De grafieken die zijn getoond gedurende de persconferentie coronavirus van 14 januari 2022 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met de grafiek van het aantal besmettingen in het Verenigd Koninkrijk die u gedurende de persconferentie van 14 januari 2022 heeft gepresenteerd, die is gebaseerd op de dataset van Our World in Data?1
Ja.
Kan u aangeven welke Metric, Interval en Variable time span zijn geselecteerd bij het weergeven van deze grafiek?2
Om de grafieken voor de persconferentie publieksvriendelijk te maken, zijn deze aan de hand van bronvisuals en -data bewerkt door het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC). Het NKC heeft voor alle grafieken een aantal datapunten gebruikt, zodat de grafieken beter te begrijpen zijn op kleiner formaat. In plaats van alle dagelijkse datapunten te gebruiken, is voor de grafieken over het aantal besmettingen gekozen om alleen de datapunten van de eerste dag van de week te tonen. Hierdoor waren er minder fluctuaties zichtbaar. Het uiteindelijke doel was om het publiek een beeld te geven van de snelle stijging van het aantal besmettingen per miljoen inwoners in de getoonde Europese landen door de omikronvariant en dat het niveau van de besmettingen per miljoen inwoners veel hoger was dan in Nederland.
Deelt u de mening dat de grafiek die u heeft gepresenteerd enkel overeenkomt met de situatie in het Verenigd Koninkrijk tot en met 5 januari 2022, aangezien de lichte daling vanaf 6 januari 2022 en de scherpe daling vanaf 9 januari 2022 in deze grafiek niet zichtbaar zijn?
Voor de grafieken in de persconferentie is gebruik gemaakt van de data die op donderdag 13 januari beschikbaar waren op Our world in data (van Johns Hopkins University). Op deze site worden landen op een aantal indicatoren vergeleken op basis van de officiële data van de betreffende landen. De site wordt elke dag geactualiseerd en loopt bij de meeste indicatoren één of twee dagen achter. Dat betekent dat gebruik is gemaakt van de besmettingscijfers tot en met woensdag 12 januari, omdat nieuwe gegevens na één dag zichtbaar worden in deze database.
Bij het visualiseren van data worden vanuit communicatief oogpunt altijd keuzes gemaakt, zeker wanneer de visualisatie bedoeld is voor een breed publiek. Enerzijds moet de weergave zo gedetailleerd mogelijk zijn, terwijl anderzijds het plaatje in één oogopslag te begrijpen moet zijn. Een manier om een grafiek beter leesbaar te maken, is door niet alle datapunten te tonen, maar in plaats daarvan een trendlijn. Door het tonen van een trendlijn is in de grafiek van de persconferentie wel te zien dat de sterke stijging van het aantal besmettingen in het Verenigd Koninkrijk op dat moment was afgevlakt, maar nog niet dat deze afvlakking was doorgezet in een daling.
Bent u zich ervan bewust dat op 14 januari 2022 om 14:24:38, ruim 4 uur voor de persconferentie, het mogelijk was om het aantal cases in het Verenigd Koninkrijk tot en met 13 januari 2022 te exporteren?3
Ja. Zoals gezegd zit in de besmettingscijfers van Our world in data één dag vertraging. Op vrijdag 14 januari waren dus inderdaad de besmettingscijfers van donderdag 13 januari beschikbaar.
Op welke dag is deze grafiek in de presentatie verwerkt?
Op vrijdag 14 januari.
Indien deze grafiek op of voor 6 januari 2022 in de presentatie is verwerkt, waarom is de keuze gemaakt om gedurende een landelijke persconferentie een 8 dagen oude grafiek te presenteren, terwijl het zeer eenvoudig is om de meest recente data te exporteren en in een nieuwe slide te verwerken?
De gegevens in de grafiek die tijdens de persconferentie op 14 januari zijn getoond, waren twee dagen oud.
Waarom is de keuze gemaakt om de meest recente datapunten niet in de grafiek op te nemen, indien deze grafiek na 6 januari 2022 in de presentatie is verwerkt?
Zie antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat in beide gevallen de grafiek die u presenteerde geen recht deed aan de trend van het aantal besmettingen in het Verenigd Koninkrijk ten tijde van uw presentatie? Bent u het met mij eens dat in kader van de «Aanpak desinformatie en nepnieuws» het van groot belang is dat de informatievoorziening gedurende landelijke persconferenties onfeilbaar dient te zijn?4
Op dit moment hebben we te maken met een zeer besmettelijke variant, waarvan we nog niet exact weten hoe ziekmakend die is en die er daarnaast voor zorgt dat veel mensen in quarantaine zitten. Om te laten zien dat de omikronvariant een snelle stijging van het aantal besmettingen kan veroorzaken, is tijdens de persconferentie een aantal grafieken getoond, waaronder een grafiek van het verloop van het aantal besmettingen in het Verenigd Koninkrijk. Inmiddels is in het Verenigd Koninkrijk het aantal besmettingen sterk gedaald. Dat neemt niet weg dat deze piek daar meer dan drie keer hoger was dan de hoogst gemeten piek in het Verenigd Koninkrijk van januari 2021. Tijdens de persconferentie was in de grafiek wel zichtbaar dat de snelle stijging in het Verenigd Koninkrijk inmiddels was afgevlakt.
Welke stappen zult u zetten om ervoor te zorgen dat gedurende de volgende persconferenties de meest recente en accurate informatie wordt gepresenteerd?
Ik vind het belangrijk dat de informatie in de persconferentie volledig en voor een breed publiek begrijpelijk is. Wanneer gebruik wordt gemaakt van beeldmateriaal, zal steeds de afweging worden gemaakt tussen het gebruik van zo recent mogelijke gegevens en de tijd die nodig is voor een heldere visuele verwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de volgende persconferentie over het coronavirus?
Het is helaas niet gelukt om de vragen voor de persconferentie van 25 januari jl. te beantwoorden.
Het bericht ‘Aruba: ongevaccineerde ambtenaar krijgt geen loon tijdens verplichte quarantaine’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aruba: ongevaccineerde ambtenaar krijgt geen loon tijdens verplichte quarantaine»?1
Ja.
Klopt het dat ambtenaren die niet gevaccineerd zijn hun vakantie- of ATV-dagen dan wel hun overuren moeten inzetten als zij verplicht in quarantaine gaan? Is dit een voorgenomen maatregel of is deze maatregel reeds van kracht?
Hoewel er aanvankelijk sprake van leek te zijn dat ongevaccineerde ambtenaren hun vakantie- of ATV, dan wel overuren moesten inzetten als zij in quarantaine zouden moeten, heeft Minister Oduber van Toerisme en Volksgezondheid aangegeven dat het genoemde beleid niet aan de orde is en dat ongevaccineerde ambtenaren worden doorbetaald tijdens hun quarantaineperiode.
Vindt u het ook onacceptabel om ambtenaren in hun basisbehoeften en arbeidsvoorwaarden aan te tasten omdat zij niet gevaccineerd zijn, terwijl zij juist de regels willen naleven en gevaccineerden bovendien ook het virus kunnen verspreiden? Kunt u aangeven hoe deze maatregel juridisch te rechtvaardigen is, gelet op de huidige kennis van (de verspreiding van) het virus?
Het is aan Aruba zelf om mitigerende maatregelen te nemen om COVID-19 te bestrijden, passend binnen de juridische kaders. Er zijn verschillende OMT-adviezen opgesteld om de bestuurders in de Caribische delen van het Koninkrijk te ondersteunen bij het bepalen van deze maatregelen.
Bent u van mening dat het creëren van een dergelijke tweederangs status van ambtenaren niet past binnen de verantwoordelijkheden die de landen van het Koninkrijk hebben en de minimumnormen die zij daarbij in acht moeten nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in contact te treden met de verantwoordelijke bewindslieden van Aruba om hen te bewegen af te zien van deze maatregel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'WHO: helft Europeanen in komende twee maanden besmet met Omikron' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Kent u het bericht «WHO: helft Europeanen in komende twee maanden besmet met Omikron»?1
Ja.
Deelt u onze zorgen over de voorspelling van de regiodirecteur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor Europa, dat in de komende zes tot acht weken de helft van de Europeanen geïnfecteerd raken met de Omikronvariant van het coronavirus? Zo ja, hoe bereidt u zich voor op dit scenario?
Het kabinet volgt de ontwikkeling van de omikronvariant op de voet en laat zich frequent adviseren door het OMT. Het was en is niet eenvoudig om een adequate prognose te geven van de gevolgen van de snelle verspreiding van de omikronvariant voor de toegankelijkheid van de zorg en de continuïteit van de maatschappij. De omikronvariant verspreidt zich heel snel, maar lijkt ook minder ziekmakend.
Het kabinet heeft in het tweede deel van december met de lockdown de piek van de besmetting met de omikronvariant in Nederland vertraagd en verlaagd. Dit heeft bijgedragen aan het verminderen van de patiënten met COVID-19 in de ziekenhuizen en op de IC’s. De boostercampagne is versneld om zo alle mensen van 18 jaar en ouder en in het bijzonder de 60-plussers in staat te stellen de bescherming tegen ziekenhuisopname te verhogen. We bereiden ons voor op een groot aantal testen per dag. Om te voorkomen dat de essentiële processen in de maatschappij in gevaar komen zijn de regels voor quarantaine aangepast. Het kabinet heeft daarnaast ook besloten om stap voor stap meer ruimte te bieden en maatregelen te versoepelen te beginnen bij het onderwijs, omdat versoepelen nodig is. Het kabinet neemt een weloverwogen risico. De verwachting van het OMT is dat het aantal besmettingen fors toeneemt en ook het beroep dat gedaan wordt op de hele zorgketen toeneemt, maar dat dit verantwoord is.
Beschikt u over gegevens die de voorspelling dat de helft van de Nederlandse bevolking besmet raakt, bevestigen? Zo ja, welke gegevens? Zo nee, zijn er dan gegevens die op het tegendeel duiden en welk deel van de bevolking raakt volgens die gegevens dan wel besmet?
Het OMT heeft in zijn advies naar aanleiding van de 138e vergadering (13 januari 2022) aangegeven dat het aantal positieve testuitslagen kan oplopen in orde van grootte tot circa 75.000 – 100.000 per dag. Het OMT heeft geen inschatting gegeven van het totaal aantal mensen dat de infectie deze twee maanden naar verwachting zal doormaken.
Welke stappen kunnen worden gezet om te zorgen dat een coronagolf van deze proporties niet leidt tot een zorginfarct?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Wat betekent de Omikrongolf voor het ziekteverzuim? Acht u het realistisch dat het lastig wordt om publieke voorzieningen draaiende te houden omdat er te veel mensen in quarantaine moeten?
Zoals in mijn Kamerbrief van 14 januari jl. «Stand van zaken brief covid-19» aangegeven, kan de snelle verspreiding van omikron zorgen voor veel besmettingen en daarnaast voor veel mensen die vanwege contact met iemand met een besmetting in quarantaine moeten. Om dat laatste probleem minder groot te maken, heeft het kabinet besloten het advies van het OMT over vereenvoudiging van de quarantaineregels over te nemen. Dit betekent dat mensen die een boostvaccinatie hebben ontvangen minimaal een week voor het contact met iemand met een besmetting niet in quarantaine hoeven, evenals mensen die in de 8 weken voor het nauwe contact met een besmet persoon, een besmetting hebben doorgemaakt. Daarnaast kan in specifieke gevallen ook voor mensen die niet aan deze voorwaarden voldoen een uitzondering worden gemaakt. Voor wie deze mogelijkheid gaat gelden en de voorwaarden waaronder, wordt uitgewerkt.
Kunt u deze vragen voor het volgende coronadebat beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek naar oversterfte tijdens de coronapandemie |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kuipers , Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
Herinnert u zich dat de Kamer de motie-Omtzigt over een academisch onderzoek naar oversterfte met algemene stemmen heeft aangenomen en dat het dictum luidde: «verzoekt de regering zo snel mogelijk een academisch onderzoek te laten starten om onderzoek te doen naar de redenen en oorzaken van oversterfte tot en met november 2021, en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren»?1
Ja, hier ben ik van op de hoogte. In de Stand van Zakenbrief aan uw Kamer van 14 januari jl. is uiteengezet welke stappen ondernomen en voorgesteld zijn ter uitvoering van deze motie. Door middel van 2 trajecten wordt zo snel mogelijk onderzoek uitgevoerd naar de redenen en oorzaken van oversterfte. Op de korte termijn wordt gebruik gemaakt van de op dit moment beschikbare data door- en binnen het CBS en RIVM. Aansluitend wordt verdiepend, met additionele data, door het CBS, RIVM en niet aan deze instituten gelieerde academici onderzoek gedaan in samenwerking met ZonMW. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de verdere ontwikkelingen.
Bent u ervan op de hoogte dat er geen tweede termijn van de regering over die motie plaatsvond op 1 december 2021 vanwege de lengte van het debat en dat de indiener van de motie na de stemmingen op 2 december 2021 het volgende verzoek gedaan heeft: «Die laatste motie over oversterfte is aangenomen. Omdat er nog wat onduidelijkheid was over de appreciatie en er niet over gewisseld kon worden, verneem ik graag hoe die uitgevoerd wordt en hoe ook de academische betrokkenheid daarbij gewaarborgd is, want het kan ook verkeerd geclassificeerd zijn en dat moet expliciet in het onderzoek staan»?2
Ja, hier ben ik van op de hoogte. In de Stand van Zakenbrief 14 januari jl. is uiteengezet hoe uitvoering gegeven zal worden aan de motie van het lid Omtzigt en hoe hierbij de academische betrokkenheid gewaarborgd zal worden.
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger vervolgens op 14 december 2021 aan de Kamer schreef: «Motie lid Omtzigt over onderzoek naar oversterfte – De aangenomen motie van het lid Omtzigt waarin wordt opgeroepen om een academisch onderzoek te laten starten naar de redenen en oorzaken van oversterfte tot en met november 2021, kan momenteel nog niet worden opgepakt. Bij de CBS-oversterfte gaat het om het verschil ten opzichte van een meerjarig gemiddelde. Als het verschil groot is, is het aannemelijk dat dit komt door COVID-19, maar dit is niet zeker vanwege het ontbreken van inzicht in de onderliggende doodsoorzaken. Het inzicht in de onderliggende doodsoorzaken van de overleden personen in november en daarmee in de oorzaken van oversterfte, heeft het CBS pas begin april 2022. Deze motie kan dan verder worden opgepakt en uitgewerkt. Ik zal de Kamer hierover informeren. Daarnaast heb ik tijdens het debat van 1 december jl. over de ontwikkelingen rondom het coronavirus toegezegd aan het lid Omtzigt het CBS te vragen om bij de eerstvolgende rapportage over de sterfte naar doodsoorzaken een goede duiding te geven over de gemeten sterfte door COVID-19. In een volgende Kamerbrief zal ik u hierover nader informeren»?3
Ja, hier ben ik van op de hoogte. Ik onderschrijf het belang van dit onderzoek en ik heb onderzocht hoe versnelling van het proces mogelijk is om aan het verzoek van de Kamer tegemoet te komen. In de Stand van Zakenbrief van 14 januari jl. is de Kamer nader geïnformeerd over de uitvoering van de motie van het lid Omtzigt betreffende een academisch onderzoek naar de redenen en oorzaken van oversterfte tot en met november 2021. Ook is de Kamer geïnformeerd over de wijze van uitvoering van de toezegging van het lid Omtzigt betreffende een duiding over de oversterfte door het CBS en het RIVM.
Bent u ervan op de hoogte dat er op 20 december 2021 door de indiener van de motie een voorstel is gedaan om een kleine onafhankelijke commissie van hoogleraren (statistiek en gezondheidszorg) en een of twee mensen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te vragen om de beschikbare data te analyseren, dat beschikbare data beschreven zijn en dat snelheid gewenst is omdat de uitkomsten van het onderzoek relevant zijn voor het verdere beleid tijdens de coronacrisis en dat een half jaar wachten dus onacceptabel is?
Om de gewenste snelheid te kunnen garanderen stel ik twee trajecten voor ter uitvoering van motie 1617 die parallel starten. Binnen traject 1 zal met de nu beschikbare data door de onafhankelijke onderzoekers van het CBS en het RIVM onderzoek gedaan worden. Hiermee kan snel gehoor gegeven worden aan de motie van het lid Omtzigt. Traject 2 biedt verdieping op traject 1, waarbij met additionele data door het CBS, RIVM en niet aan deze instituten gelieerde academici verder onderzoek gedaan zal worden naar oversterfte. Ook zal er via het onderzoeksinstituut ZonMW actief gestimuleerd worden dat onafhankelijke academici gelijktijdig onderzoek kunnen doen.
Traject 1 wordt naar verwachting half februari afgerond, waarna ik uw Kamer zal informeren over de resultaten. Om de motie in haar volledigheid uit te voeren met een zo compleet mogelijke data set, op een veilige en verantwoorde manier, is een uitgebreide juridische risico analyse nodig. Dit kost helaas meer tijd. Daarnaast zijn we in traject 2 gebonden aan de complexiteit van de doodsoorzakenstatistieken. Door het uitgebreide, en deels handmatige proces dat aan dit register ten grondslag ligt kunnen de doodsoorzakenstatistieken tot vier maanden later pas gepubliceerd worden. Daarom worden de resultaten van traject 2 eind juni verwacht.
Heeft u gezien dat er in de samenleving vanuit bijvoorbeeld hoogleraren en ouderenorganisaties ook een oproep is gedaan om dit onderzoek snel te laten starten?
Dat heb ik gezien en ik ben het er mee eens om snel een onderzoek te laten starten. Daarom heb ik allereerst het RIVM en het CBS gevraagd om snel met een eerste antwoord te komen. Via de samenwerking met ZonMW wordt het ook mogelijk gemaakt dat academici hier een bijdrage aan leveren.
Kunt u aangeven wanneer u, zoals gevraagd, in de richting van de Kamer een voorstel zult doen om zo’n commissie in te stellen, zodat de Kamer kan instemmen met zowel de samenstelling als de opdrachtformulering van de commissie?
