Het bericht ‘Nieuwe uitkoopregeling voor boeren op de tocht: mogelijk ongeoorloofde staatssteun’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe uitkoopregeling voor boeren op de tocht: mogelijk ongeoorloofde staatssteun»?1
Ja.
Klopt het dat het onzeker is of de nieuwe uitkoopregeling voor stoppende boeren door kan gaan, omdat het mogelijk niet voldoet aan de Europese staatssteunregels?
Het klopt dat de tweede tranche van de Maatregel gerichte aankoop (MGA-2), zoals die van 9 mei tot 13 juni in publieke consultatie heeft gelegen, mogelijk niet in die vorm door kan vanwege de toepasselijke Europese staatssteunregels.
Bent u het eens dat een solide uitkoopregeling cruciaal is voor het behalen van de stikstofdoelen?
Ja.
Is er tijdens de ontwikkeling van de voorliggende uitkoopregeling contact geweest met de Europese Commissie om zeker te stellen dat de regeling past binnen de kaders van de Europese staatssteunregels? Zo ja wanneer en welke signalen heeft u daarbij ontvangen van de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitwerking van de MGA-2 is nadrukkelijk rekening gehouden met de door uw Kamer aangenomen motie van de leden De Groot en Van Otterloo (Kamerstuk 35 600 nr. 45), waarin de regering onder meer wordt verzocht om onder voorwaarden het verplaatsen van een bedrijf mogelijk te maken en daarmee het doorstartverbod uit de tweede tranche van de maatregel te halen.
In mei is in aanloop naar de notificatie van de Lbv ook informeel gesproken met de Europese Commissie over de MGA-2. In dit overleg heeft de EC benadrukt dat voor geoorloofde staatssteun bij vrijwillige maatregelen die gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk sluiten van productiecapaciteit het doorstartverbod een cruciale voorwaarde is: dit moet voorkomen dat de ondernemer soortgelijke activiteiten weer elders gaat opstarten.
Kijkt Nederland naar opties om de uitkoopregeling niet onder het toetsingskader van staatssteun door de Europese Commissie te laten vallen? Kunt u een overzicht geven van deze opties?
Uiteraard kijk ik naar opties waarbij het door de Europese steunkaders voorgeschreven doorstartverbod niet van toepassing is. Duidelijk is echter dat voor steun voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging het doorstartverbod een vereiste is. Eerder heb ik aangegeven dat als de vrijwillige keuzes onvoldoende resultaat opleveren, dwingende maatregelen tot de mogelijkheden behoren. In dat geval gelden vanuit de staatssteunkaders andere regels.
Welke mogelijkheden zijn er om de uitkoopregeling te laten vallen onder de landbouwvrijstellingsverordening (LVV)? Wat doet Nederland om dit bij de Europese Commissie onder de aandacht te brengen?
Overheidsfinanciering die aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voldoet, vormt staatssteun en moet krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie worden aangemeld. De landbouwvrijstellingsverordening beschrijft categorieën van steun die van die aanmeldingsverplichting worden vrijgesteld. Het op vrijwillige basis (gedeeltelijk) sluiten van productiecapaciteit valt niet onder de landbouwvrijstellingsverordening, maar onder de «Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020» (2014/C 204/01).
Is de Europese Commissie zich er volgens u voldoende van bewust dat deze uitkoopregeling nodig is om aan de Europese eisen rondom Natura 2000 te voldoen? Of stelt de Europese Commissie alternatieven voor?
Naar mijn mening is de Europese Commissie zich er voldoende van bewust dat er aanzienlijke maatregelen noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden in Nederland te verbeteren en dat regelingen ter ondersteuning van beëindiging van productiecapaciteit hier onderdeel van uitmaken. Dat laat onverlet dat richtsnoeren voor staatssteun daarop van toepassing zijn.
Wat moet er volgens u gebeuren om ervoor te zorgen dat de nieuwe uitkoopregeling toch doorgang kan vinden en wat gaat u er zelf aan doen?
Ik heb informeel overleg gevoerd met de Europese Commissie over de Lbv en de MGA-2. In vervolg daarop verken ik samen met de Europese Commissie de met de staatssteunregels verenigbare mogelijkheden. Mijn inzet is erop gericht de Lbv zo snel mogelijk door de Europese Commissie goedgekeurd te krijgen. Daartoe zal ik zo spoedig mogelijk starten met de prenotificatie en vervolgens de formele notificatie.
Daarbij ben ik met de provincies in gesprek of en in welke vorm de MGA-2 meerwaarde heeft naast de Lbv die momenteel wordt afgerond en de uitvoering van de provinciale versnellingsmaatregelen in verband met de Provinciale Uitvraag stikstofaanpak en de legalisatieopgave van de PAS-melders. Besluitvorming daarover vindt plaats in het najaar.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zullen zijn wanneer deze uitkoopregeling niet doorgaat? Wat zou dit betekenen voor het behalen van de stikstofdoelen?
De uitkoopregeling maakt onderdeel uit van het huidige bronmaatregelenpakket3. Op het moment dat de regeling niet doorgaat, zal daarvoor bijsturing plaatsvinden conform de bijsturingssystematiek uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering om zo snel mogelijk te zorgen voor alternatieve depositiereductie op Natura 2000-gebieden.
Wanneer wordt definitief besloten of de regeling wel of geen doorgang kan vinden?
Zie mijn antwoord bij vraag 8.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘nieuwe uitkoopregeling op de tocht’ |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nieuwe uitkoopregeling op de tocht»?1
Ja.
Herkent u de in het artikel genoemde waarschuwing dat de nieuwe uitkoopregeling die stoppende boeren ruimhartiger dient te vergoeden, niet door dreigt te gaan?
Ja.
Zo ja, kunt u concreet aangeven op basis van welke concrete wet- en regelgeving deze regeling «een vorm van ongeoorloofde staatssteun» zou zijn, zo nee, waarom niet?
De Europese richtsnoeren2 bepalen of en zo ja, onder welke voorwaarden er sprake kan zijn van geoorloofde staatssteun. Voor het vrijwillig beëindigingen van veehouderijbedrijven – het sluiten van productiecapaciteit – kennen de richtsnoeren een specifiek steunkader.
Het kader bevat een vereiste dat de begunstigde van de steun een wettelijk bindende toezegging moet doen om dezelfde activiteit niet opnieuw op een andere plaats te beginnen, het zogenoemd doorstartverbod. Een ondernemer die vrijwillig gebruik maakt van een stoppersregeling kan dus niet elders opnieuw met dezelfde activiteit starten. De Europese Commissie (EC) heeft eerder bij de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen strikt aan deze eis vastgehouden.
In mei heb ik een eerste informeel overleg gevoerd met de EC over de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de MGA-2. In dit overleg heeft de commissie opnieuw op deze eis gewezen.
Deelt u de mening dat – gelet op het belang van de vrijwilligheid van de regelingen – ook het stoppersverbod voor agrariërs uit de regeling moet worden gehaald en zo ja, hoe gaat u de Europese Commissie daarvan overtuigen?
Inzet van het kabinet is om zoveel als mogelijk is in te zetten op vrijwilligheid bij beëindiging. Een maatregel waarmee de overheid een vergoeding verstrekt aan een ondernemer die vrijwillig de productie op zijn bedrijf of op een locatie van zijn bedrijf definitief beëindigt, dient te voldoen aan de voorwaarden die volgen uit de Richtsnoeren, zo ook het zogenoemde doorstartverbod.
Zien de bezwaren van de Europese Commissie op de nieuwe uitkoopregeling enkel toe op het voornemen om het stoppersvebod uit de regelingen te schrappen, of ook op andere onderdelen van de regeling?
De Europese Commissie heeft in het informele overleg van mei verduidelijkt aan welke voorwaarden een vrijwillige beëindigingsregeling op grond van de Richtsnoeren moet voldoen. Het zogenoemde doorstartverbod is een van de voorwaarden.
Indien dit laatste het geval is, op welke onderdelen zien de bezwaren van de Europese Commissie nog meer toe?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Welke verschillende opkoopregelingen bent u voornemens in te stellen aanvullend op de bestaande regelingen en kunt u per regeling aangeven:
Op dit moment werk ik naast de MGA-2 aan de Lbv en ben ik met provincies in gesprek over de uitvoering van mogelijke provinciale versnellingsmaatregelen in verband met de Provinciale Uitvraag stikstofaanpak en de legalisatieopgave van de PAS-melders.
Het is mijn voornemen om de Lbv zo snel mogelijk bij de Europese Commissie te notificeren en open te stellen.
Ten aanzien van de MGA-2 vindt nog overleg plaats met provincies over de vormgeving van deze maatregel en de positionering ten opzichte van de Lbv. Zodra over deze regeling meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Wat is ten aanzien van de reeds opgengestelde/bestaande regelingen de meest actuele stand van zaken op het gebied van deelname/intekening? Kunt u dit, indien van toepassing, uitsplitsen per provincie?
Op dit moment loopt er één regeling, de eerste tranche van de Maatregel gerichte aankoop (MGA-1). In verband met een toenemende belangstelling bij veehouders voor deelname is onlangs aan provincie Limburg aanvullend budget beschikbaar gesteld wat door andere provincies niet werd benut en is de einddatum van de regeling verschoven naar 30 november 2022. Daarmee krijgen provincies extra tijd om koopovereenkomsten waarover gesprekken nog lopen te kunnen afronden en eventuele nieuwe kansrijke koopovereenkomsten te kunnen afsluiten. De stand van zaken per 15 september is dat er 26 koopovereenkomsten zijn getekend in de provincies Groningen (1), Gelderland (7), Friesland (1), Drenthe (4), Overijssel (6) en Noord-Brabant (7). Met enkele tientallen veehouders worden nog gesprekken gevoerd, met name in de provincie Limburg. Ik zal na 1 december een definitieve balans opmaken en uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk berichten.
Welke stappen heeft u reeds ondernomen en bent u voornemens te zetten richting de Europese Commissie om zo spoedig mogelijk toestemming te krijgen voor het openstellen van vrijwillige opkoopregelingen?
Mijn inzet is erop gericht de stoppersregelingen zo snel mogelijk door de Europese Commissie goedgekeurd te krijgen. Ik heb daarom informeel overleg gevoerd met de Europese Commissie over de Lbv en de MGA-2. Na de noodzakelijke aanpassingen zal ik zo spoedig mogelijk starten met de prenotificatie en vervolgens de formele notificatie van de Lbv.
Deelt u de mening dat het wel heel absurd is, dat het kabinet aan de ene kant bereid is om fors te investeren in het halen van de afgesproken Europese doelen op het terrein van bodem, water, lucht, natuur en stikstof, maar dat de Europese Commissie aan de andere kant die aanpak in de weg staat met bureaucratische bezwaren en bent u bereid deze tegenstrijdigheid bij de Commissie onder de aandacht te brengen?
We zijn als lidstaat gehouden aan de Europese wet- en regelgeving. Binnen deze kaders zet ik mij voortdurend in om maximale ruimte en flexibiliteit te krijgen en deze ook te gebruiken om de beleidsdoelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk te realiseren.
Bent u het eens dat vrijwillige opkoopregelingen, naast onder meer innovatie en extensivering, ruimte moeten bieden voor een toekomstbestendige agrarische sector met toekomstperspectief en bent u het eens dat gedwongen uitkoop of zelfs onteigening de beweging naar verdere verduurzaming van de landbouw alleen maar zal vertragen, zal leiden tot weerstand en daarmee afbreuk doet aan draagvlak? Zo ja, op welke wijzer gaat u de Europese Commissie hiervan overtuigen? Zo nee, waarom niet?
Van gedwongen uitkoop of onteigening is bij de Lbv en MGA geen sprake. Beëindiging van veehouderijlocaties draagt bij aan een reductie van stikstofdepositie en daarmee aan herstel van de natuur, maar ook aan verduurzaming van de landbouw in de breedte. Naast beëindiging van productiecapaciteit behoren ook bedrijfsverplaatsing, een andere manier van boeren of innovatie tot de gebiedsafhankelijke oplossingen.
De uitspoeling van nitraat bij drijfmest |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de tussenresultaten van het praktijkonderzoek naar de gevolgen van vervanging van kunstmest door drijfmest op grasland op droogtegevoelige gronden voor de uitspoeling van nitraat?1
Ja, ik ben bekend met het bericht op de website van Wageningen Universiteit.
Hoe waardeert u de positieve effecten van vervanging van kunstmest door drijfmest op de uitspoeling van nitraat in het winterseizoen, juist in een droog jaar wanneer de waterkwaliteitsproblemen opspelen?
Een waardeoordeel over de effecten van de vervanging van kunstmest door drijfmest is lastig te geven als niet alle resultaten bekend zijn. De literatuurstudie doet geen vergelijkende uitspraken over de algehele uitspoeling van kunstmest en runderdrijfmest. Het definitieve rapport van het praktijkonderzoek, waar ook de gegevens over de uitspoeling in komen, zal in het najaar van 2022 worden opgeleverd.
Hoe beziet u deze positieve resultaten in het licht van uw uitspraak in het recente schriftelijke overleg dat u de eerdere literatuurstudie2 niet heeft betrokken bij de derogatieonderhandelingen, terwijl het praktijkonderzoek de analyse op basis van de literatuurstudie lijkt te bevestigen?
Nederland heeft zich altijd sterk gemaakt voor een mogelijkheid om op graslandbedrijven meer stikstof uit dierlijke mest te mogen toepassen. De onderbouwing van de Nederlandse derogatie voor graasdiermest op graasdierbedrijven is steeds gebaseerd op de hoge stikstofopname en het lange groeiseizoen van grasland.3 Nederland heeft daaraan opvolgende derogatieaanvragen gestaafd met de derogatierapportages van RIVM, die gedeeld zijn met de Europese Commissie, en ook aan uw Kamer zijn aangeboden. Uit deze rapportages blijkt dat grondwaterkwaliteit op derogatiebedrijven beter is dan op niet-derogatiebedrijven.
De onderhandelingen over de derogatie zijn afgerond. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover op 5 september geïnformeerd. De tussenresultaten van het genoemde praktijkonderzoek waren niet gepubliceerd en ook nog niet door een wetenschappelijk reviewproces gegaan. Het rapport wordt na verwachting in oktober 2022 verwacht. Ik zal deze tussenresultaten nu niet met de Commissie delen.
Bent u bereid de tussenresultaten van het genoemde praktijkonderzoek te delen met de Europese Commissie teneinde er alles aan te doen om de derogatie zoveel mogelijk te behouden?
Zie antwoord vraag 3.
De ongekende droogte en de rol van de landbouw |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Staghouwer (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat er door deskundigen gewaarschuwd wordt voor onomkeerbare schade aan de natuur, zeker tijdens de hittegolf?1
Ja, terreinbeheerders rapporteren waarnemingen o.a. over sterfte van bomen en van heide, waarbij zij grote zorgen uitspreken over wat die natuurschade betekent voor de hele biotoop daar omheen. Zichtbare schade is er in de kwetsbare (hoog)veengebieden, vennen en beeksystemen2(1), evenals in natuurtypen die kenmerkend zijn voor natte en vochtige, voedselarme standplaatsen. Op droge zandgronden legden veel bomen het loodje, met name de fijnspar, en stierf op sommige plekken struikheide massaal af. In hoeverre schade onherstelbaar is, is op korte termijn zelden met absolute zekerheid te zeggen. Abiotische schade, zoals bijvoorbeeld aan het veen, is heel vaak onherstelbaar. Het verdwijnen van een organisme uit een gebied maakt herstel moeilijk en zal dan sowieso lang duren.
Klopt het dat in de verdringingsreeks (die de prioriteitsvolgorde van watergebruiksfuncties aangeeft) bij een watertekort het voorkomen van onomkeerbare droogteschade in natuurgebieden in categorie 1 zit, wat betekent dat het de hoogste prioriteit heeft?
De verdringingsreeks geeft de hoogste prioriteit bij het verdelen van het nog beschikbare water aan categorie 1 functies. Binnen categorie 1 wordt ook een volgorde gehanteerd. Hoogste prioriteit wordt gegeven aan het instandhouden van de waterkeringen ten behoeve van de waterveiligheid, daarna komen de gebieden met klink en zettingen (veen en hoogveen) en ten slotte de natuurgebieden gebonden aan bodemgesteldheid, waar onomkeerbare schade kan plaatsvinden bij watertekort.
Niet alle natuurgebieden vallen onder categorie 1. Voor de verdringingsreeks zijn de gebieden die horen bij categorie 1 aangemerkt in de navolgende kaart. Deze gebieden kunnen bij droogte worden voorzien van water uit het hoofdwatersysteem. Er zijn andere natuurgebieden die wellicht ook onomkeerbare schade kunnen lijden, maar waar er geen externe water aanvoer mogelijk is; deze gebieden zijn volledig afhankelijk van neerslag en zijn niet opgenomen in de kaart. Verder zijn er natuurgebieden die na watertekort zich natuurlijk herstellen: deze gebieden horen bij categorie 4 en kunnen te maken krijgen met beperkingen in de wateraanvoer.
Kunt u uitleggen waarom onomkeerbare schade aan de natuur desondanks dreigt? Zijn alle stappen om watergebruik in de landbouw en de industrie te minimaliseren (lagere categorieën in de verdringingsreeks) reeds ingezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft u wanneer genomen?
De verdringingsreeks wordt door alle waterbeheerders in Nederland toegepast. Er is in 2022 tot dit moment geen sprake van kortingen op de wateraanvoer naar natuur aangemerkt als categorie 1.
Tot heden zijn de effecten van (dreigend) watertekort tijdens de droogteperiode 2022 neergekomen bij de watergebruikers in categorie 3 (alleen tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen) en 4 van de verdringingsreeks. Voor de natuur blijft de situatie door het neerslagtekort en uitzonderlijk lage grondwaterstanden zorgelijk. Voor zowel de planten- en de dierenwereld is er grootschalig sprake van schade als gevolg van de droogte. In de regionale systemen is er nog altijd sprake van droogvallende waterlopen en verder verslechterde waterkwaliteit en vissterfte. De situatie en de effecten zijn per regio verschillend. Regio’s waar er geen zoetwater aangevoerd kan worden, lijden het meeste onder de huidige droogte. Juist daar speelt de onomkeerbare schade aan natuur die waargenomen wordt. Herstel van de natuur na zo’n grote droogte kost tijd; de regen begin september heeft verlichting gebracht, maar betekent nog geen einde van de droogte 2022 in de natuur.
Klopt het dat in het waterschap Brabantse Delta momenteel een beregeningsverbod voor boeren geldt tussen 7:00 en 19:00 uur, om oppervlaktewater te besparen?2
Waterschap Brabantse Delta heeft voor een aantal gebieden een totaal verbod voor beregening uit oppervlaktewater gesteld. Naast de onttrekkingsverboden geldt vanaf 9 augustus 2022 een urenverbod voor het gebruik van oppervlaktewater (bijvoorbeeld water uit sloten, beken en rivieren). Deze uitzonderlijke maatregel geldt van 09.00 tot 21.00 uur in het hele werkgebied van Brabantse Delta. Uitzondering op het verbod is het koelen van fruitboomgaarden en het gebruik van oppervlaktewater als drinkwater voor vee. Ook in andere gebieden zijn begin september op grote schaal onttrekkingsverboden uit oppervlaktewater ingevoerd, vooral in het zuiden en oosten van Nederland. In toenemende mate zijn onttrekkingsverboden uit grondwater ingesteld of in voorbereiding. Deze maatregel is ingesteld om verdere daling van het grondwaterpeil en onherstelbare schade aan de natuur te voorkomen.
Kunt u bevestigen dat op warme dagen beregening in de avond en nacht sowieso veel efficiënter is, omdat er dan tijdens het beregenen minder water verdampt, waardoor er minder sproeiwater nodig is?
De efficiency van beregening hangt samen met verschillende factoren. In de eerste plaats van de methode van watergeven. Om die reden wordt er in Nederland in steeds meer teelten geëxperimenteerd met druppelirrigatie-methoden. Voor de in de akker- en weidebouw veel toegepaste spuithaspel is onderzocht dat de wind de belangrijkste factor is die de effectiviteit van beregening bepaalt. Mede daarom zijn de omstandigheden voor beregening ’s avonds en ’s nachts vaak gunstiger dan overdag. Waterbeheerders wegen dit mee bij hun besluitvorming over onttrekkingsverboden voor beregening.
Kunt u uitleggen waarom het beregeningsverbod voor overdag gedurende deze droogteperiode niet landelijk geldt, aangezien de droogte landelijk speelt? Kunt u hierop specifiek ingaan op uw eigen eindverantwoordelijkheid voor de waterkwantiteit (inclusief drinkwater), waterkwaliteit en de natuurkwaliteit, en hiervoor niet verwijzen naar waterschappen en provincies?
Een onttrekkingsverbod moet zo beperkt mogelijk worden ingezet, alleen daar waar nodig (proportionaliteit). De waterschappen en provincies zijn verantwoordelijk voor het waterbeheer in de regionale wateren. Ook voor het stellen van onttrekkingsverboden. De effecten van de droogte tonen regionale verschillen. Ook verschilt per regio of/hoeveel zoetwater uit het hoofdwatersysteem kan worden ingelaten om het tekort te mitigeren. Daarom vergt het instellen van onttrekkingsverboden een bestuurlijke afweging op regionaal niveau. Een landelijk verbod is daarmee niet zinvol.
Kunt u bevestigen dat u op eerdere Kamervragen van de leden Vestering en Van Esch antwoordde: «We hebben van Nederland een vergiet gemaakt dat water snel kan draineren. Het zal tijd kosten om van Nederland weer een spons te maken, waarbij we zoveel mogelijk water vasthouden en opslaan om droge periodes te overbruggen»?3 Welke maatregelen zijn er in 2021 en 2022 getroffen om van Nederland weer een «spons» te maken? Welke maatregelen gaat u nog treffen?
Ja. In de rapportage «Werken aan zoet water in de Delta» wordt de voortgang van alle maatregelen in het kader van het Deltaprogramma Zoetwater beschreven. Deze voortgangsrapportage wordt elk jaar uitgebracht als bijlage bij het Deltaprogramma. In de eerste fase van het Deltaprogramma Zoetwater (2015–2021) zijn maatregelen uitgevoerd gericht op het beter vasthouden van water, zoals beekherstelprojecten op de hoge zandgronden. Voorbeelden zijn beekherstel van de Leuvenumse beek op de Veluwe en de Oude Strijper Aa in Noord-Brabant. Een ander voorbeeld is het project «Zoete Toekomst», waarbij de Texelse boeren regenwater in de grond opslaan. Het doel is zelfvoorzienendheid op het gebied van zoetwater voor de landbouw en natuur. Het maatregelenprogramma voor de 2e fase van het Deltaprogramma Zoetwater is opgenomen in het Deltaplan Zoetwater 2022–2027, dat in september 2021 is uitgebracht als bijlage bij het Deltaprogramma 2022. Voor dit maatregelenpakket is 800 miljoen euro van Rijk en regio beschikbaar. Dit pakket is gericht op het aanpassen van de ruimtelijke inrichting, het vasthouden van water, zuiniger omgaan met water en het slimmer verdelen van water.
In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) is bodem en water naast stikstof, klimaat en biodiversiteit een van de vier hoofdopgavengebieden. In de gebiedsprogramma’s en -plannen die de provincies in de eerste helft van 2023 zullen opstellen zal ook het veel meer vasthouden van water voor droogteperiodes in gebieden een concrete uitwerking gaan krijgen.
Deelt u de zorg dat met dergelijke maatregelen, waaronder het verhogen van grondwaterstanden in agrarische gebieden naar een natuurlijker niveau, niet langer gewacht kan worden, omdat de effecten van de klimaatcrisis in rap tempo heftiger worden, waaronder frequentere periodes van extreme droogte? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Het frequent optreden van droogte in het voorjaar en de zomer in de laatste jaren laat zien dat de druk op het beschikbare water, zowel het oppervlaktewater als het grondwater, toeneemt. Door de sponswerking van bodem en landschap te verbeteren kan het grondwater weer aangevuld worden. Daarom wordt het in balans brengen van (grond)watersystemen integraal onderdeel van de NPLG-gebiedsprogramma’s en -plannen die de provincies in juli 2023 indienen. Vanuit het beleidsprogramma Water en Bodem Sturend wordt op dit moment gewerkt aan de kaders die, o.a. voor het (grond)water, meegegeven worden aan deze gebiedsplannen. Deze kaders worden dit najaar aan de Kamer gepresenteerd.
Kunt u bevestigen dat u op eerdere Kamervragen van de leden Vestering en Van Esch antwoordde dat er een toename is van het aantal waterputten en de hoeveelheid onttrokken grondwater door boeren, maar dat dit géén consequenties heeft voor de verdringingsreeks, omdat deze gekoppeld is aan oppervlaktewater?4 Zo ja, deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het aantal waterputten en de hoeveelheid onttrokken grondwater toeneemt in de landbouw, die de laagste prioriteit in de verdringingsreeks kent? Zo nee, hoe zit het dan?
De verdringingsreeks heeft betrekking op de verdeling van het beschikbare oppervlaktewater.
Als gevolg van de droogte van de afgelopen jaren is er een toename in het aantal onttrekkingen ten behoeve van de landbouw en tevens een toename in de onttrokken hoeveelheden.
De waterschappen en de provincies zijn bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen. Zij maken bij een aanvraag of melding een afweging of een onttrekking (nog) mogelijk is in een bepaald gebied, op basis van het beschikbare grondwater. Daarbij hebben zij de verantwoordelijkheid om te zorgen dat er cumulatief niet zoveel onttrokken wordt, dat dit tot schade leidt bij andere sectoren zoals bijvoorbeeld grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Zij kunnen een onttrekkingsverbod instellen voor grondwater, op het moment dat de grondwaterstand te ver daalt. Zoals ook in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, hebben veel waterschappen onttrekkingsverboden ingesteld, zowel vanuit oppervlaktewater als uit grondwater.
Welke consequenties kan de verlaging van de grondwaterstand door waterputten in agrarisch gebied hebben voor de drinkwatervoorziening, de natuur en voor verzilting?
Grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening in de landbouw vinden veelal plaats uit het bovenste watervoerend pakket. Bovendien zijn deze onttrekking veelal van tijdelijke aard. De effecten van deze onttrekkingen op de drinkwaterwinning zijn gering, omdat drinkwater voornamelijk uit diepere watervoerende pakketten wordt onttrokken.
De meeste beregening uit grondwater vindt plaats op de hoge zandgronden waar verzilting geen rol van betekenis speelt. In gebieden waar verzilting een rol van betekenis speelt, zoals Zeeland, zijn agrariërs zich juist heel erg bewust van de beschikbaarheid van zoet (grond)water. Zij nemen veel maatregelen om dat vast te houden. Agrariërs hebben immers ook geen baat bij het oppompen van brak grondwater.
Het droogte-onderzoek in de zandgrondgebieden dat eind 2021 is afgerond6, geeft inzicht in de effecten van onttrekkingen en de effectiviteit van maatregelen. Uit dit onderzoek blijkt o.a. dat veel kleine onttrekkingen een cumulatief effect kunnen hebben op grondwaterafhankelijke natuurgebieden en bij kunnen dragen aan verdroging.
Om eventuele cumulatieve effecten in de toekomst tegen te gaan, hebben provincies en waterschappen hun ambities en doelen voor het grondwaterbeleid in het afgelopen jaar herijkt en vastgelegd in provinciale regionale waterprogramma’s en de Waterbeheerprogramma’s van waterschappen. Regionaal zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de grondwateraanpak, bijvoorbeeld het Grondwaterconvenant in Noord-Brabant, de Grondwater-agenda in Oost-Nederland en de Blauwe Agenda voor de Utrechtse Heuvelrug.
Regionaal worden er ook maatregelen genomen, zoals recentelijk in De Peel. De provincies Noord-Brabant en Limburg hebben een nieuw aangepast Natura 2000-beheerplan opgesteld voor de Peelvenen. In het nieuwe beheerplan staat dat er géén vrijstelling van de vergunningplicht meer is voor bufferzones rond de Natura 2000-gebieden op grond van de Wet natuurbeheer (Wnb) om grondwater te gebruiken om open agrarische teelten te beregenen. Hierover bent u ook eerder ingelicht7.
