederlandse boeren, milieuorganisaties en andere burgers die zich zorgen maken over het democratische gehalte van de Europese Unie en nu zien dat wanneer lidstaten en nationale parlementen zeer kritisch zijn over een handelsverdrag de Europese Commissie op zoek gaat naar manieren om die kritische lidstaten en nationale parlementen te omzeilen? Denkt u dat deze opstelling van de Europese Commissie het vertrouwen in de Commissie ten goede komt?
Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie waarin het onderhandelingsresultaat wordt voorgelegd voor besluitvorming. In alle gevallen dienen de toepasselijke democratische procedures te worden doorlopen.
Bent u bereid om alles op alles te zetten om deze ondemocratische splitsing van het verdrag te voorkomen, te beginnen door bij de zogenaamde Europese «brainstormsessie» deze maand kenbaar te maken dat een splitsing voor Nederland onacceptabel is, Nederland bij eventuele splitsing hoe dan ook tegen de afzonderlijke elementen gaat stemmen en de Kamer proactief over deze ontwikkelingen te informeren?
Het kabinet wil niet vooruit lopen op de besluitvorming over het EU-Mercosur akkoord. De Commissie heeft aangegeven met de lidstaten in gesprek te willen gaan over de vraag aan welke voorwaarden voldaan moet worden, met name waar het gaat om de duurzaamheidsinzet, om ondertekening van het akkoord mogelijk te maken. De Commissie organiseert hiertoe overleg op werkniveau met de 27 lidstaten. Voor het kabinet blijft leidend dat pas een standpunt wordt bepaald als de definitieve teksten voor besluitvorming aan de Raad worden voorgelegd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de gestelde deadline voor inbreng voor het schriftelijk overleg Raad Buitenlandse Zaken Handel op 24 februari aanstaande, zodat voldoende tijd is hier verder op door te vragen?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Erdogan volgens uitgelekt vertrouwelijk NCTV-rapport een grote rol speelt bij de opkomst van het salafisme in Nederland. |
|
Femke Merel Arissen (Splinter) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Geheime «Turkije analyse» NCTV lekt uit: Grote rol Erdogan bij opkomst salafisme in Nederland» in HP/De Tijd?1
Daar ben ik bekend mee.
Bent u bekend met de inhoud van het vertrouwelijke rapport «Ontwikkeling van het salafisme onder Turken – de invloed in Nederland» van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) en zo ja, sinds wanneer?
Ik ben op de hoogte van het bestaan van de conceptanalyse.
Klopt het dat de NCTV het rapport onder meer wil gebruiken om gemeenten die in contact staan met Turks-Nederlandse organisaties, vertrouwelijk te waarschuwen voor de opkomst van het salafisme in Nederland?
Zoals in de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 februari jl.3 is aangegeven betrof het in dit geval een onvoldragen conceptversie van een departementaal-vertrouwelijke analyse, die uiteindelijk bedoeld was om professionals binnen de rijksoverheid en lokale overheden te informeren.
Had u het NCTV-rapport, al dan niet vertrouwelijk, met de Kamer willen delen, en zo ja, wanneer had u dat willen doen, en zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de aanbiedingsbrief wordt uw kamer geïnformeerd wanneer een voldragen analyse gereed is.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het rapport vertrouwelijk wil houden, omdat er gewezen wordt op het belang van de Turkijedeal en de vrees bestaat dat publicatie mogelijk zal leiden tot escalatie in de relatie met Turkije, omdat de NCTV-analyse door Turkije zal worden gezien als een rechtstreekse aanval op president Erdogan?
In algemene zin geldt dat er in de relatie tussen Nederland en Turkije ruimte is voor constructieve samenwerking, maar ook voor het benoemen van zaken waar we het niet over eens zijn of waarover zorgen bestaan. Hierbij wordt altijd meegewogen hoe Nederlandse belangen zo effectief mogelijk kunnen worden behartigd.
Hoe beoordeelt u het feit dat er in het vertrouwelijke NCTV-rapport melding wordt gemaakt van een politiek gevoelige kwestie die volgens de NCTV kan raken aan de Nederlandse Nationale Veiligheid, omdat vitale belangen zoals de sociale en politieke stabiliteit in het geding komen?
In algemene zin geldt dat voor het definiëren van (potentiële) dreigingen voor de Nederlandse nationale veiligheid de NCTV beoordeelt of één of meer van de nationale veiligheidsbelangen worden bedreigd. Als het gaat om het veiligheidsbelang «sociale en politieke stabiliteit», betreft dit het ongestoord functioneren van de Nederlandse maatschappij, waarin individuen en groepen mensen goed met elkaar kunnen samenleven binnen de verworvenheden van de Nederlandse democratische rechtstaat en de daarin gedeelde waarden. Ook de politieke besluitvorming dient ongestoord te kunnen functioneren. Door structurele aantasting van de sociale-politieke stabiliteit kan de nationale veiligheid in het geding komen4.
