Het versoepelen van de bonuswetgeving voor flitshandelaren |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Coalitie verzwijgt: beursjongen krijgt tóch bonus?»1
Ja.
Klopt het dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voornemens is de in Nederland geldende bonuswetgeving tot de introductie van nieuwe Europese prudentiële regels voor beleggingsondernemingen, waarvan Nederland het niet verantwoord vindt deze binnen twee jaar in te voeren, niet te handhaven?
Op 13 november 2017 heeft DNB openbaar gemeld dat zij haar beleid met betrekking tot handelaren voor eigen rekening wijzigt. Door deze beleidswijziging naar aanleiding van een onderzoek van de Europese Banken Autoriteit (EBA) worden handelaren voor eigen rekening niet meer als «plaatselijke onderneming» aangemerkt.2 In de wettelijke uitzondering op het bonusplafond voor handelaren voor eigen rekening is onder meer opgenomen dat zij «plaatselijke onderneming» zijn. De letterlijke tekst van de uitzondering sluit daardoor niet meer aan bij de praktijk en de bedoeling van de wet.
Voor de AFM geldt – zoals voor alle (zelfstandige) bestuursorganen – de «beginselplicht tot handhaving». De AFM is van oordeel dat onderhavige situatie een uitzondering op die beginselplicht rechtvaardigt. Het betreft hier een uitzonderlijke situatie aangezien de gevolgen voor handelaren voor eigen rekening zijn ontstaan door een beleidswijziging van DNB en niet door hun eigen handelen of door wijziging van regelgeving.
Onmiddellijke handhaving zou in de optiek van de AFM in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zou daarnaast onevenredig zijn, omdat toepassing van het bonusplafond ingrijpt op arbeidscontracten tussen handelaren voor eigen rekening en hun medewerkers. Het gaat om meer dan 1000 personeelsleden in Nederland van wie het contract zou moeten worden aangepast. Hiervoor is een periode voor (her)onderhandeling nodig en opportuun. Daarnaast loopt er een traject dat de toekomstige Europese kaders bepaalt ten aanzien van beloningsregels voor handelaren voor eigen rekening. Ik kan de redenering van de AFM met betrekking tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur goed volgen. De AFM heeft daarom besloten naleving van het bonusplafond niet te handhaven tot en met 31 december 2019. Deze termijn is bepaald in de veronderstelling dat op dat moment de toekomstige Europese norm duidelijk zal zijn.
De beslissing van de AFM om nog niet te handhaven is door de AFM genomen. De AFM heeft het Ministerie van Financiën wel geïnformeerd voordat zij dit besluit nam.
Zoals ik in mijn brief naar aanleiding van de motie van het lid Nijboer c.s. en de motie van het lid Van Weyenberg c.s. heb toegelicht heb ik niet voorgesteld de bonuswetgeving te versoepelen. Mijn voorstel is om dezelfde ondernemingen die al sinds de introductie van het bonusplafond in februari 2015 zijn uitgezonderd, te blijven uitzonderen. Door deze wijziging verandert niets in de groep ondernemingen die de uitzondering kan toepassen. Die is nog steeds hetzelfde en in lijn met de argumentatie voor de wettelijke uitzondering, zoals met ruime meerderheid door uw Kamer is aangenomen en in februari 2015 van kracht is geworden. Naar aanleiding van de motie Van Weyenberg c.s. heb ik aangegeven dat ik bereid ben, als uw Kamer mij daartoe in meerderheid oproept, om geen onomkeerbare stappen te zetten in afwachting van nader overleg en Europese regelgeving.
Mag de AFM als toezichthouder eigenstandig bepalen dat zij bepaalde onderdelen van de wet niet handhaaft en naast zich neerlegt? Zo ja, deelt u de mening dat daarin dan verandering moet komen? Zo nee, hoe kan het dat dit toch gebeurt?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u expliciet of impliciet ingestemd met het niet handhaven door de AFM van de democratisch door de Staten-Generaal vastgestelde wet?
Zie antwoord vraag 2.
Had uit het volgende kabinetsoordeel, afkomstig uit het verder behoorlijk technische BNC-fiche van 16 februari 2018 «Verordening en richtlijn prudentieel kader beleggingsondernemingen», moeten worden afgeleid dat het kabinet in de toekomst flitshandelaren in de Europese verordening wil uitzonderen van de strenge bonusregels: «Tot slot heeft het kabinet oog voor de Europese ontwikkelingen en kan het kabinet een meer proportionele toepassing van beloningsregels ondersteunen»?2
De door mij voorgestelde aanpassing is geen versoepeling van de beloningswetgeving, maar een voortzetting van een bestaande uitzondering, waar de Tweede Kamer met ruime meerderheid mee heeft ingestemd. Wat betreft de beloningsregelgeving in de financiële sector in bredere zin is van belang dat mijn ambtsvoorganger afgelopen zomer een evaluatie naar de effectiviteit van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen is gestart. Naar aanleiding van de resultaten van de evaluatie ga ik graag in debat met uw Kamer over de effecten van deze regelgeving.
Binnen het voorstel dat de Europese Commissie op 20 december 2017 heeft gedaan voor een herzien prudentieel kader voor beleggingsondernemingen wordt voor de handelaren voor eigen rekening geen bonusplafond voorgesteld. In het BNC fiche is aangegeven dat dit aansluit bij de bestaande praktijk in Nederland en dat deze bestaande praktijk wordt ondersteund door het kabinet.4
Ten aanzien van alle andere beleggingsondernemingen heeft het kabinet in het BNC-fiche opgenomen dat zij oog heeft voor een meer proportionele toepassing van beloningsregels bij beleggingsondernemingen. Daarbij zijn de uitkomsten van de evaluatie van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo) essentieel, voordat het kabinet over het bonusplafond voor andere beleggingsondernemingen een definitief standpunt in de onderhandelingen inneemt.
Naast dit voorstel wordt er op dit moment binnen de Raad onderhandeld over de herziening van de richtlijn kapitaalvereisten. Hierover is uw Kamer geïnformeerd bij kabinetsreactie van 19 december 2016.5 In dit voorstel wordt een meer proportionele toepassing van een deel van de beloningsregels voorgesteld, maar geen afschaffing van het bonusplafond. De inzet in de onderhandelingen is conform het kabinetsstandpunt in de genoemde kabinetsreactie.6
Los van deze voorstellen waarover uw Kamer al is geïnformeerd, is er geen Europese wetgeving in de maak, waarbij aanpassing van beloningsregelgeving voor financiële ondernemingen wordt voorgesteld.
Hoe kan het dat als een aangekondigd wetsvoorstel om de bonuswetgeving voor flitshandelaren te versoepelen niet wordt ingediend bij de Tweede Kamer er toch wordt gehandeld alsof die wet al is aangenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat denkt u dat dit precedent betekent voor de wetgevende macht van de Staten-Generaal?
Zie antwoord vraag 2.
Is de financiële sector met uw steun bij machte om hen onwelgevallige maar democratisch aangenomen bonuswetgeving de facto naast zich neer te leggen en zou een Minister van Financiën niet juist de hoeder van de wet moeten zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat de Nederlandsche Bank (DNB) de hogere kapitaaleisen die voortvloeien uit de stellingname van de Europese Bankenautoriteit (EBA) wel uitvoert en handhaaft en de AFM de gevolgen voor de bonussen voor flitshandelaren niet? Waarom handhaaft DNB streng terwijl de AFM gedoogbeleid wil voeren?
Beide toezichthouders hanteren ten aanzien van de handelaren voor eigen rekening een redelijke termijn om aan de gevolgen van het gewijzigde beleid te voldoen. De termijn is bij beide toezichthouders gelijk, maar het proces verschilt. DNB hanteert ten aanzien van de hogere kapitaaleisen een overgangsregime omdat het onredelijk en risicovol zou kunnen zijn om van de één op de andere dag een ander prudentieel regime te vereisen. Handelaren voor eigen rekening krijgen tot 31 maart 2018 om te voldoen aan de op hen van toepassing zijnde eisen uit de kapitaalvereistenrichtlijn. Mocht er per die datum een kapitaaltekort zijn, dan dienen de handelaren een kapitaalherstelplan op te stellen op basis waarvan het aannemelijk is dat de instelling op zo snel mogelijke termijn, maar uiterlijk per 31 december 2019, wel voldoet aan de richtlijn.
Is er andere Europese wetgeving in de maak, waarbij de bonuswetgeving verder versoepeld wordt en waarvan de Tweede Kamer nog geen weet heeft?
Zie antwoord vraag 5.
Wat betekent de benadering van uzelf en de coalitie om ten aanzien van de regulering van de financiële sector meer Europees aan te sluiten voor onze nationale bonuswetgeving, die de strengste is van Europa? Zal deze onder het mom van Europese harmonisatie – net als de hogere buffervereisten – steeds verder worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 5.
Is er contact geweest tussen het Ministerie van Financiën en de AFM over het op handen zijnde gedoogbeleid? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer inzicht geven in alle contacten tussen ministerie, DNB, EBA en AFM en een overzicht geven wat er wanneer is besproken en wat de conclusies van die gesprekken en / of correspondentie waren?
Er is uiteraard sprake van een continue dialoog tussen het Ministerie van Financiën en DNB en AFM over onder andere handelaren voor eigen rekening. DNB heeft het Ministerie van Financiën begin november 2017 geïnformeerd dat de EBA op 3 november 2017 een Breach of Union Law-procedure was gestart tegen DNB vanwege de manier waarop DNB de in de verordening kapitaalvereisten neergelegde uitzondering voor plaatselijke onderneming toepast. DNB heeft het ministerie toen ook op de hoogte gesteld van haar voornemen het beleid voor plaatselijke ondernemingen te wijzigen. Over de implicaties van die beleidswijziging is vervolgens intensief contact geweest tussen het ministerie, DNB en AFM, in de aanloop naar de publieke aankondiging ervan op 13 november 2017. Uiteindelijk hebben DNB en de AFM een eigen afweging gemaakt – DNB ter zake van de kapitaaleisen en de AFM ter zake van het bonusplafond – over de termijn waarbinnen het gerechtvaardigd is dat de desbetreffende ondernemingen dienen te voldoen aan de nieuwe eisen als gevolg van de beleidswijziging. Op 20 november heb ik over dit onderwerp gesproken met DNB en AFM. In december 2017 heeft er vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie, de AFM en de sector. Het doel hiervan was informatievergaring voorafgaand aan beleidsvorming. Ook in de voorbereiding van mijn brief van 16 februari jongstleden en na verzending van deze brief is er regelmatig contact geweest met zowel AFM als DNB.
Klopt het dat het aannemen van de motie-Van Weyenberg c.s. betekent dat er tot het moment waarop de nieuwe Europese regels gelden, de facto doorgegaan kan worden met het geven van bonussen aan flitshandelaren en dat het daarna de bedoeling is om via Europese regelgeving dit mogelijk te blijven maken?
Deze motie verzoekt ten eerste de regering te streven naar zo spoedig mogelijke invoering van een nieuw Europees kader voor prudentieel toezicht voor beleggingsondernemingen. Zoals deze leden al signaleren, en ook in het BNC-fiche over dit voorstel7 is opgenomen, staat het kabinet daar positief tegenover. Vervolgens verzoekt de motie de regering tot er duidelijkheid is over de Europese onderhandelingen en gesprekken met de AFM en DNB af te zien van onomkeerbare stappen inclusief andere prudentiële en beloningsregels voor handelaren voor eigen rekening en risico. Deze motie richt zich dus alleen op handelaren voor eigen rekening. Hoewel de meest zuivere aanpak mijns inziens is om met een aanpassing van de wettelijke uitzondering zowel toezichthouders als de betrokken ondernemingen duidelijkheid te bieden, ben ik, als de meerderheid van uw Kamer mij daartoe oproept, bereid geen onomkeerbare stappen te zetten in afwachting van verder overleg en de Europese besluitvorming.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor dinsdagmiddag 6 maart 2018 te 12.00 uur, zodat de Tweede Kamer de antwoorden kan meewegen bij de stemmingen over de ingediende moties?
Ja.
Het bericht ‘Peking pleegt coup bij verzekeringsreus Anbang’ |
|
Erik Ronnes (CDA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Peking pleegt coup bij verzekeringsreus Anbang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de grootste «boardroom coup» uit de moderne Chinese geschiedenis?
Ik heb geen nadere informatie over de interventie van de Chinese toezichthouder op de verzekeringssector CIRC bij Anbang dan in de media bekend is. Ik kan op basis van die informatie geen oordeel geven.
Wat betekent het voor het Nederlandse Vivat dat hun Chinese eigenaren nu geleid worden door Chinese overheidsinstanties?
De verzekeringsgroep Vivat en haar dochterondernemingen SRLEV, Reaal Schadeverzekeringen, Zwitserleven PPI, Proteq Levensverzekeringen en vermogensbeheerder Actiam zijn Nederlandse vennootschappen, vallen onder Nederlands recht en staan onder toezicht van de Nederlandse toezichthouders DNB en AFM.
Anbang is enig aandeelhouder in de verzekeringsholding Vivat en daarmee indirect enig aandeelhouder in de vergunninghoudende dochterondernemingen. Via die weg kan Anbang, en na de overname van het bestuur de CIRC, enige invloed uitoefenen op het beleid van Vivat. De CIRC heeft geen zeggenschap over de dagelijkse bedrijfsvoering binnen Vivat. De invloed als aandeelhouder is beperkt door de Nederlandse wettelijke regels ter zake van het ondernemingsbestuur (waar gaat de aandeelhouder wel en niet over), de wettelijke eisen die gelden voor vergunninghoudende verzekeraars en hun aandeelhouders (waaronder de Europese prudentiële eisen), het toezicht door DNB en AFM daarop en ten slotte de afspraken die DNB met Anbang heeft gemaakt bij de afgifte van de verklaring van geen bezwaar in 2015. Zoals in de antwoorden op de vragen van de leden Omtzigt en Ronnes (beiden CDA) over de problemen bij Anbang en de gevolgen daarvan voor de polishouders van VIVAT (oa Zwitserleven, Reaal en Route Mobiel)2 is aangegeven is het op grond daarvan aan Vivat niet toegestaan leningen en garanties te verstrekken aan de aandeelhouder zonder de toestemming van DNB.
Voorts geldt dat Vivat in november 2017 alle leningen die eerder door Anbang aan Vivat waren verstrekt op de kapitaalmarkt heeft geherfinancierd en aan Anbang heeft afgelost.3 Er zijn op dit moment dus geen financiële banden tussen Vivat en Anbang anders dan het aandeelhouderschap van laatstgenoemde.
Welke gevolgen voor de Nederlandse toezichthouders zijn er door de ingreep van de Chinese overheidsinstanties?
Ik zie geen reden waarom de mogelijkheden voor de Nederlandse toezichthouders om toezicht te houden op de Nederlandse verzekeringsgroep Vivat en de vergunninghoudende verzekeraars zouden zijn veranderd in het licht van de recente ontwikkelingen.
Hoe houden de Nederlandse toezichthouders zicht op de geldstromen die er tussen Vivat en Anbang plaats vinden en worden de mogelijkheden voor toezicht bemoeilijkt nu de Chinese overheid het bedrijf operationeel overgenomen heeft?
Voor het antwoord op vraag 5 verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3 en 4.
In hoeverre staat u en/of de toezichthouders in contact met de Chinese autoriteiten over deze gebeurtenis?
De Nederlandsche Bank heeft in het kader van het toezicht op Vivat contact met de Chinese toezichthouder op de verzekeringsector CIRC. DNB heeft aan mij bevestigd ook naar aanleiding van de recente berichten in de media contact te hebben gehad met de CIRC. Uit het contact met DNB concludeer ik dat de in deze brief genoemde ontwikkelingen geen reden geven tot zorg.
Heeft u de garantie dat Vivat voldoende gekapitaliseerd is en blijft?
De verzekeringsgroep Vivat en de vergunninghoudende verzekeringsdochters dienen doorlopend te voldoen aan alle wettelijke eisen met betrekking tot hun solvabiliteit. DNB ziet daarop toe. Het is Vivat op grond van die wettelijke eisen niet toegestaan stappen te zetten die de kapitaalspositie zouden kunnen bedreigen. Ook daarop ziet DNB toe. Daarbij is tevens van belang dat het Vivat niet is toegestaan leningen en garanties te verstrekken aan de aandeelhouder zonder de toestemming van DNB.
Ik heb overigens geen aanwijzingen te veronderstellen dat Vivat of Anbang dergelijke stappen zouden overwegen.
Kunnen de Chinese autoriteiten nu eigenstandig besluiten nemen die de kapitaalpositie van Vivat onder druk kunnen zetten en heeft De Nederlandsche Bank (DNB) middelen om in te grijpen indien er een ongewenste kapitaaluitstroom uit Vivat richting China op gang wordt gebracht?
Voor het antwoord op vraag 8 verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3 en 7.
Is er in deze situatie een rol voor de Europese Commissie om mogelijke staatssteunsituaties te beoordelen?
Vivat ontvangt geen steun van een (Europese) overheid. Dat betekent dat de staatssteunregels niet van toepassing zijn.
Heeft u inzicht in de wetsovertredingen waar Anbang volgens het nieuwsbericht van wordt verdacht en is er ook een link met Nederland of de bedrijfsactiviteiten waar Vivat mee gemoeid is?
Ik heb ten aanzien van de vermeende overtredingen van Anbang geen andere informatie dan ik uit de media heb vernomen. Ik ben niet bekend met enige band met Nederland.
