De laatste ontwikkelingen in Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken Amerikanen in Oekraïne verzocht heeft om het land direct te verlaten?
Ja.
Hoe beoordeelt u de actuele veiligheidsrisico’s voor Nederlandse burgers in Oekraïne en in hoeverre wijkt dit af van de risicoanalyse van de Verenigde Staten?
Vrijdagavond 11 februari werd duidelijk dat het risico op een acute verslechtering van de veiligheidssituatie is toegenomen. Op 12 februari is het reisadvies gewijzigd naar rood voor heel Oekraïne. Nederlanders worden opgeroepen om het land te verlaten. Ons reisadvies is daarmee in lijn met het reisadvies voor Oekraïne van de Verenigde Staten en een aantal Europese landen.
In welke situatie wordt er besloten om Nederlandse burgers te vragen om Oekraïne zo snel mogelijk te verlaten? Waarom zijn Nederlanders tot op heden nog niet verzocht om Oekraïne te verlaten?
Vanwege het risico op een acute verslechtering van de veiligheidssituatie in Oekraïne is het reisadvies voor heel Oekraïne naar rood aangepast op 12 februari. Nederlanders in Oekraïne zijn opgeroepen om zo snel mogelijk het land te verlaten, en niet meer naar Oekraïne te reizen.
Bent u ervan op de hoogte dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft aangegeven dat het onmogelijk is om haar burgers te evacueren in het geval van een Russische militaire actie (waar dan ook in Oekraïne)?
Ja.
Geldt ook voor Nederland dat het onmogelijk is om haar burgers te evacueren in het geval van een Russische militaire actie?
Op 11 februari jl. heeft de ambassade in Kyiv een online informatiebijeenkomst gehouden met Nederlanders in Oekraïne die hiervoor waren uitgenodigd via de registratielijst en sociale media van de ambassade. Doel van de bijeenkomst was om Nederlanders in Oekraïne te informeren over de veiligheidssituatie en duidelijk te maken wat ze van de overheid kunnen verwachten als de situatie verslechtert. Nederlanders zijn geïnformeerd dat als ze besluiten te blijven en de situatie zou verslechteren er geen door de overheid georganiseerde evacuatie zal plaatsvinden. Men zal met eigen vervoer over de weg moeten vertrekken, als men niet wil blijven. In de reisadviezen wordt al langere tijd aangegeven dat rekening moet worden gehouden met een situatie waarin het Ministerie van Buitenlandse Zaken in oranje of rode gebieden niet of niet volledige hulp kan bieden.
Zijn Nederlanders in Oekraïne ervan op de hoogte gebracht dat evacuatie wellicht niet mogelijk is bij een Russische aanval?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u een beeld van waar Nederlanders in Oekraïne zich hoofdzakelijk bevinden? Om hoeveel Nederlanders gaat het en waar bevinden zij zich hoofdzakelijk?
Nederlanders worden herhaaldelijk opgeroepen zich aan te melden bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Alleen door aanmeldingen bij de informatieservice heeft Buitenlandse Zaken een beeld van de Nederlanders die in Oekraïne zijn en hoe ze kunnen worden bereikt, als dat nodig is. Registratie bij de BZ informatie is niet verplicht vanwege privacy-overwegingen. Ook het afmelden bij vertrek is niet verplicht. Op 14 februari jl. zijn er 147 Nederlanders in Oekraïne geregistreerd bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. De verwachting is niet dat een compleet beeld kan worden verkregen van hoeveel Nederlanders zich nog in Oekraïne bevinden en waar.
Herinnert u zich dat u in het Kamerdebat van 3 februari 2022 over de situatie in Oekraïne zei dat Nederlanders ter plaatse zich onder andere moeten afvragen «Maar ben je dan in staat om snelwegen te gebruiken? Heb je dan vervoer?»?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel snelwegen er lopen vanaf respectievelijk Kiev, Charkov en Odessa naar een directe grens met een lidstaat van de Europese Unie, hoeveel rijbanen deze snelwegen bevatten, en hoe lang de route is?
Er zijn drie hoofdwegen van Kyiv naar het westen (via Liviv naar Polen of Slowakije). Deze route is ongeveer 600–800 kilometer lang en in 8 tot 10 uur te rijden. Daarnaast zijn er drie hoofdwegen van Odessa naar Roemenië. Deze route is ongeveer 50 tot 100 kilometer lang en 1 à 2 uur rijden. Er is een hoofdweg van Kharkiv naar Kyiv van ongeveer 500 kilometer lang, 6 uur rijden. Aansluitend kan men via de westelijke grensovergangen naar Polen of Slowakije. Ook is er een hoofdweg van Kharkiv via Odessa naar de Roemeense grens. Deze route is in 11 uur te rijden en is ongeveer 750 kilometer lang. De wegen hebben 2 tot 4 rijstroken.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze snelwegen kort na het begin van gevechtshandelingen door grote stromen mensen die op de vlucht slaan, verstopt raken?
Als de situatie verslechtert, is er een grote kans dat grote stromen mensen op de vlucht slaan. Het dringende advies aan Nederlanders in Oekraïne is daarom om in dit stadium het land zo snel mogelijk te verlaten. Tijdens de informatiebijeenkomst voor geregistreerde Nederlanders van 11 februari jl. is verder aangegeven dat men er rekening mee moeten houden dat het in een noodsituatie druk kan zijn aan de grens, waardoor er lange wachttijden kunnen ontstaan. Het advies is gegeven dat het verstandig is voldoende dekens, eten, drinken en brandstof mee te nemen.
Bent u gezien de acute dreiging en snelheid van alle ontwikkelingen bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van aanstaande woensdag 16 februari 2022?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De acties van China tegen Litouwen naar aanleiding van het openen van een Vertegenwoordiging van Taiwan in Vilnius |
|
Tom van der Lee (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Welke stappen heeft de regering ondernomen om Litouwen te ondersteunen gezien de economische sancties die China heeft ingesteld tegen Litouwen?
Nederland is solidair met Litouwen en spreekt zich uit tegen de Chinese maatregelen. Zo heeft de Minister-President op 26 januari jl. in gesprek met de Chinese premier Li Keqiang de Nederlandse zorgen uitgesproken over de economische druk op Litouwen en daarbij aangegeven dat de ontstane situatie tussen China en Litouwen ook aan de betrekkingen tussen de EU en China raakt. Het kabinet benadrukt zowel bilateraal als in EU-verband de noodzaak van EU-eenheid en solidariteit wanneer individuele lidstaten geconfronteerd worden met economische en/of diplomatieke dwangmaatregelen van derde landen. De situatie rond Litouwen is ook aan de orde geweest tijdens de informele Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 13 en 14 januari en de informele Raad Buitenlandse Zaken Handel op 14 februari. Het kabinet verwelkomde eerder al de verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger Borrell en Commissaris Dombrovskis waarin zij zich uitspraken tegen de Chinese maatregelen. Ook in recente bilaterale hoogambtelijke consultaties met Litouwen is uitvoerig gesproken over deze kwestie en de mogelijkheden tot samenwerking met en steun aan Litouwen.
De EU heeft op 27 januari jl. consultaties met China aangevraagd binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over de Chinese handelsbelemmeringen1. Dit is de eerste stap in een geschillenbeslechtingsprocedure bij de WTO. Het kabinet staat volledig achter deze stap van de EU.
Welke plannen heeft de regering om de handelsbetrekkingen met Litouwen te verstevigen, in het licht van de economische sancties die tegen Litouwse bedrijven zijn uitgevaardigd?
De handelsbetrekkingen tussen Nederland en Litouwen zijn goed. Nederland staat in de top vijf van belangrijkste handelspartners met Litouwen. Nederland is solidair met Litouwen en zet zich samen met de andere EU-lidstaten in om de handelsrelatie te behouden.
Op welke manier heeft u of uw voorganger zich in recente gesprekken met China uitgesproken over de bedreigingen, en sancties van China die tegen Litouwen zijn uitgevaardigd naar aanleiding van de opening van de Vertegenwoordiging van Taiwan in Litouwen?
Ik heb dit punt opgebracht in mijn gesprek met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi op 11 februari jl. en aangegeven dat deze gevoelige situatie in dialoog tussen de EU en China moet worden opgelost. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 1, heeft ook Minister-President Rutte op 26 januari jl. in gesprek met de Chinese premier Li Keqiang de Nederlandse zorgen overgebracht over de economische druk van China op Litouwen en daarbij benadrukt dat de ontstane situatie de EU-China betrekkingen raakt.
Bent u van mening dat de acties ondernomen door China om import van Litouwse goederen te blokkeren in strijd zijn met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994?
Ja. De Chinese maatregelen zijn specifiek gericht tegen Litouwen en belemmeren de Litouwse handel op ongerechtvaardigde wijze. Daarbij druisen de maatregelen in tegen het non-discriminatiebeginsel van de GATT – in het bijzonder het Most-Favoured Nation-principe, dat stelt dat alle WTO-leden elkaar gelijk moeten behandelen.
Ook zijn de maatregelen niet in lijn met verschillende andere WTO-akkoorden, zoals de General Agreement on Trade in Services (GATS), de Agreement on the Application of Sanitary and Phytosanitary Measures (SPS Agreement), de Trade Facilitation Agreement (TFA) en het toetredingsprotocol van China.
De EU heeft daarom, zoals hierboven gesteld, in de WTO consultaties met China aangevraagd over de Chinese maatregelen. Het kabinet steunt deze stap.
Heeft u reeds met Duitsland en Frankrijk gesproken over de druk die China op Duitse bedrijven uitoefent om uit Litouwen te vertrekken? Wat doet de EU tegen deze druk?
Mijn Franse en Duitse collega’s maken zich net als ik grote zorgen over de maatregelen die China treft t.a.v. de Litouwse economie. Ik heb benadrukt dat EU eenheid en solidariteit cruciaal zijn.
De EU blijft de Chinese autoriteiten oproepen de handelsmaatregelen op te heffen en het geschil op te lossen. Voorzitter van de Europese Commissie Von der Leyen en Handelscommissaris Dombrovskis volgen de situatie nauwlettend. Tevens heeft de EU consultaties met China aangevraagd bij de WTO, zie het antwoord op de vragen 1 en 4.
Hoewel de Chinese maatregelen vooral op Litouwen zijn gericht, vormen deze ook een aantasting van de integriteit van de interne markt. De maatregelen raken namelijk ook intra-EU handel en waardenketens en dus ook het bedrijfsleven in andere EU-lidstaten.
Welke plannen heeft u om de risicoanalyses voor bedrijven die in China opereren te updaten naar aanleiding van de economische sancties die door China zijn opgelegd aan Litouwen? Hoe kwetsbaar zijn Nederlandse bedrijven in dit opzicht?
Het kabinet heeft tot dusver geen signalen ontvangen van het Nederlandse bedrijfsleven dat het (indirect) geraakt is door de Chinese maatregelen tegen Litouwen. Desalniettemin blijft het kabinet de situatie monitoren door middel van gesprekken met het bedrijfsleven.
Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van een risicoanalyse van hun internationale handelsactiviteiten. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een aantal instrumenten ontwikkeld om het bedrijfsleven te ondersteunen bij het maken van een dergelijke risicoanalyse. Zo is er een China Business Tool ontwikkeld, waar bedrijven online gebruik van kunnen maken. Daarnaast worden bedrijven door RVO, het Postennet in China en het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig geïnformeerd over actuele ontwikkelingen en de kansen en risico’s van het zakendoen met China.
Bent u voornemens om een afspraak in te plannen met Taiwanese ambtenaren om de acties van China naar aanleiding van het openen van de Vertegenwoordiging te bespreken?
Er is regelmatig ambtelijk contact met Taiwanese vertegenwoordigers, zowel hier als in Taipei. Daar worden deze zaken ook besproken.
Welke stappen heeft u ondernomen om ondersteuning te bieden aan Taiwan naar aanleiding van de toenemende druk van China na het openen van de Vertegenwoordiging van Taiwan in Litouwen?
Taiwan is voor Nederland op economisch, cultureel en wetenschappelijk vlak een belangrijke partner. Nederland blijft zich samen met EU-partners sterk maken om de ruimte die er binnen het kader van het één-Chinabeleid is om goede relaties met Taiwan te onderhouden maximaal te benutten.
Hoe staat het met de ontwikkeling van het EU-anti dwanginstrument of andere gemeenschappelijke EU-instrumenten die landen beschermen tegen dwangmaatregelen van derde landen?
Het wetsvoorstel voor een anti-dwanginstrument wordt momenteel besproken in de Raad onder het Franse voorzitterschap. De Kamer is 4 februari jl. geïnformeerd over de kabinetspositie in de Raad middels een BNC-fiche.2
Het kabinet acht het van belang dat de EU zoveel mogelijk in gezamenlijkheid op economische dwang reageert. Het kabinet zet zich er daarom ook voor in dat lidstaten elkaar zo snel mogelijk informeren op het moment dat zij te maken krijgen met economische of diplomatieke druk uit derde landen zodat een gezamenlijk handelingsperspectief kan worden geformuleerd.
Verder zet het kabinet zich in algemene zin actief in voor het versterken van de onderlinge solidariteit binnen de EU en voor open strategische autonomie van de EU, zoals uiteengezet in het coalitieakkoord. Daarmee wordt de weerbaarheid van de EU en lidstaten vergroot, onder andere tegen (economische) druk van derde landen. Daarbij dient het gehele EU-instrumentarium in samenhang te worden bezien. Het kabinet zal de Kamer op gezette tijden informeren over de verschillende initiatieven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Mali expels Paris envoy over 'hostile and outrageous' French comments’ |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Mali expels Paris envoy over «hostile and outrageous» French comments»?1
Ja.
Bent u het eens met de Franse Minister van Buitenlandse Zaken Jean-Yves le Drian dat de Malinese junta niet legitiem is?
Het kabinet stelt vast – net als de West-Afrikaanse regio (ECOWAS) en de Europese Unie – dat het huidige Malinese bewind niet tot stand is gekomen via een regulier democratisch proces. Het kabinet keurt dit af. Het is belangrijk dat Mali zo spoedig mogelijk zijn weg terugvindt naar een proces van democratische transitie. Met dat perspectief houdt het kabinet, samen met gelijkgezinde partners in ECOWAS en de Europese Unie, het communicatiekanaal met deze transitieregering vooralsnog open. Dit betekent dat Nederland ECOWAS en de Afrikaanse Unie blijft steunen in hun poging om een uitweg te vinden uit deze impasse.
Hoe beoordeelt u het plan van de Malinese junta om niet zoals eerder toegezegd in februari 2022 verkiezingen uit te schrijven, maar tot nog wel vijf jaar aan de macht te blijven?
Het kabinet acht de aangekondigde verlenging van de transitie met maximaal vijf jaar (later teruggebracht tot vier jaar) onacceptabel en heeft deze boodschap ook duidelijk overgebracht aan de Malinese transitieautoriteiten. Nederland heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van januari jl. bovendien gepleit voor een sterke EU-reactie door middel van persoonsgerichte sancties tegen individuen die de politieke transitie in Mali actief tegenwerken en die de vrede, stabiliteit en veiligheid bedreigen. Er is door de EU-lidstaten overeenstemming bereikt over de listingvan vijf Malinese personen die hierin een sleutelrol vervullen.
Hoe beoordeelt u de schade aan de pogingen van de internationale gemeenschap om Mali te stabiliseren als de Malinese junta weigert verkiezingen uit te schrijven, en het pakket aan economische sancties van ECOWAS dientengevolge van kracht blijft?
Het is momenteel te vroeg om te bepalen wat de volledige impact van de huidige ontwikkelingen is op de internationale inzet op het gebied van stabiliteit. Wel is reeds besloten om Taakgroep Takuba uit Mali terug te trekken. Zie voor nadere informatie de separate Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba uit Mali» (17 februari jl.). Het kabinet voert daarnaast intensief overleg met partners in de VN en de EU over de mogelijke gevolgen van de verslechterende omstandigheden in Mali voor de VN-missie MINUSMA en de EU-missies in de Sahel en de gevolgen voor de Nederlandse bijdragen daaraan. Tevens zal Nederland in samenspraak met andere donoren zeer kritisch bezien in hoeverre de ontwikkelingssamenwerking via de centrale overheid in Mali onder de huidige omstandigheden nog wenselijk en effectief is.
Hoe beoordeelt u de beslissing van de Malinese autoriteiten om de Duitse luchtmacht toegang tot het luchtruim te weigeren voor een vlucht naar een logistieke hub in Niger?
In de derde week van januari werden door de Malinese transitieautoriteiten beperkingen opgelegd aan het gebruik van het luchtruim. Zie ook het antwoord op vraag 8, 11 en 12.
Bent u het ermee eens dat de keuze van de Malinese regering om de Deense bijdrage aan Operatie Takuba het land uit te zetten de inspanningen tegen terrorisme in de Sahel schaadt?
Ja.
Welke gevolgen zijn er voor het rotatieschema van de Verenigde Naties om luchttransport aan de missie MINUSMA ter beschikking te stellen, waarbij naast de huidige inzet van Nederland ook Denemarken periodiek een bijdrage levert?
Zoals eerder aan uw Kamer gecommuniceerd, draagt Nederland tot medio mei bij aan het rotatieschema met een C-130. Over toekomstige invulling binnen het rotatieschema vindt nader overleg plaats tussen de betrokken landen.
Welke gevolgen heeft de opstelling van de Malinese autoriteiten voor de veiligheid en uitvoerbaarheid van de missie? Kunt u daarbij ten minste ingaan op de toegang tot medische faciliteiten waar de Nederlandse militairen van afhankelijk zijn, en het verkrijgen van toestemming voor vluchten om Mali desgewenst in- en uit te vliegen?
Vooralsnog ziet MINUSMA voldoende mogelijkheden voor de uitvoering van haar mandaat. Wel troffen de door de transitieautoriteiten opgelegde beperkingen aan het binnenlandse luchtruim ook MINUSMA en de inzet van de Nederlandse C-130. De restricties leidden op 16 januari jl. tot een tijdelijke stop van alle personeels- en cargovluchten van de missie, waaronder de vluchten van de Nederlandse C-130. Daags na de afkondiging van de restricties kwamen MINUSMA en de transitieautoriteiten na intensief overleg tot een oplossing. De transitieautoriteiten krijgen voortaan inzage in het vluchtschema van MINUSMA. Sinds 21 januari jl. voert de Nederlandse C-130 weer vluchten uit. De beperkende maatregelen hadden geen invloed op medische evacuatievluchten. Er zijn op dit moment geen beperkingen op de toegang tot medische faciliteiten in Mali voor missiepersoneel. Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wat zeggen de abrupte keuzes van de Malinese junta rond bijvoorbeeld de Deense militaire aanwezigheid en de Duitse overvlucht richting Niger over de betrouwbaarheid van het regime en de waarde van gemaakte afspraken?
Namens de EU is er op 2 februari jl. een verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger uitgebracht naar aanleiding van het verzoek van de Malinese transitieautoriteiten aan de Franse ambassadeur om binnen 72 uur het land te verlaten. De manier waarop de Malinese transitieautoriteiten omgaan met Europese partners wordt gekwalificeerd als onaanvaardbaar. In deze verklaring wordt voorts afkeuring uitgesproken over het ongefundeerde besluit van Mali om de Deense militaire aanwezigheid uit te wijzen. De EU toont zich geheel solidair met de positie van ECOWAS en roept de Malinese transitieautoriteiten op tot de-escalatie en hervatting van de dialoog.
Is de aanwezigheid van de Wagner Group de afgelopen weken in Mali toe- of afgenomen?
Het is het kabinet bekend dat Russische paramilitairen sinds januari 2022 actief zijn in Mali. Het kabinet acht het waarschijnlijk dat een deel van deze paramilitairen behoren tot de private military company Wagner. Het is eveneens mogelijk dat het reguliere Russische militairen van de Russische overheid zijn of een mix van beide. Het kan op dit ogenblik niet worden bevestigd dat er een overeenkomst bestaat tussen de Malinese autoriteiten en de Wagner Group. Deze ontwikkelingen zijn desondanks zeer zorgelijk.
Kunt u aangeven hoe de Nederlandse missie in Mali de gestelde politieke en strategische doelen kan bereiken in het licht van de ontwikkelingen waaraan in de voorgaande vragen wordt gerefereerd?
De ontwikkelingen waaraan wordt gerefereerd zijn reden tot zorg. Het kabinet volgt deze op de voet en staat in nauw contact met partners en bondgenoten om de effecten op de haalbaarheid van politieke en strategische doelen te monitoren.
Heeft Nederland te maken gehad met vergelijkbare dreigementen of hindernissen als Frankrijk, Duitsland en Denemarken?
Nederland neemt net als deze landen deel aan MINUSMA, EUTM Mali en de Taakgroep Takuba. Zie het antwoord op vraag 8 voor de situatie ten aanzien van MINUSMA en de separate Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba uit Mali» (17 februari jl.) voor de situatie ten aanzien van Taakgroep Takuba.
EUTM Mali wordt sinds enkele weken de toegang tot verschillende Malinese militaire locaties ontzegd. Voorts wordt de inzet van Unmanned Aerial Vehicles in Centraal-Mali sinds half januari niet meer toegestaan, vanwege de hierboven beschreven opgelegde beperkingen in het binnenlandse luchtruim.
Gegeven de zorgen over de ontwikkelingen in Mali en de gevolgen hiervan op de inzet en effectiviteit van EUTM Mali en EUCAP Sahel Mali, wordt in EU-verband gesproken over de voortzetting van deze missies, zoals tijdens de aankomende Raad Buitenlandse Zaken op maandag 21 februari a.s.
Overweegt Nederland bijdrages terug te trekken uit de verschillende missies in Mali vanwege de ontwikkelingen waar de voorgaande vragen aan refereren?
De aan Taakgroep Takuba deelnemende landen, waaronder Nederland, hebben inmiddels besloten om Taakgroep Takuba uit Mali terug te trekken. Zie voor nadere informatie de separate Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba uit Mali» (17 februari jl.)). Het kabinet voert daarnaast intensief overleg met partners in de VN en de EU over de mogelijke gevolgen van de verslechterende omstandigheden in Mali voor de VN-missie MINUSMA en de EU-missies in de Sahel en de gevolgen voor de Nederlandse bijdragen daaraan.
Wordt er in de EU gesproken over een totaalafweging hoe om te gaan met Mali en de bijdragen door Europese landen aan de verschillende missies aldaar van de EU en de VN?
De situatie in Mali heeft alle aandacht binnen de Europese Unie en staat daar mede op Nederlands aandringen hoog op de agenda. Hoge Vertegenwoordiger Borrell en de EDEO zullen met spoed additionele analyses van de situatie maken inclusief een gedegen risico- inschatting ten aanzien van de Europese presentie en inzet van Europese instrumenten in de regio. De Raad Buitenlandse Zaken van 21 februari a.s. zal over dit onderwerp spreken.
Het bericht dat politieke oppositie in Azerbeidzjan wordt mishandeld of vastgezet. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van Human Rights Watch over de mishandeling van oppositieleider Tofig Yagublu bij vreedzame protesten in Bakoe?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe oordeelt u over dit gewelddadige optreden van de Azerbeidzjaanse autoriteiten en het handelen tegen oppositieleider Tofig Yagublu?
Het kabinet acht de berichtgeving hierover zeer verontrustend. Nederland keurt iedere vorm van geweld tegen oppositieleden af. Diverse internationale partners, waaronder de EU, hebben dit met steun van Nederland aan de orde gesteld. Azerbeidzjan is partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en is derhalve verplicht zich te houden aan dit verdrag, waaronder ook de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging vallen.
Hoe staat het met de gezondheid van oppositieactivisten die vast zitten in Azerbeidzjaanse gevangenissen, zoals Saleh Rustamov, Aslan Gurbanov2, Zamin Salayev3 en Elvin Isayev? Is Rustamov reeds uit hongerstaking en krijgt hij de benodigde medische zorg?
Het kabinet beschikt niet over vertrouwelijke medische gegevens van individuen in Azerbeidzjaanse detentie. Het kabinet is enkel bekend met hetgeen publiekelijk is gezegd over de toestand van deze personen.