Landelijk wordt ook onderzocht of het cumulatief effect van meerdere grondwateronttrekkingen knelpunten oplevert voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming en de Kaderrichtlijn Water. Dit onderzoek bevindt zich in de afrondende fase, hiervan wordt u op de hoogte gebracht middels de eerstvolgende Verzamelbrief Water.
Bestaat er een equivalent van de verdringingsreeks die gekoppeld is aan het grondwater? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De provincies kunnen, via een provinciale verordening, een verdringingsreeks voor grondwater instellen (artikel 2.9 Waterwet). Dit heeft nog geen enkele provincie gedaan. Een verdringingsreeks treedt echter pas in werking als er al een tekort is aan water. Dan wordt gekeken hoe het beschikbare water verdeeld kan worden. Ten tijde van droogte als gevolg van neerslagtekort wordt het grondwater echter niet of nauwelijks aangevuld en zullen beperkingen voor grondwateronttrekkingen nog niet leiden tot herstel van de grondwaterstanden. Herstel moet juist plaatsvinden door tijdens perioden van neerslagoverschot water vast te houden en te laten infiltreren naar het grondwater. Tevens hebben waterschappen en provincies nu al de mogelijkheid om onttrekkingsverboden in te stellen voor bepaalde gebieden.
In het kader van de Studiegroep Grondwater wordt wel nagedacht over de mogelijkheid van een voorkeursvolgorde grondwater. De Kamer wordt voor het einde van het jaar geïnformeerd over het eindadvies van de Studiegroep Grondwater.
Klopt het dat het momenteel code rood is voor risico op natuurbranden voor de Veiligheidsregio Kennemerland, waarbij boswachters spreken van een «extreme situatie»?5
Nee, dit klopt niet.
De kleurcodes worden niet meer gehanteerd als term om het risico aan te geven. Tot het voorjaar van 2018 werd het gevaar voor uitbreiding van natuurbrand uitgedrukt in vijf kleuren. In overleg met Brandweer Nederland, de veiligheidsregio’s en de natuurbeheerders en recreatieondernemers, is besloten om over de stappen op twee fases. Dit om verwarring met de weeralarmen te voorkomen en aan te geven dat toegang tot de natuurgebieden is toegestaan, ook al is er gevaar voor natuurbrand. Een aantal regio’s en terreinbeheerders gebruikt de kleurcodes echter nog vanuit het verleden. Alle bij de natuurbrandrisico.nl aangesloten veiligheidsregio’s, waaronder Veiligheidsregio Kennemerland, zitten op het moment van de beantwoording van deze vraag in fase 2.
Ter achtergrond: alle regio’s zitten in fase 2 met uitzondering van Rotterdam-Rijnmond, Zaanstreek Waterland, Amsterdam e.o en Zuid-Holland Zuid, die tot op heden nog geen gebruik maken van natuurbrandrisico.nl.
Klopt het dat Nederland code rood niet hanteert als waarschuwingscode, maar dat Nederland wel in een «verhoogde waakzaamheid» voor natuurbranden is, de zogenaamde «fase twee»? Wat houdt «fase twee» in en wat is het verschil met «fase een» en met een code rood?
Het antwoord op deze vraag is erg technisch van aard.
Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen twee zaken:
1e Het publieksrisico via natuurbrandrisico.nl. Deze site, met de fasen 1 en 2 om het natuurbrandrisico te classificeren, is bedoeld als publieksinformatie. Op de site staat uitgelegd wat het verschil tussen de verschillende fases is.9
Met name de laatste zin onder fase 2 is ook interessant:
2e De operationele uitruksterkte van de brandweer op basis van het uitbreidingsrisico.
De brandweer gebruikt een aantal «stappen» om te bepalen wat het risico is op een snel uitbreidende natuurbrand. In vrijwel alle veiligheidsregio’s worden, afhankelijk van het uitbreidingsrisico, meer of minder brandweervoertuigen gealarmeerd.
De onderscheiden stappen binnen het uitbreidingsrisico zijn: laag (groen), normaal (geel), hoog (oranje) en zeer hoog (rood). Tussen haakjes staan de stappen die vroeger gehanteerd werden toen er nog met de al genoemde kleurcodes gewerkt werd.
Iedere veiligheidsregio beoordeelt bij een brand zelf het uitbreidingsrisico, dus welke stap van toepassing is. Daarbij is er geen één op één relatie met de geldende fase op natuurbrandrisico.nl. Zo kan het fase 2 zijn, maar kan het uitbreidingsrisico op «laag» of «normaal» staan, omdat er bijvoorbeeld bijna geen wind staat of er net regen is gevallen. Ook die omstandigheden tellen mee voor het risico op het moment van een brand.
De veiligheidsregio’s bepalen ook zelf welk inzetvoorstel zij koppelen aan een bepaald uitbreidingsrisico. In de ene regio worden er zodoende bij een «hoog uitbreidingsrisico» twee tankautospuiten gealarmeerd, in een andere regio zouden dat vier tankautospuiten en twee watertankwagens kunnen zijn.
Klopt het dat voor de meeste duingebieden in Nederland code rood is? Zo ja, welke conclusies trekt u hieruit?
Code rood wordt normaliter niet meer gehanteerd als term. Alle veiligheidsregio’s zitten op het moment van de beantwoording van deze vragen in fase 2 op natuurbrandrisico.nl (met uitzondering van de in antwoord 12 genoemde regio’s die tot op heden nog geen gebruik maakt van natuurbrandrisico.nl)
Hoeveel grondwater en oppervlaktewater wordt er onttrokken of afgevloeid door de industrie, landbouw en voor drinkwater rondom de duinen, bijvoorbeeld rondom Nationaal Park Zuid-Kennemerland?
In het duingebied in het Nationaal Park Zuid Kennemerland wordt regulier geen water (meer) onttrokken door PWN. De reguliere winning is gestopt in 2002. Er is nog wel een winning voor noodsituaties10, die sinds het stopzetten van de reguliere winning niet is gebruikt. Bij waterschap Holland Rijnland zijn in totaal 11 onttrekkingen binnen een straal van 100 m vanaf het Nationaal Park Kennemerland bekend. Daarvan zijn 3 tijdelijke onttrekkingen voor bouwwerkzaamheden (hierbij wordt in al deze gevallen het onttrokken water in de bodem geretourneerd) en acht onttrekkingen voor beregening van sportvelden en tuinen en voor veedrenking.
PWN zet het duingebied (bijvoorbeeld in het Noord-Hollands Duinreservaat) wel in om water te zuiveren. Hierbij wordt nooit méér water onttrokken dan dat er door PWN ook in het duin geïnfiltreerd wordt (dit is gezuiverd rivier- of IJsselmeerwater). Hetzelfde is het geval in het duingebied bij Den Haag dat door Dunea voor waterwinning wordt gebruikt.
Hebben deze onttrekkingen of afvloeiingen bijgedragen aan de huidige situatie?
In het licht van antwoord 15; de huidige droogtesituatie is geen één op één gevolg van wateronttrekkingen in het gebied, maar van het grote neerslagtekort dat op zandgronden het meest tot uiting komt in de natuur. Zie verder het antwoord op vraag 17.
Had de huidige extreme droogte in Nationaal Park Zuid-Kennemerland voorkomen kunnen worden wanneer voldoende water was vastgehouden? Zo ja, welke maatregelen zullen genomen worden om extreme droogte en mogelijke grote risico’s op natuurbranden te voorkomen?
De grondwaterstanden in de duinen in de gebieden die PWN beheert, zijn de afgelopen jaren relatief hoog, doordat als gevolg van klimaatverandering op jaarbasis meer neerslag valt. In het duin blijft dit water lang in de bodem zitten, in tegenstelling tot in de polders. De toplaag van de bodem waar planten in wortelen, droogt in deze droge tijden wel verder uit dan in normale jaren, omdat deze laag afhankelijk is van neerslag. Omdat de huidige droogte in het duin niet wordt veroorzaakt door lage grondwaterstanden, maar door het ontbreken van neerslag, helpt het vasthouden van water niet in deze specifieke situatie in het duin.
PWN als waterbedrijf en als terreinbeheerder roept klanten en bezoekers op om zorgvuldig om te gaan met water en natuur en geeft tips om brandgevaar in het duin te voorkomen. Zowel via haar website11 als bij de ingangen van onze duingebieden.
Had de huidige extreme droogte in de natuur en met name de duinen voorkomen kunnen worden wanneer voldoende water was vastgehouden?
In duingebieden leidt vasthouden van water niet tot het voorkomen van een droge toplaag als het lange tijd niet regent. Dit heeft ook te maken met de grondsoort: zand laat zeer gemakkelijk water door. Voor andere functies dan natuur is het zinvol om water vast te houden in tijden van overschot om later te kunnen gebruiken. Vasthouden van water in de binnenduinrand en in de aansluitend gelegen polders is voor de daar aanwezige functies wel nuttig, maar dus niet om de zichtbare droogte in de duinen zelf te voorkomen.
Hoeveel natuurbranden hebben plaatsgevonden dit jaar? Wat zijn de verwachtingen voor de rest van het jaar?
Tot en met 21 augustus 2022 zijn er 532 natuurbranden geregistreerd. De verwachtingen voor de rest van het jaar zijn mede afhankelijk van de weersomstandigheden. Door de begin september gevallen neerslag alsook de meer normale weersomstandigheden voor de tijd van het jaar lijkt het niet nog droger en nog gevaarlijker ten aanzien van natuurbranden te worden. Tegelijk is het gevaar niet geweken. Een concreet antwoord op het tweede gedeelte van deze vraag is dus niet te geven.
In de statistieken zijn overigens de branden op de schietterreinen van Defensie (ASK en ISK) nog niet meegenomen, omdat die aan het einde van het jaar worden verwerkt. Het daadwerkelijke aantal natuurbranden zal zodoende ruim hoger uitkomen dan het huidige aantal.
In perspectief: het aantal natuurbranden in de afgelopen jaren:
2017: 319
2018: 949
2019: 548
2020: 724
2021: 212
Vanwege klimaatverandering is het de verwachting dat het aantal natuurbranden de komende jaren zal gaan stijgen. Het NIPV, KNMI, WUR, VU en Deltares doen in het najaar van 2022 onderzoek naar de ontwikkeling van het natuurbrandrisico, zodat veiligheidsregio’s, terreinbeheerders, waterschappen en landelijke overheden zich gerichter kunnen voorbereiden op het voorkomen en beheersen van natuurbranden.
Kunt u aan het einde van het jaar een overzicht delen met de Kamer over de hoeveelheid natuurbranden en hun impact op natuur, economie en mensen in vergelijking met voorafgaande jaren?
Het NIPV heeft begin 2023 de statistieken t/m 2022 bijgewerkt. Dan kan ik de cijfers in het antwoord op vraag 19 aanvullen. Er zijn geen methoden bekend om de impact van natuurbranden op natuur, economie en mensen te classificeren; op die vraag kan ik u dus geen antwoord geven.
Deelt u de zorg dat met maatregelen, waaronder het verhogen van grondwaterstanden rondom natuurgebieden die in categorie 1 zitten niet langer gewacht kan worden? Zo ja, bent u bereid om dit binnen een jaar te bewerkstelligen?
Voor hydrologisch herstel van alle natuurgebieden (niet alleen rondom natuurgebieden in categorie 1 van de verdringingsreeks) worden kaders opgesteld binnen het beleidsprogramma Water en Bodem Sturend (zie vraag 8). Deze kaders zullen vervolgens worden uitgewerkt in de regionale gebiedsplannen voor het NPLG, die in juli 2023 gereed moeten zijn.
Omdat natuurgebieden in categorie 1 van de verdringingsreeks tijdens watertekorten zo lang als mogelijk water aangevoerd krijgen, kunnen terreinbeheerder en waterschap die gebieden lang nat houden en is het droogteprobleem voor deze gebieden meestal minder urgent dan voor natuur in hoog gelegen gebieden, waar geen wateraanvoer vanuit de rivieren mogelijk is. De terreinbeheerder maakt dan een afweging tussen de verwachte schade door droogte versus schade door de inlaat van water met een andere kwaliteit dan het gebiedseigen water.
Overigens is de regelgeving met betrekking tot het peilbeheer van oppervlaktewater en de vergunningverlening voor grondwateronttrekking een decentrale bevoegdheid van respectievelijk de waterschappen en de provincies.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
De departementen hebben zich ingespannen om u deze antwoorden op korte termijn te doen toekomen.
Geleverde streek aan vissers |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuws dat vissers woest op u zijn vanwege uw slikken of stikken-beleid jegens de in nood verkerende visserijsector?1
Ik denk dat u doelt op de vereiste van de saneringsregeling dat contingenten vervallen wanneer een visserijondernemer besluit zijn vissersvaartuig aan te melden voor saneringssubsidie. Ik ben mij bewust van de reacties van de sector op dit vereiste.
Kunt u duiden waarom u een in potentie gezonde visserijsector, die voor Nederland een eeuwenoude traditie is, kapot wil maken met onzinnige maatregelen tot krimp?
De genomen maatregelen voor krimp werden niet alleen door het ministerie maar ook door de sector gezien als noodzaak. Ten gevolge van de Brexit heeft de EU minder visquota ter beschikking en hierdoor verliest Nederland een aanzienlijk deel van bijvoorbeeld het tongquotum. Het is niet realistisch om een kleiner quotum op te vissen met een vloot die niet in grootte is veranderd sinds de inkrimping van het quotum. Om er voor te zorgen dat er voor visserijondernemers die naar aanleiding van de Brexit geen toekomst meer zien in de visserij, werd de saneringsregeling opgezet. De aan vissersvaartuigen verbonden contingenten (vangstmogelijkheden) die vervallen bij het ontvangen van saneringssubsidie worden naderhand gratis tijdelijk beschikbaar gesteld aan groepen of producentenorganisaties, die zij vervolgens verdelen onder de visserijondernemers die willen blijven vissen. Hierdoor wordt de omvang van de vloot in overeenstemming gebracht met de hoeveelheid vangstmogelijkheden. Een inkrimping van de huidige vloot is daarom noodzakelijk voor zowel de visserijondernemers die willen stoppen als voor de visserijondernemers die willen blijven vissen.
Waarom kiest u voor een stilzwijgen bij het kapot maken van de boeren door middel van het stikstofbeleid? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Er is een transitie in de landbouw nodig vanwege de urgente natuur-, klimaat- en waterproblematieken om te komen tot een toekomstbestendige landbouw met voldoende verdienvermogen. Het toekomstperspectief voor boeren en de brede welvaart van het landelijk gebied zijn zaken die hier zwaar bij worden meegewogen. Boeren worden op diverse manieren ondersteund bij het vormgeven van deze transitie. Ik verwerp dan ook de suggestie dat het kabinet boeren kapot zou maken met het stikstofbeleid.
Waarom kiest u er nu ook voor om de visserijsector te slopen en om afspraken met vissers met betrekking tot saneringsregelingen niet na te komen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Afspraken met betrekking tot de saneringsregeling zijn nagekomen. Het uitgangspunt is dat bij de voorbereiding van nieuw beleid er altijd overleg met de sector plaatsvindt. De saneringsregeling was hierin geen uitzondering: de invulling van de regeling is waar mogelijk voorbesproken met de sectorvertegenwoordigers zoals producentenorganisaties. De uitzondering hierop, wat dus niet met de sector is gecommuniceerd, is dat het vervallen van de contingenten een vereiste is van de saneringsregeling. Dit is gedaan omdat vooroverleg over dit onderdeel van de saneringsregeling zou kunnen leiden tot handel met voorkennis, wat ongewenst is.
Vindt u zichzelf geschikt als Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daar u geenszins de belangen van de boeren en vissers dient? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Ja. Ik zet mij in voor een duurzame en toekomstbestendige visserijsector. Mijn ambtsvoorganger heeft de Tweede Kamer met de brief van 1 juli jl. (Kamerstuk 29 675, nr. 210) geïnformeerd over de agenda visserij waarmee ik toe wil werken naar een duurzame toekomst voor de visserij. De saneringsregeling is een instrument dat daar aan bijdraagt.
Heeft u de bereidheid om uw eerdere belofte aan vissers om te komen tot goede saneringsregelingen na te komen of nog beter, om af te zien van krimp van een sector die al eeuwenlang met ons land verbonden is? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarbij u duidelijk aangeeft hoe u de sector in nood te hulp schiet?
Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 2, is de saneringsregeling noodzakelijk voor visserijondernemers die geen toekomst meer zien in de visserij. Een krimp van de huidige vissersvloot is door toedoen van de Brexit onvermijdelijk. Visserijondernemers wordt de gelegenheid geboden om te saneren als zij geen toekomst meer zien in de visserij. Dit is op vrijwillige basis, er is geen sprake van dwang. Om visserijondernemers die schade hebben ondervonden van de gevolgen van de Brexit doordat zij stil hebben gelegen en inkomsten hebben misgelopen, te ondersteunen, zullen uit het Brexit Adjustment Reserve (BAR) begin 2023 nog twee regelingen (stillegregeling en liquiditeitsregeling) opengesteld worden.
Heeft de bereidheid om af te zien van het inleveren van vangstrechten, daar dit kapitaalvernietiging is en een doorkruising van al bestaande verduurzamingsplannen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Van kapitaalvernietiging is geen sprake, want het gaat om een vrijwillige deelname aan een subsidieregeling om visserijactiviteiten te beëindigen. Visserijondernemers hebben een keuze om hier al dan niet aan mee te doen. De contingenten zijn in het verleden door de overheid gratis verstrekt aan visserijondernemers. In het onderling verhandelen van deze contingenten tussen vissers heeft de overheid geen rol gespeeld. Van een doorkruising van al bestaande verduurzamingsplannen is geen sprake aangezien de saneringssubsidie wordt verleend aan visserijondernemingen die definitief stoppen met hun visserijactiviteiten. Als gevolg van de Brexit heeft de EU een gedeelte van de visquota’s in moeten leveren. Hierdoor is er minder quotum beschikbaar voor de vloot die we vandaag de dag kennen. Om toekomstperspectief te bieden voor vissers die geen gebruik willen maken van de saneringsregeling worden de bij sanering vervallen contingenten tijdelijk via de producentenorganisaties weer over deze vissers verdeeld tot duidelijk is wat de resultaten zijn van het traject rond de herziening van het contingentenstelsel. Er zal dan ook niet worden afgezien van de voorwaarde dat bij gebruikmaking van de saneringsregeling de contingenten komen te vervallen.
De brandbrief “saneringsregeling visserij” |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Heeft u de brandbrief ontvangen en gelezen?1
Ja, ik heb deze brandbrief ontvangen en gelezen.
Is het juist dat tijdens eerdere overleggen over de saneringsregeling nooit de voorwaarde is genoemd dat een visserijbedrijf zijn vangstrechten (contingenten) zou moeten inleveren bij de overheid zonder dat daar een vergoeding tegenover staat?
Het klopt dat tijdens eerdere overleggen over de saneringsregeling niet gesproken is over de voorwaarde dat bij sanering de contingenten komen te vervallen. Hiervoor is gekozen omdat een vooroverleg over dit onderdeel kon leiden tot handel in contingenten met voorkennis, wat ongewenst is.
Deelt u de mening dat deze voorwaarde zeer onrechtvaardig is en het toekomstperspectief voor een rendabele visserij om zeep helpt? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Omdat door de Brexit de EU, en dus ook Nederland, minder visquota ter beschikking heeft, is een sanering noodzakelijk om de omvang van de vloot in overeenstemming te brengen met de vangstmogelijkheden. Wanneer een gedeelte van de vloot voor sanering kiest en de contingenten voor dat deel van de vloot komen te vervallen, worden de betreffende contingenten tijdelijk gratis in beheer gegeven aan de producentenorganisaties of groepen (PO’s) waartoe deze contingenten eerder behoorden. Deze PO’s en groepen verdelen deze contingenten vervolgens dan over hun leden die hebben besloten om te blijven vissen. Deze contingenten worden tijdelijk in beheer gegeven van deze PO’s en groepen tot duidelijk is wat de resultaten zijn van het traject rond de herziening van het contingentenstelsel.
Is het juist dat u de visserijsector heeft toegezegd dat een toekomstperspectief voor een rendabele visserij zal worden geboden?
Ik wil mij inzetten voor een duurzame visserijvloot zoals mijn ambtsvoorganger ook heeft aangegeven in zijn brief van 1 juli jl. (Kamerstuk 29 675, nr. 210). Door de saneringsregeling wordt daar een stap in gezet. Voor visserijondernemers die geen gebruik willen maken van de saneringsregeling (en dus willen blijven vissen) kunnen de vervallen contingenten van de saneringsregeling via groepen of PO’s gratis tijdelijk over deze vissers worden verdeeld tot in 2025 het resultaat van de herziening van het contingentenstelsel helder is. Ik zal bij de herziening van het contingentenstelsel alle zorgvuldigheid en ruimte voor afstemming met de sector in acht nemen. Daarnaast is er 244 miljoen euro beschikbaar om in te zetten op innovatie en verduurzaming van de visserij.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse overheid haar vissers niet/veel minder steunt dan andere EU-lidstaten hun vissers, zoals Frankrijk en België, met bijvoorbeeld compensatie voor de hoge brandstofprijzen en Brexitsteun?
Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens het tweeminutendebat van 7 juli jl. aan de Tweede Kamer toegezegd u te informeren over de stand van zaken rondom een overbruggingsregeling. Ik span mij in dit zo spoedig mogelijk te doen. Zoals bekend werk ik momenteel aan het openstellen van andere regelingen op grond van de Brexit Adjustment Reserve (BAR), te weten een liquiditeitsregeling en een stilligregeling.
Bent u bereid binnen een week met de visserijorganisaties in overleg te treden om een oplossing te vinden en deze vragen dan ook binnen een week te beantwoorden?
Op 23 en 30 augustus 2022 heeft een bestuurlijk overleg plaatsgevonden waarin mijn ambtsvoorganger met de sector heeft gesproken over de zorgen die zij ervaren.
Deze gesprekken blijft het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook voeren.
Het bericht dat de Europese Commissie bereid is derogaties toe te staan van milieuvereisten uit het GLB |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat de hoofdreden van de Europese Commissie om derogaties te verlenen voor een aantal van de goede landbouw- en milieucondities (GLMC) is om de voedselzekerheid te beschermen?1
Ja, dat klopt.
Kunt u verduidelijken of Nederland gebruik gaat maken van deze mogelijkheid tot derogatieverlening, ondanks dat het volgens u «niet substantieel zal bijdragen aan een verhoging van de voedselproductie, omdat in ons land weinig landbouwareaal braak ligt»2 en u eerder heeft gesteld dat in Nederland of Europa op dit moment geen sprake is van dreigende voedselschaarste en vergroening juist belangrijker is dan ooit om de voedselveiligheid op de langere termijn veilig te stellen?3
Ik heb besloten als Nederland gebruik te maken van deze mogelijkheid tot derogatieverlening uit hoofde van het waarborgen van een gelijk speelveld binnen de EU, temeer omdat vrijwel alle lidstaten voor de derogatie hebben gestemd. Alleen Duitsland heeft zich van stemming onthouden. Daarnaast speelt mee dat uit de tweede praktijkproef over de eco-regeling en meerdere voorlichtingsbijeenkomsten over het nieuwe GLB is gebleken, dat het voor akkerbouwers lastig zal zijn om in het begin van de nieuwe GLB-periode te kunnen voldoen aan GLMC 8a (4% niet-productief bouwland). De ambities voor de GLB-doelen, bezien over de gehele GLB-periode, blijven overigens onveranderd.
Welke landen verwacht u dat er wel en niet gebruik zullen maken van de mogelijkheid tot derogaties? Kunt u hierbij tevens een inschatting maken per land wat de afwegingen hiervoor zijn?
Zoals ik bij antwoord 2 heb aangegeven, hebben alle lidstaten, op Duitsland na, voor de derogatieverlening gestemd. Duitsland heeft zich onthouden van stemming, omdat zij ten aanzien van GLMC 8a (niet-productief land) ook vrijstelling wilde hebben voor het kunnen gebruiken van de geoogste producten voor biobrandststof en veevoeder. De onthouding van Duitsland hoeft dus niet per definitie te betekenen dat Duitsland de derogaties niet zal gaan toepassen.
Aangezien nagenoeg alle lidstaten dus voor de derogatieverlening hebben gestemd, mag verwacht worden dat zij er ook gebruik van zullen maken. Bij de stemming hoeven lidstaten geen overwegingen te geven, tenzij lidstaten tegen zouden hebben gestemd of, zoals in het geval van Duitsland, een lidstaat zich onthoudt.
Kunt u toelichten wat het standpunt van Nederland was bij het ter sprake komen van het wel of niet toestaan van deze derogaties en wat hierbij het politieke krachtveld was?
In de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli jl. hebben veel lidstaten om duidelijkheid gevraagd over van een mogelijke derogatieverlening. Nederland heeft in die politieke context aangegeven de ambities van de groenblauwe architectuur van het nieuwe GLB belangrijk te vinden, maar tegelijkertijd ook serieus te willen kijken of het opportuun is om uiteindelijk hiervan gebruik te maken.
In hoeverre kan Nederland met deze derogaties een daadwerkelijke bijdrage leveren aan extra voedselzekerheid als gevolg van bijvoorbeeld het wegvallen van Oekraïense graan voor menselijke consumptie wanneer er in Nederland vooral graan voor dierlijke consumptie wordt geteeld? Hoe zit dit voor andere gewassen die schaars zijn als gevolg van de oorlog in Oekraïne?
Zoals ik in mijn brief van 8 augustus de Tweede Kamer over het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022 heb aangegeven (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1456), zal de derogatieverlening in het geval van Nederland niet substantieel bijdragen aan een verhoging van de voedselproductie. Desalniettemin heb ik gemeend om de derogatie ook in Nederland toe te passen om reden van het waarborgen van een gelijk speelveld in de EU en boeren meer tijd te geven om te kunnen voldoen aan met name GLMC 8a. Gebleken is dat voor akkerbouwers het moeilijk is om aan deze verplichting te kunnen voldoen bij het begin van het nieuwe GLB, mede omdat de invulling van een bouwplan in 2023 al in 2022 door agrariërs behoort te worden vastgesteld. Deze derogatie kan daardoor bijdragen aan een verantwoorde implementatie van het toekomstig GLB.
Kunt u nader uiteenzetten wat de verwachte milieueffecten zijn van het toestaan van deze derogaties op klimaat, water, bodem en stikstof? Is hiervoor een nieuwe milieueffectrapportage (m.e.r.) toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze milieueffect analyse?
De voorwaarden GLMC 7 (gewasrotatie) en GLMC 8a (niet-productief land) hebben vooral betrekking op de bodemgesteldheid i.c. -vruchtbaarheid respectievelijk de biodiversiteit. De derogaties betekenen dat slechts in het eerste jaar van de nieuwe GLB-periode niet aan deze voorwaarden hoeft te worden voldaan. De ambities voor de GLB-doelen blijven echter overeind, aangezien de Commissie de voorwaarde stelt dat de derogatie, over de gehele GLB-periode bezien, niet mag leiden tot een afname van de ambitie op de groenblauwe architectuur. In 2024 worden er voor de akkerbouw bovendien meer activiteiten in de eco-regeling mogelijk. Om die reden heb ik geen nieuwe milieueffectrapportage opgesteld.
Hoe beziet u de risico’s van het mogelijk toestaan van deze derogaties in relatie tot de opgave om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te behalen? In hoeverre doet dit afbreuk aan de voorgestelde maatregelen uit het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het daarbij behorende addendum?
De verplichtingen uit het 7de Actieprogramma Nitraatrichtlijn blijven onverminderd bestaan. De derogatie ziet alleen op verplichtingen uit het nieuwe GLB.
Hoe beziet u de risico’s van het mogelijke toestaan van deze derogaties in relatie tot de opgave om de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen in 2027 te halen? In hoeverre is er risico op verdere verslechtering van de waterkwaliteit die volgens de KRW niet toegestaan is? Zou gezien de recente achteruitgang van de waterkwaliteit als gevolg van de droogte in de afgelopen jaren en de enorme opgave om de KRW-doelstellingen te behalen niet prudent omgesprongen moeten worden met derogaties die het risico met zich meebrengen op verdere verslechtering van de waterkwaliteit of die doelbereik complexer maken?