Hoe beoordeelt u de situatie die nu is ontstaan, namelijk dat de Chinese overheid als wetgever bedrijven heeft gemaand om «niet-strategische bezittingen» te verkopen, de schijnbare solvabiliteitsproblemen bij Anbang en het feit dat diezelfde Chinese overheid nu aan de knoppen zit bij Anbang en financiële beslissingen kan nemen?
Ik begrijp de vraag zo dat de leden vragen naar de toekomst van het aandeelhouderschap van Anbang van de verzekeringsgroep Vivat. De leden verwijzen daarbij naar de berichten in de media dat de Chinese overheid Chinese bedrijven zou hebben opgedragen niet-strategische bezittingen te verkopen en het feit dat de CIRC hieraan als de facto bestuurder van Anbang met betrekking tot Vivat gevolg zou kunnen geven. Ik heb geen signalen ontvangen over eventuele plannen van Anbang ten aanzien van het aandeelhouderschap van Vivat.
Het staat een aandeelhouder in beginsel vrij zijn aandelenbelang te vervreemden. Het staat Anbang in die zin ook vrij om één of meerdere partij(en) te zoeken die bereid is/zijn de aandelen in de verzekeringsgroep Vivat over te nemen. Wel geldt voor een dergelijke verkoop dat de koper voor het verwerven van de aandelen, mits de koper ten minste 10% van de aandelen verkrijgt, een verklaring van geen bezwaar van DNB moeten hebben. DNB zal daarbij de koper beoordelen conform de eisen in de Wet op het financieel toezicht.
Een overdracht van aandelen verandert daarbij niets aan de verplichtingen van de verzekeringsgroep Vivat jegens polishouders.
Kunt u begrijpen dat de werknemers en polishouders van Vivat, gezien de stapeling van slecht nieuws rond eigenaar Anbang de afgelopen jaren,2 zich zorgen maken over de soliditeit van hun werkgever en uitgever van hun polis, vaak ook hun pensioenverzekeraar? Wat is uw boodschap om hen gerust te stellen? Genieten zij voldoende bescherming?
Ik begrijp goed dat werknemers en polishouders zich zorgen kunnen maken in het licht van de berichten die over de aandeelhouder van Vivat in de media zijn verschenen. Ik herhaal hier dat Anbang en de onderdelen van de verzekeringsgroep Vivat verschillende bedrijven zijn. Werknemers en polishouders hebben een relatie met Vivat en niet met Anbang. Vivat en haar verzekeringsdochters zijn gezonde Nederlandse bedrijven. De problemen van Anbang doen daar op geen enkele wijze aan af. Mijn boodschap is dus dat de situatie in China vervelend is door de onrust die deze creëert maar dat er geen gevolg is voor de financiële positie van Vivat. Er is dus ook geen gevolg voor de polishouders en werknemers van Vivat en haar verzekeringsdochters.
De enorme stijging van elektriciteitstarieven op Bonaire |
|
Agnes Mulder (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht over de stijging van de elektriciteitstarieven op Bonaire?1
Ja.
Klopt het dat de elektriciteitsprijzen worden verhoogd met 24%?
Ja, de elektriciteitstarieven zijn door Water- en Energiebedrijf Bonaire (WEB) met USD 0,073 per kWh verhoogd tot USD 0,376 per kWh (23,6%) verhoogd.
Om welke redenen en op basis van welke regels zijn de elektriciteitstarieven door Water – en Energiebedrijf Bonaire (WEB) verhoogd vanaf 1 januari 2018?
Nee. Anders dan in Nederland worden deze tarieven kunstmatig lager gehouden dan de werkelijke kosten, door middel van een subsidie, die uiteraard wordt opgebracht door de Nederlandse belastingbetaler.
De kosten die ten grondslag liggen aan de tarieven zijn wel hoger dan tot dusver doorberekend aan de klant. Dat komt vooral door de gestegen olieprijs. De rest van de tariefsverhoging komt door de netwerkkosten, die tot dusver niet geheel in de tarieven werden doorberekend, waardoor de financiële positie van het netwerkbedrijf dan ook werd uitgehold.
Betreft dit kostendekkende tarieven als berekend door Autoriteit Consument en Markt (ACM) die op 1 april 2018 ingaan?2
Zie antwoord vraag 3.
Klopt wat de consumentenbond van Bonaire, Unkobon, stelt dat er geen flankerend beleid is om sociaal zwakkeren te beschermen?3
Nee. Er is rijksbreed beleid om de sociaaleconomische ontwikkeling van Caribisch Nederland te bevorderen. Er is bovendien flankerend beleid om de vaste gebruikstarieven te verlagen zodat de netbeheertarieven in Caribisch Nederland vergelijkbaar zijn met die in Europees Nederland. Dit gebeurt met een subsidie vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor elektriciteit en vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor drinkwater. In de subsidiebeschikking voor de elektriciteitstarieven is expliciet opgenomen dat WEB zelf de subsidie kan verdelen en specifiek kan inzetten om de rekening van groepen die er onder het nieuwe tariefstelsel op achteruit gaan, te verlagen. Hiernaast hebben veel huishoudens een contract op basis van betaling vooraf (pre paid, Pagabon). Bij een dergelijk contract betaalt men geen vast gebruikstarief. WEB kan kiezen ook de rekening van deze groep te verlagen met de subsidie. Ik ben in gesprek met WEB over hoe de subsidie in te zetten.
Bent u bereid om zich in te zetten voor een betaalbare energievoorziening als per motie verzocht door de Kamer (Kamerstuk 34 089, nr. 13)?
Ja. Het beleid zoals vervat in het «Plan voor een betaalbare en duurzame energievoorziening in Caribisch Nederland. De ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening» (Kamerstuk 34 089, nr. 16) is mede gebaseerd op het onderzoeksrapport «Renewable Energy Future for the Dutch Caribbean Islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba» (Kamerstuk 34 089, nr. 14). Met dit plan wil ik inzetten op duurzame energievoorziening waardoor de kosten voor energieverbruik in Caribisch Nederland verlaagd kunnen worden, terwijl tegelijk schonere energie wordt opgewekt en inwoners van Caribisch Nederland minder afhankelijk zijn van fossiele brandstof om energie op te wekken. Het heeft mijn voorkeur de betaalbaarheid te verbeteren door (financiële) steun voor duurzame productie, boven tariefsteun voor de (fossiele) energierekening van de eindgebruiker. Toch is er nu tariefsteun ten behoeve van de betaalbaarheid bij onder andere de sociaaleconomisch zwakkere eindgebruiker.
Mijn ambtgenote van IenW is zich eveneens bewust van de prijsstijgingen van drinkwater in Caribisch Nederland. Voor de korte termijn worden deze via subsidie zoveel mogelijk opgevangen. Omdat de tariefstructuur van de wet momenteel onvoldoende mogelijkheden biedt om de betaalbaarheid voor kleinverbruikers voor drinkwater te borgen wordt een wetswijziging voor drinkwater voorbereid waarbij tevens de uitkomsten van de evaluatie van de wet zullen worden meegenomen. De Minister van IenW zal u daaromtrent nader informeren.
Gaat u de ruimte die artikel 5.1 van de wet Elektriciteit en Drinkwater BES geeft spoedig benutten om een deel van de transportkosten voor water en elektriciteit te subsidiëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, biedt deze subsidiëring op korte termijn soelaas voor de in vraag één genoemde tariefstijging en voor de door de ACM bepaalde tarieven die op 1 april ingaan?
Ja. Ik ga een subsidie verstrekken die de netbeheertarieven voor elektriciteit verlaagt tot ongeveer Europees Nederlands niveau. In de subsidiebeschikking heb ik expliciet opgenomen dat het bedrijf zelf de subsidie kan verdelen en zo kan toespitsen op huishoudelijke klanten, die het meest geraakt worden. Ongeveer twee derde van de stijging is het gevolg van hogere olieprijzen die op de mondiale markt tot stand komen. Ik ben niet bereid tot een aanvullende brandstofsubsidie.
Mijn ambtgenote van IenW subsidieert daarnaast het vaste gebruikstarief voor drinkwater. Deze subsidie neemt exponentieel toe als gevolg van de berekende gestegen kosten. Daarbij kan momenteel geen rekening worden gehouden met kleinverbruik, zoals in het antwoord op vraag 6 toegelicht. Om die reden wordt een wetswijziging voorbereid om tot de gewenste differentiatie en flexibiliteit in de tariefstructuur te komen.
Is er op Bonaire een gebruiksafhankelijk tarief voor elektriciteit- en drinkwatertarieven als genoemd op pagina 11 van de memorie van toelichting van de wet Elektriciteit en Drinkwater BES (Kamerstuk 34 089, nr.3) om deze tarieven betaalbaar te houden voor de minst draagkrachtige afnemers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Er wordt per 1 april een gebruiksonafhankelijk tarief op Bonaire ingevoerd. Saba en Sint Eustatius gingen Bonaire hierin in 2017 voor.
Voor wat betreft de betaalbaarheid van deze tarieven verwijs ik naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 7. Voor drinkwater zal ook de betaalbaarheid van het variabele gebruikstarief mede worden onderzocht in het kader van de daar bedoelde wetswijziging.
Het weigeren van de VVV-cadeaukaart, de positie van het lokale mkb en de geldigheidsdatum bij cadeaukaarten |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ook al eens aan de kassa geweigerd met VVV-cadeaukaart?»1
Ja.
Klopt het dat winkeliers de VVV-cadeaukaart in zijn nieuwe vorm vaak weigeren of de benodigde apparatuur nog niet op orde hebben? Zo ja, mag een cadeaukaart worden verstrekt die bij bepaalde aangesloten winkels wordt geweigerd of nog niet ingeruild kan worden?
Mij is berichtgeving zoals bovenstaande over de weigering van de VVV-cadeaukaart in zijn nieuwe vorm bekend, maar precieze gegevens over de omvang hiervan heb ik niet.
Winkeliers bepalen zelf welke betaalmiddelen zij accepteren. In de wet zijn geen bijzondere regels gesteld over het accepteren van cadeaukaarten. Ondernemers en uitgevers van cadeaukaarten maken onderling afspraken over de inwisselbaarheid en techniek van die kaarten. Hierbij is de overheid niet betrokken.
Zijn er meer cadeaukaarten waarbij lokale ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) afhaken vanwege een te forse investering? Zo ja, in hoeverre gaat dit ten koste van de groei van het lokale mkb?
Mij zijn dergelijke signalen niet bekend.
Mogen cadeaukaarten worden verstrekt waarbij de geldigheidsdatum voor de consument onduidelijk, in kleine lettertjes en alleen op de achterkant van de kaart wordt weergegeven? Of waarbij de geldigheidsdatum alleen online te achterhalen is? Welke regels gelden hiervoor en welke instantie controleert hierop?
Ziet u mogelijkheden om de duidelijkheid van de geldigheidsdatum op cadeaukaarten te vergroten? Zo ja, welke mogelijkheden zijn dat?
Hoe kan worden gerealiseerd dat meer uitgevers van cadeaukaarten zich aansluiten bij de Stichting Keurmerk Cadeaukaarten, die langere geldigheidstermijnen hanteert?
Een keurmerk draagt over het algemeen bij aan duidelijkheid voor de consument. Het is echter aan uitgevers van cadeaukaarten zelf om te besluiten of zij zich aansluiten bij de Stichting Keurmerk Cadeaukaarten. Ik wil er op wijzen dat ook uitgevers die niet zijn aangesloten bij het Stichting Keurmerk Cadeaukaarten zich moeten houden aan het hierboven toegelichte wettelijk kader.
Het omzeilen van de Wet Markt en Overheid |
|
Hayke Veldman (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Wethouder Elfrink (SP) ziet geen problemen bij horeca-lening Focus Filmtheater»?1
Ja.
Bent u van mening dat de verstrekte lening kenmerken heeft van overheidssteun en dat zo oneerlijke concurrentie gecreëerd wordt?
Of de verstrekte lening kwalificeert als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is afhankelijk van een aantal criteria. Het eerste criterium is dat de door een overheid verstrekte lening niet marktconform is en een voordeel voor een bepaalde onderneming oplevert. Andere criteria zijn dat dit voordeel potentieel de concurrentie binnen de interne markt vervalst of dreigt te vervalsen en dat dit voordeel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Of er in onderhavige situatie sprake is van staatssteun, is in de eerste plaats aan de gemeente om te beoordelen. De gemeente kan door de toezichthouder op de staatssteunregels, de Europese Commissie, onder toezicht van het Europese Hof van Justitie, gecontroleerd worden en ook de nationale rechter kan door belanghebbenden gevraagd worden of er sprake is van staatssteun. Staatssteun kan toelaatbaar of ontoelaatbaar zijn. Alleen bij ontoelaatbare staatssteun zal sprake zijn van oneerlijke concurrentie. Dit zal bijvoorbeeld niet het geval zijn als andere ondernemingen waarmee het theater concurreert onder gelijke voorwaarden aanspraak kunnen maken op een lening.
Welke regels zijn van toepassing op de voorwaarden waaronder een gemeente leningen mag verstrekken?
Zowel de staatsteunregels als de Wet markt en overheid zijn bedoeld om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Naast deze wettelijke kaders spelen overheden en hun controlerende organen uiteraard ook een rol in het voorkomen van oneerlijke concurrentie.
Beide wettelijke kaders zijn onder omstandigheden ook van toepassing op het verstrekken van leningen waaruit een situatie van oneerlijke concurrentie kan voortkomen. Zoals bij de beantwoording van vraag 2 al genoemd, kan een lening verstrekt door een gemeente mogelijk worden gezien als staatssteun. In dat geval zijn de voorwaarden opgenomen in de staatssteunkaders van de Europese Commissie van toepassing. Het is aan de steunverlenende gemeente primair zelf om de Europese staatssteunregels na te leven. De Europese Commissie ziet toe op handhaving van de staatssteunregels door de lidstaten, inclusief de handhaving door decentrale overheden in de lidstaten. Ook de nationale rechter kan gevraagd worden te beoordelen of door een gemeente onrechtmatige staatssteun is gegeven.
Wanneer geen sprake is van staatssteun, kan in twee situaties de Wet markt en overheid (hoofdstuk 4b van de Mededingingswet) van toepassing zijn. De eerste is wanneer de lening wordt verstrekt aan een overheidsbedrijf (een bedrijf waarvan een gemeente in staat is het beleid te bepalen2). De Wet markt en overheid geeft aan dat een gemeente een overheidsonderneming niet mag bevoordelen boven ondernemingen waarmee dat overheidsbedrijf in concurrentie treedt, bijvoorbeeld via een lening beneden de integrale kostprijs. Het tweede geval is wanneer een overheid in zijn hoedanigheid als marktdeelnemer door het verstrekken van een lening een economische activiteit verricht en concurreert met andere kredietverstrekkers. Een overheid mag een lening dan niet beneden de integrale kosten verstrekken. Of de Wet markt en overheid van toepassing is en wordt overtreden, is aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthouder op de wet.
Wie dient erop toe te zien of een gemeente leningen tegen marktconforme vergoedingen verstrekt? Bent u bereid deze situatie nader te (laten) onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Welke vervolgstappen kunt u zetten indien geconstateerd wordt dat sprake is van het verstrekken van een lening tegen voorwaarden die gunstiger zijn dan marktvoorwaarden door een lokale overheid?
Als een lening tot oneerlijke concurrentie leidt, is het in eerste instantie aan de ondernemers om dat bij de betreffende overheid aan te geven. Daarnaast kunnen belanghebbenden een klacht indienen bij de Europese Commissie, of naar de rechter gaan, indien ze vinden dat sprake is van ongeoorloofde staatsteun, of een klacht indienen bij de ACM indien ze vinden dat een gemeente de Wet markt en overheid overtreedt.
Bent u bekend met het feit dat Koninklijke Horeca Nederland (KHN) in de constructie een meer gebruikte «Horeca BV-truc» herkent waarmee de Wet Markt en Overheid omzeild wordt? Deelt u de mening van KHN? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording ga ik ervan uit dat u met de «Horeca BV-truc» bedoelt dat een vereniging of stichting zijn horeca-activiteiten in een BV onderbrengt. Hierbij kan het, zoals ook de KHN suggereert, zijn dat de «Horeca-BV» meeprofiteert van een subsidie aan een stichting of vereniging die bijvoorbeeld bedoeld is voor cultuur- of sportactiviteiten.3 Dit leidt tot een risico op oneerlijke concurrentie.
Deze discussie gaat over de vraag of de BV profiteert van de subsidie voor de stichting of vereniging. Om oneerlijke concurrentie met subsidies te voorkomen kunnen voorwaarden worden gesteld voor, en verplichtingen worden verbonden aan een subsidie. Dit kan niet op basis van de Wet markt en overheid maar wel op basis van de Algemene wet bestuursrecht en op basis daarvan opgestelde gemeentelijke verordeningen. Een overheid kan onder andere voorwaarden en verplichtingen aan een subsidie verbinden om oneerlijke concurrentie en nadelige gevolgen voor derden uit te sluiten. Indien een ondernemer oneerlijke concurrentie ervaart door een subsidieverstrekking of lening, dan kan de onderneming hiertegen bezwaar en beroep instellen. De vraag of een subsidie leidt tot oneerlijke concurrentie is in eerste instantie aan het bestuursorgaan zelf (bij het nemen van het primaire besluit en eventueel bij de beoordeling van een bezwaarschrift) en indien beroep wordt ingediend, aan de rechter. Daar waar bij de subsidie sprake is van ongerechtvaardigde staatssteun, kan een ondernemer hierover een klacht indienen bij de Europese Commissie.
