De explosieve toename en slacht van paarden in Nederland |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Co Verdaas (PvdA) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat er dit jaar van januari tot en met augustus 5 000 paarden in Nederland zijn geslacht en dat dit bijna drie keer zoveel is als in dezelfde periode in 2011?1
Wat vindt u ervan dat er jonge gezonde paarden, die niet oud, ziek of kreupel zijn, massaal naar de slacht worden gebracht?
Kunt u bevestigen dat de explosieve groei van het aantal paarden dat geslacht wordt onder meer het gevolg is van «speculatie in de hoop dat het veulen een goed dressuur- of springpaard wordt»? Deelt u de mening dat de handelswijze van deze handelaren en fokkers onethisch is? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Kunt u bevestigen dat (eerdere) ondoordachte impulsaankopen eveneens een oorzaak zijn van het stijgende aantal gezonde paarden dat nu wordt geslacht?2
Bent u van mening dat het beleid van uw voorganger afdoende is om speculatief fokken met paarden, impulsaankopen en het afdanken van «niet geschikte» dieren bij de slacht in voldoende mate te kunnen voorkomen? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke waarborgen u in het huidige beleid ziet om malafide fok, handel en impulsaankopen van paarden daadwerkelijk een halt toe te roepen?
De afgelopen jaren zijn er diverse acties ondernomen op het gebied van paardenwelzijn. Zo is het door u genoemde Plan van Aanpak Welzijn verder uitgewerkt tot een Gids voor Goede Praktijken met richtlijnen op het gebied van voeding, huisvesting, beweging, gezondheid, gedrag en transport. Ook diverse zaken rondom opfok worden hierin meegenomen. Deze Gids biedt niet allen richtlijnen voor houders van paarden, maar ook wordt de naleving op meerdere manieren geborgd. Via de diverse bestaande kwaliteitssystemen, reglementen, opleidingen en certificaten die al bestaan in de sector wordt gezorgd voor bekendheid en verankering van de Gids voor Goede Praktijken. Daarnaast is de Gids een leidraad bij de handhaving van de geldende wet- en regelgeving door de NVWA en de Landelijke Inspecteurdienst Dierenbescherming. Op dit moment kan de Gids behulpzaam zijn bij het toezicht op de naleving van de artikelen 36 en 37 (mishandeling en verwaarlozing) van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Als volgend jaar de Wet Dieren, en de bijbehorende maatregelen van bestuur van kracht worden, zullen er ook algemene voorschriften gelden voor alle houders van dieren op het vlak van huisvesting en verzorging. De Gids kan dan, na mijn goedkeuring, worden gebruikt als concrete uitwerking van deze algemene voorschriften. Er zal ook voor paarden handhaving plaatsvinden op dit vlak.
Op het vlak van fokkerij wordt een en ander gewaarborgd via de fokkerijregelgeving en de erkenning van de stamboeken. Deze erkenningen kunnen door het Productschap van Vee en Vlees worden verleend, maar alleen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden bevinden zich bijvoorbeeld op het vlak van inteelt, erfelijke afwijkingen en instandhouding van zeldzame rassen.
Voor wat betreft impulsaankopen is in het AO opvang van dieren van 20 november toegezegd om u medio 2013 te informeren over impulsaankopen van dieren. Hierbij zal ook de impulsaankoop van paarden worden betrokken.
Hoe beoordeelt u het feit dat het meldpunt dierenmishandeling van het Korps Landelijke Politiediensten de afgelopen jaren een stijgende trend ziet van verwaarloosde paarden en pony’s en dat het paard sinds kort op nummer twee van «vaakst gemelde dieren» staat, na de hond? Deelt u de mening dat deze alarmerende cijfers serieus genomen moeten worden en dat er een directe link is met het doen van impulsaankopen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de eerdere constatering van de Sectorraad Paarden dat het kabinet geen aandacht besteedt aan de regulering van opfok van paarden?3
Deelt u de mening dat het door de Sectorraad gepresenteerde plan van aanpak Welzijn in de sector Paardenhouderij onvoldoende waarborgen bevat om paarden daadwerkelijk te kunnen beschermen tegen speculatie en de slacht? Zo nee, kunt u uiteenzetten welke waarborgen u precies ziet in een vrijblijvend plan?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het pleidooi van de Dierenbescherming om regels te stellen voor het houden van paarden in een Paardenbesluit? Bent u, mede gelet op het alarmerend aantal gevallen van verwaarlozing, speculatie en de slacht van gezonde dieren, voornemens dit plan als basis te nemen in uw beleid rondom paardenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat welzijnsbeleid enkel gestoeld op voorlichting (zoals de Gids voor Goede Praktijken en het bovengenoemde plan van aanpak), onvoldoende waarborgen bevat voor daadwerkelijke bescherming van dieren en dat voorlichting over het houden van paarden alleen nuttig kan zijn ter ondersteuning van andere beleidsinstrumenten zoals directe regulering? Zo nee, kunt u dit toelichten? Zo ja, bent u bereid om het welzijn van paarden te borgen in wetgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de woordvoerder van Stichting Vlees.nl dat het overschot aan paardenvlees eindigt in producten waarin het vlees ondefinieerbaar is, zoals frikadellen, om zo «de emotie» weg te nemen?4 Wat vindt u ervan dat de vleessector consumenten kennelijk niet open en eerlijk wil informeren over de herkomst van producten? Acht u de etikettering op deze producten voldoende (is het duidelijk dat er in deze producten paardenvlees zit)? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, wat bent u van plan aan deze consumentenmisleiding te gaan doen?
De vertraging van het convenant gevaccineerd vlees |
|
Henk van Gerven |
|
Co Verdaas (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Convenant afzet gevaccineerd vlees weer vertraagd»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u geen bijdrage zal leveren aan het fonds om afzet van gevaccineerd vlees in Nederland mogelijk te maken?
Uitgangspunt is de algemene beleidslijn vanuit de overheid om gevolgschade niet te vergoeden. Gevolgschade wordt gezien als normaal bedrijfsrisico en komt daarmee voor rekening van de ondernemer. Het staat ondernemers vrij om onderling regelingen te treffen om de schade collectief op te vangen. De overheid kan daarbij in bepaalde gevallen faciliteren.
Het feit dat ik geen directe financiële bijdrage lever aan genoemd fonds betekent echter niet dat ik de afzetproblematiek niet serieus neem en geen bijdrage wil leveren aan de oplossing ervan. Mijn inzet is gericht op het aanpakken van de oorzaken achter de afzetproblematiek. In dat kader richt ik me op het versoepelen of wegnemen van bestaande beperkingen voor vaccinatie en voor de handel in vlees en zuivel van gevaccineerde dieren in EU-regelgeving en internationale standaarden van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE). Daarnaast zet ik me er voor in om de toepassingsmogelijkheden van vaccinatie afdoende te borgen binnen de nieuwe Europese diergezondheidswetgeving, die op dit moment wordt opgesteld. Voor de langere termijn wil ik een bredere internationale acceptatie van vaccinatie bewerkstelligen door het onderwerp waar mogelijk internationaal op de agenda te zetten.
Het spreekt voor zich dat het bedrijfsleven hier ook een grote rol kan en moet spelen. Het nationaal en internationaal in de markt zetten van producten van gevaccineerde dieren is tenslotte primair een taak voor de sector zelf.
Overigens wordt in het artikel ten onrechte gesteld dat producten van gevaccineerde dieren niet meer op de Europese markt mogen worden afgezet. Er gelden op grond van EU-wetgeving voor een aantal zeer besmettelijke dierziekten bij vaccinatie aanvullende exportvoorwaarden zoals kanalisatie en/of een speciale behandeling van de producten van gevaccineerde dieren. Deze voorwaarden bemoeilijken de afzet van deze producten op de Europese markt en brengen extra kosten met zich mee. Export van levende gevaccineerde dieren is niet toegestaan. De EU-wetgeving verbiedt de afzet van de producten van deze gevaccineerde dieren echter niet.
Hoe zijn de onderhandelingen over het convenant verlopen, welke bijeenkomsten zijn er wanneer met wie geweest, welke bijdragen in maatregelen en geld waren de andere partijen bereid te leveren, en welke u? Hoe verklaart u dat verschillende partijen met een ander verwachtingspatroon ten aanzien van de rol en de bijdrage van de overheid de onderhandelingen in gingen?
Al geruime tijd wordt er vanuit mijn ministerie op diverse niveaus met sectorpartijen gesproken over de afzetproblematiek. Het specifieke sectorvoorstel waaraan het artikel refereert was, in zijn huidige vorm, eerder onderwerp van gesprek met mijn voorganger. De sector betoogt in het voorstel enerzijds binnen de productieketen afspraken te willen maken over de verwerking en afzet van producten van gevaccineerde dieren binnen Nederland. Anderzijds stelt zij de compensatie voor de daaraan gerelateerde afwaarderings- en kanalisatiekosten te willen delen met de overheid (75% bedrijfsleven, 25% overheid) met dien verstande dat de overheid een eventueel «open einde» afdekt bij grote dierziekteuitbraken. Een inschatting van de omvang van deze kosten, of de bandbreedte hiervan, was nog niet in het sectorvoorstel opgenomen.
De inzet van mijn ministerie in dit traject is, conform afspraken hierover met de sector in het convenant Financiering bestrijding besmettelijke dierziekten, steeds gericht geweest op het ondersteunen van private initiatieven voor risicobeheer (fonds, verzekering). Mijn ministerie heeft vanuit die optiek de sector in 2011 ook intensief ondersteund bij het ontwikkelen van een sectorvoorstel tot afdekking van de afzetschade. De inzet was om dit voorstel in te dienen voor Europese cofinanciering in het kader van artikel 68 van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). De indiening van dit voorstel is echter door de sector niet doorgezet.
De nu gevraagde financiële garantstelling door de overheid bij overschrijding van de mogelijkheden van een sectorfonds overstijgt niet alleen de afspraken uit bovenstaand convenant, maar is ook in tegenspraak met het overheidsbeleid om geen gevolgschade te vergoeden.
Kunt u een overzicht geven van de totale kosten voor 1. de sector en 2. de overheid van dierziekten uitbraken in de volgende gevallen: en kunt u daarbij ook de verminderde belastinginkomsten voor de staat ten gevolge van de verminderde economische activiteit zichtbaar maken en de inflatie-correctie inzichtelijk maken?
De directe bestrijdingskosten (uitvoeringskosten, diagnostiek, compensatie veehouders van geruimde dieren, vaccinatiekosten, kosten voor welzijnsmaatregelen) voor de uitbraak van klassieke varkenspest (KVP) in 1997 bedroegen in totaal ongeveer € 1,3 mrd, waarvan € 19,5 mln is gefinancierd door de varkenssector.
De totale directe bestrijdingskosten voor de uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ) in 2001 bedroegen +/- € 276,4 mln, waarvan € 157,9 mln is gefinancierd door de overheid en € 118,5 mln door de betrokken sectoren.
De totale directe bestrijdingskosten voor de uitbraak van vogelgriep (aviaire influenza, AI) in 2003 bedroegen +/- € 237,7 mln, waarvan € 226,4 mln is gefinancierd door de overheid en € 11,3 mln door de pluimveesector.
De genoemde overheidsbijdragen zijn gefinancierd door de nationale overheid en de Europese Unie (EU). Mits wordt voldaan aan de declaratie- en verantwoordingscriteria van de EU bedraagt de cofinanciering vanuit de EU normaliter ruwweg 50% van de totale directe bestrijdingskosten.
De financiële verantwoording vanuit het ministerie concentreert zich op de directe kosten die door of in opdracht van de overheid worden gemaakt bij de bestrijding van zeer besmettelijke dierziekten. De inzet van de bestrijding is er daarbij op gericht om een uitbraak, en daarmee dus ook de bredere impact ervan, zo beperkt mogelijk te houden. Het in beeld brengen van verminderde belastinginkomsten voor de staat, voor zover al meetbaar en herleidbaar tot de betreffende dierziekteuitbraak, wordt niet als zodanig gedaan.
Welke bijdrage wordt er van u gevraagd van de andere convenantpartijen en met welke frequentie? Kunt u een raming geven van de bandbreedte van geschatte kosten bij een nieuwe dierziekte uitbraak?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten waarom u bij de afweging tussen de potentiële kosten van een dierziekte uitbraak en de kosten van een bijdrage aan het convenant, gekozen hebt voor het eerste? Kunt u toelichten wat de morele rechtvaardiging is van deze keuze in het licht van de grote aantallen dieren die afgemaakt moeten worden bij een dierziekte uitbraak en het leed dat de betreffende veehouders en «ruimers» hiermee berokkend wordt?
Het vaccinatiebeleid is door de jaren heen door de overheid en de sector samen ontwikkeld om tegemoet te komen aan de maatschappelijke wens om minder dieren te ruimen in het kader van de dierziektenbestrijding. Noodvaccinatie wordt toegepast tijdens een uitbraak om de verspreiding van een dierziekte zoveel mogelijk tegen te gaan en als alternatief voor het preventief ruimen van dieren/bedrijven. Het instellen van een dergelijk fonds zal echter een uitbraak van een dierziekte, noch de bestrijdingskosten die daarmee gepaard gaan, kunnen voorkómen. Er is daarmee dus geen sprake van een keuze tussen twee alternatieven. De verwachting is wel dat de directe bestrijdingskosten lager zullen uitvallen met de inzet van vaccinatie, hetgeen al is verdisconteerd in de financieringsafspraken hieromtrent tussen sector en overheid in het convenant Financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2010–2014. Mijn besluit is dus geenszins een nee tegen de inzet van vaccinatie, maar wel tegen de beoogde rol voor de overheid bij het afdekken van de gevolgschade die een veehouder, wiens dieren zijn gevaccineerd, mogelijk zal ondervinden in vergelijking met collega-veehouders van wie de dieren niet zijn gevaccineerd.
Nog los van het feit dat de sector ook zonder een overheidsbijdrage collectief kan besluiten de veehouder(s) wiens dieren zijn gevaccineerd uit eigen middelen te compenseren voor eventuele gevolgschade, vertrouw ik er op dat het de innerlijke drijfveer van de Nederlandse veehouder is om in het algemeen belang en dat van hemzelf en zijn collega-veehouders een uitbraak zo klein mogelijk te houden.
Bent u op de hoogte van het gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor het ruimen van dieren en wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dieren, die ten tijde van een ziekte uitbraak gevaccineerd worden, niet alsnog worden geruimd, omdat er geen markt is voor deze producten? Bent u bereid de onderhandelingen over het convenant te heropenen en alsnog een financiële bijdrage op tafel te leggen?