Verschillende Azerbeidzjaanse media hebben bericht dat dhr. Rustamov zijn hongerstaking in december jl. beëindigde. Volgens berichtgeving is hij destijds onderzocht door artsen van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) die vaststelden dat de hongerstaking van 41 dagen serieuze consequenties heeft gehad voor zijn gezondheid.4 Dhr. Gurbanov zou, volgens nieuwsberichten, lijden aan hartproblemen en epilepsie.5 Dhr. Salayav zou, volgens mediaberichtgeving, na zijn vrijlating op 19 januari, hebben gezegd dat hij last had van serieuze gezondheidsproblemen zoals verminderd zicht en falende benen, als gevolg van marteling en hongerstakingen.6 Wat betreft dhr. Isayev is er een bron die stelt dat hij wordt gemarteld.7
Kunt u een update verschaffen over de situatie van Saleh Rustamov, Aslan Gurbanov, Zamin Salayev en Elvin Isayev, hun gevangenschapssituatie en de staat van hun rechtszaken?
Wat betreft de individuele zaken verwijs ik u naar de mediaberichtgeving hierover. De kleine Nederlandse ambassade in Bakoe (twee diplomaten) beschikt over onvoldoende capaciteit om de gevangenschapssituatie en stand van rechtszaken van individuen in detail te volgen, anders dan hetgeen daarover wordt gepubliceerd of meegedeeld door derden. De ambassade staat hierover in contact met internationale partners en de EU-delegatie mede in gelet op het bredere belang met gelijkgezinde partners op te trekken. Ambtenaren van mijn ministerie hebben contact gehad met betrokkenen uit de kring van dhr. Isayev en worden door hen over zijn zaak geïnformeerd.
Wat betreft de algemene situatie van de stand van gevangenissen in Azerbeidzjan verwijs ik u naar internationale rapporten zoals de bezoekrapporten van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT).8 Het rapport van het laatste bezoek, eind 2020, is nog niet gepubliceerd.
Bent u op de hoogte dat de uitspraak naar aanleiding van de cassatieklacht in de zaak van Elvin Isayev op 30 november 2021 (zonder opgave van een duidelijke redenen) tot onbepaalde tijd is uitgesteld? Is er een verklaring voor te geven?
Ja, mijn ministerie is daarvan op de hoogte gebracht door personen uit de kring van Elvin Isayev. Van dezelfde bron ontving mijn ministerie de recente update dat de cassatiezaak nu gepland staat voor 22 februari aanstaande. Ik weet niet wat de redenen zijn voor het aanvankelijke uitstel.
Krijgt de Nederlandse ambassade in Bakoe toestemming om politieke tegenstanders van het regime van president Aliyev te bezoeken? Zo ja, maakt de ambassade hier gebruik van? Zo nee, waarom niet?
Zoals gebruikelijk spreken medewerkers van de ambassade af en toe met leden van de oppositie. Hiervoor is geen toestemming nodig.
Waarom worden verzoeken aan het ministerie om een bezoek van de ambassademedewerker aan de politieke tegenstanders van het regime van president Aliyev geweigerd?
Indien u doelt op een verzoek aan mijn ministerie tot het verlenen van consulaire bijstand aan een persoon in detentie, dan is het een voorwaarde dat de persoon in kwestie de Nederlandse nationaliteit bezit.
In zeldzame gevallen komt het voor dat Nederland deelneemt aan bezoeken aan personen in detentie die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Deze vinden altijd plaats in gezelschap van gelijkgezinde landen en vaak de EU-vertegenwoordigers. Dit gebeurt alleen bij zeer hoge uitzondering.
Zijn er nog andere politieke gevangenen in Azerbeidzjan wiens situatie zorgwekkend is? Zo ja, welke?
Zaken bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hebben aangetoond dat het voorkomt dat Azerbeidzjan pogingen doet om de oppositie en o.a. het maatschappelijk middenveld tot zwijgen te brengen door onder valse voorwendselen detentiemaatregelen op te leggen, mogelijk wegens hun weerstand tegen het regime.
Verschillende NGO’s hanteren lijsten van vermeende politieke gevangen, deze zijn vaak publiekelijk beschikbaar. Ook op EU-niveau worden (vermeende) zaken gevolgd, dit gebeurt op vertrouwelijke wijze en deze worden besproken met de Azerbeidzjaanse autoriteiten.
Hoe oordeelt u over het algemeen over de rechtspraak in Azerbeidzjan?
Over het algemeen worden vraagtekens gezet bij de onafhankelijkheid van de rechtsgang in Azerbeidzjan. Zo krijgt Azerbeidzjan van de NGO «Freedom House» een zeer lage score voor het functioneren van de rechtsstaat.9 In dialoog met de Azerbeidzjaanse autoriteiten benoemt en bespreekt de EU deze uitdagingen t.a.v. de onafhankelijkheid, transparantie en accountability van het judiciële systeem.
Voor meer detail verwijs ik u naar de rapporten van de Europese Commissie voor de efficiëntie van justitie van de Raad van Europa (CEPEJ). Deze instantie werkt aan instrumenten om de efficiëntie en werking van justitie in Europa te verbeteren en publiceert met regelmaat rapporten over de situatie in de lidstaten, waaronder Azerbeidzjan.
Wat doet Nederland in bilateraal en Europees verband om Azerbeidzjan te bewegen naar een beter mensenrechtenbeleid en een eerlijkere vrijere rechtspraak voor o.a. politieke gevangenen, andersdenkenden en minderheden?
Zowel voor Nederland als voor de EU zijn mensenrechten een prioriteit in het internationaal beleid. Bilateraal en in EU-verband spreekt Nederland met de Azerbeidzjaanse overheid en het maatschappelijk middenveld over de mensenrechtensituatie.
De EU en Nederland proberen ook middels concrete projecten de mensenrechtensituatie op de grond te verbeteren. De EU focust zich onder andere op de bevordering van een omgeving waarin het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers vrij kunnen opereren, het bevorderen van de vrijheid van meningsuiting en het versterken van de rechtsstaat. Ook de Nederlandse ambassade in Bakoe steunt projecten ter bevordering van de mensenrechten, gericht op onder andere het trainen van mensenrechtenverdedigers, het versterken van de positie van vrouwen en het beschermen van slachtoffers van mensenhandel.
Momenteel lopen onderhandelingen over een nieuw samenwerkingsakkoord tussen de EU en Azerbeidzjan: mensenrechten is hierin een belangrijk onderwerp. Ook binnen het Oostelijk Partnerschap zijn de rechtsstaat en mensenrechten prominente thema’s.
Daarnaast staan de mensenrechten in multilaterale organisaties hoog op de agenda. Zo ook in de VN-Mensenrechtenraad, waar Nederland Azerbeidzjan onder andere heeft opgeroepen journalisten en mensenrechtenverdedigers beter te beschermen.
In de Raad van Europa is recentelijk het actieplan voor Azerbeidzjan voor de komende jaren besproken. Daarnaast hecht Nederland veel waarde aan het systeem van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Tot slot houdt de Organisatie voor Vrede en Veiligheid in Europa (OVSE) de naleving van mensenrechten in de regio in de gaten en draagt bij aan de levering van technische expertise aan landen als Azerbeidzjan ter ondersteuning van hervormingen.
Welke diplomatieke instrumenten worden ingezet om president Aliyev te bewegen werk te maken van een beter mensenrechtenbeleid? Worden hierbij stille diplomatie en Europese sancties overwogen? Zo nee, waarom niet?
Het gaat om dialoog, stille diplomatie, diplomatieke druk (onder andere via het Comité van Ministers in de Raad van Europa). Voor meer detail verwijs ik u naar het antwoord op vraag 10.
Overweegt Nederland het stellen van sancties in specifieke gevallen van bijvoorbeeld Elvin Isayev, zoals ook in de zaak van Aleksej Navalny4 in Europees verband werden opgelegd?
In algemene zin geldt dat in EU-verband op voortdurende basis wordt gekeken naar mensenrechtenschendingen. De instelling van restrictieve maatregelen door de Europese Unie, waaronder ook het EU-mensenrechtensanctieregime, vormt een instrument dat kan worden ingezet als onderdeel van het bredere gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Over de vraag of in individuele gevallen al dan niet een sanctiemaatregel wordt overwogen kan het kabinet om redenen van vertrouwelijkheid geen uitspraken doen.
In hoeverre worden de gremia van de Raad van Europa aangewend om Azerbeidzjan te wijzen op haar verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Gebeurt dit met enig succes? Zo nee, waarom niet?
Nederland legt binnen de Raad van Europa de nadruk op tenuitvoerlegging van en toezicht op bestaande verplichtingen, waaronder de verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nederland hecht veel waarde aan de geloofwaardigheid en effectiviteit van het EVRM-toezichtssysteem. Het Comité van Ministers oefent het toezicht uit op de naleving van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Aan dat toezicht neemt Nederland actief deel en spreekt daarbij andere lidstaten van de Raad van Europa, waaronder Azerbeidzjan, aan op hun verplichtingen om de vereiste individuele en algemene maatregelen te treffen om de bindende uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen.
Azerbeidzjan staat op de zesde plaats van landen met de meeste zaken onder verscherpt toezicht bij het Comité van Ministers, na Rusland, Oekraïne, Turkije, Roemenië en Italië. Veel van deze zaken betreffen pogingen van Azerbeidzjan om de oppositie en het maatschappelijk middenveld tot zwijgen te brengen door onder valse voorwendselen detentiemaatregelen op te leggen. Nederland zet zich in het Comité van Ministers veelvuldig in voor invrijheidstelling, herstel van politieke rechten, en algemene maatregelen die de onafhankelijkheid van de rechtspraak en het openbaar ministerie waarborgen. In dat kader is ook de eerste inbreukprocedure (artikel 46 lid 4 EVRM) tegen Azerbeidzjan gevoerd, uiteindelijk resulterend in de vrijlating van oppositiepoliticus Ilgar Mammadov, de vernietiging door het Azerbeidzjaanse Supreme Court van zijn veroordeling, en de toekenning van compensatie. Vergelijkbare zaken blijven op de rol van het Comité van Ministers staan, waar zowel individuele als algemene maatregelen vereist zijn. Nederland blijft zich ervoor inzetten dat deze maatregelen door Azerbeidzjan worden getroffen.
Wat zijn de concrete resultaten van de inspanningen van uw departement op het terrein van mensenrechten in Azerbeidzjan in de afgelopen periode, en welke projecten lopen nog? Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan heeft de voortdurende aandacht van mijn ministerie. Inspanningen gebeuren voornamelijk in goed gezelschap, waaronder in EU-verband. Het is veelal niet mogelijk om vast te stellen of inspanningen tot concrete resultaten leiden.
Wat betreft de projecten die o.a. door de Nederlandse ambassade in Bakoe worden gesteund zijn de resultaten wel zichtbaar. Recent waren er resultaten op onder andere de capaciteitsopbouw en het vergroten van de rol van mensenrechtenverdedigers en de bevordering van een actieve rol van vrouwen in het bedrijfsleven en de politiek. Momenteel lopen er projecten op het vlak van bevordering van de positie van LGBTI-personen en ondersteuning van door vrouwen geleide lokale initiatieven. Hierdoor worden met name vrouwen in rurale gebieden in staat gesteld volledig en billijk deel te nemen aan het economische en sociale leven van hun gemeenschappen.
Wapenleveranties aan Oekraïne |
|
Jasper van Dijk |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Wat heeft Kiëv aan Nederlands materieel»?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht. Zoals in het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken (20 januari 2022) aangegeven, wordt zorgvuldig beoordeeld of de eventueel te leveren militaire goederen voldoen aan de EU wapenexportcriteria.
Wat voor verzoek voor militaire ondersteuning heeft Oekraïne aan u gedaan? Deelt u de mening dat hierover in het kader van parlementaire controle absolute transparantie moet bestaan?
Over de aard van het Oekraïense ondersteuningsverzoek kan ik geen uitspraken doen. Het is niet aan de Nederlandse overheid om de specifieke behoeften van Oekraïne openbaar te maken. Dergelijke openbaarheid voorafgaand aan eventuele ondersteuning geeft immers ook informatie over eventuele kwetsbaarheden die van strategisch belang kunnen zijn.
Mocht Nederland overgaan tot het leveren van militaire goederen aan Oekraïne dan is het kabinet graag bereid om de Kamer hierover versneld per brief te informeren. Dat doen we normaliter conform bestaande afspraken met de Kamer wanneer er sprake is van nieuwe, definitieve uitvoer van volledige systemen met een waarde van meer dan 2 miljoen euro.2 In deze uitzonderlijke situatie is het kabinet bereid eerder dan gebruikelijk transparantie over de eventuele Nederlandse militaire uitvoer te bieden.
Gaat het tijdens uw bezoek volgende week (1-2 februari) aan Kiëv over wapenleveranties? Zo nee, wat staat er op de agenda? Kunt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Het Oekraïense verzoek tot levering van militaire goederen was een van de onderwerpen die aan bod zijn gekomen tijdens het bezoek van de Minister-President en mijzelf.
Erkent u dat Nederland betrokken kan raken bij een militair conflict als u wapens en/of militair personeel aan Oekraïne gaat leveren?
Het Oekraïense verzoek betreft geen troepensteun, maar omvat de eventuele levering van militaire goederen. Het kabinet hecht er aan te benadrukken dat het Oekraïense steunverzoek voortkomt uit een snel toenemende dreiging als gevolg van Russische troepenopbouw aan de Oekraïens-Russische grens. Eventuele bilaterale steun zal erop gericht zijn Oekraïne in staat te stellen invulling te kunnen geven aan het legitieme recht op zelfverdediging. Daarbij zullen de eventuele transacties zorgvuldig worden getoetst aan de EU wapenexportcriteria en alleen doorgang vinden wanneer ze die toetsing doorstaan.
Deelt u de mening dat de levering van wapens aan Oekraïne in strijd zou zijn met de criteria voor wapenexport (geen wapens naar conflictgebieden, etc)?
Over de toepassing van dit beleid specifiek ten aanzien van Oekraïne is de Tweede Kamer in antwoorden op schriftelijke vragen al eerder (oktober 2018) geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409.
Er geldt geen wapenembargo voor Oekraïne op basis waarvan export van militaire goederen naar Oekraïne per definitie uitgesloten is. Alle vergunningaanvragen voor uitvoer van militaire goederen worden op individuele basis zorgvuldig getoetst aan de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Dit beleid verbiedt niet bij voorbaat alle militaire uitvoer naar instabiele regio’s, maar vereist per transactie een zorgvuldige analyse van de mogelijke effecten op de regionale stabiliteit. Op basis van, onder meer, de aard van de goederen, de beoogde inzet, en de actuele context wordt een eindafweging gemaakt over de risico’s en het al dan niet verlenen van een vergunning voor de desbetreffende transactie. Vanwege het conflict in het oosten van het land en de actuele spanningen aan de Oekraïens-Russische grens wordt bij de toetsing van aanvragen die betrekking hebben op Oekraïne extra aandacht besteed aan criteria 3 en 4, die respectievelijk gaan over interne conflicten en het effect op de regionale stabiliteit. Zie overigens ook het antwoord op vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het onderscheid tussen defensieve en offensieve wapens zeer betrekkelijk is? Zo nee, hoe maakt u het onderscheid?
Het onderscheid tussen defensief en offensief is in een aantal gevallen wel, maar niet in alle gevallen helder te maken. Zo sluit een defensieve taakstelling van een militair goed het offensief gebruik ervan niet per se uit (en vice versa). Nederland maakt in het wapenexportcontrolebeleid geen onderscheid tussen offensieve en defensieve goederen. Alle transacties worden op individuele basis getoetst op basis van de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Hierbij wordt gekeken naar de aard van de goederen, de eindgebruiker en het (beoogd) eindgebruik in de op dat moment geldende context.
Waarom bent u van standpunt veranderd, aangezien het kabinet in december nog van mening was dat wapenleveranties niet bijdragen aan een vreedzame oplossing?
Het kabinet blijft zich internationaal in de eerste plaats inzetten voor een diplomatieke oplossing en schaart zich achter de vele initiatieven die daartoe via de NAVO, EU, OVSE, het Normandië-format en de bilaterale initiatieven van individuele landen lopen.
Tegelijkertijd heeft Oekraïne een legitieme veiligheidsbehoefte en het recht zijn territoriale integriteit te beschermen. Dit werd ook in antwoord op schriftelijke vragen in oktober 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409) al met de Tweede Kamer gedeeld. In deze beantwoording stelde het kabinet ook dat verscherpte tegenstellingen op het Europese continent eerst en vooral veroorzaakt worden door Russisch optreden ten aanzien van Oekraïne. Deze situatie duurt tot op heden voort en heeft zich sinds december 2021 in hoog tempo in negatieve zin ontwikkeld. Aan herhaaldelijke oproepen tot meer transparantie over en afschaling van zijn militaire presentie in het grensgebied heeft Moskou vooralsnog geen gehoor gegeven. Integendeel, er is in toenemende mate sprake van een serieuze dreiging van Russische militaire inzet tegen Oekraïne in enige vorm.
In deze context wil het kabinet parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen bijdragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen, waarbij vooropstaat dat dergelijke steun niet moet bijdragen aan verdere escalatie. Nu er binnen deze gewijzigde veiligheidscontext een Oekraïens verzoek tot bilaterale steun van militaire aard is gedaan, staat het kabinet daar in de huidige, substantieel gewijzigde situatie welwillend tegenover.
Waarom trekt u niet samen op met Duitsland, een land dat ook geen wapens levert aan Oekraïne?
Er is grote eensgezindheid tussen Nederland en Duitsland op dit dossier, zoals andermaal bleek tijdens mijn gesprek met mijn Duitse ambtgenoot Baerbock in Berlijn woensdag 26 januari jl. evenals uit de contacten die de Minister van Defensie en de Minister-President in de afgelopen periode met hun Duitse ambtsgenoten hebben gehad. Voorts is het niet aan het kabinet om een appreciatie te geven van de details van het Duitse wapenexportbeleid ten aanzien van Oekraïne.
In de meest recente vergadering (24 januari 2022) van de Raad Buitenlandse Zaken is ook uitgebreid gesproken over de situatie ten aanzien van Oekraïne om zo te komen tot een gezamenlijke politieke lijn. Tijdens deze vergadering zijn raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen.3
Bent u het ermee eens dat de Russische agressie richting Oekraïne onacceptabel is, maar dat een kostbare wapenwedloop geen oplossing biedt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 genoemd, blijft het kabinet zich internationaal, via verschillende gremia, inzetten voor een diplomatieke oplossing. Parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen, is het kabinet bereid bij te dragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen en staat het kabinet daarom in de huidige situatie welwillend tegenover het leveren van militaire goederen aan Oekraïne, mits beschikbaar en passend binnen de criteria.
Geeft u met mij ten allen tijde de voorkeur aan een politieke oplossing in plaats van escalatie, bewapening en een nieuwe (koude) oorlog? Zo ja, wilt u afzien van wapenleveranties aan Oekraïne?
Zie antwoorden op vragen 7 en 9 en mijn eerdere brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 35 925-V, nr. 65).
Bent u bereid om in Europees verband te werken aan afspraken (in lijn met eerdere verdragen zoals de Helsinki Akkoorden en het Handvest van Parijs) over wapen- en conflictbeheersing? Zo nee, hoe wordt volgens u een duurzame oplossing bereikt?
Nederland benadrukt in NAVO-, EU- en OVSE-verband dat afschrikking en verdediging hand-in-hand moeten gaan met wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie. Dit sluit aan bij het huidige kabinetsbeleid, dat de lopende diplomatieke initiatieven in deze fora ondersteunt.
Zo hebben de Verenigde Staten en NAVO voorstellen gedaan voor het bespreken van onder andere wapenbeheersing, conflictpreventie en risicovermindering in de zogeheten Strategic Stability Dialogue tussen de VS en Rusland, en in de NAVO-Rusland Raad.
In EU-verband zijn tijdens de meest recente Raad Buitenlandse Zaken (24/1 jl.)
raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen en stellen dat de EU actief en substantieel bijdraagt aan discussies in bestaande formats.4
De huidige voorzitter van de OVSE, Polen, heeft een voorstel gedaan voor een informele dialoog over Europese veiligheid. Het idee kan op brede steun rekenen, ook van Nederland. De invulling van het proces behoeft nog nadere uitwerking. De Russische delegatie heeft nog niet op het voorstel gereageerd.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over Oekraïne op 3 februari?
Ja
Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u op 24 januari 2022 heeft aangegeven geen familie van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel uit Oekraïne weg te halen?
Ja. Daarbij heb ik tevens aangegeven dat de situatie zorgelijk en moeilijk te voorspellen is. Het terughalen van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel is in dit soort situaties een dilemma. Natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen in gevaar komen door te laat handelen. Tegelijkertijd zou te vroeg weghalen van ambassadepersoneel kunnen bijdragen aan instabiliteit en onrust, terwijl spanningen al hoog zijn. Daarom heb ik de mogelijkheid geboden aan ambassademedewerkers en familieleden die zich onveilig voelen, om terug te keren naar Nederland. Nederland, Duitsland en Oostenrijk zijn op dit moment de enige EU-landen die deze stap hebben gezet. De situatie blijft onvoorspelbaar en daarom blijven we de veiligheidssituatie actief en nauwgezet monitoren, ook in nauw contact met EU-partners en andere landen.
Hoe beoordeelt u de veiligheidsrisico’s voor ambassadepersoneel en familieleden in Oekraïne?
De situatie in Kiev is over het algemeen rustig. Op dit moment kunnen ambassademedewerkers veilig hun werk doen. Uiteraard heeft de veiligheid van ambassadepersoneel onze continue aandacht. Ook worden alle benodigde voorbereidingen getroffen voor het geval de veiligheidssituatie verslechtert.
Kunt aangeven waarom de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië een deel van hun ambassadestaf en familieleden terugtrekken uit Oekraïne?
Alhoewel ik geen inzicht heb in alle overwegingen van deze landen, zal in belangrijke mate meespelen dat bijv. de Verenigde Staten enkele honderden medewerkers en familieleden heeft gestationeerd in Kiev. De Nederlandse ambassade in Kiev heeft veel minder medewerkers, die mogelijkerwijs zullen moeten worden geëvacueerd over de weg. De ambassades van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië in Kiev zijn overigens operationeel.
Heeft u contact gehad met deze landen over welke risicoanalyse hieraan ten grondslag ligt? Zo ja, hoe beoordeelt u die analyse? Zo nee, bent u bereid alsnog navraag te doen?
Van deze landen heb ik geen volledige inzage gekregen in hun risicoanalyse, dat is ook niet gebruikelijk. Met deze landen is voortdurend contact over de zorgelijke situatie in Oekraïne. Gelet op het vertrouwelijk karakter kan deze informatie niet gedeeld worden. De dreigingen die Nederlandse ambassademedewerkers en hun familieleden lopen in Kiev zijn in kaart gebracht, tevens zijn maatregelen getroffen om de geïdentificeerde dreigingen zoveel mogelijk te mitigeren. Ik hecht eraan te benadrukken dat geen enkele EU-lidstaat ambassademedewerkers uit Kiev heeft teruggehaald. Het beleid dat Nederland voert is vergelijkbaar met het beleid van andere EU-lidstaten, waarbij ernaar wordt gestreefd zoveel mogelijk in EU-verband op te trekken.
In hoeverre wijkt de risicoanalyse van Nederland af van de risicoanalyses van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië?
Zie antwoord vraag 4.
Neemt Nederland bewust meer risico dan bovengenoemde drie landen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe is het dan mogelijk dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van familieleden en niet-essentieel personeel?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat bovengenoemde drie landen niet alleen familieleden en niet-essentieel personeel de vrijwillige keuze geven om al dan niet te vertrekken, maar expliciet beleid hebben om hun presentie af te schalen?
Ja.
Bent u van mening dat het aan individuen overlaten van de vertrekkeuze kan leiden tot meer risico voor ambassadepersoneel, indien zij (bijvoorbeeld uit plichtsbesef) druk voelen om te blijven?
Nee. Hierover is ook nauw contact met de ambassade.
In welke situatie wordt er alsnog besloten ambassadepersoneel terug te trekken? Is er een plan voor evacuatie in noodsituaties?
