Het artikel ‘Veluwse kwarteleitjes van Jumbo kwamen van Franse legbatterij’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel « «Veluwse kwarteleitjes» van Jumbo kwamen van Franse legbatterij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa verboden is om kippen te houden in legbatterijen, terwijl dit voor kwartels niet verboden is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er in Europa nadere restricties moeten worden gesteld aan het houden van kwartels voor de productie van eieren, omdat kwartels net als kippen hun natuurlijke behoeften moeten kunnen vervullen. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
In hoeverre bent u bereid om zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verbod op het houden van kwartels in legbatterijen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een betrouwbare en goede etikettering van voedsel onontbeerlijk is voor het vertrouwen en bewuster maken van de consument?
Het is belangrijk dat consumenten op basis van eerlijke en eenduidige informatie een bewuste keuze kunnen maken voor een voedingsmiddel. Consumenten mogen niet op «het verkeerde been» worden gezet. Correcte informatie draagt ook bij aan het vertrouwen van consumenten in voedsel.
In hoeverre denkt u dat het gebruik van eicodes met herkomstvermelding op kwarteleieren zouden kunnen bijdragen aan het voorkomen van onjuiste etikettering op deze producten?
Door het verplicht coderen van kwarteleieren wordt het moeilijker gemaakt om met kwarteleieren te frauderen en neemt de handhaafbaarheid toe. Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat Europees geregeld moet worden.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa bij kippeneieren verplicht is om eicodes met herkomstvermelding op de eieren te zetten, terwijl dit bij kwarteleieren niet zo is? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In hoeverre bent u bereid zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verplichting om eicodes met herkomstvermelding op de kwarteleieren te zetten?
Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat op Europees niveau geregeld moet worden. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
Bent u van mening dat de huidige sanctiemogelijkheden voldoende zijn om fraudegevallen als deze te bestrijden?
Ja.
Het bericht dat scharrelkwarteleieren afkomstig zijn van een Franse legbatterij |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
Bent u bekend met het bericht ««Veluwse scharrelkwarteleitjes» van Jumbo kwamen uit Franse legbatterij»? 1
Ja.
Kunt u bevestigen dat geen van de door Wakker Dier en het televisieprogramma Keuringsdienst van Waarde onderzochte eierdozen Nederlandse scharreleieren bevatte?
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft met de Nederlandse Controle Autoriteit Eieren (NCAE) op 15 maart 2018 een inspectie uitgevoerd bij Eicom. De daar aanwezige kwarteleieren waren niet afkomstig uit Nederland.
Wat is u bekend over de herkomst van de kwarteleieren die door de betreffende boer in de markt werden gezet als scharreleieren?
De kwarteleieren die door Eicom als scharreleieren in de markt werden gezet, zijn afkomstig van een Franse leverancier uit de regio Bretagne.
In hoeverre voldoet de Franse dierenwelzijnsstandaard aan de Nederlandse normen die worden gehanteerd voor scharreleieren?
Op legkippen die in Europa worden gehouden is Richtlijn 1999/74/EG tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen van toepassing. Op kwartels zijn alleen de algemene, basiswelzijnsregels van Richtlijn 98/58/EG van toepassing. Beide richtlijnen zijn ook in Frankrijk geïmplementeerd. Conform bijlage II van Verordening (EG) nr. 589/2008 moeten scharreleieren (van kippen) afkomstig zijn van inrichtingen die tenminste aan de voorwaarden van artikel 4 van Richtlijn 1999/74/EG voldoen. Voor kwarteleieren zijn dergelijke bepalingen er niet.
Is u bekend of veehouderijen die te maken krijgen met stalbranden of andere bedrijfseconomische tegenvallers vaker kiezen voor het doorverwijzen, inkopen of importeren van producten die niet voldoen aan de etikettering waaronder deze worden verkocht?
Nee, ik beschik niet over deze informatie.
Welke mogelijkheden hebben producenten om aan te geven dat hun meest recente leveringen niet voldoen aan de voor dat bedrijf doorgaans gangbare normen?
Producenten zijn verantwoordelijk voor het verhandelen van levensmiddelen die voldoen aan wet- en regelgeving. Zodra er sprake is van risico’s voor de volksgezondheid moeten ondernemers alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat producten die niet aan de regelgeving voldoen, uit de handel worden genomen. Als producten niet voldoen aan de wettelijke vereisten, maar er geen risico is voor de volksgezondheid, dan kunnen producenten hun afnemers hierover informeren, zodat zo nodig ook de consument geïnformeerd kan worden.
Bent u bereid om eicodes ook voor kwarteleieren verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat op Europees niveau geregeld moet worden. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
De betreffende beantwoording schriftelijke vragen (2018Z02462) betreffende oogstramingen CBS |
|
Jaco Geurts (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u verklaren waarom over de periode 2010–2017 over het algemeen de definitieve ramingen lager uitvielen dan de voorlopige ramingen, zoals is te zien in de meegestuurde gegevens?1
Het overzicht van de uienoogst in de periode 2010 t/m 2017, dat reeds is verstrekt bij de eerdere beantwoording van de vragen over dit onderwerp, laat zien dat de cijfers voor deze periode zowel vier maal naar boven als vier maal naar beneden zijn bijgesteld. Voor consumptieaardappelen zijn dit voor dezelfde periode drie bijstellingen naar beneden en vijf naar boven. Het gestelde dat de definitieve ramingen over het algemeen lager uitvielen in de periode 2010 – 2017 is dus niet juist.
Deelt u de mening dat de voorlopige ramingen onterecht invloed kunnen hebben op de prijszetting, aangezien in de meegestuurde gegevens is te zien dat vanaf 2014 de definitieve oogstramingen lager uitvallen dan de voorlopige ramingen bij uien en consumptieaardappelen?
Voorlopige ramingen kunnen inderdaad invloed hebben op de prijszetting. De raming van CBS is onafhankelijk. Hierdoor is er niet één schakel in de keten die daar meer of minder voordeel van kan hebben. Zonder een voorlopige raming door CBS is het zeer waarschijnlijk dat deze prijszetting ook zal plaatsvinden, maar dan op basis van eigen, wellicht minder transparante gegevens, die verzameld worden door individuele ketenpartijen.
De definitieve ramingen van de bruto opbrengst per hectare kunnen zowel naar beneden als naar boven worden bijgesteld ten opzichte van de voorlopige ramingen. De overzichten laten zien dat vanaf 2014 beide mogelijkheden zijn voorgekomen.
Gezien u aangeeft dat de oogstcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) invloed hebben op de prijszetting en de handel van uien, bent u bereid om te bekijken hoe de bekendmaking van deze cijfers zo min mogelijk marktverstorende gevolgen heeft?
Ik ben niet van mening dat de bekendmaking van de oogstcijfers door CBS marktverstorende gevolgen heeft. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 2.
Gezien de lidstaten uiterlijk 31 maart definitieve oogstgegevens moeten verstrekken aan Eurostat, is het mogelijk om alleen de definitieve ramingen openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
CBS heeft de wettelijke plicht om de resultaten van het verzamelen van gegevens te publiceren (Artikel 3.1 CBS-Wet). De voorlopige oogstramingscijfers vormen input voor de Landbouwrekeningen. De Landbouwrekeningen zijn, als onderdeel van de Nationale Rekeningen, Europees verplichte statistieken. Op basis van de Landbouwrekeningen wordt onder meer jaarlijks in december het inkomen van de landbouwsector berekend.
De resultaten van de voorlopige oogstramingen van de zaai-uien worden in oktober gepubliceerd. Hoewel op dat moment de levering van oogstgegevens over zaai-uien niet verplicht is voor Eurostat, is dat wel het moment waarop de cijfers beschikbaar zijn en dus door CBS moeten worden gepubliceerd (Artikel 3.1 CBS-wet).
Met deze publicatie wordt op dat moment ook voorzien in een nationale behoefte aan transparante en onafhankelijke cijfers (zie ook antwoord op vraag 2). Zo worden de voorlopige cijfers onder meer door het Comité Ui, Wageningen Economic Research (WEcR) en GroentenFruit Huis gebruikt bij het uitvoeren van hun taken.
Is er een Europese verplichting om de voorlopige ramingen bekend te maken? Zo nee, is het mogelijk dat het CBS af ziet van het verzamelen van deze gegevens of de openbaarmaking daarvan?
Er is geen Europese verplichting om de voorlopige ramingen bekend te maken. In het antwoord op vraag 4 is reeds aangegeven waarom de cijfers gepubliceerd worden.
Het kantelen van een vrachtwagen met 300 jonge kalfjes aan boord |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u vernomen dat er meer dan 100 kalfjes zijn gestorven nadat de vrachtwagen waarin ze stonden was gekanteld op de A16?1
Ja. De kalveren waren gemiddeld 25 dagen oud, dus ruim 3 weken. De leeftijd varieert van 18 dagen tot 43 dagen.
Hoe oud waren de kalfjes in deze vrachtwagen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat deze kalfjes onderweg waren vanuit Noord-Ierland naar een kalvermesterij in Groningen? Zo nee, waar kwamen de kalfjes dan vandaan en wat was hun bestemming?2
De kalveren zijn volgens het certificaat voor intracommunautaire handel (INTRA-certificaat) geladen op een verzamelcentrum in Ierland, dus niet Noord-Ierland. Als bestemming van de kalveren is inderdaad een veehouderij in Groningen aangegeven.
Van hoeveel verschillende bedrijven kwamen deze kalfjes?
De kalfjes waren afkomstig van ruim 40 bedrijven.
Kunt u schetsen wat er voor de kalfjes aan voorafging voordat ze met z’n driehonderden in een vrachtwagen stonden die uit Noord-Ierland vertrok naar Groningen?
De kalveren worden van verschillende (melkvee)bedrijven opgehaald en naar een verzamelcentrum vervoerd. Daar worden ze op stal gezet krijgen ze melk. De kalveren worden geselecteerd naar bestemming en vervolgens opgeladen voor export.
Wat was de werkelijke vertrektijd van dit transport vanuit Noord-Ierland? Zijn de dieren ’s nachts vervoerd? Zo ja, wat zijn de laagste temperaturen geweest die tijdens dit transport zijn geconstateerd?
Het transport is op 27 februari 2018 om 16:27 in Ierland vertrokken. De overtocht van Ierland naar Frankrijk was in de nacht van 27 op 28 februari. Uit de output van de temperatuursensoren van het vervoermiddel blijkt dat de laagste temperaturen tussen de 0 en 5 graden zijn geweest. Dit betreft het transportgedeelte tijdens de overtocht.
Kunt u toelichten hoeveel uur het geplande transport van deze dieren in beslag zou nemen? Was er sprake van een transport van meer dan 19 uur? Zo ja, is de vereiste tussenstop van 24 uur uitgevoerd waarbij de kalfjes zijn uitgeladen om uit te rusten in een stal op stro? Zo ja, hoe is dit gecontroleerd en bij welke temperatuur zijn de kalfjes dan uitgeladen?
De geplande transportduur volgens het INTRA-certificaat was 43 uur. Uit de analyse van de GPS gegevens blijkt dat er een tussenstop van ruim 12 uur is uitgevoerd op een controlepost in Frankrijk. Dit is in lijn met de transportverordening die voorschrijft dat dieren na een bootreis waarbij de dieren niet worden gelost, na aankomst een rusttijd van 12 uur moeten krijgen. Op deze controlepost zijn de kalfjes op stal gezet, in stallen voorzien van stro. Volgens de temperatuursensoren in het vervoermiddel zijn de kalfjes uitgeladen bij een temperatuur van tussen de 2 en 4 graden. Controles op de controlepost worden uitgevoerd door de officiële autoriteiten in Frankrijk.
Bent u er mee bekend dat, ondanks dat tussenstops wel geboekt worden om de exportvergunning te krijgen, de verplichte tussenstop in de praktijk vaak wordt overgeslagen?
Het komt inderdaad voor dat de verplichte rusttijd op controleposten niet altijd in acht wordt genomen. Hierop vinden risicogerichte controles plaats en er wordt gehandhaafd als de regels niet worden nageleefd. De NVWA werkt hiervoor samen met de autoriteiten van andere EU-lidstaten.
Welk drinksysteem was aanwezig in de veewagen? Hoe controleert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of alle kalveren in de volle veewagen daadwerkelijk toegang hebben tot de drinkspenen?
Het betreffende vervoermiddel is niet gecontroleerd op drenkvoorzieningen. Bij export worden alle transporten gecontroleerd op drenkvoorzieningen en bij importzendingen van ongespeende kalveren controleert de NVWA steekproefsgewijs om te verifiëren of de drenkvoorzieningen geschikt en bereikbaar zijn.
Kunt u bevestigen dat de gebrekkige drinkwatervoorziening in 2015 aanleiding is geweest om de internationale kalvertransporten op te schorten?
Ja. In december 2015 besloot de NVWA om geen exportcertificaten meer af te geven voor de export van ongespeende kalveren naar bestemmingen die verder dan 8 uur rijden zijn. Er was een toename geconstateerd van dit soort lange afstandstransporten en uit bevindingen van de exportkeuring bleek dat er voor deze jonge kalveren geen geschikt drinksysteem aanwezig was op de wagens. Hierdoor kon er niet aan de EU eisen van het transport worden voldaan.
Zijn alle kalfjes nu wel in staat om te drinken uit de nieuwe drinksystemen? Zo ja, uit welke gegevens zou dat onomstotelijk moeten blijken?
