De falende aanpak van hondengevechten |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Criminelen verdienen grof geld met illegale hondengevechten» en het geciteerde rapport «Hoog-risico honden, een bijtend probleem?»1 2
Ja.
Kunt u inzicht geven in het aantal hondengevechten dat de afgelopen jaren is opgespoord? Kunt u toelichten of daarbij sprake is van een stijging of een daling?
Met betrekking tot de opsporing en vervolging loopt op dit moment een strafrechtelijk onderzoek tegen zes verdachten, waarbij drie verdachten een OM-strafbeschikking hebben geaccepteerd en de overige drie verdachten zullen worden gedagvaard. Aangezien dit een lopend onderzoek betreft, kunnen er geen verdere mededelingen worden gedaan. Eerdere opsporingen en vervolgingen wat betreft hondengevechten op grond van artikel 2.14 lid 1 en 2 Wet Dieren zijn de politie en het OM niet bekend. Ik heb daardoor geen inzicht in het aantal opgespoorde hondengevechten over de jaren en kan hier verder geen uitspraken over doen.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak vervolging heeft plaatsgevonden en welke straffen zijn opgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten of u dat in verhouding vindt tot het aantal criminelen (enkele tientallen) en het aantal «vechthonden» (zo’n 400) die volgens het rapport actief zijn in Nederland?
Het lokale gezag bepaalt de inzet van politie bij dierenmishandeling en -verwaarlozing. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij kaders gegeven voor het strafrechtelijk oppakken van zaken, waarbij het strafvorderingsbeleid verzwaard is. Naast het door het Openbaar Ministerie opgestelde Afwegingskader dierenmishandeling en -verwaarlozing is ook de aanwijzing van het Openbaar Ministerie voor de opsporing van toepassing, net als bij andere strafbare feiten. Indien aangifte wordt gedaan van een dergelijk strafbaar feit, wordt binnen die kaders bekeken of opsporing en vervolging mogelijk is en in de rede ligt.
Op welke gronden worden straffen opgelegd aan personen die deelnemen aan hondengevechten of deze gevechten organiseren? Wat is de maximale straf die hiervoor is opgelegd, gezien het feit dat het een zeer ernstige vorm van dierenmishandeling betreft?
Het organiseren van of deelnemen aan dierengevechten is verboden op grond van artikel 2.14 lid 1 Wet Dieren.
Overtreding van dit artikel is aangemerkt als een misdrijf. Artikel 8.12 lid 1 Wet Dieren bepaalt dat gedragingen in strijd met eerdergenoemd artikel kunnen worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Het aanwezig zijn bij dierengevechten is op grond van artikel 2.14 lid 2 Wet Dieren verboden. Handelen in strijd met dit artikel is aangemerkt als een overtreding.
Artikel 8.12 lid 3 Wet dieren bepaalt dat gedragingen in strijd met eerdergenoemd artikel kunnen worden bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
Wat vindt u ervan dat criminelen volgens het rapport hun vechthonden openlijk kunnen aanbieden en verkopen via sites als Facebook zonder dat autoriteiten ingrijpen? Wat gaat u hiertegen doen?
Het deelnemen aan en het aanwezig zijn bij gevechten is verboden. Het aanbieden en verkopen van honden, dus ook niet van bepaalde rassen of typen honden, via internet is niet verboden. Om die reden is het optreden tegen het aanbieden en verkopen van bepaalde rassen of typen honden via sites als Facebook ook niet mogelijk.
Wat gaat u ondernemen tegen hondenshows voor «hoog-risico honden» in Nederland, die volgens het rapport een ontmoetingsplaats zijn voor hondenvechters?
Het tentoonstellen van dieren of dieren laten deelnemen aan keuringen is niet verboden, behalve als het dieren betreft waarbij een verboden ingreep is verricht. Ook zogenaamde hoog-risicohonden mogen, met hetzelfde voorbehoud, worden tentoongesteld. Om die reden is het optreden tegen tentoonstellingen of keuringen van bepaalde rassen of typen honden ook niet mogelijk.
Erkent u dat hondengevechten verweven zijn met andere vormen van criminaliteit zoals drugshandel en intimidatie?
Op grond van informatie die bekend is bij het Openbaar Ministerie (zie ook het antwoord op vraag 3), kan ik daar geen uitspraken over doen. Het betreft immers een lopend strafrechtelijke onderzoek. Ik heb kennis genomen van de conclusies die de onderzoekers van Bureau Beke hebben getrokken over de verwevenheid van hondengevechten met andere vormen van criminaliteit, maar zal daar in het belang van het lopende onderzoek niet op in gaan.
Klopt het dat nog te weinig wordt samengewerkt tussen handhavende partijen als politie, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en Landelijke inspectiedienst Dierenbescherming? Klopt het dat geen integraal overleg plaatsvindt tussen alle betrokken partijen?
Er is een operationeel samenwerkingsverband voor de aanpak van (illegale) hondenhandel tussen de NVWA, de politie en de LID. Partijen ontmoeten elkaar daarnaast in diverse andere gremia. Een apart integraal overleg voor de aanpak hondengevechten achten zij niet nodig.
Wat is uw reactie op de conclusie van het rapport dat het fenomeen hondengevechten te weinig prioriteit krijgt bij de politie? Vindt u dit acceptabel?
Op lokaal niveau worden de prioriteiten door het lokale gezag bepaald, waarbij de landelijke prioritering van de politie wordt meegenomen. Signalen van hondengevechten worden opgepakt en indien nodig opgevolgd door de politie (zie ook de antwoorden op vragen 2 en 3). Het is aan het lokale gezag om te bepalen of zaken vervolgens strafrechtelijk worden opgepakt.
Wat is uw reactie op de conclusie van het rapport dat vigerende regelgeving niet altijd goed geïnterpreteerd en toegepast wordt door toezichthouders en handhavers, wat kan resulteren in zeer lage straffen of criminelen die de dans ontlopen?
Het is van belang dat toezichthouders en handhavers voldoende zijn toegerust om de regelgeving goed toe te passen. Om te komen tot een eenduidige interpretatie van de regelgeving hebben betrokken partijen regelmatig overleg, op basis van het convenant samenwerking dierenhandhaving.
Deelt u de mening dat het huidige beleid in Nederland volstrekt onvoldoende is en te veel ruimte laat voor malafide fokkers, handelaren en organisatoren van hondengevechten?
In de brieven van 4 oktober 2018 en 9 november 2018 heeft mijn ambtsgenoot van Landbouw, Natuur en Visserij een breed pakket aan maatregelen aangekondigd om misstanden in de hondenhandel en met hoog risicohonden tegen te gaan.3 In de contourenbrief van 30 juni 2017 wordt daarnaast uiteen gezet welke wetswijzigingen worden doorgevoerd om steviger op te kunnen treden tegen overtredingen op dit terrein.4 Voor een uiteenzetting van het gehele pakket aan maatregelen verwijs ik u graag naar deze brieven. Mijn ambtsgenoot van Landbouw, Natuur en Visserij zal voor de zomer een stand van zaken brief over de beleidsbrief dierenwelzijn aan uw Kamer sturen waarin de laatste stand van zaken met betrekking tot deze maatregelen is opgenomen. Voor zover deze vraag betrekking heeft op hondengevechten verwijs ik naar het antwoord op vraag 5 waarin ook is aangegeven dat het organiseren of deelnemen aan dierengevechten verboden is.
Ziet u aanleiding uw beleid aan te passen?
Zoals in vraag 12 aangegeven wordt op dit moment gewerkt aan diverse beleidsmaatregelen en wijzigingen in de regelgeving om misstanden in de hondenhandel tegen te gaan en de bestraffingsmogelijkheden te verbeteren. Deze maatregelen zijn nog niet volledig in werking zijn getreden en geëvalueerd. Het heeft de voorkeur dit eerst af te wachten alvorens beleid aan te passen.
Wanneer verwacht u het wetsvoorstel Aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing naar de Kamer te sturen?
Op dit moment worden de consultatie-adviezen verwerkt. Het wetsvoorstel zal vervolgens ter advisering aan de Raad van State worden voorgelegd. Na ommekomst van het advies van de Raad van State en de verwerking ervan zal het wetsvoorstel naar verwachting dit najaar bij uw Kamer worden ingediend.
Een Europees beroepsverbod |
|
Attje Kuiken (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 201803729/1/A1 en herinnert u zich de antwoorden op eerdere Kamervragen over een varkenshouder met een beroepsverbod in Duitsland die in Nederland uit mag breiden?1 2
Ja, ik ken de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de antwoorden van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken op eerdere Kamervragen over dit onderwerp.
Kunnen bij een Bibob-toets gegevens over een beroepsverbod dat in een ander land is opgelegd, in zijn algemeenheid worden betrokken bij een onderzoek naar de integriteit van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon in Nederland?
Om het gevaar (gebruikelijke wettelijke term) op grond van de Wet Bibob te kunnen bepalen, kunnen bestuursorganen aan een natuurlijke of rechtspersoon vragen stellen over het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk verleden in de afgelopen vijf jaar. Hierbij gaat het tevens om het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk verleden in andere landen.
Daarnaast kan het Bureau Bibob in verband met een verzoek om advies van bestuursorganen, buitenlandse autoriteiten verzoeken of van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon die door het bureau onderzocht wordt strafrechtelijke gegevens bekend zijn.
In de aanhangige wijziging van de Wet Bibob is nu een soortgelijke bevoegdheid geregeld ten aanzien van gegevens over niet-strafrechtelijke bestraffende sancties in het buitenland, met name bestuurlijke boetes. Deze kunnen zodoende dan ook worden opgevraagd door het Bureau Bibob in het onderzoek.
Binnen de Wet Bibob geldt dat een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd ook wordt gezien als een strafbaar feit. Als uit het onderzoek strafbare feiten of bestuurlijk beboetbare feiten uit het buitenland naar voren komen, kunnen deze bij de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob betrokken worden, wanneer het achterliggende strafbare gedrag of nalaten in Nederland ook strafbaar zou zijn. Als dergelijke feiten tot een beroepsverbod hebben geleid, geldt dat onverkort.
Kunnen belanghebbenden een bestuursorgaan, zoals een gemeente, verzoeken om een Bibob-toets te doen naar een vergunningaanvrager? Zo ja, wat kunnen belanghebbenden doen in het geval het bestuursorgaan geen gevolg aan een dergelijk verzoek geeft?
Het staat één ieder vrij vragen aan een bestuursorgaan te stellen. De afweging van een bestuursorgaan om tot een Bibob-onderzoek over te gaan, dient – juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument – weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol.
Bestuursorganen leggen de omstandigheden waaronder en de criteria op basis waarvan zij een Bibob-onderzoek instellen in het Bibob-beleid vast. Slechts wanneer aanvragen om een vergunning of subsidie aan die criteria voldoen, past het bestuursorgaan de Wet Bibob toe. Het Bibob-beleid biedt daarmee waarborgen voor een goede afweging om de Wet Bibob al dan niet toe te passen.
Het al dan niet toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van het betreffende bestuursorgaan. Het bestuursorgaan beslist op basis van signalen en/of informatie of een verdere Bibob-toets noodzakelijk is alvorens een besluit over de vergunningaanvraag kan worden genomen. Deze afweging is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en er staat dan ook geen bezwaar en beroep tegen open. Ik zie geen aanleiding om de wet op dit punt aan te passen.
Het doel van de Wet Bibob is namelijk het beschermen van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Dit blijkt ook uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State1, waarin de Afdeling oordeelde dat de Wet Bibob in beginsel niet strekt tot de bescherming van individuele belangen van burgers, en daarmee in beginsel ook geen grond kan zijn in bezwaar- en beroepsprocedures (rechtsoverwegingen 15.1 tot en met 15.3).
Deelt u de mening dat belanghebbenden die over aanwijzingen beschikken dat er twijfels zijn over de integriteit van een vergunningaanvrager, de mogelijkheid zouden moeten krijgen om in het geval een bestuursorgaan weigert op een verzoek tot een Bibob-toets in te gaan, die weigering aan de rechter voor te kunnen leggen? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het wel mogelijk moet worden dat eerder onbehoorlijk gedrag van een ondernemer jegens dieren bij de beoordeling van de aanvraag van een omgevingsvergunning kan worden betrokken? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) kunnen vergunningaanvragen slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2013:1325 van de Raad van State blijkt dat dierenwelzijn niet onder het belang van de bescherming van het milieu begrepen kan worden.
Daarnaast is het mogelijk om omgevingsvergunningen waarop de Wet Bibob van toepassing is, waaronder omgevingsvergunningen milieu, te weigeren als er – voor zover hier relevant – een ernstig gevaar bestaat op het plegen van strafbare feiten. Deze weigeringsgrond is opgenomen in artikel 2.20 Wabo in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob. Hierbij wordt gekeken naar strafbare feiten of bestuurlijke beboetbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Ook onbehoorlijk gedrag jegens dieren voor zover het strafbare feiten of bestuurlijk beboetbare feiten betreft kan bij de beoordeling van de gevaarsbepaling betrokken worden. Daarbij geldt dat een ernstig vermoeden van het plegen van bedoelde strafbare feiten of bestuurlijk beboetbare feiten al voldoende kan zijn om een ernstig gevaar te concluderen en een vergunning te weigeren of in te trekken.
Een nieuw onderzoek waaruit blijkt dat het gebruik van landbouwgif kan leiden tot de ontwikkeling van ALS |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de studie van het ALS Center of Excellence aan de Universiteit van Michigan, gepubliceerd in het tijdschrift Journal of Neurology, Neurosurgery & Psychiatry, dat ervoor waarschuwt dat blootstelling aan pesticiden en andere vervuilende stoffen de kans vergroot op ontwikkeling van ALS, en de aftakeling als gevolg van deze neurogeneratieve ziekte zal versnellen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze nieuwe studie de uitkomsten van eerder onderzoek bevestigt, waaruit bleek dat patiënten met ALS verhoogde niveaus van pesticiden in hun bloed hebben?
Het Amerikaanse onderzoek richt zich op een verband tussen het voorkomen van bepaalde verontreinigingen in het bloed en de snelheid van het verloop van de ziekte amyotrofische laterale sclerose (ALS). Het gaat hierbij om zogenaamde persistentie organische verontreinigingen (Persistent Organic Pollutants, POP’s), dit zijn bekende milieuverontreinigende stoffen die dermate schadelijk zijn dat er een wereldwijde overeenkomst is (Verdrag van Stockholm) dat gericht is op het uitfaseren van dergelijke stoffen. In dit verdrag zijn zowel werkzame stoffen voor bestrijdingsmiddelen als andere chemicaliën opgenomen. Deze stoffen zijn in de Europese Unie al uitgefaseerd. In het artikel wordt ook een metaboliet van DDT genoemd. DDT is een insecticide dat in de westerse wereld al zeer lang niet meer is toegelaten.
Wat vindt u van de bevindingen die opnieuw bevestigen dat mensen ernstige gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan landbouwgif?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, gaat het in het onderzoek om persistentie organische verontreinigingen die in de EU niet meer zijn toegelaten. Dit onderstreept het belang van herbeoordelingen en het betrekken van nieuwe wetenschappelijke inzichten bij de toelating van stoffen.
Herinnert u zich dat Frankrijk vanuit het voorzorgsbeginsel een verbod heeft ingesteld op de verkoop van het glyfosaathoudende middel Roundup?
Ik heb uw Kamer op 11 februari jl. geïnformeerd over een uitspraak van een Franse rechtbank over Roundup Pro 360 (Kamerstuk 27 858, nr. 441). ANSES – de Franse toelatingsautoriteit – heeft op 6 maart 2017 het besluit genomen om Roundup Pro 360 toe te laten in Frankrijk. Dit middel bevat de werkzame stof glyfosaat. De Rechtbank van Lyon heeft dit besluit op 15 januari 2019 vernietigd. De rechtbank vond dat ANSES het voorzorgsprincipe niet goed heeft toegepast door bij de beoordeling onder andere geen rekening te houden met de eigenschappen van de hulpstoffen in het product en de classificatie van het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (de IARC). ANSES kan zich niet vinden in deze uitspraak van de rechtbank en gaat in beroep.
Verordening (EG) nr. 1107/2009 voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen bevat het voorzorgsprincipe «nee, tenzij». Dit betekent dat een werkzame stof of een gewasbeschermingsmiddel op basis van deze werkzame stof niet in de Europese Unie mag worden gebruikt, tenzij de werkzame stof is goedgekeurd op Europees niveau en een gewasbeschermingsmiddel is toegelaten op nationaal niveau.
Erkent u dat u ook de wettelijke mogelijkheid heeft om het voorzorgsbeginsel toe te passen om mensen te beschermen tegen de gevaren van landbouwgif?2
Verordening (EG) 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsbeginsel en biedt de mogelijkheid om waar nodig in te grijpen op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Het kabinet heeft laten doen naar blootstelling van omwonenden onder coördinatie van het RIVM. De resultaten van dat onderzoek nu geven geen aanleiding om in te grijpen. Wel laat het kabinet vervolgonderzoek uitvoeren door de Gezondheidsraad. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief van 10 april jl.
Erkent u dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld als hij op de hoogte is van risico’s voor de volksgezondheid van het gebruik van bepaalde middelen en toch adequate maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid achterwege laat?
Het Europese geharmoniseerde toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen draagt er zorg voor dat alleen middelen op de markt mogen worden gebracht waarvan uit een risicobeoordeling is gebleken dat ze veilig voor mens, dier en milieu toegepast kunnen worden. Niet zal worden nagelaten om in Nederland in te grijpen in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen indien dat vanuit het oogpunt van volksgezondheid noodzakelijk is.
Bent u bereid het voorzorgsbeginsel toe te passen en een moratorium af te kondigen op het gebruik van pesticiden in de landbouw? Zo nee, waarom niet?
Verordening (EG) 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsbeginsel en biedt de mogelijkheid om waar nodig in te grijpen op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Niet zal worden nagelaten om in Nederland in te grijpen in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen indien dat vanuit het oogpunt van volksgezondheid noodzakelijk is. Uit de beoordeling van het Ctgb van de gevonden gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in de bodem en op gewassen bij de inwoners in Westerveld blijkt dat er geen grenswaarden zijn overschreden. Bovendien blijkt ook uit het OBO-blootstellingsonderzoek dat alle meetresultaten beneden de veilige grenswaarden zijn gebleven.
Herinnert u zich dat de Partij voor de Dieren-fractie in januari 2011 al, evenals artsen, toxicologen, milieudeskundigen en burgers, waarschuwde voor de effecten van landbouwgif voor de gezondheid van de omwonenden van landbouwgronden waarop pesticiden worden gebruikt?3 4
Ja.
Herinnert u zich dat het kabinet daarop de Gezondheidsraad om advies heeft gevraagd, dat op 29 januari 2014 is verschenen en waarin werd erkend dat blootstelling aan landbouwgif kan leiden tot de ontwikkeling van leukemie bij kinderen en ernstige aandoeningen aan het zenuwstelsel zoals Parkinson?5
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) had eerder de Gezondheidsraad gevraagd om het onderwerp «risico’s van omwonenden door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen» op te nemen in het werkprogramma van de Gezondheidsraad voor 2011. In april 2011 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, dit verzoek nader gespecificeerd tot een advies over blootstelling naar aanleiding van zorgen bij een aantal bewonersgroepen.
In het advies van de Gezondheidsraad werd melding gemaakt van epidemiologisch onderzoek (in binnen- en buitenland) onder agrariërs waarbij associaties zijn gevonden tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het optreden van uiteenlopende gezondheidseffecten zoals de ziekte van Parkinson en leukemie bij kinderen van agrariërs. De Gezondheidsraad constateerde echter ook dat buitenlandse bevindingen niet zo maar naar de Nederlandse situatie zijn door te trekken en dat de onderzoeksresultaten uit eigen land dateren van enige tijd geleden. (Kamerstuk 27 858, nr. 230).
Wat is de reden dat het blootstellingsonderzoek dat de Gezondheidsraad aanbeval vertraging heeft opgelopen?
Het onderzoek «Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden» onder coördinatie van het RIVM is enigszins vertraagd doordat de geplande analyses meer tijd kostten dan aanvankelijk ingeschat. Op 10 april jl. is uw Kamer over het onderzoek geïnformeerd.
Herinnert u zich dat u beloofde in gesprek te gaan met de omwonendenorganisatie Bollenboos, die zich al sinds het jaar 2000 inzet voor de gezondheid van omwonenden van bollenvelden en andere agrarische percelen waarop (veel) pesticiden worden gebruikt?
