Het verstrekken van subsidie op het versnipperen van kuikens |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u aangeven of er broederijen zijn geweest die tijdens de vogelgriepuitbraak ervoor gekozen hebben om hun broedmachines (gedeeltelijk) stop te zetten om zo dierenleed te voorkomen?1 Zo ja, om hoeveel broederijen gaat dit? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven hoeveel broederijen ervoor gekozen hebben om kuikens te blijven uitbroeden en die vervolgens met een overschot aan kuikens zaten die opgeslagen waren in kratten zonder water en voer? Zo nee, waarom niet?
Eind 2014 zijn er vijf vogelgriepuitbraken geweest. Om het vogelgriepvirus te beteugelen en verdere verspreiding te voorkomen heb ik verschillende maatregelen genomen, o.a. vervoersverboden/beperkingen van levend pluimvee en eendagskuikens. Het is de verantwoordelijkheid van deze bedrijven om maatregelen voor te bereiden en te nemen om dierenleed en schade gedurende een periode met vervoersverboden zo veel mogelijk te beperken. Ik heb geen statistieken over de wijze waarop de bedrijven dit hebben gedaan.
Klopt het dat in de regeling «Tegemoetkoming vogelgriep broedeieren en eendagskuikens» de hoogte van de tegemoetkoming gebaseerd is op de marktwaarde van het broedei dan wel het eendagskuiken? Zo nee, waarop dan wel? Betekent dat dat hieruit afgeleid kan worden dat er een hogere vergoeding is of wordt verstrekt voor eendagskuikens dan voor broedeieren? Zo nee, waarom niet?
Bij broederijen en de vermeerderingsbedrijven is gedurende de bestrijding van de vogelgriep uitbraken schade ontstaan. Over deze specifieke schade waren geen afspraken gemaakt in het kader van het Diergezondheidsfonds (DGF). Gezien de specifieke aard van de bestrijdingsmaatregelen gedurende de kort op elkaar volgende periodes van standstill en de ontstane schade heb ik in overleg met het pluimveebedrijfsleven besloten om voor een beperkte periode (10 dagen) deze schade voor vergoeding vanuit het DGF in aanmerking te laten komen. De vaststelling van de waarde van de broedeieren en eendagskuikens is conform de systematiek van het DGF gebaseerd op de marktwaarde, net zoals bij de vergoeding van schade van dieren van besmette bedrijven. De marktwaarde van een eendagskuiken is hoger dan van het broedei.
Gezien de toenmalige onzekerheid over het verdere verloop van de uitbraak, de duur van de inzet van de maatregelen en de begrenzing van de periode waarover vergoeding van de schade is toegekend, acht ik de risico op het door u geschetste neveneffect gering. Om die reden acht ik ook extra maatregelen niet noodzakelijk.
Indien een hogere vergoeding geldt voor eendagskuikens dan voor broedeieren, deelt u dan de mening dat door deze regeling broederijen die in een dergelijke situatie blijven uitbroeden, financieel voordeliger uit zijn dan broederijen die het broedproces stopzetten? Bent u van mening dat hierdoor het ongewenste neveneffect ontstaat dat deze regeling een stimulans is voor het uitbroeden van kuikens met als bestemming de versnipperaar? Zo nee, waarom niet? Kunt u toezeggen dat bij volgende uitbraken van vogelgriep zal worden voorkomen dat dit ongewenste neveneffect zich in een tegemoetkomingsregeling wederom voordoet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze bent u voornemens om bij een volgende vogelgriepuitbraak er zorg voor te dragen dat er geen kuikens meer worden geboren bij een vervoersverbod of een verbod op herbevolking?
De broederij is primair verantwoordelijk voor het welzijn van de eendagskuikens. Zoals ik tijdens het AO over dierziekten en antibioticumgebruik van 10 december heb aangegeven, moet de sector voorbereid zijn op maatregelen als een vervoersverbod, bijvoorbeeld door het mogelijk maken van een grotere buffercapaciteit. Ook de Welzijnscommissie Vogelgriepuitbraak 2014 benadrukt de rol van de pluimveehouder voor het minimaliseren van de impact op dierenwelzijn.
Bent u bereid om bij een volgende uitbraak van vogelgriep als onderdeel van het maatregelenpakket, broederijen te verplichten hun broedproces (gedeeltelijk) tijdelijk te laten stilleggen? Zo nee, waarom niet?
Een broedproces tijdelijk stilleggen is niet altijd mogelijk. Omdat de embryo’s van bebroede eieren sterven nadat het broedproces wordt stilgelegd is het afhankelijk van het stadium van het broedproces in hoeverre dit bijdraagt aan dierenwelzijn. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om bij een volgende uitbraak broederijen te verplichten voorzieningen te treffen om tijdens kortdurende vervoersverboden kuikens tijdelijk op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal hierover in overleg gaan met de pluimveesector.
Erkent u dat broederijen niet de middelen noch de vaardigheden hebben om kuikens te doden? Kunt u aangeven welke methoden broederijen hebben toegepast om de miljoenen kuikens te doden die slachtoffer zijn geworden van het vervoersverbod?
Op broederijen voor kuikens voor legkippen zijn deze middelen aanwezig omdat daar regulier de mannelijke helft van de eendagskuikens gedood wordt. De gebruikelijke en ook volgens de Europese richtlijn (RL 1099/2009) toegestane methodes zijn CO2 vergassing en maceratie (versnipperen). Op broederijen die alleen vleeskuikens uitbroeden is geen apparatuur aanwezig om op grote schaal eendagskuikens te doden. Deze bedrijven zullen dergelijke apparatuur of diensten moeten huren.
Kunt u aangeven hoeveel eendagskuikens er als gevolg van de vogelgriepuitbraak op broederijen gedood zijn? Zo nee, waarom niet?
De broederijen hebben in totaal 24 aanvragen ingediend voor een tegemoetkoming in de schade voor 9.397.433 eendagskuikens (ca. 3% van alle kuikens die per jaar in Nederland worden opgebroed). Deze aanvragen worden momenteel door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beoordeeld. Zoals eerder aangegeven, betreffen deze aanvragen slechts een periode van 10 dagen.
Afschot van herten op het eiland de Haringvreter |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt het afgeven van een afschotvergunning door de provincie Zeeland om de populatie damherten te reguleren op het Natura 2000-eiland de Haringvreter?1
De provincie Zeeland heeft een Natuurbeschermingswetvergunning afgegeven. Het Veerse Meer is een Natura 2000-gebied. Er zouden door het afschot negatieve effecten (verstoring) kunnen ontstaan op vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen en daarmee op beschermde Natura 2000-waarden. Daarom heeft Staatsbosbeheer een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd bij de provincie.
Is het waar dat Staatsbosbeheer het besluit tot afschot van herten op de Haringvreter heeft gebaseerd op de aanname dat 120 van deze dieren te veel is en de populatie in de toekomst zal groeien? Ze nee, op welke andere aannames?
Het besluit tot afschot van de damherten is gestoeld op de overweging dat, als gevolg van de steeds hogere dichtheid, damherten in toenemende mate zullen overzwemmen naar Noord-Beveland en daar schade aan gewassen kunnen veroorzaken en de verkeersveiligheid in gevaar kunnen brengen. Daarnaast is het zo dat de begrazingsdruk van de damherten op het eiland zelf dusdanig is, dat een groot gedeelte van de ondergroei – broedplaats voor vogels – verdwijnt c.q. verdwenen is en daarmee Natura 2000-waarden bedreigd worden.
Door het ontbreken van predatoren en het beschikbare voedselaanbod – limiterende factoren – is er geen reden te veronderstellen dat de populatie de komende jaren niet verder zal groeien. Wel zal wellicht de groeisnelheid geleidelijk afvlakken.
Uit onderzoek is gebleken dat het wegtrekken van damherten niet in eerste instantie «voedselgestuurd» is, maar eerder te maken heeft met «het sociale en explorerende gedrag van de soort» bij een groeiende populatie2.
Kunt u aangeven welke argumenten hieraan te grondslag liggen en op welk onafhankelijk onderzoek deze zijn gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een eventuele ontheffing onder de Flora- en faunawet gebaseerd zou moeten worden op onafhankelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De provincie Zeeland is in dit geval bevoegd gezag voor de eventuele verlening van een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.
Bent u bekend met het basisprincipe in de natuur dat een populatie niet verder groeit dan dat het draagkrachtniveau mogelijk maakt en dat het sterfte- en geboortecijfer elkaar in evenwicht houden?2
Het basisprincipe, dat een populatie niet verder groeit dan dat het draagkrachtniveau mogelijk maakt, is bekend. Echter, een groeiende populatie op de huidige oppervlakte heeft tot gevolg dat de dieren in toenemende mate zullen overzwemmen naar de vaste wal, op zoek naar een eigen leefgebied. Dit heeft mogelijk gevolgen in de vorm van schade aan gewassen en kan een risico opleveren voor de verkeersveiligheid.
Deelt u de mening dat het draagkrachtniveau grotendeels afhangt van de beschikbare hoeveelheid voedsel en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er onvoldoende voedsel is op de Haringvreter? Zo nee, waarom niet?
De draagkracht van een gebied hangt onder meer af van de beschikbare hoeveelheid voedsel en dat is op Haringvreter vooralsnog geen – maar mogelijk op termijn wel een – probleem.
Deelt u de mening dat afschot mogelijk niet effectief is aangezien de plaatsen van afgeschoten dieren worden opgevuld door nieuwe aanwas en afschot bij ongewijzigd voedselaanbod leidt tot meer aanwas door verhoogde vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad zo dat er elk jaar aanwas bij komt, die het aantal geschoten exemplaren mogelijk compenseert. Netto betekent dat dat de populatie bij gepland afschot niet toeneemt en dat de «overlast» daarmee ook op een gelijk niveau blijft.
Het is niet zo dat er bij geen afschot op korte termijn een daling van de populatie te verwachten is.
Deelt u de mening dat afschot van de herten kan leiden tot verstoring en het in groten getale overzwemmen van de herten, met alle gevolgen voor de dieren en verkeersveiligheid van dien? Zo nee, waarom niet?
Na het eerste (en enige) afschot van 15 dieren is op basis van uitvoerige zichtwaarnemingen geen sprake geweest van in groten getale overzwemmen van damherten.
Bent u bereid om af te zien van het afgeven van een eventuele ontheffing onder de Flora- en faunawet? Zo nee, waarom niet?
Voor het afgeven van een eventuele ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is de provincie Zeeland in dit geval het bevoegd gezag en daarmee verantwoordelijk voor het nemen van een afgewogen besluit.
Het rapport met adviezen voor de aanpak van vogelgriep van de dierenbescherming |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van de Dierenbescherming «Diervriendelijker aanpak vogelgriep – Geef ze een griepprik en een betere uitloop» met adviezen voor de aanpak van vogelgriep?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel dat de Dierenbescherming geeft over de huidige aanpak van de vogelgriep?
Er is het afgelopen decennium veel vooruitgang geboekt met betrekking tot een maatschappelijk verantwoorde dierziektebestrijding, waaronder vogelgriep:
Op dit moment loopt een evaluatie van de bestrijding van de vogelgriepuitbraken van eind 2014, uitgevoerd door organisatie adviesbureau Berenschot. Voor de zomer zal ik u dit evaluatierapport met daarbij mijn reactie daarop toesturen.
Deelt u de mening van de Dierenbescherming dat er nog belangrijke stappen te zetten zijn op het gebied van dierenwelzijn bij de aanpak van de vogelgriep?
Ik blijf streven naar verbeteringen op het gebied van dierenwelzijn tijdens een uitbraak van een dierziekte. Ik laat bijvoorbeeld onderzoek uitvoeren naar vogelgriepvaccins die niet per injectie maar met verstuivers kunnen worden toegediend. Met deze methode zou het op termijn mogelijk kunnen worden om grote aantallen dieren in korte tijd te vaccineren. Ook staat de acceptatie van vaccinatie in het internationale handel hoog op mijn agenda. Maar voor beide onderwerpen geldt dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt.