In 2017 heeft de sector aangepaste drinkvoorzieningen gedemonstreerd. Geconstateerd is dat de kalveren bij een gangbare belading in staat waren om uit de drinkspenen te drinken. De specificaties van deze aangepaste systemen zijn vastgelegd en gecommuniceerd naar de autoriteiten van andere EU-lidstaten.
Hoe wordt kalfjes, die een natuurlijke zuigbehoefte hebben en de speen van hun moeder zoeken, aangeleerd hoe ze moeten drinken tijdens het transport?
Kalveren met een natuurlijke zuigbehoefte hebben een zuigreflex en uit praktijkonderzoek is gebleken dat de aanwezige drinkspenen hiervoor geschikt zijn.
Uit hoeveel etages bestond de betreffende vrachtwagen en hoe hoog was de betreffende vrachtwagen?
Het vervoermiddel was op 3 lagen beladen. Volgens de Regeling voertuigen mag een bedrijfsauto op de Nederlandse weg niet hoger zijn dan 4 meter. In de meeste gevallen is het dak van veewagens in hoogte verstelbaar. Omdat in andere EU-lidstaten mogelijk andere normen gelden, kan de wagen bij vertrek mogelijk hoger zijn geweest.
Voldeed het transport aan alle geldende regels? Zo ja, uit welke daadwerkelijk uitgevoerde controles zou dat moeten blijken?
Uit de GPS gegevens is gebleken dat er wel is voldaan aan de 12 uur rusttijd, maar dat het transport niet op de juiste controlepost is gestopt. Hierover is contact opgenomen met de Ierse autoriteiten. Zij zullen hierop handhaven.
Wat was de oorzaak van het ongeluk? Heeft de wind een rol gehad in het omslaan van de vrachtwagen?
De NVWA is niet bij het ongeval aanwezig geweest en is niet bekend met de oorzaak. Dit onderzoek vindt plaats door de politie.
Bent u bereid om het hitteprotocol voor diertransporten uit te breiden naar andere weersomstandigheden. zoals vrieskou of sterke wind? Zo nee, waarom niet?
Nederland kent een Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen. Het Nationaal Plan bevat afspraken tussen overheid en diersectoren over het transport van vee bij extreme temperaturen. De aangesloten sectoren hebben elk een protocol ingediend, waarin is aangegeven welke maatregelen de betreffende sector neemt om aantasting van het dierenwelzijn bij het transport van dieren bij extreme temperaturen te voorkomen. Deze protocollen omvatten zowel maatregelen tijdens extreme hitte als tijdens extreme koude. Tevens is afgesproken dat tijdens code rood van het KNMI het Nationaal Plan van kracht zal zijn. Nederland blijft het EU Platform voor Dierenwelzijn en de nieuwe subgroep voor Transport benutten om soortgelijke zaken over dierenwelzijn ook op EU-niveau te agenderen. Zo is Nederland binnen de subgroep voorzitter van een werkgroep over transport bij extreme temperaturen. Als EU-lidstaat is Nederland bovendien actief binnen het bestaande «National contact points netwerk» voor de Transportverordening.
Kunt u van de afgelopen tien jaar per diersoort uiteenzetten hoeveel ongelukken er gebeuren met diertransporten en hoeveel dieren er jaarlijks om het leven komen bij ongelukken met diertransporten? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze cijfers in de toekomst wel te kunnen verstrekken?
De NVWA wordt in sommige gevallen ingeschakeld als er wegongevallen met diertransporten zijn, maar het is geen wettelijke taak van de NVWA om wegongevallen met dieren te registreren en daarover te rapporteren. Ik ben ook niet voornemens deze informatie in de toekomst door de NVWA te laten registreren. Van belang is dat iedere weggebruiker de verkeersveiligheid in acht neemt en verkeersongelukken en -slachtoffers worden voorkomen.
Kunt u van de afgelopen tien jaar inzichtelijk maken hoeveel kalfjes hun transport niet overleven? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze cijfers in de toekomst wel te kunnen verstrekken?
Als kalveren gestorven zijn bij of na aankomst op een kalverenbedrijf dan wordt dit door het betreffende kalverenbedrijf gemeld in het I&R-systeem. Bij deze doodmelding wordt geen oorzaak vermeld. Het is niet bekend hoeveel dieren tijdens een transport sterven. De NVWA voert bij een steekproef van importen van levende dieren een controle uit waarbij ook genoteerd wordt of er dieren tijdens het transport gestorven zijn. Het voorkomen van sterfte tijdens transport is een belangrijk onderwerp. De zorg voor diergezondheid vooraf en tijdens transport is de verantwoordelijkheid van de sector. Zij moet er op toezien dat zieke dieren niet getransporteerd worden en gepaste zorg krijgen. Het is ook de verantwoordelijkheid van de sector dat dieren tijdens transport de nodige zorg krijgen. Het is de taak van de NVWA om vervoerscontroles uit te voeren en handhavend op te treden bij overtredingen.
Kunt u van de afgelopen tien jaar inzichtelijk maken hoeveel kalfjes bij aankomst na hun transport lijden aan longontsteking? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze cijfers in de toekomst wel te kunnen verstrekken?
Deze cijfers worden in de eigen bedrijfsadministratie opgenomen, maar een bedrijfsdierenarts meldt dergelijke ziektegevallen niet openbaar. Het gaat hierbij ook niet om dierziekten waarvoor een meldingsplicht geldt. Deze cijfers worden dus als zodanig niet geregistreerd. Om die reden is het niet mogelijk om de gevraagde cijfers op een volledige en betrouwbare wijze te verzamelen en te verstrekken. Wel voert de NVWA controles uit op primaire bedrijven. Hierbij wordt ook geïnspecteerd of dieren de nodige zorg krijgen. De NVWA voert deze controles risico gebaseerd uit. Hoge sterfte onder kalveren is daar recent een selectiecriterium voor geweest.
Kunt u van de afgelopen tien jaar inzichtelijk maken hoeveel kalfjes bij aankomst na hun transport last hadden van diarree? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze cijfers in de toekomst wel te kunnen verstrekken?
Zie antwoord vraag 19.
Bent u er mee bekend dat kalfjes van nature een half jaar tot een jaar bij hun moeder blijven en melk bij haar drinken?
Ja, dat is mij bekend. Met mijn brief van 5 februari 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 942) heb ik de Kamer geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen rondom het onderwerp «Kalf bij de koe» en bij deze brief heeft de Kamer tevens de brochure «Verkenning kalf bij de koe, een sectorbrede inventarisatie van kennis en ervaring rondom het houden van kalveren bij de koe» ontvangen. Ik verwijs dan ook naar deze stukken.
Kunt u bevestigen dat voor de productie van melk, kaas, toetjes en andere zuivelproducten kalfjes echter vrijwel direct na de geboorte bij hun moeder worden weggehaald zodra ze kunnen staan?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u bevestigen dat kalfjes al vanaf de leeftijd van 14 dagen op transport mogen worden gezet en tijdens zo’n soms dagenlang transport slechts ruimte hebben van 0,3 tot maximaal 0,95 m2 per dier? Zo nee, hoe zit het dan?
Voor transporten langer dan 8 uur geldt inderdaad een minimum leeftijd van 14 dagen. Het transport mag maximaal 9 uur duren, waarna 1 tot maximaal 3 uur gerust moet worden. Daarna mag nog maximaal 9 uur worden gereden. Na die tijd moeten de dieren 24 uur uitgeladen worden en op stal worden gezet in een controlepost. Indien een gedeelte van het transport per boot wordt uitgevoerd, waarbij de dieren niet worden gelost, gelden deze transport- en rusttijden niet, maar moeten de dieren na aankomst 12 uur rusten. De Europese Transportverordening schrijft 0,3 tot maximaal 0,95 m2 ruimte per dier voor tijdens transport.
Het bericht ‘Supermarkten zetten telers onder druk met nieuw keurmerk groente en fruit’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de afspraken van verschillende supermarkten om te komen tot een nieuw keurmerk?1
Ja.
Hoe verhoudt het uitgangspunt van dit nieuwe keurmerk, dat supermarkten niet verplicht zijn boeren en tuinders extra te betalen om te voldoen aan de extra eisen voor het nieuwe keurmerk, zich tot de passage in het regeerakkoord dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) erop gaat toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn?
Als een supermarkt bovenwettelijke eisen stelt, moeten boeren en tuinders gewaardeerd worden voor de extra inzet die daarmee van hen verlangd wordt. In het regeerakkoord staat dat de ACM erop gaat toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijk eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn. Over de nadere invulling daarvan zal ik u samen met de Staatssecretaris van EZK voor de zomer informeren en zal daarbij ook de keurmerken meenemen. Dit neemt niet weg dat ik vind dat alle partijen in de keten een morele verantwoordelijkheid hebben én dienen te nemen dat duurzaamheid beloond wordt. Dat kan in de vorm van het bieden van een hogere prijs, maar de waardering kan ook tot uiting komen in bijvoorbeeld leveringszekerheid over een langere periode door bijvoorbeeld langjarige contracten. Ik wil hierover op korte termijn in de bredere context van de passages in de het regeerakkoord over de positie van de boer in de keten het gesprek aangaan met de retail en andere partijen in de keten.
Deelt u de mening dat aandacht voor duurzaamheid voor producten uit binnen- en ook buitenland belangrijk is, maar dat dit hand in hand moet gaan met een eerlijke vergoeding voor de boer en tuinder? Zo nee, waarom niet?
Voor de verduurzaming van de land- en tuinbouw is het van belang dat de daarmee gepaard gaande inspanningen passend worden beloond. Daar waar een passende beloning onvoldoende tot stand komt moet dit gestimuleerd worden. Het regeerakkoord biedt daarvoor aanknopingspunten en daarover zal ik u voor de zomer informeren.
Kan de ACM op dit moment toezien op deze afspraken? Zo ja, wat zijn de bevoegdheden? Zo nee, wat zou er in wetgeving veranderd moeten worden om deze bevoegdheden aan de ACM te geven? En mocht er wetgeving voor nodig zijn, wanneer komt deze wetgeving naar de Kamer?
De ACM heeft op dit moment geen inzicht in de contracten tussen producenten en afnemers; daar heeft de ACM geen bevoegdheden voor en is ook niet als taak bij de ACM belegd. Op dit moment wordt in kaart gebracht welke opties er zijn om er voor te zorgen dat de extra inspanningen van boeren en tuinders ook worden beloond.
Deelt u de mening dat als boeren en tuinders niet vergoed worden voor deze stappen de bedrijfsvoering in gevaar komt en daarmee de voedselproductie in Nederland, die al erg duurzaam, efficiënt en van hoge kwaliteit is?
Ik vind het van groot belang dat de ketenpartijen in onderling overleg komen tot passende vergoedingen. De overeengekomen vergoedingen dienen naar mijn mening zodanig te zijn dat boeren en tuinders op een economisch duurzame wijze, conform eventuele bovenwettelijk eisen, kunnen produceren.
Misstanden in Nederlandse varkensstallen |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
Bent u bekend met de undercoverbeelden die Varkens in nood op 27 februari 2018 naar buiten heeft gebracht?1
Ja.
Herkent u de slechte gezondheidssituatie van de dieren op de uitgebrachte beelden? Zo ja, wat vindt u hiervan?
De undercoverbeelden lieten onder andere zieke en dode varkens zien. Ik ben geschrokken van de beelden. In hoeverre de beelden representatief zijn kan ik niet beoordelen. Iedere veehouder heeft de morele en wettelijke plicht (Wet Dieren) om goed voor zijn dieren te zorgen. Het is aan de houder om de sterfte tot een minimum te beperken door gunstige omstandigheden voor het dier te creëren. Ik volg de voortgang bij de verschillende sectoren nauwlettend en zal dit punt blijven agenderen in de overleggen die ik met hen heb. De NVWA voert met regelmaat controles uit bij varkenshouders op dierenwelzijn. Daarbij stelt de NVWA ook vast of zij zieke dieren afzonderen en de juiste verzorging bieden. Indien de NVWA afwijkingen op dit aspect vaststelt, wordt strafrechtelijk dan wel bestuursrechtelijk opgetreden.
Deelt u de mening dat de getoonde levensomstandigheden van varkens onacceptabel zijn?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat de leefomstandigheden van varkens verbeteren en dit soort misstanden niet meer voor komen?
De verantwoordelijkheid voor aanpak van ziekten op een bedrijf ligt bij de sector en individuele varkenshouder. Ik faciliteer de sector in hun streven de diergezondheid te verbeteren door bijvoorbeeld de monitoring van varkensgezondheid door de Gezondheidsdienst voor Dieren, door ondersteuning van onderzoek op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn en door het ontwikkelen van indicatoren waarmee bijvoorbeeld de luchtkwaliteit in de stal beoordeeld kan worden. Iedereen kan een klacht of melding bij de NVWA doen, zo ook Varkens in Nood. Op basis van een risicoanalyse besluit de NVWA of er aanleiding is voor een vervolginspectie. De NVWA geeft aan dat in het onderhavige geval een inspectie is gedaan bij alle drie bedrijven waarover een melding is binnengekomen. Een verzoek om inzage van de resultaten van dergelijk onderzoek kan iedere belanghebbende doen via de gebruikelijke kanalen.