Ik vind onafhankelijk onderzoek erg belangrijk. Uiteraard zijn RIVM en CBS volledig onafhankelijk, dit is bij wet geregeld. Aanvullend wordt via ZonMW gestimuleerd dat onafhankelijke academici onderzoek doen. CBS en RIVM zijn in staat snel onderzoek uit te voeren, omdat zij over de op dit moment zo compleet mogelijke dataset beschikken rondom oversterfte. Desalniettemin zet ik ook in op het laten uitvoeren van het onderzoek door externe partijen, onder voorbehoud van een juridische toets of het veilig en verantwoord kan.
Is aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) opdracht gegeven om samen met het CBS dit onderzoek te doen, zoals gerapporteerd in de media? Zo ja, wie heeft deze opdracht gegeven, wanneer is die opdracht gegeven en hoe luidt die opdracht?4
Statistiek en onderzoek op het gebied van oversterfte en doodsoorzaken behoort tot het takenpakket van het RIVM en het CBS, en wordt als zodanig ook al jarenlang door hen uitgevoerd. Ik heb hen daarom dan ook gevraagd zich met dit vraagstuk specifiek bezig te houden zoals aangegeven in de Stand van Zakenbrief van 14 januari jl. Het is een van de taken van het RIVM om infectieziekten en de gevolgen daarvan te monitoren. Het RIVM en het CBS zijn in overleg over additionele informatie die ter aanvulling op de reguliere statistieken en onderzoeksuitkomsten geleverd kan worden voor meer gedetailleerd onderzoek naar sterfte en COVID-19. Rondom dit gedetailleerde onderzoek naar oversterfte wordt een onafhankelijke begeleidingscommissie ingesteld voor een wetenschappelijke toetsing van de hypothesen, aanpak en review van de resultaten.
Klopt het dat RIVM ook vanuit de wet op het RIVM (artikel 3) uitvoerder van het beleid is en dat de Minister het RIVM rechtstreeks kan opdragen taken uit te voeren (artikel 3, lid 1, onder e: «Het RIVM [...] heeft tot taak andere door Onze Minister op te dragen werkzaamheden uit te voeren»)?
Dat klopt, maar het RIVM mag onafhankelijk bepalen hoe zij het onderzoek uitvoeren en de resultaten rapporteren (zie artikel 5 wet op het RIVM).
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat juist het instituut dat een belangrijke rol gespeeld heeft in de bestrijding van de coronacrisis (het RIVM), in de monitoring en surveillance van COVID die aanleiding geeft tot dit onderzoek en rechtstreeks opdrachten van de regering dient uit te voeren, niet de vraagstelling van het onderzoek vormgeeft, omdat er juist ook vragen gesteld moeten kunnen worden, die zouden kunnen leiden tot een bijstelling van het beleid – waarbij kan worden gedacht aan het testbeleid en de wijze waarop testuitslagen en diagnoses worden verwerkt in de registratie?
Het laten beantwoorden van een specifieke vraagstelling met wetenschappelijk onderzoek en statistiek door het RIVM en het CBS betekent niet dat zij ook de vraagstelling van het onderzoek hoeven vorm te geven. Bij wet zijn het RIVM en het CBS onafhankelijke instituten die het onderzoek dus ook onafhankelijk kunnen uitvoeren. Voor de begeleiding en toetsing van het wetenschappelijk onderzoek, de statistiek en rapportages wijs ik op het antwoord op vraag 7. Dit zal met een onafhankelijke begeleidingsgroep van wetenschappers, losstaand van het RIVM en het CBS, ingericht worden.
Herinnert u zich de soap rond de uitvoering van de motie Omtzigt/Bruins, waar uw ambtsvoorganger feitelijk eerst vergat advies te vragen aan Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over een standaard voor onafhankelijk onderzoek en na tien maanden na telefonisch contact ineens concludeerde dat er genoeg standaarden zijn voor onafhankelijk onderzoek, terwijl dat evident niet het geval is?5 6
Het proces van voorbereiding van het antwoord op de motie is als volgt verlopen. Op 1 oktober 2021 is aan uw Kamer de reactie gestuurd op de motie Omtzigt/Bruins (Kamerstuk 31 490, nr. 306). Conform het verzoek in de motie heeft BZK namens het Kabinet gesproken met de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en met de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR). Het overleg heeft op de volgende wijze plaatsgevonden. In juli 2021 is een conceptbrief gedeeld met de WRR en KNAW en ambtelijk telefonisch toegelicht. Naar aanleiding van dat overleg is een herziene conceptbrief opgesteld en opnieuw aan de WRR en KNAW voorgelegd. Op 16 september 2021 heeft een overleg op directeurenniveau met KNAW en WRR plaatsgevonden, om die herziene conceptbrief formeel te bespreken. Gezamenlijk met KNAW en WRR is bezien op welke wijze de verschillende belangen die in de context van de motie onderscheiden kunnen worden, het beste gewaarborgd kunnen worden. Op 1 oktober 2021 is een brief aan de Kamer gestuurd met reactie op de motie Omtzigt/Bruins.
Inventarisatie toont aan dat er reeds diverse codes en documenten bestaan, die waarborgen bieden voor te onderscheiden belangen. Op basis van deze inventarisatie is geconcludeerd dat deze bestaande instrumenten inhoudelijk voldoende waarborgen bieden voor het verrichten van onafhankelijk onderzoek. Betrokken partijen bij onderzoek dienen kennis te hebben van de bestaande documenten en die na te leven. De KNAW en WRR hebben gevraagd om aandacht te besteden aan het stimuleren van het daadwerkelijke gebruik in de praktijk. Het stimuleren van het gebruik van gedragscodes door en voor wetenschappers moedig ik uiteraard aan. De overheid – in haar rol als opdrachtgever – dient de onderzoekers ruimte te geven om hun onderzoek onafhankelijk te kunnen doen. Het is vervolgens aan de onderzoekers om hun onderzoek vorm te geven, in lijn met de geldende gedragscodes en de kwaliteitseisen aan dit onderzoek. Dit vraagt om rolvastheid van beide zijden met respect voor de verschillende verantwoordelijkheden. Naar mijn overtuiging bieden de bestaande codes en documenten voldoende waarborgen voor onafhankelijk onderzoek en onafhankelijke oordeelsvorming daarbinnen, maar biedt een overzichtelijke bundeling beter houvast voor de praktische toepassing daarvan. Naar aanleiding van een analyse van bestaande documenten en mede door het gesprek met de KNAW en WRR ben ik ervan overtuigd dat een nieuwe code op dit moment niet nodig is. Bovengenoemde kamerbrief is, opdat deze kan functioneren als naslagwerk, opgenomen in de kennisbank Openbaar Bestuur en geplaatst op de website van het Handboek Organisatie Rijksdienst.
Wilt u aangeven hoe komt dat ondanks al de richtlijnen die in de brief genoemd zijn, de commissie-Donner is ingesteld om onderzoek te doen naar de kinderopvangtoeslagenaffaire? Welke aspecten van de genoemde codes zijn daar overtreden?
In mijn ogen staat de commissie-Donner helemaal los van uw voorstel, zoals genoemd in vraag 2 en zoals geformuleerd tijdens het debat van 21 december 2021.
Wilt u een lange lijst hebben van onderzoeken van de regering naar het eigen handelen, waar de vraagstelling alsnog veranderd is, waar de scope van het onderzoek bewust verkleind is en waar onderzoekers onder druk gezet zijn? Zo nee, wilt u dan gewoon deze aangenomen motie alsnog uitvoeren en het advies aan KNAW en WRR vragen, zoals ook meerdere keren betoogd in de Kamer?
Zie antwoord vraag 10.
Wilt u op korte termijn een opdracht voor een onafhankelijk academisch onderzoek naar oversterfte en al haar mogelijke oorzaken naar de Kamer sturen?
Zoals uiteengezet in de Stand van Zakenbrief van 14 januari 2021, zal op de korte termijn traject 1, een eerste analyse met beschikbare data, door het CBS en RIVM gedaan worden. Ook zal ik ervoor zorgen dat onderzoek door academici via ZonMW gestimuleerd en mogelijk gemaakt wordt. Daarnaast zullen wetenschappelijke experts naar de resultaten van traject 1, en het plan van aanpak voor traject 2, kijken. Traject 2 zal bestaan uit een verdiepend onderzoek naar oversterfte, in aanvulling op traject 1, waarbij een completere dataset gebruikt kan worden. De onderzoeksresultaten van de door bij wet onafhankelijke instituten CBS (ZBO) en RIVM (art. 5 onafhankelijk van onderzoek) zullen actief openbaar gemaakt worden.
Wilt u ervoor zorgen dat alle modellen en onderliggende data om dit onderzoek te doen openbaar zijn en beschikbaar voor wetenschappers, zodat ook niet betrokken wetenschappers onderzoek naar de oorzaken van oversterfte kunnen doen?
Ik vind wetenschappelijk onderzoek erg belangrijk. Daarom wil ik meer data beschikbaar stellen voor onderzoek. Ook zal ik, zoals hierboven genoemd, uitgebreider academisch onderzoek stimuleren in samenwerking met ZonMW. Datatoegang op een verantwoorde wijze is een cruciale voorwaarde. We streven ernaar dat de data toegankelijk wordt voor academici, indien dit op een veilige en juridisch verantwoorde manier kan zoals toegelicht in de Stand van Zakenbrief van 14 januari jl.
Kunt u ervoor zorgen dat het Age-structured SEIR-model van het RIVM en de input en de output (onderdeel van die output is de verwachte sterfte, zodat deze kan worden vergeleken met de geobserveerde sterfte) ervan openbaar worden, zoals ook gedaan zou moeten zijn naar aanleiding van de aangenomen motie-Van Haga/Kuzu?7
De beschrijving van het SEIR model kunt u vinden op de volgende website (https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/rekenmodellen/openbaar-en-toegankelijk). De beschrijving van de input voor het model, en waar dit te vinden is, wordt ook gegeven op deze website. Daar waar risico bestaat op onthulling van persoonsgegevens kunnen de gebruikte bestanden zelf niet openbaar gemaakt worden, maar worden de geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens gepubliceerd. Sterfte is geen onderdeel van de output van dit model of van andere modellen gebruikt door het RIVM voor prognoses rondom SARS-CoV-2.
Wilt u het mogelijk maken dat in Nederland, net als in het Verenigd Koninkrijk modelconsortia ontstaan, zodat verschillende groepen wetenschappers de input hebben voor de modellen, zelf een model kunnen bouwen en modellen qua uitput en voorspellende waarde vergeleken kunnen worden?
Wij willen het mogelijk maken dat verschillende groepen wetenschappers de input kunnen verkrijgen om zelf modellen te maken, met de Remote Access omgeving van het CBS. Deze toegang is al mogelijk voor de meeste gegevens die nu bij het CBS beschikbaar zijn. Wij streven ernaar additionele data, relevant voor het oversterfte onderzoek, toe te voegen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en voor de regeringsverklaring beantwoorden? Indien het u niet lukt de vragen voor de regeringsverklaring te beantwoorden, kunt u dan in ieder geval voor die tijd een onderzoeksvoorstel voor een onafhankelijk onderzoek naar oversterfte aan de Kamer doen toekomen, net als een formele vraag aan de KNAW en de WRR om standaarden voor onafhankelijk onderzoek te ontwikkelen?
Via deze brief heb ik al uw vragen beantwoord, dit is helaas niet voor de regeringsverklaring gelukt.
Het bericht dat de minister van VWS de interne fitnessclub in het Erasmus MC openhield terwijl sportscholen gesloten zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Sportsector verbaasd: aanstaand Minister Ernst Kuipers houdt interne fitnessclub in ziekenhuis open»?1
Ja.
Klopt het dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de fitnessruimte in het Erasmus MC open hield vanwege het belang van de gezondheid van zijn medewerkers?
Sport en bewegen is voor iedereen van belang om gezond te blijven. Tegelijkertijd moet dit wel worden afgewogen tegen de epidemiologische situatie en veilig worden georganiseerd. Vanwege de omikronvariant en de verwachtte toename van het aantal besmettingen en de druk op de zorg heeft het kabinet op 18 december besloten tijdelijk in lockdown te gaan.
Vanwege het maatschappelijke belang is er een aantal uitzonderingen gemaakt voor sportbeoefening op buitensportlocaties en in de openbare ruimte. Voor sportlocaties binnen gold dat deze voor publiek gesloten dienden te zijn. Voor wat betreft de fitnessruimte in het Erasmus MC is sprake van een besloten binnenruimte. Hiervoor gold onder meer een maximale groepsgrootte van maximaal 50 personen per zelfstandige binnenruimte en dient de 1,5 meter in acht te worden genomen. Dit kan dus het geval zijn als de fitnessruimte in een kantoorpand zit dat alleen toegankelijk is voor personeel, zoals de fitnessruimte van het Erasmus MC.
Bent u bereid per direct alle sportscholen weer te openen voor het belang van de gezondheid van velen?
Vrijdag 14 januari jl. heeft het kabinet vanwege het grote belang van sport en bewegen besloten een groot deel van de sportbeoefening weer toe te laten. Daardoor is zowel binnen- als buitensport weer mogelijk voor alle leeftijden en zit er geen sluitingstijd aan sportlocaties. Sportscholen zijn dus ook weer geopend. Ook in de openbare ruimte mogen mensen weer sporten, zonder maximum van aantal mensen bij elkaar. Bijvoorbeeld bootcampen in het park in groepen is dus ook weer toegestaan.
Wilt u deze vragen alstublieft beantwoorden voor het eerstvolgende coronadebat?
Het was helaas niet mogelijk uw vragen voorafgaand aan het coronadebat van 20 januari te beantwoorden.
De beantwoording van eerdere Kamervragen over code zwart. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met de beantwoording van de schriftelijke Kamervragen over code zwart van 20 december 2021?1
Ja.
Deelt u de mening met uw ambtsvoorganger dat code zwart pas wordt afgekondigd als er sprake van is dat alle zorgcapaciteit volledig is benut, alle zorgverlening maximaal opgeschaald en afgeschaald is en de samenwerking tussen zorgaanbieders zorgbreed volledig en maximaal is benut en er op dat moment geen lokale of regionale oplossingen meer mogelijk zijn om de continuïteit van zorg te waarborgen?
De situatie zoals deze in de vraag wordt beschreven is in het Tijdelijk Beleidskader «Continuïteit en kwaliteit van zorg in fase 3 van de COVID-19 pandemie»2 (hierna: beleidskader fase 3) geclassificeerd als fase 3 conform het geactualiseerde opschalingsplan van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)3.
Specifiek voor de IC-zorg in de ziekenhuizen is het draaiboek «Pandemie» van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) opgesteld.4 In dit draaiboek wordt fase 3 voor de IC verdeeld in drie stappen (a, b en c) die gaan over de triage van patiënten. In het draaiboek «Pandemie» wordt voor fase 3 stap a en b uitgewerkt welke medische criteria toegepast moeten worden in ziekenhuizen om bij onvoldoende plek een keuze te kunnen maken welke patiënt in aanmerking komt voor opname op de IC. Aansluitend op het draaiboek «Pandemie» zijn in het draaiboek «Triage op basis van niet-medische overwegingen voor IC-opname ten tijde van fase 3 in de COVID-19 pandemie» van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) de criteria voor fase 3 stap c apart uitgewerkt.5 In deze laatste stap vindt besluitvorming plaats op basis van niet-medische gronden, omdat het niet meer mogelijk is om op basis van medische overwegingen onderscheid te maken tussen verschillende mensen die een IC-bed nodig hebben. In dit draaiboek van de FMS en de KNMG staat beschreven dat er sprake is van een iteratief proces waarin binnen fase 3 binnen een ziekenhuis wisselend sprake kan zijn van triage op basis van criteria zoals vastgesteld voor stap a en stap b (draaiboek «Pandemie») of stap c (draaiboek «Triage op basis van niet-medische overwegingen voor IC-opname ten tijde van fase 3 in de COVID-19 pandemie»), afhankelijk van de druk op de IC en beschikbare capaciteit.
Deelt u de mening dat dit een omslachtige omschrijving is van het feit dat in geval van code zwart er geen intensive care (ic)-bed beschikbaar meer is voor een coronapatiënt of reguliere patiënt? Zo nee, waarom niet?
In een brief van mijn ambtsvoorganger aan de voorzitters van veldpartijen6 staat beschreven dat fase 3 – een situatie waarbij sprake is van een zorgcrisis op landelijke schaal – gesignaleerd kan worden vanuit diverse sectoren binnen de zorg, bijvoorbeeld een tekort aan IC-bedden maar ook een tekort in de ouderen- of huisartsenzorg als door ziekteverzuim of uitstroom van personeel de continuïteit niet meer geborgd kan worden. Het signaal dat overgegaan dient te worden tot afkondiging van fase 3 kan dus vanuit verschillende sectoren komen, maar in alle gevallen geldt fase 3 na afkondiging zorgbreed.
Naast de zorgbrede afkondiging van fase 3 kan in het geval uitsluitend de IC-capaciteit van de ziekenhuizen een knelpunt vormt, de procedure van het draaiboek «Pandemie» en het draaiboek «Triage op basis van niet-medische overwegingen voor IC-opname ten tijde van fase 3 in de COVID-19 pandemie» worden gevolgd.
Deelt u de mening dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet degene zou moeten zijn die code zwart afkondigt, omdat de Minister ook de eindverantwoordelijke voor het coronabeleid is en er dus belang bij heeft om een code zwart niet af te kondigen met alle mogelijke gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar of bij wie gaat u de verantwoordelijkheid voor het afkondigen van code zwart neerleggen?
Het afkondigen van fase 3 – waarbij sprake is van een nationale zorgcrisis – is een zware ingreep, met verstrekkende consequenties voor alle betrokken partijen in de zorgketen. Het raakt alle zorgmedewerkers en patiënten. In fase 3 doen we concessies met betrekking tot de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. De afkondiging van fase 3 dient een goed en zorgvuldig proces te zijn en de besluitvorming over fase 3 dient ordentelijk te verlopen en inhoudelijk voldoende onderbouwd te zijn. In het beleidskader fase 3 worden de stappen beschreven, waaronder een verzoek vanuit de LNAZ en een verificatie door de toezichthouders, die voorafgaan aan het afkondigen van fase 3 door de Minister van VWS.
