De subsidieregeling van OP Zuid |
|
Martijn van Helvert (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de subsidieregeling van OP Zuid (operationeel programma Zuid-Nederland)?1
Ja, het betreft een uitwerking van het operationeel EFRO-programma Zuid-Nederland 2014–2020 waarvoor de provincie Noord-Brabant (Managementautoriteit) primair verantwoordelijk is.
Bent u op de hoogte van het feit dat, voorafgaand aan de inschrijving, is aangegeven dat inschrijvers reeds mochten starten met het project, hetgeen geen obstakel zou vormen voor toekenning van de subsidie?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de voorwaarden voor de subsidie na de sluitingstermijn alsnog zijn aangepast?3
Ik ben op de hoogte van het feit dat de toelichting bij de subsidieregeling op het punt van stimulerend effect is aangepast.
Wat is de reden van de aanpassing van de voorwaarden en in hoeverre is uw ministerie betrokken geweest bij de opzet en/of de wijziging van de voorwaarden voor onderhavige subsidieregeling?
Binnen het kader van de Europese (EFRO) verordening en nationale (EFRO) uitvoeringsregelgeving ligt de verantwoordelijkheid voor de opstelling en uitvoering van de subsidieregeling bij de provincie, die daarbij onder meer de algemene subsidievereisten en de Europese staatssteunregels in acht moet nemen.
Aan mijn ministerie is gevraagd hoe artikel 6 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV) – het Europese steunkader waarin de vereisten staan die bij de verstrekking van subsidie op grond van deze subsidieregeling in acht moeten worden genomen – moet worden geïnterpreteerd. Krachtens artikel 6 van de AGVV zijn de vrijstellingen uit die verordening slechts van toepassing op steun die een stimulerend effect heeft. Er is sprake van stimulerend effect wanneer de begunstigde van de steun een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend, vóórdat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Dit om te waarborgen dat de steun noodzakelijk is en als prikkel fungeert om activiteiten of projecten verder te ontwikkelen. De AGVV geldt niet voor activiteiten of projecten waartoe de begunstigde hoe dan ook, zelfs zonder de steun, zelf zou zijn overgegaan.
De Managementautoriteit had de regels zo geïnterpreteerd dat er ook sprake kan zijn van stimulerend effect als de schriftelijke steunaanvraag wordt ingediend nadatde werkzaamheden aan het project of de activiteiten waren aangevangen.
Voor de juiste interpretatie van het begrip stimulerend effect hebben mijn medewerkers de Managementautoriteit gewezen op de uitleg die de Europese Commissie geeft in onder meer de AGVV.
In hoeverre is er, bij het wijzigen van de voorwaarden, rekening mee gehouden dat bedrijven veel tijd en geld hebben gestoken in aanvragen die achteraf gezien geen kans maken?
De Managementautoriteit heeft mij laten weten op dit punt een afweging te hebben moeten maken. De Managementautoriteit is gehouden om de staatssteunregels op correcte wijze toe te passen. In de afweging woog zwaar mee dat bij het niet volgen van de juiste interpretatie, er projecten onrechtmatig gesubsidieerd zouden worden. Dit zou bij controles gevolgen kunnen hebben voor het gehele programma en bedrijven lopen daarbij het risico dat zij onrechtmatig verleende staatssteun moeten terugbetalen. Overigens is de AGVV ook door bedrijven zelf te raadplegen via bijvoorbeeld de website van de Europese Commissie.
Deelt u de vrees dat een dergelijke aanpassing achteraf, bedrijven in de toekomst zou kunnen ontmoedigen te innoveren?
Ik kan niet beoordelen of een dergelijke aanpassing van invloed is op de toekomstige bereidheid van bedrijven om te innoveren.
Deelt u de mening dat de overheid, door achteraf de spelregels te wijzigen, zich geen betrouwbare overheid heeft getoond? Hadden de bedrijven er terecht op moeten kunnen vertrouwen dat de vooraf aangegeven voorwaarden ook achteraf zouden gelden?
Op de vraag of de bedrijven er terecht op moeten kunnen vertrouwen dat de vooraf aangegeven voorwaarden ook achteraf zouden gelden, zal allereerst een standpunt moeten worden ingenomen door het betreffende bestuursorgaan. Van de beslissing op bezwaar kan in beroep worden gegaan bij de rechter die naar verwachting ook het staatssteunrecht hierbij zal betrekken.
Hoeveel ondernemingen (of clusters van bedrijven) hebben zich voor deze regeling in april 2015 ingeschreven? Hoeveel zijn er toegewezen? Hoeveel zijn er afgewezen?
Op basis van informatie die door de Managementautoriteit is verstrekt, blijkt dat in totaal 103 in behandeling zijn genomen. Hiervan zijn 36 aanvragen toegewezen en 67 aanvragen zijn afgewezen. Daarnaast zijn 8 ingediende aanvragen wegens onvolledigheid van de aanvraag niet in behandeling genomen.
Hoeveel aanvragen zijn afgewezen om reden van het achteraf alsnog niet voldoen aan de voorwaarde dat, voorafgaande aan de aanvraag, nog niet was aangevangen met het proces?
De Managementautoriteit heeft aangegeven dat het in totaal 8 aanvragen betreft. Dit zijn overigens niet de aanvragen die wegens onvolledigheid niet in behandeling zijn genomen (zie antwoord op vraag 8).
Hoeveel geld zit nog in deze subsidiepot?
De Managementautoriteit heeft mij laten weten dat er nog € 1,92 miljoen beschikbaar is.
In hoeverre bent u bereid om de aanpassing van de voorwaarde achteraf terug te draaien?
Aangezien het gaat om het in acht nemen van de Europese staatssteunregels zie ik daartoe geen mogelijkheid.
Het bericht dat de Europese Commissie de Nederlandse tax ruling als illegale staatssteun bestempelt |
|
Arnold Merkies |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de stelling dat in de tax ruling met Starbucks kunstmatige en complexe methoden zijn goedgekeurd om de belastbare winst voor de ondernemingen te bepalen en dat deze methoden de economische realiteit niet weerspiegelen?
Transfer pricing regels – al dan niet vooraf toegepast in een ruling – zijn soms complex, maar altijd gericht op een economisch realistische winstverdeling tussen concernonderdelen. Multinationale concerns zijn grote complexe organisaties, waar waardecreatie plaatsvindt door het verrichten van functies, het gebruik van activa en het lopen van risico’s. Die elementen zijn bovendien verdeeld over diverse landen. Elk multinationaal concern is anders georganiseerd, waardoor een gedegen analyse van het gehele feitencomplex onontbeerlijk is om vast te stellen in welke landen de waardecreatie plaatsvindt. De verdeling van de totale winst van een multinationaal concern over de afzonderlijke onderdelen daarvan kan daarom een complex proces zijn.
Het «arm’s length-beginsel» is de internationale standaard om een economisch realistische winstverdeling binnen een multinationale onderneming over de diverse landen vast te stellen.
Het «arm’s length-beginsel» zoals opgenomen in artikel 8b van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 en nader toegelicht in het verrekenprijsbesluit van november 2013 is in lijn met de OESO Transfer Pricing Guidelines. De OESO Transfer Pricing Guidelines kennen vijf verrekenprijsmethoden. In de APA met Starbucks Manufacturing EMEA BV is na een gedegen analyse de internationaal meest gebruikte OESO verrekenprijsmethode, de Transactional Net Margin Method (TNMM) gehanteerd, omdat die het beste past bij de functie die de Nederlandse belastingplichtige vervult binnen het gehele Starbucks concern. De OESO Transfer Pricing Guidelines geven immers aan dat een dergelijke eenzijdige methode toepasbaar is in gevallen waarin één van de betrokken partijen unieke bijdragen levert aan de transactie, terwijl de andere partij alleen routinematige bijdragen levert. In het geval van Starbucks betekent dit, omdat het branden van koffie als de routinematige functie (een zogenoemde less complex function) dient te worden aangemerkt, dat haar winst kan worden vastgesteld met behulp van de TNMM, waarbij gebruik gemaakt wordt van gegevens van vergelijkbare transacties tussen onafhankelijke derden. Bij de TNMM wordt een winstopslag toegepast op kosten, activa of omzet. Bij het vaststellen van de hoogte van de zakelijke winst van Starbucks Manufacturing EMEA BV, op basis van deze TNMM methode, heeft een vergelijking plaatsgevonden met winstgevendheid van onafhankelijke partijen die soortgelijke koffiebrandactiviteiten verrichten. De winstgevendheid van Starbucks Manufacturing EMEA BV is dan ook juist heel goed vergelijkbaar met de winstgevendheid van andere partijen die koffiebrandactiviteiten verrichten en weerspiegelt daarmee de economische realiteit.
De vaststelling van een arm's length winst van andere partijen in de waardeketen van Starbucks is de verantwoordelijkheid van de belastingautoriteit in het land van vestiging van deze partijen. De Nederlandse belastingdienst veronderstelt dat de betaalde prijs voor koffiebonen en de betaalde royalties bij de ontvangers daarvan hebben geleid tot een arm's length winst. Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou dat geen invloed hebben op de in Nederland vastgestelde arm's length winst.
Heeft het imago van Nederland volgens u een deuk opgelopen als gevolg van de uitspraak van de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie heeft eerder geconcludeerd dat de Nederlandse APA-/ATR-praktijk doorgaans werkt met een grondige beoordeling op basis van uitgebreide informatie die de belastingplichtige moet verschaffen.1 Ook de Algemene Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de rulingpraktijk zorgvuldig is. Het besluit van de Europese Commissie betreft een individuele zaak. Het is op dit moment daarom onjuist om te concluderen dat met het besluit van de Europese Commissie in de Starbucks zaak de geloofwaardigheid van Nederland op het spel is komen te staan.
Kunt u zo helder mogelijk aangeven waarop de Europese Commissie baseert dat de royalty die Starbucks Manufacturing aan Alki betaalt de marktwaarde niet weerspiegelt? Kunt u daarbij aangeven waarop u baseert dat deze wel marktconform zijn?
De Europese Commissie is van oordeel dat de in de APA gehanteerde TNMM-methode niet de juiste verrekenprijsmethode is. De Europese Commissie komt op basis van een comparable uncontrolled price analyse (CUP)2 tot het oordeel dat de hoogte van de royalty voor Starbucks Manufacturing EMEA BV nul zou moeten zijn. Starbucks Manufacturing EMEA BV zou dus niet mogen betalen voor de aan haar ter beschikking gestelde intellectuele eigendom. Tevens geeft de Europese Commissie aan dat de betaalde royalty’s niet zakelijk zouden zijn omdat Starbucks Manufacturing EMEA BV in haar optiek geen enkel zakelijk voordeel lijkt te halen uit het gebruik van het intellectuele eigendom.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven, is in de APA met Starbucks Manufacturing EMEA BV de zakelijke winst vastgesteld op basis van de TNMM. De winstgevendheid van de door de Europese Commissie gebruikte derde branders van koffie voor Starbucks is vergelijkbaar met de voor Starbucks Manufacturing EMEA BV vastgestelde winst.
Bij toepassing van de TNMM wordt dus niet de zakelijkheid van de royalty direct beoordeeld, maar de zakelijkheid van de winstgevendheid van de activiteiten van Starbucks Manufacturing EMEA BV in Nederland. Op deze wijze is het vaststellen van de waarde van het beschikbaar gestelde intellectuele eigendom volgens de Transfer Pricing Guidelines niet nodig.
Klopt het dat Starbucks Manufacturing voor knowhow betaalt, terwijl alle andere ondernemingen van de Starbucksgroep geen royalty hoeven te betalen voor gebruik van knowhow die in wezen hetzelfde is?
De vraag of andere partijen wel of geen royalty hoeven te betalen voor het gebruik van knowhow die in wezen hetzelfde is, is pas relevant als wordt vastgesteld dat die andere partijen vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden aangaan. In de visie van Nederland is dat in situaties waarin intellectueel eigendom een rol speelt niet snel het geval.
Indien er grote bedragen worden betaald aan royalty’s aan een brievenbusfirma in Engeland, vindt u het dan relevant om te weten of de daar ontstane winsten worden belast?
Zoals hiervoor uiteengezet, baseert de Nederlandse belastinginspecteur de hoogte van de Nederlandse belastingaanslag op de winst die verband houdt met de waarde toegevoegd door de in Nederland uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s. Indien feitelijk vast staat dat de waarde van bijvoorbeeld immateriële activa niet in Nederland wordt gecreëerd, kan derhalve de daarmee verband houdende winst ook niet door Nederland belast worden. Dit ongeacht het van toepassing zijnde belastingtarief in het andere land. Hoewel dit losstaat van de vraag of de aan Nederland toerekenbare winst juist is vastgesteld, wil ik hierbij nog opmerken dat in het BEPS-rapport voor verschillende situaties waarbij inkomensbestanddelen niet of pas op een later moment in de heffing worden betrokken, voorstellen zijn gedaan om dit tegen te gaan. Waar deze situaties bijvoorbeeld worden veroorzaakt door dispariteiten tussen belastingstelsels, zoals hybride mismatches, heb ik in mijn brief van 5 oktober jl.3 aangegeven in te zetten op bindende multilaterale afspraken in EU-verband die dit tegengaan.
