Het subsidiëren van de promotie van geitenzuivel en geitenvlees |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «WUR ruikt kansen met geitenvlees»?1 2 3
Ja.
Is het waar dat het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie opdracht heeft gegeven voor promotie voor eten van geitenvlees, omdat er jaarlijks 225 000 overtollige lammetjes geboren worden waar in Nederland geen markt voor is?
Nee.
Kunt u bevestigen dat de website www.geitenvlees.nl gefinancierd wordt door het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (POP) en financieel ondersteund wordt door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie? Zo ja, hoeveel geld is er vanuit beide partijen bijgedragen aan deze promotiewebsite?
De website (www.geitenvlees.com) maakt onderdeel uit van het Praktijknetwerk «Bokjes in de geitenhouderij en geitenvlees». De ondersteuningsaanvraag van het praktijknetwerk is goedgekeurd binnen de regeling Praktijknetwerken in de Veehouderij, openstellingsjaar 2008. Het doel van het praktijknetwerk is «zicht krijgen op economische haalbare oplossingen voor het vermarkten van vlees van bokjes uit de (biologische) geitenhouderij». Voor de uitvoering van het totale Praktijknetwerk is een definitief subsidiebedrag toegekend van € 19 970,00. Hiervan wordt 50% communautair gefinancierd en neemt EL&I eveneens 50% voor zijn rekening. De website is slechts een onderdeel van dit netwerk en is één van de manieren om de opgedane kennis te delen.
Is er in de afgelopen 10 jaar door de Nederlandse overheid en/of de Europese Unie financieel bijgedragen aan promotie van geitenzuivel? Zo ja, kunt u aangeven om welk bedrag dit gaat en waaraan dit geld besteed is?
Door de Nederlandse overheid is in de afgelopen 10 jaar niet financieel bijgedragen aan promotieprogramma’s voor zuivel(producten). De Europese Unie heeft in die periode wel financieel bijgedragen aan promotieprogramma’s voor zuivel. Aangezien het daarbij ging om zuivel in het algemeen, is niet bekend of, en zo ja hoeveel, geld specifiek aan geitenzuivel is besteed.
Deelt u de mening dat promotie van geitenzuivel het «overschot» aan boklammeren mede heeft veroorzaakt? Zo ja, hoe is het te verantwoorden dat eerst met subsidiegeld een vraag wordt gecreëerd naar zuivel, waarna met subsidie het vlees van het «overschot» aan mannelijke dieren wordt gepromoot?
Nee. Zoals onder voorgaande vragen al aangegeven, is er door EL&I geen subsidiegeld besteed aan de promotie van geitenzuivel.
Is het waar dat de lammetjes na de geboorte te zwak zijn om met veel dieren van andere bedrijven bij elkaar te leven, waardoor er veel preventieve antibiotica wordt toegediend om dit toch mogelijk te maken3, en hoe beoordeelt u dit, zowel vanuit het perspectief van dierenwelzijn als vanuit het perspectief van volksgezondheid?
Evenals in de melkveehouderij blijven in de melkgeitenhouderij een deel van de vrouwelijke jonge dieren en nagenoeg alle mannelijke jonge dieren over. In totaal produceert de melkgeitenhouderij jaarlijks meer dan 150 000 lammeren die niet nodig zijn voor de vervanging van melkgeiten en daarom worden afgemest en geslacht. Dit gebeurt hoofdzakelijk op speciale bokkenmesterijen. WUR-Livestock Research meldt in haar rapport 557, getiteld «Vooruit met de Geit», dat ziektedruk op bokkenmesterijen hoog is doordat op deze bedrijven dieren bij elkaar komen van diverse bedrijven. Vandaar dat het grootste deel van het gebruik van antibiotica in de geitenhouderij voor rekening komt van de bokkenmesterijen. Het rapport geeft diverse oplossingsrichtingen, zoals duurmelken, verhogen van de natuurlijke weerstand, vaccinatie en hygiënemaatregelen. Vanuit het perspectief van dierenwelzijn moet er gestreefd worden naar zo min mogelijk zieke dieren en moeten dieren die ziek zijn, behandeld kunnen worden.
Het genoemde rapport «Vooruit met de Geit» (www.duurzameveehouderij.nl), is een brede systeemanalyse van de geitenhouderij. Er is onderzocht wat er speelt in de geitenhouderij, hoe er over duurzaamheid gedacht wordt en wat de kansen en knelpunten zijn om te komen tot een integraal duurzame geitenhouderij: goed voor de geit, de geitenhouder, het milieu, de burger, de omwonende en de consument. Een dergelijke aanpak is ook in andere sectoren uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de rapporten Kracht van Koeien, Varkansen en recentelijk Konijnen op Koers. Het uiteindelijke resultaat van dergelijke trajecten zijn nieuwe innovatieve houderijsystemen.
Vanuit het perspectief van volksgezondheid is de beleidslijn wat betreft het voorschrijven en toedienen van antibiotica in deze sector niet anders dan in de overige sectoren. Voor alle sectoren geldt dat het antibioticumgebruik moet dalen. De Gezondheidsraad stelt in haar advies dat verschillende middelen voor preventief en systematisch gebruik bij dieren moeten worden uitgesloten. In de brief van 8 december 2010 (TK 29 683, nr. 65), staat onder andere dat de toepassing van antibiotica in groepen dieren zonder dat sprake is van klinisch zieke dieren niet meer wordt toegestaan. In de beantwoording van het Schriftelijk Overleg van 18 november 2011 (TK 28 286, nr. 536) zijn de minister van VWS en ik hier uitgebreid op ingegaan. Indien de diergezondheidssituatie maakt dat er structureel antibiotica ingezet moet worden, moeten er maatregelen genomen worden die er voor zorgen dat de kans op ziekte en daarmee de noodzaak tot inzetten van antibiotica zo klein mogelijk wordt. Het rapport van de WUR biedt hiertoe aanknopingspunten.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheden en categorieën antibiotica die in de geitensector gebruikt worden, en uiteenzetten of er sprake is van antibioticaresistentie in deze sector? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, op welke manier gaat u dit probleem voor de volksgezondheid aanpakken?
Op dit moment is er nog geen centraal zicht op het gebruik van antibiotica in de geitensector en is er geen inzicht in het gebruik van hoeveelheden en categorieën antibiotica. Ook over het voorkomen van resistentie in deze sector is geen informatie beschikbaar. Uit het rapport van WUR Livestock Research komt duidelijk naar voren dat het antibioticagebruik in de mesterij van geitenbokjes een aandachtpunt is. Gezien deze bevindingen zal er ook in de geitensector meer inzicht moeten komen in het gebruik van antibiotica. Ik verwacht van de geitensector dat deze net als de andere sectoren hierin zijn verantwoordelijkheid neemt en zal zorgen dat het gebruik inzichtelijk wordt en dat er tevens maatregelen genomen worden om de diergezondheidssituatie te verbeteren en het structurele gebruik uit te bannen.
De Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) heeft naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad het formularium voor geiten (zie http://wvab.knmvd.nl/wvab), een richtlijn voor het voorschrijven van antibiotica, aangepast en de derde keus middelen uit de richtlijn verwijderd. In het kwaliteitssysteem van de melkgeitensector, «KwaliGeit», is het werken volgens het formularium als eis opgenomen.
Tevens richt de KNMvD zich met haar kwaliteitsbeleid, zoals uiteengezet in de brief van 25 oktober 2011 (TK 29 683, nr. 106), op alle dierenartsen en daarmee ook op dierenartsen werkzaam in de geitensector. De verplichting een gevoeligheidsbepaling uit te voeren alvorens bepaalde kritische antibiotica kunnen worden ingezet, zal voor alle diersoorten gaan gelden.
Deelt u de mening dat er een dringende noodzaak is om de geitenhouderij te verduurzamen en dat verduurzaming van de geitensector niet moet worden gezocht in vergroting en/of intensivering van de sector?
Ik acht verduurzaming van alle veehouderijsectoren, waarbij ik geen onderscheid maak tussen intensieve of extensieve veehouderij, wenselijk. Het kabinet heeft in de Visie veehouderij (TK 28 973, nr. 85) duidelijk gemaakt dat de ketenpartijen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor de transitie naar een toekomstbestendige en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij.
De geitenhouderij is in de laatste 10 jaar gegroeid en ook de gemiddelde bedrijfsomvang is toegenomen. De laatste twee jaar groeit de geitensector echter niet. Op basis van de meest recente gegevens uit de I&R-database zijn er in Nederland overigens geen geitenbedrijven met meer dan 10 000 melkgeiten. De geitenhouderij heeft te maken heeft met meerdere uitdagingen als het gaat om het verduurzamen van de sector. Deze zijn in het rapport van WUR Livestock Research beschreven. De sector onderschrijft deze analyse en werkt aan een vervolg op dit traject.
Deelt u de mening dat er in de geitenhouderij, die het imago heeft van een extensieve veehouderij, grote misstanden aan de orde van de dag zijn; zoals het feit dat de geiten nooit buiten komen, het doodspuiten en destrueren van bokjes, het transporteren van levende lammetjes en karkassen naar Zuid-Europa en het overmatige preventieve gebruik van antibiotica en kunt u bevestigen dat de gemiddelde grootte van de geitenstallen de laatste jaren steeds verder toeneemt, waardoor er stallen zijn met 10 000 geiten? Zo ja, deelt u de mening dat de geitenhouderij onder de noemer «intensieve veehouderij» zou moeten vallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat een verdere intensivering van de geitensector niet de wenselijke weg is voor de Nederlandse geitenhouderij, mede gelet op de Q-koorts epidemie, die het leven kostte aan tientallen mensen, waardoor duizenden mensen (chronisch) ziek zijn geworden, en waardoor meer dan 50 000 geiten gedood zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om de verdere intensivering van de geitenhouderij tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de promotie van geitenvlees en geitenzuivel niet langer te financieren, en de Europese Commissie op te roepen ook vanuit EU gelden niet langer te subsidiëren?
Zoals al onder vraag 4 aangegeven, wordt de promotie van geitenvlees en geitenzuivel niet door EL&I gefinancierd. De huidige regeling richt zich niet specifiek op producten uit de geitenhouderij, maar sluit deze evenmin uit. Zoals ik in mijn reactie op het schriftelijk overleg over het Groenboek (aan uw Kamer gezonden op 27 september 2011) al heb aangegeven, zal ik er bij de Europese Commissie op aandringen om vooral te focussen op producten die duurzaam zijn geproduceerd. Daarbij wil ik geen sector uitsluiten van de mogelijkheid om gebruik te maken van communautaire cofinanciering.
Het afwijzen door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van een vergoeding voor deeltijd WW bij een paardenhouder die ter voorkoming van besmetting van andere paarden met de neurologische vorm van rhinopneumonie (EHV1 virus) zijn bedrijf heeft gesloten |
|
Henk van Gerven |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het feit dat het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aanvraag van manegebedrijf voor werktijdverkorting op basis van artikel 8 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 heeft afgewezen?1
Het ministerie van SZW heeft de aanvraag voor werktijdverkorting op basis van artikel 8 BBA getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Beleidsregels Ontheffing verbod van werktijdverkorting 2004. De toetsing heeft uitgewezen dat niet aan de voorwaarden voor het verlenen van ontheffing werd voldaan.
Is hier geen sprake van buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale bedrijfsrisico kunnen worden gerekend? Zo neen, waarom niet?
Er is geen sprake van buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale bedrijfsrisico kunnen worden gerekend. Het risico op het ontstaan van dierziekten is inherent aan het houden van dieren.
In dit geval wordt dit nog eens onderstreept door het feit dat de Sectorraad Paarden (SRP) in de Agenda Infectueuze Ziekten Paard heeft aangegeven dat rhinopneumonie endemisch aanwezig is in Europa en dat het virus jaarlijks wel ergens de kop opsteekt. De omvang blijft meestal beperkt. Het vóórkomen van rhinopneumonie wordt gezien als normaal bedrijfs- en/of ondernemersrisico. De Agenda is op 22 december 2011 aangeboden aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 29 683, nr. 100 en bijlage).
Is het niet merkwaardig dat alleen van de calamiteitenregeling gebruik kan worden gemaakt als de productie van een bedrijf door een overheidsmaatregel geheel of gedeeltelijk wordt stil gelegd?
De stelling dat alleen ontheffing van het verbod op werktijdverkorting kan worden gegeven als de productie van een bedrijf door een overheidsmaatregel geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd, is niet juist. Recentelijk is naar aanleiding van een incident met een sluis in het Twentekanaal ontheffing verleend.