De GLB-voorwaarden waarop de derogaties zien, hebben betrekking op bodemgesteldheid (GLMC 7) en biodiversiteit (GLMC 8a). De uit de regeling voortvloeiende beheerseisen 1 (bevloeien en lozen van afvalstoffen) en 2 (nitraat) alsmede GLMC 4 (bufferstroken) zien toe op de waterkwaliteit. Deze voorwaarden blijven onveranderd.
Op welke manier zijn alle ministeries betrokken bij dit derogatie-vraagstuk en de implementatie daarvan in relatie tot de impact daarop op het tijdspad richting het behalen van de KRW-doelen en de natuurdoelen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb aangegeven, blijven de voorwaarden, die effect hebben op de waterkwaliteit, ongewijzigd van kracht. Afstemming met andere ministeries is daarom niet nodig geweest.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, en in elk geval voor het definitieve besluit over het al dan niet verlenen van de derogaties?
De definitieve melding om gebruik te maken van de derogatieverlening is uiterlijk 26 augustus a.s.
Het boek ‘De Melkveerevolutie , Lessen van de landbouwtransitie op Schiermonnikoog’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het boek «De Melkveerevolutie»1?
Ja.
Klopt het, zoals in het boek beschreven, dat een milieuvergunning en Natuurbeschermingswetvergunning niet kan worden aangepast als een boer bijvoorbeeld zijn veestapel vrijwillig verkleint, waarbij dus de druk om de omgeving afneemt?
Door de wijziging van de Wet natuurbescherming d.d. 1 januari 2020 geldt geen vergunningplicht meer wanneer significante effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Dat leidt ertoe dat, wanneer een initiatiefnemer voor een dergelijk project een natuurvergunning aanvraagt, er geen vergunning wordt verleend. Dat kan tot onzekerheid leiden over de vergunde situatie. Echter, een boer zou wel zijn veestapel vrijwillig kunnen verkleinen en dat kunnen laten vastleggen in een besluit als hij vraagt om een gedeeltelijke intrekking van zijn natuurvergunning. Indien de boer niet beschikt over een natuurvergunning, geldt de referentiesituatie, die wordt bepaald aan de hand van de toestemming met de laagste stikstofemissie. In dat geval kan door een wijziging van de milieusituatie ook de nieuwe referentiesituatie worden vastgelegd.
Begrijpt u dat door wantrouwen richting de overheid boeren huiverig zijn om hun huidige milieuvergunning aan te passen of een nieuwe aan te vragen?
Ik betreur dat er sprake is van wantrouwen bij een deel van de landbouwsector. Ik hecht eraan te benadrukken dat er geen reden is om terughoudend te zijn om een aanvraag voor aanpassing van een vergunning te doen. Vergunningverlening vindt zorgvuldig plaats.
Deelt u de mening dat de overheid hiermee een belemmerende factor is in de beoogde transitie?
Nee. Bij de integrale aanpak van de transitie van het landelijk gebied is het juist de bedoeling om de boeren te ondersteunen in de te maken keuzes en is er gelegenheid voor agrariërs om zelf aan de toekomst te bouwen door deel te nemen in de gebiedsprocessen. In die aanpak is er onder meer ook ruimte voor zowel innovatie als omschakeling, beëindiging en extensivering. In de gebiedsprocessen wordt er ruimte geboden aan de gebiedsprocessen om, afhankelijk van de situatie in de gebieden, maatwerk toe te passen. Voor wat betreft de onzekerheid voor boeren door de beoogde transitie, denk ik dat het belangrijk is dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt geboden over wat nog wel en niet kan, en waarop boeren kunnen rekenen vanuit de overheid. Dat is wat Rijk en provincies in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) nu beogen te doen.
Voor zover er wordt gedoeld op het vergunningvrij zijn van intern salderen, onderzoek ik of het wenselijk is hiervoor weer een vergunningplicht te introduceren en op welke wijze die vorm kan krijgen. In de brief waarin ik uw Kamer informeer over toestemmingverlening zal ik u daarover nader informeren. Deze brief ontvangt de Tweede Kamer, zoals aangegeven in mijn brief van 21 juni jl. (Kamerstuk 34 682, nr. 99), na de zomer.
Anderzijds is het, zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 2, wel degelijk mogelijk voor boeren om hun veestapel vrijwillig te verkleinen en dat te laten vastleggen in een besluit door middel van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking.
Bent u het eens met de stelling dat het wenselijk is dat een milieuvergunning zoveel mogelijk overeenkomt met de actuele situatie? Zo ja, bent u bereid om het mogelijk te maken dat bij bestaande milieuvergunningen, waarbij op vrijwillige basis de veestapel wordt verkleind en dus de milieudruk afneemt, het aanpassen van de bestaande vergunningen zonder juridische risico’s mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik ben het met u eens dat het wenselijk is dat een milieuvergunning, en tevens een natuurvergunning, zoveel mogelijk overeenkomt met de actuele situatie. In reactie op uw vervolgvraag; zoals ik al aangaf bij vraag 2, is er geen belemmering om een bestaande natuurvergunning of milieutoestemming te wijzigen waarbij de veestapel op vrijwillige basis wordt verkleind. Ik onderzoek overigens ook de mogelijkheid om het zogenoemde «intern salderen» weer onder de vergunningplicht te brengen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 zal ik u daarover nader informeren in de brief over toestemmingverlening.
Hoe kijkt u, met het oog op de gebiedsprocessen, naar het idee van milieugebruiksruimte en gebiedsvergunningen waarbinnen ondernemers onderling kunnen uitwisselen of handelen?
In de huidige situatie kan het uitwisselen van ruimte alleen plaatsvinden door middel van extern salderen. Extern salderen leidt tot hetzelfde resultaat als datgene dat wordt beoogd met deze vraag, namelijk dat de ene ondernemer activiteiten beëindigt ten behoeve van het opstarten van nieuwe activiteiten door een andere ondernemer. Extern salderen was voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) al een gebruikelijk instrument en wordt sinds de PAS-uitspraak ook alweer gebruikt.
Voor het mogelijk maken van nieuwe activiteiten dient de zekerheid te bestaan dat hierdoor geen significant negatieve effecten ontstaan op natuurgebieden. Dat betekent, gegeven de huidige staat van de natuur en de overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) op veel hexagonen in de Nederlandse Natura 2000-gebieden, dat voor nieuwe activiteiten mitigatie met bestaande activiteiten goed moet worden gereguleerd. Dat is momenteel met een ander systeem dan extern salderen niet mogelijk. Andere vormen van ruimte creëren of verdelen komen pas in beeld als de depositie op natuurgebieden voldoende daalt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze belemmeringen niet ook elders bij extensiveren zich voor gaat doen, gezien het feit dat uit de transitie op Schiermonnikoog bleek dat inkomenssteun een belangrijke belemmering is om een gedeelte van de koeien op te kopen?
De GLB-pilot Biodivers Boeren op Schiermonnikoog is een mooi voorbeeldproject, waarin boeren in een nieuwe zuivelcoöperatie samen aan de slag gaan met het verduurzamen van de landbouw. Daardoor vermindert de stikstofuitstoot en neemt de biodiversiteit toe. Het leren uit deze praktijk is belangrijk voor de transitie van de landbouw en Schiermonnikoog kan als voorbeeld dienen voor vergelijkbare projecten. De pilot laat zien dat het ingewikkeld is om een vergoeding voor extensivering bij de boer op het erf te laten landen. Voor de benodigde transitie van de landbouw wil ik het extensiveringsspoor verder ontwikkelen. Ervaringen uit Schiermonnikoog neem ik hierin mee.
Klopt het dat voor de vergunningverlening het van belang is dat er een geloofwaardige en onontkoombare aanpak ligt voor stikstofreductie en natuurherstel? Zo ja, is het vervroegen van het jaartal voor 50% stikstofreductie van 2035 naar 2030 hiervan een essentieel onderdeel?
De staat van de natuur is bepalend voor de mate waarin (nieuwe) activiteiten ontplooid kunnen worden. De mogelijkheden voor toestemmingverlening zijn lokaal verschillend doordat de kwaliteit van de natuur lokaal verschilt. Op dit moment is de natuur overbelast waardoor de mogelijkheden voor toestemmingverlening in bepaalde gebieden zeer beperkt zijn. Een geloofwaardige en onontkoombare aanpak van de overbelasting door stikstof en de verbetering van de natuur is essentieel, ook voor vergunningverlening. Hoe eerder we tot een substantiële daling van depositie komen, hoe sneller er ruimte voor vergunningverlening ontstaat. Het stellen van reductiedoelen helpt om zo snel mogelijk tot een daling te komen. Dit is conform het coalitieakkoord.
Bent u bekent dat volgens het CBS 16.000 boeren geen opvolger hebben en hiervan 60% boven de 55 jaar is2?
Ik ben bekend met de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek zoals deze in het door u aangehaalde artikel zijn gepubliceerd. Aangegeven wordt dat van de land- en tuinbouwbedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar of ouder 60% geen bedrijfsopvolger heeft. Dit betreft ruim 16.000 bedrijven.
Begrijpt u dat het voor boeren zonder opvolger van bijvoorbeeld 55 jaar het nu vaak nog geen optie is om te stoppen maar over 12 jaar, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, wel?
Vrijwilligheid bij het bereiken van de stikstofdoelen is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt. Wij hechten er belang aan dat boeren hun eigen afwegingen maken. We richten ons op alle boeren die overwegen om hun bedrijf te beëindigen. Boeren hebben daar uiteenlopende, individuele overwegingen bij. Dat betekent ook dat wij ons bij het faciliteren van bedrijfsbeëindiging niet expliciet richten op boeren die binnen bepaalde tijd de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Wat wij willen bereiken met de stoppersregelingen, is dat we helpen het financiële plaatje bij beëindiging aantrekkelijker te maken. Dit ongeacht hun levensfase.
Klopt het dat met 67 jaar als pensioengerechtigde leeftijd en het vervroegen van 2035 naar 2030 er waarschijnlijk een grote groep boeren zonder opvolger mogelijk «net te laat» gestopt is om bij te dragen bij de 50% stikstofreductie voor 2030?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u een mogelijkheid voor een vrijwillige regeling om boeren bijvoorbeeld zonder opvolger nu al te laten inschrijven voor een ruimhartige stoppersovereenkomst die voor de onontkoombaarheid ook notarieel wordt vastgelegd, waarbij de stikstofwinst in de toekomst alvast kan worden ingeboekt, maar pas wordt geëffectueerd op het moment dat de betreffende boer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om deze regeling in te stellen en op welke termijn? Zo nee, welke bezwaren ziet u?
Met de komende stoppersregelingen probeer ik ondernemers die overwegen op termijn hun bedrijf te beëindigen te verleiden deze beslissing te vervroegen. Ik hoop daarbij ook ondernemers die tegen de pensioengerechtigde leeftijd aan zitten te bereiken. Hoe sympathiek uw voorstel ook klinkt, vooruitlopen op ondernemersbeslissingen in de toekomst biedt helaas geen soelaas voor het tijdig bereiken van onze doelen. Uit de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 is gebleken dat het niet mogelijk is vooruit te lopen op toekomstige stikstofwinst, zoals in de Programmatische Aanpak Stikstof was opgenomen. De jurisprudentie is daar heel helder over. Uiteraard kunnen boeren die bijvoorbeeld geen opvolger hebben in een gebiedsproces straks aangeven dat ze op een gegeven moment willen stoppen. Dit kan bijdragen om de opgave in een gebied te halen.
Bent u bekent met het feit dat veel boeren, waaronder vooral in de leeftijd van 55 jaar of ouder, vaak best bereid zijn om vrijwillig een veestapel te krimpen? Bent u van plan om met een regeling te komen waarbij boeren niet geheel stoppen maar vrijwillig, tegen een vergoeding, hun veestapel verkleinen?
Het gedeeltelijk, al dan niet gefaseerd, inkrimpen van de veestapel van een bedrijf op vrijwillige basis wordt op dit moment niet gefaciliteerd met publieke instrumenten. Binnen de huidige stoppersregelingen bestaat wel de mogelijkheid om niet het gehele bedrijf, maar slechts een locatie te beëindigen. Opzet, werking en bereik van de stoppersregelingen hebben onze voortdurende aandacht. Wij nemen hierbij ook de mogelijkheden voor verkleining van de veestapel, feitelijk extensivering, in ogenschouw. Extensivering, mits blijvend, draagt immers bij aan het behalen van de stikstofdoelen.
Zoals ik bij vraag 7 heb aangegeven werk ik op dit moment het extensiveringsspoor verder uit. Ook op deze wijze kan gewerkt worden aan een vrijwillige verkleining van de veestapel. Onderdelen van deze uitwerking zijn onder andere de samenwerkingsmaatregel van het GLB-NSP vanaf 2023 en landschapsgrond.
Zijn de fiscale belemmeringen bij het aanstaande belastingplan weggenomen, gezien het feit dat een van de vele drempels die boeren ervaren die willen deelnemen aan een vrijwillige stoppersregelingen zijn fiscale regelingen zoals bijvoorbeeld bij bedrijfsbeëindiging en het feit dat de Kamer meerdere moties heeft aangenomen om deze drempels weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
In vervolg op gesprekken met zowel de sector als met de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst over mogelijke fiscale knelpunten ontvangt u van mij en mijn ambtsgenoot op korte termijn een separate brief over dit onderwerp.
Dreigende stalbezettingen door extremisten |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat extremisten stallen van boeren willen bezetten en dat Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland waarschuwt om waakzaam te zijn?1
Ja.
Hoe gaat u boeren beschermen tegen aanvallen op hun eigendommen? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Naar aanleiding van de stalbezetting in Boxtel in 2019 hebben de politie en mijn ambtsvoorganger afspraken gemaakt met de brancheorganisaties over uitwisseling van informatie en het instellen van contactpunten bij de politie, zodat in het geval van een incident snel gehandeld kan worden. Dit contactpunt bij de Landelijk Eenheid van de politie is ingericht en de contactgegevens zijn doorgestuurd naar de verschillende brancheorganisaties. Eind 2019 is er een factsheet opgesteld voor boerenbedrijven en organisaties die te maken kunnen krijgen met dierenrechtenextremisme waaronder ook strafbare uitingen. Deze factsheet is ook met uw Kamer gedeeld2 en is terug te vinden op de website van LTO. Daarnaast heeft de politie ook een handelingskader opgesteld, met operationele adviezen voor de politie in het hele land3. Dit handelingskader wordt deze maand naar aanleiding van de aangenomen motie van Van der Plas (BBB) van 25 november 20214 ter beschikking gesteld aan de regionale eenheden van de politie zodat het kan worden betrokken bij overleggen over dit thema in de lokale driehoeken (burgermeester, politie, Openbaar Ministerie (OM)). Actievoeren is toegestaan, maar als sprake is van strafbare feiten, voorbereidingshandelingen of vormen van extremisme zal er worden opgetreden. Hier is en blijft aandacht voor bij de betrokken diensten.
Bent u bekend met de Australische wet «Het recht op landbouw»?2
Ja.
Heeft u de bereidheid om illegale stalbezettingen in ons land ook zwaarder te bestraffen? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
In Nederland kan het OM over gaan tot vervolging voor huisvredebreuk (artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en verboden toegang (artikel 461 Sr) bij een illegale stalbezetting. Huisvredebreuk is een misdrijf dat wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie (artikel 138, eerste lid, Sr). Indien een betrokkene bij de huisvredebreuk bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, kan een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vierde categorie worden opgelegd (artikel 138, derde lid, Sr). Indien de huisvredebreuk door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd, kunnen de hiervoor genoemde strafmaxima met een derde worden verhoogd. Verboden toegang (artikel 461 Sr) is een overtreding die wordt bestraft met een geldboete van de eerste categorie. Het is aan het OM om afhankelijk van de omstandigheden te bepalen of vervolging aangewezen is en – zo ja – welke feiten ten laste worden gelegd. Verder is het aan de rechter voorbehouden om de meest aangewezen straf – naar soort, lengte of omvang en modaliteit – te bepalen. Hij weegt daarbij alle factoren tegen elkaar af die hij voor het bepalen van de straf van belang acht. Indien tijdens een illegale stalbezetting andere strafbare feiten worden gepleegd (bijvoorbeeld vernieling van eigendommen van de staleigenaar), kan ook daarvoor strafrechtelijke vervolging plaatsvinden. De huidige juridische mogelijkheden om illegale stalbezettingen te vervolgen en passend te bestraffen acht ik toereikend.
Wat vindt u van het feit dat de Australische wet Justitie aldaar de mogelijkheid biedt om de zwaarste straffen te eisen voor stalbezettingen en inbraken in stallen? Behalve een maximumstraf van drie jaar kunnen de boetes oplopen tot 22.000 Australische dollars (13.433 euro). Moet dit niet een gevalletje van goed voorbeeld doet goed volgen worden? Wilt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
In mijn antwoord op vraag 4 ben ik ingegaan op de straffen die na illegale stalbezettingen worden opgelegd, afhankelijk van de ernst van het vergrijp. De daar genoemde strafmaxima lopen niet uit de pas met aangehaalde mogelijkheden naar Australisch recht. In het in artikel 138, derde lid, Sr, genoemde geval kan daarnaast een geldboete van de vierde categorie worden opgelegd (op dit moment € 22.500). Dit geldboetemaximum is fors hoger dan het genoemde Australische boetemaximum.
De Visserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Is u bekend dat er een groot gebrek aan gekwalificeerde bemensing aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen is?
Ja, het is mij bekend dat er een tekort aan vissers is aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen.
Is u bekend dat Nederlandse visserijbedrijven gekwalificeerde personen proberen aan te trekken uit landen die net als Nederland het Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen (STCW-F) hebben erkend?
Ja, dat is mij bekend.
Is u bekend dat buitenlandse vissers met praktijkervaring NIET in aanmerking komen voor een Nederlandse vaarbevoegdheid door het ontbreken van een sociaal akkoord tussen STCW-F-landen waardoor het mogelijk is om vaarbevoegdheden (visserijpapieren) uit te wisselen?
Ja, dat is mij bekend. Het afsluiten van een bilaterale overeenkomst tussen landen die het STCW-F verdrag hebben geratificeerd maakt wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen van vissers mogelijk. Het afsluiten van deze overeenkomsten op basis van het STCW-F verdrag is vooralsnog ingewikkeld en arbeidsintensief. Een belangrijke reden hiervoor is het gebrek aan borging dat de andere verdragsstaat kwalitatief vergelijkbare visserijopleidingen en vaarbevoegdheden hanteert. De curricula van visserijopleidingen in verschillende landen lopen uiteen en bij de ratificatie van het STCW-F verdrag wordt geen inhoudelijke beoordeling gedaan van de visserijopleidingen door de IMO. Daarnaast is het STCW-F verdrag niet omgezet naar EU-regelgeving. Dat heeft als gevolg dat de European Maritime Safety Agency (EMSA), anders dan voor de koopvaardij, voor de visserij niet toeziet op kwaliteitsborging. Toezicht en een bepaalde mate van kwaliteitsborging moet de verdragsstaat dus zelf regelen en dat is een arbeids- en tijdsintensieve taak. Omdat het STCW-F verdrag niet naar EU-regelgeving is omgezet, dient ook tussen EU lidstaten een wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen via het sluiten van een bilaterale overeenkomst geregeld te worden. Ik hecht grote waarde aan de veiligheid van bemanning op Nederlandse vissersvaartuigen en daarvoor is kwaliteitsborging van competenties van vissers van groot belang.
Is u bekend dat Nederland sinds de implementatie van het STCW-F-verdrag in de nationale regelgeving (Besluit zeevarenden) op 1 april 2019 slechts met één land een sociaal akkoord heeft gesloten om vaarbevoegdheden te kunnen uitwisselen?
Nederland heeft tot nu toe op basis van het STCW-F verdrag een overeenkomst afgesloten met België. Aangezien er intensief contact met de Belgische maritieme autoriteiten en kennis over hun wetgeving is, is er voldoende zekerheid dat hun visserijopleidingen en opleidings- en kwaliteitseisen overeenkomen met die van Nederland.
Is u bekend dat veel landen in en buiten Europa het STCW-F-verdrag hebben erkend en dat dit grote potentie heeft voor de Nederlandse vissersvloot om gekwalificeerde bemensing te bewerkstelligen?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3, garandeert het ratificeren van het STCW-F verdrag nog geen borging op de kwaliteit van de visserijopleiding en de daaruit resulterende competenties van vissers in een verdragsstaat. Met de sector ben ik daarom in gesprek over welke landen prioriteit zouden kunnen krijgen bij het komen tot bilaterale overeenkomsten. Daarbij speelt onder meer de potentiële toegevoegde waarde voor de Nederlandse visserijvloot een rol, alsmede de mate waarin en de wijze waarop Nederland zich kan verzekeren van de noodzakelijke kwaliteit van de opleidingen en vaarbevoegdheden in de betreffende verdragsstaat.
Is u bekend dat uw ministerie hierover tegen de visserijvertegenwoordigers keer op keer aangeeft dat het gebrek aan ambtelijke menskracht de oorzaak is van het uitblijven van sociale (STCW-F) akkoorden met meerdere landen en dat verder verwezen wordt naar de Europese Commissie om met een oplossing te komen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het aangaan van overeenkomsten op basis van het STCW-F verdrag ingewikkeld en een tijdsintensieve klus en is het STCW-F verdrag niet naar EU-regelgeving omgezet. Met de sector ben ik in gesprek over welke landen prioriteit zouden kunnen krijgen bij het komen tot bilaterale overeenkomsten. Tevens zal dit najaar uitbreiding komen in het team dat aan dergelijke maritieme bemanningszaken werkt.
Wat gaat u doen om op korte termijn wél dit soort sociale akkoorden met landen als Polen, Litouwen en Portugal te sluiten?
Zie de antwoorden op de vragen 3 en 5. Daarnaast is de voorkeur voor Polen, Litouwen en Portugal mij bekend en zal ik samen met de sector ook binnen deze drie landen prioriteren met welk land het afsluiten van een overeenkomst het meest van toegevoegde waarde is. Het streven is om dit najaar met de sector overeen te zijn gekomen welk land de meeste toegevoegde waarde heeft om een overeenkomst mee af te sluiten. Op basis daarvan zal uiterlijk begin volgend jaar samen met de sector een start worden gemaakt met op een zo pragmatisch mogelijke wijze de kwaliteit van de visserijopleiding en de daaruit resulterende competenties van vissers te beoordelen.
Stikstof |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Caroline van der Plas (BBB) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Herinnert u zich de richtinggevende emissiereductiekaart in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG)?
Ja.
Kunt u aangeven wat de huidige zuurtegraad van de bodem in het Natura 2000-gebied Dinkelland is? Zo ja, kunt u de meetgegevens delen?
De zuurgraad van de bodem is binnen dit gebied dermate verschillend per locatie, dat hierop geen eenvoudig antwoord gegeven kan worden. Er bestaat ook geen kaart waarop de zuurgraad gebiedsdekkend is weergegeven. Op rijksniveau worden de gevraagde meetgegevens niet opgeslagen; voor de gebiedsmonitoring is de provincie verantwoordelijk.
Kunt u een overzicht geven van de kritische depositiewaarde (KDW) die geldt voor het Natura 2000-gebied Dinkelland en de hoogte van de huidige berekende en gemeten depositie?
De KDW's verschillen per locatie (op het niveau van hectarehexagonen). Hoe groot de over- of onderschrijding is, is ontsloten via AERIUS (zie: https://monitor.aerius.nl/gebied/49/onderwerp/depositie-irt-natuur). Dit gebied maakt geen deel uit van de meetnetten voor droge en natte depositie, wel wordt – op zes meetpunten – de concentratie van ammoniak in de lucht gemeten (voor de resultaten: zie https://man.rivm.nl/gebied/dinkelland).
Kunt u aangeven hoeveel veehouderijen van welke omvang en sector in de regio van het Natura 2000-gebied Dinkelland moeten stoppen om de KDW in het natuurgebied Dinkelland te behalen? Kunt u dit uitplotten op een landkaart (uiteraard met inachtneming van de privacy met betrekking tot locatie) met verschillende scenario’s (bedrijfstypes/groottes/gangbaar biologisch) waarbij verschillende bedrijfsgroottes in die regio (zouden) stoppen?
Nee, dit kan ik niet op voorhand aangeven. Het is aan provincies vanuit hun rol als gebiedsregisseur om in gebiedsprocessen invulling te geven aan de richtinggevende doelen op het gebied van stikstof, natuur, water en klimaat die door het kabinet worden meegegeven. In gebiedsprogramma’s zal worden aangegeven met welke maatregelen en instrumenten invulling zal worden gegeven aan de doelen. Deze worden medio 2023 definitief vastgesteld.
Kunt u garanderen dat de staat van de natuur verslechtert als de in vraag vier genoemde veehouderijbedrijven niet stoppen?
Wanneer stikstofdepositie hoger is dan wat de natuur aan kan, is er een duidelijk risico op een significant negatief effect op de natuurkwaliteit. Als gevolg daarvan kan het instandhoudingsdoel voor een habitat niet duurzaam worden gerealiseerd. Hoe hoger en langer de overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de natuurkwaliteit. Het geven van een directe garantie tussen de afname van stikstofdepositie en de staat van de natuur is tegelijkertijd complexer dan dat. Natuurkwaliteit is immers afhankelijk van verschillende factoren, onder andere stikstofdepositie maar ook hydrologische omstandigheden of de omvang/versnippering van het leefgebied. Mede daarom worden er natuurdoelanalyses gemaakt in het kader van het gebiedsproces. Deze vormen een belangrijke basis voor de gebiedsprogramma’s en bieden meer inzicht in de staat van een natuurgebied, bijvoorbeeld in relatie tot de drukfactor stikstof.
Kunt u garanderen dat het stoppen van het aantal veehouderijbedrijven (genoemd in uw antwoord op vraag vier) bijdraagt aan het behalen van de staat van instandhoudingsdoelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn?
Uit het gebiedsproces zal moeten blijken op welke wijze de opgave gerealiseerd wordt, dat hoeft niet noodzakelijkerwijs te gebeuren door het stoppen van bedrijven. Het realiseren van de stikstofdepositiereductie, om daarmee de omgevingswaarden te realiseren die zijn opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, zal bijdragen aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Er bestaat wetenschappelijke consensus over dat het risico op aantasting van de kwaliteit van de natuur toeneemt naarmate de overbelasting met stikstof groter is en deze overbelasting langer voortduurt. Dat komt omdat stikstof zich ophoopt in de bodem waardoor bij een langer aanhoudende of grotere mate van overbelasting de mate van ophoping steeds groter wordt. Het verminderen van deze overbelasting is dus nodig om natuurkwaliteit te behouden en/of te verbeteren en instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en daarmee invulling te geven aan de verplichtingen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Hoeveel van de huidige berekende depositie in het Natura 2000-gebied komt op dit moment vanuit «overige bronnen» of de categorie «Buitenland»?
De sectorgroep «Overig», met daarin onder andere de depositie afkomstig van woningen en kantoren, heeft een depositie 107 mol/ha/jaar. De sectorgroep «Buitenland» heeft een depositie van 574 mol/ha/jaar. De totale (op basis van metingen gecorrigeerde) depositie van alle sectoren is 1.505 mol/ha/jaar. Deze deposities zijn de gemiddelde deposities op stikstofgevoelige natuur, berekend op basis van het gekarteerd oppervlak. De data zijn afkomstig uit AERIUS Monitor 2021, dat de situatie van 2019 als meest actuele jaar bevat.
Kunt u een overzicht geven van alle gebieden waar in de indicatieve kaart gesproken wordt van 95 procent reductie, welke KDW’s daar zijn toegepast voor welk habitattype en wat de huidige verspreiding van dat habittattype is? Kunt u daar achter zetten hoeveel veehouderijen met welke omvang en van welke sector er in de buurt zouden moeten stoppen om die KDW in de verschillende locaties te behalen?
De gebieden waarvoor als indicatief doel een reductiepercentage van 95% is opgenomen, betreffende de gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn opgenomen op de kaart in de startnotitie NPLG. Een tabel met de namen van de betreffende Natura 2000-gebieden is tevens opgenomen in het RIVM-memo «Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelen per gebied».
De hoogte van de het indicatieve emissiereductiedoel op een bepaalde locatie is niet direct gekoppeld aan de KDW. Bij het inschatten van de effecten op het doelbereik (realisatie landelijke omgevingswaarden), zijn de KDW’s toegepast zoals deze per habitat zijn opgenomen in het rapport H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397 2397.
