De risico’s van insectenconsumptie. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u vernomen dat de Europese Commissie toestemming heeft gegeven tot het verwerken van insecten zoals onder andere vliegen, krekels, meelwormen, buffalolarven en sprinkhanen in menselijk voedsel?1
Ja. Het is echter niet bekend dat vliegen zijn toegestaan om in voeding te verwerken.
Is er onafhankelijk onderzoek gedaan naar de chemische, microbiologische en parasitologische risico’s op het consumeren van deze insectensoorten en gekweekte insecten in het algemeen, en zo ja, kunt u deze met ons delen?
Ja. Insecten voor humane consumptie zijn nieuwe voedingsmiddelen (novel foods). Voordat een bedrijf een novel food op de markt introduceert moet een veiligheidsdossier worden ingediend bij de Europese Commissie, waarna de European Food Safety Authority (EFSA) dit dossier beoordeelt. Het veiligheidsdossier moet ingaan op een verscheidenheid aan potentiële risico’s. Hiervoor heeft EFSA een «guidance» opgesteld2. EFSA brengt over de beoordeling van het veiligheidsdossier een advies uit. Het advies betreffende de veiligheid van ingevroren en gedroogde formuleringen van hele krekels (Acheta domesticus), waar in vraag 1 naar verwezen wordt is online beschikbaar3.Hier zijn ook de andere risicobeoordelingen te vinden die aan de basis liggen voor de EU toelatingen van de diverse insectensoorten voor humane consumptie.
Wat zijn de belangen van de Nederlandse overheid in de grootste insectenfabriek ter wereld, Protix in Bergen-op-Zoom, gezien het feit de overheid zich inspant om de toepassingsmogelijkheden van insecten te verbreden?
De Nederlandse rijksoverheid heeft geen belangen in het bedrijf Protix.
Kunt u ons een overzicht verschaffen van de (financiële) ondersteuning die alle insectenkwekers in Nederland ontvangen, zowel direct als indirect zoals bijvoorbeeld via investeringsmaatschappijen als InvestNL?
Financiële ondersteuning van insectenkwekers (wat bedrijven zijn) door overheidsinstanties moet voldoen aan de Europese staatssteunregels. Mijn ministerie geeft op die gronden geen financiële ondersteuning aan individuele insectenkwekers. Of en in welke mate op andere manieren insectenkwekers financiële ondersteuning krijgen wordt niet centraal geregistreerd en is dan ook niet bekend.
Bent u ervan op de hoogte dat er veel risico’s zijn, onder andere een toename van bepaalde vormen van kanker en allergieën, bij de inname van chitine, een stof die in het pantser van bijna ieder insect huist?2
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2 wordt voor een eventuele toelating van een novel food een uitgebreid veiligheidsdossier beoordeeld door EFSA, met onder andere specifieke aandacht voor de toxicologische veiligheid en allergeniciteit. Eventuele allergische reacties die een novel food kan veroorzaken, onder meer door potentiële kruisreactiviteit, worden ook beoordeeld in het dossier. Wanneer nodig geacht, worden er in de toelating van het novel food etiketteringseisen gesteld ten aanzien van allergeniciteit.
Bent u bekend met het onderzoek van Dr. Remigiusz Gałęcki waaruit bleek dat parasitaire ontwikkelingsvormen werden gedetecteerd in 244 van de 300 onderzochte insectenkwekerijen (81,33%)?3, 4
Ja. De EFSA veiligheidsbeoordeling gaat in op het risico van potentieel aanwezige parasieten. In het genoemde onderzoek zijn levende insecten onderzocht. Goed om te benoemen dat de insecten die zijn toegelaten als novel food worden behandeld waardoor parasieten gedood worden.
Voldoen de insecten genoemd in vraag 1 aan de hygiëneverordening ((EC) nr. 852/2004), de algemene levensmiddelenverordening ((EC) nr. 178/2002) en alle andere wetten met betrekking tot voedselveiligheid?
Alle producten, dus ook insecten die onder de novel food verordening (EU) 2015/2283 worden toegelaten, dienen ook aan andere wet- en regelgeving met betrekking tot voedselveiligheid te voldoen, zoals verordeningen (EG) 852/2004 en (EG) 178/2002.
Is er een plan om, zoals het «Novel Foods»-beleid van de Europese Unie en de Nationale Eiwitstrategie behelzen, om op korte termijn ook de consumptie van zwanen, honden, ratten en dolfijnen en nog vele andere insectensoorten te promoten?5
Het Europees novel food beleid promoot geen specifieke nieuwe voedingsmiddelen maar zorgt voor het wettelijk kader om de veiligheid van novel foods te garanderen. In het kader van de Nationale Eiwitstrategie worden alleen insecten als dierlijke eiwitten genoemd en gaat het vooral om het opvoeren van de productie van plantaardige eiwitten.
Heeft u onderzoek gedaan naar de maatschappelijke consensus over het consumeren van insecten en zijn er eventueel plannen om het gedrag van consumenten (bij) te sturen?
Er is geen onderzoek gedaan naar de maatschappelijke consensus over het consumeren van insecten. Er is wel onderzoek gedaan en openbare literatuur beschikbaar over consumentenacceptatie ten aanzien van het eten van insecten. Plannen om eventueel consumentengedrag bij te sturen betreffen met name plantaardige eiwitten.
Bent u ook van mening dat, ter bescherming van de consument, er op zijn minst een duidelijke aanduiding op het etiket moet staan dat er insecten in zijn verwerkt en ook welke insecten en niet in kleine letters achterop de verpakking in Latijnse benaming?6
Bij de toelating van de diverse insecten als novel food worden eisen gesteld aan de etikettering van voedingsmiddelen die het bevatten. Zo dient er op de verpakking vermeld te worden welk insect het bevat en wordt dit weergegeven in zowel de wetenschappelijke als Nederlandse benaming.
De gang van zaken rond de vergunningverlening ofwel legalisering van de activiteiten van eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de gang van zaken rond de besluitvorming over de aanvraag voor een omgevingsvergunning door eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo?
Ik heb er kennis van genomen dat eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft gedaan. De bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen ligt bij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.
Bent u op de hoogte van het feit dat omwonenden al jarenlang grote geluids- en stankoverlast ervaren door de slachterij?
Ik ben ervan op de hoogte dat een aantal omwonenden heeft aangegeven geluids- en stankoverlast te ervaren.
Heeft u gezien dat de rechter de gemeente Ermelo eerder terugfloot, nadat de gemeente niet wilde handhaven op de geluidsoverlast en op overtredingen van de vergunde werktijden en het maximale aantal vervoersbewegingen, en dat de rechter daarbij oordeelde dat de gemeente kritischer moet kijken naar de belangen van de omwonenden?1
Ik heb er kennis van genomen dat de rechtbank Gelderland op 31 maart 2022 heeft geoordeeld dat de gemeente Ermelo een nieuw besluit moest nemen, waarbij, naast de bedrijfsbelangen van Tomassen Duck-To, ook moet worden gekeken naar de belangen van de omwonenden. Ook heb ik er kennis van genomen dat de rechtbank de gemeente Ermelo heeft opgedragen om bij het nemen van een besluit omtrent de nieuwe omgevingsvergunning, te kijken naar alle relevante aspecten die komen kijken bij een «goede ruimtelijke ordening».
Heeft u er kennis van genomen dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is om aan de eendenslachterij de vergunning te verlenen om de illegale situatie te legaliseren, maar dat hiervoor nog een «verklaring van geen bedenkingen» nodig is van de gemeenteraad?
Op basis van ambtelijk contact met de gemeente Ermelo heb ik begrepen dat het college van burgemeester en wethouders formeel nog een besluit moet nemen over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning aan eendenslachterij Tomassen Duck-To. Omdat het hier gaat om een mogelijke omgevingsvergunning die een afwijking van het bestemmingsplan zou betekenen, is een verklaring van geen bedenkingen nodig van de gemeenteraad van Ermelo. Over het al dan niet afgeven van een verklaring van geen bedenkingen moet de gemeenteraad nog een besluit nemen. Dit besluit ligt nu bij de raad ter behandeling. Het college heeft de raad geadviseerd deze verklaring van geen bedenkingen af te geven.
Wat vindt u ervan dat één van de vergaderingen over dit dossier opeens achter gesloten deuren plaatsvond en dat is besloten om de geheimhouding pas op te heffen op het moment dat besluiten onherroepelijk zijn?2
De raad heeft op grond van artikel 23 Gemeentewet de mogelijkheid om besloten te vergaderen, indien de raad daartoe bij meerderheid besluit. De raad kan tijdens een besloten vergadering geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in deze vergadering wordt behandeld, op grond van een belang dat wordt genoemd in artikel 5.1 Wet open overheid. Het besluit om te kiezen voor een besloten vergadering, het besluit om geheimhouding op te leggen omtrent het in een besloten raadsvergadering behandelde en het besluit deze geheimhouding weer op te heffen, en op welk moment, zijn aan de raad.
Kunt u bevestigen dat het uitgangspunt van de wet is dat is de (gemeentelijke) overheid een open, transparante organisatie is en dat vergaderingen van de gemeenteraad in beginsel openbaar zijn?
Vergaderingen van de gemeenteraad zijn in beginsel openbaar, zoals is vastgelegd in artikel 23, eerste lid, Gemeentewet. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 23 Gemeentewet kan de raad echter besloten vergaderen indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend, daarom verzoekt of de voorzitter dit nodig oordeelt en de raad vervolgens bij meerderheid van de aanwezigen besluit dat besloten wordt vergaderd. Besloten vergaderen is dan ook een uitzondering op de hoofdregel van openbaarheid. De wet normeert echter, anders dan bij het opleggen van geheimhouding, niet op welke gronden de raad achter gesloten deuren mag vergaderen. De wetgever heeft dit aan het oordeel van de raad zelf overgelaten.
Deelt u de mening dat omwonenden en juristen door deze geheimhouding mogelijk belangrijke informatie met grote juridische gevolgen wordt onthouden? Kunt u zich voorstellen dat deze informatiedeling van belang kan zijn voor een volledige advisering van de leden van de gemeenteraad en daarmee voor een eerlijke besluitvorming?
In de informatiestroom tussen de bestuursorganen van de gemeente is openbaarheid het uitgangspunt. Er kunnen echter omstandigheden zijn die aanleiding geven om van die hoofdregel af te wijken. Indien zich een dergelijke omstandigheid voordoet, is het aan het betreffende bestuursorgaan om het belang dat wordt gediend door geheimhouding af te wegen tegen het belang van openbaarheid in het betreffende geval. Daarbij vormt bij het opleggen van geheimhouding en bij het inwilligen van verzoeken om openbaarmaking artikel 5.1 van de Wet open overheid het juridisch kader. Daarbij kunnen ook de door u genoemde belangen worden meegewogen.
Heeft u gezien dat de burgemeester en wethouders de gemeenteraad hebben gewaarschuwd dat de gemeente een schadeclaim riskeert als de vergunning niet wordt verleend?3
Ik heb er kennis van genomen dat in het voorstel voor het raadsbesluit inzake de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen wordt vermeld dat weigering van deze verklaring mogelijk zal leiden tot een nog onbekende schadeclaim van Tomassen Duck-To.
Hoe beoordeelt u deze waarschuwing?
Het is aan het college om alle relevante factoren en belangen die spelen bij een te nemen raadsbesluit te benoemen en uiteen te zetten in het betreffende raadsvoorstel. Daaronder kunnen ook (mogelijke) juridische gevolgen vallen. In algemene zin kan de mogelijkheid dat een schadeclaim wordt ingediend als gevolg van het (niet) nemen van een bepaald besluit, een relevant gegeven zijn om te vermelden in een raadsvoorstel. Of in dit specifieke geval een schadeclaim daadwerkelijk kans van slagen heeft, en of een mogelijke schadeclaim een factor is die moet worden meegewogen bij het nemen van het besluit door de raad en in het raadsvoorstel moet worden vermeld, is aan het college. Het is niet aan mij om hierover een oordeel te geven.
Deelt u de indruk dat de gemeenteraad hiermee onder druk wordt gezet om de verklaring van geen bedenkingen af te geven? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Het college heeft de wettelijke taak raadsbesluiten voor te bereiden. In een voorstel voor een te nemen raadsbesluit kan het college, op basis van de in het voorstel uiteengezette argumenten en belangen, de raad adviseren om een bepaald besluit wel of niet te nemen. Uiteindelijk blijft het echter aan de raadsleden zelf om te beslissen voor of tegen te stemmen. Of raadsleden zich in het betreffende geval onder druk gezet voelden door de vermelding van een mogelijke schadeclaim kan ik niet beoordelen en kan per individueel raadslid verschillen.
Heeft u gezien dat, terwijl de besluitvorming over de vergunningverlening nog gaande is, er een voorlopige vergunning is afgegeven, waarmee de situatie nog vijf jaar kan blijven zoals deze is?4
Op basis van ambtelijk contact met de gemeente Ermelo heb ik begrepen dat er door Tomassen Duck-To een tijdelijke vergunning voor 10 jaar is aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders. Deze vergunning is niet voor de aangevraagde termijn van 10 jaar verleend, maar voor 5 jaar. De bevoegdheid om op een dergelijke aanvraag te beslissen ligt bij het college. Overigens staat tegen dergelijke besluitvorming ook rechtsbescherming open.
Vindt u dit een goed voorbeeld van democratische besluitvorming?
Op grond van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is het de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om te beslissen op een aanvraag om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Dit is ook gebeurd bij de gemeente Ermelo. In dit geval is derhalve de wettelijke procedure gevolgd. Tegen dergelijke besluitvorming staat ook rechtsbescherming open. Wat betreft de inhoudelijke beslissing op de aanvraag om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan, is het niet aan mij om in de door het college gemaakte afweging te treden.
Hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Omdat het hier gaat om een bevoegdheid van het college, is het niet aan mij om hierover een oordeel te geven.
Over welke mogelijkheden beschikt u om in te grijpen wanneer een gemeentelijk democratisch proces niet fatsoenlijk verloopt en een gemeente omwonenden blijft benadelen?
Indien een besluit van het gemeentebestuur in strijd met het recht of met het algemeen belang wordt genomen, kan dit besluit op grond van artikel 268 Gemeentewet bij koninklijk besluit worden geschorst en/of vernietigd. Hiertoe kan ik als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een voordracht doen. Een besluit kan zowel worden geschorst en/of vernietigd vanwege de inhoud, als vanwege de gevolgde procedure. Besluiten waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, kunnen op grond van artikel 10:38 van de Algemene wet bestuursrecht echter niet worden vernietigd. Deze mogelijkheid komt daarmee niet in de plaats van reguliere rechtsbescherming.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Gelet op de aard van de vragen heb ik informatie opgevraagd bij de gemeente Ermelo. Omdat dit wat meer tijd vergde, is het niet gelukt deze vragen binnen drie weken te beantwoorden en is de termijn eenmaal verlengd met nogmaals drie weken. Hierover heeft u bericht ontvangen.
De oprukkende moordlustige wolf |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving dat de wolf weer een massaslachting onder schapen heeft aangericht?1
Ja, deze berichtgeving is mij bekend.
Wat vindt u van het feit dat de wolf vaker en vaker vee aanvalt?
Ik betreur ten zeerste het dierenleed en het verdriet dat gepaard gaat met aanvallen van de wolf op vee. De wolf is een waardevolle aanvulling op de Nederlandse biodiversiteit, maar zijn komst zorgt voor veel maatschappelijke onrust en voor schade. Daar maak ik mij zorgen om. Ik ben van mening dat samenleven met de wolf in Nederland mogelijk is en dat we manieren moeten vinden om samen te leven met de wolf in een klein land waar wolf, mens en de dieren die gehouden worden door de mens, dicht op elkaar leven. Daarom heb ik de Raad voor de Dierenaangelegenheden (RDA) gevraagd om een brede maatschappelijke dialoog te organiseren over de positie van de wolf in Nederland.
Wat heeft u concreet gedaan om vee van boeren beter tegen de wolf te beschermen? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Het beschermen van vee tegen aanvallen van de wolf vind ik van het grootste belang om dierenleed te voorkomen. De bescherming van vee is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de veehouder. Samen met de provincies zet ik in op adequate informatie over het beschermen van vee en hobbydieren. Het plaatsen van wolfwerende hekken of het ’s nachts ophokken van vee zijn bijvoorbeeld goed uitvoerbare mogelijkheden die veehouders kunnen toepassen om dieren te beschermen tegen aanvallen door wolven. BIJ12 biedt uitgebreide informatie aan veehouders welke beschermende maatregelen genomen kunnen worden2. Dierhouders kunnen hiervoor gebruik maken van provinciale subsidies.
Wat gaat u doen om vee van boeren beter tegen de wolf te beschermen? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden met een bijbehorend stappenplan?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van vee bij de veehouder. Samen met de provincies werk ik aan voorlichting en informatievoorziening over goede manieren van bescherming van vee. Ik zet hierbij in op een bredere publiekscommunicatie en ik faciliteer communicatie-instrumenten voor andere overheden en natuurorganisaties. In de maatschappelijke dialoog die de RDA gaat organiseren zal ook het onderwerp bescherming een rol spelen.
Hoe worden (hobby)boeren na aanvallen van de wolf schadeloos gesteld? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
BIJ12 verzorgt namens provincies de afhandeling van tegemoetkoming in schade.
Volgens de beleidsregels van de provincie wordt door BIJ12 beoordeeld of er een tegemoetkoming wordt verleend. Bij het verlenen van een tegemoetkoming in de schade door een wolf wordt er geen eigen risico ingehouden en hoeven geen leges betaald te worden. Eventuele dierenartskosten en de voorrij- en afvoerkosten van een kadaver naar een destructiebedrijf worden vergoed. Overige indirecte kosten komen niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Ook als een gehouden landbouwhuisdier gewond is en behandeld door een dierenarts, verleent BIJ12 een tegemoetkoming in deze dierenartskosten. Deze tegemoetkoming bedraagt maximaal de taxatiewaarde van het dier. Als het dier na dierenartsbehandeling en aantoonbaar door de wolfaanval overlijdt, dan bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de taxatiewaarde: tegemoetkoming in de dierenartskosten plus de taxatiewaarde van het dier.
Een uitbetaling kan 16 weken duren. Nadat BIJ12 het taxatierapport heeft ontvangen, wordt ernaar gestreefd een melding binnen 10 weken af te handelen. Het taxatiebureau levert een taxatierapport binnen 6 weken op aan BIJ12.
De ernstige verwaarlozing van tientallen dieren bij een bedrijf dat in het verleden ook al herhaaldelijk in de fout ging en al onder verscherpt toezicht stond |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat dacht u toen u hoorde dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meer dan 70 koeien, stieren en kalfjes «in bewaring heeft genomen» nadat deze dieren sterk vermagerd en vervuild werden aangetroffen, naast de twee dieren die al waren gestorven?1
Een dergelijk bericht doet mij veel. Het roept vragen bij mij op over hoe het zo ver heeft kunnen komen. Ik vind het volstrekt onacceptabel dat dieren zo worden verwaarloosd en vind het belangrijk dat hier kordaat tegen wordt opgetreden. Mijn beleid is hier ook op gericht en de Inspecteur General van de NVWA staat voor het toezicht.
In het geval van dierverwaarlozing is er vaak sprake van (sociale) problemen bij de houder. Dit verexcuseert het verwaarlozen van dieren geenszins, maar is wel een onderliggend probleem waar we ook oog voor moeten hebben. Er wordt in de begroting van mijn ministerie jaarlijks een bedrag opgenomen voor het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren. Het loket heeft tot doel verminderde zorg bij landbouwhuisdieren terug te dringen en tijdig een halt toe te roepen. Meldingen door erfbetreders zijn daarbij van cruciaal belang. Het Vertrouwensloket begeleidt de ondernemer op vrijwillige basis bij het oplossen van het probleem. Voor dit specifieke geval, waarbij de ondernemer reeds onder verscherpt toezicht stond, is het goed dat zowel bestuursrechtelijk, als ook strafrechtelijk onderzoek is ingesteld.
Wat ging er door u heen toen u de foto zag die de NVWA deelde bij de melding, waarop te zien is dat koeien tot diep in hun eigen ontlasting staan en niet de beschikking hebben over schoon drinkwater en droog voedsel?
Bij het zien van deze foto ging er afschuw door mij heen. Ik vind het niet acceptabel dat dieren op deze wijze worden gehouden. Als mensen hebben we een zorgplicht voor de dieren die ons zijn toevertrouwd.
Klopt het dat dit betreffende bedrijf onder verscherpt toezicht van de NVWA zou staan?2
Ja, het betreffende bedrijf staat onder verscherpt toezicht van de NVWA.
Hoe bestaat het dat bij een bedrijf dat onder verscherpt toezicht staat nog steeds dieren ernstig kunnen worden verwaarloosd?