Herkent u de cijfers uit het recente rapport van Varkens in Nood, waaruit blijkt dat maar liefst vijftig procent van de dieren kampt met luchtwegproblemen, veel dieren last hebben van gewrichtsafwijkingen en er daarnaast hoge sterftepercentages zijn in de periode na de geboorte? Bent u bereid deze problematiek aan te pakken in uw aangekondigde dierenwelzijnsnota?2
De getoonde beelden horen bij een rapport dat «Varkens in Nood» heeft uitgebracht, genaamd «Ziek van de intensieve veehouderij». Ik heb met de sector gesproken over de bevindingen van Varkens in Nood.
De Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) heeft aangegeven dat varkenshouders staan voor de gezondheid van hun dieren en dat zij samen met dierenartsen en andere deskundigen snel inhoudelijk zullen reageren op de bevindingen in het rapport. Op basis hiervan zal ik met de POV verder inhoudelijk overleg voeren. In de aangekondigde nota dierenwelzijn zal ik verder terug komen op dit onderwerp.
Kunt u de claim dat de meeste varkens het grootste gedeelte van hun leven ziek zijn bevestigen? Zo ja, hoe rijmt u dit met de Wet dieren?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 5.
Welke conclusies met betrekking tot dierenwelzijn komen er voort uit recente controles van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op varkenshouderijen? Hoeveel van dergelijke controles hebben in 2017 plaatsgevonden? Hoeveel boetes zijn uitgedeeld en wat was het maximum opgelegde boetebedrag?
Uit de voorlopige cijfers over 2017 blijkt dat de NVWA 350 inspecties op het welzijn van varkens heeft uitgevoerd. Bij 246 inspecties zijn geen onregelmatigheden geconstateerd. Bij 104 inspecties zijn er wel onregelmatigheden geconstateerd en dat heeft in 39 gevallen geleid tot het opmaken van een Rapport van Bevindingen door een inspecteur. Op basis van een dergelijk rapport legt de NVWA een bestuurlijke boete op. De hoogst opgelegde boete was 4.500 euro. De voorlopige conclusie die uit de in 2017 door de NVWA uitgevoerde controles kan worden getrokken is dat de mate van naleving van de regels met betrekking tot dierenwelzijn op varkenshouderijen vergelijkbaar is met die in de jaren daarvoor.
Hoe verklaart u dat afgelopen jaren het geregeld undercoveroperaties van dierenwelzijnsorganisaties zijn die misstanden in de sector boven water brengen en niet de reguliere controles van de NVWA?
De NVWA voert jaarlijks een groot aantal controles op welzijn uit bij varkenshouderijen. Zij rapporteert daar ook openbaar over door middel van de MANCP-rapportage. Ook rapporteert de NVWA daarin over opgelegde maatregelen. Ik herken mij dus niet in uw vraagstelling.
In hoeverre gaat u dierenwelzijnsaspecten meenemen in het kabinetsvoornemen voor een «warme sanering» van de varkenssector?3
In het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet een aanpak zal uitwerken waarmee de volksgezondheids- en leefomgevingsrisico’s in veedichte gebieden worden verminderd. In dat kader werk ik samen met de betreffende provincies, gemeenten en bedrijfsleven aan maatregelen voor een warme sanering van de varkenshouderij in veerijke belaste gebieden. De focus ligt hierbij op het verminderen van de volksgezondheids- en leefomgevingsrisico’s. Ik zal uw Kamer voor het zomerreces hier nader over informeren.
Het bericht dat er weer 30.000 kippen zijn gestorven bij een stalbrand op een bedrijf waar eerder al 80.000 kippen omkwamen door brand |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u gezien dat er weer een stalbrand heeft plaatsgevonden op hetzelfde bedrijf als waar acht maanden geleden al 80.000 kippen de dood vonden omdat de schuur waarin ze opgesloten zaten in de brand vloog? Heeft u gezien dat er opnieuw 30.000 kippen levend zijn verbrand of de verstikkingsdood zijn gestorven?1 2
Ja.
Wat was het bouwjaar van de stal? Betrof het een stal die gebouwd is voor 1 april 2014, en die dus niet aan de brandveiligheidseisen hoefde te voldoen die zijn vastgesteld in het vernieuwde Bouwbesluit? Zo ja, kunt u bevestigen dat de overheid daarmee welbewust een vergroot risico heeft laten bestaan op het ontstaan van een hevige stalbrand waarbij de in de stal opgesloten dieren geen schijn van kans hebben om te ontkomen aan de rook en het vuur?
In 2009 is de vergunning verleend voor de bouw van deze stal. Ik heb, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 30 augustus 2017, een verkenning gestart naar de aanpassing van het Bouwbesluit voor bestaande stallen (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 138).
Was er in de betreffende stal een luchtwasser aanwezig?
Er was geen luchtwasser aanwezig in de betreffende stal.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel dieren er de afgelopen 10 jaar zijn omgekomen bij stalbranden in een stal met luchtwassers, en hoeveel dieren zijn omgekomen in een stal zonder luchtwassers?
Over deze specifieke informatie beschik ik niet. Wel houden de Nederlandse Brandweer en het Verbond van Verzekeraars sinds 2014 systematisch data bij over de oorzaken van stalbranden.
Deelt u de mening dat dieren moeten kunnen vluchten in het geval van een stalbrand? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek naar bepaalde innovaties, zoals bijvoorbeeld vluchtmogelijkheden van dieren in het geval van een stalbrand, worden meegenomen in het Actieplan Brandveiligere Veestallen 2018 – 2022.
Hoeveel stallen in Nederland kennen een vrije uitloop naar weidegang voor dieren? In hoeveel van die stallen zijn de afgelopen tien jaar stalbranden geweest en hoeveel dieren zijn daarbij om het leven gekomen? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de stallen zonder vrije uitloop naar weidegang over dezelfde periode?
Over deze informatie beschik ik niet.
Kunt u bevestigen dat er in de afgelopen tien jaar al meer dan 1,5 miljoen dieren zijn omgekomen bij een stalbrand, waarvan 229.000 in 2017, vijf jaar na inwerkingtreding van het zogenaamde actieplan stalbranden van de sector?3
Deze informatie heeft uw Kamer ontvangen in de brief van 30 augustus 2017
(Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 138).
Hoe kijkt u aan tegen de suggestie van de Wageningen University & Research (WUR) dat de overheid zou kunnen nadenken over het maximaal aantal slachtoffers dat acceptabel zou worden geacht bij stalbranden?
Elk dierlijk slachtoffer is er een teveel. Helaas kunnen we niet garanderen dat er geen stalbranden meer zullen plaatsvinden. Het is uiteraard wel mijn doel om stalbranden zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee ook het aantal dierlijke slachtoffers.
Deelt u de mening dat het enige acceptabele aantal slachtoffers bij stalbranden nul kan zijn? Zo nee, waarom niet? En wat is volgens u in dat geval dan wel een acceptabel aantal slachtoffers?4
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bevestigen dat de brandveiligheidseisen die gesteld worden aan bestaande stallen dezelfde zijn als die gesteld worden aan pakhuizen bestemd voor de opslag van goederen? Kunt u inzichtelijk maken om hoeveel stallen het gaat? Kunt u inzichtelijk maken hoeveel dieren in de Nederlandse veehouderij daarmee op dit moment nog altijd niet beter beschermd zijn tegen brand dan, zeg, rollen wc-papier of dozen met vaatdoekjes?
Ja. Het aantal bestaande stallen in Nederland van voor 2014 bedraagt ongeveer 128.000. Daarin bevinden zich ongeveer 121 miljoen dieren.
Hoe staat het met de door de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken aangekondigde verkenning van de mogelijkheden om in het Bouwbesluit aanvullende eisen te stellen aan bestaande stallen?5
Door het Ministerie van LNV is de verkenning gestart naar de mogelijkheid om voor bestaande stallen in het Bouwbesluit aanvullende eisen op te nemen op het gebied van brandpreventie.
De resultaten van deze verkenning zal ik uw Kamer
in de tweede helft van 2018, of indien mogelijk eerder, toesturen, zoals ik heb toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling op 7 december jl.
Deelt u het inzicht dat een lager aantal dieren in een stal zorgt voor minder slachtoffers in het geval van een stalbrand in de betreffende stal? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het nieuwe Bouwbesluit nog steeds een aantal relatief eenvoudig te implementeren maatregelen (zoals een brandalarm en sprinklerinstallatie in de stal en in technische ruimtes en de beschikbaarheid van voldoende bluswater) niet verplicht zijn gesteld, ook niet voor nieuwe stallen? Bent u bereid om deze maatregelen verplicht te stellen voor alle stallen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil de resultaten van de verkenning van het Bouwbesluit eerst afwachten (zie ook het antwoord op vraag 11). Op basis daarvan zal ik besluiten of er verdere maatregelen mogelijk zijn. In de tweede helft van dit jaar zal ik de Kamer daarover informeren.
Deelt u het vertrouwen dat uw voorganger, de Staatssecretaris van Economische Zaken, stelde in de aangekondigde «concrete voorstellen» waar de intensieve sectoren eind 2017 mee zouden gaan komen? Zo ja, kunt u onderbouwen waar dat vertrouwen op gebaseerd is als het eerdere actieplan van de sector erin resulteerde dat er na vijf jaar meer branden zijn uitgebroken en er meer dieren zijn omgekomen bij stalbranden dan bij de start van dat actieplan in 2012?
Er wordt op dit moment samen met de sector gewerkt aan een nieuw actieplan.
Ik heb er vertrouwen in dat de sector met voorstellen komt die hieraan zullen bijdragen.
Het onderzoek van de commissie Sorgdrager naar het fipronilschandaal |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de commissie-Sorgdrager onder andere tot taak heeft onderzoek te doen naar de rol en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren in de eierketen ten aanzien van de borging van voedselveiligheid, en om onderzoek te doen naar de wijze waarop de verschillende actoren (privaat en publiek) gehandeld hebben in de afhandeling van de crisis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek inzichtelijk moet maken hoe deze crisis in de voedselketen heeft kunnen gebeuren, hoe de crisisafhandeling is verlopen, wat de punten zijn ter verbetering, en dat het onderzoek zich daarom niet tot beperkt het afhandelen van de crisis door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), maar de verantwoordelijkheid van alle actoren in de keten en de wijze waarop die de eigen verantwoordelijkheid vorm geven beslaat?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het kabinet inziet dat het fipronilschandaal niet alleen een gevolg is van het handelen van ChickFriend maar tevens van de eierproducenten en de sectororganisaties?3
De Commissie Sorgdrager is gevraagd onafhankelijk een breed onderzoek te doen naar de fipronil crisis. Dit onderzoek beperkt zich niet tot het handelen van ChickFriend. Het onderzoek kijkt naar de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de eierketen en de toezichtketen. Het kabinet wacht de uitkomsten van het onderzoek af alvorens conclusies te trekken.
Kunt u uitleggen waarom er (oud)vertegenwoordigers van de private sector4 zitting hebben in de klankbordcommissie van het onderzoek van de commissie-Sorgdrager? Vindt u het verstandig dat een onderzoek naar onder andere het handelen van de private sector nog voor publicatie beïnvloed kan worden door de sectoren die onderwerp van onderzoek zijn?
De Commissie Sorgdrager is onafhankelijk en richt haar onderzoek zelf in, mede op basis van de vragen van uw Kamer (Kamerstuk 26 991, nr. 509). De opdrachtbrief aan de Commissie Sorgdrager is op 6 december 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 515) aan uw Kamer gestuurd. Daarbij is uw Kamer geïnformeerd over de instelling van een klankbordgroep van deskundigen door de Commissie en de samenstelling ervan. U bent daarbij ook geïnformeerd over de taak van de klankbordgroep, namelijk tussentijds reflecteren op de bevindingen van de Commissie. In de klankbordgroep van deskundigen nemen geen vertegenwoordigers deel van organisaties die onderwerp van onderzoek zijn.
Nu het bedrijfsleven toch vertegenwoordigd is in de klankbordcommissie, waarom geldt dat dan niet voor maatschappelijke organisaties die het publieke belang van volksgezondheid, consumentenrechten en/of voedselveiligheid behartigen?
De Commissie Sorgdrager is onafhankelijk en richt haar onderzoek zelf in. Dit geldt ook voor de instelling van de klankbordgroep van deskundigen. In de klankbordgroep van deskundigen nemen geen vertegenwoordigers deel van organisaties die onderwerp van onderzoek zijn, noch van belangenorganisaties.
Op welke wijze betrekt de commissie-Sorgdrager maatschappelijke organisaties die het publieke belang van volksgezondheid, consumentenrechten en of voedselveiligheid behartigen bij haar onderzoek?
De door uw Kamer aangereikte onderzoeksvragen (Kamerstuk 26 991, nr. 509) hebben wij aan de Commissie doorgeleid, evenals de door ons ontvangen vragen vanuit maatschappelijke organisaties. De Commissie heeft deze vragen benut bij het aanscherpen van de onderzoeksopdracht. De Commissie doet een breed onderzoek naar de fipronil crisis. Zij spreekt daarvoor uitvoerig met uiteenlopende betrokken organisaties.