Bent u bereid de adviezen van de Dierenbescherming mee te nemen in een nieuw plan van aanpak van de vogelgriep? Zo ja, welke adviezen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat zijn de voorstellen van de Dierenbescherming sympathiek, maar niet allemaal uitvoerbaar, zeker niet binnen de voorgestelde tijdslijn. Zo kan dit najaar niet worden gestart met vaccinatie van commercieel pluimvee omdat er geen goed werkend vaccins beschikbaar is. Daarbij zal het grootschalig preventief vaccineren van Nederlands pluimvee tegen vogelgriep leiden tot veel en langdurige exportbeperkingen.
Aan een aantal onderwerpen waar de Dierenbescherming over adviseert werk ik al:
Ten slotte stelt de Dierenbescherming voor om de structuur van de pluimveesector te wijzigen en uitloopbedrijven te weren uit waterrijke gebieden. In mijn Kamerbrief van 13 april 2015 over onderzoek vrije uitloop en laagpathogene vogelgriep heb ik u geïnformeerd over de relatie tussen het risico van vogelgriep en waterrijke gebieden. Ik zal hierover met de pluimveesector in gesprek gaan.
Het Duitse beroepsverbod aan een omstreden Nederlandse varkenshouder |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de zeer ernstige dierenwelzijnsovertredingen van de omstreden Nederlandse varkenshouder die in Duitsland een beroepsverbod heeft gekregen?1
Ja.
Bent u bekend met de resultaten van het Duitse juridische onderzoek naar deze omstreden varkenshouder en kunt u uitsluiten dat de resultaten van het onderzoek in Duitsland op de hoofdvestiging in Gladau, betrekking hebben op Nederlandse vestigingen waarvan deze omstreden varkenshouder eigenaar is of waarin hij een belang heeft? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met de resultaten van het juridische onderzoek. Voor zover mij bekend hebben deze geen betrekking op de Nederlandse vestigingen van deze varkenshouder.
Kunt u aangeven of Duitsland de Europese lidstaten op de hoogte heeft gesteld van het beroepsverbod voor deze omstreden varkenshouder, aangezien hij tevens vestigingen in Nederland en Hongarije heeft? Kunt u aangeven of er op Europees niveau maatregelen worden genomen die deze omstreden varkenshouder belemmeren om elders opnieuw te beginnen en dezelfde overtredingen te begaan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Duitsland heeft een beroepsverbod ingesteld nadat er op verschillende vestigingen van deze veehouder in Duitsland verschillende overtredingen waren vastgesteld. De reikwijdte van dit beroepsverbod beperkt zich tot Duitsland en leidt niet automatisch tot maatregelen op Europees niveau. Duitsland heeft derhalve de Europese Commissie hierover niet geïnformeerd. Wel heeft Duitsland Nederland, Roemenië en Hongarije geïnformeerd over de Duitse maatregelen tegen deze veehouder.
Kunt u aangeven hoe u het Duitse beroepsverbod, dat tevens door de rechter is goedgekeurd, beoordeelt? Zo nee, waarom niet?
Een houder heeft de verantwoordelijkheid om goed voor het welzijn en de gezondheid van zijn dieren te zorgen. Indien er sprake is van overtredingen zal de overheid optreden door middel van bestuursrechtelijke handhaving, gericht op herstel, of strafrechtelijke handhaving. Het is in Nederland aan de strafrechter om over te gaan tot een houdverbod, beroepsverbod of stillegging van een onderneming.
Voorts treed ik niet in de beoordeling van een uitspraak van de rechter over een individueel geval.
Kunt u aangeven in hoeverre er op de Nederlandse vestigingen, waaronder de bedrijven Knorpolder in Creil (circa 16.000 varkens) en Sebava (voorheen de Knorhof) in Buren (circa 19.000 vleesvarkens) sprake is van de door Duitsland genoemde overtredingen: het onnodig pijn hebben van dieren, het gebrek aan verlenen van goede zorg, het huisvesten in te kleine hokken, dat resulteerde in bebloede en dode biggen? Zo nee, waarom niet?
Het varkensbedrijf heeft ook in Nederland meerdere vestigingen. In de periode 2007–2014 heeft de NVWA de Nederlandse vestigingen 14 keer bezocht. Tijdens de controles werden overtredingen vastgesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van het Varkensbesluit (VB) en de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (GWWD). In enkele gevallen was sprake was van ernstige overtredingen van de wet- en regelgeving, met soms ernstig verminderd dierenwelzijn tot gevolg.
Op basis van de geconstateerde overtredingen is zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk opgetreden. Het betreft vijf toezichtrapporten die geleid hebben tot bestuursdwang en vijf processen-verbaal.
Het bedrijf heeft de geconstateerde gebreken hersteld, bij de laatste hercontrole op 5 juni 2014 bleken alle locaties uiteindelijk in orde te zijn.
Kunt u aangeven hoe vaak de NVWA in de laatste tien jaar de Nederlandse varkenshouderijen van deze omstreden varkenshouder heeft bezocht? Kunt u aangeven wanneer deze inspecties precies hebben plaatsgevonden? Bent u bereid de inspectierapporten naar de Kamer te sturen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven welke overtredingen er de laatste tien jaar bij deze omstreden varkenshouder zijn geconstateerd en of dit geleid heeft tot (disciplinaire) maatregelen? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van plan om met de kennis van nu, op zeer korte termijn nieuwe en onaangekondigde inspecties te laten uitvoeren? Zo nee waarom niet?
De strafrechtelijke onderzoeken die in Nederland hebben geleid tot processen-verbaal zijn overgedragen aan het Openbaar Ministerie. In 2012 en 2013 zijn door de rechter boetes opgelegd van ruim € 100.000, waarvan € 37.500 voorwaardelijk. Ook is een vordering ontneming toegewezen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 111.000. In 2014 is door de rechter een geldboete van € 99.000 en is een voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor een periode van 3 maanden met proeftijd van 2 jaar uitgesproken. Tegen dit vonnis is door de ondernemer hoger beroep aangetekend.
Ondanks dat de eerder geconstateerde gebreken hersteld zijn, vind ik de mate van overtredingen zorgwekkend. De NVWA zal de bedrijven van de betreffende veehouder komende tijd dan ook zeer regelmatig blijven inspecteren.
Kunt u aangeven of het strafrechtelijk onderzoek dat in Nederland is ingesteld naar deze omstreden varkenshouder, al is voorgelegd aan de rechter? Bent u bereid de resultaten van dit onderzoek naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 7.
Verkeersveiligheid en faunabeleid naar aanleiding van wilde zwijnen op A1 |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Files op A1 door aangereden wild zwijn»?1
Ja.
Is er ter plaatse een sluitend net van zwijn-kerende rasters waardoor zwijnen niet de snelweg op kunnen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven hoe de zwijnen ondanks dit zwijn-kerende raster op de snelweg konden komen?
Langs de rijksweg A1 is aan beide zijden een grootwildkerend raster aanwezig. Ondanks het wildkerende raster zijn er drie zwijnen waarschijnlijk via de (bermen van) toe- en afrit op de rijksweg gekomen. Vlak daarna hebben de zwijnen zelfstandig de rijksweg weer verlaten, waarschijnlijk via dezelfde toe- en afrit. Het past bij het gedrag van wilde zwijnen om de grenzen van hun leefgebied op te zoeken en op onverwachte plekken op te duiken.
Is het waar dat het voornemen bestond de dieren af te schieten? Zo ja, op basis waarvan en door wie is daar toe besloten?
Ja. Om de veiligheid van het verkeer te borgen is door politie en Rijkswaterstaat besloten om de snelweg af te sluiten en de jachtopziener in te schakelen om de wilde zwijnen af te schieten vanwege het gevaar voor de verkeersveiligheid. Uiteindelijk was het niet nodig om de wilde zwijnen af te schieten omdat bij aankomst van de jachtopziener de wilde zwijnen niet meer op de snelweg aanwezig waren en niet meer te traceren waren.
Is er een serieuze afweging gemaakt om te kiezen voor een verdovingsschot alvorens te besluiten de dieren af te schieten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook mijn antwoord op vraag 3. De keuze om de zwijnen daadwerkelijk af te schieten, dan wel de wijze waarop (wel of niet verdoven), is niet gemaakt omdat de zwijnen inmiddels de rijksweg op eigen gelegenheid verlaten hadden.
Is het waar dat de overlevende zwijnen zelf een manier gevonden hebben om zich terug te trekken in hun leefgebied alvorens afschot kon plaatsvinden? Zo ja, wat zegt dat over de werking van het zwijn-kerende raster?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2, 3 en 6.
Kunt u aangeven op welke wijze en in welke frequentie de kwaliteit van zwijn-kerende rasters gecontroleerd wordt? Acht u deze controles toereikend?
Het wildkerend raster wordt normaliter één keer per jaar door Rijkswaterstaat visueel gecontroleerd en vastgelegd in een rapportage faunavoorzieningen, conform de NEN 2767. Als gevolg van dit incident met wilde zwijnen heeft Rijkswaterstaat besloten om op de betreffende locatie éénmalig een extra inspectie uit te voeren.
Acht u het mogelijk dat het massale afschot van wilde zwijnen de groepshiërarchie in de populatie verstoort waardoor zwerfgedrag kan leiden tot verkeersgevaarlijke situaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ziet u aanleiding provincies te adviseren het afschotbeleid aan te passen mede uit het oogpunt van verkeersveiligheid?
De spontane wegtrek van wilde zwijnen naar andere gebieden kan gebeuren om meerdere redenen. Het kan zijn dat er hoge doelstanden worden aangehouden zoals recent in de afschotvrije gebieden gebeurt. Ook ingeval van voedseltekort en wanneer jonge zwijnen op zoek gaan naar nieuwe leefgebieden kan er sprake zijn van migratie van zwijnen. Indien de wegtrek van wilde zwijnen leidt tot een gevaar voor de verkeersveiligheid, zoals het geval was op de A1, kan besloten worden om over te gaan tot afschot. Het gaat hierbij om incidenten. In algemene zin geldt dat het beleid ten aanzien van het beheer van de wildezwijnenpopulatie en het beleid ten aanzien van afschot beide de verantwoordelijkheid van de provincies zijn.
Welk verband ziet u tussen de nachtelijke jacht, waarbij zelfs gebruik wordt gemaakt van restlichtversterkers, en het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen in regio’s waar dit wordt toegestaan?
Uit onderzoek2 blijkt dat er te weinig bekend is over het effect van afschot op de dichtheid van de hoefdieren, daarmee dus ook op het aantal aanrijdingen met de hoefdieren.
Overigens verbiedt de Benelux-overeenkomst Jacht en Vogelbescherming het jagen in de nachtelijke uren en het gebruik van jachtmiddelen, anders dan de middelen die door het Comité van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen, tenzij de provincie hiervoor ontheffing heeft verleend.
Het ernstig lijden van kalfjes na het onthoornen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Steeds meer pijnstilling bij onthoornen», waaruit blijkt dat meer dan een op de vijf boeren geen pijnbestrijding geeft omdat zij geen nut zien in het bestrijden van pijn of vanwege economische redenen?1
Ja.
Erkent u dat het onthoornen bij kalveren een ingreep is waardoor een kalf volgens Canadees onderzoek van de University of British Columbia wel tot 44 uur na de ingreep kan lijden aan ernstige pijn, zware stress, verhoogde ademhaling en hartslag?2 Erkent u dat hiermee het welzijn van kalveren ernstige schade ondervindt? Zo nee, waarom niet?
Kalveren die worden ingezet ter vervanging van de melkveestapel worden onthoornd. Dat gebeurt in de gangbare veehouderij onder andere vanwege de veiligheid voor de houder en om beschadigingen aan soortgenoten te voorkomen in de stalperiode. Met de melkveesector heb ik afgesproken dat onthoornen vanwege het veiligheidsaspect vooralsnog blijft toegestaan. Het onthoornen van kalveren is een ingreep die pijn en stress meebrengt. Daarom heb ik met de melkveesector afgesproken dat het onthoornen zo diervriendelijk mogelijk moet gebeuren (Kamerstuk 28 286, nr. 651). Dat betekent naast de wettelijk verplichte verdoving bij het onthoornen, toe te dienen door een dierenarts, ook postoperatieve pijnbestrijding. Het toedienen van pijnstilling heeft bovendien ook positieve invloed op een snel herstel.