In een aantal gevallen leiden overheidsmaatregelen er mede toe dat de bedrijvigheid in ondernemingen vermindert. Als van dergelijke overheidsmaatregelen sprake is, kan dat leiden tot het oordeel dat de vermindering van bedrijvigheid redelijkerwijs niet tot het normale ondernemersrisico kan worden gerekend. Als ook aan de overige voorwaarden van de regeling wordt voldaan, zal een ontheffing van het verbod op werktijdverkorting kunnen worden verleend. Daarbij kan men denken aan overheidsmaatregelen bij dierziekten die leiden tot een gehele of gedeeltelijke stillegging van de productie, de verwerking of het vervoer van al dan niet besmette dieren (MKZ-crisis en varkenspestcrisis). Een ander voorbeeld is de ontruiming van de Betuwe in 1995 wegens hoog water en het risico van dijkdoorbraak. De effecten van de calamiteit beperken zich dan niet tot een enkele onderneming, maar hebben een plaatselijke of regionale uitstraling.
Vindt u dat in dit geval dit bedrijf – dat bij het vermoeden op besmetting voorbeeldig heeft gehandeld door onmiddellijk hun activiteiten te staken en het bedrijf af te sluiten voor derden om verpreiding van het gevaarlijke virus onder paarden te voorkomen – alsnog in aanmerking dient te komen voor deeltijd-WW, gezien ook het advies en commentaar van de Gezondheidsdienst voor Dieren die spreekt van «voorbeeldgedrag»? Zo ja, welke stappen gaat u hiertoe ondernemen? Zo neen, waarom niet?2
Rhinopneumonie is een bedrijfsgebonden aandoening en verspreidt zich alleen via direct contact. Het virus is goed te beheersen door maatregelen te nemen op het individuele bedrijf, zoals in dit geval is gebeurd. Het betrokken bedrijf heeft goed gehandeld door dergelijke maatregelen te nemen. Dat neemt niet weg dat hier sprake is geweest van een normaal ondernemersrisico en dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van ontheffing van het verbod op werktijdverkorting.
De uitlating van de burgemeester van Almere over de dierenpolitie |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitlating van de burgemeester van Almere dat «de dierenpolitie, nee die komt er niet.»?1
Ja.
Klopt het dat de burgemeester deze uitlating gedaan heeft? Kunt u aangeven of de politie in Almere inderdaad weigert de dierenpolitie in te voeren? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen?
De burgemeester van Almere, tevens korpsbeheerder van het korps Flevoland, heeft naar eigen zeggen deze uitspraak niet op deze wijze gedaan. De korpsbeheerder van het korps Flevoland werkt mee aan de invoering van de dierenpolitie. Zij is echter van mening dat de dierenpolitie-taak moet worden vervuld door zogeheten «taakaccenthouders» en niet door agenten die volledig voor deze taak zijn vrijgesteld.
Zoals ik aan Uw Kamer heb bericht, behoren de medewerkers van de dierenpolitie 100% inzetbaar te zijn voor de aanpak van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Het betreft evenwel volwaardig opgeleide agenten, die indien mogelijk en nodig ook ingezet kunnen worden voor andere politietaken. Het korpsbeheerdersberaad heeft deze lijn als opdracht mijnerzijds aanvaard. Ik zal deze lijn nogmaals onder de aandacht brengen van de korpsbeheerder van Flevoland. Ik ga er van uit dat de korpsbeheerder van Flevoland de dierenpolitie inzet zoals hierboven omschreven.
Een meldplicht voor de nerveuze vorm van Rhinopneumonie bij paarden |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u een overzicht geven van de bij u bekende sterfte van paarden door de nerveuze vorm van Rhinopneumonie in 2012?1
Tot op heden zijn er drie bevestigde gevallen van de neurologische vorm van Rhinopneumonie in Nederland en één geval van abortus bij een paard. Het betreft bedrijven in Heumen, Berg en Dal, Woubrugge en Ede.
Is het waar dat deze infectie meer stal- dan streekgebonden is en dat het virus zich met name via rechtstreeks contact of over zeer korte afstand door de lucht verspreidt?
Ja, het virus verspreidt zich alleen via direct contact. Het virus is door het beperken van externe contacten goed binnen de grenzen van een houderij te houden.
Wat is uw mening over organisaties en bedrijven die de adviezen van de Sectorraad Paarden (SRP) en de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond (KNHS) naast zich neerleggen en toch evenementen met paarden organiseren?
Het ontvangen van vreemde paarden op een bedrijf of deelnemen aan een wedstrijd brengt altijd risico’s met zich mee. Wetende dat er op een aantal plaatsen in Nederland Rhinopneumonie is vastgesteld en dat er nog bij een aantal locaties onderzoek loopt is het niet verstandig paarden vanuit een verdachte of besmette locatie te ontvangen. Wedstrijden of evenementen organiseren waar paarden van deze locaties deelnemen vormt een risico voor de houderij en andere deelnemers aan het evenement.
Bent u bereid om een meldplicht in te stellen voor eigenaren en houders van paarden en dierenartsen als het vermoeden bestaat dat een paard lijdt aan de nerveuze vorm van Rhinopneumonie?
Ik denk dat het goed is dat paardenhouders elkaar via een centraal loket informeren over uitbraken, risico’s en te nemen maatregelen. Een dergelijk loket of helpdesk is voorzien in de sectoragenda infectieuze ziekten van 22 december 2011 (TK 29 683, nr. 110) en wordt op dit moment door de SRP in samenwerking met de paardendierenartsen opgericht. Hierbij zie ik geen rol voor de rijksoverheid weggelegd. De individuele houder in samenwerking met zijn dierenarts en sectororganisaties zijn heel goed in staat de ziekte te beheersen, zoals in de afgelopen jaren gebleken is bij eerdere uitbraken van Rhinopneumonie en zoals ook nu uit het optreden van de SRP en individuele houders blijkt. Een zwaar instrument als een wettelijke meld- en of bestrijdingsplicht is gereserveerd voor ziekten waarbij:
Wilt u bevorderen dat er door de sector zelf, na de diagnose nerveuze vorm van Rhinopneumonie, een onderzoek wordt gedaan naar de oorsprong van de infectie en de mogelijke contactrisico’s zodat een gericht advies gegeven kan worden om verdere verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen?
In de sectoragenda infectieuze ziekten is de inrichting van een helpdesk/gezondheidsloket voorzien. Hier zullen signalen en aanvullende informatie ten aanzien van contact structuren centraal binnenkomen. Deze signalen, die breder zijn dan alleen Rhinopneumonie, worden onder leiding van de SRP besproken en geanalyseerd op een gezondheidsoverleg. Aan het gezondheidsoverleg nemen deel de GD, de Rijksoverheid, de Faculteit Diergeneeskunde, het RIVM en het CVI. Indien nodig kan de SRP aanvullend onderzoek laten doen. Het gezondheidsoverleg adviseert de SRP in deze. De SRP neemt verantwoordelijkheid voor de communicatie en informatie naar de sector.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u de ontwikkelingen gevolgd rond de uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat paardeneigenaren zich zorgen maken over het virus, dat kan leiden tot luchtwegontsteking, maar in ernstiger varianten ook tot aantasting van het zenuwstelsel?
Ja.
Op welke wijze worden paardeneigenaren gewaarschuwd voor de risico’s op besmetting van hun dier met het Rhinopneumonievirus? Acht u dit voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanvullende acties zouden er volgens u ondernomen moeten worden om ervoor te zorgen dat paardeneigenaren voldoende op de hoogte zijn van relevante informatie?
Paardenhouders worden via diverse kanalen geïnformeerd over de risico’s van Rhinopneumonie. Veel dierenartsen besteden aandacht aan de ziekte op hun website en informeren houders met vragen over de ziekte. Ook via de website van de Sectorraad Paarden (SRP) en het Nationaal Hippisch Kenniscentrum (NHK) worden paardenhouders op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen en de preventie- en beheersmaatregelen die mensen kunnen nemen.
Daarnaast is in de sectoragenda infectieuze ziekten de inrichting van een helpdesk/gezondheidsloket voorzien. Hier zullen signalen en aanvullende informatie ten aanzien van contact structuren centraal binnenkomen. Deze signalen, die breder zijn dan alleen Rhinopneumonie, worden onder leiding van de SRP besproken en geanalyseerd op een gezondheidsoverleg. Aan het gezondheidsoverleg nemen deel de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), het ministerie van EL&I, de Faculteit Diergeneeskunde, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Veterinair Instituut (CVI). Indien nodig kan de SRP aanvullend onderzoek laten doen. Het gezondheidsoverleg adviseert de SRP in deze. De SRP neemt verantwoordelijkheid voor de communicatie en informatie naar de sector.
Deelt u de mening dat er in ieder geval een meldplicht zou moeten komen voor gevallen waarbij een besmettelijk virus als het Rhinopneumonie virus is geconstateerd, zodat er zicht komt op plekken die paardeneigenaren het beste kunnen mijden om het risico op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen hoe paardeneigenaren dan aan de informatie kunnen komen die ze nodig hebben om risico’s op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken?
Ik denk dat het goed is dat er een centraal meldpunt en communicatiekanaal komt voor gezondheidsproblemen en risicoplaatsen. Een dergelijk loket of helpdesk is voorzien in de sectoragenda infectieuze ziekten van 22 december 2011 (TK 29 683, nr. 110) en wordt op dit moment door de SRP in samenwerking met de paardendierenartsen opgericht. Hierbij zie ik geen rol voor de rijksoverheid weggelegd. De individuele houder in samenwerking met zijn dierenarts en sectororganisaties zijn heel goed in staat de ziekte te beheersen, zoals in de afgelopen jaren gebleken is bij eerdere uitbraken van Rhinopneumonie en zoals ook nu uit het optreden van de SRP en individuele houders blijkt. Een zwaar instrument als een wettelijke meld- en of bestrijdingsplicht is gereserveerd voor ziekten waarbij:
Hoe beoordeelt u het vervoer van paarden naar verzamelplekken zoals markten en wedstrijden wanneer een dergelijk virus rondwaart? Welke maatregelen acht u noodzakelijk om verspreiding van het virus te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet verstandig of verantwoord paarden te vervoeren naar verzamelplaatsen of evenementen wanneer paarden ziek zijn of wanneer men weet dat er op die locatie Rhinopneumonie uitgebroken is.
Iedere eigenaar is primair zelf verantwoordelijk voor de gezondheid van zijn paard. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de houder zich goed te laten informeren over de gezondheidsrisico’s met betrekking tot deelname aan een evenement. Desgewenst kan een eigenaar advies inwinnen bij zijn dierenarts.
De SRP ondersteunt eigenaren hierbij door uitbraken centraal te communiceren via de website van de SRP en eigenaren te adviseren over risico’s en preventiemaatregelen.
EHEC-besmetting bij herten |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Meerderheid Duitse herten besmet met EHEC bacterie», waaruit blijkt dat het overgrote deel van de Duitse herten en reeën besmet is met de EHEC bacterie?1
Ja. Deze constatering moet wel in het juiste perspectief worden geplaatst. De naam EHEC doet vermoeden dat de genoemde bacteriën ernstige ziekte bij de mens zouden kunnen veroorzaken zoals de EHEC die in Duitsland in het voorjaar van 2011 tot een grote uitbraak leidde. De daarvoor benodigde combinatie van eigenschappen was echter afwezig bij de bacteriën die bij het recente Duitse onderzoek bij herten en reeën zijn gevonden. Dit onderzoek spreekt dan ook over «Shiga-toxine producerende E.coli-bacteriën» (STEC) waarvan de meeste bacteriën geen of een veel minder ziekmakend vermogen hebben.
STEC bacteriën behoren tot de darmflora van veel gehouden en wilde diersoorten en worden ook aangetroffen in het milieu. Het is dus niet verwonderlijk dat er ook bij herten STEC bacteriën gevonden worden. Een klein deel van de STEC is wel in staat om mensen ziek te maken. Als er voldoende monsters worden onderzocht kunnen er daarom vaak wel enkele ziekteverwekkende STEC worden gevonden. Wild vormt daarop geen uitzondering.
Wordt het vlees van herten en reeën uit Duitsland ook in Nederland verhandeld? Zo ja, kunt u aangeven om welke hoeveelheden het gaat, en op welke wijze dit vlees gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van EHEC en andere pathogenen? Zo nee, waarop baseert u dit?
Ja, vlees van hert en ree uit Duitsland komt ook in Nederland op de markt.
Het is niet duidelijk om welke hoeveelheden het gaat. Het vlees wordt conform de geldende EU-regels in Duitsland door de officiële dierenarts onderzocht op mogelijke afwijkingen die het vlees ongeschikt maken voor menselijke consumptie. Als er bij dit onderzoek een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht. Wildvlees mag alleen nadat het is goedgekeurd op de Europese markt worden gebracht.