Indien ambassademedewerkers niet langer in staat zijn hun werkzaamheden in veiligheid uit te voeren en het nemen van mitigerende- en beveiligingsmaatregelen niet langer mogelijk is. Dit is overigens conform het verzoek van de Kamer, om naar alle ambassades te communiceren dat
ambassades altijd open moeten blijven tot het laatst mogelijke moment1. Daarbij merk ik op dat in voorkomende gevallen vooruitlopende daarop niet-essentiële medewerkers en hun familieleden verplicht kunnen worden terug gehaald naar NL. Dit om het aantal uitgezonden medewerkers die mogelijkerwijs uiteindelijk zullen moeten worden geëvacueerd zo klein mogelijk te maken. Vanzelfsprekend zijn verschillende opties om het land te verlaten in kaart gebracht.
Waarom adviseert het reisadvies voor Oekraïne reizen uit te stellen, en raadt het reizen naar Oekraïne niet expliciet af? Waarom is het reisadvies voor het grootste deel van Oekraïne nog oranje en niet rood?
Tijdens het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken deed ik de toezegging om te kijken naar de tekst van het reisadvies voor Oekraïne. De tekst in het reisadvies is inmiddels aangescherpt met een duidelijke boodschap om reizen uit te stellen en het verblijf te heroverwegen. Het reisadvies voor Oekraïne is oranje en deels rood voor de gebieden Donetsk, Loegansk, de Krim en het grensgebied met Rusland en Belarus. Ons reisadvies is hiermee in lijn met de reisadviezen van andere EU-landen. Daarnaast worden Nederlanders in Oekraïne opgeroepen zich te registreren bij de BZ informatieservice opdat zij bereikbaar zijn voor communicatie vanuit de ambassade voor noodsituaties. Verder wordt in het reisadvies verwezen naar een crisispagina op nederlandwereldwijd.nl met informatie over stappen die mensen kunnen nemen bij een dreigende crisis waarbij ook wordt ingegaan op het belang van een tijdig besluit over vertrek. Uiteraard worden de ontwikkelingen aan de grens tussen Oekraïne en Rusland voortdurend en nauwlettend gemonitord en zal indien nodig het reisadvies verder aangepast worden.
Waarom zegt het reisadvies voor Rusland niks over de expliciete risico’s in het grensgebied met Oekraïne? Bent u bereid om de tekst van het reisadvies op dit punt aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
De reisadviezen voor Rusland en Belarus zijn inmiddels aangepast met een vermelding van de Russische troepenopbouw langs de grens met Oekraïne. Voor Belarus gaat dit ook om troepenopbouw langs de grens met Polen. Het advies is om niet te reizen binnen 10 km van deze grenzen. Deze grensstreken hebben in de betreffende reisadviezen een rode kleur gekregen. Ook aan Oekraïense kant geldt hetzelfde advies. De grensstrook van Oekraïne met Belarus en Rusland tot 10 km landinwaarts is in het reisadvies voor Oekraïne ook rood.
Bent u gezien de acute dreiging en snelheid van alle ontwikkelingen bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, bij voorkeur nog deze week?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De Ranglijst Christenvervolging 2022 van Open Doors |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Kees van der Staaij (SGP), René Peters (CDA), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Hebt u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2022?
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding van Open Doors dat vervolging van christenen intensiveert en toegenomen is tot een hoogte van 360 miljoen christenen, wat betekent dat 1 op de 7 christenen zijn geloof niet in vrijheid kan beleven?
De door Open Doors gesignaleerde ontwikkelingen zijn zorgwekkend. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stipuleert dat eenieder het recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit omvat ook de vrijheid om van religie of levensovertuiging te veranderen en de vrijheid om zowel in het openbaar als privé een godsdienst of levensovertuiging – alleen of met anderen – te belijden. Het is onacceptabel dat dit mensenrecht met voeten getreden wordt. Open Doors is transparant over haar methodiek en erkent dat het niet altijd duidelijk is of en in welke mate de vervolging van christenen rechtstreeks verband houdt met hun christelijke geloof. Ook andere oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen. Hierover is de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging in gesprek met Open Doors en hij heeft hierover (bijvoorbeeld t.a.v. aantallen, definities en criteria) ook internationale discussie gestimuleerd.
Hoe beoordeelt u dat volgens Open Doors in 2021 (meetperiode 1 oktober 2020 – 30 september 2021) in alle categorieën een toename in geweld was waarbij 5.989 christenen vanwege hun geloofsovertuiging zijn vermoord (was: 4.761), 5.110 kerken en christelijke gebouwen (zoals scholen, ziekenhuizen en begraafplaatsen) werden aangevallen (was: 4.488), 6.175 christenen zonder vorm van proces gearresteerd, veroordeeld of gevangengezet werden (was: 4.277), en dat ruim 829 christenen gekidnapt werden (was: 1.710)?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden ziet u om aandacht te vragen voor de positie van minderheden in Afghanistan – dat op nummer 1 van de Ranglijst Christenvervolging staat?
Nederland vraagt, samen met gelijkgezinde landen, zowel publiek als achter de schermen bij iedere gelegenheid die zich daarvoor leent aandacht voor het belang van het beschermen van mensenrechten voor iedereen, en heeft daarbij speciale aandacht voor kwetsbare groepen zoals (religieuze) minderheden. De internationale gemeenschap geeft hierover heldere boodschappen af richting de Taliban. Zo steunt Nederland de verlenging van een zo robuust mogelijk mandaat van UNAMA (United Nations Assistance Mission in Afghanistan), dat rapporteert over de mensenrechtensituatie in Afghanistan en hierover in contract treedt met de Taliban. Tevens zal de Mensenrechtenraad een Speciaal Rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Afghanistan benoemen. Nederland heeft een actieve rol gespeeld in de instelling van deze Speciaal Rapporteur. Ook bracht de International Religious Freedom and Belief Alliance(IRFBA) op 10 september jl. onder Nederlands voorzitterschap een gezamenlijke verklaring uit waarin IRFBA leden opriepen tot het naleven van internationale mensenrechtenverdragen en de bescherming van religieuze minderheden in Afghanistan.
Kunt u eraan bijdragen dat Afghaanse christenen als vluchteling en vluchtelingen uit andere minderheidsgroepen gelijk behandeld worden in vluchtelingenkampen in de grensgebieden met buurlanden van Afghanistan? Zo ja, hoe?
Afghanen die vluchten naar buurlanden zoals Iran en Pakistan worden waar mogelijk opgevangen in vluchtelingenkampen, daarnaast zijn nieuwe kampen in de grensregio in ontwikkeling. Iran en Pakistan registreren al geruime tijd geen nieuwe vluchtelingen meer. Vluchtelingen kunnen bij UNHCR terecht voor bescherming en assistentie. In Iran heeft UNHCR echter een zeer beperkt mandaat – hetgeen gevolgen heeft voor de daadwerkelijke bijstand die geboden kan worden. UNHCR maakt geen onderscheid in behandeling tussen verschillende bevolkingsgroepen, op deze wijze worden christenen en andere minderheidsgroepen gelijk behandeld. Nederland heeft na de val van Kabul een bijdrage van 3,5 miljoen euro gedaan aan het Regionaal Vluchtelingenplan van UNHCR voor 2021. Hiermee worden in de buurlanden voorbereidingen getroffen voor de opvang van de nieuwe vluchtelingen.
Herkent u de impuls die de snelle machtsovername van de Taliban in Afghanistan heeft gegeven aan jihadistische groepen in andere landen, zoals Pakistan, Indonesië en ook in sub-Sahara Afrika? Welke mogelijkheden ziet u om regeringen hierop aan te spreken?
Na de machtsovername van Afghanistan door de Taliban spraken verschillende internationale terroristische groeperingen (waaronder in de Sahel) van een succes en feliciteerden de Taliban. Dit «overwinningsnarratief» wordt in propagandamateriaal gebruikt om jihadistische strijders te motiveren en nieuwe strijders aan te trekken. Dit wordt, ook in internationaal verband, nauwgezet gemonitord. Nederland spreekt zich in het kader van de bilaterale relatie met partnerlanden uit voor het bestrijden van terrorisme en het wegnemen van grondoorzaken die leiden tot terrorisme. Daarnaast voert de EU Contraterrorisme Coördinator met regelmaat zgn. CT-dialogen met partnerlanden in het belang van internationale veiligheid en stabiliteit. De EU zal hiertoe in 2022 CT-dialogen aangaan met onder meer Pakistan en India. De ontwikkelingen in Afghanistan zullen tijdens deze dialogen ook op de agenda staan waarbij de EU de noodzaak zal benadrukken van het monitoren van de situatie en het tegengaan van terrorisme.
Herkent u de trend die Open Doors benoemt dat er een toename is van christenen op de vlucht, vanwege jihadistisch geweld (o.a. Midden-Oosten en sub-Sahara Afrika), burgeroorlog (Soedan), onderdrukking en uitsluiting (Iran) of bijvoorbeeld vervolging in combinatie met extreme dienstplicht (Eritrea), en ziet u mogelijkheden eraan bij te dragen dat deze trend gekeerd kan worden? Zo ja, hoe?
Ja, ik herken die trend. In genoemde landen, en vele andere, zijn de omstandigheden dusdanig verslechterd dat vele burgers reden hebben om te vluchten, waaronder ook christenen. Nederland zet zich op diverse manieren in om grondoorzaken van migratie aan te pakken, waaronder de bestrijding van terrorisme, het vergroten van veiligheid en stabiliteit en het waarborgen van fundamentele vrijheden.
Deelt u de inschatting dat geweld door islamitische extremistische groepen zoals Boko Haram, ISWAP, en anderen tegen christenen en andere minderheden in landen als Nigeria, de Democratische Republiek Congo (DRC), Tsjaad, Kameroen, Niger en Mali zich als een olievlek lijkt te verspreiden in deze regio? Welke mogelijkheden ziet u bilateraal en in Europees en internationaal verband voor het nemen van (verdere) initiatieven om dit geweld uit te bannen?
Geweld door extremistische organisaties neemt inderdaad in verschillende regio’s van Afrika toe. In alle door u genoemde landen, maar bijvoorbeeld ook in Burkina Faso, groeit – zoals door u geconstateerd – het geweld door extremistische groeperingen tegen de burgerbevolking.
Nederland zet zich op het Afrikaanse continent in om de grondoorzaken van instabiliteit aan te pakken en de capaciteit van Afrikaanse landen te versterken om hun eigen veiligheid te garanderen en veiligheidsdreigingen tegen te gaan. Op bilateraal niveau onderstreepte Nederland het afgelopen jaar in gesprekken met o.a. Nigeriaanse, Nigerijnse en Malinese autoriteiten meermaals het belang van een effectieve aanpak van geweld, met het respecteren van mensenrechten en internationaal humanitair recht door de veiligheidstroepen en het tegengaan van straffeloosheid van geweld. Zo trekt Nederland bijvoorbeeld in het kader van een Team Europe Initiative Security and Governance in Nigeria samen met de EU en andere lidstaten op om bij te dragen aan veiligheid voor de Nigeriaanse bevolking. Daarnaast zal Nederland de Regional Stability Strategy van UNDP in de Tsjaadmeerregio, het grensgebied tussen Tsjaad, Niger, Nigeria en Kameroen, blijven steunen. Ook in internationaal verband ondersteunt Nederland de Regional Stability Facility van UNDP in de Liptako Gourma-regio, het grensgebied tussen Mali, Niger en Burkina Faso. Het is echter uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de autoriteiten de veiligheid van hun burgers te waarborgen.
Onderschrijft u de analyse van Open Doors betreffende Nigeria, waar vorig jaar 4.650 christenen werden vermoord (jaar daarvoor: 3.530) vanwege hun geloofsovertuiging of dat hun religie in ieder geval een rol speelt bij deze moorden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij verschillende vormen van geweld in Nigeria vallen veel slachtoffers, onder wie veel christenen. Er zijn vele verklaringen voor hoe dit geweld is ontstaan: de strijd om schaarse grond en productiemiddelen, tegenstellingen tussen nomaden en boeren, de groeiende bevolking, klimaatverandering. Door de onveiligheid, trekken mensen naar veiliger gebieden waarop in die gebieden de druk op middelen toeneemt. En religie speelt een rol bij dit geweld, wordt ook gebruikt om bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten. Ik verwijs graag ook naar de antwoorden op kamervragen over de ranglijst christenvervolging 2021 van Open Doors.
Welke mogelijkheden ziet u om de Nigeriaanse overheid aan te spreken op het gebrek aan bescherming van iedere burger in het land en dan in het bijzonder in «the middle belt» en het overwegend islamitische noorden van het land? Bent u bereid hierover rechtstreeks in gesprek te gaan met de Nigeriaanse overheid?
De Nederlandse ambassade in Nigeria brengt in gesprekken met de autoriteiten steeds de veiligheidssituatie in het land op, en vraagt de overheid zich in te spannen om de veiligheid voor iedereen in Nigeria te verbeteren. Ook tijdens bilaterale gesprekken van Minister President Rutte op presidentieel en ministerieel niveau is het onderwerp besproken (laatstelijk in september 2021).
Uit de reactie op de vragen rond de Ranglijst Christenvervolging van 2021 betreffende een internationaal onderzoek bleek dat de aanklager van het Internationaal Strafhof een jaar geleden toestemming aan de rechters van het Strafhof heeft gevraagd een onderzoek te starten naar gewelddadigheden, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in Nigeria; wat is hier de status van?
In de reactie op de vragen rond de Ranglijst Christenvervolging van 2021 is abusievelijk gesteld dat de Aanklager aan de rechters toestemming heeft gevraagd om een formeel onderzoek (investigation) te openen. Na de afronding van het vooronderzoek (preliminary examination) heeft de vorige Aanklager het namelijk in verband met de beperkte middelen en de vele (voor)onderzoeken aan de nieuwe Aanklager overgelaten om zijn eigen prioritering aan te brengen en om basis daarvan te bepalen welke vervolgstappen er zouden moeten worden gezet. De in juni 2021 aangetreden nieuwe Aanklager, Karim Khan, heeft ten aanzien van het vooronderzoek naar Nigeria tot op heden nog geen verdere procedurele stappen gezet, aangezien hij in het kader van zijn prioritering nog bezig is om alle (voor)onderzoeken na te lopen. In nauwe samenwerking met de Nigeriaanse autoriteiten onderzoekt de Aanklager met name of de vervolging het beste op het nationale of het internationale niveau zou kunnen plaatsvinden. Tegelijkertijd heeft het Strafhof de nodige maatregelen genomen om de integriteit van een eventueel internationaal onderzoek te waarborgen. Het Strafhof blijft daarnaast ook nog steeds informatie ontvangen over nieuwe vermeende misdrijven die in Nigeria zouden zijn gepleegd.
Welke mogelijkheden ziet u om landen als China aan te spreken op mensenrechtenschendingen en extreme controle nu de inzet van digitale controlemiddelen zoals camera’s, gezichtsherkenning, apps en online monitoring die – soms onder de noemer van coronabestrijding en nationale veiligheid – in dit land verder toeneemt en wordt gebruikt om de bevolking en zeker ook minderheden als christenen en moslims te monitoren en consequenties aan gedrag te verbinden? Bent u het eens met de observatie dat China voor landen als India en Myanmar hier een «role model» lijkt te zijn?
Er is in China sprake van vergaande digitale surveillance en deze strikte controle wordt ook op minderheden als christenen en moslims toegepast. Nederland spreekt China consequent aan op mensenrechtenovertredingen, zowel in bilateraal als multilateraal verband en heeft daarbij aandacht voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van religie en levensovertuiging. Daarnaast ziet Nederland op het gebied van surveillancetechnologie toe op de export van (mogelijke) dual-use goederen en worden ook bedrijven die in de technologische sector werken ten aller tijde geacht de geldende IMVO-richtlijnen na te leven. Het kabinet ziet geen aanleiding om aan te nemen dat India en Myanmar China als een rolmodel zien op dit gebied.
Hoe voorkomt u dat dergelijke digitale controle niet gebeurt met (behulp van) technologie afkomstig van bedrijven uit Nederland en andere Europese landen? Zijn de huidige exportregels nog afdoende?
Inzet van technologie voor het onderdrukken van bevolkingsgroepen of het schenden van mensenrechten acht het kabinet in alle gevallen onwenselijk. Nederlandse bedrijven dienen zich te allen tijde rekenschap te geven van mogelijke ongewenste toepassingen van geleverde producten. Bedrijven worden nadrukkelijk gewezen op de risico’s die met hun bedrijfsactiviteiten gepaard gaan. Het kabinet verwacht van deze bedrijven dat zij een weloverwogen afweging maken of (de voorzetting van) levering van de goederen aan bepaalde eindgebruikers past binnen een adequaat compliance- en IMVO-beleid, in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights.
Een andere manier waarop het kabinet bijdraagt aan het voorkomen dat het gebruik van producten of diensten tot mensenrechtenschendingen leidt, is via exportcontrole. Het Nederlandse bedrijfsleven is gehouden aan Europese en nationale regels over de export van dual-use-goederen. In september 2021 is de vernieuwde EU-verordening voor de export van dual-use-goederen van kracht gegaan.1 De grootste vernieuwing in de nieuwe verordening is de mogelijkheid voor lidstaten om cyber surveillance items nationaal onder exportcontrole te brengen bij zorgen omtrent mensenrechtenschendingen. Nederland toetst vergunningaanvragen reeds op het risico van mensenrechtenschendingen en wijst deze in voorkomend geval af.
Ziet u mogelijkheden om op Europees of internationaal niveau het feit op de agenda te krijgen dat in China door wet- en regelgeving de ruimte voor andersdenkenden wordt ingeperkt, onder het mom van «liefde voor het moederland, support voor de leiders van de Communistische Partij en het socialistische systeem» en dat nieuwe regels de ruimte beperken voor het hebben van contacten met buitenlanders in China? Zo ja, hoe?
De mensenrechtensituatie in China is zeer zorgwekkend en de ruimte in China voor andersdenkenden is uitermate beperkt. Dit geldt niet alleen voor gelovigen maar voor alle burgers, met name voor bijvoorbeeld (arbeidsrechten)activisten, journalisten en mensenrechtenadvocaten. Het kabinet bespreekt deze zorgen met regelmaat in Europees en internationaal verband. Het kabinet is niet bekend met nieuwe regels die de ruimte beperken voor het hebben van contacten met buitenlanders in China. Er is wel sprake van strikte internetcensuur en COVID-19-inreisregels die het contact met en het afreizen naar China voor buitenlanders ernstig inperken.
Herkent u de negatieve invloed van de COVID-19 pandemie op de positie en vrijheden van religieuze minderheden, waaronder christenen, zoals bijvoorbeeld door langdurige sluiting van kerkgebouwen, het verbieden van apps, het gebruik van corona-apps voor andere doeleinden zoals monitoring van minderheden? Kunt u landen hierop aanspreken?
Ja, dat herken ik. COVID-19 heeft ook zijn impact doen gelden op de positie van religieuze minderheden en de vrijheid van religie en levensovertuiging. Beperkingen van mensenrechten die het resultaat zijn van maatregelen om de pandemie te bedwingen moeten voldoen aan de criteria vastgelegd in de internationale mensenrechtenverdragen. Indien een land zich hier niet aan houdt kan Nederland desbetreffende autoriteiten aanspreken op hun internationale verplichtingen.
Welke mogelijkheden ziet u om aandacht te besteden aan religieuze vervolging die zich specifiek richt op meisjes en vrouwen (zoals in Afghanistan, India, Pakistan, landen in het Midden-Oosten), ook wel dubbele kwetsbaarheid genoemd vanwege hun vrouw-zijn en het behoren tot een religieuze minderheid?
Allereerst door het recht van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de gelijke rechten van vrouwen en meisjes – afzonderlijk en in samenhang – te onderstrepen en steunen, zowel bilateraal als multilateraal. Binnen de International Religious Freedom and Belief Alliance(IRFBA) is Nederland lid van de werkgroep die zich richt op de intersectie tussen de vrijheid van religie en levensovertuiging en gender.
Daarnaast gaat er specifiek aandacht uit naar het tegengaan van kindhuwelijken. In onder meer Pakistan en India zijn meisjes uit religieuze minderheidsgroepen kwetsbaarder voor gedwongen bekeringen en huwelijken. Voormalig Minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, heeft gedwongen bekeringen en huwelijken aangekaart in een gesprek met zijn Pakistaanse ambtgenoot. Ook in multilateraal verband blijft Nederland zich inspannen om kindhuwelijken te voorkomen. In 2021 coördineerde Nederland wederom de onderhandelingen over de resolutie child, early and forced marriagein de VN Mensenrechtenraad, die met consensus en brede steun is aangenomen.
Tevens zet het kabinet in op de verbetering van de (maatschappelijke, dus ook religieuze) positie van vrouwen en meisjes. Voor Nederland is het van belang de positie van vrouwen zodanig te versterken dat zij ook zelf in staat zijn hun gelijkheid voor de wet af te dwingen. Hiervoor zijn onder andere middelen uit het Mensenrechtenfonds en het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld ter beschikking gesteld.
Welke mogelijkheden ziet u om internationaal onderzoek te laten doen naar geweldsincidenten en het verspreiden van leugens en misinformatie over minderheden zoals moslims en christenen in India? En welke mogelijkheden ziet u om de schijnbare straffeloosheid van leden van politie, rechterlijke macht en politici die zich schuldig maken aan eerder genoemde praktijken een halt toe te roepen?
Internationale NGO’s waar Open Doors er één van is, en ook Indiase NGO’s en denktanks doen al veel onderzoek naar geweldincidenten en haatzaaiing tegen religieuze minderheden. Het kabinet onderhoudt nauwe relaties met deze organisaties. Deze onderwerpen zijn net als straffeloosheid onderdeel van zowel de Nederlandse als de EU dialoog met India. India is onlangs herkozen als lid van de VN-Mensenrechtenraad en dit biedt extra mogelijkheden om India aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden onder mensenrechtenverdragen. India heeft het voornemen van de Mensenrechtenambassadeur om in 2022 een bezoek te brengen aan India verwelkomd. Een bezoek van de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging was voorzien voor 2020, maar is toen uitgesteld.
Vanuit het mensenrechtenprogramma van de ambassade wordt ondersteuning verleend aan capaciteitsversterking van organisaties die opkomen voor de rechten van religieuze minderheden in India, onder andere voor juridische bijstand voor gerechtelijke procedures en klachtenprocedures over politieoptreden.
Heeft u plannen om de Universal Periodic Review (UPR) van India dit jaar te gebruiken voor het benoemen van mensenrechtenschendingen in het land, en bijvoorbeeld een internationaal onderzoek – zoals genoemd onder punt 16 – te stimuleren?
De mensenrechtensituatie in India zal in het kader van de UPR aan de orde worden gesteld. Nederland zal hier, in nauw overleg met EU-partners, ook actief aan bijdragen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 is er via Indiase en internationale mensenrechtenorganisaties, waaronder Open Doors, al veel informatie beschikbaar over de mensenrechtensituatie in India.
Hoe beoordeelt u de behandeling van kerken en christenen in Algerije door de Algerijnse overheid en deelt u de zorgen over deze behandeling?
Het blijkt met name voor protestantste stromingen in de praktijk vaak lastig om te voldoen aan de veeleisende wet- en regelgeving voor religieuze minderheden. Dit heeft geresulteerd in kerksluitingen en strafrechtelijke vervolging van individuen, hetgeen zorgelijk is. Katholieke christenen ervaren minder tot geen problemen in hun behandeling door de Algerijnse overheid.
Bent u bereid om de Algerijnse overheid aan te spreken op het waarborgen van religieuze vrijheid zoals in de Algerijnse Grondwet en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is vastgelegd en bent u bereid te pleiten voor het heropenen van kerken die in de afgelopen vier jaren op last van autoriteiten zijn gesloten?
De ontwikkelingen in Algerije op het gebied van religieuze vrijheid worden nauwgezet gevolgd en komen aan bod in gesprekken met de Algerijnse autoriteiten. Zo sprak de Nederlandse ambassadeur in december jl. nog met de Minister van Religieuze Zaken, onder meer over de kerksluitingen en het belang dat Nederland hecht aan de vrijheid van religie en levensovertuiging. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging is tevens voornemens een bezoek te brengen aan het land zodra de coronasituatie dit toelaat. De Algerijnse Minister zei zo’n bezoek te verwelkomen.