Juist het ontbreken van maatschappelijk draagvlak voor het toenmalige bestrijdingsbeleid was voor voormalig LNV jaren geleden aanleiding om in overleg met de sector het bestrijdingsbeleid aan te passen en, daar waar geschikte vaccins beschikbaar zijn, noodvaccinatie te verkiezen als bestrijdingsinstrument. Dit beleid is ook vastgelegd in de bestrijdingsdraaiboeken van mijn ministerie, die met de sector zijn afgestemd.
De producten van gevaccineerde dieren zijn geschikt voor humane consumptie. Het in de markt afzetten van deze producten is primair de taak van de sector zelf. De waardedaling van deze producten in de markt is voor de overheid geen reden om deze dieren alsnog te ruimen. Wel zal ik me inspannen om een oplossing te zoeken voor deze afzetproblematiek, zoals ik heb aangegeven bij vraag 2.
Onderkent u dat het wenselijk is met inachtneming van het gebrek aan draagvlak voor het ruimen van dieren en de economische schade die geleden wordt, om preventieve vaccinatie van dieren en de afzet van producten van deze dieren, mogelijk te maken?
Laat ik voorop stellen dat de prioriteit ligt bij het voorkomen van de insleep van dierziekten, waarbij ik, mits toegesneden op een specifieke situatie, zeker niet tegen de inzet van preventieve vaccinatie ben. Dit blijkt ook uit de toepassing ervan bij bijvoorbeeld Q-koorts en pseudo-vogelpest (Newcastle disease, NCD).
Het is ten principale echter zeer de vraag of preventieve vaccinatie tegen besmettelijke dierzieken die vallen onder het huidige Europese non-vaccinatiebeleid, zoals MKZ en KVP, op dit moment gewenst is. Het huidige verbod op preventieve vaccinatie is vastgelegd in de Europese Richtlijnen voor de bestrijding van MKZ en KVP. Afwijking hiervan kan daarmee niet op steun rekenen van andere Lidstaten en ook de OIE kent in haar internationale standaarden grote beperkingen in de handel van (producten van) gevaccineerde dieren. Daarbij is het dus de vraag of het voor Nederland zelf de aantrekkelijkste optie zou zijn. Zo wordt ruwweg 60% van de totale Nederlandse dierlijke productie geëxporteerd, waarvan 48% naar de EU, waardoor overschakelen op preventieve vaccinatie tegen MKZ of KVP op dit moment het «failliet» van de Nederlandse export zou betekenen. Daarbij komt dat nog diverse andere knelpunten bestaan (circulatie van meerdere virustypen bij AI en MKZ, uitvoeringskosten, welzijn van dieren bij herhaalde jaarlijkse enting, draagvlak in de sector, etc.) waardoor preventieve vaccinatie bij deze dierziekten minder of zelfs niet effectief c.q. aantrekkelijk is.
Destijds resulteerde de afweging van de diverse belangen in het Europese non-vaccinatiebeleid. Mede door grote inzet van Nederland is dit strikte non-vaccinatiebeleid inmiddels versoepeld, waardoor de inzet van noodvaccinatie tegen onder andere MKZ en KVP nu binnen de EU is toegestaan.
Kunt u de Kamer informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van de leden Ormel en Snijder-Hazelhoff2, «Het opheffen van handelsbeperkende maatregelen voor vaccinatie»? Zo nee, waarom niet?
Conform het verzoek in de motie wordt momenteel een plan van aanpak opgesteld voor het opheffen, of op zijn minst versoepelen, van de bestaande internationale handelsbeperkende maatregelen in verband met vaccinatie. Hierover zal de Kamer nog voor het einde van dit jaar per brief worden geïnformeerd. Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u garanderen dat met het huidige noodvaccinatie beleid, het ruimen van gezonde gevaccineerde dieren bij ziekte uitbraken wegens gebrek aan afzetmarkt uitgesloten is?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u dat, om het ruimen van dieren niet langer als maatregel te hoeven inzetten bij ziekte uitbraak, overgaan tot preventief vaccineren (dus niet alleen bij ziekte uitbraak) de beste optie is? Zo nee, waarom niet en welke andere opties zijn er dan? Welke reden heeft u om aan te nemen dat dit effectiever is en welke acties heeft u ondernomen en gaat u ondernemen om echte preventieve vaccinaties mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 8.
Kent u het bericht «Ruimen effectiever dan vaccineren»3 waarin betoogd wordt dat de noodvaccinatie die u voorstelt, niet effectief zal zijn en zo ja, wat is hierop uw reactie en bent u alsnog bereid tot preventieve vaccinatie?
Ja.
Genoemd onderzoek is destijds uitgevoerd op verzoek van mijn voorganger ter onderbouwing van de besluitvorming bij een nieuwe uitbraak van hoogpathogene vogelgriep (aviaire influenza, AI). Met de inzet van de huidige vaccins, die nog aan ieder individueel dier apart moeten worden toegediend, is vaccinatie tegen AI in uitbraaksituaties onvoldoende effectief.
Eerder heeft Nederland Europese goedkeuring gekregen voor een preventief vaccinatieprogramma tegen vogelgriep in Nederland. Vanwege onder andere de hoge kosten in verband met de individuele toediening van het vaccin en de problemen rondom de afzet van (producten van) gevaccineerde dieren kende deze campagne weinig deelname in de sector en is deze beëindigd. Voordat een makkelijker toepasbaar (spray)vaccin beschikbaar is, lijkt het opstarten van een nieuwe campagne weinig zinvol. EZ ondersteunt overigens al jaren grootschalig vaccinonderzoek in die richting.
Kunt u bevestigen dat het non-vaccinatiebeleid in de EU stoelt op het argument dat onderscheid tussen gevaccineerde dieren en geïnfecteerde dieren niet mogelijk zou zijn? Zo nee, welke argumenten houden dit beleid dan in stand?
Het Europese non-vaccinatiebeleid voor een aantal zeer besmettelijke ziekten zoals KVP en MKZ is in de jaren negentig aangenomen omdat de voordelen van vaccinatie destijds niet meer opwogen tegen de nadelen. Het jaarlijks preventief vaccineren kostte veel geld en had (door de herhaalde vaccinaties) ook een negatief effect op het dierenwelzijn. Omdat er geen onderscheid gemaakt kon worden tussen gevaccineerde en besmette dieren werd de internationale handel belemmerd.
Kunt u bevestigen dat zogeheten DIVA (Differentiating Infected from Vaccinated Animals) vaccins dit probleem verhelpen? Zo nee, waarom niet en welke acties gaat u ondernemen om toepassing en ontwikkeling van deze vaccins te realiseren?
Door toepassing van DIVA-vaccins kan met een bijbehorende diagnostische test onderscheid worden gemaakt tussen besmette en gevaccineerde dieren. Deze informatie is van belang bij de aanpak van de betreffende dierziekte maar ook om bepaalde zekerheden te kunnen bieden aan internationale handelspartners. De Nederlandse vaccinatieprogramma’s tegen KVP en MKZ zijn overigens al volgens dit principe opgezet.
DIVA vaccins vormen dus een belangrijke stap in de goede richting, maar ook deze vaccins en de toepassing ervan moeten op sommige punten nog wel worden doorontwikkeld en verfijnd. Er is en wordt daarom veel (inter)nationaal onderzoek uitgezet om deze ontwikkeling te stimuleren, zoals de ontwikkeling van betere diagnostische tests en nieuwe generaties DIVA vaccins.
EZ ondersteunt onderzoeksprogramma’s waarin wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins tegen onder andere AI, Crimean-Congo heamorrhagic fever en Rift Valley fever. Ook onder de Roadmap One Health binnen de topsector Life Sciences and Health zal worden gewerkt aan vaccinontwikkeling voor opkomende zoonosen. In deze vaccinontwikkelingstrajecten is het DIVA principe een belangrijke doelstelling.
Wat heeft Nederland in het verleden in Europa bepleit, wat gaat u bepleiten in de toekomst en bent u bereid preventieve vaccinatie en DIVA vaccins actief te agenderen?
Mijn ministerie heeft de afgelopen jaren fors ingezet op de ontwikkeling van DIVA vaccins en betere diagnostische tests en zal dit blijven doen. Mijn inzet is gericht op een bredere, internationale acceptatie van het instrument vaccinatie. Ik maak daartoe het onderwerp vaccinatie in brede zin bespreekbaar in diverse internationale gremia, zet me in voor de borging van de toepassingsmogelijkheden van vaccinatie in de nieuwe Europese diergezondheidswetgeving en maak me sterk voor het wegnemen van beperkingen in EU-regelgeving en internationale standaarden voor de handel in vlees en zuivel van gevaccineerde dieren. Ik zal hier ook nader op terugkomen in mijn brief aan uw Kamer over de uitvoering van de motie Ormel en Snijder-Hazelhoff.
Bent u bereid om te investeren in de ontwikkeling van DIVA vaccins voor in Nederland bestrijdingsplichtige ziektes? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om, zodra er geschikte DIVA vaccins beschikbaar zijn, in Nederland over te gaan op preventief vaccineren van vee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Veehouders die nog niet voldoen aan antibioticaregels |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de constatering van het Productschap Vee en Vlees (PVV) dat zevenduizend rundveehouders nog niet voldoen aan de verplichtingen voor de antibioticaregelgeving die per 1 januari 2013 zullen ingaan?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ik heb kennisgenomen van de constatering. Op grond van de verordening registratie en verantwoording antibioticagebruik van het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) dienen rundveehouders met 5 of meer runderen sinds 1 januari 2012 onder andere de geleverde antibiotica centraal te registreren in de daartoe aangewezen database Medirund. Daarnaast moeten zij zich op eigen kosten laten controleren op naleving van de verordening. Rundveehouders kunnen dit doen door zich aan te melden bij een door het PVV erkende controleorganisatie of kwaliteitssysteem.
Van de bijna 32 000 rundveehouders in Nederland, hebben 7 000 rundveehouders nog niet aan de controleverplichting en/of de verplichting tot centrale registratie van de geleverde antibiotica voldaan.
Deze situatie is onwenselijk. Een volledige en betrouwbare registratie is van belang voor de monitoring van het gebruik en als instrument om het gebruik te kunnen verlagen.
De voorzitter van het PVV heeft de betreffende rundveehouders in oktober 2012 schriftelijk gewezen op de voornoemde verplichtingen. De rundveehouders hebben tot 1 december 2012 de tijd gekregen om aan de verplichtingen uit de verordening te voldoen. Als blijkt dat een rundveehouder na 1 december 2012 nog steeds in overtreding is, zal het PVV tuchtrechtelijke maatregelen nemen. Maatregelen die door het Tuchtgerecht PVV kunnen worden opgelegd zijn geldboetes, berisping, openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veehouder en het onder een verscherpt toezichtsregime plaatsen.
Ik ga ervan uit dat de door de voorzitter van het PVV genomen maatregelen effectief zullen zijn.
Hoe verklaart u het feit dat zevenduizend veehouders niet voldoen aan de verplichtingen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voor het einde van dit jaar alle veehouders voldoen aan de nieuwe regels?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om, eventueel in samenwerking met het PVV, veehouders aan te spreken op het niet op tijd voldoen aan de regels, ervoor te zorgen dat alle veehouders voor 1 december van dit jaar voldoen aan de regels en waar nodig maatregelen te treffen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om de Kamer nog voor het einde van het jaar te informeren over de voortgang omtrent de nieuwe antibioticaregels en inzicht te geven in de maatregelen die dan mogelijk zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil u verwijzen naar de brief die wij uw Kamer op 18 oktober 2012 (TK 29 683 nr. 592) hebben gestuurd. In deze brief is een overzicht gegeven van de voortgang van wet- en regelgeving inzake zorgvuldig antibioticagebruik in de veehouderij. Ik zal u in het voorjaar van 2013 een nieuw overzicht over de voortgang sturen.
Apen die op wrede wijze worden afgemaakt in een proefdierfokkerij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de constateringen van de British Union for the Abolition of Vivisection (BUAV ) dat «overtollige» apen in een proefdierfokkerij van Noveprim Ltd op Mauritius op wrede wijze zijn afgemaakt, in bakken gedumpt en verbrand?1
Ik ben niet bekend met de in de vragen genoemde situatie. Aangezien het naar ik uit de vragen begrijp om een bedrijf gaat dat gevestigd is op Mauritius en niet in Nederlands eigendom is vind ik het logisch dat ik niet over deze zaak geïnformeerd te ben.
Wat vindt u ervan dat een proefdierfokker c.q. -handelaar overschotten aan dieren laat ontstaan, in dit geval apen van boven de 3,5 kilo waarin laboratoria niet geïnteresseerd zouden zijn, om deze dieren vervolgens op brute wijze af te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat de betreffende proefdierfokker/handelaar op Mauritius voor een groot deel in Britse handen is?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u, eventueel via navraag bij de Europese Commissie, uiteenzetten welke Europese landen of onderzoeksinstituten binnen Europa apen gebruiken die afkomstig zijn van deze fokkerij? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om hoeveel apen gaat het per jaar, voor welke onderzoeken worden ze gebruikt en in welke landen worden ze voornamelijk gebruikt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe Nederlandse en andere Europese onderzoeksinstituten de apen die ze gebruiken voor experimenten selecteren en aan welke «wensen» de apen moeten voldoen? Is het waar dat zij apen «bestellen» die minder wegen dan 3,5 kilo? Aan welke andere eisen moeten de te importeren apen voldoen, en welke consequenties heeft dat, gelet op de slachtingen die worden aangericht onder «overtollige» apen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uiteenzetten of, en zo ja in hoeverre, het afmaken van de apen in strijd is met de Europese Dierproevenrichtlijn, zowel in het licht van de gedeeltelijk Britse achtergrond van het bedrijf als in het licht van mogelijke leveringen van apen door deze proefdierfokker aan Europese laboratoria? Vindt u de richtlijn afdoende om proefdierfokkerijen zoals Novemprim Ltd te kunnen aanpakken? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat de Europese Dierproevenrichtlijn ruimte biedt voor nationale overheden, zoals de Britse, om nadere regels te stellen aan de fokkerij van, handel in en import van proefdieren?
De richtlijn bevat maatregelen ter bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden. Daartoe worden ondermeer voorschriften vastgesteld betreffende de verfijning van het fokken en de huisvesting en verzorging van dieren; de herkomst, het fokken en het doden van dieren; en het functioneren van fokkers en leveranciers.