Ja. Ik heb begrip voor de zorgen die bij omwonenden leven in verband met de aanwezigheid van (sporen van) gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving. Ik neem deze zorgen serieus en ben daarom ook met deze omwonenden op 8 april jl. in gesprek gegaan.
Heeft u de stichting Bollenboos al uitgenodigd voor een gesprek? Zo ja, wanneer? Zo nee, bent u bereid uw belofte alsnog na te komen en – nu het zo lang heeft geduurd – spoedig af te reizen naar Westerveld om ter plaatse in gesprek te gaan met deze hardwerkende vrijwilligers voor een gezonde leefomgeving?6
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u zich voorstellen dat mensen die in de buurt van landbouwpercelen wonen enorm schrikken bij berichten over onderzoeken waaruit blijkt dat je zelfs een ernstige progressieve spierziekte zoals ALS kunt ontwikkelen als op de akkers in hun omgeving landbouwgif wordt gebruikt?
Ik kan mij dat voorstellen. Ik ben op 8 april jl. ook in gesprek gegaan met omwonenden van landbouwpercelen om te praten over hun zorgen. Tegelijkertijd is van groot belang dat binnen grenswaarden wordt gewerkt, dat toegelaten stoffen en middelen periodiek worden herbeoordeeld en dat op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten kan worden ingegrepen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gaat het in dit geval om stoffen die in de EU niet meer zijn toegelaten.
Dat neemt niet weg dat we toe moeten naar weerbare teelten. Mijn ambities richten zich op weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van landbouw en natuur en als er dan toch behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen, dan nagenoeg zonder emissies naar de leefomgeving en nagenoeg zonder residuen op producten. Dat is de kern van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» die recent aan uw Kamer is aangeboden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken en in ieder geval voor het nog te plannen algemeen overleg Gewasbeschermingsmiddelen beantwoorden?
Ja.
Uitbreiding van het externe onderzoek naar de gang van zaken rond de noordelijke slachthuizen en het optreden door de NVWA |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u uw besluit toelichten om een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen naar de gang van zaken rond (signalen over) de noordelijke slachthuizen en de wijze waarop de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hierop heeft gereageerd, zoals u schreef in uw brief van 25 februari jl?1
Het belang van voedselveiligheid en dierenwelzijn dient boven iedere twijfel verheven te zijn. Daarbij hoort naast een stevige aanpak van overtreders ook een permanente kritische blik op de uitvoering van de eigen werkzaamheden. Om er zeker van te zijn dat de NVWA de goede stappen heeft ondernomen en onderneemt, wordt, zoals in de brief van 25 februari jl. is aangegeven, een onderzoek naar de noordelijke slachthuizen en de wijze waarop de NVWA hierop heeft gereageerd uitgevoerd.
Waarom beperkt het onderzoek zich tot de noordelijke slachthuizen en wordt niet ook gekeken naar andere delen van het land en andere delen van de toezichtsketen, zoals het reguliere toezicht en de handhaving door de NVWA in de veehouderij en de manier waarop de NVWA heeft gereageerd op de reeks aan beelden die de stichting Animal Rights naar buiten heeft gebracht, en bent u bereid het onderzoek uit te breiden naar deze terreinen?2
Vanwege aanhoudende signalen rondom de noordelijke slachthuizen heb ik besloten hier nader extern onderzoek naar in te stellen. Op dit moment zie ik geen aanleiding het onderzoek uit te breiden naar slachthuizen in andere delen van het land. Eventuele resultaten uit het onderzoek kunnen leiden tot verbreding (bijvoorbeeld als instructies moeten worden aangepast) naar de rest van de organisatie/het land.
Erkent u dat de beelden die stichting Animal Rights naar buiten heeft gebracht en de manier waarop de NVWA daarop heeft gereageerd veel vragen oproepen over het toezicht en de handhaving door de NVWA op de primaire bedrijven in de veehouderij en bent u bereid de gang van zaken rond de betreffende stallen en de manier waarop de NVWA heeft gereageerd mee te laten nemen in het externe onderzoek?
De NVWA heeft in december 2018 gereageerd op de beelden getoond door Animal Rights. Er is gereageerd op persvragen, via social media (twitter) en middels een weblog. Op basis van maatschappelijke reacties heeft de NVWA in haar berichtgeving verduidelijkt dat slaan en schoppen van dieren verboden is. En dat de verzorging van dieren aan diverse regels is gebonden.
Er is naar aanleiding van de beelden contact met Animal Rights geweest om meer informatie te verkrijgen. Volgens Animal Rights zijn de beelden gemaakt in het voorjaar van 2018. De NVWA heeft in het voorjaar van 2018 echter geen melding van Animal Rights hierover ontvangen.
De NVWA kan niet alleen op basis van beelden handhaven. Filmbeelden vormen namelijk geen direct bewijs. Vaak is het niet duidelijk waar en wanneer gefilmd is en wat de omstandigheden waren. Ook kan er niet altijd met zekerheid vastgesteld worden of beelden authentiek zijn. Filmbeelden die de NVWA binnenkrijgt worden altijd beoordeeld door een dierenwelzijnsinspecteur, indien er voldoende aanleiding is, stelt de NVWA een onderzoek in op het betreffende bedrijf.
Hoe beoordeelt u de gang van zaken rond een specifieke varkensstal in Limburg, waar na undercoverbeelden van Varkens in Nood in 2018 en bijbehorende melding aan de NVWA, bijna een jaar later dezelfde wantoestanden zijn gefilmd door stichting Animal Rights, terwijl de NVWA in de tussentijd liet weten dat zij een inspectie heeft uitgevoerd en dat er «passende maatregelen zijn genomen» en deelt u de mening dat het in elk geval goed zou zijn als deze casus wordt meegenomen in het externe onderzoek?3
De NVWA voert aselecte en risicogerichte inspecties uit, bijvoorbeeld naar aanleiding van meldingen waarin beelden zijn opgenomen. De NVWA heeft echter niet de mogelijkheid om 24/7 controles uit te voeren. Incidenten zijn hierdoor niet te voorkomen.
Varkens in Nood heeft in 2018 naar aanleiding van de genoemde undercoverbeelden, een melding gedaan bij de NVWA. De NVWA heeft naar aanleiding daarvan bij het desbetreffende varkensbedrijf een inspectie uitgevoerd die leidde tot een niet-akkoord bevinding. Hierop is vervolgens een herinspectie uitgevoerd die leidde tot een akkoord bevinding. Recent is dit bedrijf opnieuw gecontroleerd en wederom akkoord bevonden. Deze inspecties vonden onaangekondigd plaats.
Zoals ook geantwoord bij vraag 2 kunnen vanzelfsprekend eventuele bevindingen uit het onderzoek leiden tot verbreding (bijvoorbeeld indien instructies moeten worden aangepast) naar de rest van de organisatie/het land indien de resultaten daartoe aanleiding geven.
Wat worden de onderzoeksvragen van het externe onderzoek en bent u bereid de onderzoeksopzet naar de Kamer te sturen?
U treft de hoofdvragen aan in bijlage bij de beantwoording van de Kamervragen. Zoals toegezegd zal ik uw Kamer voor de zomer informeren over de resultaten.
Wie gaat het onderzoek uitvoeren?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau 2Solve.
Bent u bereid deze vragen vóór 28 maart 2019 te beantwoorden in verband met het geplande algemeen overleg over de NVWA?
Ja, ik ben bereid de vragen te beantwoorden ruim voor het AO NVWA.
Landbouwgif in Drenthe |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bij de buren van de lelieteler daalt een nevel van pesticiden op de trampoline neer» en het bericht «Drentse burgers meten landbouwgif in bodem en vinden 57 middelen»?1 2
Ja.
Vindt ook u het begrijpelijk dat burgers ongerust en bevreesd voor hun gezondheid en welbevinden zijn als er in de bodem en groenten in hun tuin 57 bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om de vrees weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat burgers zich zorgen maken. Burgers verwachten geen gewasbeschermingsmiddelen in hun bodem of tuin als ze die zelf niet gebruiken. Daarom ben ik ook in gesprek gegaan met betrokken omwonenden.
Overigens zijn niet alle gevonden stoffen te relateren aan de lelieteelt. Er zijn 15 stoffen gevonden die niet meer zijn toegelaten, blootstelling aan deze stoffen zal dus gaan afnemen. Het CBS rapporteert eens in de vier jaar over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, gebaseerd op opgaven van agrariërs. Uit de gegevens uit 2016 blijkt dat 18 van de 57 stoffen die zijn gevonden in bodem- en gewasmonsters ook worden gebruikt in de lelieteelt. Er zijn ook stoffen gevonden die in andere landbouwgewassen mogen worden gebruikt en enkele ook in of om het huis (gazon, kamerplanten, insectenwerend) (zie tabel 1 in bijlage 3 van deze brief).
Het Ctgb heeft het onderzoek geanalyseerd (zie bijlage bij brief over blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen «Ctgb advies onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en omwonenden»). De in de monsters aangetroffen gehaltes zijn vergeleken met veilige grenswaarden die gebruikt worden bij de toelating van de betreffende middelen. Uit deze vergelijking blijkt dat van alle 57 stoffen de veilige grenswaarden niet worden overschreden.
Verder wordt gewerkt aan het verder terugdringen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen. Mijn ambities richten zich op weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van landbouw en natuur en als er dan toch behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen, dan nagenoeg zonder emissies naar de leefomgeving en nagenoeg zonder residuen op producten. Dat is de kern van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» die recent aan uw Kamer is aangeboden.
Waarom moeten bewoners zelf zorgen voor onderzoek naar chemische stoffen in de bodem en gewassen in hun buurt, in welke gevallen moet een overheidsinstelling die verantwoordelijkheid nemen, welke instelling is dat en waarom was daar in dit geval geen sprake van?
Van bewoners wordt niet verwacht dat zij zelf dienen te zorgen voor onderzoek naar chemische stoffen in de bodem en gewassen in de buurt. Er geldt een Europees systeem van voorzorg waarbij gewasbeschermingsmiddelen pas op de markt mogen komen en worden gebruikt als na uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu. De overheid evalueert en monitort (naleving van) wet- en regelgeving en reageert op nieuwe signalen. Zo worden voedingsmiddelen, oppervlaktewater en grondwater onderzocht op het voorkomen van resten van gewasbeschermingsmiddelen en is een uitgebreid onderzoek gestart (blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen, OBO) naar blootstelling via lucht en (huis)stof van omwonenden, naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad (2014). Het rapport is op 10 april jl. aan uw Kamer aangeboden.
Acht u het mogelijk dat de uitbreiding van landbouwareaal voor de teelt van lelies en andere bloemen in Drenthe voor meer gezondheidsrisico’s kan gaan zorgen? Zo ja, betekent dit dat die groei beperkt moet gaan worden dan wel dat er strengere eisen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen moeten worden gesteld en hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Uit de beoordeling van het Ctgb van de gevonden gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in de bodem en op gewassen bij de inwoners in Westerveld, blijkt dat er geen grenswaarden zijn overschreden. Bovendien blijkt ook uit het OBO-blootstellingsonderzoek dat alle meetresultaten beneden de veilige grenswaarden zijn gebleven.
Daarnaast richtte het OBO-blootstellingsonderzoek zich op de vraag in welke mate omwonenden van specifieke velden blootgesteld werden aan gewasbeschermingsmiddelen. Ook hier bleek dat er geen grenswaarden overschreden werden. Het kabinet zal de Gezondheidsraad vragen om dit vraagstuk te betrekken in hun advies, zoals aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 10 april jl. (kenmerk IENW/BSK-2019/64595. Zolang de teelt beneden de veilige grenswaarden blijft, is er geen aanleiding de teelt te beperken.
Deelt u de zorgen van de in het artikel genoemde hoogleraar toxicologie van de Universiteit Utrecht over het feit dat er een variëteit aan stoffen is gevonden, over de vermenging van deze stoffen in de bodem en over de mogelijke risico’s van opstapeling van de bestrijdingsmiddelen? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u daaraan? Zo nee, waarom deelt u die zorgen niet?
In het huidige toelatingsbeleid wordt een risicobeoordeling per aanvraag (per middel of tankmix) uitgevoerd. Stapeling van verschillende stoffen is mogelijk relevant als deze stoffen eenzelfde werking hebben op een organisme. In de huidige beoordelingsmethoden zijn volgens het Ctgb ruime veiligheidsmarges ingebouwd. Onderzoek van het RIVM aan de cumulatieve blootstelling van residuen op voedsel liet geen combinatierisico’s zien en daaruit bleek dat de huidige beoordelingsmethodiek toereikend is (Kamerstuk 27 858, nr. 433).
Tegelijkertijd is het wenselijk dat preciezer wordt gekeken naar effecten van een cumulatieve blootstelling via alle blootstellingsroutes. De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) werkt aan een richtsnoer om gecombineerde blootstelling aan verschillende stoffen te kunnen beoordelen. Nederland (RIVM en WUR) is actief betrokken bij de totstandkoming van dit richtsnoer en zal het recente RIVM rapport daarbij ook inbrengen.
Deelt u de mening van de in het artikel genoemde hoogleraar dat «het de hoogste tijd [is] dat er internationaal afspraken worden gemaakt over de milieulast van pesticiden in de grond», waarbij er niet alleen naar individuele stoffen moet worden gekeken maar ook «naar het stapeleffect van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen die gelijktijdig worden toegepast in de landbouw»? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u ook de mening van de genoemde hoogleraar bodemdegradatie en landbeheer aan de Wageningen Universiteit dat onderzocht moet worden welke risico’s omwonenden lopen door de verspreiding van pesticiden? Zo ja, wilt u het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en/of de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) onderzoek laten doen om vast stellen of en in welke mate er gevaren zijn voor de volksgezondheid en de omwonenden, en de Kamer daarvan op de hoogte stellen? Zo nee, weet u al wat de korte- en langetermijngezondheidseffecten van de aangetroffen stoffen kunnen zijn en wat zijn die effecten dan?
Zoals in de voornoemde brief van 10 april jl. beschreven, heeft het kabinet de Gezondheidsraad opdracht gegeven om nader te onderzoeken of er gezondheidsrisico’s zijn en hierover te adviseren. Tot op heden hebben de verschillende studies geen duidelijke verbanden aangetoond tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het optreden van gezondheidseffecten. Het recente RIVM-rapport Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (RIVM 2019-0052) laat zien dat er geen grenswaarden zijn overschreden en dat in de huidige toelatingsmethodiek de blootstelling volgens het Ctgb ook niet wordt onderschat.
Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van Kamervragen over het niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen, op 4 maart 2019 de Kamer heeft geinformeerd dat u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunt beantwoorden? Kunt u toelichten waarom?1 2
Ja. De reden was de benodigde afstemming over de beantwoording, zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 4 maart 2019 (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1784).
Kunt u toelichten waar u precies op doelt als u schrijft: «Vanwege de nodige afstemming betreffende de beantwoording kunnen de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord worden»? Met wie moet u de beantwoording afstemmen?
De antwoorden dienden te worden afgestemd met de NVWA en RVO.nl.
Zijn er al wel gegevens bekend over de sterfte onder lammeren die in 2018 geboren zijn in de melkgeitenhouderij? Zo nee, hoe is dat mogelijk, gelet op uw aankondiging dat per 1 januari 2018 ieder bedrijf per kwartaal inzicht moet geven in het uitvalspercentage onder lammeren die op het bedrijf zijn geboren?3
De maatregelen uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes zijn door de sector per 1 januari 2018 ingebed in het keten-kwaliteitszorgsysteem KwaliGeit. Bedrijven zijn op grond van het plan van aanpak verplicht ieder kwartaal onderbouwd inzicht te geven in de uitvalspercentages. Deze gegevens worden geleverd aan en gecontroleerd door Qlip, een onafhankelijke private organisatie die bewaakt of melkgeitenhouders de normen uit KwaliGeit naleven. Het plan van aanpak verplicht ondernemers dus niet om per kwartaal aan de overheid inzicht te geven over het uitvalspercentage onder lammeren die op hun bedrijf zijn geboren.
Geitenhouders zijn verplicht om geboortes te melden in het I&R-systeem. Op basis van de gegevens uit I&R zijn sterftecijfers voor 2018 afgeleid. Voor deze sterftecijfers verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de schriftelijke vragen van de PvdD-fractie met kenmerk 2019Z02541 (ingezonden 11 februari 2019).
Hebben de bedrijven per kwartaal de cijfers aan u gemeld? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u alle cijfers die al wel beschikbaar zijn per ommegaande doorsturen naar de Kamer nu u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn zegt te kunnen beantwoorden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Het niet naleven van de wettelijke bepaling om de Wet dieren te evalueren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u zich ervan bewust dat in artikel 10.11 van de Wet dieren is vastgelegd dat «Onze Minister binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag zendt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat de Wet dieren op 1 januari 2013 in werking is getreden, dus ruim zes jaar geleden?
Met ingang van 1 januari 2013 is de eerste fase van de Wet dieren in werking gesteld. Het betrof het merendeel van meer algemene bepalingen van die wet, zoals strafbepalingen en bepalingen inzake de bestuurlijke boete. Daarnaast zijn de onderwerpen diergeneesmiddelen, diervoeders en dierlijke producten (Stb. 2012, 659) in werking gesteld.
De tweede fase van inwerkingtreding van de Wet dieren vond plaats met ingang van 1 juli 2014. De artikelen van de Wet dieren inzake het houden van dieren en de diergeneeskundige beroepen traden toen in werking. Daarnaast werden in deze fase ook het Besluit houders van dieren, het Besluit diergeneeskundigen als ook enkele artikelen van het Besluit dierlijke producten in werking gesteld.
Gezien de gefaseerde inwerkingtreding van de wet start ik met de evaluatie in 2019. Deze termijn van vijf jaar is ook redelijkerwijs nodig om een goed beeld te krijgen van de doeltreffendheid en effecten van deze wet en onderliggende besluiten en regelingen.
Zouden we kunnen stellen dat u hiermee uw eigen wet hebt overtreden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe het zo is gekomen dat u de wettelijk vastgelegde termijn voor de uitvoering van de evaluatie van de Wet dieren niet bent nagekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaan er op uw ministerie problemen met de prioriteit die aan dierenwelzijn wordt gegeven, zoals te weinig menskracht of een cultuur waarin aan dierenwelzijn te weinig gewicht wordt toegekend?
Dierenwelzijn heeft prioriteit op mijn ministerie. Voor mijn inzet op de dierenwelzijnsonderwerpen verwijs ik u naar de inhoud van de dierenwelzijnsbrief van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 991). Ook is dierenwelzijn één van de negen toetsstenen in de meetlat van de Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: waardevol en verbonden.
Mijn ministerie houdt zich naast beleidsvorming ten aanzien van dierenwelzijn ook bezig met het beantwoorden van vragen van de parlementaire vertegenwoordiging.
Is de evaluatie inmiddels wel in gang gezet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de stappen die u tot nu toe hebt gezet?
De evaluatie is in gang gezet. De opzet en uitwerking van de evaluatievragen zijn nagenoeg gereed. Er is volgens de geldende aanbestedingsregels een start gemaakt met het aantrekken van een onderzoeksbureau dat de evaluatie gaat uitvoeren. Het onderzoeksbureau zal het evaluatierapport uiterlijk eind van het jaar opleveren, waarna ik uw Kamer begin volgend jaar zal informeren.
Was u van plan de Kamer te betrekken bij de opzet van de evaluatie en de formulering van de onderzoeksvragen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Net als bij andere beleidsevaluaties het geval is, zal ik de resultaten van de evaluatie met de Kamer delen, waarbij ik aangeef wat ik van plan ben met de resultaten te gaan doen. Ik ga het gesprek daarover dan graag met uw Kamer aan.
Wie zal de evaluatie van de Wet dieren uitvoeren?
Een onderzoeksbureau dat ervaring heeft met het uitvoeren van evaluaties zal worden aangetrokken.
Welke partijen worden bij de evaluatie van de Wet dieren betrokken?
Ik zal in ieder geval per diersector de relevante partijen betrekken, bracheorganisaties en betrokken Ngo’s. Ook zullen de toezichthoudende diensten zoals de Landelijke inspectiedienst dierenbescherming (LID), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de politie worden betrokken.
Worden ook alle onderliggende besluiten, zoals het Besluit houders van dieren – waarin veel open normen zijn opgenomen, waarvan gerede twijfel bestaat of deze wel (kunnen) worden gehandhaafd – meegenomen in de evaluatie? Zo nee, waarom niet?
Ja, alle onderliggende besluiten en regelingen worden meegenomen in de evaluatie.