Zijn de organisaties die vanuit het maatschappelijk belang input hebben geleverd voor dit onderzoek, zoals consumentenorganisatie foodwatch5, gehoord door de commissie-Sorgdrager? Of heeft de commissie alleen gesprekken met het bedrijfsleven en de toezichthouders?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat de commissie-Sorgdrager inderdaad -zoals beloofd- een breed onderzoek oplevert, waarbij de input van alle relevante actoren is betrokken en niet alleen die van de private sector en de toezichthouder? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Commissie Sorgdrager heeft tot taak onafhankelijk onderzoek te doen naar de rol en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren in de eierketen en in de toezichtketen ten aanzien van de borging van voedselveiligheid, en om onderzoek te doen naar de wijze waarop de verschillende actoren (privaat en publiek) gehandeld hebben in de afhandeling van de crisis. Dit is ook verwoord in de opdracht en het instellingsbesluit van de Commissie. De Commissie spreekt hiertoe uitvoerig met relevante actoren. Vanwege de onafhankelijkheid van de Commissie sturen wij niet tussentijds op de uitkomsten van het onderzoek.
Het bericht dat wietolie zo populair is dat gemeenten soepelere regels overwegen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wietolie is zo populair dat gemeenten soepelere regels overwegen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Ziet u dat er een stijgende behoefte is bij mensen aan het gebruik van medicinale cannabis en medicinale cannabisolie?
Uit de laatste cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen blijkt inderdaad de toename van het gebruik van medicinale cannabisolie bij de apotheek.
Het gebruik van flos (gedroogde bloemtoppen) is iets afgenomen. Een reden hiervoor is mogelijk dat zorgverzekeraars flos minder uit coulance zijn gaan vergoeden.
Ziet u dat er bij gemeenten stijgende behoefte is aan het versoepelen van regels als het gaat om medicinale cannabis en medicinale cannabisolie?
Het is ons bekend dat enkele burgemeesters sympathie hebben voor de wens van burgers om thuis te telen of oliën te produceren voor medische doeleinden.
Voor de volledigheid wil ik melden dat het (thuis) telen van cannabis op grond van de Opiumwet verboden is, ongeacht de aanleiding voor het telen. Van het kweken van medicinale cannabis is alleen sprake als hiertoe door de Minister van VWS een ontheffing is verleend. Medicinale cannabisolie is dan ook alleen beschikbaar op recept. Het wordt bereid onder geconditioneerde omstandigheden waardoor kwaliteit is gegarandeerd en de olie gestandaardiseerd is wat betreft samenstelling en de concentratie THC en CBD. De cannabis die bij mensen thuis of bij de Social Clubs wordt geteeld is per definitie geen medicinale cannabis(olie).
Kunt u aangeven over welke versoepeling(en) gesproken wordt?
Nee, ik weet niet over welke versoepeling gesproken wordt.
In het artikel wordt gesproken over medische cannabisolie die door de Social Clubs wordt geleverd. Medicinale cannabisolie wordt echter alleen op recept afgeleverd door twee apotheken. De cannabisolie die door de Social Clubs wordt geleverd is geen medicinale cannabisolie en is illegaal.
Ziet u een verband tussen de stijgende behoefte aan het versoepelen van regels voor medicinale cannabis en cannabisolie en het (bijna) niet vergoeden ervan door zorgverzekeraars?
Ik heb geen middelen om te bepalen of er een verband bestaat tussen de stijgende behoefte aan het versoepelen van regels voor medicinale cannabis(olie) en het niet meer vergoeden ervan door zorgverzekeraars.
Het via de apotheek beschikbaar zijn van medicinale cannabis(olie) is op verzoek van patiënten tot stand gekomen. Medicinale cannabis heeft nooit tot het basispakket behoord. Het verstrekken van een vergoeding door zorgverzekeraars is gebeurd vanuit de aanvullende verzekering of uit coulance.
Hoe ziet u het initiatief in Tilburg dat mensen die met een doktersverklaring kunnen aantonen dat ze baat hebben bij het gebruik van medicinale cannabis niet alleen worden uitgezonderd van vervolging bij maximaal vijf planten, maar ook van de inname van de planten door de politie?
Het telen van cannabis is op grond van de Opiumwet verboden. Dit geldt ook voor het telen van vijf planten of minder. De Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie stelt dat niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit heeft. Dit geldt in het hele land, dus ook in Tilburg. Van uitzondering van inbeslagname door de politie is geen sprake.
Voor zover de burgemeester zijn eigen gestelde voorwaarden hanteert voor het al dan niet inzetten van het bestuurlijk instrumentarium, heeft de burgemeester daar beleidsvrijheid en is het niet aan mij daar een oordeel over te geven. De beleidsvrijheid van de burgemeester reikt niet zover dat toestemming kan worden gegeven voor het in strijd handelen met de Opiumwet c.q. de Aanwijzing Opiumwet. Alleen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kan hiervan ontheffing verlenen (artikel 8 Opiumwet). Daarnaast merk ik op dat de voorwaarden voor teelt die gesteld worden aan een gecontracteerde teler voor medicinale cannabis, zeer streng zijn en mede zien op de kwaliteit van het product. Daarnaast wijs ik op het belang van het hanteren van strikte protocollen, noodzakelijk voor het kunnen garanderen van de kwaliteit van medicinale cannabis. Het telen van cannabis onder ongeconditioneerde omstandigheden kan tot gevolg hebben dat de samenstelling en concentratie van verschillende stoffen in het eindproduct steeds verschillend is, waardoor de patiënt er niet van op aan kan dat de gebruikshoeveelheid of dosering iedere keer hetzelfde is.
Aangezien de teelt van medicinale cannabis al goed geregeld is zie ik geen reden om met de VNG in gesprek te gaan over de versoepeling van regels.
Wilt u in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kijken welke behoefte er is als het gaat om versoepeling van regels rondom medicinale cannabis en medicinale cannabisolie en hoe hier constructief mee om kan worden gegaan, vanuit het oogpunt van de patiënt?
Zie antwoord vraag 6.
Het nieuws dat een kippenschuur voor de tweede keer in acht maanden tijd is afgebrand |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
Kent u het bericht dat 30.000 kippen zijn omgekomen bij een brand in Woudenberg?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in diezelfde stal afgelopen juli ook al een brand woedde, waarbij 80.000 kippen stierven?
Nee. Het betrof een andere stal op hetzelfde bedrijf.
Wat waren de conclusies van de veiligheidsdiensten over de oorzaak van de eerste stalbrand ten aanzien van de technische staat van het bedrijf? Ging het hierbij om een oude stal?
De vermoedelijke oorzaak van de eerste brand was kortsluiting. In 2009 is de vergunning verleend voor de bouw van deze stal.
Hoe is het mogelijk dat de betreffende ondernemer zijn bedrijf ondanks de fatale eerste brand voort heeft kunnen zetten zonder dat de veiligheid van het pluimvee eerst is gegarandeerd?
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de afgifte van deze vergunningen. Daarnaast heeft de tweede brand plaatsgevonden in een andere stal.
Hoe ver is het kabinet gevorderd met de aangekondigde vervolgstappen uit het actieplan stalbranden?2
LTO Nederland, Dierenbescherming, de Brandweer Nederland het Verbond van Verzekeraars, de vier grote veesectoren varkens, kalveren en pluimvee, rundvee en KNMvD, werken samen aan een nieuw actieplan brandveiligere veestallen.
De verwachting is dat dit actieplan voor de zomer 2018 gereed is. De doorlooptijd van het actieplan is van 2018–2022. Vanuit de overheid zijn BZK en LNV betrokken. Inmiddels is de verkenning gestart naar de mogelijkheid om voor bestaande stallen in het Bouwbesluit aanvullende eisen op te nemen op het gebied van brandpreventie. De resultaten van deze verkenning zal ik uw Kamer
in de tweede helft van 2018 toesturen, zoals ik heb toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling op 7 december jl.
Bent u bereid om te becijferen hoeveel uren de brandweer jaarlijks kwijt is voor de bestrijding van stalbranden?
Het is voor de Nederlandse Brandweer niet mogelijk om inzicht te geven in de hoeveelheid uren die jaarlijks besteed wordt aan de bestrijding van de stalbranden. Wel wordt sinds 2014 systematisch data bijgehouden over de oorzaken van stalbranden door de Nederlandse Brandweer in samenwerking met het Verbond van Verzekeraars. Daarmee is het inzicht in de verschillende oorzaken van stalbranden toegenomen.
Dieren die verdrinken in hun eigen mest |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Hebt u er kennis van genomen dat er in een varkensbedrijf in Wilp 22 dieren door de roosters zijn gezakt waar ze op stonden, in de gierkelder zijn beland en daar zijn verdronken in hun eigen uitwerpselen?1
Ja.
Deelt u de mening dat verdrinken in de eigen mest een gruwelijke dood is voor de getroffen dieren?
Ja.
Kunt u duidelijk maken hoeveel dieren het betreffende bedrijf mag houden op basis van de vergunningen en dierrechten?
In het kader van privacy acht ik het niet gepast en correct om de bedrijfsgegevens in dit individuele geval openbaar te maken. Op het betreffende bedrijf was geen sprake van het schenden van regels die het dierenwelzijn beschermen.
Wanneer is dit bedrijf voor het laatst gecontroleerd op de vergunningsvoorwaarden, het aantal dierrechten en de wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn?
Het controleren van het bedrijf op de vergunningsvoorwaarden van de omgevingsvergunning is de bevoegdheid van de gemeente. Naar aanleiding van dit incident heeft de NVWA een controle op de naleving van dierenwelzijnsvoorschriften uitgevoerd op 19 februari jongstleden. De NVWA heeft bij het bedrijf geen controles op de dierrechten uitgevoerd.
Kunt u achterhalen hoeveel dieren zich daadwerkelijk bevonden in de stal op het moment dat er 22 varkens door het rooster zakten? Zo nee, wat zegt dat over uw zicht op de sector en de mate waarin de regels worden nageleefd, vergunningsvoorwaarden worden gerespecteerd en het aantal dierrechten niet wordt overschreden door meer dieren te houden dan is toegestaan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteenzetten welke handhavingstaak de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft met betrekking tot de deugdelijkheid van roosters en vloeren in de veehouderij? Kunt u inzichtelijk maken in hoeverre daar daadwerkelijk op wordt gehandhaafd? Kunt u daarbij ingaan op de vraag hoe groot de kans is dat een veehouderijbedrijf wordt gecontroleerd door de NVWA?
De NVWA heeft geen handhavingstaak als het gaat om bouwtechnische zaken, waaronder de bouwtechnische kwaliteit van roostervloeren. De NVWA heeft wel een taak als het gaat om de huisvesting van de dieren. In het Besluit houders van dieren zijn normen opgenomen ten aanzien van de huisvesting van dieren. Daarin zijn onder meer normen opgenomen met betrekking tot de stalinrichting, verlichting en ventilatie. Ook mag de behuizing geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze normen. In 2016 waren er 4440 varkenshouderijen, daarop hebben 486 inspecties ten aanzien van dierenwelzijn plaatsgevonden. Daarnaast controleert de NVWA ook op andere aspecten zoals wetgeving m.b.t. diergeneesmiddelen, mest en cross-compliance. Deze inspecties zijn niet in het genoemde getal meegenomen. Het interventiebeleid van de NVWA voor het Besluit houders van dieren is te raadplegen op:
Bestuurlijke boetes kunnen variëren in de hoogte. In de regel geldt bij een eerste overtreding € 1.500, maar er kan aanleiding zijn dit te matigen of juist te verhogen.
In het voorliggende geval ging het om een constructiefout. Er was geen aanleiding om een maatregel op te leggen.
Welke sanctie staat er op het hebben van ondeugdelijke roostervloeren? Kunt u inzichtelijk maken of en hoe vaak er vervolging is ingesteld en hoe vaak er sancties zijn uitgedeeld voor dergelijke gevaarlijke situaties voor dieren? Waar bestonden de opgelegde sancties uit?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Zal er vervolging worden ingesteld tegen de veehouder uit Wilp? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft gemeld geen vervolging in te stellen. De houder voortvarend heeft gehandeld en extra bouwtechnische maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen.
Kunt u duidelijk maken hoe vaak het precies voorkomt dat dieren in de Nederlandse veehouderij in de gierkelder belanden? Kunt u bevestigen dat dit regelmatig gebeurt, ook in kalvermesterijenen en in de melkveehouderij waar vorig jaar een drachtige koe zelfs moest bevallen in de gierkelder?2 3 4 5 6
Nee. Ik beschik niet over deze informatie. Mijn beeld is dat het om zeer incidentele gevallen gaat.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat nog meer dieren in de Nederlandse veehouderij het droeve lot ten deel valt om in gierkelders te belanden en te verdrinken (of bijna te verdrinken) in hun eigen uitwerpselen?
Ik zal in de gesprekken met de sector dit onderwerp onder de aandacht brengen.
Mag ervan uit worden gegaan dat u als verantwoordelijk Minister voor dierenwelzijn de vijf vrijheden van dieren, zoals geformuleerd door de commissie Brambell in 1965, onderschrijft, waaronder de vrijheid van dieren om een natuurlijk soorteigen gedragspatroon te kunnen hebben?
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat varkens zeer zindelijke dieren zijn die van nature ver van hun lig- en eetplek hun uitwerpselen deponeren?
Ja.
Deelt u de mening dat het voor dieren in het algemeen zeer onwenselijk en onnatuurlijk is om 24 uur per dag boven hun eigen uitwerpselen te moeten staan en om structureel te moeten leven in hun eigen mestdampen? Kunt u bevestigen dat dit toch de omstandigheden zijn waarin verreweg het grootste deel van de dieren in de Nederlandse veehouderij gedwongen wordt te leven, getuige ook de verstikkingsdood die dieren vinden als de ventilatie uitvalt in hun stal?7 8 9 10
Door onvoldoende te ventileren kunnen ongewenste concentraties van ongewenste stoffen in de stallucht voorkomen. Daarom mag volgens het Besluit houders van dieren mag de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier en dient er, in geval het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, ook een passende noodvoorziening te zijn. In 2018 is de NVWA gestart met controles op stalklimaat. Hiervoor verwijs ik u naar: https://www.nvwa.nl/nieuws-en-media/nieuws/2018/01/04/nvwa-controleert-stalklimaat-varkens.