Dat op een bedrijf al meermaals overtredingen zijn aangetroffen wil niet zeggen dat bij toepassing verscherpt toezicht een veehouder zijn bedrijfsvoering snel aanpast. Dit betreft een aanpak/traject met bestuursrechtelijke of strafrechtelijke inzet of een combinatie daarvan en is niet een eenmalige interventie. Bij opleggen van maatregelen in het kader van verscherpt toezicht moet veehouder ook een redelijke termijn worden gegeven om aanpassingen door te voeren. Bovendien is op deze bedrijven vaak ook sprake van perioden waarin het wel beter gaat (bijvoorbeeld in weideseizoen), afgewisseld met perioden waarin het (ook soms heel snel) slechter gaat. Een houder is primair zelf verantwoordelijk voor een goede verzorging van zijn dieren. Verscherpt toezicht is een maatwerkaanpak die wordt toegepast bij bedrijven met grazers (runderen, paarden, schapen, geiten) en vindt plaats als er herhaald overtredingen zijn geconstateerd en er, ondanks inzet van het interventiebeleid, nog geen zicht is op verbetering van het naleefgedrag. Door de toezichtintensiteit op het bedrijf te verhogen en middels inzet van mogelijke maatregelen wordt gestreefd naar aanpassing van de naleving van welzijnsregels door de houder.
Een bestuursrechtelijk instrument heeft als doel om overtredingen te herstellen. Bij bedrijven die onder verscherpt toezicht vallen, wordt veelal ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Dat is een apart traject.
De maatregelen ter verbetering van de situatie op het bedrijf worden opgebouwd. Er worden vaak zowel herstelsancties als punitieve (bestraffende) sancties ingezet, die worden afgestemd op de situatie op het bedrijf. In het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing van de Ministers van Justitie en Veiligheid en mijzelf (Kamerdossier 35 892), wordt het toepassingsbereik van artikel 5.12 van de Wet dieren uitgebreid met de toevoeging van «het welzijn van het dier» als reden om maatregelen te kunnen treffen. Wanneer het dierenwelzijn wordt geschaad – bijvoorbeeld door slechte verzorging – kan dan op grond van dat wetsartikel dan worden overgegaan tot geheel of gedeeltelijke sluiting van het bedrijf.
In het voorliggende geval heeft de NVWA geconstateerd dat de inzet van verscherpt toezicht er niet toe heeft geleid dat de houder tijdens het stalseizoen niet opnieuw overtredingen ten aanzien van dierenwelzijn heeft begaan. Hierop heeft de NVWA besloten de dieren in bewaring te nemen.
Kunt u aangeven waaruit het verscherpte toezicht van de NVWA bestaat?
Een primair bedrijf waar rundvee wordt gehouden, wordt onder verscherpt toezicht gesteld als het bedrijf structureel niet naleeft. Verscherpt toezicht is een traject waarin zowel vanuit bestuursrecht als ook strafrechtelijk maatregelen kunnen worden toegepast. Dit is het geval indien:
Een dergelijke «entreecontrole» voor verscherpt toezicht vindt plaats indien bij inspecties op het bedrijf minimaal drie inspecties niet-akkoord zijn bevonden binnen de afgelopen twee jaar en deze niet-akkoorden leidden tot de opmaak van rapport(en) van bevindingen en/of processen-verbaal; of
Een bedrijf blijft onder verscherpt toezicht totdat er bij drie achtereenvolgende controles geen overtredingen meer van de Wet dieren en/of onderliggende regelgeving op het bedrijf worden vastgesteld.
Bij bedrijven die onder verscherpt toezicht vallen, wordt veelal ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Bent u, gegeven het feit dat de koeien sterk waren vermagerd en tot diep in hun eigen ontlasting stonden, van mening dat dit verscherpte toezicht op adequate wijze heeft plaatsgevonden?
Ik betreur het dat de houder, ondanks het verscherpte toezicht, niet voor een acceptabele verzorging van de dieren heeft kunnen zorgen. Helaas kan ook het zware instrument van verscherpt toezicht niet in alle gevallen voor verbetering van de situatie leiden.
Deelt u de mening dat kennelijk langdurige dierverwaarlozing die kan plaatsvinden onder verscherpt toezicht twijfels oproept over de kwaliteit van toezicht en handhaving bij veehouderijen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie wilt u ondernemen om toezicht en handhaving bij primaire bedrijven substantieel te verbeteren?
Het instrument verscherpt toezicht is helaas geen panacee. Een situatie zoals aangetroffen op het betreffende bedrijf kan in een korte tijd ontstaan. Er heeft frequent toezicht bij dit bedrijf plaatsgevonden, waarbij bestuursrechtelijk meerdere maatregelen zijn opgelegd die niet tot structurele verbetering hebben geleid. Een veehouder dient de gelegenheid te krijgen verbeteringen aan te brengen, maar wanneer na herhaling blijkt dat maatregelen niet tot verbetering leiden en de dieren ernstig lijden, zal de NVWA de dieren in bewaring nemen. Bij de laatste inspectie is die maatregel voor 70 runderen toegepast. Als bij een bedrijf dat onder verscherpt toezicht staat geen overtredingen meer worden geconstateerd, vinden er nog meerdere herinspecties plaats om een eventuele terugval tijdig te constateren
Ik vind dat de toezichthouder de juiste instrumenten ter beschikking moet hebben om haar toezicht doelmatig te kunnen uitvoeren.
De Minister van Justitie en Veiligheid en ik willen dit mogelijk maken middels het in het antwoord op vraag 4 genoemde wetsvoorstel.
Kunt u bevestigen dat de NVWA in 2018 meer dan 300 «aandachtsbedrijven» ofwel «risicobedrijven» heeft geïdentificeerd waar sprake was van structurele dierenwelzijnsproblemen en dat sinds een wijziging in de werkwijze van de NVWA in 2019 slechts een klein deel van deze bedrijven onder verscherpt toezicht staat?3
Ja, ik kan bevestigen dat niet alle bedrijven die waren aangemerkt als aandachtbedrijf onder verscherpt toezicht zijn gesteld. Zoals ook in de beantwoording op de Kamervragen waaraan wordt gerefereerd (Kamerstuk 33 835, nr. 197) is aangegeven.
Is er volgens u voldoende zicht op deze voormalige risicobedrijven? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Veel van de voormalige aandachtbedrijven vallen onder het reguliere toezicht. Bezoeken aan deze bedrijven vinden risicogebaseerd plaats op basis van meldingen (bijvoorbeeld van erfbetreders) of in het kader van naleefmetingen. De NVWA heeft ook samenwerkingsafspraken met andere erfbetreders, zodat signalen over dierverwaarlozing worden doorgegeven. De bron van een melding en de inspectiehistorie wegen mee bij het beoordelen van meldingen. Een risicoselectie of een specifiek project kan eveneens aanleiding vormen om een bedrijf te bezoeken. Indien bij een bedrijf een overtreding wordt vastgesteld, volgt ook in het reguliere toezicht een herinspectie.
Hoeveel controles zijn er na 2019 nog uitgevoerd bij de risicobedrijven die niet onder verscherpt toezicht zijn geplaatst?
Bij bedrijven die sinds 2019, onder de destijds geldende criteria, zijn aangemerkt als risicobedrijf zijn de onderstaande inspecties uitgevoerd. In 2019 en 2020 was er sprake van een overgangsperiode, waardoor ook bedrijven die nu als verscherpttoezichtbedrijf worden aangemerkt (veto) nog geschaard werden onder risicobedrijven. In 2021 is dit uitgesplitst in risicobedrijven en veto-bedrijven. Enkel de veto-bedrijven vallen, vanwege de inspectiehistorie, onder het verscherpte toezichtregime.
2019
69
2020
46
2021
21
2019
111
2020
64
2021
24
In 2020 en 2021 zijn door de NVWA minder inspecties uitgevoerd in verband met coronamaatregelen.
De analyse van de inspecties die in 2022 zijn uitgevoerd is gaande, de data zijn pas kortgeleden beschikbaar gekomen.
Inspectieresultaten zullen, zodra de analyse gereed is, zo spoedig mogelijk op de NVWA-website worden gepubliceerd. Ik verwacht dat deze in het tweede kwartaal van 2023, rondom de aanbieding van de verantwoordingsstukken van de NVWA, gepubliceerd zijn.
Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen de één na laatste en de meest recente inspectie van de NVWA bij het bedrijf waar nu verwaarloosde dieren zijn aangetroffen?
Tussen de meest recente inspectie in februari en de één na laatste inspectie in januari bij dit bedrijf zat ongeveer een maand tijd. Het betreft inspecties die hebben plaatsgevonden na de in bewaring name van de runderen op 4 januari.
Is het waar dat dezelfde veehouder in 2018 in hoger beroep werd veroordeeld vanwege het verwaarlozen van runderen? Kunt u toelichten wat de overtredingen destijds waren en welke sancties er zijn genomen?4
Dat klopt. Het is echter staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om, in het kader van de privacy, geen uitspraken over eerdere veroordelingen in individuele zaken te doen.
Hoe vaak heeft de NVWA sinds de veroordeling in 2018 de dieren van deze veroordeelde veehouder bezocht?
Vanaf het moment van de uitspraak van het Hof in 2018, tot en met de dag van de controle op 4 januari 2023, is het bedrijf op 13 verschillende dagen bezocht.
Wanneer hebben deze inspecties precies plaatsgevonden? Bent u bereid de inspectierapporten met de beantwoording van deze vragen naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
De inspecties vanaf de uitspraak van het Hof in 2018 vonden plaats in het vierde kwartaal van 2020, het eerste kwartaal van 2021, het derde kwartaal van 2021, het tweede kwartaal van 2022, het derde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023.
Aangezien de inspectierapporten bedrijfsspecifieke informatie bevatten, die in ieder geval deels nog onderwerp is van lopende procedures, kan ik deze niet bijvoegen. Ik hecht er echter wel aan zoveel mogelijk tegemoet te komen aan informatieverzoeken uit de Kamer. Daarom ben ik bereid in inhoud voor u samen te vatten. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u uiteenzetten welke overtredingen er de laatste tien jaar bij dit bedrijf zijn geconstateerd en of dit geleid heeft tot sancties? Zo ja, welke en wanneer en hoe is hierop toegezien? Zo nee, waarom niet?
Er hebben vanaf 2013 tot heden meerdere inspecties plaatsgevonden, 30 in het totaal in deze periode. De runderen werden door de houder voor een groot deel van het jaar 2022 buiten gehuisvest. Het risico op nieuwe overtredingen was hierdoor kleiner. Hier is ook rekening mee gehouden bij (her)inspecties. Aangezien de inspectierapporten bedrijfsspecifieke informatie bevatten worden deze niet bijgevoegd.
Samengevat zijn er overtredingen gezien ten aanzien van de hygiëne, water, voer en huisvesting. Deze overtredingen hebben tot meerdere maatregelen geleid, zoals lasten onder dwangsom en lasten onder bestuursdwang. Met een last krijgt overtreder een termijn waarbinnen de geconstateerde overtreding moet zijn opgelost. De NVWA houdt toezicht op de gestelde termijnen. Bij het niet naleven van de lasten zal een dwangsom worden verbeurd of zal de NVWA ingrijpen door bijvoorbeeld dieren mee te voeren en op te slaan. Daarnaast is het bedrijf ook via een zogenaamde randvoorwaardenkorting gekort op de Unierechtelijke inkomenssteun.
Hieronder wordt in een tabel weergeven hoe vaak het bedrijf is bezocht in het desbetreffende kalenderjaar:
Jaar
Aantal keer bezocht
2013
9
2014
1
2015
3
2017
2
2018
1
2019
0
2020
1
2021
3
2022
7
2023
3
Is het waar dat na het «in bewaring stellen» van de 70 runderen, de veehouder vrijwel onmiddellijk andere dieren heeft geplaatst? Zo ja, wat vindt u hiervan?5
De houder heeft na het in bewaring nemen van de 70 runderen op 4 januari jl. niet opnieuw dieren aangevoerd. De veehouder hield ten tijde van de controle op 4 januari op twee verschillende locaties runderen; een deel werd geweid en het grootste deel stond op stal. De wijze waarop de dieren die binnen werden gehuisvest en verzorgd, werd als dusdanig ernstig beoordeeld dat het noodzakelijk werd geacht deze dieren in bewaring te nemen. De (15) dieren buiten werden op het moment van controle op adequate wijze gehouden. Deze dieren zijn ook niet in bewaring genomen.
De NVWA heeft medio januari opnieuw een inspectie uitgevoerd bij dit bedrijf om te bezien hoe de situatie voor de 15 runderen die nog bij de houder aanwezig waren was. Deze controle wees uit dat de dieren op dat moment op stal stonden en in orde waren. Medio februari is opnieuw een inspectie uitgevoerd, en was er opnieuw geen aanleiding voor in bewaring name van aanwezige runderen. Het bedrijf blijft onder verscherpt toezicht.
Welke maatregelen heeft u genomen om te voorkomen dat de verantwoordelijke van dit bedrijf dezelfde overtredingen opnieuw begaat?
Het bedrijf staat onder verscherpt toezicht en wordt regelmatig geïnspecteerd. Tevens hebben NVWA-inspecteurs de veehouder gewezen op beschikbare ondersteuning. Vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vindt een «keukentafelgesprek» plaats. In het verleden is de veehouder ook doorverwezen naar het Vertrouwensloket. De locoburgemeester is geïnformeerd over de situatie.
Bent u van plan om met de kennis van nu, op zeer korte termijn nieuwe en onaangekondigde inspecties te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen zijn dit?
Het verscherpttoezichtregime blijft van toepassing op dit bedrijf. Ik doe vooraf geen mededeling over inspecties die nog gaan plaatsvinden.
Zijn het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de overtredingen voorgelegd aan de rechter? Bent u bereid de resultaten van deze onderzoeken naar de Kamer te sturen?
Het is staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om geen uitspraken te doen over individuele zaken in het strafrecht. Voor wat betreft het bestuursrechtelijk traject is het niet aan de NVWA om de onderzoekresultaten aan de bestuursrechter voor te leggen. Dat is een recht van de houder. Deze kan in bezwaar en beroep gaan tegen een opgelegde maatregel.
Vindt u het verstandig of wenselijk dat een bedrijf of persoon die herhaaldelijk ernstige dierenwelzijnsovertredingen begaat, de mogelijkheid behoudt om dieren te houden gegeven het grote risico dat deze dieren opnieuw het slachtoffer worden van ernstige verwaarlozing?
Ik ben het met de vragenstellers eens dat voorkomen moet worden dat daders van dierverwaarlozing of diermishandeling opnieuw in de fout kunnen gaan, met alle nare gevolgen daarvan voor de dieren. Om mijn aanpak te versterken heb ik daarom samen met de Minister van Justitie en Veiligheid een wetsvoorstel gemaakt dat de mogelijkheid introduceert om aan daders van dierenmishandeling en daders van andere strafbare feiten als zelfstandige maatregel een houdverbod op te kunnen leggen. Dat betekent dat de rechter als onderdeel van de veroordeling aan de dader een verbod op kan leggen voor een bepaalde periode om dieren te houden. Dit wetsvoorstel is momenteel aanhangig bij de Tweede Kamer. Het houdverbod kan voor de duur van maximaal tien jaar worden opgelegd en in het geval van recidive voor de duur van twintig jaar. Het wetsvoorstel voorziet tevens in de uitbreiding van de mogelijkheid om bedrijven, inrichtingen en locaties te sluiten, indien het welzijn van het dier in gevaar kan worden gebracht.
Heeft de NVWA contact gehad met het Functioneel Parket over het opleggen van een tijdelijk houdverbod als voorlopige maatregel?
Het is staand beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid en het OM om geen uitspraken te doen over individuele zaken in het strafrecht.
Kunt u uiteenzetten wat in het afgelopen jaar de gemiddelde doorlooptijd is geweest bij het afhandelen van boeterapporten? In hoeveel gevallen is de termijn verstreken voor het opstellen van een boeterapport? Is het waar dat de overtreder in zo’n geval wegkomt met de overtreding?
De gemiddelde doorlooptijd van de rapporten van bevindingen ten behoeve van afdoening met een bestuurlijke boete in relatie tot de wet Dieren is op dit moment 19 weken. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien van een overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen 13 weken moet beslissen over het opleggen van de bestuurlijke boete. Dit betreft een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt.
Bent u bereid om het toezicht bij primaire bedrijven te betrekken bij de uitwerking van het «three strikes out»-principe, waarbij zwaarder zal worden opgetreden bij herhaalde overtredingen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?6
De NVWA werkt aan de aangenomen motie Van Campen en Eerdmans (JA21) over een three strikes out handhavingsvoorstel in de procedure voor verscherpt toezicht op slachthuizen (Kamerstuk 28 286, nr. 1249). Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat het herziene interventiebeleid en de procedure verscherpt toezicht in de eerste helft van 2023 in uitvoering zullen zijn, waarna de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over de uitwerking van de motie Van Campen en Eerdmans.
De invulling van verscherpt toezicht verschilt per domein. Voor bijvoorbeeld slachthuizen waarbij permanent toezicht wordt gehouden, is dit anders dan bij primaire bedrijven. In het algemeen geldt dat de NVWA zowel kwantitatieve aspecten (aantallen «strikes») als ook kwalitatieve aspecten (ernst van de feiten en omstandigheden) in aanmerking neemt om te bepalen of een bedrijf onder verscherpt toezicht wordt geplaatst en welke sancties daarbij zo nodig passend zijn. Een kwantitatieve benadering alléén aan de hand van aantallen «strikes» zou onvoldoende recht doen aan een evenredige sanctionering zoals vereist door wetgeving en rechtspraak. Dit laat onverlet dat het aantal eerdere overtredingen van belang is voor de vraag of verscherpt toezicht wordt ingesteld, en of, zoals in de vraag wordt gesteld, zwaarder moet worden opgetreden. Dit geldt ook bij de primaire bedrijven.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Beantwoording van de vragen heeft langer geduurd in verband met benodigde afstemming met meerdere departementen.
Giftige ammoniakdampen in varkensstallen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat er doorgaans minder wordt geventileerd in de winter, ook in varkensstallen?
Nee, ik kan niet bevestiging dat er doorgaans in de winter minder wordt geventileerd in varkensstallen. In 2019 is een omvangrijk pps- (publiek-private samenwerking) project gestart naar het stalklimaat in varkensstallen. Dit project heeft onder andere geresulteerd in het aanpassen van de klimaatrichtlijnen, in samenwerking met het onafhankelijk klimaatplatform voor de Varkenshouderij. Het advies aan varkenshouders is om meer te ventileren, omdat dit beter is voor het dier, de veehouder zelf en diens personeel, én beter is voor de productieresultaten en daarmee het economisch resultaat van het bedrijf. In 2022 zijn twee stalklimaatdagen georganiseerd. Tijdens deze klimaatdagen zijn onder andere de nieuwe richtlijnen gepresenteerd. Ook is in 2022 veel aandacht geweest in de vakpers over de nieuwe stalklimaatnormen.
Bereiken u ook signalen dat varkensstallen door de hoge gas- en energieprijzen op dit moment nóg minder worden geventileerd, om zo de warmte maximaal binnen te houden?
In het begin van de energiecrisis is op vele bedrijven en in de vakpers (ook bij andere sectoren) aandacht geweest voor energiebesparing. Er is in de vakpers en op de eerder genoemde klimaatdagen aangegeven wat de gevolgen zijn voor het stalklimaat als er minder geventileerd wordt. Deze zien zowel op het thermocomfort en impact voor de varkens, als op negatieve gevolgen voor het economisch rendement. De focus met betrekking tot energiebesparing is nu met name gericht op energie beperkende maatregelen die geen negatieve invloed hebben op dierenwelzijn en diergezondheid.
Kunt u bevestigen dat weinig ventilatie betekent dat de ammoniakconcentratie in de stallen waarschijnlijk nóg hoger oploopt?
Ja, het klopt dat ventileren bijdraagt aan het tegengaan van hoge ammoniakconcentraties. De ammoniakconcentratie is echter afhankelijk van meerdere factoren, zoals emitterend mestoppervlak in de stal, de temperatuur van de toplaag van de mest in de stal, klimaatsysteem, bevuiling van de ligvloer, voersamenstelling én dus de ventilatiehoeveelheid. Indien de minimale ventilatiehoeveelheid lager is dan norm, dan neemt in principe de ammoniakconcentratie in de stal toe.
Kunt u bevestigen dat een hoge ammoniakconcentratie in stallen betekent dat miljoenen varkens en biggetjes een groot risico lopen op, onder andere, longaandoeningen, borstvliesontstekingen, ontstoken ogen en meer gevallen van staartbijten?
De genoemde aandoeningen kunnen inderdaad effecten zijn van (onder meer) te hoge ammoniakconcentraties. Ammoniak kan bij hoge concentraties schadelijk zijn voor de gezondheid van varkens. De mate van schadelijkheid is naast de concentratie ook afhankelijk van de blootstellingsduur. De relatie tussen blootstelling aan ammoniak en ontstaan van gezondheidsproblemen is moeilijk vast te stellen, omdat vaak meerdere stalfactoren tegelijkertijd van invloed zijn op de gezondheid van de dieren.
