Wat is reden dat u de Kamer en andere betrokkenen pas vier dagen voorafgaand aan de ingangsdatum van de forse verhoging van leges voor verblijfsvergunningen regulier hierover informeert?1
Ik besef dat de Kamer en andere betrokkenen pas zeer kort van te voren zijn geïnformeerd over de legesverhoging.
De verhoging van de leges naar een hoger niveau van kostendekkendheid is een uitwerking van het regeerakkoord. In de voorjaarsnota is evenwel vastgelegd dat ik nog voor dit jaar € 9 mln. aan meeropbrengsten regulier leges zal realiseren. Om dit mogelijk te maken, dienden de leges op zeer korte termijn te worden verhoogd. Elke maand langer wachten zou nog meer verhoging van de leges betekenen om dat doel te kunnen bereiken. Een besluit tot een latere invoeringsdatum van de legesverhoging is dan ook niet wenselijk.
Om tegemoet te komen aan de problemen van de onderwijsinstellingen heb ik wel besloten, dat de IND coulant omgaat met die aanvragen waarbij de student reeds vóór 1 juli jl. de leges had betaald aan de onderwijsinstelling. In deze gevallen geldt dat ook al wordt de aanvraag ingediend op of na 1 juli met het oude legesbedrag genoegen wordt genomen. Ook zal voor wat betreft overige verblijfsdoelen in die gevallen waarin de aanvraag of adviesaanvraag voor 1 juli door de IND ontvangen is het oude legestarief van kracht blijven.
Deelt u de mening dat het niet van behoorlijk bestuur getuigt om leges voor een verblijfsvergunning, waar mensen soms tijden voor hebben gespaard, plotseling met tientallen procenten/honderden euro’s te verhogen? Waarom heeft u niet gekozen voor een fatsoenlijke overgangsregeling, of een latere ingangsdatum van de verhoging van de leges? Bent u daar alsnog toe bereid?
Zie antwoord vraag 1.
Welke kosten van de verschillende producten verblijfsvergunningen worden door u precies doorberekend aan de desbetreffende migrant? Waarom is dit niet in uw brief opgenomen? Kunt u garanderen dat er geen indirecte kosten aan de migrant worden doorberekend, conform de Handreiking Kostentoerekening «Leges en Tarieven» van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ?
In mijn brief van 27 juni jl., in het bijzonder in bijlage twee «Kostprijzen en legestarieven» is uiteengezet welke kosten worden doorberekend in de legestarieven.
Indirecte kosten, zoals gedefinieerd in de Handreiking Kostentoerekening Leges en Tarieven, worden niet doorberekend. Dit betekent dat de kosten van handhaving en van bezwaar- en beroepsprocedures niet worden doorberekend.
Tot slot wil ik benadrukken dat het meer kostendekkend maken van de leges niet alleen een verhoging van de leges inhoudt, maar dat ik ernaar streef om ook de kostprijs naar beneden te brengen.
Waar baseert u op, dat de leges van 1 250 euro voor een verblijfsvergunning vanwege gezinshereniging het «nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet beperken? Waarom acht u dat toelaatbaar en in overeenstemming met recht en jurisprudentie? Bent u bereid ten aanzien van deze verhoging van ruim 400 euro advies te vragen aan de Europese Commissie over de vraag of die in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn?
Gelet op het inkomensvereiste dat geldt voor gezinshereniging ben ik van mening dat de legestarieven niet afdoen aan het «nuttig effect» van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit inkomen maakt het mogelijk om ook de verhoogde legestarieven te betalen. Tot nog toe is mij geen jurisprudentie bekend, waaruit blijkt dat hoge legestarieven strijdig zouden zijn met bovengenoemde richtlijn. In de richtlijn zelf is ook geen bepaling opgenomen ter zake van leges. Ik ben dan ook niet voornemens om advies te vragen aan de Europese Commissie over de vraag of de verhoging in overeenstemming is met deze richtlijn.
Waarom heeft u niet gekozen voor geleidelijke verhogingen van leges, in plaats van verhogingen met soms 30 tot 40%, die ook nog eens aanvullend zijn op recente andere forse verhogingen? Deelt u de mening dat de rechtszekerheid voor burgers ook een zekere betrouwbaarheid van de overheid vraagt, die onder meer inhoudt dat leges voor vergunningen niet binnen een te korte tijd met een te hoog percentage of fors bedrag worden verhoogd?
Zoals ik in het antwoord op de eerste en de tweede vraag heb weergegeven, was vanwege de financiële taakstelling een geleidelijker legesverhoging niet aan de orde.
Wat betreft de rechtszekerheid van de burger en de betrouwbaarheid van de overheid ben ik van mening dat deze niet in het geding zijn bij deze en volgende legesverhogingen, omdat de verhoging alleen ziet op nieuwe aanvragen.
Weliswaar is de legesverhoging fors, maar zeker zolang de leges niet kostendekkend zijn, is de legesverhoging niet als onbetrouwbaar overheidshandelen te kwalificeren.
Vindt u, nu u zelf verwijst naar het advies van de ACVZ «Leges voor (arbeids)migratie naar Nederland», dat de verhogingen (verdriedubbelingen) van de leges voor een verblijfsvergunning «medisch» en «buiten schuld» te rijmen zijn met de conclusie van de ACVZ in dat advies, dat de legestarieven voor reguliere gezinsmigranten een behoorlijke financiële druk vormen en de hoge legestarieven voor kwetsbare migrantengroepen een nog grotere belemmering zijn? Kunt u dit toelichten?