Welke mogelijkheden ziet u om landen van de Ranglijst Christenvervolging aan te spreken op internationale verdragen die zij ondertekend hebben en in de praktijk soms met de voeten treden?
Allereerst maakt Nederland gebruik van politieke consultaties en bestaande dialogen, zowel bilateraal als in EU verband, om landen aan te spreken op schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging. De vrijheid van religie en levensovertuiging is ook een prioritair onderwerp van de EU en
onderdeel van het EU actieplan. Daarnaast zal de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging tijdens landenbezoeken landen aanspreken op hun internationale verplichtingen.
Binnen de Mensenrechtenraad spant Nederland zich in om passages m.b.t. de vrijheid van religie en levensovertuiging in relevante landen resoluties op te nemen. Bovendien maakt Nederland gebruik van de Universal Periodic Review(UPR) om landen aan te sporen om mensenrechtenverdragen na te leven. Dat geldt, waar opportuun, ook de vrijheid van religie en levensovertuiging. Daarnaast moedigt Nederland NGOs aan om van hun mogelijkheden gebruik te maken om het UPR proces te beïnvloeden en stemt interventies af met gelijkgezinde landen.
Deelt u de mening dat local faith actors (LFA’s) een belangrijke rol kunnen spelen bij de wederopbouw van een land, bij het stimuleren van verdraagzaamheid en tolerantie en vaak ook heel praktisch bij een eerlijke verspreiding van noodhulp? Kunt u laten zien dat het Nederlands beleid erop gericht is om LFA’s zo breed mogelijk in te zetten bij programma’s?
Ja, religieuze actoren kunnen, net zoals andere maatschappelijke actoren, een belangrijke rol hierin vervullen. Local faith actors(LFAs) kunnen een positieve, maar helaas soms ook negatieve, rol spelen in conflictbemiddeling en vredesopbouw. De religieuze structuren en hun lokaal genoten legitimiteit stellen LFAs in staat om effectief te opereren in direct contact met betrokkenen. Daarnaast is bekend dat zij bij crises vrijwel niet evacueren.
LFA’s spelen onder meer een belangrijke rol in de implementatie van diverse projecten gefinancierd vanuit het Mensenrechtenfonds. Deze projecten concentreren zich onder meer op de bevordering van intra- en interreligieuze dialoog. Een ander voorbeeld is het Joint Initiative for Strategic Religious Action(JISRA) programma dat onderdeel is van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, Power of VoicesPartnerschappen. Dit programma werkt nauw samen met religieuze actoren om interreligieuze dialoog te bevorderen en discriminatie, extremistische bewegingen en haat jegens andere (niet-)religieuze groeperingen tegen te gaan. Om noodhulp te verschaffen wordt onder andere de Dutch Relief Alliancegefinancierd, een alliantie waar organisaties vanuit diverse levensbeschouwelijke invalshoek samenwerken om adequaat te reageren op humanitaire noden. Net zomin als bij andere hulp worden hier geen bijzonder selectiecriteria met betrekking tot levensbeschouwing gehanteerd, maar staat effectiviteit voorop.
Welke mogelijkheden ziet u om met andere Europese landen druk te zetten op de invulling van de maar kortstondig ingevulde en inmiddels al weer geruime tijd vacante positie van speciaal gezant Freedom of Religious Beliefs (FoRB) in Europa?
Nederland staat in nauw contact met het kabinet van de Eurocommissaris voor de Bevordering van onze Europese levenswijze, Margaritis Schinas – het kabinet waaraan de functie van EU Gezant is opgehangen – over de spoedige invulling van de functie. De Nederlandse Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging onderhoudt hieromtrent contact met zijn collega’s en andere betrokkenen.
Welke mogelijkheden ziet u om op Europees en internationaal niveau samen te werken met andere speciaal gezanten voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (FoRB) om samen de schendingen van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aan te kaarten, zoals gesignaleerd in de rapportage van de Ranglijst en andere rapporten?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging (SGRL) werkt zeer nauw samen met collega’s binnen en buiten Europa om schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging aan te kaarten. Waar mogelijk en opportuun worden acties richting derde landen gecoördineerd en onderling afgestemd om doeltreffendheid te vergroten. Hij onderhoudt ook nauw contact met de betrokken Speciaal Rapporteur van de VN. Binnen de eerder genoemde International Religious Freedom and Belief Alliance (IRFBA) en de International Contact Group on FoRB bevordert hij ook een betere kennisuitwisseling omtrent internationale afspraken en (individuele) ontwikkelingen. Dit was voor hem als voorzitter van de IRFBA in 2021 een speerpunt. Ook heeft de SGRL het recent verschenen Open Doors rapport binnen de IRFBA geagendeerd om gezamenlijke actie ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging te stimuleren. Een gesprek met technisch experts van de IRFBA heeft bijgedragen aan de antwoorden op bijvoorbeeld de vragen 2, 3, 4 en 9.
Waar en hoe biedt de Ranglijst Christenvervolging 2022 en de onderliggende landendossiers verdere aanknopingspunten voor geplande reizen en ontmoetingen van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het mensenrechtenbeleid van Nederland en voor de toekomstige inzet van de Mensenrechtenambassadeur en de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging?
De ranglijst is, samen met andere informatiebronnen, van belang voor de keuze van gespreksonderwerpen voor bilaterale consultaties van de Minister van Buitenlandse Zaken, van ambassadeurs, gezanten en ander ambtenaren. De SGRL treedt hier desnoods proactief op.
Bovendien is de ranglijst mede richtinggevend voor de landenbezoeken van de SGRL en Mensenrechtenambassadeur. Daarnaast wordt de ranglijst, samen met eigen informatiegaring en informatie van partnerorganisaties, gebruikt als achtergrondinformatie die wordt meegenomen in het selecteren van gesprekspartners en de voorbereiding daarop.
Kunt u toelichten welke middelen uit het Mensenrechtenfonds u voornemens bent aan te wenden voor het bevorderen van geloofsvrijheid wereldwijd?
Zowel decentraal als centraal worden middelen van het Mensenrechtenfonds ingezet ten behoeve van de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Op voorhand is niet te zeggen om hoeveel middelen het gaat, dit is gedeeltelijk afhankelijk van de projectvoorstellen die worden ingediend. Daarnaast zal er in de loop van het jaar een nieuw subsidiebeleidskader voor het Mensenrechtenfonds worden gepubliceerd waarin zeker ook aandacht is voor de vrijheid van religie en levensovertuiging. De vrijheid van religie en levensovertuiging is één van de prioriteiten binnen het Mensenrechtenfonds.
De uithaal van een VN-rapporteur |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met bericht «VN-rapporteur hekelt optreden Nederlandse politie bij protesten»1?
Ja.
Kunt u inhoudelijk reageren op de aankondiging van de VN-rapporteur op korte termijn een officieel protestbericht te sturen inzake het handelen van de Nederlandse politie?
In zijn algemeenheid wil ik benadrukken dat politieambtenaren professionals zijn die in het gebruik van geweld zijn getraind. Ik heb een grote mate van steun voor het werk wat zij – vaak onder moeilijke omstandigheden – doen om Nederland veilig te houden.
Daarnaast benadruk ik het feit dat in dit soort situaties altijd onderzoek naar de geweldsaanwendingen gedaan. In Nederland moet een geweldsaanwending daarom worden gemeld teneinde te worden getoetst. Het protestbericht van de VN-rapporteur heb ik inmiddels ontvangen en zal ik met grote mate van zorgvuldigheid beantwoorden. Dit past bij het belang dat Nederland hecht aan de VN-inspanningen voor mensenrechten, inclusief de inspanningen door de onafhankelijke Speciaal Rapporteur, en de voortrekkersrol die Nederland zelf vervult om mensenrechten te bevorderen internationaal en nationaal. Zowel de brief van de VN-rapporteur als het antwoord van Nederland zullen te zijner tijd openbaar worden gemaakt en aan uw Kamer worden aangeboden.
Wat vindt van het feit dat disproportioneel handelen bij de politie steeds vaker voor lijkt te komen?
De politie werkt dag in, dag uit voor de veiligheid van Nederland. Uw veronderstelling dat disproportioneel handelen bij de politie steeds vaker voor lijkt te komen herken en onderschrijf ik niet. Nederland is een rechtsstaat waar politieoptreden waarbij geweld wordt gebruikt, moet worden gemeld en wordt getoetst. Veruit de meeste geweldsaanwendingen worden als rechtmatig en professioneel beoordeeld.2
Deelt u de mening dat de jarenlange onderbezetting van het politieapparaat leidt tot enorm hoge werkdruk en korte lontjes bij een deel van de agenten? Zo ja, hoe gaat u de tekorten bij de politie ledigen? Kunt u hierop een gedetailleerd antwoord geven?
Dat er sprake is van onderbezetting en daarmee een hoge werkdruk, is juist. Daarbij; de toegenomen polarisatie in de samenleving en de onvrede richting de overheid is onmiskenbaar van invloed op het werk van de politie.
Er zijn tot op heden echter geen aanwijzingen dat dit leidt tot minder geduld bij politiemensen in de uitvoering van hun functie. Politiemensen zijn professioneel toegeruste en opgeleide vakmensen, dat wil ik graag benadrukken. Zij moeten hun werk onder (soms) moeilijke omstandigheden uitvoeren. Bovendien worden politiemensen juist getraind in de-escalerend optreden.
De onderbezetting van operationele functies binnen de gebiedsgebonden politie wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren, maar met name door de hoge uitstroom vanwege de pensioengolf en de verhoogde doorstroom naar andere functies binnen de politie. De verruimde instroom van aspiranten kan met die ontwikkelingen komend jaar nog net geen gelijke tred houden.
Een andere oorzaak is de veranderende werkvraag, zoals de vele demonstraties waarmee de politie wordt geconfronteerd, de verhoogde inzet vanuit de basisteams in het kader van het stelsel van bewaken en beveiligen en het grote aantal meldingen over personen met verward gedrag. De politie neemt tal van maatregelen om de onderbezetting en de daarmee gepaard gaande werkdruk te mitigeren. Ik heb de Kamer uitgebreid en ook recent geïnformeerd over de actuele situatie, de oorzaken en de maatregelen die worden genomen.3
Ondanks de vele maatregelen kampt politie de komende jaren nog met onderbezetting, de verwachting is dat deze situatie na 2022 zal verbeteren. De Strategische Personeelsprognose (SPP) van politie vormt de basis voor de verwachte in-, door- en uitstroom in het korps. De SPP geeft zicht in de personeelssamenstelling en de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan in-, door- en uitstroom van personeel. Uit de SPP politie voor de periode 2022–2026 blijkt dat rond dit moment (2021/22) de onderbezetting het grootst is, maar ook dat formatie en bezetting in 2024–25 weer in balans komen. Vanaf dat moment zijn zowel de vervangingsopgave als de landelijke uitbreiding van de operationele capaciteit met 2.400 fte gerealiseerd. In 2024 ontstaat er ook weer ruimte om extra aspiranten in te laten stromen op de Politieacademie, zodat vanaf 2026 de eerste van de 700 agenten voor de wijk, structureel gefinancierd uit de middelen van de motie Hermans, operationeel kunnen worden.
In de komende jaren wordt in elke eenheid, in afstemming met het lokale gezag, maatwerk toegepast bij het nemen van maatregelen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om organisatorische maatregelen, waardoor agenten meer tijd in de wijk kunnen besteden. Naast maatregelen die de capaciteit bevorderen zullen politiechefs en gezagen de komende jaren voor moeilijke keuzes over de inzet van agenten blijven staan.
Hoe gaat u het disproportioneel geweld bij de politie verder aan banden leggen? Kunt u ook hierop een gedetailleerd antwoord geven?
In uw vraag ligt besloten dat de politie in zijn algemeenheid buitensporig geweld zou gebruiken en dat bestrijd ik. Of een geweldsaanwending rechtmatig is kan pas na gedegen onderzoek worden vastgesteld. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven worden veruit de meeste geweldsaanwendingen als rechtmatig beoordeeld. Tegelijkertijd kan ieder incident de beeldvorming over het optreden van de politie en het veiligheidsgevoel bij burgers op negatieve wijze beïnvloeden. Ik hecht daarom veel waarde aan de melding, registratie, beoordeling van en feedback over politiegeweld. Dit stelt de politie in staat te leren van toegepast geweld. Indien gevallen van gebleken niet rechtmatige geweldstoepassing door de politie daartoe aanleiding geven ga ik hierover met de korpschef in gesprek.
Het Energy Charter Treaty |
|
Lammert van Raan (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), de Th. Bruijn |
|
![]() |
Klopt het dat er al sinds 2017 wordt gepraat over het «moderniseren» van het Energy Charter Treaty (ECT)? Hoe lang gaat het nog duren voordat er een akkoord ligt?
In 2017 is op de ECT Conferentie besloten om de modernisering van het ECT te bespreken. In 2018 en 2019 is er een moderniseringsgroep opgericht die de onderhandelingen binnen het ECT coördineert en zijn de onderwerpen voor modernisering vastgesteld en goedgekeurd. In 2020 zijn de onderhandelingen van start gegaan en inmiddels hebben er negen onderhandelingsrondes plaatsgevonden. In de eerste helft van 2022 staan nog vier onderhandelingsrondes gepland en in juni 2022 hoopt het ECT een conferentie te kunnen organiseren over een principeovereenkomst, die de weg kan vrijmaken naar modernisering van het ECT.
Kunt u garanderen dat «modernisering» uitsluit dat bedrijven kunnen dreigen met miljardenclaims wanneer overheden een einde willen maken aan de winning, productie, handel en gebruik van fossiele energie? Wat is de status van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Unie om de bescherming van fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen?
De inzet van de EU bij het moderniseren van het ECT is om het verdrag volledig in lijn te brengen met het EU-klimaatbeleid en verplichtingen onder het Akkoord van Parijs. Het voorstel van de EU was – zoals aangegeven in uw vraag – om investeringen in fossiele brandstoffen uit te sluiten van investeringsbescherming onder het ECT. Investeringen in sommige vormen van fossiele brandstof zouden onder het EU voorstel onder voorwaarden worden uitgefaseerd in de context van het ECT. Het gaat hierbij om nieuwe investeringen in elektriciteitsproductie uit aardgas en andere gasvormige koolwaterstoffen, waarvoor investeringsbescherming zou blijven bestaan tot eind 2030. Daarnaast zouden investeringen in aardgas en andere gasvormige koolwaterstoffen die bestaande investeringen in meer vervuilende vormen van fossiele brandstoffen vervangen worden beschermd tot uiterlijk 2040.
Er is bij de andere verdragspartijen weinig steun voor dit voorstel. De Europese Commissie onderhandelt namens de EU verder om tot een oplossing te komen. Wat het kabinet betreft is het essentieel dat een gemoderniseerd ECT volledig in lijn is met de klimaatdoelstellingen van de EU. Als het EU-voorstel geaccepteerd wordt, dan vallen de investeringen in fossiele brandstoffen in de bovengenoemde gevallen nog voor een relatief beperkte periode onder de bescherming van het verdrag zoals in de vorige paragraaf uiteen gezet. Modernisering zoals voorgesteld door de EU sluit derhalve niet per direct uit dat alle investeerders in fossiele brandstoffen gebruik kunnen maken van het geschillenbeslechtingsmechanisme onder het ECT.
Om te verduidelijken dat investeringsbescherming geen negatieve invloed heeft op de beleidsruimte van overheden wil de EU het recht te reguleren in het publieke belang expliciet opnemen in afspraken over investeringsbescherming. Dit is ook onderdeel van het EU-voorstel bij de onderhandelingen over het ECT.
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie overeenstemming heeft bereikt over een interne deadline voor de hervorming van het ECT? Zo ja, wat is die deadline?
Er is door de EU geen interne deadline gesteld voor het bereiken van een akkoord over de modernisering van het ECT. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1, wil het ECT-Secretariaat in juni 2022 een conferentie organiseren om een principeakkoord aan te nemen. Het is nu zaak dat de Europese Commissie in de aankomende vier onderhandelingsrondes in de eerste helft van 2022 probeert om een akkoord te bereiken dat volledig in lijn is met genoemde EU-inzet zoals geformuleerd in het mandaat van de Europese Raad. Mocht dan niet voldoende vooruitgang zijn geboekt, dan is voor het kabinet het moment gekomen om, bij voorkeur in EU-verband, opnieuw de balans op te maken over steun aan de moderniseringsonderhandelingen en lidmaatschap van het ECT.
Wat is het plan als de interne deadline niet gehaald wordt? Stappen de Europese Unie, Nederland en de andere lidstaten dan uit het ECT?
Zie antwoord vraag 3.
Onder welke omstandigheden stapt Nederland zelfstandig uit het verdrag? Hoeveel claims moeten er nog ingediend worden en hoe lang moeten we bij het versterken van het klimaatbeleid nog rekening houden met dreigingen van fossiele bedrijven voordat het kabinet bereid is dit besluit te nemen?
De Nederlandse en EU inzet bij het ECT is om verouderde elementen van het verdrag te moderniseren en het verdrag volledig in lijn te brengen met de klimaatdoelen van de EU, niet om te ontkomen aan investeringsbescherming. Het recht op toegang tot de rechter is niet iets om bang voor te zijn, maar juist een belangrijk element van een rechtsstaat.
Zelfstandig uit het ECT stappen, zou betekenen dat Nederland nog voor 20 jaar aan het verdrag is gebonden ten aanzien van bestaande investeringen via de «sunset» clausule. Deze clausule bepaalt dat de bepalingen uit het verdrag na opzegging van het verdrag nog 20 jaar daarop van toepassing zijn. Daarnaast bestaat dan de situatie dat Nederland, doordat de EU partij is bij het ECT en het ECT daarmee onderdeel vormt van het Unierecht, via de band van de Unie nog steeds gebonden is aan het verdrag. Als de hervormingsonderhandelingen zouden mislukken, is het van belang dat de alternatieve beleidskeuzes een zo goed mogelijke uitkomst hebben op het klimaatbeleid en de energievoorziening. Het is daarom belangrijk dat alternatieve opties – waaronder uittreding – goed overwogen worden en actie zoveel mogelijk in EU-verband wordt ondernomen.
Het is belangrijk om hierbij te vermelden dat niet alleen investeerders in de fossiele industrie gebruik kunnen maken van investeringsbescherming onder het ECT. Investeerders in andere energiesectoren kunnen dit ook. Volgens de cijfers op de website van het Energiehandvest zijn in de afgelopen tien jaar de meeste investeringsgeschillen door investeerders in hernieuwbare energie aangespannen.1
Kunt u bevestigen dat elke wijziging van het ECT unanimiteit vereist onder alle 53 verdragslanden en dat elk land vetorecht heeft?
Ja, het klopt dat unanimiteit is vereist voor het soort verdragswijzingen waar de modernisering op ziet. In het Energiehandvest (artikel 36.1) is vastgelegd dat wijzigingen van het verdrag aanvaard moeten worden door alle verdragspartijen tijdens een Conferentie van Partijen.
Hoe staat het met de opstelling van Japan, dat heeft verklaard zich tegen elke wijziging van de Investor-State Dispute Settlement-clausule (ISDS) te verzetten?
Japan heeft aan het begin van de onderhandelingen aangegeven geen noodzaak te zien in de modernisering van het ECT, en ook andere landen hebben posities die nog ver van de EU-inzet liggen. Desalniettemin lopen de onderhandelingen door en de Europese Commissie blijft in gesprek met Japan en andere landen met als doel om hen te overtuigen van de noodzaak van modernisering van het ECT.
Hoe staat het met de opstelling van andere landen die economisch grote winst halen uit fossiele brandstoffen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u reageren op de uitspraken van klokkenluider Yamina Saheb, energie-expert en voormalig medewerker van het ECT-secretariaat, die concludeert dat het onmogelijk zal zijn om het ECT in lijn te brengen met de doelen van Parijs, dat elke poging om echte hervorming door te voeren een veto zal krijgen van lidstaten die sterk afhankelijk zijn van inkomsten uit fossiele brandstoffen, en dat de enige manier om onszelf te beschermen het opzeggen van het verdrag is?1
Het kabinet volgt de onderhandelingen nauwlettend en is zeer kritisch over de tot nu toe behaalde vorderingen. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1, 3, en 4, onderhandelt de Europese Commissie verder met de andere verdragspartijen. Het kabinet steunt vooralsnog dit proces, in elk geval tijdens de aankomende vier onderhandelingsrondes in de eerste helft van 2022. Na die onderhandelingsrondes wil ik – bij voorkeur in EU-verband – onze opties (her)overwegen.
Kunt u bevestigen dat er een juridische analyse is opgesteld over het vertrek van de Europese Unie uit het ECT en het buiten werking stellen van de sunset clausule, mocht er voor de deadline geen overeenkomst zijn bereikt over de hervorming van het ECT? Kunt u die analyse delen?
Het Directoraat Generaal Handel van de Europese Commissie heeft de juridische dienst van de Commissie in december 2020 gevraagd om een juridisch advies over de te volgen procedures bij uittreding van de EU en haar lidstaten uit het ECT. Het advies is verstrekt in januari 2021. Het advies is vertrouwelijk en niet gedeeld met de lidstaten.
In hoeverre lopen de standpunten van de lidstaten en de Raad met betrekking tot de juridische stappen die de EU moet nemen om uit het ECT te stappen uiteen?
Er is in de Raad nog niet gesproken over de juridische aspecten van uittreding. Derhalve weet het kabinet niet in hoeverre de standpunten hierover uiteen lopen. Het is duidelijk dat veel lidstaten de kritische houding van Nederland tegenover de tot nog toe geboekte resultaten van de onderhandelingen delen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als leden van het ECT zelfstandig kunnen bepalen welke energievormen beschermd worden en welke niet? Wat zijn de posities van de Europese Commissie en andere lidstaten (voor zover bekend) over dit zogenaamde flexibiliteitsvoorstel?
Het door u genoemde voorstel is een van de opties waarover verder onderhandeld wordt. Mocht dit voorstel worden aangenomen dan zou het naar verwachting resulteren in een situatie waarbij investeringen in EU landen in verschillende vormen van fossiele brandstof (op termijn) niet meer beschermd worden door het ECT. Volgens artikel 42 van het Energiehandvest moeten wijzingen van het verdrag door alle verdragspartijen bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd worden. Nederland is partij bij het ECT. Conform de Grondwet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen zal een voorgestelde verdragswijziging van het ECT aan de Staten-Generaal worden voorgelegd voor goedkeuring. Andere verdragspartijen hebben mogelijk verschillende parlementaire procedures. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 5 is het doel van de EU bij de moderniseringsonderhandelingen niet om rechtszaken te voorkomen of om alle investeerders het recht tot investeringsbescherming te ontzeggen.
Wat zijn de juridische stappen om een dergelijk voorstel uit te voeren indien het aanvaard zou worden? Zouden de nationale parlementen een dergelijke aanpassing van het verdrag kunnen afkeuren?
Zie antwoord vraag 12.
Wat zijn de gevolgen voor de ECT-leden die het flexibiliteitsvoorstel en andere wijzigingen niet ratificeren? Is het denkbaar dat er een situatie ontstaat waarbij een hervormd ECT van toepassing is op de ECT-leden die de hervorming steunen en een oorspronkelijk ECT dat van toepassing is op alle ECT-leden? Indien ja, hoe zouden de Europese Unie en lidstaten ISDS-claims kunnen voorkomen van investeerders uit landen die het hervormingsvoorstel niet ratificeren?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u tekstvoorstellen delen voor de definitie van economische activiteiten die in recente ECT-moderniseringsrondes worden besproken, inclusief het flexibiliteitsvoorstel?
De onderhandelingsteksten zijn door het Secretariaat van het ECT aangemerkt als vertrouwelijk en daarom is het niet mogelijk deze te delen. De tekstvoorstellen die de EU heeft ingediend aan het begin van de onderhandelingen zijn wel openbaar gemaakt en te vinden op de website van de Europese Commissie.3
De arbitrageprocedure die RWE en Uniper tegen Nederland gestart zijn om compensatie te krijgen vanwege de kolenexit is volgens het Europees Hof van Justitie in strijd met Europees recht; hoe kan het dat deze procedures nog niet zijn stopgezet of door de geselecteerde arbiters zijn afgewezen?