Vindt u het, ongeacht de gekozen berekeningsmethode voor transfer pricing, relevant om te weten voor welke prijs het Nederlandse dochterbedrijf Starbucks Manufacturing BV bonen inkoopt bij het Zwitserse Starbucks Coffee Trading SARL?
De prijs voor ingekochte bonen is alleen relevant voor de Nederlandse belastingheffing voor zover die prijs de belastbare winst beïnvloedt. De relevantie is daarbij afhankelijk van de methode die wordt gebruikt om de Nederlandse belastbare winst te bepalen. Bij gebruik van een methode, waarbij alleen een marge wordt toegepast op de operationele kosten en de kosten van bonen daar gezien de feiten en omstandigheden conform de OESO Transfer Pricing Guidelines geen deel van uitmaken, is de hoogte van die prijs niet relevant. De Nederlandse belastinginspecteur stelt de hoogte van de Nederlandse belastingaanslag vast op de winst die verband houdt met de waarde toegevoegd door de in Nederland uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s.
Acht u het marktconform dat de marge op koffiebonen die Starbucks Manufacturing betaalt, sinds 2011 meer dan verdrievoudigd is?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe hoog volgens u de effectieve belastingheffing is bij Starbucks Manufacturing BV? Zo nee, waarom niet?
In de APA is de zakelijke winst voor de Nederland activiteiten van Starbucks Manufacturing EMEA BV vastgesteld. Deze winst is belast tegen het wettelijke tarief van de vennootschapsbelasting.
Een juridische analyse van de visie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op de Kip van Morgen |
|
Jaco Geurts (CDA), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dierenwelzijn in Nederland; civielrechtelijke regeling voor de «Kip van Morgen»»?1
Ja.
Zou volgens u een informele zienswijze van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) moeten voldoen aan de motiverings- en bewijsverplichtingen die gelden voor een besluit? Zo nee, waarom niet?
De ACM is net als elk overheidsorgaan gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel. In een informele zienswijze dient de ACM haar oordeel te motiveren. Wel ligt de lat hierbij lager dan bij een formeel besluit waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. Een informele zienswijze betreft geen formeel besluit van de ACM. Het instrument is bedoeld om ondernemingen in een vroegtijdig stadium duidelijkheid te verschaffen over de visie van de ACM op een concrete nieuwe rechtsvraag waarbij een groot economisch of maatschappelijk belang is betrokken.
Een informele zienswijze is een voorlopig oordeel en bindt de ACM en de betrokken ondernemingen niet. Het staat de ACM en eventuele andere bevoegde autoriteiten, zoals de Europese Commissie, vrij om in voorkomende gevallen anders te oordelen als daartoe aanleiding is.
Deelt u de constatering dat met de analyse van de ACM publieke belangen zoals duurzaamheid en dierenwelzijn eigenlijk niet meewegen omdat de ACM enkel kijkt naar wat de consument over heeft voor duurzaamheid of dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze constatering niet. De ACM volgt bij de beoordeling van duurzaamheidsinitiatieven de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid en haar eigen visiedocument mededinging en duurzaamheid. Bij deze beoordeling worden publieke belangen, zoals milieu en dierenwelzijn, meegenomen. Ik vind wel dat nog duidelijker gemaakt kan worden wat wel en niet kan en hoe bepaalde belangen meegenomen kunnen worden. Daartoe wordt de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid aangepast. Ik verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen.
Deelt u de constatering dat onder verwijzing naar het Wouters-arrest bij de toepassing van het kartelverbod rekening gehouden moet worden met het publieke belang dat met de betreffende afspraken mogelijk gediend wordt en dat in het geval van de Kip van Morgen niet hoeft te worden aangetoond dat de afspraken efficiëntievoordelen opleveren die ten goede komen aan de portemonnee van de eindgebruikers?
Bij de toepassing van het kartelverbod dient inderdaad rekening te worden gehouden met de publieke belangen die door de afspraak mogelijk worden gediend. Het Wouters arrest en andere jurisprudentie dienen hierbij te worden meegenomen. De concrete beoordeling of het kartelverbod al dan niet van toepassing is, is aan de ACM.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen nadere invulling te geven aan de leer van de inherente beperkingen?
In mijn brief aan eurocommissaris Vestager van 29 juni jl. heb ik aandacht gevraagd voor ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven binnen de leer van de inherente beperkingen. Op basis van de briefwisseling tussen de eurocommissaris en mij zijn medewerkers van de Europese Commissie en van mijn ministerie met elkaar in contact. Wanneer het overleg met de Europese Commissie is afgerond, kom ik daar bij uw Kamer op terug.
Deelt u de mening dat de ACM zonder uitvoerige motivering heeft vastgesteld dat bij de Kip van Morgen sprake is van een overtreding van het kartelverbod, terwijl sprake is van een inkoopafspraak en niet van prijs- en marktverdelingsafspraken of een capaciteitsreductiekartel? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Wel had ik graag gezien dat de afspraken rond de Kip van Morgen mogelijk waren geweest binnen de kaders van de Mededingingswet, omdat ik positief sta tegenover duurzaamheidsinitiatieven die door bedrijven of maatschappelijke organisaties worden genomen. De concrete beoordeling is echter aan de ACM.
Bent u van mening dat bij een mededingingstoets duurzaamheidswaarden niet alleen gemonetariseerd moeten worden, maar dat ook de voordelen die zich op langere termijn zullen voordoen meegewogen dienen te worden zoals de voorganger van de ACM in het verleden ook deed?
Ik ben inderdaad van mening dat bij een mededingingstoets de duurzaamheidsvoordelen die zich op langere termijn zullen voordoen, waarvan voldoende aannemelijk is dat ze zich daadwerkelijk gaan voordoen, meegewogen dienen te worden. Dit is ook genoemd in artikelen 2a en 2b van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid (Stcrt. 2014, 13375).
Vindt u dat de Willingness to pay-methode om het belang van consumenten in geld uit te drukken onvoldoende rekening houdt met het publiek belang en dat hierbij aanvullende onderzoeksmethoden gebruikt hadden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Bij de analyse van de Kip van Morgen door de ACM zijn verschillende onderzoeksmethoden gebruikt. Zo is gebruikgemaakt van de «willingness to pay»-methode om de waardering van consumenten van de effecten voor dierenwelzijn mee te nemen. Daarnaast is er, via een andere methode waarbij schaduwprijzen zijn gehanteerd, gekeken naar de waardering van de milieueffecten en de effecten voor de volksgezondheid. Bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid zal er aandacht zijn voor mogelijke andere methoden.
Bent u voornemens de in het artikel genoemde commentaarpunten, onder meer het expliciet meewegen van langetermijneffecten, mee te nemen bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Bent u bereid voor het eind van het jaar de gewijzigde Beleidsregel mededinging en duurzaamheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, wanneer kan de Kamer de gewijzigde Beleidsregel verwachten?
Ja. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven, verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen (Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196 nr. 354).
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met de Europese Commissie over de Europese mededingingsregels in relatie tot duurzaamheid?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur?
Ja.
Concurrentieverstoring door subsidieregelingen |
|
Helma Lodders (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aan Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland verstrekte subsidie voor het project «beveilig mijn boerenbedrijf» en de antwoorden op vragen over dit project?1
Deze subsidie en uw eerdere vragen daarover zijn mij bekend. Het is tevens zo dat LTO zelf de aanbieders van de producten heeft geselecteerd.
Klopt het dat LTO in combinatie met subsidieverstrekking per aangeboden product maar één leverancier heeft gekozen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om in het algemene beleid voor subsidieverstrekking de voorwaarde op te nemen dat brancheverenigingen, belangenverenigingen, of andersoortige tussenpartijen bij soortgelijke gesubsidieerde projecten meerdere leveranciers dienen te selecteren, zodat de concurrentie wordt bevorderd en tegelijkertijd contractvorming door de organiserende partij mogelijk blijft?
Het kabinet ziet geen aanleiding om, naast de geldende wet- en regelgeving ter bevordering van concurrentie, op dat terrein ook regels te stellen in specifieke subsidieregelingen. Zie verder de antwoorden op vragen van de leden Lodders en Ziengs aan de Minister van Veiligheid en Justitie (Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 3016).
Vermoedens van malversaties bij Vluchtelingenwerk Nederland |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met het bericht VluchtelingenWerk Nederland sjoemelt met miljoenen en verstoort de marktwerking?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal, dat Vluchtelingenwerk Nederland oneerlijke concurrentie pleegt?
De beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal distantieert zich van de aantijgingen aan het adres van Vluchtelingenwerk Nederland zoals omschreven in het artikel van dhr. Karskens. Vluchtelingenwerk Nederland geeft aan dat de aantijgingen in het artikel niet berusten op waarheid.
Klopt het dat de algemeen directeur van Vluchtelingenwerk Nederland een salaris krijgt van 120.000 euro per jaar? Deelt u de mening dat dit een exorbitant hoog salaris is voor een directeur van een organisatie die zegt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers in Nederland te behartigen en bovendien steunt op vele (9.000) onbetaalde vrijwilligers?
Het bruto salaris van 113.282 euro op jaarbasis is vastgesteld conform de Balkenende norm en voldoet aan de vastgestelde CAO voor Welzijn & Maatschappelijke dienstverlening. De normering is tevens gebaseerd op de Code Goed Bestuur voor goede doelen.
Hoe duidt u de klacht van meerdere commerciële taalaanbieders dat Vluchtelingenwerk Nederland in feite een monopolie heeft op de asielmarkt?
Vluchtelingenwerk Nederland biedt in een aantal regio’s inburgeringtrajecten aan. Van de 116 taalaanbieders in Nederland met het Keurmerk Blik op Werk (waarvan 23 een aspirant Keurmerk hebben), zijn er 10 verbonden aan Vluchtelingenwerk Nederland (waarvan er 5 tevens een aspirant Keurmerk hebben). Van een monopoliepositie is geen sprake.
Deelt u de mening dat de situatie dat WW-ers onder bepaalde voorwaarden op vrijwillige basis aan de slag kunnen gaan bij een organisatie die door de Belastingdienst is aangewezen als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) een onwenselijke verstoring van de marktwerking oplevert? Zo ja, hoe gaat u deze situatie beëindigen?
Taalaanbieders met het Keurmerk Blik op Werk moeten voldoen aan strenge eisen. Een van deze eisen is dat de lessen worden gegeven door gecertificeerde NT2 docenten. De inzet van vrijwilligers is complementair en zij kunnen alleen worden ingezet naast de betaalde docent. Van verstoring van de marktwerking is dan ook geen sprake.
Hoe beoordeelt u de samenwerkingsconstructie tussen Vluchtelingenwerk Nederland en de Prins & Heida Holding B.V.? Deelt u de zorgen dat hier in ieder geval de schijn van oneerlijke concurrentie is gewekt? Bent u bereid een diepgaand onderzoek naar deze samenwerkingsconstructie te verrichten en te onderzoeken of er wellicht sprake is van oneerlijke concurrentie, ook in het kader van Europese regelgeving?
Ik deel uw zorg niet. De regionale stichtingen van Vluchtelingenwerk Nederland staan vrij om samen te werken met andere partijen. In het geval van de Prins & Heida Holding B.V. bieden zij en VWN naast elkaar inburgering en taalcursussen aan. Hierbij wordt soms gebruik gemaakt van elkaars docenten conform de vraag van de markt.
Het rapport van de Europese Rekenkamer over aanhoudende problemen bij EU-aanbesteden |
|
Bas van 't Wout (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het speciale rapport nr. 10/2015 van de Europese Rekenkamer over «Efforts to address problems with public procurement in EU cohesion expenditure should be intensified»? Wat vindt u van de uitkomsten van dit rapport?1
Onderhavig special report is niet het eerste rapport waarmee de Europese Rekenkamer (ERK) in beeld brengt dat er tekortkomingen zijn in de naleving van Europese aanbestedingsregels bij de besteding van EU-fondsen. Bij de jaarlijkse «Déclaration d’Assurance» (jaarverslag) vermeldt de ERK steevast welk aandeel in het algemene foutenpercentage is toe te rekenen aan fouten bij openbare aanbestedingen in lidstaten. Voor onderhavig special report bouwt de ERK voort op data die tussen 2009 en 2013 voor dit jaarverslag zijn verzameld. Bij circa 40% van de gecontroleerde projecten trof de ERK aanbestedingsfouten aan. Uiteraard is dit voor het kabinet zorgelijk. Het verbeteren van de hoge foutenpercentages bij EU-fondsen is al jarenlang een speerpunt van Nederland, dat bijvoorbeeld tot uiting komt tijdens de jaarlijkse dechargeprocedure van de EU-begroting. Naleving en handhaving van de aanbestedingsregels is van belang om ervoor te zorgen dat publieke middelden op de best mogelijke manier worden ingezet. Zowel de Europese Commissie als diverse lidstaten hebben actie ondernomen om de situatie te verbeteren. Zolang dit zich echter niet vertaalt in lagere foutenpercentages en in een lager aantal fouten zal Nederland blijven aandringen op nadere verbetermaatregelen.