Kunt u bevestigen dat het Klimaatplatform Varkens van de Wageningen Universiteit in 2013 op basis van metingen en berekeningen concludeerde dat de ammoniakconcentratie in veel Nederlandse varkensstallen op 50 tot 70 «parts per million» (ppm) kon liggen en daarbij waarschuwde dat dit hooguit 20 ppm zou mogen zijn?1
Nee. Navraag bij de Wageningen Universiteit wijst uit dat het Klimaatplatform geen metingen heeft uitgevoerd. Het is onduidelijk naar welke bron verwezen wordt, en ik kan om die reden geen uitspraak doen over de hoogtes. Wel klopt het dat er al jaren aandacht is vanuit het Klimaatplatform voor het klimaat in varkensstallen.
Kunt u bevestigen dat op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)-checklists, die in 2018 tijdens inspecties zijn ingevuld en via een Wet openbaarheid van bestuur (WOB)-procedure zijn opgevraagd, eveneens te zien was dat in veel varkensstallen ammoniakconcentraties werden gemeten die (ver) boven 20 ppm lagen, tot zelfs 89 en 99 ppm?2
Ik kan bevestigen dat de NVWA in 2018 bij inspecties van het stalklimaat in varkensstallen ammoniakconcentraties heeft gemeten die boven 20 ppm lagen. Hoewel er in een aantal gevallen hoge gasconcentraties werden gemeten, ging dit niet altijd gepaard met vaststelling van een bepaalde mate van dierkenmerken. Bij een hoge gasconcentratie, maar zonder deze vaststelling van dierkenmerken, leidt dit in het huidige protocol niet tot het vaststellen van een overtreding. Kenmerken waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld in onderzoek van de WUR in 2015: rode/vuile ogen, staart-/oorbijten en dierbevuiling. Deze kunnen wijzen op een ontoereikend klimaat.
Heeft u enig idee hoe hoog de ammoniakconcentraties in Nederlandse varkensstallen op dit moment liggen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Nee, dat is mij niet bekend. Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit in kaart te laten brengen.
Kunt u bevestigen dat de luchtkwaliteit in stallen volgens de wet al 25 jaar niet schadelijk mag zijn voor varkens, maar dat de open norm effectief toezicht in de weg staat?3
Het klopt dat de huidige wetgeving al jaren voorschrijft dat het stalklimaat niet schadelijk mag zijn. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd klopt het ook dat deze regelgeving een open norm bevat. Daarom zijn de NVWA en LNV een werkgroep gestart om deze norm nader in te vullen (al dan niet middels regelgeving), om zo effectief toezicht beter mogelijk te maken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren is geprobeerd de handhaving van deze open norm te verbeteren aan de hand van een protocol voor het beoordelen van het klimaat in varkensstallen, maar dat dit onvoldoende bleek bij te dragen aan effectief toezicht?
Dat klopt. In 2015 heeft de WUR onderzoek gedaan naar indicatoren die gebruikt kunnen worden door de varkenshouders en handhavers om inzicht te krijgen in situaties waarbij het stalklimaat onvoldoende gewaarborgd is en er mogelijk sprake is van verminderd dierenwelzijn en verminderde diergezondheid. Deze indicatoren zijn door de NVWA opgenomen in het handhavingsprotocol dat gebruikt wordt om te bepalen of stalklimaat schadelijk is. De praktijk heeft uitgewezen dat dit handhavingsprotocol onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Daarom onderzoekt de WUR, in opdracht van LNV op verzoek van de genoemde werkgroep (zie vraag 8), de mogelijkheden om het huidige protocol aan te scherpen en te verduidelijken. Zodat NVWA-inspecteurs duidelijk kunnen vaststellen of het stalklimaat al dan niet schadelijk is. Dit onderzoek wordt begin 2023 afgerond. Het is de inzet voor de zomer de open norm nader ingevuld te hebben.
Kunt u bevestigen dat de Inspecteur-Generaal (IG) van de NVWA daarop aan uw voorganger heeft geadviseerd om voor ten minste ammoniak- en kooldioxideconcentraties een limiet in de wet- en regelgeving op te nemen?4
Het klopt dat de Inspecteur-Generaal van de NVWA dit aan mijn voorganger heeft geadviseerd. Naar aanleiding van dit verzoek hebben LNV en de NVWA samen besloten een werkgroep te starten om invulling te geven aan de open norm zodat deze handhaafbaar is voor het toezicht. Het uitgangspunt is om tot een kwantitatieve invulling van de norm te komen.
Heeft u gezien dat de European Food Safety Authority (EFSA) afgelopen zomer in een nieuw rapport over het welzijn van varkens adviseerde om er op toe te zien dat ammoniakconcentraties onder 10 tot 15 ppm worden gehouden, omdat daarboven risico’s ontstaan voor diergezondheid en dierenwelzijn?5
Ik ben bekend met het EFSA-advies. Ook EFSA geeft aan dat meerdere klimaatfactoren in samenspel een rol spelen en dierenwelzijn en -gezondheid beïnvloeden. Deze bevindingen worden ook meegenomen in het WUR-onderzoek waarvan ik de uitkomsten begin 2023 verwacht.
Gaat u deze waarden overnemen en daarmee een concrete en meetbare limiet vastleggen in wet- en regelgeving zoals de IG heeft geadviseerd? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 9 onderzoekt de WUR of de mogelijkheden om te bepalen of stalklimaat schadelijk is aan te scherpen en te verduidelijken zijn. Mede op basis van het onderzoek bekijk ik of aanpassing van het protocol leidt tot een goed handhaafbare norm, of dat het wenselijk is om op een andere wijze invulling te geven aan de open norm. Daartoe sluit ik het wettelijk vastleggen van normen voor stalklimaat niet uit.
Gaat u de NVWA opdracht geven om deze winter extra controles uit te voeren op schadelijke ammoniakconcentraties in varkensstallen? Zo nee, hoe gaat u dan voorkomen dat miljoenen varkens deze winter extra lijden door giftige staldampen?
Nee, ik zal de IG NVWA niet vragen of hij bereid is deze controles uit te voeren. Het uitvoeren van extra controles heeft niet zoveel zin, omdat zoals ik ook bij vraag 1 en 2 heb toelicht er niet minder wordt geventileerd, en bij inspecties op varkensbedrijven de NVWA het stalklimaat al controleert.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden. Zoals vastgelegd in het Regelement van Orde (artikel 12.2) is de gebruikelijke beantwoordingstermijn binnen drie weken. Het beantwoorden van Kamervragen binnen één week vraagt zeer veel van de capaciteit van mijn ambtenaren en mijzelf. Om deze reden hanteren wij de streeftermijn van drie weken. Vanwege het kerstreces en de benodigde afstemming is dit niet gehaald; hierover heeft uw Kamer een uitstelbrief ontvangen op 9 januari jl.
Het zwijgcontract dat omwonenden van eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo moesten tekenen om te voorkomen dat zij bezwaar maken tegen de overlast van de slachterij |
|
Eva van Esch (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u het feit dat eigenaren van 21 woningen in de omgeving van eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo hebben moeten tekenen voor een boeteclausule, waardoor zij direct 10.000 euro moeten betalen wanneer zij bezwaar maken tegen overlast vanuit de slachterij?1
Iedereen moet toegang hebben tot het recht. Daarbij hoort ook onafhankelijke geschilbeslechting door een rechter of een vergelijkbare instantie. Conform het Burgerlijk Wetboek mogen particuliere partijen zelf bepalen welke afspraken zij met elkaar maken. Dit kan ook een afspraak zijn over het dulden van (enige) overlast doordat een woning gelegen is naast een bedrijf dat per definitie enige overlast voor de omgeving veroorzaakt, zoals een eendenslachterij. Deze contractsvrijheid kent echter ook grenzen. Uiteraard mogen afspraken niet strijdig zijn met bestaande wet- en regelgeving, dan wel de openbare orde of de goede zeden. Bovendien wordt een bepaling als deze beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Afspraken die de toegang tot het recht te zeer beperken zullen binnen deze grenzen al snel ontoelaatbaar zijn. Het is aan de burgerlijke rechter om in een concreet geval de toelaatbaarheid van een afspraak tussen particuliere partijen te beoordelen.
Heeft u gezien dat deze boeteclausule ook geldt voor de volgende bewoners van de huizen, aangezien hier sprake is van een kettingbeding, wat verkoop van deze woningen kan bemoeilijken?
Het Burgerlijk Wetboek staat in beginsel toe dat een afspraak via een kettingbeding wordt doorgegeven aan volgende bewoners. Voor zover het gaat om een toelaatbare afspraak verzekert de eerste verkoper hiermee dat ook latere kopers aan deze afspraak zijn gebonden. Zoals hierboven is opgemerkt, mag de afspraak die via het kettingbeding wordt doorgegeven, niet strijdig zijn met bestaande wet- en regelgeving, dan wel de openbare orde of de goede zeden en zijn de redelijkheid en billijkheid hierop van toepassing. Het is aan de burgerlijke rechter om de toelaatbaarheid van een dergelijke afspraak te beoordelen.
Bent u bekend met de vele meldingen die door omwonenden van de eendenslachterij in het verleden zijn gedaan bij de gemeente en omgevingsdiensten over onder andere stankoverlast en geluidsoverlast?
Ja, daarmee zijn wij bekend.
Snapt u de grote frustratie van deze mensen die soms niet eens in hun tuin kunnen zitten vanwege de stank en die per dag – en soms in de nacht – vele vrachtwagens en busjes door hun straat zien en horen rijden?
Ervaren overlast door bedrijfsactiviteiten is bijzonder vervelend voor betrokkenen. Geur- en geluidhinder kunnen invloed hebben op de leefbaarheid, het welbevinden en de gezondheid van mensen. Daarom worden in de milieuwetgeving kaders gesteld voor activiteiten die overlast kunnen veroorzaken. Deze wet- en regelgeving, maar ook de wetgeving in het kader van een goede ruimtelijke ordening, heeft tot doel een balans te vinden tussen het gebruik van de fysieke leefomgeving en het behoud van diezelfde leefomgeving en de bescherming tegen hinder. Het is daarom belangrijk dat gemeenten bij het ontwikkelen van woningbouwplannen met deze regelgeving rekening houden. Het lokaal of provinciaal bevoegd gezag is verantwoordelijk voor een zorgvuldige toepassing van wet- en regelgeving ten aanzien van milieubescherming en ruimtelijke ordening.
Kunt u zich voorstellen dat nieuwe en toekomstige omwonenden van de eendenslachterij in Ermelo niet kunnen overzien wat zij kunnen verwachten aan overlast, mede gelet op de geschiedenis van dit bedrijf, waarbij onder ander sprake is geweest van illegale uitbreiding van het aantal geslachte dieren, van de werktijden en van illegale aanbouw bij de slachterij?
De bedrijfsactiviteiten moeten voldoen aan de huidige milieuregelgeving, ook ten aanzien van hinder. De milieuregelgeving moet worden nageleefd. Dit is de inzet van alle betrokken overheden. Het betreffende bedrijf is al enige decennia gevestigd op de huidige locatie. Er heeft in het verleden op verschillende momenten toetsing plaatsgevonden aan de wet- en regelgeving. Op dit moment ligt er een nieuwe vergunningaanvraag voor de eendenslachterij waarbij wederom getoetst zal worden aan deze regelgeving.
Erkent u dat het feit dat mensen een contract moeten tekenen om te voorkomen dat zij in de toekomst gaan klagen over overlast en privaatrechtelijk of publiekrechtelijk bezwaar gaan maken tegen de activiteiten van de slachterij, neerkomt op het uithollen van hun rechtspositie? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Zoals ook opgemerkt in het antwoord op vraag 1, staat het particuliere partijen vrij om zelf te bepalen welke afspraken zij met elkaar maken. De grenzen aan deze vrijheid worden bepaald door wet- en regelgeving, de openbare orde en de goede zeden. In zijn algemeenheid geldt dat burgers voldoende toegang moeten hebben tot de rechter of een vergelijkbare instantie om hun rechten te verwezenlijken en dat afspraken die deze toegang te zeer beperken al snel ontoelaatbaar zullen zijn. Een afspraak om niet te klagen over overlast kan dan ook nooit absoluut zijn. Het staat burgers vrij zich te wenden tot de burgerlijke rechter om de geldigheid van hun contract te laten toetsen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is om mensen die een huis kopen op deze manier te laten afzien van hun rechten en daarmee monddood te maken? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Zie het antwoord op de vorige vraag. Een afspraak om niet te klagen over overlast kan nooit absoluut zijn. Het staat de eigenaren vrij zich te wenden tot de burgerlijke rechter om de geldigheid van hun contract te laten toetsen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn één voor één beantwoord. De termijn voor de beantwoording is verlengd vanwege de noodzaak tot het inwinnen van informatie en een goede afstemming tussen de verschillende betrokken partijen.
Het vangen van kippen |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de uitspraak van de rechter die stelde dat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) «moet handhaven op de manier waarop kippen worden gevangen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de rechter aangeeft dat bij het huidige (gedoog)beleid van de NVWA rond kippenvangen geen sprake is van «een consistent en doordacht bestuursbeleid»?
Ik vind, zoals ik ook tijdens het commissiedebat Dieren in de veehouderij van 10 november 2022 heb aangegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 1283), het net als mijn ambtsvoorgangers niet diervriendelijk als kippen aan de poten gevangen worden en met meerdere dieren in één hand op de kop hangen, vaak vastgehouden aan slechts één poot.
Er is lange tijd onduidelijkheid geweest over de reikwijdte van het artikel en het feit dat pluimvee in Nederland op dezelfde wijze gevangen wordt als in de mede-lidstaten van de Europese Unie. De opvatting van de rechter brengt hier duidelijkheid in. In de uitspraak is het standpunt geformuleerd dat het verbod duidelijk is en dat er in deze zaken een beboetbaar feit is begaan.
Wat vindt u ervan dat de rechter aangeeft dat wetsovertredingen slechts in uitzonderlijke gevallen mogen worden gedoogd indien er concreet zicht is op legalisatie en indien handhaving onevenredig zou zijn, maar dat daar bij het vangen van kippen aan de poten geen sprake van is?
De rechter heeft aangegeven dat slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden gedoogd. Mogelijk wordt het artikel over het verbod op het vangen van dieren aan de poten binnen enkele jaren gewijzigd in het kader van de voorgenomen wijziging van de Transportverordening. Deze ontwikkeling doet er ingevolge de uitspraak niet aan af dat het vangen aan de poten nu verboden is en dat daarover geen misverstand kan bestaan. De rechter is stellig in de beginselplicht tot handhaving en het bij de opgelegde heroverweging voorzien in een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving.
Wat vindt u ervan dat, in tegenstelling tot uw antwoorden op Kamervragen, er volgens de rechter «geen duidelijke aanwijzing is dat de Uniewetgever bij de totstandkoming van de Transportverordening de uitzondering op dat verbod voor pluimvee heeft willen handhaven»?2
De opvatting die voorheen gangbaar was omdat de wijze van het vangen aan de poten in de Europese Unie op dezelfde wijze geschiedt, heeft de rechter gewogen en anders geduid. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van de rechter over de eenduidigheid van het European Food Safety Authority (EFSA)-advies dat «uit het advies volgt dat uitgangspunt is dat pluimvee in rechtopstaande positie met de vleugels tegen het lichaam wordt gedragen en bij het vangen niet ondersteboven wordt gehouden.»?
Uit het oogpunt van dierenwelzijn is het rechtop vangen van pluimvee het meest diervriendelijk. Dat wordt duidelijk en uitgebreid onderbouwd in het EFSA-advies. Evenwel laat het advies ook ruimte om de dieren (kortstondig) ondersteboven te tillen, mits aan aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan om de kans op letsel te verkleinen.
Om daadwerkelijk de kans op welzijnsaantasting zo klein mogelijk te houden is het eveneens van belang om de praktische uitvoerbaarheid en de kunde van de vangploegen in ogenschouw te nemen. Er zijn diverse stalsystemen en diverse soorten kippen/kuikens en vangmethoden. De sector geeft aan dat er geen eenduidige methode aan te wijzen is die in ieder systeem en voor iedere categorie pluimvee van toepassing kan zijn.
Hoe gaat u invulling geven aan de opdracht die de rechter u meegaf om te komen tot een «doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving» van het verbod om kippen aan de poten te vangen?
Naar aanleiding van de uitspraak zal de NVWA eerst herinspecties doen bij die bedrijven die in het kader van het oorspronkelijke handhavingsverzoek zijn bezocht.
Indien er bij een inspectie wordt geconstateerd dat er aan de poten wordt gevangen, zal er handhavend worden opgetreden.
De rechtbank merkte daarbij op dat de Minister af kan wijken van het interventiebeleid en niet een boete maar een last onder dwangsom op kan leggen om zo herhaling van de eerdere overtredingen te voorkomen. Daaraan kan ook een termijn worden verbonden waarbinnen de overtredingen moeten worden beëindigd zodat vangbedrijven hun werkwijze daarop nog kunnen aanpassen.
Het resultaat van de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm.
De NVWA is in overleg met diverse ngo’s en sectoren over deze kwestie om een realistisch beeld te krijgen van de termijn die gemoeid is met de praktische uitvoerbaarheid in de verschillende houderij- en stalsystemen, waaronder de beschikbaarheid en training van personeel.
Eerder heb ik de sectoren al gevraagd te komen met een plan van aanpak om te komen tot vangmethodes waarbij de kans op welzijnsaantasting en letsel zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit plan wordt door de sector in samenwerking met dierenwelzijnsorganisaties waaronder Eyes on Animals en Dierenbescherming verder geconcretiseerd.
Past het vangen van kippen aan de poten bij uw definitie van een «dierwaardige veehouderij» mede met het oog op het feit dat de NVWA heeft aangegeven dat hier vaak ernstig vangletsel bij optreedt leidend tot onder meer ernstig letsel, open botbreuken, dieren die tegen containers slaan, hevig lijden en langzaam stikken?3
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 vind ik het niet diervriendelijk als kippen aan de poten gevangen worden en met meerdere dieren in één hand op de kop hangen, vaak vastgehouden aan slechts één poot. Het EFSA-rapport beschrijft ook duidelijk hoe deze vangmethode het welzijn van de dieren aantast. Echter, de EFSA-aanbevelingen in het rapport zijn niet zo eenduidig als ik hoopte: rechtop vangen wordt weliswaar aanbevolen, maar direct daarna staat een aanbeveling voor het vangen aan de poten, onder bepaalde voorwaarden. Kortom, al heeft rechtop vangen de voorkeur, de EFSA wijst vanuit dierenwelzijnsredenen het vangen aan de poten niet volledig af.
Daarbij wil ik benadrukken dat ernstige letsels, zoals open botbreuken, vooral te wijten zijn aan het hardhandig omgaan met dieren tijdens het vangen en het in de kratten of containers plaatsen. Ook het klemraken van lichaamsdelen zoals vleugels bij het sluiten van de kratten en containers leidt tot ernstig letsel. Dit kan allemaal ook bij rechtop vangen gebeuren, als de vangers niet zorgvuldig werken.
Wat is uw inzet op Europees niveau met betrekking tot dit verbod op het vangen van kippen aan de poten bij de herziening van de Transportrichtlijn, die over enkele jaren is voorzien?
Mijn inzet voor de aankomende herziening van de transportverordening is op 5 juli 2022 aan de Tweede Kamer gestuurd (Bijlage bij de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022, Kamerstuk 21 501–32, nr. 1452). Samen met de landen van de zogeheten «Vught groep» (Duitsland, België, Denemarken, Zweden en Nederland) pleit ik voor het vangen van pluimvee zoals is aanbevolen in de factsheets voor goede praktijken, die in 2017 zijn opgesteld in het «Animal transport guides project» van de Europese Commissie4. Hierin wordt het rechtop vangen aanbevolen, of anders het vangen aan de poten maar dan met minder dieren in hand en altijd met ondersteuning van het lichaam. Ik ben dus geen voorstander van een zogenoemde «reparatie» van de verbodsbepaling, als dit betekent dat er een uitzondering komt voor pluimvee zonder enige aanvullende voorwaarden om het dierenwelzijn te borgen.
Uitvoering van de derogatiebeschikking en het Zevende Actieprogramma Nitraat |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de derogatiebeschikking en het 7de actieprogramma nitraat (7e AP)?
Ja.
Wanneer volgt implementatie van de maatregelen uit het addendum van het 7e AP?
De maatregelen uit het addendum van het 7e AP worden zo veel als mogelijk ingevoerd volgens de planning die in het addendum is opgenomen.
Wanneer volgt implementatie van de voorwaarden uit de derogatiebeschikking van de Europese Commissie (EC)?
De voorwaarden uit de derogatiebeschikking worden zo veel mogelijk conform de daarin gestelde deadlines geïmplementeerd. Zie onderstaande tabel.