Zoals aangegeven in Kamerbrieven met kenmerk Kamerstuk 35 570 XIII, nr. 83 en Kamerstuk 35 925 XIII, nr. 10 voert Nederland in beide arbitrageprocedures verweer op zowel de bevoegdheid van het arbitragetribunaal als op de inhoud van het geschil. Daarin zal ook het standpunt van Nederland worden ingebracht dat intra-EU investeringsarbitrage tussen een investeerder van een EU-lidstaat en een-EU lidstaat in strijd is met het EU-recht. Op dit verweer is nog niet beslist. Naast de ICSID-procedures lopen er procedures in Nederland en in Duitsland, waar bij de Duitse rechter de vraag voorligt of het ECT een geldige arbitrageclausule bevat in deze intra-EU context. Ook deze zaken zijn nog onder de rechter.
Wat doen de Europese Unie en Nederland eraan om te voorkomen dat er nog arbitragezaken onder het ECT worden gevoerd door investeerders uit EU-landen tegen andere EU-landen?
Het standpunt van Nederland is dat intra-EU investeringsarbitrage in strijd is met het EU-recht. Op 2 september 2021 stelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in haar uitspraak in de zaak Republiek Moldavië v. Komstroy dat artikel 26(2)(c) van het ECT, dat ziet op het geschillenbeslechtingsmechanisme tussen een investeerder en een staat, moet worden uitgelegd als zijnde niet van toepassing op geschillen tussen een EU-lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat over investeringen die deze laatste in de eerste lidstaat heeft gedaan. De EU-lidstaten en de Europese Commissie zijn in onderling overleg over hoe de EU het beste gehoor kan geven aan de uitspraak van het Hof in deze zaak ten aanzien van het ECT.
Deelt u ook de mening dat ook investeerders van buiten de Europese Unie geen ISDS-claims onder het Energy Charter Treaty zouden moeten kunnen starten over klimaatbeleid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 en 5 is het doel van de modernisering niet om rechtszaken te voorkomen of om alle investeerders het recht tot investeringsbescherming te ontzeggen. De inzet van de EU is onder andere om het verdrag in lijn te brengen met de klimaatdoelen van de EU en het akkoord van Parijs. Onderdeel van het EU voorstel is daarom om investeringsbescherming van investeringen in fossiele brandstoffen onder het ECT op te heffen. Idealiter zou dit voorstel na een modernisering van toepassing zijn op alle verdragspartijen van het ECT, waaronder partijen van buiten de EU. Echter, zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, is er buiten de EU weinig steun voor dit voorstel.
Met RWE is afgesproken om het arbitrageproces zo transparant mogelijk te voeren; waarom is/zijn de brief/brieven van RWE niet openbaar gemaakt, waarin RWE arbitrage aanspant en toelicht hoeveel compensatie het claimt en wat de onderbouwing is voor de hoogte van de compensatie en de vermeende schending van de bescherming van hun investering? Kunt u dit alsnog openbaar maken?
In lijn met de Nederlandse inzet is door het arbitragetribunaal in de zaak met RWE besloten om de arbitrageprocedure zo transparant mogelijk te voeren. Dat betekent o.a. dat processtukken gepubliceerd mogen worden op voorwaarde dat vertrouwelijke of beschermde informatie wordt afgeschermd. In de procedure zal Nederland de eigen stukken zo veel mogelijk actief openbaar maken en verzoeken om actieve openbaarmaking van de processtukken van RWE, zoals het verzoek om arbitrage en de memorial,waarin de claim en verzoek om compensatie worden toegelicht. Stukken die niet officieel tot de procedure behoren, zoals stukken die vooraf zijn gegaan aan het verzoek tot arbitrage, vallen niet onder dit transparantieregime.
Als RWE niet bereid is deze brief/brieven openbaar te maken, wilt u ze dan herinneren aan de uitspraak van de CEO van RWE bij de hoorzitting van 11 februari 2021 dat ze «op zich niks te verbergen» hebben en ze vragen hier alsnog aan mee te werken?
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u zich ervoor inspannen dat ook de brief/brieven van Uniper openbaar worden, waarin ze de arbitrage starten, hun claim kenbaar maken en een onderbouwing geven?
De arbitrageprocedure met Uniper is later gestart en loopt een aantal maanden achter op de procedure met RWE. Nu het arbitragetribunaal in de zaak tussen Uniper en Nederland is vastgesteld, worden binnenkort processuele beslissingen over het te voeren proces genomen. De inzet is om een vergelijkbare mate van transparantie te bereiken in de arbitrageprocedure met Uniper als is vastgesteld voor de procedure met RWE.
Kunt u aangeven welk bedrag Uniper eist ter compensatie voor vermeende schade als gevolg van de kolenwet?
Uniper stelt in alle stukken de rechtmatigheid van de Wet verbod op kolen ter discussie, zonder een schadebedrag te noemen. Uit openbare bronnen blijkt dat Uniper de schade schat op circa 1 miljard euro.
Hoe staat het met de anti-arbitrage-procedures van de Nederlandse staat bij de Duitse rechtbank in Keulen? Wanneer verwacht zij een eerste zitting? Zijn de zittingen en bijbehorende stukken publiek toegankelijk? Wanneer verwacht u een uitspraak?
De procedures die de Nederlandse Staat in Duitsland tegen RWE en Uniper heeft aangespannen, gaan over de vraag of het ECT onder het EU-recht een geldig aanbod voor arbitrage tussen een investeerder van een EU lidstaat en een EU lidstaat bevat. In deze zaak staat geen mondelinge behandeling gepland. Naar verwachting doet de rechter in de eerste helft van dit jaar nog een uitspraak. Het vonnis is openbaar, de Nederlandse staat onderzoekt of het onder Duits recht mogelijk is om, net als in de nationale procedure, eigen processtukken actief openbaar te maken.
Kunt u het verzoek delen dat Uniper vorige week deed aan de ECT-arbiters om een einde te maken aan de Nederlandse zaak bij de Duitse rechter?
Zie het antwoord op vraag 21. Zodra er beslissingen over het verloop van het proces zijn genomen, kunnen stukken die onderdeel van de arbitrageprocedure zijn eventueel openbaar gemaakt worden.
Hoe is het mogelijk dat arbiters van een handelsverdrag een normale rechtszaak onder een nationale rechter kunnen dwarsbomen?
Een arbitragetribunaal ontleent zijn bevoegdheid aan een investeringsverdrag. Het arbitragetribunaal in de zaken met RWE en Uniper is gevraagd te oordelen over de vraag of er een schending van het internationaal recht, namelijk het ECT, heeft plaatsgevonden. Dit staat los van de vraag of de Wet verbod op kolen rechtmatig is onder nationaal recht. Over het laatste is de nationale rechter bevoegd. Het gaat hier dus om verschillende procedures op basis van een andere rechtsgrondslag.
Riverstone krijgt 212 miljoen euro voor de sluiting van de Onyx-centrale; kunt u onderbouwen waarom ze zoveel compensatie krijgen, terwijl Riverstone deze centrale in 2019 voor een veel lager bedrag heeft gekocht in de wetenschap dat de centrale niet lang meer open zou zijn en terwijl de boekwaarde volgens het eigen jaarverslag uit 2019 slechts 96 miljoen euro zou zijn?
Volgens de voorwaarden van de call for proposalsheeft de exploitant van de centrale Powerplant Rotterdam (PPR) een projectvoorstel gedaan voor de beëindiging van de productie en de ontmanteling van PPR. De exploitanten van de andere kolencentrales hebben aangegeven in dit kader geen voorstel te doen. Door de onafhankelijke adviseur van de Minister van EZK is geoordeeld dat de hoogte van de gevraagde subsidie voor de uitvoering van het projectvoorstel niet leidt tot overcompensatie van de exploitant. Dit wordt ook gecontroleerd door de Europese Commissie voordat de subsidie kan worden verleend
Heeft Riverstone in de gesprekken met de overheid benoemd dat ze ook compensatie zouden kunnen eisen via de rechter of met een arbitragezaak onder het Energy Charter Treaty of een ander investeringsbeschermingsverdrag? Heeft u dit meegewogen in het besluit om Riverstone met 212 miljoen euro te compenseren?
De call for proposalsvoor vrijwillig stoppen met gebruik van kolen staat los van de Wet verbod op kolen. Het doel van de call for proposalsis om in de periode tot 2030 aanvullend CO2 te reduceren. De call for proposalsstond daarom open voor alle producenten. Alleen de exploitant van centrale PPR heeft een voorstel tot sluiting en ontmanteling ingediend. De voorgaande Minister van EZK heeft beoordeeld of de aanvraag en het projectvoorstel aan de eisen van de call for proposals voldoet. Er is geen sprake van een overeenkomst of akkoord, maar van subsidieverlening.
Overigens is Riverstone voor de overname geïnformeerd over de Wet verbod op kolen en kon daarom bij de overname al met het toekomstige verbod op kolen rekening houden. Om die reden kan Riverstone niet stellen dan wel aannemelijk maken dat zij als gevolg van de Wet verbod op kolen schade lijdt of zal lijden.
Om uw Kamer inzicht te geven in deze adviezen en maximale transparantie te bieden heb ik de onderliggende stukken vertrouwelijk ter inzage in de Tweede Kamer gelegd zodat uw Kamer volledig zicht heeft op de onderbouwing van deze subsidie (Kamerstuk 32 813, nr. 937). Vanwege bedrijfsvertrouwelijke informatie kan ik het subsidiebesluit en de onderliggende adviezen niet openbaar maken.
Er is in een Wob-verzoek gevraagd om de communicatie tussen het Ministerie van EZK en Onyx en/of Riverstone in de periode van 1 januari 2019 tot 1 oktober 2020. De beantwoording van dit Wob-verzoek zal spoedig worden verzonden. Een ander Wob-verzoek is ingediend voor alle correspondentie van oktober 2020 tot 8 oktober 2021 tussen Onyx en/of Riverstone en het Ministerie van EZK. De beantwoording hiervan verwacht ik in het eerste kwartaal van dit jaar te versturen. Bij de beantwoording van deze beide Wob-verzoeken is de gevraagde informatie ook beschikbaar voor de Kamer.
Bent u bereid om alle verslagen en/of notulen van de gesprekken met Riverstone inzake de compensatie met de Kamer te delen?
Zie antwoord vraag 27.
Acht u het mogelijk dat Riverstone met een lager bedrag akkoord was gegaan als zij geen mogelijkheid hadden gehad tot arbitrage via investeringsbeschermingsverdragen?
Zie antwoord vraag 27.
Erkent u dat claims of de dreiging van claims via het Energy Charter Treaty invloed kan hebben op het klimaatbeleid van Nederland? Is het denkbaar dat ons klimaatbeleid hierdoor meer geld kost? Is het denkbaar dat ons klimaatbeleid hierdoor meer tijd kost? Is het denkbaar dat hierdoor beleidsopties geschrapt worden, om claims te voorkomen?
Het nemen van nieuwe maatregelen is nodig om de klimaatdoelstellingen te bereiken. Daarbij zal een zorgvuldige belangenafweging moeten worden gemaakt tussen de verschillende belangen en belanghebbenden conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
In sommige gevallen zal het noodzakelijk zijn om in te grijpen in het recht op eigendom als dat nodig is voor het bereiken van andere doelstellingen van algemeen belang. Deze ruimte is er, maar die is niet onbegrensd. Zo speelt artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens een belangrijke rol, maar ook andere normen van internationaal, Europees en nationaal recht. Regulering is dus in beginsel geoorloofd, als het voldoet aan de legaliteitstoets, de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets (fair balance). Nieuwe wetgeving wordt ook altijd getoetst aan deze normen.
Investeringsverdragen, waaronder het ECT, bevatten geen hogere of andere standaard ten aanzien van overheidshandelen dan het Nederlandse of Europese recht. Ook daarin zijn basisregels voor fatsoenlijk overheidshandelen stevig verankerd. Discriminatoire, willekeurige en oneerlijke behandeling zijn ook onder Nederlands en Europees recht verboden, net als het feit dat ook in die rechtsordes onteigening niet zomaar is toegestaan maar aan voorwaarden is onderworpen. Het opzeggen van het ECT, zorgt er niet voor dat de overheid zomaar kan ingrijpen in eigendom. Het overheidshandelen is niet normvrij, maar blijft aan beginselen van behoorlijk bestuur onder internationaal, Europees en Nederlands recht onderworpen.
Overigens is het uitgangspunt van een rechtsstaat dat burgers en bedrijven die rechtstreeks geraakt worden door besluiten van de overheid, rechtsbescherming genieten. Dit is in Nederland geregeld via de bestuursrechtelijke en civiele rechtsgang, als mede via routes onder het internationaal en Europees recht. Een claim indienen, is niet hetzelfde als een zaak winnen. De rechter of ander relevant scheidsgerecht zal de zaak beoordelen en daar een uitspraak over doen. De Nederlandse staat dient rechtmatig te handelen. En hier ligt een belangrijke taak voor de wetgever om voorzienbaar en stabiel beleid te maken, dat toekomstbestendig is.
In antwoord op vragen voor de begrotingsbehandeling EZK schreef u «Ten slotte brengt verder ingrijpen in de kolensector grote juridische risico's in het kader van de lopende claims met zich mee»; kunt u dit verder toelichten? In hoeverre worden die «grote juridische risico's» minder als er geen Energy Charter Treaty zou zijn?
Zie antwoord vraag 30.
Welke buitenlandse bedrijven met investeringen in Nederland, vallen mogelijk onder de investeringsbescherming van het Energy Charter Treaty?
Het ECT beschermt investeringen van een investeerder van een Verdragspartij van het ECT in een andere Verdragspartij, dat wil zeggen elke vorm van activa die een investeerder in eigendom heeft of waarover hij direct of indirect zeggenschap heeft in relatie tot een economische activiteit in de energiesector. Dat zijn economische activiteiten met betrekking tot exploratie, winning, raffinage, productie, opslag, vervoer over land, transmissie, distributie, handel, marketing of verkoop van energiegrondstoffen en energieproducten, of met betrekking tot collectieve verwarmingssystemen. Hier vallen potentieel veel buitenlandse bedrijven onder die investeringen hebben in Nederland.
Welke bedrijven hebben de mogelijkheid van een arbitragezaak benoemd in reactie op klimaatbeleid?
In reacties op het klimaatbeleid is dit niet naar voren gekomen.
Het bericht dat de VN de Taliban 6 miljoen dollar willen betalen voor beveiliging |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Ben Knapen (CDA), de Th. Bruijn |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Telegraaf dat de «VN de Taliban 6 miljoen dollar willen betalen voor beveiliging»?1
Ja.
Steunt u de lijn van de Verenigde Naties om de Taliban te financieren? Waarom wel of niet?
Om in Afghanistan effectief te kunnen opereren heeft de VN sinds de tweede helft van augustus de de facto autoriteiten verzocht om veiligheidsgaranties en ondersteuning ten behoeve van veiligheid. Het kabinet vindt het belangrijk dat de VN effectief en veilig kan opereren in Afghanistan. Niet erkende autoriteiten spelen daarbij soms een onvermijdelijke rol, bijvoorbeeld ook in Jemen en Somalië.
Het kabinet verstrekt conform de motie-De Roon (Kamerstuk 29 725, nr. 836) geen hulpgeld aan de Taliban. De Speciale Politieke Missie van de VN in Afghanistan (UNAMA) geeft aan dat de betalingen niet aan of via de de facto autoriteiten worden gedaan. UNAMA betaalt rechtstreeks personen die beveiligingswerkzaamheden verrichten ten behoeve van VN personeel, gebouwen en eigendommen evenals operaties en bewegingen in het land. Mede vanwege de complexe context in Afghanistan is het niet uit te sluiten dat sommige personen die deze betalingen ontvangen gelieerd zijn aan de Taliban.
Bent u het ermee eens dat de betalingen van de VN «ingaan tegen sancties die zijn opgelegd door de VN en Verenigde Staten?»
Onder de sancties die zijn opgelegd door de VN en de Verenigde Staten zijn specifieke personen of entiteiten gelieerd aan de Taliban op de sanctielijst geplaatst. Het is verboden aan gesanctioneerde personen en entiteiten, geld, of andere economische middelen, direct of indirect beschikbaar te stellen.
UNAMA geeft aan gecommitteerd te zijn aan het voldoen aan alle sanctieregimes en dat deze betalingen zijn goedgekeurd door het VN hoofdkantoor.
Bent u voornemens zich binnen de VN uit te spreken tégen de circa 5,3 miljoen euro subsidie aan de Taliban?
UNAMA geeft aan dat de betalingen niet aan of via de de facto autoriteiten worden gedaan. In dat licht hecht het kabinet groot en zwaarwegend belang aan het werk van de VN in Afghanistan, onder meer om de broodnodige humanitaire inspanning mogelijk te maken, ook al valt niet uit te sluiten dat sommige personen die betalingen ontvangen voor beveiligingswerk gelieerd zijn aan de Taliban.
Het herziene UNAMA budget voor 2022 en het voorstel voor het 2023 budget worden waarschijnlijk in de periode juli – november 2022 behandeld binnen de Verenigde Naties (VN), onder meer in de Vijfde Commissie van de VN. Tijdens de behandeling van het UNAMA budget in de Vijfde Commissie, waar Nederland aan deelneemt, zal Nederland onderstrepen dat het niet wenselijk is dat de Taliban door of via de VN van financiële middelen worden voorzien.
Bent u voornemens om de Nederlandse bijdrage aan de VN op te schorten met tenminste het bedrag dat Nederland indirect aan de Taliban heeft betaald via de VN?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat Nederland de Taliban niet direct óf indirect van financiële middelen moet voorzien?
Het kabinet deelt de mening dat het niet wenselijk is dat de Taliban van financiële middelen worden voorzien. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is het echter niet uit te sluiten dat personen gelieerd aan de Taliban betalingen ontvangen voor beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de VN.
Het kabinet verstrekt geen hulpgeld aan de Taliban conform de motie-De Roon (Kamerstuk 29 725, nr. 836). Het kabinet bepleit in gesprekken met gelijkgezinde partners dat eventuele ontwikkelingssteun ten behoeve van de Afghaanse bevolking via ngo’s en internationale organisaties dient te worden verleend, buiten de Taliban om. Aan Nederlandse financiering voor programmering van ngo’s die in Afghanistan actief zijn, zijn strenge voorwaarden verbonden. Ook hier geldt dat betalingen niet ten goede mogen komen aan de Taliban.
Staat u nog altijd achter uw keuze om salarissen van zorg- en onderwijsambtenaren in Afghanistan te betalen?
Hiervoor verwijst het kabinet naar de beantwoording van de Kamervragen van de leden Brekelmans/Klink (VVD; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1132) en Omtzigt (Groep Omtzigt; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1130).
Wat voor belang heeft Nederland volgens u bij het direct of indirect financieren van de Taliban regering?
Nederlandse steun dient ten goede te komen aan de Afghaanse bevolking, niet aan de Taliban. Vandaar hanteren we ook de strenge voorwaarden voor Nederlandse financiering zoals omschreven in het antwoord op vraag 6. Het is niet wenselijk dat de Taliban van financiële middelen worden voorzien.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, valt niet uit te sluiten dat de personen die betalingen ontvangen voor beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de VN gelieerd zijn aan de Taliban. Desalniettemin is het in het Nederlands belang dat de VN veilig en effectief kan opereren in Afghanistan, mede ten behoeve van het verlenen van humanitaire hulp.
Tevens is het in het Nederlands belang dat de zorg- en onderwijssectoren in Afghanistan niet instorten, met alle mogelijke gevolgen van dien (nog verder toenemende humanitaire noden, irreguliere migratiestromen, mogelijke speelruimte voor terroristen). Hierover is de Kamer ook geïnformeerd via de Kamerbrieven «Stand van zaken hulp aan Afghanistan» van 7 januari jl. (Kamerstuk 2022D00384), alsmede de antwoorden op Kamervragen van de leden Brekelmans/Klink (VVD; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1132) en Omtzigt (Groep Omtzigt; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1130).
In internationale context wordt daarom o.a. via de Europese Commissie en de Asian Development Bank de basisdienstverlening t.b.v. de Afghaanse bevolking ondersteund, om te voorkomen dat de zorg- en onderwijssectoren en de Afghaanse economie instorten. Op instigatie van Nederland zijn aan deze steun strenge voorwaarden verbonden. Zo dient steun alleen via multilaterale organisaties of ngo’s te worden verstrekt, niet (direct of indirect) via de Taliban; mag er geen inhoudelijke bemoeienis van de Taliban plaatsvinden m.b.t. beleid, uitvoering en management; en dient gelijke toegang voor vrouwen en meisjes zeker gesteld te zijn. Hierbij wordt binnen Afghanistan gewerkt met een naar regio gedifferentieerde aanpak, waarbij alleen steun wordt verleend in die provincies waar de principes worden nageleefd.
In lijn met de inzet van gelijkgezinde donoren, beziet het kabinet de mogelijkheid van een eigenstandige bijdrage aan tijdelijke ondersteuning van de zorg- en onderwijssectoren of livelihoods programma’s via een multilateraal Trust Fund. Ook aan die steun zouden strikte voorwaarden verbonden moeten worden. Het kabinet zal de Kamer schriftelijk informeren als hierover een besluit genomen is, zoals ook is besproken tijdens het Commissiedebat «Toekomstige inzet en hulp aan Afghanistan» van 27 januari jl.
Bent u voornemens om de komende kabinetsperiode direct of indirect de Taliban te blijven financieren? Kunt u uitleggen op welke manier?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wilt u voorkomen dat Nederlands belastinggeld direct of indirect (via onder andere internationale organisaties zoals de VN) ten goede komt aan de Taliban?
Nederlandse steun dient ten goede te komen aan de Afghaanse bevolking, niet aan de Taliban. Steun is dan ook gebonden aan strikte voorwaarden en dient alleen via multilaterale organisaties of ngo’s te worden verstrekt, niet (direct of indirect) via de Taliban. In Afghanistan dreigt voor 23 miljoen mensen acute voedselonzekerheid; onder hen bijna 5 miljoen kinderen en zwangere vrouwen. Daarom is het van belang dat noodhulp wordt verleend volgens de humanitaire principes (menselijkheid, onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid) en dus zonder (machts)politieke of transactionele overwegingen. Humanitaire hulp die door Nederland wordt gefinancierd vindt plaats via de VN, de Rode Kruis-beweging en de Dutch Relief Alliance. Deze organisaties opereren conform deze principes.
Bent u nogmaals «geschrokken» van dit nieuws net zoals u dat ook was tijdens het debat over de financiering van de Nederlandse en Duitse regering aan Afghaans zorg- en onderwijspersoneel?
Nee, het kabinet vindt het belangrijk dat de VN effectief en veilig kan opereren in Afghanistan en het komt vaker voor dat niet erkende autoriteiten daartoe een rol hebben, zoals in Jemen en Somalië.
Bent u bereid elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken te beantwoorden?
Voor de beantwoording was meer tijd nodig, zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over uitstel beantwoording vragen van het lid Eppink over het bericht dat de Verenigde Naties de Taliban 6 miljoen dollar willen betalen voor beveiliging van 7 januari 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1295).
Juridische bindende overeenkomsten met het World Economic Forum en aanverwante zaken. |
|
Olaf Ephraim (FVD), Wybren van Haga (BVNL), Hans Smolders (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), de Th. Bruijn |
|
![]() ![]() |
Kunt u bevestigen dat er inderdaad juridisch bindende afspraken zijn gemaakt met het WEF1?
Ja, dat kan ik bevestigen. Het betreffen een uitvoeringsovereenkomst voor, en subsidiebeschikkingen aan, projecten die kunnen bijdragen aan het behalen van Nederlandse beleidsdoelstellingen. In deze afspraken zijn met het oog op een doelmatige, doeltreffende en rechtmatige besteding van begrotingsmiddelen de voorwaarden voor de bijdrage vastgelegd, zoals de te verwachten prestaties, de resultaten en het tijdspad.