Bent u er ook van geschrokken dat de Europese Rekenkamer in 40% van de gecontroleerde projecten fouten heeft ontdekt bij het Europees aanbesteden? Klopt het dat er in de periode 2007–2013 fouten gemaakt zijn bij de aanbesteding van maar liefst € 70 miljard aan Europese cohesiefondsen? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de aanbeveling van de Europese Rekenkamer dat als de situatie eind volgend jaar nog niet is verbeterd, de betalingen aan de betrokken lidstaten voor de periode 2014–2020 moeten worden opgeschort? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt genoemde aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en is van mening dat de Europese Commissie bij besteding van EU fondsen op strikte en uniforme wijze moet toezien op naleving door autoriteiten in lidstaten om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. Op die manier wordt economische ontwikkeling gestimuleerd. Zowel het tijdelijk opschorten van betalingen, het opleggen van financiële correcties als het starten van inbreukprocedures staan ter beschikking van de Europese Commissie, zoals voorgeschreven in de relevante EU-wetgeving. Het kabinet is van mening dat de Europese Commissie de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in dit rapport sterk ter harte moet nemen.
In hoeverre bent u van mening dat de Europese Commissie eerder gebruik moet maken van de inbreukprocedures met betrekking tot niet-naleving van de Europese aanbestedingsregels?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie financiële correcties dient op te leggen, indien lidstaten falen in het effectief Europees aanbesteden met als gevolg daarvan fouten bij de besteding van Europese lidstaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat het kabinet doen aan de wet- en regelgeving die vaak te complex is en mede daardoor fouten veroorzaakt in de besteding van Europese middelen, met name als het gaat om de aanbestedingsregels? Hoe kunnen deze aanbestedingsregels worden vereenvoudigd? Op welke wijze maakt dit onderdeel uit van het programma «better regulation»?
In maart 2014 zijn drie nieuwe EU-Richtlijnen op het gebied van aanbesteden gepubliceerd. Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen met succes sterk gemaakt voor verduidelijking van deze regelgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 1345). De deadline voor implementatie van deze Richtlijnen is 18 april 2016. De verwachting is dat het implementatiewetsvoorstel in oktober aan uw Kamer wordt gestuurd. In Nederland kunnen aanbestedende diensten daarnaast terecht bij Expertisecentrum aanbesteden, PIANOo, voor de uitleg van de aanbestedingsregelgeving. Juist voor de kleinere aanbestedende diensten kan PIANOo een belangrijke informatiebron zijn voor de toepassing van de regels.
De Commissie heeft onder de naam «better regulation» een beleidsagenda geformuleerd met onder andere als doel heldere en uitvoerbare EU wet- en regelgeving te ontwikkelen. Deze agenda moet er toe leiden dat onnodige regeldruk wordt vermeden en de beoogde doelen van EU-regelgeving zo goed mogelijk worden gehaald. Onderdeel van dit beleid is het Regulatory Fitness and Performance Programme (REFIT) dat met name gericht is op het evalueren en waar nodig aanpassen of intrekken van EU-regelgeving die onnodige regeldruk of problemen in de uitvoering met zich meebrengt. In het kader van REFIT kijkt de Commissie naar de implementatie van wet- en regelgeving op het gebied van aanbesteden. De Commissie heeft in haar meest recente mededeling over betere regelgeving (COM(2015)215) aangegeven in te zetten op simplificatie van de regelgeving van Europese fondsen.
Bij EU-subsidies in Nederland worden verschillende aanbestedingsplafonds gehanteerd voor aanbestedingen, die lager liggen dan de Europese regels, ofwel een kop op EU-regels; wat is de stand van zaken met betrekking tot de toezegging van het kabinet om na te gaan of kan worden vastgelegd dat aanvullende aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op EFRO- en ESF-projecten? Hoe wegen de ministers de voordelen van het gebruik van additionele lokale of regionale regels af tegen de administratieve lasten en de controlelasten?2
Momenteel wordt de mogelijkheid nog verkend om vast te leggen dat aanvullende regionale en lokale aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op EFRO en ESF-projecten. Daarbij worden de te behalen voordelen van het gebruik van additionele lokale of regionale regels afgewogen tegen de administratieve- en controlelasten. Zodra hierover nadere duidelijkheid bestaat, zal ik uw Kamer berichten. Overigens wordt Nederland in positieve zin genoemd in onderhavig rapport van de Europese Rekenkamer. Slechts een handvol landen waren in staat om gestructureerde data te verstrekken over aanbestedingsfouten die zij in recente jaren hadden gedetecteerd, te weten Italië, Nederland, België, Letland, Litouwen en Spanje.
Concurrentiebeperkend gedrag van PostNL |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over concurrentiebeperkend gedrag van PostNL?1
Ja.
Is het waar dat PostNL zijn concurrenten Van Straaten Post en Intrapost geen non-discriminatoire toegang wil geven tot zijn netwerk, maar een extra tarief van 10 cent per poststuk in rekening brengt?
PostNL heeft per 2015 tariefaanpassingen gedaan waardoor postvervoerbedrijven (concurrenten) een toeslag zouden moeten betalen voor het aanleveren van post, doordat ze gebruik maken van meer dan één afzenderadres. Naar aanleiding van een verzoek van postvervoerbedrijven heeft de ACM op grond van artikel 9 van de Postwet, dat inderdaad ziet op non-discriminatoire en transparante toegang tot het netwerk van PostNL, onderzoek gedaan naar de tariefwijziging.
Op basis van dat onderzoek heeft de ACM geconcludeerd dat de toeslag discriminatoir is ten opzichte van postvervoerbedrijven en heeft een last onder dwangsom opgelegd aan PostNL. De voorzieningenrechter heeft in lijn met de conclusie van de ACM geoordeeld dat PostNL artikel 9 van de Postwet heeft overtreden met de betreffende tariefaanpassingen.
Is het waar dat dit in strijd is met de Postwet, die toegang op non-discriminatoire voorwaarden voorschrijft? Is dat de reden dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft besloten dat deze tariefsverhoging niet toegestaan is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over dit concurrentiebeperkende gedrag van PostNL?
De ACM is bevoegd om op basis van de Mededingingswet en de Postwet 2009 onafhankelijk toezicht te houden op concurrentiebeperkende gedragingen van postvervoerbedrijven. Indien er een verschil van mening bestaat tussen de ACM en PostNL over de vraag of PostNL aan de wet voldoet, dan is het aan de rechter om daar een beslissing over te nemen. Dat is in onderhavig geval gebeurd.
Kunt u met PostNL in overleg treden, teneinde PostNL ertoe te bewegen geen hoger beroep in stellen tegen deze uitspraak van de rechtbank Rotterdam?
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht staat het PostNL vrij beroep in te stellen tegen het besluit van de ACM.
Wanneer is overeenstemming te verwachten tussen PostNL en de ACM over de kostenberekeningsmethode en de tariefruimte?
Op 14 september heeft de ACM vastgesteld dat de kostentoerekening van de UPD-verlener (PostNL) voldoet aan de eisen van de Postregeling 2009. Tevens heeft de ACM, op basis van de kostentoerekeningssystematiek en de kostentoerekening van PostNL, de tariefruimte voor 2016 vastgesteld. Dit besluit is op 28 september openbaar gemaakt, waarmee duidelijkheid over de kostentoerekening en de tariefruimte is verschaft. In mijn brief over de kostentoerekening aan de universele postdienst heb ik voorgesteld om leden van de Eerste en Tweede Kamer via een technische briefing nader inzicht te bieden in de kosten en baten van de UPD-verlener.
In overleg met de griffiers van de vaste commissie van Economische Zaken in de Eerste en Tweede Kamer wordt naar passende data gezocht.
Deelt u de mening dat op PostNL de verantwoordelijkheid rust om aan deze procedure vlot medewerking te geven, om zo duidelijkheid in de markt te creëren?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de Nederlandse energiemaatschappij (NLE) de voorwaarden wijzigt waardoor mensen een dubbele energierekening ontvangen |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Consumentenbond boos over «dubbele «energierekening»?1
Ja. Het betreft een bericht naar aanleiding van de brief die de Nederlandse Energiemaatschappij (NLE) in augustus aan haar klanten heeft gestuurd. In de brief informeert NLE haar klanten dat zij vanaf september hun termijnbedrag vóór de maand van levering gaan betalen, in plaats van aan het einde van de maand van de daadwerkelijke levering. Effectief betekent dit dat deze klanten van NLE op 25 september aanstaande eenmalig voor twee maanden moeten betalen, voor de levering in september en oktober. Vervolgens betaalt de klant het einde van iedere maand voor de levering van de daaropvolgende maand. Over een heel jaar gezien betaalt men dus niet meer.
Deelt u de mening dat een dubbele incasso van de energierekening een flinke financiële tegenvaller is voor klanten en mensen met een klein inkomen ernstig in de problemen kan brengen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De wijziging in de betalingscyclus van NLE zorgt voor een eenmalig dubbel incasso. Dit betreft een eenmalig dubbel incasso van circa € 162 voor een gemiddeld Nederlands huishouden.2 Een dubbel incasso van de energierekening kan met name voor mensen met een klein inkomen voor problemen zorgen. NLE houdt op verzoek van de klant rekening met de financiële situatie van de klant. Zo kan er een betalingsregeling worden afgesproken voor het dubbele incasso, waardoor bijvoorbeeld het tweede termijnbedrag gespreid over meerdere maanden betaald kan worden. Gezien het feit dat het gaat om een eenmalig dubbel incasso dat over meerdere maanden gespreid kan worden betaald, verwacht ik geen ernstige problemen voor mensen met een klein inkomen. Daarnaast heeft de klant ook het recht om het contract met NLE op te zeggen en over te stappen naar een andere energieleverancier.
Is er naar uw mening sprake van onzorgvuldig handelen door de Nederlandse energiemaatschappij (NLE), wanneer zij in hun informatie wel melden dat klanten die naar aanleiding van een dubbele incasso opzeggen dit kosteloos kunnen doen maar daarnaast niet tevens informeren over het feit dat ze bij het opzeggen van het contract hun welkomstbonus van € 110 verspelen?
NLE geeft in haar voorwaarden van de welkomstbonus («Kom erbij»-bonus) aan dat deze wordt uitgekeerd wanneer de klant de energienota iedere maand tijdig via automatische incasso voldoet. Voor het in aanmerking komen voor deze bonus moet de klant het gehele leveringsjaar voldoen aan deze voorwaarde. Het opzeggen van het contract binnen het leveringsjaar als gevolg van de wijziging van de betalingsvoorwaarden zorgt voor het vervallen van de welkomstbonus. Ik acht het wenselijk dat transparant wordt gecommuniceerd aan klanten. Daar past bij dat als klanten worden geïnformeerd over opzeggingsmogelijkheden, gewezen wordt op de gevolgen van de opzegging. Of NLE niet aan de wettelijke verplichtingen heeft voldaan voor het informeren van de klanten is ter beoordeling van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM). De klachten over de informatievoorziening ten aanzien van het vervallen van de welkomstbonus heb ik doorgegeven aan ACM. Het is aan ACM om een afweging te maken of zij dit al dan niet zal gaan onderzoeken en welke conclusies uit een eventueel onderzoek getrokken moeten worden.
Bent u van mening dat indien NLE «professionele wanbetalers» buiten de deur wil houden zij er beter voor kunnen kiezen om nieuwe klanten vooraf te laten betalen en financieel betrouwbaar gebleken bestaande klanten geen dubbele incasso af te dwingen?2 Zo nee, waarom niet?
In de Nederlandse geliberaliseerde energiemarkt kunnen consumenten zelf hun energieleverancier kiezen. De overeenkomst over de levering door de energieleverancier aan de consument, waaronder betalingsafspraken, is een privaatrechtelijke afspraak. Het staat de consument vrij om geen gebruik te maken van de dienst wanneer hij het niet eens is met de leveringsvoorwaarden. In de geliberaliseerde energiemarkt kan de consument gemakkelijk overstappen naar een van de vele energieleveranciers. Daarmee kunnen consumenten zelf bepalen en laten zien of de betalingsvoorwaarden van NLE redelijk zijn. Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over de betalingsvoorwaarden van een individuele onderneming.