Kunt u aangeven of de Nederlandse apenhandelaar R.C. Hartelust BV ook apen van de apenfokkerijen op Mauritius koopt? Zo nee, waarom weet u dat niet? Zo ja, om hoeveel dieren per jaar gaat het dan, in welke onderzoeksinstituten in Nederland en Europa komen de apen terecht en voor welke onderzoeken worden ze gebruikt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of er andere Nederlandse handelaren of instituten zijn die rechtstreeks of via Covance UK apen kopen die afkomstig zijn van fokkerijen op Mauritius? Zo ja, om hoeveel handelaren en/of instituten gaat het dan, hoeveel dieren betreft het en waar gaan de apen naartoe? Zo nee, waarom weet u dit niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onethisch is deze gezonde dieren massaal te doden terwijl ze wellicht in het wild konden worden teruggezet? Kunt u aangeven of alternatieven, zoals terugplaatsing in het wild, zijn onderzocht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat Nederland op geen enkele wijze (meer) betrokken zal zijn bij de wrede afslachtingen van apen, zoals op Mauritius het geval is? Bent u voorts bereid om er bij uw Europese collega’s voor te pleiten dat hun onderzoeksinstituten niet langer meewerken aan deze wrede praktijken? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Een toename van locomotieproblemen bij vleeskuikens |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) in het tweede kwartaal van 2012 tweehonderd meer meldingen van locomotieproblemen bij vleeskuikens heeft binnengekregen dan in het eerste kwartaal? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?1
Ja.
Uit onderzoek van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) blijkt dat enterococcen en met name Enterococcus cecorum verantwoordelijk zijn voor de toename van locomotieproblemen sinds 2007–2008. Deze toename deed zich met name voor in het tweede kwartaal van zowel 2011 als 2012. Een toename in locomotieproblemen bij vleeskuikens is ook waargenomen in andere productielanden. Op basis van de gegevens uit voorgaande jaren lijkt een seizoensinvloed onwaarschijnlijk. De reden van het steeds terugkomen en weer sterk verminderen van het aantal koppels met deze problemen is een van de zaken die in het onderzoek worden uitgezocht.
Volgens de GD kan het gebeuren dat een aantal meldingen hetzelfde koppel vleeskuikens betreft. Overigens, als een dierenarts bij een koppel locomotieproblemen vaststelt en meldt, betekent dit niet dat alle dieren in de stal kreupel lopen. Het gaat hierbij meestal om enkele procenten.
Ik vind het een goede zaak dat het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid neemt met dit onderzoek naar de oorzaak en de bron van deze besmetting op vleeskuikenbedrijven met als doel deze beter te kunnen bestrijden en daarmee het ongerief terug te dringen.
Bent u van mening dat er, naast de bacterie Enterococcus cecorum, andere oorzaken zijn voor de toename van locomotieproblemen, zoals management, manier van huisvesten en genetische factoren en dat het van belang is ook deze oorzaken aan te pakken? Zo ja, wat gaat u doen om deze oorzaken aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen kunnen locomotieproblemen vele oorzaken hebben, zoals ziekteverwekkers, genetische factoren, huisvesting en management. Volgens de European Food Safety Authority (EFSA) lijkt de genetische achtergrond van het kuiken bepalend te zijn voor deze problemen.
Fokbedrijven hebben aandoeningen die kunnen leiden tot locomotieproblemen opgenomen in hun selectie index en de incidentie daarvan neemt duidelijk af. Zoals aangegeven in het antwoord op de eerste vraag wijst de GD op de belangrijke rol die de bacterie Enterococcus cecorum speelt in de toename van de locomotieproblemen die de laatste jaren wordt waargenomen.
De norm voor voetzoollaesies die van kracht wordt vanaf 1 januari 2013 heeft als doel het ongerief dat deze aandoening veroorzaakt terug te dringen. In een lopend onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) wordt gekeken naar de locomotie van vleeskuikens met weinig of juist met ernstige voetzoollaesies. Eerder onderzoek heeft een correlatie aangetoond tussen de locomotiescore en de incidentie van voetzoollaesies bij traaggroeiende kuikens (slechtere locomotie leidt tot meer laesies). Verwacht wordt dat het sturen op voetzoollaesies tot een geringe verbetering van de locomotie zal leiden, omdat ook andere factoren een rol spelen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in het onderzoek van de GD ook wordt gekeken naar andere oorzaken van locomotieproblemen in brede zin? Zo ja, gaat u de GD hierin aansturen? Zo nee, waarom niet?
Er wordt al jaren door verschillende partijen in binnen- en buitenland onderzoek gedaan naar de oorzaken van locomotieproblemen waaronder het betreffende onderzoek bij de GD. Dit onderzoek spitst zich nu vooral toe op Enterococcus cecorum omdat hierover nog weinig bekend is en de problemen (met name ziekte & welzijn en economische schade) die door deze bacterie worden veroorzaakt het grootst zijn. De GD is voornemens het onderzoek naar de infectieroute met Enterococcus cecorum en de interventiestrategie in 2013 voor te zetten. Ik vind het een goede zaak dat het bedrijfsleven zelf het voortouw neemt voor dit onderzoek. Ik ben bereid de Kamer te zijner tijd te informeren over de resultaten van het onderzoek.
Kunt u aangeven op welke termijn het onderzoek door de GD zal zijn uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer zal de Kamer over de uitkomsten worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in bredere zin onderzoek te laten uitvoeren naar welzijn gerelateerde problemen bij vleeskuikens? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
De overheid en het pluimveebedrijfsleven hebben samen al veel onderzoek laten doen naar welzijn gerelateerde problemen bij vleeskuikens. Het WUR-onderzoek betrof de laatste jaren voornamelijk voetzoollaesies en maatregelen in de bedrijfsvoering waarmee vleeskuikenhouders deze aandoening zo veel mogelijk kunnen voorkomen. Dit jaar loopt een aanvullend onderzoek naar de oorzaken van voetzoollaesies. Over eventueel nieuw onderzoek in 2013 wordt in overleg met de topsector Agro & Food besloten. Verder bevat het Vleeskuikenbesluit een norm om de uitval te beperken, afhankelijk van de slachtleeftijd en van de bezettingsdichtheid. Dit jaar wordt onderzocht of en hoe de houders aan deze norm kunnen voldoen in combinatie met antibioticumvrij/arm produceren.
Aanhoudende problemen met de opslag en opvang van (in beslaggenomen) dieren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat 2100 dieren dreigen te verhongeren omdat de noodlijdende Stichting Nederlandse Opvang voor Papegaaien (NOP) geen geld meer heeft om de dieren te voeden?1
Ik vind het spijtig dat dit opvangcentrum in deze problemen terecht is gekomen. Ik hoop in het belang van de dieren en de medewerkers en vrijwilligers van de NOP dat het lukt de problemen op een goede manier op te lossen.
Hoe beoordeelt u de nieuwe ophef over de NOP in het licht van eerdere misstanden, waaronder illegale handel, verduistering van geld, en verwaarlozing van dieren?2 3 4 5 6
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven waarom u voor de opvang van inbeslaggenomen dieren een contract bent aangegaan met deze klaarblijkelijk al langer noodlijdende organisatie, terwijl u heeft aangegeven dat alle contractpartners op financiële en economische draagkracht worden getoetst?7 8
In het kader van de aanbesteding wordt ook gekeken naar de financiële en economische draagkracht van de opslaghouder. Bij de beoordeling van de inschrijving van de NOP zijn destijds geen feiten aan het licht gekomen op grond waarvan had moeten worden getwijfeld aan de financiële draagkracht van de NOP.
Is het waar dat het u het contract met de NOP inmiddels heeft opgezegd? Zo ja, kunt u aangeven wat de specifieke aanleiding was om dit contract op te zeggen, gezien het feit dat u de eerdere, aanhoudende kritiek op de NOP hierover in de wind heeft geslagen? Zo nee, bent u bereid dit contract alsnog op te zeggen?
Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) heeft deze zomer alle contracten met de NOP beëindigd. Er werd niet meer voldaan aan de administratieve eisen, die gesteld worden aan opslaghouders. Bovendien was er gerede twijfel of deze opslaghouder kon blijven voldoen aan de gestelde welzijnseisen. Omdat er bovendien geen zekerheid was of de vastgestelde omissies op korte termijn konden worden opgelost is besloten de contracten op te zeggen.
Kunt u aangeven hoeveel van de dieren die momenteel in de NOP opgevangen worden daar geplaatst zijn door Dienst Regelingen?
Er zijn op dit moment geen dieren meer in opdracht van Dienst Regelingen bij de NOP geplaatst.
Krijgt de NOP nog steeds geld voor deze geplaatste dieren, aangezien in het contract was afgesproken dat de opvang per dier en per dag betaald zou worden? Zo ja, hoe is het mogelijk dat de NOP geen geld heeft om de dieren in het park te voeden, terwijl de directie inkomsten ontvangt voor de opvang van (een deel van) de dieren? Zo nee, deelt u de mening dat u verantwoordelijk bent voor het welzijn van deze dieren en dat u – door het opheffen van het contract zonder een passende oplossing te bieden – 2100 vogels aan hun lot overlaat?8
De dieren die nu nog verblijven bij de NOP zijn niet in opdracht van EL&I bij de NOP geplaatst en derhalve de verantwoordelijkheid van de NOP zelf. Dierentuinen, opvangcentra en asielen worden, behoudens afspraken met de overheid in het kader van de opslag of de bewaarplicht voor gevonden dieren, niet gefinancierd door de overheid. Mocht het welzijn van dieren in het geding komen dan kan ik hiertegen optreden.
Deelt u de mening dat er inmiddels ruim voldoende bewijs is dat de NOP geen geschikte opvangplek is en dat er dus zo snel mogelijk een deugdelijke, alternatieve opvangplek moet komen voor alle dieren die in de NOP gehuisvest worden? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
De NOP is vanwege de hiervoor genoemde tekortkomingen op dit moment geen geschikte locatie meer voor het onderbrengen van dieren die door de overheid in beslag of in bewaring zijn genomen. Er worden dan ook geen dieren meer ondergebracht bij de NOP door EL&I.
Indien het welzijn van dieren wordt geschaad dan kan ik via bestuursrechtelijke maatregelen optreden ter bescherming van deze dieren. Ik heb op dit moment geen aanleiding voor een dergelijk ingrijpen bij de NOP.
Hoe beoordeelt u de tragische gang van zaken aangaande uw samenwerking met de NOP in het licht van de bestaande aanbestedingsprocedure die er op gericht is zo goedkoop mogelijk opvang te kunnen aanbesteden, zonder een deugdelijk landelijk beleid voor de opvang van dieren?
Alleen die locaties die kunnen voldoen aan de door mij geëiste dierenwelzijnsvoorschriften kunnen meedoen aan de aanbesteding voor de opslag van dieren. Van deze vooraf gestelde minimale eisen wijk ik niet af ten behoeve van een goedkopere locatie.
Het feit dat dit opvangcentrum in opspraak is geraakt, is uiterst bedroevend. Er zijn echter een groot aantal opvangadressen in Nederland die wel voldoen aan de eisen en waarmee ik al jaren op een goede manier samenwerk in het kader van de opslag van dieren.
Kunt u bevestigen dat de (financiële) problemen waar dierenopvangcentra en -asielen mee kampen de afgelopen tijd niet zijn afgenomen en zelfs groter zijn geworden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen en kunt u uitleggen hoe u het zover heeft laten komen terwijl de Kamer u via twee moties van het lid Ouwehand in de eerste helft van 2011 heeft verzocht om de problematiek van opvang voor gezelschapsdieren aan te pakken en de opslag van inbeslaggenomen dieren te verbeteren? Zo nee, hoe kan het dat u geen zicht heeft op het functioneren van de opvang en opslag van dieren in Nederland?9 10
Ik kan dit signaal niet bevestigen. Uit mijn contacten met opslaghouders blijkt een dergelijke trend niet. Zoals ik heb aangegeven in antwoord op uw vragen van 22 mei 2012 (TK, 2011–2012, Aanhangsel van de handelingen nr. 2997) heb ik geen zicht op de financiële situatie van alle asielen en opvangcentra. Zoals ik heb aangegeven in de reactie op uw motie (TK, 2011–2012, 28 286, nr. 540), zet ik mij vooral in voor het voorkomen van het ontstaan van zwerfdieren en dieren die opvang behoeven zoals bijvoorbeeld via de identificatie en registratieplicht voor honden en de verplichte voorlichting aan kopers, zoals opgenomen in het Ontwerpbesluit gezelschapsdieren teneinde het aantal ondoordachte aankopen te verminderen.
Nestgedrag van zeugen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de video «Sterkselse zeug in een winkel vol nestbouwmaterialen»?1
Ja.
Deelt u de mening van de filmmakers dat ook gedomesticeerde drachtige zeugen nog de onweerstaanbare behoefte voelen een nest te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat blijkt uit het filmpje.
Kunt u aangeven op hoeveel procent van de varkensvermeerderingsbedrijven nestmateriaal aanwezig is, voorafgaand aan de geboorte van biggen? Kunt u daarbij nader toelichten om wat voor materialen het dan gaat? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar in te stellen, en zo ja, op welke termijn en wijze?
Voor wat betreft het maken van een nest en het daarvoor beschikbaar stellen van nestmateriaal bestaat een wettelijk kader. In de varkensrichtlijn 2008/120/EG 2
is vastgelegd dat in de laatste week voor het werpen zeugen en gelten (jonge zeugen die nog niet geworpen hebben) over voldoende en adequaat nestmateriaal moeten kunnen beschikken, tenzij zulks met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. Dit is overgenomen in het Varkensbesluit en de opvolger van dit besluit onder de Wet Dieren, het Besluit houders van dieren.