Wordt de handhavingscapaciteit meegenomen in de evaluatie? Zo nee, waarom niet?
De handhavingscapaciteit wordt niet meegenomen in de evaluatie, omdat de evaluatie gaat over de doeltreffendheid en effecten van de Wet dieren in de praktijk.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Het antwoord op vraag twee, drie en vier is samengevoegd, waarmee ik uitleg waarom de evaluatie in 2019 start en niet in 2018. De antwoorden worden binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord.
Het bericht ‘Familie in rouw na drama in stal: dertien koeien komen om in eigen mest na explosie' |
|
Helma Lodders (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Familie in rouw na drama in stal: dertien koeien komen om in eigen mest na explosie?»1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze tragische gebeurtenis.
Heeft u opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het ontstaan van de explosie? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het incident in Markelo overleg ik met de melkveesector en de stallenbouwbranche welke eventuele maatregelen nodig zijn om de veiligheid te garanderen, zoals het opstellen van instructies. Er is inmiddels onderzoek gedaan door de brandweer en de verzekeringsmaatschappij en er loopt nog een onderzoek van de Omgevingsdienst Twente in opdracht van de gemeente Hof van Twente.
Heeft u inzicht welke instanties er allemaal onderzoek doen naar het ontstaan van deze explosie?
Er is contact geweest met Brandweer Twente, met verzekeraar Univé en met Omgevingsdienst Twente over het incident. De brandweer heeft onderzoek verricht en verzekeraar Univé heeft onderzoek laten doen door een gespecialiseerd onderzoeksbureau. Het onderzoek van de Omgevingsdienst Twente loopt nog en wordt naar verwachting in mei afgerond.
Wilt u de uitkomsten van het onderzoek delen met de Kamer?
Hetgeen ik kán delen zal ik met uw Kamer delen. Hoewel het brandweeronderzoek voor brandweer-intern gebruik is en het onderzoek in opdracht van Univé om privacy redenen niet openbaar is hebben deze partijen wel gedeeld dat uit de onderzoeken geen directe oorzaak (ontstekingsbron) van de explosie naar voren is gekomen. Voor Univé dragen de onderzoeksresultaten bij aan het aanpassen van clausules voor het voorkomen van stalbranden/explosies in het algemeen en het beperken van het risico tijdens mestmixen in stallen in het bijzonder. Hierover vindt nog afstemming plaats met andere verzekeraars. Univé verwacht dat zij de clausules voor de zomer bekend kan maken. Het onderzoek van de Omgevingsdienst Twente zal naar verwachting openbaar beschikbaar komen. Dit zal ik u toezenden zodra dit gereed is.
Bent u bekend met eerdere vergelijkbare voorvallen bij een emissievrije vloer? Zo ja, wat was in die gevallen de oorzaak van de explosie?
Er zijn mij geen gevallen bekend van eerdere vergelijkbare voorvallen bij een emissiearme stalvloer.
Klopt het dat, zoals door de mestgasspecialist Jetty Middelkoop is aangegeven, er nog nooit onderzoek is gedaan naar de oorzaak van explosies? Zo ja, vindt u dat verdedigbaar? Zo nee, welke onderzoeken hebben plaatsgevonden en wat is de uitkomst hiervan?2
Uit navraag bij deze mestspecialist blijkt dat er vaker onderzoek is gedaan naar de oorzaak van explosies, maar er is geen onderzoek gedaan naar de vraag of er bij een emissiearme stalvloer een groter explosiegevaar is. Brandweer en verzekeraar geven aan geen bewijs te hebben dat emissiearme stalvloeren gevaarlijker zijn dan andere stalvloeren.
Herkent u zich in het ter discussie stellen van de veiligheid van een emissievrije vloer? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de emoties naar aanleiding van het trieste incident in Markelo. Een emissiearme vloer is vanuit milieu en stalklimaat een goede ontwikkeling. Daarbij is het van belang dat de vloer wel veilig is en de mestwerkzaamheden veilig kunnen gebeuren. Zie voorts het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat elke stalvloer ook veilig moet zijn alvorens wordt gekeken naar de emissie die er vrijkomt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Ik vind de veiligheid van stallen van het grootste belang. Wat betreft brandveiligheidseisen moeten stallen die gebouwd zijn na 2014 voldoen aan het Bouwbesluit. Voor oudere stallen werkt de sector samen met brandweer en verzekeraars via het Actieplan Brandveilige stallen (Kamerstuk 28 286, nr. 988) om de kans op een stalbrand te verminderen. Daarnaast zijn de regels van de Arbowet van toepassing, vastgelegd in de arbo-catalogus voor melkvee en graasdieren, over onder meer mestmixen, betreden van mestkelders, las- en slijpwerkzaamheden. Er zijn naast dit incident geen aanwijzingen dat emissiearme stalvloeren als zodanig onveilig zijn.
Is een emissievrije afgesloten vloer met daaronder een mestkelder in de huidige vorm brand- en explosieveilig? Zo nee, waarom is de emissievrije vloer dan goedgekeurd? Zo ja, hoe valt dit te rijmen met de aanwezigheid en ophoping van licht ontvlambare, uit mest vrijkomende gassen als ammoniak en methaan in een mestkelder onder de stal?
Zoals ik bij antwoord 6 heb aangegeven, is er vooralsnog geen reden om aan te nemen dat emissiearme vloeren onveilig zijn. Maar ik zal in overleg gaan met betrokkenen over welke maatregelen nodig zijn voor het veilig gebruik van stalvloeren, zoals het opstellen van instructies.
Kunt u toelichten hoe het aspect veiligheid onderdeel is van de beoordeling van innovaties in stallen (zowel vloeren als andere innovaties) en welke instanties daarbij voor de beoordeling om advies worden gevraagd? Zo nee, waarom speelt veiligheid voor mens en dier geen rol in de beoordeling van nieuwe stalsystemen en/of vloeren?
De deskundigen van de Technische Advies Pool (TAP) adviseren de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij de stalbeoordeling. Naast een beoordeling van de emissiereducerende werking van het systeem vindt er een beoordeling plaats op het criterium of het systeem in de praktijk kan worden toegepast waaronder ook de veiligheidsaspecten vallen. In het onderzoek naar bijvoorbeeld alternatieve vloeren voor vleeskalveren (Livestock Research Rapport 1056) is gekeken naar de veiligheid van mens en dier specifiek op het gebied van uitglijden op de in het onderzoek opgenomen vloeren. Hiervoor is met een tribometer onderzoek gedaan naar de stroefheid van roostervloerelementen.
Kunt u toelichten welke instanties op welke manier de veiligheid en doelmatigheid (in dit geval emissievrij) van innovaties in stallen beoordelen voordat er een eindoordeel volgt van de commissie die hiervoor in het leven is geroepen?
De deskundigen van de TAP adviseren de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij de stalbeoordeling ten behoeve van de toekenning van emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijnstof. Bij de beoordeling van innovaties wordt gekeken naar de bescherming van het milieu tegen de gevolgen van de emissie van ammoniak, geur en fijnstof, de praktische toepasbaarheid, de controle op de werking van het systeem en de bemeetbaarheid. Bij deze beoordeling zullen de deskundigen als daar aanleiding voor is ook veiligheidsaspecten naar voren brengen als onderdeel van het beoordelen van de praktische toepasbaarheid.
Heeft u inzicht of nieuwe stalsystemen en/of (emissievrije) vloeren de oorzaak kunnen zijn van stalbranden? Zo ja, wat is uw inzicht? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen ontvangen dat nieuwe stalsystemen en/of (emissievrije) vloeren op zichzelf oorzaken van stalbranden zijn. Wel is bekend dat gassen in de mestkelders gevaarlijk kunnen zijn voor mens en dier, zeker op het moment van in beweging brengen van de mest. Ook is bekend dat onderhoudswerk in stallen gevaar kan opleveren. Bij onvoldoende ventilatie is er brandgevaar door de aanwezigheid van ontvlambare mestgassen. Dit geldt voor alle stalsystemen en vloeren en niet alleen specifiek voor emissiearme systemen en vloeren. In de bijeenkomsten over brandveilige bedrijfsvoering, onderdeel van het door LTO Nederland, Brandweer Nederland, Dierenbescherming, en het Verbond van Verzekeraars opgestelde actieplan Brandveilige veestallen 2018 – 2022 (Kamerstuk 28 296, nr. 988), is er veel aandacht voor risicovolle werkzaamheden die kunnen leiden tot stalbranden. Zie voorts het antwoord op de vragen 6 en 11.
Klopt het dat volgens verschillende deskundigen alternatieven beschikbaar zijn die ervoor kunnen zorgen dat er minder gasvorming plaatsvindt in de mestkelders, zoals beluchting of bacteriemengsels? Zo ja, welke alternatieven zijn u bekend?
Het is mij bekend dat er behalve emissiearme vloeren ook andere emissiereducerende technieken worden getest in het kader van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) en dat deze technieken invloed kunnen hebben op de gasvorming. Voor deze technieken zijn echter nog geen voorlopige dan wel definitieve emissiefactoren opgenomen in de Rav en vanwege het vertrouwelijke karakter van de beoordelingsprocedure kan daarover geen informatie naar buiten worden gebracht.
Kunt u aangeven waarom u terughoudend bent om deze alternatieven toe te staan, welke wetenschappelijke analyse eraan ten grondslag ligt om deze alternatieven niet toe te staan en wilt u deze wetenschappelijke analyse met de Kamer delen?
De terughoudendheid om sommige technieken al voor de beoordeling van de meetresultaten uit proefstallen toe te staan – met een voorlopige emissiefactor – komt voort uit het feit dat van deze technieken het emissiereducerende principe niet vooraf kan worden onderbouwd. Mocht het werkingsprincipe tussentijds door een fabrikant worden aangetoond aan de hand van voorlopige meetresultaten, dan kan alsnog een voorlopige emissiefactor worden verkregen.
Klopt het dat innovaties weinig van de grond komen?
Er lopen diverse innovatietrajecten in de veehouderijsectoren. Concreet voor de melkveehouderij met betrekking tot ammoniak zijn er sinds juli 2018 met de publicatie van voorlopige emissiefactoren in de Rav vier nieuwe emissie-arme systemen beschikbaar gekomen. In de reactie op het rapport van de commissie Biesheuvel over geurhinder van veehouderij heeft de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat mede namens mij aangeven dat ze het van belang vindt dat innovatieve technieken snel een plek kunnen krijgen. In de definitieve beleidsreactie zal zij daarom terugkomen op een planning en aanpak van de gehele systematiek van de stalbeoordeling.
Herinnert u zich eerdere Kamervragen van de leden Ziengs en Lodders over de Regeling ammoniak en veehouderij, waarin zij aangeven zich zorgen te maken over de beoordeling van nieuwe (innovatieve) stalsystemen?3
Ja, deze vragen zijn in de kamerbrief van 3 december 2018 beantwoord door de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat mede namens mij (Aanhangsel Handelingen 2018/19, nr. 832).
Kunt u aangeven welke acties u hierop heeft uitgezet en kunt u bevestigen dat (nieuwe) innovatieve ideeën nu wel een eerlijke kans krijgen in de beoordeling? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Zoals in de brief van 3 december 2018 is aangegeven richt de beoordeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de advisering van de deskundigen van de TAP zich primair op het erkennen en stimuleren van de ontwikkeling van innovatieve emissiearme technologieën. RVO.nl is in 2018 begonnen om partijen op weg te helpen met quick scans, waarbij RVO.nl met name voor nieuwe aanvragers informatie verschaft over de beoordelingsprocedures, de regelgeving en subsidiemogelijkheden. De belemmeringen en mogelijke oplossingsrichtingen zijn eind 2018 besproken in de Werkgroep stalbeoordeling. Daarnaast wordt in het kader van het Innovatie- en versnellingsprogramma brongerichte verduurzaming van varkensstallen (Hoofdlijnenakkoord sanering en verduurzaming varkenshouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 200)) met sectorpartijen en provincie Noord-Brabant overleg gevoerd over verbeteringen bij de stalbeoordeling. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat zal uw Kamer binnenkort informeren over de acties die zijn uitgezet op basis van beide overleggen.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Koeien verdrinken onder emissieloze stalvloer’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Koeien verdrinken onder emissieloze stalvloer»?1
Ja.
Bent u bereid een landelijke inventarisatie te doen naar incidenten met dit type vloer?
Naar aanleiding van het incident in Markelo voer ik samen met de melkveesector een inventarisatie uit.
Is of wordt er onderzoek gedaan naar de inherente risico’s van dit type vloer en constructie? Zo ja, zijn deze risico’s aanvaardbaar en wanneer wordt de uitkomst van het onderzoek bekendgemaakt aan de Kamer?
Brandweer en verzekeraar geven aan geen bewijs te hebben dat emissiearme stalvloeren gevaarlijker zijn dan andere stalvloeren. Ik zie vooralsnog geen reden om de veiligheid van emissiearme vloeren verdergaand te onderzoeken.
Het loket agroloket@minez.nl |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u zich herinneren dat op initiatief van het lid Lodders eind 2017 het Agroloket voor boeren, tuinders en vissers is geopend om onnodige regeldruk te melden en om ondernemers meer ruimte te bieden?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat dit een gemakkelijk vindbaar loket zou moeten zijn voor ondernemers zoals boeren, tuinders en vissers uit de agrofoodsector die knelpunten willen melden?
Ja.
Op welke manier en hoe vaak heeft u dit Agroloket in 2018 onder de aandacht van boeren, tuinders en vissers gebracht?
Het Agroloket is op meerdere manieren en in verschillende periodes onder de aandacht van ondernemers gebracht.
Vóór en bij de lancering van het Agroloket in oktober 2017 is aan overkoepelende brancheorganisaties het doel en de werking uitgelegd. De brancheorganisaties hebben het Agroloket onder de aandacht van hun leden gebracht. Door het woord Agroloket als zoekterm bij Google in te toetsen is dit eenvoudig te vinden.
Het programma Ruimte in Regels heeft in die beginperiode ook speciaal aandacht besteed aan het nieuwe Agroloket.
Halverwege 2018 is het eindrapport van de maatwerkaanpak (de voorloper van het Agroloket) naar de brancheorganisaties gestuurd en op rijksoverheid.nl geplaatst2. In de begeleidende mail werden ondernemers uitgenodigd het Agroloket te benutten.
Verder wordt er gedurende het hele jaar door mijn ambtenaren bij bezoeken aan ondernemers, congressen en (regulier) overleg geregeld aandacht gevraagd voor de mogelijkheden die het Agroloket biedt.
Begin 2019 is het «doe mee» loket online gegaan en hiermee kan iedereen nu ideeën en inspiratie voor de kringlooplandbouw delen. Via de opgenomen link naar het Agroloket zijn ook knelpunten en oplossingen in de regelgeving te melden. Deze combinatie heeft tot nu toe tot meer dan tien serieuze meldingen aan het Agroloket geleid.
Kunt u aangeven waarom het Agroloket nog steeds een e-mailadres hanteert van het voormalig Ministerie van Economische Zaken?2
De aanpassing van de e-mailextensies is gaande. Het Agroloket krijgt de extensie van het Ministerie van LNV. De overgang naar een nieuw LNV-emailadres voor het Agroloket zal zonder problemen verlopen voor indieners van het Agroloket. De ondernemer krijgt zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie het antwoord-emailadres op het scherm als hij/zij een knelpunt in de regelgeving wil aangeven.
Kunt u aangeven welke meldingen er over 2018 zijn binnengekomen en hoe en binnen welke termijn deze zijn afgehandeld?
Vanaf het begin van het Agroloket zijn er in 2018 zes knelpunten binnengekomen en bij het Ruimte in Regels loket zijn er in die tijd zeven nieuwe Agrofood-gerelateerde vragen binnengekomen. In 2019 zijn er tot nu toe zeven nieuwe meldingen op het Agroloket geweest. Door de interdepartementale samenwerking tussen LNV, Economische Zaken en Klimaat en andere departementen maakt het voor de behandeling van de meldingen niet uit of ze bij het Agroloket of bij Ruimte in Regels binnenkomen.
Het zijn knelpunten voor de indienende ondernemer op het gebied van mogelijkheden van (mest)vergisting, hergebruik van voedselafval, hennep- en lisdoddekweek voor de productie van vezels en bioraffinage en de scheidslijn tussen dierlijke bijproducten en afval.
Meldingen komen overigens via verschillende wegen binnen, via het Agroloket, maar ook via sectoroverleggen en persoonlijke contacten. Deze blijven onvermeld op het Agroloket. Ze zijn even waardevol vanwege het persoonlijke contact met de ondernemer en de mogelijkheid om ze mondeling op te lossen.
Kunt u aangeven waarom er geen overzicht is opgenomen van de via dit loket gemelde belemmeringen of knelpunten en de afhandeling hiervan en bent u voornemens om dit vanaf 2019 wel te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
De procedure voor beide loketten is hetzelfde. De informatie over de belemmeringen wordt op eenduidige wijze bijgehouden. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Het Agroloket is opgenomen op de website van het programma «Ruimte in Regels voor Groene Groei»; kunt u aangeven waarom bij de thema’s van deze website wel melding wordt gemaakt van afgeronde belemmeringen en een werklijst met huidige belemmeringen?3
De website is op 5 maart jl. vernieuwd online gegaan. Op de nieuwe website worden geen lijsten van lopende en afgehandelde belemmeringen meer gepubliceerd. De nieuwe opzet is om de website overzichtelijk en goed toegankelijk te houden voor gebruikers. Informatievoorziening richt zich op innovatieve ondernemers en bevoegde instanties die deze informatie kunnen gebruiken in hun bedrijfsvoering, respectievelijk besluitvorming over innovaties en experimenten. Het Agroloket en Ruimte in Regels zullen in de komende tijd de informatie op de themapagina Landbouw, Natuur en Voedsel verder aanvullen, met onder meer een selectie van relevante praktijkvoorbeelden.
Bent u op de hoogte dat de links «voorraadlijst» en «belemmeringen 2017 tot en met 12 oktober 2017» niet werken? Sinds wanneer werken deze links niet meer en waarom werken ze niet?4
Ja, dat is bekend. Deze links zijn in een eerdere onderhoudsbeurt aan de website uitgeschakeld, maar per abuis niet verwijderd. Ook in de nieuwe opzet van de website hebben deze links geen functie. Ze zijn daarom niet opgenomen.
Bent u op de hoogte dat bij «Ruimte in Regels voor Groene Groei» een tiental thema’s wordt genoemd?
Ja.
Kunt u aangeven wat de gemiddelde afhandeltermijn is van de gemelde belemmeringen, wat de uitschieters in positieve zin en in negatieve zin zijn en kunt u hierbij onderscheid maken in de verschillende thema’s die raakvlakken hebben met uw ministerie?
Het wegnemen van barrières loopt uiteen van het geven van extra informatie over de toepassing van wetgeving tot het creëren van draagvlak voor de wijziging van wettelijke kaders. De afhandeltermijn kan daarmee variëren van enkele weken tot meer dan een jaar. Het programma Ruimte in Regels en het Agroloket streven naar een snelle, effectieve behandeling, maar houden niet specifiek bij wat de behandeltermijnen per casus zijn.
Kunt u aangeven waarom bij een drietal afgeronde belemmeringen («Herwonnen fosfaten kunnen niet als meststof worden gebruikt», «Mogelijkheden Transport van Struviet buiten Nederland» en «WEELABEX») het document ontbreekt en kunt u deze documenten alsnog op de website plaatsen? Zo nee, waarom niet?
De informatiebladen bij de genoemde belemmeringen waren op de oude website niet meer te downloaden, omdat de informatie verouderd was. Zo is in het geval van de casus over herwonnen fosfaten het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gewijzigd, waardoor herwonnen fosfaten wel als meststof gebruikt kunnen worden. Bij de verdere uitwerking van de informatie op de nieuwe website zullen Ruimte in Regels en het Agroloket afwegen of de informatie over de in de vraag genoemde afgeronde belemmeringen relevant is om te vermelden.
Bent u voornemens om het Agroloket op uw eigen website te vermelden zodat boeren, tuinders, vissers en andere ondernemers uit de keten dit loket makkelijker kunnen vinden en bent u tegelijkertijd bereid om bij deze gelegenheid dit Agroloket weer actief onder de aandacht van de sector te brengen? Zo nee, waarom niet?
Vanaf 23 januari 2019 is het Agroloket op de website van het Ministerie van LNV vermeld op de pagina «Doe mee met de omslag naar kringlooplandbouw»6. Rond de start van dit loket voor de omslag naar de kringlooplandbouw is in de media hier breed bekendheid aan gegeven.