Bent u bereid de Autoriteit Consument en Markt (ACM) – als controleur van de energiebedrijven – te verzoeken om de handelwijze van NLE ten aanzien van de instapkorting/welkomstbonus en het tussentijds wijzigen van het jaarcontract na te gaan? Zo nee, waarom niet?
De klachten over de informatievoorziening ten aanzien van het vervallen van de welkomstbonus en het wijzigen van de betalingsvoorwaarden heb ik doorgegeven aan de toezichthouder ACM. Het is aan ACM om een afweging te maken of zij dit al dan niet zal gaan onderzoeken.
Op welke wijze worden zijn energiebedrijven betrokken bij de kabinetsaanpak van armoede en schulden? Bent u bereid in gesprek te gaan met betreffende energieleverancier om mogelijke schuldenproblematiek door aangekondigd handelen te voorkomen? Zo ja, op welke wijze?
Nederland heeft een stelsel van verschillende maatregelen om energieconsumenten te beschermen. Ten eerste het algemene stelsel van sociale zekerheid dat burgers in staat stelt om hun basisbehoeften te bekostigen. Wanneer er toch mensen door moeilijke omstandigheden in de situatie komen dat zij hun energierekening niet kunnen betalen in verband met problematische schulden, dan zijn er de gemeenten om hen te helpen met schuldhulpverlening. Deze schuldhulpverlening is er in eerste instantie op gericht om ervoor te zorgen dat deze mensen hun maandelijkse rekeningen kunnen voldoen. Vervolgens kan er gewerkt worden aan afspraken met crediteuren over het terugbetalen van de schuld. Verder is in regelgeving vastgelegd dat een energieleverancier de consument met betalingsachterstanden bij de herinnering wijst op de mogelijkheden van schuldhulpverlening en aanbiedt, met schriftelijke toestemming van de consument, de contactgegevens en informatie over de hoogte van diens schuld te verstrekken aan een schuldhulpverleningsinstantie.
Naast het bovengenoemde sociale beleid en afsluitbeleid voor energie is er ook zelfregulering door de energiesector. De energieleveranciers (inclusief NLE) hebben een convenant gesloten met schuldhulpverleners om hun samenwerking te verbeteren. Het doel van dit convenant is om de schulden zo snel mogelijk te stabiliseren, zodat de energierekening weer betaald kan worden. Daarnaast wordt met de aanpak in het convenant beoogd de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden, opdat consumenten zo min mogelijk worden geconfronteerd met oplopende schulden. Sinds de invoering van dit beleid blijkt dat er minder mensen de schuldhulpverlening nodig hebben voor schulden voor energielevering en is het aantal afsluitingen gedaald. Gelet op deze maatregelen acht ik een apart gesprek met NLE over schuldenproblematiek niet noodzakelijk.
Het belemmeren van financiële start-ups door de Autoriteit Financiële Markten |
|
Wouter Koolmees (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan eisen dat een startende financiële onderneming maximaal zes personeelsleden mag hebben?1
Nee, de Autoriteit Financiële Markten (AFM) stelt uiteraard geen minimum- of maximumeis aan de omvang van een startende onderneming.
De artikelen 3:8 en 4:9 van de Wet op het financieel toezicht regelen dat het dagelijks beleid van financiële ondernemingen wordt bepaald door personen die daarvoor geschikt zijn. De Nederlandsche Bank (DNB) en de AFM toetsen de geschiktheid en hebben de wettelijke geschiktheidseis uitgewerkt in de Beleidsregel geschiktheid 2012. In de praktijk is gebleken dat de eis dat een beleidsbepaler beschikt over leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding te restrictief kan uitpakken voor een kleine onderneming. Derhalve is ervoor gekozen om voor een onderneming die bestaat uit ten hoogste zes personen, inclusief de betrokken beleidsbepaler(s), op dit punt minder strenge eisen gelden.
De versoepelingen houden in dat een beleidsbepaler de voor zijn geschiktheid vereiste kennis en vaardigheden in één (in plaats van twee) jaar mag hebben opgedaan en dat niet hoeft worden aangetoond dat de betreffende persoon beschikt over leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding. De gedachte achter deze versoepeling is dat beleidsbepalers die beschikken over geringe relevante werkervaring en die onvoldoende (hiërarchisch) leidinggevende ervaring hebben, een kans moeten krijgen om in de praktijk werkervaring op te doen in onder meer het hiërarchisch leidinggeven in een kleine setting met een gering aantal aan te sturen werknemers. Na een periode van een tot twee jaar (afhankelijk van de ervaring bij aanvang en na aantreden) kan een nieuwe (volledige) toetsing plaatsvinden om te beoordelen of de betreffende beleidsbepaler voldoet aan de volledige set geschiktheidseisen. Overigens kan de AFM in individuele gevallen afwijken van de Beleidsregel geschiktheid 2012 indien de toepassing daarvan onevenredige gevolgen zou hebben voor belanghebbenden wegens bijzondere omstandigheden, en die gevolgen niet in verhouding staan tot de met het beleid te dienen doelen.
De AFM stelt dus niet de eis of beperking dat een startende financiële onderneming maximaal zes personeelsleden mag hebben. De AFM kan wel duidelijk maken dat een kandidaat-beleidsbepaler nog niet aan alle geschiktheidseisen voldoet en dat hij derhalve vooralsnog alleen geschikt wordt geacht om aan een kleine onderneming leiding te geven. Het is aan de onderneming om te kiezen voor een groei naar meer dan zes personeelsleden, maar in dat geval zal het collectief van beleidsbepalers van de onderneming moeten voldoen aan de volledige set geschiktheidseisen.
Wat is de reden voor deze beperking en waarop is het maximum van zes personeelsleden gebaseerd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de wettelijke grondslag voor deze beperking?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit maximum een snelle groei van een startende onderneming nodeloos kan beperken, terwijl juist nieuwe toetreders kunnen zorgen voor meer concurrentie in de financiële sector? Bent u bereid om in overleg met de AFM dergelijke beperkingen te inventariseren en te heroverwegen?
Bij de toetsing op geschiktheid bij kleine financiële ondernemingen heeft de toezichthouder de taak om een balans te vinden tussen meerdere belangen. De toezichthouder let op het belang van een stabiele, gezonde financiële sector, of de onderneming het klantbelang voldoende centraal stelt en of de bescherming van financiële consumenten voldoende is gewaarborgd. In dat kader toetst de AFM of ondernemingen geleid worden door personen die geschikt zijn voor de uitoefening van het bedrijf van deze financiële onderneming. Tegelijkertijd let de toezichthouder op het belang van gezonde concurrentie in de sector door het faciliteren van nieuwe toetreders.
De hiervoor beschreven versoepeling van geschiktheidseisen voor kleine ondernemingen heeft juist die balans tot doel: beleidsbepalers die nog niet aan alle vereisten voor geschiktheid voldoen krijgen hierdoor de mogelijkheid om vaardigheden op te doen binnen een kleine onderneming, waardoor na verloop van tijd aan het volledige regime kan worden voldaan. Groei van de onderneming wordt hiermee dan ook niet belemmerd.
Het beter aanbesteden van architectuuropdrachten |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Kunt u de beoogde openheid van de markt meer gaan verzekeren door de veelal gehanteerde selectiecriteria, die nu het aantal potentiele inschrijvers betrekkelijk willekeurig lijken te beperken, te laten monitoren door een onafhankelijke organisatie? Zo nee, waarom niet?
Selectiecriteria worden door aanbestedende diensten gesteld bij een aanbestedingsprocedure die uit twee fasen bestaat om het aantal gegadigden dat zich heeft gemeld terug te brengen. Alleen de geselecteerde bedrijven mogen een offerte indienen, waardoor niet alle potentiële gegadigden kosten hoeven te maken voor het opstellen van een offerte. In de aankondiging voor een overheidsopdracht, die openbaar is, moet een aanbestedende dienst aangeven welke objectieve selectiecriteria hij zal hanteren en welke weging aan die criteria wordt toegekend. Indien ondernemers worden geconfronteerd met selectiecriteria die willekeurig of niet vooraf gepubliceerd zijn, kan de ondernemer een klacht indienen bij de aanbestedende dienst. De ondernemer kan daarna een advies van de Commissie van Aanbestedingsexperts vragen over de betreffende casus. Ook kan hij de zaak voorleggen aan de rechter. Daarnaast volgen diverse brancheorganisaties aanbestedingen in hun branche actief, en attenderen zij aanbestedende diensten op aspecten in aanbestedingen die in hun ogen onjuist zijn. Ik zie geen aanleiding om daarbovenop aanbestedende diensten te laten monitoren door een onafhankelijke organisatie.
Kan – in navolging van de tussentijdse evaluatie van de Commissie van Aanbestedingsexperts1 – ook de «Gids proportionaliteit» geëvalueerd worden? Zo ja, kunt u daar het veld bij betrekken en expliciet de handhaving van in de gids voorgestelde maatregelen nagaan?
De Gids proportionaliteit is onderdeel van de evaluatie van de Aanbestedingswet 2012. Over de uitkomsten daarvan is uw Kamer, zoals aangegeven bij vraag 3 van de bovenstaande set Kamervragen geïnformeerd.
Bent u bekend met het feit dat aanbesteders competenties van architecten stapelen in één referentie-eis, iets dat nadrukkelijk verboden is volgens de Gids proportionaliteit? Neemt u daarbij het advies van de Commissie van Aanbestedingsexperts over? Zo nee, waarom niet?
Indien door de vraagsteller wordt gedoeld op advies 52 van de Commissie van Aanbestedingsexperts ben ik bekend met het advies dat de voorschriften uit de Gids proportionaliteit in het betreffende geval niet zijn nageleefd. Het advies van de Commissie strekt ter beoordeling van een klacht en richt zich daarmee op de betrokken partijen. Ik heb daar geen rol in.
Kunt u een snelle en toegankelijke procedure (laten) instellen voor gevallen waar de proportionaliteitsgids niet wordt gerespecteerd?
De Commissie van Aanbestedingsexperts biedt een snelle en laagdrempelige procedure voor aanbestedingsklachten. Ondernemers kunnen de Commissie verzoeken te bemiddelen of niet-bindend advies te geven in het geval een aanbestedende dienst in een aanbesteding in strijd met de Gids Proportionaliteit handelt. De Commissie is recent geëvalueerd. In de evaluatie komt naar voren dat ruimte is voor verbetering ten aanzien van de doorlooptijd van de adviezen. In de brief over de evaluatie van de Commissie van Aanbestedingsexperts (32 440, nr. 90) heb ik aangegeven op welke wijze de Commissie de doorlooptijd verder wil verkorten.
Bent u bereid een onafhankelijke organisatie, zoals Architectuur Lokaal, meer ruimte te geven voor verplichtende adviezen en ruimte te geven tot het opleggen van sancties wanneer verboden vanuit de Gids proportionaliteit niet nageleefd worden? Zo nee, waarom niet?
Bij de oprichting van de onafhankelijke Commissie van Aanbestedingsexperts is bewust de keuze gemaakt dat adviezen niet-bindend zijn. De Commissie van Aanbestedingsexperts vormt geen extra rechtsgang, maar biedt een vrijblijvende en laagdrempelige mogelijkheid om naast reeds bestaande mogelijkheden een geschil op te lossen. Op ieder gewenst moment kan het geschil bij de rechter aanhangig worden gemaakt. De bovengenoemde evaluatie geeft geen aanleiding om in afwijking daarvan een andere organisatie wel de bevoegdheid te geven bindende adviezen te geven.
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid bestaat om aanbestedingsprocedures, inclusief het verloop daarvan, openbaar te maken, waarna de «tracking» eindigt in publicatie van de resultaten en verantwoording van de gunning? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij gepubliceerde aanbestedingen zijn de belangrijkste aanbestedingsdocumenten openbaar waaronder de aankondiging, de offerteuitvraag en de publicatie van de aankondiging van de gunning. De inhoudelijke motivering van de afwijzing van bedrijven die de opdracht niet gegund krijgen wordt bij alle aanbestedingen, zowel gepubliceerde als onderhandse, rechtstreeks aan de betrokken ondernemer gestuurd. Dit geldt ook voor de inhoudelijke motivering van de toewijzing van een opdracht aan de inschrijver die de aanbesteding gewonnen heeft. Het openbaar maken van ingediende offertes mag op grond van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet 2012 niet en is vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt onwenselijk aangezien deze bedrijfs- en concurrentiegevoelige informatie kunnen bevatten en openbaarmaking schadelijk kan zijn voor de betrokken ondernemer in een volgend aanbestedingstraject.
Bent u bereid om de, in 2013, weggevallen structurele financiering te heroverwegen2 en een EU-pilot-project op te starten waarbij men zou kunnen komen tot een «EU-Golden Standard» die vervolgens door Nederland kan worden doorontwikkeld om innovatief, digitaal en transparant aan te besteden?