In Nederland maakt het overgrote deel van de zeugenhouderijbedrijven gebruik van een mengmestsysteem. Tot op heden was er geen perspectiefvol alternatief voor het instrooien van het kraamhok met nestmateriaal zoals stro, hooi of houtkrullen zonder negatief effect op deze mengmestmethode. Het is om redenen van dierenwelzijn en diergezondheid echter van belang dat dieren hun soorteigen gedrag kunnen uitvoeren. Om er toch voor te zorgen dat aan dit oergedrag van de zeug tegemoet wordt gekomen en daarmee het mengmestsysteem niet meer als beperkende factor geldt, heeft het kabinet de afgelopen jaren geïnvesteerd in onderzoek naar huisvestingssystemen die meer voldoen aan de behoeften van dieren ten algemene en naar het nestgedrag van zeugen in het bijzonder. Via de investeringsregeling wordt grootschalige implementatie gestimuleerd. Dit heeft onder andere geresulteerd in een inventieve toepassing, te weten Pro Dromi Easy Nesting, onderdeel van het onderzoek naar het kraamhok nieuwe stijl waar ik in mijn antwoord op vraag 4 naar verwijs. Een simpel maar revolutionair idee, namelijk het bevestigen van een jutezak, lijkt meer rust te genereren en minder kans op doodgelegen biggen en ook toepasbaar te zijn in traditionele kraamhokken. Op dit moment wordt deze toepassing getest in de praktijk. Als hieruit blijkt dat de resultaten net zo perspectiefvol zijn als uit dit onderzoek blijkt dan verwacht ik op korte termijn een grootschalige toepassing hiervan in de praktijk.
Deelt u de mening dat het krijgen van jongen op een kale betonnen vloer tussen metalen stangen inbreuk maakt op de soort specifieke behoeften van landbouwhuisdieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht u deze inbreuk toelaatbaar en waarom?
Het traditionele kraamhok komt aan enkele behoeften tegemoet. Zo beschermt het de biggen tegen doodliggen, het verstrekt een koele ligplaats voor de zeug en een warme plek voor de biggen. Het traditionele kraamhok kent echter een aantal beperkingen, zoals het bouwen van een nest. Ik ondersteun dan ook de innovatie naar een kraamhok nieuwe stijl waarin nog beter tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van zowel zeug als big. Meer informatie over dit kraamhok nieuwe stijl kunt u vinden op http://www.prodromi.nl/.
Deelt u de mening dat alle productiedieren in de Nederlandse veehouderij de vrijheid zouden moeten hebben hun soort specifiek gedrag, zoals het bouwen van een nest, uit te oefenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hiervoor een wettelijk kader te scheppen en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het moreel toelaatbaar wanneer landbouwhuisdieren ernstig beperkt worden in hun soort specifiek gedrag, enkel om economische redenen? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze komt deze ontoelaatbaarheid in uw beleid tot uitdrukking?
Hoe dieren gehuisvest en verzorgd worden, hangt van meer factoren af, niet enkel economische. Immers, geen goede verzorging of in zeer beperkte mate tegemoet komen aan de behoeften van het dier heeft in zich zelf een negatief effect op productie en dus op de economie. De mate waarin tegemoet gekomen wordt aan specifiek gedrag kent wel een economische afweging. Dat is de verantwoordelijkheid van de zeugenhouder en de uitdaging waar de gehele veehouderijketen voor staat: met een beter welzijn meer verdienen als onderdeel van een duurzame veehouderij.
Bent u bereid een wettelijke verplichting in te stellen voor het verschaffen van voldoende nestmateriaal aan fokzeugen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat emissiearme vloeren van de RAV-lijst verdwijnen |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Joop Atsma (CDA), Henk Bleker (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Emissiearme stalvloeren in de melkveehouderij dreigen van de Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) te verdwijnen»?1
Ja.
Kent u het bericht «Ammoniak slot op melksector» waaruit naar voren komt dat de eerste meetresultaten van proefstallen wel een ammoniakreductie laten zien van 20–40%, maar dat door Mosquera et al. een hogere emissiewaarde per dier per jaar van 13–14 kg ammoniak wordt gemeten dan op de RAV-lijst?2 3
Ja.
Hoe verhoudt deze problematiek zich tot de begrotingstaakstelling van 2012–2013 van het ministerie van Infrastructuur en Milieu om het beheer van de RAV-lijst te privatiseren?
De problematiek van de stalvloeren in de melkveehouderij staat geheel los van het voornemen de beoordeling van stalsystemen in het kader van de Rav te privatiseren.
Deelt u de mening dat de oorzaak met name ligt in het ontbreken van metingen door enerzijds dure ingewikkelde metingen en anderzijds doordat soortgelijke vloeren worden ontwikkeld welke dezelfde systeemaanduiding krijgen op de RAV-lijst, maar waar enkel de eerste ontwikkelaar voor de meetkosten aan de lat staat? Welke acties onderneemt u?
Nee, ik deel deze mening niet. Niet het ontwikkelen van soortgelijke stalsystemen door anderen (hun registratie vervalt immers eveneens) zorgt voor stagnatie, maar juist dat het binnen de huidige systematiek van voorlopige emissiefactoren profijtelijk is om steeds nieuwe iets innovatievere systemen op de markt te brengen in plaats van het uitvoeren van de metingen. Desalniettemin, zal ik bezien of binnen het kader van de (uitvoering van de) Regeling ammoniak en veehouderij (hierna Rav) aanpassingen noodzakelijk zijn in verband met de problematiek rond metingen en de ontwikkeling van soortgelijke vloeren.
Is het waar dat veel emissiearme vloeren op 1 februari 2014 van de RAV-lijst dreigen te verdwijnen? Welke impact heeft dat op bedrijven die te maken hebben met het Actieplan ammoniak en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)?
Indien de emissiearme stalvloeren die in februari 2011 met een voorlopige emissiefactor in de bijlage bij de Rav zijn opgenomen, niet bemeten gaan worden, zullen deze in 2014 uit de bijlage bij de Rav worden verwijderd. Het meten van de proefstallen is immers een voorwaarde om voor een voorlopige emissiefactor in aanmerking te komen. Begin dit jaar zal ik fabrikanten wijzen op de gevolgen van het niet bemeten van hun systeem.
Ik ga er vanuit dat in 2014 in elk geval enkele emissiearme stalvloeren met een definitieve (gemeten) emissiefactor in de bijlage bij de Rav kunnen worden opgenomen (naast reeds bestaande) en dat er de daarop volgende jaren nog een aantal zullen bijkomen. Ik verwacht dat hiermee voldoende stalsystemen beschikbaar blijven voor de melkveehouderij om te voldoen aan de doelen van ammoniakuitstoot die in het kader van de PAS zijn gesteld.
Deze problematiek betreft alleen de melkrundveehouderij en heeft daarom geen gevolgen voor het Actieplan Ammoniak Veehouderij.
Welke activiteiten onderneemt u om voor 1 februari 2013 volop te gaan meten, zodat de systemen wel op de RAV-lijst kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre denkt u dat het een oplossing kan zijn om de emissiefactor voor melkvee te actualiseren op basis van het rapport van Mosquera e.a.? Welke consequenties heeft dit voor het nationaal emissieplafond (NEC-plafond) en de doelstelling voor reductie van de ammoniakuitstoot van de rundveesector in het kader van de PAS?
De genoemde problematiek van het niet meten van stallen staat los van het al dan niet actualiseren van de emissiefactoren voor melkvee. Overigens ben ik van plan deze actualisatie door te voeren, maar daarvoor moet een geschikt moment worden gezocht omdat ook de maximale emissiewaarde voor melkveestallen in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij moet worden aangepast. De aanpassing van het Besluit is reeds aangekondigd in Kamerstukken II, 2011/12, 30 654, nr. 99 in het kader van de PAS. De beoogde ingangsdatum hiervoor is 1 januari 2014.
Aangezien de emissiefactoren nog niet zijn gewijzigd en de maximale emissiewaarden nog niet zijn vastgesteld, is het nog niet duidelijk wat het effect hiervan is op de berekende uitstoot van ammoniak in Nederland en dus op het al dan niet voldoen aan het nationale emissieplafond voor ammoniak.
Het definitieve PAS kent een monitoringsprogramma. Hierdoor kan tijdig ingespeeld worden op voortschrijdend wetenschappelijk inzicht.
Deelt u de mening dat er een duidelijk contrast is tussen stalemissies en mestaanwending? In hoeverre bent u bereid om ammoniakbeleid voor de melkveehouderij, waarin zowel stal- als aanwendemissies onderdeel uitmaken van een integrale bedrijfsvoering, in beleid te harmoniseren? In hoeverre kunnen ontwikkelingen zoals kringlooplandbouw hierin een rol spelen?
Nee, die mening deel ik niet. Zowel bij de exploitatie van stallen als bij de aanwending van mest is het verplicht emissiereducerende technieken toe te passen, gebaseerd op het principe van «beste beschikbare technieken». Dit is nodig om de doelen voor ammoniakemissiereductie te kunnen realiseren, mede tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Ten algemene ben ik voorstander van ontwikkelingen die de kringlooplandbouw bevorderen. Echter een systematiek die uitgaat van een integrale bedrijfsvoering of kringlooplandbouw zie ik niet als een alternatief maar mogelijk op termijn wel als een aanvulling op de toepassing van emissiereducerende technieken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg tussen u beiden, de sector en de minister van Financiën over de harmonisatie en vereenvoudiging van de (fiscale) regels, zoals aan de Kamer is toegezegd in december 2011?4 Welke ontwikkelingen zijn er op het vlak van het toen voorgestelde meetfonds? Is er wellicht via de PAS in 2013 budget te reserveren voor versnelde metingen van proefstallen en systemen in de tijdelijke RAV?
Wij hebben dit verzoek inmiddels opgepakt en geven er de voorkeur aan om hierbij aan te sluiten bij lopende trajecten. Dit zijn het privatiseren van de beoordeling van stalsystemen door IenM en de toegezegde brief over het subsidie-instrumentarium van EZ.
Het ministerie van EZ zal daarnaast in het kader van de PAS in de jaren 2013 en 2014 het meten van de effecten van het toepassen van (integraal duurzame) stallen en van voer- en managementmaatregelen subsidiëren door het openstellen van een aangepaste versie van de Regeling LNV-subsidies – module «Onderzoek uitstoot integraal duurzame stallen».
Insecten als eiwitbron voor varkens- en kippenvoer |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wageningen: insecten als eiwitbron in varkens- en kippenvoer»?1
Ja.
Kunt u aangeven met welk bedrag het onderzoek naar de toepasbaarheid van insecten in veevoer gesubsidieerd is? Zo nee, waarom niet?
Het bedrag waarmee dit onderzoek is gesubsidieerd bedraagt € 40 000.
Kunt u aangeven wat de overwegingen waren om een voedingstoepassing, die wettelijk verboden is, te subsidiëren vooruitlopend op mogelijke wetgeving die nog volledig onzeker is? Zo nee, waarom niet?
Voorafgaand aan een pleidooi bij de Europese Commissie voor versoepeling van de bestaande regelgeving om de toepassing van insecteneiwit in diervoeders mogelijk te maken, is het nodig om te weten of insecteneiwit voldoet aan de eiwitbehoefte van landbouwhuisdieren en of schaalvergroting van insectenkweek financieel haalbaar is.
Kunt u aangeven of er een ethisch afwegingskader gevormd is rond het verveelvoudigen van het aantal dieren dat gedood wordt ten behoeve de intensieve veehouderij? Zo nee, waarom niet en waarom meende u zonder een dergelijk ethisch afwegingskader dit onderzoek al te moeten financieren? Zo ja, kunt u dat delen met de Kamer?
In de Kamerstukken inzake de Wet dieren2 zijn alle relevante belangen beschreven die bij een ethische afweging moeten worden betrokken. Het onderzoek strekt er onder meer toe de economische en nutritionele haalbaarheid in beeld te brengen van het kweken van insecten ten behoeve van de productie van diervoedergrondstof. Nu de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, en deze dierhouderij voldoende toekomstperspectieven lijkt te hebben, zullen de vervolgstappen, waaronder het doorlopen van het ethisch afwegingskader, verder worden bezien.
Kunt u aangeven of er onderzoek is gedaan naar het maatschappelijk draagvlak voor het doden van miljarden extra dieren ten behoeve van de veehouderij? Zo nee, waarom niet en waarom meende u zonder inzicht in het maatschappelijk draagvlak dit onderzoek al te moeten financieren? Zo ja, kunt u dat delen met de Kamer?
Dergelijk onderzoek is niet gedaan. Er bestaat, in het licht van dreigende voedseltekorten in de toekomst, een algemene maatschappelijke wens en noodzaak te komen tot voldoende en duurzame voedselproductie. Ook voor dit aspect zullen de vervolgstappen nader worden bezien.
Kunt u aangeven hoe de inspanningen om te komen tot nieuwe dierlijke voedselbronnen zich verhouden tot het voornemen te komen tot een transitie naar een meer plantaardige productie en consumptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven hoeveel subsidie in 2011 en 2012 ten goede is gekomen aan de ontwikkeling van nieuw plantaardig voedsel en hoeveel aan die van nieuw dierlijk voedsel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de eerdere antwoorden dit jaar op uw Kamervragen over de subsidiëring van onderzoek naar het eten van insecten (vergaderjaar 2011–2012, nr. 1713).
Bent u bereid de wetgeving op het gebied van het gebruik van dierlijke eiwitten in veevoer aan te passen door bijvoorbeeld de positieflijst zoogdieren uit te breiden met een positieflijst voor andere diersoorten, zoals insecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, ik ben niet voornemens de positieflijst van dieren die gehouden mogen worden thans uit te breiden. Het is steeds de bedoeling geweest om met de positieflijst voor zoogdieren ervaring op te doen alvorens de positieflijst uit te breiden met andere dierklassen, zoals vogels.
Daarmee ontken ik niet de intrinsieke waarde van insecten, noch ontken ik het belang van een zorgvuldig houderijsysteem en doding die tegemoet komt aan de welzijnsbeleving van insecten. Het is aannemelijk dat de welzijnseisen van insecten op een lager niveau ligt dan die van zoogdieren, nog afgezien van het feit dat dit moeilijk meetbaar is.
Deelt u de mening van de Wageningse onderzoekers dat er in de Wet dieren, die op 1 januari a.s. in werking zal treden, rekening moet worden gehouden met de kweek van insecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een voorstel tot wijziging van de Wet dieren in te dienen en op welke termijn?
De Wet dieren voorziet – evenals de huidige Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) – in de mogelijkheid om dieren aan te wijzen die voor productie van die dieren afkomstige producten mogen worden gehouden. Een aantal insecten staat op dit moment al op de GWWD-lijst voor het houden van dieren voor productiedoeleinden. Deze lijst zal onder de Wet dieren worden gecontinueerd. Uitbreiding van de lijst kan aan de orde zijn indien het doorlopen van het ethisch afwegingskader dit rechtvaardigt. Daarvoor is geen wetswijziging nodig.
Campylobacterbesmettingen in slachthuizen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Risico op Campylobacter verschilt per slachthuis»?1
Ja
Acht u het acceptabel dat de werkwijze in slachthuizen kennelijk niet zodanig volgens vaststaande normen is, dat deze verschillen zich kunnen voordoen? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze en termijn bent u bereid hieraan een einde te maken, bijvoorbeeld via verplichte ISO normering?