Wat betreft de legestarieven voor reguliere gezinsmigranten wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 4. Met betrekking tot kwetsbare migrantengroepen geldt dat de legeshoogte inderdaad als een behoorlijke financiële druk kan worden ervaren; vreemdelingen die legaal in Nederland verblijven, hebben evenwel een inkomen, dat het mogelijk maakt om ook de verhoogde leges te kunnen betalen.
Ik heb echter besloten de legesverhoging voor een beperkt aantal kwetsbare categorieën vreemdelingen minder te verhogen dan aangekondigd in de brief van 27 juni 2011 (Kamerstukken II 2010–2011, 30 573, nr. 73). Dit betreft personen die in het kader van huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, achterlating of mensenhandel voortgezet verblijf aanvragen. Ook voor hen zijn de leges voor een aanvraag om voortgezet verblijf per 1 juli 2011 verhoogd van € 331 naar € 950. Bij de voorbereiding van dit voorstel is over het hoofd gezien dat de legesverhoging die categorieën op deze wijze zou treffen. Daarom heb ik besloten de leges voor voortgezet verblijf voor deze categorieën tot een minimum te beperken, namelijk € 350.
Waarop baseert u de aanname in uw brief dat de aanzienlijke tariefsverhoging van de leges bij verlenging van een verblijfsvergunning niet schadelijk is voor de positie van de Nederlandse kenniseconomie, maar dat een verhoging van het tarief voor de eerste toelating dat wel zou zijn? Deelt u de mening dat dit een scheve redenatie is aangezien de drempel weliswaar niet verhoogd wordt, maar dat deze verhoging mensen wel dwingt om tussentijds terug te keren door de enorm gestegen kosten voor verblijf? Heeft u onderzocht wat de effecten zullen zijn op de afweging van buitenlandse studenten en onderzoekers op hun komst naar Nederland als de tarieven voor verlenging enorm verhoogd worden? Heeft u in dit verband tevens kennis genomen van de kritiek van koepelorganisatie van Nederlandse universiteiten en van studentenorganisaties op de abrupte verhoging van leges voor verlenging van de verblijfsstatus van buitenlandse studenten? Zo ja, hoe beoordeelt u deze kritiek?
De tarieven voor de verlenging van de verblijfsvergunning voor kennismigranten zijn verhoogd. Ik ben van mening dat dit geen drempel vormt voor kennismigranten om het verblijf Nederland voort te zetten. Ik baseer dit op het feit dat kennismigranten beschikken over een inkomen, dat moet voldoen aan de criteria van de kennismigrantenregeling, waardoor deze verhoging financieel geen probleem hoeft te zijn.
Bovendien is het aantal verlengingen van verblijfsvergunningen door kennismigranten zeer beperkt, aangezien een verblijfsvergunning wordt afgegeven voor de duur van het verblijf, met een maximum van vijf jaar.
Het advies van de ACVZ «Leges voor (arbeids)migratie naar Nederland» van mei 2008 geeft evenmin aanleiding om te veronderstellen dat kennismigranten hun verblijf in Nederland af zouden breken vanwege de hoogte van het tarief voor de verlenging. Het tarief voor eerste toelating voor kennismigranten is niet verhoogd. Dit is een beleidsmatige keuze, gebaseerd op het belang dat het kabinet hecht aan de toelating van kennismigranten.
Wat betreft de verhoging van de leges voor verlenging van de verblijfsstatus van buitenlandse studenten, ben ik van mening dat deze verhoging geen onoverkomelijk probleem hoeft te vormen, aangezien deze kosten een zeer beperkt deel zijn van de totale kosten die studenten van buiten de EU in het kader van hun studie moeten maken.
Tenslotte zal wanneer het Modern Migratiebeleid in werking is getreden, een student direct een verblijfsvergunning krijgen voor de duur van de studie en is een verlenging van de vergunning vrijwel niet meer aan de orde.
Waarom verhoogt u de leges precies gedurende de piek in aanvragen voor studentenvisa, terwijl de betrokken instellingen en de IND de legesbedragen al hebben gecommuniceerd naar de studenten die in september starten, en die soms zelfs al geïnd zijn? Is de minister bereid deze verhogingen uit te stellen tot januari 2012 zodat de studenten en instellingen tijdig kunnen worden geïnformeerd?
Zoals ik in het antwoord op de vragen een en twee heb aangegeven, heb ik besloten dat studenten die de leges vóór 1 juli jl. al betaald hadden en pas daarna de aanvraag om de mvv c.q. verblijfsvergunning hebben ingediend, de verhoging niet hoeven bij te betalen.
Voor wat betreft het tijdstip van de verhoging verwijs ik u eveneens naar bovengenoemd antwoord op de eerste en tweede vraag.
Waarom liggen de leges voor kennismigranten en studentenvisa in Nederland zoveel hoger dan in buurlanden, waar eveneens van kostendekkendheid wordt uitgegaan?
De leges voor kennismigranten en studenten liggen in Nederland inderdaad hoger dan in omringende landen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk.
Het ACVZ-onderzoek naar de leges voor (arbeids) migratie naar Nederland (mei 2008) stelt inderdaad dat in de omringende landen kostendekkendheid van de leges het uitgangspunt is. Uit het desbetreffende onderzoek wordt echter niet duidelijk in hoeverre dit uitgangspunt ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wel laat het onderzoek zien dat in omringende landen, evenals in Nederland, niet alleen de kostprijs, maar ook het verblijfsdoel mede bepalend kan zijn voor de hoogte van de leges. Bij de vaststelling van de leges voor kennismigranten heeft in Nederland bijvoorbeeld het draagkrachtbeginsel mede een rol gespeeld.