Daarnaast wordt onderzoek uitgevoerd naar nieuwe stalsystemen, waarin de mest regelmatig uit de stal wordt afgevoerd of waarbij mest en urine bij de bron worden gescheiden.
Bent u bereid in de nota die u gaat schrijven over dierenwelzijn in te gaan op deze structurele aantasting van het recht van dieren op een normale leefomgeving, een omgeving die past bij hun vanzelfsprekende, natuurlijke behoeften? Zo nee, waarom niet?
In de Wet dieren en in het Besluit houders van dieren zijn normen opgenomen die zijn gericht op (de bescherming van) het welzijn van dieren. Daarin ligt de basis voor de normering van het houden van dieren. Het oppakken van de aangegeven problematiek is daarmee niet gebonden aan het wel of niet meenemen in een beleidsbrief.
De aanvraag voor de status van referentielaboratorium voor Nederlandse instellingen |
|
Helma Lodders (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de mogelijkheid van de Europese Commissie om EU-referentielaboratoria aan te wijzen?
Ja.
Wat vindt u van het besluit van de Europese Commissie om EU-referentielaboratoria voor de vaststelling van plantziekten en -plagen aan te wijzen?1
Het besluit van de Europese Commissie om EU-referentielaboratoria voor de vaststelling van plantenziekten en -plagen aan te wijzen komt de kwaliteit, de uniformiteit en de betrouwbaarheid van de analyses ten goede.
Bent u van mening dat zich in Nederland instellingen bevinden die geschikt zijn om in aanmerking te komen voor de status van referentielaboratorium (RL)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke instellingen zijn dit volgens u?
Ja. Het Nationaal Referentie Centrum fytosanitair (NRC-fytosanitair) van de NVWA heeft hier de kennis, de expertise en de autoriteit voor.
Zijn er naar uw mening specifieke gevolgen met betrekking tot het beleidsproces omtrent de vaststelling van plantziekten en -plagen aan te wijzen indien een Nederlandse instelling niet wordt aangewezen als referentielaboratorium? Zo nee, waarom niet?
Het huisvesten van een EU-referentielaboratorium versterkt in het internationale veld de positie van Nederland en die van de NVWA als fytosanitaire autoriteit. Nederland is een grote speler in de internationale handel van planten en plantaardig materiaal en is een belangrijke toegangspoort tot de Europese Unie. Indien er geen Nederlandse instelling wordt aangewezen als referentielaboratorium betekent dit dat Nederland zeer beperkte invloed heeft om de Europese standaarden te laten aansluiten op de Nederlandse werkwijzen.
Bent u in de gelegenheid voldoende middelen beschikbaar te stellen om een Nederlandse instelling (bij gebleken geschiktheid) in de gelegenheid te stellen om in aanmerking te komen als EU-referentielaboratorium? Zo nee, waarom niet?
In de loop van dit jaar verwacht ik dat de Europese Commissie lidstaten zal oproepen zich beschikbaar te stellen voor het huisvesten van één (of meerdere) EU-referentielaboratoria. Op dit moment onderzoek ik welwillend de mogelijkheden om hierop te reageren.
Bent u voornemens op Europees niveau draagvlak te creëren om de RL-status voor Nederland binnen te halen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het advies ‘Nieuwe landbouwhuisdieren’ van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het advies «Nieuwe landbouwhuisdieren»?1
Ja.
Ziet u initiatieven om dieren te houden, zoals wormen en insecten, als initiatieven die kunnen bijdragen aan kringlooplandbouw?
Ja. Insecten en wormen zijn diersoorten die kunnen worden gevoed met reststromen die voor gangbare landbouwhuisdieren niet te gebruiken zijn. Daarnaast kunnen deze diersoorten efficiënter zijn dan de gangbare landbouwhuisdieren in de omzetting van plantaardige naar dierlijke eiwitten. Hiermee kunnen deze dieren een belangrijke rol spelen in de transitie naar een kringlooplandbouw.
Bent u het eens met de constatering dat dergelijke vormen van het houden van dieren niet of nauwelijks bijdragen aan de mestproblematiek?
Nee, ook insecten en wormen scheiden fecaliën uit en dragen zo bij aan de mestproblematiek. De huidige omvang van het houden van wormen en insecten is nog zeer gering. Echter de teelt vindt vaak plaats zonder eigen grond om de mest op af te zetten.
Bent u bereid om in de Meststoffenwet een aparte categorie te creëren voor insectenmest, die gelijk meetelt als de categorie overige organische meststoffen (50 procent)?
Het advies «Nieuwe landbouwhuisdieren» is door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) opgesteld op verzoek van mijn ministerie om te komen tot forfaitaire excretiegetallen voor deze diersoorten, die kunnen worden opgenomen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. De relevante beleidsmatige aspecten die in het advies benoemd zijn over de kleinschalige bedrijfsmatige insectenteelt en de beperkte totale productie, evenals de wenselijkheid om aanvullende gegevens te hebben voordat kengetallen worden vastgesteld, betrek ik in mijn afweging om tot een eventuele wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet per 1 januari 2019 over te gaan. Ik zal voor de zomer 2018 een keuze maken.
Bent u bereid het advies «Nieuwe landbouwhuisdieren» over te nemen in de Meststoffenwet?
Zie antwoord vraag 4.
Vluchtende dieren door heliherrie |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht in de Gelderlander «Koeien vluchten en geven minder melk door heliherrie» en de videobeelden die daarbij te zien zijn?1
Ja.
Bent u van mening dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om boeren en omwonenden tijdig en juist te informeren over de mate van de geluidsoverlast en mogelijke impact? Zo ja, hoe heeft de communicatie hierover plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet en wat zijn hier verbeterpunten?
Ja.
Om bekendheid te geven aan de vliegoefening zijn op 15 januari 2018 alle betrokken gemeenten en veiligheidsregio’s actief geïnformeerd, met het verzoek melding te doen van de oefening op de eigen website en/of via sociale mediakanalen. De betrokken gemeenten hebben aan dit verzoek ook daadwerkelijk gehoor gegeven.
Gemeenten, landeigenaren en omwonenden waar grond(radar)systemen zijn geplaatst, zijn hierover actief geïnformeerd door middel van presentaties en (huis)bezoeken.
Op 30 januari 2018 is het besluit waarmee toestemming is verleend voor het uitvoeren van militaire vluchten voor oefendoeleinden op zeer lage hoogte tevens in de Staatscourant gepubliceerd en is het verzoek aan de lokale overheden om de informatie verder te verspreiden herhaald. Met het oog op de mogelijke overlast, is via de website van Defensie, gemeenten en lokale media ook informatie verstrekt over waar omwonenden terecht kunnen met hun klachten en op welke manier zij op individuele basis op de hoogte kunnen blijven van oefeningen en activiteiten van de helikopters.
Informatie over vliegbewegingen en oefeningen zijn en worden ook bekend gesteld via de website van Defensie en NOS teletekstpagina 766. Via diverse sociale media-kanalen van de Koninklijke Luchtmacht is vanaf begin februari informatie over deze oefening verstrekt. Op de eerste ochtend van de oefening heeft een vertegenwoordiger van Defensie een interview gegeven bij Omroep Gelderland, om een toelichting te geven over de oefening.
Naar aanleiding van deze oefening wordt de communicatie verbeterd door LTO toe te voegen aan de lijst van te informeren instanties bij grootschalige vliegoefeningen.
Gezien in de beschikking van uw ministerie (MLA/005/2018, 30 januari 2018) staat dat aaneengesloten bebouwing, ziekenhuizen, sanatoria en dergelijke worden vermeden, vallen onder «en dergelijke» ook stallen, omheind gebied waar dieren zich in bevinden en natuurgebieden? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Onder «aaneengesloten bebouwing» worden mede begrepen haven- en industriegebieden. Onder «en dergelijke» wordt bijvoorbeeld verstaan andersoortige zorginstellingen zoals psychiatrische inrichtingen en Tbs-klinieken. Voor bebouwing, waaronder begrepen stallen, geldt in het algemeen dat het overvliegen hiervan zoveel mogelijk wordt vermeden.
Wat is de afweging geweest om deze oefening boven dit gebied te houden en zijn er andere gebieden onderzocht om deze oefening te houden? Zo ja, wat is de reden dat deze andere gebieden het uiteindelijk niet zijn geworden?
Op 18 januari 2018 (Kamerstuk 34 775 X, nr. 77) is de Kamer geïnformeerd dat de meeste militaire operaties niet uitvoerbaar zijn zonder helikopters. Het vliegen op lage hoogte, zeker bij duisternis en onder dreiging van een tegenstander vergt specifieke training en ervaring. De vliegende bemanningen van de Nederlandse helikopters volgen een oefen- en trainingsprogramma om hen zo goed mogelijk voor te bereiden op een inzet. Het is niet mogelijk het oefenen met laagvliegen uit te stellen totdat vliegers en helikopters operationeel worden ingezet bij bijvoorbeeld crisisbeheersingsoperaties of humanitaire hulpoperaties. In dat geval is de tijd te kort en de training te veelomvattend om voldoende vliegers het trainingsprogramma te laten doorlopen.
Grootschalige oefeningen vinden gemiddeld een tot twee keer per jaar afgewisseld in Nederland dan wel in het buitenland plaats. In de Verenigde Staten wordt regulier vier maal per jaar gedurende een maand getraind. In zo’n maand vinden op meerdere momenten oefeningen van grotere omvang plaats.
Voor dit soort tactische oefeningen werd in het verleden gebruik gemaakt van het oefenterrein Spadeadam in Groot-Brittannië. Omdat oefeningen voor Britse eenheden daar voorrang krijgen voor oefeningen van buitenlandse eenheden, hebben Nederlandse oefeningen in het verleden niet altijd doorgang kunnen vinden. Daarom is besloten deze oefening in Nederland te houden. Dit is ook zo gebeurd in het voorjaar van 2017 in de omgeving van vliegveld Deelen. In het najaar van 2017 is er gedurende drie weken grootschalig geoefend in de omgeving van Grafenwöhr, Duitsland.
Bij de keuze van het oefenterrein is rekening gehouden met het kunnen plaatsen van radarsystemen op de grond, het gebruik van voor de helikopterbemanningen onbekend gebied, het vermijden van dichtbevolkte gebieden en het verdelen van de lasten voor de omgeving, die zijn verbonden aan dit soort oefeningen.
Wordt het geluid van een Apache helikopter, net als het geluid andere vliegtuigen zoals de F-16, «geëxporteerd» naar het buitenland? Zo ja, waarom is er in dit geval voor Nederlands grondgebied boven land gekozen? Waarom worden niet alle laagvlieg oefeningen van Apaches in het buitenland gehouden?
Voor een goede inzetbaarheid van helikopterbemanningen moet, vanwege de internationale veiligheidssituatie en vanwege de ondersteuning van civiele autoriteiten, ook in Nederland zelf worden geoefend. Op 18 januari 2018 (Kamerstuk 34 775 X, nr. 77) is de Kamer geïnformeerd dat laagvliegtraining al zoveel mogelijk wordt uitgevoerd in het buitenland en dat op het gebied van laagvliegen internationaal weinig winst meer valt te behalen, omdat de intensiteit ook daar al is gemaximaliseerd. Om de geoefendheid van helikopterbemanningen op peil te brengen en te houden zijn naast oefeningen boven of op de daarvoor aangewezen oefenterreinen in Nederland, ook incidenteel bijzondere oefeningen noodzakelijk waarbij niet de reguliere laagvlieggebieden worden gebruikt. Niet alleen om de hinder, die onmiskenbaar gepaard gaat met dit soort oefeningen, over Nederland te spreiden, maar ook om de oefenwaarde te vergroten.
Hoe is het mogelijk dat de vliegoefeningen al begonnen zijn in de periode dat het nog mogelijk was om bezwaar te maken tegen deze beschikking? Wanneer was bij Defensie bekend dat de vliegoefeningen in februari 2018 gepland zouden worden en waarom is de beschikking over de vlieghoogte in het oefengebied niet eerder gepubliceerd?
Een aanvraag voor een ontheffing voor laagvliegen wordt altijd zorgvuldig beoordeeld op verschillende aspecten. Deze beoordeling vindt eerst plaats door het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) en vervolgens door de Militaire Luchtvaart Autoriteit (MLA). De veiligheid van het luchtverkeer en de omgeving staat bij deze beoordeling voorop, maar ook aspecten zoals hinder voor derden en natuurwaarden worden afgewogen. Uit de beoordeling door de CLSK van de initiële aanvraag van 3 oktober 2017 bleek dat deze teveel beperkingen meebracht voor het overig luchtverkeer. Naar aanleiding hiervan heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden tussen het Defensie Helikopter Commando, de Staf van het Commando Luchtstrijdkrachten en de Militaire Luchtvaart Autoriteit. Uiteindelijk heeft dit proces, waarbij is gelet op de omvang en inhoud van de geplande oefeningen en de bijkomende risico's, niet eerder kunnen leiden tot een beschikking dan op 30 januari 2018.