Generieke maatregelen
Implementatiedatum
Implementatie rVDM transporten in Nederland
1 januari 2023
Inhoudelijke voorwaarden voor derogatieverlening 2022
2022
Aanwijzing NV-gebieden 2022 (= met nutriënten verontreinigde gebieden)
2022
Aanwijzing NV-gebieden 2023
1 januari 2023 (beschikking)
25 januari 2023 zijn de gebieden die zullen worden aangewezen bekendgemaakt.
1 maart 2023 (voorzien: formele vastlegging in regelgeving)
Aanwijzing NV-gebieden 2024
1 januari 2024
Aanpassing mestproductieplafonds
1 januari 2025
Afbouw derogatiepad
1 januari 2023
Geen derogatieverlening voor percelen in N2000 gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
1 januari 2023
Geen derogatieverlening voor percelen in bufferzones nabij N2000-gebieden
1 januari 2024
Opstellen bemestingsplan
1 januari 2023
Afbouw derogatiepad
1 januari 2024
Invoering elektronisch mestregister
1 januari 2024
Verplicht gebruik landbouwbedrijven elektronisch mestregister
1 januari 2025
Aanhouden bufferstroken
1 januari 2023 (beschikking)
1 maart 2023 (voorzien)
Afbouw derogatiepad
1 januari 2025
Verlaging stikstofgebruiksnormen
1 januari 2025
Maatregelen tot vermindering nutriëntenbelasting in grondwaterbeschermingsgebieden
1 januari 2024
Vindt er een ruimtelijke inpassing plaats van de maatregel over bufferstroken langs waterlopen en gebruiksbeperkingen bij waterwingebieden?
RVO zal in de applicatie «Mijn Percelen» inzichtelijk maken hoe breed de bufferstroken conform de derogatiebeschikking zijn en welke gebieden zijn aangemerkt als grondwaterbeschermingsgebied (= waterwingebied). De percelen in een grondwaterbeschermingsgebied, maar ook in Natura 2000-gebieden komen met ingang van 2023 niet langer in aanmerking voor derogatie.
Heeft u een taxatieonderzoek laten uitvoeren naar de waardeontwikkeling van het onroerend goed gelegen in de bufferstroken en waterwingebieden, zoals benoemd in de derogatiebeschikking en het addendum van het 7e AP, voor en na de uitvoering van de maatregelen uit de derogatiebeschikking en addendum van het 7e AP?
Ik heb geen taxatieonderzoek laten uitvoeren. Wel is bij het opstellen van het 7e AP een kwalitatieve analyse van de economische effecten van het 7e AP uitgevoerd.
Heeft u in kaart gebracht hoeveel opbrengstverlies en andere nadelige gevolgen de agrarische sector lijdt door invoering van de bufferstroken en gebruiksbeperkingen waterwingebieden?
In lijn met de motie Van Campen c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 468) zullen de economische effecten van de maatregelen vanuit het 7e AP en de derogatiebeschikking in kaart worden gebracht. De door u genoemde maatregelen zijn onderdeel van deze analyse. Naar verwachting kan ik de Tweede Kamer binnen enkele maanden (tweede kwartaal van 2023) informeren over de uitkomsten.
Komt er een compensatie van de nadelige effecten voor de agrarische sector voor de bufferstroken en waterwingebieden?
Voor de nadelige effecten van de bufferstroken zal geen compensatie komen. Een indicatie van de financiële impact van de versnelde invoering van de bufferstroken maatregel is moeilijk te geven, omdat dit ook afhankelijk is van de soorten teelten, de opbrengsten daarvan en de eventuele extra mestafzetkosten. Wel zal de Subsidieregeling behoud grasland (voorheen transitietegemoetkomingsregeling), zoals aangekondigd in de Kamerbrief van mijn voorganger van 5 september 2022 (Kamerstuk 33 037, nr. 450), een tijdelijke tegemoetkoming bieden voor een gedeelte van de extra kosten die derogatiebedrijven moeten maken als gevolg van de versnelde afbouw van derogatie waarbij de hoogte van de subsidie gerelateerd wordt aan de terugval in mestplaatsingsruimte. De bedrijven die in 2021 met percelen in een grondwaterbeschermingsgebied deelnamen aan derogatie komen hierdoor in aanmerking voor een hoger bedrag aan tegemoetkoming dan bedrijven zonder dergelijke percelen.
Vindt er nog gebiedsgericht maatwerk plaats voor de maatregelen in bufferstroken en waterwingebieden? Zo nee, waarom niet?
De derogatiebeschikking laat geen ruimte voor maatwerk voor wat betreft de maatregelen over bufferstroken en waterwingebieden (grondwater- beschermingsgebieden).
In de grondwaterbeschermingsgebieden waar de nitraatdoelen niet zijn bereikt, zal per 1 januari 2024 op grond van artikel 4, vierde lid, van de derogatiebeschikking een pakket met verplichtende maatregelen om de nutriëntenbelasting te verminderen moeten gaan gelden.
Is de maatregel in bufferstroken en waterwingebieden naar uw mening proportioneel?
Voorop staat dat de derogatiebeschikking geen ruimte laat om af te wijken van wat daarin is opgenomen. Dat geldt dus ook ten aanzien van de bufferstroken maatregel. Daarbij houdt de derogatiebeschikking rekening met de Nederlandse situatie door in bepaalde situaties afschaling toe te staan.
Bent u van mening dat, ondanks de grote onduidelijkheid en zeer late publicaties over de bufferstroken, invoering daarvan op 1 januari 2023 is gerechtvaardigd?
Zoals in mijn brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 484) uiteengezet heeft de Europese Commissie aangegeven dat de maatregelen uit de derogatiebeschikking en het 7e AP onverkort ingevoerd moeten worden. Eurocommissaris Sinkevičius heeft in zijn brief van 19 december 2022 aangegeven dat Nederland bij het niet naleven van de voorwaarden vanuit de derogatiebeschikking niet langer kan vertrouwen op deze beschikking waarin voor de komende jaren goedkeuring wordt gegeven voor het uitrijden van meer dan 170 kg N/ha uit dierlijke mest per jaar.
Gezien het grote belang van behoud van de derogatie is het belangrijk dat de bufferstroken maatregel zoals opgenomen als voorwaarde in de derogatiebeschikking per 1 maart aanstaande wordt verplicht.
Waarom heeft Nederland in het verleden het volledig Nederlandse grondgebied in plaats van haar kwetsbare zones aangewezen? Waarom wordt deze keuze nu niet herzien, zodat beleid wordt gericht daar waar het noodzakelijk is: in de kwetsbare zones?
Voor de kwetsbare zones geldt dat het de gebieden zijn die niet aan de doelen van de Nitraatrichtlijn zouden voldoen als maatregelen achterwege zouden blijven. Dit concept kent dus een brede afbakening en geldt voor het volledige Nederlandse grondgebied.
Naar aanleiding van een motie van het toenmalig VVD-kamerlid Snijder-Hazelhoff (Kamerstuk 28 385, nr. 123) is door Wageningen Environmental Research (destijds Alterra) in samenwerking met de Universiteit Utrecht, in 2010 een onderzoeksrapport uitgebracht getiteld «Gebiedsgerichte uitwerking Nitraatrichtlijn; mogelijkheden en beperkingen». Dit rapport is met de Kamerbrief van 23 augustus 2010 (Kamerstuk 28 385, nr. 188) aan de Tweede Kamer aangeboden. Met de motie werd gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken van een mestbeleid gebaseerd op meerdere nitraatactieplannen en/of de benoeming van verschillende kwetsbare zones. In de Kamerbrief van 13 december 2010 (Kamerstuk 28 385, nr. 199) heeft de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de Tweede Kamer een reactie gestuurd op de bevindingen uit het rapport. Geconcludeerd werd dat er voor Nederland juridisch gezien geen belemmeringen zijn om verschillende kwetsbare zones aan te wijzen in plaats van de huidige aanwijzing van het gehele Nederlandse grondgebied als kwetsbare zone in stand te houden. Volgens de onderzoekers zijn de perspectieven echter beperkt gegeven de relatief hoge gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater in het zand- en lössgebied en de nog als onvoldoende aan te merken kwaliteit van het oppervlaktewater in de klei- en veengebieden, alsmede in de kustwateren.
Hieruit volgt dat naar verwachting slechts een zeer beperkt deel van het Nederlandse grondgebied uitgezonderd zou kunnen worden van de aanwijzing als kwetsbare zone. Dat zou tevens aanzienlijke extra monitoringinspanningen vergen om deze uitzondering te onderbouwen. Sinds het genoemde rapport zijn er geen nieuwe inzichten die aanleiding geven tot een heroverweging.
Onder welk wettelijk kader/regelgeving gaan de generieke maatregelen vallen, voortvloeiend uit het 7e AP en de derogatiebeschikking?
De maatregelen worden geïmplementeerd op basis van de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer. Voor enkele maatregelen uit het addendum zal worden bezien of nieuw wettelijk instrumentarium benodigd is.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De gebrekkige antwoorden aangaande stikstof |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u aangeven hoe uw reactie bij het mondelinge vragenuur van 15 november 2022 «Ik zal de Wet natuurbescherming (Wnb) straks beoordelen. Dat doe ik vanuit mijn rol als bevoegd gezag» een antwoord is op de vraag «Alle sectoren moeten een evenredige bijdrage leveren. Ik heb twee vragen. Hoe kan het dat er een vergunningprocedure loopt voor Schiphol die méér stikstofuitstoot veroorzaakt in plaats van minder? Waarom maakt de Minister juist nu deze uitzondering?»?
Schiphol heeft een aanvraag voor een Wnb-vergunning ingediend voor haar activiteiten. Deze aanvraag moet nog op onderdelen, worden aangevuld. Als de aanvraag volledig is, zal ik die beoordelen, waarbij het toetsingskader wordt gevormd door de Wet natuurbescherming.
Kunt u alsnog de vraag beantwoorden waarom als alle sectoren, conform het regeerakkoord, een evenredige bijdrage moeten leveren aan de stikstofreductie Schiphol of de luchtvaartsector de stikstofuitstoot nog zou mogen laten groeien?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken dat alle sectoren, waar onder de luchtvaart, een evenredige bijdrage moeten leveren aan de stikstofreductie. Begin 2023 zal het kabinet sectorale NOx-emissiereductiedoelen vaststellen, onder andere voor de sector mobiliteit. Voor luchtvaart kiest het kabinet voor een aanpak waarmee geluidsoverlast en de uitstoot van onder meer stikstof en ultrafijnstof wordt verminderd. Er wordt een sectorbrede aanpak uitgewerkt gericht op een stapsgewijze reductie van de stikstofuitstoot door de luchtvaart. Schiphol heeft een plan uitgewerkt om de stikstofuitstoot te beperken, onder andere door de elektrificatie van de grondoperaties. Met de reductie van het aantal vliegtuigbewegingen naar 440.000 vliegtuigbewegingen waartoe het kabinet in juni 2022 heeft besloten, wordt een extra stap gezet in de beperking van die uitstoot. Hoewel het effect van dit kabinetsbesluit tot beperking van de maximumcapaciteit op Schiphol bijdraagt aan de reductie van stikstofemissies, is dat niet de primaire reden voor het nemen van dit besluit. Wel draagt het bij aan de noodzakelijke beperking van stikstofemissie door de luchtvaart.
Kunt u, indien Schiphol/de luchtvaart inderdaad niet evenredig met andere sectoren hoeft te reduceren, alsnog de vraag beantwoorden waarom Schiphol/de luchtvaart nu een uitzonderingspositie krijgt?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Ook de mobiliteitssector, waar de luchtvaart onder valt, moet een evenwichtige bijdrage leveren aan het oplossen van de stikstofopgave. Er is geen sprake van een uitzonderingspositie.
Kunt u aangeven hoe uw reactie bij datzelfde vragenuur «De Wnb toets ik in mijn rol als bevoegd gezag. Dat gebeurt zonder politiek of moreel oordeel over luchtvaart of wat dan ook. Zo hebben we dat geregeld in dit land» een antwoord is op de vraag «Iedereen in de coalitie wil gedwongen uitkoop voorkomen. Maar er ligt een gigantische opgave omdat we de natuur moeten beschermen. Waarom staat de Minister het dan toe dat een bedrijf als Schiphol mogelijk – het is niet zeker – aan vrijwillige opkoop doet als ze weet dat daardoor het aantal gedwongen opkopen toeneemt?»?
In de brief Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos1 die ik op 25 november jl. aan de Tweede Kamer heb gestuurd, is aangegeven dat de stikstofreductie door bronmaatregelen primair zal worden ingezet voor natuurherstel. Het is noodzakelijk om de natuur te herstellen door een forse reductie van stikstofuitstoot vanuit alle sectoren, daarbij rekening houdend met wat de sectoren kunnen dragen. Hierbij wordt er onder meer naar gestreefd om de stikstofdepositie zoveel mogelijk terug te brengen met onder andere een korte termijn aanpak gericht op het terugdringen van de uitstoot van piekbelasters. Tijdens een evaluatiemoment in najaar 2023 zal pas worden bepaald of gedwongen opkoop als instrument ingezet zal gaan worden.
Op dit moment is vergunningverlening aan economische en maatschappelijke ontwikkelingen slechts beperkt mogelijk. Door de huidige staat van de natuur en de grote overbelasting door stikstofdepositie, moeten er in veel gevallen mitigerende of compenserende maatregelen worden getroffen om significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden uit te kunnen sluiten. Salderen houdt in dat een initiatiefnemer de extra stikstofdepositie die zijn activiteit veroorzaakt vermindert of wegneemt. Dit kan door ervoor te zorgen dat een andere activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt stopt of de depositie van stikstof vermindert (extern salderen) of doordat de initiatiefnemer zelf binnen het project reductie van depositie realiseert (intern salderen). Het uitgangspunt bij vergunningverlening is dat de stikstofdepositie op beschermde natuur niet toeneemt.
Kunt u alsnog de vraag beantwoorden waarom, aangezien, conform het regeerakkoord, zo veel mogelijk wordt ingezet op vrijwilligheid, u zou toestaan dat een bedrijf als Schiphol boeren vrijwillig opkoopt, waardoor de hoeveelheid boeren die de overheid gedwongen zal moeten opkopen toeneemt?
In de door het kabinet in de brief van 25 november jl. beschreven aanpak van piekbelasters krijgen piekbelasters de keuze om te innoveren, te verplaatsen of vrijwillig te stoppen. Piekbelasters zullen volop ondersteund en gestimuleerd worden in manieren om de uitstoot van stikstof vrijwillig te reduceren tot (nagenoeg) nul. Onder meer door de aantrekkingskracht en tijdelijkheid van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties plus (LBV+) denk ik dat een fors aantal agrarische bedrijven bereid is om te stoppen, zodat de noodzakelijke reductie van de stikstofdepositie ten behoeve van natuurherstel kan worden gerealiseerd. Ik ben mij ervan bewust dat als deze inzet en aanpak onverhoopt onvoldoende resultaat oplevert, er geen andere mogelijkheid resteert dan een verplichtend instrumentarium in te zetten.
Tijdens een evaluatiemoment in najaar 2023 zal worden bepaald of de LVB+ de gewenste stikstofreductie zal opleveren en of gedwongen opkoop als instrument wordt ingezet.
Als een willekeurige initiatiefnemer bij de aanvraag van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling voegt met als mitigerende maatregel extern salderen met een daartoe opgekochte boerderij, en uit de passende beoordeling geconcludeerd kan worden dat het project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden, dan heb ik geen beleidsruimte om die vergunning te weigeren. Ik kan alleen beleid vaststellen over hoe een vergunning kan worden verkregen. Zo heb ik bepaald dat alleen extern gesaldeerd mag worden met daadwerkelijk gerealiseerde capaciteit, en dat 30% moet worden afgeroomd ten behoeve van de natuur.2 Op dit moment zijn nieuwe ontwikkelingen nog beperkt mogelijk, met name volgens het principe van salderen. Uit het onderzoeksrapport «Tussenbalans extern salderen met veehouderijen» van 8 juli 2022 (dat als bijlage is gevoegd bij de brief van 25 november jl.) blijkt dat de stikstofruimte waarmee gesaldeerd wordt grotendeels (meer dan 70%) binnen de agrarische sector blijft.
Om regie te houden op de inzet van stikstofruimte die beschikbaar komt bij extern salderen is het kabinet blijkens de Kamerbrief van 25 november voornemens om verdergaand te sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte, zolang dit nodig is in het kader van gebiedsprogramma’s. Op deze manier wordt voorkomen dat partijen vanuit verschillende opgaven en belangen met elkaar concurreren en houdt de overheid regie in het landelijk gebied. De komende maanden wordt samen met provincies en betrokken departementen gewerkt om te komen tot nieuwe en aangescherpte spelregels en die waar nodig in beleidsregels worden vastgelegd. Het kabinet zet daarnaast in op de registratie van alle vrijkomende ruimte en vrijvallende ruimte in een register, waarbij het doel is om stikstofruimte te registreren zodat deze op een later moment kan worden toebedeeld. Ik verwacht dat er op deze manier voldoende sturing gegeven wordt op de inzet van extern salderen als mitigerende maatregel.
Deelt u de lezing dat er slechts een beperkt aantal boeren vrijwillig is op te kopen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de lezing dat wanneer het Rijk minder boeren vrijwillig kan opkopen en nog altijd moet voldoen aan dezelfde stikstofreductie om de natuur te herstellen er vaker tot onvrijwillige opkoop moet worden overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 5 en 6.
Hoe komt u tot de stelling dat door het vrijwillig opkopen van boeren rondom de A12/A27 «het oplossen van het stikstofprobleem op vrijwillige basis niet moeilijker is geworden»?1
Zoals aangegeven bij vraag 4 is vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming op basis van salderen mogelijk. Uit de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen, die als bijlage is meegestuurd met de Kamerbrief van 25 november blijkt echter dat bij het grootste deel van de verleende vergunningen (nl. 70%) de gesaldeerde ruimte binnen de agrarische sector blijft.
In de hiervoor genoemde Kamerbrief van 25 november jl., heeft het kabinet aangegeven zich in te zetten op het met voorrang sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte om, zolang dit nodig is in het kader van gebiedsprogramma’s, steviger regie te houden op de inzet van stikstofruimte die beschikbaar komt bij extern salderen. De komende periode werkt het kabinet, samen met de provincies en betrokken sectoren, uit hoe dit in de praktijk zal worden vormgegeven, bijvoorbeeld via beleidsregels.
Waarom laat u zich zo klem zetten door een bedrijf als Schiphol, als de inzet conform het coalitieakkoord is gericht op zo veel mogelijk vrijwilligheid?
Ik herken mij niet in het beeld dat ik mij zou laten klem zetten door een bedrijf als Schiphol. Mijn voorgangster heeft als bevoegd gezag voor de natuurvergunning aangegeven dat Schiphol een natuurvergunning moet aanvragen en hiervoor een passende beoordeling moet uitvoeren4. Ik heb aan Schiphol aangegeven dat voor zover significant negatieve effecten niet zijn uit te sluiten als gevolg van het project, deze effecten moeten worden gemitigeerd voordat een vergunning kan worden verleend5.
Bij de beantwoording van vraag 1 heb ik aangegeven dat Schiphol een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming heeft ingediend voor haar activiteiten. Of deze vergunning kan worden verleend, is thans nog onderdeel van de behandelingsprocedure voor deze vergunningaanvraag. De aanvraag zal, zodra deze volledig is, objectief in het kader van de Wet natuurbescherming beoordeeld worden. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
Deelt u dat uw stelling «dat gebeurt zonder politiek of moreel oordeel over de luchtvaart» voorbij gaat aan de uiterst politieke consequenties die die opstelling heeft, namelijk dat dit impliciet een keuze is voor sneller en meer gedwongen opkoop?
Een natuurvergunning voor een activiteit kan alleen geweigerd worden als aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden als gevolg van deze activiteit niet kan worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming geeft hier verder geen beleidsruimte, behalve dat ik wel beleid kan hanteren ten aanzien van hoe een vergunning kan worden verleend. Zie bijvoorbeeld het beleid over extern salderen.6 Daarom heb ik aangegeven dat de toetsing gebeurt zonder politiek of moreel oordeel over de luchtvaart.
In mijn beantwoording op de vragen 4, 5 en 9 heb ik aangegeven extern salderen op dit moment tot de mogelijkheden behoort om een vergunning Wet natuurbescherming te kunnen verlenen voor een nieuwe of een gewijzigde activiteit. Dat geldt ook voor Schiphol.
In de antwoorden op vraag 5 en 6 ben ik reeds in gegaan op de aanpak van het kabinet ten aanzien van piekbelasters.
Kunt u aangeven waarom u tot twee keer toe antwoordde dat u de Wnb zal beoordelen/toetsen terwijl u niet de vraag werd gesteld of u wel of niet de Wnb zal toetsen?