Daarbij wordt duidelijk vermeld dat boeren, tuinders, vissers en andere ondernemers met een voorstel voor regeldrukvermindering of een ervaring van belemmeringen bij innovatieve investeringen zich bij het Agroloket kunnen vervoegen via de link.
Bent u van mening dat uw opdracht om onnodige regeldruk aan te pakken en meer ruimte voor ondernemers te zoeken geslaagd is? Zo ja, waarop baseert u dat?
Als hulpmiddel op de reguliere aanpak regeldruk vind ik mijn actieplan regeldruk verminderen LNV (Kamerstuk 32 637, nr. 314) een functioneel instrument voor deze kabinetsperiode.
Daarnaast blijf ik openstaan voor signalen over onnodige regeldruk. Het Agroloket is een laagdrempelige manier voor agrarische ondernemers om zelf ervaren onnodige regeldruk te melden. Na een melding wordt er door mijn ministerie met de ondernemer contact opgenomen om het knelpunt toe te lichten en de aanpak van het probleem te bespreken. Deze persoonlijke aanpak leidt tot meer duidelijkheid voor ondernemers in de ruimte die de regelgeving biedt en kan ook belemmeringen wegnemen voor het doen van investeringen voor innovatie.
De meeste ondernemers zijn zich er overigens van bewust dat regels ook voordelen kunnen bieden. De borging door de overheid van de kwaliteit van de Nederlandse producten is een belangrijke component van onze positie als tweede exporteur van de wereld op het gebied van agrarische producten.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij het nieuw geopende Kringlooploket zijn binnengekomen en waar een overzicht van deze meldingen (en de opvolging) is weergegeven? Zo nee, waarom wilt u deze ideeën niet delen en wanneer krijgen deze meldingen een opvolging?
Bij het loket «Doe mee met de omslag naar de kringlooplandbouw» hebben zich inmiddels 114 inzenders gemeld met een idee, project of vraag op het gebied van kringlooplandbouw. Veel inzenders geven aan kennis te willen delen en mee te willen werken aan de uitvoering van de kringlooplandbouw in de praktijk.
Bij de huidige opzet van dit loket is het niet mogelijk om een overzicht van de inzendingen op te nemen. Er wordt gewerkt aan een online platform, waar goede voorbeelden en resultaten worden getoond en kennis kan worden gedeeld.
Alle inzenders ontvangen vanzelfsprekend een antwoord. Meldingen van belemmerende wet- en regelgeving die via dit loket binnenkomen, worden door het Agroloket opgepakt volgens de bij vraag 10 beschreven werkwijze.
Bent u bereid deze vragen een voor een te beantwoorden?
Ja.
Toezicht en handhaving binnen het domein dierenwelzijn van de NVWA |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Hoeveel toezichthouders zijn er werkzaam binnen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Binnen de NVWA zijn er 1117 toezichthouders werkzaam. Deze toezichthouders worden ingezet voor het toezicht en de keuringen.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles binnen het totale domein dierenwelzijn en hoeveel van deze medewerkers hebben een studie diergeneeskunde afgerond?
Er zijn 35 toezichthouders die zich fulltime bezighouden met reguliere controles op dierenwelzijn. Zij komen daarbij bijvoorbeeld in de stallen. Naast deze inspecteurs zijn ruim 500 toezichthouders bezig met reguliere controles binnen het totale domein dierenwelzijn. Van hen hebben er ongeveer 350 een studie diergeneeskunde afgerond. Zij hebben een breder takenpakket en voeren ook controles uit op onder meer diergeneesmiddelen, de identificatie en registratie van dieren of houden (permanent) toezicht in slachthuizen.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles op primaire bedrijven in de veehouderij?
Met reguliere controles op primaire bedrijven in de veehouderij houden zich ruim 250 NVWA-toezichthouders bezig.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op primaire bedrijven komen daadwerkelijk in stallen?
Alle medewerkers die toezicht houden op primaire bedrijven komen daadwerkelijk in stallen. Zij moeten de omstandigheden waaronder dieren gehouden worden beoordelen en komen daarom in de stallen.
Hoeveel van deze medewerkers die in de stallen komen, hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties en is dit voldoende volgens u?
Hoeveel van de medewerkers die in de stallen komen een studie diergeneeskunde hebben afgerond kan ik niet aangeven. Afhankelijk van de aard van de inspectie en de mate van naleving die wordt verwacht wordt er gekozen om de inspectie door een medewerker die wel of geen dierenarts is te laten uitvoeren. Er kan ook voor worden gekozen om een inspectie gezamenlijk door een medewerker en een dierenarts te laten uitvoeren. Voor het toezicht op dierenwelzijn zet de NVWA in 2019 8% van het aantal voor toezicht beschikbare uren in. Dit staat in het jaarplan 2019 van de NVWA dat ik op 21 december 2018 aan uw Kamer heb toegezonden (Kamerstuk 33 835, nr. 109). Binnen het beschikbare budget zal de NVWA haar activiteiten altijd moeten prioriteren. Deze prioritering wordt in het jaarplan toegelicht. De capaciteit acht ik voldoende om de belangrijkste risico’s aan te pakken.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles op diertransporten?
Met de reguliere controles op diertransporten houden zich circa 45 NVWA-toezichthouders bezig.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op diertransporten komen daadwerkelijk bij de veewagens?
Alle medewerkers die toezicht houden op diertransporten komen daadwerkelijk bij de veewagens. Dit doen zij om de omstandigheden te beoordelen waaronder de dieren vervoerd worden.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op veewagens hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties en is dit voldoende volgens u?
Geen van de medewerkers die toezicht houden op veewagens hebben een studie diergeneeskunde afgerond. Een medewerker kan op basis van een risico-inschatting besluiten om een dierenarts mee te nemen naar een inspectie. Ook kan bij een inspectie besloten worden om een dierenarts op te roepen.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles op het doden van dieren?
Bij de NVWA zijn circa 350 medewerkers bezig met reguliere controles op het doden van dieren.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op het doden van dieren komen daadwerkelijk in slachthuizen en/of op andere locaties waar dieren worden gedood?
Alle medewerkers die toezicht houden op het doden van dieren komen daadwerkelijk in slachthuizen en/of op andere locaties waar dieren worden gedood.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden in slachthuizen en/of andere locaties waar dieren worden gedood hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties en is dit voldoende volgens u?
Alle medewerkers die toezicht houden in slachthuizen en/of andere locaties waar dieren worden gedood hebben een studie diergeneeskunde afgerond. Binnen het beschikbare budget zal de NVWA haar activiteiten altijd moeten prioriteren. De capaciteit acht ik voldoende om de belangrijkste risico’s aan te pakken.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles op bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren?
Bij de NVWA zijn 5 medewerkers bezig met reguliere controles op bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren komen daadwerkelijk op de locaties waar deze dieren worden gehouden?
Alle medewerkers die toezicht houden op bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren komen daadwerkelijk op de locaties waar deze dieren worden gehouden.
Hoeveel van deze medewerkers die daadwerkelijk op locatie toezicht houden op bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties en is dit voldoende volgens u?
Geen van de medewerkers die toezicht houden op bedrijfsmatige gehouden gezelschapsdieren hebben een studie diergeneeskunde afgerond. Een medewerker kan op basis van een risico-inschatting besluiten om een dierenarts mee te nemen naar een inspectie. Ook kan bij een inspectie besloten worden om een dierenarts op te roepen.
Hoeveel NVWA-toezichthouders houden zich bezig met reguliere controles op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven?
Binnen de NVWA zijn drie toezichthouders bezig met reguliere controles op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven.
Hoeveel van deze medewerkers die toezicht houden op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven komen daadwerkelijk op de locaties waar deze dieren worden gehouden?
Alle medewerkers die toezicht houden op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven komen daadwerkelijk op de locaties waar deze dieren worden gehouden.
Hoeveel van deze medewerkers die daadwerkelijk op locatie toezicht houden op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties en is dit voldoende volgens u?
Alle medewerkers die daadwerkelijk op locatie toezicht houden op dieren die worden gefokt en/of gebruikt en/of gedood voor dierproeven hebben een studie diergeneeskunde afgerond. Zij zijn fulltime beschikbaar voor deze inspecties. Gezien het hoge nalevingspercentage (meer dan 99% – zie de dierproevenrapportages. Zo doende, Kamerstuk 32 336, nr. 68) concludeer ik dat er voldoende toezicht is op bedrijven en instellingen op het domein dierproeven.
Herinnert u zich dat de Partij voor de Dieren-fractie u vroeg of het u bekend was dat de situatie zich weleens voordoet dat NVWA-toezichthouders geen rapporten schrijven bij misstanden, omdat ze aangeven hier geen tijd voor te krijgen van hun teammanager?1
Ja.
Herinnert u zich dat de Partij voor de Dieren-fractie u vroeg of u het aannemelijk vond dat, vanwege gebrek aan tijd en capaciteit, misstanden wel worden geconstateerd maar niet gerapporteerd en dat u antwoordde dat u dat niet kon uitsluiten?2
Ja. Mijn antwoord was: «De medewerker heeft altijd de mogelijkheid om misstanden te rapporteren. Indien hij hierbij in de knel komt met een volgende activiteit dan lost hij dit in eerste instantie zelf op. Indien hij hier niet uitkomt dan betrekt hij zijn leidinggevende. Ik kan echter niet uitsluiten dat de situatie die in de vraag geschetst wordt, zich soms in de praktijk voordoet.»
Deelt u de mening dat het zeer ernstig zou zijn als toezichthouders die in stallen komen of binnen andere domeinen op locaties toezicht moeten houden op diergezondheid of dierenwelzijn, hun inspectieformulieren niet of nauwelijks invullen?
Deze mening deel ik. Een inspectie bestaat uit het bezoeken van een bedrijf en het vastleggen van de bevindingen omtrent naleving van de regelgeving. Binnen de NVWA wordt gemonitord of inspecteurs dat ook daadwerkelijk doen.
Deelt u de mening dat het zeer ernstig zou zijn als toezichthouders die in stallen komen of binnen andere (sub)domeinen op locaties toezicht moeten houden op diergezondheid of dierenwelzijn, geen rapporten van bevindingen opstellen terwijl dit gezien de aangetroffen situatie wel wenselijk zou zijn?
Deze mening deel ik. De inspecteurs van de NVWA treden tegen overtredingen op conform het interventiebeleid. De hoofdregel is dat niet van het interventiebeleid wordt afgeweken. Een inspecteur kan, gezien de omstandigheden van het geval, van het interventiebeleid afwijken. Dit moet hij motiveren en het moet schriftelijk worden vastgelegd.
Hoe vergewist u zich ervan dat toezichthouders die in stallen komen of binnen andere (sub)domeinen op locatie toezicht moeten houden op diergezondheid of dierenwelzijn, hun inspectieformulieren wel invullen en hoe kan de Kamer controleren of dit wel gebeurt?
Door de toezichthouders van de NVWA worden inspectielijsten ingevuld. De NVWA maakt de resultaten van inspecties openbaar door de publicatie van naleefmonitoren voor roodvlees slachthuizen en pluimveeslachterijen. Van deze monitoren kan uw Kamer kennisnemen. De controle op het door inspecteurs invullen van inspectielijsten is een taak van het management van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat het uniformiteitsteam binnen de NVWA onder andere als taak heeft om inspecteurs te begeleiden bij het invullen van formulieren en het schrijven van rapporten van bevindingen?
Het uniformiteitsteam binnen de NVWA heeft tot taak om medewerkers van de NVWA die bij de slachthuizen toezicht houden te begeleiden bij het invullen van formulieren en het schrijven van rapporten van bevindingen. Het doel daarvan is uniform optreden.
Kunt u bevestigen dat het uniformiteitsteam onderzoek doet naar de wijze waarop inspecties worden uitgevoerd en hierover rapporteert? Zo ja, ontvangt u deze rapporten en bent u bereid de rapporten naar de Kamer te sturen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 23 heb aangegeven begeleidt het uniformiteitsteam medewerkers van de NVWA die toezicht houden in de slachthuizen. Daarover worden geen rapporten opgesteld. De begeleiding van de medewerkers wordt door het uniformiteitsteam wel geanalyseerd om de begeleiding verder te verbeteren.
Hebben de reguliere toezichthouders en de inspecteurs uit de dierenwelzijnsteams dezelfde bevoegdheden op het gebied van opsporing en handhaving? Zo nee, kunt u toelichten wat het verschil is?
Dierenartsen en andere inspecteurs van de NVWA zijn aangewezen als toezichthouders. Daarnaast is een deel van hen beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). Toezichthouders zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd tot bijvoorbeeld het vorderen van inlichtingen, het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden, het onderzoeken van zaken en het nemen van monsters daarvan en het onderzoeken van vervoermiddelen en hun lading. De boa’s hebben wettelijke bevoegdheden op grond van de Wet op de economische delicten en het Wetboek van Strafvordering.
Hoeveel NVWA-medewerkers tellen de dierenwelzijnsteams, hoeveel van hen hebben een studie diergeneeskunde afgerond, hoeveel tijd is er voor hen beschikbaar voor inspecties in de veehouderij en is dit volgens u voldoende om jaarrond meldingen van dierverwaarlozing in de veehouderij op te pakken?
De dierenwelzijnsteams van de NVWA tellen 32 medewerkers, waarvan er 10 een studie diergeneeskunde hebben afgerond. Inspecties in de veehouderij kunnen betrekking hebben op dierenwelzijn, maar ook op diergeneesmiddelen en I&R. Voor het toezicht op dierenwelzijn zet de NVWA in 2019 8% van het aantal voor toezicht beschikbare uren in en voor het toezicht op diergezondheid 9%. Dit staat in het jaarplan 2019 van de NVWA dat ik op 21 december 2018 aan uw Kamer heb toegezonden (Kamerstuk 33 835, nr. 109). Binnen het beschikbare budget zal de NVWA haar activiteiten altijd moeten prioriteren. Deze prioritering wordt in het jaarplan toegelicht.
Als de reguliere toezichthouders bij twijfel over de situatie, bijvoorbeeld in een stal, de hulp kunnen inroepen van een dierenarts uit de dierenwelzijnsteams, zoals u schreef in antwoord op de feitelijke vragen over de NVWA-voortgangsrapportage, hoe vaak is dat de afgelopen vijf jaar dan gebeurd en wat was hiervoor de reden?3
De vraag hoe vaak in de afgelopen vijf jaar door reguliere toezichthouders de hulp in is geroepen van een dierenarts van een dierenwelzijnsteam kan ik niet beantwoorden. Deze vorm van collegiale bijstand wordt niet geregistreerd.
Is er bij de dierenwelzijnsteams jaarrond capaciteit beschikbaar voor dergelijke hulpvragen? Zo nee, op welk moment is het aantal beschikbare uren van de dierenwelzijnsteams reeds opgemaakt voor de rest van het jaar?
De dierenartsen uit de dierenwelzijnsteams zijn jaarrond beschikbaar voor hulpvragen van reguliere toezichthouders.
Kunt u bevestigen dat de NVWA in haar jaarplan voor 2018 schreef dat financiële krimp «dwingt tot een aantal keuzes», waardoor «de volgende taken in 2018 niet meer worden opgepakt: de nalevingsmeting en gericht inspecteren melkvee, nertsen, opfokleghennen, vleeskuikenouderdieren, paarden, konijnen en kleine grazers»?4
Ja, dat kan ik bevestigen.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA in 2018 uiteindelijk uitgevoerd in de sectoren melkvee, nertsen, opfokleghennen, vleeskuikenouderdieren, paarden, konijnen en kleine grazers, hoeveel hiervan hebben plaatsgevonden op basis van een melding, hoeveel op basis van het reguliere toezicht, waar waren deze inspecties op gericht en wat waren hierbij de bevindingen?
De door u gevraagde informatie staat in de onderstaande tabellen:
Sector
Aantal inspecties
Inspecties akkoord
Inspecties niet akkoord
Nertsen
1
1
Konijnen
5
2
3
Vleeskuikenouderdieren
1
1
Paarden
112
76
36
Schapen en geiten
181
126
55
Runderen
318
171
147
Sector
Aantal inspecties
Inspecties akkoord
Inspecties niet akkoord
Nertsen
1
1
Konijnen
4
2
2
Paarden
54
46
8
Schapen en geiten
77
52
25
Runderen
250
145
105
Kunt u bevestigen dat de NVWA in haar jaarplan voor 2018 schreef dat de frequenties voor toezicht op dierenwelzijn zoals ze zijn opgesteld in het verbeterplan mogelijk omlaag zouden worden gebracht door een verminderd budget en is dit ook daadwerkelijk gebeurd? Zo ja, hoeveel inspecties zijn er minder uitgevoerd en in welke sectoren en welke subdomeinen?5
Ja, ik kan bevestigen dat de NVWA in haar jaarplan voor 2018 schreef dat de frequenties voor toezicht op dierenwelzijn zoals ze zijn opgesteld in het verbeterplan mogelijk omlaag zouden worden gebracht door een verminderd budget. Dit is niet daadwerkelijk gebeurd. In het jaarplan voor 2018 staat namelijk ook dat de naleving met name in de pluimveeslachthuizen niet op een niveau is wat deze verlaging van de inspectiedruk rechtvaardigt.6
Kunt u bevestigen dat de NVWA in haar jaarplan voor 2018 schreef dat de naleving met name in de pluimveeslachthuizen niet op een niveau is dat deze verlaging van de inspectiedruk rechtvaardigt?6
Zie mijn antwoord op vraag 31.
Zijn er in 2018 minder inspecties uitgevoerd in pluimveeslachthuizen dan in eerdere jaren?
Zie mijn antwoord op vraag 31.
Hoeveel rapporten zijn er in de afgelopen drie jaar door NVWA-toezichthouders geschreven over de aanvoer van niet-transportwaardige dieren naar het slachthuis?
In de onderstaande tabel staat hoeveel rapporten van bevindingen er in de afgelopen drie jaar door de toezichthouders van de NVWA zijn geschreven voor de aanvoer van niet-transportwaardige dieren naar het slachthuis. Voor de aanvoer van niet-transportwaardige dieren naar het slachthuis kan zowel tegen de veehouder, de transporteur als het slachthuis een rapport van bevindingen worden opgemaakt.
Jaar
Aantal rapporten van bevindingen
2016
255
2017
233
2018
250
Bent u bereid de vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken, dus uiterlijk 22 maart 2019, te beantwoorden?
Ja.
Standpuntbepaling in het Europees Parlement over een hoger toegestaan restgehalte van neonicotinoïden |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het voorstel van de Europese Commissie om het maximaal toegestane restgehalte van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen op producten te verhogen?1
Ja, ik ben bekend met het voorstel. Het voorstel bevat nieuwe Maximale Residu Limieten (MRL’s) voor acht actieve stoffen, waaronder één neonicotinoïde (clothianidin). Daarnaast bevat het voorstel de opname van één stof (Metschnikowia fructicola strain NRRL Y-27328) in een lijst met stoffen waarvoor geen MRL’s nodig zijn. In vijf gevallen gaat het om de verhoging van MRL’s, vanwege de toelating van het gebruik bij enkele gewassen. De MRL wordt in die gevallen, aangezien dat veilig kan, verhoogd van de waarde bij niet-gebruik (standaard gesteld op een niveau van 0,01 mg/kg) naar een waarde die bij gebruik van de stof haalbaar is bij goed landbouwkundig gebruik. In drie gevallen gaat het hierbij om MRL’s ten behoeve van de eisen van het internationale handelsverkeer voor ingevoerde producten (invoertoleranties). Het voorstel voor de verhoging van de bestaande EU-MRL van 0,03 naar 0,3 mg/kg clothianidin in aardappel betreft een invoertolerantie gebaseerd op landbouwkundig gebruik van deze werkzame stof in Canada.
Wat vindt u van dit voorstel van de Europese Commissie?
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft namens Nederland ingestemd met het voorstel. Het voorstel is immers gebaseerd op (negen) in 2018 gepubliceerde risicobeoordelingen van European Food Safety Authority (EFSA), die aangeven dat de nu voorgestelde MRL’s geen reden geven voor zorg voor de voedselveiligheid. De Nederlandse deskundigen kunnen zich vinden in deze conclusies van EFSA.
Kunt u aangeven wanneer u voor het eerst kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen van het initiatief om te komen tot dit voorstel?