Deelt u de mening dat dergelijke constructies tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden waar ondernemers schade van kunnen ondervinden?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze dient de Wet Markt en Overheid aangepast te worden om deze oneerlijke concurrentie een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Aandelenbeurzen niet gelukkig met nieuwe handelsregels’ |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aandelenbeurzen niet gelukkig met nieuwe handelsregels» uit het Financieele Dagblad van 5 februari 2018?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van dit bericht? Bereiken dezelfde ontevreden geluiden het ministerie? Wat zijn de ervaringen van de toezichthouder in de (korte) tijd dat Markets in Financial Instruments Directive II (MiFiD II) nu in werking getreden is?
De in het Financieele Dagblad (FD) van 5 februari jl. geuite «ontevreden geluiden» hebben de exploitanten van handelsplatformen gedeeld met de betrokken Europese en nationale toezichthouders. Deze geluiden zijn ook bij het ministerie bekend.
Wat betreft de ervaringen van de toezichthouders met de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (MiFID II), die vanaf 3 januari 2018 moet worden toegepast, kan worden opgemerkt dat zij sinds die datum een toename van de Europese handelsvolumes hebben waargenomen voor aandelen die worden verhandeld op transparante handelsplatformen voor aandelen en door beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling (SI). Die toename lijkt vooral het gevolg te zijn van een verplaatsing van de zogenoemde Over-The-Counter (OTC) handel in aandelen, die voor 3 januari 2018 voor een belangrijk deel op niet-transparante Broker Crossing Networks plaatsvond, naar transparante plaatsen van uitvoering.2 Deze ervaringen zijn in lijn met de verwachtingen van de Europese wetgever voorafgaande aan het van toepassing worden van MiFID II.
De «ontevreden geluiden» richten zich met name op de vanaf het begin van dit jaar toegenomen handel in aandelen door beleggingsondernemingen met SI. Deze beleggingsondernemingen voeren bilateraal en voor eigen rekening (met eigen kapitaal) orders van cliënten uit.3 Zij mogen (anders dan multilaterale handelsplatformen) geen koop- of verkoopintenties van derden bij elkaar brengen. Vanaf 3 januari jl. geldt voor beleggingsondernemingen met SI de verplichting om voor aandelen vaste koersen (firm quotes) af te geven. Als gevolg van die verplichting is er sprake van meer transparantie voor de handel (pre trade transparency) dan bij de hiervoor bedoelde OTC-handel in aandelen.
Wat betreft de regels inzake transparantie voor de handel kan verder worden opgemerkt dat de op de multilaterale «Europese aandelenbeurzen» geldende voorschriften inzake transparantie voor de handel in belangrijke mate overeenkomen met de voor beleggingsondernemingen met SI geldende voorschriften. Een materieel verschil betreft het tick size regime. Beleggingsondernemingen met SI mogen – kort samengevat – een order of quote op meer getallen achter de komma beprijzen dan multilaterale handelsplatformen.4 Kleinere tick sizes leiden doorgaans tot kleinere verschillen tussen bied- en laatprijzen hetgeen tot lagere uitvoeringskosten kan leiden. ESMA is voornemens om middels een wijziging van de relevante gedelegeerde verordening de verschillen tussen beide tick size regimes weg te nemen. 5
Verwacht u dat MiFiD II ertoe zal leiden dat, zoals het artikel stelt, «beleggers de transparante platforms zullen verlaten voor minder transparante afwikkelsystemen»? Wat zijn de effecten hiervan? Was deze substitutie bij de wetsbehandeling al voorzien? Vindt u eveneens dat zo’n overstap tegen de geest van de wet ingaat? Welke mogelijke stappen kunnen genomen worden teneinde deze effecten tegen te gaan, en is dit wenselijk?
Nee, naar verwachting zal MiFID II geen omvangrijke verplaatsing van handelsvolumes van multilaterale handelsplatformen naar bilaterale afwikkelsystemen (en in het bijzonder beleggingsondernemingen met SI) tot gevolg hebben. Wel mag worden verwacht dat zowel de handelsvolumes op die handelsplatformen als die van beleggingsondernemingen met SI zullen toenemen. Die verwachting is gebaseerd op de in de verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR) opgenomen handelsverplichting (trading obligation) voor aandelen. Op basis van die handelsverplichting moeten aandelen in beginsel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit (MTF) of door een beleggingsonderneming met SI worden verhandeld. Die verplichting zal tot gevolg hebben dat (bilaterale) OTC-handel in aandelen zal worden verplaatst naar deze transparante plaatsen van uitvoering. In het hiervoor bedoelde FD-artikel wordt ook op dit door MiFID II beoogde effect gewezen.
Is deze overstap naar minder transparante afwikkelsystemen een reactie op de wetgeving die bedoeld is om geautomatiseerd handelen (High Frequency Trading) tegen te gaan? Bereikt de wetgeving haar doel dan wel, als handelaren over kunnen stappen op minder transparante systemen? Bent u het eens met uw ambtsvoorganger in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34583–6) dat met de huidige wetgeving «een goede balans is gekozen en dat algoritmische handel niet onnodig wordt beperkt»?
Naar het oordeel van de toezichthouders kan nu nog niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate het van toepassing worden van MiFID II heeft geleid tot een verplaatsing van handelsvolumes van multilaterale handelsplatformen voor aandelen naar (bilaterale) afwikkelsystemen. Indien een zodanige verplaatsing heeft plaatsgevonden, zou dit mede veroorzaakt kunnen zijn door het (afwijkende) tick size regime dat moet worden toegepast door beleggingsondernemingen met SI. Hierbij moet worden opgemerkt dat als een dergelijke verplaatsing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dit effect hoogstwaarschijnlijk van tijdelijke aard is, gezien de in voorbereiding zijnde wijziging (door ESMA) van de relevante gedelegeerde verordening die de verschillen tussen de verschillende tick size regimes moet wegnemen. Daarnaast hebben de toezichthouders vastgesteld dat een aantal beleggingsondernemingen met SI vooruitlopend hierop het voor multilaterale handelsplatformen geldende tick size regime reeds toepassen.
De in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 neergelegde opvatting van mijn ambtsvoorganger dat – kort samengevat – MiFID II de algoritmische handel in financiële instrumenten niet onnodig beperkt, is nog steeds van toepassing.6
Wat is uw reactie op het door de beurskoepel Fese beschreven «ongelijke speelveld», voortkomend uit het feit dat interne afwikkelsystemen een uitzonderingspositie in de wet hebben? Kunt u de Kamer op de hoogte houden van de door de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) gestarte marktconsultatie?
Zoals aangegeven, geldt voor beleggingsondernemingen met SI momenteel een afwijkend tick size regime. Voor het overige is wat betreft de voorschriften met betrekking tot transparantie voor handel geen sprake van een uitzonderingspositie voor dergelijke beleggingsondernemingen. De reden voor het verschil met betrekking tot de tick size regels is gelegen in het feit dat deze beleggingsondernemingen voor eigen rekening (met hun eigen kapitaal) handelen. Met andere woorden: de beleggingsonderneming treedt steeds als tegenpartij op waardoor hij risico loopt. Dit laatste geldt niet bij handel in aandelen die op multilaterale handelsplatformen plaatsvindt. Ondanks deze bijzondere positie van beleggingsondernemingen met SI is ESMA voornemens hen te verplichten om bij de handel in aandelen hetzelfde tick size regime toe te passen als dat bij de handel in aandelen op multilaterale handelsplatformen moet worden toegepast.
Ik zal uw Kamer informeren over de resultaten van de door ESMA uitgevoerde marktconsultatie van de tick size regels. ESMA zal die resultaten ook via haar website bekend maken.
Hoe blijft u de relevante financiële wetgeving, zoals MiFID II, volgen teneinde mogelijke negatieve effecten vroegtijdig te signaleren en indien nodig tegen te gaan? Wanneer wordt de werking van de wet geëvalueerd? Wordt er contact onderhouden met de relevante spelers in het veld?
Vanzelfsprekend worden door het ministerie contacten onderhouden met «de relevante spelers in het veld» aangezien die contacten behulpzaam kunnen zijn bij het reeds in een vroegtijdig stadium onderkennen van niet beoogde effecten van wet- en regelgeving. MiFID II en MiFIR, die zijn verwerkt in de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, bevatten verschillende evaluatiebepalingen die de Europese Commissie verplichten om (na raadpleging van ESMA) aan het Europees parlement en de Europese Raad een rapport of een verslag uit te brengen over de werking van verschillende onderdelen van die richtlijn en verordening. Zo dient de Europese Commissie bijvoorbeeld voor 3 maart 2020 een rapport uit te brengen over de effecten van de in MiFID II opgenomen voorschriften met betrekking tot algoritmische handel en eveneens voor die datum verslag uit te brengen over het effect in de praktijk van de in MiFIR opgenomen voorschriften inzake transparantie voor en na de handel in aandelen.
Het onder verscherpt toezicht plaatsen van Woonstichting Vooruitgang uit Sassenheim |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de Sassenheimse Woonstichting Vooruitgang in de gemeente Teylingen recent onder verscherpt toezicht is geplaatst?1
Dat is correct. Hiervoor verwijs ik naar het persbericht van de Autoriteit woningcorporaties (Aw) van 19 december jl.2
Kunt u tevens bevestigen dat het bij de stichting al een half jaar hommeles is en dat de Autoriteit Woningcorporaties afgelopen zomer al constateerde dat de governance van de woonstichting tekortkomingen vertoonde?
De Aw heeft een governance-inspectie uitgevoerd in maart 2017 en daarna een interventie gepleegd op 16 mei 2017. De Aw heeft daarin de corporatie opgelegd dat zij een verbeterplan moet opstellen en uitvoeren. Dit verbeterplan had met name betrekking op de gesignaleerde tekortkomingen in de governance.
Welke tekortkomingen vertoont de governance van de woonstichting precies, welke oorzaken liggen daaraan ten grondslag en moet vastgesteld worden dat de directeur-bestuurder van de woonstichting, in strijd met de statuten van de stichting, de Governancecode voor woningcorporaties niet heeft nageleefd?
De voormalige Raad van Commissarissen heeft eind maart 2017 aangegeven dat sprake was van een fundamenteel verschil van inzicht tussen raad en bestuurder over de «governance» van de corporatie, hetgeen de Aw ook heeft geconstateerd. De zorgen en twijfels van de Aw betroffen in eerste instantie de relatie tussen bestuurder en Raad van Commissarissen.
Eind oktober heeft de voormalige raad conform artikel 29 BTIV een melding gedaan van «een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de raad van commissarissen». In de optiek van de Aw bestonden er fundamentele verschillen van inzicht tussen raad en bestuurder met name over de wederzijdse taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
De voormalige Raad van Commissarissen heeft per brief van 8 december 2017 aan de Aw onder andere het volgende aangegeven: «Er is onvoldoende zicht op oplossingen binnen afzienbare termijn.» en «Gelet op het geheel van omstandigheden, achten wij het niet zorgvuldig en niet passend onze zetel als raad van commissarissen aan te houden.»
In haar verantwoordingsgegevens over 2016 heeft de corporatie aangegeven dat de statuten zijn nageleefd. De naleving van de governancecode maakte geen onderdeel uit van de uitgevoerde governance-inspectie. De Aw toetst op de vereisten uit de Woningwet en niet op de naleving van de governancecode van de sector voor zover dat niet raakt aan de wettelijke vereisten. Naleving van de governancecode wordt door de sector zelf gedaan.
Kunt u bevestigen dat de Autoriteit Woningcorporaties (de Autoriteit) medio 2017 al een interventie bij de woonstichting Vooruitgang heeft gepleegd? Wat was de aanleiding voor deze interventie en waaruit bestond deze?
Zie antwoord vraag 2.
Welke redenen liggen ten grondslag aan het opstappen van de complete raad van commissarissen van de woonstichting Vooruitgang?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de Autoriteit vindt dat met het opstappen van alle leden van de raad van commissarissen de problemen eerder verergerd zijn? Deelt u die visie?
Het opstappen van alle leden van de Raad van Commissarissen is voor de Aw reden geweest voor het instellen van verscherpt toezicht. Ik acht dat een logische stap, omdat het wegvallen van intern toezicht bij een corporatie een ernstig feit is.
Is het u bekend welke verergerde problemen de Autoriteit hierbij op het oog heeft en wat de overwegingen van de Autoriteit zijn om de woonstichting nu onder verscherpt toezicht te plaatsen?
Zie antwoord vraag 6.
Waarop is het verschil van mening tussen de directeur-bestuurder en de raad van commissarissen van de woonstichting gebaseerd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat, in lijn met de statuten en het Reglement werkwijze voor de raad van commissarissen van de woonstichting Vooruitgang, de raad van commissarissen toezicht dient te houden op het doen en laten van de directeur-bestuurder en deze zo nodig kan schorsen en ontslaan?
In de statuten van Woonstichting Vooruitgang is de toezichthoudende taak van de Raad van Commissarissen en de bevoegdheid van de Raad van Commissarissen tot schorsen en ontslaan van het bestuur geregeld. Het Reglement werkwijze voor de raad van commissarissen gaat wel in op het gegeven dat de Raad van Commissarissen toezicht dient te houden op de bestuurder, maar niet op schorsing en ontslag.
Waarom heeft de raad van commissarissen niet besloten om de directeur-bestuurder te schorsen of te ontslaan?
De voormalige Raad van Commissarissen heeft een voorgenomen besluit tot onmiddellijke schorsing van de bestuurder genomen en is daarna opgestapt.
Hoe kan het dat bij een substantieel verschil van opvatting over de governance tussen de raad van commissarissen en de directeur-bestuurder, de complete raad van commissarissen opstapt en de directeur-bestuurder aanblijft? Wat vinden de Autoriteit en u van deze (omgekeerde) gang van zaken?
Het is een eigen beslissing van de RvC geweest om voltallig op te stappen. De Aw vindt deze gang van zaken ongebruikelijk en ongewenst.
Worden op grond van de statuten van de woonstichting de leden van de raad van commissarissen benoemd door de raad van commissarissen?
Ja, met uitzondering van de situatie van ontstentenis en belet waarin de gehele Raad van Commissarissen is weggevallen.
Zijn er tijdelijk drie kandidaten benoemd in het kader van het intern toezicht? Zo ja, door wie zijn deze kandidaten aangezocht en benoemd, nu de raad van commissarissen in oude samenstelling al eerder voltallig is opgestapt?
In de statuten van de corporatie is opgenomen dat bij belet of ontstentenis van alle leden van de Raad van Commissarissen de bestuurder de Minister belast met de zorg voor de volkshuisvesting verzoekt tijdelijk te voorzien in intern toezicht (hierna: «tijdelijke voorziening»). Deze tijdelijke voorziening dient onder andere zorg te dragen voor de formatie van een Raad van Commissarissen. De Aw is gemandateerd om te voorzien in tijdelijk intern toezicht en heeft op 9 januari jl. drie tijdelijke intern toezichthouders aangesteld voor een periode van drie maanden. Hun namen zijn: mevrouw N. Boudrie-Poll en de heren prof. dr. mr. G.D. Minderman en mr. A.L.M. Vlak.
Wat vindt u, terwijl de woonstichting Vooruitgang onder verscherpt toezicht is geplaatst, van de mededeling van de directeur-bestuurder aan het gemeentebestuur van Teylingen dat het een interne kwestie betreft?
De directeur-bestuurder heeft aan de Aw aangegeven dat hij zich niet herkent in deze en dat hij over het opstappen van de RvC in openheid heeft gecommuniceerd met het lokale bestuur. Uit het feit dat er een interventie heeft plaatsgevonden door de extern toezichthouder, kan reeds worden geconcludeerd dat het om meer gaat dan een interne kwestie. Het intern toezicht ziet er onder andere op toe dat de belangen van stakeholders (met name gemeente en de huurders) voldoende zijn geborgd en met name om die reden acht ik het wegvallen van het intern toezicht ook een externe aangelegenheid.
Wat vindt u van het feit dat de directeur-bestuurder, op grond van zijn perceptie dat het een interne kwestie betreft, weigert aan het gemeentebestuur van Teylingen volledige opening van zaken te geven over de exacte gang van zaken bij de woonstichting?
Bestuurder heeft aan de Aw aangegeven dat hij zich niet herkent in de weergave in de vraagstelling. In algemene zin acht ik het van belang dat corporaties openheid en transparantie betrachten naar hun stakeholders zoals gemeenten.
Deelt u de conclusie dat vanwege de publieke taak van de woningstichting snel volledige openheid en transparantie noodzakelijk is, nu huurders en het gemeentebestuur van Teylingen, door de opstelling van de directeur-bestuurder, belangrijke informatie die hen direct raakt, ontberen?
De bestuurder heeft aan de Aw aangegeven al zo te handelen en zo ook te blijven handelen. Een dergelijke handelwijze ligt in de rede. De Aw zal hier ook op aandringen bij de corporatie en waar nodig handelend optreden.
Onderschrijven u en de Autoriteit de opvatting van de directeur-bestuurder dat «deze bewaking niets met de bedrijfsvoering te maken heeft en er ook financieel niks aan de hand is. Integendeel, Vooruitgang is financieel hartstikke gezond»? Zo nee, wat is dan uw oordeel en waarop is dat gebaseerd?
De Aw kan bevestigen dat er op dit moment geen sprake is van zorgen omtrent de financiële positie. Het verscherpt toezicht komt met name voort uit de governanceproblemen en het wegvallen van het intern toezicht.