Een internationale vergelijking naar de hoogte van leges is bovendien complex, omdat niet alleen de hoogte van de leges maar ook de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning bepalend is voor de totale legeskosten tijdens het verblijf van een kennismigrant of student. In tegenstelling tot omringende landen krijgt een kennismigrant in Nederland bijvoorbeeld een verblijfsvergunning voor de gehele duur van het verblijf (met een maximum van vijf jaar) en is een verlenging van de vergunning derhalve niet nodig.
Waarom worden de leges voor studenten en kennismigranten steeds hoger, terwijl de universiteiten en hogescholen, conform de Wet Modern Migratiebeleid, steeds meer taken van de IND hebben overgenomen?
Voor de verkorte procedure blijft een lager legestarief gelden dan voor de normale procedure, met uitzondering van de kennismigrantenregeling, waarvoor al eerder een hoger tarief gold. Bij vaststelling van de leges voor kennismigranten heeft het draagkrachtbeginsel mede een rol gespeeld.
Bent u bereid om deze verhoging te heroverwegen en hierover eerst met de Kamer in overleg te treden over noodzaak, alternatieven en nadelige effecten met betrekking tot de Nederlandse kenniseconomie?
Omdat de legesverhoging past binnen het afgesproken kabinetsbeleid om de leges regulier zoveel mogelijk kostendekkend te maken en binnen de financiële afspraken die zijn gemaakt, is het niet wenselijk om de legesverhoging van 1 juli jl. te heroverwegen.
Dit laat echter onverlet dat ik altijd bereid ben om in overleg te treden met de Kamer.
Het onderzoek verricht door TrustLaw |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek, verricht door TrustLaw, over de positie van vrouwen in verschillende landen?1
Deelt u de uitkomsten van de door TrustLaw verrichte enquête onder 213 «gender» experts? Zo nee, kunt u aangeven waarom u het niet eens bent met de uitkomsten van deze enquête?
Deelt u de mening van het onderzoek dat de situatie in de «top vijf» landen, waar de positie voor vrouwen en meisjes als «zeer slecht» wordt beschreven, dusdanig is dat er de facto geen significant verschil bestaat in de positie van vrouwen en meisjes in deze landen? Zo, nee kunt u aangeven waarom u de positie van vrouwen en meisjes in onder meer Kongo, Somalië, Pakistan en India significant beter acht dan die van vrouwen en meisjes in Afghanistan?
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de resultaten van dit onderzoek zich verhouden tot uw beleid waarbij «door een samenstel van factoren, terugkeer naar Afghanistan een onevenredige psychosociale druk ontstaat» en derhalve terugkeer van «meisjes met een verwesterde levensstijl» niet gevraagd kan worden?
Kunt u aangeven of de situatie in onder meer Kongo, Somalië, Pakistan en India voldoet aan het naar aanleiding van «samenstel van factoren die kunnen leiden tot een onevenredige psychosociale druk»? Zo nee, kunt u dan, mede naar aanleiding van het eerdergenoemde onderzoek, exact aangeven waarom u van mening bent dat er in deze landen geen sprake is van een dergelijke «samenstel van factoren»?
Bent u bereid om uw beleid hierin, mede naar aanleiding van dit onderzoek, te herzien? Zo nee, kunt u dan aangeven waarom u dit niet nodig acht?
Bent u voorts bereid in individuele gevallen bij vrouwen en meisjes uit onder meer Kongo, Somalië, Pakistan en India eenzelfde «samenstel van factoren die kunnen leiden tot een onevenredige psychosociale druk» te hanteren als bij vrouwen en meisjes uit Afghanistan?
Het meerpersoonscelgebruik in vreemdelingendetentie |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u nog steeds van mening dat vreemdelingen in vreemdelingenbewaring niet slechter af moeten zijn dan strafrechtelijk geplaatste gedetineerden, die wél strafbare feiten hebben gepleegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het feit dat in het gevangeniswezen het percentage meerpersoonscellen 15% is tegenover 97% bij de sector bijzondere voorzieningen?1
In 2004 is de Penitentiaire Beginselenwet gewijzigd waarmee een wettelijke basis werd gelegd voor meerpersoonscelgebruik bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Vanaf dat moment is het uitgangspunt van de regering geweest dat meerpersoonscelgebruik (MPC-gebruik) een reguliere en volwaardige vorm van detentie is. Ook de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) heeft in haar themaonderzoek naar MPC-gebruik geconcludeerd dat het meerpersoonscelgebruik inmiddels algemeen aanvaard is. Ik deel dan ook niet de opvatting dat personen die in een MPC geplaatst zijn slechter af zouden zijn dan personen die in een eenpersoonscel zijn geplaatst. Bij nieuwbouw van detentiecapaciteit geldt vanaf de invoering van het MPC-gebruik, zowel voor het gevangeniswezen als voor de directie bijzondere voorzieningen, de eis dat de cellen 100% MPC-geschikt dienen te zijn. De centra voor vreemdelingenbewaring zijn over het algemeen pas gebouwd nadat deze eis van 100% MPC-geschiktheid werd ingevoerd, terwijl de meeste penitentiaire inrichtingen van voor die tijd dateren. Dit verklaart het grote verschil in MPC-gebruik bij beide sectoren van DJI.