Ik heb daarmee willen benadrukken dat ik gebonden ben aan het toetsingskader van de Wet natuurbescherming en dat ik niet vooruit kan lopen op de uitkomst van de beoordeling van de aanvraag voor een Wnb-vergunning.
Kunt u ervoor zorgen dat er in het vervolg fatsoenlijk en volledig antwoord op vragen die stikstofgerelateerd zijn wordt gegeven?
Ik beantwoord alle vragen altijd zo volledig mogelijk.
De gebrekkige antwoorden aangaande stikstof |
|
Leonie Vestering (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u aangeven waarom u bij het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte van 14 november 2022 in reactie op motie van het lid Van Esch stelt dat «het gewoon allemaal een beetje anders zit (...) middels de bouwvrijstelling is niets vergund»?1
In de genoemde motie werd gesteld dat dankzij de bouwvrijstelling projecten zijn vergund. Ik had in mijn antwoord moeten preciseren dat door de bouwvrijstelling projecten doorgang konden vinden waarvoor geen natuurvergunning is verleend, omdat deze alleen in de realisatiefase tot stikstofdepositie leidden en waarvoor ook om andere redenen dan stikstof geen natuurvergunning vereist was. Die projecten vielen dan buiten de vergunningplicht en werden dus als zodanig niet vergund.
Kunt u bevestigen dat er, dankzij de bouwvrijstelling allerlei projecten door mochten gaan die de overheden anders niet hadden mogen laten doorgaan/vergunnen gezien het feit dat u stelt dat er middels de bouwvrijstelling niets is vergund?
Het klopt dat er projecten doorgang konden vinden die zonder bouwvrijstelling mogelijk een natuurvergunning voor de realisatiefase hadden moeten aanvragen. Overigens zou bij sommige van die projecten na een voortoets van de gevolgen voor het aspect stikstof (via een berekening) alsnog geconcludeerd kunnen worden dat de projecten niet vergunningplichtig waren, vanwege het ontbreken van het risico van significante gevolgen.
Kunt u aangeven hoeveel projecten doorgang hebben gekregen dankzij de bouwvrijstelling die anders niet hadden mogen worden vergund, vanwege significante effecten? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te geven. Dit kan, ten eerste, niet omdat er geen totaaloverzicht of registratie van bouwprojecten in Nederland bestaat. Het is daarom niet mogelijk om inzicht te bieden in de stikstofemissies van geïnitieerde projecten.
Ten tweede bevatte de bouwvrijstelling een vrijstelling van rekenwerk. Dit hield in dat initiatiefnemers voor wat betreft stikstofdepositie die werd veroorzaakt door bouwwerkzaamheden in de realisatiefase van een project konden verwijzen naar de bouwvrijstelling bij de beoordeling of het project al dan niet significante gevolgen had voor Natura 2000-gebieden. Het is daarom niet te zeggen welke projecten wel of niet vergunningplichtig zouden zijn geweest.
Kunt u in kaart brengen hoeveel stikstofdepositie er door deze projecten, die zijn toegestaan op basis van de bouwvrijstelling, is en nog zal worden veroorzaakt? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 3.
In zijn algemeenheid is wel te zeggen dat de bijdrage van bouwactiviteiten aan de landelijke stikstofdeken niet groot is. Het beeld is dat het totaal van bouw en industrie samen zo’n 10% van de stikstofdeposities in Nederland veroorzaken (de deposities van de bouw worden niet als zodanig geregistreerd). Voor de bouw gaat het om stikstofdioxiden die vrijkomen bij verbrandingsprocessen in bouwmaterieel. Bouwmachines veroorzaken een kleine 3% van de landelijke emissies.
Gaat u de stikstofdepositie, die dankzij de bouwvrijstelling extra is en zal worden veroorzaakt maar die niet veroorzaakt had mogen worden vanwege de slechte staat van de natuur, alsnog compenseren? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen van de stikstofdepositie in de realisatiefase van projecten zijn in deze gevallen niet per activiteit beschouwd. Dat betekent niet automatisch dat die depositie niet veroorzaakt had mogen worden. Bij een voortoets had alsnog geconstateerd kunnen worden dat de activiteiten voor het aspect stikstof geen potentiële significante gevolgen zouden hebben. Het kabinet zet zich in om op korte termijn een forse daling van emissies te bewerkstelligen, en om op langere termijn een blijvend dalende lijn in te zetten. Ik verwijs u hiervoor naar de Kamerbrief van 25 november 2022 (Kamerstukken I 2022/23, 30 252, G).
Het getouwtrek met de provincie Overijssel over het legaliseren van PAS-melders |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het verschil van mening tussen het Rijk en de provincie Overijssel over de mogelijkheden om af te zien van handhaving van Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders?1
Ja.
Is de veronderstelling juist dat het primair de verantwoordelijkheid van het Rijk is dat PAS-knelgevallen die te goeder trouw gehandeld hebben zo snel mogelijk gelegaliseerd worden?
Ja, het kabinet voelt haar verantwoordelijkheid zwaar om de meldingen te legaliseren. In de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat het Rijk en de provincies hier samen zorg voor dragen. Hieruit volgt ook dat meldingen die voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in de Regeling natuurbescherming worden gelegaliseerd. Dit wordt gecontroleerd in de verificatie van het bevoegd gezag.
In hoeverre hebben provincies al daadwerkelijk beschikking over de 250 miljoen euro die door het Rijk uitgetrokken is voor het legaliseren van PAS-melders?
Op 15 juli jl. heeft het kabinet aangekondigd € 250 miljoen voor de provincies beschikbaar te stellen om maatwerk toe te passen en het legalisatieprogramma verder te versnellen. Provincies konden op basis van voorfinanciering vanaf dat moment al maatregelen nemen.
Als de maatregelen aan de criteria voldoen die ik in de brief van 4 augustus jl. aan de provincies uiteen heb gezet, is er zekerheid dat de provincies de kosten daarvoor vergoed krijgen. De regeling voor deze specifieke uitkering treedt begin 2023 in werking.
Gaat u in overleg met de provincie Overijssel over de mogelijkheden voor externe saldering in onderhavige gevallen, al dan niet als tijdelijke oplossing?
Ja, hierover ben ik met de provincie Overijssel in gesprek. Op 9 december jl. hebben de gedeputeerde staten van Overijssel een brief gestuurd over het invullen hiervan2. Zij geven daarbij aan dat voor het komend jaar ruimte is gevonden om bij het merendeel van de PAS-melders af te zien van handhaving. Die ruimte wordt gevonden door voor het jaar 2023 op provinciaal verpachte landbouwgronden een algeheel bemestingsverbod op te leggen. Hierdoor ontstaat een tijdelijke depositiereductie van stikstof, die als mitigerende maatregel wordt benut om waar mogelijk te kunnen afzien van handhaving.
In hoeverre wordt stikstofruimte vanuit de Maatregel Gerichte Aankoop en beëindiging veehouderijen nabij natuurgebieden in de landelijke stikstofbank opgenomen en kan deze door provincies uitgegeven worden, gelet op de natuurdoelstelling van de opkoopregeling? In hoeverre is er ruimte om deze stikstofruimte te bestemmen voor het legaliseren van PAS-melders? Gaat u dit zo nodig mogelijk maken?
De Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden (Rpav) – ook wel aangeduid met Maatregel Gerichte Aankoop – is in het legalisatieprogramma aangemerkt als bronmaatregel voor de legalisering van PAS-meldingen. De beschikbare stikstofruimte komt terecht in het Stikstofregistratiesysteem (SSRS). Hiervoor wordt binnenkort een wijziging van de Regeling natuurbescherming gepubliceerd. In het SSRS komt deze ruimte als eerste beschikbaar voor woningbouw en een aantal MIRT-projecten. De restruimte komt beschikbaar voor de legalisatie van PAS-melders.
Wat zijn de mogelijkheden voor gebruik van de ADC-toets (zijn er geen alternatieven, is er sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang en worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft) en compenserende maatregelen om PAS-knelgevallen die niet op andere wijze gelegaliseerd kunnen worden toch te legaliseren, gelet op de uitspraak van de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie dat eerbiediging van de grondrechten van betrokken ondernemingen gezien mag worden als dwingende reden van openbaar belang?2
De mogelijkheden voor het gebruik van een ADC-toets om PAS-melders te legaliseren zijn onderzocht en blijken zeer beperkt. De belangen van de PAS-melders kunnen juridisch gezien niet gezamenlijk worden beschouwd als één project. Daarom moet voor elke individuele PAS-melding worden aangetoond dat voor het deel van zijn activiteit waarvoor hij de melding deed geen alternatieven zijn en de inhoud van de melding per geval als groot openbaar belang kan worden aangeduid.
Verder moeten de compenserende maatregelen kunnen worden uitgevoerd voor het relevante habitattype en al zijn uitgevoerd op het moment dat gelegaliseerd wordt. In de praktijk zijn hier jaren voor nodig. Daar komt nog bij dat voor elk van de compensaties op een prioritair habitat een advies van de Europese Commissie nodig is. Zodoende is dit geen oplossing die binnen de deadline van het legalisatieprogramma perspectief kan bieden.
Acht u een concreet voorstel voor het landelijk creëren van stikstofruimte voor PAS-melders als opvolging van het rapport Remkes, zoals binnenkort naar de Kamer gestuurd zal worden, voldoende om handhavingsverzoeken af te wijzen en aankondigingen voor het opleggen van een dwangsom in te trekken?
De provincie Overijssel heeft aangegeven aan een mogelijkheid te hebben om te kunnen afzien van handhaving, zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht. Verder is de Kamer is op 25 november jl. geïnformeerd over de aanpak piekbelasters. De inzet daarbij is om snel een depositieverlaging te bewerkstelligen en deze waar mogelijk met prioriteit in te zetten voor het legaliseren van PAS-meldingen. Per casus moet worden beoordeeld of deze maatregel er ook voor kan zorgen dat handhaving kan worden afgewezen.
Welke mogelijkheden ziet u om lastige PAS-knelgevallen te helpen door op deze bedrijven met financiële steun innovatieve technieken en methoden voor emissiereductie toe te passen in combinatie met het realtime meten van de ammoniakemissie op basis van artikel 7ae van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet?
Samen met de provincies kijken we naar alle mogelijkheden om de PAS-meldingen te legaliseren. De provincies kunnen hiervoor ook het budget zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 voor gebruiken. Wanneer innovatie wordt gebruikt in vergunningverlening moet de depositiereductie juridisch geborgd zijn.
Welke mogelijkheden ziet u voor financiële ondersteuning van de PAS-knelgevallen die met een last onder dwangsom geconfronteerd dreigen te worden ten einde hen in staat te stellen zelf stikstofruimte op te kopen dan wel de dwangsom te betalen zolang legalisatie nog niet gerealiseerd is? Wat is er op grond van de staatssteunkaders wel/niet mogelijk?
Samen met de provincies onderzoek ik alle opties die er zijn om toch van handhaving af te zien en dat het niet nodig is om dwangsommen op te leggen. Zie ook het antwoord op vraag 4. Als dat onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden op het moment van onontkoombare handhaving en heeft daarvoor een schadeloket ingericht.4
Helaas komt niet alle schade voor vergoeding in aanmerking. Het Rijk moet zich hierbij houden aan de juridische kaders die gelden. Dat betekent ook dat er niet méér schade vergoed kan worden dan waarop juridisch aanspraak kan worden gemaakt. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een opgelegde dwangsom te vergoeden. Daarnaast speelt hierbij het risico dat een vergoeding moet worden terugbetaald, wanneer deze niet voldoet aan de juridische kaders. Het is daarom ook in het belang van de ondernemer dat zorgvuldig beoordeelt welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Is het mogelijk om de stikstofruimte die voor het vergunnen van infrastructurele projecten is opgekocht te gebruik voor het afwijzen van handhavingsverzoeken, zolang deze infrastructurele projecten nog niet gerealiseerd zijn en het legalisatieprogramma niet voor legalisatie heeft gezorgd?
Het kabinet onderschrijft dat het van belang is dat er meer mogelijkheden komen om te sturen op de ingebruikname van stikstofruimte. In de brief «voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos» van 25 november jl. staat dat het kabinet met bevoegd gezagen inzet op het met voorrang sturen op de gebruiksmogelijkheden van emissieruimte. Ook zet het kabinet in op het registreren van alle vrijkomende en vrijvallende ruimte om zo steviger regie te voeren op het uitgeven van deze ruimte aan prioritaire projecten.
In overeenkomsten die voor infrastructurele projecten van Rijk en provincies worden gesloten, is opgenomen voor welke projecten de verworven stikstofruimte wordt ingezet. Dat is nodig om de directe samenhang tussen saldogever en saldonemer te kunnen aantonen, waardoor deze ruimte kan worden gebruikt voor extern salderen. Dit betekent dat de verworven stikstofruimte niet met terugwerkende kracht voor andere doeleinden kan worden gebruikt.
Is de veronderstelling juist dat op basis van de Regeling natuurbescherming (artikel 2.8b) geen depositieruimte gereserveerd kan worden voor gemelde PAS-projecten die tussen 2009 en 2015 zijn gerealiseerd en waarbij overheden hebben aangegeven dat er geen natuurtoestemming nodig was? Bent u voornemens de regelgeving zo aan te passen dat dit wel mogelijk wordt?
Conform het amendement Bisschop c.s. (Kamerstuk 35 600, nr. 19) is artikel 1.13a in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering opgenomen. Het eerste artikel uit het amendement luidt: «Onze Minister draagt in het belang van de rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019.». Hiermee wordt gedoeld op de activiteiten die een melding hadden gedaan of waren vrijgesteld van de meldingsplicht (meldingsvrije activiteiten). Activiteiten van voor de PAS-periode zijn zodoende geen onderdeel van het legalisatieprogramma.
Kunt u garanderen dat voor PAS-knelgevallen die te goeder trouw gehandeld hebben linksom of rechtsom een oplossing gevonden wordt waardoor legalisering binnen handbereik is en deze bedrijven niet omvallen?
Het is een wettelijke opgave om alle PAS-meldingen die voldoen aan de verificatie van een oplossing te voorzien. Het kabinet voelt die verantwoordelijkheid zwaar en doet er alles aan om die oplossingen zo snel mogelijk te realiseren.
Vogelgehaktmolens in Flevoland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat de vele vogelgehaktmolens in Flevoland zorgen voor een massaslachting onder vogels, waaronder zeldzame roofvogels?1
Ja.
Wat gaat u doen om vogels tegen deze moordlustige vogelverdelgers te beschermen?
In de bestaande praktijk is onder andere toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig voor een windproject. Voor windturbines op land zijn de provincies daartoe het bevoegde gezag. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt onder andere gevraagd om een ecologische toets naar het effect op (populaties van) vogels en vleermuizen. Bij het afgeven van ontheffingen worden in voorkomende gevallen ook mitigerende maatregelen zoals een stilstandvoorziening bij bepaalde windturbines voorgeschreven.
In aanvulling op de geldende wet- en regelgeving werkt het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), TenneT, provincies, de windsector en natuurorganisaties aan een traject Natuurinclusieve Energietransitie Wind en Hoogspanning op Land (NIEWHOL). Hiermee willen we een juiste balans bereiken tussen de energiedoelstellingen en natuurbelangen. Daarin werken we aan gedragen maatwerkafspraken over het verminderen van vogel- en vleermuisslachtoffers bij windturbines en hoogspanningsverbindingen, maar er zijn ook afspraken gemaakt over onderzoek en monitoring. Eén van de afgesproken mitigerende maatregelen is dat initiatiefnemers van windprojecten stilstand toepassen op locaties op momenten van massale vogeltrek, op basis van een trekvogelvoorspellingsmodel, om aanvaringslachtoffers onder trekvogelsoorten te minimaliseren.
Bij een windmolenpark in Noorwegen (op het eiland Smøla) heeft een experiment plaatsgevonden met windturbines met één zwarte wiek. Uit dit experiment kwam naar voren dat deze maatregel het aantal vogelslachtoffers sterk heeft verminderd (70%). Of dit ook voor de Nederlandse situatie – windparken niet op een eiland, maar in zee en op het vaste land – en voor de in ons land voorkomende vogelsoorten een effectieve en wenselijke maatregel zou kunnen zijn, wordt de komende jaren onderzocht via een pilot in de Eemshaven, waar het Rijk ook bij betrokken is. Binnen het onderzoek worden ook andere belangrijke aspecten van een zwarte wiek meegenomen, zoals effecten op de windturbine zelf, visuele verstoring en luchtvaartveiligheid. Ik heb Uw Kamer hierover in maart 2022 geïnformeerd naar aanleiding van de Eerste Kamer motie Berkhout c.s. (Kamerstuk 35 092, nr. 32). De provincie Groningen, die samen met RWE de opdrachtgever is van de praktijkproef, geeft aan dat het onderzoek is afgerond in 2024. Uw Kamer zal in het eerste kwartaal van 2023 geïnformeerd worden over de voortgang van deze proef naar aanleiding van de aangenomen motie Wassenberg over één gekleurd rotorblad bij windturbines op land (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1373).
Bent u bekend met de waarschuwingen, onder andere in de Tweede Kamer, dat windmolens na aanleg zouden zorgen voor een massaslachting onder zeldzame vogels? Zo ja, waarom zijn die waarschuwingen in de wind geslagen?2
Die informatie heeft mij bereikt. Een nieuw windpark wordt altijd op basis van de Wet natuurbescherming getoetst, hierbij zijn de provincies het bevoegde gezag. Afhankelijk van de natuurwaarden in de omgeving (bijvoorbeeld de aanwezigheid van zeldzame vogels) dient bij een (wind)project altijd rekening te worden gehouden met maatregelen om negatieve effecten op de natuur en landschap te beperken. Momenteel wordt er gekeken hoe de belangen van schone energie en biodiversiteitsherstel samen gerealiseerd kunnen worden om zo ook bij te dragen aan de klimaatopgave. Zoals ik u meldde in vraag 2, worden er in het traject NIEWHOL afspraken gemaakt om vogelsterfte tegen te gaan en loopt er momenteel een onderzoek naar de effecten van een zwarte wiek bij een windturbine.
Heeft u, in aanvulling op eerdere vragen waar we stilstonden bij de door windmolens aangetaste volksgezondheid, de bereidheid om de aanleg van nieuwe windmolens op land per direct stop te zetten?
Nee, de Minister voor Klimaat en Energie is hiertoe niet bereid. Ik verwijs u hierbij naar de eerdere beantwoording (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 967) en de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u bereid om het aantal windmolens drastisch te gaan verminderen door te kiezen voor andere vormen van energie, zoals zonnepanelen op daken van huizen en bedrijfspanden en door te kiezen voor kernenergie? Zo ja, hoe gaat u een en ander handen en voeten te geven?
Het kabinet zet zoveel mogelijk in op wind op zee, maar ook andere duurzame energiebronnen zijn nodig. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 35 TWh wordt opgewekt door middel van windturbines op land of grootschalig zon-PV. Uitsluitend inzetten op zon-PV (op dak) zorgt voor te grote schommelingen in het aanbod van energie omdat de zon lang niet altijd schijnt. Een balans tussen zon-PV en windenergie op land is daarom nodig om de klimaatdoelstellingen te behalen.
Het voorop stellen van het bedrijfsbelang van slachthuizen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u gelezen over de handhavingsrapporten die Stichting Animal Rights via een procedure in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) opvroeg, waarin ernstige overtredingen staan beschreven die hebben plaatsgevonden bij een slachthuis in Twello, waaronder het snijden in een dier dat nog bij bewustzijn was, het onderbrengen van kreupele dieren in een zodanig te klein hok dat liggen zonder vertrapt te worden onmogelijk was en het illegaal onverdoofd slachten van een dier?1
Ja.
Erkent u dat het feit dat deze ernstige overtredingen hebben plaatsgevonden terwijl er een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij stond te kijken, het ergste doen vermoeden voor het lot van dieren op momenten dat er geen toezichthouder naast staat?
Elk incident waarbij dierenwelzijn in het geding is, is er een te veel. Slachthuizen dragen hiervoor primair de verantwoordelijkheid. De NVWA houdt toezicht op het slachtproces. Dit houdt in dat de aandacht van de toezichthoudend dierenarts gericht wordt op de verschillende onderdelen van de bedrijfsvoering, waarbij de dierenarts niet op alle plekken tegelijkertijd aanwezig is. Er worden ook andere methoden om toezicht te houden ingezet, zoals cameratoezicht. Dierenartsen van de NVWA zien als het als hun opdracht en hun moreel gevoelde plicht om erop toe te zien dat het dierenwelzijn wordt gewaarborgd. In deze specifieke casus is door de toezichthoudend dierenarts ter plaatse handhavend opgetreden, wat heeft geresulteerd in een bestuurlijke boete aan de exploitant.
Wat vindt u van het verweer van de slachthuiseigenaar dat hij geen ruimte of tijd heeft om zieke en niet-transportwaardige dieren apart te huisvesten, waarmee hij duidelijk maakt dat hij niet van plan is zich aan de wettelijke voorschriften te gaan houden?