Op welke wijze kan gewaarborgd worden dat de financiële continuïteit van de woonstichting Vooruitgang op korte en lange termijn gezond is, de plannen voor de sociale woningbouw in de gemeente Teylingen niet in het gedrang komen, de huurders van de woonstichting zich geen zorgen hoeven te maken en zij geen gevolgen zullen ondervinden van de gang van zaken bij de woonstichting?
De Aw heeft ervoor gezorgd dat is voorzien in het intern toezicht bij de corporatie. Dit intern toezicht gaat tevens zorgdragen voor de formatie van een nieuwe raad van commissarissen. De financiële positie van de corporatie geeft op dit moment geen aanleiding tot zorgen. De corporatie is gehouden tot het opstellen en uitvoeren van een herstelplan voor de governance van de corporatie. Deze aanpak moet ertoe leiden dat huurders geen nadeel ondervinden van de ontstane situatie.
De voortgang van het kledingconvenant en het tekortschieten van de verbeterplannen van kledingbedrijven |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «De verbeterplannen van de kledingindustrie schieten nog steeds tekort»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het ontbreken van veel kledingbedrijven als deelnemer aan het Convenant Duurzame Kleding en Textiel? Verwacht u het doel van 50 procent deelname komend jaar te gaan halen? Deelt u de mening dat een hoge deelname van bedrijven aan het convenant zwaar moet meetellen in de evaluatie van de convenanten, omdat anders een gelijk speelveld ontbreekt?
Er zal hard gewerkt moeten worden om in 2018 minstens de helft van de textiel- en kledingbedrijven mee te laten doen met het convenant. Voor een grotere impact moet een aantal grote internationale merken zich ook verbinden aan het convenant, aangezien die ongeveer de helft van de Nederlandse markt beslaan. Mede om deze reden wordt er samengewerkt met het vergelijkbare textielconvenant in Duitsland; deze samenwerking vergroot het bereik en de impact van beide convenanten.
In het regeerakkoord staat dat het kabinet het IMVO-convenantenbeleid over twee jaar zal evalueren, en op basis daarvan besluiten of en welke aanvullende (dwingende) maatregelen nodig zijn. In de evaluatie wordt ook zeker gekeken naar het percentage deelnemende bedrijven.
Hoe verklaart u dat van de deelnemende bedrijven slechts 18% een uitgewerkt plan heeft om misstanden als kinderarbeid en moderne slavernij tegen te gaan en werknemers een leefbaar loon en een veilige werkplek te bieden? Gaat dit percentage in 2018 naar 100%? Zo nee, waarom niet?
Hier is sprake van een misverstand. De genoemde percentages hebben betrekking op een – in het voorjaar 2017 uitgevoerde – zelfevaluatie over de implementatie van gepaste zorgvuldigheid. Het betreft hier een geaggregeerd percentage met «ja» beantwoorde vragen, en niet een percentage bedrijven. Deze informatie zegt dus niets over het aantal bedrijven dat wel of geen actie heeft genomen op genoemde categorieën, maar geeft een algemeen inzicht in de stand van zaken aan het begin van de uitvoering van het convenant.
In de zomer van 2017 dienden bijna alle (57) bedrijven ook hun plan van aanpak in waarin zij toelichten hoe zij het proces van gepaste zorgvuldigheid (due diligence) inrichten. De vier overige bedrijven hebben geen plan ingeleverd vanwege faillissement of moeilijke economische omstandigheden. Het secretariaat van het convenant heeft de plannen geanalyseerd en is hierover in gesprek gegaan met de bedrijven. Ook hieruit bleek dat niet alle bedrijven even vergevorderd zijn in de implementatie van gepaste zorgvuldigheid.
Het kabinet verwacht dat bedrijven het komende jaar forse stappen zetten. In het voorjaar van 2018 zullen deelnemende bedrijven wederom een zelfevaluatie uitvoeren. Het secretariaat beoordeelt of de inspanningen en de voortgang van de deelnemende bedrijven redelijk zijn, gegeven de omvang van het bedrijf, de positie in de keten en de mate van ervaring met IMVO. Van bedrijven die op onderdelen geen of slechts beperkte voortgang kunnen rapporteren wordt verwacht dat zij inzichtelijk maken waarom zij niet meer voortgang hebben gerealiseerd.
Hoe verklaart u dat slechts 17% van de bedrijven de risico’s in de eigen keten voldoende heeft onderzocht op basis van een analyse van potentiële risico’s? Gaat dit percentage in 2018 naar 100%? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u het belang van transparantie en het publiceren van de productielocatielijst? Erkent u dat op basis van de huidige informatie consumenten nog steeds geen inzicht hebben hoe de productieketen en de verbeterplannen per kledingmerk er uitziet? Bent u bereid om de transparantie te vergroten?
Het kabinet erkent, net als de andere partijen van het convenant, het belang van transparantie. Zo moeten deelnemende bedrijven uiterlijk in het derde jaar na aansluiting bij het convenant publiekelijk communiceren over hun IMVO inspanningen.
Voor de publicatie van de productieketen per kledingmerk geldt een andere afspraak. Tijdens de onderhandelingsfase bereikten partijen overeenstemming over het publiceren van een geaggregeerde lijst, omdat publicatie van de productieketen per kledingmerk volgens veel bedrijven de concurrentiepositie negatief kan beïnvloeden. Deze afspraak heeft geleid tot de publicatie van de 2802 productielocaties. Overigens communiceren een aantal bedrijven wel op individuele basis over hun productieketen, bijvoorbeeld via hun eigen websites.
De praktijk laat zien dat de huidige constructie met een geaggregeerde productielijst wel werkt om misstanden aan te pakken. De toegenomen transparantie heeft al tot concrete gesprekken en oplossingen geleid tussen maatschappelijke organisaties en bedrijven over misstanden in fabrieken die op de geaggregeerde lijst staan.
Klopt het dat in de jaarrapportage geen aandacht is besteed aan een stappenplan voor leefbare lonen? Worden leefbare lonen expliciet meegenomen in de verbeterplannen die bedrijven moeten opstellen?
Leefbaar loon is een van de negen thema’s van het convenant. Convenantspartijen hebben vastgesteld dat leefbaar loon en vakbondsvrijheid cruciaal zijn en verbetering op deze twee thema’s een positief effect heeft op alle andere sociale thema’s. Leefbaar loon is dan ook op verschillende manieren geprioriteerd in de werkzaamheden van het afgelopen jaar. Zo heeft het convenant een praktische training gegeven over leefbaar loon, is een collectief project leefbaar loon gestart en is gewerkt aan een concept stappenplan (roadmap) voor leefbaar loon. Het stappenplan is nog in ontwikkeling en is daarom nog niet meegenomen in de jaarrapportage. Het stappenplan vormt, net als de verdere ontwikkeling van het collectieve project, een van de prioriteiten van 2018.
Daarnaast wordt van aangesloten bedrijven verwacht dat zij in hun risicoanalyse aandacht besteden aan alle negen thema’s, waaronder leefbaar loon. Wanneer bedrijven in het proces van gepaste zorgvuldigheid een gebrek aan leefbaar loon als prioritair risico identificeren, komt dit ook terug in het plan van aanpak. In meerdere plannen van aanpak staan dan ook acties die bijdragen aan het toewerken naar leefbare lonen; bijvoorbeeld het aangaan van de dialoog over dit onderwerp met leveranciers, het maken van een analyse van de eigen inkooppraktijken in relatie tot leefbaar loon en het realiseren van loonverbeteringen in de keten. Een van de deelnemers won de Fair Wear Foundation best practice award2 voor afspraken over een leefbaar loon en bijbehorende kledingprijs met een fabriek in Turkije.
Het bericht dat Achmea met een fusie van dochtermaatschappijen orde op zake probeert te stellen |
|
Nine Kooiman |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Was u – of één van de toezichthouders op de zorgverzekeraars – bekend met de financiële problemen bij zorgverzekeraar FBTO die ook moederbedrijf Achmea in het nauw brengen?1
Ja, DNB was op de hoogte van de financiële situatie bij FBTO. Verzekeraars zijn bij wet ook verplicht om (dreigende) solvabiliteitstekorten per direct te melden bij DNB. Door sterke groei in het aantal verzekerden bij FBTO Zorg en de onverwacht hoge toename van zorgkosten ontstond er financiële krapte bij FBTO. FBTO Zorg (onderdeel van De Friesland Zorgverzekeraar binnen de Achmea Groep) heeft vervolgens een herstelplan opgesteld en dit voorgelegd aan DNB. Dit herstelplan is door DNB goedgekeurd en wordt nu uitgevoerd.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geld van premiebetalers van andere zorgverzekeraars gebruikt wordt om de financiële problemen van FBTO op te lossen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Binnen een (zorg)verzekeringsgroep is kapitaal overdraagbaar. Dit geldt ook voor FBTO, De Friesland en Zilveren Kruis, zij kunnen dus kapitaal overdragen aan elkaar indien men dit nodig acht. Dit maakt de (zorg)verzekeraars binnen een groep financieel meer solide. Is de mogelijkheid van kapitaaloverdracht er niet, dan zouden de afzonderlijke zorgverzekeraars binnen een (zorg)verzekeringsgroep afzonderlijk ieder meer eigen vermogen moeten aanhouden om aan de kapitaalseisen te voldoen. Ook zou herstel bij tegenvallers dan alleen mogelijk zijn door de premie (aanmerkelijk) te verhogen. Dit is niet in het voordeel van verzekerden. DNB houdt toezicht op de financiële positie van zorgverzekeraars maar ook op het goede bestuur, zowel op het niveau van individuele zorgverzekeraars als op het niveau van een zorgverzekeringsgroep.
Vindt u het eerlijk als uiteindelijk de premiebetaler zal opdraaien voor het onverantwoorde gedrag van FBTO Zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
De onderschrijding van de kapitaaleis door FBTO Zorg was, zo is mij gemeld door Achmea, te wijten aan een combinatie van financiële en niet-financiële factoren. FBTO Zorg heeft een sterke groei gehad van het aantal verzekerden en daardoor in combinatie met opgelopen zorgkosten in een situatie van onderdekking gekomen. Het aantal verzekerden en de kenmerken van deze verzekerden zijn in grote mate bepalend voor de verwachte schadelast en de hoogte van solvabiliteitvereisten van een zorgverzekeraar. FBTO Zorg heeft na het doorbreken van de kapitaaleis een herstelplan opgesteld om de financiële positie te versterken en dit herstelplan is goedgekeurd door DNB. Het eigen vermogen (de reserves) die zorgverzekeraars aan dienen te houden zijn bedoeld voor dit soort situaties, zodat niet de premiebetaler ineens de dupe is van een minder jaar bij een zorgverzekeraar. Doordat verzekerden jaarlijks over kunnen stappen van zorgverzekeraar is een scherpe premie belangrijk en dat kan alleen als de zorgverzekeraar de zaken goed op orde heeft.
Acht u het wenselijk dat moederbedrijf Achmea door middel van een fusie van dochterbedrijven Zilveren Kruis en De Friesland orde op zaken probeert te stellen bij het noodlijdende FBTO Zorg?
Het samengaan van deze zorgverzekeringsonderdelen die beide al onderdeel zijn van Achmea, is een oplossing voor het versterken van de financiële positie en de aansturing/governance van FBTO Zorg en in lijn met het herstelplan van FBTO Zorg dat bij DNB is ingediend.
Er vinden vaker fusies plaats tussen verzekeraars. Vorig jaar nog is Azivo opgegaan in Menzis en dit jaar geldt dat voor Cares in VGZ. Ik zie daar geen probleem in, doorgaans gaat het om een eigen bedrijfseconomische afweging. De ondernemingsraad van De Friesland heeft een zaak aangespannen tegen Achmea vanwege de fusie. De uitspraak in deze zaak is op het moment van schrijven nog niet bekend. Ik wacht het oordeel van de Ondernemingskamer af.
Kunt u uitleggen hoe de fusie van de twee dochterbedrijven een derde zorgverzekeringslabel veilig stelt? Erkent u dat dit voor verzekerden van alle drie de verschillende zorgverzekeraars zeer ondoorzichtig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De fusie betrof de fusie van twee zorgtakken die elk een eigen divisiestructuur kenden. Het fuseren van divisies inclusief moederbedrijf en dochters, betreft een complexe aangelegenheid. Belangrijkste is dat de organisatiestructuur van Zilveren Kruis na de fusie met divisie De Friesland Zorg eenduidig is en adequate sturing mogelijk maakt op alle basiszorgverzekeraars.
Verzekerden blijven ook na de fusie verzekerd bij de verzekeraar waar ze een polis hebben afgesloten. Voor hen verandert er feitelijk niets. De Nederlandse zorgverzekeraars hebben vaak een lange ontstaansgeschiedenis en bestaan van origine uit vele verschillende juridische entiteiten. Door de fusie is het financieel veiligstellen van een dochterbedrijf eenvoudiger en wordt de aansturing van de diverse juridische entiteiten vereenvoudigd. Door betere onderlinge samenwerking en waar mogelijk samenvoeging, neemt de risicospreiding toe, welke in het belang van verzekerden is. De keuze onder welke naam en label een zorgverzekeraar actief is, is aan de zorgverzekeraars zelf. Overigens ben ik van mening, zoals ik tijdens de begrotingsbehandeling van VWS2 heb aangegeven, dat aantallen polissen en labels overzichtelijk moeten blijven voor de consument.
Wat vindt u ervan dat de ondernemingsraad van De Friesland noch de vakbonden van te voren zijn geïnformeerd over de ophanden zijnde fusie met Zilveren Kruis?2
Ik heb van Achmea begrepen dat zij overleg hebben gepleegd met zowel de vakbonden als de ondernemingsraden en de centrale ondernemingsraad. De centrale ondernemingsraad van Achmea en de ondernemingsraad van Zilveren Kruis hebben positief geadviseerd over de samenvoeging van De Friesland en Zilveren Kruis. De ondernemingsraad van De Friesland heeft echter een zaak aangespannen tegen Achmea vanwege de fusie. De uitspraak in deze zaak is op het moment van schrijven nog niet bekend. Ik wacht het oordeel van de Ondernemingskamer af.
Erkent u dat de claim dat verschillende zorgverzekerings-nv’s onder één moederbedrijf onafhankelijk zouden zijn door het beleid van Vereniging Achmea – dat de fusie afdwingt – schijn is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De verschillende NV’s binnen Achmea kennen allen een eigen statutaire directie. De statutaire directeuren zijn hoofdelijk verantwoordelijk voor de kapitalisering en bedrijfsvoering van de desbetreffende NV. DNB ziet erop toe dat alle NV’s voldoende financieel gezond en solvabel zijn, en voldoen aan de eisen omtrent beheerste en integere bedrijfsvoering.
Vindt u het wenselijk dat een moederbedrijf meerdere zorgverzekeringsentiteiten onder zich heeft en doet alsof zij onafhankelijk zijn, terwijl bekend is dat deze verschillende entiteiten wel gezamenlijk tellen voor bijvoorbeeld solvabiliteitseisen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het goed dat we meerdere zorgverzekeraars in Nederland hebben. Dan is er iets te kiezen. Het principe dat er meerdere entiteiten deel uitmaken van een groep, komt veel voor in ons Nederlandse zorgstelsel. Verzekeraars bundelen hiermee activiteiten als zorginkoop en schadeafhandeling. Ook is het risico van een groep verzekeraars lager en daarmee de kapitaalsvereisten. Wel vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars hierover transparant zijn.
Erkent u dat door het geschuif met vermogens binnen de groep zorgverzekeraars die onder één moederbedrijf vallen er onverantwoord met gemeenschapsgeld kan worden omgegaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik vind dat niet onverantwoord. Zorgverzekeringspremies blijven binnen de zorg en binnen de zorgverzekeringsgroep. Financiële meevallers vloeien terug in de reserves of naar de verzekerden in de vorm van gedempte premiegroei. Wat mij betreft wordt hiermee op verantwoorde wijze om gegaan met gemeenschapsgeld.
Wat betekent het schuiven met vermogens, zoals gebeurt bij Achmea, Zilveren Kruis, De Friesland en FBTO, voor het toezicht van De Nederlandsche Bank en de Nederlandse Zorgautoriteit? Hebben zij voldoende zicht of er oirbaar met de premiegelden wordt omgesprongen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De financiële situatie van verzekeraars zoals Zilveren Kruis, De Friesland en FBTO valt onder toezicht van DNB. Bij wet is verplicht dat verzekeraars solvabiliteitstekorten per direct melden bij DNB. Daarnaast zijn verzekeraars verplicht periodiek financiële rapportages met accountsverklaringen aan DNB aan te leveren. Verzekeraars informeren DNB bovendien proactief over aanstaande kapitaaltransacties binnen de groep en stellen DNB op de hoogte van hun kapitaalbeleid. Op deze manier heeft DNB de financiële problemen bij FBTO tijdig geconstateerd en FBTO gevraagd een herstelplan in te dienen. Ik ben daarmee van mening dat DNB adequaat toezicht kan houden.
Wat gebeurt er met de – met premiegeld – opgebouwde reserves van een zorgverzekeraar, wanneer deze met zijn activiteiten stopt of failliet gaat? Ziet de premiebetaler nog iets terug van de reserve? Kunt u uw antwoord toelichtend?