Waar komt dit opmerkelijke verschil vandaan dat meerpersoonscelgebruik in het gevangeniswezen op beperkte schaal voorkomt, terwijl het in de vreemdelingenbewaring standaard en gedurende het gehele verblijf in een detentiecentrum wordt toegepast?1
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is het in de centra voor vreemdelingenbewaring de standaard werkwijze om gedetineerden direct bij binnenkomst op een meerpersoonscel te plaatsen? Waarom neemt u de aanbeveling van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) niet over om vreemdelingen eerst op een eenpersoonscel te plaatsen en pas na psycho-medisch advies over te gaan tot plaatsing in een meerpersoonscel? Hoe uitgebreid is de medische intake die nu binnen 24 uur plaatsvindt? Kunnen hier op zorgvuldige wijze alle relevante contra-indicaties voor meerpersoonscelgebruik worden vastgesteld?
De inkomstenprocedure geschiedt op een zorgvuldige wijze. Bij binnenkomst worden vreemdelingen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 24 uur gezien door de Medische Dienst. De medische intake wordt verricht door een justitieel verpleegkundige. De justitieel verpleegkundigen zijn aanvullend op hun basisopleiding tot verpleegkundige geschoold in het herkennen van en handelen ten aanzien van zowel somatische als psychische ziektebeelden die specifiek in een gesloten setting aandacht behoeven. De intake wordt uitgevoerd volgens vaste, voorgeschreven procedures. Het verslag van de intake wordt gezien door een justitieel geneeskundige die de eindverantwoordelijkheid draagt. Onderdeel van de intake vormt een controle op medische (somatische) contra-indicaties voor MPC-gebruik. Hierbij wordt onder meer onderzocht op symptomen van vermoedelijk infectieuze aard. Als er sprake is van infectieuze aandoeningen wordt beoordeeld of deze een risico vormen voor een celgenoot. Waar nodig worden deze personen geplaatst op een eenpersoonscel, bijvoorbeeld op een extra zorgafdeling. De plaatsing op een eenpersoonscel wordt periodiek geëvalueerd.
Waarom neemt u de aanbeveling van de ISt niet over om langverblijvende vreemdelingen die daar behoefte aan hebben na verloop van tijd om humanitaire redenen op een eenpersoonscel te plaatsen? Zijn hier meer redenen voor te geven dan de constatering van de ISt dat meerpersoonscelgebruik algemeen aanvaard is? Deelt u de mening dat algemeen aanvaard niet wil zeggen dat het verblijf op een meerpersoonscel minder zwaar of bezwarend zou zijn?
Het uitgangspunt bij de plaatsing op een MPC is dat een ieder geschikt wordt geacht voor samenplaatsing, tenzij verblijf op een eenpersoonscel noodzakelijk is. Dit uitgangspunt geldt ook voor langverblijvende vreemdelingen. Indien plaatsing in een MPC ongewenst is, komt betrokkene in aanmerking voor plaatsing in een eenpersoonscel. Het gaat hierbij echter altijd om een individuele beslissing in een individueel geval.
Zoals ik in het antwoord op de vragen 1, 2 en 8 heb toegelicht, deel ik niet de opvatting dat personen die in een MPC geplaatst zijn slechter af zouden zijn dan personen die in een eenpersoonscel zijn geplaatst.
Wat gaat u doen met de constatering van de ISt dat de klimaatbeheersing in gebouw 4 van het detentiecentrum Zeist gebrekkig is, dat hierover in deze inrichting veel klachten zijn zowel onder de ingesloten vreemdelingen als bij het personeel en dat de medische dienst zelfs ademhalingsproblemen en andere gezondheidsklachten constateert die hierdoor zijn veroorzaakt? Wanneer zal dit probleem zijn opgelost?
Op dit moment wordt in het ventilatiesysteem van gebouw 4 een aantal verbeteringen doorgevoerd. Voorts worden de mogelijkheden onderzocht om in de recreatieruimtes naast de mechanische ventilatie ook natuurlijke ventilatie te realiseren. Ik verwacht van genoemde maatregelen een structurele verbetering van het binnenklimaat.
Bij hoge buitentemperaturen worden extra maatregelen getroffen.
Wat is uw reactie op de constatering van de ISt dat de meerpersoonscellen in warme periodes benauwd worden en dat temperaturen op kunnen lopen tot temperaturen van boven de 40 graden?
Het tegengaan van hitteoverlast voor personeel en ingeslotenen heeft prioriteit en vergt maatwerk dat per locatie en gebouw moet worden ingevuld.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de meerpersoonscelpraktijk niet alleen door het gevangeniswezen wordt geëvalueerd met behulp van de uitkomsten van het inspectierapport, maar dat dit ook voor de meerpersoonscelpraktijk in vreemdelingendetentie zal gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Het rapport van de ISt geeft hiervoor geen aanleiding. Uiteraard zal wel mede aan de hand van de bevindingen van de ISt per inrichting voortdurend kritisch worden gekeken naar het MPC-gebruik. Het ISt-rapport bevat hiervoor bruikbare handvatten.
Op welke wijze gaat u het uitgangspunt dat vreemdelingen, die in afwachting van hun uitzetting zijn, niet in slechtere omstandigheden hoeven te verblijven dan mensen die vanwege strafbare feiten zijn vastgezet verder vormgeven?
Zie antwoord vraag 1.
De schending van mensenrechten door de EU-lidstaten in asielprocedures |
|
Myrthe Hilkens (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten in Trouw «Mensenrechtenorganisaties: Europa schendt rechten asielzoekers» en «Tijd dringt voor een gemeenschappelijk asielbeleid EU»?
Ja.