Het artikel ‘Corona lijkt kans op diabetes te verhogen bij kinderen’ |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Kuipers , Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het recente onderzoek van het Centers for Disease Control and Prevention (CDC), waaruit naar voren komt dat kinderen na een COVID-infectie tot wel 2.6 keer meer kans maken op zowel diabetes type 1 en 2?1
Ik ben bekend met dit onderzoek.
Hoe duidt u, met dit onderzoek inachtneming, de algemene risico-situatie rondom kinderen die besmet raken met COVID-19?
Op basis van dit onderzoek is geen uitspraak te doen over de algemene risico-situatie voor kinderen die besmet raken met covid. Dit onderzoek geeft een aanwijzing dat diabetes vaker optreedt bij kinderen die eerder positief testten op sars-cov-2 dan bij kinderen die geen positieve test hadden ontvangen. Hetzelfde is eerder gevonden bij volwassenen, net als voor andere aandoeningen. Een beperking van dit onderzoek is dat men geen informatie had over factoren die zowel het risico op covid-19 als op diabetes verhogen, zoals overgewicht.
Kunt u zich vinden in de stelling dat de (ernst van de) effecten en de potentiële gevolgen hiervan, op zowel korte- als lange termijn in het geval van besmetting door COVID-19 bij kinderen nog onvoldoende duidelijk en in beeld zijn?
In het advies «Vaccinatie van 5- tot en met 11-jarigen tegen COVID-19» heeft de Gezondheidsraad recent alles beschreven wat bekend is over de gevolgen van een besmetting door COVID-19 bij kinderen. Het advies om vaccinatie aan te bieden is gemaakt na een afweging van de, mogelijk zeldzame, gevolgen van een besmetting.
Vindt u, wetende dat nieuwe korte- en langetermijneffecten van besmetting door COVID-19 zoals deze, en zowel de kwantiteit als de (ernst van) de gevolgen van long-COVID nog worden onderzocht en ontdekt en dus nog (deels) onbekend zijn, dat het verantwoord is de scholen te openen?
Het belang van fysiek onderwijs kan niet worden overschat. Zelfs indien de scholen gesloten zijn, is voorzien in noodopvang voor kwetsbare doelgroepen. De experts hebben in het advies naar aanleiding van het 136e OMT geadviseerd om het primair en secundair onderwijs te openen, en inmiddels zijn gelukkig alle scholen weer geopend.
Elk kind heeft recht op onderwijs en fysiek onderwijs is belangrijk om leervertragingen te voorkomen en in te halen, en ook voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en welzijn van leerlingen is het belangrijk dat zij naar school kunnen. Het beleid van het kabinet is er op gericht scholen open te houden.
Kunt u garanderen dat kinderen, hun ouders, docenten en andere betrokkenen bij het openen van de scholen niet méér risico zullen lopen op besmetting en dus de (in)directe gevolgen hiervan, zoals bijvoorbeeld vermeld in het onderzoek, dan bij het gesloten houden van de scholen?
Het risico op een besmetting is altijd groter wanneer contact mogelijk is, dan wanneer dat niet mogelijk is. Deze risico’s moeten echter afgewogen worden tegen de risico’s op negatieve gevolgen van de maatregelen. Een scholensluiting is op korte, maar zeker ook op lange termijn zeer schadelijk. Een sluiting van het onderwijs heeft grote negatieve effecten op mentaal welzijn, gezondheid en het toekomstperspectief van jongeren, maar dus ook op de economie. Niet alleen de sluiting zelf maar ook de daarmee samenhangende onzekerheid eist mentaal zijn tol. Dat blijkt ook uit het feit dat voor het eerst in tientallen jaren een duidelijke toename van stoornissen bij kinderen en jongeren te zien is.
Kunt u garanderen dat de fysieke veiligheid en gezondheid van kinderen, hun ouders, docenten en andere betrokkenen de hoogste prioriteit heeft? Zo ja, hoe wordt dit actief nagestreefd bij het openen van de scholen temidden een coronagolf met het hoogste aantal besmettingen per dag en de hierboven gepresenteerde informatie?
Veiligheid en welzijn van kinderen heeft de hoogste prioriteit. Het risico op schade voor kinderen door het gebrek aan fysiek onderwijs moet daarbij afgewogen worden tegen het risico door een besmetting. Om het risico op besmetting te verminderen zijn de afgelopen maanden aanvullende maatregelen ingezet: tweemaal per week preventief testen met behulp van een zelftest voor alle kinderen vanaf groep 5 en voor docenten, het gebruik van mondmaskers bij verplaatsing en de inzet van vaccinatie.2 Tevens wordt er aandacht besteed aan de ventilatie in de klaslokalen.
Is er voor het openen van de scholen nog een extra evaluatiemoment ingelast? Zo nee, hoe wordt het besluit rondom de huidige situatie getoetst? Acht u het wenselijk dat voor het nemen van een dergelijk besluit met potentieel grote risico's, dit nieuwsbericht en het huidige epidemiologische beeld opnieuw worden geëvalueerd?
Daar waar, gezien de epidemiologische situatie, versoepelingen mogelijk zijn, gaan scholen, vanwege het belang van fysiek onderwijs, voor.
In hoeverre is er concreet werk gemaakt van het creëren van een veilige omgeving op scholen, waarbij kan worden gedacht getoetste ventilatie-eisen en CO2-meters, testbeleid en mondkapjesplicht? Mits hier werk van is gemaakt, op hoeveel procent van alle scholen is dit het geval? Deelt u de mening dat geen enkele docent, ouder of kind onnodig risico mag lopen, en de scholen op basis van artikel 22, eerste lid van de Grondwet niet open kunnen zolang dit niet kan worden gegarandeerd?
De aanvullende maatregelen voor het onderwijs gelden voor iedereen, daarmee wordt op een verantwoorde manier fysiek onderwijs gegeven op alle scholen in Nederland. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs heeft u steeds over de getroffen maatregelen geïnformeerd, in aparte brieven of via de stand van zakenbrieven.3
Kunt u begrip opbrengen voor ouders die, bijvoorbeeld omdat zij of hun kind(eren) kwetsbaar zijn, ervoor kiezen hun kind(eren) thuis te houden? Kunt u toezeggen dat de leerplicht in deze gevallen niet zal worden gehandhaafd?
Voor leerlingen met onderliggende problematiek waarvan de behandelend (kinder)arts adviseert om niet naar school te gaan, wordt aangesloten bij de bepalingen zoals deze ook gelden voor leerlingen die vanwege een andere medische aandoening niet naar school kunnen. Scholen zijn verplicht voor deze leerlingen een alternatief onderwijsaanbod te verzorgen. Afstandsonderwijs kan fungeren als alternatief onderwijsaanbod. Er is overleg tussen ouders, leerling en school nodig over wat daarin mogelijk is. Indien het verplichte onderwijsprogramma (deels) bestaat uit afstandsonderwijs, en een leerling daar niet aan mee doet, dan moeten scholen het ongeoorloofd verzuim in dat geval ook melden; de leerplichtambtenaar kan vervolgens contact zoeken met de ouders/verzorgers. Tips, vragen en antwoorden en handreikingen staan in een handelingskader voor wanneer leerlingen (willen) thuisblijven omwille van corona; dit is ontwikkeld door de onderwijsraden, OCW en andere partners.
In hoeverre zijn gesprekken gevoerd met de betrokkenen (het onderwijs, individuele docenten, ouders, etc.) over wat er nodig is om non-fysiek onderwijs zo goed mogelijk te faciliteren?
De afgelopen jaren is er sprake van frequent overleg tussen het Ministerie van OCW en de relevante partijen uit het onderwijsveld (zowel bonden, raden als leerling- en ouderorganisaties). Op dit moment is er sprake van een wekelijks overleg waarin dergelijke thema’s, aandachtspunten en signalen worden besproken. In de gezamenlijke servicedocumenten en protocollen die door de sector zijn opgesteld kunnen docenten, ouders en andere betrokken uit het onderwijs nadere informatie vinden, bijvoorbeeld als het gaat om afstandsonderwijs.
Bent u bereid om te gaan staan voor de volksgezondheid, en de keuze te maken fysiek onderwijs niet toe te staan zolang dit risico's voor de individuele – evenals de volksgezondheid presenteert? Bent u bereid om hierin impopulaire maatregelen te nemen, en alles op alles te zetten om het onderwijs en alle betrokken zowel incidenteel als structureel te faciliteren met alles dat nodig is?
Ik ben zeker bereid te gaan staan voor de volksgezondheid en om impopulaire maatregelen te nemen. Zoals in de antwoorden op de eerdere vragen aangegeven ondersteunen we de onderwijsinstellingen om het onderwijs zo veilig mogelijk doorgang te laten vinden. Ten aanzien van het al dan niet toestaan van fysiek onderwijs maakt het kabinet, op basis van de adviezen van experts, een andere afweging van de risico’s.
Bent u bereid te faciliteren dat betrokken partijen zoals hierboven genoemd altijd een plek aan tafel krijgen in de te maken afwegingen en besluiten rondom het onderwijs in coronatijd, en dat besluiten die onder andere hun fysieke gezondheid kunnen aantasten en potentieel levensgevaarlijke situaties creëert voor ouders, kinderen en docenten uit risicogroepen, niet zonder hun input worden gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 10.
Het 137e OMT-advies over mondkapjes in de buitenlucht. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het 137e Outbreak Management Team (OMT)-advies over mondkapjes in de buitenlucht?
Ja.
Bent u bekend met de tabel uit de coronaweekstaten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) welke wekelijks de vermoedelijke settings van besmettingen weergeeft?
Ja.
Ziet u daar settings in de buitenlucht tussen staan?
Naar settings in de buitenlucht wordt niet specifiek gevraagd.
Hoeveel mensen raakten in ons land besmet met corona in de buitenlucht? Kunt u hierbij de jongeren in Friesland niet meetellen, aangezien zij ook samen binnen waren?
Het is niet mogelijk te zeggen hoeveel mensen in ons land besmet raakten met corona in de buitenlucht, omdat niet van iedereen bekend is waar zij corona hebben opgelopen. Van slechts 25% van de meldingen sinds 20 september is de setting bekend.
Wat betreft het tweede deel van uw vraag over jongeren in Friesland: daar kan ik geen antwoord op geven zonder nadere toelichting.
Natuurlijk is er een kans dat je corona krijgt als je buiten gaat staan zoenen, maar waarom maakt het OMT mensen bang voor de buitenlucht?
Ik ben het niet met u eens dat het OMT mensen bang maakt voor de buitenlucht. Op plekken, binnen of buiten, waar geen 1,5 meter afstand gehouden kan worden, is het mogelijk om geïnfecteerd te raken met het coronavirus. Daarbij speelt mee dat de omikronvariant besmettelijker is dan de eerdere virusvarianten; dit virus verspreidt zich dan ook sneller. Het virus zit namelijk in het bovenste deel van de keel. Aangezien mensen ook buiten besmet kunnen raken wordt het aangeraden om op drukke locaties in de buitenlucht een mondneusmasker te dragen.
Bent u bekend met het Chinese onderzoek uit het begin van de pandemie waaruit bleek dat van ruim 7.000 besmettingen, slechts een persoon besmet was geraakt in de buitenlucht?1
Ja. Het onderzoek uit China waar u naar verwijst, is gebaseerd op het wildtype SARS-CoV-2. Inmiddels is de omikronvariant actief en deze verspreidt zich makkelijker onder mensen. Als men geen 1,5 meter afstand kan houden is het zinvol om een mondneusmasker te dragen, zowel binnen als buiten, bij drukte, om verspreiding van de omikronvariant te voorkomen.
Wat is de wetenschappelijke onderbouwing van het OMT voor mondkapjes in de buitenlucht? Kunt u de rapporten die ten grondslag liggen aan dit OMT-advies gaarne meezenden met uw antwoorden? Zo nee, waarom niet?
Het OMT heeft zich in haar advies gebaseerd op internationale adviezen van onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en European Centre for Disease Prevention and Control. De adviezen van deze organisaties zijn voor eenieder online te raadplegen.
Mocht er een overtuigende wetenschappelijke onderbouwing overlegd kunnen worden voor het dragen van mondkapjes in de buitenlucht, acht u die dusdanig proportioneel om het dragen van mondkapjes in de buitenlucht te verlangen? Zo ja, waarom?
Zoals aangegeven in de voorgaande antwoorden is het mogelijk op plekken, zowel binnen als buiten, waar geen 1,5 meter afstand gehouden kan worden, geïnfecteerd te raken met het coronavirus. Om die reden wordt het advies om een mondneusmasker te dragen op drukke locaties in de buitenlucht proportioneel geacht.
Deelt u de mening dat we de weg terug naar ons oude normaal niet terug zullen vinden als ons OMT mensen zelfs bang maakt voor de buitenlucht?
Nee, die mening deel ik niet.
Zo nee, hoe denkt u de weg terug naar ons oude normaal zonder vrijheidbeperkende maatregelen terug te kunnen vinden?
Het wordt steeds duidelijker dat we moeten leren leven met het virus. Het kabinet werkt daartoe aan een lange termijn aanpak voor Covid-19. De voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft uw Kamer hier op 14 december jl. over geïnformeerd.2 Ik ben voornemens uw Kamer begin februari te informeren over de herijking van de aanpak Covid-19 voor de tweede helft van deze winter; en om uw kamer eind februari te informeren over het Plan paraatheid Covid-19 voor de periode erna.
Bent u voornemens het OMT-advies over mondkapjes in de buitenlucht over te nemen?
Het kabinet heeft besloten om het 137e en 138e OMT-advies met betrekking tot mondneusmaskers in de buitenlucht over te nemen. Dit betekent dat vanaf 15 januari jl. het advies geldt om een medisch mondneusmasker te dragen in drukke publieke buitenruimtes waar geen 1,5 meter afstand gehouden kan worden, zoals in drukke winkelstraten en op drukke markten. Daarmee kan je jezelf en anderen beschermen tegen besmetting, en verspreiding van het virus voorkomen.
Wilt u deze vragen alstublieft beantwoorden voor het eerstvolgende coronadebat waar het 137e OMT-advies aan de orde zal zijn?
Ik heb uw vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Sportsector verbaasd: aanstaand minister Ernst Kuipers houdt interne fitnessclub in ziekenhuis open' |
|
Maarten Hijink , Michiel van Nispen |
|
Kuipers |
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie vanuit de sportsector op het openhouden van de fitnessclub in het Erasmus MC?1
Ja.
Herkent u zich in de stellingname van de medewerker van het fitnesscentrum in het Erasmus MC dat «het ziekenhuis het belangrijk vindt om het eigen personeel fit te houden»? Deelt u de mening dat dit feitelijk voor alle Nederlanders geldt?
Sport en bewegen is heel belangrijk om fit te blijven of te worden. Dat geldt voor iedereen.
Bent u het eens met de woordvoerder van het Erasmus MC dat «sport het personeel fit houdt en het ze een uitlaatklep geeft?» Zou dit niet een reden moeten zijn om het sporten in de binnen- en buitenlucht zo snel mogelijk weer toe te staan, eventueel met voorwaarden als het gaat om aantallen deelnemers en goede ventilatie?
Het kabinet onderstreept het belang van sport en bewegen voor de mentale en fysieke gezondheid. Daarom heeft het uitgesproken dat sport een hoge prioriteit heeft. Tegelijkertijd moet dit wel veilig georganiseerd kunnen worden en passen binnen de epidemiologische situatie. Daarom heeft het kabinet vrijdag 14 januari jl. besloten om sportbeoefening binnen en buiten weer toe te staan zonder tijdsrestricties en voor alle leeftijdsgroepen. Ook in de openbare ruimte mogen mensen weer sporten, zonder maximum van aantal mensen bij elkaar.
Waarom heeft het kabinet niet, conform het Outbreak Management Team (OMT)-advies van 3 januari jl., binnen- en buitensporten voor kinderen en jongeren tot achttien jaar mogelijk gemaakt? Zou dit – in lijn met het grote belang dat bijvoorbeeld ook door het Erasmus MC wordt toegekend aan lichaamsbeweging – niet heel verstandig zijn voor deze groep?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de persconferentie van 14 januari aanstaande?
Dat is helaas niet gelukt.
Het inwerkingtreden van de REACH Verordening (1907/2006/EG) |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het item «Vanaf 2022 geen groene en rode tattoos meer mogelijk: «Het is nog maar de vraag of het er veiliger op wordt»» van NPO Radio 11?
Ja.
Heeft u er in Europees verband op aangedrongen dat een dergelijke verordening gestoeld moet zijn op sluitend wetenschappelijk bewijs van de schadelijkheid van alle nu verboden stoffen? Vindt u de kennis die daar momenteel over bekend is voldoende?
Het op de markt brengen van stoffen is geregeld via de Europese REACH verordening. Uitgangspunt van deze verordening is dat degene die een stof op de markt brengt, aantoont dat het gebruik veilig is. Voor de tatoeage-inkten was er zorg dat het gebruik onvoldoende veilig was. Daarom heeft in 2017 het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), in samenwerking met drie lidstaten, een dossier met daarin een wetenschappelijk onderbouwd voorstel tot het beperken van schadelijke chemische stoffen in tatoeage-inkt ingediend. REACH kent vervolgens een grondige procedure waarin twee afzonderlijke comités van wetenschappers een voorstel toetsen: in 2018 heeft het Comité risicobeoordeling (RAC) ingestemd met de beoordeling van de risico’s van de stoffen, in 2019 heeft het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) geoordeeld dat de voorgestelde beperking in termen van socio-economische voordelen en kosten de meest geschikte maatregel was om de in kaart gebrachte risico’s weg te nemen.
Ik zie geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de wetenschappelijke comités. Overigens is de industrie tijdens de wetenschappelijke beoordeling meermaals in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie aan te leveren. Er is hierbij geen informatie geleverd waaruit zou kunnen blijken dat de stoffen minder gevaarlijk of schadelijk zijn dan waar in het dossier van is uitgegaan.
Klopt het dat er vanwege de nieuwe regelgeving bepaalde kleuren niet beschikbaar worden voor consumenten? Bent u bereid om een uitzondering te maken voor het afmaken van tattoo’s waaraan reeds voor het invoeren van de regelgeving begonnen is met de oude inkt?