De reserves van zorgverzekeraars zijn juist onderworpen aan strenge eisen onder Solvency II wetgeving om te voorkomen dat verzekeraars failliet gaan. DNB houdt toezicht met als doel de rechten van polishouders te beschermen en zodoende faillissementen te voorkomen. In de praktijk zal bij beëindiging of dreigend faillissement eerder sprake zijn van een fusie en zal de verzekerde er weinig van merken. Mocht een faillissement toch het geval zijn, dan is het wettelijk zo geregeld dat verzekerden daar niet de dupe van worden en te allen tijde zorg geleverd krijgen. In geval van faillissement wordt de verzekeringsovereenkomst tussen de verzekeraar en verzekeringnemer van rechtswege ontbonden. De rechtspersoon wordt afgewikkeld volgens het toepasselijke wettelijk kader, waarbij eerst de vorderingen van de schuldeisers (in volgorde van hun voorrangspositie) worden vergoed. Vorderingen van verzekeringnemers jegens de failliete zorgverzekeraar worden op grond van de Zorgverzekeringswet door het Zorginstituut Nederland vergoed. Dit geldt overigens alleen voor verzekeringsnemers met een restitutiepolis. Zij kunnen een vordering jegens de failliete zorgverzekeraar hebben indien zij een rekening van een zorgaanbieder zelf hebben betaald. Verzekerden met een naturapolis betalen nooit een rekening zelf en hebben op die grond nooit een vordering op de failliete zorgverzekeraar.
Inherent aan een noodregeling of faillissementprocedure is dat veelal niet aan alle verplichtingen kan worden voldaan, dus de reserve moet worden ingezet om (een deel) van de vorderingen van de schuldeisers te vergoeden. Wanneer een zorgverzekeraar zelf besluit haar activiteiten stop te zetten is statutair bepaald wat er met de nog aanwezige reserves gebeurt, nadat is voldaan aan alle lopende verplichtingen.
Deelt u de mening dat voor de meeste mensen niet duidelijk is dat FBTO Zorg onder Achmea valt, zodat het onwaarschijnlijk is dat het getoonde wanbestuur ertoe bijdraagt dat mensen ervoor zullen kiezen om van zorgverzekeraar over te stappen wegens slecht bestuur?
Ik vind het belangrijk dat zorgverzekeraars transparant zijn over het feit dat er meerdere entiteiten onder een zorgverzekeringsgroep vallen. FBTO zorg en Achmea zijn in hun communicatie met klanten en in de voorwaarden voldoende duidelijk over het feit dat FBTO zorg deel uitmaakt van Achmea.
Hoe duidt u de uitspraak van Achmea dat het niet van plan is winst uit te keren3 in het licht van de herhaalde oproep van Achmea om winstuitkering voor zorgverzekeraars toe te staan?4
Ik heb van Achmea begrepen dat winstuitkering uit de zorgverzekeringsgroep niet aan de orde is. Achmea heeft nooit winst uitgekeerd uit de zorgverzekeringsgroep en is dat ook niet van plan. Dit is ook zo in de statuten van zowel Zilveren Kruis als De Friesland vastgelegd.
Het bericht “Deal in Nederland onder de radar” |
|
André Bosman (VVD), Han ten Broeke (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Halbe Zijlstra (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Deal in Nederland onder de radar»?1
Ja.
Klopt het dat een administratiekantoor in Den Haag aandeelhouder is geworden van een reusachtig olieveld in Venezuela? Zo ja, klopt de bewering dat de gesloten deal in strijd is met de wet en regelgeving in Venezuela?
Informatie met betrekking tot het aandeelhouderschap van een in Nederland gevestigd administratiekantoor zou bekend kunnen zijn bij de Belastingdienst. Op grond van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen kan zoals bekend niet worden ingegaan op individuele belastingplichtigen.
Zijn de in het bericht genoemde commerciële handelingen rechtmatig, tegen de achtergrond van de in internationaal verband ingestelde sancties tegen Venezuela? Zo nee, welke stappen worden hiertegen ondernomen?
Op 13 november 2017 heeft de EU sancties ingesteld tegen Venezuela bestaande uit een wapenembargo en een exportverbod op goederen die gebruikt kunnen worden voor interne repressie en IT-surveillance. Daarnaast is het wettelijk kader ingesteld voor persoonsgerichte sancties (tegoedenbevriezing en reisrestricties) tegen degenen die zich schuldig maken aan ondermijning van de democratie en mensenrechtenschendingen. Op 22 januari jl. zijn een zevental personen op de lijst geplaatst. Het sanctieregime voorziet niet in een verbod of beperking op commerciële transacties betrekking hebbende op de oliesector.
Bent u van mening dat Nederland risico’s loopt als gevolg van de gesloten overeenkomst? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe worden dergelijke commerciële handelingen in Europees of nationaal verband getoetst, in het bijzonder op de vraag of ze in lijn zijn met sanctieregimes?
Alle onder Nederlandse jurisdictie vallende bedrijven dienen zich aan de Nederlandse wet te houden, zo ook aan de in Nederland geldende sanctieverordeningen. Het is aan bedrijven om dit zelf te toetsen. Overtreding van de sanctiewetgeving kan leiden tot vervolging. Financiële instellingen hebben de plicht tegoeden te bevriezen en financiële dienstverlening te staken van gesanctioneerde partijen. Hierbij geldt dat financiële instellingen een meldplicht hebben indien zij hiertoe overgaan. Financiële instellingen brengen hun toezichthouder op de hoogte. Het niet voldoen aan deze meldplicht kan leiden het nemen van bestuurlijke maatregelen door de betreffende toezichthouder.
Hoe verhouden de handelingen zich tot de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen?
Het kabinet doet geen uitspraak over individuele casussen, maar bedrijven dienen de wettelijke normen in zowel het land waar zij gevestigd zijn, als landen waar zij activiteiten hebben, na te leven. Buiten de wettelijke kaders verwacht het kabinet dat bedrijven internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen door invulling te geven aan internationale normen voor onder andere mensenrechten, arbeidsomstandigheden en milieu, zoals die zijn neergelegd in de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen). Partijen kunnen een melding doen van vermeende schendingen van de OESO-richtlijnen door bedrijven bij het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen (NCP).
Wanneer kan de Kamer het onderzoek van het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen naar de mate waarin de Nederlandse olie- en gassector de OESO-richtlijnen implementeert tegemoet zien?
Het onderzoek wordt in het voorjaar van 2018 afgerond. Het Nationaal Contactpunt zal het onderzoek vervolgens aanbieden aan het kabinet, dat de opdracht voor het onderzoek heeft gegeven. Het kabinet zal het onderzoek daarna naar de Tweede Kamer sturen. Dit gebeurt voor de zomer van 2018.
De eenzijdige opgelegde commissieverhoging door Thuisbezorgd.nl |
|
Maarten Hijink |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
Kunt u een reactie geven op het bericht «Takeaway.com verhoogt commissie ondanks protest restauranthouders»?1
Ja, middels onderstaande antwoorden.
Hoe groot is het Nederlandse marktaandeel van Thuisbezorgd.nl in de online bestelde maaltijden?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft in 2016 vooronderzoek gedaan naar Thuisbezorgd.nl. De ACM heeft dit gedaan naar aanleiding van een handhavingsverzoek. In het kader van het vooronderzoek heeft de ACM geen precieze marktafbakening uitgevoerd, maar in een studie van FoodService Instituut Nederland (FSIN) uit 2016, die wordt aangehaald in het vooronderzoek, wordt een marktaandeel van 25–35% genoemd voor Thuisbezorgd.nl op een markt voor bezorgmaaltijden (telefonisch en online).2
Wat is uw mening over het feit dat Thuisbezorgd.nl in de beginjaren 6% commissie vroeg en dat dit percentage inmiddels is verhoogd naar 13%?
De commissie is onderdeel van een overeenkomst tussen private partijen. Ik kan niet beoordelen wat de tegenprestatie is die het platform voor deze commissie levert en kan daarom geen oordeel geven over de redelijkheid van de commissiehoogte. Het is ook overigens niet aan mij om een oordeel te geven over de redelijkheid van contractuele afspraken tussen individuele ondernemingen. Wel constateer ik dat er veel discussie is ontstaan over de ontwikkelingen in de markt voor bezorgmaaltijden. Ik zal hierover dan ook in gesprek gaan met Thuisbezorgd.nl
Deelt u de mening dat eenzijdig opgelegde commissieverhogingen een vorm van machtsmisbruik zijn als een organisatie een dermate groot marktaandeel heeft?
Het is aan de ACM om als onafhankelijke toezichthouder op de Mededingingswet te oordelen of in een individuele casus sprake is van misbruik van een machtspositie of een andere overtreding van de Mededingingswet. De ACM heeft recent naar aanleiding van een klacht een vooronderzoek gedaan naar de pariteitsclausule van Thuisbezorgd.nl. De pariteitsclausule is onderdeel van een afspraak tussen een restaurant en Thuisbezorgd.nl en zorgt ervoor dat een restaurant op de eigen bezorgkanalen geen lagere prijs mag hanteren dan op de website van Thuisbezorgd.nl. De ACM heeft na het bestuderen van het handhavingsverzoek besloten geen verder onderzoek te doen omdat het volgens de ACM onwaarschijnlijk is dat de pariteitsclausule van Thuisbezorgd.nl tot schade voor de consument leidde. Daarom achtte de ACM verder optreden niet doeltreffend en doelmatig. De ACM constateerde dat de bezorging van maaltijden een groeimarkt is met innovatieve nieuwe toetreders. Ook bleek uit de analyse dat restaurants en consumenten voldoende mogelijkheden buiten Thuisbezorgd.nl hebben om afhaal- of bezorgmaaltijden respectievelijk aan te bieden of aan te schaffen. Dit kan bijvoorbeeld via een van de andere maaltijdplatforms, telefonisch, of via de eigen website van een restaurant.
Naast de analyse van de ACM constateer ik ook op basis van mediaberichtgeving dat recent diverse nieuwe platforms zijn ontstaan op de markt voor bezorgmaaltijd. Ik juich die ontwikkeling toe omdat deze concurrentie eraan kan bijdragen dat ondernemers en consumenten iets te kiezen hebben.
Deelt u de mening dat de pariteitsclausule van Thuisbezorgd.nl, waardoor restaurants niet via hun eigen site een lagere prijs dan bij Thuisbezorgd kunnen bieden, misbruik van marktmacht is?2
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om pariteitsclausules als deze te verbieden om de keuzevrijheid van restaurants en andere horecazaken te waarborgen, zoals in andere Europese landen ook gebeurt?
Bij pariteitsclausules kan onderscheid gemaakt worden tussen de brede en de smalle pariteitsclausule. In de kern houdt de brede pariteitsclausule in dat nergens lagere prijzen zijn toegestaan dan op het platform met wie die afspraak is aangegaan. Bij de smalle clausule is de afspraak dat een ondernemer geen lagere prijzen mag bieden op eigen verkoopkanalen, maar wel op andere platforms. Dit soort clausules kunnen redelijk zijn om de kwaliteit en het verdienmodel van een platform te beschermen maar kunnen ook mededingingsproblemen veroorzaken.
Enerzijds kan zonder dergelijke clausules een situatie ontstaan waarin een ondernemer profiteert van de voordelen van een platform zonder daarvoor commissie te betalen. Een ondernemer kan dan namelijk door een lagere prijs op de eigen website de transacties buiten het platform laten verlopen. Anderzijds kunnen deze clausules ook mededingingsproblemen veroorzaken en een vrije prijsstelling door o.a. horecazaken belemmeren. Met name bij hotelboekingssites hebben mededingingsproblemen ertoe geleid dat verschillende EU-landen maatregelen hebben genomen. Een aantal landen waaronder Italië, Oostenrijk en Frankrijk heeft de pariteitsclausules bij wet verboden. In Duitsland heeft de mededingingstoezichthouder de smalle pariteitsclausules bij specifieke hotelboekingsplatforms verboden op grond van het mededingingsrecht. De mededingingsautoriteiten van een groot aantal andere Europese landen, waaronder Nederland, hebben in 2015 grote hotelplatforms bewogen om hun brede pariteitsclausule te veranderen in een smalle clausule om te zorgen voor meer concurrentie tussen platforms. Uit de evaluatie van deze maatregel blijkt dat dit een positief effect heeft gehad op de concurrentie.
Omdat de clausules ook voordelen kunnen bieden en de effecten van de clausules per markt kunnen verschillen, zie ik nu geen aanleiding voor verdergaande maatregelen zoals een verbod op het gebruik van deze clausules.
Deelt u de mening dat hier sprake is van misbruik van inkoopmacht en dat de Autoriteit Consument en Markt tot taak heeft hier toezicht op te houden?
Platforms zijn tussenpersonen. Ze brengen de vraag van consumenten en het aanbod van ondernemers bij elkaar. In die zin is er bij een platform geen sprake van een inkooprelatie zoals bijvoorbeeld bij een supermarkt en een groothandel. Dit neemt niet weg dat een platform zijn machtspositie kan misbruiken ten nadele van ondernemers en consumenten. Het is aan de ACM om in individuele gevallen te bepalen of daarvan sprake is.
Naast het voorkomen van misbruik van een economische machtspositie zoals verboden in de Mededingingswet, is het van belang dat ondernemingen onderling geen oneerlijke handelspraktijken toepassen. De Europese Commissie heeft onderzoek gedaan naar de relatie tussen platforms en ondernemers die gebruikmaken van platforms.4 Ze heeft hierbij bijvoorbeeld gekeken naar de voorwaarden die platforms hanteren. De Commissie komt naar verwachting in de eerste helft van dit jaar met een voorstel om deze relatie te bevorderen. Ik wacht dit voorstel met belangstelling af.
Het vergoeden en/of verlagen van de prijs van medicinale cannabis |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichtgevingen over het vergoeden en/of verlagen van de prijs van medicinale cannabis?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het bericht dat het te verwachten is dat met een nieuw beschikbaar placebo de komende jaren meer en betere studies beschikbaar komen op basis waarvan het Zorginstituut Nederland (ZIN) een eventuele beoordeling kan doen?
Het placebo cannabispreparaat dat beschikbaar is, wordt op dit moment gebruikt bij klinische studies zowel in Nederland als in het buitenland (Australië). De hoop is dat deze studies bewijs zullen opleveren om van een bewezen en therapeutisch bruikbare werkzaamheid van medicinale cannabis te kunnen spreken. Na afronding van deze studies moeten blijken of het Zorginstituut zal oordelen dat sprake is van bewezen therapeutisch bruikbare werkzaamheid.
Wanneer zullen de eerste onderzoeken op basis van dit placebo gereed zijn? Bent u bereid ook internationale ervaringen mee te nemen?
Op het momenteel loopt er in Nederland bij het Leids Universitair Medisch Centrum een placebo gecontroleerd onderzoek. De verwachting is dat dit onderzoek in juli 2018 wordt afgerond, naar waarschijnlijk zullen de eerste resultaten in het najaar van 2018 beschikbaar komen.
Uiteraard ben ik bereid om resultaten uit internationaal onderzoek mee te nemen. Internationale onderzoeken hebben ook in het verleden mijn constante aandacht gehad. Nu er ook internationaal placebo gecontroleerd onderzoek wordt gedaan, wordt het alleen maar belangrijker om dit goed te volgen.
Wanneer is het onderzoek naar een prijsverlaging van medicinale cannabis gereed? Bent u bereid de uitkomsten voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar de Kamer te sturen?
Het onderzoek ter verlaging van de prijs van medicinale cannabis is net afgerond. Hieruit is gebleken dat de prijs verlaagd kan worden van € 6,20 naar € 5,80 vanaf 1 januari 2018 zal deze prijs van kracht worden. Uit het onderzoek is gebleken dat dit een prijs is die voor langere tijd gehandhaafd kan blijven.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling VWS?
Ja, daar ben ik toe bereid.
Het bericht “Debat over duur medicijn door lobbyist ‘vervuild’“ |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Debat over duur medicijn door lobbyist «vervuild»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van fabrikant Vertex waarbij onder meer aan Kamerleden onjuiste informatie is verstrekt over de gemaakte winst van het bedrijf?
Het is niet aan mij om me uit te laten over de juistheid van informatie die door derden aan Kamerleden is verstrekt. Wat betreft de handelwijze van Vertex: deze keur ik ten zeerste af. Het past mijns inziens niet om gedurende een onderhandeling op deze wijze het proces of de besluitvorming te beïnvloeden. Ik hecht eraan op te merken dat ik geen signalen heb ontvangen dat bij de 24 andere onderhandelingen die de afgelopen jaren zijn gevoerd dergelijke situaties zich hebben voorgedaan.
Heeft Vertex, of hebben anderen (zoals lobbyisten) die handelden in dienst van het bedrijf, ook onjuiste informatie verstrekt aan het Ministerie van VWS tijdens de onderhandelingen over het middel Orkambi? Zo ja, wat is de aard van die informatie geweest?
Over informatie die onder vertrouwelijkheid is verstrekt kan ik geen uitspraken doen, juist ook vanwege de vertrouwelijkheidafspraken aangaande de onderhandeling. De informatie die is gebruikt bij de onderhandeling komt van Vertex zelf, van betrokkenen als medische experts (behandelende artsen) en de patiëntenorganisatie en van Het Zorginstituut Nederland. Daarnaast betrekt het ministerie zelf informatie van diverse openbare financiële bronnen zoals jaarverslagen van bedrijven. Een belangrijke werkprincipe is daarbij dat medische, zorg- of financiële informatie die door het bedrijf wordt verstrekt altijd waar mogelijk ook wordt getoetst aan andere bronnen om te zien of er discrepanties zijn.
Bent u bereid de precieze informatie over de onderhandelingen met Vertex over de vergoeding van het middel Orkambi, waaronder het bedrag dat door het Ministerie van VWS uiteindelijk is betaald, met de Kamer te delen? Kunt u daarbij ook ingaan op aard en inhoud van het aantal contacten tussen het departement en Vertex? Zo nee, waarom niet?