Kunt u aangeven waarom pijnbestrijding bij het onthoornen van kalveren in Nederland op vrijwillige basis gebeurt, terwijl dit bijvoorbeeld in Noorwegen wettelijk verplicht is? Zo nee, waarom niet?
In 2013 heb ik over postoperatieve pijnbestrijding afspraken gemaakt met de sector en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD). De KNMvD heeft in december 2014 een standpunt Pijnbestrijding bij lichamelijke ingrepen in de landbouwhuisdierensector uitgebracht waarin dierenartsen en veehouders worden opgeroepen om pijnbestrijding bij de uitvoering van lichamelijke ingrepen te optimaliseren. De sectororganisaties hebben via bijeenkomsten leden bewust gemaakt van het belang en nut van pijnbestrijding en handvatten aangereikt. Boeren hebben er ook belang bij dat het onthoornen goed gebeurt en dat het kalf snel herstelt. LTO ziet een sterke toename van boeren die postoperatieve pijnbestrijding geven, tot ongeveer – zoals blijkt uit de recente peiling van De Boerderij – 80% in 2015. Deze aanpak waarbij de sector haar verantwoordelijkheid neemt heeft mijn voorkeur boven regelgeving.
Erkent u dat het niet toepassen van pijnbestrijding bij 20% van de veehouders een te hoog percentage is? Bent u bereid om pijnbestrijding te verplichten en daarmee miljoenen kalveren te verlossen van ernstig lijden als gevolg van onthoorning? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik beschouw 80% niet als het eindstation. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is u bekend dat een op de vier veehouders het onthoornen zelf uitvoert? Deelt u de mening van een deel van de geënquêteerde veehouders dat dierenartsen deskundiger zijn in het onthoornen dan veehouders zelf? Bent u bereid, zolang er geen verbod op het onthoornen is, om te verplichten dat deze pijnlijke ingreep alleen door een dierenarts wordt uitgevoerd? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het onthoornen is een wettelijk toegestane handeling voor een veehouder (artikel 2.28 lid b Besluit houders van dieren).
Voorwaarde is dat de ingreep geschiedt op aanwijzing van een plaatselijk praktiserende dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast. Het is aan de veehouder om, indien hij vindt dat de dierenarts bekwamer is dan hijzelf in het uitvoeren van deze handeling, deze handeling door een dierenarts te laten uitvoeren. Ik zie geen reden om te verplichten dat alleen dierenartsen mogen onthoornen.
Hoe wordt art. 3 richtlijn 98/58/EG in Nederland gehandhaafd met betrekking tot het onthoornen van kalveren en de pijn die daarop volgt? Hoe frequent wordt er gecontroleerd en wordt er extra gecontroleerd bij veehouders die zelf onthoornen?
Op de melkveehouderijbedrijven die door de NVWA gecontroleerd worden, wordt in minimaal de helft van de gevallen gecontroleerd op de wijze van onthoornen. Daarbij wordt aan de hand van het logboek gecontroleerd of het onthoornen van de kalveren heeft plaatsgevonden onder verdoving door de dierenarts. Uit de controles komt het beeld naar voren dat het onthoornen op melkveebedrijven in het algemeen op correcte wijze plaatsvindt.
Welke afspraken heeft u met de sector gemaakt om het onthoornen uit te faseren? Bent u bereid om voor de evaluatie van de afspraken over het onthoornen in 2018 een tussenevaluatie naar de Kamer te sturen met daarin de stand van zaken over de gemaakte stappen door de sector? Zo nee, waarom niet?
Met de melkveesector heb ik afgesproken dat onthoornen vanwege het veiligheidsaspect vooralsnog blijft toegestaan en dat zij zoekt naar en inzet op alternatieven. Zo werkt de sector aan het versneld invoeren van hoornloze dieren (van oudsher bestaan er verschillende hoornloze rassen) en het ontwikkelen van andere houderijsystemen of vernieuwing van delen van bestaande stalsystemen waardoor onthoornen minder noodzakelijk wordt. Dat kost tijd.
Een tussenevaluatie voor de toegezegde evaluatie in 2018 vind ik derhalve niet opportuun.
De duurzame maatlat voor veehouderij |
|
Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Klopt het dat energiebesparende systemen als het ECO200 geen gebruikmaken van zware HFK’s (vanaf 2020 verboden), wat leidt tot winst voor het klimaat en de ozonlaag?
Volgens opgave van de leverancier werkt ECO200 zonder zware HFK koudemiddelen en gebruikt het een water/glycol mengsel als transportmiddel voor koeling.
HFK’s zijn broeikasgassen; het niet toepassen van deze middelen helpt bij het tegengaan van klimaatverandering.
Klopt het dat de Maatlat Duurzame Veehouderij het ECO200 en soortgelijke systemen uitsluit? Zo ja, waarom worden dergelijke systemen niet gestimuleerd via de Maatlat Duurzame Veehouderij?
De Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) sluit geen systemen uit. In de MDV worden echter geen systemen bij (merk)naam genoemd maar op basis van werkingsprincipes en deelmaatregelen gewaardeerd. Ook het ECO200 systeem is op onderdelen geanalyseerd en beoordeeld. Daarbij is nagegaan welke bijdrage de onderdelen van het systeem leveren op het gebied van energiebesparing c.q. duurzame energiebronnen. Deze analyse heeft er in geresulteerd dat de elementaire onderdelen van het ECO200 systeem een plaats hebben gekregen in de themamaatlat energie van de MDV.
Overigens is de directe reductie van broeikasgaseffecten door het niet toepassen van HFK’s geen thema binnen de MDV. De Maatlat Duurzame veehouderij stimuleert wél via de themamaatlat «energie» maatregelen die energie besparen en het gebruik van duurzamere energiebronnen. Hiermee wordt indirect wel een bijdrage geleverd aan de reductie van broeikasgassen.
Klopt de aanname dat op deze manier een verkeerde prikkel ontstaat, waardoor ondernemers geen gebruikmaken van dergelijke energiebesparende systemen, waardoor de facto meer schadelijke (broeikas)gassen worden uitgestoten? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord onder vraag 2. Energiebesparende systemen zoals ECO200 worden gewaardeerd voor hun energiebesparende effecten en de aanschaf en het gebruik ervan wordt gestimuleerd via de MDV. MDV is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de MIA\Vamil regeling.
Klopt het dat de bestaande fabrikanten van koelmachines op dit moment nog geen nieuwe innovaties c.q. initiatieven tonen om zware HFK’s uit te bannen? Zo ja, wat gaat u doen om deze sector te bewegen, zodat deze klaar is voor 2020?
Op 1 januari jl. is de nieuwe Europese F-gassenverordening in werking getreden. In deze verordening wordt onder andere geregeld dat de hoeveelheid HFK’s die tot 2030 op de markt kunnen worden gebracht sterk wordt gereduceerd en aan quota gebonden. Tevens wordt de toepassing van een aantal koudemiddelen in specifieke producten (waaronder koelinstallaties) in de loop van de komende jaren verboden. De bepalingen in deze Verordening vormen naar mijn idee een voldoende stimulans om de fabrikanten aan te zetten tot innovaties omdat zij anders geen markt meer hebben na 2020. In dit verband merk ik op dat er al koelinstallaties zijn die gebruik maken van natuurlijke koudemiddelen in plaats van HFK’s. Toepassen van natuurlijke koelmiddelen is in het algemeen ook energie-efficiënter.
Het bericht "melkvee heeft geen negatief effect op natuur" |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel in V-focus «Melkvee heeft geen negatief effect op natuur»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie gesteld in het artikel van V-focus: «Ook Wageningen UR heeft dergelijk onderzoek op beperkte schaal uitgevoerd in het Dwingelderveld. Uit deze veldonderzoeken blijkt eveneens dat de negatieve effecten van de veehouderij op de natuur beperkt zijn.»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het onderzoek in het Dwingelderveld waarnaar verwezen wordt in het artikel is niet bekend bij Wageningen UR.
In Schotland is volgens het artikel de werkelijke stikstofdepositie op vegetaties uitgebreid gemeten door op vegetaties zelf te meten. Zijn de uitkomsten of methoden van dit onderzoek bruikbaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek is op zich ook bruikbaar in Nederland, maar zal niet leiden tot andere conclusies over de effecten van stikstof. Bij depositie gaat het namelijk niet alleen om de opname van stikstof in de planten. Een deel van de depositie komt neer op bodem en water en zorgt daar voor verzuring en verhoging van de voedselrijkdom. Dat leidt vervolgens weer tot toename van concurrentiekrachtige soorten («verruiging») en de afname van soorten van voedselarme en zwak gebufferde omstandigheden. Deze effecten blijven buiten beeld als alleen wordt gekeken naar de opname van stikstof in de planten. Overigens heeft het RIVM in oktober 2014 een reactie gegeven op de kritiek die in meerdere artikelen en columns in V-focus is geuit op het depositieonderzoek in Nederland 2.
Bent u bekend met het rapport «Toepassing van stenoeciteit voor ruimtelijke beleidsvraagstukken, een advies aan EZ»?2
Ja.
Deelt u de mening van de opstellers van het rapport dat de vervlochtenheid tussen landbouw en natuur (...) niet aanwijsbaar leidt tot een negatief effect op natuur van uit de landbouw bekeken, maar ook niet andersom»? Zo ja, hoe geeft u hiervoor de ruimte? Zo nee, waarom niet?
Nee. De conclusie wekt de indruk dat er geen negatieve relaties bestaan tussen landbouw en natuur. Het stenoeciteitsonderzoek doet echter geen uitspraak over de relatie tussen uitstoot van ammoniak vanuit agrarische bedrijven, de stikstofdepositie en de schadelijkheid daarvan voor natuurgebieden. In het algemeen heeft stikstofbelasting grote effecten op de soortenrijkdom van natuurgebieden. Het is daarmee niet gezegd dat verweving van landbouw en natuur onmogelijk is. Met name soorten van droge, voedselrijke omstandigheden kunnen in het algemeen goed samengaan met een landbouwfunctie van percelen in de omgeving.
Deelt u de mening van de opstellers van het rapport: «We durven te stellen dat er in dit gebied een duidelijke koers is in te slaan om relatief weinig intensieve landbouw(ers) voor de toekomst duurzaam te laten zijn of worden door meer te vergroenen (meer te doen met landschap, natuur, recreatie of toerisme) en dat grotere landbouwers «beter» verder kunnen gaan met intensiveren. Het eerste spoor is niet slecht voor natuur maar wel goed voor de landbouw»? Zo ja, hoe uit zich dit in uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er in noordoost-Twente goede kansen liggen voor het combineren van verschillende vormen van landbouw met natuur. Er is ruimte voor diversiteit in agrarische productiewijzen, waarbij een deel van de boeren een intensieve vorm van landbouw en daarbij rekening houdt met omringende natuurwaarden en een deel van de boeren overstapt op agrarisch natuurbeheer. Vergroening van de landbouw is onderdeel van mijn beleid en daarbij zijn er ook kansen voor natuur in de omgeving van de intensieve bedrijven.
Kunt u aangeven wat uw inzet wordt nu uit het rapport blijkt dat er voor landbouw op veel meer plekken goede mogelijkheden (lijken te) zijn voor vervlechting met natuur en dat ook elders er geen aantoonbare negatieve correlatie lijkt te bestaan tussen landbouw en natuur?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 5 en 6.