Bepaalde pigmenten waarvan bekend is dat ze gevaarlijk zijn of schade kunnen veroorzaken, zijn verboden. In het REACH-traject is gebleken dat voor de meeste pigmenten veilige alternatieven bestaan. Fabrikanten en importeurs van inkten die niet aan de regelgeving voldoen, zullen hun producten moeten aanpassen. Het tijdig op de markt brengen van deze aangepaste producten is hun eigen verantwoordelijkheid. De REACH restrictie is bindende EU-regelgeving die niet op
nationaal niveau kan worden uitgesteld. Het gebruik van veel van deze pigmenten was overigens in Nederland al niet toegestaan sinds 2003, toen het Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen in werking trad.
Zijn de alternatieve stoffen gebruikt voor de nieuwe inkt veiliger dan de oude stoffen? Waaruit blijkt dat?
De REACH restrictie stelt eisen aan tatoeage-inkten en verbiedt de aanwezigheid van een groot aantal stoffen waarvan bekend is dat ze gevaarlijk zijn of schade kunnen veroorzaken. Vanaf 4 januari 2022 moeten fabrikanten en leveranciers van inkten aan de REACH-restrictie voldoen. Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikanten en leveranciers dat de inkten die zij produceren, importeren of verhandelen geen verboden stoffen bevatten en dat zij zich ervan vergewissen dat de alternatieven veilig zijn.
Klopt het dat fabrikanten in relatief minder zorgvuldigheid de nieuwe tattoo inkt hebben moeten ontwikkelen? Is er voldoende onderzoek gedaan naar de veiligheid van deze inkt op de langere termijn?
Zoals eerder aangegeven, werden in Nederland al sinds 2003 in het Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen eisen aan de samenstelling van tatoeage-inkten gesteld, die soms dezelfde aspecten betroffen als de nu in werking getreden REACH restrictie. Ondernemers zouden hier dus al aan moeten voldoen. Bovendien geldt dat aan de totstandkoming van het verbod een lang traject van oordeelsvorming en besluitvorming vooraf is gegaan, waarbij de industrie steeds gelegenheid heeft gehad om informatie te geven en bezwaren te uiten. Na het aannemen van de REACH restrictie in december 2020 is een overgangstermijn ingegaan tot 4 januari 2022. Het tijdig en zorgvuldig ontwikkelen van veilige tatoeage-inkt, met inachtneming van de geldende regels, is de verantwoordelijkheid van de fabrikant. Zolang de fabrikant de veiligheid van zijn producten niet kan garanderen, dient hij deze niet op de markt te brengen.
Kunt u garanderen dat consumenten niet praktisch gezien in de proeffase van deze nieuwe stoffen belanden door de Verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (1907/2006/EG)?
De restrictie geldt juist voor stoffen waarvan het is aangetoond dat ze schadelijke eigenschappen hebben. Het is aan de fabrikanten van tatoeageproducten en leveranciers om aan de REACH restrictie te voldoen. Het op de markt brengen of verhandelen van producten met componenten waarvan de gevaren en risico’s onzeker zijn, is onwenselijk en juist wat REACH beoogt te voorkomen. Met het stellen van Europese regels ten aanzien van het gebruik van chemische componenten in deze producten, wordt bijgedragen bij aan een geharmoniseerd hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid binnen de EU.
Bent u ervan op de hoogte dat een combinatie van de covid-maatregelen (oplopende werkdruk na de lockdown) en de REACH verordening voor veel stress zorgt onder de tattooshops en dat dit kan leiden tot sneller en minder secuur werken?
Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om te allen tijde aan de toepasselijke wet- en regelgeving te voldoen, onafhankelijk van het maatschappelijk klimaat. Als een tatoeëerder van zichzelf inschat dat zijn werkdruk leidt tot gevaarlijke situaties voor de consument, moet hij zijn verantwoordelijkheid nemen en niet gaan werken.
Begrijpt u dat een stabiele bedrijfsvoering bemoeilijkt wordt door het feit dat veel tattoo-artiesten ZZP’er zijn en daarom weinig steun kunnen verwachten, terwijl ze ondertussen grote investeringen moeten doen in hun winkels om aan de wetgeving te voldoen?
Het economisch steunpakket is niet bedoeld om ondernemers te compenseren voor de kosten die zij moeten maken om te voldoen aan de wet- en regelgeving. Er heeft een grondige sociaaleconomische analyse plaatsgevonden die aangaf dat deze restrictie de meest geschikte maatregel is om de in kaart gebrachte risico’s weg te nemen. Hierbij werden geen significante negatieve economische gevolgen voor de betrokken toeleveringsketens voorzien.
Bent u ook bang dat al deze factoren het risico creëren dat tatoeëren in het zwarte circuit toeneemt? Hoort u geluiden uit de sector dat tattoo artiesten overwegen zwart te gaan werken?
Tatoeëerders dienen te beschikken over een vergunning van de GGD, waarmee zij hebben aangetoond veilig en hygiënisch te werken. Ervaring leert dat tatoeëerders doorgaans sterk hechten aan de veiligheid van hun cliënten en veilig, hygiënisch en legaal werken daarom erg belangrijk vinden.
Er zijn geluiden bekend van tatoeëerders waarbij dat niet het geval is. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) treedt hard op tegen ondernemers die illegaal werken. Consumenten kunnen zelf controleren of zij te maken hebben met een hygiënische, vergunde locatie op de website https://www.veiligtatoeerenenpiercen.nl/.
Bent u het ermee eens dat de huidige samenwerking tussen overheid en tattoobranche heeft gezorgd voor meer professionalisering en meer veiligheid? Kunt u zich inzetten om deze relatie goed te houden en een toename van het tatoeëren in de «underground» te voorkomen?
Precies daarom is deze samenwerking in het verleden opgestart en ik blijf mij inzetten om het goede contact met de ondernemers te onderhouden. De keuze van een tatoeëerder om willens en wetens zonder vergunning te tatoeëren en daarmee de wet te overtreden, staat los van de intensiteit van het contact tussen overheid en branche. Zoals eerder aangegeven treedt de NVWA hard op tegen ondernemers die illegaal werken.
Bent u bereid om het handhaven van de REACH Verordening (1907/2006/EG) met zes maanden uit te stellen teneinde ruimte te geven voor meer onderzoek naar de nieuwe alternatieve inkten, het afmaken van reeds begonnen tatoeages met de oude inkten en om tattooshops de nodige ademruimte te verschaffen?
De REACH restrictie is bindende EU-regelgeving. De restrictie is december 2020 aangenomen, dus er is al een jaar ruimte geweest voor onderzoek naar veiliger alternatieven. Als lidstaat zijn wij niet bevoegd om de ingangsdatum van EU-regelgeving naar eigen inzicht aan te passen.
Bent u bereid tot een overleg met experts van de tattoopoli in het Alrijne Ziekenhuis te Leiden over de veiligheid van de nieuwe stoffen en de handhaving van de REACH Verordening (1907/2006/EG)?
Ik sta altijd open voor overleg met experts die menen de veiligheid te kunnen verhogen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat zorgpersoneel met een coronabesmetting ingezet wordt |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Besmet zorgpersoneel wel inzetten»?1
Ja.
Kunt u aangeven of ziekenhuizen en zorginstellingen voornemens zijn om besmet zorgpersoneel te laten werken? Bij welke zorginstellingen speelt dit vraagstuk en hoever gevorderd zijn hun plannen hieromtrent?
De richtlijnen voor de inzet van zorgpersoneel bieden de ruimte om in het geval de zorginstelling niet meer in staat is essentiële zorg te leveren, te besluiten om van de richtlijn af te wijken. In de richtlijn «COVID-19 testbeleid en inzet zorgmedewerkers in het ziekenhuis» is opgenomen: Het «thuis blijven» van zorgmedewerkers kan bij toenemende prevalentie tot grote capaciteitsproblemen leiden in de zorg (of andere kritieke beroepen). In een dergelijke uitzonderingssituatie kan overwogen worden om medewerkers met milde klachten, mits geen nauw contact (= nauw contact volgens definitie RIVM) in afwachting van de testuitslag, toch te laten werken met een chirurgisch mond-neusmasker. Hierbij zijn milde klachten gedefinieerd als klachten anders dan koorts en of benauwdheid. Een voorwaarde hierbij is dat de testuitslag binnen 24 uur beschikbaar is.
Voor de zorg buiten het ziekenhuis blijven de Uitgangspunten «Testbeleid en inzet zorgmedewerkers buiten het ziekenhuis» van het RIVM (hierna: Uitgangspunten) de norm. Als een zorginstelling uitgaande van de Uitgangspunten niet meer in staat is essentiële zorg te leveren, kan de instelling besluiten om van de Uitgangspunten af te wijken. Dit is een verantwoordelijkheid op bestuurlijk niveau van de instelling. Het RIVM heeft hiervoor een afwegingskader opgesteld met strikte randvoorwaarden. Een uitzondering kan alleen gemaakt worden indien de afweging die een zorgbestuurder over de inzet maakt, veilig en navolgbaar is en goed beargumenteerd schriftelijk wordt vastgelegd. Bij ernstig personeelstekort kan de zorginstelling overwegen om medewerkers met alleen milde klachten na negatieve antigeensneltest/zelftest in afwachting van PCR-uitslag te laten werken met mondneusmasker. Positief geteste medewerkers (met of zonder klachten) worden tijdens de geadviseerde isolatieperiode niet ingezet op locatie.
Ziekenhuizen en andere zorginstellingen die van plan zijn besmet zorgpersoneel te laten werken, zijn niet gehouden mij hierover te informeren. Blijkens het bericht «Besmet zorgpersoneel wel inzetten» overweegt in elk geval Amsterdam UMC met corona besmet personeel in te zetten. Uit andere media heb ik vernomen dat ook sommige andere zorgorganisaties dit overwegen.
Kunt u aangeven of zorginstellingen en ziekenhuizen die voornemens zijn besmet zorgpersoneel in te zetten, de bedrijfsarts en personeelsvertegenwoordiging bij het opstellen van dit beleid betrokken hebben?
Het eerdergenoemde afwegingskader dat RIVM heeft opgesteld t.b.v. besluitvorming bij ernstig bedreigde zorgcontinuïteit, wijst op het belang dat de organisatie vooraf een beleid hiervoor opstelt, waarbij ook de bedrijfsarts en de personeelsvertegenwoordiging betrokken zijn. Ik ga ervan uit dat de zorgorganisaties dit advies opvolgen; zij hoeven mij daarover niet te informeren.
Zal personeel met een coronabesmetting alleen coronapatiënten verplegen of ook op andere afdelingen werkzaam zijn?
Ik beschik niet over gegevens over de wijze waarop personeel wordt ingezet. Volgens de richtlijn Testbeleid en inzet zorgmedewerkers in het ziekenhuis van de FMS blijft een positief geteste medewerker in principe thuis en is de medewerker niet inzetbaar voor locatie gebonden werkzaamheden; eventueel kunnen werkzaamheden vanuit huis worden verricht. Wanneer de positief geteste zorgmedewerker geen klachten heeft, blijft deze minimaal tot dag 5 thuis. Heeft de positief geteste zorgmedewerker wel klachten dan blijft de medewerker minimaal 7 tot 14 dagen na de positieve test thuis; als deze minimaal 24 uur klachtenvrij is kan deze het werk weer hervatten. Ook volgens het eerder genoemde Afwegingskader van het RIVM wordt een positief geteste medewerker (met of zonder klachten) tijdens de geadviseerde isolatieperiode niet ingezet op locatie. Het afwegingskader is gericht op optimale infectiepreventie en patiëntveiligheid en biedt vanuit dat oogpunt handvatten voor de inzet van personeel, zoals het roosteren (zoveel mogelijk inzetten op een vaste locatie) en pauzeren (niet gezamenlijk pauzeren). Daarnaast zijn de door de beroepsgroepen opgestelde richtlijnen voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen vanzelfsprekend van toepassing.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg en dus ook op de afwegingen die het ziekenhuisbestuur hieromtrent maakt en de uitvoering daarvan. Er mogen geen gevaarlijke situaties voor patiënt of professional ontstaan. Daarnaast houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie toezicht op de naleving van wet- en regelgeving rondom gezond en veilig werken.
Hoe wordt de gezondheid en ondersteuning van andere collega’s en patiënten gewaarborgd bij de inzet van personeel met een coronabesmetting?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met gevallen waarin zorginstellingen zich niet houden aan het afwegingskader van het RIVM omtrent dit vraagstuk?2 Zo ja, hoe treedt u hier tegen op?
Nee.
De berichten ‘Verbazing bij leden corona-commissie VWS: Kamer krijgt onze adviezen pas als debat al is gevoerd’ en ‘Hoe de Kamer keer op keer adviezen over corona-apps als mosterd na de maaltijd kreeg’ |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Verbazing bij leden corona-commissie VWS: Kamer krijgt onze adviezen pas als debat al is gevoerd» en «Hoe de Kamer keer op keer adviezen over corona-apps als mosterd na de maaltijd kreeg»?1
Ja.
Wat vindt u van de kritiek van leden van de Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 (Begeleidingscommissie) dat door hen uitgebrachte adviezen die politiek gevoelig liggen (te) laat naar de Kamer worden gestuurd, waardoor de Kamer een mogelijkheid wordt ontnomen om zich volledig te kunnen informeren?
Politieke overwegingen spelen geen rol bij het moment van verzenden van de adviezen. Adviezen van de Begeleidingscommissie worden altijd serieus en ter harte genomen. Tot nu toe is het gebruikelijk de adviezen – voorzien van een beleidsreactie – met de eerstvolgende Stand van zakenbrief Covid-19 naar de Tweede Kamer te sturen. Vanwege de timing van het advies of omdat er meer tijd nodig was om op het advies in te gaan, is het enkele keren voorgekomen dat het advies met een latere brief naar de Tweede Kamer is gestuurd.
Klopt het dat u heeft besloten dat de Begeleidingscommissie in het vervolg uitsluitend advies mag geven wanneer daarom door u wordt gevraagd?
Het klopt dat ik de Begeleidingscommissie heb geïnformeerd over het voornemen om over te gaan op gevraagde adviezen. De ontwikkeling van digitale ondersteuningsmiddelen bevindt zich – ten opzichte van de oprichting van de Begeleidingscommissie – op dit moment in een andere fase. Er wordt vooruitgekeken en in plaats van een nadrukkelijke focus op de introductie van nieuwe digitale ondersteuningsmiddelen, zal de focus verschuiven – zo is de verwachting – naar borging, in beheer nemen en mogelijk uitfaseren van de instrumenten die tot op heden gerealiseerd zijn. Bij deze nieuwe fase past ook een andere inzet van de Begeleidingscommissie DOBC.
Zo ja, waarom heeft u daartoe besloten?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer heeft u dit besloten?
Hierover heb ik uw Kamer in juni 2021 al geïnformeerd.2 Eind december 2021 is de Begeleidingscommissie nogmaals van dit voornemen op de hoogte gesteld.
Heeft u dit besluit in overleg met de begeleidingscommissie genomen? Was de begeleidingscommissie het eens met dit besluit?
De Begeleidingscommissie is eind december door het Ministerie van VWS op de hoogte gesteld van dit voornemen. Naar aanleiding hiervan vinden op dit moment vervolggesprekken met de Begeleidingscommissie plaats.
Kunt u aangeven welke van de dertig adviezen van de Begeleidingscommissie gevraagd, dan wel ongevraagd waren?
Van de tot nu toe 30 gegeven adviezen betrof het in totaal twee gevraagde en 28 ongevraagde adviezen.
Hoe verhoudt uw besluit zich tot de wens van de Kamer en uzelf dat de (mogelijke) introductie van digitale middelen zorgvuldig verloopt en grondig getoetst moet worden aan harde eisen op het gebied van informatieveiligheid, privacy, grondrechten, nationale veiligheid en toegankelijkheid?2
Zoals in het antwoord op vraag 4 beschreven, wordt op dit moment vooruitgekeken naar de volgende fase van de pandemie. De verwachting is dat er met het ingaan van deze fase geen sprake meer zal zijn van de introductie van nieuwe digitale ondersteuningsmiddelen. Indien toch sprake blijkt van (mogelijke) introductie van nieuwe digitale middelen, dan zullen deze uiteraard moeten voldoen aan dezelfde hoge eisen op het gebied van o.a. informatieveiligheid, privacy en toegankelijkheid die ook aan de andere digitale instrumenten zoals CoronaMelder en CoronaCheck zijn gesteld. Hier doe ik, net als mijn ambtsvoorganger en zoals uw Kamer wenst, geen concessies aan.
Bent u bereid om het besluit terug te draaien?
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 6 aangeef, ben ik op dit moment nog met de Begeleidingscommissie in gesprek over de toekomstige invulling van de Begeleidingscommissie.
Kunt u de opdracht die u de Begeleidingscommissie in het voorjaar 2020 heeft gegeven en waarmee de commissie aan de slag is gegaan met de Kamer delen?
In mei 2020 heeft mijn ambtsvoorganger de onafhankelijke en multidisciplinaire Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 (DOBC) ingesteld die als opdracht heeft om de Minister van VWS gevraagd en ongevraagd te adviseren over de ontwikkeling en inzet van de (mobiele) applicatie CoronaMelder en eventuele andere digitale middelen die kunnen bijdragen aan de bestrijding van COVID-19. Gedurende de pandemie is dit nader gespecificeerd naar ook advisering over GGD-Contact en de CoronaCheck-app.
Stond in deze opdracht dat de Begeleidingscommissie ook ongevraagd advies kon uitbrengen?
Ja.
Is de opdracht aan de Begeleidingscommissie gewijzigd, nu u heeft besloten dat de commissie alleen gevraagd advies mag uitbrengen? Zo ja, kunt u ook de gewijzigde opdracht met de Kamer delen?
De Begeleidingscommissie is geïnformeerd over het voornemen van het Ministerie van VWS om de opdrachtomschrijving te wijzigen naar het bieden van gevraagd advies over de ontwikkeling en inzet van CoronaMelder, CoronaCheck en GGD-contact. De reikwijdte van de opdracht zou daarmee gelijk blijven aan de overeenkomst zoals eerder met de Begeleidingscommissie is overeengekomen. Zoals gezegd ben ik hierover nog met de Begeleidingscommissie in gesprek.