De habitats betreffen de habitattypen en leefgebieden die zijn opgenomen in de aanwijzingsgebieden van Natura 2000-gebieden. De huidige verspreiding betreft de verspreiding zoals opgenomen in de habitatkartering die is opgenomen in AERIUS 2021 (en te raadplegen is via AERIUS Monitor).
Kunt u een inschatting maken over hoeveel van de bedrijven die in het huidige scenario zouden moeten stoppen een neventak hebben? Hoeveel hebben een Bed and Breakfast, een boerencamping, een kinderdagverblijf, huisverkoop of andersoortige neventakken? Kunt u een overzicht geven met uitsplitsing per neventak?
Het aantal agrarische bedrijven dat gaat stoppen is geheel afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de gebiedsprocessen en de mogelijkheden en voorkeuren van individuele ondernemers. Daarmee is het dus ook niet mogelijk om een inschatting te maken hoeveel bedrijven met een nevenfunctie zullen stoppen.
Kunt u aangeven wat de schatting is van het aantal mensen dat, direct of indirect, werkzaam is op de bedrijven die in het huidige scenario moeten stoppen? Kunt u dit aangeven voor zowel de werknemers die werken op het primaire bedrijf als eventueel op de neventakken en bij toeleveranciers zoals voerleveranciers, mechanisatiebedrijven en afnemers? Kunt u daarbij aangeven hoeveel arbeidsplaatsen er naar verwachting zullen vervallen als het deel van de veehouderijen zoals in de scenario’s is opgenomen zouden stoppen?
Het aantal agrarische bedrijven en dus aantal mensen dat gaat stoppen is geheel afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de gebiedsprocessen en de mogelijkheden en voorkeuren van individuele ondernemers. Het is dus ook niet mogelijk om een inschatting te maken hoeveel en welke functies zullen verdwijnen of veranderen.
Bent u ermee bekend dat sommige gemeenten geen nieuwe vergunning voor een boerencamping of Bed and Breakfast verlenen op het moment dat het landbouwbedrijf stopt, waarmee de vergunning voor de eerste tak vervalt, wat betekent dat die bedrijven hun andere inkomstenbron ook moeten opgeven? Kunt u toelichten voor hoeveel van de bedrijven met een neventak dit mogelijk geldt?
Ja, daar ben ik bekend mee. In sommige gemeenten is bijvoorbeeld de vergunning voor kleinschalig kamperen gekoppeld aan het uitoefenen van een actief agrarisch bedrijf. Eén van de redenen hiervoor is de wens tot behoud van de agrarische hoofdfunctie van een gebied. Gemeenten kunnen die koppeling heroverwegen. Aangezien er geen inschatting te maken is van het aantal bedrijven met een neventak, dat zal stoppen is ook deze specifiekere inschatting niet te maken.
Is in het verleden bijgehouden wat de effecten van stikstofemissievermindering, door de opkoop van specifiek veehouderijbedrijven nabij stikstofgevoelige natuurgebieden, is op stikstofgevoelige habitattypen in die natuurgebieden?
Nee, de effecten van een vermindering van de stikstofemissie door specifieke bronmaatregelen op de kwaliteit van de natuur zijn lastig te onderzoeken. Allereerst omdat de natuurkwaliteit beïnvloed wordt door het samenspel van omgevingscondities, waarvan de omvang van de stikstofdepositie er één is. En de totale achtergronddepositie is afkomstig uit meer bronnen dan alleen de specifieke veehouderijbedrijven. Bovendien kan het met het opkopen van een aantal bedrijven nog steeds zo zijn dat de KDW overschreden wordt. Door een vermindering van de overbelasting neemt het risico op verslechtering wel af, maar is dit niet weggenomen. Dat maakt het niet eenvoudig om te constateren dat een eventuele verslechtering door de getroffen bronmaatregel in een concreet gebied langzamer verloopt dan wanneer de maatregelen niet getroffen zou zijn geweest. Ook kunnen andere factoren de relatie tissen de bronmaatregel en het effect op de natuurkwaliteit van het gebied beïnvloeden, zoals verdroging. Overigens, gegevens over ontwikkeling van emissies en depositie worden wel bijgehouden, zie bijvoorbeeld emissieregistratie.nl en voor de GCN/GDN kaarten: www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/depositiekaarten/cijfers-achter-depositiekaarten/gdn-depositiebestanden-achterliggende-jaren
Kunt u een overzicht geven dat het causale verband aantoont tussen de in het verleden specifiek opgekochte veehouderijbedrijven en natuurherstel in nabijgelegen natuurgebieden? Zo ja, kunt u die rapportages met ons delen?
Zoals ook in het antwoord op vraag 12 aangegeven, zijn er geen concrete rapportages waarin inzicht wordt geboden in de gevolgen van de opkoop van specifieke bedrijven op natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden. In zijn algemeenheid zijn er wel veel wetenschappelijke publicaties over de effecten van stikstof op natuurkwaliteit, een overzicht hiervan wordt bijvoorbeeld gegeven in hoofdstuk 2 van het rapport «Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof», van Van den Burg et al., 2021.
Hoeveel en in welke Natura 2000-gebieden zijn er in het verleden habitattypen door stikstofreductie onder de KDW gekomen? Om welke habitattypen gaat het, in welke gebieden zitten deze habitattypen en wat is de ontwikkeling van de instandhouding van die habitattypen?
In de jaarlijkse monitoringsrapportage over stikstof die op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering moet worden opgesteld, zal een historische depositiereeks (vanaf 1990) worden opgenomen. Dit laat de ontwikkeling zien van de overschrijding van de KDW (overbelasting op nationaal niveau). In de tweejaarlijkse monitoringsrapportage zal inzicht worden geboden in de effecten van de maatregelen op natuurkwaliteit. Over de landelijke staat van instandhouding van de habitattypen wordt iedere zes jaar een rapportage uitgebracht aan de Europese Commissie, de meest recente rapportage (2019) is te vinden op www.natura2000.nl
Bent u bekend met de «Landelijke monitoringsrapportage Natuur 2016» en klopt het dat met deze monitoring voor het eerst de effecten van stikstofreductie (en beheermaatregelen) op natuurherstel met nieuwe indicatoren in kaart gebracht worden?
Daar ben ik bekend mee. In die rapportage gaat het niet om effecten van stikstofreductie, maar om allerlei administratieve gegevens, zoals arealen van gekarteerde habitats en de voortgang van de uitvoering van maatregelen.
Klopt het dat in 2016, 2017 en 2018 in de rapportage over de kwaliteit van habitattypen, over stikstofgevoelige leefgebieden van soorten en over effecten van herstelmaatregelen nog geen gegevens beschikbaar waren volgens deze rapportage?
Dat is juist.
Klopt het dat vanuit die monitoring inzichten moeten volgen over de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige natuur (habitattypen en leefgebieden van soorten) en over actiehouders bij eventueel geconstateerde knelpunten?
De monitoring is niet gericht op het in beeld brengen van de haalbaarheid van instandhoudingsdoelen, maar op de voortgang van de maatregelen en uiteindelijk ook het daadwerkelijk natuureffect daarvan. Bij eventueel geconstateerde knelpunten vormen de monitoringsresultaten een belangrijk startpunt voor het bepalen wie die knelpunten kan oplossen, maar bevat daarover nog geen conclusies.
Klopt het dat de monitoring en set van indicatoren van stikstofgevoelige natuur pas met de aanvang van de «Landelijke monitoringsrapportage Natuur 2016» begonnen is? Waarbij men spreekt dat een ecologische trend pas zichtbaar kan worden na langere tijd van monitoren?
Dat klopt in die zin dat vanaf dat moment een meer gecoördineerde en overeenkomstige aanpak is gestart. Uiteraard werd er daarvoor ook veel gemeten en onderzocht, maar dan voor andere doeleinden (zoals de subsidiëring van beheer) of op een meer gedifferentieerde wijze, vanuit de tradities die in de verschillende provincies en beheerorganisaties waren ontstaan.
Klopt het dat door deze nieuwe wijze van het in kaart brengen, in de Landelijke monitoringsrapportage, voor het eerst de effecten van stikstofreductie op natuurherstel in kaart gebracht worden?
Dat is niet het geval; zie daarvoor het antwoord op vraag 18.
Klopt het dat de Landelijke monitoringsrapportage in 2022 geëvalueerd wordt? Zo ja, wanneer kunnen we deze evaluatie verwachten?
Momenteel wordt in het kader van de eerste PAS-periode de laatste rapportage uit de reeks monitoringsrapportage natuur opgesteld voor 2021. Voor het onderdeel stikstof zijn geen monitoringsrapportages gepland. Een totale evaluatie met betrekking tot deze landelijke voortgangsrapportages over de jaren heen is momenteel niet aan de orde.
Wel zijn er plannen voor het evalueren van de gegevensverzameling van de PAS-herstelmaatregelen. Dit zal echter geen inzichten geven in inhoudelijke relaties tussen de rapportages, maar heeft betrekking op het «type gegevens» in de monitoring waaronder bruikbaarheid, volledigheid, kwaliteit en de haalbaarheid om de gegevens van de natuurmaatregelen aan te leveren en te verwerken.
Klopt het dat er uit een natuurbeoordelingsrapportage blijkt dat bij veldonderzoek in de Lieftingsbroek de ontwikkeling van de stikstofgevoelige habitattypen geen aanleiding geven om aan te nemen dat er sprake is van een negatieve ontwikkeling door N-depositie?
In het Lieftingsbroek zijn de maatregelen die nu worden getroffen vooral gericht op hydrologisch herstel en nog niet op stikstof. Effecten van stikstofdepositie en een niet goed functionerend hydrologisch systeem zijn moeilijk van elkaar te scheiden. Uit veldbezoeken in het kader van de PAS-monitoring, en ook uit onderzoek van KWR (2020), blijkt dat stikstof wel degelijk een factor is met negatieve gevolgen voor de natuurkwaliteit. KWR heeft aangetoond dat in het lokale grondwatersysteem stikstof aanwezig is en dat dit alleen in de vorm van atmosferische depositie in het systeem gekomen kan zijn. Bodemanalysen laten zien dat de toplaag verzuurd is en dat stikstofminnende mossen vooral in het Blauwgrasland en in recent geplagde delen veelvuldig voorkomen.
Als de evaluatie van de »Landelijke monitoringsrapportage Natuur» niet bekend was op het moment dat er vele miljarden voor stikstofbeleid werden uitgetrokken, hoe verantwoordt de Minister de grote som met middelen die gelabeld zijn, bij het ontbreken van deze evaluatie die een causaal verband tussen stikstofreductie en natuurverbetering aan moet tonen?
De «Landelijke monitoringsrapportage Natura 2000 en Stikstof» bevat gegevens over de omvang van stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten, de uitvoering van herstelmaatregelen, veldbezoek en aanvullend onderzoek. Dat is belangrijk om grip te hebben op de staat van de natuur in de Natura 2000-gebieden en de effecten van (herstel)maatregelen op die natuur. Over een algemeen causaal verband tussen stikstofreductie en natuurverbetering bestaat al enkele decennia wetenschappelijke consensus. Te hoge niveaus van stikstofdepositie zijn schadelijk voor de natuur. Een overzicht van de beschikbare wetenschappelijke kennis hierover is bijvoorbeeld opgenomen in hoofdstuk 2 van het rapport «Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof» (Van den Burg et al., 2021). Het stikstofbeleid met bijbehorende middelen is dan ook gebaseerd op een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Klopt het dat vrijwilligers de veldinspectie doen voor de «Landelijke monitoring van de Natuur»?
Het overgrote deel van de soortwaarnemingen van planten en dieren komt in Nederland inderdaad van vrijwilligers («citizen scientists»). Zij vormen geen inspectie, maar ze leveren met hun werk een belangrijke bijdrage aan de monitoring van natuur in Nederland.
Met name in natuurterreinen en ons oppervlaktewater (Kaderrichtlijn Water) vinden daarnaast vele inventarisaties door professionals plaats, vaak met name gericht op bijzondere soorten of de kwaliteit van habitattypen. Dit gaat onder meer om inventarisaties ten behoeve van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL), maar ook om vegetatiekarteringen waarin bijvoorbeeld de kwaliteit van de habitattypen in Natura 2000-gebieden wordt bepaald.
De uitkomsten van deze monitoring worden onder andere opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
Wat zijn de eisen om als vrijwilliger dergelijke inspecties te mogen uitvoeren? Welke achtergronden hebben deze vrijwilligers?
Onder de vrijwilligers zijn vele kenners die niet onderdoen voor professionals. Geregeld zijn het ook professionals (bijvoorbeeld boswachters of onderzoekers) die in hun vrije tijd planten of dieren inventariseren. Bovendien worden er vanuit de soortenorganisaties allerlei cursussen en andere informatie (bijvoorbeeld over het gebruik van de juiste determinatieboeken) aangeboden om het niveau van de inventarisaties zo hoog mogelijk te laten zijn.
Hoe wordt er geborgd dat deze beoordeling via consequente systematiek en op gelijke, professionele wijze met voldoende objectieve kennis van ecologie, in beeld gebracht wordt?
Om het inwinnen van natuurdata te verbeteren en te standaardiseren werkt de NDFF met vastgestelde protocollen, gestandaardiseerde telmethoden. Dat houdt in dat waarnemingen steeds op dezelfde manier verzameld worden. Gestandaardiseerd tellen heeft als groot voordeel dat de gegevens goed vergeleken kunnen worden, zowel onderling als van jaar tot jaar, en dat duidelijk is wat er op basis van de waarnemingen kan worden gezegd. In de NDFF is een uitgebreide controle-routine ingesteld, waarbij door deskundige validatoren en soortgroepcoördinatoren (-specialisten) alle minder betrouwbare waarnemingen met de hand worden gecontroleerd. Waarnemingen van algemenere soorten kunnen door automatische routines worden goedgekeurd. Bij alle individuele waarnemingen is het proces van goedkeuring vastgelegd en raadpleegbaar. Op de website van de NDFF is hierover meer informatie beschikbaar: www.ndff.nl
Wat zijn de gevolgen van de huidige inzet van het kabinet op mest- en kunstmestgebruik en mestimport per provincie en per eiland?
Het Nationaal Programma Landelijke Gebied zal een uitwerking gaan geven van de inzet op provinciaal niveau. Uiterlijk in juli 2023 is in elk gebied duidelijk wat de doelen per gebied zijn en hoe die gehaald worden. Op dat moment kan pas inzicht gegeven worden in welke gevolgen dit zal hebben op het mest- en kunstmestgebruik en de mestimport per provincie en per eiland.
Kunt u deze vragen een voor een en zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor 15 augustus 2022 beantwoorden?
Voor beantwoording van deze Kamervragen is een uitstelbrief verzonden.
De Kamerbrief ‘Openstelling saneringsregeling visserij’. |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich de Kamerbrief over «Openstelling saneringsregeling visserij»?1
Ja, mijn ambtsvoorganger heb deze brief op 22 juli aan de Tweede Kamer verstuurd.
Kunt u bevestigen dat de vergoeding die vissers ontvangen voor het saneren van hun schip en vangstrechten gekoppeld is aan het tonnage van het schip en dat de vergoeding geen relatie heeft met de hoeveelheid vangstrechten op het schip?
Het gaat bij deze regeling om een subsidie voor de definitieve stopzetting van visserijactiviteiten met een vissersvaartuig. Het uit te keren subsidiebedrag bij sanering is gebaseerd op het gemiddelde inkomensverlies en wordt berekend aan de hand van de bruto tonnage (BT, een wijze om de grootte van een vaartuig uit te drukken) van het betreffende vissersvaartuig. Het klopt dat er in de berekening geen rekening is gehouden met de hoeveelheid vangstmogelijkheden van een vissersvaartuig (zie het antwoord op vraag 3 voor een verdere toelichting).
Kunt u aangeven hoe de hoogte van de vergoeding is berekend enerzijds gebaseerd op de waarde van het schip, anderzijds op de waarde van de vangstrechten?
Voor indeling in categorieën, maximum bedragen per categorie en bijbehorende subsidiebedragen per BT is uitgegaan van de analyse van WEcR.2 Deze bedragen zijn gebaseerd op het gemiddelde inkomensverlies, gecorrigeerd voor een netto contante waarde gebaseerd op een periode van acht jaar. Het gecorrigeerde inkomensverlies per categorie geldt als maximum voor die categorie. Kleinere vaartuigen binnen dezelfde categorie ontvangen een naar rato lager bedrag. Eventuele kosten en opbrengsten van sloop worden verrekend met het uiteindelijke subsidiebedrag.
De marktwaarde van de contingenten is door WEcR meegenomen in de berekeningsmethodiek van visserijactiviteiten en het vaststellen van de subsidiebedragen per BT Error! Hyperlink reference not valid., zij het dat deze waarde op basis van het onderzoek verwaarloosbaar is geacht ten opzichte van het totaalbedrag. Immers, conform de richtlijn PGEcon (2020) van de EU wordt bij de rapportage over de economische situatie van de visserijsector waar mogelijk de marktprijs gehanteerd voor de waardebepaling van visrechten. De marktwaarde van de twee belangrijkste contingenten voor demersale bestanden (tong en schol) zijn al sinds 2018 verwaarloosbaar laag door onderbenutting van het quotum. Bovendien is door een gebrek aan transacties in de afgelopen 4 jaren in contingenten voor de demersale bestanden en al veel langer voor de pelagische bestanden een betrouwbare waardering van de marktwaarde van de contingenten van alle soorten onmogelijk. Er zijn binnen het PGEcon geen alternatieve waarderingsmethoden van vangstmogelijkheden die internationaal gedragen worden beschikbaar.
Kunt u aangeven in hoeverre de saneringsregeling die nu wordt opengesteld is opgezet volgens de lijnen van het advies van mevrouw Burger aan uw ambtsvoorganger en de brief van uw ambtsvoorganger aan de Tweede Kamer van 19 juni 2020?2
Zoals is gecommuniceerd naar de Tweede Kamer in de brief van 19 juni 2020, de appreciatie bij het advies van mevrouw Burger – in de praktijk de Kottervisie genoemd (Kamerstuk 29 675, nr. 195) – is het streven naar een economisch gezonde sector die vist met respect voor natuur en milieu. In de brief wordt ingezet op een kleinere en duurzame vloot. Verkleining van de vloot middels sanering had een aanpassing aan de beperktere ruimte en een versterking van het ecosysteem tot doel. Zoals in de brief van 28 juni 2021 gemeld (Kamerstuk 33 450, nr. 1328) was hiervoor geen steun bij de Europese Commissie. De Brexit plaatst de sector voor nieuwe uitdagingen. Om specifiek aan de uitdaging van het quotaverlies als gevolg van de Brexit het hoofd te kunnen bieden heb ik deze regeling opgesteld. Hiermee beoog ik het binnen de Brexit Adjustment Reserve door de Europese Commissie beschikbaar gestelde budget te besteden aan het aanpassen van de vangstcapaciteit aan de verlaagde quota, zodat het evenwicht tussen vangstmogelijkheden (quota/contingenten) en vangstcapaciteit voor de blijvende vissers wordt hersteld. Door vangstcapaciteit definitief uit de markt te nemen en de vangstmogelijkheden van de vervallen contingenten ter beschikking te stellen aan de resterende actieve vissers, via de Producentenorganisaties (PO’s), wordt dat doel gerealiseerd. Tot de inwerkingtreding van een nieuw contingentenstelsel in 2025, worden deze contingenten tijdelijk bij de PO’s ondergebracht. Omdat een belangrijk deel van de vissers getroffen is door de Brexit, zal deze sanering naar verwachting voor een groot deel ook invulling geven aan de voorgenomen sanering uit de Kottervisie.
Op welke wijze wordt bij het openstellen van deze regeling invulling gegeven aan hetgeen gesteld in eerdergenoemde brief van 2020: «Om de kans op snelle en succesvolle sanering te vergroten, sluit ik waar mogelijk aan op de uitgangspunten van de meest recent uitgevoerde saneringsregelingen zeevisserij (2008, 2006), waar nodig geactualiseerd naar de voorwaarden uit het huidige Europese fonds, het EMFZV. Belangrijk uitgangspunt is dat de sanering geschiedt op basis van vrijwilligheid en de regeling ertoe leidt dat de vangstcapaciteit daadwerkelijk naar beneden gaat. Belangrijke voorwaarden zijn daarom onder meer dat de kotter wordt gesloopt of omgebouwd voor andere activiteiten dan commerciële visserij. Alle visvergunningen worden daarnaast ingetrokken en de betreffende visser mag gedurende vijf jaar geen visserijactiviteiten ontplooien. Overigens hebben veel vissers die op gequoteerde soorten vissen ook een garnalenvergunning voor de Noordzee (GV-vergunning). Ik ben voornemens om bij de sanering deze in te nemen om te voorkomen dat de druk op de garnalenvisserij verder toeneemt.»?
De saneringsregeling staat open voor vissers die geraakt worden door de verlaagde quota als gevolg van de met het Verenigd Koninkrijk gesloten handelsovereenkomst. De regeling is vrijwillig. De vangstcapaciteit van het vissersvaartuig dat wordt gesaneerd wordt definitief uit het visserijregister gehaald en in mindering gebracht op het capaciteitsmaximum dat op grond van de basisverordening GVB voor Nederland geldt. Hierdoor wordt de totale capaciteit van de Nederlandse vissersvloot verlaagd. Op het moment dat het vaartuig wordt uitgeschreven uit het visserijregister, worden alle voor het vaartuig toegekende vergunningen en vismachtigingen ingetrokken. Op dat moment vervallen ook de voor het vaartuig geldende en de op naam van het betreffende bedrijf aangehouden contingenten.
Welke specifieke aanvullende fiscale maatregelen, anders dan de generieke maatregelen die zijn verwoord in de brief van 22 juli, is bent u voornemens te nemen conform de toezegging in de brief van 19 juni 2020: «Bij het beëindigen van zijn onderneming draagt de (gestopte) visser belasting af over de zogenoemde stille reserves (het verschil tussen de hoogte van de stopperssubsidie en de fiscale boekwaarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming) en de fiscale reserves (kostenegalisatiereserve, herinvesteringsreserve en oudedagreserve). Dit is de zogenoemde stakingswinst en betreft een vorm van eindafrekening. Voor ondernemers die belastingplichtig zijn in de inkomstenbelasting en winst uit onderneming genieten zijn onder voorwaarden een aantal faciliteiten beschikbaar om aan de fiscale gevolgen van bedrijfsbeëindiging tegemoet te komen. Naast de bestaande mogelijkheden onderzoek ik opties voor het verruimen van een van de fiscale faciliteiten die vaak niet kan worden toegepast in geval van staking van de onderneming: het toepassen van de herinvesteringsreserve. Bij toepassing hiervan geldt dat niet direct belasting hoeft te worden betaald over het verschil tussen het verkregen subsidiebedrag en de fiscale boekwaarde daarvan, indien dit bedrag wordt geherinvesteerd in een ander bedrijfsmiddel. Voorwaarde hiervoor is dat het vervangende bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie heeft in de onderneming als het vervreemde bedrijfsmiddel (de kotter). Als een ondernemer gebruikt maakt van de saneringsregeling visserij mag hij juist geen visserij meer bedrijven, zodat alleen met een verruiming van de regeling de herinvesteringsreserve kan worden ingezet voor vervangende bedrijfsmiddelen met een andere economische functie.»?
Naast het feit dat geen BTW hoeft te worden betaald over de verkregen saneringssubsidie geldt ten aanzien hiervan het volgende. De Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij zal worden aangemerkt als overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001) zal hiertoe worden aangepast per 1 januari 2023. Het aanmerken van de regeling als
overheidsingrijpen betekent dat voor de toepassing van de herinvesteringsreserve soepelere voorwaarden gelden. De vereiste van «eenzelfde economische functie» bij herinvestering in een ander duurzaam bedrijfsmiddel is daarmee niet van toepassing. Uiteraard moet aan de overige voorwaarden van de herinvesteringsreserve worden voldaan.
Waarin schiet het huidige Nederlandse systeem van toedeling van vangstrechten tekort, dan wel heeft het systeem een belemmerende werking op het verduurzamen van de kottervisserij? En in hoeverre schiet het huidige Nederlandse systeem tekort in het invullen van artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Nederland kent een systeem van toedeling van individuele vangstmogelijkheden voor de meeste commerciële vissoorten, het contingentenstelsel. Bij de invoering van dit stelsel, eind zeventiger jaren, zijn de contingenten gratis en voor onbepaalde tijd toegedeeld aan destijds actieve vissers op basis van historische vangsten. Iedere visser die op 31 december van enig jaar contingenten op zijn naam heeft, krijgt deze automatisch ook het volgende jaar, ongeacht of hij gebruik maakt van selectiever vistuig of minder milieubelastende visserijtechnieken en ongeacht het nalevingsgedrag. De contingenten kunnen worden overgedragen, waarbij de contingenthouder zelf kan bepalen aan wie. Contingenten kunnen ook voor de duur van een kalenderjaar in gebruik worden gegeven aan andere vissers. Deze flexibiliteit is nodig om een wisselende vangstsamenstelling te kunnen afdekken met voldoende vangstmogelijkheden. Een neveneffect hiervan is echter dat inmiddels niet meer actieve vissers hun contingenten aanhouden om deze jaarlijks tegen betaling in gebruik te geven aan wel actieve vissers. Dit stelsel is hierdoor slecht toegankelijk voor nieuwe vissers. Omdat artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid bepaalt dat individuele vangstmogelijkheden moeten worden toegedeeld op basis van transparante en objectieve criteria, zoals de gevolgen van de visserij op het milieu, de naleving in het verleden, de bijdrage aan de lokale economie en vangstniveaus uit het verleden, zit het huidige contingentenstelsel verduurzaming in de weg. Daarbij moet voor stimulansen worden gezorgd voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van minder milieubelastende visserijtechnieken om duurzame vissers te belonen.
Daarom heb ik het voornemen om een nieuwe methode te ontwikkelen voor de toebedeling van vangstmogelijkheden voor bepaalde duur op basis van objectieve criteria. Daarbij zal ik ook kijken naar de criteria die op grond van artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid in acht moeten worden genomen. Ik kom daarmee mede tegemoet aan het recente verzoek van het Europees Parlement aan de lidstaten om bij de toewijzing van vangstmogelijkheden vissers te stimuleren om gebruik te maken van de meest duurzame en milieuvriendelijke visserijpraktijken, vangstmethoden en innovaties op visserijgebied4. Ook is het huidige contingentenstelsel niet in lijn met de rechtspraak over het verdelen van schaarse rechten5. In de rechtspraak wordt op grond van het EU-recht en het gelijkheidsbeginsel geëist dat bij de verdeling van schaarse rechten door de overheid aan potentiële gegadigden ruimte wordt geboden om naar de beschikbare rechten mee te dingen. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel. De overheid moet transparant zijn over de beschikbaarheid van de rechten, de verdelingsprocedure en de toe te passen objectieve criteria voor toedeling. De overheid kan schaarse rechten in principe niet voor onbepaalde tijd verlenen om te voorkomen dat de verkrijger hiervan onevenredig wordt bevoordeeld ten opzichte van mogelijke concurrenten.
Kunt u gedetailleerd inzichtelijk maken op welke wijze u door wetenschappers en andere deskundigen bent geadviseerd omtrent het voornemen tot wijziging van het systeem van toedeling van vangstrechten?
De reden voor het voornemen om te komen tot wijziging van het systeem van toedeling van de vangstmogelijkheden heb ik bij vraag 7 toegelicht. Het voornemen tot wijziging van het systeem van toedeling van vangstrechten is tot stand gekomen door het advies van mevrouw Burger voor een duurzame kottervisserij op de Noordzee (Kamerstuk 29 675, nr. 195). Ik zal bij het uitwerken van deze wijziging alle noodzakelijke zorgvuldigheid betrachten en ruimte nemen voor afstemming met de sector, deskundigen en andere belanghebbenden. Ik neem hiervoor daarom tot 2025 de tijd. Het proces van afstemming en consultatie moet nog worden ingericht, we staan nu nog aan het begin hiervan. Ik zal de Tweede Kamer op een later moment nader informeren over de hierbij voorziene planning.