Kunt u aangeven op welke wijze de post mortem keuringen van geschoten dieren en hun vlees in Nederland plaatsvindt? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord ten aanzien van de eisen die hieraan gesteld worden en de garanties die deze keuringen bieden voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De keuring na het slachten (post-mortem keuring) van vrij wild vindt plaats conform de Europese hygiëneregels. Meer specifiek conform artikel 5 van Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004, houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong. In dit artikel worden de beginselen beschreven van de officiële controles van vers vlees, met inbegrip van vlees van vrij wild. Ten aanzien van de specifieke eisen verwijs ik naar bijlage I, sectie IV, hoofdstuk 8 van dezelfde verordening en het antwoord op de vragen 6 en 7.
Kunt u uiteenzetten of, en op welke wijze, keuringen van geschoten dieren en hun producten plaatsvinden, wanneer jagers deze dieren meenemen voor eigen consumptie of deze rechtstreeks aan particulieren, restaurants of poeliers leveren? Zo ja, kunt u hierbij ook uitleggen hoe de voedselveiligheid en de volksgezondheid worden gegarandeerd? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid te onderzoeken om te komen tot onafhankelijke keuringen waarbij álle (producten van) in het wild levende dieren worden gekeurd op de afwezigheid van pathogenen?
Productie van onbewerkte levensmiddelen voor eigen consumptie (zoals in het wild verzamelde bramen, paddenstoelen, maar ook geschoten wild) zijn uitgesloten van de reikwijdte van de Europese hygiëneregels. De consument heeft een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreft de veilige consumptie en bereiding van dit soort levensmiddelen en kan deze ook nemen, aangezien hij volledig op de hoogte is van de «productie» van dit soort levensmiddelen.
Ook de zogenaamde rechtstreekse leveringen vallen buiten de scope van de Europese hygiëneregels.
Deze vallen echter wel onder de Regeling Vleeskeuring (Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3655, houdende regels ter zake van vleeskeuring). In artikel 9 en 9a worden specifieke regels gesteld ten aanzien van rechtstreekse leveringen om de veiligheid van deze producten te waarborgen.
Worden door jagers voorzorgsmaatregelen getroffen (beschermende kleding, handschoenen, ontsmetting van transportmiddelen en honden e.d.) om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, bent u bereid dergelijke voorzorgsmaatregelen verplicht te stellen?
Om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen is een aantal zaken van belang, zoals het juist plaatsen van het schot, het hygiënisch ontweiden, gevolgd door transport en koeling. Iedere jager is verplicht een basisopleiding te volgen waarin onder meer een praktijkexamen schietvaardigheid is opgenomen.
Wild dat door jagers aan derden wordt geleverd moet zijn beoordeeld door een Gekwalificeerd Persoon (GP). Om wild ter plaatse aan een eerste onderzoek te kunnen onderwerpen moeten GP’s over voldoende kennis beschikken op het terrein van de pathologie van vrij wild, de productie en het hanteren van vrij wild en vlees van vrij wild.
In samenwerking met de NVWA wordt een opleiding verstrekt om jagers tot GP op te leiden. Daarin komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod:
Ik zie geen reden om extra voorzorgsmaatregelen vast te stellen.
Worden naar uw oordeel consumenten van vlees afkomstig van in het wild levende dieren voldoende beschermd tegen pathogenen, zoals EHEC, Salmonella, Campylobacter, Staphyloccus aureus, Clostridium perfringens, Listeria monocytogenes en Trichinella spiralis? Zo ja, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen en op welke termijn?
Vlees van wild kan, net zoals vlees van landbouwhuisdieren en andere levensmiddelen, besmet zijn met ziekteverwekkers.
Daarom moet ook het vlees van wild net als alle andere levensmiddelen, voordat het op de markt mag worden gebracht, aan de geldende Europese en nationale hygiëneregels voldoen. Hieronder valt onder andere een eerste beoordeling door de gekwalificeerde jager, de keuring door de officiële dierenarts en specifiek laboratoriumonderzoek zoals bijvoorbeeld het Trichinella-onderzoek bij wilde zwijnen. Als er bij de keuring een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht.
Daarnaast dient ook de consument van het vlees afkomstig van wild zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Hij dient eventuele (rest)risico’s te vermijden door kruisbesmetting in de keuken te voorkomen en het vlees goed te verhitten bij de bereiding.
Door bovenstaande maatregelen worden de voedselveiligheidsrisico’s in voldoende mate beheerst.
Kunt u aangeven welke risico’s het eten van met ziekmakende bacteriën en parasieten besmet vlees van geschoten dieren uit het wild meebrengt voor de consument? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uitleggen wie verantwoordelijk is voor de voedselveiligheid van producten afkomstig van in het wild levende dieren, en wie aansprakelijk is indien consumenten van die producten besmet raken met pathogenen, zoals EHEC, Trichinella spiralis e.d.? Zo ja, kunt u dit aangeven voor de hele keten van jager, (gekwalificeerde) keuringsinstantie, (veterinair) laboratorium, groothandel, restauranthouder/poelier, consument of overheid? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid van een levensmiddel berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf, dat het levensmiddel produceert of bewerkt. Dit geldt ook voor de productieketen van vlees afkomstig van wild. Bedrijven moeten zich aan de geldende wettelijke hygiëneregels houden. Ook hanteren ze zogenaamde hygiënecodes en/of private voedselveiligheidssystemen om zo veilig mogelijk te produceren. De NVWA houdt toezicht op de hele keten.
Voor wat betreft de aansprakelijkheid wil ik verwijzen naar de artikelen 6:185 en verder van het Burgerlijk wetboek, waarin de kaders zijn opgenomen omtrent aansprakelijkheid voor producten.
Deelt u de mening dat de EHEC-uitbraken van 2011 (en 2012) ernstig waren, en reden vormen om consumptie van met pathogenen besmette producten te voorkomen? Zo ja, bent u bereid de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden, nu blijkt dat dit vlees aangemerkt moet worden als een serieuze bron van besmetting met pathogenen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de EHEC uitbraak in 2011 in Duitsland was ernstig. Uitbraken van voedselgerelateerde ziekten kunnen een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Daarom is het nastreven en behouden van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid een van de fundamentele doelstellingen van de Europese levensmiddelenwetgeving. Het voorkomen van consumptie van gecontamineerde levensmiddelen speelt daarbij een belangrijke rol.
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 6 en 7 worden de (microbiologische) risico’s van levensmiddelen afkomstig van in het wild levende dieren net zoals bij vlees van landbouwhuisdieren in voldoende mate beheerst. Ik zie daarom geen aanleiding om de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden.
Een zoekgeraakte brief dierenasiel |
|
Henk van Gerven |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Hebt u een ontheffingsverzoek voor de huisvestigingseisen op grond het honden- en katten besluit 1999 van de Dierenbescherming Limburg ontvangen? Zo ja, op welke datum is dit verzoek ingediend en door u geregistreerd?1 Op welke gemeenten heeft dit verzoek betrekking?
Dit verzoek is op 27 januari 2012 geregistreerd bij het ministerie. Dit verzoek heeft geen betrekking op een gemeente maar op een dierenasiel gevestigd in Maastricht.
Is het waar, zoals Dierenbescherming Limburg stelt, dat dit verzoek bij u is «zoekgeraakt»? Zo ja, wat is de oorzaak daarvan?
Op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en het Honden- en kattenbesluit 1999 (hierna HKB) is geen termijn vastgesteld voor het reageren op een ontheffingsverzoek. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt in dat geval een redelijke termijn van acht weken. Het besluit is genomen binnen de daarvoor geldende termijn.
Overigens merk ik hierbij op dat het dierenasiel een overgangstermijn van 10 jaar heeft gehad om te voldoen aan de minimale welzijnseisen van HKB.
Is het u bekend dat door het zoekraken van dit verzoek er nog geen besluit is genomen, waardoor gemeenten in overtreding zijn en niet aan hun wettelijke plicht voldoen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het formeel en procedureel correct dat Dierenbescherming Limburg, namens een overheidsorgaan een ontheffingsverzoek kan indienen terwijl de wettelijke taak bij de gemeente zelf ligt?
Er is geen ontheffingsverzoek ingediend namens een overheidsorgaan. De plicht om te voldoen aan alle eisen van het KHB ligt bij de beheerder van het asiel, niet bij de gemeente.
De bouw van een megastal bij Vlagtwedde |
|
Rik Grashoff (GL), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het voornemen van de gemeente Vlagtwedde om toestemming te verlenen voor een melkveebedrijf van 1 000 melkkoeien, 800 stuks jongvee en een bouwblok van 10 hectare in Bourtange?1
Ja.
Hoe verhoudt deze omvang zich tot de door u eerder genoemde bovengrens van 300 grootvee eenheden?
Ik heb eerder aangegeven dat een zeer gering percentage van de bedrijven een grotere omvang heeft dan wat overeenkomt met een bedrijf waar één of twee gezinsinkomens uit behaald kunnen worden. Bestaande bedrijven die qua omvang daar boven zitten komen dus ook voor. Zoals ik in mijn visie veehouderij heb aangegeven, biedt het huidige ruimtelijke ordenings- en milieuinstrumentarium provincies en gemeenten de mogelijkheden te sturen op een goed woon- en leefklimaat.
In hoeverre is met een stal van dergelijke omvang nog sprake van een duurzame en maatschappelijk verantwoorde veehouderij, gelet op aspecten als leefomgeving en volksgezondheid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u met ons van mening dat de koe in de wei hoort, niet in de ligbox? Zo nee, waarom niet?
Weidegang is een belangrijk thema van de partners in de Duurzame Zuivelketen. FrieslandCampina en andere zuivelbedrijven hebben in 2011 mooie initiatieven met stimulerende maatregelen ontplooid om verreweg het grootste gedeelte van de Nederlandse melkkoeien tijdens de zomer-maanden in de wei te laten grazen. Het is aan de partners in de gehele keten om hieraan invulling te geven. In overleg met hen zal ik bezien hoe verdere voortgang kan worden geboekt.
Deelt u de mening dat na de gigastal in Grubbenvorst en bovengenoemde stal het moment daar is voor een noodwet, zoals u in het algemeen overleg Intensieve veehouderij heeft aangegeven te overwegen als er een spoor aan het ontstaan is van gigantische bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Vlagtwedde heeft bij brief van 13 maart 2007 de aanvrager bericht de vestiging van het nieuwe melkveebedrijf aan de Bourtangerweg te Vlagtwedde in beginsel aanvaardbaar te achten, dit onder voorbehoud van onder meer de te voeren planologische procedure, de op grond van de milieuwetgeving te stellen eisen, een goede landschappelijke inpassing en de instemming van het college van Gedeputeerde Staten.
De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijke ordeningsbeleid ligt primair bij de provincies en gemeenten.
Bij deze trend van grootschalige ontwikkeling zal ik op basis van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel ingrijpen en een grens stellen. Overigens zal ik er bij de betreffende provincie en gemeente op aandringen om geen onomkeerbare stappen te zetten tot het advies van de Gezondheidsraad gereed is.
Bent u bereid om de met de provincie Groningen in overleg te gaan om de aanleg van deze megastal te voorkomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u, omdat Provinciale Staten van Groningen op 7 maart a.s. spreken over het proces rond deze grootschalige melkveehouderij te Vlagtwedde, deze vragen uiterlijk op 5 maart 2012 beantwoorden?
Zie antwoord op vraag 6.
Het dumpen van kippenvlees in Afrika |
|
Arjan El Fassed (GL), Jeroen de Lange (PvdA) |
|
Knapen (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Afrikaanse kip wordt weggespeeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat lokale boeren in Afrika grote schade wordt aangedaan omdat zij de markt uit zijn en worden geprezen door het dumpen van goedkoop kippenvlees uit Europa en Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om dit tegen te gaan?
Gezien het gebrekkige concurrentievermogen van de lokale pluimveesector in veel Afrikaanse landen is het mogelijk dat de import van goedkoop kippenvlees uit Europa tot schade bij lokale producenten kan leiden. De vraag is of er sprake is oneerlijke concurrentie.
Uit het artikel blijkt dat in het geval van Ghana sprake is van een forse importstijging. Een deel van deze toegenomen import kan ook verklaard worden door hogere consumptie die gepaard gaat met de sterk toegenomen economische welvaart in Ghana (BBP stijging van 13,6% in 2011).
De regering is van mening dat ontwikkelingslanden in de eerste plaats zelf hun handelsbeleid moeten inzetten als goedkope import tot verstoring van de lokale markt leidt. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid van het betreffende land om bij een dergelijke beslissing de verschillende binnenlandse belangen van regering, consumenten, lokale boeren en regionale markten tegen elkaar af te wegen.