Heeft u ook de reikwijdte van de opdracht aan de Begeleidingscommissie aangepast? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat de samenstelling van de Begeleidingscommissie gewijzigd is? Wat was de reden van de wijziging van de samenstelling? Heeft dit iets te maken met de kritiek die leden van de Begeleidingscommissie hebben op de gang van zaken?
Het klopt dat de samenstelling van de Begeleidingscommissie sinds oprichting enkele malen is gewijzigd door terugtreden van leden. Dit heeft voor zover mij bekend niets te maken met de kritiek die onlangs is geuit, maar berust op verschuiving van prioriteiten als ook andere persoonlijke en werk-gerelateerde overwegingen van afzonderlijke leden om terug te treden uit deze Begeleidingscommissie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaande aan het eerstvolgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
De recente uitspraken van de Franse president, Emmanuel Macron, over Franse burgers die niet tegen COVID-19 gevaccineerd zijn |
|
Simone Kerseboom (FVD) |
|
Ben Knapen (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Covid-19: L’offensive réfléchie d’Emmanuel Macron contre les non-vaccinés»1 inLe Monde van 5 januari 2022 en het artikel «President Macron vastbesloten ongevaccineerden dwars te zitten: «Ik heb veel zin om ze te pesten»»2 in De Telegraaf van 5 januari 2022?
Ja.
Kunt u inhoudelijk reageren op de uitspraken van de Franse president Macron dat ongevaccineerden geen burgers zijn en dat hij veel zin heeft om hen te pesten?
Nederland volgt de ontwikkelingen van de maatregelen in Frankrijk nauwlettend. Genoemde uitspraken van de Franse president Macron werden gedaan in het kader van de invoering van een nieuw maatregelenpakket in Frankrijk. Deze maatregelen komen de facto neer op invoering van een 2G-beleid in Frankrijk.
Het nemen van buitengewone maatregelen door een overheid in het kader van de bestrijding van COVID-19 kunnen geoorloofd en soms noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid. In zoverre staat het Frankrijk net als andere landen vrij om te besluiten waar nodig (additionele) maatregelen in te voeren. Het invoeren van maatregelen ter bestrijding van COVID-19 betreft een nationale gelegenheid.
Op 5 januari jl. werd het wetsvoorstel «ter versterking van de instrumenten voor het beheersen van de sanitaire crisis» in Frankrijk goedgekeurd door de Franse Tweede Kamer. De uitspraken van de Franse president over ongevaccineerden zijn uitgebreid onderwerp van discussie geweest in het Franse parlement tijdens bespreking van het wetsvoorstel. Daar hoort deze discussie ook thuis. Het kabinet vertrouwt er daarbij op dat eventuele juridische bezwaren tegen de wet in de Franse rechtsgang aan de orde kunnen worden gesteld. Parlementaire en rechterlijke controle op de maatregelen is van groot belang. Het wetsvoorstel is inmiddels overigens ook goedgekeurd door de Franse Eerste Kamer.
Keurt u het af dat het staatshoofd van een EU-land (een land dat tevens voorzitter is van de EU) kenbaar plezier haalt uit het pesten en uitsluiten van een bevolkingsminderheid? Zo ja, bent u bereid deze afkeuring publiekelijk uit te spreken? Zo nee, waarom niet?
President Macron heeft naar aanleiding van de interne discussie die in Frankrijk ontstond over zijn uitspraken, toegelicht dat hij het noodzakelijk vond om op een manier de alarmklok te luiden naar aanleiding van het zeer hoge aantal COVID-besmettingen (ruim 300.000 nieuwe gevallen per dag over de afgelopen week). Tevens wilde hij het belang benadrukken van de Franse vaccinatiestrategie en zijn verantwoordelijkheid om gevaccineerde Franse burgers zo veel mogelijk te beschermen. EU-lidstaat Frankrijk is de eerste helft van 2022 voorzitter van de Europese Unie.
Vallen deze uitspraken binnen de «gedeelde normen en waarden» van de EU? Zo nee, bent u bereid om Macron hierop aan te spreken? Zo ja, kunt u uitleggen hoe deze polariserende uitspraken de «gedeelde normen en waarden» van de EU ondersteunen?
Lidstaten dienen bij de vaststelling van maatregelen ter bestrijding van COVID-19 te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit, tijdelijkheid en rechterlijke controle en dienen tevens de waarden van de Unie van artikel 2 VEU, waaronder die van de democratie en de rechtsstaat, en internationale verdragsverplichtingen te respecteren. Hieronder valt ook een rechtvaardige behandeling van ongevaccineerden. Binnen deze kaders hebben de lidstaten beleidsvrijheid om tot een eigen afweging te komen en een balans te vinden binnen de ingewikkelde afwegingen die moeten worden gemaakt naar aanleiding van de binnenlandse gezondheidssituatie.
Daarnaast heeft de Raad van Europa op 7 april 2020 richtlijnen gepubliceerd om haar lidstaten te ondersteunen bij het vinden van een goede balans tussen de bescherming van de volksgezondheid enerzijds en het respect voor mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat anderzijds. Deze richtlijnen onderstrepen het belang van adequate parlementaire controle op de uitvoerende macht ten tijde van crisis.
Zou u andere staatshoofden/regeringsleiders in de EU, zoals Viktor Orbán of Andrzej Duda, aanspreken als ze zouden aangeven er zin in te hebben bevolkingsminderheden het leven zuur te maken?
Dit is geheel afhankelijk van de context en inhoud van eventuele uitspraken.
Maakt u zich zorgen over de uitspraak waarin Macron ongevaccineerde Fransen tot niet-burgers uitroept? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoorden op vragen 2 en 3.
Wat betekent deze uitspraak volgens u en wat zouden de gevolgen zijn als deze groep mensen «niet-burgers» van Frankrijk zouden worden op basis van hun vaccinatiestatus?
Zie antwoord vraag 6.
Zou u dit rechtvaardig vinden? Deelt u deze sentimenten over ongevaccineerden met Macron?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om Macron te vragen wat hij bedoelt met de uitspraak dat ongevaccineerden geen burgers zijn en zijn antwoord met de beantwoording van deze vragen mee te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Denkt u dat het pesten van ongevaccineerden en het in twijfel trekken van hun status als burger in de praktijk tot goede dingen kan leiden? Zo ja, tot wat? Zo nee, bent u het er dan mee eens dat er alleen maar schadelijke gevolgen gepaard gaan met de uitspraken?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het ermee eens dat deze uitspraken bijdragen aan de zorgelijke dehumanisering van ongevaccineerden, iets wat steeds vaker voorkomt binnen en buiten de EU? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van dehumanisering van ongevaccineerden. Zoals hierboven aangegeven is het invoeren van maatregelen ter bestrijding van COVID-19 een nationale gelegenheid. Een discussie daarover hoort dan ook thuis in het Franse parlement. Het kabinet vertrouwt erop dat eventuele juridische bezwaren tegen de wet in de Franse rechtsgang aan de orde kunnen worden gesteld.
Verder heeft de Europese Commissie in het kader van het rechtsstaatmechanisme de noodmaatregelen die lidstaten genomen hebben in 2020 bij de start van de Covid-19 crisis gemonitord. In de cyclus 2021 heeft de Commissie specifiek aandacht besteed aan de vragen «of de COVID-19-gerelateerde maatregelen beperkt waren in tijd, of de noodzaak en evenredigheid ervan gerechtvaardigd waren, in hoeverre zij onderworpen waren aan permanent toezicht door de nationale parlement en rechtbanken, en op welke rechtsgrondslag zij berusten.» Als onderdeel van dit mechanisme onderhoudt de Commissie regelmatig bilateraal contact met de lidstaten, waarbij ontwikkelingen die reden geven tot zorg kunnen worden aangekaart. Uit contacten met de Commissie blijkt dat de relatie tussen de COVID-19-pandemie en de rechtsstaat ook in de volgende cyclus (2022) specifiek zal worden gemonitord. Indien ontwikkelingen beschreven in de landenrapporten aanleiding geven tot zorg, heeft de Raad de mogelijkheid het desbetreffende lidstaat hierop aan te spreken. Nederland maakt waar passend gebruik van deze mogelijkheid en zal de ontwikkelingen in Frankrijk ook in dit kader blijven volgen.
Zijn er meer regeringsleiders die net als Macron zin hebben in het pesten van ongevaccineerden? Zo ja, welke? Zo nee, als Macron de enige is, kunt u dan rekenen op internationale bijval wanneer u uw afkeuring uitspreekt over zijn schadelijke afspraken?
Hierover is mij geen informatie bekend.
De voorlichting van kinderen en ouders over de coronamaatregelen en -vaccinatie |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Deelt u de opvatting dat het (vrijwillig) vaccineren van kinderen een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bestrijding van het coronavirus? Deelt u de opvatting dat door het tegengaan van verspreiding onder en door deze doelgroep kwetsbaren beschermd worden, scholen veilig gehouden worden en long-covid klachten bij kinderen voorkomen worden?
Op 10 december jl. adviseerde de Gezondheidsraad over het vaccineren van kinderen in de leeftijd van 5 tot 11 jaar. Door de opkomst van de omikronvariant is de Gezondheidsraad gevraagd dit advies te actualiseren. In het herziene advies van 19 januari jl. handhaaft de Gezondheidsraad het advies om het vaccin van BioNTech/Pfizer beschikbaar te stellen aan deze leeftijdsgroep.
We weten inmiddels dat de meeste kinderen geen of weinig klachten hebben wanneer zij besmet raken met het coronavirus. Het lijkt erop dat de omikronvariant voor nog minder klachten zorgt bij kinderen. De kans op ziekenhuisopname is bij kinderen van 5 tot en met 11 jaar klein. Meestal hebben kinderen die met een coronabesmetting worden opgenomen al een onderliggende aandoening. Kinderen met een kwetsbare gezondheid zijn daarom in december al uitgenodigd voor een coronavaccinatie.
Een belangrijke overweging om ook gezonde 5–11-jarigen een coronavaccinatie aan te bieden is, dat er een hele kleine kans is dat een corona-infectie leidt tot MIS-C (Multisystem Inflammatory Syndrome in Children). MIS-C is een overreactie van het afweersysteem, die enkele weken na een (milde) corona-infectie kan optreden. Deze zeldzame maar ernstige complicatie komt naar schatting voor bij 1:4000 corona-infecties. Uit recente data blijkt dat vaccinatie beschermt tegen het ontwikkelen van MIS-C. Of deze bescherming van vaccinatie ook geldt voor het optreden van MIS-C bij een infectie met de omikronvariant is niet bekend, maar wel aannemelijk volgens de Gezondheidsraad. Als een kind al eerder een corona-infectie heeft doorgemaakt, is de kans op MIS-C bij een volgende infectie heel erg laag.
Naar schatting hebben een derde tot twee derde van de kinderen in deze leeftijdsgroep al COVID-19 gehad. Voor deze kinderen is het vanuit individueel gezondheidsbelang niet per se nodig om gevaccineerd te worden tegen COVID-19. Toch kunnen andere overwegingen van ouders een rol spelen, bijvoorbeeld om mensen om zich heen te beschermen. Dit wil ik graag faciliteren. Het is ook voor kinderen die al een infectie hebben doorgemaakt veilig en mogelijk om gevaccineerd te worden.
Vaccinatie kan ervoor zorgen dat kinderen minder indirect gezondheidsnadeel ondervinden van de pandemie. Zo is de kans kleiner dat door hoge viruscirculatie beperkende maatregelen nodig zijn die een negatieve invloed hebben op kinderen. Hierbij wil ik wel benadrukken dat het niet te zeggen is in welke mate maatregelen voorkomen kunnen worden door vaccinatie.
Deelt u de mening dat het zeer belangrijk is om actief informatie te verstrekken over coronavaccinatie aan de ouders en de kinderen tussen 5 en 12 jaar, die vanaf eind januari 2022 gevaccineerd kunnen worden? Zo ja, welke acties heeft u al ondernomen om deze informatie te verstrekken?
Ja, deze mening deel ik. We vinden het belangrijk zoveel mogelijk objectieve informatie bij ouders onder de aandacht te brengen zodat zij een weloverwogen keuze kunnen maken voor het wel of niet vaccineren van hun kind. Hiervoor werken wij nauw samen met onder andere het RIVM, GGD GHOR, de NVK, AJN, het CBG en ActiZ.
Ouders hebben vanaf 18 januari jl. een informatiepakket toegestuurd gekregen. Dit pakket betreft een informatiebrief over de COVID-19-vaccinatie voor kinderen, informatie over de registratie van de vaccinatie, een gezondheidsverklaring en informatie in het kort over het vaccin. De informatiebrief is ook beschikbaar in het Engels, Turks, en Arabisch.
Voor aanvullende informatie kunnen ouders terecht op coronavaccinatie.nl/kinderen. Naast uitgebreide informatie verwijzen we daar naar diverse informatiebronnen. Zoals filmpjes, achtergrondartikelen, de website van het RIVM, de keuzehulptool en het telefoonnummer waar ouders terecht kunnen om met een onafhankelijke zorgprofessional te spreken.
De komende tijd worden deze informatiebronnen verder uitgebreid met onder andere een folder, praatplaat en een Steffie-module voor een gesproken toelichting en middelen in andere talen dan het Nederlands.
Heeft u een communicatieplan opgesteld voor de voorlichting van kinderen en ouders over coronavaccinatie, met specifiek aandacht voor de kinderen tussen 5 en 12 jaar? Zo ja, wilt u dit plan delen met onze Kamer? Zo nee, waarom is hier geen plan voor opgesteld?
Voor het vaccineren van kinderen tussen de 5 en 12 jaar is door het RIVM een projectplan opgesteld. De communicatie en informatievoorziening is hier onderdeel van. Er is door het RIVM een werkgroep opgericht met VWS, GGD GHOR, de NVK, AJN, het CBG en ActiZ. Binnen de werkgroep zijn de aandachtspunten en de zorgen binnen de verschillende partijen uitgebreid besproken, en afspraken gemaakt over de uitingen die via de verschillende kanalen gedaan worden. De uitingen zijn voorafgaand aan publicatie met de werkgroep gedeeld, en gecontroleerd en aangepast op de correctheid en overeenkomst van de inhoud.
Naast de communicatiematerialen zoals in het antwoord op vraag 2 genoemd, zijn ook de vakgroepen en huisartsen op de hoogte gebracht, zodat zij paraat staan met informatie wanneer ouders hier behoefte aan hebben.
Bij welke instanties kunnen ouders en kinderen terecht voor vragen over coronavaccinatie? Zijn huisartsen, schoolartsen, etc. voorzien van voorlichtingsmateriaal specifiek over het vaccineren van kinderen tussen 5 en 12 jaar? Zijn er ook informatiepunten op openbare plekken zoals bij bibliotheken en pleinen over vaccinatie van kinderen?
Het is aan ouders om een keuze te maken over het vaccineren van hun kinderen. Samen met het RIVM, GGD GHOR, de NVK, AJN, het CBG en ActiZ is een breed palet van informatiemiddelen tot stand gekomen waarin zij het antwoord vinden op hun vragen en die zij kunnen gebruiken om een goede afweging te maken. Deze middelen worden verspreid via het netwerk en de kanalen van de genoemde partijen.
In het palet van middelen hebben we ook producten opgenomen die ouders kunnen gebruiken om het gesprek over de vaccinatie aan te gaan met hun kinderen. Kinderen moeten namelijk vooral bij hun eigen ouders terecht kunnen met vragen. Wij zien het als onze taak om ouders de tools te bieden om de vragen van hun kinderen te kunnen beantwoorden.
Ouders kunnen op hun beurt met vragen terecht bij onder andere de telefoonlijn van vragenovercorona.nl. Daar zijn onafhankelijke zorgprofessionals beschikbaar om hun te woord te staan.
Hanteert u een specifieke doelgroepenbenadering bij de voorlichting van kinderen over coronavaccinatie? Hoe garandeert u dat naast hun ouders, ook de kinderen op een voor hen begrijpelijke en toegankelijke wijze worden geïnformeerd?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is er ook een speciale praatplaat voor kinderen in ontwikkeling en een Steffie-module met gesproken uitleg over de coronavaccinatie. Ook het CBG maakt een visuele uitleg voor kinderen van 8 t/m 11 jaar.
Deelt u onze zorgen over de verspreiding van desinformatie over het vaccineren van kinderen tegen het coronavirus? Zo ja, welke acties heeft u ondernomen om desinformatie over het vaccineren van kinderen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie is een belangrijk punt van aandacht. Ik vind het belangrijk dat mensen op basis van de juiste informatie een keuze maken over vaccineren. Dit is niet alleen voor de kinderen van belang, maar ook voor de vaccinatiecampagne in het algemeen. Onze strategie is om tegenover desinformatie onze eigen feitelijke en juiste informatie te zetten, zonder direct te reageren op de afzender en zonder deze informatie te classificeren als desinformatie. Volgens deskundigen heeft dat namelijk geen toegevoegde waarde. Op deze manier kan bovendien discussie voorkomen worden en krijgt de desinformatie geen extra podium. Het uiteindelijke doel van de desinformatie-aanpak is om de informatiepositie van de burgers te verstevigen. Op dit moment wordt de aanpak geïntensiveerd op twee routes, namelijk door meer kennis over desinformatie te verspreiden en zo bewustwording te creëren, en door meer kennis over specifieke onderwerpen waarover veel desinformatie rond gaat te verspreiden.
Voor wat betreft het verspreiden van de kennis over desinformatie is er een «Handreiking Desinformatie in coronatijd» opgesteld en verspreid (zie coronavaccinatie.nl/handreiking). Deze handreiking is bedoeld voor mensen in de zorg, onderwijs of andere publieke beroepen. Dit zijn sectoren die veel in aanraking komen met kinderen. In de handreiking staan praktische voorbeelden, handvatten en tips over hoe desinformatie te herkennen en hoe ermee om te gaan. Dit is ook toepasbaar op desinformatie over het vaccineren van kinderen. Datzelfde geldt voor de nieuw te ontwikkelen Steffie-module over desinformatie. Hierin wordt op eenvoudige wijze uitleg gegeven over desinformatie.