Deze informatie kan ik vanwege de gemaakte afspraken over vertrouwelijkheid niet delen. Zoals u weet is vertrouwelijkheid een voorwaarde van leveranciers om dergelijke financiële afspraken te maken.
Indien ik die voorwaarde over vertrouwelijkheid niet zou honoreren heb ik maar twee opties: de hoofdprijs betalen voor het geneesmiddel of het geneesmiddel niet opnemen in het pakket. Net als mijn ambtsvoorganger weegt voor mij het belang van betaalbare toegang voor patiënten in dit geval zwaarder dan transparantie over de uiteindelijke prijs.
Tijdens de onderhandeling vanaf juli (de vervolgonderhandeling nadat er voor de eerste keer sprake was van een negatief vergoedingsbesluit) zijn er diverse schriftelijke onderhandelvoorstellen gewisseld, ten minste vijf uitvoerige face to face meetings geweest op het ministerie en een reeks telefonische contacten geweest tussen Vertex en het onderhandelingsburo van het Ministerie van VWS. Bij de face to face meetings was er een brede internationale vertegenwoordiging van het senior management team van Vertex. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger Vertex enkele malen persoonlijk ontvangen om haar standpunt inzake de vergoeding van Orkambi toe te lichten.
Bent u bereid met de Kamer te delen welke eventuele overige afspraken er gemaakt zijn over de vergoeding van Orkambi met Vertex? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat farmaceuten artsen en patiëntenverenigingen financieren om te lobbyen voor hun dure medicijnen? Zo nee, waarom niet?
Er zou nooit sprake mogen zijn van een afhankelijke relatie in dit verband of van twijfel daarover. Voorkomen moet worden dat er twijfel of ruis ontstaat over de inbreng van een patiëntenorganisatie in het publieke debat over maatschappelijke zeer gevoelige kwesties als de vergoeding van dure geneesmiddelen. Niemand zou daar bij gebaat zijn, niet in de laatste plaats de patiënten zelf. Bij financiering door derden zoals een farmaceutisch bedrijf is er overigens niet per definitie sprake van een belangenconflict.
Bent u, gelet op de schimmigheid die speelt rondom een maatschappelijk zeer relevante kwestie als de toelating van dure medicijnen, bereid om voortaan meer transparantie toe te passen over de onderhandelingen zodat farmaceuten niet langer in staat zijn betrokken partijen, waaronder weerloze patiënten, tegen elkaar uit te spelen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal altijd streven naar maximale transparantie. Dat heeft mijn ambtsvoorganger ook gedaan.
De wijze van onderhandelen is in eerdere voortgangsbrieven over de financiële arrangementen toegelicht en in het ontwerpbesluit voor de pakketsluis is dit nogmaals gedaan. Over het proces wil ik altijd transparant zijn. Over de inhoud is dat helaas niet mogelijk. Wel informeer ik u jaarlijks over de totale opbrengsten van de arrangementen. Met het bekendmaken van het laatste bod in de onderhandeling over Orkambi heeft mijn ambtsvoorganger een extra inspanning gedaan in het meer transparant maken van de onderhandelingen. Deze mogelijkheid over het openbaar maken van het laatste bod van de overheid bij een afgebroken onderhandeling en negatief vergoedingsbesluit sluit ik expliciet uit van de vertrouwelijkheidafspraken bij de onderhandelingen met fabrikanten. Dat is dus mijn voorwaarde voordat een onderhandeling van start gaat. Juist om te voorkomen dat er schimmigheid ontstaat en ik niet naar uw kamer en de samenleving kan verantwoorden waarom ik nee moet zeggen tegen een te duur geneesmiddel. Natuurlijk wil ik er het liefst altijd uitkomen. Maar als dat toch niet lukt wil ik kunnen laten zien dat ik er alles aan heb gedaan en wat onze betalingsbereidheid was.
Na een mislukte onderhandeling geef ik u dus graag inzicht in mijn handelen en afwegingen en ben ik natuurlijk bereid om verantwoording af te leggen over mijn besluit. Dit heeft mijn ambtsvoorganger ook gedaan na het negatieve besluit over Orkambi. Gedurende een onderhandeling ben ik, maar ook artsen en patiënten, gebaat bij het voorkomen van publieke discussies over de onderhandeling die als risico met zich meebrengen gevoed te worden door gekleurde en eenzijdige informatie.
Kunt u deze vragen, individueel en volledig, uiterlijk woensdagochtend 22 november aanstaande om 10.00 u beantwoorden zodat deze nog betrokken kunnen worden bij het algemeen overleg geneesmiddelen van 22 november 2017?
Ja.
De dramatische effecten van sleepnetten op de Noordzee |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kent u het onderzoek van het Wereld Natuur Fonds (WNF) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat de populaties van zeedieren op de bodem van de Noordzee gemiddeld met meer dan 30% zijn afgenomen, voornamelijk als gevolg van de boomkorvisserij?1
Ja.
Deelt u de mening dat de boomkorvisserij, waarbij sleepnetten over de zeebodem worden getrokken en de bodem met zware kettingen als het ware wordt omgeploegd, een verwoestend effect heeft op het bodemleven van de zee? Zo ja, bent u bereid tot uitfasering van deze vorm van visserij? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op de vragen 3 en 4 van het lid Futselaar (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 579).
Hoe kan het dat ondanks dat de boomkor inmiddels op zijn retour is en vervangen wordt door voor de bodem minder schadelijke technieken, de bodemfauna in de Noordzee nog geen herstel vertoont?1 Betekent dit dat deze technieken medeverantwoordelijk zijn voor de achteruitgang van de dieren in en op de zeebodem?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat ook bij de pulsvisserij de bodemfauna, zowel in de ondergrond als op de bodem wordt weggevangen, gedood of verspreid?2 Deelt u de mening dat ook in de pulsvisserij nog steeds sprake is van aanzienlijke bijvangst? Deelt u de mening dat ook de pulsvisserij schade toebrengt aan de zeebodem? Zo nee, waarom niet?
Het pulstuig is lichter dan de traditionele boomkor, waardoor het tuig de zeebodem minder diep penetreert. De vissnelheid is langzamer waardoor het in totaal beviste oppervlakte kleiner is. Dit draagt bij aan minder verstoring aan de zeebodem. De pulskor heeft een verbeterde selectiviteit op tong, een reductie van 46% op het brandstofgebruik en meer dan 50% vermindering van ongewenste vangst van bodemleven en ondermaatse vis. Het is een veelbelovend alternatief voor de traditionele boomkor. Er loopt reeds onderzoek naar de lange termijn effecten van pulsvisserijop het mariene ecosysteem en organismen, dat in opdracht van mijn ministerie wordt uitgevoerd en mede gefinancierd wordt uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij.
Op welke wijze beschermt u het bodemleven tegen deze verschillende vormen van bodemvisserij? Bent u bereid om te komen met ambitieuze doelen voor het herstel van het bodemleven? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 4 van het lid Futselaar (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 579).
De gaslobby |
|
Sandra Beckerman , Renske Leijten |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
Kent u het rapport «The Great Gas Lock-In» van Corporate Europe Observatory (CEO), waaruit onder meer blijkt dat Shell met 18 medewerkers voor bijna 5 miljoen euro heeft gespendeerd aan een lobby voor gas en daarmee op de gedeelde eerste plaats staat van gasproductiebedrijven in de Europese Unie?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat Shell in de adviesraad van de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit zit om zo studenten te beïnvloeden voor een verdere gaswinning en voor een verdediging van de belangen van het bedrijf in plaats van die van maatschappij en het milieu?2
Het is de verantwoordelijkheid van de Erasmus Universiteit om de inhoud van het onderwijs vast te stellen en om het curriculum te bepalen, uiteraard met de betrokkenheid van docenten en studenten. Het meedenken door een bedrijf over de inhoud van het onderwijs met het oog op de arbeidsmarkt kan positief zijn, maar zo’n bedrijf mag geen beslissende invloed hebben in wat voor vorm dan ook. Zie in dit verband ook de brief aan uw Kamer van 4 september 2017 met antwoorden van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op schriftelijke vragen van het lid Van Raan (PvdD) over banden tussen het onderwijs en de fossiele brandstofindustrie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2608).
Op welke momenten heeft Shell toegang tot regeringsvertegenwoordigers? Is dat op directe manieren (via een congres,) of via incognito rapporten? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het algemeen geldt dat we als overheid benaderbaar willen zijn, voor burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het is voor ieder bedrijf mogelijk om op bijeenkomsten regeringsvertegenwoordigers aan te spreken, om rapporten toe te sturen aan de overheid en om op eigen initiatief een overleg aan te vragen. Voor Shell zijn dit in principe dezelfde mogelijkheden en momenten als voor andere bedrijven.
Bent u het eens met het milieubureau van de Verenigde Naties (UNEP) die in het onderzoek «Emissions Gas Report» duidelijk laat zien dat de toekomst niet ligt bij aardgas, maar bij tal van andere mogelijkheden zoals windmolens en zonnepanelen? Zo nee, waarom niet?3
Het kabinet neemt haar verantwoordelijkheid voor het klimaatakkoord van Parijs. De uitstoot van CO2 moet drastisch verminderen richting 2050. Om dit mogelijk te maken moet onze energievoorziening de komende decennia dan ook ingrijpend veranderen.
Het kabinet streeft er naar om de vraag naar aardgas op termijn aanzienlijk te verminderen.
Wat vindt u van de tegenstelling dat de EU enerzijds milieubewust en een «groen baken» wil zijn en dat anderzijds een overcapaciteit aan pijpleidingen en LNG-terminals aan het ontstaan is?4
De EU kent grote ambities ten aanzien van de verduurzaming van de energievoorziening en de vergroening van de economie. Gedurende de transitie blijven investeringen in de gasinfrastructuur in de middellange termijn nog nodig voor de leveringszekerheid en voor de veiligheid van de infrastructuur. In de toekomst zou deze infrastructuur (gedeeltelijk) ingezet kunnen worden voor hernieuwbaar gas zoals biogas of waterstof.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er niet verder wordt geïnvesteerd in meer pijpleidingen en andere gasinfrastructuur, omdat is aangetoond dat de huidige gasinfrastructuur meer dan voldoende is en de vraag naar aardgas al daalt? Kunt u uw antwoord uitsplitsen op uw acties in Nederland en in de EU?5
Netbeheerders baseren hun investeringen in uitbreiding van de gasinfrastructuur op onderbouwde en concrete capaciteitsvragen van marktpartijen. Netbeheerders maken dus zelf geen inschatting van de behoefte aan gas (of elektriciteit), dat laten zij over aan partijen die gas (en elektriciteit) in- en verkopen. Netbeheerders houden periodiek zogenaamde «open seasons» of organiseren ander momenten waarop partijen kunnen aangeven welke behoefte zij hebben aan additionele capaciteit en dat zij daar ook voor willen betalen. Pas dan wordt capaciteit bijgebouwd. Daarnaast zijn investeringen nodig voor onderhoud aan en vervanging van bestaande infrastructuur. Onafhankelijke toezichthouders beoordelen uiteindelijk deze investeringsbeslissingen.
Leveringszekerheid is een belangrijke factor in het bepalen van de benodigde capaciteit voor het transport van gas. Het netwerk moet op de koudst mogelijke dagen kunnen voorzien in de vraag naar gas. Dit betekent dat zelfs met de verwachte daling van de vraag naar gas de benodigde capaciteit van het netwerk niet evenredig en gelijktijdig zal krimpen.
Voor Nederland wordt de verwachte vraag naar gastransportcapaciteit vastgelegd in het Netwerk Ontwikkelingsplan (NOP) dat periodiek wordt opgesteld door Gasunie Transport Services (GTS, de beheerder van het landelijk gastransportnet). Voor dit plan worden publieke consultaties gehouden; de reacties van marktpartijen en andere stakeholders zijn in te zien op de website van GTS. Het NOP is gebaseerd op scenario’s die uitgaan van het gehele energiesysteem (onder meer de jaarlijkse Nationale Energieverkenning) en die overeenstemmen met de Europese scenario’s van de EU. Ontwikkelingen in de energietransitie worden nadrukkelijk meegenomen, zoals het aanpassen van de netten op groter aanbod van zonne- en windenergie en het faciliteren van duurzame gassen zoals groen gas en waterstof. Bij het plannen van de gasinfrastructuur moet ook rekening worden gehouden met ontwikkelingen in de markt en infrastructuur van de omliggende landen.
Op Europees niveau is de Europese koepelorganisatie van netbeheerders, ENTSOG, verantwoordelijk voor het opstellen van het Ten Year Network Development Plan. In dit plan wordt een overzicht gegeven van welke infrastructurele projecten er staan gepland. Alle partijen kunnen via een publiek consultatieproces reageren op dit plan.
Op welke manieren gaat u de lobby voor meer pijpleidingen en gasterminals transparanter maken en aan banden leggen, zowel in Nederland als in de EU? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bij vraag 6 aangegeven verlopen investeringsbeslissingen in het gasnetwerk niet via lobbyen maar met publieke consultaties in een transparant proces voor de planning van pijpleidingen en gasterminals waarbij de kosten uiteindelijk door marktpartijen zelf gedragen worden. Onafhankelijke toezichthouders beoordelen de investeringsbeslissingen van netbeheerders in pijpleidingen. Wat betreft LNG-terminals zijn het marktpartijen die op basis van commerciële overwegingen en verwachtingen besluiten tot het zelf doen van investeringen. Daarnaast kunnen activiteiten in Brussel ook verband houden met wettelijke verplichtingen, zoals de samenwerking tussen Europese netbeheerders. Er is geen aanleiding om de bestaande regels en voorschriften met betrekking tot lobbyen aan te passen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat maatschappelijke organisaties die strijden tegen gaswinning dezelfde mogelijkheden krijgen als gaslobbyisten en dus ook toegang krijgen tot Europese bestuurders en zelf voorstellen kunnen doen aan welke projecten van gemeenschappelijk belang de Europese Commissie voorrang zou moeten geven? Kunt u uw antwoord uitsplitsen op uw acties in Nederland en in de EU?
Als het gaat om de Nederlandse overheidsvertegenwoordiging in Brussel, dan hebben maatschappelijke organisaties dezelfde toegang als bedrijven en brancheorganisaties uit de gassector. Het is aan al deze partijen zelf om te bepalen hoe ze hun lobby richting, of overleg met, de Commissie of het Europees Parlement regelen.
Verder geldt dat de Europese Commissie bij de periodieke vaststelling van de lijst met investeringsprojecten in de Europese energie-infrastructuur, de zogenoemde Projecten van Gemeenschappelijk Belang, ook maatschappelijke organisaties consulteert.
Hoeveel ontmoetingen hebben de Eurocommissarissen en hun ambtenaren gehad met lobbyisten van gasbedrijven, alsmede met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties? Welke maatregelen moet de Commissie volgens u nemen om hierin evenwicht te bereiken?
U kunt de gegevens over de afspraken van de Eurocommissarissen inzien in het EU Transparency Register. Het kabinet beschikt verder niet over eigen informatie over de ontmoetingen tussen de Eurocommissarissen en hun ambtenaren met lobbyisten van gasbedrijven en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Het staat zowel de bedrijven als maatschappelijke organisaties vrij om afspraken te maken met de Eurocommissarissen en hun ambtenaren. Het is aan de Eurocommissarissen en hun ambtenaren om transparant te zijn en om de afweging te maken aan wie en hoe ze hun vergadertijd willen besteden.
Bent u het met het Internationaal Energie Agentschap eens dat methaanuitstoot door gasbedrijven voorkomen moet worden en verminderd kan worden met driekwart? Kunt u uw antwoord toelichten?6
De Nederlandse overheid erkent dat de uitstoot van methaan zoveel mogelijk beperkt moet worden gezien de negatieve impact van dit gas op het klimaat. Nederland heeft zich daarom gecommitteerd aan de Clean Air & Climate Coalition. Dit is een initiatief uit 2012 van de Verenigde Naties, overheden, bedrijven en ngo's om de uitstoot van broeikasgassen en vervuilers terug te dringen, onder andere CO2, methaan en roet. Een van de initiatieven onder CACC is het Oil & Gas Methane Partnership, een initiatief waaraan verschillende grote spelers uit de fossiele industrie zich hebben verbonden met als doel het terugdringen van methaanuitstoot. Tijdens de GLACIER-conferentie in Alaska op 31 augustus 2015 heeft Nederland een joint statement ondertekend waarin olie- en gasbedrijven opgeroepen worden lid te worden. Inmiddels hebben verschillende bedrijven uit de olie- en gassector de positieve stap gezet om zich aan te sluiten bij dit belangrijke initiatief.
De methaanemissies van de Nederlandse E&P-sector (exploratie en productie binnen de olie- en gassector) zijn laag in vergelijking met andere aardgasproducerende landen. Daarnaast zijn in de olie- en gassector diverse maatregelen genomen waardoor in de loop der jaren een aanzienlijke emissiereductie van methaan is bereikt.
In het debat met uw Kamer op 14 november 2017 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van vragen van het lid Wassenberg (PvdD) toegezegd uw Kamer nader te informeren over de meetmethodiek van methaanuitstoot in de olie- en gasindustrie in Nederland en de mogelijke bronnen van methaanuitstoot, zoals onder andere oude reeds afgesloten putten. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zal uw Kamer hierover uiterlijk in het tweede kwartaal van 2018 informeren.
Twijfels over veiligheid gasmeters |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden slimme gasmeters vervangen na twijfels over veiligheid»?1
Ja.