In de tweede plaats is het aan overheden van landbouwexporterende landen om handelsverstoringen te voorkomen door alle vormen van exportsteun af te schaffen en de negatieve handelseffecten van de interne steun voor eigen producenten tegen te gaan. Dit vormt de inzet van de multilaterale landbouwonderhandelingen in WTO-kader die als onderdeel van de Doha ronde helaas nog steeds niet zijn afgerond. Nederland is daarover overigens van mening dat de EU alle exportrestituties uiterlijk in 2013 uit moet faseren, los van de uitkomst van de Doha-ronde.
Ontwikkelingslanden hebben binnen de huidige WTO-regels de ruimte om de eigen markt af te schermen om ongewenste gevolgen van de import van bepaalde producten teniet te doen. In de eerste plaats kunnen zij de importtarieven optrekken tot het niveau waarop zij de importtarieven voor hun producten gebonden hebben in de WTO, maar in de praktijk vaak niet heffen. Ook beschikken ontwikkelingslanden over de mogelijkheid om additionele tarieven te heffen op gesubsidieerde importproducten om het eventuele subsidievoordeel te neutraliseren. Ten slotte beschikken zij over de mogelijkheid om vrijwaringsmaatregelen in de vorm van extra heffingen of zelfs kwantitatieve maatregelen te nemen indien er sprake is van reguliere invoer (geen subsidies en geen dumping) die toch onvoorziene schade aanbrengt aan nationale producenten. Er kunnen allerlei redenen zijn zowel van binnenlandse als buitenlandse politieke aard waarom geen gebruik wordt gemaakt van het genoemde instrumentarium.
Bent u van mening dat het dumpen van kippenvlees uit Europa en Nederland in Afrika de effectiviteit van uw beleid op het gebied van voedselzekerheid beperkt en/of te niet doet? Zo ja, hoe bent u voornemens deze incoherentie aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Het is in zijn algemeenheid niet te beantwoorden of de toegenomen import van kippenvlees uit de EU in een aantal Afrikaanse landen de effectiviteit van het voedselzekerheidsbeleid beperkt. Het beleid van de Nederlandse regering is gericht op het afschaffen van oneerlijke concurrentie als gevolg van gesubsidieerde landbouwexport en het creëren van beleidsruimte voor ontwikkelingslanden om adequaat te handelen ten opzichte van invoer van belangrijke voedselproducten waarbij de voedselzekerheid op het spel staat. Daarbij dient bedacht te worden dat tegenover mogelijke schade voor de lokale pluimveesector, een welvaartseffect en daadwerkelijk koopkrachtverbetering voor stedelijke consumenten kan staan, die door de betaalbare import van kippenvlees dit product goedkoper kunnen kopen dan wanneer het door de eigen markt zou zijn geproduceerd.
Zeker is dat de lokale landbouwsector in Afrika, onafhankelijk van goedkope import, gehinderd wordt door grote structurele problemen waaronder toegang tot de eigen markt. Via onze voedselzekerheidsagenda (TK 23 605, nr. 54) proberen we de concurrentiekracht van de landbouwsector te verbeteren. Dit laat onverlet dat overheden in ontwikkelingslanden via hun handelsbeleid zelf moeten inspelen op marktverstoringen als gevolg van goedkope import.
Wordt het dumpen van kippenvlees of andere vleesproducten uit Nederland of Europa nog steeds direct of indirect gesubsidieerd? Zo ja, op welke wijze wordt het gesubsidieerd, door wie, en wat is uw opvatting daaromtrent?
Op de export van vleesproducten vanuit de EU naar Afrika zit geen exportrestituties. Zoals eerder aangegeven in de Kabinetsreactie op de Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB)-voorstellen van de Europese Commissie (TK 28 625, nr. 137) en in onze brief inzake de Nederlandse inzet ten aanzien van het GLB en ontwikkelingssamenwerking (TK 28 625, nr. 135), zet Nederland in op ambitieuze hervorming van het GLB. Dat houdt onder andere in het vervangen van interne steun door doelgerichte, ontkoppelde betalingen om de handelsverstorende werking van het GLB nog verder terug te dringen, beperking van het markt- en prijsbeleid tot een vangnetniveau, en uitfaseren van de nog resterende exportrestituties per 2013, onafhankelijk van het verloop van de WTO-onderhandelingen.
Nederland hecht veel waarde aan de coherentie van het beleid voor ontwikkelingslanden en het GLB. Overigens is het GLB, mede door de Nederlandse inzet in de laatste decennia ingrijpend gewijzigd. Zo werd in 1990 circa 90% van de totale GLB-steun voor (handelsverstorend) markt- en prijsbeleid uitgegeven. Inmiddels is dat verminderd tot circa 10%. (TK 28 625, nr. 135). Met de voorziene volledige uitfasering van resterende exportrestituties in 2013, zal de handelsverstoring van het GLB nog verder verminderen. (TK 28 625, nr. 117).
De ergernis van veehouders aan het wisselend beleid van ziekenhuizen rond MRSA |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht « Veehouders ergeren zich aan wisselende beleid van ziekenhuizen rond MRSA»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat er geen uniform beleid is om humane besmettingen vanuit de veehouderij in ziekenhuizen te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te nemen om te komen tot een meer uniform beleid? Zo nee, waar baseert u dit op? Zo nee, waarom niet?
De Werkgroep Infectie Preventie (WIP) heeft richtlijnen opgesteld over de bestrijding van resistente bacteriën. De WIP is een samenwerkingsverband van medische professionals op het gebied van infectiepreventie en ziekenhuishygiëne (zie: www.wip.nl). Om onder andere overdracht van resistentie te voorkomen moeten alle ziekenhuizen zich aan de richtlijnen van de WIP houden. De WIP heeft een specifieke richtlijn opgesteld over de bestrijding van Meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in ziekenhuizen. Voor de bestrijding van bijzonder-resistente micro-organismen (BRMO), zoals bijvoorbeeld Extended Spectrum Bèta-Lactamase (ESBL)-producerende bacteriën, heeft de WIP de BRMO-richtlijn opgesteld. Een landelijk protocol bestaat dus al. De uitvoering van deze richtlijnen is de verantwoordelijkheid van de ziekenhuizen. Deze richtlijnen gelden als minimumnormen. Ziekenhuizen kunnen ervoor kiezen om een strenger (infectiepreventie)beleid te voeren als zij denken dat dit de kwaliteit van zorg ten goede komt.
Bent u bereid een landelijk protocol op te stellen voor een uniform preventiebeleid in ziekenhuizen ten aanzien van Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus (MRSA) en Extended Spectrum Bèta-Lactamase (ESBL)-producerende bacteriën? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe vaak MRSA c.q. ESBL-producerende bacteriën is vastgesteld bij veehouders en/of hun familie en/of hun personeel in de afgelopen 2 jaar? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Een recente studie laat zien dat 16 % van de mensen die wonen en/of werken op een vleeskalverbedrijf MRSA-positief zijn in de neus. Voor veehouders was dat 33%, voor medewerkers 26% en voor familieleden die alleen wonen op het bedrijf 8%.
Op varkensbedrijven was gemiddeld 14% van de mensen MRSA-positief en op vleeskuikenbedrijven gemiddeld 5.5%. Mensen die intensief contact hebben met levende dieren hebben over het algemeen een grotere kans om MRSA-positief te zijn dan mensen die alleen wonen op een bedrijf, maar geen contact met de dieren hebben.
Voor ESBL-producerende bacteriën zijn minder gegevens bekend. Op vleeskuikenbedrijven was 28% van de mensen positief voor ESBL-producerende bacteriën; voor andere soorten bedrijven (varkens, vleeskalveren) zijn op dit moment nog geen gegevens bekend.
Bent u bereid een landelijk meldpunt in te stellen voor ziekenhuizen waarin besmettingen met MRSA c.q. ESBL worden geregistreerd? Zo ja , op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Vrijwel ieder ziekenhuis in ons land heeft met een enige regelmaat te maken met besmettingen met MRSA en ESBL-producerende bacteriën. Het is de verantwoordelijkheid van de instelling om adequate maatregelen te treffen. De WIP geeft richtlijnen over hoe dit moet gebeuren. Mogelijke maatregelen zijn: het treffen van extra hygiënemaatregelen, verpleging in isolatie en het formeren van een beleidsteam binnen het ziekenhuis om adequaat te kunnen handelen. Door dit beleidsteam kan onder andere besloten worden tot een opnamestop.
Uitbraken van infectieziekten met mogelijke implicaties voor de publieke gezondheid kunnen worden opgespoord door systematische surveillance onder de humane populatie. Op het terrein van de surveillance van resistentie heeft het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) het Infectieziekten Surveillance Informatie Systeem-Antibiotica Resistentie (ISIS-AR). ISIS-AR is een door het CIb in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM) ontwikkelde applicatie waarbij van de aangesloten labs op een gestandaardiseerde manier data over resistentiepatronen van een selecte groep bacteriën worden onttrokken, en maandelijks worden geverifieerd en teruggekoppeld.
Daarnaast zal er vanaf het voorjaar van 2012 door het CIb een maandelijkse multidisciplinair signaleringsoverleg worden georganiseerd voor snelle signalering van en respons bij ziekenhuisinfecties en uitbraken van resistente micro-organismen. In dit overleg worden laagdrempelig vroege signalen uit het veld en uit de surveillance besproken, en na afstemming met betrokken experts, verspreid. Hierin zullen vanuit de ziekenhuizen artsen-microbioloog en adviseurs infectiepreventie vertegenwoordigd zijn.
Wanneer er sprake is van voortdurende verspreiding van (resistente) micro-organismen zal een responsteam bijeen worden geroepen ter ondersteuning van de intramurale instelling(en) waar dit probleem zich voordoet.
Worden kosten die gemoeid zijn met MRSA c.q. ESBL screening en behandeling in Nederlandse ziekenhuizen inmiddels in kaart gebracht? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang van deze kosten is, en kunt u specifiek zijn in uw beantwoording? Zo nee, bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Zoals ik al eerder heb aangeven2 zijn de kosten die gepaard gaan met de uitvoering van het «search and destroy» beleid afhankelijk van de uitvoering van dit beleid in de afzonderlijke ziekenhuizen. De kosten in verband met besmettingen met resistente bacteriën dienen uit de exploitatie van een ziekenhuis te worden gedekt.
Er zijn weinig exacte gegevens bekend over het aantal zieken en de directe en indirecte kosten geassocieerd met resistentie in Nederland. In een recente economische Nederlandse studie naar de kosten van screening naar MRSA, werd de screening als kostenbesparend geschat (Hubben et al, PLoS One 2011).
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 en 3 heb aangegeven zijn de MRSA-richtlijnen niet de enige preventieve maatregelen die ziekenhuizen moeten nemen. Zo zijn er ook de BRMO-richtlijnen waarin infectie(controle)maatregelen beschreven staan die van toepassing zijn bij bijzonder resistente micro-organismen.
Ik zie geen aanleiding deze kosten nader in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat een MRSA c.q. ESBL- vrijverklaring voor veehouders c.q. hun familie c.q. hun personeel praktisch niet haalbaar is, omdat de besmettingsomstandigheden per moment kunnen verschillen? Zo ja, bent u bereid dit met de veehouders te communiceren? Zo nee, waarom niet?
Het is de vraag hoe nuttig een vrijverklaring voor MRSA en ESBL-producerende bacteriën is. Het aantonen van MRSA is waarschijnlijk onderhevig aan schommelingen: een vrijverklaring is dus slechts een momentopname.
Bij ESBL-producerende bacteriën is het niet bekend hoe lang mensen drager zijn. Hierdoor is het niet in te schatten wat een vrijverklaring zou betekenen.
Een invoering van een eventuele vrijverklaring zou een aanpassing zijn van de nu geldende richtlijnen. De Gezondheidsraad heeft mij in september 2011 in het advies «Antibiotica in de veeteelt en resistente bacteriën bij mensen» geadviseerd om het huidige MRSA beleid te handhaven.
De bevalling van een koe op Schiphol |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Kalf overleden na «bevalling» met heftruck»?1
Ja.
Was hier sprake van een vroeggeboorte? Zo ja, waardoor is deze vroeggeboorte veroorzaakt? Hoe lang was de koe drachtig?
De verwachte draagtijd bij koeien is 280 dagen. Op grond van de aangeleverde inseminatielijst was de koe 247 dagen drachtig en was er sprake van een vroeggeboorte. Volgens schatting tijdens het sectieonderzoek was de koe ongeveer 259 dagen drachtig.
Hoeveel dagen mag een rund drachtig zijn om nog per vliegtuig getransporteerd te mogen worden? Welke sanctie staat op overtreding van de voorschriften terzake?
De Transportverordening stelt een limiet bij 90% van de verwachte draagtijd. De verwachte draagtijd bij koeien is 280 dagen. Dat betekent dat de grens bij 250 dagen ligt.