Welke Nederlandse bewindspersonen hebben zich gecommitteerd aan de genoemde juridische afspraken met het WEF, te weten: «Sustainable Investment Policy», «Tropical Forest Alliance», «Food Systems Initiative» en «Food Innovation Hubs»?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft subsidies verstrekt aan de «Sustainable Investment Policy», de «Tropical Forest Alliance» en het «Food Systems Initiative». De Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit hebben een uitvoeringsovereenkomst gesloten met betrekking tot de subsidie voor het Global Coordinating Secretariat van de «Food Innovation Hubs». Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit detacheert 1 FTE bij Foodvalley in het kader van de Food Innovation Hub Europe.
Zijn er behalve de genoemde juridisch bindende overeenkomsten nog meer juridisch bindende afspraken gemaakt met het WEF? Welke zijn dat en welke bewindspersonen hebben zich daaraan gecommitteerd?
Nee.
Met welke juridische entiteit hebben de betrokken bewindspersonen kennelijk juridisch bindende overeenkomsten gesloten?
Met het World Economic Forum, gevestigd in Genève, Zwitserland.
Volgens welk recht (bijvoorbeeld Nederlands recht, het Zwitsers recht, Europees recht, internationale verdragen, etc.) zijn de overeenkomsten met het WEF gesloten? Hoe is daarin de rol van het Nederlandse c.q. de nationale parlement(en) vastgelegd?
De onder vraag twee genoemde uitvoeringsovereenkomst en subsidiebeschikkingen zijn gesloten onder Nederlands recht. De subsidies zijn verstrekt bij beschikking en onderworpen aan het wettelijk kader in de Algemene wet bestuursrecht voor alle subsidies van het Rijk. In de bijbehorende uitvoeringsovereenkomst is openbaarmaking, bijvoorbeeld in het kader van art. 68 Gw, expliciet gewaarborgd. Zoals gesteld worden begrotingsmiddelen toegekend aan projecten waar deelname kan bijdragen aan het behalen van Nederlandse beleidsdoelstellingen. De uitgaven worden gefinancierd uit budgetten die aan verschillende (beleids)artikelen van begrotingshoofdstukken worden toegekend.
Erkent de u dat de Tweede Kamer te allen tijde zijn grondwettelijke controletaken en rechten heeft?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het WEF hooguit als denktank of overlegorgaan gekwalificeerd kan worden?
Het World Economic Forum (WEF) is een organisatie die een platform biedt waar mensen uit het wetenschappelijk, private en publieke domein kennis en ideeën over actuele maatschappelijke thema’s uitwisselen. Daarnaast kan de organisatie specifieke publiek-private samenwerkingsprojecten initiëren.
Bent u het eens met de stelling dat het WEF geen democratisch gekozen instelling is, zonder enige democratische legitimiteit? Zo ja, kunt u uitleggen waarom dan kennelijk juridisch bindende afspraken worden gemaakt tussen leden van het kabinet en het WEF?
Het klopt dat het WEF geen democratisch gekozen instelling is. Het WEF is een privaatrechtelijke stichting onder Zwitsers recht2. De Nederlandse overheid sluit regelmatig overeenkomsten met privaatrechtelijke stichtingen om beleidsdoelstellingen te behalen.
Bent u het eens met de stelling dat dergelijke overeenkomsten enerzijds onwenselijk zijn en anderzijds zonder meer aan de TK voorgelegd dienen te worden?
Zoals gezegd kan deelname aan projecten bijdragen aan het behalen van beleidsdoelstellingen van het kabinet. De daartoe behorende overeenkomsten vallen onder de uitvoering van (beleids)artikelen waarvoor in de Rijksbegroting middelen beschikbaar zijn gesteld. De begroting wordt jaarlijks aan uw Kamer voorgelegd ter goedkeuring.
Kunt u op de kortst mogelijke termijn zorgdragen voor het toesturen aan de Tweede Kamer van ALLE kennelijk juridisch bindende overeenkomsten, zodat de Kamerleden de overeenkomsten kunnen inzien en toetsen, teneinde de grondwettelijke controletaak te kunnen uitoefenen?
In de bijlage3 treft u de aan het WEF verstrekte subsidiebeschikkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan. De uitvoeringsovereenkomst met betrekking tot de subsidie voor het Global Coordinating Secretariat van de «Food Innovation Hubs» is reeds openbaar gemaakt als bijlage bij de beantwoording van Kamervragen, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1464.
Waarom hebben de Minister-President en de overige betrokken bewindspersonen niet eerder inzage gegeven in deze overeenkomsten?
Het betreft de uitvoering van door uw Kamer goedgekeurd beleid. De overeenkomsten passen binnen de kaders van het Nederlandse BHOS- en landbouwbeleid.
Kunt u de originele documenten aan de Kamer toesturen, waarover wordt gesproken in de antwoorden van de Minister van LNV van 15 december jl. waarin wordt verwezen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de VN voor 2030 (SDG’s) waarbij wereldwijd gewerkt wordt aan een transitie naar een duurzaam voedselsysteem?
De Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) zijn aangenomen door alle lidstaten van de Verenigde Naties (VN) in 2015. De resolutie is terug te vinden op de website van de VN4.
Wat houdt «your participation becomes a major force in shaping the Great Reset», waarover wordt gesproken in de brief, d.d 1 juli 2020, van Borge Brende aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, in en waarom werd de bijdrage van de toenmalige Minister «especially critical» genoemd?
Ik kan geen inzicht bieden in, of verantwoordelijkheid nemen voor, de bewoording waarmee Borge Brende bewindspersonen aanschrijft.
Kunnen de beelden van de deelname van de Minister van Financiën als lid van de Regional Action Group for Europe & Eurasia aan de digitale sessies (op 30 april, 18 mei en 7 september 2020) verzonden worden aan de Tweede Kamer?
Het betreft een besloten bijeenkomsten met een diverse groep deelnemers. Het is niet bij het kabinet bekend of het WEF, dan wel een van de deelnemers, beelden heeft gemaakt van de digitale sessies. In het geval deze bestaan, beschikt het kabinet niet over de beelden.
Kunnen deze schriftelijke vragen op de kortst mogelijke termijn beantwoord worden?
Ja.
Nederlandse investeringen in Qatar |
|
Jasper van Dijk |
|
Ben Knapen (CDA), de Th. Bruijn |
|
Wat is uw oordeel over het Volkskrant-artikel waaruit blijkt dat ING, hoofdsponsor van de KNVB, via Qatar National Bank (QNB) betrokken is bij mensenrechtenschendingen rondom de bouw van infrastructuur in Qatar?1
Het kabinet verwacht van bedrijven, waaronder banken, dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen). Dit betekent dat zij de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten voorkomen en aanpakken. Het toepassen van gepaste zorgvuldigheid geldt voor alle financiële diensten en producten, waaronder projectfinanciering, zakelijke leningen en obligaties. In lijn hiermee verwacht het kabinet van ING dat de bank gepaste zorgvuldigheid toepast bij financiële dienstverlening aan bedrijven en banken in Qatar. Als er bij zakenrelaties sprake is van een risico op mensenrechtenschendingen, dan behoort ING invloed aan te wenden om dit risico te voorkomen en aan te pakken. Indien het niet mogelijk is om met alle geïdentificeerde risico’s aan de slag te gaan, dan mag de bank de risico’s prioriteren op ernst en waarschijnlijkheid om te bepalen met welke risico’s de bank als eerste aan de slag gaat. Bij deze prioritering behoort de bank te overleggen met zakelijke relaties, andere relevante ondernemingen en (mogelijk) betrokken stakeholders en rechthebbenden. Ook behoort een bedrijf transparant te zijn over dit proces. De beëindiging van zakenrelaties is een laatste redmiddel, na vergeefse pogingen tot beperking van het risico of wanneer de bank beperking van het risico niet haalbaar acht of vanwege de ernst van het negatieve gevolg. Hoe invulling wordt gegeven aan de naleving de OESO-richtlijnen en in welke bedrijven wel of niet wordt geïnvesteerd is de verantwoordelijkheid en keuze van de individuele bedrijven. Dit geldt ook voor de beslissing om het gesprek aan te gaan met een bedrijf waarin zij investeren over het voorkomen en aanpakken van risico’s of om juist over te gaan tot uitsluiting.
Hoe is het mogelijk dat een grote Nederlandse bank als ING via een Qatarese bank betrokken raakt bij mensenrechtenschendingen, terwijl u op 21 mei nog in antwoord op Kamervragen schreef: «het kabinet hecht er groot belang aan dat alle Nederlandse bedrijven de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights naleven»2?
Het is de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf om gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen toe te passen. In de beleidsnota Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) van oktober 2020 (Kamerstuk 26 485, nr. 337) heeft het kabinet aangegeven dat IMVO-wetgeving nodig is om IMVO te bevorderen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangegeven op EU-niveau IMVO-wetgeving te bevorderen en nationale IMVO-wetgeving in te voeren. Naast wetgeving zet het kabinet in op het verlenen van informatie aan bedrijven, het verstrekken van financiële ondersteuning, het stellen van IMVO-voorwaarden bij overheidsinkoop en bij het handelsinstrumentarium en het stimuleren van sectorale samenwerking. Op deze manier verwacht het kabinet dat de toepassing van gepaste zorgvuldigheid door ondernemingen wordt verhoogd en zich minder schendingen op het gebied van mens en milieu zullen voordoen in de ketens van Nederlandse bedrijven.
Bent u bereid er bij ING op aan te dringen om inzicht te geven in de wijze waarop haar besluit om in 2021 nog leningen te verstrekken aan de QNB tot stand is gekomen, terwijl ING volgens die richtlijnen haar hele keten hoort door te lichten?
Nee. Onder de OESO-richtlijnen behoren bedrijven, waaronder banken, transparant te zijn over het gepaste zorgvuldigheidsproces. De OESO-richtlijnen schrijven niet voor dat bedrijven transparant moeten zijn over de afwegingen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten aan afzonderlijke zakelijke relaties.
In een reactie aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ING aangegeven dat het beleid van de bank is om geen commentaar te geven op individuele klanten. ING merkt op dat in openbare informatie te vinden is dat ongeveer tachtig procent van de balans van QNB wordt gefinancierd met deposito’s van klanten. Voor het resterende deel gebruikt de bank andere financieringsbronnen, waaronder bankfinanciering, leningen en bedrijfsobligaties. QNB heeft op haar website gegevens gepubliceerd over verschillende financieringsoperaties in de afgelopen jaren, waaronder de namen van meer dan veertig banken die aan deze transacties hebben deelgenomen. Hier wordt ook ING genoemd. ING geeft verder aan dat wanneer ING door eigen onderzoek of onderzoek van derden verneemt dat klanten in verband kunnen worden gebracht met mensenrechtenschendingen, de bank conform de OESO-richtlijnen in contact treedt met de klant. Deze klant is geen uitzondering op die regel.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de status van de ING als huisbankier van de overheid te herzien, indien deze bank in gebreke blijft?
De Nederlandse overheid eist dat instellingen die inschrijven op het betalingsverkeer van de overheid een verklaring over mensenrechten ondertekenen. De verklaring behelst kortweg dat de inschrijver zich committeert aan naleving van de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Deze verklaring is meest recentelijk in 2020 ook door ING ondertekend bij de inschrijving op de aanbesteding betaling giraal betalingsverkeer. Uit onder meer de «Human Rights Update 2020» van ING blijkt op welke wijze ING hier gevolg aan geeft.
In de overeenkomst over het girale betalingsverkeer van het Rijk is opgenomen dat een veroordeling van de dienstverlener van het Rijk voor gedragingen zoals genoemd in artikel 2.86 van de Aanbestedingswet, waaronder «kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ (PbEU 2011, L 101)», een opzeggingsgrond kan zijn. Hiervan is geen sprake.
Op welke wijze heeft u Nederlandse bedrijven die willen ondernemen in Qatar, gewezen op de risico's om betrokken te raken bij mensenrechtenschendingen?
Het bevorderen van IMVO vormt een integraal onderdeel van de dienstverlening van de Nederlandse overheid aan bedrijven die actief zijn of willen worden in het buitenland, dus ook in Qatar.
Nederlandse bedrijven die gebruik maken van het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken moeten de OESO-richtlijnen onderschrijven en kunnen hierbij op diverse manieren ondersteuning krijgen vanuit de overheid. De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) informeert Nederlandse ondernemers ook over de risico’s op het gebied van IMVO, onder andere op de website. Daarbij wordt in het geval van Qatar ook aandacht gevraagd voor de positie van arbeidsmigranten in het land en erop gewezen dat Qatar de afgelopen periode hervormingen heeft doorgevoerd om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren en dat implementatie van deze hervormingen een punt van zorg blijft. De RVO roept ondernemers op hier scherp op te letten bij de selectie van lokale partners en onderaannemers.
Ook de Nederlandse ambassade in Doha wijst Nederlandse bedrijven op hun verantwoordelijkheden omtrent IMVO en gaat, mede afhankelijk van de vraag en de omvang van de inzet van de bedrijven in kwestie, met hen in gesprek over de beschikbare informatie over IMVO en relevante ondersteuning van de overheid op dit onderwerp. IMVO wordt besproken tijdens bedrijfsbezoeken of reguliere ronde tafels met Nederlandse bedrijven. Hierbij worden ook internationale organisaties betrokken, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie. Uiteindelijk dragen bedrijven zelf de verantwoordelijkheid om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen.
Waarom heeft Nederland «vanaf het begin sterk ingezet op handelscontacten met Qatar»? Herkent u uw beleid in het citaat van een medewerker van het DG Buitenlandse Economische Betrekkingen? Hoe verhoudt dit citaat en de promotie van het bedrijfsleven zich tot de mensenrechten als hoeksteen van het buitenlandbeleid?
De Golfregio, inclusief Qatar, is voor Nederland een politiek strategische regio en prioritaire markt voor handel en investeringen. De regio kent maatschappelijke uitdagingen op terreinen waar Nederlandse bedrijven veel expertise hebben. Denk aan watertekorten, transitie naar hernieuwbare energie en afhankelijkheid van voedselimport. In Qatar gaat het ook om gezondheidszorg en sport, omdat Qatar zich de komende jaren verder wil manifesteren als hub voor mondiale sportevenementen.
De bilaterale relatie van Nederland met Qatar is gericht op politieke en economische samenwerking en dialoog, waarin ook ruimte is om gevoelige onderwerpen aan te kaarten. In lijn daarmee brengt Nederland stelselmatig de zorgen over de positie van arbeidsmigranten in Qatar over aan de Qatarese autoriteiten. De Nederlandse ambassade in Doha zet zich daarnaast actief in om verbetering in de praktijk te bewerkstelligen, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsinspectie en medezeggenschapsraden.
Internationale (mensenrechten)organisaties geven aan dat het van belang is de combinatie van samenwerking en kritische dialoog voort te zetten, teneinde duurzame veranderingen in de situatie van arbeidsmigranten in Qatar te realiseren.
Hoe kwalijk moet de mensenrechtensituatie zijn voordat u stopt met de promotie van ondernemen in Qatar? Welke criteria hanteert het kabinet hierbij?
Zie antwoord vraag 6.
Wat doet u om Nederlandse bedrijven aan te spreken op hun betrokkenheid bij grove schendingen van de rechten van arbeidsmigranten, zoals gedwongen arbeid en dood door abominabele arbeidsomstandigheden?
Als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij mensen- en arbeidsrechtenschendingen, dan gaat het kabinet hierover in gesprek met de desbetreffende bedrijven om hen te wijzen op hun verantwoordelijkheden onder de OESO-richtlijnen.
Hoe gaat u bedrijven in positieve zin beïnvloeden, in lijn met de geplande wetgeving op IMVO-gebied, die u toezegde te gaan voorbereiden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft het kabinet in het coalitieakkoord aangegeven op EU-niveau IMVO-wetgeving te bevorderen en nationale IMVO-wetgeving in te voeren. IMVO-wetgeving houdt in dat een afgebakende groep bedrijven verplicht wordt gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen toe te passen. Op 5 november 2021 werden de bouwstenen voor IMVO-wetgeving met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 26 485, nr. 377). De bouwstenen geven inzicht in de manier waarop wetgeving het gedrag van bedrijven beoogt te beïnvloeden.
Het kabinet zal een IMVO-steunpunt oprichten, dat goed toegankelijk moet zijn voor zowel bedrijven die (op termijn) onder de wetgeving vallen, als voor bedrijven die niet onder de reikwijdte van de wetgeving vallen, maar waarvan wel wordt verwacht dat zij invulling geven aan de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Het steunpunt moet bedrijven handvatten bieden en versnippering van dienstverlening voorkomen.
Wat is uw oordeel over het artikel over Nederlandse pensioenfondsen die in Qatar beleggen? Hoe gaat u deze activiteiten meer in lijn brengen met IMVO richtlijnen?3
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen is, met inachtneming van de toepassing van de OESO-richtlijnen, een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en de toepassing hiervan verantwoord is en vindt daarbij de fondsen zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights in het beleid en gepaste zorgvuldigheidsproces van pensioenfondsen. De convenantafspraken hierover hebben betrekking op verschillende beleggingscategorieën, waaronder de in het artikel aangehaalde staatsobligaties. In het kader van het IMVB-convenant zijn de overheid en pensioenfondsen doorlopend met elkaar in gesprek over de gepleegde inspanningen op gepaste zorgvuldigheid.
Deelt u de mening dat werkenden en gepensioneerden zeggenschap dienen te hebben over de wijze waarop hun pensioengeld wordt geïnvesteerd?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het vaststellen van het beleggingsbeleid. Werknemers en pensioengerechtigden zijn vertegenwoordigd in het pensioenfondsbestuur en/of de pensioenfondsorganen. Dat is wettelijk geregeld. Bij alle paritaire bestuursmodellen worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur4. Daarnaast nemen vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden zitting in het verantwoordingsorgaan (bij paritaire bestuursmodellen) of belanghebbendenorgaan (bij onafhankelijke bestuursmodellen). Via deze vertegenwoordiging wordt de inspraak van deelnemers (werknemers en pensioengerechtigden) vormgegeven. De pensioenfondsorganen zijn onder meer bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het uitgevoerde beleid en de beleidskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag. Uit overleg met de Pensioenfederatie hierover blijkt dat in zijn algemeenheid pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de vormgeving van het collectieve beleggingsbeleid. Dit doen zij onder meer door het uitzetten van enquêtes naar beleggingsvoorkeuren.
Bij pensioenopbouw in een zogenaamde Wet verbeterde premie (Wvp)-regeling zijn er mogelijkheden voor deelnemers om meer direct invloed uit te oefenen op de manier waarop hun individuele pensioenvermogen belegd wordt. Het staat de werkgevers- en werknemers(vertegenwoordigers) vrij om te kiezen voor een Wvp-regeling. Bij dat type pensioenregelingen zijn er pensioenuitvoerders die individuele deelnemers, onder voorwaarden, de keuze bieden in welke beleggingscategorieën en/of -fondsen hun pensioenvermogen belegd wordt.
Wat is uw oordeel over het bericht «Stroopwafels voor de sjeik»?4
Het artikel schetst een beeld van de invulling die het kabinet geeft aan de bilaterale relatie van Nederland met Qatar zoals beschreven in het antwoorden op de vragen 6 en 7. Ook de aandacht die het kabinet geeft aan IMVO bij het bevorderen van internationale handel komt aan bod, waarbij geldt dat het onderwerp de afgelopen jaren verder aan betekenis heeft gewonnen. Het artikel maakt tevens inzichtelijk welke dilemma’s Nederlandse bedrijven ondervinden bij het ondernemen volgens de OESO-richtlijnen, de goede manieren waarop verschillende bedrijven daaraan invulling geven, al dan niet met hulp van de ambassade, en de ruimte die er nog is om bedrijven verder te informeren over en te ondersteunen bij IMVO.
Is het juist dat 38 Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij bouwprojecten in Qatar, zoals blijkt uit het onderzoek van Profundo?
Nederlandse bedrijven zijn niet verplicht aan te geven dat zij zaken (gaan) doen in het buitenland of zich te registreren bij een Nederlandse ambassade. Ik kan daarom niet bevestigen dat 38 Nederlandse bedrijven betrokken zijn (geweest) bij bouwprojecten in Qatar.
Gaat u bij deze 38 bedrijven na in hoeverre zij voldoen aan mensenrechten en normen rond maatschappelijk verantwoord ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet houdt momenteel geen toezicht op de naleving van de OESO-richtlijnen door Nederlandse bedrijven. Uiteindelijk dragen bedrijven zelf de verantwoordelijkheid om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van directeur Hendriks van het bedrijf Henko A&T: «Er zullen zeker misstanden zijn, maar die zijn overal in de wereld»? Deelt u de mening dat je met een dergelijke dooddoener nooit vooruitkomt?
Bedrijven behoren potentiële en daadwerkelijke misstanden in hun waardeketen te voorkomen en aan te pakken. Het feit dat overal misstanden kunnen voorkomen ontslaat bedrijven niet van deze verantwoordelijkheid. Waar nodig en wenselijk ondersteunt de overheid Nederlandse bedrijven om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen.
Gaat u uitvoering geven aan de aangenomen SP-motie5 om geen officiële afvaardiging naar het WK in Qatar te sturen? Zo nee, waarom negeert u de wens van de Kamer?
Zoals opgemerkt door de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens de behandeling in uw Kamer van de begroting Buitenlandse Zaken op 17 en 18 november 2021, zal het kabinet, gezien de start van het WK in november 2022, later in 2022 terugkomen op deze motie. In de tussentijd blijft het kabinet in gesprek met Qatar, de Internationale Arbeidsorganisatie en mensenrechtenorganisaties en blijft het in de economische dienstverlening aandacht geven aan IMVO, inclusief de positie van arbeidsmigranten.
Een oproep van maatschappelijke organisaties om straffeloosheid in Jemen te bestrijden |
|
Jasper van Dijk |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Bent u bekend met de oproep van allerlei maatschappelijke organisaties, waaronder Human Rights Watch, Amnesty International en PAX, om straffeloosheid in Jemen te bestrijden?1
Ja.
Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van deze organisaties om via de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) te proberen te komen tot nieuw onderzoek naar oorlogsmisdaden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Nederland heeft het tegengaan van straffeloosheid in Jemen voor ernstige mensenrechtenschendingen, door welke partij dan ook, onverminderd hoog op de agenda staan en blijft zich hiervoor inspannen door een actieve diplomatieke inzet binnen de VN en de EU en in bilaterale contacten. Samen met andere gelijkgezinde landen wordt bezien op welke wijzeaccountability voor mensenrechtenschendingen in Jemen kan worden bewerkstelligd. Het kabinet acht het niet opportuun om vooruit te lopen op de uitkomst van deze gesprekken.
Ook steunt Nederland verschillende (lokale) initiatieven die accountability bevorderen en gerechtigheid voor slachtoffers dichterbij brengen. Vanuit het Mensenrechtenfonds zijn aanvullende middelen beschikbaar om deze steun te intensiveren, die eveneens door de Nederlandse ambassade in Sana’a kunnen worden ingezet.
Wat vindt u ervan dat Saudi-Arabië, dat zelf verantwoordelijk is voor allerlei misdaden in Jemen, erin is geslaagd eerder door Nederland geïnitieerd onderzoek naar oorlogsmisdaden van de Mensenrechtenraad van de VN de nek om te draaien? Is Saudi-Arabië hierop aangesproken?
De Mensenrechtenraad heeft als taak het bevorderen en beschermen van mensenrechten wereldwijd. Ik betreur daarom ten zeerste dat juist dit VN- orgaan het onderzoek naar schendingen van internationaal recht in Jemen door de Group of Eminent Experts (GEE) heeft beëindigd. Wij blijven bij alle betrokken partijen, waaronder de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, aandringen op het belang van een politieke oplossing in Jemen, het beëindigen van uithongering als methode van oorlogvoering en de cruciale strijd tegen straffeloosheid voor het schenden van mensenrechten en humanitair oorlogsrecht. Deze boodschap is ook tijdens hoog-ambtelijke gesprekken met Saoedi-Arabië overgebracht, meest recentelijk in november jl.
Ziet u ook nog andere mogelijkheden om daders van ernstige misdaden in Jemen te bestraffen, bijvoorbeeld via de Veiligheidsraad van de VN, waar een resolutie over honger en conflict is aangenomen, of via de EU, die een eigen mensenrechtensanctieregime hanteert?2 Zo nee, waarom niet?