Zoals ik eerder in reactie op een gelijkluidend verzoek richting uw Kamer heb aangegeven (33 750 XIII) richten zowel PIANOo als Architectuur Lokaal zich op het verbeteren van professioneel opdrachtgeverschap door aanbestedende diensten. Architectuur Lokaal doet dit echter alleen voor de architectenbranche, PIANOo voor alle branches en alle aanbestedende diensten. Daarom kies ik ervoor het beschikbare budget aan PIANOo te besteden. PIANOo heeft op haar website marktdossiers waarin specifieke informatie wordt gegeven over branches. Daarbij is ook een marktdossier architecten dat PIANOo samen met Architectuur Lokaal en BNA, de branchevereniging van architectenbureaus, vult.
TenderNed |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat de eerdere vragen over TenderNed (2015Z11872) ertoe hebben geleid dat meldingen over storingen minder vaak op het twitter-account van TenderNed worden gemeld of verwijderd zijn?1
Er is één melding van een storing verwijderd, omdat de storing al verholpen was direct na het plaatsen van de tweet. Een gedeelte van de infrastructuur van TenderNed is daarnaast op maandag 22 juni jl. aangepast. Dat heeft mogelijk geleid tot de oplossing van een belangrijk knelpunt. De resultaten worden gemonitord.
Vertraging bij de aanleg van een centraal beveiligingssysteem op Schiphol |
|
Mei Li Vos (PvdA), Henk Leenders (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over vertraging bij de aanleg van een centraal beveiligingssysteem op Schiphol? 1
Ja.
Gaat de opleveringsdatum van 3 juni gehaald worden? Klopt het dat Schiphol financieel zwaar in de problemen komt als dit niet zo is?
Schiphol investeert om over te kunnen stappen van decentrale beveiliging (aan de gate) naar centrale beveiliging. Schiphol verwacht (zoals gepland) op 3 juni over te stappen naar centrale beveiliging. Het totale bouwproject omvat verschillende deelopleveringen. De eerste deeloplevering heeft plaats gevonden in 2013. Naar verwachting wordt het laatste deel opgeleverd in de eerste helft van 2016. Dit staat invoering van het centrale beveiligingsproces op 3 juni niet in de weg.
Schiphol komt financieel niet in de problemen als de datum van 3 juni onverhoopt niet wordt gehaald.
Klopt het dat de complexiteit van de verbouwing is onderschat?
Schiphol investeert om over te kunnen stappen van decentrale beveiliging (aan de gate) naar centrale beveiliging. Door de investering in centrale beveiliging verbetert de kwaliteit voor passagiers en wordt het beveiligingsproces efficiënter. Het centraliseren van het beveiligingsproces leidt binnen afzienbare termijn tot besparingen voor luchtvaartmaatschappijen. Iets wat van groot belang is voor onze luchtvaartsector om de luchthaventarieven concurrerend te houden.
De ombouw van decentrale naar centrale beveiliging betreft een zeer complexe verbouwing, net als veel andere bouwprojecten op Schiphol. Schiphol onderkent dit en heeft dat in dit geval ook vanaf het begin besproken met belanghebbenden. In de afgelopen jaren heeft Schiphol regelmatig gerapporteerd over de risico’s die verbonden zijn aan dergelijke grote projecten2.
De complexiteit heeft meerdere oorzaken. De luchthaven is tijdens de verbouwing continu open, er is afstemming nodig met verschillende stakeholders, de kwaliteit voor passagiers moet op peil worden gehouden én de veiligheid moet gegarandeerd blijven. Schiphol houdt in haar planning rekening met deze omstandigheden. Daarnaast hebben sectorpartijen aanvullende wensen kenbaar gemaakt gedurende het proces, die nog zijn verwerkt. Dit is niet ongewoon, omdat bij een dergelijk ingewikkeld traject vaker tijdens de uitvoering aanvullende wensen duidelijk worden, die eerder niet konden worden voorzien. Dit leidt tot betere kwaliteit voor de luchtvaartmaatschappijen en reizigers.
Kosten die te maken hebben met luchtvaartactiviteiten, waaronder investeringen, mogen volgens de tariefregulering doorberekend worden in de luchthaventarieven van Schiphol. De «Benchmark luchthavengelden en overheidsheffingen 2014»3 toont aan dat de grote concurrerende luchthavens aanzienlijk duurder zijn dan Schiphol. Slechts drie van de onderzochte luchthavens zijn goedkoper (Brussel, Istanbul en Dubai). De stijging van de luchthaventarieven tussen 2003 en 2014 is op Schiphol zelfs het kleinst.
De directie van Schiphol heeft de aandeelhouder reeds langer geleden bericht dat uit observaties blijkt dat er ruimte is voor verbetering op het gebied van asset- en contractmanagement. Vervolgens heeft Schiphol onafhankelijk onderzoek laten doen naar haar investerings- en aanbestedingsproces. Dit onderzoek heeft bevestigd dat Schiphol marktconform inkoopt, maar gegeven de vaak bijzondere omstandigheden waaronder verbouw en nieuwbouw op de luchthaven plaatsvindt en de bijzondere vereisten ten aanzien van veiligheid, liggen prijzen hoger dan bij een gemiddeld (bouw)project.
Schiphol werkt continu aan de verdere professionalisering en kwaliteit van haar organisatie, ook op het gebied van aanbestedingen. Ruim 50 procent van de kosten van de luchthavenactiviteiten is direct gerelateerd aan de infrastructuur (de assets) van Amsterdam Airport Schiphol. Schiphol is begin 2013 begonnen met het programma «Asset Wise!». Daarmee wil Schiphol optimale waarde en levensduur uit haar infrastructuur halen, wordt het kostenbewustzijn vergroot en wordt veel aandacht besteed aan het beheersen van kosten.
Klopt het dat dit onderdeel is van een breder probleem, waarbij wel vaker onvoldoende wordt nagedacht over de eisen aan verbouwingen en bouwwerken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat dit leidt tot te hoge kosten, omdat dit tot onvoorziene situaties en vertraging leidt?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat dit weer leidt tot te hoge tarieven en zo de concurrentiepositie ondergraven wordt?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat onnodig hoge kosten van verbouwingen en bouwwerken leiden tot hogere kosten voor de reiziger, naast die voor de belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat verspilling bij staatsdeelnemingen indirect leidt tot hogere kosten voor de belastingbetaler, en dus de aandacht zou moeten hebben van het Ministerie van Financiën namens diezelfde belastingbetaler?
Een minder efficiënte bedrijfsvoering zou kunnen leiden tot hogere prijzen voor klanten (in dit geval luchtvaartmaatschappijen) en een lager rendement voor de aandeelhouder.
Het publieke belang van Schiphol (onder meer netwerkkwaliteit) is het beste geborgd met een kwalitatief hoogwaardige luchthaven en concurrerende tarieven. De staat als aandeelhouder ziet het dan ook als zijn verantwoordelijkheid om de directie en raad van commissarissen van Schiphol (net als andere staatsdeelnemingen) actief te bevragen over onder meer het kostenniveau en de efficiëntie van de bedrijfsvoering, waarvoor de directie en raad van commissarissen in de eerste plaats verantwoordelijk zijn. Hierboven is reeds uiteengezet dat de tarieven op Schiphol concurrerend zijn vergeleken met andere grote luchthavens. Voorts genereert Schiphol een solide rendement voor haar aandeelhouders.
Kunt u de Algemene Rekenkamer (ARK) verzoeken om een onderzoek te starten naar de doelmatigheid en doeltreffendheid aan aanbestedingen en opdrachtverlening met betrekking tot bouwprojecten op Schiphol?
Het betreft operationele aangelegenheden, waarvoor de directie en raad van commissarissen van Schiphol verantwoordelijk en aanspreekbaar zijn. Bovendien geeft de kostenontwikkeling in Schiphol geen aanleiding tot een dergelijk onderzoek. Hetzelfde geldt voor de gang van zaken rond het centraal beveiligingssysteem, zoals beschreven in het antwoord op de vragen 3 tot en met 7.
Deelt u de mening van de ARK in haar rapport van 7 april 2015, dat voor een echt actief aandeelhouderschap meer bevoegdheden nodig zijn, die ook daadwerkelijk uitgeoefend moeten gaan worden?
Ik onderschrijf de vaststelling van de Algemene Rekenkamer dat de staat nog niet bij alle deelnemingen de formele aandeelhoudersbevoegdheden heeft die hij wenst. Vandaar dat in de Nota Deelnemingenbeleid 2013 is aangekondigd dat de statuten bij alle deelnemingen kritisch worden bezien en waar nodig gewijzigd. Dit wordt gefaseerd aangepakt en ik zal in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2014 rapporteren over de voortgang. Hierbij merk ik ook op dat actief aandeelhouderschap een regelmatig en frequent contact met de staatsdeelnemingen inhoudt. Daarvoor zijn geen statutaire bevoegdheden nodig. Dit frequente contact geeft in de praktijk vaak al ruime mogelijkheden tot het uitoefenen van invloed langs informele weg op de koers en besluiten van een deelneming. Het vastleggen van bevoegdheden in de statuten betreft dan ook in veel gevallen (deels) een formalisering van de bestaande praktijk.
Wanneer zal in dat kader de goedkeuringsdrempel van 586 miljoen euro voor investeringen omlaag gaan en naar welk niveau?
Zoals gemeld in de beantwoording van de Kamervragen over het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen4 zullen, nadat de discussie met de deelnemingen over de goedkeuringsdrempels voor investeringen is afgerond, de gewijzigde goedkeuringsdrempels met de Kamer worden gedeeld.
Deelt u de mening van de ARK dat relevante bevoegdheden vastgelegd moeten worden in de statuten (art. 2:129 BW)?
Ja, zie verder het antwoord op vraag 10.
Kan voortaan een aanbestedings- en bouwplan, naast een algemeen strategieplan, ter goedkeuring worden voorgelegd aan de aandeelhouder?
In de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid heb ik uiteengezet welke bevoegdheden de staat als aandeelhouder wenst te verankeren. Daarvan maken genoemde plannen geen onderdeel uit, aangezien het daarbij gaat om operationele aangelegenheden waarvoor de directie en raad van commissarissen van Schiphol verantwoordelijk zijn. De aandeelhouder spreekt de luchthaven aan op het kostenniveau en de mate waarin het bedrijf een concurrerende positie heeft.
Het zogenaamde Masterplan van Schiphol, waarbinnen deze investering plaatsvindt, wordt door Schiphol uitgebreid geconsulteerd met luchtvaartmaatschappijen. Ook worden andere belanghebbenden geïnformeerd, zoals de ministeries van IenM en Financiën. In samenspraak met de luchtvaartmaatschappijen wordt dit plan verder uitgevoerd. Deelprojecten uit het plan worden ter goedkeuring voorgelegd aan de aandeelhouders indien deze boven de investeringsdrempel, zoals vastgelegd in de statuten, vallen. De belanghebbenden worden door Schiphol op de hoogte gehouden van de voortgang.
Kunt u ervoor zorgdragen dat de ARK voortaan ook onderzoek kan doen naar (kleine) dochterbedrijven van staatsdeelnemingen?
De huidige Comptabiliteitswet 2001 schrijft voor dat de Algemene Rekenkamer ter plaatse onderzoek kan verrichten bij deelnemingen waarin de staat het gehele of nagenoeg het gehele aandelenkapitaal houdt. De Algemene Rekenkamer kan op basis van de Comptabiliteitswet 2001 geen onderzoek ter plaatse verrichten bij dochterondernemingen van staatsdeelnemingen. Dat wil overigens niet zeggen dat de Algemene Rekenkamer geen informatie kan verkrijgen over de dochteronderneming. De Algemene Rekenkamer kan door tussenkomst van de betrokken Minister nadere inlichtingen inwinnen bij de onderneming waarin de staat ten minste 5% van de aandelen heeft. Het doorvoeren van wijzigingen in de voorgenoemde bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer vergt een wijziging van artikel 91 van de Comptabiliteitswet 2001. Eerder heeft de Raad van State advies uitgebracht over de toegang van de Algemene Rekenkamer bij staatsdeelnemingen.5 In het advies concludeert de Raad van State dat hij in het algemeen geen aanleiding ziet om tot een wijziging van het stelsel van artikel 91 van de Comptabiliteitswet 2001 te komen.
De nauwe banden op Curaçao tussen het bestuur en de (illegale) gokindustrie |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Waarom meent u dat de mogelijke invloed van de (illegale) gokindustrie op het bestuur een «autonome aangelegenheid» is van het land Curaçao?1 Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor de Rijksministerraad om goed bestuur te verzekeren op Curaçao? Op welke wijze hebt u in dit verband de regering van Curaçao aangesproken op haar verantwoordelijkheid voor goed bestuur?