Ik vind dit niet acceptabel. Het slachthuis is wettelijk verplicht een procedure te hebben voor de beoordeling van dieren bij aankomst. Hierin staat ook beschreven wat voor maatregelen de exploitant neemt bij afwijkingen. Het betreffende slachthuis is hier onvoldoende serieus mee omgegaan en heeft niet direct die maatregelen genomen die nodig zijn om herhaling van de overtreding te voorkomen.
Waarom is dit slachthuis nog niet gesloten?
Momenteel vindt in dit slachthuis geen slacht plaats vanwege een brand in het voorjaar van 2022. Bij het hervatten van het slachtproces ziet de NVWA er strikt op toe dat aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan. Gezien het recente verleden van dit slachthuis vindt deze beoordeling plaats tegen het recent vernieuwde en zwaarste toezichtsregime, het verscherpte toezicht. De NVWA kan, als de situatie daar aanleiding toe geeft, de erkenning van het slachthuis schorsen of intrekken. Ik steun de ambitie van de NVWA die gericht is op strikte handhaving als de situatie daarom vraagt.
Zijn de eigenaar en de transporteur van de niet-transportwaardige, ofwel kreupele, dieren beboet? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de transporteur en de veehouder heeft de NVWA handhavend opgetreden conform het interventiebeleid. Er is een rapport van bevindingen opgemaakt voor de transporteur en een schriftelijke waarschuwing voor de veehouder. Dit rapport van bevindingen vormt de grondslag voor het opleggen van een bestuurlijke boete.
Hoeveel geiten en schapen worden er jaarlijks geslacht bij dit slachthuis? Hoeveel daarvan worden onverdoofd geslacht?
In de periode van 2018 tot en met 2021 zijn er variërend tussen de 73.265 en 135.560 dieren per jaar geslacht bij dit bedrijf. Daarvan zijn het jaar 2018 achthonderd dieren onbedwelmd geslacht, en in de jaren daaropvolgend zijn er in totaal nog vier dieren onbedwelmd geslacht.
Kunt u bevestigen dat bij dit slachthuis vaker (ernstige) overtredingen zijn vastgesteld?
Ja. Uit de inspectieresultaten van de NVWA blijkt dat de NVWA in de periode 2018 tot medio 2021 meerdere overtredingen heeft geconstateerd die geleid hebben tot interventies. De NVWA controleert, spreekt aan en geeft waar nodig aanwijzingen voor de bedrijfsvoering en handhaaft volgens het interventiebeleid.
Klopt het dat er jaarlijks meerdere schriftelijke waarschuwingen worden gegeven aan dit slachthuis vanwege overtredingen van hygiëneregels, maar dat dit nooit resulteert in boetes?
De NVWA handhaaft conform het interventiebeleid. Of een specifieke maatregel wordt opgelegd hangt af van de ernst van de overtreding, en het tijdsbestek waarbinnen een eventuele herhaling van deze overtreding optreedt. Daarnaast geldt dat niet iedere volgende overtreding op het gebied van hygiëne als een herhaling kan worden beschouwd, omdat een ander wetsartikel kan zijn overtreden. Het kan dus voorkomen dat er meerdere schriftelijke waarschuwingen worden opgelegd en deze niet automatisch, bij een andere overtreding, tot een bestuurlijke boete leiden. Zie verder het antwoord op vraag 4. Hier kan van worden afgeweken als bedrijven in korte tijd meerdere herhaalde overtredingen begaan en de voorgeschreven interventies onvoldoende zijn. Indien nodig schroomt de NVWA niet deze mogelijkheid in te zetten.
Herinnert u zich de undercoverbeelden uit dit slachthuis die vorig jaar naar buiten werden gebracht, waarop te zien was hoe dieren werden voortgedreven door hun staart omhoog te trekken of om te draaien en hoe angstige dieren die ontsnapten aan de slachters, werden getrapt en opnieuw moesten worden gevangen?2
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat er een handhavingsverzoek nodig was, gevolgd door een bezwaarprocedure, voordat er een boete werd opgelegd voor deze overtredingen?
In deze zaak is bij de heroverweging van het handhavingsverzoek in bezwaar gebleken dat er niet overeenkomstig het interventiebeleid is gehandhaafd. Dit heeft ertoe geleid dat in bezwaar de overtreding opnieuw is getoetst aan het interventiebeleid en er alsnog een bestuurlijke boete is opgelegd.
Vindt u dat een boete van 2.500 euro voor het bij bewustzijn villen van een geit in verhouding staat tot het leed dat dit dier is aangedaan? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, wat vindt u dan wel passend?
Ik kan me de roep om hoge boetes voor dit type overtredingen gevoelsmatig goed voorstellen. Ook al kan een boete achteraf, hoe hoog dan ook, nooit het leed wegnemen dat een dier is aangedaan. Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke punitieve sanctie, gericht op bestraffing door leedtoevoeging bij de dader. Bij het opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte ervan is de NVWA gebonden aan de wettelijke kaders, in dit geval het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, en aan de eisen van doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikwekkendheid. De regelgeving voorziet voor categorieën van beboetbare gedragingen in de hoogte van de op te leggen boete. Indien de ernst van een overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, kan in plaats van bestuurlijke handhaving worden gekozen voor strafrechtelijke vervolging. Uit de evaluatie van de Wet dieren uit 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1139) kwam naar voren dat het sanctiemaatregelenpakket van de Wet dieren op zich afdoende is. Uiteraard houd ik een vinger aan de pols. Zoals door mijn ambtsvoorganger aangekondigd, is dit jaar een aanvullend separaat onderzoek gestart naar de effecten van de bestuurlijke boetes onder Wet dieren. Ik verwacht het eindrapport binnenkort te ontvangen. Ik zal de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten, en mijn eventuele vervolgstappen.
Bent u nog steeds van mening dat consumenten moeten weten waar hun voedsel vandaan komt?
Ik ben van mening dat het belangrijk is om eerlijke informatie over voedsel aan de consument te geven. Ten aanzien van waar het voedsel vandaan komt is voor bepaalde voedselproducten het land van herkomst verplicht. Dit is geregeld in het Warenwetbesluit Informatie Levensmiddelen en is gebaseerd op de Europese verordening (EU) nr. 1169/2011. Daarnaast vind ik het belangrijk dat consumenten ook eenvoudig duurzame en gezonde voedselkeuzes kunnen maken. In de voedselbrief, die ik uw Kamer voor begin 2023 heb toegezegd, werk ik mijn inzet hiertoe uit.
Kunt u uitleggen waarom u in hoger beroep bent gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat de namen van 43 slachthuizen, waar in de afgelopen jaren overtredingen zijn geconstateerd, openbaar moeten worden gemaakt?3
In de onderliggende uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2021 is een aantal overwegingen opgenomen waar de NVWA, door het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak, duidelijkheid over wil krijgen van de hoogste bestuursrechtelijke instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Om die reden is hoger beroep ingesteld.
De gronden van het hoger beroep richtten zich onder meer op het al dan niet aanleveren van contextinformatie bij de openbaarmaking van inspectieresultaten, wel of geen onevenredige benadeling van slachthuizen door het publiceren van verouderde inspectieresultaten die zagen op inmiddels verbeterde – en daarmee niet meer bestaande – onregelmatigheden en het al dan niet meenemen van dierenrechtenactivisme bij de afweging om de namen van de slachthuizen openbaar te maken. Om deze vragen beantwoord te krijgen is ervoor gekozen om hoger beroep in te stellen.
Kunt u uitleggen waarom horecabedrijven die een onvoldoende halen bij NVWA-inspectieresultaten wel met naam- en adresgegevens op de NVWA-website worden gezet en slachthuizen niet?4
Vanaf 1 september 2020 publiceert de NVWA op haar website van alle in de horeca uitgevoerde inspecties de bevindingen met als doel een overzicht van de stand van de voedselveiligheid.5 De inspecties die zijn uitgevoerd zijn opgedeeld in drie categorieën, te weten: juiste omgang met voedsel, hygiëne en ongediertewering. Aan deze categorieën wordt een resultaat gehangen: voldoet, voldoet niet, geen inspectiegegevens bekend. De inspectieresultaten worden, met vermelding van de naam van de horecaonderneming, gepubliceerd. Er worden dus niet alleen onvoldoende resultaten gepubliceerd; ook voldoende resultaten worden bekendgemaakt.
Daarnaast publiceert de NVWA vanaf januari 2019 op haar website elk half jaar de inspectieresultaten van de roodvleesslachthuizen met permanent toezicht.6 Hierbij kan worden ingezien hoe alle roodvleesslachthuizen scoren op de thema’s diergezondheid, dierenwelzijn en voedselveiligheid. Per thema kan worden bekeken hoeveel schriftelijke waarschuwingen, niet vaststaande boetewaardige overtredingen en vaststaande boetewaardige overtredingen er geconstateerd dan wel opgelegd zijn. De 20 grote roodvlees-slachthuizen met permanent toezicht zijn goed voor 90 procent van de slacht in Nederland. Ook deze inspectieresultaten worden inclusief de naam van het betrokken slachthuis bekend gemaakt. Het betreft dus niet slechts geanonimiseerde inspectieresultaten.
Kan hieruit worden geconcludeerd dat u van mening bent dat iedereen moet weten waar zijn eten vandaan komt, maar niet als dit het bedrijfsbelang van slachthuizen schaadt?
Zie mijn antwoord op vraag 12.
Waar in de begroting voor 2023, of in welke beleidsnota, kan deze kanttekening worden teruglezen?
Zoals ik bij vraag 12 heb aangeven werk ik mijn inzet waarbij de consumenten eenvoudig duurzame en gezonde voedselkeuzes kunnen maken nog uit in de voedselbrief, die ik uw Kamer voor begin 2023 heb toegezegd.
Herinnert u zich dat u eerder stelde dat de consument «een plicht heeft om zelf te onderzoeken, zich te verdiepen, zelf kennis van zaken op mag doen» als het gaat om de dagelijkse realiteit voor dieren?5
In het plenaire debat over dieren in de veehouderij van 24 januari 2019 heeft mijn voorganger aangegeven dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een taak heeft om het dierenwelzijn te borgen maar daarnaast heeft de consument ook een plicht om zelf te onderzoeken, zich te verdiepen en zelf kennis van zaken op te doen. Ik wil de consument daarbij helpen zodat deze gezonde en duurzame voedselkeuzes, met aandacht voor dierenwelzijn en milieu, kan maken, zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Betekent dit dat een consument die aan zijn plicht wil voldoen om zelf te onderzoeken hoe het is gesteld met de dagelijkse realiteit voor dieren, zelf via een procedure in het kader van de Wet open overheid (Woo) alle inspectierapporten per slachthuis en per veehouderijlocatie moet gaan opvragen? Zo nee, hoe gaat u dit dan regelen?
Voedsel in Nederland is in het algemeen veilig. De verantwoordelijkheid voor een hygiënische productie van voedsel, voor de diergezondheid en voor het dierenwelzijn daarbij ligt primair bij de producerende bedrijven. De NVWA ziet hierop toe. Voor de transparantie van de inspectieresultaten van de roodvleesslachthuizen verwijs ik naar het antwoord op vraag 14. De consument mag op dit stelsel van voedselveiligheid vertrouwen, en heeft daarbij ook zelf een verantwoordelijkheid voor de aankoop, en het hygiënisch bewaren en bereiden van voedsel.
Kunt u deze vragen één voor één en vóór het debat over de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Boer Arjan moet verplicht zijn veestapel drastisch verkleinen; "Ze maken je helemaal kapot"' |
|
Thom van Campen (VVD), Derk Boswijk (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Boer Arjan moet verplicht zijn veestapel drastisch verkleinen; «Ze maken je helemaal kapot»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat boeren die te goeder trouw hebben gehandeld nu in een situatie terecht komen waarbij zij verplicht hun veestapel moet reduceren en anders een dwangsom moeten betalen?
Alle PAS-melders verkeren sinds de PAS-uitspraak in uiterst onzekere tijden. Voor een aantal PAS-melders in de provincie Overijssel is een zeer ernstige situatie ontstaan doordat de provincie zich genoodzaakt ziet om te handhaven. Dat vind ik verschrikkelijk.
Ik doe er samen met de provincie alles aan om deze PAS-melders in Overijssel te helpen. We zijn het wettelijk vastgestelde legalisatieprogramma met prioriteit aan het uitvoeren. De eerste ruimte is nu beschikbaar. Verder wordt voor provincies 250 miljoen euro beschikbaar gesteld om maatwerk toe te passen en het legalisatieprogramma verder te versnellen. Provincies kunnen op basis van voorfinanciering nu al maatregelen nemen. Als de maatregelen aan de geldende criteria voldoen, is er zekerheid dat de provincies de kosten daarvoor vergoed krijgen. De regeling voor deze specifieke uitkering treedt begin 2023 in werking. Ook wil ik bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zitten om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren. Voor de korte termijn doe ik in ieder geval alles wat nodig is om te bezien of nog van handhaving kan worden afgezien.
Als het afzien van handhaving onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden vanwege onontkoombare handhaving en richt daarvoor een schadeloket in. Dat geldt natuurlijk niet enkel voor Overijsselse PAS-melders, maar voor alle PAS-melders waar hiervan sprake is. De eerste uitgangspunten voor welke situaties mogelijk in aanmerking komen voor een schadevergoeding zijn op aanpakstikstof.nl nader toegelicht. Ik begrijp dat dit de onzekerheid van de mensen die het treft niet wegneemt, maar het kabinet spant zich tot het uiterste in om deze mensen niet te laten vallen.
Bent u voornemens deze situatie op te lossen? Zo ja, op welke manier en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 2.
Betrekt u bij de zoektocht naar een oplossing voor de PAS-melders ook de inzet van de aantoonbare en juridisch geborgde daling van ammoniakaanwendig bij bemesting wegens het voorgeschreven afbouwpad van derogatie op de Nitraatrichtlijn (zie ook de motie van het lid Van Campen c.s.)? Zo ja, wanneer stuurt u het voorstel hiertoe naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?2
In de aanstaande brief «Stand van zaken openstaande moties en toezeggingen op het gebied van stikstofbeleid» zal in worden gegaan op het bedoelde onderzoek die de motie Van Campen vraagt.
Hoe verklaart u dat de toezeggingen van de afgelopen jaren over het legaal houden van PAS-melders nog niet zijn waargemaakt (zie ook de motie van het lid Boswijk)? Denkt u dat het nu wel lukt om deze bedrijven legaal te houden? Zo ja, waarom kan het nu wel en een jaar geleden niet?3
Sinds een jaar geleden heeft het kabinet grote stappen gezet als het gaat om het legaliseren van de meldingen. Ten eerste is het legalisatieprogramma vastgesteld. Daarin staan de maatregelen die het Rijk neemt en die stikstofruimte voor het legalisatieprogramma leveren (Srv, MGA en Lbv). Afgelopen zomer is aangekondigd dat er voor de provincies € 250 mln. beschikbaar is gesteld om te versnellen en maatwerk te leveren. Ook de aanpak piekbelasters gaat een belangrijke rol spelen bij het legaliseren van de meldingen. Het kabinet is voornemens om de ondernemers met een PAS-melding zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden. Ook is voor enkele tientallen meldingen via intern salderen vastgesteld dat er sprake is van een legale situatie.
De interim-mers zijn geen onderdeel van het legalisatieprogramma, behalve PAS-melders met een interim-situatie. Voor interim-mers geldt dat zij deelnemen aan het gebiedsproces als die zijn gestart. Daar moet worden bepaald welke activiteiten op welke manier nog kunnen plaatsvinden.
Hoe verklaart u het dat de toezeggingen van de afgelopen jaren over het legaal houden van interimmers nog niet zijn waargemaakt (zie ook de motie van het lid Bisschop c.s.)? Denkt u dat het nu wel lukt om deze bedrijven legaal te houden? Zo ja, waarom kan het nu wel en een jaar geleden niet?4
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven waarom er nog geen plan van aanpak ligt voor het legaal houden van PAS-melders en interimmers en voor de opkoop van piekbelasters?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe realistisch is het dat het doel zoals wettelijk vastgelegd, om de noodzakelijke maatregelen voor het legaal houden van PAS-meldingen uiterlijk in februari 2025 uitgevoerd te hebben, gehaald wordt?
Het is een wettelijke opgave om de maatregelen tijdig uitgevoerd te hebben. Het Rijk en provincies spannen zich in om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden voor ondernemers met een PAS-melding over wanneer er gelegaliseerd kan worden. De Lbv en de Lbv+ zullen begin volgend jaar opengesteld worden zodat de effecten ruim voor de wettelijke termijn beschikbaar zijn.
Kan een noodwet een oplossing bieden voor het oplossen van dit probleem? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zou deze noodwet er volgens u uit moeten zien?
Om PAS-melders te kunnen voorzien van een vergunning die stand houdt bij de rechter, dienen er mitigerende maatregelen tegenover de mogelijk significante effecten te staan. Een noodwet lost dat probleem niet op. Een noodwet waarmee voorbij gegaan wordt aan de vergunningplicht of de beginselplicht tot handhaven is in strijd met de Europese regelgeving en zal dus geen stand houden voor een rechter.
Bent u bekend met de brief van het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel, waarin zij vragen om dringende hulp voor het oplossen van dit probleem? Kunt u in de beantwoording van deze vragen inhoudelijk reageren op de punten in deze brief?5
In de brief van provincie Overijssel roept de provincie Overijssel op maatregelen te nemen waarmee natuurherstel geborgd is en PAS-meldingen ook daadwerkelijk gelegaliseerd kunnen worden. In de Kamerbrieven van 25 november jl. heeft het kabinet een pakket maatregelen aangekondigd die ook helpen bij het legaliseren van meldingen (kenmerk 2022Z23249, Kamerstuk 34 682, nr. 105 en Kamerstuk 27 625, nr. 592). Daarnaast wordt opgeroepen om de ondernemers met een PAS-melding waarbij gehandhaafd moet worden financieel te ondersteunen. Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, geef ik hier invulling aan.
Wat vindt u ervan dat provincies nu in een positie zijn gekomen waarbij zij verplicht zijn om te dreigen met dwangsommen in de richting van PAS-melders en interimmers, terwijl zij hier zelf niet achter staan?
Voor een aantal PAS-melders in de provincie Overijssel is een zeer ernstige situatie ontstaan doordat de provincie zich genoodzaakt ziet om te handhaven. Dat vind ik verschrikkelijk. Daarom zijn we met grote urgentie aan het onderzoeken welke mogelijkheden er nog zijn om van handhaving af te kunnen zien. Vanwege de beginselplicht tot handhaving en de uitspraken van de rechtbank Overijssel, ziet de provincie geen mogelijkheden om anders te handelen dan nu wordt gedaan.
Is het een mogelijkheid dat de rijksoverheid deze dwangsommen betaalt? Waarom wel of niet?
Samen met de provincies onderzoek ik alle opties die er zijn om toch van handhaving af te zien en dat het niet nodig is om dwangsommen op te leggen. Als dat onverhoopt niet mogelijk is, is het voorstelbaar dat er sprake is van schade. Het kabinet zet zich maximaal in om de schade te vergoeden die PAS-melders ondervinden vanwege onontkoombare handhaving en heeft daarvoor een schadeloket ingericht. Helaas komt niet alle schade voor vergoeding in aanmerking. Het Rijk moet zich hierbij houden aan de juridische kaders die gelden. Dat betekent ook dat er niet méér schade vergoed kan worden dan waarop juridisch aanspraak kan worden gemaakt. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een opgelegde dwangsom te vergoeden. Omdat hierbij het risico bestaat dat deze moet worden terugbetaald, wanneer deze niet voldoet aan de juridische kaders. Het is daarom ook in het belang van de ondernemer dat het Rijk zorgvuldig beoordeelt welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Zijn er andere manieren waarop de provincie Overijssel kan afzien van het opleggen van dwangsommen aan de PAS-melders en interimmers?
Voor de korte termijn doe ik alles wat nodig is om te bezien of nog van handhaving kan worden afgezien. Het wettelijk vastgestelde legalisatieprogramma wordt met prioriteit uitgevoerd. Ook wil ik bezien wat de verschillen zijn tussen de provincies ten aanzien van extern salderen en overige beleidsregels en of hier nog mogelijkheden zitten om zo snel mogelijk PAS-melders te legaliseren.
Aan de landsadvocaat is gevraagd wat de mogelijkheden zijn voor de provincie Overijssel. Daaruit is helaas gebleken dat het heel moeilijk is voor de provincie om nog van handhaving af te zien. De beginselplicht tot handhaving is een streng uitgangspunt, waarop niet snel een uitzondering wordt aangenomen in de rechtspraak. Volgens vaste jurisprudentie kan onder andere van handhaven worden afgezien wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan moet worden afgezien. In het geval van de PAS-melders betekent dit dat voor het afzien van handhaving aannemelijk moet worden gemaakt dat aan het natuurbelang in het concrete geval geen zwaar gewicht hoeft te worden toegekend. Dat is aan de orde als met een ecologische onderbouwing kan worden aangetoond dat de stikstofdepositie slechts een zeer gering effect heeft op de natuur, of als maatregelen worden getroffen waarmee de stikstofdepositie van de PAS-melder wordt weggenomen. Gezien de staat van veel natuurgebieden zal dit moeilijk aangetoond kunnen worden. Als daar toch mogelijkheden blijven te zijn, dan worden die met grote urgentie uitgevoerd.