Deelt u de zorgen van de NCTV over de islamistische koers van de Turkse president Erdogan, namelijk het uitvoering geven aan een bewuste islamiseringsstrategie waarin door Erdogan ruimte wordt gegeven aan salafistische, soms jihadistische organisaties, die tevens invloed hebben op Turks-Nederlandse instellingen in ons land en op Nederlandse Turken?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Hoe beoordeelt u de analyse van de NCTV dat een deel van de Turkse gemeenschap in Nederland kwetsbaar is voor beïnvloeding vanuit Turkije, omdat Turkije de Nederlandse Turken beschouwt als onderdanen en veel Turkse Nederlanders zich nauw betrokken voelen met het land?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Hoe groot is het deel van de Turkse gemeenschap dat kwetsbaar is voor beïnvloeding vanuit Turkije en welke mogelijkheden ziet Nederland om deze groep te beschermen voor beïnvloeding?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Hoe beoordeelt u de analyse van de NCTV dat de toenemende intensiteit van Erdogans religieuze boodschappen en activiteiten haat kunnen zaaien onder Nederlandse Turken en ervoor kan zorgen dat zij zich afkeren van de Nederlandse democratie?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Zie aanbiedingsbrief.
Wat vindt u van de conclusie dat bepaalde boodschappen van Erdogan ertoe kunnen leiden dat groepen in Nederland tegenover elkaar komen te staan, onderling botsen, en dat dit kan gelden voor Nederlandse Turken onderling, maar ook voor Nederlandse Turken en «autochtone» Nederlanders, en dit in het uiterste geval kan leiden tot aantasting van de sociale en politieke stabiliteit en daarmee raken aan aspecten van de Nederlandse nationale veiligheid?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
In hoeverre zijn de verschillende factoren die geleidelijk een gewijzigd islamitisch landschap hebben gecreëerd binnen de Nederlands Turkse gemeenschap, en in het NCTV-rapport benoemd worden, nieuw voor u?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Gezien dit rapport en de bevindingen, hoe beoordeelt u nu uw lovende toespraak over de betrekkingen met Turkije op de Turks-Nederlandse Wittenburgconferentie van 27 januari 2021?
Op de inhoud van de conceptanalyse kan niet worden ingegaan. Het kabinet hecht belang aan de bilaterale relatie met NAVO-Bondgenoot Turkije. Met Turkije wordt samengewerkt op voor Nederland belangrijk terreinen als migratie, economie en veiligheid, waaronder terrorismebestrijding. Dankzij de duurzame bilaterale relatie, kunnen Nederland en Turkije elkaar, o.a. in het kader van de reguliere Wittenburgconferentie, spreken over zowel zaken waarin wordt samengewerkt, als over zaken waarover we het niet eens zijn of waarover zorgen bestaan.
Gezien het feit dat de Turkse Minister u «vriend» noemde tijdens bovengenoemde conferentie, hoe beoordeelt u deze «vriendschap» in het licht van de reconstructie van de NCTV waarin omschreven wordt dat Erdogan tussen 2002 en 2015 tegelijkertijd twee agenda’s uitvoerde, namelijk ten eerste een toenadering tot het Westen en het verwerven van steun van EU-landen en ten tweede het onverminderd doorzetten van de islamisering van Turkije?
Zie antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat, 100 jaar na de oprichting van de Turkse staat, Erdogan volgens de NCTV zichzelf naar voren wil schuiven als de «wereldwijde leider van de soennitische moslims» en tevens de ambitie zou hebben om in 2023 Turkije uit te roepen als Islamitische Staat?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Hoe verhoudt deze verontrustende boodschap van de NCTV over de invloed van Erdogans islamiseringsstrategie op Nederlandse Turken zich tot de belangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een vriendschappelijke relatie met het Turkije van president Erdogan te onderhouden?
Zie antwoord op vraag 13.
Hoe kan Nederland de betrekkingen met Turkije proberen inniger te maken, terwijl datzelfde Turkije en president Erdogan in het bijzonder, salafistische, zelfs jihadistische groeperingen actief steunt, hun invloed doet toenemen in Nederland en deze groeperingen allen streven naar «theocratie in de vorm van invoering van de sharia en een islamitische staat»?
Zie antwoord op vraag 13.