De basis van de aanpassingen ligt in ontvangen verzoeken die belanghebbenden hebben gedaan op basis van artikel 6, lid 2 van Verordening (EG) nr. 396/2005. Die verzoeken zijn op verschillende momenten in de jaren 2017 en 2018 bij de voor die stoffen aangewezen lidstaten ontvangen en in behandeling genomen. De EFSA-opinies over de evaluaties van de lidstaten zijn op verschillende momenten in 2018 gepubliceerd. Dit is het moment dat ook anderen formeel kennis hebben kunnen nemen van de aanvraag.
Het Commissievoorstel op basis hiervan is tijdens de vergadering van het Permanent Comité voor de Voedselketen en Diergezondheid – pesticideresiduen (PCVD-pr) van 26 en 27 november 2018 besproken. De lidstaten hebben op 27 november 2018 unaniem met dit voorstel ingestemd.
Zijn Nederlandse experts betrokken bij de voorbereiding van dit voorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is het Nederlandse standpunt geweest en hoe zijn de voorbereidende gesprekken verlopen?
De voorbereiding van het voorstel is een taak van de Europese Commissie, die zich daarbij baseert op de opinie van de EFSA. Deskundigen uit de lidstaten – anderen dan zij die werken in dienst van de Europese Commissie en de EFSA – spelen hierbij geen rol. Nationale experts – in Nederland deskundigen van het Ministerie van VWS, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en van het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) – zijn wel betrokken bij de behandeling van het voorstel in het Permanent Comité voor de Voedselketen en Diergezondheid, sectie pesticideresiduen (PCVD-pr). Deze deskundigen konden zich vinden in de bevindingen van de EFSA. Het Ministerie van VWS heeft daarop geconcludeerd dat de veiligheid van de consument in het voorstel voldoende beschermd is en heeft het voorstel daarom gesteund.
Klopt het dat het middel clothianidin niet toegestaan is voor gebruik in Europa? Zo ja, wat is de reden dat dit middel niet is toegestaan en wat is de reden dat een hogere residuwaarde op producten wel wordt toegestaan?
In mei 2018 is de goedkeuring van de stof clothianidin ingeperkt tot enkel toepassingen in kassen. Ik heb uw Kamer hier op 24 april 2018 over geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 421). De aanvrager heeft daarna besloten de verlenging van de goedkeuring van deze stof niet langer te ondersteunen, waardoor deze goedkeuring per 31 januari 2019 geheel is vervallen.
Als een stof op Europees niveau niet is goedgekeurd als werkzame stof in gewasbeschermingsmiddelen, geldt in de Europese Unie dat residuen van de stof niet aantoonbaar mogen zijn in dat gewas (bij een standaardniveau van 0,01 mg/kg). Als gebruik in een derde land wél is toegelaten, heeft een belanghebbende in dat land, zoals in het voorliggende geval heeft plaatsgevonden, de mogelijkheid een hogere MRL (een zogenaamde «invoertolerantie») aan te vragen. Deze invoertolerantie wordt verleend, als uit een risicobeoordeling blijkt dat voedsel en diervoeder ook met een hogere MRL veilig is voor consumptie.
Vindt u het verdedigbaar dat u landen buiten Europa in staat stelt om het middel te blijven gebruiken, waarbij een hogere residuwaarde op het product geen probleem is, terwijl dit middel voor de Nederlandse en Europese boeren verboden is en kunt u aangeven hoe u voor deze maatregel en het beoogde besluit draagvlak kan vinden bij de Nederlandse boeren?
De inperking van het gebruik van clothianidin is niet ingesteld vanwege een risico voor de volksgezondheid, maar vanwege de risico’s van de stof voor het milieu, in het bijzonder de bijen. De aanvrager heeft daarna besloten de verlenging van de Europese goedkeuring van deze stof niet langer te ondersteunen, waardoor deze goedkeuring per 31 januari 2019 geheel is vervallen. De residuwetgeving betrekt de mogelijke schadelijkheid voor het milieu in derde landen niet in de residubeoordeling; dit is een verantwoordelijkheid van het land waar het middel wordt toegepast.
Klopt het dat alle lidstaten inclusief Nederland voor het verhogen van de maximale residulimiet (MRL) gestemd hebben omdat er geen gevaar is voor de volksgezondheid?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich dat u het verzoek tot tijdelijke vrijstelling van het gewasbeschermingsmiddel Cruiser SB heeft afgewezen?2
Ja, ik heb uw Kamer hier op 28 januari 2019 over geïnformeerd (Kamerstuk 27 585, nr. 443).
Herinnert u zich dat met het niet toestaan van een tijdelijke vrijstelling van het gewasbeschermingsmiddel Cruiser SB boeren aangewezen zijn op andere en meer milieubelastende middelen (dat laatste omdat er vaker een behandeling moet plaatsvinden)?
Ik heb eerder aan uw Kamer gemeld dat de alternatieve werkzame stoffen voor de drie ingeperkte neonicotinoïden niet per se een lager risicoprofiel hebben. De Europese Commissie is hierop in het besluitvormingsproces gewezen door enkele lidstaten – waaronder Nederland (Kamerstuk 27 858, nr. 396). De feitelijke milieubelasting is afhankelijk van de plaagdruk, de gekozen alternatieve werkzame stoffen en de hoeveelheid en frequentie van het gebruik ervan.
Wat is uw argument om de Nederlandse boeren op te zadelen met beperkingen van een aantal gewasbeschermingsmiddelen terwijl deze in de ons omringende landen wel gebruikt mogen worden en er door een onafhankelijke organisatie de landbouwkundige noodzaak is aangetoond (voorbeeld: suikerbietenteelt) terwijl u andere, niet-Europese landen in de gelegenheid stelt producten met een hoger residu te leveren en hoe verhoudt dit zich tot een gelijk en eerlijk speelveld?
De restricties op het gebruik van de drie neonicotinoïden zijn ingesteld wegens de risico’s voor bijen. Om de bijen in Nederland te beschermen heb ik ingestemd met de Europese restricties op het gebruik van drie neonicotinoïden. Over de situaties en overwegingen van niet-EU landen kan ik geen uitspaken doen.
Bij het instemmen van Nederland met de aanpassing van de MRL van clothianidin is conform de wetgeving alleen het waarborgen van de veiligheid van de consument in overweging genomen.
Als de steun van Nederland voor het betreffende voorstel is gelegen in de afspraak uit het regeerakkoord om invulling te geven aan een nationaal beleid dat erop gericht is om zo efficiënt mogelijk aan de Europese eisen te voldoen en een gelijk speelveld tussen producenten in de verschillende EU-landen vereist dat er zo min mogelijk zogeheten nationale koppen op Europese regels zijn, deelt u dan de mening dat de tijdelijke vrijstelling van Cruiser SB gerechtvaardigd zou zijn nu de Belgische bietentelers een behoorlijk voordeel hebben op de Nederlandse bietentelers? Zo nee, hoe is het gelijke speelveld geborgd nu u kennis kunt nemen van de gewasbeschermingsplannen die door veel boeren op dit moment worden besproken en opgesteld, waarbij alternatieven voor de bietenteelt worden gezocht?
Ik wil u verwijzen naar mijn brief naar uw Kamer over mijn beslissing om geen tijdelijke vrijstelling te verlenen voor het gewasbeschermingsmiddel Cruiser SB (Kamerstuk 27 585, nr. 443). Het verlenen van tijdelijke vrijstellingen is een nationale bevoegdheid en zorgt per definitie voor een ongelijk speelveld. Zo is in Duitsland recentelijk een aanvraag voor een tijdelijke vrijstelling van dit middel afgewezen.
Ik wil u daarnaast melden dat ik recent tijdelijke vrijstelling heb verleend voor een alternatief gewasbeschermingsmiddel tegen de bietenvlieg in de teelt van suikerbieten. Hiermee krijgen telers voor de korte termijn de mogelijkheid om de bietenvlieg in de teelt van suikerbieten te bestrijden. Op lange termijn moeten door innovatie op het gebied van weerbare teeltsystemen, maatregelen en laag-risicomiddelen alternatieve vormen van bescherming tegen plagen in de teelt van suikerbieten beschikbaar komen. Ik zal hier in het uitvoeringsprogramma van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» verdere aandacht aan geven.
Kunt u een overzicht geven van het aantal controles op residuen bij producten zoals groente, fruit en aardappelen en de geconstateerde waarden en de toegestane normen (graag een overzicht per jaar over de afgelopen vijf jaar, een uitsplitsing naar gangbare landbouw en biologische landbouw, naar chemische middelen en toegestane biologische middelen en naar de diverse productgroepen en producten in Nederland, Europa en de rest van de wereld)?
Een antwoord dat voldoet aan uw specificaties vergt een uitzonderlijk omvangrijk rapport of een verwijzing naar de elf bronnen waarin de gevraagde informatie al openbaar gemaakt is. Ik kies voor de tweede optie.
Het aantal monsters dat in Nederland op residuen van gewasbeschermingsmiddelen wordt onderzocht en de resultaten daarvan, zijn opgenomen in de rapportages van de NVWA3, 4, 5, 6, 7, in totaal 62 pagina’s. De geldende toegestane normen (Maximale Residu Limieten, MRL’s) zijn opgenomen in Verordening 396/2005. De lijst met MRL’s voor alle producten is opgenomen in bijlagen II, III en V van deze verordening. In de laatste geconsolideerde versie van de verordening8 is deze lijst 2801 pagina’s lang; het aantal MRL´s is meer dan 100.000.
EFSA brengt jaarlijks een samenvattend overzichtsrapport9, 10, 11, 12, 13 uit met de belangrijkste resultaten van het residuonderzoek in alle lidstaten van de EU. Deze rapportage omvat de resultaten van het onderzoek uit het gecoördineerde monitoringplan van de Europese Unie en samenvattingen van de resultaten van de nationale controleprogramma’s van de lidstaten. Deze rapporten, die over de laatste vijf jaar in totaal ruim 700 pagina’s beslaan, besteden eveneens aandacht aan de onderzoeksresultaten van biologische producten. Daarbij wordt ook een vergelijking gemaakt met gangbare producten. Een onderscheid of een middel met een MRL biologisch is of in de biologische teelt is toegelaten, wordt daarbij niet gemaakt; dat is immers niet relevant voor de residumonitoring. Wat producten uit derde landen betreft: de EFSA-rapporten bevatten ook overzichten van de uitgevoerde controles van deze producten.
Het meest recente EFSA-rapport laat onder meer zien dat 96,2% van alle controles voldoet aan de EU-limieten. Het percentage overschrijdingen was 2,4% bij producten uit EU-landen (inclusief IJsland en Noorwegen) en 7,2% bij producten uit derde landen.
Van de onderzochte producten van biologische landbouw bevatte 83,1% geen meetbare residuen; 15,6% had residuen die voldeden aan de wettelijke limieten en 1,3% voldeed niet aan de wettelijke limieten.
Wilt u de vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De Week zonder vlees |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u gezien dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vorig jaar via Twitter heeft opgeroepen om mee te doen aan de eerste Week zonder vlees?1
Bent u bereid het publiek dit jaar ook te vragen om mee te doen aan de Week zonder vlees, die op 11 maart 2019 begint? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid de keuzevrijheid van alle deelnemers aan diners op uw ministerie te vergroten en tegelijk klimaatwinst te boeken door alle diners in principe geschikt te maken voor iedereen – carnivoren, herbivoren en omnivoren – en de maaltijd alleen op verzoek uit te breiden met vlees of vis, volgens het concept van «Carnivoor? Geef het door?» Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?2
Kent u het bericht «Tweede Week zonder vlees grootser van opzet»?3
Welke rol speelt de Nederlandse overheid in het initiatief dat inmiddels door 69 partners gesteund wordt?
Kent u het onderzoek van CE Delft waaruit blijkt dat de jaarlijkse schade door externaliteiten ten gevolge van de vleesproductie en -consumptie 4,5 miljard euro bedraagt en deelt u de mening dat deze externaliteiten in de prijs van vleesproducten tot uitdrukking zouden moeten komen en het ontmoedigen van de consumptie van vlees rechtvaardigen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?4
Zijn er op uw ministerie in het afgelopen jaar initiatieven ontplooid om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen? Zo ja, welke initiatieven waren dat en tot welk resultaat hebben ze geleid? Zo nee, waarom niet?
Kent u het voedingsadvies van de Canadese overheid om de eiwitcomponent van maaltijden voor 88% uit plantaardige bronnen te laten bestaan en inspireert deze opvatting u om de Week zonder vlees op uw ministerie te promoten onder uw medewerkers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?5
Zou u zo vriendelijk willen zijn deze vragen voor 11 maart 2019 te beantwoorden?
Het bericht ‘Koeiengriep vastgesteld in Duitse grensstreek’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Koeiengriep vastgesteld in Duitse grensstreek»?1
Ja.
Kunt u een actuele stand van zaken geven over de uitbraak van de runderziekte BHV1 in Duitsland?
In Duitsland is recent op 3 bedrijven een besmetting met BHV-1 vastgesteld. BHV-1 is het virus dat infectieuze boviene rhinotracheïtis (IBR) veroorzaakt, ook wel koeiengriep genoemd. Duitsland bestrijdt IBR al vele jaren en sinds 22 mei 2017 is heel Duitsland officieel vrij van IBR op basis van Europese regelgeving. IBR is daarmee in Duitsland een aangifteplichtige dierziekte. In het kader van de verplichte monitoring op IBR zijn deze 3 bedrijven opgespoord. Er zijn voor zover mij bekend geen extra besmette bedrijven aangetroffen.
Hoe vaak komt de koeiengriep jaarlijks in Nederland voor?
IBR is in Nederland op dit moment niet aangifteplichtig. De overheid houdt daarom geen cijfers bij over het vóórkomen van IBR in Nederland. In 2015 is door het bedrijfsleven voor het laatst een monitoring op IBR uitgevoerd. Daarbij bleek dat op ongeveer 15% van de melkveebedrijven en ongeveer 10% van de overige rundveebedrijven IBR kon worden aangetoond.
In Nederland loopt al sinds lange tijd een privaat vrijwillig bestrijdingsprogramma voor IBR. In 2014 heeft de rundveesector de ambitie uitgesproken om ook Nederland vrij van IBR te maken. Na een paar jaar stimuleren is per 1 april 2018 de bestrijding van IBR voor melkveehouders privaat verplicht gesteld, overige rundveehouders kunnen vrijwillig deelnemen in dit programma.
Daarnaast bereid ik een algemene maatregel van bestuur (AMvB) voor, die de nationale bestrijding van IBR regelt, zodat alle rundveehouders verplicht worden IBR te bestrijden. Belangrijk hierbij is dat deze voldoet aan de Europese regelgeving om in aanmerking te komen voor een officiële IBR-status voor Nederland. Momenteel worden het Nederlandse programma en de AMvB afgestemd op de nieuwe Europese diergezondheidsregels, die in april 2021 in werking treden.
Hoeveel koeien zijn er in Nederland sinds 2013 overleden aan de gevolgen van de koeiengriep?
Doorgaans leidt een IBR-besmetting tot lichte ziekteverschijnselen, soms tot abortus en in incidentele gevallen tot sterfte van dieren. De belangrijkste gevolgen zijn productiedaling en vermindering van de weerstand, waardoor dieren gevoeliger zijn voor andere aandoeningen. Er vindt geen registratie plaats van sterfte als direct gevolg van IBR, maar de verwachting is dat dit heel weinig voorkomt.
Hoe was het verloop van de koeiengriep vóór 2013?
Naast de monitoring door het bedrijfsleven in 2015, heeft het bedrijfsleven eerder ook het voorkomen van IBR in Nederland onderzocht. In 2005, 2007 en 2011 werd op respectievelijk 18%, 20% en 20% van de melkveebedrijven IBR aangetoond, en in 2011 op 17% van de overige rundveebedrijven.
Hoe vaak komt de koeiengriep jaarlijks in Duitsland voor?
Het is mij niet bekend op hoeveel bedrijven jaarlijks IBR wordt aangetoond in Duitsland. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 heeft Duitsland een officiële EU-vrijstatus voor IBR. Deze status kan enkel verkregen worden als is aangetoond dat de ziekte niet meer voorkomt op het grondgebied van de betreffende lidstaat. Incidentele uitbraken leiden niet tot verlies van de status, maar moeten wel bestreden worden om de status te kunnen behouden.
Hoeveel koeien zijn er in Duitsland de afgelopen jaren overleden aan de gevolgen van de koeiengriep?
Het is niet bekend hoeveel dieren in Duitsland jaarlijks sterven als direct gevolg van een IBR-besmetting. Zoals aangegeven leidt IBR slechts in incidentele gevallen tot sterfte. Daarnaast komt IBR in Duitsland hooguit enkele keren per jaar voor.
Nemen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Chief Veterinary Officer voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat de koeiengriep overslaat op veehouderijen in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Bestrijding van IBR is op basis van Europese regelgeving vrijwillig. Duitsland is na jaren van verplichte bestrijding per mei 2017 officieel vrij van IBR. Bij IBR-uitbraken treft Duitsland maatregelen om verspreiding te voorkomen en zo de vrijstatus te kunnen behouden. Mede gezien het feit dat IBR voornamelijk door direct diercontact wordt verspreid is de kans op verspreiding uit Duitsland daarom zeer klein. Er zijn dan ook geen voorzorgsmaatregelen noodzakelijk.
Welke maatregelen hebben de NVWA en de Chief Veterinary Officer genomen om te voorkomen dat de ziekte oversloeg naar Nederlandse veebedrijven toen eind 2017 de koeiengriep is aangetroffen in dezelfde Duitse grensstreek?2
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat de dierenartsen in Nederland geen instructie hebben gehad over de uitbraak van koeiengriep net over de Duitse grens en de geboden extra alertheid? Zo nee, waarom niet?
IBR is in Nederland nog niet aangifte- en bestrijdingsplichtig. De sector is zelf verantwoordelijk voor het voorkómen van verspreiding van IBR en heeft hiervoor een bestrijdingsprogramma lopen. Vooralsnog is dit een privaat programma. Wel werk ik aan een algemene maatregel van bestuur die de landelijk verplichte bestrijding van IBR mogelijk maakt. Echter, zolang de bestrijding van IBR niet wettelijk is heeft de overheid geen verantwoordelijkheid bij IBR-uitbraken. Er is vanuit de overheid dan ook geen communicatie geweest over de IBR-uitbraken in Duitsland.
Zijn de boeren, dierenartsen en gemeenten in Twente en de Achterhoek op de hoogte van de aanwezigheid van de koeiengriep vlak over de grens met Duitsland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manieren is dit door de NVWA gecommuniceerd?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u dat er voldoende gecommuniceerd wordt over symptomen en bestrijding van dit griepvirus? Zo nee, wat zijn de vervolgstappen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u de vragen een voor een beantwoorden?
Om herhaling van mijn antwoorden te voorkómen heb ik de antwoorden op een aantal vragen samengevoegd. Daarbij heb ik alle vragen beantwoord.
De vermeende overschrijding van het stikstofplafond |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Hoe weegt u de afspraak met de Europese Commissie dat voor het bepalen van de jaarlijkse fosfaat- en stikstofproductie in relatie tot de productieplafonds gerekend mag worden met de gemiddelde ruwvoersamenstelling van de afgelopen vijf jaar met weglating van de twee meest extreme waarden?1
Door weersinvloeden kan het fosfor- en stikstofgehalte in ruwvoer per jaar variëren. In het kader van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn heb ik met de Europese Commissie afgesproken dat bij het opgeven van de definitieve cijfers over de fosfaat- en stikstofproductie door de melkveehouderij uitgegaan mag worden van de gemiddelde ruwvoersamenstelling van de afgelopen vijf jaar met weglating van de twee meest extreme waarden. Ik vind dit een belangrijke afspraak, omdat boeren geen invloed hebben op de weersomstandigheden en het effect van extreme weersomstandigheden op de beleidsmatige afrekening van de fosfaat- en stikstofproductie met deze methodiek wordt gedempt.
Is de veronderstelling juist dat in de recente monitor fosfaat- en stikstofexcretie bij de prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2018 op basis van het gemiddelde aantal aanwezig dieren is uitgegaan van de ruwvoersamenstelling in 2018 en niet van de hiervoor genoemde middeling over de afgelopen vijf jaar?2
Ja.
Deelt u de constatering dat in 2018 sprake was van extreem hoge stikstofgehalten in het ruwvoer en dat deze waarden in de hiervoor genoemde middeling daarom weggelaten hadden moeten worden?
De met de Europese Commissie afgesproken middeling wordt toegepast bij de definitieve cijfers over 2018, die in de zomer bekend zullen worden.