De zestien koeien die vermoedelijk zijn geëlektrocuteerd door een mestschuifsysteem |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat ging er door u heen toen u hoorde dat zestien koeien in een stal in Hooghalen zijn geëlektrocuteerd, vermoedelijk door een kortsluiting in het mestschuifsysteem?1
Verschrikkelijk. Het is niet te bevatten dat er 16 koeien geëlektrocuteerd zijn in de stal. Voor de andere koeien in de stal en voor de veehouder moet het een angstaanjagend moment zijn geweest.
Is er inmiddels meer duidelijk over de doodsoorzaak van deze dieren en de manier waarop dit heeft kunnen gebeuren?
Voor zover bekend zijn de 16 koeien geëlektrocuteerd en daardoor dood gegaan. Het onderzoek naar de oorzaak loopt nog. Een onderdeel van het onderzoek is het doormeten van de elektrische installatie. Zodra de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Zijn er meer gevallen bekend van kortsluiting in het mestschuifsysteem? Hoe vaak is dit eerder voorgekomen?
Voor zover mij bekend zijn er geen vergelijkbare gevallen.
Hoe groot is de kans dat zich dit vaker voor zal doen bij zogenaamde emissiearme stalvloeren met een mestschuifsysteem? Waar baseert u dat op en hoe beoordeelt u dat?
De kans dat een dergelijk triest incident vaker voor gaat komen acht ik niet groot.
Bij juiste fabricage, installatie en onderhoud van het mestschuifsysteem zal elektrocutie van koeien door kortsluiting niet op kunnen treden.
Erkent u dat dit systeem kennelijk levensgevaarlijk kan zijn, zowel voor dieren als voor veehouders?
In deze casus was mogelijk sprake van elektrocutie. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 loopt het onderzoek naar de exacte oorzaak nog. Zodra de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Gaat u een waarschuwing uitvaardigen voor veehouders met dezelfde emissiearme vloer en mestschuif over dit risico? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u deze veehouders adviseren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 loopt er nog onderzoek naar de oorzaak van het incident op het betreffende melkveebedrijf. Op dit moment zie ik geen reden om een waarschuwing uit te vaardigen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek bezie ik de situatie opnieuw.
In zijn algemeenheid geldt dat de website van Rijkswaterstaat/Infomil informatie geeft over emissiearme vloeren, zodat melkveehouders kunnen kijken of zij te maken hebben met een emissiearme vloer2. Bij alle type vloeren, zowel traditionele vloeren als bij emissiearme vloeren, kunnen risico’s voorkomen. Het is niet zo dat emissiearme technieken als zodanig onveilig zijn. Het is een complex geheel waarbij meerdere factoren een rol lijken te spelen.
Zoals in de brief van 14 december 2021 van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan uw Kamer (Kamerstuk 29 383, nr. 365) is aangegeven, is met stakeholders het vergroten van de veiligheid op het boerenerf besproken. Risico’s op het boerenerf worden onder andere in het voorlichtingsprogramma «Veilig en met plezier werken in de melkveehouderij» onder de aandacht gebracht3.
Kunnen veehouders subsidie of belastingvoordelen ontvangen voor deze emissiearme vloer en dit mestschuifsysteem? Zo ja, onder welke regelingen vallen die en hoeveel belastinggeld is reeds aan subsidies voor deze systemen uitgegeven?
Het is niet bekend welk type emissiearme vloer en mestschuif in de getroffen stal wordt toegepast.
Veehouders kunnen geen subsidie ontvangen voor emissiearme vloeren en mestschuifsystemen. Wel kunnen zij deelnemen aan de fiscale regelingen milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) als de stal het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) heeft behaald. Op korte termijn is niet te achterhalen hoeveel MDV-stallen een emissiearme vloer en mestschuifsysteem toepassen en hoeveel fiscaal voordeel aan die stallen is gegeven.
Kunt u bevestigen dat er gevallen zijn geweest waarin koeien uitglijden over gladde emissiearme stalvloeren, waarbij deze koeien soms ook vervroegd naar de slacht zijn afgevoerd?2
Het is bekend dat koeien kunnen uitglijden op gladde vloeren. Mij zijn geen precieze gegevens bekend over koeien die vervroegd naar de slacht zijn afgevoerd naar aanleiding van incidenten met gladde vloeren.
Herinnert u zich dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) concludeerde dat technische installaties in stallen extra brandveiligheidsrisico’s opleveren en dat zij het risico op het ontstaan en snelle uitbreiding van stalbranden vergroten met als gevolg dat meer dieren overlijden?3
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) benoemt in het rapport Stalbranden inderdaad dat technische installaties extra brandveiligheidsrisico’s opleveren en dat dit in toenemende mate een goed risicobewustzijn en veiligheidsmanagement vergt van de veehouder. Dit onderschrijf ik. Het incident laat ook zien dat het van belang is om maatregelen te nemen ten aanzien van het onderhoud van elektra en het verminderen van brandveiligheidsrisico’s. Voor de set aan maatregelen die ik hiervoor neem, zoals het drie- of vijfjaarlijks verplicht laten keuren van elektra- en zonnestroominstallatie en een jaarlijkse visuele keuring, verwijs ik naar mijn Kamerbrief van 8 oktober 2021 (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 7) en naar de informatie over de voortgang van de uitwerking van die aanpak op 6 juli 2022 (Kamerstuk 28 286, nr. 1261).
Kunt u bevestigen dat de Raad van State (RvS) heeft geoordeeld dat de stikstofreducerende werking van verschillende emissiearme stalvloeren onvoldoende zeker is?4
Ja. De Raad van State heeft recent over drie emissiearme stalsystemen geoordeeld dat met de toepassing van de Rav-emissiefactoren de emissie van ammoniak uit de betreffende stallen niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld in het kader van de toetsing aan de Wet natuurbescherming7. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Kamer op 25 november jl. geïnformeerd over hoe hier mee om te gaan (Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos, Kamerstuk 2022Z23249.
Bent u nog steeds van mening dat staltechnieken een oplossing zijn in de verschillende crises waarmee de veehouderij te kampen heeft (stikstof, klimaat, waterkwaliteit, dierenwelzijn en volksgezondheid)? Zo ja, waarom?
Ja. De toepassing van innovatieve emissiearme stalsystemen blijft onderdeel van mijn inzet op de verdere verduurzaming van de veehouderij en de opgaven die daarbinnen spelen. Daarbij is het van belang dat innovaties zowel technisch, juridisch, economisch als maatschappelijk werken. Indien een innovatie op een van deze vier aspecten niet goed werkt, zal de toepassing in de praktijk niet tot de gewenste effecten gaan leiden. Verder verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer van 25 november jl. (kenmerk 2022Z23250) waarin ik mijn inzet op innovatie en stalsystemen uit een heb gezet.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Stalbezettingen |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Hoeveel stalbezettingen, door activisten die tegen de veehouderij protesteren, hebben plaatsgevonden in 2022 (tot nu toe)?
In het jaar 2022 hebben er naar mijn weten géén stalbezettingen plaatsgevonden. De politie heeft aangegeven dat zij het aantal stalbezettingen niet uit de politiesystemen kan halen. Een stalbezetting is geen apart strafbaar feit en wordt dus niet op een eenduidige wijze geregistreerd.
Hoeveel stalbezettingen hebben plaatsgevonden in 2021?
In 2021 hebben er naar mijn weten géén stalbezettingen plaatsgevonden. De politie heeft aangegeven dat zij het aantal stalbezettingen niet uit de politiesystemen kan halen. Een stalbezetting is geen apart strafbaar feit en wordt dus niet op een eenduidige wijze geregistreerd.
Wel heeft een groep activisten van de Franse groepering «269 Libération Animale» in september van het jaar 2021 een kalverhouderij in Apeldoorn bezet waarbij een groep activisten zich in de slachterij hadden vastgeketend. Er zijn toen 84 verdachten aangehouden. Daarnaast zijn er in de laatste jaren meerdere (veelal) kleinschalige demonstraties geweest bij, met name, slachterijen en bij veehouderijen die met een stalbrand zijn geconfronteerd.
Het bericht dat Belgische vissers hun vergunning inleveren waarbij het lijkt gericht te zijn op het ontlopen van een rechtszaak |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Belgische garnalenvissers leveren vergunning in, Waddenvereniging wil rechtspraak»?1
Ja.
Klopt het dat Belgische garnalenvissers hun vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) hebben «ingeleverd»? Kunt u aangeven wat voor hen de reden was om dat, twee maanden voor het verlopen van de vergunning, te doen?
Het klopt dat de Belgische garnalenvissers hun Wnb-vergunning op eigen initiatief hebben laten intrekken.
De vertegenwoordiger van de betreffende vergunninghouders heeft aangegeven dat zij vanaf 25 oktober 2022 tot en met 31 december 2022 hoe dan ook geen gebruik meer zullen maken van deze vergunning. Dit terwijl het tot en met 31 december 2022 doorlopen van deze vergunning voor deze vergunninghouders zou betekenen dat zij het risico lopen, gelet op de lopende beroepszaak, aanzienlijke kosten te zullen moeten maken om als belanghebbende partij zich in rechte te (laten) vertegenwoordigen. De vertegenwoordiger heeft daarbij aangegeven dat dat de eventuele baten voor de vergunninghouders niet opwegen tegen de kosten.
Inmiddels is duidelijk dat de betreffende rechtbank, ondanks het intrekken van de vergunning, een procesbelang heeft aangenomen en 31 januari 2023 er op een daartoe door de rechtbank belegde zitting, een inhoudelijke behandeling van de beroepsschriften zal volgen.
Klopt het dat het de Belgische garnalenvissers vrijstaat om op 1 januari 2023 weer een nieuwe vergunning aan te vragen?
Ja.
Op welke manier gaat u bij het beoordelen van deze en andere vergunningaanvragen voor garnalenvisserij in natuurgebieden zogenaamde «geitenpaadjes» voorkomen zodat de natuur in navolging van de wet voldoende wordt beschermd?
De Minister voor Natuur en Stikstof beoordeelt de betreffende vergunningaanvragen vanuit de geldende wet- en regelgeving. Het is de vertegenwoordigers van de betreffende vissers helder welke dat zijn. Daarover zijn de betrokken ambtenaren al geruime tijd met hen in gesprek.
Bent u bereid om de nu ingediende, passende beoordeling voor garnalenvisserij van de Nederlandse garnalenvissers door een onafhankelijke partij te laten beoordelen? Zo ja, lukt dat u voor het commissiedebat Tuinbouw en Visserij aan de Kamer beschikbaar te stellen? Zo nee, waarom niet?
De Minister voor Natuur en Stikstof ziet geen aanleiding om dit te doen. Maar het staat belanghebbende partijen uiteraard altijd vrij om een dergelijke beoordeling aan te vragen en mee te nemen in hun zienswijze binnen de inspraak die de Minister voor Natuur en Stikstof daartoe biedt op ontwerpbesluiten op de voorliggende vergunningaanvragen.
Deelt u de mening dat er bij het aflopen van de huidige vergunningen voor garnalenvisserij op 31 december 2022 pas weer mag worden gevist vanaf het moment dat een definitieve vergunning is verleend?
De garnalensector is er te laat in geslaagd om volledige onderbouwde vergunningaanvragen in te dienen. Dit betekent logischerwijs dat er nog geen vergunningen per 1 januari 2023 gereed konden zijn. Aan de besluitvorming over de voorliggende aanvragen gaat immers onder andere een zorgvuldig inspraakproces vooraf (via de uniforme voorbereidingsprocedure).
De sector staat en stond voor de uitdaging om voor een kleine 200 vissers qua stikstof een deugdelijke berekening aan te leveren. Met het doorrekenen daarvan werden de concrete consequenties duidelijk voor de garnalensector. Hier opvolgend zijn de gesprekken gestart over de inzet van katalysatoren om de emissies en daarmee depositie op beschermde natuurwaarden aanzienlijk te beperken. LNV heeft besloten een deel van de aanschaf te subsidiëren en de sector heeft dit willen meenemen in haar vergunningaanvragen. Het ontwikkelen van deze subsidieregeling kostte ook enige tijd.
Er is daarom recent besloten tot een beperkte gedoogperiode onder strikte voorwaarden. De betreffende gedoogbeschikking is beschikbaar via https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen/doc/PUC_729744_17/2/
Er zijn specifieke redenen aanwezig om te kiezen voor een dergelijke beperkte gedoogperiode om de garnalensector de ruimte te geven over te schakelen op emissiereducerende maatregelen. De nadere inhoudelijke motivatie is opgenomen in de voorgenoemde gedoogbeschikking. In het kort: de sector krijgt met het gedurende negen maanden gedogen op de «stikstoftoets» de economische en praktische ruimte om deze transitie te maken. Immers: de sector moet ook de middelen genereren om deze verduurzaming te financieren en er is tijd nodig om de katalysatoren te laten installeren.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en in elk geval voor het commissiedebat Tuinbouw en Visserij beantwoorden?
De antwoorden worden voor het commissiedebat Tuinbouw en Visserij naar de Kamer verstuurd.
Bent u bekend met het project «Tilapiakweek in de Peel» van Stichting Aquacultuur Zuidoost-Nederland (Sazon)?
Ja.
Weet u hoeveel ton tilapia er middels dit project is gekweekt? In welke kwekerijen en hoeveel per kwekerij?
Het was geen eis van de FIOV (Financieringsinstrument voor de oriëntatie voor de Visserij)-subsidie dat er na afloop gerapporteerd moest worden hoeveel tilapia er tijdens de projectperiode is gekweekt. Hoeveel ton tilapia per kwekerij is gekweekt, is mij derhalve niet bekend.
Bent u bekend met het feit dat in de gebouwde kwekerijen men tijdens de projectperiode is overgeschakeld op de kweek van Afrikaanse meerval en dat op verzoek van een ambtenaar van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) dit toen «Claresse®» zou zijn gedoopt middels een aanvraag voor een nieuwe soort?
Tijdens de projectperiode «Duurzame kweek en verwerking van Tilapia in de Peel» is tijdens een controle in één van de 45 bakken meerval aangetroffen wat heeft geleid tot een subsidiekorting. Gedurende de rest van de projectperiode is er in de kwekerijen tilapia bij de kweek geen overtreding van de subsidievoorwaarden geconstateerd. Na de projectperiode heeft de kweker besloten over te gaan op de kweek van Claresse. Hiervoor is destijds door de kweker een ontheffing voor het tot productie houden van een nieuwe soort bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aangevraagd. Dit is niet op verzoek van een medewerker van het de RVO gebeurd.
Waarom moest deze meerval anders worden benaamd, hoewel er immers geen innerlijke of uiterlijke verschillen te vinden zijn? Of bent u van mening dat er wel innerlijke en uiterlijke verschillen zijn? Zo ja, kunt u deze dan benoemen en de onderbouwing hiervan aanleveren?
In 2009 was er nog onduidelijkheid of Claresse een meervalsoort is. Vanaf 2010 is in de rechterlijke uitspraken er echter steeds van uitgegaan dat Claresse een meervalsoort is. Dit is daarmee voor het Ministerie van LNV sindsdien geen punt van discussie meer. De Tweede Kamer is hierover op 22 november 2016 geïnformeerd in de beantwoording van Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 553).
In welke gemeenten zijn de kwekerijen in de aanvraag gevestigd gezien het feit dat het doel van de subsidie van € 1.059.323,48 was bepaald op het oprichten van vijf kwekerijen met een totale capaciteit van 3.000 ton tilapia vis op jaarbasis?
In totaal zijn er twee kwekerijen in de projectperiode opgericht, één in gemeente Helmond en één in gemeente Son en Breugel. De derde kwekerij is gerealiseerd na het einde van de projectperiode in de gemeente Son en Breugel. De Tweede Kamer is hierover op 27 oktober 2014 geïnformeerd per Kamerbrief (21 501–32, nr. 812).
Hoeveel geld is er daadwerkelijk van de Europese Unie (EU) ontvangen voor dit project gezien het feit dat de EU (mede)financier middels het FIOV/EVF-fonds was?
Het project is mede gefinancierd middels Europese middelen vanuit de FIOV regeling innovatieve aquacultuur. Tijdens een controle gedurende de projectperiode is gebleken dat in één kwekerij in één van de 45 bakken geen tilapia maar meerval werd gekweekt. Subsidie voor de kweek van meerval was bij deze Europese subsidieregeling expliciet uitgesloten. Dit heeft geleid tot een subsidiekorting van 1/45e deel. Het deel financiering vanuit Europese middelen voor dit project is in 2008 vastgesteld op € 1.059.323,48. Hier is bovengenoemde korting van afgetrokken. Verder heeft de Europese Commissie een correctie toegepast van € 1.002.246,00 voor de restwaarde van de op basis van de innovatiesubsidie uitgevoerde investeringen. Dit heeft plaatsgevonden in de bredere beoordeling van de einddeclaratie van het gehele toenmalige FIOV-programma door de Commissie. De beoordeling dat de restwaarde van investeringen van de EU-bijdrage moest worden afgetrokken, had daarbij betrekking op meerdere aquacultuur subsidieprojecten die middels de innovatieregeling van het FIOV-programma waren gefinancierd. U bent hierover op 27 oktober 2014 geïnformeerd per Kamerbrief (21 501–32, nr. 812).
Klopt het dat volgens onze informatie de EU-bijdrage uiteindelijk niet of gedeeltelijk is uitgekeerd omdat niet aan de projectvoorwaarden is voldaan? Zo ja, wat is er wel uitgekeerd en welke argumentatie is hiervoor aangeleverd? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn de provincie Noord-Brabant en de MRE/SRE (metropool regio Eindhoven/Samenwerking regio Eindhoven) op de hoogte gebracht van de korting van de EU gezien het feit dat zij ook financiers in dit project waren? Zo ja, heeft dat gevolgen gehad voor hun bijdrage(n) en zo nee, waarom is dat niet gecommuniceerd? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Bij de afsluiting van het FIOV werd de korting gebaseerd op meerdere aquacultuur subsidieprojecten die onder dit fonds zijn gefinancierd. Daarom was er geen aanleiding om specifieke medefinanciers van de FIOV korting op de hoogte te stellen.
Bent u bekend met het feit dat de tussenrapportages allemaal positieve resultaten lieten zien en er alleen bij de laatste tussenrapportage is gemeld dat het project was mislukt? Kunt u alle rapportages aan uw Kamer doen toekomen?
Voor een overzicht van de resultaten van het project Duurzame kweek en verwerking van Tilapia in de Peel verwijs ik u naar het eindrapport. Dit is reeds openbaar gemaakt bij het besluit over een WOB-verzoek daterende 9 maart 2011. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage. In het rapport wordt geconcludeerd dat meerdere doelstellingen zijn behaald, maar dat de marktdoelstelling, het afzetten van 3.000 ton duurzaam gekweekte tilapia per jaar, niet is gerealiseerd. U bent hierover geïnformeerd op 18 november 2008 per Aanhangsel van de Handelingen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 697). Dat niet alle resultaten zijn behaald is spijtig, maar niet ongebruikelijk bij projecten gericht op innovatie. Dit betekent echter niet dat het project daarmee is mislukt.
Klopt het dat volgens onze informatie is gevraagd om nog eens 1 miljoen euro extra om het project te redden en nog een derde kwekerij te bouwen? Is deze subsidie verstrekt, in welke gemeente is deze kwekerij gebouwd en welke capaciteit had deze? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Er is geen extra subsidie aangevraagd voor het bouwen van een derde kwekerij. Tijdens de projectprocedure is er gestart met de bouw van een derde kwekerij in de gemeente Son en Breugel, zie de beantwoording van vraag 5. De bouw van de derde kwekerij is afgerond buiten de projecttermijn. Alleen de kosten voor de derde kwekerij die vóór de einddatum van het project zijn gemaakt, zijn betrokken geweest in de vaststelling van het subsidiebedrag. U bent hierover op 6 oktober 2014 geïnformeerd per Kamerbrief (21 501–32, nr. 807).
Is onderzocht of de terugbetaling die het B-team heeft aanbevolen ongeoorloofde staatsteun zou zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de conclusie? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Het B-team is een interdepartementaal overleg dat advies geeft met betrekking tot het interpreteren van regelgeving. Het B-team doet geen aanbevelingen ten aanzien van terugbetaling van Europese subsidiemiddelen.
Waarom werd er een promotiesubsidie van € 345.045,- verstrekt voor de promotie van het merk Claresse®, nadat het project met de kweek van tilapia was mislukt en men overgeschakeld was op meerval, terwijl bij de aanvraag al bekend was dat Claresse® een merknaam was?