Welke (strafrechtelijke) onderzoeken lopen op dit moment naar of zijn in het verleden gedaan naar Francesco Corallo, Rodolfo «Rudy» Pizziolo, Jacobo «Cocochi» Prins, Robbie dos Santos en George Jamaloodin?2
Hoeveel en welke bedrijven en organisaties voor Sports Betting zijn vanuit Curaçao actief vanuit de speciale economische freezones («e-zones») op het eiland? Welke bedragen gaan er in deze bedrijven om, welke winsten worden hier gemaakt, onder wiens toezicht en verantwoordelijkheid vallen deze bedrijven en organisaties en welke belastingen worden over de omzetten en winsten geheven?
Welke politici (ministers en volksvertegenwoordigers) die sinds 10 oktober 2010 zitting hebben of hebben gehad in de regering of in het parlement van Curaçao hebben gewerkt voor of hebben betaalde opdrachten uitgevoerd voor één van de bedrijven op het eiland die actief zijn in de casino- en/of loterijwereld, of hebben een positie gehad in het toezicht op de casino’s en loterijen (zoals in de Gaming Control Board en de Fundashon Wega Number Korsou)?
Welke politici en politieke partijen op Curaçao hebben de afgelopen vijf jaar geld ontvangen van bedrijven of ondernemers in de (illegale) gokindustrie (de casino’s en loterijen), welke bedragen zijn hiermee gemoeid en hoe is het toezicht op de besteding van deze bedragen verlopen?
Klopt het dat de politieke partij MFK van Gerrit Schotte een eigen loterij voert als partijfinanciering en/of fundraising? Welke bedragen gaan hierin om, welke belastingen worden hierover geheven en welke regels voor partijfinanciering zijn hiervoor van toepassing?
Welke directe of indirecte geldelijke belangen heeft de huidige Minister van Economische Zaken van Curaçao in de verschillende (illegale) loterijen, waaronder ook de sms- loterijen en de online casino’s die opereren vanuit de zogenoemde «e-zones»?
Klopt het dat de regering van Curaçao voornemens is de illegale sms-loterijen van UTS en Robbie’s Lottery te legaliseren? Wat is daarover uw oordeel?
Wat zijn de huidige omzetten en opbrengsten uit de illegale sms-loterijen voor overheidsbedrijf UTS en/of aanverwante bedrijven?
Welke zijn de relaties tussen de (sms)loterijen op Curaçao en het accountancybureau KPMG, bijvoorbeeld via het overheidstelecombedrijf UTS en/of aanverwante bedrijven? Welke activiteiten voert KPMG uit voor UTS en de verschillende (illegale) loterijen en hoe vindt toezicht plaats op deze activiteiten? Waarom worden de audits, jaarverslagen en rekeningen binnen dit overheidsbedrijf geheim gehouden?
Hoe verklaart u de opvallende jaarlijkse omzetten van bijna een miljard gulden in de Curaçaose casino’s en loterijen?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg voorzien op 31 maart a.s. over de staat van het bestuur op Aruba, Curaçao en Sint Maarten?
Ja
De berichten dat de NS haar macht misbruikte bij de aanbesteding van openbaar vervoer in Limburg |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
|
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten op L1 dat NS haar macht misbruikte bij de aanbesteding van openbaar vervoer in Limburg1 en in de Telegraaf inzake «NS saboteerde aanbesteding»2
Heeft u inmiddels kennisgenomen van het advies van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) inzake de aanbesteding van het Limburgs openbaar vervoer?
Heeft de ACM met u of NS contact gezocht of gehad gedurende het aanbestedingsproces? Kunt u aangeven of en wanneer u of NS kennis heeft genomen van dit (concept)advies van de ACM en of pogingen zijn ondernomen om publicatie te voorkomen voordat beslist zou worden wie de aanbesteding zou krijgen? Indien u (delen van) het rapport (vertrouwelijk) heeft ontvangen, wat heeft u dan met de informatie gedaan?
Is het gebruikelijk en wenselijk dat (concept)adviezen van de ACM worden voorgelegd aan betrokkenen? Heeft NS getracht het advies te (doen) wijzigen, zo ja op welke punten? Zijn er meer aanbestedingstrajecten waarbij NS in het verleden dergelijke zaken heeft kunnen beïnvloeden? Wat is uw visie daarop?
Hoe lang heeft NS publicatie door de ACM kunnen uitstellen en op grond van welke argumenten? Wat is uw standpunt over die argumenten? Was u daarvan op de hoogte en zo ja, welke stappen heeft u in dat kader ondernomen?
Zijn de kostenopgaven van NS in uw visie goed en tijdig gedaan, zodat Veolia en Arriva een bod konden doen? Heeft NS het verzoek van Veolia om informatie onnodig vertraagd, zodat het ten koste is gegaan van de beschikbare tijd voor Veolia om haar inschrijving voor te bereiden? Zo ja, is daarmee de mededinging verstoord?
Is het waar dat Abellio wel de gevraagde informatie binnen een week ontving?
Klopt het dat NS commerciële tarieven heeft voorgesteld, waar zij volgens de wet verplicht is tot kostengeoriënteerde tarieven? Zo ja, wat is uw visie daarop?
Deelt u de gedachte dat, indien het advies van de ACM eerder (voor de beslissing op de aanbesteding) bekend zou zijn geweest, dat een dermate ingrijpende verandering van posities in zou hebben gehouden, dat gunning aan Abellio onzeker zou zijn geweest?
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de provincie Limburg, zowel juridisch als financieel? Wat betekent een en ander voor het vervolg van de aanbesteding en de gunning? Als de ACM constateert dat NS de mededinging «belemmerd» heeft, welk licht werpt dat dan op de besluitvorming in Limburg?
Is de provincie Limburg (de aanbestedende overheid) naar uw mening aan te merken als belanghebbende bij de klachtprocedure bij de ACM?
Indien delen van het advies van de ACM onleesbaar zijn gemaakt, om welke reden is dat dan?
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Spoor voorzien op 19 maart 2015?
De aanbesteding van boekscanners en de digitalisering van rijksarchieven door het Nationaal Archief |
|
Arno Rutte (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de door het Nationaal Archief gestarte aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van 16 grootformaat boekscanners?1
Ja, dat is mij bekend.
Kunt u toelichten waarom het Nationaal Archief in deze procedure de aanbestedende dienst is, terwijl beoogd wordt om de boekscanners in bruikleen te geven aan de Belastingdienst?
Het Nationaal Archief heeft van mij de opdracht gekregen om de rijksarchieven te digitaliseren, zodat de collectie voor een breed publiek digitaal beschikbaar komt. Gezien de omvang van de collectie zal in de komende 15 jaar ongeveer 10% gedigitaliseerd worden. Om deze opdracht uit te kunnen voeren is het Nationaal Archief een aanbesteding gestart voor scanapparatuur om het archiefmateriaal met voldoende kwaliteit te scannen. Voor het scanproces is binnen de rijksoverheid samenwerking met de Belastingdienst gevonden. Er is geen sprake van het in bruikleen geven aan de Belastingdienst. De boekscanners worden bij de Belastingdienst geplaatst voor het scannen van de rijksarchiefcollectie en zijn na de inkoop eigendom van de Staat.
Is het waar dat het digitaliseren van rijksarchieven en archieven van lagere overheden binnen werkpakket 3 van het programma Digitale Taken Rijksarchieven bij de Belastingdienst wordt belegd? Is het waar dat de afdeling Centrale invoer in Heerlen, onderdeel van het facilitair bedrijf van de Belastingdienst (B/CFD), is aangewezen als de centrale verwerkingsplek voor het ontvangen, sorteren, uitpakken, ontvouwen en digitaliseren van rijksarchieven en archieven van lagere overheden uit heel Nederland? Kan deze dienst ook als serviceverlener optreden naar andere overheidsinstanties? Zo ja, welke? Zijn hier reeds afspraken over gemaakt?
Nee, dit is niet juist. Binnen het project wordt uitsluitend rijkscollectie gedigitaliseerd.
B/CFD van de Belastingdienst in Heerlen digitaliseert de rijksarchieven op verzoek van het Nationaal Archief. De scanstraat (Centrale Invoer) van de Belastingdienst is onderdeel van B/CFD, één van de vier aangewezen concerndienstverleners voor het Rijk. De dienstverlening van B/CFD staat beschreven in een rijksbrede producten- en dienstencatalogus (PDC). Digitalisering van documenten en archieven vormt een van de producten die vanuit dit programma worden aangeboden. Centrale invoer in Heerlen ondersteunt sinds 2007 digitaliseringsprojecten binnen de rijksoverheid.
Waarom is ervoor gekozen om het digitaliseren van rijksarchieven in eigen overheidsbeheer te nemen, in plaats van de huidige werkwijze met aanbestedingen van relevante opdrachten onder met elkaar concurrerende marktpartijen te handhaven? Wie heeft dit besluit genomen en via welke wegen is de Kamer hierover geïnformeerd?
Digitalisering van alle rijksarchieven van zowel het Nationaal Archief als de 11 RHC’s in de provinciehoofdsteden van welk formaat dan ook bij één organisatie heeft onmiskenbare praktische, kwalitatieve en financiële voordelen. Daarnaast is het kabinetsbeleid om reeds bestaande faciliteiten optimaal te gebruiken, wat leidt tot het terugdringen van inhuur en uitbesteding en het vast aanstellen van personeel in lage loonschalen, zoals dit is afgesproken in het Regeerakkoord. Uw Kamer is eerder over de samenwerking met de Belastingdienst geïnformeerd naar aanleiding van vragen over werkervaringsplaatsen in het AO Archiefbeheer dd. 29-01-2014.2
Vindt u het digitaliseren van archieven een taak van de Belastingdienst? Voor welke specifieke digitaliseringstaken heeft de Belastingdienst dit grootformaat boekscanners nodig? Hoe verhoudt deze taak zich tot de kerntaken en prioriteiten van de Belastingdienst?
Het grootschalig digitaliseren van documenten en stukken binnen het Rijk beperkt zich tot drie grote scanstraten bij respectievelijk de Ministeries van Veiligheid & Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Belastingdienst. Door concentratie van het aantal locaties worden de expertise en middelen van de rijksoverheid optimaal benut, waarbij invulling wordt gegeven aan een dienstverlenende, slagvaardige en kostenbewuste rijksoverheid zoals omschreven in de Hervormingsagenda Rijksdienst.3
Realiseert u zich dat het voortbestaan van acht midden- en kleinbedrijven in gevaar komt, door de betreffende aanbesteding van 16 grootformaat boekscanners en het in eigen beheer nemen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid? Vindt u dit wenselijk? Hoe kijkt u aan tegen het dreigende verlies van arbeidsplaatsen bij deze bedrijven?
De aanbesteding van de scanapparatuur is volgens een openbare aanbestedingsprocedure verlopen. De markt heeft hierop gereageerd en er is een partij uit deze aanbesteding naar voren gekomen, waarmee een leveringscontract zal worden gesloten.
Het digitaliseren in het kader van het DTR-programma betreft een nieuwe digitaliseringsopgave om de rijksarchieven voor de toekomst beter te kunnen bewaren, beheren en presenteren aan het publiek. Deze digitaliseringswerkzaamheden komen naast de opdrachten waarvoor het Nationaal Archief raamovereenkomsten heeft gesloten met marktpartijen middels een Europese aanbesteding in 2012. Ook in de toekomst zal er naar verwachting voor bedrijven een markt zijn voor digitalisering. Zie voorts de antwoorden onder 3, 4 en 5.
Bent u van mening dat de overheid de digitalisering van de archieven efficiënter, op een kwalitatief hoger niveau en tegen een lagere prijs kan uitvoeren dan marktpartijen, die met elkaar concurreren om de economisch meest voordelige inschrijving via openbare aanbestedingen? Zo ja, kunt u toelichten wat hiervoor de onderbouwing is?
Zie de antwoorden onder vraag 3, 4 en 5.
Kunt u, in het kader van (kosten-)efficiëntie, toelichten waarom ervoor is gekozen om de feitelijke digitalisering van nationale archieven, archieven van de elf Regionale Historische Centra in de provinciehoofdsteden, archieven van lagere overheden, archieven van maatschappelijke organisaties en archieven van individuele personen die van nationaal belang zijn, te laten plaatsvinden in Heerlen?
Zie de antwoorden onder vraag 3, 4 en 5.
Is het noodzakelijk dat de rijksarchiefcollectie met behulp van nieuwe boekscanners sneller wordt gedigitaliseerd dan nu onder de huidige werkwijze mogelijk is, waarin midden- en kleinbedrijven via openbare aanbestedingen met elkaar concurreren om de betreffende opdrachten? Welke fysieke documenten dienen versneld te worden gedigitaliseerd dan nu onder de huidige werkwijze mogelijk is, en waarom? Op welke gronden bent u van mening dat digitalisering op deze wijze sneller zal zijn?