Kunt u aangeven welke activiteiten zijn ontplooid en welke adviezen zijn ingewonnen om te komen tot bijstellingen van «het Biesheuvelsysteem» om met behoud van alle bij vissers ondergebrachten rechten invulling te geven aan artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Het koppelen van een saneringsregeling aan de verplichte inname van contingenten is eerder geadviseerd in het advies van mevrouw Burger (Kamerstuk 29 675, nr. 195). In dit advies heeft zij tevens voorgesteld om te onderzoeken of ingenomen contingenten later weer kunnen worden ingezet voor stimulering en versnelling van verduurzaming van de Noordzeevisserij en intreden van (jonge) visserijondernemers voor die visserijmethoden die voldoen aan bepaalde duurzaamheidseisen. Naar aanleiding daarvan is reeds een aanpassing van het contingentenstelsel overwogen en ook is dit in verkennende gesprekken met sectorvertegenwoordigers besproken. Vanuit de sector was hier geen draagvlak voor en is er toen besloten de mogelijkheden te onderzoeken om kleinschalig via contingentenbeheer positieve prikkels voor verduurzaming in te bouwen. Hier is tot nu toe geen gevolg aan gegeven. Nu de sanering uiteindelijk zijn beslag krijgt, er nieuwe jurisprudentie is in lijn met de bij vraag 7 genoemde conclusie van AG Van Widdershoven3 en de noodzaak tot verdere verduurzaming verder is toegenomen, is een herziening van het contingentenstelsel onvermijdelijk en is er besloten om hiertoe over te gaan. Ik weet dat er weerstand bestaat bij delen van de sector. Ik zal echter bij deze wijziging alle zorgvuldigheid en ruimte voor afstemming met de sector, deskundigen en andere belanghebbenden in acht nemen om te komen tot een werkbaar stelsel dat past bij de uitdagingen waarvoor de visserij op de Noordzee staat. In het Bestuurlijk Overleg van 30 Augustus heeft mijn voorganger dan ook de toezegging gedaan dat de sector hierbij actief betrokken zal worden. Ik neem hiervoor daarom tot 2025 de tijd. Het beheer van de in Biesheuvelgroepen of Producentenorganisaties ingebrachte individuele vangstmogelijkheden zoals dat in «het Biesheuvelsysteem» plaatsvindt staat hierbij voor mij geheel los van de systematiek van verdeling van de individuele vangstmogelijkheden. Ik wil de verworvenheden van het co-management van de quota zoals we dat in Nederland kennen niet terzijde schuiven bij de vormgeving van een nieuw stelsel.
Heeft u overleg gevoerd met de sector over invulling van artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Zo ja, wanneer en wat waren de uitkomsten hiervan?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb aangegeven moet het proces van afstemming en consultatie nog worden ingericht en deze gesprekken nog plaatsvinden. De invulling van artikel 17 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid is onderdeel van de gesprekken die ik met de sector voer over de herziening van het contingentenstelsel.
Waarom is het noodzakelijk om de volledige vangstrechten van een ondernemer die zijn schip laat saneren in te nemen in deze regeling en kan niet worden volstaan met het innemen van de zogenaamde basiscontingenten die de facto zorgen voor de toegang tot het Biesheuvelsysteem en de overige rechten in bezit van de ondernemer te laten, zoals in voorgaande saneringsronden gebruikelijk is geweest?
Zoals in mijn antwoord op vraag 4 is te lezen, beoog ik met de saneringsregeling het evenwicht tussen vangstcapaciteit en verminderde quota door Brexit te herstellen. Contingenten zijn een aandeel van het nationale quotum en geven niet het recht om een absolute hoeveelheid van een vissoort te vangen. Dit betekent dat als het nationale quotum daalt (zoals is gebeurd door Brexit) de omvang van de individuele contingenten navenant vermindert. De vissers die hun visserijactiviteiten willen voortzetten en geen gebruik maken van de saneringsregeling, blijven achter met de door Brexit verminderde contingenten. Om de blijvende actieve vissers toekomstperspectief te bieden, heb ik besloten de vangstmogelijkheden van de vervallen contingenten tijdelijk, tot de herziening van het contingentenstelsel, via de Producentenorganisaties of Biesheuvelgroepen te verdelen over resterende actieve vissers. Bijkomend voordeel daarvan is dat verdere concentratie van vangstmogelijkheden wordt voorkomen. Om die reden heb ik ervoor gekozen om alle contingenten van het gesaneerde vaartuig te laten vervallen, alsook de op naam van de onderneming gereserveerde contingenten. Indien slechts de basisrechten van een contingent zouden worden ingetrokken zouden de bijbehorende «kilogrammen» niet evenredig kunnen worden verdeeld over de resterende actieve vissers.
Hoe kan een ondernemer met meerdere schepen die slechts een van zijn schepen saneert middels de saneringsregeling voldoende vangstrechten behouden voor de overige niet-gesaneerde schepen?
De contingenten die zijn toegekend voor een vaartuig waarvoor geen sanering wordt aangevraagd en waarvan de registratie in het visserijregister dus behouden blijft, zullen blijven worden toegekend voor dat betreffende vissersvaartuig. Bovendien zullen de contingenten die wel zijn vervallen als gevolg van een sanering van een vaartuig in gebruik worden gegeven via de Producentenorganisatie of de Biesheuvelgroep waar deze voorafgaand aan de sanering waren ingebracht. Op die manier zal een ondernemer kunnen blijven vissen met de vaartuigen waarvoor hij geen sanering heeft aangevraagd, als hij één van zijn vaartuigen wel hiervoor aanmeldt.
Werkbezoeken aan de grensregio in het kader van stikstof en de aangenomen motie over verschillen aan de grens. |
|
Derk Boswijk (CDA), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich dat de motie Omtzigt/Boswijk/Van Campen (Kamerstuk 33 576, nr. 273) met zeer grote meerderheid is aangenomen in juni 2022 en dat het dictum luidde: «verzoekt de Minister van Landbouw en de Minister voor Stikstof een aantal werkbezoeken te brengen aan agrariërs die tegen de Duitse grens aan wonen en vervolgens aan de Kamer voor het eind van de zomer voorstellen te doen hoe de verschillen aan de grens zo klein mogelijk gemaakt worden, en gaat over tot de orde van de dag.»
Bent u op de hoogte van de situatie in het Natura 2000-gebied «Bergvennen & Brecklenkampse Veld (gemeente Dinkelland)» – dat tegen de grens met Duitsland aan ligt –, waar aan de Nederlandse kant landbouwactiviteiten fors worden beperkt en grond wordt vernat en waar aan Duitse kant diepe sloten liggen en nieuwe varkensstallen gebouwd worden?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er natuurherstelmaatregelen uitgevoerd gaan worden in en rondom het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld. Hiervoor wordt door de provincie Overijssel, samen met de gebiedspartners, een Natura 2000-beheerplan en Provinciaal Inpassingsplan opgesteld. De maatregelen die voortvloeien uit deze plannen kunnen leiden tot beperkingen voor landbouwactiviteiten en vernatting. Het kabinet herkent zich niet in de kwalificatie «fors». Een deel van de gronden behoudt de bestemming «agrarisch», al dan niet met een beperking (hoofdzakelijk vanwege vernatting).
Het is bekend dat er aan de Duitse kant diepe sloten liggen die hydrologische effecten hebben voor het Natura 2000-gebied. Om die reden zijn er ook herstelmaatregelen (onder andere het verondiepen van sloten) aan Duitse zijde in het beheerplan opgenomen, om de doelstellingen voor Bergvennen & Brecklenkampse Veld te kunnen behalen. Hierover vinden constructieve gesprekken plaats met de betreffende grondeigenaren en Duitse overheden. Er wordt maximale inzet gepleegd om de maatregelen aan Duitse zijde uit te voeren.
Wanneer bekend is dat er door Duitse overheden bestemmingsplannen worden voorbereid die uitbreiding mogelijk maken van agrarische bedrijven die negatieve effecten kunnen hebben op het Natura 2000-gebied, dan wordt daar door de provincie Overijssel, vanuit de wettelijke verantwoordelijkheid voor natuurbeleid, op geacteerd (bijvoorbeeld door het indienen van een zienswijze en het verzoek om een milieueffectrapportage).
Kunt u aangeven hoe groot de verschillen aan de Duitse en Nederlandse kant van de grens zijn en hoe de samenwerking verloopt bij het natuurbehoud?
De samenwerking met Duitsland (deelstaat Nedersaksen) verloopt goed. De Landkreis Grafschaft Bentheim en de Gemeinde Nordhorn stellen zich constructief op tijdens overleggen en zijn bereid om de middelen in te zetten die zij hiervoor tot hun beschikking hebben om de maatregelen aan Duitse zijde uit te voeren. Het verschil is dat er alleen voor het Nederlandse grondgebied een Provinciaal Inpassingsplan kan worden opgesteld.
Klopt het dat zelfs als alle Nederlandse stikstofdepositie wordt voorkomen, de Kritische DepositieWaarde (KDW) voor dit gebied toch nog wordt overschreden?
Het klopt dat er binnen het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld op sommige plekken habitattypen zijn waarop de depositie veroorzaakt door buitenlandse emissies hoger is dan de KDW. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zwakgebufferde vennen (H3130).
Bent u het eens dat in grensgebieden niet alleen invloed op KDW vanuit het buitenland is te verwachten, maar ook invloed op de beheermaatregelen?
Behalve dat een deel van de uitgestoten stikstof buiten de landgrenzen neerslaat, kunnen ook andere drukfactoren een grensoverschrijdend karakter hebben. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan verdroging, doordat het hydrologisch systeem een gebied beslaat dat ook in het buitenland gesitueerd is. Wanneer een gebied aan beide kanten van de grens gelegen is, zal ook het beheer binnen het buitenlandse deel van de gebiedsbegrenzing plaatsvindt van invloed zijn op de natuurkwaliteit in het gebied.
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief DGS/22300439 van 15 juli aangeeft, dat door in onder andere grensgebieden naast stikstofreductie in te zetten op beheermaatregelen, het brede doel van een gunstige staat van instandhouding kan worden gehaald, of dichterbij gebracht, ondanks dat de KDW in die gebieden wordt overschreden (door invloed van stikstof uit het buitenland): op welke wijze worden deze beheermaatregelen in samenspraak met Duitsland uitgevoerd en hoe ziet de invloed van het grensgebied op deze maatregelen, bijvoorbeeld bij de in vraag 2 omschreven gewenste vernatting van het gebied, terwijl aan de Duitse kant vlakbij de grens diepe sloten liggen?
In het ontwerpbeheerplan (onderdeel van het Provinciaal Inpassingsplan) is onder andere opgenomen dat de ontwatering aan de oostzijde van het gebied zal worden teruggedrongen. Dat vergt dus ook het aanpakken van de ontwateringssloten aan Duitse zijde. Het ontwerpbeheerplan is in goed overleg met de Duitse partners tot stand gekomen.
Kunt u vertellen hoe de samenwerking verloopt en hoe de verschillen/overeenkomsten zijn aan beide zijden van de grens bij het grensoverschrijdende Natura 2000-gebied Aamsveen (gemeente Enschede)?
Er wordt sinds enkele jaren samengewerkt bij het grensoverschrijdend hoogveenherstel, in het Nederlandse Natura 2000-gebied Aamsveen en het Duitse Natura 2000-gebied Amtsvenn-Hündfelder Moor. Deze gebieden vormen samen één hydrologisch samenhangend hoogveensysteem. Daarom is het belangrijk dat er grensoverschrijdende samenwerking plaatsvindt.
Er vinden al vele jaren gesprekken plaats tussen de Duitse en de Nederlandse gebiedsbeheerders. Vanaf 2019 hebben deze gesprekken meer richting gekregen in de vorm van een Europese «LIFE-subsidie» aanvraag. LIFE is het Europese subsidie-instrument voor projecten op gebied van natuur, milieu en klimaat. De samenwerking heeft in de loop van de jaren steeds meer vorm gekregen, waarbij het leren van elkaar en het begrijpen van de verschillen in werkwijzen en mogelijkheden een terugkerend thema is. Wanneer de LIFE-aanvraag wordt goedgekeurd, biedt dit een uitgelezen kans om de samenwerking te consolideren en te intensiveren.
De situatie in Duitsland is op verschillende punten anders dan in Nederland. Zo is in Duitsland het vergunningentraject wat nodig is voor natuurherstel een zeer zwaar traject, dat al snel 2 jaar kan duren, waarvoor zeer grondige en gedetailleerde berekeningen worden gevraagd. Ook financieel zijn er verschillen: investeren in natuurherstel kan in Nederland met diverse beschikbare budgetten, terwijl men aan Duitse zijde het veel meer van bijvoorbeeld de LIFE-aanvraag moet hebben.
De rapportage van een Natura 2000-gebied tussen Nederland en Duitsland kent een groot verschil: in Nederland wordt vooral gewerkt met de KDW als indicator, in Duitsland is vooral de staat van de natuur van belang en wordt stikstof vaak helemaal niet genoemd, in de beheerplannen die in Nederland per gebied zijn opgemaakt, worden voorkomende flora en fauna en hun staat van instandhouding uitgebreid beschreven; kunt u deze verschillen in Nederlandse en Duitse aanpak verklaren en aangeven waarom in Nederland alleen wordt gestuurd op stikstof en waarom de informatie uit de beheerplannen per gebied niet gebruikt wordt als indicator voor een gebied?
De bedoelde rapportage is het standaardgegevensformulier (SDF), de administratie over de Natura 2000-gebieden in de Europese database. In het SDF wordt per habitattype en soort aangegeven wat het belang is van het gebied voor dat habitattype of die soort. In grote lijnen is Europees vastgelegd hoe dit belang bepaald moet worden, de lidstaten hebben veel vrijheid in details van de bepaling. Heel wezenlijk verschilt de beoordeling van Nederland en Duitsland niet voor vergelijkbare habitattypen. Bij de invulling van het belang van het gebied speelt ook in Nederland de KDW slechts een beperkte rol, het vormt één van de onderdelen van het bepalen van de zogenoemde behoudsstatus van het habitattype in het gebied. De behoudsstatus is weer één van de drie onderdelen op basis waarvan het belang van het gebied bepaald wordt. Voor de volledige methodiek die gebruikt is voor de invulling van het belang van gebieden voor habitattypen zie https://edepot.wur.nl/314180.
Kunt u verklaren waarom het Wooldse Veen (gemeente Winterswijk), wat gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk in Duitsland ligt, aan de Nederlandse kant wordt geclassificeerd als zorgelijk, omdat de neerslag aan stikstof te hoog is, terwijl aan de Duitse kant de staat van instandhouding wordt geclassificeerd als goed?
Er zijn mij geen documenten bekend waarin staat dat het Nederlandse deel van het Wooldse veen «zorgelijk» zou zijn en het Duitse deel «goed». De enige vergelijking die mogelijk is, is via het in antwoord 8 genoemde SDF. Daarin komt echter het oordeel «zorgelijk» niet voor, want dat bevat alleen het belang van het gebied voor de betreffende habitattypen en soorten.
Kunt u begrijpen waarom boeren in Winterswijk het Korenburgerveen hebben uitgeroepen tot Duits grondgebied, omdat de regels in Duitsland veel minder streng zijn en zij onder die regels hun activiteiten veel beter kunnen voortzetten dan onder de Nederlandse regels? (bron: De Gelderlander, 27 juni 2022, Boeren bombarderen Korenburgerveen tot Duits grondgebied: «Daar gelden andere stikstofregels»https://www.gelderlander.nl/winterswijk/boeren-bombarderen-korenburgerveen-tot-duits-grondgebied-daar-gelden-andere-stikstofregels~a919ef1e)
Ik kan mij voorstellen dat de verschillen in beleid tussen Nederland en Duitsland kan leiden tot onbegrip. Nederland heeft echter, net zoals alle EU-lidstaten, de ruimte, maar ook de plicht om de implementatie van richtlijnen op terreinen als natuur, klimaat en water eigenstandig vorm te geven om zo aan de internationale verplichtingen te voldoen. Het feit dat lidstaten hier een eigenstandige bevoegdheid hebben, alsook de verschillen in onder andere juridische en ecologische omstandigheden, maken dat er ook verschillen (zijn) ontstaan in beleid om aan deze internationale verplichtingen te kunnen blijven voldoen.
Als in Nederland alle mogelijke beheermaatregelen zijn uitgevoerd, kan dan geconcludeerd worden dat het uiterste is gedaan, ondanks dat de KDW niet is gehaald en zijn we hier dan klaar, gezien het feit dat de stikstofbijdrage uit Duitsland voor het Wooldse Veen hoger is dan de KDW van het gebied toelaat?
Voor het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen zal een combinatie nodig zijn van maatregelen die gericht zijn op het orde brengen van milieucondities (zoals stikstofbronmaatregelen) en natuurherstelmaatregelen. Dit zal een continue inzet vragen.
Specifiek voor grensgebieden: hoe wordt de staat van instandhouding hier vastgesteld en hoe kunnen instandhoudingsdoelen hier behaald worden? Hoe vindt monitoring plaats en hoe wordt dat gerapporteerd en openbaar gemaakt?
De staat van instandhouding van soorten of habitattypen wordt op landelijk niveau vastgesteld, niet op gebiedsniveau. Op gebiedsniveau wordt vastgesteld of instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald (en of verslechtering wordt voorkomen). Instandhoudingsdoelstellingen kunnen in zijn algemeenheid in grensgebieden gerealiseerd worden door het nemen van passende maatregelen om verslechtering tegen te gaan en het nemen van instandhoudingsmaatregelen om daarmee tegemoet te komen aan de ecologische vereisten van de soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het treffen van die maatregelen. Wanneer het gaat om grensgebieden is er doorgaans sprake van samenwerking en afstemming met het betreffende buurland.
Op gebiedsniveau wordt door de voortouwnemer binnen een beheerplan de monitoring voor een gebied in detail uitgewerkt en ingepland voor de beheerplanperiode. Daarnaast wordt er op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering tussentijds gemonitord en zo nodig bijgestuurd om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie.
Het is aan de voortouwnemers zelf op welke wijze zij deze gegevens ontsluiten. De monitoring op gebiedsniveau is momenteel echter nog beperkt, waardoor natuurgegevens op gebiedsniveau nog incompleet zijn. De monitoring was tot nu toe in belangrijke mate gericht op monitoring van de natuurkwaliteit op landelijk niveau. Samen met de provincies werk ik daarom, als onderdeel van het Programma Natuur, aan een doorontwikkeling van de natuurmonitoring. Mede ter uitvoering van de motie-Van Campen c.s. (kenmerk 2022D15964), zal daarbij ook ingezet worden op een publiekvriendelijke ontsluiting van monitoringsgegevens. Ook worden de monitoringsgegevens gebruikt voor de natuurdoelanalyses, die per Natura 2000-gebied inzichtelijk maken in welke mate de instandhoudingsdoelstellingen worden gerealiseerd.
Op welke wijze wordt het beheer van een Natura 2000-gebied gecontroleerd?
Provincies en Rijkswaterstaat (en in één geval het Ministerie van Defensie) zijn voortouwnemers voor het beheerplan van een Natura 2000-gebied. Zij zorgen voor de opstelling van het beheerplan, de uitvoering van de maatregelen en de monitoring van de resultaten. Het beheerplan wordt door de voortouwnemer geëvalueerd en na een looptijd van zes jaar vernieuwd.
Bent u bereid om met de boeren, bestuurders, Kamerleden en (na afloop) pers op ten minste deze drie locaties in gesprek te gaan deze zomer?
Op 22 augustus 2022 zal ik een werkbezoek brengen aan drie locaties langs de grens met Duitsland. Hier zal ik in gesprek gaan met boeren, bestuurders en Kamerleden. Na afloop zal ik op elke locatie de pers te woord staan.
Kunt u uw bereidheid om in gesprek te gaan zo spoedig mogelijk melden en wilt u vertellen welke grensregio’s u gaat bezoeken in het kader van de motie, voordat u begint met het afleggen van de werkbezoeken?
In het licht van alle onrust maken we tijdens de voorbereiding van werkbezoeken, op advies van de veiligheidsdiensten (politie en beveiligingsdienst binnen het ministerie), de exacte locaties niet openbaar. We kunnen deze locaties, zodra deze bekend zijn, delen met de vragenstellers en de leden van de vaste Kamercommissie, zodat zij tijdig op de hoogte zijn.
Stikstof |
|
Caroline van der Plas (BBB), Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich de 300 pagina’s aan memo’s die de Minister van Financiën op 15 juli naar de Kamer stuurde, waarin helder werd dat de emissiereductiedoelstelling van 39 kiloton die in het programma landelijk gebied staat, veel hoger is dan nodig om de nieuwe hogere doelen te bereiken?
Ja.
Herinnert u – de Minister van Financiën – zich dat u op 22 mei 2022 – dus voordat de stikstofbrieven naar de Kamer werden gestuurd – een memo kreeg, waarin stond: «Deze doelstelling [een uitstootreductie van 30 tot 40 kton (bandbreedte)] is om meerdere redenen onwenselijk. Als meer dan 30 kton wordt gevraagd: LNV lijkt ook een politiek doel na te streven met een 40kton doel. Door hoog in te zetten worden bijna alle boeren geraakt en deelt iedereen in de pijn, waar bij een lager doel een kleiner aantal boeren zeer hard geraakt wordt (stoppen). Dit kan worden gemotiveerd uit een visie op de landbouwsector na 2030, waarbij veel ingrijpender en breder wordt verbouwd dan nu strikt genomen vanuit de depositiedoelstelling noodzakelijk zou zijn. Een meer evenredige verdeling van de pijn is mogelijk makkelijker te verkopen dan een gerichte aanpak. Dit is een politiek vraagstuk dat in de het licht van de CA afspraken en het bijbehorende budgettaire kader op basis van de huidige invulling niet past.»?
Ja.
Herinnert u zich ook de volgende tabel in dat memo: Ruimtelijke verdeling Maximaal gericht Gecombineerde aanpak: i. ABCD-gebieden ii. generiek iii. gericht iv. ringen rond N2000 Gecombineerde aanpak: i. ABCD-gebieden ii. generiek iii. gericht iv. ringen rond N2000 Aannames andere sectoren 50% emissiereductie cf. Commissie Remkes PBL basispad volgens KEV 2021 PBL basispad volgens KEV 2021 Doelbereik: % onder kdw 74% 77% 82% Aantal veehouderijen dat moet stoppen 5.300 11.200 11.200 Aantal veehouderijen dat moet extensiveren Nvt 200 17.600 Kosten in mld EUR [bandbreedte] 10,4 23,5 [17,6 – 29,7] 34,2 [26,1 – 42,7]
Ja.
Deelt u de mening dat het essentieel voor het parlement is om over deze berekeningen te beschikken voor het nemen van een besluit over het programma landelijk gebied?
Deze berekeningen tonen de kwantitatieve uitkomsten in een modelmatige benadering van de stikstofproblematiek. Het betreft interne advisering voor de bewindspersonen op het Ministerie van Financiën, de interne advisering is niet gelijk aan de beleidsinzet van dit kabinet. De berekeningen zijn een toetssteen om aanpakken te kunnen vergelijken, ook in financiële zin. Deze berekeningen zijn niet gevalideerd, hebben een indicatief karakter en waren nog niet voldragen. Zulke berekeningen laten daarbij per definitie ook veel niet zien, zoals de onzekerheid voor boeren, de individuele moeilijkheden die op de boerderijen leven en de verhalen die achter de bedrijven schuilgaan.
Zoals ook vermeld door de Minister voor Natuur en Stikstof in de startnotitie NPLG1 (pagina 25) zullen de richtinggevende doelen worden bijgesteld als nieuwe inzichten hier aanleiding toe geven. Ten behoeve van accurate besluitvorming zal het kabinet zich daarbij baseren op gevalideerde en recente prognoses en uw Kamer daarover informeren. De eventuele bijstelling van de richtinggevende stikstofdoelen zal onder andere gebeuren op basis van de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2022 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de emissiebijlage bij de KEV.
Waarom verklaarde u in de antwoorden op Kamervragen dat: «Het kabinet acht het openbaar maken van niet-gevalideerde berekeningen die nog onderdeel zijn van de beleidsvoorbereiding niet in het belang van goede en democratische bestuursvoering.», terwijl het kabinet juist al zeer expliciet een keuze heeft gemaakt?
Het betreffen ambtelijke berekeningen van het Ministerie van Financiën met een indicatief karakter en die nog niet wetenschappelijk zijn gevalideerd. Het is niet gebruikelijk om indicatieve ambtelijke berekeningen met een dergelijke status te delen met de Kamer. De berekeningen van het Ministerie van Financiën zullen worden gedeeld met het RIVM, zodat deze beoordeeld kunnen worden en eventueel een plek kunnen krijgen in de berekeningen die het RIVM zal uitvoeren ten behoeve van beleidsondersteuning. Inmiddels vinden gesprekken met RIVM plaats over beoordeling van deze berekeningen, zoals gecommuniceerd in antwoord op Kamervragen van de leden Maatoug en Bromet (2022Z14908).
De gepresenteerde beleidskeuzes die het kabinet voor het NPLG gemaakt heeft zijn op basis van door het RIVM gevalideerde gegevens en berekeningen genomen. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4, zullen de richtinggevende doelen die in de NPLG zijn aangegeven nog verder verfijnd worden. Deze zijn nog niet definitief. Onder meer op basis van gevalideerde nieuwe prognoses is bijstelling van de richtinggevende stikstofdoelen mogelijk. Dat kan onder andere gebeuren op basis van de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2022 van het PBL en de emissiebijlage bij de KEV, waarbij ook effecten van het voorgenomen klimaatbeleid zullen worden meegenomen. Het kabinet zal uw Kamer informeren over de berekeningen en prognoses waarop het vervolgbesluiten baseert.
Is het de normale gang van zaken om eerst besluiten te nemen – die nu weer zijn teruggedraaid tot voorgenomen beleid – en dan pas berekeningen te valideren om ze achteraf met de Kamer en de samenleving te delen?
Zoals al in de startnota van het NPLG staat, heeft het kabinet richtinggevende emissiereductiedoelen opgesteld ten behoeve van de gebiedsprocessen van de provincies. Deze richtinggevende doelen zijn gebaseerd op gevalideerde berekeningen van het RIVM. Deze berekeningen zijn openbaar toegankelijk en gepubliceerd door het RIVM op 10 juni 2022. In het proces om tot definitieve doelen te komen op 1 juli 2023 wordt er continu gewerkt aan nieuwe prognoses en berekeningen, zowel ambtelijk als door kennisinstellingen. Bij de diverse vervolgstappen in het kader van het NPLG, zoals de vaststelling van de definitieve doelen, wordt de Kamer geïnformeerd.
Is het mogelijk dat de plannen fors worden gewijzigd wanneer de berekeningen zijn gevalideerd?
Zoals vermeld in de startnotitie NPLG en tijdens het Kamerdebat op 23 juni kunnen stikstofemissiedoelstellingen per gebied in aanloop naar de definitieve gebiedsprogramma’s worden aangepast aan de hand van nieuwe inzichten.2 Het gaat dan onder andere ook om de resultaten van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van dit najaar. Indien daar aanleiding toe is, kunnen inzichten die volgen uit de validatie van berekeningen van het Ministerie van Financiën ook invloed hebben op de hoogte van de gebiedsgerichte emissiedoelstellingen.
Welke ministers waren ervan op de hoogte dat het Ministerie van Financien van mening was dat een reductie van 30 kiloton ruim voldoende is om de doelen te behalen?
Het Ministerie van Financiën heeft berekeningen gemaakt om de (financiële) gevolgen van beleidsstrategieën voor het behalen van natuurdoelen modelmatig te kunnen duiden en hierover te kunnen adviseren. Deze berekeningen zijn niet gevalideerd en daarom niet eerder openbaar gemaakt. Inmiddels vinden gesprekken met RIVM plaats over beoordeling van deze berekeningen, zoals gecommuniceerd in antwoord op Kamervragen van de leden Maatoug en Bromet (2022Z14908). Deze berekeningen hebben voorgelegen in hoog ambtelijk, interdepartementaal overleg (zie ook de op 20 juli j.l. door de Minister van Financiën gedeelde stukken). Het kabinetsbeleid om tot richtinggevende emissiereductiedoelen te komen is onderdeel geweest van de besluitvorming in de Raad voor de Fysieke Leefomgeving (RFL). Er is toen gekozen voor een landelijk uitgangspunt van 39 kton NH3-reductie, op basis van de meest recente en beschikbare gevalideerde berekeningen van het RIVM, rekening houdend met de brede doelstellingen van de integrale aanpak en het uitgangspunt van zoveel mogelijk vrijwilligheid. De RFL is toen ook geïnformeerd over de afwegingen die samenvallen met de keuze voor 39 kton.