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om drachtige runderen te exporteren, terwijl in vrijwel heel Noordwest-Europa runderen besmet zijn met het Schmallenbergvirus? Zo nee, waarop baseert u dit? Zo ja, bent u bereid om met onmiddellijke ingang een exportverbod af te kondigen voor transport van drachtige runderen, schapen en geiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
In Noordwest-Europa en ook in Italië zijn bedrijven positief getest op het Schmallenbergvirus. Op basis van de tot nu toe beperkte economische impact van de ziekte en het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat het Schmallenbergvirus ziekte bij de mens veroorzaakt, heeft de Europese Commissie, samen met de EU-lidstaten, geoordeeld dat er op dit moment geen redenen zijn voor het introduceren van handelsbeperkingen. Ik onderschrijf deze beoordeling van de Europese Commissie en ben van mening dat een exportverbod voor drachtig vee een disproportionele maatregel zou zijn. Tevens is het risico dat het virus zich via deze drachtige dieren of hun kalf verder verspreid zeer gering.
Hoe vaak komt het voor dat dieren tijdens een internationaal transport van of via Nederland bevallen? Wat er met eventuele nakomelingen gebeurt?
Gelet op het aantal meldingen uit het buitenland ga ik ervan uit dat dit een incident is geweest.
Hoeveel dieren zijn in de afgelopen drie jaren in beslag genomen op Nederlandse luchthavens in gevallen waarin niet aan de transportrichtlijnen werd voldaan? Kunt u specificeren naar diersoort? Zo nee, waarom niet?
In de afgelopen drie jaar zijn er geen overtredingen van de Transportverordening geconstateerd die inbeslagname rechtvaardigden. Op basis van de Transportverordening zijn in deze periode dan ook geen dieren in beslag genomen op Nederlandse luchthavens.
Is bekend wat er met deze koe is gebeurd nadat ze door een dierenarts was behandeld?
De koe is door een praktiserende dierenarts onderzocht en behandeld. De dierenarts heeft een mondelinge diergeneeskundige verklaring afgegeven aan de NVWA dat de koe vervoerd mocht worden. Het dier is getransporteerd naar een Nederlands bedrijf om te herstellen. Helaas is de koe nadien onvoldoende hersteld gebleken en op 14 februari overleden.
Is het waar dat dit dier uit Duitsland afkomstig was en via Schiphol naar Qatar vervoerd zou worden? Werd er aan alle wettelijke voorwaarden met betrekking tot dierenwelzijn en het transport van dieren voldaan? Zo nee, waarom niet?
Is het waar dat het dier deel uitmaakte van een zending fokvaarzen? Wat is er met de andere dieren gebeurd? Zijn deze dieren nog gecontroleerd door een dierenarts voorafgaand aan het transport? Zijn ze op transport gegaan?
Voldeed de transporteur aan de voorwaarden? Zo ja, waarom was er geen dierenarts ter plaatse en waarom was er geen gekwalificeerde begeleiding?
Is bij het onderhavige transport op Schiphol gecontroleerd of aan alle voorwaarden voor diertransport en dierenwelzijn is voldaan? Zo ja op welke wijze en waarom is niet opgemerkt dat het dier hoogdrachtig was? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel fok- en slachtdieren zijn er de afgelopen tien jaar vanuit of via Nederland geëxporteerd worden? Kunt u specifiek zijn in de beantwoording: welke soort, welk doel, welke aantallen, land van herkomst, land van bestemming, via weg, water of lucht?
Alle internationale transporten van landbouwdieren vanuit Nederland worden gekeurd en gecertificeerd door de NVWA. In 2010 waren dit ruim 58 000 transporten (exclusief pluimvee), waaronder 48 000 voor varkens en 5 000 voor runderen (cijfers 2011 zijn nog niet beschikbaar). Daarnaast zijn in 2011 332 wegcontroles in Nederland uitgevoerd bij internationale diertransporten. Bij 36 controles werden tekortkomingen geconstateerd. 66% van de afwijkingen betrof het niet in orde zijn van de transportdocumenten. Bij 10% van de afwijkingen was het dierenwelzijn direct in het geding en in de overige gevallen betrof het afwijkingen aan het voertuig die niet in overeenstemming waren met de Transportverordening. Voor 36% van de geconstateerde overtredingen is een boeterapport opgemaakt en 20% van gevallen is een proces verbaal opgemaakt.
Over de bestemmingen van de exporten zijn geen gegevens verzameld.
Is de handhaving en controle op de Transportverordening naar uw oordeel voldoende om het dierenwelzijn te waarborgen? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, welke maatregelen wilt u treffen om dit te verbeteren?
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de doeltreffendheid van het toezicht op de naleving van de Transportverordening. Ik baseer mijn standpunt mede op de bevindingen en generale van het Food and Veterinary Office (FVO) die in 2010 een audit heeft uitgevoerd van het Nederlandse toezicht op de naleving van de Transportverordening.
Hoeveel controles heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het afgelopen jaar uitgevoerd bij internationale diertransporten? Hoeveel overtredingen zijn hierbij geconstateerd? Welke overtredingen waren dat en welke straffen zijn hiervoor opgelegd? Hoeveel procent van de transporten wordt gecontroleerd? Kunt u uw antwoord specificeren naar diersoort?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft het exportbedrijf of de eigenaar van deze runderen vaker dieren via Schiphol geexporteerd? Zo ja, zijn bij zendingen van deze afzender al eerder overtredingen geconstateerd? Zo ja, welke maatregelen zijn tegen dit bedrijf genomen en welke boetes zijn opgelegd?
Het exportbedrijf heeft vaker runderen via Schiphol geëxporteerd. Daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd.
Kunt u de Kamer informeren over de resultaten van het onderzoek dat de NVWA heeft ingesteld naar dit voorval zodra deze bekend zijn?
Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek leidt tot strafrechtelijke stappen zal ik de Kamer informeren over de resultaten van het onderzoek.
Nieuwe ophef rond het Nederlands Opvangcentrum Papagaaien (N.O.P.) |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat een medewerker van het Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) mogelijk betrokken is bij de illegale invoer van exotische vogels uit Suriname en daarbij vogels zou hebben mishandeld?1
De illegale invoer van beschermde exotische vogels uit Suriname is strafbaar. Voor dit specifieke geval verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 t/m 5.
Is het waar dat bij huiszoekingen bij de medewerker vogels, wapens en geld in beslag zijn genomen? Zo ja, hoeveel vogels van welke soort zijn in beslag genomen en waar zijn deze vogels vervolgens ondergebracht?
Op 1 februari 2012 heeft het Interregionaal Milieuteam Zuid West, met bijstand van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, in opdracht van het openbaar ministerie twee verdachten uit Rotterdam respectievelijk Spijkenisse aangehouden. Diezelfde dag zijn doorzoekingen verricht in woningen in Rotterdam en Spijkenisse. Ook werd een doorzoeking verricht in het Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) in Veldhoven, waar één van de verdachten als vrijwilliger werkzaam was. Bij de doorzoekingen zijn naast een aantal vogels (zeven twa twa’s en één kolibrie) geldbedragen en een vuurwapen in beslag genomen. In het belang van het strafrechtelijk onderzoek kunnen op dit moment geen verdere mededelingen worden gedaan.
Is u bekend of het N.O.P. een rol heeft gespeeld bij de illegale handel in exotische dieren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan in termen van strafrechtelijk onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de nieuwe ophef over het N.O.P. in het licht van het eerdere oordeel van uw ambtsvoorganger dat nader onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van het N.O.P. bij de illegale handel in dieren niet nodig was? Deelt u de mening dat dat oordeel moet worden herzien?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u alsnog bereid een nader (strafrechtelijk) onderzoek in te stellen naar de praktijken van het N.O.P.? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u een trend ontstaan nu de berichten over misstanden bij het N.O.P. zich opstapelen en er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de naleving van de wet- en regelgeving (welzijn en de Convention on International Trade in Endangered Species (CITES)) bij het N.O.P.? Zo ja, kunt u nauwkeurig aangeven waarom het toezicht op het N.O.P. heeft gefaald? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek naar de vrijwilliger in dienst van de N.O.P is op dit moment nog niet afgerond. Wanneer de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn zal ik, wanneer hier aanleiding toe is, de overeenkomsten met de N.O.P. opnieuw bekijken.
Is het N.O.P. nog steeds een contractpartner van u, wat betekent dat in beslag genomen dieren tegen betaling door u door hen worden opgevangen? Zo ja, vindt u het acceptabel dat u een contract heeft met een opvangcentrum waar eerder ophef is ontstaan over mogelijke betrokkenheid bij de illegale handel in dieren en laatst nog over de slechte verzorging van duizenden in beslag genomen knaagdieren?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke afspraken is het contract tussen Dienst Regelingen en N.O.P. precies gebaseerd en welke afspraken zijn er gemaakt voor de opzegging van het contract? Hoe wordt de naleving van de afspraken uit het contract gecontroleerd en welke sancties staan er op schending van de afspraken?
Vanwege de behoefte aan opslagcapaciteit is deze overheidsopdracht aanbesteed.
Jaarlijks wordt de N.O.P. gecontroleerd door zowel de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit als door Dienst Regelingen (DR). Indien blijkt dat de N.O.P. niet aan de eisen in de overeenkomst voldoet, zal een termijn worden gegeven om de tekortkomingen te herstellen. Door middel van een controlebezoek kan worden vastgesteld of de opvanglocatie weer aan de eisen voldoet. Indien blijkt dat niet aan de eisen wordt voldaan, kan de overeenkomst eenzijdig worden ontbonden.
Kunt u uiteenzetten welke vergoeding het N.O.P. van Dienst Regelingen ontvangt voor de opvang van in beslag genomen dieren en dit specificeren naar diersoort? Hoeveel heeft het N.O.P. de afgelopen vijf jaar op deze manier ontvangen van uw ministerie?
In de overeenkomst met de N.O.P. staan de bedragen die per dier per dag zijn afgesproken. Vanwege het feit dat bij aanbesteding steeds een aantal organisaties concurrerende aanbiedingen doen, zijn de overeengekomen bedragen aan te merken als commercieel gevoelige informatie. Gezien het voorgaande kan ik deze informatie niet openbaar maken.
Deelt u de mening dat het N.O.P. nauwelijks een betrouwbare partner genoemd kan worden voor de opvang van in beslag genomen dieren voor Dienst Regelingen? Zo nee, waarop baseert u de mening dat het N.O.P. het toonbeeld van betrouwbaarheid zou zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Is de samenwerking tussen Dienst Regelingen en het N.O.P. inmiddels tot nader order opgeschort? Zo nee, bent u bereid het contract met het N.O.P. zo spoedig mogelijk te verbreken?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uiteenzetten met welke opvangcentra u contracten heeft voor de opvang van in beslag genomen dieren en welke voorwaarden in die contracten zijn gesteld? Vindt u dat er voldoende betrouwbare opvangcentra beschikbaar zijn voor het opvangen van in beslag genomen dieren? Zo nee, hoe gaat u de capaciteit en/of de kwaliteit van opvangcentra vergroten?
De DR heeft overeenkomsten met zeven opvangadressen voor gezelschapsdieren. Deze adressen bestaan uit zowel asielen als dierenpensions. Daarnaast heeft DR met drie opvangadressen overeenkomsten afgesloten voor landbouwhuisdieren en paarden. Het gaat hierbij om particulieren en bedrijven. Er zijn met acht opvangadressen overeenkomsten afgesloten voor in- en uitheemse (beschermde) diersoorten. Het gaat hierbij om dierentuinen, vogelopvangcentra, reptielenopvangcentra en opvangcentra voor inheemse fauna.
In het bestek voor de aanbesteding voor de opvang zijn eisen neergelegd. Tijdens het aanbestedingstraject moet de schrijver zijn financiële en economische draagkracht aantonen en zijn technische bekwaamheid. Daarnaast worden specifieke eisen gesteld ten aanzien van dierenwelzijn, zoals het respecteren van de vijf vrijheden van Brambell, diervriendelijke omgang, kwaliteitseisen met betrekking tot verzorging en huisvesting van de dieren, veterinaire zorg en ziektepreventie.
De geselecteerde opvangadressen voldoen aan de gestelde eisen in de overeenkomst.
Er zijn op dit moment voldoende opvangadressen om alle in beslag/bewaring genomen dieren op te vangen. Mocht het, in verband met een hoger aantal inbeslagnames, nodig zijn, dan worden extra opvangadressen gezocht.
Het naleven van de afspraken over het welzijn van de grote grazers in de Oostvaardersplassen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u uiteenzetten hoe het staat met de uitvoering van de aanbevelingen van het International Committee on the Management of large herbivores in de Oostvaardersplassen (ICMO2), de expertcommissie die in navolging van ICMO1 heeft gezegd dat er meer beschutting moest komen voor de dieren in het gebied?