Klopt het dat 40.000 gasmeters vervangen dienen te worden? Wat is hiervan de oorzaak?
In verschillende uitzendingen van het tv-programma Kassa werd de veiligheid van de slimme gasmeters van Landis + Gyr G4/G6 (DSMR 4.2 generatie) in twijfel getrokken. Het betrof bijna 44.000 geïnstalleerde meters met een productiefout. Het schroefdraad bleek korter dan de productspecificaties van de netbeheerder aan de meterfabrikant voorschrijven. Hierdoor is niet zeker dat de betreffende meters de normale levensduur van minimaal 20 jaar mee kunnen en worden ze vervangen.2
Daarnaast kwam in de uitzending van 18 november jl. naar voren dat ook ruim 17.000 gerepareerde Landis + Gyr G4/G6 meters (DSMR 4.2 generatie) zijn geïnstalleerd. Hierbij zijn de meters met een productiefout gerepareerd door ze te voorzien van een adapter. Uit onderzoek van het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) blijkt dat er bij een kleine 1.500 van deze 17.000 gerepareerde meters door de fabrikant een verkeerde lijm is gebruikt. SodM stelt dat zowel de netbeheerders als de fabrikant niet hebben aangetoond dat deze reparatie aan alle veiligheidseisen voldoet. Daarop heeft SodM de betrokken netbeheerders gesommeerd de meters met de verkeerde lijm per direct te vervangen. De vervanging voor de overige 15.500 gerepareerde meters wordt voor 1 april 2018 gepland, evenals de nog ongeveer 26.000 originele meters met een te kort schroefdraad.
Welke onderzoeken zijn er gedaan naar deze gasmeters en welke veiligheidsrisico’s zijn er?
Allereerst hebben de netbeheerders zelf onderzoek gedaan en laten doen naar de gasdichtheid van gasmeters met een kortere schroefdraad en de gerepareerde meters, onder andere door certificeringsorganisatie KIWA en Holland Innovative. De netbeheerders constateren op basis van de onderzoeken dat de gasmeters geen onmiddellijk veiligheidsrisico opleveren. Ook wordt een risico op de lange termijn niet aangetoond.
SodM heeft inmiddels onderzoek gedaan naar het handelen van de netbeheerders. Daaruit blijkt dat de netbeheerders direct zijn gestopt met het plaatsen van meters na de eerste signalen uit de praktijk over de productiefout. SodM constateert dat de KIWA-rapporten over de te korte schroefdraad niet geschikt zijn om iets te kunnen zeggen over de langetermijnveiligheid van de meters. Daarom stelt SodM dat de netbeheerders de vervanging van alle meters met een te kort schroefdraad (inclusief de gerepareerde meters) voor 1 april 2018 moeten inplannen. De netbeheerders hebben toegezegd dit te zullen doen.
Het televisieprogramma Kassa liet eveneens onderzoek uitvoeren naar de veiligheid van de desbetreffende meters. In dit onderzoek van C+B advies en expertise staat dat er ernstige veiligheidsrisico’s aan de gasmeters zitten en dat deze zo snel mogelijk vervangen moeten worden.
Momenteel doet SodM nader onderzoek naar de wijze waarop de netbeheerders hun veiligheidsmanagementsysteem inrichten en toepassen bij de gasmeters. Hieruit moet blijken of de netbeheerders de veiligheid van slimme gasmeters hebben geborgd. Het gaat hierbij ten eerste om de verificatie van de veilige installatie van alle circa vier miljoen geïnstalleerde gasmeters. Daarnaast gaat het om het waarborgen van de toekomstige veilige installatie van slimme gasmeters.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van deze gasmeters er nog hangen bij mensen thuis?
Zie het antwoord op vraag 2.
Op welke termijn worden deze gasmeters vervangen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u ook van mening dat deze meters zo snel mogelijk moeten worden vervangen?
Ja. Ik volg de lijn van SodM.
Kunt u aangeven wie opdraait voor de kosten van het vervangen van deze gasmeters?
Wie verantwoordelijk is voor de kosten van het vervangen van de meters wordt nog onderzocht. Wat mij betreft staat voorop dat de consument niet voor de kosten hoeft op te draaien.
Hoe wordt het ophangen van ondeugdelijke meters voorkomen?
De netbeheerders zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de gasmeters. Zij hanteren hiervoor een veiligheidsmanagementsysteem en gebruiken procedures die de veiligheid van de gasmeters moeten borgen. Voordat gasmeters worden opgehangen, test een onderzoeksinstituut of de gasmeter voldoende stevig is, duurzaam is en de juiste meterstanden aangeeft. Een tweede veiligheidscontrole wordt uitgevoerd door de monteur van de gasmeter. Onderdeel van deze veiligheidscontrole is een functioneringstest, een druk- en lekkagetest en een test van de veiligheid van de huisinstallatie van de consument.
Leidt deze vervangingsoperatie tot vertraging van de uitrol van de slimme meter?
De netbeheerders hebben laten weten dat, door de vervanging van de gasmeters efficiënt in te plannen, dit naar verwachting niet zal leiden tot vertraging van de grootschalige aanbieding van de slimme meter.
Het bericht dat de woekerhandel in concertkaarten kan voortduren |
|
Jasper van Dijk |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de woekerhandel in concertkaartjes toch niet wordt aangepakt?1
Ja.
Deelt u de mening dat de toegankelijkheid van culturele en sportieve evenementen belemmerd wordt door de secundaire tickethandel? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit ligt genuanceerder. Doorverkoop van toegangskaarten is niet altijd ongewenst. Zo kunnen mensen op het laatst verhinderd zijn en op die manier hun kaartje van de hand doen. De belemmering van de toegankelijkheid van evenementen is daarnaast voornamelijk gelegen in de schaarste van de kaarten omdat een concerthal of stadion een maximale capaciteit heeft en de vraag die capaciteit overstijgt.
Erkent u dat de secundaire tickethandel alomtegenwoordig is, zeker nu grote spelers als LiveNation (eigenaar van Ticketmaster en Seatwave) zich actief begeven op deze markt? Zo nee, bent u bereid onderzoek te doen naar de omvang van de secundaire tickethandel?
Vanuit de media, het veld en beide Kamers is er veel aandacht voor de secundaire handel in toegangskaarten en de mogelijke misstanden die het gevolg zouden zijn van die handel. De problemen die worden genoemd zijn divers: te hoge prijzen, in transparante markt, prijsopdrijving (onder meer door gebruik van computers die tickets automatisch opkopen), oneerlijke handelspraktijken en fraude. Het initiatiefwetsvoorstel doorverkoop toegangskaarten (Kamerstuk 31 461) is door de Eerste Kamer verworpen, vooral vanwege vermeende ineffectiviteit en gebrek aan handhaafbaarheid. Tegelijkertijd bestaat er veel sympathie voor aanvullende maatregelen die de markt voor de doorverkoop van toegangskaarten beperken. Die sympathie bestaat ook in uw Kamer, getuige de motie hierover van het lid Kwint c.s. van 13 november jl.2 die is ingediend tijdens de Cultuurbegroting en aangenomen op 21 november jl.
Op basis van de bestaande regelgeving beschikt de ACM reeds over instrumenten om consumenten te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken, ongeoorloofde afspraken en misbruik van marktmacht. Blijkt er sprake van de verkoop van valse kaarten, dan kunnen consumenten ook zelf aangifte doen.
De ACM houdt de markt goed in de gaten en treedt waar nodig op. In 2010 en in 2011 heeft de ACM de online doorverkoop van toegangskaarten onderzocht en acht websites een last onder dwangsom opgelegd omdat zij de regels omtrent informatievoorziening onvoldoende naleefden. In 2016 heeft de ACM gekeken naar de hoge prijzen op de doorverkoop website van Seatwave. De ACM gaf aan dat de hoge prijzen niet het gevolg zijn van ongeoorloofde gedragingen van Ticketmaster en/of Seatwave (beide onderdeel van Live Nation), maar concludeerde dat deze worden veroorzaakt door vraag en aanbod. In juli van dit jaar heeft de ACM de (primaire) online aanbieders van concert-, theater- en festivaltickets nog aangesproken de zgn. «onvermijdbare kosten» die per ticket worden berekend reeds duidelijk aan te geven bij de geadverteerde prijs3.
Al met al is mijn beeld dat er al veel onderzoek verricht is en dat er in concrete gevallen al opgetreden wordt tegen doorverkoop. Gezien het feit dat de sport- en cultuursector echter nog steeds aangeven last te hebben van doorverkoop, zal ik samen met de Minister van OCW met de sector in gesprek gaan over de geschetste problemen en de omvang en oorzaken daarvan.
Deelt u de mening dat het gevaar bestaat dat Nederland een steeds grotere rol speelt in de doorverkoop van tickets, als wij – in tegenstelling tot omringende landen – geen maatregelen nemen tegen het (grootschalig) doorverkopen van tickets? Zo nee, waarom niet?
Het gevaar dat Nederland een steeds grotere rol speelt herken ik niet. Voorzover ik nu kan overzien kent van de landen om ons heen alleen België een verbod op doorverkoop. Het is vanzelfsprekend lastig om als individueel land de doorverkoop van toegangskaarten aan banden te leggen. Eventuele maatregelen op het gebied van doorverkoop van tickets zouden dan ook bij voorkeur in Europees verband genomen moeten worden.
Bent u het eens met de meerderheid van de Staten-Generaal dat maatregelen moeten worden genomen tegen de uitwassen van de secundaire tickethandel? Erkent u dat dit een uitgelezen kans is voor het nieuwe kabinet om met voorstellen te komen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van de voorkeur van de Eerste Kamer om de doorverkoop van tickets bestuursrechtelijk aan te pakken en/of via de Wet oneerlijke handelspraktijken? Wat zijn dienaangaande de mogelijkheden?
Op 24 oktober heeft de meerderheid van de leden van de Eerste Kamer tegen het initiatiefwetsvoorstel doorverkoop toegangskaarten gestemd. Daarbij heeft de Eerste Kamer geen moties aangenomen waarin wordt opgeroepen tot het aanpakken van de doorverkoop van toegangskaarten door middel van het bestuursrecht of de Wet oneerlijke handelspraktijken. Gezien de onafhankelijke positie van de ACM past het mij niet om de ACM op het gebied van de wet oneerlijke handelspraktijken te instrueren een bepaalde markt aan te pakken. Het is aan de ACM zelf om op basis van prioriteringsbeleid keuzes te maken.
Bent u bereid te bezien welke rol de Autoriteit Consument en Markt (ACM) kan spelen in de bestrijding van de professionele doorverkoop van kaarten? 8. Bent u bereid maatregelen tegen de grootschalige secundaire tickethandel voor te leggen aan de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen wij die maatregelen tegemoet zien?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat duizenden kwetsbare patiënten slechtziend zullen worden door onverantwoorde bezuiniging van zorgverzekeraars |
|
Nine Kooiman |
|
Edith Schippers (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht dat duizenden kwetsbare patiënten slechtziend zullen worden door onverantwoorde bezuiniging van zorgverzekeraars?1
Ja, ik heb het bericht gelezen.
Bent u ook zo enorm geschrokken van het bericht dat zorgverzekeraars oogartsen dwingen om uitsluitend goedkope injecties te gebruiken, die bij een deel van de patiënten niet werken en tot gevolg hebben dat zij maatschappelijk blind zullen worden?2
In het verleden heeft het Zorginstituut ranibizumab en bevacizumab (medicijnen die in het door u aangehaalde rapport ondermeer genoemd worden) meerdere keren beoordeeld3 , 4. De conclusie van het Zorginstituut was toen dat er geen therapeutische meerwaarde van het ene medicijn ten opzichte van het andere medicijn was. Ook was er toen geen wetenschappelijke bewijs dat als de patiënt faalt op het ene medicijn, de patiënt wel baat heeft bij het andere medicijn.
Het Zorginstituut heeft in het advies in 2012 aangegeven dat zij met de beroepsgroep hierover afspraken zal maken om inzicht te krijgen in de therapeutische waarde van ranibizumab als tweedelijnsbehandeling.Het Zorginstituut heeft hiervoor het initiatief bij de fabrikanten gelegd.
Navraag bij het Zorginstituut heeft aan het licht gebracht dat geen enkele fabrikant van alternatieven voor bevacizumab aan het Zorginstituut studies ter beschikking heeft gesteld die onderbouwen dat producten als aflibercept en ranibuzimab wel werken bij patiënten die niet reageren op bevacizumab.
Als er nieuwe goed onderbouwde wetenschappelijke studies zijn die een nieuw licht op de beoordelingen van het Zorginstituut kunnen werpen, dan lijkt mij de meest geëigende weg dat de fabrikanten van de betrokken medicijnen een dossier bij het Zorginstituut indienen. Dan kan het Zorginstituut op basis van dit dossier een oordeel vellen.
Hoe kan het dat zorgverzekeraars bij onderhandelingen met ziekenhuizen en zorginstellingen eigenstandig kunnen afdwingen slechts 10% van de oogbehandelingen met dure injecties te vergoeden, terwijl de dure ooginjecties in het basispakket zitten en oogartsen volgens richtlijnen verplicht zijn deze voor te schrijven?3
De drie dure injecties zitten in het pakket. Onderzoek heeft aangetoond dat deze middelen min of meer gelijkwaardig zijn, zoals ondermeer ook in het eerder genoemde rapport van het Zorginstituut beschreven staat. Er is echter een fors prijsverschil tussen de middelen. Ik vind het daarom heel goed dat zorgverzekeraars gebruik maken van deze kennis, en dus afspraken maken met ziekenhuizen over de inzet van het meest doelmatige middel.
Als een patiënt met een goedkoop middel uitkomt in de behandeling, is het ondoelmatig als de patiënt met een even goed, maar duurder middel wordt behandeld.
Dat patiënten niet allemaal reageren op het goedkoopste middel, is bekend. Dat is precies de reden waarom er door zorgverzekeraars voor gekozen is om niet alleen het goedkoopste middel in te kopen, maar juist nog ruimte over te laten voor de inzet van het duurdere middel als daar in de behandeling behoefte aan is. Dit is niet hard wetenschappelijk onderbouwd, maar de praktijk leert dat het goed is voor patiënten en behandelaren om deze ruimte te hebben.
Erkent u dat zorgverzekeraars hier hun zorgplicht ontduiken? Wat gaat u hieraan doen?
Op basis van de informatie die ik nu heb, kan ik niet stellen dat zorgverzekeraars hun zorgplicht ontduiken. De vraag is nu aan de orde of er wetenschappelijk bewijs is die aangeeft dat een patiënt die geen baat heeft bij behandeling met bevacizumab, wel baat heeft bij behandeling met de andere medicijnen.
Zoals ik hierboven aangegeven heb, zouden de fabrikant(en) dit in de vorm van een dossier bij het Zorginstituut moeten aanleveren. Pas als deze vraag beantwoord is, komt men aan de vraag toe over de zorgplicht.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar de alarmerende signalen dat zorgverzekeraars tijdens de onderhandelingen met instellingen percentages afdwingen over het aantal dure ooginjecties dat mag worden gebruikt?
Zie het antwoord op vraag vier.
Bent u zich bewust van de maatschappelijke kosten van slechtziend- en blindheid door de dreigende onderhandeling van duizenden patiënten? Acht u dit wenselijk?
Zowel voor de individuele patiënt als voor de maatschappij is slechtziend- en blindheid onwenselijk.
De vraag is echter, gezien ook de rapporten die het Zorginstituut eerder over deze middelen heeft uitgebracht, of het therapeutisch zinvol is om een patiënt te behandelen met aflibercept en ranibuzimab als de patiënt niet reageert op bevacizumab.
Wat gaat u doen om te garanderen dat zorgverzekeraars niet langer het verantwoorde gebruik van de meer kostbare ooginjecties kunnen beperken?
Als de fabrikanten in de vorm van een dossier nieuwe bewijslast overleggen, waardoor het Zorginstituut tot een ander oordeel komt dan een aantal jaren geleden, dan zullen zorgverzekeraars rekening houden met dit oordeel.
De ondergrondse puppyhandel |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Henk Kamp (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money naar de hondenhandel als de meest lucratieve clandestiene handel na de drugshandel?1
Ja.
Kunt u garanderen dat met het door u aangekondigde beleid, waaronder de witte lijst voor hondenhandelaren, een einde komt aan het gesjoemel met papieren en chipcodes? Zo nee, kunt u dit toelichten?2
Het is niet mogelijk om garanties te geven op het uitbannen van misstanden. Er zullen helaas altijd handelaren zijn die regels weten te ontduiken, en kopers die dieren van deze handelaren kopen. Ik beoog met mijn beleid frauderen lastiger te maken en tegelijkertijd potentiële kopers te waarschuwen voor misstanden bij handelaren via voorlichting. Zo zal ik voorstellen voor een witte lijst van bonafide hondenhandelaren uitwerken met als doel kopers van pups een verantwoorde fokker of handelaar te helpen kiezen. Ook ga ik het paspoort voor alle honden verplichten en werk ik aan het verbeteren en intelligenter maken van de identificatie en registratie van honden. Op die manier wordt de kans op frauderen en de daar uit voortvloeiende risico’s voor het welzijn van honden en de gezondheid van mensen zo veel mogelijk verkleind.
Hoe zal de handhaving van dit beleid worden vormgegeven, zowel nationaal als internationaal, gericht op de import van honden voor de handel?
De NVWA is de primaire toezichthouder. De Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de politie zijn belangrijke partners van de NVWA bij de aanpak van misstanden in de hondenhandel.