Deelt u de mening dat alle EU lidstaten het fundamentele recht om asiel te zoeken dienen na te leven? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat er op de kortst mogelijke termijn een einde dient te komen aan de schrijnende situatie waarin asielzoekers in sommige landen in de EU verkeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, voor zover daar sprake van is deel ik die mening. (Onder meer) in de JBZ-Raad van 12 mei 2011 is gesproken over migratie en de zuidelijke nabuurschapregio. In mijn interventie heb ik aangegeven dat het van belang is dat de EU zichzelf als een gemeenschap van vertrouwen, solidariteit en onderlinge samenwerking laat zien. Daarbij is het van belang dat de lidstaten de gemaakte afspraken nakomen, de gezamenlijke buitengrenzen efficiënt en effectief bewaken en dat de lidstaten elkaar praktisch bijstaan als de nood te hoog wordt middels de bestaande EU-instrumenten zoals Europese fondsen, FRONTEX en EASO.
Deelt u de mening dat de huidige ontwikkelingen waarbij afzonderlijke EU lidstaten zich voornamelijk concentreren op het buitenhouden van asielzoekers uit hun eigen land in plaats van in te zetten op een gemeenschappelijk asielbeleid een slechte ontwikkeling is? Zo nee, waarom niet?
Ik herken de geschetste tegenstelling niet. Asielbeleid is erop gericht om opvang te bieden aan vluchtelingen en aan hen die op grond van internationale verdragen bescherming toekomt. Om het draagvlak daarvoor op peil te houden is het van belang om illegale immigratie van kansarme economische migranten zoveel mogelijk tegen te gaan. Het GEAS is (juist) gebaseerd op de veronderstelling dat een gemeenschappelijk beleid moet zorgen voor een vermindering van illegale secundaire migratiestromen.
Hoe oordeelt u over de conclusies van de Europese vluchtelingenorganisaties ECRE dat de huidige situatie asielzoekers in sommige landen in de EU de kans op een eerlijke procedure ontneemt en dat niet – dan wel onvoldoende – wordt onderzocht welke gevaren de vluchtelingen in eigen land lopen?
Uitgangspunt van de EU is dat geen afbreuk wordt gedaan aan het in de internationale verdragen verankerde recht op asiel en non-refoulementgebod. Alle lidstaten zijn gebonden aan deze verdragen alsmede het EU-asielacquis. De Commissie en de (inter)nationale rechters hebben in dezen een belangrijke controlerende taak.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor zowel de asielzoekers als voor de afzonderlijke lidstaten -en dus ook voor Nederland-, dat er uiterlijk in 2012 een gemeenschappelijk Europees asielbeleid tot stand komt dat geharmoniseerd is en dat de mensenrechten volledig respecteert? Zo nee, waarom niet? Heeft u er vertrouwen in dat de deadline van 2012 voor een gemeenschappelijk asielbeleid wordt gehaald? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?
Ja, ik deel de ambitie van een GEAS uiterlijk in 2012 en vind deze ambitie nog steeds realistisch. Van 1 juli tot en met 31 december 2011 vervult Polen het (roulerende) voorzitterschap van de Europese Unie. Polen heeft meermaals aangegeven de ambities van een gemeenschappelijk asielbeleid in 2012 te onderschrijven. Het Poolse voorzitterschap heeft in zijn eerste weken aan deze ambitie invulling gegeven door het GEAS te agenderen voor de informele JBZ-Raad van 18 juli 2011. Daarnaast heeft het voorzitterschap direct bij aantreden meerdere bijeenkomsten voor de raadswerkgroep asiel belegd waar nieuwe voorstellen voor zowel de Procedure- als de Opvangrichtlijn worden besproken.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om de naleving van de mensenrechten, inclusief het recht op asiel, in de EU-lidstaten te bevorderen en te bewerkstelligen dat er een gemeenschappelijk asielbeleid komt dat de mensenrechten respecteert en een gerechtelijke toets kan doorstaan?
Allereerst is het aan de Commissie om lidstaten aan te spreken die hun in de EU-regelgeving neergelegde verplichtingen niet nakomen en zonodig een inbreukprocedure op te starten. Individuele klachtzaken kunnen daarnaast ook worden voorgelegd aan de (inter)nationale rechtscolleges. Uiteraard wordt ook in de JBZ-Raad frequent gesproken over de problemen waarmee lidstaten ten gevolge van een hoge migratiedruk te maken hebben en de verantwoordelijkheid voor de naleving van de mensenrechten. Andere lidstaten, zoals Nederland, kunnen hierbij hun verantwoordelijkheid nemen door deze lidstaten praktisch te ondersteunen. Bij de gesprekken over een gemeenschappelijk asielbeleid en de hiertoe voorgestelde regelgeving zijn de in de internationale verdragen neergelegde normen en de jurisprudentie van het EHRM (Straatsburg) en Hof van Justitie-EU (Luxemburg) in sterke mate mede bepalend.
Bent u op de hoogte van de reactie van de voorzitter van de Projectgroep Vluchtelingen Raad van Kerken in Nederland) en anderen1 op de door u ingezonden brief aan Trouw op zaterdag 11 juni 2011?
Ja. Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat ik de keuze van de Iraanse vreemdeling voor zelfmoord ten zeerste betreur en ook de schokkende wijze waarop dat is gebeurd.
Op welke wijze is de Iraanse asielzoeker verteld dat er geen sprake zou zijn van een gedwongen uitzetting? Indien als dit schriftelijk is medegedeeld, kunt u dan een afschrift hiervan naar de Kamer sturen?