Zoals gemeld in mijn brief van 17 mei 2011 (Kamerstuk 32 563, nr. 25), heeft Staatsbosbeheer 1200 strekkende meter aan beschuttingswallen aangelegd en diverse bospercelen opengesteld voor de grazers. Overigens is sindsdien nog gewerkt aan het «verduurzamen» van enkele van die bospercelen, waardoor deze begrazing beter kunnen weerstaan, en het stapelen van dood hout als extra – alternatieve – beschuttingsmaatregel.
Waarom zijn de bossen van het naastgelegen Hollandse Hout nog niet opengesteld voor de edelherten, konickpaarden en heckrunderen van de Oostvaardersplassen? Erkent u dat hiermee een belangrijke aanbeveling voor het welzijn van de dieren niet wordt opgevolgd, met alle gevolgen voor de dieren van dien? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven (Kamerstukken 32 563, nrs. 10, 11) wilde de gemeenteraad van Lelystad niet meewerken aan openstelling van het Hollandse Hout en heeft uw Kamer zich middels een motie hierover uitgesproken. Zoals ook eerder aangegeven (Kamerstuk 32 563, nr. 25), kies ik ervoor nu in te zetten op alternatieve beschuttingsscenario’s en zonodig een strakker vroeg-reactief beheer.
Bent u bereid u hard te maken voor openstelling van het Hollandse Hout in het belang van de dieren? Zo ja, op welke termijn denkt u het gebied open te kunnen stellen zodat de dieren er beschutting kunnen zoeken? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe het door ICMO2 aanbevolen vroeg-reactief afschotbeleid (tijdig afschot van een verzwakt dier dat het niet gaat redden) wordt toegepast en hoe de monitoring plaatsvindt van de effecten?
Over de stand van zaken van de toepassing van het vroeg-reactief beheer van de grote grazers in de Oostvaardersplassen ontvangt u separaat een brief (op verzoek van de vaste commissie voor EL&I). Zie voor monitoring het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat dit vroeg-reactief afschotbeleid met de grootste zorgvuldigheid moet plaatsvinden? Welke maatregelen heeft u getroffen om er zeker van te zijn dat er voldoende personeel van Staatsbosbeheer beschikbaar is om dagelijks de kuddes in de gaten te kunnen houden en het gedrag en de lichamelijke condities van de grazers te kunnen controleren? Kunt u uiteenzetten hoe Staatsbosbeheer de zorgvuldige uitvoering hiervan in 2011 heeft gewaarborgd?
Ja. Zorgvuldigheid is onder meer gewaarborgd door uitvoering van het managementplan dat door de Beheeradviescommissie Oostvaardersplassen is goedgekeurd en door de inzet van voldoende betrokken vakmensen. Zoals in het managementplan aangegeven (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 25), is voorzien in uitgebreide en soms zeer frequente monitoring, ondermeer van dierconditie.
Kunt u bevestigen dat u het budget van Staatsbosbeheer in 2012 kort met 20 miljoen euro, een bezuiniging van 22% op het totale budget? Kunt u aangeven hoe Staatsbosbeheer het personeelsbestand op pijl kan houden om zo het vroeg-reactief afschotbeleid met de grootst noodzakelijke zorgvuldigheid uit te voeren wanneer zij met zulke enorme bezuinigingen te kampen heeft?
Nee. Ik ben nog met de provincies in gesprek over de financiering van het beheer door Staatsbosbeheer. Zoals recent toegezegd (zie Kamerstuk 29 659, nr. 76), zal ik de Kamer in het voorjaar van 2012 informeren over de strategie voor de toekomst van Staatsbosbeheer, inclusief de wijze waarop de bezuinigingen worden geëffectueerd.
Hoe wordt een goede uitvoering van het vroeg-reactief beheer gegarandeerd gelet op de toegankelijkheid van het gebied en de veiligheid van bezoekers? Onderschrijft u dat een grote veiligheidszone van een aantal kilometer nodig is om de veiligheid voor bezoekers te kunnen waarborgen? Zo ja, welke maatregelen treft u om een goede uitvoering van het vroeg-reactief beheer te kunnen garanderen zonder de veiligheid van bezoekers in gevaar te brengen? Welke extra maatregelen worden er getroffen nu de vorst is ingevallen en er mogelijk veel mensen willen komen schaatsen in het gebied?
Zoals aangegeven in bijlage 3 van het protocol vroeg-reactief beheer (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 10) worden diverse veiligheidsvoorschriften toegepast. Tijdens de aanwezigheid van begaanbaar ijs bestonden extra maatregelen uit extra surveillance, extra bebording en het uitzetten van een toertochtroute die zo ver mogelijk van het mogelijke risicogebied lag.
Deelt u de mening dat het, om langdurig lijden van de grote grazers zoveel mogelijk te kunnen voorkomen, absoluut noodzakelijk is de adviezen van het ICMO2 omtrent het vroeg-reactief afschotbeleid nauwlettend op te volgen? Zo ja, kunt u garanderen dat u het welzijn van de dieren voorop stelt als er afwegingen moeten worden gemaakt over veiligheidsmaatregelen rondom het afschotbeleid, ook als dat betekent dat er gebieden moeten worden afgesloten voor het publiek? Zo neen, waarom niet?
De diverse afwegingen bij toepassing van vroeg-reactief beheer, inclusief het zonodig afsluiten van gebieden voor het publiek, zijn terug te vinden in het protocol (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 10).
Een afschotverbod voor in het wild levende dieren in verband met de aanhoudende vorst |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het jachtverbod dat de Provincie Utrecht heeft afgekondigd vanwege het winterweer, terwijl de andere provincies dit (nog) niet nodig achten?1
Ja.
Onderschrijft u dat in het wild levende dieren op dit moment door de sneeuwval en zeer strenge vorst, die al sinds 29 januari onafgebroken aanhoudt, onvoldoende voedsel kunnen vinden en daardoor ernstig verzwakken? Zo neen, waaraan ontleent u die zekerheid?
Nee, de meeste in het wild levende dieren hebben genoeg reserves opgebouwd om een vorst periode van enkele weken goed te doorstaan.
Zie tevens het antwoord op eerder gestelde Kamervragen van het lid Thieme hierover (Tweede Kamer, 2010–2011, Aanhangsel met nr. 3604, antwoord op vraag 2).
Is het waar dat de verbodsbepalingen in artikel 53 eerste lid van de Flora- en Faunawet, waarin staat dat jagen verboden is indien de grond bedekt is met sneeuw, op wild dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken en op wild dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert, niet van toepassing zijn op het afschieten van in het wild levende dieren in het kader van beheer en schadebestrijding?
De verbodsbepalingen in artikel 53, eerste lid, van de Flora- en faunawet zijn van toepassing op jacht en niet op beheer en schadebestrijding. Voor beheer en schadebestrijding gelden de kaders van artikel 65 e.v. van de Flora- en faunawet. Voor zover deze activiteiten elkaar overlappen, gelden zowel de regimes voor jacht als voor beheer en schadebestrijding. Zie voorts de eerdere beantwoording op Kamervragen over jagen terwijl de bodem met sneeuw bedekt is van lid Thieme (Tweede Kamer, 2010–2011, Aanhangsel nr. 1273).
Deelt u de mening dat het ethisch gezien onaanvaardbaar is dieren af te schieten juist wanneer zij door de winterse omstandigheden onvoldoende voedsel hebben kunnen vinden, daardoor verzwakt en langzaam zijn en hun natuurlijke schuwheid hebben opgeven om te kunnen overleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Nee, soorten die op de provinciale vrijstellingslijst staan, richten juist schade aan in delen van het land. Derhalve zijn de provincies beter in staat om te beoordelen of beheer en schadebestrijding al dan niet tijdelijk opgeschort moet worden.
In winterse omstandigheden kan beheer en schadebestrijding van bepaalde dieren nodig zijn. Met winterse omstandigheden vertrouw ik wel op de betamelijkheid van jagers, wildbeheereenheden en faunabeheereenheden, opdat de rust in het landelijk gebied voor de andere dieren zoveel mogelijk gehandhaafd blijft.
Zie tevens eerdere beantwoording op Kamervragen van het lid Thieme over dit onderwerp (Tweede Kamer, 2009–2010, aanhangsel, nr. 1208).
Deelt u de mening dat de verbodsbepalingen uit artikel 53 eerste lid van de Flora- en Faunawet ook zouden moeten gelden voor in het wild levende dieren die worden afgeschoten in het kader van schadebestrijding en beheer? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat provinciale willekeur voorkomen dient te worden in kwesties als deze? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat alle dieren, ook de dieren waarop niet gejaagd of geschoten mag worden, hun reserves moeten sparen om de winterse omstandigheden het hoofd te kunnen bieden en dat al deze dieren ernstig verstoord en opgejaagd worden wanneer jagers in het gebied actief zijn? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Gedeputeerde Staten op te roepen een tijdelijk algeheel verbod in te stellen op het afschieten van in het wild levende dieren, zeker omdat het sinds 29 januari onafgebroken zeer streng heeft gevroren, deze kou verder aan zal houden en er nog geen einde in zicht is? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
Zoals u zelf heeft kunnen vaststellen, is het weer inmiddels omgeslagen. Overigens zou ik bij aanhoudende vorst geen tijdelijk algeheel afschotverbod hebben ingesteld. Voor de motivatie verwijs ik u naar mijn antwoord bij vraag 4 en 6.
Bent u bereid, gelet op de actuele strenge winterse omstandigheden, deze vragen spoedig te beantwoorden, in ieder geval voor 10 februari 2012?
Helaas heb ik de vragen niet eerder kunnen beantwoorden.
Het advies om zwangere vrouwen te waarschuwen voor het Schmallenbergvirus |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Waarschuw zwangeren voor Schmallenberg»?1
Ja.
Bent u met huisarts Olde Loohuis van oordeel dat geen risico’s genomen mogen worden met kwetsbare groepen mensen in relatie tot het Schmallenbergvirus, zoals eerder wel gebeurde met betrekking tot de Q-koorts? Zo nee, waarom niet?
Uit de, ook door het European Centre for Disease Prevention and Control bevestigde risico inschatting van het RIVM blijkt dat het niet uit te sluiten is dat het Schmallenbergvirus een risico vormt voor mensen maar dat dit onwaarschijnlijk is. De adviezen van het RIVM zijn daarop gebaseerd. Op dit moment wordt zwangere vrouwen geadviseerd om geen verloskundige handelingen verrichten op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus. Dit zijn overigens gebruikelijke hygiënemaatregelen. Zwangere vrouwen wordt standaard geadviseerd verlossingen van schapen en geiten niet uit te voeren en verlossingen van runderen te vermijden.
Deelt u de mening dat er geen eenduidige gegevens zijn over de infectieroute en de verspreiding van het Schmallenbergvirus, en dat derhalve overdracht van het virus naar mensen niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, deelt u de mening dat, gelet op het voorzorgsprincipe preventieve maatregelen om besmetting van mensen te voorkomen gerechtvaardigd zijn?
Overdracht van het virus naar mensen kan inderdaad niet worden uitgesloten en daarom zijn preventieve maatregelen vanuit het voorzorgprincipe gerechtvaardigd. Het RIVM adviseert aan zwangere vrouwen om geen verloskundige handelingen uit te voeren op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus.
Is het waar dat artsen onvoldoende alert zijn op de risico’s van zoönoses en het ontstaan van (nieuwe) zoönoses? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De bescherming van de volks- en diergezondheid moeten met elkaar verbonden zijn. Het zijn de professionals die verbinding moeten maken. De alertheid van artsen, zowel humane als veterinair kan verder vergroot worden. Zowel door de overheid als de vele betrokken professionals, zijn de afgelopen jaren initiatieven op dit vlak genomen. Professionals uit beide domeinen, zowel regionaal als centraal, zijn op bijeenkomsten, symposia en congressen regelmatig inzichten en expertise gaan delen. Deze acties dragen bij aan de alertheid van artsen op zoönosen.
Bent u van oordeel dat zwangeren en andere kwetsbare groepen voldoende gewaarschuwd worden dat zij (en hun ongeboren kind) kwetsbaar zijn voor zoönoses, en derhalve beter uit de buurt van bijvoorbeeld stallen van veebedrijven en kinderboerderijen kunnen blijven? Zo ja, waar baseert u zich op? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om de voorlichting aan zwangeren en andere kwetsbare groepen te verbeteren?
Op de website van het RIVM zijn diverse brochures en folders te vinden over de maatregelen die vrouwen tijdens de zwangerschap kunnen nemen om infecties, ook met zoönosen, te voorkomen. Dieren op de (kinder)boerderij kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen die ook voor mensen gevaarlijk kunnen zijn. Daarom is het verstandig om bij het bezoeken van een (kinder)boerderij extra aandacht te besteden aan hygiëne. Beperk het aanraken van dieren, hooi, stro en mest, was de handen met zeep en veel water na contact met dieren en vóór het eten, eet niet tussen de dieren en eet geen voedsel dat op de grond is gevallen. Het is niet nodig dat zwangere vrouwen uit de buurt van stallen en kinderboerderijen blijven.