Beschikkingen waarmee grootschalige oefeningen bekend worden gemaakt, zullen voortaan in een zo vroeg mogelijk stadium en bij voorkeur uiterlijk 4 weken voor de aanvang van een oefening worden gepubliceerd. Er blijven altijd bijzondere omstandigheden waarbij dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een ongeplande of urgente oefen- of trainingsnoodzaak in verband met inzet.
Hoeveel bezwaren van belanghebbenden zijn er tegen de beschikking ingediend en wat was de aard van deze bezwaren?
Tot 5 maart 2018 zijn twee bezwaarschriften ingediend tegen de beschikking van 30 januari 2018. Het betreft bezwaren van omwonenden die zelf hinder of schade ondervinden of dieren hebben die hinder of schade ondervinden van de laagvliegende helikopters. Een van de bezwaren is ook gericht tegen de (wijze van) bekendmaking van de beschikking.
Hoeveel klachten zijn er binnengekomen naar aanleiding van deze oefeningen en is dit vergelijkbaar met andere (vlieg-)oefeningen van Defensie boven bewoond gebied? Hoeveel klachten daarvan gingen over gestreste, op hol geslagen of anderszins geschrokken dieren?
Tot 5 maart 2018 zijn 278 meldingen ingediend, waarvan 45 schadeclaims. Dit aantal is hoger in vergelijking met oefeningen die worden gehouden in de daarvoor aangewezen laagvlieggebieden. Voor oefeningen buiten de aangewezen laagvlieggebieden zijn geen cijfers beschikbaar om een vergelijking mee te kunnen maken.
Bent u bekend met wetenschappelijke onderzoeken naar de invloed van geluid op dieren, waaruit blijkt dat dieren over het algemeen gevoeliger zijn voor verstoring door geluid dan mensen, dat een relatief kortdurende en onvoorspelbare geluidsbron bij veel diersoorten werkt als een alarmsignaal die een vecht-of-vlucht reactie oproept en zich uit in een fysiologische stressreactie met allerlei negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn?2 Zo nee, wilt u kennisnemen van dergelijke onderzoeken voor besluitvorming over toekomstige oefeningen? Zo ja, in hoeverre is deze kennis meegewogen in de besluitvorming over deze oefeningen?
Ja, hiermee ben ik bekend. Er kan niet in zijn algemeenheid worden gesteld dat geluid van luchtvaartuigen leidt tot reacties bij dieren. Dit hangt samen met verschillende factoren, waaronder de zichtbaarheid van, de afstand tot en de hoogte van het luchtvaartuig, de locatie van het dier (binnen of buiten), de gevoeligheid van het dier en de tijd van het jaar (bijvoorbeeld het broedseizoen), de regelmaat van passerende luchtvaartuigen, de omvang van het luchtvaartuig en de hoeveel geluid dat wordt geproduceerd.
Bij besluitvorming over een oefening worden verschillende aspecten meegewogen, waaronder hinder voor mens en mogelijke schade aan flora en fauna.
Wat is het aantal «Ke» (kosteneenheden) en/of dB(A) dat laagvliegende en/of stil hangende Apaches veroorzaken?
Kosteneenheid (Ke) is een eenheid om de geluidsbelasting rond vliegvelden te berekenen. Het aantal Kosteneenheden is de optelsom van een aantal factoren, die bepalend zijn voor de geluidsbelasting en wordt berekend over een periode van een jaar. Het aantal kosteenheden en/of dB(A) van een Apache kan niet generiek worden gegeven, dit is afhankelijk van de afstand in meters vanaf de waarnemer tot de geluidsbron, het aantal vliegdagen en het aantal toestellen.
Het aantal «Ke» (kosteneenheden) en/of dB(A) is bedoeld om geluidsoverlast te meten voor de mens. Is er ooit onderzoek gedaan naar het effect van geluidshinder veroorzaakt door (Defensie-)vliegtuigen of helikopters bij dieren met dezelfde «Ke» en/of dB(A) metingen, aangezien dieren gevoeliger zijn voor geluid dan mensen? Zo nee, bent u met de Partij voor de Dieren van mening dat hier onderzoek naar gedaan moet worden?
Defensie heeft in het verleden onderzoek laten uitvoeren en draagt bij aan onderzoek naar de effecten van geluid van militaire helikopters op dieren. Onder meer in 2010 door het NLR en WUR over de effecten op geiten3en in 2015 door Imares over de effecten op vogels4. De Koninklijke Luchtmacht draagt momenteel bij aan het onderzoek Cumulative Human Impact on biRd Populations (CHIRP) 5.
Zijn er door waarnemers ter plekke geluidsmetingen gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn er geluidsoverschrijdingen geweest en in welke mate?
Nee, bij militaire laagvliegoefeningen worden geen geluidmetingen gedaan.
Gezien de videobeelden en berichtgeving over gestreste en van slag zijnde koeien, op hol geslagen en uitgebroken paarden, bent u met de Partij voor de Dieren van mening dat de laag vliegoefeningen boven dit gebied direct gestaakt dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Hinder en overlast is vervelend voor diegene die het treft, maar is onvermijdelijk bij dit soort oefeningen. Deze laagvliegoefeningen zijn noodzakelijk om de inzetbaarheid van de krijgsmacht op peil te brengen en te houden, in het belang van de veiligheid van Nederland. Naar aanleiding van de hinder bij stallen met dieren als gevolg van deze oefening, zijn afspraken gemaakt met vertegenwoordigers van LTO Noord, om de overlast bij stallen met dieren bij het vervolg van de oefening te beperken. Schade aan vee of andere eigendommen, die onverhoopt toch zou ontstaan, wordt vergoed. Claims in dat kader worden binnen Defensie afgehandeld conform de «Regeling melding verkeers- en oefenschade Defensie».
Het bericht dat cijfers CBS ervoor zorgen dat de prijs van uien laag blijft |
|
Jaco Geurts (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Zeeuwse uienboer woedend op CBS vanwege foutieve uiencijfers»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland de grootste uienexporteur is ter wereld en dat 80% van de Nederlandse uien worden verwerkt in Zeeland?
Het klopt dat Nederland de grootste uienexporteur ter wereld is (in het jaar 2016; Comtrade). Er zijn mij geen exacte cijfers bekend over het aandeel Nederlandse uien dat in Zeeland wordt verwerkt, maar een grove inschatting van Wageningen Economic Research (WUR) duidt inderdaad op circa 80 procent.
Kunt u beschrijven hoe de schattingen van de oogstraming akkerbouw tot stand komen en met welk doel deze oogstramingen worden opgesteld?
Het CBS publiceert gegevens over de oogst van zaai-uien eind oktober (voorlopige cijfers) en eind januari (definitieve cijfers). De oogstgegevens van zaai-uien zijn onderdeel van de verplichte levering aan het statistisch bureau van de EU (Eurostat). De voorlopige cijfers bieden inzicht in de markt en vormen input voor de Landbouwrekeningen. De Landbouwrekeningen zijn, als onderdeel van de Nationale Rekeningen, Europees verplichte statistieken. Op basis van de Landbouwrekeningen wordt onder meer jaarlijks in december het inkomen van de landbouwsector berekend (CBS in samenwerking met WUR).
De definitieve oogstgegevens van zaai-uien worden op grond van de verordening (EG) Nr. 543/2009 betreffende gewasstatistieken verplicht aan Eurostat geleverd. De verordening schrijft voor dat de lidstaten uiterlijk 31 maart van het jaar volgend op het oogstjaar de gegevens over uien leveren. De gegevens zijn voor de EU van essentieel belang voor het beheer van de communautaire markten.
De voorlopige oogstraming komt als volgt tot stand. Twee maal per jaar ontvangen vier regionale contactpersonen van Delphy (het expertisebureau voor teeltadvies) een invullijst voor de diverse gewassen per landbouwgebied. Deze contactpersonen winnen informatie in bij hun collega's in de gebieden. Op basis van hun ervaringen bij klanten en gesprekken met andere betrokkenen in het gebied, maken zij een inschatting van de te verwachten opbrengst. In een aantal gevallen zullen de adviseurs bij hun klanten kleine proefrooiingen uitvoeren om inzicht te krijgen in de opbrengstpotentie.
Mede op basis van de ervaringen van voorgaande jaren wordt door het CBS een voorlopige raming van de opbrengst per hectare opgesteld. Samen met de beteelde oppervlakten van akkerbouwgewassen uit de Landbouwtelling berekent het CBS de cijfers over de brutoopbrengsten. Tijdens de inventarisatie van de gegevens zijn veel aardappelen, uien en soms ook granen nog niet geoogst. Weersomstandigheden na die periode kunnen de opbrengst dus nog beïnvloeden.
De definitieve oogstraming komt tot stand op grond van een CBS-steekproefonderzoek onder bedrijven met akkerbouw. Bij de definitieve uitkomsten wordt ook de geoogste oppervlakte vastgesteld (de beteelde oppervlakte verminderd met de oppervlakte die niet geoogst wordt).
Kunt u reflecteren op de bewering dat «keer op keer de uienoogst naar beneden wordt bijgesteld» en «dat is funest voor de uienhandel»?
Bij de definitieve oogstresultaten worden cijfers van de voorlopige oogstraming bijgesteld en wordt er ook informatie toegevoegd. De beteelde oppervlakte en brutoopbrengst per hectare worden ten opzichte van de voorlopige oogstraming bijgesteld. De geoogste oppervlakte wordt toegevoegd. Voor zaai-uien wordt verder nog informatie over uitval (uien die na oogst niet geschikt zijn voor consumptie) toegevoegd. De totale brutoopbrengst wordt beïnvloed door zowel de bijstellingen als de nieuw toegevoegde cijfers. Zoals hierboven aangegeven kunnen weersomstandigheden de opbrengst dus beïnvloeden.
In de bijlage 1 vindt u het overzicht van de uienoogst in de periode 2010 (het eerste jaar waarvoor de cijfers direct voorhanden zijn) t/m 20172. Dit overzicht laat zien dat de cijfers voor de brutoopbrengst van de uienoogst in deze periode zowel naar boven als naar beneden zijn bijgesteld. Het CBS beschikt niet over uienprijzen die de telers ontvangen.
Kunt u een overzicht geven van de laatste vijf jaar van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ten aanzien van het uienareaal, zoals begroot en gerealiseerd uienareaal en daadwerkelijke uienprijzen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u voorbeelden geven van oogstramingen, ook van bijvoorbeeld aardappelen, die later naar boven zijn bijgesteld? Zo ja, welke en wanneer?
In bijlage 2 vindt u het overzicht van de oogst van consumptieaardappelen in de periode 2010 t/m 2017. Het overzicht laat zien dat de cijfers voor de brutoopbrengst voor consumptieaardappelen in deze periode drie keer naar beneden zijn bijgesteld en vijf keer naar boven.
Kunnen CBS-cijfers over de grootte van de oogst volgens u invloed hebben op de prijszetting en de handel? Zo nee, waarom niet?
De prijzen komen in een internationale markt door vraag en aanbod tot stand. De oogstcijfers die door het CBS worden gepubliceerd worden door de markt gebruikt om het Nederlandse aanbod van uien in te schatten en daarmee de prijs. De CBS-cijfers hebben daarmee logischerwijs invloed op de prijszetting en de handel van uien. Het is echter aan de markt zelf om te bepalen op basis van welke informatie de uien worden verhandeld. Hetzelfde geldt voor andersoortige akkerbouwproducten.
Bent u bereid om te bekijken hoe voorkomen kan worden dat CBS-cijfers invloed hebben op de markt?
Zie antwoord vraag 7.
Gezien men sinds 1 juli 2016 bij niet-deelname aan de opgave aan het CBS een boete krijgt, kunt u aangeven hoeveel procent van de akkerbouwers en van de uientelers heeft geparticipeerd in opgaven en hoeveel procent niet over de laatste vijf jaar?
In het verleden was deelname aan een vijftal landbouwenquêtes van het CBS vrijwillig. De respons liep echter steeds verder terug (zie onderstaande tabel), waardoor de betrouwbaarheid van de cijfers niet meer kon worden gegarandeerd. Daarom moest worden besloten tot verplichte deelname per 1 juli 2016. Met een aantal Landbouworganisaties heeft het CBS medio 2016 een Letter of Intent getekend, waarin is afgesproken dat de Landbouworganisaties en het CBS zullen proberen alternatieve bronnen te vinden, zodat in de toekomst enquêtering niet meer noodzakelijk is. Voor een aantal landbouwenquêtes zijn er hoopvolle alternatieven in onderzoek. Voor de oogstraming akkerbouw bleken er helaas geen alternatieve mogelijkheden. In de Letter of Intent is tevens afgesproken dat voor de statistiekjaren 2016 en 2017 geen boetes worden opgelegd.
2013
43%
2014
51%
2015
46%
2016
77%
2017
72%
Kunt u aangegeven hoe is gehandhaafd bij bedrijven die geen opgaven deden aan het CBS en daarbij aangeven hoeveel waarschuwing en boetes zijn gegeven en wat de hoogte was van de boetes?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat agrarische adviseurs de noodklok luiden over aanpassingen van het stikstofrekenmodel AERIUS |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de aanpassingen van het rekenmodel AERIUS onverwachte gevolgen hebben voor vergunningaanvragen door veehouders?1
Ja.
Hoe waardeert u het signaal dat door de aanpassingen van het rekenmodel verschillende vergunningaanvragen waarbij sprake is van gelijkblijvende ammoniakemissie toch dreigen te stranden?