Dit betreft een subsidie uit het Europees Visserij Fonds (EVF) periode 2007–2013. Bij het EVF zijn er subsidieregelingen opengesteld die passen onder het communautair visserijbeleid, waarbij de aanvragen worden beoordeeld door een beoordelingscommissie. Bij deze beoordeling is door deze commissie aangegeven dat de subsidie niet aangewend mag worden voor promotie van een merknaam. Dit is een eis die voortvloeide uit de Verordening 1189/2006 inzake het EVF. Bij de vaststelling van de subsidie is er destijds gekeken of er sprake was van promotie van de merknaam Claresse. Dit was niet het geval. U bent hierover op 22 november 2016 geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017 nr. 553). Het subsidieproject betrof een onderzoek over marktverkenning en inventarisatie van consumentenbehoeftes ten aanzien van Nederlandse kweekvis.
Klopt het dat in de beoordeling van deze «promotie» subsidie stond dat er geen merknaam mocht worden gesubsidieerd? Waarom is deze subsidie dan toch uitgekeerd? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 12.
Is het u bekend hoe deze € 345.045,- is besteed? Is er een overzicht van projecten die met dit geld zijn gesubsidieerd? Kunt u de bijbehorende correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bekend met het feit dat later in rechtszaken werd beweerd dat bestaande meervalkwekers geen last hadden van de zogenaamde «tilapia» subsidie, wellicht om schadeclaims te vermijden?
De verzoeken tot nadeelcompensatie zijn in alle uitspraken van de rechtbanken afgewezen, omdat het causale verband tussen het subsidietraject en de omzetderving van de meevalkwekers niet aannemelijk is gemaakt.
Kunt u het onderzoeksrapport en de bijbehorende correspondentie, op basis van het onderzoek dat op verzoek van de Tweede Kamer door Wageningen University & Research (WUR) is uitgevoerd naar de eventuele marktbeïnvloeding via de opdracht «Waarom stoppen de meervalkwekers» wat later is omgezet naar «Waarom stoppen de viskwekers», aan de Kamer doen toekomen?1
Middels een WOB-verzoek van 19 juli 2018 is reeds verzocht om de originele onderzoeksopdrachten voor het onderzoek «Visteelt in Nederland, Analyse en aanzet tot actie» (LEI-rapport 2010–25). Bij het WOB-besluit van 25 september 2018 zijn in dat kader de onderzoeksopdrachten openbaar gemaakt. Ik doe u deze documenten toekomen in de bijlage. In 2021 is een nieuw WOB-verzoek ingediend door Jan Los Bedrijfsrecherche. In reactie hierop is aangegeven dat behoudens de twee eerder verstrekte onderzoeksopdrachten er geen andere documenten beschikbaar zijn die betrekking hebben op het LEI-onderzoek uit 2010.
Bent u bekend met het onderzoek van Jan Los Bedrijfsrecherche naar dit project dat op 14 juni 2021 onderzoek heeft gedaan? Zo ja, onderschrijft u de conclusies van dit onderzoek? Welke aanbevelingen neemt u over van het onderzoeksrapport?
Het onderzoeksrapport van Jan Los Bedrijfsrecherche is door de eisers ingebracht in het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen Wageningen Research van 25 augustus 2020. Het Ministerie van LNV is in deze rechtszaak geen partij geweest en dit onderzoek is mij derhalve niet bekend. Ik kan daarom geen uitspraak doen over de conclusies van dit rapport.
Is de verplichting tot terugbetaling door de RVO opgestart, waar in een uitspraak van de rechter vanuit wordt gegaan? Is dit gebeurd en zo nee, waarom is dit tot op heden nog niet gebeurd? Welke acties zijn er tot op heden wel ondernomen?2
In dit dossier is geen sprake van een verplichting tot terugbetaling. In de uitspraak van de Raad van State van 4 mei 2011 is eerder al het verzoek om de aan de stichting verstrekte subsidies terug te vorderen, afgewezen.
Bent u bereid om het gehele project door een onafhankelijke onderzoeker te laten onderzoeken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Sinds de afronding van het subsidieproject zijn er verscheidene rechtszaken gevoerd tot aan de Raad van State. In deze rechtszaken is voortdurend naar voren gekomen dat er rechtmatig is gehandeld. Op basis van de gelopen procedures en uitspraken, zie ik geen aanleiding om een nieuw onderzoek naar deze casus in te stellen.
Bent u bekend met het feit dat door deze subsidieverlening bijna alle bestaande meervalkwekers zijn weggeconcurreerd en dat van de 25 oorspronkelijke kwekers er meer dan 20 hebben moeten stoppen?
Ik ben ermee bekend dat een groot deel van de meervalkwekers is gestopt. In de uitspraak van de Raad van State van 12 maart 2014 is geconcludeerd dat er geen causaal verband is aangetoond tussen de omzetdaling van de meervalkwekers en de verstrekte subsidies voor het project «Duurzame kweek en verwerking van Tilapia in de Peel». Verscheidene factoren, zoals onder andere hoge productiekosten en de toenemende concurrentie vanuit het buitenland van bevroren vis hebben gezorgd voor een verlies aan afzetmarkt voor de Nederlandse meervalkwekers.
Bent u bereid tot een gesprek met de getroffen meervalkwekers?
Ik weet dat er bij de meervalkwekers sprake is van onvrede over de gang van zaken rondom de subsidieverlening. Dat betreur ik. In de afgelopen jaren zijn er meerdere rechtszaken gevoerd tot aan de Raad van State waarbij steeds is vastgesteld dat er rechtmatig is gehandeld. Een gesprek met de meervalkwekers zal dit niet veranderen.
Erkent u dat deze kwekers buiten hun schuld zwaar door de subsidieverleningen aan Sazon zijn gedupeerd, zoals dit ook door de rechter is vermeld en waarin wordt gesproken van een «onbedoeld neveneffect»? Zo ja, bent u bereid een schadeloosstelling beschikbaar te stellen voor deze kwekers?3
Uit de uitspraak van de Raad van State van 12 maart 2014 blijkt dat het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken (voorheen: Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) tot afwijzing van de nadeelcompensatie stand houdt. Nu de hoogste bestuursrechter heeft beslist dat een causaal verband tussen de subsidie en de omzetderving onvoldoende is aangetoond, zie ik geen grond om hier anders over te oordelen. Ik zal derhalve geen schadeloosstelling beschikbaar stellen.
Bent u bereid om bij de beoordeling van toekomstige subsidieprojecten altijd een onderdeel op te nemen waarbij de risico’s waardoor een project kan leiden tot marktverstoring worden benoemd met bijbehorende maatregelen om dit te voorkomen?
Subsidies worden enkel aan projecten verleend wanneer deze passen binnen de voorwaarden van de subsidieregeling. Met een subsidieregeling wordt marktverstoring reeds zoveel mogelijk voorkomen omdat een ieder onder gelijke voorwaarden en omstandigheden in aanmerking komt voor eenzelfde subsidie(bedrag).
Een illegale puppyfabriek in Eersel, waar het welzijn van honderden honden ernstig wordt geschaad. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Illegale horrorfokker in Eersel ontmaskerd met ruim 500 honden» en de undercoverbeelden die zijn gepubliceerd door House of Animals?1, 2
Ja.
Hoe omschrijft u de wijze waarop honden bij broodfokker en puppyfabriek Kwispel Enzo worden gehouden en gefokt, zoals is te zien op de undercoverbeelden?
De undercoverbeelden vind ik treurig om te zien. Dieren moeten op een goede verantwoorde wijze worden gefokt en gehouden.
Wat vindt u ervan dat op de beelden te zien is dat nodige veterinaire zorg aan zieke en gewonde honden wordt onthouden?
Dit vind ik niet acceptabel. Dieren moeten altijd een goede verzorging, medische zorg en voldoende aandacht krijgen.
Wat vindt u ervan dat een medewerker aangeeft dat honden elke zes maanden kunnen worden gedekt, terwijl honden wettelijk gezien maar eens per twaalf maanden een nest mogen krijgen?
De medewerker geeft aan dat het mogelijk is dat honden twee keer per jaar loops zijn en dan kunnen worden gedekt. Hoewel de medewerker niet zegt dat de honden daadwerkelijk twee keer per jaar worden gedekt, wordt de suggestie wel gewekt. Ik vind dat zorgwekkend.
Klopt het dat op de videobeelden meerdere wetsovertredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren te zien zijn, zoals het onthouden van nodige verzorging, het niet beschikken over voldoende bewegingsruimte, onvoldoende bescherming tegen gezondheidsrisico’s en het houden in een stressvolle omgeving?
De beelden zijn vergelijkbaar met de situatie die de NVWA heeft aangetroffen tijdens eerdere inspecties. De NVWA bekijkt of er uit de videobeelden nog andere wetsovertredingen blijken dan die al tijdens inspecties zijn vastgesteld. Tijdens die inspecties zijn overtredingen vastgesteld van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, zoals het onthouden van nodige verzorging en onvoldoende vloeroppervlakte in de hokken. Hier is door de NVWA op gehandhaafd middels het opleggen van lasten onder dwangsom en invorderingen van deze dwangsommen wanneer de houder niet (tijdig) heeft hersteld.
Wat vindt u ervan dat de honden in hun eigen ontlasting en urine liggen, dat hun drinkwater ernstig is vervuild en dat ze rauw vlees te eten krijgen dat volgens ooggetuigen in de hokken blijft liggen bij temperaturen tot boven de dertig graden?
Ik vind dit niet acceptabel. Houders van dieren moeten goed voor hun dieren zorgen. Het is een ernstige zaak wanneer je zelfs niet aan de basisbehoeften van dieren kunt voldoen.
Wat vindt u ervan dat er dode varkens open en bloot op het terrein van Kwipsel Enzo liggen?
Ik vind het niet acceptabel wanneer dode varkens open en bloot liggen. Wettelijk is het verplicht om kadavers op een deugdelijke manier af te dekken en aan te bieden aan Rendac. Kadavers mogen niet toegankelijk zijn voor vogels, knaagdieren, honden en katten. Dit is wettelijk vastgelegd in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Regeling dierlijke producten.
Klopt het dat deze fokker volgens het bestemmingsplan niet bedrijfsmatig honden mag fokken op deze locatie? Zo ja, waarom gebeurt dit dan toch en waarom is er nooit ingrepen?
De handhaving van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is een aangelegenheid van de betreffende gemeente Eersel. Op 16 november jongstleden heeft de rechtbank in Den Bosch besloten dat Kwispel enzo in Eersel moet stoppen, omdat het niet past in het bestemmingsplan.
Is u bekend hoeveel honden door Kwispel Enzo worden gehouden en hoeveel pups er jaarlijks worden verkocht? Zo nee, waarom niet?
Uit het registratiesysteem voor honden (I&R hond) blijkt dat in het jaar 2021 816 honden afgemeld zijn (verkocht) door het bedrijf van Kwispel Enzo. In 2022 tot op heden zijn 790 honden afgemeld (verkocht).
In I&R hond kan door de NVWA en RVO op elk moment een stallijst van een hondenfokker worden uitgedraaid. Op deze lijst staan alle honden die op dat moment bij het bedrijf aanwezig zijn. Er wordt geen onderscheid gemaakt in fokdieren, volwassen dieren en pups.
Hoeveel controles zijn door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de (dieren)politie uitgevoerd bij deze fokker in de afgelopen vijf jaar? Zijn er bij deze controles misstanden geconstateerd? Zo ja, welke?
De fokker is negen keer bezocht door de NVWA sinds 2018. Tijdens deze inspecties zijn diverse overtredingen vastgesteld van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze geconstateerde overtredingen verschilden per inspectie, maar er zijn ook terugkerende overtredingen. De voornaamste terugkerende overtredingen zijn slechte kwaliteit water, te weinig vloeroppervlakte in de hokken en voldoen aan fysieke en ethologische behoeften door het dier tijd door te laten brengen buiten een ruimte dan waar het dier wordt gehouden.
De politie heeft op verzoek van de NVWA in de afgelopen vijf jaar zes keer ondersteuning geboden, om de veiligheid van inspecteurs te garanderen, bij controles van dit hondenfokbedrijf.
De LID heeft de afgelopen vijf jaar geen controles uitgevoerd bij deze handelaar. Het betreft hier hondenhandel en volgens de afspraken worden de controles daarop uitgevoerd door de NVWA.
Is het juist dat de NVWA heeft aangegeven om onderzoek te doen om de fokker via het bestuursrecht en via het strafrecht aan te pakken, maar vooralsnog niet ingrijpt en eerst «een grondig dossier» wil opbouwen?3
Nee, de NVWA heeft de afgelopen jaren de nodige stappen gezet om te interveniëren. Zo heeft zij gehandhaafd door het opleggen van lasten onder dwangsom, waarbij dwangsommen zijn ingevorderd in die gevallen waarin niet (tijdig) herstel heeft plaatsgevonden. Deze herstelmaatregelen hebben evenwel niet geleid tot het gewenste resultaat bij deze fokker.
Eerder is een proces-verbaal opgemaakt voor overtredingen van deze fokker. In overleg met het Functioneel Parket is besloten om deze zaak niet verder te brengen in het strafrecht, gelet op de lange termijn waarop dit voor een strafrechter gebracht zou kunnen worden.
De NVWA heeft de bestuursrechter meermaals gevraagd om lopende procedures gevoegd te behandelen en de uitspraaktermijnen niet te verlengen en zo de zaken te versnellen. Dit heeft ervoor gezorgd dat de bestuursrechter in september jl. een oordeel heeft gegeven over een groot deel van de handhavingsmaatregelen die de NVWA in de afgelopen jaren heeft genomen. De NVWA is hierbij gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Omdat sprake is van veel verschillende overtredingen die door deze fokker moeten worden beëindigd en voor elke afzonderlijke overtreding voldoende bewijs en evenredige handhaving nodig is, zijn deze procedures tijdrovend in elke fase van het proces.
Vindt u het te billijken dat een overduidelijke en schandelijke misstand waarbij het welzijn van honderden honden, waaronder veel pups, ernstig wordt geschaad, ongehinderd door kan gaan, omdat de handhavende instantie «een grondig dossier» wil opbouwen? Waarom wordt dit dossier niet opgebouwd nadat de honden in veiligheid zijn gebracht?
Nee, maar dit is niet aan de orde (zie vraag 11).
Bent u bereid om, in samenwerking met de NVWA, deze foute fokkerij zo snel mogelijk permanent te sluiten en de honden weg te halen uit deze extreem onveilige omgeving? Zo nee, waarom niet?
Aan het weghalen van honden en aan het sluiten van bedrijven zijn stringente voorwaarden verbonden. Op verzoek van de IG wil ik samen met de NVWA onderzoeken of en hoe aan het bestaande handhavingsinstrumentarium bij dierenwelzijnsovertredingen door fokkers ook zwaardere interventies als schorsen en stilleggen van bedrijfsvoering kunnen worden toegevoegd. Zodat er een breed instrumentarium voor het toezicht beschikbaar is om bij misstanden bij een fokkerij een direct einde te maken aan een onveilige omgeving.
Daarbij betrek ik het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van mij zelf (Kamerdossier 35892). Dit wetsvoorstel breidt het toepassingsbereik van artikel 5.12 van de Wet dieren uit door toevoeging van «het welzijn van het dier» als reden om maatregelen te kunnen treffen. Wanneer het dierenwelzijn wordt geschaad – bijvoorbeeld door slechte verzorging – kan dan op grond van dat wetsartikel worden overgegaan tot geheel of gedeeltelijke sluiting van het bedrijf.
Dit wetsvoorstel maakt tevens mogelijk dat een verbod op het houden van dieren door de strafrechter als zelfstandige maatregel kan worden opgelegd. De maximale duur van deze maatregel bedraagt tien jaar. Indien sprake is van recidive, kan het zelfstandige dierenhoudverbod voor maximaal twintig jaar worden opgelegd. Dit geldt zowel voor particuliere als voor bedrijfsmatige houders van dieren.
In mei van dit jaar is dit wetsvoorstel door uw Kamer op de agenda voor plenaire behandeling geplaatst.
Tot die tijd blijft de NVWA maximaal handhaven binnen de huidige juridische mogelijkheden.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden binnen de termijn die daarvoor staat, maar in ieder geval ruim vóór de plenaire behandeling van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?
Zware mishandeling en wurging van katten in Gouda |
|
Dion Graus (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel inzake zware mishandeling en wurging van katten in Gouda?1
Ja.
Bent u bereid om een onderzoek in te laten stellen naar de dader(s)? Zo neen, waarom niet?
Het is niet aan de Minister om te besluiten over het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Nadat een melding over een dode kat de politie had bereikt, is een onderzoek gestart. Ik kan daar als Minister van Justitie en Veiligheid niet nader op ingaan.
Zijn de kadavertjes ter onderzoek van mogelijke dadersporen voorgelegd aan het Veterinair Forensisch Team? Zo neen, waarom niet?
Zoals u weet doe ik geen uitspraken over strafrechtelijke onderzoeken.
Gaat u het mogelijk maken dat dierenbeulen in de toekomst na opsporing en mogelijke arrestatie een zware gevangenisstraf, torenhoge boete en een levenslang verbod op het houden van dieren te wachten staat? Zo neen, waarom niet?
Dierenmishandeling en -verwaarlozing zijn een grove miskenning van de intrinsieke waarde van dieren. Vanwege de ernst van deze strafbare feiten en het belang van de bescherming van dierenwelzijn zijn dierenmishandeling en -verwaarlozing in de Wet dieren als misdrijf strafbaar gesteld. Ik vind het belangrijk dat personen die zich aan deze ernstige strafbare feiten schuldig maken, hier niet mee wegkomen maar worden vervolgd en berecht. Dierenmishandeling en -verwaarlozing kan op dit moment worden gestraft met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar of een geldboete van de vierde categorie (€ 22.500, artikelen 2.1, eerste lid, 2.2, achtste lid en 8.12, eerste lid, van de Wet Dieren). Indien deze misdrijven in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd (€ 90.000, artikel 8.12, zesde lid, van de Wet dieren). Dit zijn stevige strafmaxima die het mogelijk maken dat in gevallen van dierenmishandeling en -verwaarlozing een passende sanctie kan worden opgelegd. Daarnaast kan de rechter bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling een houdverbod als bijzondere voorwaarde opleggen.
Op dit moment is bij uw Kamer het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing aanhangig. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een verbod op het houden van dieren door de strafrechter als zelfstandige maatregel kan worden opgelegd. De maximale duur van deze maatregel bedraagt tien jaar. Indien sprake is van recidive, kan het zelfstandige dierenhoudverbod voor maximaal twintig jaar worden opgelegd. De wijzigingen in dat wetsvoorstel leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan het beschermen van dierenwelzijn en aan het voorkomen van nieuw dierenleed. Vrijheidsbeperkende maatregelen zoals een dierenhoudverbod dienen altijd proportioneel te zijn ten opzichte van de doelen die met die maatregel worden gediend. In dat licht acht ik een langere maximumduur van het houdverbod onwenselijk. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het bovengenoemde wetsvoorstel (Kamerstuk 35 892, nr.2.
Wat gaat u ondernemen om dit soort mishandelingen in de toekomst waar en indien mogelijk te voorkomen en te zorgen voor voldoende capaciteit bij de landelijke alarmcentrale 144 Red een Dier, de Dierenpolitie en het Veterinair Forensisch Team?
Dierenmishandeling en -verwaarlozing is verwerpelijk en het staat voor mij buiten kijf dat er handhavend moet worden opgetreden tegen alle gevallen van dierenmishandeling en -verwaarlozing. Ik vind het minstens zo belangrijk dat wordt ingezet op preventie en dat effectieve maatregelen worden ingezet om dierenmishandeling te voorkomen. Enkele maatregelen uit het wetsvoorstel dat ik in het antwoord op vraag 4 heb genoemd, zijn ook uitdrukkelijk bedoeld om bij te dragen aan het voorkomen van nieuwe gevallen van dierenmishandeling. In dit verband wijs ik bijvoorbeeld op het mogelijk maken van de oplegging van een zelfstandig dierenhoudverbod en de mogelijkheid om een educatieve maatregel op te leggen, waardoor houders worden gestimuleerd om op een verantwoorde wijze dieren te houden.
In de praktijk zien we dat 144 Red een Dier, de themahouders Dieren van de politie en de Landelijke Inspectie Dierenbescherming niet alleen in de handhaving, maar ook in het voorkomen van dierenmishandeling een cruciale rol spelen. In het algemeen kunnen alle opsporingsambtenaren, die bij deze instanties werkzaam zijn optreden tegen dierenmishandeling. Met deze capaciteit kunnen dierenwelzijnszaken naar mijn mening adequaat worden opgepakt. Er is niet gebleken dat er onvoldoende capaciteit is bij de genoemde instanties onvoldoende capaciteit beschikbaar zou zijn.