Jemen heeft momenteel te maken met een grote humanitaire crisis. Ik deel uw zorgen over het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering in Jemen. Nederland kaart dit geregeld in verschillende internationale fora aan. Mijn voorganger Minister Kaag heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 12 juli 2021, direct na het indienen van de motie Van Dijk, aandacht gevraagd voor de inzet van uithongering als wapen in het conflict in Jemen. In de afgelopen maanden vroeg ik hier eveneens aandacht voor in de RBZ en tijdens de Algemene Vergadering van de VN.
Op grond van het EU-mensenrechtensanctieregime kunnen beperkende maatregelen («sancties») worden opgelegd. Sancties zijn niet punitief van karakter. Dit instrument is gericht op het bewerkstelligen van gedragsverandering en het tegengaan van mensenrechtenschendingen. Daarmee zijn de sancties in de kern tijdelijk van aard en kunnen preventief werken en kunnen als zodanig in dat licht niet gezien worden als alternatief voor het bestrijden van straffeloosheid en het bevorderen van accountability. Het ter verantwoording roepen voor en vervolgen van schendingen van internationaal recht door welke partij dan ook, blijft in deze een prioriteit van Nederland. Samen met andere landen wordt bezien op welke wijze accountability voor mensenrechtenschendingen in Jemen kan worden bewerkstelligd.
Herinnert u zich de in afgelopen juli aangenomen motie die verzoekt de mogelijkheden te onderzoeken om in EU-verband te komen tot maatregelen tegen de verantwoordelijken voor de inzet van honger in Jemen?3 Bent u bereid deze kwestie aan te kaarten in de EU?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat 129 landen met een VN-resolutie hebben ingestemd die alleen de islamitische naam voor de Tempelberg gebruikt en daarmee de Joodse banden met de Tempelberg probeert weg te poetsen?1
Het klopt dat 129 landen tijdens de Algemene Vergadering van de VN hebben ingestemd met de «Jerusalem»-resolutie, waar een verwijzing in staat naar de Tempelberg/Haram-al-Sharif waarbij alleen de Arabische term «Haram-al-Sharif» genoemd is.
Waarom heeft u zich niet aan de zijde geschaard van de VS, Hongarije, Tsjechië e.a. landen die tegen deze resolutie hebben gestemd, terwijl Nederland zich laf heeft onthouden van de stemming?
Nederland zet zich bij de VN in om niet uitsluitend de term «Haram-al-Sharif» te gebruiken, maar daarbij ook altijd de benaming «Tempelberg» te gebruiken, om de historische, religieuze en culturele connectie van deze heilige plaats met de verschillende religies te reflecteren. Het is teleurstellend dat in de Jerusalem-resolutie nog steeds éénmaal de term Haram-al-Sharif gebruikt wordt.
Het kabinet maakt bij het bepalen van een stempositie altijd een brede belangenafweging. Een tegenstem zou niet het juiste signaal zijn geweest, gezien de inhoudelijk belangrijke boodschappen die in de Jerusalem-resolutie staan. In de Jerusalem-resolutie wordt onder meer de sloop van Palestijnse huizen, uithuiszettingen en de uitbreidingen van nederzettingen veroordeeld. Dit zijn boodschappen die het kabinet steunt. Het Israëlische nederzettingenbeleid is een belangrijk obstakel voor het bereiken van duurzame vrede, waarbij uitbreidingen van nederzettingen in en rondom Oost-Jerusalem extra gevoelig liggen. De dreigende uithuiszettingen in de wijk Sheikh Jarrah, die in de resolutie worden genoemd, waren in mei dit jaar een van de aanleidingen voor spanningen in Jeruzalem en een gewapend conflict tussen Israël en Hamas.
De laatste keer dat de Jerusalem-resolutie in stemming werd gebracht in 2018 stemde Nederland, samen met alle EU-lidstaten, voor de resolutie. Het opnieuw noemen van de term Haram-al-Sharif heeft Nederland doen besluiten van stempositie te veranderen en niet meer voor de resolutie te stemmen, ondanks dat een meerderheid van EU-landen dat dit jaar wel deed. Een tegenstem zou niet het juiste signaal zijn geweest, gezien de inhoudelijk belangrijke boodschappen die in de Jerusalem-resolutie staan. Daarom heeft Nederland, met een groep van 9 EU-landen, waaronder Duitsland, besloten zijn stem te onthouden.
Heeft Nederland net als eerder met de Palestijnse delegatie onderhandeld over de (concept) resolutie en is het verzoek gedaan de islamitische term «Haram al-Sharif» te verwijderen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de respons?
Voor veel EU-lidstaten, waaronder Nederland, is de terminologie rondom de heilige plaatsen in VN-verband een punt van zorg. Binnen de EU behoort Nederland tot de lidstaten die zich het meest proactief inzet om dit aan te passen, ofwel door de term «Tempelberg» toe te voegen, ofwel de verwijzing naar alleen Haram-al-Sharif weg te laten. Deze inzet is in lijn met de motie van het Eerste Kamerlid Schalk (Kamerstuk 35 403, J). Op aandringen van Nederland en de EU is een verwijzing naar de term Haram-al-Sharif (zonder vermelding van «Tempelberg») uit de operationele paragraaf van de Jerusalem-resolutie verwijderd. Ook is in de Jerusalem-resolutie een tekst toegevoegd die de heiligheid van de stad Jerusalem voor alle drie de monotheïstische religies onderstreept. Uiteindelijk resteert er dit jaar in het gehele pakket aan resoluties nog slechts één verwijzing naar de term Haram-al-Sharif. In 2018 zaten er nog vier verwijzingen naar Haram-al-Sharif in de resoluties. De EU heeft in een stemverklaring opnieuw bezwaar gemaakt tegen het exclusief noemen van de term Haram-al-Sharif.
Op basis van welke argumenten is de Nederlandse stempositie bepaald en op welke punten bent u het niet eens met uw Europese collega’s uit Hongarije en Tsjechië die volkomen terecht tegen stemden?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe lang laat u zich nog gebruiken voor de Palestijnse propagandamachine die dit soort onzinresoluties elk jaar uitspuugt? Bent u bereid voortaan altijd tegen resoluties te stemmen die enkel de islamitische naam voor de Tempelberg gebruiken?
Zoals bekend heeft het kabinet bezwaar tegen de hoeveelheid resoluties en de daarmee gepaard gaande disproportionele aandacht voor Israël. Nederland zal zich blijven inzetten voor het verbeteren en stroomlijnen van het gehele pakket, alsook het verbeteren van de terminologie van de heilige plaatsen. Er staan in de resoluties ook belangrijke inhoudelijke punten die Nederland steunt als deel van zijn inzet op het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP). Het verbeteren van het Palestijnse resolutie-pakket vergt een lange termijn inzet. De uiteindelijke stempositie zal op basis van een brede belangenafweging gemaakt worden.
De zorgelijke toestand van INTERPOL. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Generaal Majoor Ahmed Nasser Al-Raisi is gekozen als president van INTERPOL?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Al-Raisi verdacht wordt van meerdere vormen van ernstige mensenrechtenschendingen op grote schaal door onder andere Amnesty International?
Ik ben bekend met berichtgeving dat er formele klachten dienaangaande zijn ingediend.
Bent u verder bekend met het feit dat de Verenigde Arabische Emiraten een disproportionele invloed heeft op INTERPOL onder andere via een grote hoeveelheid donaties aan de «Interpol Foundation for a Safer world»?
De systematiek van International Criminal Police Organisation INTERPOL (verder ook: Interpol) is zodanig opgezet dat landen geen disproportionele invloed kunnen hebben op het beleid en werk van Interpol. Landen hebben invloed via hun stem in de Algemene Vergadering en hun actieve deelname in werkgroepen, projecten en operaties. De lidstaten hebben in de Algemene Vergadering allen een gelijke stem. Besluiten van de Algemene Vergadering worden door het Secretariaat-Generaal geïmplementeerd. Het Executive Committee, bestaande uit door de Algemene Vergadering gekozen leden uit alle werelddelen, houdt toezicht op de uitvoering van deze besluiten.
De oprichting van de INTERPOL Foundation for a Safer World werd in 2013 unaniem gesteund door het Executive Committee van INTERPOL. Het heeft tot doel overheden en geschikt-beoordeelde private partijen te stimuleren om het werk van Interpol voor een veiliger wereld te ondersteunen door middel van voorlichting, het ontwikkelen van partnerschappen en het voeren van fondsenwervingscampagnes. Het is een onafhankelijke entiteit die in Zwitserland zetelt. De samenwerking tussen Interpol en stichtingen is gebonden aan door de Algemene Vergadering gestelde voorwaarden.
Hoe oordeelt u over de huidige schrijnende situatie waarbij autocraten het red notice systeem van INTERPOL gebruiken om hun critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ik keur elke poging tot misbruik van Interpol-instrumenten af. Ik meen dat er strikt op moet worden toegezien dat de Interpolconstitutie en de regels voor het verwerken van gegevens, ook die voor het gebruik van red notices en diffusions, worden gehandhaafd. Nederland heeft afgelopen jaren actief deelgenomen aan het werk dat hiervoor binnen Interpol wordt gedaan en zal dit ook blijven doen.
Deelt u de mening dat bovengenoemde elementen Al-Raisi ongeschikt maken voor de rol van president van INTERPOL?
Interpol heeft een uitgebreide technische procedure voor de verkiezing van leden van het Executive Committee, waaronder de president. Zo dient het Interpol verkiezingscomité de namens lidstaten voorgedragen kandidaatstellingen te onderzoeken en na te gaan of de kandidaatstellingen geldig zijn. Vervolgens is het aan de Algemene Vergadering van lidstaten om uit de gevalideerde kandidaten te kiezen, waarbij ter verkiezing van de president twee-derde meerderheid vereist is.
Het verkiezingscomité van lidstaten heeft geoordeeld dat de presidentskandidatuur van de heer Al-Raisi aan de gestelde vereisten voldeed. Vervolgens is de heer Al-Raisi door de lidstaten van Interpol tijdens de Algemene Vergadering van 23-25 november jl. met een twee-derde meerderheid gekozen tot voorzitter van het Executive Committee van Interpol.
Welke maatregelen neemt u in multi- en bilateraal verband om dit zorgelijke presidentschap tegen te gaan?
In het algemeen spant Nederland zich in voor een robuust zelfreinigend vermogen van Interpol. De Nederlandse politie is actief deelnemer aan de Interpol-werkgroep voor bestuursaangelegenheden, die in 2018 door de Algemene Vergadering is opgericht.
De Algemene Vergadering heeft in november jl. het eerste, omvangrijke hervormingspakket van deze werkgroep met overgrote meerderheid en onmiddellijke ingang aangenomen. De veranderingen zijn de eerste in een reeks geplande hervormingen om de bestuursorganen van de Organisatie te moderniseren, te versterken en een verdere transparantie te waarborgen.
Hoe oordeelt u over de huidige staat van INTERPOL waarbij het constitutionele element van politieke neutraliteit ervoor zorgt dat autocraten niet tot de orde geroepen kunnen worden, terwijl er misbruik van het INTERPOL-tracking en red notice systeem plaatsvindt?
Interpol werkt voortdurend met haar leden en internationale partners aan de verdere versterking van de regels en mechanismen die de organisatie tegen al dan niet politiek of militair gemotiveerd misbruik beschermen.
Landen publiceren zelf geen Interpol notices, maar vragen het Secretariaat-Generaal om de publicatie van zo’n signalering op basis van een nationale gerechtelijke uitspraak of bevel. Het Secretariaat Generaal beoordeelt ex-ante of de aanvraag aan de Constitutie en Regels voor Gegevensverwerking voldoet. Alleen wanneer dit oordeel positief is, wordt de notice gepubliceerd. Indien het Secretariaat Generaal in een later stadium informatie ontvangt waaruit toch twijfel over de notice rijst, dan wordt deze opnieuw beoordeeld en zo nodig verwijderd. Ook de CCF kan tot verwijdering besluiten.
Indien een Interpol National Central Bureau (NCB) van een land bij de verwerking van gegevens in het Interpol-informatiesysteem (IIS) ernstig in gebreke blijft of bij herhaling niet voldoet aan de verplichtingen krachtens de Interpol-regels, bijvoorbeeld wanneer aanvragen voor notices regelmatig een politiek, militair, etnisch of religieus karakter hebben, kunnen aan die NCB corrigerende maatregelen worden opgelegd. De afgelopen jaren heeft de Secretaris Generaal deze, na toestemming en toezicht van het Executive Committee, diverse malen opgelegd.
Bent u van mening dat het INTERPOL-systeem veranderd moet worden? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Binnen de samenwerking tussen de lidstaten en het Secretariaat-Generaal zijn het juridisch raamwerk, de werking, de (gegevens)beschermingsmechanismen van en het toezicht op Interpol voortdurend onderwerp van evaluatie en ontwikkeling. Zoals in antwoord op vraag 6 genoemd, is juist tijdens de afgelopen Algemene Vergadering een pakket van maatregelen aangenomen dat het zelfreinigend vermogen van het bestuur van Interpol verder versterkt. Nederland draagt hieraan actief bij in de relevante werkgroepen. Ook het staande Comité voor Gegevensverwerking werkt voortdurend aan de verdere modernisering en versterking van de Regels voor Gegevensverwerking.
Welke maatregelen kunnen er verder genomen worden om deze ernstige praktijken onmiddellijk tegen te gaan? Welke geopolitieke middelen kunnen daarbij zowel in multi- als bilateraal verband ingezet worden? Hoe kan druk vanuit de EU hierbij een rol spelen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 6, 7 en 8.
In hoeverre zijn er dialogen met landen als Turkije of de Verenigde Arabische Emiraten om het misbruik binnen INTERPOL te stoppen?
In algemene zin geldt dat in elk geval waarin het Secretariaat-Generaal gebruik van Interpol instrumenten vermoedt dat niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regels, het Interpol Nationale Centrale Bureau (NCB) van dat land hierop zal worden aangesproken. Het NCB zal dan eerst moeten aantonen dat het conform de regels acteert of het gebruik moeten corrigeren. Bij een ernstige incident van overtreding van de regels of herhaaldelijke schending past de Secretaris, met toestemming van het Executive Committee, correctieve maatregelen toe.
Correctieve maatregelen zijn gericht op het verzekeren dat alle gegevensverwerking wordt uitgevoerd in overeenstemming met de regels. Wanneer zij aan een NCB worden opgelegd, dan kan de toegang tot de databanken van Interpol, haar signaleringen en andere verzoeken om internationale politiële samenwerking via de Interpolkanalen onder nauw toezicht van het Secretariaat-Generaal worden gesteld. Dit kan zover gaan dat elke raadpleging, en zelfs elk bilateraal bericht naar een NCB, vooraf verwerking door het Secretariaat Generaal op naleving wordt beoordeeld. Correctieve maatregelen gaan gepaard met een dialoog tussen het Secretariaat-Generaal en betreffende NCB met als doel terug te keren naar een situatie waarin de NCB weer zelfstandig volledig in overeenstemming met de regels handelt.
Mocht de situatie niet veranderen, worden er dan opties overwogen zoals het schorsen van financiële middelen of desnoods het heroverwegen van lidmaatschap?
De huidige situatie geeft geen aanleiding tot het overwegen van de door u genoemde maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘French government protests EU Commissioner meeting with ‘Islamist’ NGO’ |
|
Hatte van der Woude (VVD), Bente Becker (VVD), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «French government protest EU commissioner meeting with «Islamist» NGO»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Franse Minister voor Burgerschap Schiappa en de Franse Staatssecretaris voor Europese Zaken Beaune dat de ontmoeting tussen FEMYSO en de Eurocommissaris voor Gelijkheid Dalli op zijn zachtst gezegd onwenselijk was? Sluit u zich bij deze uitspraken aan?
Het kabinet heeft op dit moment geen redenen om zich aan te sluiten bij deze uitspraken. Zie ook antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat voorkomen moet worden dat islamistische organisaties als gesprekspartners worden betrokken bij de uitvoering of ontwikkeling van beleid, ook op Europees niveau? Zo ja, op welke wijze gaat u het Franse standpunt hierop dan ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet acht participatie van en consultatie met een divers maatschappelijk middenveld, inclusief religieuze organisaties, op nationaal, Europees en internationaal niveau waar mogelijk en relevant, van belang voor het bevorderen van een inclusieve dialoog en duurzame beleidsontwikkeling. Om een inclusieve dialoog te kunnen waarborgen dienen gesprekspartners uiteraard mensenrechten en het non-discriminatie beginsel te respecteren.
Klopt het dat de Haagse studentenvereniging MashriQ als «member organisation» verbonden is aan FEMYSO? Wat is de hoogte van de bijdrage en de bestuursbeurzen die MashriQ heeft ontvangen van de Haagse Hogeschool over de afgelopen vijf jaar?
Op de website van FEMYSO staat de Haagse studentenvereniging MashriQ niet vermeld als lid («member organisation»). De Haagse Hogeschool heeft aangegeven niet bekend te zijn met een dergelijke verbinding. De studentenvereniging MashriQ heeft volgens De Haagse Hogeschool nooit een bijdrage ontvangen; de instelling verstrekt geen directe bijdragen aan studentenverenigingen. De instelling geeft aan dat in de periode 2016–2021 bestuursleden van MashriQ die als student ingeschreven waren aan De Haagse Hogeschool in totaal € 10.086 aan bestuursbeurzen hebben ontvangen. Dit betrof vijf bestuursbeurzen in de jaren 2017 en 2018.
Klopt het dat de Moslimstudenten Associatie Nederland verbonden is als «member organisation» aan FEMYSO? Op welke manier heeft deze organisatie bijdrages ontvangen van onderwijsinstellingen of via sponsoring door de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde Landelijke Studentenvakbond?
Op de website van FEMYSO staat de Moslimstudenten Associatie Nederland inderdaad vermeld als lid («member organisation»). De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft laten weten nooit financiële steun te hebben verstrekt aan de Moslimstudenten Associatie Nederland (MSA Nederland). De bond geeft aan wel een partnerschap met de MSA Nederland te hebben en hier ook achter te staan, omdat daarmee een bredere groep studenten kan worden bereikt en vertegenwoordigd.
De toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen is een zaak van de instellingen. De koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL) geeft aan dat de instellingen verschillende criteria hanteren bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit hun profileringsfondsen. De keuzes en afwegingen worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie. Het is bij de UNL niet bekend of bestuurders van de Moslimstudenten Associatie Nederland op grond van deze door de instellingen geformuleerde en vastgelegde criteria moeten en kunnen worden uitgesloten.
Zijn er nog andere studie- of studentenverenigingen die aangesloten zijn bij FEMYSO die subsidies of bestuursbeurzen hebben ontvangen van Nederlandse onderwijsinstellingen? Zo ja, welke zijn dit en hoe hoog waren de bijdrages en bestuursbeurzen die de afgelopen vijf jaar aan deze verenigingen zijn verstrekt?
Uit de informatie op de website van FEMYSO kan opgemaakt worden dat er behalve de Moslimstudenten Associatie Nederland geen andere Nederlandse studie- of studentenverenigingen zijn aangesloten bij FEMYSO.
Vindt u het wenselijk dat er geld via het profileringsfonds van hoger onderwijsinstellingen of via de door het ministerie gesubsidieerde organisaties gaan naar studie- en studentenverenigingen die zich aangesloten hebben bij islamistisch gelieerde organisaties zoals FEMYSO? Zo nee, waarom niet?
Het profileringsfonds heeft als doel het financieel ondersteunen van studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging hebben opgelopen of naar verwachting zullen oplopen. Een bijzondere omstandigheid kan het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie zijn, maar ook activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt. Het is aan de instelling om te bepalen welke organisaties of activiteiten zij wil ondersteunen. De keuzes en afwegingen bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit het profileringsfonds worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie.
Daarnaast subsidieert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bestuursfuncties bij de twee landelijke studentenbonden die de belangen van alle studenten behartigen.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederlandse onderwijsinstellingen direct of indirect, bijvoorbeeld via het profileringsfonds of indirect via gesubsidieerde organisaties, subsidies, sponsoring of beurzen verlenen aan studentenorganisaties wanneer er signalen zijn dat deze de integratie zouden kunnen tegenwerken?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat onze instellingen voor hoger onderwijs uitstekend in staat zijn om aanvragen voor financiële ondersteuning voor studentenorganisaties kritisch te beoordelen op hun beoogde doelstellingen en daarbij ook bredere maatschappelijke criteria hanteren dan alleen onderwijsgerichte. Mochten er echter signalen zijn dat er activiteiten plaatsvinden die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie, dan zal de betreffende instelling daarop aangesproken worden.
In hoeverre heeft de Taskforce ongewenste buitenlandse beïnvloeding en problematisch gedrag zicht op mogelijke beïnvloeding via studie- en studentenverenigingen en bent u bereid de Taskforce hier mee aan de slag te laten gaan? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van het Rijk en gemeenten te versterken, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
De Taskforce PG&OBF kan adviseren als er sprake is van gedrag van personen of groepen dat voornamelijk binnen de grenzen van de wet valt, maar tot aantasting en ondermijning van de democratische rechtsorde kan leiden of wanneer er sprake is van ongewenste buitenlandse financiering.
De Taskforce doet geen eigenstandig onderzoek naar personen of organisaties. Als er sprake zou zijn van problematisch gedrag of ongewenste buitenlandse financiering bij de genoemde, of andere, studie- en studentenverenigingen, dan kan de Taskforce gemeenten of het Rijk hierover adviseren. Hierin is leidend dat er dan sprake moet zijn van problematische gedragingen, waarbij ideologie op zichzelf nooit een reden is voor ingrijpen waarbij vrijheden worden beperkt.
Tegelijkertijd zet het kabinet in op het vergroten van de weerbaarheid van, onder andere, de islamitische gemeenschap en van vrouwen en jongeren in het bijzonder. Het kabinet vindt deze benadering momenteel het meest passend en doeltreffend.
Ontbossing in Brazilië en de link naar een Nederlands diervoeder |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Is de uitzending van Zembla over ontbossing in Brazilië en de link naar Nederlands diervoeder u bekend?1
Ja.
Weet u dat het Nederlandse diervoederbedrijfsleven met een sojaverbruik van 0,5% van de wereldwijde sojaproductie (1,8 miljoen ton) zich al meer dan 15 jaar inspant om de verduurzaming van sojaproductie te bevorderen via certificering?
Ja, dat is mij bekend.
Weet u dat Nederlandse diervoeders de enige ter wereld zijn waar alle gebruikte soja duurzaam is gecertificeerd?
Volgens de Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikten diervoederbedrijven in 2020 1,50 miljoen ton sojameel in mengvoer en werd voor 1,70 miljoen ton aan «FEFAC-compliant» certificaten aangekocht. Of Nederland daarmee het enige land ter wereld is waar alle gebruikte soja duurzaam gecertificeerd is, kan ik niet bevestigen. De IDH European Soy Monitor 2019 laat immers zien dat Nederland niet het enige land is waar de «soja-voetafdruk» gekoppeld aan de binnenlandse consumptie van dierlijke producten volledig afgedekt wordt door «FEFAC-compliant» soja.
Weet u dat soja in Nederlandse diervoeders op een vergelijkbare manier is gecertificeerd als groene stroom, via het zogenaamde Book & Claim model?
Ja, dat is mij bekend.
Weet u dat de hele certificeringssystematiek is opgezet en uitgewerkt in samenspraak tussen internationaal bedrijfsleven, ngo’s en de (Nederlandse) overheden?
Ja, dat is mij bekend.
Weet u dat ngo’s pleiten voor een onwerkbare vorm van certificeren (full segregation) waarbij de producten van productie tot en met verwerking in Nederlands voedsel gegarandeerd ontbossingsvrij zijn, waarmee Europa en Nederland zich uitsluiten van de wereldmarkt, terwijl de uitwerking van eeduidige wet- en regelgeving via de «boswet» in de Europese Commissie een goede mogelijkheid is om bestaande certificeringssystemen effectiever te maken?
Mij is bekend dat sommige ngo’s toe willen naar «full segregation», waarbij er sprake is van volledige fysieke scheiding van soja afkomstig uit gegarandeerd ontbossingsvrije gebieden. De kwalificatie dat full segregation onwerkbaar is deel ik niet, want het is een van de systemen in een Chain of Custody (systemen om traceerbaarheid van goederen of producten te waarborgen), recentelijk vastgelegd via een mondiale standaard (NEN-ISO 22095), waarmee in de aanvoerketen duurzaamheid geborgd kan worden, zoals (Area) Mass Balance.