Het kan voorkomen dat een afname van de emissie tot een toename van de depositie leidt op sommige locaties. Een toename in depositie wordt dan veroorzaakt door (kleine) wijzigingen in de locatie van de emissiepunten. Het rekenresultaat is een logisch gevolg van de gebruikte rekenmethodiek. Het rekenmodel bepaalt voor een zogenaamde «bron-receptor-relatie» het dominante landgebruik in het tussengelegen traject. Een kleine verplaatsing van de emissiebron leidt tot een ander traject en dit kan dan leiden tot een ander dominant landgebruik en daarmee tot een andere depositie.
Het voorkomen van dit soort onverwachte rekenresultaten is bekend. Een rekenmodel is een benadering van de werkelijkheid. In de continue doorontwikkeling van het rekenmodel wordt bekeken in hoeverre de methodiek aangepast kan worden zodat de onverwachte resultaten zich niet meer voordoen. Specifiek voor bovengenoemd punt wordt op dit moment gewerkt aan een verdere verfijning van het rekenmodel in het benaderen van de werkelijkheid.
De implementatie van deze verfijning is voorzien bij de eerstvolgende actualisatie van het PAS.
Het is overigens niet zo dat het rekenmodel op dit punt is gewijzigd sinds de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof.
Klopt de veronderstelling dat een groot deel van de lopende vergunningaanvragen zonder extra emissiereductie niet gehonoreerd kan worden?
In de meeste gevallen kunnen vergunningaanvragen met een emissiereductie gehonoreerd worden. In de gevallen dat de vergunningaanvraag leidt tot een toename van de depositie moet beoordeeld worden of er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Op dit moment is bekend dat slechts enkele vergunningaanvragen waarbij een verplaatsing van de emissiebronnen van enkele meters leidt tot een depositietoename op grotere afstand niet gehonoreerd kunnen worden.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat, zoals in de praktijk is gebeurd, een bedrijf ondanks een gelijk aantal dieren, een gelijke (vorm van) luchtuitstroom van alle stallen, afname van de ammoniakemissie met meer dan 5.000 kg NH3 per jaar en een beperkte verschuiving van emissiepunten door verlenging van enkele stallen, desondanks met de AERIUS Calculator geconfronteerd kan worden met een hogere depositie op enkele Natura 2000 gebieden?
Het rekenhart van AERIUS, OPS, bepaalt voor het traject tussen de emissiebron en een hectare in een Natura 2000-gebied het dominante landgebruik in het tussengelegen traject. Landgebruik is medebepalend voor de snelheid waarmee stoffen neerslaan. Een kleine verplaatsing van de emissiebron leidt tot een ander traject en dit kan leiden tot een ander dominant landgebruik. Een (kleine) verschuiving van de ligging/uitstroomopening van de emissiebron kan dus leiden tot een andere verspreiding en daarmee tot andere depositieresultaten.
Bent u bereid in overleg met betrokken adviseurs, sectoren en wetenschappers de knelpunten met betrekking tot de wijziging van het rekenmodel op 1 september 2017 te inventariseren en op basis daarvan het functioneren van het rekenmodel te evalueren?
Zoals hierboven aangegeven is bekend dat het rekenmodel in enkele gevallen onverwachte rekenresultaten kan opleveren. Dit wordt meegenomen in de continue ontwikkeling van de rekenmethodiek.
De reactie op de steunmaatregelen aan pluimveehouders in België naar aanleiding van de fipronilcrisis |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Is de veronderstelling juist dat Dega-16 in België niet voorkomt op de lijst met toegelaten biociden?1 2
Ja. In België heeft en had het product Dega-16 geen toelating als biocide. In mijn brief van 8 februari jongstleden (Kamerstuk 26 991, nr. 519) heb ik aangegeven dat de Belgische situatie in zoverre van de situatie in Nederland verschilt dat Dega-16 (zonder de toevoeging van fipronil) in België wel was toegelaten, maar in Nederland niet. Gebleken is dat de mij beschikbare informatie over de Belgische situatie niet juist was. Ik verwijs uw Kamer verder naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 3.
Hoe waardeert u het feit dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aangeeft dat Dega-16 een biologisch product is op basis van plantenextracten en daarom niet onderworpen hoeft te worden aan een voorafgaande registratie of toelating?3
De Biocidenverordening schrijft voor dat alle stoffen en middelen met als doel een schadelijk organisme te doden of verdrijven, af te schrikken of de effecten van die organismen te voorkomen, biociden zijn en derhalve een toelating behoeven.
De claim van het product (of de beoogde toepassing) is daarmee bepalend voor de vraag of en zo ja, welke toelating voor het product is vereist. Op het etiket van een Belgische leverancier wordt de claim gehanteerd dat Dega-16 «… de omgeving van [uw] dieren onaanlokkelijk [maakt] voor luizen en mijten». Dit is dus een biocidetoepassing, waarmee een toelating is vereist. Of het middel van natuurlijke of biologische oorsprong is of niet, is daarbij dus niet relevant. De claim op het etiket maakt dat het middel wel een toelating nodig heeft. Uit de informatie die ik van de Belgische autoriteiten hierover in de afgelopen weken heb ontvangen, concludeer ik dat België de Biocidenverordening op deze zelfde wijze interpreteert als Nederland. Dat een product geen toelating of vergunning nodig zou hebben, omdat het middel biologisch of natuurlijk is, kan ik tegen deze achtergrond daarom niet goed plaatsen. Ik verwijs uw Kamer verder naar de beantwoording van de vragen van uw Kamer in het verslag van het schriftelijk overleg van 18 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 488).
Hoe is uw stelling dat Dega-16 een biocide is te rijmen met de uitspraak van een Belgische Minister dat Dega-16 verkocht werd als een natuurlijk middel zonder biocide en dat dan geen vergunning nodig is?4
Zie antwoord vraag 2.
Is de veronderstelling juist dat Dega-16 zowel in Nederland als in België niet officieel toegelaten is als biocide en dat ten aanzien van de vraag of sprake is van ongeoorloofde staatssteun derhalve geen sprake is van een wezenlijk andere situatie in Nederland dan in België?
De veronderstelling dat Dega-16 zowel in Nederland als België niet is of was toegelaten als biocide is juist. De feiten en ontwikkelingen in België doen niet af aan het Nederlandse standpunt dat compensatie door de overheid niet aan de orde is als schade is veroorzaakt door het handelen van private partijen. Daarnaast is terughoudendheid geboden vanwege de lopende juridische procedure.
Hoe waardeert u het feit dat in het goedkeuringsbesluit de Europese Commissie Dega-16 op zichzelf niet aanmerkt als verboden middel en dat de Europese Commissie van oordeel is dat «de primaire pluimveebedrijven en de producten ervan met een illegaal gebruikt product [zijn] verontreinigd, zonder dat de landbouwers dit wisten en op een wijze die zij niet konden voorzien of voorkomen»?5
Ik constateer dat de Europese Commissie op basis van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie over de voorgenomen staatssteun besloten heeft daartegen geen bezwaar te maken; zie daarvoor onder andere de punten 9 en 35 van het besluit SA.49328 (2017/N). Nederland heeft het standpunt dat ondernemers in de voedselproductiesector, conform de General Food Law6, zelf de veiligheid en kwaliteit van hun producten moeten garanderen en de primaire controlemechanismen daarvoor in werking dienen te stellen. Deze ondernemers zijn derhalve in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en de kwaliteit van hun producten. Dit houdt dus ook in het in werking stellen van controlemechanismen om ongewenste producten uit hun voedselproductiebedrijf te weren en een grote mate van waakzaamheid voor zogenaamde wondermiddelen. Verder verwijs ik uw Kamer naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 en naar de antwoorden van de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken op de vragen van D66 in het verslag van het Schriftelijk Overleg van 18 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 488, pagina 37) en op de vragen van D66 over het zogenaamde «wondermiddel» in het verslag van het Algemeen Overleg van 24 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 490, pagina 47 en 48).
Is de veronderstelling juist dat op het etiket van Dega-16 staat dat het de omgeving onaanlokkelijk maakt voor luizen en mijten en dat derhalve geen sprake is van een toxische werking?
Op het etiket van Dega-16 van een Belgische leverancier staat: «Dega-16 maakt de omgeving van uw dieren onaanlokkelijk voor luizen en mijten». Informatie omtrent het etiket van Dega-16 dat in Nederland is toegepast, is onderdeel van het bewijs, dat nog niet is vrijgegeven door het (Nederlandse) Openbaar Ministerie. Echter, de claim dat een middel de omgeving onaanlokkelijk maakt voor luizen en mijten, is een biocideclaim. Dat betekent dat een dergelijk product een toelating nodig heeft, voordat het op de markt wordt gebracht. Het feit of het product wel of niet toxisch is, staat daar geheel los van. Ik verwijs uw Kamer verder naar mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Bent u, gelet op het feit dat in Nederland geen sprake is van een wezenlijk andere situatie dan in België, alsnog bereid te bezien of meer steun gegeven kan worden aan getroffen pluimveebedrijven?
Ik verwijs uw Kamer hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 4 en 5.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Dierziekten en antibioticabeleid op 15 februari 2018?
Ik heb uw Kamer op 14 februari 2018 per brief geïnformeerd dat het niet mogelijk was om de vragen binnen enkele dagen te beantwoorden (Aanhangsel van de Handelingen II 2017/18, nr. 1165).
Diverse berichten over dierenleed in de Oostvaardersplassen |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met diverse berichten, onder andere op sociale media, over de erbarmelijke omstandigheden voor dieren in de Oostvaardersplassen? Zo ja, wat vindt u van deze berichten en omstandigheden?1
Ja. Ook gezien de recente maatschappelijke onrust realiseer ik mij dat dit veel mensen bezighoudt, maar ik vind het niet passend om daar een oordeel over te hebben, aangezien het College van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van het dierenwelzijn van de grote grazers in het gebied Oostvaardersplassen.
Deelt u de mening dat deze omstandigheden niet alleen dieronvriendelijk zijn, maar dat dit ook het ontstaan en verspreiden van verschillende dierziekten kan bevorderen? Zo nee, waarom niet?
In de overeenkomst «Dierenwelzijn in de Oostvaardersplassen» tussen de Staatssecretaris van Economische Zaken en het College van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland zijn in 2016 afspraken gemaakt over de overdracht van het beleid ten aanzien van het dierenwelzijn van de grote grazers.
Staatsbosbeheer voert het beheer van de grote grazers uit, conform het managementplan, waarin het dierenwelzijn één van de belangrijkste criteria is.
Dit is in overeenstemming met het advies van de International Commission on Management of the Oostvaardersplassen(ICMO 1 en 2). Ik zie overigens geen risico op ontstaan en eventuele verspreiding van dierziekten.
Deelt u de mening dat Staatsbosbeheer een morele plicht heeft, net zoals iedere persoon of organisatie die hobby- of bedrijfsmatig dieren houdt, om de dieren in de Oostvaardersplassen goed te verzorgen?
Zoals ik in het antwoord bij vraag 2 heb aangegeven is omgaan met het dierenwelzijn van de grote grazers één van de belangrijkste onderwerpen in het managementplan, dat door Staatsbosbeheer wordt uitgevoerd onder toezicht van de provincie. Het welzijn van de grote grazers wordt op reguliere basis beoordeeld door de beheerders en in het kader van vroeg-reactief beheer vindt zo nodig afschot plaats. Gezien de omvang van het gebied en het ecosysteem worden de grote grazers in de Oostvaardersplassen – anders dan bij het bedrijfs – of hobbymatig gehouden dieren – gezien als niet-gehouden dieren.
Bent u bekend met de overeenkomst tussen de voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken en het College van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland aangaande dierenwelzijn in de Oostvaardersplassen, getekend in december 2016?2
Ja.
Bent u bekend met het door de provinciale staten van Flevoland aangenomen initiatiefvoorstel van de fracties van de VVD en SGP om richting te geven aan een beleidskader voor de Oostvaardersplassen (vastgesteld in de provinciale staten op 8 februari 2017)?3
Met de overdracht van de verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van het dierenwelzijn van de grote grazers naar de provincie Flevoland is het aan gedeputeerde staten om uitvoering te geven aan het te voeren beleid. Dit initiatiefvoorstel van provinciale staten is dan ook een zaak van de provincie.
Bent u ervan op de hoogte dat gedeputeerde staten van de provincie Flevoland heeft vastgesteld dat de beleidsruimte voor grote grazers in de Oostvaardersplassen op basis van de gesloten overeenkomst beperkt is? Wat vindt u van deze situatie?
Gedeputeerde staten heeft mij daarvan niet op de hoogte gesteld. De provincie heeft na het sluiten van de overeenkomst met mij verder geen contact gehad over het beleid ten aanzien van de grote grazers.
Deelt u de mening dat de huidige situatie in strijd is met (de strekking van) de motie-Rudmer Heerema/Geurts (Kamerstuk 32 563, nr. 58)? Zo nee, waarom niet?
De beleidsverantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van de grote grazers in de Oostvaardersplassen is ter uitvoering van de motie-Rudmer Heerema/Geurts overgedragen aan de provincie Flevoland en geborgd in genoemde overeenkomst. Dat komt geheel overeen met de (strekking van) de motie.
Wat is uw oordeel over de huidige mate van dierenwelzijn in de Oostvaardersplassen, kijkend naar de afgelopen jaren?