Indien illegale hondenhandel gepaard gaat met andere criminaliteit dan is samenwerking met de politie aangewezen. De LID kan problemen constateren tijdens reguliere controles en werkt met regelmaat samen met de NVWA.
Samen met de Belgische, Duitse, Deense en Zweedse autoriteiten probeer ik de problematiek te agenderen op Europees niveau. Met deze landen hoop ik een discussie te initiëren binnen het EU-platform voor dierenwelzijn om gezamenlijk te zoeken naar verbetermogelijkheden op het terrein van ook de handhaving. Ik denk hierbij onder andere aan intensievere samenwerking met deze en andere lidstaten bij het toezicht op de hondenhandel. De eerste stappen zijn hierin al gezet door het aanwijzen van «contactpoints» per lidstaat bij de toezichthoudende autoriteiten. Misstanden kunnen hierdoor eenvoudiger worden gedeeld tussen de lidstaten.
Deelt u de mening dat elke hondenfokker in Nederland zich aan dezelfde welzijnsregels moet houden, inclusief inteeltbeperking? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Elke fokker dient zich inderdaad aan dezelfde regels te houden. De bepalingen in het Besluit houders van dieren die zijn gericht op het tegengaan van schadelijke effecten in de fokkerij bevatten geen specifieke maatregelen, omdat alleen per ras is te beoordelen hoe fokkerij verantwoord plaats kan vinden. Inteelt is verboden op grond van het Besluit indien dit binnen een specifiek ras leidt tot negatieve gevolgen voor het welzijn en de gezondheid van de nakomelingen.
Welk percentage van de hondenfokkers is aangesloten bij de Raad van Beheer voor de Kynologie in Nederland, om hoeveel fokkers gaat het en hoeveel van de jaarlijks in Nederland geboren pups worden geboren bij hondenfokkers die zijn aangesloten bij de Raad van Beheer?
Hondenfokkers zelf zijn niet aangesloten bij de Raad van Beheer, zij kunnen aangesloten zijn bij rasverenigingen. Rasverenigingen kunnen weer aangesloten zijn bij de Raad van Beheer. Jaarlijks worden er ca. 38.000 stamboompups geboren, die worden gecontroleerd, geïdentificeerd en geregistreerd door de Raad van Beheer. Deze pups worden gefokt door ca. 4.500 fokkers. Omdat alleen bedrijfsmatige fokkers een uniek bedrijfsnummer (UBN) dienen aan te vragen, kan het aandeel rashondenfokkers niet in een percentage worden weergegeven. Wel wordt geschat dat ongeveer één derde van de in Nederland geboren pups een stamboomhond is.
Is het waar dat de Raad van Beheer geen middelen heeft om aangesloten rasverenigingen te dwingen om uitsluitend honden te fokken zonder inteelt-problemen en zonder raskenmerken die een negatieve invloed hebben op het welzijn van deze dieren? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?
De Raad is een private organisatie en kan regels opstellen waar de bij haar aangesloten rasverenigingen aan gehouden zijn. De Raad is initiatiefnemer van het plan Fairfok. Met het plan Fairfok wordt beoogd het welzijn van zowel rashonden als honden zonder stamboom in de toekomst verder te borgen. De Raad kan dit niet afdwingen bij niet aangesloten verenigingen.
Het Besluit houders van dieren stelt eisen aan alle fokkers van honden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen fokkers van honden met stamboom en fokkers van honden zonder stamboom. De bepalingen opgenomen in dit besluit gelden voor iedere fokker.
Is het waar dat de Raad van Beheer geen mogelijkheden heeft om hondenfokkers die niet zijn aangesloten bij deze vereniging regels op te leggen met betrekking tot fokbeleid, dierenwelzijn en het voorkomen van aangeboren schadelijke raskenmerken? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de vrijblijvende aanpak van misstanden in de fokkerij in het verleden al lang heeft aangetoond dat dit niet werkt? Zo ja, wanneer kan de Kamer maatregelen met een verplichtend karakter verwachten? Kunt u toelichten waarom u nu wel het vertrouwen heeft dat deze aanpak gaat werken?
Ik ben van mening dat het doorgeven van schadelijke raskenmerken of erfelijke gebreken op dit moment nog te vaak voorkomt in de fokkerij. Mijn voorganger heeft daarom ook de Faculteit Diergeneeskunde onderzoek laten uitvoeren naar erfelijke gebreken. Dit onderzoek is eind november 2016 afgerond. Het rapport3 geeft een goed beeld (nulmeting) van de aandoeningen die bij 38 honden- en 2 kattenrassen voorkomen. Om de representativiteit van de cijfers verder te verbeteren wordt gewerkt aan de verhoging van het aantal deelnemende dierenartsen aan het onderzoek van de Faculteit Diergeneeskunde. Zij leveren via de eigen praktijk gegevens aan voor het onderzoek. Het onderzoek moet in de eerste plaats fokkers in staat stellen erfelijke gebreken te voorkomen. Ook kan onderzoek mogelijk een bijdrage leveren aan de handhaving van de bepalingen die misstanden in de fokkerij beogen tegen te gaan.
Daarnaast is uw Kamer in een brief over dierenwelzijn van 17 mei jl. geïnformeerd over het starten van een pilot, waarbij enkele rasverenigingen enkele jaren wetenschappelijk begeleid wordt om rasgebonden gezondheidsproblemen ook daadwerkelijk te laten verdwijnen (Kamerstuk 28 286, nr. 909). Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wil deze pilot ondersteunen.
In aanvulling op deze maatregelen onderzoek ik nu hoe ik artikel 3.4 beter handhaafbaar kan maken.
Deelt u de mening dat er strafmaatregelen moeten kunnen worden opgelegd wanneer er willens en wetens wordt gefokt op uiterlijke kenmerken met dierenleed en erfelijke gebreken als gevolg? Zo nee, kunt u dit toelichten? Zo ja, kunt u toelichten welke handhavingsmogelijkheden er zijn wanneer er slechts sprake is van een inspanningsverplichting die niet wordt nageleefd?
Ja. Zoals ook aangegeven in antwoord op de vragen over de problemen bij de raskatten (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 259) onderzoek ik momenteel hoe dit artikel beter handhaafbaar gemaakt kan worden. Indien overtredingen van het artikel beter kunnen worden vastgesteld, zullen ook eenvoudiger bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties opgelegd kunnen worden. Mijn beleid is hierop gericht.
Bent u bereid een verbod in te stellen op de handel in huisdieren via internet, omdat de herkomst van de aangeboden honden niet altijd kan worden achterhaald? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, ik acht een verbod niet zinvol, omdat een verbod op de handel van dieren op internet mogelijk zal leiden tot een toename van andere, niet altijd wenselijkere manieren om dieren te verhandelen, zoals bijvoorbeeld een toename van de handel op beurzen en markten. Wel zet ik graag in op een goede regulering van de handel, goede voorlichting en afspraken met online handelsplaatsen zoals Marktplaats, teneinde overtredingen tegen te gaan en potentiële kopers te helpen de goede fokkers en handelaren van de slechte te onderscheiden. Zoals aangegeven in mijn brief van 31 augustus 2017 (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2577) vindt er nu constructief overleg met Marktplaats plaats waarbij gekeken wordt naar de informatie die een verkoper moet verstrekken voor het kunnen plaatsen van een advertentie. De handel via Marktplaats zal daarmee transparanter gemaakt worden. Zoals ook in die brief aangegeven zal ik uw Kamer op korte termijn nader informeren over de afspraken die daarover worden gemaakt.
Incassobureaus die de rechtbank misbruiken om hun klanten te intimideren |
|
Michiel van Nispen , Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Routinematige intimidatie», over incassobureaus die hun klanten intimideren met behulp van de kantonrechter?1
Ik heb kennis genomen van het artikel «Routinematige intimidatie». In de beantwoording van de onderstaande vragen ga ik hier nader op in.
Deelt u de mening dat schuldkopers Hoist en Direct Pay misbruik maken van het rechtssysteem, door de rechtbank als middel in te zetten om klanten onder druk te zetten?
Ik kan niet ingaan op individuele zaken die aan de rechter worden voorgelegd. Het is de rechter die daarover oordeelt en die zo nodig de mogelijke maatregelen neemt tegen misbruiksituaties. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen over bepaalde incasso-praktijken herken en deel. Het kabinet zet in op het terugdringen van het aantal mensen met problematische schulden en het effectiever helpen van mensen met schulden. Daar hoort bij dat kritisch wordt gekeken naar de rol van incassobureaus en dat misstanden bij incasso effectiever worden bestreden.
Onderschrijft u de argumentatie van de Limburgse rechter die weigert nog langer een instrument te zijn van de incasso-industrie? Deelt u zijn mening dat de kritiek van structurele aard is?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft het kabinet aandacht voor de schuldenproblematiek en is die mede gericht op het tegengaan van misstanden in de incassobranche. Zowel vanuit de rechtspraak als uit de media bereiken mij signalen van misstanden. Het kabinet gaat aan de slag met de uitwerking van het in het regeerakkoord aangekondigde incassoregister. Met de branche en andere betrokken (maatschappelijke) organisaties zal begin 2018 bezien worden hoe dit op de beste wijze geregeld kan worden.
Het kabinet zet ook in op meer verantwoordelijkheid van schuldeisers in incassozaken door te vergen dat zij eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling onderzoeken voordat een zaak voor de rechter wordt gebracht.
Daarnaast wordt naar aanleiding van het regeerakkoord door de Minister voor Rechtsbescherming bezien of het wettelijk minimumbedrag voor incassokosten omlaag kan.
Om betaling af te dwingen kan een gang naar de (kanton)rechter nodig zijn.
De rechter oordeelt in individuele gevallen over de vorderingen van incassobureaus. Het civiele recht verplicht een eiser om de gronden voor zijn vordering uiteen te zetten. De eiser moet aangeven op welke overeenkomst de betaalverplichting betrekking heeft, in hoeverre aan die verplichting is voldaan, welk bedrag nog openstaat en dat de schuldenaar in verzuim is. Indien buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd, moeten die worden onderbouwd. De stellingen van eiser moeten voldoende concreet zijn voor een schuldenaar om zich daartegen te verweren en voor de rechter om een vordering te kunnen toewijzen. Als de schuldenaar geen verweer voert, gaat de rechter uit van de juistheid van de stellingen, tenzij de vordering hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Bij twijfel over de rechtmatigheid of gegrondheid kan de rechter de eiser om nadere inlichtingen of stukken vragen.
De rechter moet, ook in verstekzaken, ambtshalve het recht van openbare orde en dwingend recht toepassen. Zo moet de rechter bij vorderingen op consumenten-schuldenaren ambtshalve toetsen op oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden. Ook dient de rechter de voor de consument-schuldenaar dwingendrechtelijke regels over incassokosten (art. 6:96 lid 5–7 BW) toe te passen. De rechter beoordeelt derhalve of overeenkomstig deze regels is gehandeld, zoals met betrekking tot de hoogte van de incassokosten en het verzenden van een brief waaruit blijkt dat de schuldenaar nog een uiterste termijn heeft gekregen waarbinnen betaald kan worden, zonder dat incassokosten verschuldigd worden (vgl. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).
De Raad voor de rechtspraak doet momenteel onderzoek waarbij de problematiek van schulden wordt geanalyseerd en nader zal worden gekeken naar het rechterlijk traject in incassozaken. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 8.
Klopt het dat de rechter doorgaans slechts op grote lijnen kijkt of de eis terecht lijkt en dat het zodoende voor incassobureaus lucratief kan zijn om slecht onderbouwde of rammelende zaken voor te laten komen? Wat gaat u hiertegen ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat persoonlijk overleg of betalingsregelingen van groot belang zijn voor mensen met problematische schulden en dat het dus zeker geen onnodige kostenposten dienen te zijn? Hoe gaat u bevorderen dat incassobureaus proportioneler te werk gaan en hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer betalingsregelingen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een overzicht geven van het aantal incassozaken dat de rechterlijke macht de afgelopen jaren heeft behandeld (in absolute aantallen en als percentage van het geheel)?
In de systemen van de rechtspraak wordt niet geregistreerd op de zaakscategorie incassozaken. De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat voor het aantal incassozaken wel indicaties kunnen worden ontleend aan het aantal verstekuitspraken van de kantonrechter. Verreweg de meeste van dat soort verstekzaken zijn namelijk incassozaken. Van de kantonzaken op tegenspraak betreft slechts een klein deel incassozaken. In de periode 1 januari 2014 t/m 9 oktober 2017 zijn door de kantonrechter circa 1,2 miljoen zaken bij verstek afgedaan. In diezelfde periode zijn circa 227.000 kantonzaken op tegenspraak behandeld. Op jaarbasis gaat het grosso modo om 370.000 kantonzaken waarvan 310.000 bij verstek en 60.000 op tegenspraak. Met de nodige slagen om de arm zal het dus jaarlijks om enkele honderdduizenden incassozaken gaan.
Hebben rechters voldoende mogelijkheden om dit soort misbruik van het rechtssysteem aan te pakken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe staat het met het onderzoek van de Raad voor de rechtspraak naar de verbetering van de rechtspraak voor burgers met schulden? Welke oplossingsrichtingen worden overwogen?
De schuldenproblematiek heeft nadrukkelijk de aandacht van de rechtspraak en maakt onderdeel uit van het programma «maatschappelijk effectieve rechtspraak» (MER). Een werkgroep van experts op dit terrein uit de rechtspraak heeft de opdracht een visiedocument over schuldenproblematiek uit te brengen. Centrale vraag daarbij is hoe (in afstemming met professionele partners) gerechtelijke procedures en de rechtspraak (individuele rechters en de organisatie) kunnen bijdragen aan de aanpak van schuldenproblematiek.
De werkgroep zal in het visiedocument de problematiek rondom schulden analyseren en zal daarbij ingaan op gesignaleerde knelpunten die zich kunnen voordoen in het voortraject, het rechterlijke traject en het na traject. De nadruk zal daarbij liggen op het rechterlijke traject. Mogelijke knelpunten in wetgeving worden hierbij eveneens meegenomen. De werkgroep heeft tevens de opdracht gekregen om oplossingsrichtingen te formuleren. Het gaat daarbij om oplossingsrichtingen die door de rechtspraak geïnitieerd kunnen worden, zowel als het gaat om de individuele rechter ter zitting, als oplossingsrichtingen die de inzet van de rechtspraak als organisatie verlangen.
Naar verwachting is het visiedocument in het eerste kwartaal van 2018 gereed.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) stelt dat de doorverkoop van leningen waarschijnlijk niet meer aantrekkelijk is als de bedrijven zich aan de AFM-richtlijnen houden? Deelt u de mening dat dit te gek voor woorden is?
Indien een kredietvordering wordt overgedragen aan een derde partij, zal deze zich in beginsel kwalificeren als een aanbieder van krediet. Hij is dan zelf vergunningplichtig en dient te voldoen aan alle in de Wft genoemde eisen en verplichtingen.
Voor de doorverkoop van vorderingen heeft de AFM in de leidraad «Consumenten en Incassotrajecten» uitgewerkt wat de AFM verwacht van kredietaanbieders wanneer zij vorderingen doorverkopen. Gelet op de problemen die consumenten in voorkomende gevallen ondervinden vind ik het passend dat de AFM marktpartijen aanspoort om hun verantwoordelijkheid te nemen.
Hoe wordt toezicht gehouden op de werkwijze van incassobureaus en de naleving van de AFM-richtlijnen? Erkent u dat het toezicht blijkbaar veel steviger moet worden?
Voor een beschrijving van de verschillende toezichtskaders die van toepassing zijn op incassobureaus wordt verwezen naar de antwoorden op eerdere vragen van het lid Jasper van Dijk (SP).2
De AFM houdt op grond van de Wet op het financieel toezicht, toezicht op financiële dienstverleners, waaronder aanbieders van krediet en bemiddelaars in krediet. Ook een incassobureau kan zich kwalificeren als aanbieder of bemiddelaar in krediet en daarmee onder het Wft-toezicht van de AFM vallen. De AFM is in die gevallen ook verantwoordelijk voor het toezicht op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming. De AFM heeft, na publicatie van de leidraad «Consumenten en Incassotrajecten, de tien grootste kredietaanbieders gevraagd om een analyse te maken van de verschillen tussen de leidraad «Consumenten en Incassotrajecten» en hoe in de praktijk incassotrajecten bij kredietaanbieders verlopen. Naar aanleiding van de uitkomsten van de analyses concludeert de AFM dat aanbieders die gebruik maken van incassobureaus, de leidraad onvoldoende in acht nemen. De tien grootste aanbieders hebben inmiddels toegezegd verbeteringen door te voeren in de afspraken die zij hebben gemaakt met incassobureaus en de controle die zij uitvoeren op incassobureaus. De AFM zal verder streng toezien op de naleving van de wettelijke vereisten.
Bent u bereid alsnog een verbod op doorverkoop van schulden te onderzoeken, gezien de toenemende gevaren van de incasso-industrie?2
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor een onderzoek naar een verbod op doorverkoop van schulden. Ik verwijs naar het eerdergenoemd antwoord op vragen van de SP over (een onderzoek naar) een verbod op doorverkoop van schulden.4 Het probleem van kwalijke incassopraktijken schuilt niet in de doorverkoop van vorderingen als zodanig, maar in de wijze waarop vervolgens met de vorderingen wordt omgegaan. Hierover moet het gesprek met de incassosector plaatsvinden en om daarin misstanden te voorkomen worden maatregelen voorbereid, zoals een register voor incassobureaus. Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 3, 4, 5 en 7.