Informatie over actuele onderwerpen is te vinden op coronavaccinatie.nl en wordt vertaald naar diverse middelen. Voorbeelden hiervan zijn blogartikelen, folders, Steffie-modules en praatplaten. Deze middelen worden via partners verspreid.
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven is er voor ouders van kinderen van 5 t/m 11 jaar een speciale webpagina (coronavaccinatie.nl/kinderen). Ook hebben ouders een informatiepakket van het RIVM gekregen. In aanvulling daarop werken we aan onder andere een folder, een praatplaat en een Steffie module. Via sociale media geven we antwoord op de meest gestelde vragen van ouders met verwijzingen naar de juiste bronnen.
Erkent u dat ook voor de ouders die niet goed Nederlands spreken, analfabeet of digibeet zijn de juiste informatie over coronavaccinatie van kinderen toegankelijk moet zijn? Zo ja, hoe zorgt u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
De informatie over de coronavaccinatie voor kinderen moet zeker voor alle ouders begrijpelijk en toegankelijk zijn. Ook voor ouders die de Nederlandse taal niet goed beheersen, niet taalvaardig zijn of geen gebruik maken van online informatiebronnen. Daarom zorgen we voor on- en offline middelen in verschillende talen, visuele middelen en middelen met een gesproken uitleg. Daarnaast kunnen ouders die met een onafhankelijke zorgprofessional willen spreken terecht bij de telefoonlijn van vragenovercorona.nl.
Deelt u de mening dat voor goede naleving van de coronamaatregelen draagvlak essentieel is? Zo ja, hoe creëert u dit draagvlak bij ouders en hun kinderen? Op welke manier wordt het belang van goede ventilatie, het dragen van mondkapjes en het zelftesten aan kinderen overgebracht?
Ja, deze mening deel ik. Het Ministerie van OCW voorziet scholen en instellingen van informatie en communicatiemiddelen, zodat zij personeel, studenten, leerlingen en ouders kunnen informeren over de coronamaatregelen op gebied van o.a. ventilatie, mondkapjes en zelftesten. Hiervoor zijn er o.a. handreikingen, instructievideo’s, voorbeeldbrieven voor ouders/verzorgers, flyers, posters, visuals, etc. beschikbaar. Verder worden in de groepen 6 t/m 8 gratis zelftesten aangeboden.
Ventilatie als maatregel tegen het coronavirus wordt meegenomen in de massamediale «Alleen Samen» campagne, die gericht is op de hele samenleving en dus ook op ouders en kinderen. In het onderwijs wordt daarnaast altijd aandacht besteed aan actualiteiten, dus vanzelfsprekend ook aan corona en de maatregelen daartegen. Het belang van goede ventilatie wordt benadrukt richting leraren, schoolleiders, ondersteunend onderwijspersoneel en schoolbestuurders. Het kabinet heeft hiervoor in 2020 € 360 miljoen vrijgemaakt waarvan € 200 miljoen voor een subsidieregeling («Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen»). De afgelopen jaren was hier al aandacht voor via de ventilatiepagina op Lesopafstand.nl, de pagina «Corona en ventilatie schoolgebouwen» op rijksoverheid.nl en via communicatie vanuit partijen als: kenniscentrum Ruimte-OK, PO-Raad, VO-raad en VNG.
Op welke wijze zullen jongeren tussen de 12 en 18 jaar over de boostercampagne worden geïnformeerd?
Op dit moment zijn de boostervaccinaties voor jongeren in deze leeftijdsgroep nog niet door het EMA goedgekeurd. Wel heeft mijn voorganger op 29 december jl. een adviesaanvraag gedaan bij de Gezondheidsraad over het al dan niet aanbieden van boostervaccinaties aan jongeren tussen de 12 en 18 jaar, vooruitlopend op het advies van het EMA. Het advies van de Gezondheidsraad heb ik vorige week ontvangen. En ik zal op zeer korte termijn een besluit hierover nemen. Op basis van dit besluit wordt de communicatie en voorlichting ingericht.
Wat betekent het invoeren van een verloopdatum voor het vaccinatiebewijs voor jongeren onder de 18 jaar die geen booster kunnen krijgen? Klopt het dat zij alleen nog via een herstelbewijs of testbewijs toegang zullen hebben tot locaties waar een coronatoegangsbewijs geldt als hun vaccinatiebewijs verlopen is?
Voor het reizen met behulp van een Digitaal Corona Certificaat (DCC) heeft de Europese Commissie een aanpassing van de verordening DCC doorgevoerd en een gedelegeerde handeling gepubliceerd. Die stelt dat vaccinatiebewijzen per 1 februari 2022 voor 18 jaar en ouder maximaal 270 dagen geldig zijn vanaf het moment dat de laatste vaccinatie is gezet. Deze geldigheidsduur geldt niet voor jongeren onder 18 jaar. Deze nieuwe regeling is als zodanig rechtstreeks werkend binnen alle lidstaten.
De regels omtrent het coronatoegangsbewijs (ctb) zijn een nationale aangelegenheid. Het kabinet overweegt om een geldigheidsduur ook voor het coronatoegangsbewijs te laten gelden. Wanneer dit besluit definitief genomen is, dan zal het kabinet dit wijzigen in de Tijdelijke regeling maatregelen COVID-19 (Trm). Ik heb uw Kamer op 28 januari jl. geïnformeerd dat deze wijziging niet voor 4 februari 2022 in werking zal treden, gelet op de gestelde vragen en de mogelijkheid voor uw Kamer om de beantwoording zorgvuldig te bestuderen. Het gaat hier ook over de geldigheidsduur van het ctb voor personen van 18 jaar en ouder. Jongeren van tot 18 jaar zijn uitgezonderd van een geldigheidsduur voor een ctb op basis van vaccinatie, omdat zij (nog) niet de mogelijkheid hebben een boostvaccinatie te laten zetten. Het wordt onwenselijk geacht om deze doelgroep 270 dagen na vaccinatie geen ander alternatief te geven dan testen.
Kunt u deze vragen voor 20 januari 2022 beantwoorden?
Helaas is dat niet gelukt.
De uitspraken van de premier van Canada over Canadese burgers die niet tegen COVID-19 gevaccineerd zijn |
|
Simone Kerseboom (FVD) |
|
Ben Knapen (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Trudeau calls the unvaccinated racist and misogynistic extremists» van 29 december 20211 of de aflevering van het televisieprogrammaLa semaine des 4 juli van 16 september 2021 waarin de Canadese premier Trudeau deze uitspraken doet2?
Ja.
Hoe beziet u de uitspraak van Trudeau dat mensen die niet tegen COVID-19 zijn gevaccineerd vaak racisten en misogynisten zijn? Deelt u de mening van Trudeau? Zo ja, kunt u dat uitleggen? Zo nee, bent u het er dan mee eens dat het een totaal belachelijke uitspraak is die openlijke afkeuring verdient van Nederland?
Deze uitspraken zijn voor rekening van premier Trudeau. De Nederlandse regering laat zich niet uit over uitspraken door democratisch gekozen politici van (partner)landen over de interne politieke aangelegenheden in hun land. Het kabinet zal naar aanleiding van deze mediaberichten daarom ook geen contact opnemen met de Canadese autoriteiten, of derde landen.
In Canada is rond de 80% van de bevolking gevaccineerd (op 9 februari 2022). Op een bevolking van 36,9 miljoen inwoners werden op 8 februari 2022 8.190 nieuwe gevallen gemeld. Elk van de 13 provincies en territoria van Canada is zelf verantwoordelijk voor het implementeren van hun eigen gezondheidsbeleid en de uitvoering van delen van de coronamaatregelen zijn een provinciale aangelegenheid. De meeste provincies hebben echter beleid geïmplementeerd dat vaccinatie vereist om toegang te krijgen tot bepaalde locaties als restaurants en sportscholen. Per oktober 2021 zijn daarnaast alle federale ambtenaren verplicht om een vaccinatiebewijs te tonen en degenen die dat niet deden, kregen onbetaald verlof. Bewijs van vaccinatie is ook verplicht voor binnenlandse reizen (om aan boord te gaan van vluchten, treinen of schepen in Canada). Op 8 februari kondigden twee provincies (Alberta en Saskatchewan) aan dat ze hun vaccinatievereisten zullen beëindigen.
Voor informatie en update over het Canadese corona- en vaccinatiebeleid verwijs ik u graag naar de volgende websites van de Canadese regering:
Wat vindt u ervan dat Trudeau in feite ook miljoenen Nederlanders een racist en misogynist noemt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dit soort uitspraken enorm polariserend zijn voor de westerse samenleving in het algemeen en de Canadese samenleving in het bijzonder, en dat ongevaccineerden er nodeloos door worden gestigmatiseerd, met alle gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dit een onaanvaardbare uitspraak is voor de premier van een G20-land dat in de westerse traditie staat en historisch geldt als een belangrijke bondgenoot van Nederland? Zo ja, bent u bereid deze boodschap aan Trudeau over te dragen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de uitspraak waarin Trudeau zich afvraagt of de rest van Canada de ongevaccineerden nog moet «tolereren»? Wat denkt u dat hiermee wordt bedoeld?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Trudeau te vragen wat hij bedoelt met zijn uitspraken en zijn antwoord met de antwoorden op deze vragen mee te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Denkt u dat intolerantie voor en het uitschelden van ongevaccineerden in de praktijk tot goede dingen kan leiden? Zo ja, tot wat? Zo nee, bent u het er dan mee eens dat er alleen maar schadelijke gevolgen gepaard gaan met de uitspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat door dit soort polariserende en stigmatiserende uitspraken door de premier van Canada, de veiligheid van ongevaccineerde burgers in Canada in het gedrang kan komen? Zo nee, wat denkt u dan dat de functie en/of het resultaat van dit soort uitspraken is?
Zie antwoord vraag 2.
Maakt u zich zorgen over de status en veiligheid van Canadese burgers die niet gevaccineerd zijn tegen COVID-19 als u deze uitlatingen van de Canadese premier hoort? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze zorgen met de Canadese premier te delen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er meer regeringsleiders die net als Trudeau vinden dat ongevaccineerden vaak racisten en misogynisten zijn? Zo ja, welke? Zo nee, als Trudeau de enige is die dat vindt, kunt u dan rekenen op internationale bijval wanneer u uw afkeuring uitspreekt over zijn schadelijke afspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Het bijzonder kritische advies van de Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 (Begeleidingscommissie) over de mogelijke uitbreiding van het coronatoegangsbewijs (ctb) |
|
Pieter Omtzigt (Omtzigt), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is het juist dat de Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 (Begeleidingscommissie), waarin zo’n vijftien deelnemers zitten met kennis van onder meer epidemiologie, virologie, technologie, privacy en veiligheid, het Ministerie van VWS adviseert over de digitale ondersteuning bij de bestrijding van het coronavirus?
Dat klopt.
Ligt het voor de hand om deze Begeleidingscommissie om advies te vragen over de wetsvoorstellen met betrekking tot uitbreiding van het ctb1 en de invoering van 2G2? Indien dat het geval is, waarom hebt u dat desalniettemin nagelaten?
Mijn ambtsvoorganger heeft in 2020 de onafhankelijke en multidisciplinaire Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 (DOBC) ingesteld om gevraagd en ongevraagd te adviseren over de ontwikkeling en inzet van de (mobiele) applicatie CoronaMelder en eventuele andere digitale middelen die kunnen bijdragen aan de bestrijding van COVID-19. Gedurende de pandemie is dit nader gespecificeerd naar ook advisering over GGD-Contact en de CoronaCheck-app. Het ligt niet voor de hand dat de Begeleidingscommissie adviseert over de genoemde wetsvoorstellen, omdat zowel de uitbreiding van het ctb, alsook de invoering van 2G, beleidskeuzes zijn die buiten de reikwijdte van de opdracht van de Begeleidingscommissie liggen.
Deelt u de mening dat het advies van de Begeleidingscommissie over de mogelijke uitbreiding van het ctb wezenlijke informatie is waarover de Kamer hoort te beschikken bij het vormen van een oordeel over de memorie van toelichting op de drie genoemde wetsvoorstellen over uitbreiding van het ctb en de invoering van 2G?
Het 29ste advies van de Begeleidingscommissie gaat nader in op de digitale toepassing van de CoronaCheck-app, welke de inzet van ctb’s ondersteunt. Dit advies gaat daarbij specifiek in op de technische implicaties en overwegingen omtrent onder andere privacy en security en staat daarmee los van de memorie van toelichting op de drie genoemde wetsvoorstellen. Het meesturen van dit advies bij de genoemde wetsvoorstellen leek daarom op dat moment niet wezenlijk voor de voorbereiding hierop. Er is voor gekozen deze op te nemen in een eerstvolgende brief, tezamen met advies 30 van de commissie die eenzelfde inhoudelijke technische reactie behoeft.
Waarom hebt u nagelaten het advies van de Begeleidingscommissie van 19 november 2021, voorzien van een inhoudelijke reactie op de daarin ingebrachte overwegingen en bedenkingen, naar de Kamer te sturen als relevante informatie, onder meer voor de inbrengen voor het nader verslag bij de drie wetsvoorstellen op 5 januari 2022, en hebt u dit advies in plaats daarvan echter verstopt als summier vermelde bijlage in uw reactie op een motie over het niet verstrekken van een groen vinkje in de CoronaCheck-app bij een besmetting van 21 december 2021?3
Zoals in het antwoord op vraag 3 geschreven gaat het advies van de Begeleidingscommissie nader in op de digitale toepassing die de inzet van de ctb’s ondersteunt en technische implicaties en overwegingen hierbij. Dit staat daarmee los van de drie genoemde wetsvoorstellen. In het bijzonder wijst de commissie op het feit dat een «groen vinkje» in de CoronaCheck-app statisch is en bij volledig gevaccineerde personen niet automatisch betekent dat deze persoon ook niet besmettelijk is. De commissie draagt daarbij aan te onderzoeken hoe het «groene vinkje» dynamischer kan worden gemaakt zonder hierbij afbreuk te doen aan privacy en toegankelijkheid, waarbij in lijn met de epidemiologische situatie kan worden besloten op basis waarvan een ctb wordt uitgegeven en geldig is.
Mijn ambtsvoorganger heeft dit advies – tezamen met het 30e advies van de Begeleidingscommissie – ter harte genomen en toegepast in zijn onderzoek omtrent de aangenomen motie Den Haan c.s. (over geen groen vinkje in de CoronaCheck-app bij een besmetting4). Hierbij is onderzocht wat de mogelijkheden en overwegingen zijn in de uitvoering van deze motie waarin de regering wordt verzocht de techniek van de CoronaCheck app aan te passen zodat mensen die gevaccineerd zijn en daarna besmet raken geen QR-code krijgen in de periode dat zij in isolatie moeten. Er is bewust voor gekozen om de commissieadviezen 29 en 30 bij deze brief op te nemen gezien beide adviezen eenzelfde inhoudelijke technische reactie behoeven op het gebied van het in stand houden van de hoge eisen van gegevensbescherming in relatie tot aanpassing van geldigheid van een ctb. In de vreactie op de motie Den Haan is daarbij dus wel degelijk ook een inhoudelijke reactie gegeven op beide adviezen van de Begeleidingscommissies.
Wat is de consequentie van het niet voldoen aan de actieve informatieplicht aan de Kamer, nu het advies van de Begeleidingscommissie niet op ordelijke wijze kan worden betrokken bij de schriftelijke voorbereiding van de besluitvorming over de genoemde wetsvoorstellen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 en 4 voorzie ik hierin geen consequenties.
Kunt u alsnog gemotiveerd ingaan op de constatering van de Begeleidingscommissie dat het ctb inzetten als toegangsmiddel om zonder additionele sneltest werkplekken te heropenen ertoe leidt dat besmette personen gedurende de werkdag andere personen kunnen besmetten?
Het klopt inderdaad dat een geldige QR-code in de app (zogeheten «groene vinkje») bij volledig gevaccineerde personen niet automatisch betekent dat deze persoon ook niet besmettelijk is. Sinds de invoering heeft het ctb als doel om eerder, meer mogelijk te maken en de maatschappij (langer) open te houden. Hierbij geldt dat de inzet van het ctb het besmettingsrisico op een ctb-plichtige locatie of bij een ctb-plichtige activiteit kan verlagen, maar hier altijd restrisico’s op transmissie van het virus zal blijven bestaan. Dit ondanks dat mensen gevaccineerd, getest of recent hersteld zijn. Het klopt daarmee dat het risico bestaat dat een gevaccineerde persoon toch drager is van het virus en, zoals u schrijft, gedurende een werkdag anderen kan besmetten. Zoals in mijn laatste kamerbrief ook geschreven5, verwacht ik – mede gegeven de laatste inzichten – dat de effectiviteit van het ctb sterk afhankelijk is van de epidemiologische situatie. Bovendien – zoals ook aangegeven in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen6 – zie ik het als de eigen verantwoordelijkheid van mensen om rekening te houden met anderen en zich bij een eventuele besmetting aan de op dat moment geldende richtlijnen en basisregels te houden. Bij een positieve testuitslag (gevaccineerd of ongevaccineerd) ga je thuis in isolatie, ga je niet naar buiten en gebruik je dus zeker niet de QR-code voor toegang.
Kunt u alsnog gemotiveerd ingaan op de oproep van de Begeleidingscommissie om met het oog op het wantrouwen onder de bevolking digitale drang te voorkomen en aan niet digitale dan wel analoge middelen de voorkeur te geven boven technologie?
Ik onderschrijf de oproep van de Begeleidingscommissie om digitale drang te voorkomen. Toegankelijkheid en inclusiviteit zijn voor mij daarbij ook belangrijke aspecten. Naast de CoronaCheck-app ter ondersteuning van de inzet van ctb’s is van begin af aan ook ingezet op alternatieve routes voor mensen die de app niet willen of kunnen gebruiken. Er zijn daarbij meerdere alternatieven beschikbaar waarbij geen smartphone en/of internet nodig zijn voor het aanmaken van een bewijs.