Deelt u de mening dat op basis van dit rapport geconcludeerd kan worden dat het volkomen onterecht is dat de overheid aan agrarische bedrijven zware beperkingen oplegt om Natura 2000-gebieden te beschermen? Deelt u de mening dat natuur en landbouw uitstekend samen kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is genoegzaam aangetoond dat een deel van de natuur, met name na 1950, sterk is aangetast door intensivering van het landgebruik. Daarom zijn er na circa 1970 allerlei maatregelen uitgevoerd om de druk vanuit de landbouw te verminderen. Dat heeft zich onder andere geuit in een daling van de stikstofdepositie en een vermindering van de verdroging. In combinatie met een intensivering van het natuurbeheer heeft dat geleid tot een gedeeltelijk herstel van natuurwaarden.
Het regeringsbeleid is erop gericht om dit herstel verder uit te bouwen én ook de landbouw (en andere economische sectoren) ruimte te geven, onder andere door middel van de Programmatische Aanpak Stikstof. En bij het opstellen van de Natura 2000-beheerplannen wordt, met constructieve inbreng van agrariërs en natuurbeheerders, gewerkt aan een zo goed mogelijk samengaan van natuur en landbouw.
Honoreert u het voorstel van de opstellers van het rapport om een onderzoek als dit op te schalen naar meer landschappen in ons land, waar we nu nog veronderstellen dat «kwetsbare natuur» en landbouw elkaar niet lijken te verdragen?
Een vervolgonderzoek acht ik niet zinvol, omdat de onderzoeksopzet niet geschikt was om de getrokken conclusies mee te onderbouwen. Daarnaast is er al veel bekend over hoe bepaalde natuurwaarden kunnen voortbestaan of zelfs kunnen toenemen in verwevingsgebieden.
Welke gevolgen voor natuurbeheer verbindt u aan de uitkomsten van het rapport in de regio Noordoost-Twente?
Met het huidige natuurbeleid wordt in dit gebied ingezet op zowel het beheren en herstellen van gebieden met een natuurfunctie als op het stimuleren van vergroening van het landbouwgebied. Het rapport geeft geen aanleiding om dat beleid te wijzigen. Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 6.
Het onderzoek vond plaats in Noordoost-Twente; bent u bereid op korte termijn vergelijkbaar onderzoek te laten doen naar de gebieden Wierdense Veld en Engbertsdijksvenen in Overijssel?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 9.
De Europese Commissie onder leiding van Juncker heeft een grote evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijnen aangekondigd; hoe gaat u het Nederlandse proces voor deze evaluatie vormgeven? Hoe ziet het nationale en Europese tijdpad van de evaluatie eruit?
De Europese Commissie zal een technisch wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen met de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Hierbij zullen de lidstaten worden bevraagd en zo ook Nederland. De input hiervoor zal in de komende maanden worden voorbereid onder aansturing van het Ministerie van EZ in samenwerking met het Ministerie van I&M en het IPO. Hierbij zullen ook stakeholders vanuit het bedrijfsleven en natuurorganisaties worden betrokken. Zeer waarschijnlijk zullen de resultaten van de Europese Fitness Check worden gepresenteerd tijdens het Nederlands voorzitterschap in de eerste helft van 2016.
Welke rol ziet u voor de Tweede Kamer, provincies en gemeenten? Wie krijgen er nog meer een rol in de evaluatie?
Het ligt voor de hand dat de Europese Commissie naar aanleiding van de technische resultaten met beleidsaanbevelingen zal komen. Deze zullen worden besproken tijdens het Nederlands voorzitterschap in 2016. Vanzelfsprekend wordt uw Kamer nauw betrokken bij de voorbereiding van de Nederlandse positie. Overigens zijn al enkele hoofdlijnen neergelegd in de Rijksnatuurvisie, die ik met uw Kamer heb besproken. Op de betrokkenheid van andere stakeholders ben ik in mijn antwoord op de vorige vraag ingegaan.
Bent u bereid om deze schriftelijke vragen vooraf aan het nog te houden plenaire debat over het verslag van het Algemeen overleg (VAO) Natuurbeleid te beantwoorden?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Het goed samen gaan van natuur en veehouderij |
|
Helma Lodders (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Natuur en veehouderij gaan goed samen»?1
Ja.
Het bericht gaat in op het rapport «Toepassing van stenoeciteit voor ruimtelijke beleidsvraagstukken, een advies aan EZ», waarin een onderzoeksteam van Alterra van Wageningen UR en de Dienst Landelijk Gebied tot de conclusie komen dat de verwevenheid van landbouw en natuur niet leidt tot een negatief effect op de natuur; Deelt u deze conclusie? Zo ja, hoe neemt u deze mee in het beleid? Zo nee, waarom niet?
De conclusie wekt de indruk dat er geen negatieve relaties bestaan tussen landbouw en natuur. Het stenoeciteitsonderzoek doet echter geen uitspraak over de relatie tussen uitstoot van ammoniak vanuit agrarische bedrijven, de stikstofdepositie en de schadelijkheid daarvan voor natuurgebieden. In het algemeen heeft stikstofdepositie effect op de soortenrijkdom van natuurgebieden. Het is daarmee niet gezegd dat verweving van landbouw en natuur onmogelijk is. Met name soorten van droge, voedselrijke omstandigheden kunnen in het algemeen goed samengaan met een landbouwfunctie van percelen in de omgeving.
Het rapport stelt dat er «geheel tegen de verwachting in» geen correlatie blijkt te zijn tussen natuurkengetallen over de flora en de landbouwkengetallen; op welke verwachting is deze uitspraak in het rapport gebaseerd? Deelde u deze verwachting? Graag een toelichting.
De verwachting is gebaseerd op de gedachte dat in gebieden met intensieve landbouw de natuur sterk onder druk is komen te staan, met verdwijnen van soorten als gevolg. Deze verwachting deel ik niet. Het hangt namelijk van de soort en het type natuur af of ze negatieve invloeden van de landbouw kunnen ondergaan (zie ook het antwoord op vraag 2). Daarnaast hangt het ook af van het wel of niet nemen van beschermingsmaatregelen als er inderdaad sprake is van gevoeligheid voor met name stikstof, ontwatering en gewasbeschermingsmiddelen.
Uit het onderzoek, dat plaats vond in Noordoost-Twente, een gebied met een relatief grote verwevenheid tussen waardevolle landbouw en waardevolle natuur, valt af te leiden dat de verwevenheid tussen landbouw en natuur een niet aanwijsbaar negatief effect heeft op de landbouw en/of de natuur; verwacht u dat deze conclusie representatief is voor andere delen in Nederland waar landbouw en natuur verweven zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor het beleid? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht niet dat de conclusie per definitie representatief is voor andere delen in Nederland. Dit hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden. In noordoost-Twente is sprake van een grote variatie in bodemeigenschappen en grondwaterregime op korte afstand, een van oudsher zeer hoge soortenrijkdom én een grote inzet op natuurbeheer en natuurherstel in de afgelopen decennia. Dat heeft ertoe geleid dat, ondanks de gevolgen van stikstofdepositie, verdroging en versnippering, nog relatief veel soorten konden overleven. Deze situatie komt ook elders voor, maar is niet representatief voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid.
Bent u bereid om middels een vervolgonderzoek te analyseren of de conclusies uit het onderzoek in Noordoost-Twente van toepassing zijn voor de rest van Nederland? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer de resultaten hiervan verwachten? Zo nee, waarom niet?
Een vervolgonderzoek acht ik niet zinvol, omdat de onderzoeksopzet niet geschikt is om de getrokken conclusies mee te onderbouwen. Daarnaast is er al veel bekend over hoe bepaalde natuurwaarden kunnen voortbestaan of zelfs kunnen toenemen in verwevingsgebieden.
In het rapport valt te lezen dat de biodiversiteit omvangrijker is naarmate de milieuvariatie toeneemt; kunt u bevestigen dat de milieuvariatie belangrijker is voor de biodiversiteit dan de stikstofdepositie? Waar baseert u het antwoord op?
De milieuvariatie is een belangrijkere indicatie voor de soortenrijkdom dan de huidige stikstofdepositie. Uit onderzoek blijkt dat de hoogste biodiversiteit wordt gevonden in zogenoemde overgangsmilieus.
Onderschrijft u de bevinding in het rapport dat een relatief grote verwevenheid tussen waardevolle landbouw en waardevolle natuur niet tot conflicten met eenzijdige verliezen hoeft te leiden, en aangrijpingspunten biedt voor een vervolgonderzoek op de «aanvankelijk teleurstellende bevinding dat er geen correlatie gevonden is tussen stenoeciteit en de hoeveelheid gehouden melkvee»? Zo ja, is het gebruikelijk dat wanneer een uitkomst teleurstellend is aanvullend onderzoek wordt gedaan?
Nee. Er zijn verschillende mogelijkheden voor een goede combinatie en verweving van natuur en landbouw (zie ook het antwoord op vraag 2). Zo draagt agrarisch natuurbeheer in belangrijke mate bij aan natuur- en landschapswaarden in het agrarisch gebied. Daarnaast is het bekend dat de natuur aan oppervlak en kwaliteit heeft verloren als gevolg van de intensivering van het landgebruik.
Of aanvullend onderzoek wordt gedaan als uitkomsten teleurstellend zijn, hangt af van het belang dat zo'n onderzoek kan dienen.
Het rapport is een advies aan het Ministerie van Economische Zaken en in december 2013 gepubliceerd; kunt u aangeven wat u met dit advies en de uitkomsten van dit onderzoek heeft gedaan? Graag ook een toelichting op de adviezen en uitkomsten waar u niets mee heeft gedaan.
Het rapport stelt dat als een deel van de agrarische bedrijven omschakelt naar agrarisch natuurbeheer er ruimte ontstaat (of blijft bestaan) voor intensieve agrarische bedrijven (met bulkproducties).
Dat is in overeenstemming met mijn beleid. Dit beheer kan een belangrijke bijdrage leveren aan het behoud van natuur- en landschapswaarden in het agrarisch gebied, zoals de instandhouding van Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten.
De uitbraak van de hoog pathogene variant van vogelgriep in Hekendorp |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Welke maatregelen zijn er genomen om te voorkomen dat mensen besmet raken of dat het virus overslaat naar andere pluimveebedrijven?
Voor de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de uitbraak van vogelgriep in Hekendorp verwijs ik u naar de brief van 16 november jl. (Kamerstuk 28 807, nr. 166).
Zijn er signalen dat er mensen besmet zijn geraakt door de uitbraak van de hoog pathogene variant van vogelgriep in Hekendorp?
Nee.
Zijn er signalen dat er andere pluimveebedrijven besmet zijn met vogelgriep?
Voor het antwoord verwijs ik naar de brieven van 20, 21, 22 en 30 november jl. (Kamerstuk 28 807, nrs. 168, 169, 170, 175).
Zijn er al aanwijzingen voor de oorzaak van de uitbraak van de hoog pathogene variant van vogelgriep in Hekendorp?
Zie antwoord vraag 3.
Bestaat er mogelijk een verband met de recente uitbraak van een voor mensen gevaarlijke vorm van vogelgriep (H5N8) in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern?
In mijn brief van 1 december jl. (Kamerstuk 28 807, nr. 176) en 2 december jl. heb ik geïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek naar de introductie van het virus.
Welke maatregelen gaat u nemen om het risico op uitbraken van voor mensen gevaarlijke dierziekten te verminderen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op vragen over het bericht «Pandemie uit Brabant is mogelijk» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1539).
Een nieuw vogelpesttype in Duitsland |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Nieuw vogelpesttype in Duitsland»?1
Ja.
Heeft de uitbraak van H5N8-virus in Duitsland gevolgen voor de Nederlandse pluimveesector? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Het met H5N8 besmette kalkoenenbedrijf in Duitsland is op 6 november jl. geruimd en er is een beschermings- en toezichtsgebied ingesteld conform de Europese regelgeving. Voor lege vrachtwagens, die terugkomen uit Duitsland en waarmee gevogelte of broedeieren zijn vervoerd, is een tweede reiniging en ontsmetting in Nederland ingesteld. Deze verplichte tweede reiniging en ontsmetting is beschreven bij de tijdelijke maatregelen en blijft van kracht tot deze nationale verplichting wordt ingetrokken.