Snelheid heeft niet meegespeeld in de besluitvorming om te kiezen voor een samenwerking met de Belastingdienst.
Hoe verhoudt de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid zich tot de doelen die het kabinet heeft vastgelegd in de Aanbestedingswet, namelijk een betere besteding van belastinggeld en toename van concurrentie, doordat meer ondernemers kunnen meedingen naar een overheidsopdracht?2
Wanneer werkzaamheden binnen een en dezelfde rechtspersoon plaatsvinden, is er sprake van zuiver inbesteden en blijven de regels van de Aanbestedingswet 2012 buiten toepassing. Omdat alle ministeries onder de rechtspersoon de Staat vallen en er geen dienstverlener wordt gecontracteerd voor het uitvoeren van werkzaamheden, is er geen sprake van een overheidsopdracht voor diensten.
Zie voorts de antwoorden onder vraag 4 en 5.
Hoe verhoudt de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid zich tot Wet Markt en Overheid?
De Wet Markt & Overheid laat overheden vrij om te beslissen of activiteiten ten behoeve van de eigen overheidsorganisatie worden uitbesteed aan derden dan wel in eigen beheer worden uitgevoerd. Van concurrentie met derden is geen sprake als de rijksoverheid zelf voorziet in bepaalde goederen of diensten die zij nodig heeft en het aanbieden van die goederen en diensten uitsluitend binnen de rechtspersoon de Staat geschiedt. Elk organisatieonderdeel van de rijksdienst is hierbij flexibel inzetbaar en beschikbaar om werkzaamheden te verrichten voor andere onderdelen binnen de rijksdienst.5 Zie voorts de antwoorden onder vraag 4, 5 en 10.
Is het waar dat het Nationaal Archief de partij is geweest die het besluit heeft genomen om het digitaliseren van de archieven binnen werkpakket 3 van het programma Digitale Taken Rijksarchieven bij de Belastingdienst te beleggen? Is het waar dat het Nationaal Archief aan de Belastingdienst de opdracht heeft gegeven om in 2015 voor 1.278 meter archief te digitaliseren?3 Zo ja, hoe is het, gezien de kerntaken van de Belastingdienst, mogelijk dat het Nationaal Archief over deze zaken kan beslissen?
De samenwerking tussen Nationaal Archief en de Belastingdienst is geen eenzijdig besluit van het Nationaal Archief, maar in overleg met het Ministerie van OCW en het Ministerie van Financiën tot stand gekomen. Zie voorts de antwoorden onder vraag 2 en 3.
Wat zijn de exacte personele gevolgen van het beleggen van het digitaliseren van archieven bij de overheid, voor zowel de Belastingdienst als ook het Nationaal Archief? Is het waar dat bij de Centrale invoer, onderdeel van het facilitair bedrijf van de Belastingdienst (B/CFD), het aantal medewerkers kan toenemen van 200 tot ruim 500 medewerkers?4
De hoeveelheid werkzaamheden bij Centrale Invoer als geheel kan sterk variëren, een direct gevolg van het inzendgedrag van belastingplichtigen (met pieken in de weken vóór 1 april) en prioriteiten binnen de Belastingdienst. In piekperiodes kan Centrale Invoer opschalen en werktijden uitbreiden, waarbij het aantal medewerkers sterk kan toenemen tot tussen de 200 en 500 (flexibele schil). Deze toename staat echter geheel los van het digitaliseren voor het Nationaal Archief, wat een uitbreiding met ongeveer 30 medewerkers betekent.
Is het waar dat, specifiek om ervoor te zorgen dat het Nationaal Archief en de Regionale Historische Centra de naderende stroom digitale rijksarchieven op kunnen vangen en er voor te zorgen dat een belangrijk deel van het huidige (papieren) rijksarchief digitaal ontsloten kan worden, u in 2013 heeft besloten om geld vrij te maken voor de jaren tot 2016? Is het waar dat u heeft aangegeven over de eventuele financiering voor digitalisering na 2015 in een later stadium te zullen besluiten?5 Zo ja, waarom besluit u eerst tot een miljoeneninvestering, terwijl u tegelijkertijd onzeker bent over financiering voor digitalisering na 2015?
In 2013 is het besluit genomen om voor de jaren 2013 tot en met 2015 € 28 miljoen te besteden aan de digitale taken rijksarchieven bij het Nationaal Archief. In 2014 is er opnieuw € 20 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2016. Het grootste deel van deze middelen is bestemd voor de versterking van de digitale infrastructuur van het Nationaal Archief. Een ander, kleiner deel geldt de digitalisering van de papieren rijkscollectie. Vanwege het structurele karakter van de digitale taken rijksarchieven staat in de Rijksbegroting 2015 dat continuering van deze taken na 2016 het uitgangspunt is. Zie voorts het antwoord onder vraag 2.
Hoeveel belastinggeld is er in totaal gemoeid met de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van de digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid?
De ingediende offertes van leveranciers van scanapparatuur bevatten marktgevoelige, vertrouwelijke informatie die in dit verband niet publiek gemaakt kan worden. Voor de digitaliseringswerkzaamheden is voor de periode van eind 2013 t/m 2015 binnen het programma DTR € 7 miljoen gereserveerd. Dit bedrag behelst projectkosten, materiële voorbereiding, digitalisering en het digitaal toegankelijk maken van het materiaal.
Deelt u de mening dat het midden- en kleinbedrijf de banenmotor van onze economie is en dat het handhaven van de huidige werkwijze van aanbesteden van digitaliseringswerk veel bedrijven en banen kan redden? Bent u bereid om de betreffende aanbesteding in te trekken en de betrokken ondernemers en werknemers de kans te blijven geven om via openbare aanbestedingen digitaliseringswerk binnen te halen, in lijn met de kabinetsdoelen om belastinggeld goed te besteden, concurrentie te bevorderen en meer ondernemers de kans te geven om mee te dingen naar overheidsopdrachten?
Het belang van het midden- en kleinbedrijf voor onze economie staat geenszins ter discussie. Het kabinetsbeleid is gericht op een goede balans tussen enerzijds het belang van een kleinere, slagvaardige en efficiënte overheid alsmede het belang van goed en sociaal werkgeverschap en anderzijds de belangen van de markt. Daarbij vindt een zorgvuldige afweging plaats en is sprake van maatwerk.9 Zie voorts de antwoorden onder vraag 4 en 6.
Het afgeven van exportcertificaten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op zaterdag |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het innovatieve bedrijf Topigs Norsvin? Bent u op de hoogte van de wereldwijde activiteiten van dit bedrijf en bent u ervan op de hoogte dat dit bedrijf werkt met uitgangsmaterialen van een beperkte houdbaarheid?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat dit bedrijf een van de meest innovatieve bedrijven ter wereld is op het gebied van ontwikkeling en export van varkensgenetica en dat de activiteiten van dit bedrijf zich uitbreiden tot ruim 50 landen in de wereld?
Ja.
Is het waar dat dit bedrijf zijn producten niet op zaterdag kan exporteren omdat de NVWA de exportcertificaten die nodig zijn om sperma en DNA-materiaal op zaterdag te verschepen naar andere landen in de wereld, niet op zaterdag kan afgeven? Zo ja, kunt u toelichten waarom dit het geval is? Zijn er meer bedrijven in deze of andere sectoren die hiermee te maken hebben? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de bedrijven die hiermee te maken hebben?
De NVWA biedt, conform haar planningskader1, wel degelijk de mogelijkheid tot exportcertificering op zaterdag voor bedrijven die dat wensen. Wel geldt voor het aanvragen van exportcertificering op zaterdag een aantal aanvullende voorwaarden, aangezien dit buiten de reguliere openingstijden van de NVWA is.
Klopt het dat Nederland een van de weinige landen is waar exportcertificaten in deze sector niet op zaterdag worden afgegeven? Deelt u de mening dat de werkwijze van de NVWA ten koste gaat van de concurrentiepositie en zelfs nadelig kan zijn voor de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en innovatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook mijn antwoord bij 3.
Deelt u de opvatting dat bedrijven die afhankelijk zijn van de NVWA ook op zaterdag een exportcertificaat moeten kunnen verkrijgen? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet u dit in relatie tot de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven?
Ja, zie ook mijn antwoord bij 3.
Bent u bereid om spoedig over te gaan tot het ook in het weekeinde afgeven van exportcertificaten aan bedrijven in deze sector, zodat de koppositie op het gebied van ontwikkeling en export van (varkens)genetica behouden kan blijven? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 bestaat deze mogelijkheid reeds.
Het winnen van de aanbesteding in Limburg door Abellio |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Limburg kiest Abellio als nieuwe openbaar vervoerder»?1
Ja.
Op welke punten heeft Abellio het gewonnen van de andere aanbieders en waarom is de aanbieding van Veolia ongeldig verklaard? Kunt u uw antwoord toelichten?
De provincie Limburg is de aanbestedende partij en daarmee verantwoordelijk voor het gunnen van deze concessie; hierbij is iedere aanbieding volgens de provincie apart beoordeeld tegen de in het bestek uitgevraagde onderdelen.
De provincie Limburg heeft laten weten dat Abellio gewonnen heeft omdat deze partij de economisch meest voordelige aanbieding heeft gedaan, onder meer dankzij een beter vervoerplan voor de bussen en treinen en meer ritten. De aanbieding van Veolia is ongeldig verklaard omdat zij een hogere extra exploitatiebijdrage vroeg dan op grond van het bestek was toegestaan.
Klopt de aanname dat NS met haar dochterbedrijf Abellio heeft ingeschreven op de aanbesteding van de openbaarvervoersconcessie in Limburg omdat het met dat bedrijf een goedkopere bieding kan doen? Zo ja, wat maakt dat bedrijven als Abellio dit soort biedingen goedkoper kunnen doen dan een bedrijf als NS? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
De aanname dat het voor Abellio Limburg B.V. als dochter van NV Nederlandse Spoorwegen mogelijk is om een goedkopere bieding te doen kan ik niet bevestigen of ontkennen. De overwegingen van Abellio en NS zijn mij niet bekend. Overigens is Abellio Limburg B.V. een zelfstandige B.V. en heeft Abellio als zodanig ingeschreven op de Concessie Limburg.
Is er sprake van kruissubsidiëring van de activiteiten van Abellio door andere activiteiten van moederconcern NS? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Minister van Financiën heeft, als aandeelhouder van NS, onderzoek gedaan naar kruissubsidiëring bij NS. Het resultaat daarvan is op 9 juli 2014 aan uw Kamer gestuurd2. Het onderzoek richtte zich onder andere op concessies van Abellio. Hieruit is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er bij de NS Groep en de dochters van NS sprake is van kruissubsidiëring. Dit betekent dat NS geen producten, diensten of middelen aan Abellio levert voor een vergoeding die onder de prijs ligt die gerekend zou worden aan derden; de zogenaamde arm’s length price.3
Hebben de stations of de activiteiten op de stations ook op enigerlei wijze deel uitgemaakt van de inschrijving door de vervoerders op de aanbesteding van de concessie? Zo ja, op welke wijze worden deze genoemd en meegewogen in de aanbesteding?
Inschrijvingen van partijen bij een aanbesteding bevatten concurrentiegevoelige informatie en zijn vanuit de aanbestedingsregelgeving alleen bij de inschrijvende partij zelf en de aanbestedende dienst bekend. Voor deze aanbesteding is de provincie Limburg de aanbestedende dienst. In het programma van eisen dat de provincie Limburg voor deze aanbesteding heeft opgesteld en heeft gepubliceerd4, zijn geen eisen aan stations of activiteiten op de stations opgenomen, maar wel over diensten en voorzieningen op stations. Dit gaat om servicepunten voor reizigers, OV-chipkaartvoorzieningen, kaartverkoopautomaten, noodknopvoorzieningen, assistentieverlening aan gehandicapten en reizigersinformatie (omroepberichten en informatieborden). Van de aanbestedende partij provincie Limburg heb ik begrepen dat deze punten niet onderscheidend zijn geweest bij de aanbesteding.
Heeft het moederconcern NS andere financieringsarrangementen, garanties en dergelijke gesteld voor Abellio met betrekking tot deze aanbesteding?
De inschrijvingen waaruit zou kunnen blijken of NS garanties en dergelijke heeft gesteld, zijn mij niet bekend.
Hoe zou de concessie voor het hoofdrailnet veranderen in termen van kosten, opbrengsten, service en prestatie voor de reizigers als niet NS maar Abellio de uitvoering op zich zou nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet bekend wat er aan de concessie zou veranderen als Abellio deze na een aanbesteding zou hebben gekregen. Over de nieuwe concessie is de afgelopen jaren vaak met uw Kamer gesproken. In dat proces is in overeenstemming met uw Kamer besloten de Hoofrailnetconcessie onderhands te gunnen aan NS en bestond dus geen reden om informatie uit te vragen bij andere vervoerders.