De stichting kinderboerderijen Nederland, waarbij veel kinderboerderijen zijn aangesloten, geeft borden uit waarin de risico’s voor zwangere vrouwen helder uitgelegd worden. De NVWA en diverse GGD’en stimuleren de kinderboerderijen uit hun regio om het keurmerk van deze stichting aan te vragen. De voorlichting op kinderboerderijen wordt dus steeds beter.
De voorlichting aan zwangere werknemers, zoals veehouders en dierenartsen, loopt via de ARBO route. Zo bevat de ARBO catalogus voor dierenartsenpraktijken van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde uitgebreide informatie voor zwangeren.
Bent u bereid de adressen van bedrijven waar het Schmallenbergvirus is vastgesteld openbaar te maken, zodat zwangere vrouwen en andere kwetsbare groepen hun eigen afweging kunnen maken met betrekking tot hun veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?
Op de website van de NVWA wordt een overzichtskaart bijgehouden waarop de met het Schmallenbergvirus besmette bedrijven zijn afgebeeld, daarbij wordt ook een lijst gepubliceerd met de plaatsen waar deze bedrijven zich bevinden.
Bent u bereid op korte termijn onderzoek in te stellen naar de mogelijke gevaren van het Schmallenbergvirus voor mensen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zoals in de brief van de staatssecretaris van EL&I van 9 februari jl. is vermeld heeft het RIVM een onderzoeksvoorstel voorbereid om een indruk te krijgen of mensen bij blootstelling geïnfecteerd kunnen worden met het virus. Dit voorstel is besproken in een deskundigenberaad over het Schmallenbergvirus. Het advies van dit beraad zend ik u separaat toe.
2578 onderschepte dode zeepaardjes op Schiphol |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat een Peruviaanse vrouw die op Schiphol betrapt is met 2578 dode zeepaardjes in haar koffer enkel een boete hoefde te betalen en vervolgens haar reis naar Hongkong kon voortzetten?1
Ja.
Was er hier sprake van een steekproef of van een stelselmatige controle waarbij deze dieren werden aangetroffen?
Volgens het Openbaar Ministerie ging het in dit geval om een steekproefsgewijze controle.
Deelt u de mening dat Nederland een internationale verplichting heeft om zeepaardjes, net zoals andere bedreigde diersoorten, te beschermen en de handel in deze diersoorten te voorkomen?
Het zeepaardje is beschermd op grond van het CITES-verdrag, waaraan op Europees niveau toepassing is gegeven via de CITES-basisverordening. Nederland onderschrijft de doelen van het verdrag ten aanzien van de regulering van de handel in bedreigde dier- en plantensoorten ter bescherming van deze soorten.
Kunt u inzicht geven in het aantal en de aard van de inbeslagnames van beschermde en bedreigde diersoorten in onze lucht- en zeehavens in de afgelopen drie jaar? Wat is er vervolgens gebeurd met de inbeslaggenomen dode dieren?
In de afgelopen drie jaar zijn onderstaande aantallen planten, dieren en onderdelen daarvan, die op grond van het CITES-verdrag en de CITES-basisverordening worden beschermd, door de douane in beslag of in bewaring genomen en bij Dienst Regelingen in bewaring gegeven.
2009
2010
2011
Dode materialen
490
520
510
Levende dieren en planten
20
30
40
Totaal
510
550
550
De categorie levende dieren en planten bestaat vooral uit planten. Er worden slechts enkele levende dieren per jaar in beslag of in bewaring genomen.
Er wordt eerst nagegaan of in beslag of in bewaring genomen levende dieren terug kunnen naar het land van herkomst. Wanneer dit niet mogelijk is, worden dieren opgevangen bij een opvangadres in Nederland. In beslag of in bewaring genomen dode dieren en planten of delen daarvan worden in de regel, na vrijgave door het Openbaar Ministerie, onttrokken aan het verkeer door vernietiging. Zij mogen niet worden verhandeld. Enkele dode materialen die zeer bijzonder zijn, kunnen worden gebruikt voor educatieve doeleinden.
Is het waar dat Nederland een belangrijke rol speelt in de illegale handel en doorvoer van exotische dieren? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik beschik niet over aanwijzingen dat Nederland een belangrijke rol zou spelen in de illegale handel en doorvoer van exotische dieren. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 8.
Hoe hoog was de boete die de vrouw heeft moeten betalen? Waarom is de maximale strafmaat niet gehanteerd? In welke gevallen wordt de maximale strafmaat wel gehanteerd bij de illegale handel in bedreigde diersoorten?
Overtreding van het relevante artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet kan op grond van artikel 6, eerste lid onder 1, Wet op de economische delicten leiden tot een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie. Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat in dit geval een transactie is aangeboden van € 3500, die door verdachte is geaccepteerd. Ook zijn de zeepaardjes in beslag genomen en aan het verkeer onttrokken. Het Openbaar Ministerie heeft bij het bepalen van de hoogte van het transactievoorstel rekening gehouden met de straf die de rechter in soortgelijke gevallen heeft opgelegd. Voorts zijn de persoonlijke omstandigheden, waaronder de draagkracht, van verdachte meegewogen. Ten slotte is overwogen dat, gelet op het feit dat verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, de kans op een geslaagde vervolging en executie van een eventueel vonnis betrekkelijk gering was geweest.
Het opleggen van een gevangenisstraf kan, dit ter beoordeling van de rechter, in beeld komen als het gaat om complexe zaken waarin sprake is van een grote bedreiging van de te beschermen belangen, en uit het gedrag van de verdachte(n) bijvoorbeeld blijkt van een hoge organisatiegraad, een commercieel motief, het meermalen overtreden van de wettelijke voorschriften en/of een hoge omzet.
Deelt u de mening dat deze straf te laag is gezien de enorme hoeveelheid zeepaardjes die de vrouw smokkelde en het feit dat alle soorten zeepaardjes in hun voortbestaan bedreigd worden?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het afschrikeffect van een boete zo laag is dat het mensen niet zal verhinderen bedreigde diersoorten (nogmaals) binnen te smokkelen, vooral gezien het feit dat de handel in bedreigde diersoorten erg lucratief is en individuen, die beschermde diersoorten smokkelen, vaak in opdracht werken van een crimineel georganiseerd netwerk? Deelt u de mening dat met het enkel opleggen van boetes aan deze individuen niet de bron, wordt namelijk de kopstukken uit de georganiseerde handel in dieren, aangepakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u om de georganiseerde handel in dieren effectiever aan te pakken?
In het strafvorderingsbeleid op het beleidsterrein natuur is opgenomen in welke gevallen, waaronder gevallen van het vervoeren van beschermde diersoorten, het volgens het Openbaar Ministerie gepast is een boete te eisen, waarbij afschrikking wordt meegewogen. Bij recidive vindt verhoging van de boetebedragen plaats. Ik heb met dit strafvorderingsbeleid ingestemd en sta daar nog steeds achter.
Met strafrechtelijk optreden tegen degenen bij wie de dieren zijn aangetroffen worden ook eventuele organisatoren op de achtergrond in zeker mate geraakt, doordat de in beslag genomen dieren niet verder kunnen worden verhandeld. Criminaliteit in relatie tot internationaal georiënteerde, georganiseerde handel is een prioriteit van de bijzondere opsporingsdienst van de NVWA en het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Om het afschrikeffect te verhogen wordt daarbij altijd gekeken naar de mogelijkheden om het wederrechtelijk verkregen voordeel af te pakken.
Onder verantwoordelijkheid van de Stuurgroep CITES zal in 2012 een proeftuin worden gestart gericht op (mogelijke) georganiseerde illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten. Hieraan zullen ondermeer de NVWA, de politie en de douane deelnemen. Doelen zijn onder andere het blootleggen van (mogelijke) georganiseerde verbanden en het geven van adviezen voor de effectieve aanpak van internationaal georiënteerde (georganiseerde) criminaliteit op het gebied van CITES.
Deelt u de mening dat de smokkel in bedreigde diersoorten te vergelijken is met de handel in drugs, gezien het feit dat er in de handel in bedreigde diersoorten grote sommen geld omgaat en er vaak een netwerk van georganiseerde handel achter schuil gaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de maatregelen en strafmaten gelijk te trekken aan de maatregelen en strafmaten die worden gehanteerd voor het tegengaan van drugshandel?
Het voor overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet geldende strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf is al het hoogst mogelijke strafmaximum voor een economisch delict. Op de in- en uitvoer van softdrugs is een strafmaximum gesteld van vier jaar gevangenisstraf. De in- en uitvoer van harddrugs kan met maximaal 12 jaar gevangenisstraf worden bestraft. Het relevante criterium is het beschermde belang. Het beschermde belang is bij het vaststellen van de strafmaat voor het handelen in harddrugs door de wetgever anders gewaardeerd dan bij de strafmaat voor het handelen in beschermde diersoorten. Ik zie geen aanleiding de door de wetgever gemaakte afweging ter discussie te stellen.
Overigens gelden de maatregelen uit Titel IIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht gelden al voor feiten die op grond van de Wet op de economische delicten en de Opiumwet zijn strafbaar gesteld.
op-schiphol.html
Een vrijwillig wetenschappelijk moratorium van 60 dagen op onderzoek naar levensgevaarlijk vogelgriepvirus |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het wereldwijde vrijwillige moratorium op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met hoogpathogene aviaire influenza H5N1 virussen gedurende 60 dagen?1
Ik vind het belangrijk dat de discussie over dit onderzoek zorgvuldig gevoerd wordt. De uitkomsten zullen in de toekomst dienen om ander onderzoek aan te ijken. Doel is in overleg tot een voor alle partijen werkbare oplossing te vinden die de wetenschappelijke vrijheid respecteert en ondersteunt, maar waarborgen schept voor non-proliferatie. Het vrijwillige moratorium laat zien dat ook de wetenschap het dual use dilemma belangrijk vindt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.
Wordt er, zoals voorgesteld in Science, gedurende deze 60 dagen een internationaal forum georganiseerd over de voor- en nadelen van onderzoek naar het ontstaan van een humane influenza epidemie? Wie organiseert dit forum?
Nederland heeft, samen met de Verenigde Staten, de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) verzocht een faciliterende rol te spelen in deze discussie en een internationaal overleg te organiseren. De WHO organiseert naar aanleiding hiervan op 16 en 17 februari een eerste overleg. Aan tafel zitten – naast de WHO – onder andere experts uit de VS, Japan, Nederland, Vietnam en Indonesië. Het overleg heeft het karakter van een technische bijeenkomst met een wetenschappelijke insteek vanuit een gezondheidsperspectief. De uitkomst ervan kan dienen als input voor mogelijke vervolgbijeenkomsten, waarbij ook andere landen kunnen aansluiten.
Het huidige dilemma benaderen vanuit het gezondheidsperspectief alleen is echter niet voldoende. Deze discussie moet nadrukkelijk óók gevoerd worden vanuit andere invalshoeken, zoals het veiligheids- en een non-proliferatieperspectief, om tot een gebalanceerd standpunt te komen. Bovendien moet worden gekeken naar de verplichtingen waaraan Nederland en andere landen internationaalrechtelijk gebonden zijn. Ik zie de bijeenkomst van de WHO dan ook nadrukkelijk als een start van een internationaal debat over het delen van de resultaten van dit type onderzoek. In dat debat zullen de gezondheidskundige voordelen moeten worden afgewogen tegen de risico’s.
Neemt de Nederlandse overheid deel aan dit forum?
Ja.
Vindt u dat een moratorium van 60 dagen genoeg is om wereldwijd tot afspraken te kunnen komen over veiligheidsnormen voor onderzoek naar het ontstaan van een humane influenza epidemie?
Of een moratorium van 60 dagen voldoende zal zijn om tot wereldwijde afspraken te komen zal de tijd moeten uitwijzen. Als meer tijd nodig is dan verwacht ik dat partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Ik constateer in elk geval dat er een zorgvuldig proces in gang is gezet om tot een uitkomst te komen.
Vindt u het wenselijk dat onderzoekgegevens naar het muteren van een influenza H5N1 virus zonder enige terughoudendheid gepubliceerd kunnen worden?
Dit is geen eenvoudige vraag en schetst het dual use dilemma waar we nu mee te maken hebben. Er moet rekening worden gehouden met internationale instrumenten zoals het Biologische en Toxine Wapenverdrag, VN Veiligheidsraadresolutie 1 540 en het Pandemic Influenza Preparedness Framework (PIPF). Enerzijds is er de wetenschappelijke vrijheid en het belang voor de volksgezondheid, anderzijds zijn er de veiligheids en non-proliferatie aspecten. Ik vind het dan ook belangrijk dat er internationaal vanuit meerdere invalshoeken naar dit dilemma gekeken wordt. Ik kan en wil dan ook nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van de internationale discussies die hierover op dit moment gevoerd worden.