Welke stappen hebt u sinds vorig jaar gezet om de kansen op besmetting met het vogelgriepvirus te verminderen? Tot welke structurele maatregelen hebben deze stappen geleid?
Voor de huidige uitbraak van hoogpathogene vogelgriep kende Nederland de afgelopen jaren met name uitbraken van laagpathogene vogelgriep, die veelal bij buitenuitloopbedrijven plaats vonden. Daarom is er bij het Centraal Veterinair Instituut (CVI), onderdeel van Wageningen-UR, onderzoek uitgezet naar risicofactoren voor vogelgriep, bijvoorbeeld naar de vraag of er bepaalde perioden met een verhoogd risico op vogelgriep te identificeren zijn. Ik zal uw Kamer begin volgend jaar informeren over de resultaten.
Op welke wijze is het bedrijfsleven betrokken bij het opstellen van beleid of maatregelen om de kans op besmetting te verkleinen?
Het beleidsdraaiboek vogelgriep (AI) is in overleg met het bedrijfsleven opgesteld.
Klopt het dat er nader onderzoek is gedaan naar de kans op besmetting bij uitloopkippen? Zijn deze onderzoeken en uitkomsten voor de Kamer beschikbaar? Zo ja, wilt u deze delen met de Kamer? Zo nee, wanneer zijn deze onderzoeken naar verwachting beschikbaar?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre zijn de processen van signalering van vogelgriep en ontsmetting van bedrijven tot exportvrije status voldoende geborgd binnen het Ministerie van Economische Zaken na de opheffing van de productschappen?
De productschapstaken voor dierziektes zijn, waar het een publieke taak betreft, grotendeels overgenomen door het Ministerie van Economische Zaken. Hieronder vallen de taken ten aanzien van vogelgriepmonitoring.
Reiniging en ontsmetting zijn taken van het bedrijfsleven zelf.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg dierziekten en antibioticagebruik op 11 december 2014?
Ja.
Het bericht dat Nederland door Rusland als grote illegale vleessmokkelaar wordt genoemd |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Pork from EU disguised as mushrooms, bubble gum busted by Russia»?1
Ja.
Kunt u de berichten uit Rusland bevestigen waarbij grote partijen vlees uit Nederland zijn omgekat naar oorsprong dan wel inhoud, waarbij Nederlands vlees zelfs geëxporteerd zou worden onder de noemer «champignons uit China»?
Sinds eind januari 2014 accepteert de Russische Federatie geen varkensvlees meer uit de EU. Nederlandse bedrijven produceren daarom niet meer voor de Russische Federatie en bieden ook geen partijen aan voor exportcertificering voor de Russische Federatie bij de NVWA. Sinds eind januari 2014 heeft de NVWA geen certificaten voor de export van varkensvlees(producten) naar de Russische Federatie afgegeven.
Eind oktober 2014 heeft de Russische veterinaire dienst de Europese Commissie CVO geïnformeerd over de vondst van varkensvlees(producten) uit een aantal EU-lidstaten en een derde land in een 26-tal zeecontainers op schepen afkomstig uit een aantal Europese havens. De Europese Commissie heeft op haar beurt de Nederlandse CVO hierover geïnformeerd. In mijn antwoord beperkt ik mij tot het vlees dat in Nederland is geproduceerd.
In een aantal containers heeft de Russische veterinaire dienst varkensvlees(producten) uit Nederland aangetroffen. Deze producten waren verborgen onder niet-veterinaire producten. Navraag bij de betrokken bedrijven, NVWA en de Nederlandse douane heeft de volgende informatie opgeleverd: Van de 26 containers, blijken er 25 niet te bestaan in de internationale registers voor zeecontainers. De containers zijn ook niet, zoals gebruikelijk, aangemeld voor een transportbeweging.
Op basis van de foto’s van de Russische veterinaire dienst heeft gemaakt van de bewuste partijen vlees kan duidelijk worden opgemaakt dat het originele dozen en producten betreft. De partijen vlees zijn niet omgekat als vlees afkomstig uit een ander land. De Nederlandse bedrijven in kwestie hebben deze partijen niet aangeboden voor exportcertificering naar een ander derde land. De Nederlandse producenten hebben deze partijen verkocht aan verschillende Nederlandse en buitenlandse handelaren. Volgens opgave van de handelaren hadden deze partijen een ander EU-land als bestemming, en gelden de regels van de interne markt. De partijen Nederlands vlees zijn niet vanuit een Nederlandse haven naar Rusland verscheept.
Bent u bereid bij de European Food and Safety Agency (EFSA) aan te dringen op strengere controles? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, de bevoegdheid tot controle op de naleving van de Europese wetgeving ten aanzien van voedselveiligheid ligt bij de lidstaten en niet bij de EFSA.
Verspreiding van besmettelijke dierziekten door de jacht |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Commissie: verspreiding Afrikaanse varkenspest door jacht»1 waarin de directeur Diergezondheid van de Europese Commissie heeft gezegd dat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest in Polen en de Baltische staten vermoedelijk is gekomen doordat in Wit-Rusland en Rusland is gejaagd op wilde zwijnen die besmet waren met het virus?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de directeur Diergezondheid van de Europese Commissie dit daadwerkelijk heeft gezegd?
Uitlatingen van personen die niet onder mijn verantwoordelijkheid vallen wil ik noch bevestigen, noch ontkennen.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) waaruit blijkt dat trekvogels het vogelgriepvirus waarschijnlijk niet ons land inbrengen maar het hier juist oplopen?2
Ja.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat in het wild levende dieren in genoemde voorbeelden slachtoffer zijn van menselijk handelen?
Nee. Varkenspest is een besmettelijke virusziekte die voorkomt bij varkens. Het Afrikaanse varkenspestvirus is ongevaarlijk voor de mens. Varkens kunnen op verschillende manieren geïnfecteerd raken met het varkenspestvirus. Waar het gaat om de verspreiding van het virus, wordt in het betreffende artikel een vermoeden uitgesproken dat de verspreiding veroorzaakt is door de jacht op wilde zwijnen die besmet waren met Afrikaanse varkenspest. Mij is echter geen wetenschappelijk onderzoek bekend inzake de verspreiding van deze ziekte vanuit wilde zwijnen in Rusland en Wit-Rusland naar lidstaten van de EU ten gevolge van de jacht. In Nederland vindt monitoring plaats of er besmettelijke ziekten onder wilde zwijnen aanwezig is.
In het door u aangehaalde proefschrift van mevrouw Van Dijk wordt geen verband gelegd tussen menselijk handelen en het oplopen van vogelgriepvirussen door trekvogels. Aangegeven wordt dat het vogelgriepvirus van nature in milde vorm voorkomt bij watervogels. In het proefschrift wordt gesteld dat over de relatie tussen vogelgriep in wilde vogels en pluimvee nog veel onduidelijk is.
Wat de intensieve veehouderij betreft is u bekend dat er op dit moment onderzoek plaatsvindt naar mogelijke gezondheidsrisico’s van veehouderijen voor omwonenden. Over dit onderzoek (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) heb ik u bij brief van 14 juni 2013 (Kamerstuk 28 973, nr. 134) en 8 april 2014 (Kamerstuk 28 973, nr. 137) geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de jacht en de intensieve veehouderij een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid door onder andere de verspreiding van zoönoses onder en via in het wild levende dieren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de protocollen op het gebied van ruimingen en ophokplicht in geval van dierziekte-uitbraken te herzien op grond van genoemde wetenschappelijke inzichten? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik zie geen reden om op grond van het aangehaalde proefschrift de protocollen rond ruimingen en ophokplicht bij uitbraken van dierziekten te herzien. De huidige maatregelen die kunnen worden opgelegd aan een bedrijf dat is besmet met een bestrijdingsplichtige dierziekte zijn voldoende om verdere besmetting van de omgeving te voorkomen.
De toelating van eieren van Avangardco op de Europese interne markt |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Oekraïense eiergigant krijgt exporttoelating naar EU»?1
Ja.
Klopt het dat Avangardco toestemming heeft gekregen om verwerkte eierproducten op de Europese interne markt te brengen? Zo ja, welke instanties zijn betrokken geweest bij de besluitvorming en welke rol hadden zij?
Ja. Imperovo Food Ltd, een onderdeel van Avangardco, heeft toestemming om eieren en eiproducten naar de EU te exporteren.
De besluitvorming over toestemming van Oekraïense eierproducenten tot de Europese markt vindt plaats volgens de algemeen geldende procedure om te bepalen of een land en/of bedrijf toestemming krijgt om te exporteren naar de EU. Besluitvorming vindt plaats door de Europese Commissie met een belangrijke rol voor de «Food and Veterinary Office» (FVO). Nadat een land een aanvraag heeft ingediend en uitgebreide informatie heeft verstrekt over het toezichts- en controlesysteem op voedselveiligheid-, volksgezondheid- en diergezondheidaspecten, vindt een controle plaats door de FVO om te controleren of dit systeem op orde is.
Wanneer de FVO het toezichts- en controlesysteem goedkeurt moet de toezichtautoriteit van het betrokken land een lijst samenstellen van bedrijven die mogen exporteren naar de EU en deze lijst bij de FVO indienen.
Hoe beoordeelt u de toelating van de verwerkte eierproducten van Avangardco?
Over de precieze productieomstandigheden van Avangardco heb ik geen informatie. Aangezien er geen twijfel is over de rechtmatigheid van de toelating van producten van Avangardco tot de EU, is er mijns inziens geen reden voor nader onderzoek. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 5 en 6.
Kunt u bevestigen dat Avangardco leghennen houdt in legbatterijen en deze voorzieningen niet aan de Europese minimum normen voldoen? Zo nee, bent u voornemens dit nader te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u voornemens bij de volgende Landbouw- en Visserijraad of bij een andere geschikte gelegenheid de Europese Commissie op te roepen de ongelijke concurrentie door de toelating van Avangardco te stoppen? Zo ja, schat u in dat uw verzoek gehoor krijgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 17 oktober jl. heb ik in de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. opgemerkt dat ik mij in algemene zin zorgen maak over het gelijke speelveld voor Europese landbouwers op het terrein van dierenwelzijn in het relatie tot bilaterale en multilaterale onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden. In het kader van de WTO moet er dan ook op worden ingezet om dierenwelzijn als zogeheten «non-trade concern» erkend te krijgen. Als voorbeeld heb ik de invoer van eieren en eiproducten uit de Oekraïne genoemd. In het vrijhandelsakkoord met Oekraïne is vastgelegd dat Oekraïne zich zal inspannen om zijn wetgeving op één lijn te brengen met die van de EU, onder andere ook op het terrein van dierenwelzijn. Deze afspraak is met de huidige eenzijdige toepassing van het akkoord door de EU echter nog niet formeel van kracht. Aangezien Oekraïne er nu formeel niet aan gebonden is om zich in te spannen om zijn dierenwelzijnswetgeving op één lijn te brengen met die van de EU, heeft de Nederlandse vertegenwoordiger in het beheerscomité op mijn instructie tegen de heffingsvrije toelating van eieren uit Oekraïne gestemd.
Hierbij heeft Nederland toegelicht tegen heffingsvrije import te zijn van eieren en eiproducten uit Oekraïne die niet voldoen aan de EU-dierenwelzijnsnormen. Helaas was Nederland de enige met dit standpunt. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. heb ik de Europese Commissie opgeroepen om bij de Oekraïne aan te dringen op hervorming van de wet- en regelgeving ten aanzien. Waar nodig is de EU daarbij bereid Oekraïne te ondersteunen bij het verbeteren van dierenwelzijn, onder meer in de eiersector. Tegelijkertijd moeten we dit probleem ook in proportie zien. Jaarlijks mag er in totaal 3.000 ton eieren en 1.500 ton eiproducten uit Oekraïne heffingsvrij worden ingevoerd in de EU. De hoeveelheid eiproducten wordt in jaarlijkse stappen verhoogd naar uiteindelijk 3.000 ton in 2020. Dit zijn zeer bescheiden hoeveelheden in vergelijking met de 7.25 miljoen ton eieren die de EU jaarlijks produceert. Commissaris Çiolos gaf tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober jl. ook aan dat bij de samenstelling van het quotum voor eieren en eiproducten uit de Oekraïne rekening is gehouden met het gelijke speelveld in de EU. Hij verwacht geen grote instroom in de EU.