Met de Iraanse vreemdeling zijn meerdere vertrekgesprekken gevoerd door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Van vertrekgesprekken wordt een zakelijke weergave gemaakt die niet door de vreemdeling wordt ondertekend. In het geval van de Iraanse vreemdeling is in het vertrekgesprek van 5 november 2009 aan de orde geweest dat gedwongen terugkeer niet mogelijk was.Het gespreksverslag vindt u in de bijlage ter vertrouwelijke inzage2. In het verslag is niet woordelijk weergegeven wat in het geprek is besproken.
De mededeling aan de Iraanse vreemdeling is gedaan tegen de achtergrond dat Iran geen vervangende reisdocumenten afgeeft als de vreemdeling niet aangeeft zelf terug te willen. Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld, heeft de door de vreemdeling bij zijn presentatie af te leggen verklaring dat hij bereid is terug te keren, een zodanige strekking dat het afleggen daarvan niet verder gaat dan redelijkerwijs van hem zou kunnen worden gevergd binnen het bestek van de op de vreemdeling rustende verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten3.In het geval van de Iraanse vreemdeling was er noch een geldig reisdocument noch een origineel identiteitsdocument en hij werkte niet mee aan zijn terugkeer. Tijdens het vertrekgesprek op 5 november 2009 is hem verzocht mee te werken aan terugkeer.
Wat is uw reactie op de stelling in het artikel dat nooit iemand in het hele werkveld eerder heeft meegemaakt dat dit aan een asielzoeker wordt medegedeeld?
In het kader van (gedwongen) terugkeer is de medewerking van de vreemdeling van essentieel belang. Dit geldt ook voor vreemdelingen van Iraanse nationaliteit. In vertrekgesprekken met Iraanse vreemdelingen wordt derhalve ook nadrukkelijk besproken dat het voor de terugkeer van belang is dat de vreemdeling meewerkt aan terugkeer.
Met betrekking tot de stelling in het artikel dat niemand in het werkveld eerder heeft meegemaakt dat een dergelijke mededeling aan een vreemdeling is gedaan, kan ik u aangeven dat gelet op het feit dat de Iraanse autoriteiten geen laissez-passers verstrekken voor gedwongen terugkeer als de vreemdeling niet meewerkt, dit ook aan de orde kan zijn in de vertrekgesprekken. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat dit niet betekent dat er geen zicht op uitzetting bestaat voor Iran. Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord van vraag 5.
Hoeveel Iraanse asielzoekers zitten er momenteel in Nederland in detentie in afwachting van een uitzetting?
Op peildatum 21 augustus 2011 zaten ongeveer 40 vreemdelingen met de (gestelde) Iraanse nationaliteit in vreemdelingenbewaring. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die eerder asiel hebben aangevraagd en degenen die dit nooit hebben gedaan.
Is het waar dat er namens u stelselmatig wordt betoogd bij rechters en de Raad van State dat er zicht is op gedwongen verwijdering, terwijl u op de hoogte bent dat dit vrijwel onmogelijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het uitgangspunt is dat op een vreemdeling na een afgeronde vreemdelingrechtelijke procedure, waarin is bepaald dat de vreemdeling niet langer in Nederland mag verblijven, de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Indien nodig kan de vreemdeling ten behoeve van diens vertrek worden gefaciliteerd. Indien de vreemdeling niet bereid is om Nederland uit eigen beweging te verlaten en evenmin gebruik wil maken van het aanbod van de vertrekfaciliteiten, kan de Nederlandse overheid terugkeer naar het land van herkomst realiseren middels gedwongen vertrek.
Hoewel in het geval van de Iraanse vreemdeling uiteindelijk moest worden vastgesteld dat gedwongen vertrek niet binnen een redelijke termijn kon worden gerealiseerd, kan niet gesteld worden dat gedwongen vertrek naar Iran in alle gevallen onmogelijk is. Gedwongen vertrek is mogelijk als de vreemdeling in het bezit is van een geldig paspoort. Indien dit niet het geval is, is het van belang dat de Iraanse vreemdeling ten overstaan van de Iraanse vertegenwoordiging diens identiteit kan aantonen door middel van originele documenten en daarbij verklaart te willen terugkeren naar het land van herkomst. In dat geval kan een laissez-passer worden afgegeven. Daarop volgt uitzetting en dus kan ook in het geval van Iraanse vreemdelingen sprake zijn van vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting.
Van uitgeprocedeerde vreemdelingen kan en mag ook worden verwacht dat zij actief en volledig meewerken aan hun terugkeer. Deze meewerkverplichting omvat ook het zonodig afleggen van een verklaring bereid te zijn terug te keren, zoals ook bevestigd is in de in het antwoord op vraag 2 en 3 genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bent u het eens met de stelling dat alle niet-criminele asielzoekers, ten aanzien waarvan geen zicht op uitzetting bestaat, niet in detentie thuishoren? Zo ja, op welke termijn worden deze mensen in vrijheid gesteld en aan welke mogelijkheden voor opvang kan dan gedacht worden? Zo nee, waarom niet?
Indien er geen zicht op uitzetting is, kan vreemdelingenbewaring, die immers volgens de wet wordt toegepast met het oog op uitzetting, niet worden opgelegd of voortduren. In mijn antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven dat in het geval van Iraanse vreemdelingen hiervan in het algemeen geen sprake is.
Indien een illegale vreemdeling door eigen toedoen zorgt dat hij of zij niet kan worden uitgezet, omdat de vreemdeling de noodzakelijke medewerking niet verleent, rust op de Nederlandse overheid geen verplichting om onderdak te verlenen. Op de illegale vreemdeling rust de plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten.