Welke ministers waren ervan op de hoogte dat een reductie van 40 kiloton zou leiden tot 11200 boeren die moeten stoppen en 17600 veehouderijen die moeten extensiveren?
Het Ministerie van Financiën heeft berekeningen gemaakt om de (financiële) gevolgen van beleidsstrategieën voor het behalen van natuurdoelen modelmatig te kunnen duiden en hierover te kunnen adviseren. De cijfers en de indicatieve, niet-gevalideerde inschatting van het aantal boeren dat zal moeten stoppen of extensiveren zijn gebruikt in de interne advisering voor de bewindspersonen op het Ministerie van Financiën. Ten behoeve van de besluitvorming in de RFL is erop gewezen dat een reductie van 39 kton mogelijk tot hoge kosten leidt, maar is niet ingegaan op de specifieke gevolgen voor het aantal boeren.
Kunt u alle memo’s, notities en berekeningen over stikstof en aanverwante zaken die de Minister van Landbouw, de Minister voor Stikstof en de Minister van Algemene Zaken sinds maart 2021 hebben ontvangen, aan de Kamer doen toekomen op dezelfde manier waarop alle memo’s van de Minister van Financiën naar de Kamer zijn gestuurd?
Deze informatie wordt zo spoedig mogelijk aan uw Kamer verzonden.
Kunt u ervoor zorgdragen dat alle memo’s, notities en berekeningen over stikstof, maar ook over aanverwante zaken zoals de relatie met de bouw(plannen) die de Ministers van Binnenlandse Zaken, de Minister voor Wonen en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat hebben ontvangen hebben sinds 2021, aan de Kamer worden gestuurd?
Deze informatie wordt zo spoedig mogelijk aan uw Kamer verzonden.
Hoe verhoudt de zin «Bij de ruimtelijke vertaling van de stikstofreductie wordt uitgegaan van richtinggevend 39 kton NH3 reductie. Naar verwachting is 39kton emissiereductie van NH3 nodig om ten minste de wettelijke omgevingswaarde van 74% onder de KDW te behalen.» die in de startnotitie landelijk gebied staat, zich tot de berekeningen van het Ministerie van Financiën die een totaal ander beeld geven? Deelt u de mening dat deze zin misleidend is?
Ik deel uw mening dat deze zin misleidend is niet. De openbaar gemaakte berekeningen van het Ministerie van Financiën betreffen hoofdzakelijk interne advisering voor de bewindspersonen op het Ministerie van Financiën. De interne advisering is niet gelijk aan de beleidsinzet van dit kabinet. Het kabinet heeft bij het vaststellen van de richtinggevende emissiereductiedoelen rekening gehouden met de brede doelstellingen van de integrale aanpak, het uitgangspunt van zoveel mogelijk vrijwilligheid en de mogelijkheid van tegenvallende resultaten. Dat afwegende heeft het kabinet ervoor gekozen om uit te gaan van 39 kton. Het kabinet realiseert zich ook dat het klimaatbeleid mogelijk effect heeft op de richtinggevende doelen voor stikstof. Zoals ook vermeld in de startnotitie NPLG (pagina 25) en in de beantwoording op vraag 7 kunnen de richtinggevende doelen worden bijgesteld als nieuwe inzichten hier aanleiding toe geven.
De openbaar gemaakte berekeningen van het Ministerie van Financiën tonen de kwantitatieve uitkomsten in een modelmatige benadering van de stikstofproblematiek. In deze modelmatige benadering wordt uitgegaan van een grote mate van sturing op maatregelen en de locatie van emissiereductie. Daarbij zijn deze berekeningen niet gevalideerd en hebben ze een indicatief karakter. Zulke berekeningen laten per definitie ook veel niet zien, zoals de onzekerheid voor boeren, de individuele moeilijkheden die op de boerderijen leven en de verhalen die achter de bedrijven schuilgaan.
Heeft de Minister van Financiën (of haar woordvoerder namens haar) aan de Telegraaf laten weten: «Kaag wist tot maandag helemaal niet van de berekening»1?
Voor aanvang van de Eurogroep vergadering op 11 juni meldde de Minister van Financiën aan de correspondent van Telegraaf de dat de berekeningen gebaseerd waren op een rekenmodel dat ambtenaren van het Ministerie aan het verfijnen waren (in aanvulling op berekeningen van het RIVM of PBL). Daarbij liet zij weten dat ze er tot dan toe niet van op de hoogte was dat ambtelijk FIN verder was gegaan met uitwerking van de berekeningen. De Minister heeft geen stukken ontvangen over de impact van het klimaatakkoord op de stikstofdoelen. Toen de Telegraaf de Minister vroeg naar die berekeningen, wist ze dus niet dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën hier zelf berekeningen over hadden gemaakt.
Dat er verschillende varianten waren doorgerekend door het RIVM en PBL was wel bekend, deze berekeningen waren immers besproken tijdens de formatie. Die berekeningen zijn politiek afgehecht. De Minister was er niet van op de hoogte dat ambtelijk Financiën vervolgens het rekenmodel verder is gaan verfijnen. De Minister is in nota’s geïnformeerd over de uitkomsten van berekeningen, bijv. op het gebied van gericht uitkopen. Daarbij is zij echter niet op het achterliggende model gewezen, zij kende de achtergrond op basis waarvan zij werd geadviseerd dan ook niet in detail.
Klopt het dat zij helemaal niets wist van de berekeningen of wenst zij dat beeld bij deze te nuanceren?
Zie antwoord op vraag 13. Er wordt op het Ministerie van Financiën door ambtenaren doorlopend aan de Minister van Financiën geadviseerd op basis van kwantitatieve analyses. Dergelijke kwantitatieve adviezen en analyses zijn ook noodzakelijk voor de Minister van Financiën om de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleidsvoorstellen te kunnen beoordelen. Hoe deze kwantitatieve analyses en adviezen precies tot stand zijn gekomen, en of en welke berekeningen daar aan ten grondslag liggen, is echter niet altijd bekend bij de Minister van Financiën. Zo geldt in dit specifieke geval dat de Minister van Financiën niet bekend was met het achterliggende model dat ten grondslag ligt aan de berekeningen.
Herinnert u zich dat het kabinet een aantal maatregelen genomen heeft tot stikstofbeperking de afgelopen jaren en dat er dus een groot verschil zit of er wordt uitgegaan van de stikstofberekeningen in de KEV 2020 of de KEV 2021 (Klimaat en Energieverkenning)?
Voor de beperking van stikstofemissies is met name de nevenpublicatie Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen bij de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van belang. De hoofdpublicatie van de KEV richt zich op de emissies van broeikasgassen. De nevenpublicatie geeft een beeld van de verwachte toekomstige ontwikkeling van de emissies voor luchtverontreinigende stoffen, waaronder stikstofoxiden en ammoniak. De nevenpublicatie wordt eens per twee jaar uitgebracht. De laatste keer was in 2020. De volgende keer dat het rapport uitkomt is medio december 2022. In deze publicatie worden naast de vastgestelde maatregelen alle voorgenomen beleidsmaatregelen meegenomen die vόόr of op 1 mei 2022 officieel openbaar zijn gemaakt en concreet genoeg zijn uitgewerkt. Er worden dus aanvullende maatregelen meegenomen in de KEV22 ten opzichte van de KEV20. De cijfers die eind 2022 volgen geven inzicht in de geactualiseerde ramingen en de verschillen ten opzichte van de eerdere raming.
Klopt het dat er grote verschillen zijn tussen de KEV 2020 en de KEV 2021 en dat de laatste de volgende zaken wel meeneemt:
Zie antwoord op vraag 15.
Klopt het dat de veestapel tussen april 2018 en 2022 is afgenomen met ongeveer 1,5 miljoen varkens, 0,2 miljoen runderen en miljoenen kippen?
De cijfers van de Landbouwtelling 2022 zijn op dit moment nog niet beschikbaar. Tussen 2018 en 2021 is op basis van de gegevens uit de Landbouwtelling de veestapel met 0,1 miljoen runderen, bijna 1 miljoen varkens en ruim 5 miljoen kippen afgenomen. Voorlopige cijfers van de landbouwtelling 2022 volgen naar verwachting eind van dit jaar, definitieve cijfers in maart 2023.
Waarom is het RIVM bij de doorrekening van het akkoord uitgegaan van de (hogere) veestapel van 2018 in plaats van 2021 of 2022 en van de KEV2020 in plaats van de KEV2021? Is dat een keuze van het RIVM zelf geweest en is het mogelijk om de berekening te ontvangen gebaseerd op de laatste cijfers en de laatste KEV? Zo nee, waarom niet?
Bij de berekeningen voor de ruimtelijke verdeling van de depositiereductieopgave, beter bekend als de richtinggevende doelen, is door het RIVM gebruik gemaakt van de op dat moment meest recente beschikbare informatie. Dat gaat dan met name om het zogenaamde GIAB bestand (WUR) GIAB2019, waarin de dieraantallen volgens de opgave van 2018 zijn opgenomen.
Bij aanvang van het project in november 2021 is de meest recente beschikbare informatie gebruikt zoals in AERIUS Monitor 2021. Daarin is voor de emissie- en depositieramingen gebruik gemaakt van de Klimaat- en Energieverkenning van 2020 (KEV20). De meer recente KEV21 bevat geen raming van luchtverontreinigende stoffen en daarmee dus geen actuelere informatie over stikstoframingen. De nieuwste ramingen voor de luchtverontreinigende stoffen zijn eind 2022 beschikbaar (KEV22).
Een verdere toelichting op deze vragen vindt u in «Aanvulling op het rapport 21–0166 Ruimtelijk effect zonering emissiereducties landbouw3», «RIVM-AERIUS_21–083_Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen4» en in de factsheet «Bepalen depositie natura 2000 gebieden5».
Waarom is het RIVM bij de doorrekening van het akkoord uitgegaan van de totale depositie volgens het NEMA-model ZONDER correctie voor reeds toegepaste stalsystemen en andere volgens de RAV-lijst door de overheid goedgekeurde maatregelen waarin veehouders hebben geïnvesteerd om de emissies te verlagen? Is dat een keuze van het RIVM zelf geweest en is het mogelijk om de berekening te ontvangen gebaseerd op de laatste cijfers en de laatste KEV en de reducties via systemen op de RAV-lijst? Zo nee, waarom niet?
De berekeningen bij het regiodoelenscenario over de ruimtelijke verdeling dat ten grondslag ligt aan de kaart, zijn gericht op het vergelijken van effecten van verschillende ruimtelijke verdelingen van emissiereductie. Later is aanvullend een toets op het bereiken van de omgevingswaarde gedaan. Daarbij is uitgegaan van een theoretische verdeling van de emissiereductie.
Bij dergelijke berekeningen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde NEMA-factoren; dat zijn RAV-factoren, waarbij gecorrigeerd is naar NEMA-emissietotalen, zoals dit ook gebeurd voor AERIUS Monitor. Het Nationaal emissiemodel voor Ammoniak (NEMA)gebruikt gegevens volgens de meest recente NH3 emissiefactoren van de Regeling Ammoniak en veehouderij (RAV). Als nieuwe informatie (recentste wetenschappelijke inzichten) beschikbaar is over een diercategorie of stalsysteem wordt de emissiefactor aangepast aan deze nieuwe informatie. In dat geval wordt de RAV emissiefactor dus overschreven.
In de NEMA-emissietotalen wordt derhalve ook informatie over de toegepaste stalsystemen meegenomen (conform RAV-systematiek). Echter, een verschil met de RAV is dat bij NEMA ook een inschatting van de verminderde werking van oudere systemen t.o.v. nieuwe systemen wordt meegenomen, waardoor de totale emissie volgens NEMA anders uit zal komen dan wanneer gebaseerd o.b.v. RAV-emissiefactoren.
Kan het kabinet inzage verlenen in wat de verwachte gevolgen zijn van de startnotitie landelijk gebied en 39 kiloton reductie en dan specifiek het aantal boeren dat moet stoppen, het aantal boeren dat moet extensiveren en de totale kosten voor de schatkist?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen op 22 juni geven de richtinggevende regionale stikstofdoelen in de startnotitie van het NPLG geen sturing op de wijze waarop de stikstofreductie tot stand moet komen. In de gebiedsprocessen zullen de provincies met hun kennis en expertise van het gebied samen met betrokken partners aangeven welke maatregelen waargenomen zouden moeten worden. Dan wordt er meer duidelijk over welke agrarische ondernemers hun bedrijfsvoering (verder) zullen moeten aanpassen of zullen beëindigen. In het Transitiefonds Landelijk Gebied is in aanvulling op de reeds beschikbare middelen 24,3 miljard euro gereserveerd voor de aanpak.
Kunt u aangeven op welke termijn hoeveel PAS-melders gelegaliseerd zullen worden? Kunt u dat per maand aangeven: dus binnen twee maanden x melders, binnen drie maanden y melders etcetera?
De maatregelen die nodig zijn voor het legaliseren van de PAS-meldingen moeten drie jaar na het vaststellen van het legalisatieprogramma uitgevoerd zijn. Dat betekent dat die maatregelen uiterlijk voor 1 maart 2025 uitgevoerd moeten zijn. Deze bronmaatregelen worden in het stikstofregistratiesysteem (SSRS) opgenomen. Daarnaast heb ik, om de uitvoering van het legalisatieprogramma te versnellen, recent aangekondigd dat er € 250 miljoen beschikbaar is voor de provincies. De provincies kunnen daar nu mee aan de slag.
Wanneer welke PAS-meldingen worden gelegaliseerd is niet met zekerheid te zeggen. Dat is onder andere afhankelijk van de staat van de natuur, de getroffen maatregel, waar stikstofruimte beschikbaar komt en hoeveel ruimte een melding nodig heeft.
Blijft de kritische depositowaarde (KDW) in de wet staan of wordt de KDW uit de wet verwijderd en wordt er overgestapt op een andere set indicatoren? Kunt u aangeven wanneer dat gebeurt en van welke omstandigheden dat afhankelijk is?
In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn omgevingswaarden voor stikstofreductie opgenomen in de vorm van een percentage van stikstofgevoelige areaal van habitats in Natura 2000-gebieden dat onder de KDW moet worden gebracht. Met deze omgevingswaarden is er een concrete en onontkoombare doelstelling om naar toe te werken voor het verminderen van stikstofeffecten op natuur en daarmee natuurdoelen te realiseren. Daarmee wordt invulling gegeven aan de juridische verplichting op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn om verslechtering van natuur tegen te gaan en uiteindelijk herstel te realiseren. De omgevingswaarde is gekoppeld aan de kritische depositiewaarde omdat dit een belangrijke wetenschappelijke indicator is. De kritische depositiewaarde geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat significant wordt aangetast door de verzurende of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Stikstof is een van de belangrijkste factoren waardoor de kwaliteit van natuur onder druk staat.
De KDW hebben we voorlopig als maatstaf nodig om tot reductie van stikstof te komen. Dit neemt niet weg dat het uiteindelijke doel is om een gunstige staat van instandhouding van natuur te realiseren en daar spelen andere factoren ook een rol. Daarom wil ik samen met sectorpartijen en natuurorganisaties onderzoeken of het sturen op bredere omgevingswaarden mogelijk is. Om dit mogelijk te maken stuur ik op het ontwikkelen van nieuwe indicatoren en een robuuste onderbouwing hiervan. Hierbij kan de ecologische autoriteit een belangrijke rol spelen.
Wilt u per Natura-2000 gebied in de bijlage van de RIVM-notitie aangeven hoe groot het is (in hectare) en hoeveel procent van het Natura-2000 areaal in Nederland het beslaat?
In onderstaande tabel is per Natura 2000-gebied aangegeven wat de omvang is (in hectares) van de stikstofgevoelige habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden (stikstofgevoelig areaal). De gebieden zijn gesorteerd naar de omvang van het stikstofgevoelige habitat.
In de kolom Oppervlakte (%) is aangegeven welk aandeel van het totale stikstofgevoelige areaal (in de Natura 2000-gebieden) in Nederland het betreft. Dit is waar de omgevingswaarde betrekking op heeft. De laatste kolom geeft het cumulatieve percentage van de gebieden op volgorde opgeteld.
De totale oppervlakte van elk Natura 2000-gebied is niet aangegeven, omdat de omgevingswaarde alleen betrekking heeft op het stikstofgevoelige deel, terwijl er vaak ook niet-stikstofgevoelige arealen in een Natura 2000-gebied liggen. Bijvoorbeeld: de totale oppervlakte van de Biesbosch (nr. 112) is 9.640 ha. De omvang van stikstofgevoelig habitat in de Biesbosch is 337 ha.
De tabel is aangeleverd door het RIVM. De gegevens zijn gebaseerd op de gekarteerde oppervlakte zoals deze ook verwerkt zijn in AERIUS. Provincies en rijk (voortouwnemers) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de habitatkartering. Informatie daarover is te vinden via Bepalen gekarteerde oppervlakte | AERIUS.
Veluwe
81.355
47,84%
47,84%
Waddenzee
8.626
5,07%
52,92%
Kennemerland-Zuid
6.025
3,54%
56,46%
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
4.727
2,78%
59,24%
Rijntakken
4.339
2,55%
61,79%
Brabantse Wal
3.917
2,30%
64,10%
Noordhollands Duinreservaat
3.383
1,99%
66,09%
Maasduinen
3.323
1,95%
68,04%
Duinen Terschelling
2.894
1,70%
69,74%
Westerschelde & Saeftinghe
2.885
1,70%
71,44%
Dwingelderveld
2.555
1,50%
72,94%
De Wieden
2.339
1,38%
74,32%
Duinen en Lage Land Texel
2.250
1,32%
75,64%
Meijendel & Berkheide
2.246
1,32%
76,96%
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven
1.910
1,12%
78,08%
Weerribben
1.774
1,04%
79,13%
Bargerveen
1.618
0,95%
80,08%
Duinen Ameland
1.537
0,90%
80,98%
Fochteloërveen
1.531
0,90%
81,88%
Oostelijke Vechtplassen
1.530
0,90%
82,78%
Meinweg
1.388
0,82%
83,60%
Deurnsche Peel & Mariapeel
1.325
0,78%
84,38%
Geuldal
1.304
0,77%
85,15%
Kop van Schouwen
1.245
0,73%
85,88%
Grevelingen
1.191
0,70%
86,58%
Duinen Goeree & Kwade Hoek
1.076
0,63%
87,21%
Sallandse Heuvelrug
1.028
0,60%
87,82%
Groote Peel
1.010
0,59%
88,41%
Voornes Duin
959
0,56%
88,97%
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
896
0,53%
89,50%
Strabrechtse Heide & Beuven
879
0,52%
90,02%
Oosterschelde
847
0,50%
90,52%
Duinen Vlieland
819
0,48%
91,00%
Schoorlse Duinen
806
0,47%
91,47%
Duinen Schiermonnikoog
719
0,42%
91,89%
Solleveld & Kapittelduinen
656
0,39%
92,28%
Vecht- en Beneden-Reggegebied
629
0,37%
92,65%
Engbertsdijksvenen
626
0,37%
93,02%
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
564
0,33%
93,35%
Buurserzand & Haaksbergerveen
530
0,31%
93,66%
Kampina & Oisterwijkse Vennen
510
0,30%
93,96%
Noordzeekustzone
484
0,28%
94,24%
Naardermeer
458
0,27%
94,51%
Drentsche Aa-gebied
445
0,26%
94,78%
Duinen Den Helder-Callantsoog
430
0,25%
95,03%
Zwanenwater & Pettemerduinen
427
0,25%
95,28%
Wierdense Veld
384
0,23%
95,51%
Rottige Meenthe & Brandemeer
372
0,22%
95,72%
Manteling van Walcheren
358
0,21%
95,94%
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
349
0,21%
96,14%
Holtingerveld
348
0,20%
96,35%
Van Oordt's Mersken
344
0,20%
96,55%
Biesbosch
337
0,20%
96,75%
Witterveld
335
0,20%
96,94%
Kempenland-West
321
0,19%
97,13%
Krammer-Volkerak
290
0,17%
97,30%
Alde Feanen
266
0,16%
97,46%
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
254
0,15%
97,61%
Mantingerzand
254
0,15%
97,76%
Korenburgerveen
195
0,11%
97,87%
Savelsbos
193
0,11%
97,99%
Westduinpark & Wapendal
178
0,10%
98,09%
Springendal & Dal van de Mosbeek
164
0,10%
98,19%
Regte Heide & Riels Laag
158
0,09%
98,28%
Brunssummerheide
152
0,09%
98,37%
Coepelduynen
136
0,08%
98,45%
Geleenbeekdal
136
0,08%
98,53%
Landgoederen Oldenzaal
131
0,08%
98,61%
Dinkelland
131
0,08%
98,68%
Drouwenerzand
127
0,07%
98,76%
Bunder- en Elslooërbos
122
0,07%
98,83%
Lingegebied & Diefdijk-Zuid
115
0,07%
98,90%
Roerdal
113
0,07%
98,96%
Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek
93
0,05%
99,02%
Groote Wielen
93
0,05%
99,07%
Voordelta
90
0,05%
99,13%
Borkeld
82
0,05%
99,17%
Sint Jansberg
81
0,05%
99,22%
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske
72
0,04%
99,26%
Yerseke en Kapelse Moer
64
0,04%
99,30%
Botshol
63
0,04%
99,34%
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
57
0,03%
99,37%
Kolland & Overlangbroek
52
0,03%
99,40%
Sint Pietersberg & Jekerdal
51
0,03%
99,43%
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
51
0,03%
99,46%
Boetelerveld
51
0,03%
99,49%
Aamsveen
50
0,03%
99,52%
Landgoederen Brummen
49
0,03%
99,55%
Bakkeveense Duinen
45
0,03%
99,58%
Zwin & Kievittepolder
44
0,03%
99,60%
Wijnjeterper Schar
43
0,03%
99,63%
Ulvenhoutse Bos
40
0,02%
99,65%
Polder Westzaan
37
0,02%
99,67%
Wooldse Veen
33
0,02%
99,69%
Olde Maten & Veerslootslanden
33
0,02%
99,71%
Sarsven en De Banen
33
0,02%
99,73%
Bekendelle
32
0,02%
99,75%
Witte Veen
30
0,02%
99,77%
Uiterwaarden Lek
30
0,02%
99,79%
Leudal
27
0,02%
99,80%
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving
25
0,01%
99,82%
Norgerholt
24
0,01%
99,83%
Swalmdal
22
0,01%
99,84%
Boschhuizerbergen
22
0,01%
99,86%
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
22
0,01%
99,87%
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder
17
0,01%
99,88%
Kunderberg
17
0,01%
99,89%
Stelkampsveld
16
0,01%
99,90%
Mantingerbos
15
0,01%
99,91%
Bemelerberg & Schiepersberg
14
0,01%
99,92%
Willinks Weust
14
0,01%
99,92%
Lemselermaten
13
0,01%
99,93%
Lieftinghsbroek
12
0,01%
99,94%
De Bruuk
12
0,01%
99,94%
Zeldersche Driessen
11
0,01%
99,95%
Noorbeemden & Hoogbos
11
0,01%
99,96%
Zwarte Meer
11
0,01%
99,96%
Binnenveld
11
0,01%
99,97%
Elperstroomgebied
10
0,01%
99,98%
Lonnekermeer
10
0,01%
99,98%
Langstraat
7
0,00%
99,99%
Oeffelter Meent
7
0,00%
99,99%
Zouweboezem
5
0,00%
99,99%
IJsselmeer
4
0,00%
100,00%
Vogelkreek
2
0,00%
100,00%
Canisvliet
1
0,00%
100,00%
Groote Gat
1
0,00%
100,00%
Eilandspolder
0
0,00%
100,00%
Maas bij Eijsden
0
0,00%
100,00%
170.042
100,00%
Wat, en welke gebieden, is het kleinste aantal Natura-2000 gebieden dat samen 50 procent en 74 procent van de oppervlakte van het Natura-2000 gebieden vormt?
Het kleinste aantal gebieden dat 50% van het areaal stikstofgevoelige habitats bevat waar de omgevingswaarde betrekking op heeft is twee. Het kleinste aantal voor 74% is 12 (zie voorgaande tabel). Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat afname van de stikstofdepositie kan worden gericht op alleen deze gebieden. De omgevingswaarde is immers een hulpmiddel zijn om te sturen op condities voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen die gelden voor alle gebieden en het voorkomen van verslechtering per gebied. Een focus op slechts enkele gebieden om met zo min mogelijk gebieden de omgevingswaarde te halen zou betekenen dat toestemmingsverlening in relatie tot de andere gebieden nog vele jaren zeer moeizaam zal blijven. Ook zou de focus op enkele gebieden niet doelmatig zijn omdat stikstof zich door het hele land verspreid, en dit dus ook maatregelen in het hele land vraagt. Stikstofreductie ten behoeve van een specifiek gebied draagt ook bij aan afname in andere gebieden. De tabel laat bovendien ook niet zien welk deel binnen een gebied nu nog overbelast is, en welk deel niet.
Is het juridisch mogelijk om boeren te onteigenen op basis van de KDW die maar een aspect van de natuurkwaliteit weergeven en op basis van het AERIUS-model en dus niet van metingen? Kunt u alle adviezen die daarover beschikbaar zijn aan de Kamer doen toekomen?
Er is geen rechtstreeks verband tussen de KDW en de eventuele inzet van onteigening als instrument. Voor onteigening geldt dat dit als uiterste middel kan worden ingezet als het algemeen belang dat vergt. Onder de Omgevingswet kan dat alleen als een bepaalde functie niet in overeenstemming is met de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving, die mogelijk is gemaakt in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of door een projectbesluit. Onteigening kan alleen op basis van een grondig onderbouwde noodzaak en als onteigening urgent is. Daaraan is ook een zeer zorgvuldige procedure met rechterlijke toetsing verbonden. Welke vormen van ontwikkeling, gebruik of beheer rond Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden in het licht van de opgaven voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat wordt integraal bezien in het kader van de gebiedsprocessen onder leiding van de provincies.
Klopt het dat het kabinet geen enkele juridische basis heeft om provincies te dwingen mee te werken aan het uitwerken van plannen in de startnotitie nationaal programma landelijk gebied nu duidelijk is dat daaronder geen wettelijke basis ligt? Zo nee, welke dwangmiddelen heeft het kabinet dan wel?
Op grond van artikel 1.12fa van de Wet natuurbescherming en – na inwerkingtreding van de Omgevingswet – artikel 11.69b van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten provincies aangeven welke maatregelen zij nemen om bij te dragen aan de vermindering van de stikstofdepositie met het oog op het tijdig voldoen aan de landelijke doelstelling en om uitwerking te geven aan het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Daarbij hebben provincies een grote mate van ruimte om in te vullen hoe ze dat willen doen. Daarnaast voorzien de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving in wettelijke provinciale taken inzake het nemen van maatregelen ter voldoening aan de internationale biodiversiteitsverplichtingen en het treffen instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen voor Natura 2000-gebieden.
Onder het NPLG is sprake van een ten opzichte van de gebiedsplannen verbreed provinciaal gebiedsprogramma, dat integraal uitwerking geeft aan, en maatregelen bevat voor de gebiedsgerichte opgaven op het vlak van natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat. Voor de verkrijging door provincies van middelen uit het transitiefonds landelijk gebied zal voorwaardelijk zijn dat de aanpak op doelmatige en doeltreffende wijze leidt tot doelbereik. In het licht van de onontkoombaarheid van de aanpak wordt een toetsingsproces ingericht voor de beoordeling van de door de provincies voorgenomen maatregelen. De Minister voor Natuur en Stikstof houdt een vinger aan de pols bij de uitvoering, want doelen moeten onontkoombaar worden gerealiseerd. Als maatregelen uitblijven of de doelen niet gehaald dreigen te worden zal overeenkomstig de in het NPLG op te nemen escalatieladder worden geëscaleerd. Dat kan ook zo nodig ook leiden tot wet- en regelgeving voor instructieregels, verlegging van taken en bevoegdheden en rijksnormstelling e.d.
Wilt u deze vragen een voor een en voor 15 augustus beantwoorden?
Voor deze beantwoording is een uitstelbrief verstuurd.