Bent u van mening dat wanneer Avangardco in welke omvang dan ook leghennen houdt die niet op z’n minst in een verrijkte kooi leven zij geen toegang mogen hebben tot de Europese interne markt? Zo nee, hoe worden de Europese normen dan gehandhaafd? Zo ja, welke stappen gaat u verder zetten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of uw toezegging bij de viering van het 10-jarig bestaan van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders om te komen tot een masterplan voor de legsector al inhoud heeft gegeven? Hoe staat dit proces er nu voor?
Zoals ik eerder heb aangegeven in antwoord op Kamervragen van het lid Lodders (VVD) van 9 september 2013 (Aanhangsel 2012–2013, 3191) is de slechte marktsituatie voor de legpluimveesector het gevolg van overaanbod door de hoge eierproductie in de Europese Unie en zal de markt zelf voor een nieuw evenwicht tussen vraag en aanbod moeten zorgen. Ik verwijs u ook naar de antwoorden op de Kamervragen van het lid Geurts van 3 oktober jl. (Aanhangsel 2014–2015, 174). Gelet hierop zie ik het niet als mijn rol om vanuit de overheid een masterplan op te stellen voor de legpluimveesector. Ik heb dit ook kenbaar gemaakt in mijn brief aan de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders van 13 januari 2014, waarvan ik een afschrift naar uw Kamer heb gestuurd (2014D00773 en 2014D00774). Wanneer de sector zelf met een plan komt ben ik uiteraard bereid om te bezien hoe ik uitvoering hiervan kan faciliteren en ondersteunen.
Het Islamitisch Offerfeest op Werelddierendag |
|
Dion Graus (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de start van het Islamitisch Offerfeest dit jaar op dezelfde dag valt als Werelddierendag?1
Ja.
Heeft u ooit een Islamitische slachtpartij bijgewoond? Zo neen, bent u op de hoogte van de respectloosheid en het grote dierenleed dat hiermee gepaard gaat?
Het kabinet respecteert de tradities en de bijbehorende rituelen van religieuze groepen in Nederland binnen de grenzen van de rechtsstaat.
Deelt u voorts de mening dat de botte weigering om het Islamitische offerleed zelfs maar één dag uit te stellen, een grove belediging is voor de Nederlandse bevolking en hun traditie? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wist u dat Werelddierendag een dag is die wereldwijd op de agenda staat als hét moment waarop extra aandacht wordt besteed aan het welzijn van dieren, een dag om te vieren dat dieren rechten hebben en dat zij beschermd dienen te worden? Zo ja, waarom staat u toe dat er talloze dieren zwaar worden mishandeld?
De wijze waarop onbedwelmde rituele slacht mag plaatsvinden is vastgelegd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Op naleving hiervan wordt, ook tijdens het offerfeest, door de NVWA toegezien.
Deelt u onze mening dat er een einde moet komen aan deze barbaarse praktijken? Zo neen, waarom niet?
In de Nederlandse democratische rechtsstaat als vrije samenleving respecteren wij eenieders mening, traditie en religieuze achtergrond, ook als hierbij belangen van verschillende groeperingen kunnen botsen. De rechtsstaat en zijn verworvenheden bieden binnen de grenzen van de wet ruimte aan pluriformiteit, en tevens ruimte aan tradities en rituelen van religieuze groepen.
De aanwezigheid van furazolidon in de voedselketen en het lopende strafrechtelijk onderzoek |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Erkent u dat de aanwezigheid van potentieel kankerverwekkende stoffen, zoals furazolidon, in vlees mogelijke volksgezondheidsrisico’s kan opleveren voor de consument? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat consumenten te allen tijde in staat moeten worden gesteld zichzelf te beschermen tegen mogelijke bedreigingen van hun gezondheid uit de voedselketen? Zo nee, waarom niet?1
Ja, het gebruik van furazolidon in dieren is vanwege het feit dat het mogelijk kankerverwekkend is niet toegestaan. Overigens heeft het Bureau Risicobeoordeling van de NVWA in het geval van de casus waar deze vraag betrekking op heeft een risicobeoordeling uitgevoerd waaruit bleek dat het risico voor de volksgezondheid in dit geval verwaarloosbaar was.
In het geval er een gevaar voor de volksgezondheid is door mogelijk besmette of verontreinigde voedingsmiddelen wordt de consument daarover geïnformeerd, zodat deze zelf maatregelen kan nemen (bijvoorbeeld het niet consumeren van het aangekochte besmette product).
Erkent u dat, bij een mogelijk risico voor de volksgezondheid door de aanwezigheid van verboden middelen in de voedselketen, het voorzorgbeginsel zou moeten gelden in de informatievoorziening naar de consument? Bent u bereid, ook al is de schuld- en aansprakelijkheidsvraag nog niet beantwoord wegens het nog lopende strafrechtelijk onderzoek, het voorzorgbeginsel toe te passen, en de consument alsnog te informeren over de producten waarin mogelijk het verboden middel kan zitten c.q. heeft kunnen zitten, opdat de consument zelf kan bepalen of deze een zeker risico wil lopen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het voorzorgsbeginsel uit de Algemene Levensmiddelen Verordening (EG 178/2002), kan de overheid (snel) optreden tegen een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen, dieren of planten. Het voorzorgsbeginsel kan bijvoorbeeld worden toegepast wanneer (nog) geen volledige wetenschappelijke risicobeoordeling te maken is. Men kan dan op basis van dit beginsel de distributie van mogelijk gevaarlijke producten verhinderen of de producten zelfs uit de handel nemen.
Bij een volksgezondheidsrisico waarbij de mogelijk besmette of verontreinigde producten de consument bereikt kunnen hebben is het informeren van de consument in eerste instantie de verantwoordelijkheid van het betrokken bedrijfsleven waaronder ook de verkooppunten van de betreffende producten. Indien het bedrijfsleven haar taak onvoldoende op zich neemt zal de NVWA en het Voedingscentrum hierover communiceren. In de casus furazolidon was er geen sprake van een direct volksgezondheidsrisico en was daarom het informeren van de consument niet aan de orde (zie ook de beantwoording van vraag 1.). Omdat het gebruik van furazolidon bij dieren verboden is, zijn dieren waarbij de stof of metabolieten daarvan zijn aangetoond, conform de Europese Richtlijn 96/23 vernietigd. Ik verwijs u hiervoor naar de Kamerbrieven (Kamerstuk 26 991, nrs. 422, 425, 426, 427, en 428) die u hierover van de Staatsecretaris van Economische Zaken heeft ontvangen.
Bij een risico voor de volksgezondheid zal, ook al loopt er een strafrechtelijk onderzoek over de schuld- en aansprakelijkheidsvraag, gecommuniceerd worden over de risico’s en een handelingsperspectief worden verstrekt zodat de consument haar eigen maatregelen kan treffen.
De extra kosten door ammoniakbeleid |
|
Remco Dijkstra (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Extra kosten door Ammoniakbeleid»?1
Ja.
In 2030 nemen de kosten voor de pluimveesector toe tot 9,6 miljoen euro, voor de overige veebedrijven tot 37,3 miljoen euro als gevolgd van het concept-Besluit emissiearme Huisvesting Landbouwhuisdieren; kunt u aangeven wat dit een gemiddeld bedrijf per jaar gaat kosten?
Dat is heel erg moeilijk in een gemiddelde uit te drukken. Ik licht dat toe. De aanscherping van de eisen in het ontwerpbesluit geldt alleen voor bedrijven die een nieuwe stal bouwen of die een bestaande stal substantieel uitbreiden. De berekening van de cumulatieve jaarlijkse meerkosten, inderdaad geraamd op 37,3 miljoen euro in 2030 voor het onderdeel ammoniak, is gebaseerd op een aanname over het aantal stallen dat in de periode 2015 – 2030 zal zijn vernieuwd en dat derhalve inmiddels met de jaarlijkse meerkosten ten gevolge van de extra gevergde investering te maken heeft. Bij de aanname over het aantal vernieuwde stallen is uitgegaan van de economische afschrijvingstermijn van stallen: 20 jaar voor rundveestallen, 25 jaar voor pluimveestallen en 30 jaar voor varkensstallen. In 2030 zal dus in die aanname de helft van het aantal varkensstallen zijn vernieuwd, driekwart van het aantal rundveestallen zijn vernieuwd en voor pluimveestallen iets daartussen in.
In werkelijkheid gaan de stallen vaak veel langer mee dan de economische afschrijvingstermijn aangeeft en dat betekent dat het aantal bedrijven dat in 2030 in werkelijkheid met de meerkosten te maken heeft, lager zal zijn en dus ook dat de geraamde cumulatieve jaarlijkse meerkosten lager zullen zijn dan 37,3 miljoen euro. Voor de bedrijven die hun stal vernieuwen en dan dus aan de aangescherpte eisen moeten voldoen zijn de jaarlijkse meerkosten ten hoogste 3%.Het werkelijke percentage verschilt per sector, voor sommige sectoren zijn er zelfs helemaal geen meerkosten om aan de nieuwe eis bij nieuwbouw te voldoen.
Kunt u aangeven hoeveel meer geld de consument gemiddeld gaat betalen voor vlees, melk en andere veehouderijproducten als gevolg van deze regelgeving en kunt u aangeven in hoeverre vergelijkbare extra kosten in het verleden zijn doorberekend aan de consument?
Nee, ik kan niet aangeven hoeveel meer geld de consument gemiddeld gaat betalen en in hoeverre vergelijkbare extra kosten in het verleden zijn doorberekend. De marktprijs voor de desbetreffende producten af-boerderij beweegt zich niet altijd parallel aan de ontwikkeling van de kostprijs.
Een aantal sectoren staan enorm onder druk; zijn deze sectoren in staat om deze lastenverzwaring te dragen?
Bedrijven die geen nieuwe stallen bouwen en die bestaande stallen niet met meer dan 50% uitbreiden krijgen niet te maken met aangescherpte eisen en dus ook niet met meerkosten. Bedrijven die dergelijke investeringen wel plegen kunnen bij hun investeringsbeslissing en de daarbij behorende financiële planning rekening houden met eventuele meerkosten. Niet in alle gevallen zal er sprake zijn van meerkosten. Zie voor een verdere toelichting hoofdstuk 3, de paragraaf «economische haalbaarheid», in de Nota van Toelichting bij het ontwerpbesluit.
Kunt u aangeven of de lasten die bij Nederlandse veebedrijven terecht komen vergelijkbaar zijn met de lasten die in alle andere 27 EU-lidstaten worden opgelegd aan het bedrijfsleven als gevolg van de NEC-richtlijn, of zijn er verschillen en kunnen deze in kaart gebracht worden?
Op 18 december 2013 heeft de Europese Commissie een voorstel gepresenteerd voor een herziening van de NEC-Richtlijn. Het voorstel stelt Nederland een ammoniakreductie van 25% voor (ten opzichte van 2005), terwijl de reductie gemiddeld voor Europa 30% is. Daarmee lijken de lasten voor Nederland lager dan het Europees gemiddelde.
Uit de onderliggende rapporten blijkt dat de Europese Commissie rekening heeft gehouden met de inspanningen op milieugebied reeds door het Nederlandse bedrijfsleven genomen. Anderzijds is Nederland een dichtbevolkt land met onder meer een relatief grote veesector. Ondanks dat het voorgestelde plafond lager is dan het Europees gemiddelde, is ook van de veesector nog een aanzienlijke inspanning noodzakelijk in de periode tot 2030.