Hoe luiden de investeringscriteria die NS stelt aan Abellio en wat zijn de afspraken over het dividend dat Abellio betaalt aan NS?
NS bespreekt haar investeringscriteria en het dividendbeleid met haar aandeelhouder, het Ministerie van Financiën. De aandeelhouder toetst investeringen op het publiek belang en op het te behalen rendement, waarbij continuïteit en financieel waardebehoud moeten zijn gewaarborgd. Ook moet sprake zijn van een acceptabel risicoprofiel. Bij het dividendbeleid is van belang dat de reserves van de deelneming niet te laag zijn, maar tegelijkertijd ook niet te hoog. De single A credit rating en de daarvoor noodzakelijk financiële ratio’s worden hiervoor gebruikt als indicator. Deze afspraken worden door de aandeelhouder op het niveau van de NS-groep gemaakt, zodat maximalisatie van economische waarde en maatschappelijk belang voor NS Groep kan worden beoordeeld en niet per bedrijfsonderdeel. Het is aan de directie van NS om de investeringscriteria en het dividendbeleid per bedrijfsonderdeel vast te stellen.
Wat denkt Abellio in Schotland te leren van het winterweer wat NS in Nederland nog niet weet?2
Abellio heeft laten weten dat ervaring met extreme weersomstandigheden in meerdere landen kan leiden tot uitwisseling van best practices over de omgang met verstoringen waardoor in ieder land verbeteringen kunnen optreden.
Het bericht dat vier vijfde van de verplichte veiligheids- en gezondsheidsplannen (V&G) niet op orde is bij de aanbesteding van infraprojecten |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier vijfde van de verplichte veiligheids- en gezondheidsplannen (V&G) niet op orde is bij de aanbesteding van infraprojecten?1
Dat is een teleurstellend bericht. Een Veiligheids- en gezondheidsplan (V&G-plan) is van belang bij omvangrijke werken waar meerdere werkgevers werkzaamheden uitvoeren. Op basis van onderzoek en inspecties is bekend dat lang niet alle V&G-plannen in voldoende mate zijn toegesneden op de specifieke gevaren van de projecten.
Bent u bereid om uw collega-ministers, gemeenten en provincies hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Ja. Als daar, bij het toezicht op naleving van de Arbeidsomstandighedenwet, aanleiding toe is, worden opdrachtgevers door de inspectie SZW op hun verplichtingen aangesproken. Dat zijn ook de opdrachtgevers namens collega-ministers, gemeenten en provincies.
Het toezicht op de verplichtingen van de Arbeidsomstandighedenwet voor opdrachtgevers van bouwwerkzaamheden heeft in de afgelopen jaren meer inhoud en vorm gekregen. Enkele inspectieprojecten zijn specifiek gericht op de naleving van de verplichtingen van opdrachtgevers. De resultaten hiervan zijn weergegeven in factsheets als «Handhaving bij opdrachtgevers van GWW projecten», «Arbeidsomstandigheden in de Wegenbouw» en «De gemeente als opdrachtgever».
Overleg vanuit mijn ministerie met de departementen die grote bouwopdrachten geven, heeft gunstig uitgewerkt op de wijze van contracteren en de dialoog met opdrachtnemers. Initiatieven als de «Governance Code Veiligheid in de bouw», «Partners in veilig bouwen» en «Railalert», waarbij opdrachtgevende en opdrachtnemende partijen met elkaar de samenwerking zoeken voor gezonde en veilige uitvoering van werken zijn goede voorbeelden, evenals instrumenten als de V&G ontwerpwijzer, de V&G-planner van Stichting arbouw, het model V&G-plan van de CROW, de brochures «Samen veilig en gezond bouwen» en «Bouwprocesbepalingen van de Arbowet in een notendop» van Inspectie SZW, die opdrachtgevers en ontwerpende partijen ondersteunen bij het opstellen van V&G-plannen. Er is nog veel te verbeteren. De toenemende focus van het toezicht op de aanbesteding van werken en de genoemde positieve ontwikkelingen dragen daar aan bij.
Bouwend Nederland is van mening dat de Inspectie SZW extra aandacht moet hebben voor het op orde hebben van V&G’s; bent u bereid om de Inspectie SZW hiertoe opdracht te geven? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW inspecteert risicogestuurd. Zij richt haar toezicht op zaken waar de meeste gezondheid- en veiligheidwinst is te halen. Zoals in antwoord 2 aangegeven is ook de naleving van verplichtingen voor opdrachtgevers van bouwwerkzaamheden, en daarmee het V&G-plan, onderwerp van het toezicht, omdat verbetering nodig en mogelijk is.
Onverlet het gegeven dat bij bepaalde werken opdrachtgevers in belangrijke mate bepalen onder welke voorwaarden het werk wordt uitgevoerd, zijn het de opdrachtnemende werkgevers die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers. Die verantwoordelijkheid strekt ook tot het aannemen van werk dat gezond en veilig uitgevoerd kan worden.
Ik heb in het overleg met de Kamer laten weten dat ik belang hecht aan goed opdrachtgeverschap. Behalve het V&G-plan hebben opdrachtgevers bij het aanbesteden van werk nog andere verplichtingen en verantwoordelijkheden. Ik wil de rol en de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers in de bredere context van de keten bezien. Ik heb met de Kamer afgesproken van gedachten te wisselen over een ketenaanpak voor gezond en veilig werken. Ik verwacht de Kamer medio 2015 nader te informeren.
De financiële risico's van leaseconstructies voor zonnepanelen |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «zonne-energie voor de massa»?1
Ja.
Bent u van mening dat de beloofde besparing op de energierekening voor de duur van het 17-jarige leasecontract door de leverancier gegarandeerd kan worden? Zo ja, waarom?
Ik ben niet bekend met de contractvoorwaarden van de aanbiedende partij en kan om die reden hier geen uitspraken over doen.
Bent u van mening dat het redelijk is om ervan uit te gaan dat de bestaande belastingvoordelen voor zonne-energie de komende 17 jaar gegarandeerd zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is het financiële risico voor particulieren die een dergelijk leasecontract afsluiten?
In het AO Decentrale Energie van 2 juli 2014 (Kamerstuk 29 023, nr. 175) heb ik de zekerheid gegeven dat de salderingsregeling tenminste tot 2020 zal blijven bestaan en dat deze regeling in 2017 zal worden geëvalueerd. Uit het antwoord op vraag 2 volgt dat ik het financiële risico voor particulieren die een dergelijk contract afsluiten niet kan inschatten, aangezien ik niet bekend ben met de contractvoorwaarden.
Deelt u de mening dat het in het artikel genoemde leasecontract sterk lijkt op een belegging in zonne-energie met alle daaraan verbonden risico’s? Zo nee, waarom niet?
Uit de website van de aanbieder BigSolar valt op te maken dat bij de aangeboden leaseconstructie de consument geen eigenaar wordt van de zonnepanelen. Er is hier sprake van «operational lease». Bij «operational lease» wordt de lessee geen eigenaar. Deze leasevorm is derhalve vergelijkbaar met huur. Net als huurovereenkomsten is deze leaseovereenkomst uitgezonderd van de Wet op het financieel Toezicht (Wft). De Minister van Financiën heeft in de Wetgevingsbrief 20142 toegezegd om in overleg met de AFM overkreditering en andere risico’s rond leasing te onderzoeken en daarbij te kijken naar de bredere context. De AFM voert op dit moment een verkenning uit naar de omvang van het gebruik van leaseconstructies bij auto’s en het mogelijke risico op overkreditering voor de consument.
Bent u bereid de Autoriteit Financiële Markten (AFM) te verzoeken om te beoordelen of deze constructie goedkeuring van de AFM nodig heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Gemeenschappelijke Marktordening subsidies en de rol van de Nederlandse overheid |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht Nederland verliest landbouwzaak bij het EU-Hof en de uitspraak van het Hof in zaak C-610/13 P?1
Ja.
Bent u van plan om de beslissing van voormalig Staatssecretaris Bleker in zijn brief van 29 mei 2012 (Kamerstuk 28 625, nr. 150), waarin hij stelde dat correcties bij operationele programma’s groente en fruit 2006–2008 te wijten zijn aan de Nederlandse overheid en deze kosten niet te vorderen bij begunstigden, gestand te doen? Zo nee, waarom niet?
In de brief van mijn ambtsvoorganger van 29 mei 2012 wordt beschreven hoe tot op dat moment met bepaalde correcties van de Europese Commissie is omgegaan. Correcties die zijn voortgevloeid uit tekortkomingen die de overheid konden worden toegerekend en waarbij onvoldoende verband kon worden gelegd met bij begunstigden aangetroffen onregelmatigheden, zijn voor rekening van de lidstaat Nederland gekomen en hebben niet geleid tot terugvorderingen bij begunstigden.
Voor de operationele programma’s groente en fruit 2006 – 2008 is in dezelfde brief echter ook aangegeven dat daarover nog een procedure liep bij het Hof van Justitie. Met de uitspraak van het Hof van 6 november 2014 in hoger beroep is het besluit van de Europese Commissie om Nederland een financiële correctie op te leggen van € 22,7 miljoen definitief geworden. Als gevolg van dit besluit worden van Nederland corrigerende maatregelen geëist. Nederland is op grond van de Europese regelgeving in beginsel verplicht om de onrechtmatig geoordeelde steun bij de eindbegunstigden terug te vorderen. De onrechtmatig geoordeelde steun betreft steun die (aan diverse producentenorganisaties) is verleend voor bedrukkingskosten van verpakkingen en de steun die aan een producentenorganisatie is verleend die niet aan de erkenningsvoorwaarden voldeed. Deze uitspraak heeft ook tot gevolg dat de intrekking van de erkenning van deze producentenorganisatie vervroegd moet worden.
Deelt u de mening dat onzekerheid over de terugvordering van GMO-gelden in verschillende zaken ongunstig is voor de ontwikkeling van de Nederlandse tuinbouwsector? Zo ja, wat wilt u hieraan doen?
Ik ben van mening dat de langdurige onzekerheid over de uitkomsten van de audits, en daarmee samenhangend eventuele terugvorderingen waarmee Nederland de afgelopen jaren is geconfronteerd, onwenselijk is en ik heb de Europese Commissie daar ook verschillende malen op aangesproken. Op diverse niveaus wordt overleg met de Europese Commissie gevoerd hoe aan deze onzekerheid een einde te maken en zo spoedig mogelijk uitsluitsel te geven over de nog lopende auditprocedures. Met het oog op de toekomst blijft Nederland daarnaast, ook in samenwerking met andere lidstaten, zich bij de Europese Commissie inzetten op verbetering (waaronder verkorting) van de auditprocedures en op vereenvoudiging en verduidelijking van de GMO-regelgeving.
Deelt u de mening dat langslepende rechtszaken het functioneren van de Gemeenschappelijk Marktordening geen goed doen? Zo ja, hoe wilt u dit zo veel mogelijk voorkomen?
Op de duur van rechtszaken heb ik in principe geen invloed. De keuze om al of niet de gang naar het Hof te maken, en al dan niet in hoger beroep te gaan, hangt af van de mate waarin Nederland van mening verschilt met de Europese Commissie over de juistheid van de opgelegde correctie en, in verband daarmee, de uitleg van de toepasselijke regelgeving naar aanleiding van een audit. Het Hof is uiteindelijk als enige bevoegd om uitspraken over de rechtmatigheid van de opgelegde correctie te doen.
Welke inzet pleegt of onderneemt het kabinet ten behoeve van de doelen van de Gemeenschappelijk Marktordening, bijvoorbeeld door het ondersteunen van Producenten- en brancheorganisaties bij hun oprichting of bij maatregelen die deze organisaties nemen?
Het kabinet heeft er voor gekozen om geen steun uit de POP3-middelen te verlenen voor de oprichting van producenten- en brancheorganisaties. Wel worden samenwerkingsverbanden van landbouwers met andere partijen voor innovaties in het kader van samenwerkingsmaatregel van artikel 35 (maatregel 16) ondersteund. Daarbij kan gedacht worden aan de ontwikkeling van nieuwe markt- en ketenconcepten om bedrijfsmarges te vergroten.
Heeft u inzicht in gebruik, financiële inzet en mogelijke terugvorderingsbedragen ten aanzien van de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit in Duitsland, Frankrijk en België en de eventuele problemen die ondernemers en of organisaties in deze landen ermee ervaren? Zo ja, zou u deze willen delen met de Kamer?
Ik heb geen inzicht in de terugvorderingspraktijk van andere lidstaten naar aanleiding van opgelegde financiële correcties van de Europese Commissie. Hoewel de uiteindelijke als financiële correcties opgelegde bedragen op lidstaatniveau worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn de correctiemaatregelen, inclusief de terugvorderingen waartoe de lidstaten gehouden zijn, vertrouwelijk van aard en worden alleen met de Europese Commissie gedeeld.