Campylobacter is een zeer moeilijk te bestrijden bacterie. Voor slachthuizen gelden HACCP eisen. Hieronder valt het uitvoeren van een gevarenanalyse, het instellen van beheersmaatregelen en het benoemen van kritische controlepunten. De producent voert deze analyse uit en zal ten aanzien van de kritische punten in het slachtproces extra goed moet opletten. Om HACCP goed toe te passen moet eerst duidelijk zijn waar in het slachtproces deze kritische punten voor de Campylobacter besmetting van kippenvlees liggen. Vervolgens moet worden bepaald hoe besmetting op deze punten te voorkomen is. Voor Campylobacter is dit nog onvoldoende bekend. Het tussen VWS en de sector afgesloten Convenant Campylobacter heeft tot doel hier meer inzicht in te krijgen. Op basis hiervan zullen slachthuizen gerichter maatregelen kunnen treffen om Campylobacter besmetting te voorkomen.
Hoe verklaart u de aangetroffen misstanden in relatie tot de kabinetstoezeggingen uit 1997 om de besmetting structureel terug te dringen?2
Er is hier geen sprake van misstanden. Campylobacter is zoals gezegd een zeer moeilijk te bestrijden bacterie. Uit de resultaten van het Convenant blijkt dat pluimveevlees afkomstig uit Nederlandse slachthuizen over het algemeen minder met Campylobacter is besmet dan pluimveevlees afkomstig uit slachthuizen buiten Nederland. Ik wil u hier ook verwijzen naar mijn antwoord op de vraag 5 van uw fractiegenoot mevrouw Hazekamp (2012Z17383) van 14 maart van dit jaar. De resultaten van het Convenant zullen bijdragen aan een verdere verbetering van de huidige situatie.
Deelt u de mening dat 15 jaar een onacceptabel lange termijn is om een regeringsbelofte op het gebied van een ernstig volksgezondheidsprobleem in te lossen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u de aanwezigheid van pathogenen in kippenvlees volledig verbieden?
Ik wil u verwijzen naar mijn antwoorden op de vragen 2,3,4 en 9 van uw fractiegenoot mevrouw Hazekamp (2012Z17383) van 14 maart van dit jaar.
Kunt u aangeven hoeveel geregistreerde ziektegevallen van besmetting met pathogenen geregistreerd zijn in 2011 en 2012 , die te herleiden zijn tot slachtproducten en kunt dit uitsplitsen naar de verschillende pathogenen? Acht u dit een representatieve weergave? Zo nee, waarom niet?
De incidentie en ziektelast van 14 darminfecties worden jaarlijks door het RIVM gerapporteerd3.
In deze rapportage wordt de totale ziektelast opgesplitst naar verschillende bronnen (voedsel, milieu, direct contact met dieren, direct contact tussen mensen en reizen). Deze opsplitsing wordt niet toegepast op de geregistreerde gevallen maar op een schatting van het werkelijk aantal ziektegevallen, waarvan de geregistreerde gevallen slechts een klein deel zijn. Van de 1,99 miljoen ziektegevallen door deze 14 darminfecties in 2010 werden er naar schatting 725 000 door voedsel overgedragen. Daarbinnen werden 217 000 gevallen toegeschreven aan vlees van runderen, schapen, varkens en kippen. Een uitsplitsing naar pathogenen is ook in de betreffende rapportage gegeven. De belangrijkste ziekteverwekkers die via genoemde soorten vlees worden overgedragen zijn Clostridium perfringens (97 000 gevallen), Staphylococcus aureus (61 000 gevallen) en Campylobacter spp. (28 000 gevallen). Ziektegevallen door Campylobacter zijn over het algemeen ernstiger. Er zijn nog geen rapportages over 2011 en 2012.
Kunt u aangeven bij welke vleesproducten de kans op besmetting het grootst is, met een exacte uitsplitsing naar de verschillende pathogenen en de verschillende productsoorten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw beantwoording?
De kans op Campylobacter besmetting is het grootst bij rauw kippenvlees zoals uit onderstaande tabel blijkt.
Levensmiddel
Locatie
Cam
pylo
bacter
Salmonella
E. coli O157
STEC
Lis
teria
Vers vlees
slachthuis/
uitsnijderij
Kip
34,4%
Vers vlees
import (diep
gevroren)
kip
0,7%
6,6%
Vers vlees
retail
kip
22,8%
3,4%
Vers vlees
retail
kalkoen
9,7%
1,9%
Vers vlees
retail
varken
0,3%
1,4%
Vers vlees
retail
rund
0,2%
0,2%
0,3%
Vers vlees
retail
kalf
0,9%
0,0%
0,0%
Vers vlees
retail
lam
2,2%
0,0%
0,0%
gehakt/bereiding
retail
kip
4,3%
3,3%
gehakt/bereiding
retail
rund
0,7%
0,2%
3,5%
gehakt/bereiding
retail
varken
1,9%
rauw te consumeren vleesbereidingen
retail
rund
0,6%
0,0%
3,0%
vleesproducten
retail
geferm. worst
0,9%
0,0%
vleesproducten
retail
vleeswaar
0,0%
0,0%
0,0%
vleesproducten
retail
pate
1,3%
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van pathogenen in voedsel, dat aan consumenten wordt aangeboden, onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u zorgen dat aangeboden slachtproducten 100% vrij zijn van pathogenen?
Voedsel moet veilig zijn. De producent is daarvoor verantwoordelijk. Het geheel pathogeen vrij krijgen van alle voedingsmiddelen is, zonder gebruik te maken van decontaminerende methoden, een onhaalbaar doel en ook niet nodig. Lage gehaltes pathogenen zullen veelal niet tot ziekte leiden en spelen wellicht een positieve rol bij de opbouw van weerstand.
Bent u bereid strengere sancties op te leggen voor slachthuizen, die langdurig en stelselmatig de volksgezondheid in gevaar brengen via het hanteren van een werkwijze die de aanwezigheid van pathogenen bevordert of in elk geval niet uitsluit? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Tegen bedrijven die de volksgezondheid in gevaar brengen wordt door de NVWA handhavend opgetreden. Indien deze overtreding langdurig en stelselmatig is zal proportioneel zwaarder worden ingegrepen.
Kunt u aangeven waarom het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet openbaar maakt welke slachterijen een duidelijk verhoogd risico voor de volksgezondheid vormen en acht u het acceptabel dat slachterijen, die een duidelijk verhoogd risico vormen, daarmee gewoon door kunnen gaan en niet bekend worden of gestraft? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke termijn en wijze gaat u deze risico’s wegnemen?
Het RIVM beschikt niet over deze gegevens. De gegevens over Campylobacter besmettingen van pluimveevlees worden verzameld door alle Nederlandse slachterijen onder coördinatie van de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (Nepluvi). Nepluvi rapporteert zelfstandig over de bevindingen4. In het convenant tussen VWS en Nepluvi is afgesproken dat alle resultaten door Nepluvi geanonimiseerd inzichtelijk worden gemaakt voor betrokken vleeskuikenslachterijen en VWS. Het RIVM heeft deze geanonimiseerde gegevens aan een nadere analyse onderworpen, en kan dus geen individuele bedrijven identificeren. Ik wil u verder ook verwijzen naar mijn antwoord op de tweede vraag.
Het bericht “Nederland is onvoldoende voorbereid op nieuwe uitbraak dier op mens overdraagbare ziektes |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Wat geld(t) in de zorg?» (One Health VvAA trendonderzoek onder zorgaanbieders over een duurzame en gezamenlijke aanpak van de gezondheidszorg voor mens, dier en milieu)?1 2
Ja.
Is het waar dat «Nederland onvoldoende voorbereid is op een nieuwe uitbraak van van dier op mens overdraagbare ziektes»? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, hoe gaat u voor voldoende voorbereiding zorgen?
Reeds voor de Q-koorts uitbraak vanaf 2007 is een omvangrijk project uitgevoerd door een consortium van onderzoeksinstellingen onder leiding van het RIVM dat een blauwdruk heeft gemaakt voor signalering van nieuwe risico’s en de blinde vlekken in de surveillance van nieuwe bedreigingen in kaart heeft gebracht. Het resultaat van dit project, het zogenoemde EmZoo-rapport is, met de reactie van de toenmalige Minister van LNV, op 6 oktober 2010 (TK 29 683, nr. 60) aangeboden aan uw Kamer.
Daarna heeft de Commissie van Dijk, naar aanleiding van de Q-koorts uitbraak aanbevelingen gedaan ten aanzien van het risicomanagement. De uitwerking daarvan hebben wij uw Kamer op 18 mei 2011 (TK 28 286, nr. 505) doen toekomen.
Daarmee is in Nederland een nieuwe gezamenlijke humaan veterinaire structuur ingericht voor de risico-analyse van (nieuwe) besmettelijke ziekten die overdraagbaar zijn van mens op dier. Deze nieuwe structuur is een samenwerking van professionals uit het veterinaire en het medische domein.
Hoe beoordeelt u het dat, ondanks het feit dat alle nieuwe infecties van de afgelopen 25 jaar afkomstig zijn van dieren, de kennis van humane artsen beperkt is bij het herkennen, reageren en behandelen van ziekten die zijn overgedragen door dieren? Op welke wijze gaat u deze tekortkoming oplossen?
In het rapport wordt nergens melding gemaakt van beperkte kennis van humane artsen bij het herkennen, reageren en behandelen van ziekten die zijn overgedragen door dieren. Uit de antwoorden van de eerste- en tweedelijns zorgaanbieders kan wel geconcludeerd worden dat zij slechts beperkt geconfronteerd worden met zoönosen, meer dan de helft van de huisartsen is zelfs niet eenmalig met een zoönose geconfronteerd tegen slechts zo’n 20% bij dierenartsen. Dit doet vanzelfsprekend niets af aan het belang dat wij ook hechten aan kennis over zoönosen. De afgelopen jaren is er een groot aantal bijeenkomsten en congressen georganiseerd juist over dit onderwerp. Voor zoönosen is het OneHealth portal opgericht en is er een vademecum zoönosen, een praktische gids over de melding, signalering en bestrijding van zoönosen in de humane en veterinaire gezondheidszorg, opgesteld.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat 81 procent van de dierenartsen de samenwerking met humane artsen onvoldoende vindt?
Eén van de lessen naar aanleiding van de Q-koorts is dat samenwerking op de werkvloer tussen veterinairen en medici heel nuttig is. De afgelopen jaren zijn er tal van activiteiten ontplooid door overheden en instellingen in het veterinaire en medische domein om de veterinairen en medici bewust te maken van nut en noodzaak om beter samen te werken c.q. beter met elkaar te communiceren.
De nieuwe gezamenlijke humaan veterinaire structuur voor de risico-analyse van (nieuwe) besmettelijke ziekten die overdraagbaar zijn van mens op dier, gaat overigens uit van meldingen van artsen én dierenartsen aan hun reguliere partners, die vervolgens deze signalen gezamenlijk beoordelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat 76 procent van de dierenartsen het oneens is met de stelling dat de kans dat in Nederland zoönose uitbreekt beperkt is? Wat is uw mening over deze stelling?
Ik deel de opvatting van de meerderheid van de geënquêteerde dierenartsen dat de kans op een uitbraak van een nieuwe zoönose in Nederland reëel is.
Op welke manier en met welke methodes acht u het mogelijk om meer samenwerking te bewerkstelligen tussen dierenartsen en humane artsen als het gaat om de relatie gezondheidszorg voor mens, dier en milieu?
De activiteiten genoemd bij vraag 4 bestaan uit het organiseren van conferenties, studiedagen, aandacht in vakbladen. Dit zijn geëigende methoden om aandacht te vragen van de professionals voor noodzakelijke samenwerking. Naast de samenwerking tussen de beide betrokken Ministeries, de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen NVWA, GGD, RIVM en GD en de samenwerking tussen de humane en veterinaire onderzoeksinstituten komt er ook bij de medische en veterinaire opleidingen meer aandacht voor de aspecten van de veterinaire volksgezondheid.
Ten aanzien van het standpunt over «One Health» zie onder meer de brief aan uw Kamer van 6 oktober 2010 (TK 29 683, nr. 60) en die van 18 mei 2011 (TK 28 286, nr. 505).
Hoe staat u tegenover de «One Health» benadering? Op welke wijze is het mogelijk om samenwerking tussen humane artsen en dierenartsen te stimuleren? Welke verbeteringen en veranderingen zijn er nodig voor een gezamenlijke aanpak van de gezondheidszorg voor mens, dier en milieu?
Zie antwoord vraag 6.
Een geitenbedrijf zonder vergunning |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gemeente laat duizend geiten ongemoeid»1?
Ja.
Kunt u aangeven hoe het kan dat een bedrijf met duizend geiten zonder vergunning wordt gedoogd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Hof van Twente is het bevoegd gezag voor de milieuvergunning. Omdat er op korte termijn zicht is op legalisatie van de situatie acht de gemeente handhaving disproportioneel.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Hof van Twente deze zaak ongemoeid laat, omdat zij in de veronderstelling is dat er binnenkort wel een vergunning zal zijn en niet bereid is de veehouder een dwangsom op te leggen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de gemeente Hof van Twente dat er geen gevaar is voor de volksgezondheid? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan een gevaar voor de volksgezondheid is uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De constatering dat er geen gevaar voor de volksgezondheid is vinden zowel de gemeente Hof van Twente als ik te absoluut. Risico’s voor de volksgezondheid zijn altijd en overal aanwezig. Met maatregelen, waarvan de vaccinatie tegen Q-koorts de belangrijkste is, is er geen verhoogd risico voor de omwonenden op Q-koorts. De op het bedrijf aanwezige geiten zijn ingeënt tegen Q-koorts.
Kunt u aangeven op basis waarvan de eerder verleende vergunning van het bedrijf vernietigd is door de Raad van State? Zo nee, waarom niet?
De verleende milieuvergunning is vernietigd door de Raad van State vanwege het ontbreken van een MER-beoordeling. Inmiddels heeft de aanvrager een milieueffectrapportage laten opstellen en een nieuwe omgevingsvergunning voor de activiteit milieu aangevraagd voor het houden van 5650 geiten. Het obstakel voor de Raad van State is hiermee weggenomen.