De toename van de export van varkens over lange afstanden en de dreiging van Afrikaanse varkenspest |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Wat vindt u ervan dat er in het eerste half jaar van 2022 veel meer biggen en «vleesvarkens» over lange afstanden zijn geëxporteerd voor de slacht dan in dezelfde periode vorig jaar, met name naar Spanje, Italië, Polen en Slovenië?1, 2
Ik ben bekend met de toename van lange afstand transporten van biggen en varkens die bestemd zijn voor de slacht in die periode. Het ongenoegen dat ik daarbij voel spreekt voor zich. Ik zet mij immers samen met een aantal andere lidstaten in EU-verband in voor beperking van de transportduur voor jonge dieren en dieren die naar het slachthuis worden vervoerd.
Kunt u beschrijven hoe een transport van biggen en vleesvarkens naar Spanje, Italië, Polen en Slovenië verloopt? Hoe lang zijn de dieren in totaal onderweg? Hoeveel ruimte is er beschikbaar per dier en op wat voor ondergrond staan ze? Kunnen de dieren onderweg eten en drinken? Wat is de gemiddelde en maximale temperatuur? Hoe vaak worden zij gecontroleerd door een dierenarts? Worden zij onderweg uit- en weer ingeladen?
De biggen of varkens naar deze bestemmingen worden vanaf een varkenshouderij in Nederland geladen op een wegvervoermiddel. Biggen worden in de meeste gevallen rechtstreeks vanaf de varkenshouderij afgevoerd naar de plaats van bestemming in Spanje, Italië, Polen of Slovenië. Vleesvarkens, maar ook biggen kunnen ook eerst naar een erkend verzamelcentrum in Nederland vervoerd worden, waarvandaan ze vervolgens afgevoerd worden naar de plaats van bestemming. In dit verzamelcentrum moeten de dieren worden uitgeladen en ondergebracht.
Voordat de varkens Nederland verlaten worden zij gecontroleerd door een officiële dierenarts van de NVWA. Dit gebeurt tijdens het laden van het wegvervoermiddel vanaf de varkenshouderij of het erkende verzamelcentrum.
De welzijnsregels voor diertransporten volgen uit de transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005). Alle transporten naar Spanje, Italië, Polen en Slovenië zijn lange transporten; dit zijn transporten die langer dan acht uur duren. Bij alle lange transporten is het verplicht om een door de RDW goedgekeurd vervoermiddel te gebruiken en de ondergrond te voorzien van passend strooisel. Voor varkens wordt meestal zaagsel gebruikt. Daarnaast is het verplicht dat varkens tijdens een lang transport voortdurend toegang hebben tot water; onderweg voeren is niet verplicht.
Varkens worden afgevoerd naar een varkenshouderij, een slachthuis of een erkend verzamelcentrum in Spanje, Italië, Polen of Slovenië. In het erkende verzamelcentrum worden de dieren uitgeladen en ondergebracht. De dieren moeten daarna nogmaals opgeladen worden om naar een slachthuis of een varkenshouderij afgevoerd te worden. In het slachthuis worden de dieren bij de ante mortem keuring gecontroleerd door een officiële dierenarts.
Wanneer het totale transport van plaats van vertrek naar de plaats van bestemming langer dan 24 uur duurt, moeten de varkens uiterlijk 24 uur na het moment dat het eerste dier werd geladen, ondergebracht worden in een erkende controlepost. In deze controlepost moeten de dieren tenminste 24 uur rusten en gedrenkt, gevoerd en verzorgd worden. In deze controlepost wordt door een officiële dierenarts gecontroleerd of de varkens geschikt zijn voor verder vervoer.
De gemiddelde transportduur naar Spanje bedraagt rond de 24 uur, naar Italië 21 uur, naar Polen 15 uur en naar Slovenië 18 uur. Bij een deel van de varkenstransporten naar deze bestemmingen moet dus gebruik worden gemaakt van een controlepost.
Alleen biggen ouder dan drie weken en zwaarder dan 10 kg mogen op lang transport, en dus vervoerd worden naar deze landen. Het is verplicht dat alle varkens tijdens het vervoer over de weg tenminste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Het gewicht van biggen en vleesvarkens getransporteerd naar deze landen kan variëren van meer dan 10 kg tot circa 130 kg. Dieren van beduidend verschillende grootte of leeftijd worden gescheiden vervoerd. De hoeveelheid ruimte die beschikbaar is per dier is afhankelijk van de oppervlakte van het wegvervoermiddel, het aantal dieren dat wordt geladen en het gewicht van de dieren.
De ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen moeten de temperatuur in het vervoermiddel tussen de 0 graden Celsius en 35 graden Celsius kunnen handhaven. Lange transporten zoals die naar Spanje, Italië, Polen en Slovenië mogen niet plaatsvinden wanneer de verwachte buitentemperatuur op de geplande route hoger dan 30 graden Celsius is. De NVWA voert hier voorafgaand aan de transporten controles op uit en neemt een exportaanvraag niet in behandeling wanneer niet aan deze eis voldaan wordt. Achteraf controleert de NVWA aan de hand van de temperatuurregistratie in het vervoermiddel of de temperatuur tussen de 0 en 35 graden Celsius is gebleven.
Heeft u gezien dat er in de eerste helft van 2022 meer dan 930.000 biggen naar Spanje zijn geëxporteerd, veel meer dan in dezelfde periode in 2021? Hoe verklaart u deze toename?
Ten opzichte van het jaar 2021 is er inderdaad sprake van een toename van ongeveer 10%. Dit betekent overigens niet dat deze aantallen zo blijven, of dat deze stijging zal aanhouden. Het is bekend dat er tussen jaren, of tussen seizoenen binnen een jaar, variaties bestaan in het aantal geëxporteerde dieren en de bestemmingslanden. Dit is afhankelijk van diverse factoren, vooral van vraag- en aanbod.
Uit navraag bij brancheorganisatie Vee en Logistiek Nederland volgt dat de toename van verre bestemmingen in die periode vooral veroorzaakt werd door problemen die speelden in de keten vanwege tijdelijke afgenomen slachtcapaciteit van een aantal slachterijen in Nederland en Duitsland. Hierdoor werden minder biggen afgenomen door Nederlandse en Duitse varkenshouders en moesten andere bestemmingen worden gezocht.
Wat vindt u ervan dat Nederland daarmee de grootste leverancier is van buitenlandse biggen in Spanje?3
Met het oog op het welzijn van dieren en de principes van kringlooplandbouw ben ik van mening dat dieren zo kort mogelijk getransporteerd zouden moeten worden. Zeker dieren bestemd voor de slacht en kwetsbare dieren. Dat is een van de belangrijkste punten voor mijn inzet in de EU voor de aanstaande aanpassing van de Europese transportverordening (EG) nr. 1/2005. Ik verwijs de Tweede Kamer graag naar de position paper die ik samen met Denemarken, Duitsland, Zweden en België heb opgesteld (bijlage bij de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022, Kamerstuk 2150132, nr. 1452).
Volgens de huidige Europese wet- en regelgeving mogen dit soort transporten plaatsvinden als er aan de voorschriften wordt voldaan. De handelsstromen volgen het principe van vraag en aanbod en in de interne markt van de EU kan deze situatie dus ontstaan.
Heeft u gezien dat de export van «vleesvarkens» naar Spanje in de eerste helft van 2022 verdubbelde ten opzichte van 2021? Hoe verklaart u deze toename?
Ik heb de cijfers gezien. Brancheorganisatie Vee en Logistiek Nederland geeft als verklaring dat door tijdelijke capaciteitsproblemen bij een aantal Nederlandse en Duitse slachterijen minder varkens konden worden afgevoerd in Nederland in Duitsland. Daarom zijn er andere bestemmingen gezocht. Ik verwijs de Tweede Kamer ook naar mijn antwoord op vraag 3.
Erkent u dat deze cijfers haaks staan op uw inzet om een einde te maken aan lange afstandstransporten met dieren die naar de slacht gaan?4
De cijfers weerspiegelen inderdaad niet de inzet van Nederland en andere gelijkgestemde lidstaten ten aanzien van langeafstandstransporten. Dat onderstreept het belang van aanpassing van de Europese wetgeving op dit gebied De Europese Commissie verwacht eind volgend jaar met voorstellen tot wijziging van de transportverordening te komen.
Erkent u dat Nederlandse varkenshouders die steeds meer varkens laten slachten in het buitenland laten zien dat zij lak hebben aan uw plannen en dat het dierenleed tijdens deze lange transporten ze kennelijk onvoldoende interesseert?
Ik zou zelf deze conclusies niet zomaar trekken. Er wordt gehandeld naar het principe van vraag en aanbod binnen de EU interne markt om tot een goed verdienmodel te komen. Deze transporten moeten voldoen aan de nu geldende (Europese) wetgeving, daar houdt de NVWA toezicht op.
Erkent u dat deze cijfers tevens haaks staan op de inhoud van het position paper dat u samen met Denemarken, Duitsland, Zweden en België als zogenaamde «Vught-groep» naar de Europese Commissie heeft gestuurd met daarin de oproep om de transportduur te beperken en de regelgeving voor diertransporten te verbeteren en aan te scherpen?5
De cijfers bevestigen juist dat aanpassing van de Europese regelgeving nodig is. Zonder aanpassing van de Europese voorschriften zullen de langeafstandtransporten niet vanzelf afnemen of stoppen. Dit moet EU-breed worden aangepakt.
Erkent u dat u op deze manier door de varkenssector in uw hemd wordt gezet als u in Brussel voorop zegt te willen lopen als het gaat om de behandeling van dieren en dierenwelzijn, ook op weg naar de slacht?
Mijn collega-Ministers in de EU weten goed hoe de principes van vraag en aanbod werken binnen de interne markt. Zij weten ook dat Nederland een grote speler is als het gaat om internationale diertransporten. Uit dit soort cijfers blijkt dat het beperken en verbieden van langeafstandtransporten een grote impact zal hebben, zeker ook voor Nederland.
Heeft u gezien dat de vereniging voor Spaanse varkenshandelaren waarschuwt dat deze transporten de kans op insleep van Afrikaanse varkenspest vergroten?6
Het risico op de insleep van Afrikaanse varkenspest is een dreiging die binnen de Europese Unie zeer serieus wordt genomen. Het vervoer van besmette varkens is een van de mogelijkheden om het virus te verspreiden. Het niet of niet goed reinigen van veewagens is eveneens een risico. De handel in varkens in de Europese Unie is strikt gereguleerd en er gelden strenge voorwaarden voor het vervoer van varkens in en tussen lidstaten, met als doel de kans op verspreiding van besmettelijke dierziekten zoveel mogelijk te verkleinen. Volgens de Europese Commissie zijn er geen gevallen bekend dat er verspreiding van de ziekte tussen lidstaten is opgetreden door het legale vervoer van varkens.
Wat u doen om een einde te maken aan de exportdrift van de Nederlandse varkenssector?
Ik zal blijven uitdragen wat mijn inzet is voor een betere borging van het dierenwelzijn en de aansluiting bij de principes van kringlooplandbouw. Dit zal ik ook in mijn gesprekken met de sector blijven benadrukken.
In Brussel zet ik me samen met gelijkgestemde lidstaten in om Europese regels aan te passen. Want zo lang deze transporten van dieren voldoen aan de geldende (EU) wet- en regelgeving, mogen deze blijven plaatsvinden. De Nederlandse overheid kan niet eenzijdig maatregelen treffen om dit te stoppen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het memo 'Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied' |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het memo «Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied» d.d. 9 juni 2022?1
Ja.
Bent u bekend met de disclaimer op pagina 3 en 4 van bovengenoemd memo?
Ja.
Kunt u aangeven welke informatiebronnen zijn gebruikt die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals aangegeven in de derde alinea van de passage «Disclaimer»?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) geeft aan dat het gaat om gegevens afkomstig uit de Gecombineerde Opgave (GO) en de Identificatie en Registratie (I&R). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) verzamelt de gegevens in de GO. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwerkt een deel van de gegevens uit de GO in de Landbouwtelling. Het CBS is ook verantwoordelijk voor de Landbouwtelling. De gegevens uit de I&R worden gebruikt voor een preciezere ruimtelijke verdeling van de stikstofemissies.
Wat is er gedaan om de gegevens uit benoemde informatiebronnen AVG-proof te maken?
Het RIVM is in het AVG-register van RVO vastgelegd als ontvanger, waarmee er een wettelijke basis is om de geleverde gegevens te mogen verwerken. Het RIVM is derhalve verantwoordelijke voor de AVG-conforme verwerking van de van RVO ontvangen gegevens. Het RIVM geeft aan dat de emissiecijfers van de bedrijfslocaties zijn geaggregeerd naar gridcellen van 64 ha, waarmee deze emissies niet herleidbaar zijn naar de individuele bedrijven of bedrijfslocaties.
Kunt u aangeven of de berekeningen zijn gemaakt vanuit een bepaald emissiepunt en daarna teruggebracht zijn naar de gridcel van 64 ha, aangezien op pagina 4 onder «Disclaimer» wordt aangegeven dat men de doorrekening gemaakt heeft op een gridcel van 64 ha, om zo berekeningen niet te kunnen herleiden naar een bepaalde bron?
Het RIVM geeft aan dat voor alle locaties de daadwerkelijke bronnen als verzameling van bronnen binnen het hexagoon van 64 ha zijn doorgerekend op zowel emissie als depositie. De stal- en veldemissies zijn daarbij als aparte bronnen doorgerekend. De berekeningen zijn voor wat betreft de geografische locatie, om te bepalen in welk emissiereductiegebied een hexagoon zich bevindt, gemaakt vanuit het centrum van het 64-ha-hexagoon. Daardoor zijn de rekenresultaten niet naar individuele locaties te herleiden.
Kunt u aangeven hoe men aan de bedrijfsspecifieke gegevens komt om de emissieberekeningen te maken?
Het RIVM geeft aan dat bedrijfsspecifieke emissiegegevens komen uit de datasets van de Gecombineerde Opgave en de Registratie en identificatie van Runderen die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland jaarlijks verzamelt ten behoeve van onderzoek en beleid.
Heeft u voor de emissieberekeningen melkveehouderij de centrale database kringloopwijzer direct of indirect geraadpleegd?
Het RIVM geeft aan dat niet te hebben gedaan.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De gesprekken met boeren |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de provincie Zuid-Holland aan het voorsorteren is op het elimineren van de veehouderij1?
U verwijst naar de subsidieregeling «Verplaatsing en beëindiging veehouderij Zuid-Holland 2022». Het is één van de instrumenten die de provincie Zuid-Holland inzet om uitvoering te geven aan het beleid voor het landelijk gebied dat gericht is op een duurzame toekomst van agrarische bedrijven in het landelijk gebied.
Hoe rijmt u uw gesprekken met boeren2 met het feit dat de provincie Zuid-Holland heel stiekem tijdens de eerste maandag van het zomerreces een besluit neemt dat is gericht op het verplaatsen en beëindigen van de veehouderij in Zuid-Holland, gezien het ruimtegebrek in de provincie de facto het einde van de veehouderij aldaar? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven op deze vraag?
De zorgen die boeren hebben zijn groot. Dat blijkt ook uit de gesprekken die ik met boeren heb gevoerd. Provincies en het kabinet werken daarom, samen met de agrarische sector, aan het realiseren van de de doelen met behoud van perspectef op een gezonde en duurzame agrarische sector. De subsidieregeling van de provincie Zuid-Holland is in dit kader één van de instrumenten, waarbij veehouders subsidie kunnen aanvragen om op vrijwillige basis hun bedrijf te verplaatsen of te beëindigen.
Heeft u de bereidheid om de stikstofplannen van het kabinet in te trekken, teneinde boeren eerst een stem te geven? Zo neen, wat hebben gesprekken met boeren dan voor zin?
De gebiedsgerichte aanpak, waarbij provincies en kabinet gezamenlijk optrekken, laat veel ruimte voor betrokken partijen, in het bijzonder uit de agrarische sector, om vorm te geven aan de invulling van de aanpak. Daarom is het belangrijk dat dat boeren en andere betrokken partijen hierbij aan tafel schuiveb.
Kunt u alle gespreksverslagen tussen u en de boeren aan de Kamer doen toekomen? Zo neen, waarom niet?
Het doel van mijn gesprekken met de boeren was om te luisteren. Er zijn geen verslagen gemaakt van de gesprekken, er zijn van één gesprek persoonlijke aantekeningen gemaakt door een ambtenaar. Gezien de gevoeligheid van het onderwerp is het gesprek op verzoek van de boeren in vertrouwelijkheid gevoerd. Daarom zullen deze persoonlijke aantekeningen niet worden verstrekt.
Heeft u de bereidheid om uw stikstofplannen tot maart aan te houden, zodat de bevolking de Provinciale Statenverkiezingen kan gebruiken als vorm van referendum over uw stikstofbeleid? Zo neen, waar is uw democratische kompas gebleven?
De inzet van het kabinet is erop gericht om met het stikstofbeleid, dat als onderdeel van het democratische proces ook in de Tweede Kamer is besproken, invulling te geven aan de (internationale) verplichtingen op het gebied van natuur, stikstof, water en klimaat. Dit doet het kabinet nadrukkelijk samen met de provincies en betrokken partijen.
Een hitteplan voor dieren |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Heeft u gezien dat vanaf maandag het Nationaal Hitteplan in werking treedt om mensen te waarschuwen en te beschermen tegen de extreem hoge temperaturen die de komende dagen worden verwacht?1
Ja, op maandag 18 juli, dinsdag 19 juli en woensdag 20 juli heeft het RIVM het Nationaal Hitteplan geactiveerd2.
Wat gaat u doen om ook dieren te beschermen tegen de gevaren van de extreme hitte die wordt verwacht in delen van het land?
Veehouders zijn wettelijk verplicht om goed voor de dieren te zorgen, ongeacht de weersomstandigheden. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet op dagen waarbij de verwachte temperatuur 27 graden of meer is extra op dierenwelzijn toe en voert extra controles uit. De NVWA controleert bijvoorbeeld op basis van meldingen of er voldoende schaduw in de wei is en of dieren genoeg kunnen drinken. Via de beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen is vastgelegd dat er geen diertransporten op Nederlands grondgebied mogen plaatsvinden bij temperaturen van 35 graden of hoger, tenzij er sprake is van actieve koeling in het vervoermiddel. Daarnaast mogen geen exporten van eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens plaatsvinden die langer dan 8 uur duren als de verwachtte buitentemperatuur op enig moment tijdens het transport 30 graden of hoger is. Ook hier geldt een uitzondering voor vervoermiddelen die actieve koeling hebben. Op warme dagen geeft de NVWA de mogelijkheid voor aangepaste keuringstijden voor de exportcertificering en toezicht in de slachthuizen. De dieren kunnen dan eerder of later op dag worden vervoerd, wanneer het buiten koeler is.
Herinnert u zich dat de Kamer u opriep om geen diertransporten meer toe te staan bij een temperatuur boven de 30 graden?2
De motie om de temperatuurgrens van de beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen te verlagen van 35 naar 30 graden heb ik scherp in het vizier. Een generieke verlaging voor alle diersoorten in de beleidsregel van 35 naar 30 graden is met de huidige wetenschappelijke kennis echter niet mogelijk, zoals ik aan de Kamer per brief4 heb toegelicht. De grens kan daarom niet zomaar van 35 naar 30 graden worden verlaagd. Het aanstaande EFSA-advies (European Food Safety Authority) over dierenwelzijn tijdens transport gaat ook over transporten in de hitte. Ik wacht dit advies af alvorens ik eventuele aanpassingen doorvoer in de beleidsregel. Hiermee borg ik dat de beleidsregel bij de laatste wetenschappelijke inzichten aansluit. Ik verwacht het EFSA-advies in september van dit jaar. Ik houd uw Kamer op de hoogte van de uitkomsten en mijn vervolgacties.
Garandeert u dat er in de komende dagen geen diertransporten zullen plaatsvinden? Zo ja, hoe? Zo nee, hoe voorkomt u dat dieren onnodig extra zullen lijden door hitte in de wagens, files onderweg of wachttijden voor het slachthuis?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag twee heb beschreven, geldt de beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen en mogen er geen exporten van specifieke diersoorten plaatsvinden die langer duren dan 8 uur, tenzij er sprake is van actieve koeling. Bovendien is het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen in werking getreden van maandag 18 juli tot en met woensdag 20 juli, van dinsdag 2 augustus tot en met donderdag 4 augustus, van woensdag 10 augustus tot en met dinsdag 16 augustus en van dinsdag 23 augustus tot en met donderdag 25 augustus. In het Nationaal Plan en de sectorprotocollen staan de afspraken tussen het bedrijfsleven en de overheid over het vervoeren van dieren op warme dagen. De NVWA heeft op deze dagen extra toegezien op dierenwelzijn en extra controles uitgevoerd. Daarbij zijn binnengekomen meldingen betrokken. De ketenpartijen in de sector zullen zich blijven inspannen om hittestress te voorkomen. In het plan van aanpak voor hittestress bij landbouwhuisdieren is opgenomen dat ketenpartijen de planning van transporten analyseren om deze verder te optimaliseren om oponthoud te minimaliseren.
Herinnert u zich dat de Kamer u opriep om ervoor te zorgen dat dieren nooit langer dan vijftien minuten in een vrachtwagen in de brandende zon stil staan voor een slachthuis omdat er nog geen ruimte is om de dieren uit te laden?3
Ja.
Garandeert u dat dit in de komende dagen niet zal gebeuren? Zo ja, hoe? Zo nee, hoe voorkomt u dat dieren onnodig extra zullen lijden?
Korte wachttijden voor slachthuizen zijn zeker in periodes van hitte van groot belang. Ik kan niet garanderen dat de wachttijd tussen aankomst op het slachthuisterrein en het uitladen niet langer dan 15 minuten duurt. Zoals ik uw Kamer per brief6 heb aangegeven is een goede onderbouwing nodig om in Nederland een specifiek maximaal aantal minuten voor te schrijven. Deze is niet te geven voor alle omstandigheden uit de praktijk. Een eenduidige generieke grens van 15 minuten voor alle slachthuizen in Nederland zal de rechterlijke toets naar alle waarschijnlijkheid niet doorstaan. In twee Europese verordeningen is reeds voorgeschreven dat de wachttijden bij slachthuizen beperkt moeten worden. De transportverordening Vo. (EU) 1/2005 schrijft voor dat bedrijven alle nodige voorzieningen moeten treffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en dat organisatoren van diertransporten voor ieder transport ervoor moeten zorgen dat het welzijn van de dieren niet in het gedrang komt door onvoldoende coördinatie van de verschillende onderdelen van het transport, rekening houdend met weersomstandigheden. Verordening (EG) Nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden vereist daarnaast dat dieren zo spoedig mogelijk na aankomst in het slachthuis worden uitgeladen en vervolgens zonder onnodige vertraging worden geslacht. De NVWA houdt toezicht op de juiste uitvoering van deze wetgeving, en handhaaft wanneer inspecteurs hittestress bij dieren vaststellen, ongeacht de wachttijd bij het slachthuis. Daarnaast spreekt de NVWA de bedrijven actief aan om te allen tijde hun verantwoordelijkheden te nemen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden.
Erkent u dat in uw eigen plan voor het verminderen van hittestress bij dieren het houden van minder dieren per stal als maatregel wordt benoemd?4 Waarom bent u niet overgegaan tot het opleggen van fokbeperkingen voorafgaand aan de zomerperiode? Bent u bereid alsnog fokbeperkingen in te stellen om overvolle stallen in de komende warme zomerperiode te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In 2021 is een inventarisatie5 naar de Kamer gestuurd, waarin staat beschreven wat er speelt op het gebied van hitte en waar aandachtspunten liggen. In deze inventarisatie is opgenomen dat het verlagen van de stalbezetting een mogelijke aanpassing is die veehouders kunnen nemen om hittestress te verminderen. In het plan van aanpak voor hittestress bij landbouwhuisdieren, dat in het voorjaar van 2022 naar de Kamer is gestuurd8 is deze maatregel niet opgenomen.
Voor het opleggen van een fokbeperking is een wettelijke bevoegdheid nodig. De Wet dieren voorziet in een bevoegdheid om een fokverbod in te stellen als maatregel om aangewezen besmettelijke dierziekten te bestrijden of te voorkomen (artikel 5.3, eerste lid, in samenhang met artikel 5.4, eerste en derde lid, onderdeel f). Voorkomen van hittestress valt niet onder dat doel.
Ook de nieuwe, nog niet in werking getreden9, bevoegdheid om bij ministeriële regeling het fokken of het voor de fok gebruiken van dieren geheel of gedeeltelijk te verbieden, voor zover zonder een dergelijk verbod de gezondheid of het welzijn van het dier door uitzonderlijke omstandigheden ernstig in het geding komt (artikel 2.6, vierde lid (nieuw) van de Wet dieren), zou hier niet toepasbaar zijn. Dit omdat het instellen van een fokverbod in een situatie dat het heet is, gegeven de fokcycli, geen nut meer zou hebben. Ook het van te voren instellen van een fokverbod heeft geen zin, omdat het nu eenmaal niet bekend is of er door hitte uitzonderlijke situaties zullen ontstaan. Mijn ambtsvoorganger heeft destijds de Tweede Kamer erop gewezen dat hitte niet is aan te merken als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in die bepaling.10
Kunt u bevestigen dat dieren moeten worden beschermd tegen extreme weersomstandigheden in de weide op grond van artikel 1.6, lid 3 van het Besluit houders van dieren, maar dat er nog altijd onduidelijkheid bestaat over de invulling van deze open norm?
In het Besluit houders van dieren staat dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming moet worden geboden tegen slechte weersomstandigheden. De NVWA hanteert een handhavingslijn en werkinstructies voor deze open norm, zodat toezichthouders van de NVWA in concrete gevallen uniform kunnen vaststellen of er sprake is van een overtreding. Bij de handhaving worden meldingen betrokken, waarbij zogenaamde «hoogrisicomeldingen» met voorrang worden opgepakt, zodat de beschikbare capaciteit effectief wordt ingezet. Voor het vaststellen van de ernst van de overtreding neemt de NVWA onder andere de weersomstandigheden, de aanwezigheid van beschuttingsplekken, toegang tot drinkwater en symptomen van hittestress mee. Voortbouwend op de handhavingslijn en de in 2021 aangepaste werkinstructies onderzoekt mijn Ministerie samen met betrokken partijen, of, en zo ja hoe, de open norm ingevuld kan worden, zoals beschreven staat in het plan van aanpak voor hittestress.
Erkent u dat deze wettelijke bescherming hierdoor in de praktijk niet volledig wordt nagekomen? Zo ja wanneer gaat u hier een einde aan maken? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat er al meer dan veertien jaar wordt gepraat over de noodzaak van beschutting voor dieren in de wei en mogelijkheden voor dieren om af te koelen?5
Het belang van beschutting in de weide tegen extreme weersomstandigheden heeft al geruime tijd de aandacht. Ik vind het belangrijk dat dieren in de weide beschermd kunnen worden tegen extreme weersomstandigheden, zoals het besluit houders van dieren voorschrijft. De taken en de bevoegdheden bij de vergunningverlening voor het plaatsen van beschutting in de weide worden uitgevoerd door gemeentes. Ik zet mij daarom in om de afstemming tussen gemeenten, (hobby)dierhouders en andere relevante partijen over dit vraagstuk te faciliteren, zodat inzichtelijk wordt waar de oplossingen liggen en welke acties genomen moeten worden. Dit is in het plan van aanpak voor hittestress opgenomen.
Hoe is het mogelijk dat in uw Plan van aanpak voor hittestress bij landbouwhuisdieren nog altijd geen concrete stappen zijn genomen om de problemen met vergunningverlening voor het plaatsen van beschutting in de wei op te lossen en dat er slechts wordt geconcludeerd dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dit vraagstuk niet gaat oppakken?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u concreet doen om dit op zeer korte termijn op te lossen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één en nog deze week beantwoorden?
In verband met het zomerreces konden de vragen niet binnen de gevraagde termijn worden beantwoord. Ik heb me ingespannen deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden. Ik heb de antwoorden op de vragen 8 en 9 en 10, 11 en 12 samengevoegd.
Investeringen in de intensieve veehouderij door ABP |
|
Christine Teunissen (PvdD), Leonie Vestering (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Kritiek op ABP's investeringen in intensieve veehouderij»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «ABP Investing in an uninhabitable world» van World Animal Protection?