Kunt u alsnog gemotiveerd ingaan op het advies van de Begeleidingscommissie om het ctb met het oog op een doeltreffende werking alleen nog te verstrekken op basis van een negatieve test, wat een dynamische coronapas wordt genoemd, nu genoegzaam duidelijk is dat vaccins niet volledig tegen besmetting beschermen terwijl de mate van bescherming significant daalt?
De Begeleidingscommissie wijst hier op het feit dat een «groen vinkje» in de CoronaCheck-app statisch is en draagt aan te onderzoeken hoe het ctb dynamischer kan worden gemaakt door ook – breder dan de oplossing die de motie Den Haan voorstelt – te kijken op basis waarvan een ctb wordt uitgegeven en geldig is. Zoals in de schriftelijke reactie op de aangenomen motie benoemd zal ik in een later stadium op dit specifieke aspect van het advies van de Begeleidingscommissie terugkomen.
Kunt u alsnog gemotiveerd ingaan op de oproep van de Begeleidingscommissie, die kort samengevat erop neerkomt om niet tot een grootschalige uitrol van het ctb over te gaan en zodoende te voorkomen dat het huidige en toekomstige vertrouwen in digitale overheidshulpmiddelen ter bestrijding van ziektes of andere calamiteiten blijvend schade oploopt?
De keuze voor een bredere inzet van het ctb is een keuze van kabinet en parlement. De drie wetsvoorstellen die onder andere de verbreding van de inzet van het ctb mogelijk kunnen maken, liggen momenteel ter behandeling nog voor bij uw Kamer. Het ligt niet voor de hand dat de Begeleidingscommissie hierover adviseert, omdat de uitbreiding van het ctb beleidskeuzes zijn die buiten de reikwijdte van de opdracht van de Begeleidingscommissie liggen. Zoals in de beantwoording op eerdere vragen geschreven is in de reactie op de aangenomen motie Den Haan inhoudelijk gereageerd op de adviezen van de Begeleidingscommissie die ten grondslag liggen aan de oproep die zij hebben gedaan, waarbij het gaat om het «groene vinkje» in de CoronaCheck-app en het dynamisch maken hiervan, als ook het publieksvertrouwen in digitale middelen. Ik ben het verder met de Begeleidingscommissie eens dat er prudent moet worden omgegaan met de inzet van digitale middelen waarbij te allen tijde moet worden afgewogen of een digitale oplossing het juiste middel is om in een bepaalde context en situatie toe te passen.
Kunt u ingaan op het advies van de Begeleidingscommissie van 8 februari 2021 waarin wordt gepleit voor meer toezicht op de beveiliging van nieuwe covid-dataknooppunten; verbindingen dus tussen commerciële testbedrijven alsook tussen de GGD’en en het RIVM?4
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd in de kamerbrief van 23 februari 2021, heeft de Regiegroep Digitale Ondersteuning Test- en Traceerketen (DOTT) dit advies van de Begeleidingscommissie destijds ontvangen. Het advies is door de regiegroep meegenomen in de uitvoering van één van de verbeterplannen die zij hebben opgesteld in navolging op de datadiefstal bij de GGD dat begin 2021 plaatsvond.
In nadere reactie op het advies om meer toezicht op de beveiliging van covid-dataknooppunten en verbindingen te realiseren deel ik graag het volgende: op dit moment monitor ik voortdurend of er dreigingen of kwetsbaarheden zijn in de systemen die VWS zelf heeft ontwikkeld en levert. Dit zodat de veiligheid van gegevens kan worden gewaarborgd en fraude kan worden herkend. Dit doe ik met behulp van de Kwetsbaarheden Analyse Tool (KAT) waarover mijn ambtsvoorganger uw vaste commissie Digitale Zaken kort geleden een brief heeft doen toekomen.8 Daarnaast worden strenge aansluitvoorwaarden gesteld aan testaanbieders die aangesloten willen worden op de CoronaCheck-app. Na aansluiting is een testaanbieder allereerst zelf verantwoordelijk voor het loggen en monitoren van de eigen systemen. Mijn ministerie monitort in het kader van stelselcontrole daarnaast zelf ook of aangesloten partijen de voorwaarden naleven. Met pentesten wordt onderzocht of er kwetsbaarheden zijn die moeten worden opgelost. Voor andere partijen, zoals ook GGD’en en RIVM geldt uiteraard dat de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor beveiliging en monitoring hierop primair daar belegd is.
Kunt u aangeven wat u hebt ondernomen om een datalek te voorkomen, in de wetenschap dat de Begeleidingscommissie bij herhaling op dit gevaar heeft gewezen, reeds ruim voordat dit zich daadwerkelijk voordeed bij de GGD?
De GGD GHOR heeft primair gezien de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de eigen systemen. Zoals mijn ambtsvoorganger over het specifieke datalek waaraan u refereert reeds aan uw Kamer heeft geschreven, hebben de verschillende waarborgen die er al zijn ten behoeve van de omgang met gegevens deze datadiefstal niet kunnen voorkomen. Voor een tijdlijn met de historie van deze specifieke casus als ook implicaties en acties die naar aanleiding hiervan zijn ondernomen, verwijs ik u graag naar de kamerbrief die op 2 februari 2020 aan uw Kamer is toegestuurd.9
Bent u bereid om bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen tien dagen te beantwoorden?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden.
De modellering (en sterftekans) bij de omikronvariant van het coronavirus |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het model van het RIVM waar de huidige lockdown op is gebaseerd en waarvan de aannames zijn te vinden op pagina 21 van het document horende bij de technische briefing Covid-19 op 21 december 2021 in de Tweede Kamer?1
Ik ben bekend met het model van het RIVM. De prognoses uit dit model worden, samen met andere prognoses en data, door het OMT gebruikt om hun advies op te baseren. Dit advies wordt door het kabinet, samen met andere adviezen en overwegingen, gebruikt voor de afweging over het in te zetten beleid.
Is de extra besmettelijkheid van de omikronvariant van het coronavirus meegenomen in dit model? Is de mildere aard van de omikronvariant, dat wil zeggen de kleinere kans op ziekenhuisopname in vergelijking met deltavariant, ook meegenomen in dit model? Is de kortere verblijfsduur in het ziekenhuis van omikronpatiënten in vergelijking met deltapatiënten meegenomen in dit model?
Zoals u zelf al stelt, worden op pagina 21 van de presentatie van de technische briefing op 21 december de aannames uiteengezet. Aangenomen is dat de omikronvariant besmettelijker is; die aanname is gebaseerd op gegevens uit onder andere Denemarken en het VK. De gegevens over eventueel mildere aard, kleinere kans op ziekenhuisopname en kortere verblijfsduur in het ziekenhuis zijn in deze modellering nog niet meegenomen. Zoals in de presentatie op blz. 27 wordt aangegeven, gaat het om zeer onzekere aannames, op allerlei punten. Het OMT komt in deze periode, waarin er steeds meer bekend wordt over de omikronvariant, geregeld bijeen om, op basis van de laatste stand van zaken, zo goed mogelijk te kunnen adviseren.
Is het correct dat het RIVM in dit model wél uitgaat van een snellere verspreiding van de omikronvariant (in vergelijking met de deltavariant)2, maar dat het mildere ziektebeeld van deze variant (wederom in vergelijking met de deltavariant) en de (daardoor) kleinere kans op en gemiddeld kortere duur van de ziekenhuisopnames3 niet in het model zijn meegenomen4?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kan, indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is, geconcludeerd worden dat, ter rechtvaardiging van de huidige lockdown, een model wordt gebruikt dat wel de snellere verspreiding van de omikronvariant modelleert, maar niet de mildere aard, kleinere kans op ziekenhuisopname en kortere verblijfduur in een ziekenhuis? Wordt zo niet onterecht en bewust een te zwart scenario geschetst?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Tot slot, wat is, volgens de meest recente stand van de wetenschap, (ongeveer) de dodelijkheid (sterftekans5) bij de omikronvariant? Hoe verhoudt de sterftekans bij de omikronvariant zich tot de kans op sterfte bij de deltavariant? Hoe verhoudt de sterftekans bij de omikronvariant zich tot de kans op sterfte bij de «gewone» seizoensgriep?
Er zijn nog te weinig gegevens bekend om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over de sterftekans bij de omikronvariant.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het volgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Sporters van TeamNL die met corona besmet zijn geraakt |
|
Jeanet van der Laan (D66), Pieter Omtzigt (Omtzigt), Jan Paternotte (D66) |
|
Barbara Visser (VVD), Paul Blokhuis (CU) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat een fors aantal sporters van TeamNL, die zouden deelnemen aan de spelen in Tokyo en die met de lijnvlucht KL861 naar Japan vertrokken, met het coronavirus besmet zijn geraakt?
Ja.
Heeft er ooit enig onderzoek plaatsgevonden en zijn er ooit lessen getrokken om te voorkomen dat dit opnieuw gebeurt, bijvoorbeeld bij de Olympische Winterspelen in Beijing in 2022? Zo ja, welke en zo nee, waarom niet?
Ja, de uitzending van de Nederlandse ploeg (TeamNL) naar de Olympische en Paralympische Spelen vindt plaats onder verantwoordelijkheid van NOC*NSF. NOC*NSF evalueert daarom bij iedere Olympische en Paralympische Spelen de uitzending naar het betreffende land, zo ook na de Spelen in Tokyo. Onderdeel van deze evaluatie was onder andere de reis en de daarbij van toepassing zijnde coronamaatregelen. NOC*NSF geeft aan dat er bij de uitzending van TeamNL naar Beijing 2022 een aantal reismaatregelen is aangepast, waaronder:
Hoe beoordeelt u het feit dat destijds sporters, die na jarenlang trainen en het weken of maandenlang leven in een coronabubbel en het dagelijks ondergaan van PCR-testen, zowel op Schiphol als in de KLM-vlucht urenlang tussen passagiers gezeten hebben die niet dat soort voorzorgsmaatregelen genomen hadden en daarna besmet geraakt zijn? Zijn hier excuses voor aangeboden?
NOC*NSF heeft aangegeven dat voor deze manier van reizen is gekozen met de kennis die op dat moment voorhanden was bij henzelf, het RIVM en andere gezondheidsautoriteiten om de TeamNL-delegatie op een zo veilig mogelijke manier te verplaatsen die zowel praktisch als financieel uitvoerbaar moest zijn. Dit in combinatie met de strikte veiligheidsmaatregelen die TeamNL-leden zelf namen. Geen enkel scenario zou een 0%-besmettingsrisico hebben gekend.
Ik ben er niet van op de hoogte of er excuses zijn aangeboden.
Kunt u aangeven welke aanvullende maatregelen China aan onze olympiërs oplegt na aankomst?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Het totale pakket van maatregelen dat aan deelnemers aan Beijing 2022 door China is opgelegd, is te vinden in de Playbooks, zie: https://olympics.com/ioc/beijing-2022-playbooks
Is het RIVM van mening dat vliegen met een enkele test vooraf voldoende veilig is, gegeven het feit dat bijvoorbeeld duidelijk geworden is dat een groot deel van de reizigers uit Zuid-Afrika kort voor het vliegverbod bij aankomst besmet bleek?
Ja, door het testen vóór vertrek van een reis wordt het risico beperkt. Tegelijkertijd wordt het risico niet tot nul gereduceerd. Het risico op het oplopen van een COVID19 infectie is afhankelijk van de mate waarin men contact heeft met een persoon die een COVID19 besmetting heeft en besmettelijk is. Dit geldt niet alleen voor de reis zelf, maar ook voor de contacten die een persoon heeft voorafgaand aan zijn reis, en tussen het moment van de test en het boarden. Deze factoren maken dat er altijd enig risico blijft bestaan dat iemand die voorafgaand aan een reis een negatieve test had daarna besmettelijk wordt. Met de huidige informatie en het daaruit volgende beleid is het kabinet van mening dat vliegen met een enkele test voldoende veilig is.
Welke voorzorgsmaatregelen gaat u samen met NOC-NSF en KLM nemen om ervoor te zorgen dat sporters voor de Olympische Spelen niet besmet raken met het coronavirus op de weg naar de spelen?
Het is aan NOC*NSF om ervoor te zorgen dat de TeamNL-delegatie op een veilige manier kan worden uitgezonden naar de Spelen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft NOC*NSF reeds aanvullende maatregelen genomen in afstemming met KLM en Schiphol. Waar dit onder mijn verantwoordelijkheid valt en waar ik NOC*NSF aanvullend kan ondersteunen bij een zo optimaal mogelijke voorbereiding van de TeamNL-ploeg voor de Spelen, kan NOC*NSF een beroep op mij doen. Zoals bijvoorbeeld al is gebeurd als het gaat om het tijdig laten vaccineren en boosten van de topsporters en staf en het uitzonderen van topsport op de coronamaatregelen.
Zijn die maatregelen volgens u voldoende?
Dit is niet aan mij om te beoordelen. Het is met name de verantwoordelijkheid van NOC*NSF, de organisatie van Beijing 2022, de betrokken vervoerders en de sporters zelf om ervoor te zorgen dat de TeamNL-ploeg fit en gezond aan de start kan verschijnen. Ik heb er alle vertrouwen in dat NOC*NSF op basis van hun jarenlange ervaring met uitzendingen naar de Spelen dit op een zorgvuldige en zo veilig mogelijke manier zal organiseren.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk binnen twee weken beantwoorden?
De inspanning is erop gericht geweest om deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het bericht dat de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Intensive Care en tevens OMT-lid stelt dat de modellen van de modelleurs nu veel optimistischer zijn terwijl Nederland nog steeds in een lockdown zit. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het interview met de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC), tevens Outbreak Management Team (OMT)-lid, waarin hij stelt dat de modellen van de modelleurs nu veel optimistischer zijn?1
Ik ben bekend met het genoemde interview.
Bent u zich ervan bewust dat Nederland in een zware lockdown zit?
Ik ben me ervan bewust dat er in Nederland zware maatregelen gelden.
Bent u bereid deze nieuwe modellen vandaag nog naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Kan worden aangenomen dat u niet gewezen hoeft te worden op artikel 68 van de Grondwet en uw informatieplicht aan de Kamer?
U vraagt naar de nieuwe modellen waarover de heer Gommers spreekt. Het RIVM werkt met twee modellen, een zogenaamd regressiemodel dat een prognose doet op basis van de meldingen en een transmissiemodel dat wekelijks gefit wordt op het aantal waargenomen IC-opnames per dag, en waar de beschikbare informatie over vaccinaties en het geplande aantal boostervaccinaties, de effectiviteit van vaccins, en de geschatte opbouw van immuniteit door doorgemaakte infectie in wordt meegenomen. De beschrijving van dit transmissiemodel is openbaar en wordt op basis van actuele informatie steeds bijgewerkt. De uitkomsten van dit model worden door het OMT gebruikt en deze uitkomsten worden ook regelmatig gepresenteerd in de technische briefings.
De heer Gommers sprak in het genoemde interview over het modelleerwerk dat het RIVM heeft gedaan ten behoeve van het OMT dat op 23 december jl. bijeen is geweest. Ik heb uw Kamer het advies dat gebaseerd is op dit 135e OMT op 24 december doen toekomen (kamerstuk 25 295, nr. 1706). Op 3 januari heb ik uw Kamer het advies gebaseerd op het 136e OMT doen toekomen. Dit advies heeft het OMT gemaakt op basis van nieuw modelleerwerk, waarbij opnieuw de laatst bekende gegevens zijn gebruikt.
Het vernietigende advies van de Raad voor de rechtspraak over de wetsvoorstellen 2G en 3G op de werkvloer, dat vlak voor kerst, met vijf weken vertraging, aan de Kamer gestuurd werd |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21), Pieter Omtzigt (Omtzigt) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Sander Dekker (VVD), Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u op 23 december jl. om 17.00 uur het advies van de Raad van de rechtspraak (Rvdr) over de wetsvoorstellen 2G en 3G op de werkvloer (Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen (Kamerstuk 35 971) en Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen (Kamerstuk 35 973)) aan de Kamer stuurde, in de wetenschap dat niemand het zou lezen en erover kon schrijven in de krant van 24 december jl. en dat op 27 december jl. niemand nog kijkt wat er op 23 december jl. verstuurd is?
Het advies van de Raad voor de rechtspraak (hierna: de Rvdr) is abusievelijk niet tezamen met de andere over de twee genoemde wetsvoorstellen uitgebrachte adviezen naar de Tweede Kamer gezonden. Met de brief van 23 december 2021 is deze omissie hersteld.
Heeft u kennisgenomen van de zeer fundamentele kritiek in het twaalf pagina’s tellende spoedadvies en dat u in de memorie van toelichting op beide wetsvoorstellen het advies slechts gedeeltelijk omschrijft en maar zeer summier ingaat op de kritiek van de Rvdr onder de kopjes «Gefragmenteerd karakter van wet- en regelgeving en (gedrags)adviezen van de overheid», «Maatschappelijke impact en gevolgen voor de rechtsstaat en toegang tot de rechter» en «Onduidelijkheid over noodzaak»?
Het kabinet neemt adviezen van consultatiepartners te allen tijde serieus en heeft zich rekenschap gegeven van de door de Rvdr gemaakte opmerkingen. Aan het advies van de Rvdr is zorgvuldig aandacht besteed. In het algemeen deel van de memories van toelichting bij de twee genoemde wetsvoorstellen is een samenvatting opgenomen van het advies van de Rvdr. Daarin zijn de opmerkingen van de Rvdr over de door de leden genoemde thema’s specifiek benoemd. Daarnaast is het advies van de Rvdr ook verwerkt in de wetsvoorstellen en de daarbij behorende memories van toelichting. Dit heeft geleid tot verschillende aanpassingen van de wettekst en van passages in de memorie van toelichting. Wanneer een onderdeel waar de kritiek op is gericht aldus is aangepast in het wetsvoorstel of de toelichting, behoeft deze kritiek geen uitgebreide repliek meer in de memorie van toelichting.
De ontwikkelingen in de epidemie volgen elkaar snel op en dat vraagt steeds om aanpassing van maatregelen. De wet- en regelgeving waarin deze maatregelen zijn vervat, is geconcentreerd in de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg). In het bijzonder in het tijdelijke hoofdstuk Va van die wet en de daarop gebaseerde regelingen. Beide wetsvoorstellen hebben betrekking op één onderdeel van dat hoofdstuk, namelijk de coronatoegangsbewijzen.
Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen geldt dat het wetsvoorstel na het uitbrengen van het advies door de Rvdr substantieel is gewijzigd. De mogelijkheid van een facultatieve inzet van het coronatoegangsbewijs (hierna: ctb) door een werkgever is geschrapt. Een groot aantal van de opmerkingen van de Rvdr had hierop betrekking. Deze behoefden om die reden geen bespreking meer in de memorie van toelichting. Naar aanleiding van het advies van de Rvdr is voorts aanleiding gezien om in paragraaf 1 duidelijker uiteen te zetten wat de voorgestelde maatregelen behelzen, hoe deze zich verhouden tot eventuele andere maatregelen en hoe het wetsvoorstel is ingebed in het systeem van hoofdstuk Va Wpg. Ook is paragraaf 3, waarin nader is ingegaan op de in geding zijnde grond- en mensenrechten en andere regelgeving, aangevuld.
Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen geldt eveneens dat het wetsvoorstel aanzienlijk is aangepast na het advies van de Rvdr. Zoals de Rvdr onder «Maatschappelijke impact en gevolgen voor de rechtsstaat en toegang tot de rechter» heeft geadviseerd, zijn in de memorie van toelichting de afwegingen omtrent grond- en mensenrechten aangescherpt en verduidelijkt. In de memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Rvdr ook vermeld dat het wetsvoorstel naar verwachting niet direct gevolgen heeft voor de toegang tot de rechter. Verder is in de voorgestelde wettekst nader afgebakend wanneer de inzet van 2G (gevaccineerd of genezen) noodzakelijk is. In de memorie van toelichting is beschreven in welke epidemiologische situaties en in welke gevallen deze noodzaak zich kan voordoen.
Heeft u kennisgenomen van de constatering van de Rvdr dat onduidelijk is wanneer de actuele epidemiologische en maatschappelijke omstandigheden een noodzaak creëren voor uitbreiding van de regelingen omtrent het coronatoegangsbewijs (CTB)? Erkent u dat hierdoor het vaststellen van subsidiariteit en proportionaliteit in principe onmogelijk wordt gemaakt?
We zijn niet van mening dat het vaststellen van subsidiariteit en proportionaliteit in principe onmogelijk wordt gemaakt. In de memories van toelichting bij beide wetsvoorstellen is ingegaan op de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van een wettelijke basis op grond waarvan bij ministeriële regeling kan worden besloten tot inzet van het ctb op de arbeidsplaats dan wel tot invoering van een 2G-maatregel in bepaalde sectoren. Indien in de toekomst op basis van de voorgestelde wettelijke regeling wordt besloten om het ctb in te zetten op de arbeidsplaats of de 2G-maatregel toe te passen, geldt als voorwaarde dat aan de hand van de actuele epidemiologische en maatschappelijke omstandigheden in concreto zal moeten worden gemotiveerd dat aan de eisen ter rechtvaardiging van de beperking van grond- en mensenrechten wordt voldaan. Deze concrete toetsing op het punt van nut, noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit is geborgd door de algemene waarborgen van artikel 58b, tweede lid, Wpg en de specifieke aanvullende waarborgen voor de inzet van het ctb, zoals die zijn opgenomen in de artikelen 58ra en 58rb Wpg.
Heeft u kennisgenomen van de opmerking van de Rvdr onder het kopje «Onduidelijkheid over noodzaak» dat zij een stip aan de horizon mist, en vindt dat onvoldoende duidelijk is gemaakt wanneer er een einde komt aan de noodzakelijkheid en proportionaliteit van deze maatregelen?
De hiervoor beschreven toetsing of aan de hand van de actuele epidemiologische en maatschappelijke omstandigheden in concreto aan de eisen ter rechtvaardiging van de beperking van grond- en mensenrechten wordt voldaan, moet telkenmale opnieuw worden verricht als de omstandigheden wijzigen. Het is dus niet zo dat de invoering van een ctb-plicht of 2G-maatregel per definitie geldt voor de resterende werkingsduur van de bepalingen van hoofdstuk Va Wpg. Op grond van artikel 58s, eerste lid, Wpg zendt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) maandelijks aan beide Kamers van de Staten-Generaal een voortgangsrapportage. Met de stand-van-zaken brieven die de Minister van VWS aan uw Kamer zendt, voldoet hij aan deze maandelijkse rapportageplicht. In het daaropvolgende debat dat uw Kamer met de Minister van VWS in de regel heeft, kan de Kamer desgewenst het voortduren van een eventuele verplichte inzet van het ctb of de 2G-maatregel aan de orde stellen. Artikel 58c, zesde lid, Wpg schrijft bovendien voor dat indien naar het oordeel van de regering een ministeriële regeling of een onderdeel daarvan niet langer noodzakelijk is voor de bestrijding van (een directe dreiging van) de epidemie van covid-19, die regeling daartoe zo spoedig mogelijk wordt gewijzigd of ingetrokken.
Heeft u kennisgenomen van de zeer cruciale zinsnede over het functioneren van het Outbreak Management Team (OMT) en het parlement, onder het kopje «Onduidelijkheid over noodzaak»: «De noodzaak en proportionaliteit worden in de memorie van toelichting nu in vrij algemene termen aangeduid, waarbij benadrukt wordt dat het inzetten van de bevoegdheden afhankelijk is van de adviezen van het OMT. Het is echter niet de taak van het OMT, maar van de wetgever om te toetsen aan grondrechten.»?
Zoals hiervoor in antwoord op vraag 3 is aangegeven, is in de memories van toelichting bij beide wetsvoorstellen ingegaan op de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van een wettelijke basis voor inzet van het ctb of invoering van een 2G-maatregel. Naar aanleiding van het advies van de Rvdr is paragraaf 3, waarin nader is ingegaan op de in geding zijnde grond- en mensenrechten en andere regelgeving, aangevuld. Indien in concreto wordt besloten tot de inzet van het ctb, dan wel de invoering van een 2G-maatregel dient in de toelichting bij de betreffende ministeriële regeling uiteengezet te worden dat aan de eisen ter rechtvaardiging van de beperking van grond- en mensenrechten (waaronder noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel) wordt voldaan. De adviezen van het OMT zijn van belang bij de besluitvorming, maar het is het kabinet dat de op een bepaald moment in het licht van de epidemiologische omstandigheden voorgenomen regelgeving in het licht van de grond- en mensenrechten in concreto toetst.
Wilt u alsnog uitgebreid ingaan op de punten van kritiek genoemd in de vragen 2 tot en met 5?
Zie hiervoor de antwoorden op de vragen 2 tot en met 5.
Heeft u de volgende twee belangrijke en kritische passages van het advies gelezen: «Gevolgen niet tonen CTB: doorbetaling loon, beëindiging dienstverband?» en «Ontslaggrond»?
Ja.
Waarom heeft u de kritiek in deze passages op het wetsvoorstel 3G op de werkvloer niet eens genoemd in de samenvatting van het advies in de memorie van toelichting, die u aan de Kamer gestuurd heeft? Waarom heeft u ervoor gekozen om niet op de kritiek te reageren, terwijl het hier toch gaat om een fundamenteel kritiekpunt op de wet, namelijk dat je mogelijk ontslagen kunt worden indien je geen CTB kunt tonen?
Er is op de kritiek van de Rvdr gereageerd. Naar aanleiding van het advies van de Rvdr is in paragraaf 3.5.1 van de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel uitgebreid ingegaan op de arbeidsrechtelijke aspecten in relatie tot een verplichte inzet van het ctb op de arbeidsplaats. Dat dit niet expliciet is benoemd in de samenvatting van het advies van de Rvdr in paragraaf 7, laat onverlet dat de regering zich wel rekenschap heeft gegeven van het advies.
Waarom heeft u de kritiek die in de punten «privacy» en «Onduidelijke strafbaarstellingen (artikel 68bis Wpg)' en minstens vijf andere punten niet eens genoemd in de samenvatting?
Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen geldt dat in navolging van het advies van de Rvdr in paragraaf 2 van de memorie van toelichting gegevens over de verspreidingssnelheid zijn vermeld. Voorts is in paragraaf 3.3, waarin nader wordt ingegaan op de Algemene verordening gegevensbescherming, expliciet vermeld dat met het wetsvoorstel geen wettelijke basis wordt geboden voor het op een andere manier registreren van de persoonsgegevens die met het tonen van de QR-code bekend worden en dat het evenmin een grondslag biedt om bij het lezen van het ctb (bijzondere) persoonsgegevens op te nemen in een bestand of op een andere wijze te verwerken in de zin van de verordening. Op de opmerkingen van de Rvdr over artikel 68bis Wpg is wel in de samenvatting ingegaan.
Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen geldt dat, anders dan verondersteld, wel is ingegaan op het punt «privacy». De Rvdr vraagt om verduidelijking van de grondslag van artikel 58re Wpg voor gegevensverwerking. De memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Rvdr verduidelijkt. Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat de opmerkingen van de Rvdr over artikel 68bis Wpg geen betrekking hebben op het wetsvoorstel Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen.
Tot slot wordt ten aanzien van beide wetsvoorstellen opgemerkt dat bij gebreke van nadere concretisering niet duidelijk is op welke andere vijf punten door de betreffende leden wordt gedoeld. In algemene zin geldt dat in memorie van toelichting pleegt te worden ingegaan op de hoofdlijnen van uitgebrachte adviezen en dat samenvattingen in de memorie van toelichting niet beogen een uitputtende beschrijving te geven van uitgebrachte adviezen. Die lijn is ook hier gevolgd. In dit verband zij ook gewezen op aanwijzing 4.44 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is neergelegd dat als «op hoofdpunten» in een regeling wordt afgeweken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, de redenen hiervan in de toelichting worden weergegeven.
Bent u bereid punt voor punt te reageren op de punten van kritiek van de Rvdr?
Wij verwijzen naar het hiervoor gegeven antwoord op vraag 9 en de weergave van de reacties in de daarvoor gegeven antwoorden. Daaruit volgt dat de regering zich rekenschap heeft gegeven van alle punten van het advies (dus ook de punten die niet in de samenvatting zijn genoemd) en dat dit tot aanpassingen van de wetsvoorstellen en de memories van toelichting heeft geleid. Wij zijn dan ook van mening dat daarmee recht is gedaan aan het advies van de Rvdr.
Herinnert u zich dat u in de memorie van toelichting schreef: «De Raad voor de Rechtspraak (hierna: Raad) heeft laten weten dat hij niet binnen de door de regering gestelde korte termijn kan adviseren. Dit in het bijzonder gelet op artikel 95, eerste lid, tweede zin, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat zijn adviezen worden vastgesteld na overleg met de gerechten. De regering onderschrijft het belang van naleving van de genoemde bepaling en begrijpt het standpunt van de Raad ten volle. Na het verstrijken van de gestelde termijn heeft de Raad alsnog advies uitgebracht, waarbij de Raad het onderhavige voorstel en het voorstel voor de Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen samen heeft beschouwd.»?
Ja.
Heeft u gelezen dat het advies van de Rvdr, dat op 17 november aan u gestuurd is, met de volgende passage begint: «Bij e-mail van 12 november 2021, verzocht u de Raad voor de rechtspraak (hierna: de «Raad») spoedadvies uit te brengen inzake de Tijdelijke wet uitbreiding coronatoegangsbewijzen (hierna: het «CTB-wetsvoorstel»). Bij e-mail van 15 november 2021 verzocht u tevens advies uit te brengen over het de Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen (hierna: het «2G-wetsvoorstel»). Gelet op de zeer korte adviestermijn en de samenhang tussen beide wetsvoorstellen (hierna: de «Wetsvoorstellen»), is in overleg met uw departement afgesproken om over beide wetsvoorstellen advies uit te brengen in één wetgevingsadvies.»?
Ja.
Klopt het dat de Rvdr dus binnen 48 uur een wetgevingsadvies heeft uitgebracht en daarmee nog niet voldeed aan de gestelde termijn? Hoe lang was de termijn die de Rvdr kreeg voor dit advies over een ingrijpend wetsvoorstel? Was dat een redelijke termijn?
Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen is aan alle geconsulteerde partijen op vrijdag 12 november 2021 verzocht om uiterlijk op maandag 15 november 2021 om 10.00 uur op het voorgelegde ontwerp te reageren. Ten aanzien van het wetsvoorstel Tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen is aan alle geconsulteerde partijen op 15 november 2021 verzocht om diezelfde dag om 16.00 uur op het voorgelegde ontwerp te reageren. Vanwege het spoedeisende karakter van beide wetsvoorstellen en de samenhang tussen de voorstellen zijn deze ongebruikelijk korte reactietermijnen gehanteerd. De betrokken partijen zijn van tevoren hierover bericht. In ambtelijk contact tussen de Rvdr en het Ministerie van Justitie en Veiligheid gaf de Rvdr aan dat de termijn niet haalbaar was in verband met het weekend en de wettelijke plicht de gerechten te horen, alsmede dat men zijn uiterste best zou doen om op woensdag 17 november 2021 te adviseren.
Bent u op de hoogte van artikel 95 van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat stelt: «De Raad heeft tot taak regering en Staten-Generaal te adviseren omtrent algemeen verbindende voorschriften en te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de rechtspleging. De adviezen van de Raad worden vastgesteld na overleg met de gerechten.»?
Ja.
Deelt u de mening van de Rvdr, dat dit advies is ex artikel 95 van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien de Rvdr het op de pagina voor wetgevingsadviezen die ex artikel 95 zijn uitgebracht, heeft gepubliceerd?1
Ja.
Hebben alle ministers die deelnamen aan de ministerraad kennis kunnen nemen van het oorspronkelijke wetgevingsadvies van de Rvdr voordat zij op 19 november jl. delibereerden over dit wetsvoorstel en besloten dat zij de Ministeriele Commissie COVID-19 (MCC) machtigden om de wetsvoorstellen in te dienen bij de Staten-Generaal? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Alle over de beide wetsvoorstellen uitgebrachte adviezen zijn kort beschreven in de memories van toelichting. Daarnaast waren deze adviezen desgevraagd beschikbaar ten behoeve van de ambtelijke voorbereiding van de besluitvorming in de Ministeriële Commissie Covid (MCC-19) op 22 november 2021 (gemachtigd door de ministerraad op 19 november 2021). Het is niet gebruikelijk dat de betreffende adviezen zelf deel uitmaken van de ministerraadstukken en dat was nu ook niet het geval.
Indien de ministers het advies niet gekregen hebben voor de discussie in de ministerraad, wat is dan het nut van het vragen van een advies aan de Rvdr, als je het advies verborgen houdt voor collegaministers en essentiële punten weglaat uit de memorie van toelichting?
Zoals uit het antwoord op de vorige vraag volgt, omvatten de ministerraadstukken – te weten de memories van toelichting – een samenvatting van het advies van de Rvdr en was het advies zelf desgevraagd beschikbaar ten behoeve van de ambtelijke voorbereiding van de besluitvorming in de minsterraad.
Waarom is het advies niet bij of vlak na indiening van de wetsvoorstellen aan de Staten-Generaal gestuurd, maar pas eind december, terwijl de coalitiepartijen even de neiging hadden om het wetsvoorstel in de eerste twee weken van december door de Kamer te duwen?
Het advies is abusievelijk niet tezamen met de andere over de twee genoemde wetsvoorstellen uitgebrachte adviezen naar de Tweede Kamer gezonden. De Rvdr heeft dit op 10 december 2021 ambtelijk gesignaleerd. Naar aanleiding van dit signaal is vanuit het Ministerie van VWS diezelfde dag bij de griffie van de Tweede Kamer verzocht of het advies kon worden nagezonden. Dat bleek alleen mogelijk te zijn indien het vergezeld werd van een aanbiedingsbrief van de Minister van VWS. Omdat op dat moment nog een tweede schriftelijke ronde over beide wetsvoorstellen gepland stond, was het voornemen om het advies van de Rvdr tezamen met de beantwoording van de schriftelijke vragen na te zenden. De Rvdr is daarover op 14 december 2021 ambtelijk bericht. Toen de Tweede Kamer vervolgens besloot om de tweede schriftelijke ronde te verplaatsen ná het kerstreces is alsnog besloten om het advies van de Rvdr vóór de Kerst separaat aan de Tweede Kamer na te zenden. De Rvdr is hierover op 23 december 2021 ambtelijk bericht.
Op welke wijze zijn er binnen de Europese Unie (EU) of bilateraal overleggen geweest over de wetten over 2G en 3G op de werkvloer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tijdens Europese overleggen hebben diverse lidstaten hun nationale maatregelen toegelicht. Invoering van 2G of 3G op de werkvloer vormt in sommige lidstaten onderdeel van de nationale maatregelen. Er heeft geen inhoudelijke discussie plaatsgevonden over deze maatregelen, die vallen onder de nationale competentie van de lidstaten.
Zijn er afspraken gemaakt binnen de EU of bilateraal om dit soort wetsvoorstellen voor te leggen dan wel in te voeren?
Maatregelen aangaande de nationale inzet van coronatoegangsbewijzen zijn voorbehouden aan de lidstaten zelf. Noch binnen de EU noch bilateraal zijn daarom afspraken gemaakt om dit soort wetsvoorstellen voor te leggen dan wel in te voeren.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en voor 3 januari 2022 beantwoorden, zodat de antwoorden meegenomen kunnen worden bij de inbreng van het nader verslag op 5 januari 2022? Realiseert u zich dat u dit overwerk op uw eigen hals gehaald heeft door het advies achter te houden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Zoals aan uw Kamer is bericht bij brief van 29 december 2021, lukte het niet om de gestelde vragen voor de gewenste datum van 3 januari 2022 te beantwoorden. Uw Kamer heeft de inbrengdatum voor het nader verslag verschoven en de beantwoording vindt voordien plaats. Wij wensen nogmaals te benadrukken dat het advies van de Rvdr niet is achtergehouden. Het advies is verwerkt in de betreffende twee wetsvoorstellen en louter vanwege een omissie niet tezamen met de andere uitgebrachte adviezen naar de Tweede Kamer gezonden.