Ik moet hierbij aangeven dat het hier om voorstellen van de Europese Commissie gaat. Op dit moment is het PBL bezig een kosten/baten-analyse op te stellen van het Commissievoorstel. Met deze analyse en de inbreng die ik gehad heb van verschillende belanghebbenden, waaronder ook de veesector, zal ik mijn positie bepalen. Ik verwacht mijn positie nog dit jaar met u te kunnen delen.
Als er verschillen zijn, kunt u dan aangeven of deze te verklaren zijn door de wijze waarop Nederland Natura 2000, en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in het vervolg hiervan, implementeert in vergelijking met andere landen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wordt er met het concept-Besluit emissiearme Huisvesting Landbouwhuisdieren vooruit gelopen op de aanpassing van de NEC-richtlijn? Zo ja, welke andere landen lopen hier ook al op vooruit en verplichten daarmee hun bedrijfsleven extra investeringen te doen?
Met dit ontwerpbesluit wordt niet vooruitgelopen op de aanpassing van de NEC-richtlijn. De door de EU voorgestelde aanscherping van het emissieplafond voor ammoniak in 2020 vereist nog geen aanscherping van de huidige emissie-eisen. Op de voorgestelde aanscherping in 2030 kan nu nog niet worden geanticipeerd, mogelijk is een verdergaande aanscherping dan die in dit ontwerpbesluit dan nodig.
Kunt u aangeven of de verhouding tussen de verschillende vormen van fijnstof zoals afgesproken in de NEC-richtlijn 2001/8/EG tussen landen, of tussen de vormen van fijnstof, nog gewijzigd zullen worden of zijn deze in beton gegoten?
Het voorstel van de Europese Commissie van 18 december 2013 introduceert een plafond voor PM2.5, deeltjes met een grootte van 2.5 micrometer of minder. In de oorspronkelijke NEC-richtlijn (2001/8/EG) werd gekeken naar grotere deeltjes met een grootte van 10 micrometer of minder (PM10). Dit nieuwe plafond gebaseerd op PM2.5 wordt niet eerder vastgesteld dan 2016.
Hoe beoordeelt u dat volgens de normen tot 2010 in 2001/8/EG Portugal meer SO2 en vrijwel evenveel NOx, VOS en NH3 mag uitstoten als Nederland terwijl het land zeven miljoen inwoners minder heeft dan Nederland?
De normen die tot 2010 golden, maar ook de voorgestelde normen voor 2030, worden niet alleen gebaseerd op het aantal inwoners van een lidstaat. Ook bijvoorbeeld de aanwezige industrie en het verkeer zijn meegenomen bij het vaststellen van deze plafonds. Dat neemt niet weg dat alle Nederlandse belanghebbenden een forse inspanning hebben gedaan om deze plafonds in 2010 te realiseren.
Deze inspanning is terug te zien in de voorgestelde plafonds voor 2030, waarbij Nederland voor de meeste stoffen een lager reductiepercentage heeft dan landen die minder hebben gedaan, zoals Portugal.
Het maatschappelijk verzet tegen dierproeven op labradors |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de grote maatschappelijke onrust die ontstaan is nadat bekend werd dat Universiteit Maastricht plannen had om proeven te doen op 39 labradors?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de proeven na een petitie met meer dan 120.000 handtekeningen zijn opgeschort en de honden bij een stichting zijn ondergebracht om uiteindelijk geadopteerd te worden?
Ja, de proeven zijn na de petitie tijdelijk opgeschort. De Universiteit Maastricht heeft aangegeven dat een externe onafhankelijke commissie deze proeven nader zal onderzoeken voordat het besluit wordt genomen of de dierproeven worden hervat.
Kunt u bevestigen dat Universiteit Maastricht nog geen besluit heeft genomen over dierproeven op labradors in de toekomst?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er tussen 2004 en 2012 in laboratoria bij de Universiteit Maastricht 323 honden gedood zijn?2 Zo nee, hoe zit het dan?
Uit de jaarverslagen «Zodoende» van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) blijkt dat er bij de Universiteit Maastricht tussen 2004 en 2012 in totaal 323 honden zijn gebruikt voor onderzoek naar hart- en vaatziekten bij de mens. De Universiteit Maastricht geeft aan dat dit onderzoek op honden wordt uitgevoerd om hartaandoeningen bij de mens, zoals levensbedreigende hartritmestoornissen, beter te kunnen behandelen. Daarbij wordt voor de hond gekozen omdat het hart van de hond het meest lijkt op het hart van de mens qua elektrische geleidingsysteem. Resultaten die behaald worden met dit onderzoek zijn daarom goed te vertalen naar de mens. Eerder onderzoek van de Universiteit Maastricht heeft bijvoorbeeld geleid tot een duidelijke verbetering van de werking van pacemakers bij kinderen.
Is het waar dat er in 2011 in heel Nederland totaal 1.288 proeven op honden zijn uitgevoerd en het aantal proeven op honden in 2012 al is opgelopen tot 1.645?3 Hoe rijmt u deze stijging van 27.7% in de termen vermindering, verfijning en vervanging van dierproeven? Wat gaat u doen om dit aantal onmiddellijk te verlagen?
De genoemde aantallen zijn correct. Al deze dierproeven met honden zijn volgens de wet beoordeeld door een dierexperimentencommissie (DEC). De DEC dient daarbij de afweging te maken of het doel van de dierproef ook kan worden bereikt anders dan door middel van een dierproef, met minder dieren of met minder ongerief voor de proefdieren (vervanging, vermindering, verfijning, 3V’s). Zodra de voorgestelde wijziging van de Wet op de dierproeven in werking treedt zal voor dierproeven een projectvergunning nodig zijn. Aanvragen om projectvergunningen zullen worden beoordeeld door een nieuw zelfstandig bestuursorgaan, de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), dat bij diezelfde wetswijziging wordt ingesteld. De CCD moet ook toetsen of aan de eisen van vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan, en of het doel van het onderzoek het gebruik van dieren rechtvaardigt. De DEC’s zullen in de nieuwe situatie de CCD adviseren over aanvragen om projectvergunningen.
Met de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de dierproeven wordt tevens een Nationaal Comité ingesteld, dat onder meer tot taak krijgt te adviseren over het gebruik van dieren in dierproeven.
Zoals ik in mijn Plan van aanpak dierproeven en alternatieven (Kamerstuk 32 336, nr. 27) heb aangekondigd, zal ik het Nationale comité vragen om beste praktijken op te stellen ten behoeve van de projectvergunningen als het onderzoek met honden en katten betreft. Deze beste praktijken kunnen de CCD helpen tot een meer specialistische beoordeling te komen van de projectaanvragen van onderzoeken met honden en katten. Mijn ambitie is zo min mogelijk dierproeven en waar ze onvermijdelijk zijn naar een optimale vervanging, vermindering en verfijning. Daarbij gaat het niet alleen om dierproeven met honden en katten maar over dierproeven op alle soorten dieren.
Hoe beoordeelt u de openbaarmaking van de plannen voor deze specifieke dierproeven op labradors, die naar buiten zijn gekomen na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur?
De Wet openbaarheid van bestuur zorgt ervoor dat iedere burger inzage kan krijgen in het overheidshandelen. Deze wet is ook van toepassing op de Nederlandse universiteiten. Zodra het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de dierproeven in werking treedt, zal van elk dierproevenproject waarvoor de CCD een projectvergunning verleent, een niet-technische samenvatting van het project worden gepubliceerd op de website van de CCD. Hierdoor zal het voor het publiek transparanter worden op welke dieren in Nederland dierproeven worden uitgevoerd en welk onderzoeksdoel het uitvoeren van deze dierproeven rechtvaardigt.
Deelt u de mening dat het publieke debat over de toelaatbaarheid van dierproeven gediend is bij concrete en openbare informatie over welke dierexperimenten er in ons land precies worden uitgevoerd, zoals nu dankzij een Wob-verzoek duidelijk werd in Maastricht? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de samenleving concreter en preciezer wordt geïnformeerd over de dierproeven die plaatsvinden in ons land dan nu het geval is met de algemene jaarverslagen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit? Zo nee, waarom denkt u dat het publieke debat gebaat is bij gebrekkige transparantie over dierproeven?
Juist omdat dierproeven in het publieke debat staan vind ik transparantie zeer belangrijk. Daarbij gaat het niet alleen over de informatie welke dierproeven in Nederland worden uitgevoerd maar ook over informatie betreffende de wetenschappelijke doelstellingen. De gewijzigde Wet op de dierproeven introduceert een aantal instrumenten die de transparantie aanzienlijk gaan verhogen. Zo komt er een centrale vergunningsplicht en moet voor elke nieuwe dierproef een niet-technische samenvatting gepubliceerd worden op de website van de CCD.
Tevens wil ik benadrukken dat het jaarverslag «Zo doende» van de NVWA een van de meest uitgebreide jaarverslagen is die er binnen de Europese Unie wordt uitgebracht en meer informatie bevat dan de verplichte Europese registratiegegevens.
Daarnaast blijf ik aandringen bij de sector om eveneens zelf actief en open over dierproeven te communiceren.
Hoe beoordeelt u het grote maatschappelijke verzet tegen de voorgenomen dierproeven op labradors, eerder ook al tot uiting gebracht in een breed gesteund burgerinitiatief voor een verbod op dierproeven op katten en honden in 2011 en de aanhoudend brede steun voor handtekeningenacties tegen dierproeven in het algemeen?
Ik begrijp dat dierproeven met honden en katten emoties losmaken bij mensen, omdat dit dieren zijn die wij vooral als onze huisdieren kennen. Desondanks is het soms nog nodig om dierproeven te verrichten op honden en katten voor bijvoorbeeld onderzoek naar de gezondheid van de mens of naar geneesmiddelen voor de betreffende diersoort.
Hoe beoordeelt u het feit dat een dierexperimentencommissie, in dit geval die van de Universiteit Maastricht, toestemming geeft voor dierproeven waartegen in de samenleving groot verzet bleek te bestaan?
Dierproeven met honden en katten zijn zowel onder de oude als onder de gewijzigde Wet op de dierproeven mogelijk. Elk projectvoorstel voor een dierproef moet vooraf worden beoordeeld door een erkende DEC. Deze commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van dierproeven, alternatieven, bescherming van proefdieren en van ethische toetsing. Deze deskundigen dienen een afweging te maken tussen het belang van het doel van de dierproef en het ongerief dat aan het proefdier wordt berokkend. Ik heb geen aanwijzing dat er bij de projectbeoordeling van de Universiteit Maastricht niet voldaan is aan deze wettelijke eisen.
Hoe waardeert u de ethische toetsing die voorafgaand aan de goedkeuring van deze dierproeven heeft plaatsgevonden ten opzichte van de morele opvattingen in de samenleving, gelet op het massale verzet en onderschrijft u de constatering dat er kennelijk een gat zat tussen wat de dierexperimentencommissie moreel toelaatbaar achtte en hoe de samenleving de ethische toelaatbaarheid van deze dierproeven beoordeelde? Deelt u onze indruk dat dit vaker het geval is? Zo nee, waarom niet?
De DEC beoordeelt op een deskundige manier of het belang van het doel van de proef opweegt tegen het ongerief dat het dier ten gevolge van die proef ondervindt. De DEC dient daarbij een gefundeerde ethische afweging te maken waarbij zij niet alleen wetenschappelijke maar ook maatschappelijke aspecten betrekt. Indien de DEC op grond van deze ethische afweging oordeelt dat de belangen van de uitvoering van de proef niet opwegen tegen de belangen van de proefdieren, zal zij een negatief advies uitbrengen.
Voor het maatschappelijke debat vind ik het belangrijk dat voor het brede publiek transparanter wordt welke dierproeven in Nederland plaatsvinden en welk wetenschappelijke of maatschappelijke doel het uitvoeren van deze dierproeven rechtvaardigt. Onder de gewijzigde Wet op de dierproeven zal deze informatie beschikbaar komen in vorm van een niet-technische samenvatting van elke nieuwe dierproef.