Kunt u aangeven op basis waarvan het aannemelijk is dat een nieuwe vergunning nu wel zal worden verleend? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het dat het bedrijf wil uitbreiden naar 5 650 geiten, wat overeenkomt met een omvang van 617 Nederlandse Grootte Eenheid (NGE) en volgens de definitie van Alterra dus als megastal wordt gezien?
Nee. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de milieuvergunningverlening en de handhaving. In oktober 2012 zal de gemeente Hof van Twente de ontwerpbeschikking voor de nieuwe omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, ter inzage leggen.
Het bouwplan voor dit geitenbedrijf is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Ambt-Delden, herziening Rapperdsweg 1, dat in werking is getreden op 13 oktober 2009. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe aanvraag als bedoeld in de motie van de leden Grashoff en Van Veldhoven. Het restrictieve beleid conform deze motie (TK 28 286, nr. 488) om niet mee te werken aan bestemmingsplanwijzigingen voor stallen groter dan 300 NGE en meer dan één bouwlaag, heb ik op 25 maart 2011 onder de aandacht gebracht van de provincies en de VNG (Aanhangsel der Handelingen 2010–2011, nr. 2244).
Ik heb in het Algemeen Overleg op 6 juni jl. en in mijn brief van 12 juni jl. (Tweede Kamer, 2011–2012, 28 9732, nr. 122) aangegeven de beslissing over schaalgrootte in de veehouderij aan het volgend kabinet te laten.
Bent u bereid om maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat het bedrijf op korte termijn aan de vergunningplicht zal voldoen en er bovendien voor zorgen dat dergelijke situaties in de toekomst niet meer voorkomen? Zo ja, welke maatregelen en op wat voor termijn gaat u die treffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat voor de uitbreiding van duizend naar 5 650 geiten geen vergunning wordt verleend in navolging van uw brieven aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de provincies van 27 maart 2012, waarin u hen oproept niet mee te werken aan bouwaanvragen voor stallen groter dan 300 NGE? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen en op wat voor termijn? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 7.
Het doodschieten van een stier die gevallen is uit een omgeslagen aanhangwagen op de A2 |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat er vandaag een stier op de A2 uit een omgeslagen aanhangwagen is gevallen, waarop een dierenarts het dier heeft doodgeschoten?1
Ja. De stier is overigens niet door een dierenarts neergeschoten, maar door de politie.
Wat is de specifieke oorzaak van het kantelen van de aanhangwagen?
Uit getuigenverklaringen is gebleken dat het verkeer over de Lekbrug hinder ondervond van de krachtige wind dwars op de rijrichting. De aanhanger begon ter plekke te slingeren en kort daarna schaarde de combinatie en kantelde de aanhangwagen. De koe en de stier zijn vervolgens ontsnapt.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de dieren in de aanhanger zo onrustig waren? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bekend of, en zo ja waarom, de dieren in de aanhangwagen onrustig waren.
Kunt u aangeven of het transport onvoldoende of niet voldeed aan de voorwaarden uit de Europese verordening inzake de bescherming van dieren tijdens transport, waardoor de dieren zo onrustig waren en de aanhangwagen kantelde? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Het betrof vervoer waarbij de veehouder zijn eigen dieren in zijn eigen vervoermiddel over een afstand van minder dan 50 km van zijn bedrijf naar de slachterij verplaatste. Op grond van artikel 1 2e lid onder b van de Verordening (EG) Nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer zijn dan alleen de algemene bepalingen van artikel 3 voor het vervoer uit de Verordening van toepassing. Er zijn geen aanwijzingen dat bij dit transport hieraan niet is voldaan.
Kunt u aangeven of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ook controles uitvoert op dit soort kleine transporten? Zo ja, wat wordt er gecontroleerd en hoe vaak? Zo nee, waarom niet en bent u bereid maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat ook dit soort kleine transporten in de toekomst wel worden gecontroleerd?
De NVWA voert controles uit op de naleving van de Verordening van alle soorten van vervoer van dieren. Steekproefsgewijs worden door het jaar heen ook dit soort kleine transporten van dieren gecontroleerd.
Kunt u het kader van afwegingen en de beslissingen schetsen bij het doden van de stier?
De politie heeft een richtlijn waarin is beschreven hoe zij zal omgaan met dit soort incidenten. Bij losgebroken dieren, die zich niet meer of nauwelijks laten vangen en (direct) gevaar opleveren voor de veiligheid, moet het dier onschadelijk worden gemaakt. Hiertoe wordt een dierenarts met een verdovingsgeweer opgeroepen. Indien dit niet mogelijk is, zal de politie het dier doden met het dienstvuurwapen.
Bij dit incident hebben de betrokken agenten de assistentie van een dierenarts met verdovingsgeweer ingeroepen. De dierenarts verklaarde echter dat hij over onvoldoende verdovingsmiddel beschikte. Tegelijkertijd dreigde er acuut gevaar voor de verkeersdeelnemers. De stier dreigde namelijk de middenvangrail over te springen naar de andere rijbaan, waar het verkeer met een snelheid van ongeveer 70 tot 80 km/u reed. Hierop heeft de politie gebruik gemaakt van het dienstvuurwapen en de stier in de kop geschoten. De stier is vervolgens afgevoerd naar het dichtstbijzijnde slachthuis en daar gedood.
Op dit moment wordt gewerkt aan een gezamenlijk afsprakenkader (NVWA, RWS, KLPD, politie) over hoe op te treden bij incidenten met dieren op de weg. Tot nu toe bestaan er nog geen gezamenlijke afspraken. In het afsprakenkader zal worden opgenomen hoe partijen zullen handelen bij een verkeersongeval/of pechgeval op het hoofd- en rijkswegennet waarbij dieren zijn betrokken. Deze afspraken hebben betrekking op de taakverdeling, de werkwijze en de onderlinge communicatie.
Waarom was het doodschieten van de stier «de beste optie» en het gebruiken van een verdovingsgeweer niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is er een protocol hoe te handelen met de dieren in geval van uitbraak en ongevallen met veetransporten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat met ons delen?
Zie antwoord vraag 6.
Een stalvergassing na brand |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat er op 11 september 2012 in de avond een stalvergassing heeft plaatsgevonden op een pluimveebedrijf in Groesbeek en dat hierbij 30 duizend vleeskuikens om het leven zijn gebracht1? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de firma TCC-group deze stalvergassing heeft uitgevoerd? Zo ja, kunt u aangeven waarom de TCC-group deze stalvergassing heeft uitgevoerd, terwijl u in een schriftelijk overleg van 30 mei 20122 heeft aangegeven dat het contract met TCC-group is verbroken naar aanleiding van de verkeerde en dieronvriendelijke handelswijze bij het doden van kalkoenen in Kelpen-Oler?
Kunt u aangeven of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de hoogte was van de geplande stalvergassing? Zo ja, waren er personen van de NVWA aanwezig bij de stalvergassing om de nodige controle uit te voeren, waarom wel of niet en welke personen waren aanwezig? Zo nee, hoe kan het dat de NVWA hier niet van op de hoogte was?
Kunt u aangeven hoe het dierenwelzijn tijdens de stalvergassing is gewaarborgd? Zo ja, is het dierenwelzijn voldoende gewaarborgd en waarop baseert u dit? Zo nee, waarom niet en welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat in de toekomst bij alle vormen van «ruimingen» het dierenwelzijn maximaal is gewaarborgd en onnodig dierenleed wordt voorkomen?
Bent u bereid nog dit jaar maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat stallen brandveiliger worden en ervoor zorgen dat het vergassen van dieren, nadat zij een brand hebben overleefd, niet meer nodig is en onnodig dierenleed wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het nog steeds vanuit publieke middelen financieren van megastallen in het buitenland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (CDA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Nederlands geld, Vreemd vlees»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er nog steeds geld van de Nederlandse belastingbetaler direct of indirect wordt gebruikt voor de financiering van megastallen in het buitenland? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de motie Ouwehand, waaruit volgt dat Nederland op geen enkele wijze meer mag bijdragen aan de financiering van megastallen in het buitenland?2
Het Nederlandse bedrijfsleven is zeer actief in het buitenland en speelt daarmee een belangrijke rol in de Nederlandse economie. Nederland ondersteunt Nederlandse bedrijven die exporteren en/of investeren op buitenlandse markten. Zo financieren (leningen) of verzekeren we vanuit de Nederlandse overheid ook Nederlandse bedrijven die hoogtechnologische producten en diensten leveren voor veehouderijsystemen in Oost Europa, maar ook in landen als Oekraïne, China en Vietnam. In het huidige Nederlandse beleid wordt per project een milieu en sociale beoordeling op maat uitgevoerd. Daarbij zijn de IFC performance standards leidend. Indien uit de beoordeling blijkt dat er onaanvaardbare milieu en/of sociale risico’s optreden zal geen steun worden gegeven. In een aantal gevallen gaat het om grote- of megastallen. De Nederlandse overheid voert generiek beleid ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven die exporteren naar het buitenland en/of investeren op buitenlandse markten.
Nederland staat voor duurzame landbouw en veehouderij: maatschappelijk verantwoord met betrekking tot aspecten van dierenwelzijn, diergezondheid, arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, landschap en milieu.
De overheid respecteert, voor alle vormen van ondersteuning en exportkredieten, daarbij de internationaal geldende normen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, zoals vastgelegd in de IFC performance standards. Dierenwelzijn is onderdeel van deze normen. Het bedrijfsleven wordt daarbij actief gestimuleerd zich te houden aan de OECD-Guidelines. Ik verwijs daarbij naar de aangehouden motie van lid Van Ojik (33 400-V, nr. 46) ingediend bij het wetgevingsoverleg over de onderdelen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2013. Ik zal in overleg met mijn collega’s van Economische Zaken de relatie stalomvang en dierenwelzijn bespreken en zal de Tweede Kamer daar zo spoedig mogelijk over informeren.
Kunt u aangeven op welke wijze deze motie is uitgevoerd en op welke wijze u garandeert dat geen publieke middelen worden ingezet voor de ondersteuning van de bouw van megastallen in het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat exportkredietverzekeringen, welke namens en voor rekening van de Nederlandse staat worden verstrekt, een vorm van financiering zijn en dat het afgeven van deze verzekeringen aan megastallen in het buitenland dus tegen de wil van de Kamer ingaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen hoe het heeft kunnen gebeuren dat er, na het aannemen van de motie, exportkredietverzekeringen zijn verstrekt aan het bedrijf Myronivsky Hliboproduct (MHP) in de Oekraïne, waar 17,8 miljoen kippen gehouden worden?
De exportkredietverzekeringfaciliteit stimuleert de export van Nederlandse goederen en diensten naar het buitenland. Exporteurs en banken kunnen een verzekering voor transacties aanvragen om zich te beschermen tegen het risico dat de buitenlandse debiteur niet betaalt. De verzekerde betaalt voor het dekken van deze risico’s een premie. De EKV faciliteit is in zijn geheel kostendekkend. Verzekeringen bieden we alleen aan wanneer de markt risico’s niet dekt. De buitenlandse debiteur, zoals Myronivsky Hliboproduct (MHP), treedt niet op als verzekerde partij. In het geval van Myronivsky is een verzekering afgegeven aan Nederlandse exporteurs, die hoogwaardige producten hebben geleverd voor het veehouderijsysteem van Myronivsky in Oekraïne. Op Myronivsky is in totaal EUR 174 miljoen aan polissen afgegeven (afgelopen 10 jaar). Hiervan heeft ongeveer EUR 80 miljoen betrekking op het Vinnytsa project (afgelopen 2 jaar). Bij de beoordeling van projecten wordt gekeken naar dierenwelzijn.
Kunt u aangeven welk Nederlands belang gediend is met het geven van een exportkrediet aan een megastal in de Oekraïne? Kunt u specifiek zijn in uw antwoord?
Het afgeven van verzekeringen aan Nederlandse exporteurs, die producten leveren aan Myronivsky, ondersteunt de ontwikkeling van een hoogwaardige, veelbelovende tak van onze agro-export. Het gaat hier specifiek om het afgeven van een exportkredietverzekering aan Nederlandse bedrijven voor de levering van stalinrichting voor pluimvee moederdieren alsmede supervisie op de montage. In het algemeen stimuleren exportkredietverzekeringen de Nederlandse export en werkgelegenheid.
Westerse en ook niet westerse landen hebben veelal vergelijkbare faciliteiten, waarbij niet marktbare risico’s voor rekening en risico van de betreffende Staat worden verzekerd.
Wordt er bij de beoordeling van steun voor transacties van Atradius DSB, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en/of de International Finance Corporation (IFC) gekeken naar mogelijke effecten op dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven hoe de beoordeling op dierenwelzijn in de praktijk van elk van deze instellingen plaatsvindt, en welke standaarden daarbij worden gehanteerd?
Bij de milieu en sociale beoordeling die Atradius DSB uitvoert wordt ook gekeken naar de mogelijke effecten op dierenwelzijn. Projecten worden beoordeeld ten opzichte van lokale wet- en regelgeving en internationale kaders. De internationale richtlijnen, die op exportkredietverzekeraars binnen de OESO van toepassing zijn, verwijzen niet expliciet naar dierenwelzijn. Voor het toetsen van de presentaties van Myronivsky op het gebied van dierenwelzijn zijn de richtlijnen van de IFC gehanteerd en is er aanvullend aan de Europese wet- en regelgeving getoetst.
IFC kijkt bij inspecties ook altijd naar dierenwelzijn. Dit gebeurt zowel door een zogenaamde Environmental en Social expert als door een engineer. IFC hanteert hierbij als standaard de IFC Good Practice Note: Animal welfare in Livestock Operations3. Deze standaard is ontwikkeld in overleg met Compassion In World Farming, en houdt rekening met de richtlijnen van de World Organisation for Animal Health.
Het aantal projecten bij de EBRD in de veehouderij- en pluimvee sector is tot nu toe zeer beperkt geweest. De zogenaamde Environmental and Social Impact Assessments van de EBRD worden door externen uitgevoerd en richten zich, ook in deze sectoren, op EU-standaarden. E.e.a. is voor deze sectoren nader uitgewerkt in guidance notes.
Kunt u aangeven waarom exportkredietverzekeringen voor exporttransacties aan Myronivsky Hliboproduct niet in alle gevallen een categorie A (sprake van potentieel grote nadelige milieu en sociale gevolgen) classificatie hebben ontvangen? Kunt u aangeven waarom de leningen van EBRD en IFC aan MHP zulke uiteenlopende classificaties hebben ontvangen?