Wat betreft het standpunt van de regering ten aanzien van het initiatief van de Europese Commissie om te komen tot ontbossingsvrije producten verwijs ik naar het BNC-fiche dat in januari 2022 aan uw Kamer zal worden voorgelegd.
Realiseert u zich dat fysiek certificeren van soja in Nederlands diervoeder als resultaat oplevert dat de import van soja eindigt, onze klimaatvoetafdruk verslechtert, de prijzen voor vlees, zuivel en eieren hoger worden en, als belangrijkste, ontbossing versneld en zonder remming (zonder ons) doorgaat?
Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven stelt het fysiek scheiden en certificeren van gegarandeerd ontbossingsvrije soja, oftewel «full segregation», aanvullende vereisten. Ik volg in dit kader dan ook met belangstelling het aangekondigde initiatief van bedrijven in de zuivel en diervoeders om te komen tot een dergelijk keten in de melkveehouderij. Wel is het zo dat «full segregation» aanvullende eisen stelt aan onder meer de opslag en het vervoer van de soja om de fysieke scheiding te kunnen garanderen, wat zich uiteindelijk kan vertalen in een hogere kostprijs. Ook kan dit gevolgen hebben voor kleinere duurzame boeren en boeren in landen of gebieden met een hoog ontbossingsrisicoprofiel om aan te kunnen sluiten bij een dergelijke keten.
Voor het overige verwijs ik u naar het betreffende BNC-fiche dat aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd.
Wilt u zich uitspreken in de richting van de Kamer en de Nederlandse burgers dat geen enkel systeem perfect is maar dat u trots bent op de Nederlandse diervoedersector dat zij via deze gecertificeerde soja-inkoop een voorbeeld voor de wereld vormen?
Ik waardeer het zonder meer dat diverse maatschappelijke organisaties en bedrijven uit Nederland, waaronder ook de Nederlandse diervoedersector, al enkele decennia samen initiatief hebben genomen om te komen tot verduurzaming van ketens en productie van soja en dit mede vorm hebben gegevens middels een mondiale standaard voor duurzame soja (RTRS) en dit ook in de verdere uitwerking zijn blijven ondersteunen. Ook de vrijwillige afspraak van de diervoedersector om in de Nederlandse diervoeders alleen nog RTRS-gecertificeerde soja of middels andere duurzaamheidsstandaarden te verwerken is te waarderen. Het Nederlandse verbruik van soja is op deze wijze inmiddels vrijwel volledig verduurzaamd.
Het persbericht van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken inzake gesprekken in Afghanistan |
|
Jan Klink (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), de Th. Bruijn |
|
![]() |
Bent u bekend met het persbericht van het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken van 18 november 2021 over gesprekken in Afghanistan?1
Ja.
Klopt het dat Nederland bereid is om via internationale organisaties de salarissen van leerkrachten en zorgpersoneel in Afghanistan te financieren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Toekomstige hulp aan en inzet in Afghanistan» van 16 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 867) wordt in internationaal verband gesproken over de wenselijkheid en mogelijkheden om bij te dragen aan de verlening van basisdiensten in de onderwijs- en gezondheidssector in Afghanistan.
Zoals in de genoemde Kamerbrief wordt geschetst, staat het kabinet hierbij voor een dilemma. Steun verlenen voor het in stand houden van basisdiensten zou betekenen dat internationale donoren taken financieren die de Taliban, als zelfbenoemde autoriteiten in Afghanistan, zelf zouden moeten uitvoeren. Daarmee kan het beeld ontstaan dat de Taliban als gevolg van deze steun (deels) wordt ontslagen van haar verantwoordelijkheden of dat deze steun zelfs wordt gezien als verkapte begrotingssteun. Het kabinet acht dit onwenselijk.
Tegelijkertijd hebben internationale organisaties zoals de VN herhaaldelijk aangegeven dat de infrastructuur voor het verlenen van basisdiensten in Afghanistan onder grote druk staat en dreigt te bezwijken. Dat scenario is niet in het belang van Nederland aangezien het kan leiden tot verder toenemende humanitaire noden, irreguliere migratiestromen en meer speelruimte voor terroristen.
Daarom spreekt het kabinet met internationale organisaties en gelijkgezinde partners over mogelijkheden om tijdelijk basisdienstverlening te ondersteunen, mits het buiten de Taliban om kan plaatsvinden en mits in de dienstverlening kan worden voldaan aan specifieke voorwaarden. Zo dient steun alleen via multilaterale organisaties of ngo’s te worden verstrekt, niet (direct of indirect) via de Taliban; mag er geen inhoudelijke bemoeienis van de Taliban plaatsvinden m.b.t. beleid, uitvoering en management; en dient gelijke toegang zeker gesteld te zijn voor vrouwen en meisjes. Met deze voorwaarden zoekt het kabinet naar een juiste balans tussen enerzijds voorkomen dat basisdienstverlening instort (met alle gevolgen van dien), en anderzijds steun aan en bemoeienis van de Taliban voorkomen. Als zodanig kunnen deze voorwaarden er ook voor zorgen dat de steun niet wordt aangewend, of gezien wordt, als verkapte begrotingssteun.
Hierbij bepleit het kabinet een gedifferentieerde aanpak van regio’s, waarbij alleen steun wordt verleend in provincies waar de principes worden nageleefd. Deze voorwaarden zijn ook gesteld aan de tijdelijke ondersteuning die vanuit de Europese Commissie wordt verleend ten behoeve van basisdiensten (zie vraag 7) en zullen tevens gelden bij eventuele voortzetting van door Nederland gefinancierde activiteiten van (lokale) partnerorganisaties.
Overigens staat, met uitzondering van humanitaire steun, ontwikkelingssamenwerking voor Afghanistan nog steeds on hold. De Kamer zal schriftelijk worden geïnformeerd als dit verandert.
Deelt u de mening dat verkapte begrotingssteun aan de Taliban onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat er met het betalen van salarissen van zorg- en onderwijsmedewerkers sprake is van verkapte begrotingssteun aan de Taliban? En dat de Taliban hiermee worden versterkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Stelt het kabinet harde voorwaarden aan de Taliban voor het verlenen van tijdelijke humanitaire hulp in Afghanistan, zoals het tegengaan van terrorisme, respect voor mensenrechten, en toegang tot onderwijs voor meisjes?
Op het gebied van humanitaire hulp is, in tegenstelling tot reguliere ontwikkelingssamenwerking, het kabinet terughoudend in het opstellen van harde voorwaarden. Noodhulp dient te worden verleend in lijn met de humanitaire principes (onafhankelijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en menselijkheid), zoals ook vermeld in de Kamerbrief «Toekomstige hulp en inzet in Afghanistan» van 16 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 783).
Nederland maakt zich via meerdere fora hard voor onbelemmerde humanitaire toegang en het naleven van het internationaal humanitair oorlogsrecht door alle betrokken partijen in Afghanistan (zie ook Kamerstuk 27 925, nr. 783). Zo heeft Nederland in samenwerking met Zweden het initiatief genomen om gezamenlijke kernboodschappen op het gebied van humanitaire hulpverlening in Afghanistan te formuleren (zie ook Kamerstuk 21 501-04, nr. 241). Deze kernboodschappen, gericht aan alle partijen in Afghanistan, inclusief de Taliban, benadrukken tevens het recht van vrouwelijke hulpverleners om hun werk te mogen doen. De kernboodschappen zijn inmiddels omarmd door de voltallige Europese Unie en andere grote humanitaire donoren (VK, VS, Canada, Noorwegen, Zwitserland, Australië en Japan).
Hoe worden de voorwaarden die Nederland en internationale partners stellen aan tijdelijke humanitaire hulp gehandhaafd? Is hiervoor een diplomatiek kantoor van de EU in Kaboel nodig en de vrijheid om zonder restricties door het land te reizen? Wat doet het kabinet als de Taliban zich niet aan deze voorwaarden houden?
Vooral de VN speelt een belangrijke rol bij het garanderen van respect voor de humanitaire principes. De VN heeft n.a.v. een bezoek van de Emergency Relief Coordinator Martin Griffiths van VN-OCHA in september toezeggingen gekregen van de Taliban op dit gebied (zie ook Schriftelijk Overleg RBZ/OS). Ook deden de Taliban toezeggingen over het recht op onbelemmerde humanitaire hulp. De VN blijft naleving van de principes handhaven en bericht de donoren hierover. De EU speelt daarbij een monitoringsrol: DG ECHO houdt de humanitaire situatie nauwlettend in de gaten middels het eigen kantoor op de VN-compound in Kaboel en brengt regelmatig rapport uit. Het hebben van diplomatieke presentie is daarvoor behulpzaam. Nederland onderhoudt daarnaast nauw contact met andere vertrouwde humanitaire partners die hun presentie in Afghanistan hebben behouden, zoals het Rode Kruis en ngo’s.
Op deze wijze monitort Nederland in samenwerking met gelijkgezinde landen en partners de mate waarin de humanitaire principes gerespecteerd worden door alle relevante partijen binnen Afghanistan, inclusief de Taliban. Ook zet het kabinet zich op diplomatiek terrein in voor de naleving hiervan, voornamelijk via een speciale coördinatiegroep bestaande uit gelijkgezinde donoren. Dit lijkt momenteel afdoende. Humanitaire organisaties melden dat zij relatief onbelemmerd door Afghanistan kunnen reizen en de hulpbehoevenden kunnen bereiken. Mocht hier verandering in komen, dan zal de EU de Taliban hierop aanspreken.
Hoe past dit initiatief van Nederland en Duitsland binnen de strategie om als EU zoveel mogelijk gezamenlijk op te trekken? Hebben andere Europese landen zich ook bereid getoond salarissen van zorg- en onderwijsmedewerkers te financieren?
Zoals aangegeven in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking van 19 november 2021, heeft de Europese Commissie 300 miljoen euro beschikbaar gesteld voor humanitaire hulp en 250 miljoen euro voor het tijdelijk ondersteunen van basisdiensten in Afghanistan (door de EU «humanitair+» genoemd). Hiermee kunnen ngo’s en internationale organisaties ook salarissen en (dag)vergoedingen betalen van gezondheidswerkers en onderwijspersoneel, wier inzet essentieel is om de levering van basisdiensten overeind te houden. De Commissie heeft hiervoor een eerste programmavoorstel via comitologie aan de lidstaten voorgelegd om hier concreet invulling aan te geven en gaat nu met de uitvoering aan de slag. Dit betreft een herprogrammering van 197 miljoen euro uit stopgezette OS-projecten in Afghanistan. Op aandringen van Nederland zijn hierbij expliciet principes opgenomen die in acht genomen moeten worden, waaronder het garanderen van gelijke toegang voor meisjes, vrouwen en minderheden, het voorkomen van bemoeienis van de Taliban in het management en personeelsbeleid van de activiteiten, en het zorgen dat steun via multilaterale organisaties en ngo’s, en niet (direct of indirect) via de Taliban, wordt verstrekt. Het kabinet zal er nauw op toe blijven zien dat bij de uitwerking en invulling van de steun de genoemde principes zullen worden meegenomen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Kabinet maakt reuzendraai: stopt toch met financieren fossiele brandstofprojecten in het buitenland' |
|
Silvio Erkens (VVD), Jan Klink (VVD), Henri Bontenbal (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD), de Th. Bruijn |
|
![]() ![]() |
Wat is de geschatte impact van het tekenen van de COP26-verklaring voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de groene-energietransitie? Waarom is er gekozen voor eind 2022? Wie hebben nog meer getekend? Hebben de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ook getekend?1
Nederland heeft een relatief groot aandeel aan fossiele energie gerelateerde projecten in de portefeuille van de exportkredietverzekering (ekv). Het is duidelijk dat in de mondiale transitie van fossiele naar duurzame energie, in lijn met de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs, deze fossiele activiteiten zullen worden afgebouwd en kansen verschuiven naar duurzame energie. Het ondertekenen van de verklaring betekent een versnelling van deze verschuiving. Het kabinet zal in 2022 werken aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energie sector, in het bijzonder voor wat betreft de ekv. De inzet is om dit beleid voor eind 2022 te implementeren.
De COP26-verklaring ziet o.a. toe op het richten van het buitenlandinstrumentarium op schone energie en de rol die de private sector daarin kan spelen, alsmede het beëindigen van nieuwe directe overheidssteun voor de internationale unabated (in het Nederlands «ongemitigeerd») fossiele energie sector voor het einde van 2022, met uitzondering van beperkte en duidelijk gedefinieerde omstandigheden die consistent zijn met 1,5°C opwarming en de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs. De opstellers van de verklaring hebben voor een ambitieuze datum gekozen, waarbij er ruim één jaar tijd is voor de implementatie van het nieuwe beleid.
Op dit moment hebben 39 landen en instellingen de verklaring ondertekend.2 Het is mogelijk dat meer landen en organisaties op een later moment alsnog de verklaring zullen ondertekenen. Vanuit het perspectief van een gelijk speelveld wordt hier een goede stap gezet, omdat een aantal concurrerende landen met grote exportkredietportefeuilles getekend heeft, zoals het Verenigd Koninkrijk, Canada, Duitsland, Frankrijk, België, Italië, en de Verenigde Staten. Tegelijkertijd ontbreken belangrijke Aziatische (Japan, Zuid-Korea) en BRIC-landen3 die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de internationale publieke financiering van fossiele projecten. Nederland zet zich in dat zoveel mogelijk landen mee tekenen.
De Wereldbankgroep en het IMF hebben vooralsnog niet getekend, wel hebben andere financiële instellingen zoals de Europese Investeringsbank (EIB), en de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (FMO) getekend.
Hoeveel bedrijven worden hierdoor geraakt en wat betekent dit voor de directe en indirecte werkgelegenheid? Hoe groot is de economische waarde van de geraakte activiteiten voor deze bedrijven? Wat betekent dit besluit voor de reeds lopende exportkredietverzekeringen gerelateerd aan fossiel?
Op basis van de door Atradius Dutch State Business (ADSB) ontwikkelde methodiek fossiel, waarover uw Kamer is geïnformeerd via de Monitor Exportkredietverzekeringen 2020, is inzichtelijk gemaakt welke transacties gerelateerd zijn aan de fossiele waardeketen.4 Uitgangspunt van de analyse is de totale verzekeringsportefeuille (fossiel en niet-fossiele transacties, t/m 31-12-2020) van de ekv met een omvang van 18,8 miljard euro aan netto reëel obligo. Dit betreft lopende polissen en dekkingstoezeggingen op het moment van meten.
Op basis van het obligo (totaal aan uitstaande verplichtingen) per 31-12-2020 is 26% van de portefeuille geclassificeerd als fossiel, met een ekv gedekte-exportwaarde van EUR 4,8 mld. Het CBS berekende in 2021 dat de ekv in de periode 2018–2020 heeft bijgedragen aan 5.900 arbeidsjaren door het verzekeren van fossiele transacties.5 In die periode hebben fossiele transacties via de publieke ekv dus gemiddeld bijgedragen aan 1.967 banen per jaar. Reeds afgegeven polissen en dekkingstoezeggingen gerelateerd aan fossiele projecten worden niet beïnvloed door ondertekening van de COP-26 verklaring.
Wat gaat het kabinet doen om deze bedrijven te ondersteunen in de overgang van fossiele projecten naar nieuwe (duurzame) projecten? Hoe gaat het kabinet waarborgen dat deze bedrijven blijven concurreren op een gelijk speelveld?
Het bedrijfsleven toont zich al langere tijd welwillend om mee te denken over een geleidelijke afbouw van ekv-steun aan fossiele projecten en heeft daarbij gewezen op de rol die aanvullend overheidsbeleid zou kunnen spelen om verlies aan banen en export te mitigeren. De eventuele mogelijkheden en modaliteiten zullen het komend jaar nader onderzocht en uitgewerkt worden in samenwerking met het bedrijfsleven in de betrokken sectoren. Op exportmarkten blijft het belangrijk om het bedrijfsleven in de energietransitie te ondersteunen met economische diplomatie (handelsmissies kabinet, dienstverlening door ambassades en een optimaal instrumentarium van de RVO). Het groene verzekeringsaanbod van ADSB kan een belangrijke rol vervullen bij de stimulering van groene export. Daarnaast biedt Invest International, met een kernkapitaal van EUR 833 mln en een doelstelling om met investeringen bij te dragen aan oplossingen voor wereldwijde maatschappelijke vraagstukken, ook mogelijkheden bij het financieren van duurzame projecten van Nederlandse bedrijven in het buitenland.
Het is van groot belang voor een gelijk speelveld dat zoveel mogelijk andere landen de COP26-verklaring ondertekenen, vooral in Azië waar grote concurrenten van de Nederlandse sectoren zich bevinden. Het kabinet is ervan overtuigd dat de richting onvermijdelijk is, maar het tempo tussen landen nog teveel verschilt. Door een actieve Nederlandse inzet in internationale fora, samen met de COP26-ondertekenaars en de coalitie Export Finance for Future (E3F), zullen we ons inzetten zoveel mogelijk landen te overtuigen van de noodzaak om het tempo van de energietransitie te versnellen en hun publieke exportsteun in lijn te brengen met de klimaatdoelen. In het belang van het gelijk speelveld zet het kabinet zich verder in voor een gelijke interpretatie van de COP26 verklaring. Nu alle landen van E3F-coalitie de verklaring hebben getekend, is het de inzet van het kabinet om E3F mede te benutten als forum voor de implementatie van deze verklaring voor zover het de ekv-gerelateerde aspecten ervan betreft.
Welke kansen ziet het kabinet voor bedrijven die de overstap van fossiele projecten naar duurzame projecten versneld moeten maken? Hoe ziet zij de kans dat de buitenlandse investeringen van Nederlandse bedrijven groeien of in ieder geval gelijk blijven met deze stap?
De transitie naar een klimaatneutrale economie is uitdagend, maar biedt ook veel kansen voor nieuw duurzaam verdienvermogen en werkgelegenheid. Nederland heeft de ambitie en de kans om de (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame industrie. Belangrijke randvoorwaarden hiervoor zijn aanwezig: van een hoogopgeleide technische beroepsbevolking tot een gunstige geografische ligging voor verhandeling en transport van industriële grondstoffen en goederen. Dit heeft ook zijn weerslag op internationale verdienkansen, bijvoorbeeld in de aanleg van offshore windparken in het buitenland. In nauw overleg met het bedrijfsleven moet in kaart worden gebracht wat de kansrijke groene groeimarkten zijn en hoe de overheid Nederlandse bedrijven kan ondersteunen om deze exportkansen te verzilveren.
Welke subsidie- en financieringsinstrumenten zijn er beschikbaar om de versnelde transitie naar duurzame energie en innovatieve technologieën te ondersteunen? Zijn de bestaande instrumenten passend of worden deze aangepast? Hoeveel middelen verwacht het kabinet hiervoor nodig te hebben?
Groene export komt mede tot stand door een succesvolle groene transitie in Nederland, waar een goed klimaat heerst voor de ontwikkeling van groene technieken. Om de ontwikkeling van export te stimuleren is een aantal aanpassingen van het ekv-instrumentarium doorgevoerd. Investeringen in vergroening door bijvoorbeeld nieuwe technologieën zijn vaak een stuk risicovoller. Door verruiming van het acceptatiebeleid van risicovolle transacties en dekking van «indirecte» groene transacties wordt het eenvoudiger gemaakt voor exporteurs om een lening te krijgen voor groene investeringen, en daarmee wordt het vergroeningsproces versneld. Ook zal de nieuwe staatsdeelneming Invest International zich sterk richten op stimulering van groene exporttransacties door Nederlandse bedrijven.
Het kabinet blijft werken aan mogelijkheden om bedrijven verder te ondersteunen bij groene exporttransacties. Hierbij zijn ook internationale kaders voor exportkredietverzekeringen relevant, beschreven in het OESO-Arrangement. Zo zijn groene projecten vaak nog duurder, en hebben daarom in de financiering baat bij langere looptijden. Binnen de EU en de OESO spant Nederland zich in voor aanpassingen in het Arrangement om projecten met langere looptijden in verzekering te kunnen nemen.
Deelt het kabinet de mening dat een nationale financieringsstrategie voor internationale klimaatmitigatieprojecten en -adaptatieprojecten moet worden opgezet? Wat is het kabinet van plan om op dit vlak te doen?
Het staande klimaatfinancieringsbeleid van het kabinet is beschreven in de beleidsnota «Investeren in perspectief»6 en diverse aanvullende kamerbrieven, waaronder «financieren in perspectief, kansen pakken, resultaten boeken».7 De kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de planning van klimaatfinanciering middels de nota Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).
Het kabinet is altijd bereid om met een positieve grondhouding naar voorstellen te kijken die het huidige beleid kunnen versterken.
Hoe ziet het kabinet de vergroening van de exportkredietverzekering voor zich? Hoe kan dit voor bedrijven makkelijker en goedkoper worden gemaakt?
Het kabinet heeft reeds verschillende maatregelen genomen om de ekv te vergroenen. Allereerst, zijn er meetmethodieken ontwikkeld waardoor er beter inzicht is in het aandeel groen en fossiel in de ekv-portefeuille. Daarnaast zijn er ruimere dekkingsmogelijkheden voor groene transacties en is een pilot gestart voor de acceptatie van risicovollere groene transacties (Kamerstuk 26 485, nr. 338, 16 november 2020). Ook is ingezet op het verzekeren van fondsen met een specifieke focus op klimaatgerelateerde projecten zoals Climate Investor One.
Wanneer zullen de gesprekken met betrokken stakeholders, waarmee het kabinet heeft aangegeven in overleg te gaan, plaatsvinden en hoe wordt de Kamer hierin betrokken en over geïnformeerd?
In 2022 zal het kabinet werken aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energiesector, in het bijzonder voor wat betreft de exportkredietverzekering. De inzet is om dit beleid voor eind 2022 te implementeren. Het komende jaar zal dus benut worden om met de betrokken sectoren tot een zorgvuldige implementatie te komen. De gesprekken hierover zijn, gezien de ambitieuze deadline van eind 2022, reeds gestart en zullen zo snel mogelijk worden verdiept en voortgezet. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan worden geïnformeerd.
Kan het kabinet deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Ja.
Veiligheid van Nederlanders in Ethiopië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft U kennis genomen van de berichtgeving dat Saoedi-Arabië zijn burgers in Ethiopië dringend aanraadt om dat land zo spoedig mogelijk te verlaten wegens de burgeroorlog in dat land?1 Klopt dit?
Ja en ja.
Deelt u de mening dat een herhaling van de recente evacuatiechaos in Afghanistan, in Ethiopië vermeden moet worden?
Hoewel de omstandigheden in beide landen aanzienlijk verschillen, zijn er wel lessen uit de Afghanistan crisis die in deze situatie ook toegepast kunnen worden. Zo was een belangrijke les uit die crisis dat zich ongeregistreerde Nederlanders in een land met een rood advies kunnen bevinden. Daarom wordt er nu in Ethiopië veel aandacht besteed om via allerlei kanalen Nederlanders te bereiken met onder andere adviezen wat te doen in deze situatie en de oproep zich te registeren.
Wat heeft u gedaan om dat te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u afspraken gemaakt met bevriende naties over eventuele evacuatie van Nederlanders?
In Ethiopië zijn binnen de EU afspraken gemaakt over samenwerking tussen verschillende landen.
Hoeveel Nederlanders verblijven (voor zover bekend) in Ethiopië? Wat adviseert u hen om te doen: blijven of zo spoedig mogelijk vertrekken?
Op dit moment hebben bijna 200 mensen, door zich te registreren via de informatieservice van Buitenlandse Zaken, aangegeven op dit moment in Ethiopië aanwezig te zijn. Wij adviseren deze mensen om een afweging te maken of het echt noodzakelijk is dat zij in Ethiopië blijven. Ook zijn zij geadviseerd om te zorgen dat zij hun papieren op orde hebben zodat zij zelfstandig kunnen vertrekken als dat nodig is. Er zijn dagelijks commerciële vluchten die vanuit Ethiopië vertrekken.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 20.00 uur maandag 8 november a.s.?