Bent u het eens met de constatering dat de rechtelijke macht op het verkeerde been gezet wordt indien er wordt verklaard dat getoetst wordt aan het criterium «zicht op uitzetting», terwijl hier in de praktijk geen sprake van is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 5.
Een homoseksuele asielzoekers op grond van de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen over de afwijzing van een homoseksuele asielzoeker op grond van de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen?1
Ja.
Volgt uit uw antwoord op bovengenoemde schriftelijke vragen, dat het geheel aan verklaringen van de betrokken vreemdeling niet geloofwaardig is bevonden, dat u tevens niet geloofwaardig acht dat de asielzoeker homoseksueel is?
Zoals reeds eerder vermeld, acht ik het in beginsel onwenselijk informatie te verstrekken over individuele gevallen. Daarbij geldt in dit geval dat de vreemdeling aan wie gerefereerd wordt, in beroep is gegaan tegen de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag. Dit noodzaakt mij tot terughoudendheid bij het verstrekken van informatie, zolang de rechter zich nog niet heeft uitgesproken. Onder verwijzing naar de vorige antwoorden, meld ik u nogmaals dat het geheel aan verklaringen van de betrokken vreemdeling door de IND niet geloofwaardig is bevonden.
Elke asielaanvraag wordt op zijn eigen merites beoordeeld. Uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast bij de asielzoeker ligt en dat het aan de vreemdeling is om zijn verklaringen aannemelijk te maken, ook betreffende zijn gestelde seksuele geaardheid. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van andere informatie over de vreemdeling in het dossier. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid vindt plaats overeenkomstig de algemene uitgangspunten die gelden bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas zoals beschreven in de Vreemdelingencirculaire. Daarbij is het mogelijk dat de IND het asielrelaas van een homoseksuele asielzoeker niet gelooft, maar zijn homoseksualiteit op zichzelf wel.
Waarom heeft u vraag 4 van bovengenoemde schriftelijke vragen niet beantwoord? Is de ongeloofwaardigheid van een asielrelaas een contra-indicatie zoals bedoeld in uw asielbeleid om homoseksuele asielzoekers uit Iran een verblijfsvergunning te verlenen, tenzij er contra-indicaties zijn?
Vragen 4 en 5 van de vorige kamervragen zijn gezamenlijk met vragen 3 en 6 beantwoord. Zoals is opgemerkt in antwoord op vragen 2, 5 en 8 is het mogelijk dat het asielrelaas van een homoseksuele asielzoeker ongeloofwaardig is, maar dat de homoseksuele geaardheid wel geloofwaardig is. In dat geval komt een Iraanse homoseksuele asielzoeker, behoudens contra-indicaties zoals bijvoorbeeld openbare orde, in aanmerking voor een verblijfsvergunning.
In aanvulling op dit eerdere antwoord wil ik opmerken dat in het vreemdelingenbeleid geen uitputtende lijst gegeven wordt van contra-indicaties. In de Vreemdelingencirculaire worden contra-indicaties beschreven, zoals in C4/2.5 Vc en in C4/3.11 Vc. Voorbeelden hiervan zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; dat de vreemdeling zich onttrokken heeft aan toezicht; dat er ernstige twijfels bestaan aan de identiteit van de vreemdeling en het verstrekken van onjuiste gegevens teneinde te bewerkstelligen in een gunstiger positie te komen verkeren dan waarin hij zonder deze gegevens zou verkeren.
Waarom heeft u vraag 5 van bovengenoemde schriftelijke vragen niet beantwoord? Deelt u de mening dat deze contra-indicaties beperkt zouden moeten blijven tot aspecten van openbare orde en veiligheid en fraude? Kunt u bij dit antwoord in aanmerking nemen dat de situatie voor homoseksuelen in Iran verschrikkelijk is en dat zij die daar openlijk voor uit komen voor hun leven hebben te vrezen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u vraag 6 van bovengenoemde schriftelijke vragen niet beantwoord? Is de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten aanzien van deze asielzoeker uit Iran overtuigd dat hij zijn homoseksualiteit heeft verzonnen? Klopt het dat zijn homoseksualiteit voornamelijk niet is geloofd omdat er een aantal andere aspecten van zijn asielrelaas niet wordt geloofd? Kunt u deze antwoorden toelichten? Bent u bereid, indien u deze vraag vanwege het individuele karakter niet openbaar kunt beantwoorden, dit in vertrouwelijkheid te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er, naast het door u in de beantwoording van bovengenoemde schriftelijke vragen genoemde beleid en de door u vermelde werkinstructie, andere instructies (of anderssoortige aanwijzingen) voor de beslismedewerkers van de IND waarin staat aangegeven hoe de geloofwaardigheid van asielrelazen moet worden beoordeeld? Wanneer zijn deze instructies voor het laatst aangepast? Bent u bereid deze instructies openbaar te maken? Bevatten deze instructies ook kwantitatieve doelstellingen?
Nee, dat is niet het geval. Reeds in de eerdere beantwoording is vermeld dat op 20 december 2010 de instructie «Beslissystematiek: beoordeling geloofwaardigheid en zwaarwegendheid» is verschenen. Sindsdien zijn er geen andere instructies of andersoortige aanwijzingen verschenen voor de beslismedewerkers van de IND. Genoemde instructie is openbaar en bevat geen kwantitatieve doelstelling.