Grootschalige pluimveehouderijen zoals de boerderijen van Myronivsky worden bij de milieu en sociale beoordeling in het kader van een exportkredietverzekering als A gecategoriseerd. De transacties van Myronivsky die met respectievelijk een B en C gecategoriseerd zijn betroffen echter geen pluimveeboerderijen.
IFC, dat onderdeel is van de Wereldbankgroep, heeft de lening aan Myronovsky op basis van haar Environmental en Social Review Procedures geclassificeerd als een categorie B project, omdat het naar hun inschatting slechts beperkt milieu en sociale gevolgen heeft. IFC concludeert ook dat MHP juist goed scoort op dierenwelzijn.
EBRD heeft nauw samengewerkt met IFC m.b.t. dit bedrijf en het project ook geclassificeerd als B.
Deelt u de mening dat nieuwbouw of uitbreiding van veehouderijen altijd in categorie A zouden moeten vallen, vanwege de vele nadelige gevolgen die zo’n bedrijf heeft voor omwonenden, het milieu, de natuur en het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Grootschalige nieuwbouw of uitbreidingen van bestaande pluimveehouderijen zullen, zoals nu ook al gebeurt, als een A categorie beschouwd worden in de milieu en sociale beoordeling van Atradius DSB.
Waarom krijgt een groot bedrijf als Myronivsky Hliboproduct in de Oekraïne, waar 17,8 miljoen kippen gehouden worden, vanuit Nederland een financiële ondersteuning via het Nederlandse export krediet agentschap Atradius DSB? Welke Nederlandse bedrijven zijn bij het project betrokken? Hoe beoordeelt u dit?
De exportkredietverzekering, die verstrekt wordt aan banken en exporteurs, maakt de export naar het buitenland mogelijk. Nederlandse bedrijven hebben een uitstekende marktpositie in de agrarische sector, ook buiten Nederland. In het verleden hebben meerdere Nederlandse exporteurs een exportkredietverzekering afgesloten voor een levering aan Myronivsky. Atradius DSB publiceert een lijst met afgegeven polissen op haar website. Zoals op die website aangegeven gaat het hier ondermeer om het afgeven van een exportkredietverzekering aan Nederlandse bedrijven voor de levering van stalinrichting voor pluimvee moederdieren alsmede supervisie op de montage.
Beoordeelt Nederland bij het verstrekken van exportkredietverzekeringen voor transacties ten behoeve van dezelfde debiteur het marktaandeel van zo’n bedrijf, en zo ja, worden daarbij bepaalde grenzen in acht genomen? Hoe rijmt u het steunen van zo’n naar monopolisme neigend bedrijf als MHP met het bevorderen van marktwerking?
Alle transacties waarvoor een kredietverzekering wordt verstrekt worden uitgebreid geanalyseerd en beoordeeld. Daarbij wordt ook de marktpositie van de afnemer meegewogen. MHP heeft een goede marktpositie in Oekraïne, maar is geen monopolist. Daar komt bij dat een groot deel van de nieuwe productie voor de export bedoeld is, dus voor markten waar MHP momenteel geen marktaandeel heeft.
Kunt u bevestigen dat de verplichte Milieueffectrapportage (MER) voor Myronivsky Hliboproduct niet correct is uitgevoerd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, mede in het licht van de exportkredietverzekeringen die Nederland heeft afgegeven voor deze kippenfabriek? Zo nee, hoe verklaart u dan de conclusies in het onderzoek «Nederlands geld, Vreemd vlees», waaruit blijkt dat er onder andere geen informatie over de milieueffecten van de bouw is gegeven, er geen beoordeling van de cumulatieve effecten van alle faciliteiten is gemaakt, de effecten op flora, fauna en het grondwater niet goed zijn ingeschat en er geen analyse gedaan is naar dierenwelzijn, uitstoot van broeikasgassen, afvalbeheer en gezondheidseffecten?
Er zijn meerdere milieueffectrapportages uitgevoerd voor diverse activiteiten van Myronivksy binnen het Vinnytsa project. Deze rapportages zijn door een bevoegde partij uitgevoerd en door het bevoegd gezag goedgekeurd. Het klopt dat de kwaliteit van de rapportages op punten afweek van de standaard die wij verwachten. Om alle milieu en sociale effecten gedegen te kunnen beoordelen, hebben wij de debiteur om aanvullende informatie verzocht. Daarnaast hebben wij gebruik gemaakt van vergunninginformatie en informatie van een consultant van IFC die de milieu en sociale effecten beoordeeld.
Hoe worden de effecten van cumulatieve steun door verschillende publieke instellingen aan één bedrijf beoordeelt bij het afgeven van exportkredietverzekeringen?
Zoals ik hierboven heb toegelicht, verstrekt de Nederlandse Staat via de EKV geen financiële steun aan buitenlandse bedrijven zoals Myronivsky. Om het risico dat een buitenlandse debiteur niet kan betalen inzichtelijk te krijgen, wordt de kredietwaardigheid van de afnemer zorgvuldig beoordeeld. In deze analyse wordt rekening gehouden met de wijze waarop deze is gefinancierd, inclusief het al of niet aanwezig zijn van financiering door multi- of bilaterale instellingen.
Kunt u bevestigen dat Atradius DSB niet beschikt over een uitsluitingslijst van activiteiten waaraan Nederland op geen enkele manier bij wil dragen? Zo nee, welke criteria hanteert Atradius DSB dan? Zo ja, wat is hiervoor de reden en vindt u het aanvaardbaar dat met Nederlands belastinggeld zo allerlei activiteiten kunnen worden gefinancierd, zoals de bijvoorbeeld ook productie van wapens?
De Nederlandse Staat verstrekt aan Atradius Dutch State Business geen uitsluitingslijst met activiteiten voor de verzekeringen. Er is een procedure voor de milieu en sociale beoordeling waaraan de exporttransacties worden onderworpen. Toetsing vindt plaats aan internationaal overeengekomen normen en standaarden, waaronder de IFC performance standards. Als sprake is van onaanvaardbare milieu en sociale risico’s zal geen verzekeringspolis worden afgegeven. Op wapens is het exportcontrole instrumentarium van toepassing. Voor de uitvoer van militaire goederen is steeds een uitvoervergunning vereist. Of een vergunning verstrekt kan worden, hangt af van de uitkomst van de toetsing van een aanvraag aan de acht in Europees verband overeengekomen criteria, zoals opgenomen in het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Daarenboven zijn er op het terrein van wapens enkele bijzondere internationale verdragen, waarbij Nederland partij is (anti- personeelmijnen, clustermunitie). Vanzelfsprekend verzekert de Nederlandse Staat geen goederen of diensten die strijdig zijn met door Nederland geratificeerde internationale verdragen.
Bent u bereid op de kortst mogelijke termijn een uitgebreide uitsluitingslijst te eisen van Atradius DSB, waarbij in ieder geval ook elke nieuwbouw of uitbreiding van veehouderijen van meer dan 300 NGE (Nederlandse Grootte Eenheid) pertinent wordt uitgesloten van het verkrijgen van exportkredietverzekeringen? Zo nee, waarom niet? Op welke manier gaat u dan voor een correcte uitvoering van de motie Ouwehand zorgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat ook de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en de International Finance Corporation (IFC) geen megastallen meer financieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze? Bent u bereid de Kamer te informeren over uw inspanningen en de resultaten daarvan?
Zoals toegelicht in vraag 6, geldt voor de EBRD en IFC dat voor elk project een milieu en sociale beoordeling op maat wordt uitgevoerd. Waar relevant, vormt dierenwelzijn hier een onderdeel van. Ik zal met mijn collega van Financiën erop toe zien dat dit staande beleid gecontinueerd wordt.
Het bericht Brabantse boer klem door vele procedures |
|
Helma Lodders (VVD), Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Brabantse boer klem door vele procedures»?1
De signalen dat de procedures voor de afhandeling van verzoeken om vergunning voor de realisatie van bedoelde voorzieningen geruime tijd vergen, zijn mij bekend. Om daaruit te concluderen dat ondernemers niet aan toekomstige mestverwerkingsverplichtingen zullen kunnen voldoen, acht ik evenwel voorbarig. Bij het vaststellen van de percentages mest die ondernemers in 2013 zouden moeten verwerken, is rekening gehouden met de aanwezige verwerkingscapaciteit en de tijd die nodig is om aanvullende capaciteit te realiseren. Ik zie daarom geen aanleiding voor uitstel.
Voor wat betreft dierenwelzijnseisen heb ik tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad van 1 juli 2012 aangegeven onverkort vast te houden aan de harde Europese deadline van 1 januari 2013. Het is niet goed voor het imago van de Nederlandse varkenshouderij en voor degenen die al wel hebben geïnvesteerd om te gaan schuiven in het beleid. Ik acht uitstel daarom niet verantwoord.
Deelt u de zorgen dat een grote groep Brabantse veehouders de komende jaren niet aan dierenwelzijns- en mestverwerkingeisen kunnen voldoen omdat er geen vergunningen worden verstrekt door provinciale en lokale overheden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welke acties heeft u intussen genomen naar aanleiding van de motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff2 dat vergunningen voor mestverwerking sneller moeten worden verleend door provinciale en lokale overheden? Welke andere maatregelen bent u bereid te nemen om ervoor te zorgen dat vergunningen alsnog worden verleend aan Brabantse veehouders?
Bent u bereid uitstel te verlenen voor het voldoen aan de genoemde eisen als blijkt dat provinciale en lokale overheden aantoonbaar de vergunningverlening aan veehouders frustreren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Uitbraak van vogelgriep |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u in detail aangeven hoe de ruiming van de leghennen in Hagestein op zaterdag 11 augustus 2012 is verlopen en daarbij aangeven hoeveel dieren er exact zijn gedood, hoeveel stallen het betrof, of de temperatuur en CO2 concentraties volgens de gestelde normen waren en binnen de daarvoor gestelde termijn bereikt zijn, en hoe lang de hele operatie heeft geduurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals al gemeld in mijn Kamerbrief van 15 augustus 2012 (TK 807 nr. 151) heeft de NVWA naar aanleiding van de problemen bij het doden van de dieren op een kalkoenenbedrijf in Kelpen-Oler (Limburg) het contract met het ruimingsbedrijf beëindigd en de procedures rond de uitvoering en het toezicht op het doden van vogels bij een AI-uitbraak aangescherpt (zie ook Kamerbrief schriftelijk overleg vogelgriep van 29 mei 2012, TK 28 807 nr. 145, 30 mei 2012). Er is een ander bedrijf gecontracteerd voor het doden van de vogels.
Op het pluimveebedrijf waren in totaal 32 870 leghennen aanwezig, verdeeld over twee stallen: een oudere, vrij open stal en een tamelijk nieuwe stal. Beide stallen hebben een vrije uitloop. Het bedrijf dat verantwoordelijk was voor het doden van de leghennen is op zaterdagochtend 11 augustus begonnen met het afplakken van de stallen. Dit bleek voor de oude stal bewerkelijk te zijn. De voorbereiding kostte daarom meer tijd dan gepland. Om 16.50 uur is begonnen met het inbrengen van CO2 in de stallen. De vergassing heeft twee uren geduurd. Om 21.30 uur zijn de stallen vrijgegeven. Het hele proces is correct verlopen en de voorgeschreven indicatoren zijn behaald. De NVWA heeft continu toezicht gehouden op het proces.
Op zaterdagavond en op zondag zijn de dode leghennen van het bedrijf afgevoerd. Het afvoeren van de dode dieren heeft meer tijd in beslag genomen door met name de inrichting van de stallen (volièrestallen) en in mindere mate het gebruik van nieuwe maskers door de medewerkers (het zgn. volgelaatmasker). Dit masker biedt meer veiligheid, maar levert een zwaardere werkbelasting waardoor verplicht meer gepauzeerd moest worden.
Het gehele proces van taxeren tot ruimen en de eerste reiniging en ontsmetting heeft geduurd van vrijdagavond 20.00 uur tot zondagavond 23.00 uur.
Is het waar dat de ruiming van zaterdag tot en met zondagmiddag 12 augustus 2012 heeft geduurd? Zo ja, hoe verklaart u dit en deelt u de mening dat de ruiming dan veel te lang heeft geduurd en hoe beoordeelt u dit? Zo nee, tot wanneer heeft de ruiming dan wel geduurd en hoe komt het dat er geruchten gaan dat de ruiming tot zondag heeft geduurd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of het een stalvergassing was of een containervergassing en kunt u toelichten waarom voor de gebruikte methode is gekozen? Zo nee, waarom niet?
Het betrof een stalvergassing. Bij de voorinspectie door het vergassingsbedrijf bleek een stalvergassing mogelijk te zijn. Wanneer de stal zich daarvoor leent, verdient stalvergassing de voorkeur boven containervergassing. Voor de afweging tussen stalvergassing dan wel containervergassing verwijs ik u naar mijn brief inzake het Schriftelijk Overleg over de uitbraak van vogelgriep in Kelpen Oler, Limburg (TK 28 807 nr. 145 30 mei 2012).
Kunt u aangeven hoe lang het heeft geduurd totdat alle dieren dood waren en of bij het openen van de stal of container na de vergassing daadwerkelijk alle dieren dood waren? Zo ja, hoe beoordeelt u deze gegevens? Zo nee, waarom niet en hoeveel dieren waren er nog in leven?
Zie antwoorden op vraag 1 en 2. Er zijn 2 van de 32 870 hennen levend aangetroffen na de vergassing. Deze dieren zijn onmiddellijk conform de geldende regels geeuthanaseerd.
Kunt u hierbij toelichten of het verloop van het doden van de dieren dit keer wel correct is gemonitord, zoals u aangeeft in uw brief van 30 mei 2012 naar aanleiding van de gruwelijke dood van de kalkoenen in Kelpen-Oler? Zo nee, waarom niet?1
Tijdens het dodingsproces heeft de coördinator van de NVWA de metingen van de gasconcentraties gevolgd. Hij heeft vastgesteld dat de gestelde indicatoren, zoals CO2-concentraties en temperatuur, binnen de gestelde termijnen zijn gehaald.
Kunt u aangeven hoeveel en welke mensen er aanwezig waren tijdens de ruiming en wat hun taken waren? Zo nee, waarom niet?
In totaal zijn tijdens de ruiming de volgende personen een deel van de tijd aanwezig geweest: 1 taxateur (op vrijdag), 6 medewerkers van het vergassingsbedrijf, 18 personen voor het verzamelen en afvoeren van de kadavers, 4 chauffeurs en kraanbestuurders, 2 medewerkers voor hygiëne en ontsmetting, 2 leveranciers van ruimingsmaterialen en 1 medewerker voor de ongediertebestrijding.