Het beheer van de grote grazers in de Oostvaardersplassen staat al jaren ter discussie. Internationale commissies hebben – mede op verzoek van uw Kamer – aan mijn voorgangers afgewogen adviezen uitgebracht over het beheer van deze kudden. Ik ben ervan overtuigd dat Staatsbosbeheer al jarenlang naar eer en geweten het managementplan uitvoert conform de afspraken, inclusief dierenwelzijn. Nu is het aan de provincie Flevoland om zich hier een oordeel over te vormen.
Zie ook het antwoord op vraag 1 en 3.
Deelt u de mening dat op de huidige wijze niet goed zorg gedragen kan worden voor het dierenwelzijn (specifiek met betrekking tot de grote grazers) in de Oostvaardersplassen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het uitbreiden en het meer expliciet maken van de beleidsruimte voor het College van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland mogelijk moet zijn om recht te doen aan de genoemde motie-Rudmer Heerema/Geurts? Zo nee, waarom niet?
De genoemde overeenkomst tussen de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken en het College van gedeputeerde staten van Flevoland biedt voldoende beleidsruimte om het beheer in overleg met Staatsbosbeheer desgewenst aan te passen. Volgens de overeenkomst (art. 2.4) laat de provincie nu een onafhankelijke review uitvoeren van het beleid ten aanzien van het dierenwelzijn van de grote grazers. Dit biedt het College de mogelijkheid om het beheer van de grote grazers te wijzigen. Ik heb begrepen dat het College een dergelijke review laat uitvoeren door de Commissie-Van Geel, die binnenkort met haar advies komt.
Bent u bereid om binnen afzienbare tijd zowel met het College van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland als met de Beheeradviescommissie Oostvaardersplassen om de tafel te gaan om de huidige situatie en de afgesloten overeenkomst te evalueren?
De overeenkomst is in goed overleg met de provincie Flevoland tot stand gekomen en ik zie nu geen reden om in overleg te treden om de overeenkomst te evalueren. Ik ben altijd bereid tot overleg met de provincie, maar de provincie heeft mij daar niet om verzocht en ik wil niet vooruitlopen op een situatie die zich nu niet voordoet. Overigens heeft de Beheeradviescommissie Oostvaardersplassen op 2 december 2014 zijn eindadvies uitgebracht.
Zie verder het antwoord op vraag 10.
Indien uit een evaluatie blijkt dat de huidige overeenkomst niet de gewenste uitwerking van de motie heeft, bent u dan bereid een nieuwe overeenkomst met de provincie Flevoland af te sluiten of de huidige overeenkomst aan te passen?
Zie antwoord vraag 11.
Zijn er door uw voorganger soortgelijke overeenkomsten afgesloten met andere decentrale overheden? Zo ja, doen vergelijkbare problemen zich voor bij deze overeenkomsten?
Nee, er zijn geen soortgelijke overeenkomsten met andere decentrale overheden gesloten.
Het bericht ‘Nederlands Echec rond pulsvisserij is eigen schuld’ |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederlands echec rond pulsvisserij is eigen schuld»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie nooit formeel goedkeuring heeft gegeven aan de forse Nederlandse uitbreiding van pulsvergunningen? Zo nee, kunt u de Kamer inzicht verlenen in deze formele goedkeuringen van de Europese Commissie?
Er zijn drie categorieën pulstoestemmingen. De eerste groep betreft 22 schepen, waarbij de toestemmingen zijn verleend op basis van de reguliere bepaling in de huidige Verordening Technische Maatregelen waarbij 5% van de kottervloot gebruik mag maken van de pulsvisserij (artikel 31a Vo 850/98). De tweede groep bestaat uit 20 schepen. Hun pulstoestemming is gebaseerd op artikel 43 (wetenschappelijk onderzoek) van de voornoemde Verordening Technische Maatregelen. Dit is bilateraal overeengekomen met de Europese Commissie, bevestigd bij een brief gedateerd 15 december 2010 van de toenmalig Commissaris Damanaki aan de toenmalige Staatssecretaris Bleker. De derde groep bestaat uit 42 schepen en heeft een pulstoestemming gebaseerd op artikel 14 van de Basisverordening Gemeenschappelijk Visserijbeleid (Vo 1380/2013), in het kader van het faciliteren van de aanlandplicht (Kamerstuk 32 201, nr. 68 en 69). Dit is bevestigd door de Europese Commissie per brief van 12 februari 2014 aan de toenmalige Staatssecretaris Dijksma.
Uit bovenstaande blijkt dat de Europese Commissie medewerking heeft gegeven aan de uitbreiding van de experimentele pulsvisserij, juist ook vanwege het vertrouwen dat zij had in de innovatieve pulstechniek. Een vertrouwen dat zij overigens, blijkens de vrijgave van de pulsvisserij in haar voorstel voor de nieuwe Verordening Technische Maatregelen, nog steeds heeft.
Bent u op de hoogte van de antwoorden van Eurocommissaris Vella op parlementaire vragen (6 juli 2015), waarin de Eurocommissaris aangeeft dat de Nederlandse overheid extra vergunningen heeft toegewezen boven de eerder vastgestelde limit onder het mom van een proefproject?2
Ja. De Europese Commissie verwijst in haar antwoorden expliciet naar de laatste groep pulstoestemmingen in het kader van de aanlandplicht.
Heeft u -voordat er vergunningen boven de afgesproken limit zijn afgegeven- contact gehad met de vakministers van de andere Europese landen over deze uitbreiding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van deze overleggen?
De verleende pulstoestemmingen zijn verleend op basis van staande regelgeving (zie ook het antwoord op vraag 2). De lidstaat houdt hierover in de regel contact met de Europese Commissie en niet noodzakelijkerwijs met andere lidstaten. Afgezien van de recente contacten met verschillende van mijn ambtgenoten zijn er dan ook geen gesprekken over puls geweest van de toenmalige staatssecretarissen met hun collega’s, met uitzondering van overleggen met de voorzitters van de Raad in 2010 en 2014, respectievelijk de Belgische en de Griekse Minister (zie ook voornoemde Kamerstuk). De uitbreidingen hebben plaatsgevonden mede op verzoek van de Tweede Kamer welke in de afgelopen jaren meermalen dringend heeft verzocht de mogelijkheden voor de pulsvisserij te verruimen. Wel zijn andere lidstaten regelmatig ambtelijk op de hoogte gehouden van de voortgang, bijvoorbeeld in het kader van de Scheveningengroep (de lidstaten met visserijbelangen op de Noordzee).
Was bij u bekend dat EU-diplomaten spraken van een «procedurele schande» en dat het Europees parlement zich compleet genegeerd voelde? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is met deze signalen gedaan?
Nee. Wel is mij vanzelfsprekend bekend dat met het Europees parlement in 2014 een discussie over pulsvisserij is gevoerd in het kader van het politiek akkoord over Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Dit is ook is vermeld in het voornoemde Kamerstuk.
Bent u bereid deze vragen op korte termijn te beantwoorden, zodat deze kunnen worden betrokken bij het plenair debat debat over een mogelijk verbod op pulsvisserij?
Ja.
Het bericht 'Boer kan fipronil-mest niet kwijt' |
|
Jaco Geurts (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Boer kan fipronil-mest niet kwijt»?1
Ja.
Klopt het dat binnenkort de verbrandingscentrale BMC-Moerdijk voor onderhoud buiten werking wordt gesteld?
Ja. De Biomassacentrale Moerdijk (hierna: BMC Moerdijk) zal vanaf half mei 2018 in onderhoud gaan voor een periode van minimaal zes weken.
Klopt het dat er momenteel per week meer vervuilde mest moet worden verbrand dan 1.000 ton, de maximale capaciteit bij BMC-Moerdijk? Zo ja, klopt het dat de overcapaciteit van besmette fipronil-mest wordt verbrand in de afvalverbrandingsinstallatie van ARN BV te Weurt?
Volgens informatie van de sector ligt er momenteel ca. 11.000 ton met fipronil verontreinigde pluimveemest te wachten op verwerking. Ten behoeve van het vergroten van de verwerkingscapaciteit van met fipronil verontreinigde pluimveemest heeft ARN BV te Weurt van de Omgevingsdienst Nijmegen een tijdelijke vergunning gekregen voor het verbranden van deze mest in zijn afvalverbrandingsinstallatie (hierna: AVI). Deze AVI heeft eind 2017 éénmalig 2.500 ton met fipronil verontreinigde pluimveemest verbrand. Deze mest is samen met de reguliere afvalstromen van de AVI verbrand.
Klopt het dat de boeren die moeten uitwijken naar de afvalverbrandingsinstallatie in Weurt op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel A, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) hierover afvalstoffenbelasting (ASB) van 13,11 euro per 100 kg moeten betalen?
Welke situatie aan de orde is bij het verbranden van (met fipronil verontreinigde) pluimveemest hangt af van de vraag of deze mest wordt verbrand in een inrichting, en zo ja, of – gelet op de installatie – het reguliere tarief danwel het nihiltarief van toepassing is.
Op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) wordt afvalstoffenbelasting (hierna: ASB) geheven over de afgifte ter verwijdering (storten of verbranden) van afvalstoffen aan een inrichting. Er is sprake van een inrichting als het gaat om: 1) een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer (hierna: Wm), werken daaronder niet begrepen, waarin afvalstoffen worden gestort; 2) een inrichting als bedoeld in de Wm waarin blijkens een op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) afgegeven omgevingsvergunning huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand. De houder van de inrichting is belastingplichtig voor de ASB.
Op grond van artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de Wbm bedraagt het tarief van de ASB nihil in geval van het verbranden van afvalstoffen in een installatie, waarin op grond van bij of krachtens de Wm of de Wabo gestelde voorschriften, dan wel een op grond van de Wabo afgegeven omgevingsvergunning, géén huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen en gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand. Deze bepaling ziet mede op het verbranden van afvalstoffen in een installatie waarin uitsluitend (naar haar aard) zuivere biomassa wordt verbrand. In alle andere gevallen bedraagt het tarief in geval van het verbranden van afvalstoffen € 13,21 per 1.000 kg in 2018 (€ 13,11 per 1.000 kg in 2017).
Ditzelfde doet zich voor bij het verbranden van snoeiafval of sloophout. Worden afvalstoffen afgegeven bij een inrichting waarbij het reguliere tarief van toepassing is en bevinden zich hieronder snoeiafval of sloophout, dan is daarover ASB verschuldigd. Hier is geen hardheidsclausule op van toepassing. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever dit gevolg heeft beoogd.2
Klopt het dat over de mest die bij BMC-Moerdijk wordt verbrand geen ASB moet worden betaald? Zo ja, waarom deze verschillende behandeling?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het voor de getroffen boeren bijzonder onbillijk uitpakt dat zij in deze toch al zware crisis te maken krijgen met een belasting door een probleem waar ze zelf niets aan kunnen doen?
Ik ben mij bewust van de impact die de fipronilaffaire heeft gehad, en vaak nog heeft, op de getroffen bedrijven en hun gezinnen. Het is echter de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om over de hele keten te borgen dat voedsel veilig wordt geproduceerd en toe te zien op de geschiktheid van de middelen die op een bedrijf worden gebruikt, waarbij ik besef dat deze situatie een aantal bedrijven hard raakt.
In geval pluimveehouders hun pluimveemest laten verbranden bij een inrichting als bedoeld in de Wm, waarin blijkens een op grond van de Wabo afgegeven omgevingsvergunning huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand (zoals een AVI), is de houder van die inrichting ASB verschuldigd. Het maakt daarbij niet uit of de pluimveemest fipronil bevat.
Een aanpassing van de Wbm om in de ASB voor incidentele gevallen een vrijstelling of nihiltarief op te nemen ligt niet in de rede. In het kader van vergroening is in het regeerakkoord juist afgesproken dat het tarief voor het verbranden en storten van afvalstoffen wordt verhoogd en de grondslag wordt verbreed. Dit verhoudt zich slecht tot het aanpassen van de ASB om meer afvalstromen vrij te stellen.
Er wordt door zowel de sector als mijn ministerie gewerkt aan andere mogelijkheden om de met fipronil verontreinigde pluimveemest te verwerken. Samen met de sector heb ik een protocol opgesteld om voorraden van met fipronil verontreinigde pluimveemest veilig van bedrijven af te kunnen voeren naar reguliere verwerkers in het land. Dit zal het aanbod beperken van met fipronil verontreinigde pluimveemest die verbrand moet worden. Daarnaast wordt er geëxperimenteerd met een product dat de fipronil in de pluimveemest zou kunnen afbreken. Tenslotte wordt er met de sector gekeken naar de mogelijkheden voor tussenopslag.
Verder verwijs ik uw Kamer graag naar de antwoorden op de vragen van Geurts (CDA) en Dik-Faber (CU) (Kamerstuk 26 991, nr. 518) die uw Kamer onlangs heeft ontvangen.
Deelt u de mening dat het onbillijk is en het nooit de bedoeling kan zijn dat het Rijk verdient aan het leed van anderen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat op reststromen van snoeiafval en hout de hardheidsclausule van toepassing is, waardoor daarover geen ASB wordt geheven?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vragen 4 en 5.
Deelt u de mening dat, zeker met het oog op de sluiting van BMC-Moerdijk half mei 2018, het redelijk en billijk is om op de verbranding van fipronil-mest op andere locaties niet langer ASB te heffen en daarmee niet langer de kas van het Rijk te spekken? Zo ja, op welke termijn kan de ASB worden gewijzigd? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vragen 6 en 7.