Zijn er door de Nederlandse overheid vergunningen verleend voor wetenschappelijk onderzoek naar andere micro-organismen die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid en de staatsveiligheid kunnen opleveren? Zo ja, kunt u daar een overzicht van geven?
De Nederlandse overheid houdt via vergunningen of anderszins toezicht op wetenschappelijk onderzoek met potentieel gevaarlijke, al dan niet genetisch gemodificeerde micro-organismen. Het toezicht van de overheid waarborgt daarbij dat het onderzoek uitgevoerd wordt op een manier die geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld met behulp van veiligheidsvoorschriften. De overheid heeft vanuit de toezichtstaak overzicht over de verschillende onderzoeksprojecten. Juist in het belang van de staatsveiligheid kan er geen openbaar overzicht van die projecten worden gegeven.
Deelt u de mening dat het risico van bioterrorisme zeker zo groot is als het risico van nucleair terrorisme en dat wetenschappelijke publicaties aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen?
De risico’s van verschillende uitingen van terrorisme laten zich niet eenvoudig vergelijken, vanwege de verschillen in aard van de terroristische daden en de mogelijke gevolgen ervan. Voor zowel het maken van biologische wapens als nucleaire wapens is veel specialistische kennis, kunde en materiaal nodig. Het wordt op dit moment niet waarschijnlijk geacht dat een terroristische groepering op eenvoudige wijze deze wapens kan vervaardigen. Het blijft echter van het grootste belang dat zowel tegen nucleair terrorisme als tegen bio-terrorisme gepaste maatregelen worden genomen. Wat dit betekent voor de wijze waarop omgegaan moet worden met wetenschappelijke publicaties voor het biologische terrein, daarover loopt nu juist de internationale discussie (zie ook het antwoord op vraag 2).
Hoe is de controle op deze risico’s geregeld bij publicaties over nucleair onderzoek?
Het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet bevat bepalingen die de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie over nucleaire technologie waarborgen. Hieronder vallen ook onderzoeksresultaten. Daarnaast geldt voor de uitvoer van nucleaire goederen en technologie een vergunning vereist is van de Staatssecretaris van EL&I.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat in de Europese Unie een orgaan wordt opgericht dat, naar analogie van het National Science Advisory Board for Biosecurity in de Verenigde Staten, artikelen beoordeelt op het risico dat mogelijke informatie in handen van terroristen kan komen?
Ik vind het belangrijk dat we een manier vinden om vooraf en/of achteraf een moment van reflectie in te bouwen wanneer we nieuwe onderzoeksvragen bekijken die vergelijkbare gevolgen kunnen hebben als het onderhavige. Ik vind dat een dergelijke risicobeoordeling bij uitstek een overheidstaak is. Er zijn meerdere manieren om dit te organiseren. Een werkwijze als met een met de NSABB vergelijkbare organisatie, die de overheid adviseert over risico’s, is er daar één van. Ik wil in de komende maanden nagaan welke andere mogelijkheden er zijn en welke daarvan wenselijk en mogelijk zijn. Alle keuzen roepen beleidsmatige vragen op waar ik op dit moment nog geen antwoord heb en die ook in internationaal verband moeten worden beantwoord. Ik zal die daar agenderen.
Wanneer kan de Kamer de brief verwachten over het al dan niet publiceren van onderzoekgegevens die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid en de staatsveiligheid kunnen opleveren, waarin verzocht in de regeling van werkzaamheden op 21 december 2011, voordat het vrijwillige moratorium afloopt?
Parallel aan deze set Kamervragen.
De onbeheersbaarheid van de populatie wilde zwijnen bij het Leenderbos door toedoen van jagers |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat volgens boeren de populatie wilde zwijnen nabij het Leenderbos onbeheersbaar is geworden door toedoen van jagers?1
Ja.
Is het waar dat boeren met gebruikmaking van kunstlicht willen jagen en dat deze jachtmethode in strijd is met de Beneluxovereenkomst? Zo nee, op welke informatie baseert u uw antwoord?
De Benelux-regelgeving inzake Jacht en Vogelbescherming2 verbiedt het gebruik van kunstlicht bij de uitoefening van de jacht. Deze regelgeving ziet op de harmonisatie van de jachtregelgeving binnen de Benelux. De jacht op het wild zwijn is in Nederland niet toegestaan. Het is immers niet aangewezen als bejaagbare soort. De genoemde Benelux-regelgeving is niet van toepassing op beheer en schadebestrijding tegen niet bejaagbare soorten. Te uwer informatie vermeld ik nog dat de Secretaris-Generaal van de Benelux een voorstel tot verduidelijking van de beschikkingen bij de Benelux-overeenkomst Jacht en Vogelbescherming in procedure heeft gebracht.
Ik ondersteun dat voorstel omdat ik vind dat gedeputeerde staten als verantwoordelijke voor de uitvoering van beheer en schadebestrijding, moet kunnen kiezen uit een breed palet van middelen. Bij die keuze moet niet de harmonisatie van jachtregelgeving een rol spelen, maar de vraag of de toepassing van het middel bijdraagt aan de effectieve uitvoering zonder onnodig lijden bij het dier te veroorzaken
Is het waar dat jagers er belang bij hebben de populatie zodanig te beheren dat er voldoende te schieten overblijft en er daardoor conflicterende belangen tussen jagers en boeren ontstaan? Zo nee, waarop baseert u uw antwoord? Zo ja, welke consequenties verbindt u hier aan?
Er is geen sprake van een gewapend conflict, van rivaliserende groepen wapendragers of impliciete dreigementen. Provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor het beheer van schadeveroorzakende soorten in de provincie. De betrokken boeren hebben hun bezwaar bij gedeputeerde staten ingediend. Het is aan hen om over deze zaak te oordelen. Bij het beheer van de zwijnenpopulatie is een goede coördinatie van de activiteiten van belang. Dit geldt in het bijzonder bij afschot na zonsondergang, wanneer het beperkte zicht tot gevaarlijke situaties kan leiden.
Is het waar dat de rivaliteit tussen jagers en boeren zo hoog is opgelopen dat samen jagen tot veiligheidsproblemen zou kunnen leiden? Zo ja, moet hierbij gedacht worden aan een gewapend conflict en welke consequenties verbindt u hier aan? Zo, nee, waarom niet en waar moet dan wel aan gedacht worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat rivaliserende groepen wapendragers in de Nederlandse samenleving spreken over veiligheidsproblemen wegens tegengestelde belangen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 3.
Weet u dat de adjunct-secretaris van Faunabeheereenheid Noord-Brabant heeft gesteld dat hij vanwege de veiligheid boeren en jagers niet samen wil laten jagen? Is dit naar uw mening bedoeld als een impliciet dreigement? Zo nee, hoe dan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het laten beheren van dierpopulaties niet aan actieve belanghebbende jagers kan worden overgelaten gelet op de ontstane problemen in Brabant? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke beleidsmaatregelen gaat u nemen om de jacht en het beheer door deze belanghebbenden in te perken?
Regionale jagers zijn goed in staat om een bijdrage te leveren aan beheer en schadebestrijding. De in het artikel geschetste tegengestelde belangen herken ik niet.
Een Russische importstop vanwege het Schmallenbergvirus |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de importstop die Rusland heeft afgekondigd voor geiten en schapen vanwege het Schmallenbergvirus?1
Ik betreur de maatregelen die Rusland heeft genomen en zet mij er voor in om de grens zo snel mogelijk weer open te krijgen.
Direct nadat de Russische importbeperking bekend werd heb ik een brief aan de Russische autoriteiten geschreven met daarin een overzicht van de actuele stand van zaken en een opsomming van de acties die ik in gang heb gezet. Nadat dit weekend het virus in Nederland ook werd geconstateerd bij twee kalveren is daarover op maandag 23 januari een brief met aanvullende informatie gestuurd.
Het bedrijfsleven is ook direct op de hoogte gesteld van de beperkingen. Ik heb ook een gesprek gearrangeerd met de Russische Minister van Landbouw tijdens de Grüne Woche in Berlijn op 20 januari. Met Minister Skrynnik ben ik overeengekomen dat experts van de Europese Commissie, Duitsland en Nederland en haar experts om de tafel gaan zitten om de zaak in detail te bespreken.
Dit overleg zal naar verwachting op 30 januari in Moskou plaatsvinden.
Zijn er meer landen die een importstop overwegen?
Mexico heeft de import uit Nederland van genetisch materiaal van alle herkauwers gestopt. Ook naar de Mexicaanse autoriteiten is een brief uitgegaan. De veterinaire autoriteiten van de Volksrepubliek China en Argentinië hebben schriftelijke vragen gesteld. Deze zijn direct per brief beantwoord.
Gaat Rusland er van uit dat het virus via vlees, eicellen en sperma verspreid kan worden en deelt u die mening? Zo nee, is een importstop dan te rechtvaardigen?
De precieze Russische overwegingen die ten grondslag liggen aan de importbeperking zijn mij niet bekend.
Geldt de importstop voor alle landen waar het Schmallenbergvirus is aangetoond?
Ja.
Welke activiteiten zijn vanuit de Europese Unie en vanuit Nederland ondernomen om direct na het melden van de uitbraak voldoende uitleg te geven over alle tot nu toe bekende gegevens van het Schmallenbergvirus? Wat is de rol van de Standing Committee on the Food Chain and Animal Health (SCOFCAH) hierin?
Zie vraag 1.
Verder is er in het SCOFCAH gesproken over de uitbraak van het Schmallenbergvirus in diverse landen en heeft er op 20 januari 2012 een extra vergadering plaatsgevonden om met de lidstaten een handleiding voor monitoring van het Schmallenbergvirus te ontwikkelen.
In het SCOFCAH en de CVO-vergadering (Chief Veterinary Officers) worden alle relevante ontwikkelingen rond het Schmallenbergvirus besproken met de Lidstaten en de Europese Commissie.
De Europese Commissie heeft verder een informatiedocument verspreid naar de vertegenwoordigingen van de Europese Unie in landen buiten de EU.
Hoe groot is het risico dat er ook een importstop voor runderen wordt afgekondigd? Wat is de geschatte schade voor het Nederlandse bedrijfsleven van deze importstop?
Nu het virus ook is aangetroffen bij kalveren neemt het risico toe dat landen preventief hun grenzen tevens sluiten voor fokdieren, sperma en embryo’s van runderen.
De volgende exportcijfers zijn bekend.
2010
2011 t/m juni
2010
2011 t/m juni
aantallen
aantallen
€x1000
€x1000
Levende runderen
Export wereld
44 745 st
24 000 st
68 000
42 000
Waarvan buiten EU
18 719 st
13 000 st
31 000
24 000
Waarvan Rusland
9 000 st
6 500 st
19 000
13 000
Acht u het risico aanwezig dat landen terughoudend worden in het melden van ziekte uitbraken als importerende landen bij iedere melding van een dierziekte direct hun grenzen sluiten?
Nee, ieder land zal beseffen dat het niet melden uiteindelijk meer schade zal opleveren voor bestaande handelsrelaties. Hoe sneller de situatie in kaart gebracht kan worden, hoe sneller er gewerkt kan worden aan oplossingen.
Kunt u deze vragen beantwoorden in geval u op de aanstaande Grüne Woche in Berlijn van 19 tot 21 januari 2012 uw Russische ambtsgenoot hierover hebt gesproken en daar ook verslag van doen?
Zie vraag 1.
De bouw van een gigastal bij Grubbenvorst |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Wakkerdier maakt bezwaar tegen «gigastal»?1
Ja.
Klopt het dat het hierbij om een veehouderij zou gaan met meer dan 1 miljoen kippen en 35 000 varkens?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw uitspraak van 23 november 2011 tegenover de NOS, waarbij u aangeeft: «Excessen, zoals een bedrijf met een miljoen kippen of meer, of twee of drieduizend melkkoeien of meer, passen niet bij Nederland. Gelukkig hebben we die excessen ook niet»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw kwalificatie van de plannen voor het realisatie van een veehouderij met een dergelijke omvang?
Ik verwijs u hiervoor kortheidshalve naar de uitgebreide antwoorden over vergelijkbare vragen die ik uw Kamer op 1 december 2011 heb gegeven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 816 ).
Heeft u mogelijkheden om de bouw van deze gigastal te voorkomen? Zo ja, bent u bereid van deze mogelijkheden gebruik te maken? Zo ja, hoe en op welke termijn? Als u deze mogelijkheden niet heeft, bent u dan bereid deze wettelijke mogelijkheden te creëren en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om met de provincie Limburg in gesprek te gaan om de aanleg van deze «gigastal» te voorkomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.