Denkt u dat het goed is voor de Nederlandse samenleving, de democratie en de veiligheid als u als Minister van Buitenlandse Zaken in het openbaar lovende woorden spreekt over de samenwerking en betrekkingen met Turkije en ondertussen de Tweede Kamer volledig in het donker houdt over hoe ernstig de situatie in werkelijkheid is, waardoor de parlementaire controle op het regeringsbeleid onmogelijk wordt gemaakt en democratie-ondermijnende salafistische en zelfs jihadistische krachten vrij spel krijgen?
Zie antwoord op vraag 13.
Hoe beoordeelt u het mogelijke verband dat de NCTV legt tussen de antiwesterse retoriek van Erdogan en de terroristische aanslag op de tram in Utrecht in 2019 waarbij vier doden vielen?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Wat doet Nederland om het lid van de jihadistische Kaplan groep te stoppen die door de NCTV is geïdentificeerd als een broer van Gökmen T., de man die op 18 maart 2019 de terroristische aanslag pleegde op de tram in Utrecht?
Zoals gebruikelijk kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Herinnert u zich de inhoud van de verklaringen die Gökmen T. gaf voor zijn daden, namelijk dat hij de aanslag pleegde vanwege zijn geloof, hij geen democraat is en daarom de rechtbank niet wenste te erkennen, dat hij tevens geen spijt betuigde en zichtbaar genoot van de pijn en het verdriet van de slachtoffers en nabestaanden?
Ik ben bekend met het verloop van de rechtszaak van Gökmen T.
Hoe is het mogelijk dat een broer van jihadist Gökmen T. nog op vrije voeten is en samen met andere gelijkgestemden de kans krijgt om de jihadistische Kaplan beweging nieuw leven in te blazen met online-activiteiten vanuit Nederland?
Ik kan niet ingaan op individuele zaken. Op landelijk niveau zet de overheid zich, samen met het bedrijfsleven, in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. De Internet Referral Unit (IRU) bij de politie ondersteunt deze aanpak door het signaleren en het verzoeken tot verwijderen van terroristische content. Ook kan het Openbaar Ministerie- al dan niet na een aangifte of melding – een onderzoek starten en zo nodig tot vervolging over gaan indien er strafbare feiten zijn gepleegd op het internet. In december 2020 is een politiek akkoord bereikt over de EU-verordening Terrorist Content Online (TCO). Het doel van deze verordening is om de verspreiding van terroristisch materiaal op het internet tegen te gaan. De verordening vult de op vrijwilligheid gebaseerde samenwerking aan met een verplichting voor bedrijven om actief te bevorderen dat hun platformen worden geschoond van terroristische content. Deze verordening maakt het mogelijk internetbedrijven te verplichten om terroristische content binnen een uur te verwijderen. Er wordt een autoriteit opgericht die toezicht zal houden op de uitvoering van de maatregelen uit de verordening.
Wat vindt u van, zoals de NCTV dat noemt, de «vrijage» van Erdogan met radicale bewegingen als IBDA/C en Kaplan, waarvan de banden met de jihadist Gökmen T. zijn aangetoond, zowel familiair als ideologisch?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Hoe voorkomt u dat de Milli Görüş-jongeren gaan radicaliseren, nu de NCTV signaleert dat Milli Görüş overwegend politiek salafistische propaganda voert en dat deze groep de laatste jaren aan het groeien is in Nederland, met waarschijnlijk enkele duizenden aanhangers?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
In hoeverre heeft de regering het gemeenschappelijke doel van het vormen van een moslimgemeenschap «Ummah» in het vizier, namelijk, volgens de NCTV, de vorming van één islamitische wereldgemeenschap en salafisme voor alle moslims in Nederland, waarvoor Marokkaanse en Turkse salafisten steeds vaker de banden aanhalen en traditionele nationale of culturele verschillen naar de achtergrond verdwijnen ter bevordering van dit hogere doel?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Sinds wanneer is de regering ervan op de hoogte dat de Turks-Nederlandse salafisten beschikken over grote mogelijkheden en middelen in Nederland en dat dit voor een groot deel te danken is aan de sterke band tussen Milli Görüş en de Moslimbroederschap en politiek salafisme?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Sinds wanneer is de regering ervan op de hoogte dat de Turks-Nederlandse salafisten kunnen beschikken over de verworven capaciteiten van Milli Görüş, zoals het netwerk, een goede naam bij sommige overheidsinstanties, de structuur, kennis van Nederland, ervaring met de Nederlandse cultuur, beheersing van de Nederlandse taal, een groot aantal locaties, onlineaccounts en pagina’s en ideologisch onderlegde imams en theologen?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Wat vindt u ervan dat de basisideologie van Milli Görüş een gunstig vertrekpunt blijkt te zijn richting salafisme, een weg die volgens de NCTV door een deel van de Milli Görüş jongeren en imams wordt ingeslagen?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Welke overheidsorganisaties werken op dit moment, of werkten in het recente verleden, samen met de Milli Görüş beweging en kunt u verhelderen hoe deze beweging een goede naam en een stevig netwerk op heeft kunnen bouwen zoals de NCTV beschrijft?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Bent u bekend met het jaarverslag van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) uit het jaar 2000 waarin de BVD waarschuwt voor de aanhangers van de Milli Görüş en de Kaplanbeweging door te stellen: «De ruim 280.000 Turken in Nederland zijn op velerlei wijze met hun land van herkomst verbonden. Zowel in familieverband als in de sfeer van religie, politieke en economie onderhouden Turken in Nederland contacten met Turkije. De schaduwzijde hiervan is dat Nederland wordt geconfronteerd met conflicten uit het land van herkomst, zoals de polarisatie tussen de Turkse seculiere overheid en aanhangers van een politiek religieuze opvatting (zoals Milli Görüş en de Kaplan-beweging)»?