Deelt u de mening dat de (veranderende) morele opvattingen over dierproeven in de samenleving zijn weerslag moeten krijgen in de ethische toetsing van de toelaatbaarheid van dierproeven? Zo ja, hoe gaat u er zorg voor dragen dat dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren? Zo nee, waarom niet?
De huidige procedure van toelating van dierproeven zal met de komst van de gewijzigde Wet op de dierproeven veranderen. Voor alle dierproeven is dan een projectvergunning van de CCD vereist. Dit betekent dat een centrale onafhankelijke en onpartijdige commissie in een ethische toets beoordeeld of het maatschappelijke en wetenschappelijke belang van het doel van de dierproef opweegt tegen het ongerief dat het proefdier ondervindt ten gevolge van de proef. Bij deze ethische toetsing zal de CCD ook de beleving van de diverse aspecten in de maatschappij meenemen.
Bent u bereid de huidige procedures voor de ethische toetsing van de toelaatbaarheid van dierproeven te herzien zodat de morele opvattingen van de samenleving over de toelaatbaarheid van dierproeven hierin beter worden geborgd dan nu het geval is? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht “Q-koorts: Staat aansprakelijk” |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Q-koorts: Staat aansprakelijk»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het verwijt dat de overheid te lang heeft gewacht met het traceren van de bronnen, en met het treffen van maatregelen om de epidemie een halt toe te roepen?
In de kabinetsreactie van 20 december 2010 op het rapport «Van verwerping tot verheffing» komt dit punt aan de orde. De Commissie Van Dijk concludeert dat er op verschillende momenten doortastender had kunnen en moeten worden opgetreden, al kan de Commissie niet met zekerheid zeggen dat de uitkomst en het ziekteverloop dan ook daadwerkelijk anders waren geweest. Het kabinet heeft de constatering van de Commissie onderschreven en heeft hieruit lessen getrokken en gezorgd voor condities die een adequater optreden mogelijk maken.
Wat is uw reactie op het verwijt dat, door geen informatie te verstrekken over de uitbraak en over de bronnen van de besmetting, de overheid niet alleen de GGD, maar ook de burgers de mogelijkheid ontnam om maatregelen te treffen om de kans op besmetting te verminderen?
In bovengenoemde kabinetsreactie komt ook dit specifieke punt aan de orde. De Commissie concludeert dat onzekerheden in de bestrijding niet tijdig zijn gecommuniceerd met het publiek. Het kabinet heeft dit onderkend en besloten dat in de toekomst wel over onzekerheden en de dilemma’s in de bestrijding gecommuniceerd dient te worden.
Over de vraag of het brononderzoek in essentie belemmerd is, kan verschillend worden geoordeeld. Wel bevestigt het de noodzaak van integratie van de humane en veterinaire informatiestromen. GGD Nederland en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) hebben daarom een samenwerkingprotocol vastgesteld. Daarmee is de informatievoorziening die noodzakelijk is om de besmettingsbronnen te kennen en te delen en de burgers voor te lichten verder gestructureerd. Monitoring en brononderzoek kunnen inmiddels ongehinderd en geborgd plaatsvinden.
Wat is uw reactie op het onderzoek van het kennisinstituut Alterra van de Universiteit van Wageningen, waaruit blijkt dat het uitrijden van besmette mest een zeer belangrijke rol speelt bij de verspreiding van de Q-koortsbacterie?2 Hoe verhoudt zich dat volgens u met de uitspraken van oud-Minister Verburg «dat mest niet het grootste probleem was», en dat om die reden een verbod op het uitrijden van mest «geen handelingsperspectief» zou zijn geweest?
U verwijst naar een onderzoek van de universiteiten in Maastricht en Wageningen en van de GGD Zuid-Limburg over de relatie tussen het uitrijden van mest en humane besmetting met Q-koorts.
Bij de bestrijding van Q-koorts is het beleid vanaf het begin gericht geweest op het voorkomen van verspreiding via mest. De ingestelde maatregelen hadden als doel de Q-koortsbacterie te inactiveren door de mest gedurende enkele maanden in de stal te laten composteren alvorens deze uitgereden mocht worden. Hiermee zou contaminatie van de omgeving door potstalmest van de besmette bedrijven voorkomen worden. De mestmaatregelen zijn in stand gehouden om garanties te bieden. Doordat melkgeiten en melkschapen jaarlijks verplicht worden gevaccineerd tegen Q-koorts ontstaat er geen nieuwe besmette mest.
Tijdens de openbare hoorzitting van de Nationale Ombudsman op 24 april 2012 heeft oud-minister Verburg inderdaad gezegd dat uit onderzoek was gebleken dat mest niet het grootste probleem was. Desondanks zijn mestmaatregelen genomen zoals hierboven uiteen gezet.
Herinnert u zich uw toezegging om uiterlijk 1 september 2014 een evaluatie te laten plaatsvinden van de Stichting Q-support?3 Heeft deze evaluatie al plaatsgevonden, en wanneer zullen de resultaten hiervan naar de Kamer gestuurd worden?
Bij de antwoorden op deze vragen voeg ik de aangekondigde eerste rapportage over de Stichting Q-support. Wij noemen het liever geen evaluatie omdat de feitelijke werkzaamheden van Q-support pas goed op gang zijn gekomen na de startbijeenkomst op 12 februari 2014, waardoor de onderzoeksperiode over de kern van de activiteiten niet langer is dan vijf maanden. Dit document is daarom vooral een eerste rapportage over de opstartfase en een «nulmeting» voor de evaluatiemomenten in de komende jaren.
Zal deze evaluatie ook uitgebreid ingaan op de realisatie van de begroting van afgelopen jaar, de begroting voor komende jaren, en de tevredenheid van de Q-koorts patiënten over deze stichting? Kan er zowel voor de realisatie als voor de begroting duidelijk gemaakt worden wat de verhouding is tussen overheadkosten en uitgaven waar de Q-koortspatiënten concreet gebruik van kunnen maken?
De rapportage gaat, zoals ook met uw Kamer afgesproken, met name in op de tevredenheid van de Q-koorts patiënten over de stichting. De begroting en realisatie komen aan de orde via de subsidievoorwaarden. Uit de jaarrekening blijkt dat in dit opstartjaar ongeveer 11% van de kosten onder de term overhead zouden vallen.
Zal deze evaluatie ook uitgebreid ingaan op de tevredenheid van de Q-koortspatiënten over het functioneren van deze stichting? Kunt u aangeven op welke wijze dit bepaald wordt?
De rapportage gaat, zoals gezegd, vooral in op de tevredenheid van de Q-koorts patiënten over de stichting. In de rapportage, van een externe, onafhankelijke rapporteur vindt u een verantwoording van de methode waarmee de tevredenheid van Q-koorts patiënten is onderzocht4.
Herinnert u zich uw toezegging om een jaar na de oprichting van Stichting Q-support te bepalen of het budget van 10 miljoen euro adequaat is?4
Vooralsnog heb ik geen reden om aan te nemen dat de toegekende 10 miljoen euro niet adequaat is.
Welke stappen bent u voornemens te zetten als blijkt dat de toegekende 10 miljoen euro niet adequaat is?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid alsnog een voorstel te doen voor een individuele financiële tegemoetkoming, die erkenning inhoudt van het feit dat het overheidsoptreden rond de Q-koortsepidemie beter had gekund, alsmede erkenning voor het door de Q-koortspatiënten hierdoor mogelijk ondervonden nadeel?
Het kabinet heeft erkend dat het overheidsoptreden beter had gekund. Ik ben nog steeds onder de indruk van de verhalen van patiënten zoals deze naar voren komen in «Het verhaal Q-koorts»6, dat door de stichting Q-support is opgesteld en als bijlage is toegevoegd aan de externe rapportage.
Het kabinet heeft besloten om niet tot een individuele financiele tegemoetkoming over te gaan maar om via de Stichting Q-support te richten op ondersteuning van patiënten in het op de rails krijgen van hun leven, het vinden van de juiste zorg en ondersteuning en (nieuw) toekomstperspectief.
Provinciale besluitvorming met betrekking tot stikstofdepositie |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het besluit van gedeputeerde staten van Drenthe op 2 juli jl. om het Beleidskader Stikstof 2.0 in te trekken?
Ja.
Is het waar dat de juridische onderbouwing van het Beleidskader Stikstof 2.0 niet voldoende is waardoor de provincie genoodzaakt is om dit beleidskader in te trekken? Zo ja, kunt u de gevolgen voor vergunningverlening voor ondernemers in het gebied in kaart brengen?
In de brief van 2 juli jl. aan de provinciale staten van Drenthe schrijft het college van gedeputeerde staten dat is besloten om het Beleidskader Stikstof 2.0 per
2 juli 2014 in te trekken. In de brief wordt aangegeven dat op basis van recente uitspraken van de Raad van State moet worden geconcludeerd dat een essentieel onderdeel van het nieuwe kader niet tot uitvoer kan worden gebracht. Het betreft hier de afspraak dat aan de onherroepelijke vergunningen die onder de Beleidsregel Groenmanifest 2012 zijn verleend, voorschriften zouden worden verbonden om de speculatieve ruimte weg te halen. Het intrekken van het beleidskader heeft tot gevolg, aldus de brief, dat alle lopende aanvragen, inclusief de aanvragen die voor 10 oktober 2013 zijn ingediend en inclusief de vergunningen waartegen bezwaarschriften zijn ingediend, niet meer op basis van het Beleidskader Stikstof 2.0, maar alleen op basis van de Natuurbeschermingswet worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven op welke wijze andere provincies omgaan met vergunningverlening in het kader van stikstofdepositie zolang de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) niet beschikbaar is? Zo nee, bent u bereid een inventarisatie bij de verschillende provincies te doen en deze te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is de Natuurbeschermingswet 1998 het toetsingskader voor de vergunningverlening. De provincies handelen binnen dit wettelijke kader.
Kunt u aangeven hoeveel bedrijven momenteel in een impasse verkeren en daarmee beperkt worden in hun bedrijfsvoering ten gevolge van het gevoerde ammoniakbeleid?
Het exacte aantal bedrijven per provincie, dat in een impasse verkeert ten gevolge van het gevoerde ammoniakbeleid, is mij niet bekend. Het aantal Natuurbeschermingswet 1998 vergunningaanvragen, waarbij stikstofdepositie een rol speelt, varieert van tientallen aanvragen in sommige provincies (bijvoorbeeld Friesland) tot honderdtallen aanvragen in andere provincies (bijvoorbeeld Noord-Brabant, Limburg en Gelderland).
Biedt de PAS in deze gevallen uitkomst? Zo nee, welke aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk om de bedrijven uit deze impasse te halen?
De PAS heeft ten doel de vermindering van de stikstofdepositie in de in de PAS opgenomen gebieden ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in die gebieden. Daarnaast wordt in het programma ontwikkelruimte vastgesteld voor economische ontwikkelingen.
Deelt u de opvatting dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen over de PAS? Zo ja, wanneer kan de Kamer de invulling van het programma verwachten?
Ja, ik ben van mening dat burgers en bedrijven zo snel mogelijk duidelijkheid moeten krijgen over de PAS. Snelheid moet daarbij niet ten koste gaan van kwaliteit. Op dit moment wordt in samenwerking met provincies aan de PAS gewerkt. Binnenkort informeer ik de Tweede Kamer bij brief nader over de voortgang van de PAS.
Herinnert u zich dat tijdens de behandeling van de wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (Programmatische Aanpak Stikstof|) het amendement Lodders-Geurts (Kamerstuk 33 669, nr. 83) is aangenomen, waarin een overgangsregime wordt geregeld voor trajecten die al in procedure zitten? Kunt u aangeven of dit overgangsregime van kracht is en hoe hier door de verschillende provincies mee omgegaan wordt? Zo nee, bent u bereid om ook dit bij de verschillende provincies te inventariseren?
De in het amendement voorgestelde overgangsbepaling is opgenomen in artikel 67a van het wetsvoorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof). Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Eerste Kamer. Het overgangsregime wordt van kracht als het wetsvoorstel kracht van wet krijgt en in werking treedt.