Laat ik vooropstellen dat ik het rapport van World Animal Protection een zinvolle bijdrage aan de maatschappelijke discussie vind, met name in het licht van dierenwelzijn maar ook met het oog op de uitdagingen waarvoor de klimaatproblematiek ons stelt. Het ABP heeft onlangs bekend gemaakt dat zij het rapport van World Animal Protection meeneemt om het duurzaamheidsbeleid verder aan te scherpen en dat zij verwachten later dit jaar hierover meer bekend te kunnen maken.2
Herinnert u zich dat de commissie Bekedam adviseerde om, vanwege het risico op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen, niet langer in te zetten op de export van industriële lineaire landbouwsystemen die in de regel een veel te groot beroep doen op grondstoffen en waarbij vaak landbouwgrond nodig is ten koste van natuurgebieden?2
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat pensioenfonds ABP met grote getallen investeert in de wereldwijde industriële veehouderij en daarmee bijdraagt aan activiteiten die risico's met zich meebrengen voor dierenwelzijn, landroof, klimaat en biodiversiteit?
In het wettelijke systeem van de Pensioenwet is geborgd dat het bestuur van een pensioenfonds zelfstandig belast is met de uitvoering van de pensioenregeling. Onder de uitvoering dient ook (het vaststellen van) het beleggingsbeleid te worden begrepen. Over het gevoerde beleggingsbeleid dient het bestuur zich tegenover belanghebbenden van het pensioenfonds te verantwoorden.
Het kabinet verwacht dat pensioenfondsen de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) naleven. Dit houdt in dat bedrijven in kaart brengen in hoeverre zij via hun bedrijfsactiviteiten en ketenpartners verbonden zijn aan risico’s voor mens en milieu, hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen en aan te pakken, de aanpak hiervan monitoren en hier verantwoording over afleggen. Het ABP heeft in dat kader in 2018 het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Pensioenfondsen (IMVO-convenant pensioensector) ondertekend en geeft aan de OESO-richtlijnen te onderschrijven.
Hoe individuele pensioenfondsen hier invulling aan geven en in welke bedrijven zij wel of niet investeren is echter de verantwoordelijkheid en keuze van de individuele pensioenfondsen zelf.
Erkent u dat deze investeringen niet in lijn zijn met de doelstellingen van het kabinet op het gebied van kringlooplandbouw, een dierwaardige veehouderij en het Parijs-akkoord om binnen de 1,5 graden opwarming te blijven? Zo ja, hoe lang mag dit nog doorgaan volgens u, voordat u het nodig vindt om over te gaan op dwingender maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 4 en 6 aangegeven, stelt het bestuur van een pensioenfonds zelfstandig het beleggingsbeleid vast, binnen de wettelijke eisen die daarvoor gelden bijvoorbeeld op het gebied van risicobeheer. Het kabinet heeft hier geen zeggenschap over. Wel heeft het kabinet op dit punt verwachtingen van financiële ondernemingen die het klimaatcommitment hebben ondertekend.
In 2019 heeft de Nederlandse financiële sector, waaronder ook ABP, een commitment uitgesproken om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Akkoord van Parijs en het Klimaatakkoord. Dit jaar zullen de instellingen die het commitment hebben ondertekend, actieplannen finaliseren met doelstellingen voor CO2-reductie van hun beleggingen en leningen. Het kabinet verwacht van de ondertekenaars van het commitment dat zij hier ambitieus invulling aan geven. In de beleidsagenda voor duurzame financiering heeft de Minister van Financiën, mede namens de Minister voor Klimaat en Energie, ook aangegeven dat zij verwacht dat deze actieplannen uitgaan van een 1,5 gradenscenario.4
Eind 2022 en begin 2023 zal de voortgang van het klimaatcommitment worden beoordeeld op basis van de voortgangsrapportages van de Commissie Financiële Sector Klimaatcommitment. Op basis van dit beoordelingsmoment zal de Minister van Financiën, samen met de Minister voor Klimaat en Energie, besluiten of meer normerend optreden gepast en mogelijk is.
De omslag naar kringlooplandbouw en de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij zijn een onderdeel van de verduurzaming van de landbouw en daarmee belangrijke duurzaamheidsthema’s.
Financiële instellingen – waaronder die in de pensioensector – kunnen in het kader van verantwoord en duurzaam beleggen een rol spelen om deze ontwikkelingen nationaal en internationaal te bevorderen.
Hoe ziet u de investeringen van ABP (zoals omschreven in het rapport) in het licht van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) die als doel hebben om risico’s voor mens en milieu te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om financiele instellingen, zoals ABP, te ondersteunen bij hun verduurzaming? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort investeringen minder aantrekkelijk worden? Zo nee, waarom vindt u dat de overheid financiele instellingen niet hoeft te ondersteunen in de verduurzaming met dwingender wet- en regelgeving, terwijl zij opereren in een systeem waarin het nog steeds moeilijk is om niet over te gaan op dit soort investeringen?
Het kabinet acht het van groot belang dat de financiële sector werk blijft maken van de verduurzaming van hun portefeuilles. De financiële sector speelt namelijk een belangrijke rol in de financiering van de duurzame transitie in de reële economie. In deze context hebben de Ministers van Financiën en Klimaat en Energie voor het zomerreces hun beleidsagenda duurzame financiering met uw Kamer gedeeld.5 Centraal in deze beleidsagenda staat dat de financiële markten het vliegwiel voor verduurzaming vormen. Ook is het van belang dat aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s voldoende worden beheerst en rapportagestandaarden inzicht bieden in alle relevante duurzaamheidsfactoren. De regelgeving en het beleid op dit gebied zijn daarmee dienstbaar aan het verduurzamingswerk van de financiële sector en moeten dat ook blijven.
In de beleidsagenda staan dan ook diverse beleidsinstrumenten waarmee het kabinet de verduurzaming van de financiële sector wil versnellen. Hieronder valt ook een inzet voor Europese wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van de beheersing van aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s, of voor verdere rapportagestandaarden ter voorkoming van groenwassen.
Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 5, is in de beleidsagenda ook uitgesproken dat de Ministers van Financiën en Klimaat en Energie een ambitieuze invulling van het klimaatcommitment van de financiële sector verwachten. Mocht hierop onvoldoende voortgang geboekt worden, zullen de Minister van Financiën en Klimaat en Energie besluiten of meer normerend optreden gepast en mogelijk is. Dit besluit zal worden genomen op basis van de voortgangsrapportages van het klimaatcommitment eind dit jaar en begin volgend jaar. Bij die eventuele verkenning liggen alle mogelijke beleidsopties nog op tafel.
Vindt u, gezien bovenstaande vragen en antwoorden, dat investeringen in de intensieve veehouderij aansluiten bij duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid? Waarom wel of niet?
Duurzaamheid in brede zin staat voor de rijksoverheid centraal in de rijksbrede inkoopstrategie «Inkopen met impact», die in oktober 2019 is vastgesteld.6 In deze inkoopstrategie worden belangrijke doelstellingen van de rijksoverheid gevolgd waaronder het klimaatakkoord met de Nederlandse klimaatdoelen voor 2030 en 2050 en de wereldwijde duurzaamheidsdoelstellingen van de VN: de Sustainable Development Goals. Over het stimuleren van de consumptie van biologische producten binnen het Rijk, dat goed past bij het uitgangspunt meer duurzaam en lokaal geproduceerd in te kopen, zal ik de Kamer binnenkort een brief sturen.7
Het bestuur van het ABP is zelfstandig verantwoordelijk voor het eigen beleggingsbeleid van het pensioenfonds en hanteert specifiek beleid inzake verantwoord en duurzaam beleggen. Er is dan ook geen relatie tussen het duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid en het beleggingsbeleid van ABP.
Bent u het ermee eens dat dierenwelzijn ook bij verduurzaming hoort? Zo ja, bent u het ermee eens dat het pensioenfonds voor ambtenaren, politieagenten en onderwijzers voorop moet lopen in dierenwelzijn? Zo nee, wat rechtvaardigt volgens u dat dierenwelzijn geen onderdeel uitmaakt van duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid?
In het antwoord op vraag 8 is aangegeven dat er geen relatie is tussen het duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid en het beleggingsbeleid van het ABP. Het pensioenfonds ABP is zelfstandig verantwoordelijk voor het eigen beleggingsbeleid. Daarbij geldt wel dat pensioenfondsen in hun beleggingsbeleid rekening dienen te houden met milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen.8
In algemene zin willen werknemers in Nederland dat hun pensioenuitvoerder op hun ingelegde premies op verantwoorde en duurzame wijze rendement maakt. Voor sommige werknemers kan dit betekenen dat zij niet willen dat er in de intensieve veehouderij wordt belegd. Het is aan het bestuur van een pensioenfonds om hierin een afweging te maken en zich hierover tegenover de betrokken partijen bij het fonds te verantwoorden.
Dierenwelzijn maakt onderdeel uit van het duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid. De rijksoverheid streeft namelijk naar een duurzame samenleving door maatschappelijk verantwoord in te kopen (MVI).
Een duurzaam assortiment maakt bijvoorbeeld onderdeel uit van Catering binnen de inkoopcategorie Consumptieve Dienstverlening Rijk, hierbij is het stimuleren van dierenwelzijn één van de criteria.
Op welke grondslag is de beweging bij de rijksoverheid gebaseerd om meer plantaardig in te kopen?
De doelstelling van het Kabinet is erop gericht dat de Nederlandse economie in 2050, zoveel als mogelijk, een circulaire grondslag heeft. Een circulaire economie waarin zoveel als mogelijk duurzame hernieuwbare grondstoffen worden gebruikt, producten en grondstoffen worden hergebruikt en waarin afval niet bestaat.9 Door de toepassing van circulaire catering (onderdeel van de inkoopcategorie Consumptieve Dienstverlening Rijk, zie ook het antwoord op vraag10 levert de rijksoverheid hieraan een bijdrage. Dit wordt onder andere bereikt door meer plantaardige eiwitten en minder dierlijke eiwitten.11
Wijkt u hiervan af als het gaat om de inkoop van pensioenen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om het inkoopbeleid ten aanzien van pensioenen in lijn te brengen met het rijksinkoopbeleid?
De uitvoering van de pensioenregeling voor overheidswerknemers door het ABP gebeurt niet op basis van een overheidsopdracht die valt onder de werking van de Aanbestedingswet 2012 (en de daarmee geïmplementeerde Europese aanbestedingsrichtlijn 2014/24/EU). De uitvoering van de pensioenregeling door het ABP is wettelijk verplicht gesteld in de Wet privatisering ABP. Omdat er in casu geen sprake is van de inkoop van pensioenen door het rijk ligt er geen relatie met het rijksinkoopbeleid.
Wat gaat u doen om dierenwelzijn beter te verankeren in het rijksinkoopbeleid, ook ten aanzien van pensioenen?
Dierenwelzijn is in voldoende mate verankerd in het rijksinkoopbeleid. Zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, maakt dierenwelzijn onderdeel uit van het duurzaam inkoopbeleid van de rijksoverheid.
Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangegeven, is er geen sprake van de inkoop van pensioenen door het Rijk. Inkoop van pensioenen maakt daarom geen onderdeel uit van het rijksinkoopbeleid.
Kunt u uiteenzetten welke acties ABP heeft ondernomen om de risico's voor dierenwelzijn, klimaat, landroof en biodiversiteit aan te pakken en deze te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Desgevraagd heeft het ABP ons laten weten dat het ABP verschillende instrumenten tot haar beschikking heeft om thema's op het gebied van duurzaam en verantwoord beleggen, waaronder dierenwelzijn, klimaat, landroof en biodiversiteit, te adresseren. In het kader van het gehanteerde Duurzaam en Verantwoord Beleggingsbeleid12 (hierna: DVB-beleid) besteedt ABP in het bijzonder aandacht aan de volgende thema’s:
Klimaatverandering en de noodzaak van de transitie naar nieuwe energieopwekking en duurzame energiebronnen;
Behoud van natuur en biodiversiteit, in het licht van toenemende schaarste van grondstoffen en voedsel en de noodzaak om anders om te gaan met natuurlijke hulpbronnen om de biodiversiteit te beschermen. Biodiversiteit heeft bovendien een belangrijke relatie met het klimaat.
De door u aangestipte thema’s, dierenwelzijn en landroof, beschouwt ABP als onderdelen van het thema behoud van natuur en biodiversiteit. Daarnaast is dierenwelzijn een thema dat meerdere duurzaamheidsthema’s van ABP raakt zoals biodiversiteit, klimaatverandering en mensenrechten.
In het jaarverslag van ABP geeft het ABP aan hoe zij het DVB-beleid geïmplementeerd hebben. In het kader van de gevraagde acties heeft ABP ons geïnformeerd over een aantal manieren hoe zij het DVB-beleid vormgeven.
Ten eerste hanteert ABP een insluitingsbeleid. Hierbij bepaalt ABP de voorwaarden waar beleggingen aan moeten voldoen om in te kunnen beleggen. ABP heeft kenbaar gemaakt dat zij dit insluitingsbeleid aan het herijken en aanscherpen is waarbij explicieter rekening gehouden wordt met de hiervoor benoemde thema’s.
Ten tweede maakt ABP gebruik van de rechten die ze hebben als aandeelhouder van de bedrijven waarin ze beleggen. Dat betekent dat ABP stemt op aandeelhoudersvergaderingen en gesprekken voert (engagement) met de bedrijven waarin wordt belegd om ze aan te zetten tot veranderingen. In 2021 sprak ABP met bedrijven over verschillende thema’s zoals milieu, arbeidsomstandigheden, mensenrechten, bedrijfsethiek, goed bestuur, duurzame financiering en meer.
Met welke bedrijven ABP engagementtrajecten is aangegaan en hoe ABP in- en uitsluiting vorm geeft is beschreven in het jaarverslag.13
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, heeft ABP bekendgemaakt dat zij verwachten later dit jaar meer bekend te kunnen maken over de aanscherping van het DVB-beleid met een nadruk op de twee eerdergenoemde thema’s.14
Kunt u aangeven op welke wijze ABP haar deelnemers informeert over hun beleggingen en op welke wijze ABP omgaat met de risico's voor dierenwelzijn, landroof, klimaat en biodiversiteit? Zo nee, waarom niet?
Het ABP-bestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Dit bestuur heeft de taak om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Hierbij richt het bestuur zich op de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken partijen en zorgt het bestuur ervoor dat zij zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Het is van belang dat een goede dialoog wordt gevoerd tussen het ABP-bestuur en haar stakeholders. De bestaande governance-structuur van het pensioenfonds en in het bijzonder de positie van het verantwoordingsorgaan hierin, biedt hiervoor passende kanalen. In het verantwoordingsorgaan zijn de belangen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd. Zij kunnen het bestuur bevragen op de keuzes in het beleggingsbeleid en het bestuur legt verantwoording af over het gevoerde beleggingsbeleid. Ook is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het gevoerde beleggingsbeleid en adviezen te geven over de bestuurlijke keuzes voor de toekomst.
ABP heeft ons desgevraagd laten weten dat het ook klanttevredenheidsonderzoeken uitvoert onder deelnemers. ABP onderzoekt hierin hoe deelnemers denken over actuele thema’s.
Daarnaast voert ABP onderzoeken uit om nieuwe concepten of ideeën te toetsen bij de deelnemers. De resultaten van dergelijke onderzoeken worden meegenomen bij het vaststellen van beleidsaanscherpingen. Dit is een continu en cyclisch proces.
Verder heeft het ABP ons op verzoek ingelicht over hoe zij haar deelnemers actief informeert over de inhoud of resultaten van het duurzaam en verantwoord beleggingsbeleid.
Dit gebeurt via meerdere communicatiemiddelen zoals bijvoorbeeld actief via de website, nieuwsbrieven, nieuwsberichten en sociale media. Gezien het belang zullen zij ook actief communiceren over de aanscherpingen van het DVB-beleid later dit jaar.
Hoe beoordeelt u de investeringen van ABP in het licht van eerdere uitspraken van de Minister van Financiën: «Het is belangrijk dat ABP verantwoord belegt, maar nog belangrijker is het dat alle pensioenfondsen in Nederland verantwoord beleggen en meer dan ze nu al doen»?3
In de beantwoording van Kamervragen waarnaar verwezen wordt in deze vraag, gaf de Minister van Financiën aan dat het belangrijk is dat alle pensioenfondsen in Nederland verantwoord beleggen en dat er daarom onderhandeld werd over IMVO-convenanten met de financiële sector, waaronder de pensioensector. Het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant voor de pensioensector, waar zowel de overheid, sector, vakbonden en maatschappelijke organisaties bij betrokken zijn, is eind 2018 ondertekend en loopt eind dit jaar af. Het IMVB-convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en de UNGP’s in het beleid van pensioenfondsen en implementatie in de uitvoering.
Binnen dit convenant prioriteert een pensioenfonds duurzaamheidsthema’s op basis van risico-inschatting, gepaste zorgvuldigheid (due diligence) en deelnemersraadpleging.
Uit het laatste monitoringsrapport16 blijkt dat er in de afgelopen jaren door een groot deel van de pensioenfondsen stappen zijn gezet om te voldoen aan de OESO-richtlijnen en UNGP’s. Tegelijkertijd volgt uit het monitoringsrapport ook dat de implementatie van het convenant achterloopt op de doelstellingen en dat een versnelling noodzakelijk is. De uitspraak van de Minister van Financiën in 2018 is in die zin nog steeds relevant.
Kunt u aangeven welke formele en informele mogelijkheden u heeft om ABP te wijzen en/of te sturen op hun investeringen?
Zoals al eerder vermeld, is het bestuur van ABP zelfstandig verantwoordelijk voor de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Het bestuur heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Hierbij richten zij zich op de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken partijen en zorgen ervoor dat zij zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. Het is aan het bestuur om hierin een afweging te maken en zich hierover tegenover de betrokken partijen bij het fonds te verantwoorden.
Het kabinet heeft, als één van de sectorwerkgevers betrokken bij het ABP, geen formele mogelijkheden ter sturing op de uitvoering van de pensioenregeling.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het van belang vindt dat de ABP-regeling aansluit bij de wensen en behoeften van de werknemers in de sectoren overheid en onderwijs. Het ABP-pensioen is voor hen immers een belangrijke arbeidsvoorwaarde. Met inachtneming van de zelfstandige bestuurstaak van het ABP, vraagt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met regelmaat, net als andere werkgevers en stakeholders, op informele wijze aandacht voor het belang van een gedragen beleggingsbeleid.
Kunt u aangeven welke afspraken de werkgever- en werknemersvertegenwoordigers met ABP hebben gemaakt over de inhoud van de pensioenregeling? Zo nee, waarom niet?
In de Wet privatisering ABP is vastgelegd dat de inhoud van de pensioenregeling tot stand komt in het overleg tussen de werkgever- en werknemersvertegenwoordigers verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en wordt vastgelegd in de pensioenovereenkomst. Ter uitvoering van de pensioenovereenkomst stelt ABP een pensioenreglement en uitvoeringsreglement vast waarin de wederzijdse verplichtingen tegenover respectievelijke werknemers en werkgevers zijn vastgelegd. In geen van deze documenten zijn afspraken over het beleggingsbeleid gemaakt, omdat dit beleid door het ABP-bestuur zelfstandig wordt bepaald.
De pensioenovereenkomst is gepubliceerd in de Staatscourant. Het pensioenreglement en het uitvoeringsreglement zijn gepubliceerd op de website van het ABP.
Kunt u bevestigen dat het ABP-bestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het ABP-bestuur dus een stem heeft in het beleggings- en investeringsbeleid van ABP?
Ja.
Klopt het dat het kabinet ook mensen kan voordragen om zitting te nemen in het bestuur?
Ja, twee niet-uitvoerende bestuursleden worden benoemd op bindende voordracht van de werkgevers in de kabinetssectoren.
Deelt u de mening dat het bestuurslid, voorgedragen door het kabinet in ieder geval internationale afspraken en het beleid van het kabinet moet uitdragen in het bestuur? Zo ja, op welke wijze controleert u dat? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld dient te worden dat ABP, net als andere pensioenfondsen, zich conformeert aan de voor haar geldende (inter)nationale wet- en regelgeving en dat DNB als toezichthouder de taak heeft hierop toe te zien.
De Pensioenwet bepaalt dat alle (mede)beleidsbepalers binnen een pensioenfonds de belangen van alle stakeholders bij het pensioenfonds evenwichtig moeten afwegen bij het nemen van besluiten. Dit betekent onder andere dat zij zich moeten verdiepen in de verschillende belangen, dat zij geen eenzijdige focus mogen hebben op een deelbelang en dat bij de onderbouwing van besluiten transparant vastgelegd wordt hoe de verschillende belangen zijn afgewogen. Deze bestuurlijke verantwoordelijkheid is ook vastgelegd in de statuten van het ABP en geldt op gelijke wijze voor bestuursleden benoemd op voordracht van de kabinetssectoren. Het is niet zo dat door het kabinet voorgedragen bestuursleden het kabinet in het bestuur «vertegenwoordigen». Het «in ieder geval» uitdragen van kabinetsbeleid verdraagt zich niet met de wettelijke en statutaire bestuurlijke verantwoordelijkheid.
Kunt u aangeven of en zo ja, op welke wijze het kabinet zich in gaat zetten om pensioenfondsen zover te krijgen dat investeringen in ieder geval in lijn zijn met internationale afspraken en met de duurzaamheidsdoelstellingen van het kabinet?
Pensioenfondsen bepalen binnen de grenzen van de toepasselijke regelgeving zelf waarin zij beleggen, daar gaat het kabinet niet over. Het kabinet vindt het echter belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen verantwoord is en vindt daarbij de fondsen aan zijn zijde. Zoals ik ook aangaf in mijn antwoord op vraag 15 is er daarom in 2018 een IMVB-convenant gesloten met de pensioensector. Inmiddels hebben meer dan tachtig pensioenfondsen het convenant medeondertekend. Verder heeft, zoals aangegeven in antwoord op vragen 5 en 7, de Nederlandse financiële sector, waaronder ook ABP, in 2019 een commitment uitgesproken om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Akkoord van Parijs en het Klimaatakkoord. Eind 2022 en begin 2023 zal de voortgang van het klimaatcommitment worden beoordeeld op basis van de voortgangsrapportages van de Commissie Financiële Sector Klimaatcommitment. Op basis van dit beoordelingsmoment zal de Minister van Financiën als gezegd, samen met de Minister voor Klimaat en Energie, besluiten of meer normerend optreden gepast en mogelijk is.
Verder heeft het kabinet op 16 oktober 2020 de IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een doordachte mix van maatregelen, met als kernelement een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting. In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangegeven dat het IMVO-wetgeving in de EU bevordert en nationale IMVO-wetgeving invoert die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving. In een Kamerbrief van 27 mei 2022 (Kamerstuk 26 485, nr. 398) heeft het kabinet een stand van zaken inzake de ontwikkeling van nationale IMVO-wetgeving met uw Kamer gedeeld. In een Kamerbrief van 4 juli 2022 (Kamerstuk 26 485, nr. 400) is uw Kamer geïnformeerd over Europese IMVO-wetgeving.
Het nieuws dat 700 varkens zijn omgekomen nadat een Nederlandse vrachtwagen met 900 varkens is gekanteld op een Duitse snelweg |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
![]() |
Heeft u de beelden gezien van het ongeluk in Duitsland waarbij een Nederlandse vrachtwagen met 900 varkens is gekanteld, waarna honderden varkens langs de kant van de snelweg in een modderbad van bluswater en bloed stonden te scharrelen tussen honderden dode soortgenoten? Zo ja, wat dacht u toen u de beelden zag?1
Ja ik heb de beelden van dit ongeluk gezien. Het bevestigde voor mij dat transporten met levende dieren altijd met veel zorg moeten worden uitgevoerd en het toont aan hoe groot de impact kan zijn als er toch een ongeluk gebeurt. Voor de dieren en uiteraard voor de chauffeur en de bijrijder die met verwondingen naar het ziekenhuis moesten worden afgevoerd. Ook viel me op dat er veel hulpdiensten ter plekke waren om de situatie zo goed en zorgvuldig mogelijk op te lossen.
Klopt het dat bij dit ongeluk 550 dieren direct zijn omgekomen en dat nog eens 150 dieren ter plekke door slagers zijn gedood?
Dit valt uit de berichtgeving op te maken. De Duitse autoriteiten hebben dit bevestigd. De circa 150 dieren zijn onder toezicht van de autoriteiten gedood door ervaren slachters die in het bezit zijn van getuigschriften van vakbekwaamheid, volgend uit artikel 21 van de verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
Heeft u gezien dat brandweerlieden de 200 nog levende varkens met bluswater hebben staan koelen vanwege de hitte?
Ja. De brandweer heeft vanwege de warme weersomstandigheden water over de varkens gesproeid om ze af te koelen. Ook zijn er zeilen gespannen om schaduw voor de dieren te creëren.
Wat vindt u ervan dat deze dieren zeer waarschijnlijk voor het eerst in hun leven buiten stonden?
Varkens worden in de gangbare houderijsystemen binnen gehouden. Het is aan de houder om binnen dit systeem aan de wettelijke eisen te voldoen ten aanzien van onder andere de verzorging en voeding van de dieren en het stalklimaat.
Waar zijn deze varkens in de vrachtwagen geladen en waar was dit transport naartoe onderweg?
De betreffende dieren zijn geladen op een varkenshouderij gelegen in Noord-Brabant, nabij de Nederlands-Belgische grens. De eindbestemming was Berzovia in Roemenië.
Waren alle 900 dieren afkomstig uit Nederland?
Ja.
Zaten er al 900 dieren in deze wagen bij de exportkeuring door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Zo ja, heeft de NVWA dit transport goedgekeurd? Zo nee, waar en wanneer zijn er extra dieren bijgeladen en was de NVWA hiervan op de hoogte?
Er zijn tijdens de exportcertificering 900 biggen geladen bij één varkenshouderij. De NVWA was bij het laden van deze dieren aanwezig en heeft door middel van de zogenoemde klepkeuring (het zien van de dieren bij het inladen in de vrachtwagen) de gezondheid en de geschiktheid van deze dieren voor het voorgenomen transport gecontroleerd.
Hoe vaak vinden er transporten plaats vanuit Nederland met 900 dieren in één vrachtwagen?
Gemiddeld vinden er 49 door de NVWA gecontroleerde exporten per week plaats waarbij 900 of meer varkens worden vervoerd in één vervoermiddel.
Hoeveel ruimte is er dan beschikbaar per dier?
De hoeveelheid ruimte die beschikbaar is per dier is afhankelijk van de oppervlakte van het transportmiddel en het aantal dieren dat wordt geladen en het gewicht van de dieren. Deze variabelen verschillen per transport.
Tijdens het transport van 12 juli 2022 was er 156,99 m2 vloeroppervlakte beschikbaar, wat overeenkomt met een gemiddelde beladingsdichtheid van 5,75 dieren per vierkante meter. Het betrof biggen van ongeveer 23 kilo.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat 900 dieren in één vrachtwagen zijn gepropt en dan ook nog eens op een dag waarop temperaturen boven de 30 graden werden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Deze transporten moeten voldoen aan de geldende (Europese) wet- en regelgeving. De betrokkenen bij dit ongeluk hebben zich hieraan gehouden, daar heeft de NVWA toezicht op gehouden. Met het oog op het welzijn van dieren zet ik me in Europees verband in voor aanpassing van deze voorschriften, waaronder betere voorschriften ten aanzien van diertransporten bij extreme temperaturen.
Bent u bereid zich in te zetten om hier zo snel mogelijk een einde aan te maken? Zo ja, hoe en wanneer?
Momenteel geldt dat dit transport voldeed aan de geldende wet- en regelgeving, daar heeft de NVWA voorafgaand aan het vertrek toezicht op gehouden.
Voor de toekomst, in het kader van de aankomende herziening van de transportverordening, zet ik me samen met gelijkgestemde landen in voor een aanpassing van diverse voorschriften. Beperking van toegestane transporttijden en betere voorschriften ten aanzien van diertransporten bij extreme temperaturen en de beschikbare ruimte voor dieren zijn onderdeel van deze inzet. Ik verwijs uw Kamer graag naar de position paper die ik samen met Denemarken, Duitsland, Zweden en België heb opgesteld (bijlage bij de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022, Kamerstuk 21501-32, nr. 1452). De Europese Commissie verwacht eind volgend jaar met voorstellen tot wijziging van de verordening te komen.