De recente monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest die op 15 februari 2019 door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gepubliceerd, geeft een zo gedetailleerd mogelijk beeld van de fosfaat- en stikstofproductie in 2018 op basis van de meest recente cijfers. Echter, niet alle definitieve data zijn nu al beschikbaar. Daarom is in deze monitor en de aanbiedingsbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd (15 februari 2019, Kamerstuk 33 037, nr. 350) uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om voorlopige cijfers waarvoor nog een onzekerheidsmarge geldt. De extreme weersomstandigheden van afgelopen zomer zorgen hierbij voor extra onzekerheid.
Uit deze monitor blijkt dat het stikstofgehalte in het ruwvoer in 2018 zeer hoog was. Het fosforgehalte in het ruwvoer was in hetzelfde jaar juist bijzonder laag. Daardoor is het waarschijnlijk dat, wanneer de definitieve cijfers niet ver van de voorlopige cijfers afwijken, de cijfers over 2018 niet worden meegenomen in het berekenen van een vijf jaar gemiddelde met weglating van de twee meest extreme waarden. Wanneer de cijfers van 2018 niet mee worden genomen in de middeling zou dit waarschijnlijk voor stikstof resulteren in een verlaging van de excretie, voor fosfaat juist in een verhoging.
Kunt u aangeven hoe de fosfaat- en stikstofexcretiecijfers uitvallen als de voornoemde middeling over de afgelopen vijf jaar gehanteerd wordt?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat de in de Kamerbrief over de recente fosfaat- en stikstofproductiecijfers genoemde stikstofexcretiecijfers, gelet op voornoemde punten, met tenminste vijf procent naar beneden bijgesteld moeten worden indien deze cijfers vergeleken worden met de productieplafonds?3
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 geldt uitdrukkelijk een onzekerheidsmarge bij de cijfers uit de monitor van 15 februari jl. en zal de middeling worden toegepast bij de definitieve cijfers over 2018, die in de zomer bekend zullen worden. Ik kan hier dan ook niet op vooruitlopen.
Is de veronderstelling juist dat dan in geen enkel geval sprake is van overschrijding van stikstofproductieplafonds?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uw opmerkingen dat sprake is van een geprognosticeerde overschrijding van het stikstofproductieplafond, dat die problematisch is en dat een generieke korting afgewend moet worden, toelichten?4
2018 was een extreem jaar wat betreft weersomstandigheden, met een zeer laag fosforgehalte en een zeer hoog stikstofgehalte in het ruwvoer tot gevolg. Dergelijke extreme weersomstandigheden zullen echter naar verwachting steeds vaker voorkomen. Daar komt bij dat er de laatste jaren een algehele trend te zien is waarbij het aandeel fosfor in het rantsoen afneemt, terwijl dit voor stikstof nauwelijks het geval is. Ook de definitieve cijfers over 2017 lieten een overschrijding van zowel het nationale stikstofplafond als het sectorale stikstofplafond van de melkveehouderij zien. De verrekening met de gemiddelde ruwvoersamenstelling over vijf jaar zorgde er toen voor dat de stikstofproductie op het nationale plafond uit kwam.
Het is mogelijk dat de weglating van de extreme waarden in 2018 uit de middeling over de definitieve cijfers over 2018 voor voldoende demping zorgt om op of onder het stikstofplafond te komen. Maar feit blijft dat de stikstofproductie door de melkveehouderij zich de laatste jaren op of rond het plafond bevindt. Een overschrijding van het stikstofplafond dit jaar of komende jaren ligt daardoor nadrukkelijk op de loer. Ik acht het nemen van maatregelen om de stikstofproductie omlaag te brengen daarom onverminderd van belang.
De schokkende beelden van een hondenshow in Eindhoven |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u de beelden die zijn gemaakt op een hondenshow in Eindhoven waarop te zien is hoe mannen honden betasten op hun geslachtsdeel?1
Deze beelden zijn mij bekend.
Vindt u het normaal dat honden betast worden op hun geslachtsdeel om ze rustig te houden tijdens een hondenshow? Deelt u de mening van de geciteerde dierenarts dat een dergelijke handeling «zeer ongepast is, in welke situatie dan ook»?
Ontuchtige handelingen met dieren keur ik ten allen tijde af. Als er tijdens een hondenshow sprake is van ontuchtige handelingen met honden acht ik dergelijke handelingen zeer ongepast.
Klopt het dat deze handeling strafbaar is volgens artikel 254 van het Wetboek van Strafrecht en er maximaal anderhalf jaar celstraf op staat? Vindt u het terecht dat er aangifte is gedaan?
Artikel 254 van het Wetboek van Strafrecht stelt ontuchtige handelingen met dieren strafbaar. De maximale gevangenisstraf bij overtreding van dat artikel bedraagt anderhalf jaar of een geldboete van de vierde categorie. Ik heb vernomen dat er inmiddels aangifte is gedaan. Over de strafvervolging gaat het Openbaar Ministerie.
Wat vindt u ervan dat de organisator van de hondenshow zegt dat deze mannen zouden zijn weggestuurd indien ze op heterdaad waren betrapt?
Dat de organisator aangeeft dat hij deze personen gelijk zou wegsturen duidt er mijns inziens op dat ook hij deze handelingen stellig afkeurt.
Deelt u de mening dat de organisatie van een hondenshow meteen aangifte moet doen wanneer er sprake is van verdenking van het plegen van een strafbaar feit, zoals ontuchtige handelingen met dieren?
Het verplicht doen van aangifte geldt voor enkele misdrijven. Het plegen van ontuchtige handelingen met dieren valt daar echter niet onder. Het spreekt voor zich dat ik mensen wel aanmoedig om in dergelijke gevallen aangifte te doen.
Erkent u dat honden tijdens een hondenshow niet kunnen wegvluchten van harde geluiden en drukte, noodgedwongen lang vast zitten in een kooi en urenlang op een kaptafel moeten staan en erkent u dat een hond hierdoor stress zal ervaren en in de ogen van mensen afwijkend gedrag zal kunnen gaan vertonen?
Baasjes die met hun honden deelnemen aan een hondenshow dienen hun verantwoordelijkheid te nemen voor de gezondheid en het welzijn van hun dieren. Elke hond is anders en de ene hond zal een drukke, vreemde omgeving beter tolereren dan een andere hond. Ook in een andere omgeving zoals in een stad kunnen honden drukte en harde geluiden ervaren waarvoor zij niet kunnen wegvluchten. Bij een goed gesocialiseerde hond is dit in de regel geen probleem. Indien een hond goed gesocialiseerd is, en een eigenaar goed kijkt naar de behoefte en het karakter van zijn hond dan hoeft een show mijns inziens geen probleem te zijn. Ook dient de organisatie te zorgen voor een zo geschikt mogelijke omgeving. De Raad van Beheer op Kynologisch gebied heeft op hun shows bijvoorbeeld een eigen welzijnsteam rondlopen dat toezicht houdt op het welzijn van de deelnemende honden.
Wat vindt u ervan dat sommige baasjes de hond rustig proberen te houden door ze te betasten op het geslachtsdeel in plaats van iets te doen aan bovengenoemde problemen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 vind ik dit zeer ongepast. Indien een hond te onrustig wordt door zijn omgeving dan dient de eigenaar met de hond weg te gaan uit die omgeving.
Erkent u dat het eigen is aan hondenshows dat mogelijkheden voor de hond om natuurlijk gedrag te vertonen en zich te onttrekken aan beangstigende of stressvolle situaties, zeer gering zijn?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 6 dient een eigenaar goed te kijken naar zijn eigen hond en er voor te zorgen dat de hond geen onnodige stress ervaart. Ook dient de organisator te zorgen voor een geschikte omgeving voor de dieren.
Erkent u dat structurele welzijnsaantastingen onlosmakelijk verbonden zijn met hondenshows? Zo nee, waarom niet?
Indien op een show voldoende aandacht wordt besteed aan het welzijn van de honden, en alleen honden worden meegenomen die weinig stress ervaren ten gevolge van drukte en geluiden dan hoeft dit niet zo te zijn. Zo zijn er honden die al vanaf jongs af aan gewend zijn aan een dergelijke omgeving. Het is aan de houder van de hond om goed te kijken naar het karakter en het gedrag van zijn eigen hond om het welzijn van zijn hond te kunnen borgen. Het is aan de organisatoren van de show om te zorgen voor een goede inrichting van de locatie en het toezicht op het welzijn van de honden. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat hiermee artikel 1.3 van de Wet dieren wordt overtreden, waarin de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1.3 van de Wet dieren richt zich tot de overheid en bevat geen directe verplichting voor burgers. In het artikel wordt de intrinsieke waarde van dieren erkend en wordt de overheid verplicht om bij het stellen van regels en het nemen van besluiten bij of krachtens de Wet dieren ten volle rekening te houden met de gevolgen die deze regels hebben voor de intrinsieke waarde van het dier.
Waar baseert u het op dat honden het leuk zouden vinden om iets met hun baas te ondernemen in relatie tot hondenshows, waardoor u een verbod op hondenshows afwijst?2
Elke hond is anders. Welke activiteiten wel en niet leuk zijn voor de hond dan wel stress veroorzaken hangt af van het individuele dier. Veel mensen zijn actief met hun hond (speurtraining, behendigheid) en ik ben ervan overtuigd dat veel honden ook plezier beleven aan activiteiten. Indien zowel het karakter van de hond zelf in acht wordt genomen en de organisator en houders zich inspannen voor een zo welzijnsvriendelijke omgeving hoeft een show mijns inziens niet schadelijk te zijn voor de hond. Daarom wil ik een show ook niet verbieden. Wel acht ik het van belang dat er toezicht wordt gehouden op de show door vakbekwame personen en dierenartsen, zodat kan worden ingegrepen bij misstanden.
Bestaat er onafhankelijk onderzoek naar het welzijn van honden in relatie tot de (on)mogelijkheid van het vertonen van natuurlijk gedrag op hondenshows?
In het rapport «Ongerief bij gezelschapsdieren» van WUR en RUU (2010) wordt genoemd dat deelnemen aan evenementen tot stress kan leiden, maar dat dit voor goed gesocialiseerde honden geen ongerief hoeft op te leveren.
Wanneer ontvangt de Kamer uw plannen voor een efficiëntere en effectievere handhaving van de dierenwelzijnsbepalingen over fokkerij in het Besluit houders van dieren en bent u bereid in uw plannen specifiek toe te lichten hoe u de problematiek omtrent de fokkerij maar ook omtrent stress en de onmogelijkheid om natuurlijk gedrag te vertonen op hondenshows, aan wilt gaan pakken?3
Ik verwijs u hiervoor naar mijn Dierenwelzijnsbrief van 4 oktober 2018 en naar mijn brief over de voortgang van de hondenfokkerij en Fairfok heeft u onlangs van mij een brief gekregen.
Kunt u de vragen apart beantwoorden en niet gebundeld?
Ja.
Het proces rond het Beeguidance document |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Wat is de reden dat u de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie over het proces rond het Beeguidance Document en de Nederlandse positie hierin, gesteld in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019, niet of nauwelijks heeft beantwoord?1
Ik heb de vragen bij het schriftelijk overleg zo goed en beknopt mogelijk trachten te beantwoorden door aan te geven dat de Europese Commissie het EFSA Bee guidance document gefaseerd wil invoeren als EU geharmoniseerd richtsnoer, dat Nederland voorstander is van zo’n geharmoniseerd richtsnoer, dat er inhoudelijk nog niets is veranderd, dat uw Kamer wordt geïnformeerd zodra er een concreet voorstel gereed is en dat besluitvorming op zijn vroegst in maart 2019 zal plaatsvinden. Ondertussen is gebleken dat besluitvorming op zijn vroegst in mei zal plaatsvinden.
Kunt u onderstaande vragen, gesteld tijdens het genoemde schriftelijk overleg en hieronder herhaald (vraag 3 tot en met 9) per stuk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja, maar aangezien enkele vragen overlap vertonen, is verwijzing naar eerdere antwoorden onvermijdelijk.
Kunt u de Kamer laten weten hoe de discussie over het Beeguidance document van de European Food Safety Authority (EFSA) tot nu toe is verlopen?
Sinds de totstandkoming van het Bee guidance document in 2013 is het document nog niet vastgesteld door het Permanent Comité van de lidstaten (SCoPAFF) en wordt zodoende niet geharmoniseerd toegepast als richtsnoer. Dit omdat een groot aantal lidstaten onderdelen van het document niet uitvoerbaar vinden, omdat deze destijds erg conservatief zijn uitgewerkt. Genoemde bezwaren zijn de grenswaarden voor de chronische toxiciteit voor honingbijen, de gehanteerde veiligheidsfactoren voor hommels en solitaire bijen en de zeer strikte eisen aan veldstudies die daardoor in de praktijk zeer moeilijk kunnen worden uitgevoerd. Bovendien ontbreken voor bepaalde onderdelen nog gestandaardiseerde testmethoden, zoals voor solitaire bijen. Verder is de afgelopen jaren nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar gekomen die in het EFSA Bee guidance document moet worden verwerkt.
Omdat de Europese Commissie (EC) op korte termijn geen verschuiving ziet in de posities van lidstaten, zal de EC nu voorstellen de gefaseerde invoering van het Bee guidance document aan te passen. Dit betekent dat de onderdelen waar consensus over heerst eerst worden ingevoerd en dat EFSA tegelijkertijd een mandaat krijgt om het document op de onderdelen waarop door lidstaten bezwaren zijn geuit, binnen 2 jaar uit te werken en in lijn te brengen met de huidige stand der wetenschap. Hierna treedt ook dit deel van het Bee guidance document in werking.
Met dit compromisvoorstel wordt een stap gezet in de verbetering van de bescherming van bijen door de niet-problematische delen van het Bee guidance document op korte termijn te implementeren. Besluitvorming wordt nu op zijn vroegst in mei 2019 verwacht, dus twee maanden later dan voorafgaand aan de SCoPAFF vergadering van 24 en 25 januari tijdens het Schriftelijk Overleg Landbouw en Visserijraad was ingeschat.
Kunt u de Kamer laten weten wat daarin (steeds) de opstelling van Nederland is geweest?
Nederland heeft bij de EC aangedrongen op het zo spoedig mogelijk vaststellen van het Bee guidance document als richtsnoer met daarbij een gefaseerde invoering van de onderdelen waarover consensus bestaat en heeft hier altijd actief aan bijgedragen, onder andere door inbreng van experts in de Europese werkgroep en in OESO-verband (ontwikkelen en vaststellen van testrichtsnoeren). Nederland heeft daarnaast aangegeven dat de praktische toepassing van het Bee guidance document kan worden verbeterd en gevraagd om mandaat te verlenen aan EFSA om samen met experts de problematische onderdelen van het guidance document bij te werken aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten. Het onderzoek van de WUR naar beoordelingsmethodieken op bijen en hommels, dat in opdracht van mijn ministerie wordt uitgevoerd, kan daar een bijdrage aan leveren. Voor solitaire bijen vergt dit een grotere opgave want hiervoor is meer kennis nodig.
Op het moment dat er een concreet voorstel ligt om het Bee guidance vast te stellen zal ik, na advies te hebben gevraagd van het Ctgb, uw Kamer nader informeren over het voorstel en mijn positie.
Is het oorspronkelijke voorstel in de loop der tijd gewijzigd? Zo ja, hoe?
Het is voor de beantwoording van deze en komende vragen relevant te vermelden dat EFSA geen voorstel doet. EFSA heeft een Bee guidance document opgesteld. Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor de adoptie en implementatie van dat guidance document.
Het EFSA Bee guidance document is sinds 2014 niet gewijzigd. Het voorstel van de EC voor een gefaseerde invoering is in het recente conceptvoorstel wel gewijzigd, maar dit heeft geen directe invloed op de inhoud van het Bee guidance document. De EFSA krijgt daarnaast wel het mandaat van de EC om een aantal onderdelen van het Bee guidance document binnen 2 jaar verder uit te werken en in lijn te brengen met de laatste stand der wetenschap.
Hoe heeft Nederland zich daar steeds over opgesteld?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Wat is het voorstel dat nu op tafel ligt tijdens de bijeenkomst van de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) van 24 en 25 januari?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3. Besluitvorming wordt nu op zijn vroegst in mei 2019 verwacht, dus twee maanden later dan voorafgaand aan de SCoPAFF-vergadering van 24 en 25 januari tijdens het Schriftelijk Overleg Landbouw en Visserijraad was ingeschat.
Hoe verhoudt dit zich tot het oorspronkelijke voorstel van de EFSA?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 3 en 5. Het EFSA Bee guidance document is sinds 2014 niet gewijzigd. Het voorstel van de EC voor een gefaseerde invoering is in het recente conceptvoorstel wel gewijzigd, maar dit heeft geen directe invloed op de inhoud van het Bee guidance document. De EFSA krijgt daarnaast wel het mandaat van de EC om een aantal onderdelen van het Bee guidance document binnen 2 jaar verder uit te werken en in lijn te brengen met de laatste stand der wetenschap.
Wat is de huidige positie van Nederland ten opzichte van het voorstel en hoe zit dat met de andere lidstaten?
Nederland heeft nog geen positie aangezien er nog geen eindvoorstel officieel is voorgelegd aan de lidstaten. Ik sta echter wel positief tegenover het conceptvoorstel van de EC voor een gefaseerde invoering omdat hiermee een stap wordt gezet in de verbetering van de bescherming van bijen doordat de niet-problematische onderdelen op korte termijn worden geïmplementeerd. Tegelijkertijd worden de overige onderdelen, via het mandaat aan EFSA, verder uitgewerkt en in lijn gebracht met de huidige stand van de wetenschap. Hiermee komt een einde aan de Europese patstelling van de afgelopen jaren. Dat is positief en gewenst.
Ik heb momenteel geen eenduidig beeld van de positie van overige lidstaten. Een aantal lidstaten heeft net als Nederland verklaard nog geen positie in te nemen zolang er nog geen concreet voorstel aan lidstaten wordt voorgelegd.
Kunt u bevestigen dat bij agendapunt C.1 van de SCoPAFF-bijeenkomst op 24 en 25 januari jongstleden een discussie heeft plaatsgevonden over een «draft Commission Regulation amending Commission Regulation (EU) No 546/2011... as regards bees principles for evaluation and authorisation of plant protection products»? Zo ja, wat heeft Nederland ingebracht in deze discussie?2
Dit agendapunt is onderdeel van en vloeit voort uit de beoogde gefaseerde implementatie van het Bee guidance document. Onderdelen van het Bee guidance document betreffen te gebruiken drempelwaarden («trigger values») voor honingbijen. Die drempelwaarden worden vastgelegd in de Uniforme Beginselen (Regulation (EU) 546/2011) voor de evaluatie en toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor worden de beoordelingseisen voor de risico’s voor bijen verankerd in de risicobeoordeling. Nederland heeft gedurende de betreffende SCoPAFF-bijeenkomst geen specifieke inbreng geleverd voor dit agendapunt.
Kunt u bevestigen dat bij agendapunt A.08 van de SCoPAFF-bijeenkomst op 23 en 24 oktober 2018 een implementatieplan voor het Guidance document is besproken? Zo ja, wat heeft Nederland ingebracht in deze discussie?3
Ja. Nederland heeft ingebracht dat verbetering van de praktische toepassing van het Bee guidance document wenselijk is alvorens het volledig te implementeren. Nederland heeft hier meerdere malen voorstellen voor aangeleverd. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat bij deze bijeenkomst in oktober 16 lidstaten hebben aangedrongen op herziening van het Beeguidance document voordat het kan worden geïmplementeerd? Zo ja, wat was hierin de positie van Nederland?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 11 voor de Nederlandse inbreng.
Na de SCoPAFF-vergadering van oktober heeft de EC geconcludeerd dat het Bee guidance document met het bijbehorende implementatieplan niet op een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten kon rekenen. Hierop heeft de EC het implementatieplan aangepast naar een gefaseerde invoering met daarbij het voornemen om een duidelijk mandaat aan EFSA te geven.
Erkent u dat op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er tenminste tweemaal is gesproken over een voorstel, draft of concept van het Beeguidance document? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak in de beantwoording van de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019 dat er geen concreet voorstel is?
Het Bee guidance document wordt iedere SCoPAFF-vergadering in meer of mindere mate besproken. Met een conceptvoorstel wil de EC bij lidstaten inventariseren hoe men staat tegenover een gefaseerde invoering van het Bee guidance document. Zodra de EC een eindvoorstel aan lidstaten voorlegt zal ik mij hierover laten adviseren door het Ctgb en uw Kamer vervolgens informeren over mijn positie.