Ja, ik ben bekend met het jaarverslag.
Wat heeft u in de afgelopen 21 jaar gedaan tussen het uitbrengen van het jaarverslag van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in 2000 en deze vertrouwelijke Turkije analyse van de NCTV om de invloed van salafisme in Nederland en de organisaties waaraan zij hun groeiende invloed ontlenen terug te dringen?
In algemene zin geldt dat in de Nederlandse samenleving ruimte is voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben hun eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. In onze rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Zoals aangegeven in de POCOB Kabinetsreactie d.d. 23 november 2020 herkent en deelt het kabinet de zorgen van de POCOB aangaande de groeiende invloed in Nederland van een kleine groep personen en groepen, die vanuit bepaalde fundamentalistische leerstellingen strafbaar en/of – vanuit het perspectief van de democratische rechtsorde – problematisch gedrag vertonen dan wel aanzetten tot problematisch gedrag. Het kabinet acht het onwenselijk dat sommige salafistische aanjagers proberen hun opvattingen op een soms intimiderende manier over te brengen aan moslims die een andere interpretatie van de islam aanhangen. Zij beperken andere moslims daarbij in het uitoefenen van hun grondwettelijke vrijheden. Tevens kan dit bijdragen aan de vervreemding van moslims, vaak jongeren, van de Nederlandse samenleving.
Om ongewenste maatschappelijke effecten het hoofd te bieden hanteert het kabinet een integrale aanpak zoals beschreven in de »Beleidsreactie op de Parlementaire ondervragingscommissie ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen» van 23 november 2020.
Herinnert u zich nog de vraag van Van Toorenburg (CDA) tijdens het debat over de financiering van moskeeën vanuit het buitenland («Dat hele beeld, een soort vrijstaatje Turkije in Nederland, in onze religieuze huizen. Wat doet het kabinet daar nou eigenlijk tegen?») en uw antwoord («Nou, daar acteert het kabinet op als het in strijd is met de Nederlandse wet. Ik hoef mevrouw Van Toorenburg niet uit te leggen dat de godsdienstvrijheid in Nederland heel ver gaat. Dus als er in een godsdiensthuis, in dit geval door een door Diyanet betaalde imam, zaken gezegd worden, dan hoeven wij het daar niet per se mee eens te zijn, maar de Nederlandse overheid kan optreden als dat in strijd is met Nederlandse wet- en regelgeving.» En: «Maar ook politieke meningen waar mevrouw Van Toorenburg of ik, of wij allebei, het niet mee eens zijn, geven een overheid nog niet het recht om in te grijpen. Het kan geen verrassing zijn als ik dat zeg.»)?
Ja.
Betekenen uw antwoorden geciteerd in bovenstaande vraag dat er niet opgetreden kan en zal worden tegen de mogelijke radicalisering binnen de 150 Diyanet moskeeën indien, zoals de NCTV beschrijft, «het beeld, dat momenteel bij bepaalde afdelingen van Diyanet-jongeren te zien is, het standaardbeeld wordt van de hele jeugdafdeling van Diyanet» en «Nederland op termijn te maken [kan] krijgen met het risico dat een groter wordende groep Turkse jongeren radicaliseert»?
Zoals aangegeven kan ik niet ingaan op de inhoud van de conceptanalyse. Er wordt nu gewerkt aan een definitieve analyse. Zie aanbiedingsbrief.
Indien uw antwoord op voorgaande vraag ontkennend luidt, hoe zal er opgetreden worden tegen mogelijke radicalisering binnen Diyanet moskeeën?
Zie antwoord vraag 33.
Wilt u deze vragen één voor één en binnen de beantwoordingstermijn van drie weken, dus uiterlijk 8 maart 2021, beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.