Van de NVWA waren 6 medewerkers van het frontteam van de NVWA aanwezig, plus 3 medewerkers van het Incident- en Crisiscentrum van de NVWA, waaronder het hoofd/teamleider van deze afdeling. De aanwezigheid van de 3 laatstgenoemde medewerkers was vanwege het gebruik van een nieuw type beschermingsmasker voor het personeel en omdat voor de eerste keer het nieuwe vergassingsbedrijf werd ingeschakeld. Er is geen crisismanager van de NVWA aanwezig geweest. Wel heeft de Inspecteur-generaal van de NVWA zondag het bedrijf bezocht.
Is het waar dat er ook een crisismanager van de NVWA aanwezig was tijdens de ruiming? Zo ja, waarom was deze crisismanager aanwezig en wat waren zijn werkzaamheden?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u bevestigen dat u zelf ook aanwezig bent geweest op het bedrijf? Zo ja, wanneer en wat was de reden van uw bezoek?
Voor de direct betrokkenen is de ruiming ook emotioneel bijzonder zwaar. Ik heb daarom de veehouder en zijn familie bezocht om mijn medeleven te tonen en ze op deze wijze een hart onder de riem te steken. Het besmette deel van het bedrijf heb ik niet bezocht.
Kunt u aangeven of de medewerkers van de NVWA (Voedsel en Warenautoriteit) bij deze ruiming de meetapparatuur hebben kunnen volgen, zoals u aangeeft in uw brief van 30 mei 2012? Zo ja, hebben zij daardoor nauwkeuriger kunnen toezien op een goed verloop van het doden van de dieren? Zo nee, waarom niet en wat voor gevolgen heeft dit gehad voor het verloop van het doden van de dieren?
De NVWA-medewerkers hebben gedurende de vergassing de metingen nauwkeurig kunnen volgen.
Kunt u aangeven of het bedrijf dat de ruiming heeft uitgevoerd dit volgens alle gestelde regels heeft gedaan, of alle apparatuur goed heeft gefunctioneerd en of het bedrijf een gedetailleerd werkplan voor de ruiming heeft aangeleverd voordat het aan de werkzaamheden begon? Zo ja, kunt u dit nader toelichten en details geven over de inhoud van het werkplan? Zo nee, wat voor problemen zijn er ontstaan en wat gaat u doen om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen en schuldigen aan deze problemen aan te pakken?
Het vergassingsbedrijf heeft een werkplan ingediend. Dit is vooraf besproken met de NVWA. In het werkplan staat beschreven op welke wijze de uitvoering van de ruiming zal plaatsvinden (met name het afplakken van de stallen en de wijze van CO-2 toediening). De inhoud van het werkplan is in overeenstemming met de geldende regelgeving en het werkplan is correct gevolgd.
Kippen die zijn gestikt door de warmte |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «duizenden kippen door warmte gedood in oververhitte schuur»?1
Ja.
Is het waar dat er duizenden kippen op deze wijze zijn omgekomen? Kunt u aangeven of er ook meldingen zijn uit andere delen van het land en om welke aantallen dode dieren het gaat? Zo nee, waarom niet?
Op het bedrijf in Schuinesloot zijn ongeveer 200 vleeskuikens door de hitte omgekomen.
De media hebben over enkele soortgelijke situaties bericht waarbij de brandweer het dak van pluimveestallen gekoeld heeft met bluswater om de temperatuur in de stallen te verlagen. Het betreft bedrijven in Afferden (Limburg), Veelerveen (Groningen) en Hengelo (Gelderland). In Afferden zouden ook ongeveer 200 vleeskuikens zijn omgekomen. Bij de andere bedrijven is niets bekend over extra mortaliteit.
Deelt u de mening dat de dood van de dieren behalve met het warme weer , ook nauw samenhangt met de schaalgrootte van de huisvesting? Zo nee, waarom niet en heeft u voorbeelden van kleinschalige houderijsystemen waar zich soortgelijke problemen hebben voorgedaan?
Extra sterfte van de dieren kan, in een context van extreem hoge buitentemperaturen, samenhangen met een combinatie van factoren: leeftijd van de dieren en de ouderdom en daarmee samenhangende kwaliteit van de stal.
Een relatie tussen deze problemen en de schaal van de bedrijven is niet aan de orde. Een grote, recent gebouwde stal met moderne klimaat- en ventilatievoorzieningen biedt betere bescherming dan een kleine, oudere stal met oude voorzieningen.
Verder heeft een aantal vleeskuikenbedrijven geanticipeerd op de voorspelde hitte in het bewuste weekend door (een gedeelte van) hun slachtrijpe vleeskuikens voortijdig te laten slachten.
Bent u van mening dat interventie van publieke diensten in situaties als deze ten laste van de ondernemer in kwestie zouden moeten komen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven waarom er met publiek geld gewerkt moet worden aan de oplossing van problemen die samenhangen met de door de ondernemer gekozen wijze van huisvesten?
Ingevolge de Wet veiligheidsregio’s (artikel 3) behoort tot de brandweerzorg: «het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand». De brandweer was derhalve verplicht in dit geval assistentie te verlenen, het betreft een wettelijke taak. In principe wordt hiervoor door de brandweer aan de ondernemer niets in rekening gebracht.
Het is echter aan de gemeente te beoordelen of er eventueel kosten kunnen worden doorberekend aan de ondernemer. Daarvoor moet er dan wel van tevoren een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van toepassing zijn die bepaalt in welke gevallen dit gebeurt.
Als achteraf zou blijken dat de ondernemer schuldig zou zijn geweest aan het stikken van de kippen, dan wel dat hij onzorgvuldig is geweest of ernstig nalatig, kan de gemeente besluiten of zij zich in het juridische proces wil voegen met een factuur voor de gemaakte kosten.
In dit geval heeft de gemeente Hardenberg besloten dat de interventie van de brandweer op zondag 19 augustus bij het pluimveebedrijf in de categorie «het wegnemen van onmiddellijk gevaar voor [mens en] dier» valt en niet onder de categorie «andere werkzaamheden» (dienstverlening). De kosten worden dus niet in rekening van de ondernemer gebracht.
Ik ben bereid samen met de pluimveesector te kijken naar de risico’s die een hitteperiode met zich meebrengt voor het pluimvee in relatie tot de huisvesting. Het doel zal zijn dat veehouderijbedrijven beter voorbereid zijn op extreme klimaatomstandigheden om mortaliteit van dieren zo veel mogelijk te voorkomen.
Melkveehouders die in de problemen komen door de lage melkprijs |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Melkveehouders straks dieper in schulden»?1
Ja.
Is het waar dat de lagere melkprijs en de stijgende kosten van inputs leiden tot een verslechtering van de financiële positie van de helft van de Nederlandse melkveehouders?
Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) verstrekt via de website (http://www.lei.wur.nl/NL/statistieken/Barometer) gegevens over de actuele economische situatie in onder meer de melkveehouderij. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling van het saldo (opbrengsten minus toegerekende kosten, waarin ook de kosten voor veevoer en meststoffen zijn opgenomen) tot en met juli in 2012 hoger ligt dan het gemiddelde over dezelfde periode in de jaren 2006 – 2011. Het saldo tot en met juli 2012 ligt wel lager dan de vergelijkbare periode over 2011, maar in 2011 was sprake van een fors gestegen melkprijs.
Bent u het met NMV (Nederlandse Melkveehouders Vakbond) eens dat de stijging van de melkprijs in 2011 een eenmalige opleving was en dat er dus sprake is van een structureel dalende melkprijs?
Nee. Zoals verwacht blijkt de prijs de afgelopen jaren meer en vaker te fluctueren door ontwikkelingen op de wereldmarkt. De laatste weken is er sprake van een opleving van de prijzen op de wereldmarkt, die naar verwachting in de komende maanden zal leiden tot stijging van de melkprijzen voor de veehouders. Ook voor de komende jaren verwacht ik vergelijkbare prijstendensen en dus geen structureel dalende melkprijs. Mede omdat daarnaast de kosten tussen melkveebedrijven onderling sterk variëren, zal niet steeds en niet voor elk bedrijf sprake zijn van een volledig kostendekkende melkprijs.
Wat is uw verklaring voor de huidige lage melkprijs, gezien de stijgende zuivelprijzen op de wereldmarkt? Deelt u de mening dat Nederlandse melkveehouders een eerlijke en reële prijs moeten krijgen voor hun melk, waarin alle input- en milieukosten zijn meegenomen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat andere EU-landen van plan zijn om de toeslagen vervroegd uit te betalen? Zo ja, om welke landen gaat het?
De Europese Commissie heeft een voorstel gepresenteerd aan het beheerscomité voor directe betalingen van 25 juli jongstleden waarin zij alle lidstaten toestaat om vanaf 16 oktober 2012 vervroegd 50% van de bedrijfstoeslag 2012 te betalen, onder de voorwaarde dat alle controles zijn afgerond. Dit voorstel is vastgesteld en op 28 augustus officieel gepubliceerd.
In het voornoemde beheerscomité gaven acht lidstaten (Letland, Litouwen, Portugal, Roemenië, Griekenland, Italië, Tsjechië en Hongarije) aan dat zij zeer waarschijnlijk voorschotten gaan betalen. Zeven lidstaten gaven aan dat zij zeer waarschijnlijk géén voorschotten gaan betalen (Duitsland, Slowakije, Estland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Finland).
Deelt u de mening dat de huidige uitzonderlijke omstandigheden voldoende aanleiding geven om een verzoek in te dienen bij de Europese Commissie om vervroegde betaling van de toeslagen in Nederland mogelijk te maken?
Nee. Nederland heeft dan ook geen verzoek ingediend.
Bent u nog van plan om andere acties te ondernemen om te zorgen dat melkveehouders niet verder in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Uitbraak van vogelgriep |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven wat de oorzaak is van de uitbraak van vogelgriep op 10 augustus 2012 in Hagestein? Zo nee, wanneer is deze oorzaak wel bekend?
Het is helaas vrijwel nooit mogelijk de exacte oorzaak van een dierziekte-uitbraak te achterhalen. Dat is ook nu het geval. Volgens onderzoek van het Centraal Veterinair Instituut (CVI) samen met het Erasmus Medisch Centrum (EMC) hebben leghennenbedrijven met een vrije uitloop een ongeveer 11 keer zo grote kans om geïnfecteerd te raken door LPAI virussen dan leghenbedrijven zonder uitloop. Het bedrijf in Hagestein heeft een buitenuitloop. De kans is aanwezig dat het virus afkomstig is van wilde watervogels.
Kunt u aangeven hoe groot de kans is dat deze uitbraak een gevolg is van eerdere uitbraken van vogelgriep in Mexico in de afgelopen weken1? Zo ja, hoe heeft het virus zich op zo’n korte termijn van Mexico naar Nederland kunnen verspreiden? Kunt u aangeven of dit is te wijten aan onzorgvuldige omgang met de besmettingen? Zo nee, is er sprake van een andere afzonderlijke uitbraak in Nederland of andere Europese lidstaten?
Het artikel, dat is aangehaald, betreft commentaar van de Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) naar aanleiding van de uitbraak van hoogpathogene vogelgriep in Mexico. De FAO pleit onder meer voor een goed monitoringsysteem voor H5 en H7 vogelgriepvirussen. Een dergelijk monitoringsysteem is in Nederland aanwezig. De uitbraak in Hagestein is ontdekt via dit systeem.
De uitbraak van vogelgriep in Mexico wordt veroorzaakt door een hoogpathogene H7N3 variant en de uitbraak in Nederland door een laagpathogene H7N7. De uitbraken staan niet met elkaar in verband. Overigens worden bij uitbraken in landen buiten de Europese Unie maatregelen getroffen om insleep naar de EU te voorkomen. De import van risicoproducten, zoals pluimvee en eieren, vanuit onder meer Mexico is om deze reden verboden. Wat wel en niet mag worden geïmporteerd is onder meer te vinden via de website van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit («Import Veterinair Online»).
Kunt u aangeven of er reden bestaat om aan te nemen dat het vogelgriepvirus zich op dit moment in Nederland verspreidt en dus op meerdere plaatsen, naast enkel op het bedrijf in Hagestein, zal worden vastgesteld? Zo ja, op welke locaties is er mogelijk ook sprake van of risico op een uitbraak? Zo nee, op welke manier kan dit worden uitgesloten? Hoe groot schat u de kans dat er toch op korte termijn meerdere uitbraken zullen plaatsvinden?
De kans dat dit vogelgriepvirus zich in Nederland zal verspreiden is klein. De Nederlandse en Europese wetgeving is erop gericht de insleep en verspreiding van ziekten zoals vogelgriep te voorkomen. De maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het besmette bedrijf zijn hier ook op gericht. In geval van een uitbraak wordt het pluimvee op zowel de omliggende pluimveebedrijven als contactbedrijven getest. In dit geval lagen er geen andere pluimveebedrijven in de buurt.
Kunt u aangeven hoe groot de kans is dat deze laag pathogene variant van het virus muteert naar een hoog pathogene variant en daarmee, naast aantasting van het dierenwelzijn van het getroffen pluimvee, een gevaar voor de volksgezondheid met zich meebrengt?
De kans dat een vogelgriepvirus van het type H5 of H7 muteert van laagpathogeen naar hoogpathogeen is niet groot maar wel reëel. Om dit risico zoveel mogelijk te beperken is in Europees verband afgesproken dat vogelgriep van de typen H5 en H7 wordt bestreden.
Wat gaat u doen om verdere uitbraken te voorkomen of te beperken, en te voorkomen dat tienduizenden gezonde dieren gedood moeten worden?
Ik heb u met mijn Kamerbrief van 18 april 2012 (TK 28 807, nr. 139) geïnformeerd over de stand van zaken rond het onderzoek naar het verband tussen vrije uitloop en het risico op een vogelgriepbesmetting. Naar aanleiding hiervan is een werkgroep samengesteld waarin zowel het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie als de pluimveesector vertegenwoordigd zijn.
Deze werkgroep is inmiddels bezig om de mogelijke maatregelen om het besmettingsrisico van de vrije uitloop te verminderen te beoordelen op effectiviteit, haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Afhankelijk van de aard van de voorgestelde maatregelen, zal ook moeten blijken of de sector deze maatregelen zelf kan doorvoeren of dat ondersteuning vanuit de overheid noodzakelijk is. Zodra de werkgroep deze analyse heeft afgerond, zal ik u op de hoogte stellen van de resultaten.