Wat waren de inhoudelijke verschillen tussen deze twee versies en wat zijn de inhoudelijke verschillen tussen deze versies en het originele EFSA-voorstel uit 2013?
De verschillen tussen de conceptvoorstellen van de Commissie zitten in de wijze waarop het EFSA Bee guidance document zal worden geïmplementeerd. Het implementatieplan is dusdanig gewijzigd dat de implementatie van de onderdelen waarover consensus bestaat (zoals acute toxiciteit) direct na accordering worden geïmplementeerd en dat de onderdelen waarvoor onvoldoende steun is eerst, via het mandaat aan EFSA, verder worden uitgewerkt en in lijn worden gebracht met de laatste wetenschappelijke inzichten alvorens deze worden geïmplementeerd.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3 en vraag 5.
Bent u bereid de versies van het document zoals deze bij de genoemde bijeenkomsten zijn besproken en/of eventuele bijbehorende agendastukken bij deze agendapunten naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit betreft werkdocumenten die binnen een technische discussie worden verspreid. Wanneer de EC een concreet voorstel aan de lidstaten voorlegt, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Zijn er buiten deze twee momenten nog meer SCoPAFF-bijeenkomsten geweest waarin het Beeguidance document is besproken? Zo ja, hoe vaak en wanneer, wat is daar besproken en wat was daarbij de inbreng van Nederland?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 4, 9, 11 en 13.
Bent u op de hoogte van het feit dat Politico de hand heeft weten te leggen op gelekte documenten die betrekking hebben op de voorstellen voor het Beeguidance document?4
Ik ben bekend met het betreffende nieuwsbericht.
Heeft u gezien dat de Europese Commissie in het Politico-artikel bevestigt dat er tijdens de bijeenkomst in januari een nieuwe versie van het Beeguidance document zou worden gepresenteerd aan de lidstaten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak in de beantwoording van de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019 dat er inhoudelijk nog niets is veranderd aan het voorstel?
De EC heeft een conceptvoorstel gedaan het Bee guidance document gefaseerd in te voeren. Inhoudelijk is het Bee guidance Document niet veranderd. Dit heb ik zo ook in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad medegedeeld.
Kunt u bevestigen dat uit de gelekte stukken blijkt dat binnen SCoPAFF is gesproken over wijzigingen in het voorstel waardoor de criteria voor de beoordeling of een stof een negatieve invloed heeft op bijen en hommels worden versoepeld, waardoor bijvoorbeeld de chronische toxiciteit niet meer hoeft te worden meegewogen of onderzocht? Zo ja, wat is hiervoor de reden en wat is de positie van Nederland in deze discussie over het toetsen op chronische toxiciteit? Zo nee, kunt u toelichten hoe het zit?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 3 en 4. Dit wil overigens niet zeggen dat chronische toxiciteit voor bijen niet hoeft te worden meegewogen of onderzocht. Op grond van de Europese datavereisten moeten aanvragers data aanleveren over de chronische toxiciteit voor bijen en dit is ook nu onderdeel van de risicobeoordeling.
Kunt u bevestigen dat de implementatie van de eis om de effecten van stoffen op hommels en solitaire bijen te testen voorlopig niet zal worden ingesteld, omdat de implementatie daarvan wordt uitgesteld? Zo ja, wat is hiervoor de reden en wat is de positie van Nederland in deze discussie? Zo nee, kunt u toelichten hoe het zit?
Ja, deze onderdelen zullen ook via een mandaat aan EFSA verder worden uitgewerkt en aangepast aan de laatste stand van de wetenschap alvorens ze worden geïmplementeerd. Dit wordt gedaan omdat deze onderdelen uit het Bee guidance document nog onvoldoende werkbaar zijn. Zo zijn de beschermdoelen voor hommels en solitaire bijen nog afgeleid van de beschermdoelen voor honingbijen waardoor deze te conservatief uitvallen. Verder ontbreken nog internationaal vastgestelde testprotocollen voor solitaire bijen. Ik sta daarom positief tegenover de intentie van de EC om dit onderdeel eerst verder uit te werken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad, dat op 13 maart plaatsvindt?
Ja.
Een keurpunt voor levend vee voor de Brexit en de extra capaciteit bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Martin van Rooijen (CDA), Jaco Geurts (CDA), Helma Lodders (VVD), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich dat motie-Omtzigt/Geurts (Kamerstuk 35 084, nr. 27), die de regering verzoekt in verband met de grote kans op een no-dealbrexit de leiding te nemen in een publiek-private samenwerking om tijdig een inspectiepost in te richten om levende dieren te keuren die vanuit het Verenigd Konikrijk (VK) worden geïmporteerd via Nederlandse zeehavens, is aangenomen?
Ja.
Herinnert u zich dat u al in januari 2018 een advies vroeg aan- en kreeg van KPMG over de Brexit waarin aanbeveling 4 luidde: «Begin tijdig met het vergroten van de capaciteit en het aantal inspectielocaties bij de handhavingsdiensten (...) en zorg voor een Brexit-analyse»?
Ja.
Herinnert u zich dat de indieners van deze schriftelijke vragen meerdere keren hebben aangedrongen op het inrichten van een inspectiepunt bij een Nederlandse haven, omdat er nu alleen inspectiepunten op vliegvelden zijn en er dus geen levende dieren ingevoerd kunnen worden per boot bij een harde Brexit op 29 maart 2019?
Ja.
Is het u gelukt om de bovengenoemde motie uit te voeren door de leiding te nemen en een inspectiepunt in te richten en aan te melden voor de deadline van 15 februari 2019 in Brussel? Zo nee, kunt u toelichten hoe u de motie dan wel gaat uitvoeren?
Samen met de NVWA heb ik de leiding genomen in het organiseren van de publiek-private samenwerking door het organiseren van een bijeenkomst en diverse gesprekken met de betrokken partijen.
De NVWA heeft hierna aanvragen van het bedrijfsleven voor inspectieposten voor de import van levende dieren in de Europese Unie ontvangen. Deze aanvragen zijn binnen de deadline van 15 februari 2019 naar de Europese Commissie gestuurd. Hiermee kunnen de aanvragen tijdig door de Europese Commissie in behandeling worden genomen, met het oog op stemming door de lidstaten in een Standing Committee voor 29 maart 2019. Of de inspectieposten tijdig ingericht zijn, is afhankelijk van deze stemming en of het bedrijfsleven de inspectieposten ook daadwerkelijk realiseert.
Op de precieze aantallen en locaties kan ik niet in gaan in verband met de vertrouwelijkheid van deze informatie.
Het bedrijfsleven zal de inspectieposten bouwkundig en protocollair moeten realiseren. Over de bouwkundige en protocollaire eisen en de daadwerkelijke realisatie is nauw overleg tussen de aanvragers, de NVWA en mijn ministerie.
Op welke wijze kunnen levende dieren per boot worden ingevoerd uit Groot Brittannië bij een harde brexit?
Levende dieren uit het Verenigd Koninkrijk kunnen bij een no deal Brexit per boot/ferrylijn alleen nog worden ingevoerd als in de directe nabijheid van het aankomstpunt van de desbetreffende boot/ferrylijn een inspectiepost voor de invoer van levende dieren aanwezig is. Dit is afhankelijk van de bij vraag 4 genoemde goedkeuring en realisatie. Ik zal u na de stemming zo spoedig mogelijk informeren.
Als er in de directe nabijheid van het aankomstpunt van een boot/ferrylijn geen inspectiepost gerealiseerd wordt, kunnen hier geen levende dieren ingevoerd worden uit Groot Brittannië. Niet-commercieel vervoer van gezelschapsdieren is uitgezonderd van de eis dat zij via een inspectiepost voor levende dieren ingevoerd moeten worden.
Hoeveel extra personeelsleden mocht de NVWA in dienst nemen om de gevolgen van een harde brexit op te vangen?
Zie hiervoor mijn beantwoording van de vragen van de leden Lodders en Weverling met kenmerk 2019D03129. De NVWA bereidt zich voor op het worst case scenario door extra personeel aan te trekken. In het worst case scenario zijn 143 fte nodig. 100 van deze 143 fte zijn toezichthoudende dierenartsen.
Hoeveel extra personeelsleden heeft de NVWA tot nu toe geworven om de gevolgen van een harde brexit op te vangen?
De NVWA heeft ondertussen 100 van de 143 personeelsleden geworven. Er zijn inmiddels 71 medewerkers voor export(-ondersteunende) inspecties en certificering geworven, 24 medewerkers voor import inspecties en 5 medewerkers voor overige activiteiten
Kunt u precies vertellen waar de extra personeelsleden voor een harde Brexit ingezet worden?
In een worst case scenario wordt uitgegaan van gelijkblijvende handelsstromen en fysieke keuringen van alle partijen die moeten worden voorzien van papieren certificaten met natte handtekening en stempel. In dit worst case scenario zijn 143 fte nodig.
Van de 143 fte betreft het 100 fte aan toezichthoudende dierenartsen, waarvan 20 fte voor de import en 80 fte voor de export.
Naast de benodigde dierenartsen en assistent-inspecteurs is ook aanvulling op diverse andere plaatsen voorzien. Zo worden bijvoorbeeld voor het fytosanitaire domein 5 fte geworven en opgeleid voor zeer specifieke inspectie- en expertisetaken en het Nationaal Referentie Centrum van de NVWA.
Verwacht u dat de NVWA al haar taken kan uitvoeren bij een harde brexit op 29 maart 2019?
In het worst case scenario zal de NVWA gedurende ongeveer een jaar kunnen kampen met een tekort aan dierenartsen. In dat geval is strikte herprioritering van de totale inzet van dierenartsen noodzakelijk. Het is daarom niet uitgesloten dat het niveau van dienstverlening van de NVWA aan de bedrijven gedurende die periode moet worden aangepast. Dit kan onder meer betekenen dat exportcertificeringen op andere momenten zullen plaatsvinden dan door bedrijven is aangevraagd.
Of er sprake zal zijn van het worst case scenario is afhankelijk van de eisen die de Britse overheid bij een no deal definitief gaat stellen aan de import in het Verenigd Koninkrijk.
Is de dienstverlening van de NVWA inmiddels voldoende geautomatiseerd zodat processen snel en doelmatig kunnen worden doorlopen? Zo nee, welke processen en formulieren kunnen nog niet handmatig worden verwerkt, wat zijn de gevolgen voor het bedrijfsleven en wanneer worden deze processen geautomatiseerd?
De NVWA heeft veel ervaring met dienstverleningsprocessen rond import en export en deze processen worden met de Brexit niet anders. Voor verdere beantwoording verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van de leden Lodders en Weverling met kenmerk 2019D03129.
Klopt het dat de NVWA slechts vijf dagen per week bij de ferry in IJmuiden aanwezig is, terwijl die dagelijks vaart? Zo ja, wat is hiervoor de reden en wat zijn de gevolgen voor het bedrijfsleven?
De NVWA werkt momenteel niet bij de ferry in IJmuiden. Daar worden op dit moment immers geen keuringen uitgevoerd, omdat de goederenstroom vervoer binnen de Europese Unie betreft.
Na de Brexit wordt dit anders. Voor het keuren van goederen van dierlijke oorsprong kan gebruik gemaakt worden van keurlocaties in de buitengrensinspectiepost van Amsterdam. Het betreft volgens de marktdeelnemers aldaar nu een zeer beperkt aantal partijen op jaarbasis. Dit volume is van dien aard dat weekenddiensten de efficiëntie van toezicht zeer nadelig zal beïnvloeden en wordt daarom vooralsnog niet door de NVWA overwogen.
Specifiek voor gezelschapsdieren die met de ferry aankomen zijn afspraken met de douane om de benodigde controles uit te voeren.
Klopt het dat als er kleine huisdieren worden ingevoerd, deze na de Brexit aangewezen zijn op de opvang in Nijkerk voor bijvoorbeeld quarantaine voorzieningen? Zo ja, welke argumenten liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gezelschapsdieren worden ingevoerd in overeenstemming met de EU-wetgeving, is er geen belemmering in het verkeer van deze gezelschapsdieren. De op EU-wetgeving gebaseerde instructie maakt de NVWA kenbaar op de website.
Ik adviseer eigenaren van gezelschapsdieren dan ook met klem zich tijdig voor te bereiden op een reis met hun gezelschapsdier van of naar het Verenigd Koninkrijk.
Wanneer niet aan de wetgeving voldaan is, kan het zijn dat gezelschapsdieren in quarantaine moeten. Hiervoor is in Nederland de voorziening in Nijkerk beschikbaar.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden?
Uw Kamer heeft mijn antwoorden zo spoedig mogelijk ontvangen.
Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u beloofde de Kamer voor het einde van 2018 te informeren over de voortgang van het door de sector opgestelde «Plan van aanpak welzijn geitenbokken van de melkgeitenketen»?1
Ja.
Heeft u opgemerkt dat we inmiddels ruim in de tweede maand van 2019 leven?
Ja.
Kunt u toelichten wat u bedoelde toen u in uw Beleidsbrief Dierenwelzijn over hoge sterfte onder jonge dieren in de veehouderij schreef dat u de sectorplannen rond de «vitaliteit» van jonge dieren «nauwlettend» volgt?2
Zoals ik mijn Beleidsbrief Dierenwelzijn heb aangegeven, vind ik het belangrijk dat de sterfte onder jonge dieren wordt teruggedrongen. Ik ben blijvend in gesprek met sectoren, zowel over de uitwerking van de plannen, de implementatie van de maatregelen als de monitoring van de resultaten.
Waarom heeft u de Kamer niet volgens belofte geïnformeerd over de voortgang van de aanpak die de sectororganisaties zelf mochten opstellen over het ernstige probleem van de sterfte onder bokjes in de melkgeitenhouderij?
Het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes kent een aanpak waarbij de uitval onder lammeren in een kalenderjaar wordt vastgesteld en wordt vergeleken met een benchmark. Met ingang van 1 januari 2018 is binnen het kwaliteitssysteem KwaliGeit een normering opgenomen voor het bewaken van de lammersterfte conform de definitie in het plan van aanpak. Na afloop van het 4e kwartaal van 2018 is gestart met het berekenen van de jaargemiddelde sterftecijfers op individuele geitenhouderijen. De eerste toetsing op de normering vindt plaats in het eerste kwartaal van 2019. Het Platform Melkgeitenhouderij rapporteert in april van dit jaar over deze eerste toetsing.
Zoals ik in het plenair debat over dieren in de veehouderij van 24 januari jongstleden heb toegezegd, stuur ik uw Kamer in het voorjaar van 2019 een stand-van-zakenbrief dierenwelzijn. Zoals daar ook toegezegd zal in die brief ook worden ingegaan op de sterfte van jonge dieren. Ik zal uw Kamer bij die brief het rapport van het Platform Melkgeitenhouderij over de eerste toetsing op de normering uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes meesturen. Vooruitlopend op dat rapport treft u bij deze brief een rapportage3) van het Platform Melkgeitenhouderij aan waarin ingegaan wordt op de implementatie en uitvoering van het plan van aanpak.
Hebben de Nederlandse Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) en de Nederlandse GeitenZuivel Organisatie (NGZO) u wel geïnformeerd over de voortgang van het door hen opgestelde plan van aanpak? Zo ja, op welk moment? Zo nee, waarom accepteert u dat van de sectororganisaties?
Ik voer op regelmatige basis overleg met de melkgeitenketen, onder andere over het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes. In goed overleg met de melkgeitenketen is besloten de rapportage over de voortgang van de maatregelen uit het plan van aanpak door te schuiven naar een moment waarop de gegevens over het gehele kalenderjaar beschikbaar en geanalyseerd zijn.
Vindt u de inspectieresultaten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over 2017 (gemiddeld 32% sterfte op bokkenmesterijen in 2017 ten opzichte van 31% in 2016) acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u wel acceptabele sterftecijfers onder geitenlammeren die ter wereld komen in de melkgeitenhouderij?3
Ik vind de in 2016 en 2017 geconstateerde sterftecijfers op bokkenmesterijen onacceptabel. Daarover kan geen misverstand bestaan. Deze cijfers zijn aanleiding geweest voor het vorige kabinet om de sector nadrukkelijk aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid om de sterfte onder geitenbokjes terug te dringen en hiervoor zelf maatregelen te implementeren. Dit heeft geresulteerd in het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes, waarvan ik de eerste rapportage over het jaar 2018 binnenkort van de sector verwacht en aan uw Kamer zal toesturen.
Mijn inzet is erop gericht het sterftecijfer onder jonge dieren in de melkgeitensector, maar ook in andere sectoren, zo ver als mogelijk terug te dringen. In het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes wordt door de melkgeitenketen een doelstelling gehanteerd voor het jaar 2020. In de komende periode ga ik, mede op basis van de resultaten over het eerste jaar van het plan van aanpak, in het kader van het programma Versnelling Verduurzaming Veehouderij met de melkgeitensector in gesprek over de ambitie om sterfte onder jongen dieren zo snel als mogelijk terug te dringen.
Kunt u, gelet op het feit dat de NVWA meldt niet te weten hoeveel bokkenmesters er zijn in Nederland, met zekerheid zeggen dat het nu door de NVWA genoemde hoogste sterftecijfer (61% op een bedrijf in 2017) ook daadwerkelijk de hoogste sterfte is die in de geitenzuivelsector voorkomt? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, erkent u dat de sterftecijfers ook nog hoger kunnen liggen dan nu door de NVWA genoteerd?
Bedrijven die geiten houden dienen zich te laten registreren bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en krijgen een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) toegekend. Daaronder vallen ook de bedrijven die uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes houden. Dergelijke bedrijven kunnen aangemerkt worden als «bokkenmester», maar staan niet onder die aanduiding geregistreerd bij RVO.nl of de NVWA. In het I&R-systeem wordt de verblijfplaats (locatie) van geiten geregistreerd.
Op basis van het UBN en het I&R-register is bij de overheid bekend waar de bedrijven zijn gevestigd en op welke locaties de geiten staan geregistreerd. Op grond van deze registers kan middels data-analyse afgeleid worden welke van deze bedrijven uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes houden en dus gezien kunnen worden als «bokkenmester». Op basis van de analyse in 2017 kon gesteld worden dat het geconstateerde sterftepercentage van 61% het hoogste percentage was bij de bedrijven waarvan uit analyse was gebleken dat die uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes hielden in dat betreffende jaar.
Hoeveel geitenlammeren zijn er in 2018 in de Nederlandse melkgeitenhouderij levend dan wel dood geboren, hoe is dat geregistreerd en hoe en door wie is dat gecontroleerd?
In 2018 zijn door melkgeitenhouders 291.405 geboortes geregistreerd in het I&R-systeem. Het I&R-systeem kent diverse administratieve controles. Daarnaast worden door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteiten (NVWA) fysieke controles uitgevoerd. Geitenhouders hoeven doodgeboortes niet te registreren in het I&R-systeem.
Hoeveel geitenlammeren die levend geboren zijn in de Nederlandse melkgeitenhouderij zijn er in 2018 alsnog gestorven, op welke leeftijd gebeurde dat, hoe is de sterfte onder geitenlammeren geregistreerd en hoe en door wie is dat gecontroleerd?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2018 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
4.588
7 tot 29 dagen
25.296
30 t/m 365 dagen
22.422
Meer dan 365 dagen
45.321
Geiten moeten na geboorte worden gemeld in het I&R-systeem op het moment dat ze van het geboortebedrijf worden afgevoerd. Indien een geit niet van het geboortebedrijf wordt afgevoerd dient melding in ieder geval binnen 6 maanden na de geboorte plaats te vinden. De verplichting om sterfte van geiten op het bedrijf te melden in I&R geldt alleen voor dieren die zijn voorzien van een oormerk.
Kunt u nader specificeren hoe het aantal van 110.237 doodmeldingen van geiten in de Nederlandse veehouderij in 2017 is opgebouwd, in elk geval naar de leeftijd (of leeftijdscategorie) waarop de dieren gestorven zijn?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2017 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
6.411
7 tot 29 dagen
22.227
30 t/m 365 dagen
27.635
Meer dan 365 dagen
53.964
Is het cijfer dat u noemde het totale aantal geiten dat in de Nederlandse veehouderij in 2017 is gestorven, inclusief de doodgeboren geitenlammeren? Zo nee, hoe hoog is het cijfer dan?4
Dit cijfer geeft het aantal doodmeldingen van geiten die in het I&R-systeem zijn geregistreerd. Er is geen wettelijke verplichting om doodgeboren geitenlammeren te melden in I&R.
Wat was het sterftecijfer onder geiten in de Nederlandse veehouderij in 2016?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2016 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
6.394
7 tot 29 dagen
18.663
30 t/m 365 dagen
25.336
Meer dan 365 dagen
42.022
Kunt u het cijfer bevestigen dat Wakker Dier in haar rapport «Sterfte in de veehouderij» noemde, te weten 91.000 dieren? Zo nee, om welk cijfer gaat het dan? Zo ja, vindt u een stijging van meer dan 20%, oftewel 20.000 geiten die nog voor de slacht zijn gestorven in de Nederlandse veehouderij, acceptabel?5
Het door Wakker Dier in rapport genoemde cijfer over sterfte onder geiten heeft betrekking op het jaar 2016 en is, zoals bij de betreffende tabel in het rapport is aangegeven, een «benadering van de jaarlijkse sterfte». Op basis van cijfers uit I&R kom ik voor het jaar 2016 op een sterfte van 92.415, in alle leeftijdscategorieën (zie de tabel bij het antwoord op vraag 12).
Om een oordeel te kunnen vellen over de stijging van het aantal sterfgevallen onder geiten tussen 2016 en 2017 (19,3%) is meer informatie noodzakelijk, bijvoorbeeld over het totaal aantal gehouden geiten en de oorzaak van de sterfgevallen. Ten algemene ben ik van mening dat het percentage vroegtijdige sterfte omlaag moet, met name, maar niet uitsluitend, onder jonge dieren.
Erkent u de constitutionele verhoudingen, onder andere keer op keer benadrukt door de Algemene Rekenkamer, dat de Kamer het beleid van het kabinet moet kunnen controleren op concrete en afrekenbare doelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete en afrekenbare doelen koppelt u aan het beleid dat u voert voor het terugdringen van de sterfte onder geitenlammeren in de geitenzuivelketen?
Daar waar het gaat om het concretiseren van de algemene zorgplicht is het niet altijd effectief en haalbaar om afrekenbare doelen te formuleren en op te leggen aan individuele ondernemers. Dit geldt met name daar waar het beoogde beleidsdoel niet uitsluitend beïnvloed wordt door het handelen van de ondernemer. In het geval van sterfte en ziektes zijn er vele factoren die bepalend zijn voor het behaalde resultaat. Factoren die zich deels in de invloedssfeer van de ondernemer bevinden, maar deels ook daarbuiten. Ik ben van mening dat de sector in den brede en individuele ondernemers in het bijzonder aangesproken moeten worden op hun (maatschappelijke) verantwoordelijkheid en hun professionaliteit om maximaal invulling te geven aan de zorgplicht die op hun rust. Daarbij kunnen koplopers als benchmark dienen voor de rest van de sector en is het van belang dat partijen uit de veehouderijketen en maatschappelijke organisaties bijdragen aan de juiste omstandigheden om sterfte terug te dringen tot een zo laag mogelijk niveau.
Neemt u het doel over dat de sectororganisaties in het plan van aanpak hebben geformuleerd? Zo ja, kunt u verhelderen wat dat doel dan inhoudt wanneer het plan spreekt over 9,3% sterfte in 2020, maar tegelijk spreekt over een stoplichtenmodel dat ruimte laat voor veel hogere sterftepercentages? Zo nee, welk doel stelt u dan en welke deadline houdt u daarvoor aan?6
Het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes is per brief van 11 december 2017 aan uw Kamer toegezonden (Kamerstuk 28 286, nr. 939). In het plan is als doel voor 2020 het percentage van maximaal 9,3% opgenomen. Het plan is met uw Kamer besproken tijdens het Algemeen Overleg Dierenwelzijn van 7 februari 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 968). Het «stoplichtenmodel» waar de Partij voor de Dieren over spreekt laat geen ruimte voor een hoger sterftepercentage. Het stoplichtenmodel maakt inzichtelijk bij welke bedrijven het sterftepercentage te hoog is en koppelt hier maatregelen aan. Het plan van aanpak zal geëvalueerd worden waarbij een belangrijke toets zal zijn wat het doel voor de periode na 2020 kan en zal worden.
Hoe verhoudt het (vage) sectordoel van 9,3% met ruimte voor veel hogere sterftepercentages zich tot de uitspraken van oud-minister Kamp dat ook een sterfte van slechts 2% te bereiken is?7
Het percentage van 2% waar oud-minister Kamp tijdens het dertigledendebat over misstanden in een bokkenmesterij van 13 september 2017 op doelde, had betrekking op een individueel bedrijf. Op het betreffende bedrijf werden uitsluitend bokjes van één primair melkgeitenbedrijf afgemest. Doordat er geen koppels jonge dieren van verschillende primaire bedrijven werden samengebracht was op dit bedrijf de ziektedruk laag. Dit benadrukt het belang van het streven van de melkgeitensector om zoveel mogelijk bedrijven ertoe te bewegen geitenbokjes op hun eigen bedrijf af te mesten.
Oud-minister Kamp heeft tijdens genoemd debat het volgende gezegd over wat in zijn ogen een realistisch en haalbaar sterftecijfer kan zijn: «Bij bokkenhouders waar controles zijn geweest en waar is opgetreden, is gebleken dat het sterftecijfer teruggebracht kan worden naar 12%. Ik denk dat het nog verder teruggebracht kan worden. Dat zal nu per bedrijf moeten gebeuren en wij zullen daar bovenop moeten zitten.»
Wat bedoelt de NVWA als zij in haar rapport «Welzijn geiten. Inspectieresultaten 2017» schrijft dat de «aanpak» is geïntensiveerd toen de hoge sterfte bij bokkenmesterijen in beeld kwam in 2017 en kunt u uiteenzetten wat de aanpak vóór 2017 dan precies was en de inspectieresultaten van de voorgaande vijf jaar naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?8
In 2017 is in het project Welzijn Geiten van de NVWA aandacht besteed aan geitenbokjes, naar aanleiding van aanwijzingen bij inspecties in voorgaande jaren. De bokkenmesters zijn geselecteerd door middel van een data-analyse op basis van gegevens uit I&R en de Gecombineerde opgave van 2016. Aan de hand van deze data-analyse bleek er sprake te zijn van (zeer) hoge sterfte onder geitenbokjes bij bokkenmesters. Dit was aanleiding om extra inspecties bij bokkenmesters uit te voeren in 2017.
Vóór 2017 waren bokkenmesters voor de NVWA geen aparte doelgroep bij welzijnsinspecties omtrent geiten. In het voorjaar van 2014 is door de NVWA een project uitgevoerd, gericht op geitenlammeren. Bij primaire bedrijven is daarbij gecontroleerd op gebruik van diergeneesmiddelen, I&R en dierlijke bijproducten. Tevens is het vervoer van jonge dieren gecontroleerd. In 2015 is dit project herhaald. Er zijn destijds geen welzijnsovertredingen aangetroffen.
Kunt u uitleggen hoe het in hemelsnaam zo kan zijn dat de NVWA niet weet hoeveel bokkenmesters er in Nederland zijn?
Het beeld dat de NVWA geen of onvolledig toezicht zou kunnen houden op het welzijn van geitenbokjes, klopt niet. De NVWA weet op welke locaties er geiten gehouden worden. Voor het overige wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
Hoe kan de toezichthouder toezicht houden op het welzijn van dieren als ze niet eens weet in welke schuren en op welke locaties ze worden vetgemest voor de slacht? Identificatie en registratie (I&R) is toch ook voor geitenlammeren verplicht?
Zie antwoord vraag 18.
Hoe kan de Kamer controleren wat de sterftepercentages in de melkgeitenhouderij zijn als bedrijven of stallen waarin dieren worden gehouden niet eens in beeld zijn bij de toezichthouder?
Zie antwoord vraag 18.
Hoe kan de Kamer controleren of de handhaving van dierenwelzijnsregels op orde is als bedrijven of stallen waarin dieren worden gehouden niet eens in beeld zijn bij de toezichthouder/handhaver?
Zie antwoord vraag 18.
Zijn er nog meer veehouderijsectoren waarbij de NVWA geen compleet beeld heeft van het aantal bedrijven en de precieze locaties van de stallen waarin dieren worden gefokt, gebruikt en vetgemest voor de slacht? Zo ja, welke? Zo nee, waaruit blijkt dat de NVWA wel een volledig beeld heeft van alle andere veehouderijsectoren dan de sector bokkenmesterij?
Houders van runderen, varkens, schapen, geiten en nertsen zijn verplicht de verblijfplaats (locatie) van deze dieren te laten registreren, zelfs in het geval er slechts één dier van genoemde diercategorieën wordt gehouden. Houders van konijnen en pluimvee (kippen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels) moeten melding doen van de verblijfplaats indien sprake is van het bedrijfsmatig houden van deze dieren. Voor runderen, varkens, schapen, geiten en pluimvee geldt daarnaast een I&R-registratie. Met genoemde registraties heeft de NVWA een volledig beeld van de locaties waar dieren worden gefokt, gehouden en gemest voor de slacht.
Erkent u dat het welzijn van melkgeiten niet alleen wordt aangetast door het laten werpen van jongen die meteen bij haar worden weggehaald, maar ook door het zogenaamde «duurmelken»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke kaders hanteert u voor het welzijn van deze dieren?
Nee. Het duurmelken van geiten, waarbij geiten na het krijgen van nakomelingen langer in lactatie blijven, wordt door de melkgeitensector in het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes als één van de oplossingen genoemd voor het terugdringen van de sterfte onder geitenbokjes, doordat het aantal benodigde nakomelingen – en daarmee dus ook bokjes – verminderd wordt.
Veel uitval van melkgeiten is volgens onderzoek van de Animal Sciences Group van Wageningen UR gerelateerd aan dracht en aflammeren en aan maag-darm-problemen en mastitis in de eerste vier à vijf maanden van de lactatie10. Duurmelken vermindert de risico’s op uitval onder volwassen melkgeiten.
Herinnert u zich dat u in het debat over het lijden en sterven van dieren in de veehouderij d.d. 24 januari 2019 liet weten het oneens te zijn met de analyse van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een groot gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld over (de herkomst van) dierlijke producten en de dagelijkse realiteit voor de dieren (in de veehouderij)?9
In het plenaire debat over dieren in de veehouderij van 24 januari 2019 heeft de PvdD-fractie aangegeven van mening te zijn dat er een enorm gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld en de dagelijkse realiteit voor de dieren en werd daaraan de conclusie verbonden dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) daarin een taak heeft. Ik heb in het debat aangegeven dat de consument ook een plicht heeft om zelf te onderzoeken, zich te verdiepen, zelf kennis van zaken op mag doen.
Hoe verklaart u de massale uitingen van verbazing en ontzetting die in mei 2018 in de (sociale) media zichtbaar en hoorbaar waren nadat in een uitzending van Boer zoekt Vrouw te zien was hoe op een biologisch geitenbedrijf de pasgeboren lammeren werden weggehaald bij de moedergeit en in een doos werden gezet?
De reactie van mensen is afhankelijk van ieders eigen referentiekader. Mensen die van mening zijn dat een lam na de geboorte gedurende een periode bij de moeder moet blijven zullen anders naar de betreffende beelden kijken dan mensen die van mening zijn dat met het weghalen bij de moedergeit en het afzonderen van de individuele lammeren verspreiding van infecties voorkomen wordt en individuele zorg geboden kan worden. Het is aan de individuele ondernemer om te bepalen hoe lang een lam bij de moedergeit gehouden wordt. De zorg voor jonge dieren staat daarbij altijd voorop.
Vond u de toelichting van de presentatrice «de doos geeft de geitjes een veilig gevoel» een correcte en/of complete duiding van wat er precies met de dieren gebeurt in het systeem van (biologische) geitenzuivelproductie?
Het reduceren van hetgeen in de (biologische) geitenzuivelproductie gebeurt tot een enkele scene uit een aflevering van Boer zoekt Vrouw doet in mijn ogen geen recht aan de (biologische) geitenzuivelsector.
Wat zou u vertellen als iemand u, als Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn, die bovendien meent dat overheid en sector niets achterhouden als het gaat om de daadwerkelijke situatie voor de dieren in de veehouderij, zou vragen waar (biologische) geitenzuivel vandaan komt?
Ik zou zeggen dat (biologische) geitenzuivel van melkgeitenhouderijen komt waar agrarische ondernemers elke dag van de week de best mogelijk zorg geven aan hun dieren, vanuit een intrinsieke motivatie en omdat een goede zorg ten gunste van hun onderneming is.
De bekendheid van burgers met het dierenleed dat schuilgaat achter dons |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u in het debat over het lijden en sterven van dieren in de veehouderij op 24 januari 2019 liet weten het oneens te zijn met de analyse van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een groot gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld over (de herkomst van) dierlijke producten en de dagelijkse realiteit voor de dieren (in de veehouderij)?1
Ik heb tijdens het debat op 24 januari aangegeven dat ik geen andere voorstelling van zaken geef over de veehouderij dan hoe zij daadwerkelijk is. En dat ik niets achter te houden heb bij de vraag hoe de situatie is. Ik heb ook aangegeven dat het ook aan de consument is om enige kennis van zaken op te doen en zelf op onderzoek uit te gaan als hij of zij zich wil verdiepen in de herkomst van producten.
Heeft u de uitzending gezien die Kassa op 2 februari 2019 wijdde aan het dierenleed dat schuilgaat achter dons?2
Ja, ik heb de uitzending van Kassa gezien.
Kunt u bevestigen dat dons dat in Nederland wordt verkocht ofwel afkomstig is van eenden die in China levend worden geplukt ofwel van eenden die in Nederland worden gefokt en gedood voor vlees en dons? Zo nee, waarvan is het dan afkomstig?
Dit kan ik niet bevestigen. Bedrijven die zich hebben aangesloten bij het Convenant Duurzame Kleding en Textiel (CKT) hebben zich gecommitteerd om due diligence uit te voeren en daarbij aandacht te geven aan negen thema’s. Dierenwelzijn is één van deze 9 thema’s. Vanaf het tweede jaar van deelname brengen bedrijven in beeld welke materialen ze gebruiken en welke potentiele risico’s met deze materialen gemoeid zijn.
In 2018 hebben deelnemende bedrijven deze informatie aan het secretariaat CKT aangeleverd. De geaggregeerde resultaten zijn samengevat en online te vinden: www.imvoconvenanten.nl/~/media/files/imvo/kleding/2018-factsheet.ashx
Uit deze informatie blijkt dat van het totaal aan materialen die de bedrijven gebruiken 1% bestaat uit dierlijke materialen (bont, dons, exotische leer, leer (koe, kalf, geit, varken), wol, zijde). Van die 1% bestaat 2% uit dons. In totaal hebben de bedrijven aangegeven 14 ton dons te gebruiken. Bedrijven geven aan dat hiervan 11 ton is gecertificeerd met de Responsible Down Standard (RDS) hetgeen betekent dat het dons niet van levend geplukte eenden afkomstig is. Van de overige 3 ton die niet is gecertificeerd zijn geen nadere gegevens.
Van bedrijven die zich hebben aangesloten bij het CKT wordt verwacht dat zij in 2021 geen dons meer gebruiken van levend geplukte en/of dwang-gevoederde ganzen en eenden.
Kunt u bevestigen dat er een keurmerk bestaat dat verkopers van dons van niet levend geplukte dieren gebruiken op hun producten, waarmee consumenten wordt verteld dat het gaat om «gecertificeerd verantwoord» dons, het Responsible Down Standard (RDS)-keurmerk?
Ja.
Heeft u gezien dat de filmploeg van Kassa langsging bij een aantal bekende kledingwinkels en medewerkers daar vroeg naar de herkomst van het dons dat in de kleding is verwerkt die zij daar verkopen en heeft u gezien en gehoord dat geen enkele medewerker de (undercover)filmploeg duidelijke informatie kon verschaffen over de herkomst van het dons dat in de betreffende jassen is gebruikt en over wat de dagelijkse realiteit is voor de dieren in de donsindustrie?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u gezien dat Stichting Animal Rights een klacht heeft ingediend bij de Reclame Code Commissie over de reclame van beddenfabrikant Auping, die dons gebruikt van eenden uit de Nederlandse eendenhouderij, waarin werd gesteld dat het dons dat zij gebruiken het RDS-keurmerk draagt en dat dit betekent dat de eenden en ganzen gezond leven, geen pijn lijden en geen angst of stress ervaren?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u gezien dat de Reclame Code Commissie begin 2018 heeft geoordeeld dat Auping de consument misleidt met onjuiste claims over dierenwelzijn, gebaseerd op het RDS-keurmerk, waardoor «de gemiddelde consument [...] ertoe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen»?3
Ja, dat heb ik gezien.
Wanneer nam u kennis van die uitspraak, waarmee de stichting Animal Rights in het gelijk werd gesteld, en heeft u actie ondernomen toen u doorkreeg dat consumenten werden misleid over de herkomst van dons? Zo ja, welke?
Het is niet mijn taak om te beoordelen of reclames misleidend zijn en hier actie op te ondernemen. Dit is aan de Reclame Code Commissie die ook in deze zaak uitspraak heeft gedaan.
Heeft u gezien dat Kassa mensen op straat beelden heeft laten zien uit de eendenhouderij, zowel beelden van het levend plukken van eenden voor dons in China als beelden uit Nederlandse stallen waarin eenden zitten opgesloten met als doel om ze te doden voor vlees en dons?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u opgemerkt dat de mensen op straat, geconfronteerd met deze beelden van de dagelijkse realiteit voor de dieren die gebruikt worden voor dons, zeer verbaasd en geschokt waren over wat ze zagen en dat deze mensen lieten weten geen idee te hebben dat dit schuilging achter dons en dat dit in producten zit die ze zelf ook hebben aangeschaft, zoals dekbedden en jassen?
Ja, ik heb de reactie op de getoonde beelden gezien.
Herinnert u zich nog dat u zei dat de consument ten aanzien van het dierenwelzijn een plicht heeft om zelf te onderzoeken wat er schuilgaat achter dierlijke producten? Hoe kan de consument deze plicht vervullen, denkt u, als de donsindustrie zelf niet zorgt dat de beelden van de dieren bekend zijn bij mensen, als bedrijven consumenten misleiden met een keurmerk en als (verkoop)medewerkers die donsproducten verkopen, zelfs als er actief naar de herkomst wordt gevraagd, geen duidelijke of zelfs onjuiste informatie geven over de manier waarop dieren in de donsindustrie worden gefokt, gebruikt en gedood?
De betekenis van het RDS-keurmerk is door de consument op te zoeken. Bedrijven misleiden mensen niet wanneer zij uitdragen dat zij volgens dit keurmerk handelen. De producten met het RDS keurmerk zijn ook herkenbaar in de winkels. Het is aan de retail om medewerkers te instrueren over de producten die zij verkopen.
Ziet u parallellen met de herkomst van andere dierlijke producten? Zo ja, welke? Zo nee, waarop baseert u uw aanname dat deze situatie van misinformatie zich alleen zou afspelen bij dons?
Deze parallellen zie ik. Veel kleding- en textielbedrijven hebben beperkte kennis over de dierenwelzijnsaspecten van de dierlijke materialen die zij gebruiken. Daarom is dit in het kader van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel voor de bedrijven in beeld gebracht. Dit heeft in 2018 geresulteerd in het rapport «Dierenwelzijn in de Kleding- en Textielsector». In navolging van dit rapport en het due diligence proces dat bedrijven hebben doorlopen (zie ook mijn antwoord op vraag 3), wordt van bedrijven verwacht dat zij risico’s prioriteren en adresseren. Dit gaat om risico’s ten aanzien van negen thema’s waaronder dierenwelzijn. Voor wat betreft dierenwelzijnsaspecten bekijken bedrijven vervolgens hoe zij de negatieve impact kunnen gaan voorkomen of verminderen. Daarvoor kunnen zij gebruik maken van de oplossingsrichtingen uit het rapport «Dierenwelzijn in de Kleding- en Textielsector». En daarbij hoort ook dat bedrijven hun klanten goed informeren over het gebruik van de (gecertificeerde) materialen van dierlijke oorsprong.
Wat zou u zelf vertellen als iemand u, als Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn, die bovendien meent dat overheid en sector niets achterhouden als het gaat om de daadwerkelijke situatie voor de dieren in de veehouderij, zou vragen wat de herkomst is van dons?
Het is algemeen bekend dat dons bestaat uit veren van vogels. Er is ook vrij gemakkelijk online terug te vinden dat dons op verschillende manieren kan worden verzameld. Daarnaast kan de consument ervoor kiezen om producten zoals jassen en dekbedden te kopen waarbij niet-dierlijke materialen zijn gebruikt in plaats van dons.