Deelt u de mening, mede gezien uw antwoord op bovengenoemde schriftelijke vragen dat de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker doorslaggevend is voor de vraag of een asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, maar ook vanwege fraudebestrijding, dat het wenselijk is dat deze gegevens worden geregistreerd? Bent u bereid daartoe over te gaan? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Reeds nu wordt de omstandigheid dat de verklaringen van een asielzoeker (deels) ongeloofwaardig worden bevonden geregistreerd in het individuele dossier van de vreemdeling. Dit vormt in die gevallen ook onderdeel van de beschikking die eveneens deel uitmaakt van het departementale dossier.
Deze registratie in het individuele dossier is echter niet zodanig dat het ook mogelijk is om voor grotere groepen asielzoekers geautomatiseerd hierover gegevens te genereren. Dit zou alleen kunnen als deze registratie zou zijn terug te brengen tot een eenvoudig «ja» of «nee» (of «deels») en als er steeds een directe relatie zou bestaan tussen de geloofwaardigheid en de beslissing op de asielaanvraag. Dit is niet het geval. Immers, niet in alle zaken waarin tot een afwijzing van de aanvraag wordt gekomen, heeft altijd een beoordeling van de geloofwaardigheid van alle aspecten plaatsgevonden. Dit is het meest duidelijk in afwijzingen van asielverzoeken op basis van een zogenoemde Dublin-claim, waarbij inhoudelijke toetsing van het asielrelaas in het geheel niet plaatsvindt. Daartegenover staat dat het in voorkomende gevallen evenmin is uitgesloten dat een asielverzoek wordt ingewilligd als een deel van het relaas niet geloofwaardig is geacht, maar uit het geloofwaardig bevonden deel van de verklaringen onomstotelijk een gegronde vrees voor vervolging of schending van artikel 3 EVRM volgt.
Wat dient een homoseksuele man of lesbische vrouw in zijn algemeenheid te doen om zijn of haar seksuele geaardheid aannemelijk te maken? Wat is uw antwoord op die vraag indien het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden? Is de situatie mogelijk dat de IND het asielrelaas van een homoseksuele asielzoeker niet gelooft, maar zijn homoseksualiteit op zichzelf wel?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de verantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam voor de opvang van een illegaal in Nederland verblijvend negenjarig kind en zijn moeder?
Ja.1
Deelt u de overweging van de Centrale Raad dat kinderen van negen jaar oud behoren tot de kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, en dat zij recht hebben op bescherming van hun privéleven? Kunt u dit toelichten?
Minderjarige kinderen zijn als een kwetsbare groep aan te merken. Dit wil echter niet zeggen dat er op de overheid zonder meer een rechtsplicht rust om onder meer te voorzien in de dagelijkse verzorging en opvang van het minderjarig kind. Dit heb ik ook betoogd in het cassatieberoep dat door mij is ingesteld bij de Hoge Raad naar aanleiding van een uitspraak van het gerechtshof in ’s Gravenhage van 11 januari 2011. In de eerste plaats zijn de ouders verantwoordelijk voor het welzijn van hun kinderen.
Deelt u de mening dat uit de overwegingen van de Centrale Raad volgt dat gemeenten verplicht zijn opvang te verlenen aan kwetsbare personen, zoals kinderen, wanneer zij rechtmatig verblijf hebben in Nederland en zij hangende een verblijfsprocedure niet uit Nederland mogen worden verwijderd? Kunt u dit toelichten?
De uitspraak van het Hof betreft een voorlopig oordeel in afwachting van een definitief oordeel over de zaak. Ik acht het voorbarig om, vooruitlopend op het definitieve oordeel van de Centrale Raad van Beroep, conclusies te trekken.
Deelt u de mening dat gemeenten in afwachting van de definitieve uitspraak van de Centrale Raad in deze zaak, in vergelijkbare gevallen opvang moeten verlenen aan kwetsbare personen? Kunt u dit toelichten?
De uitspraak richt zich tot de gemeente Amsterdam. Het betreft bovendien een voorlopige uitspraak, waarop nog een eindoordeel zal volgen. Het is aan de individuele gemeenten om te bepalen welke conclusies zij verbinden aan dit voorlopig oordeel van de Centrale Raad van Beroep.
Heeft deze uitspraak gevolgen voor asielzoekers, waarbij zich kwetsbare personen bevinden, die, na in de verkorte procedure te zijn afgewezen, na vier weken uit de opvang worden geplaatst, omdat de rechtbank niet binnen die periode uitspraak doet op het beroep? Deelt u de mening dat het op straat zetten van kwetsbare personen in die situatie niet langer houdbaar is als gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Zoals opgemerkt in mijn antwoord op vraag 3, acht ik het voorbarig om aan deze voorlopige uitspraak definitieve conclusies te verbinden.
Wel stel ik vast dat deze uitspraak betrekking heeft op een gezin met een minderjarig kind. Naar aanleiding van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 11 januari 2011, heb ik uw Kamer in mijn bief van 18 januari 2011 (TK, 2010–2011, 29 344, nr. 79) gemeld, dat uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen niet op straat worden gezet. Ik wijs er in dat verband op dat een door mij ingestelde cassatieprocedure aanhangig is bij de Hoge Raad naar aanleiding van deze uitspraak. In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad zal de op dit moment verleende opvang aan gezinnen met minderjarige kinderen door mij niet worden beëindigd.
Het gegeven dat nog slechts de helft van de Amsterdammers autochtoon is |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Krap de helft van Amsterdammers is autochtoon»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het, gezien de oververtegenwoordiging van allochtonen op het gebied van uitkeringsafhankelijkheid, schooluitval en criminaliteit, geen goede ontwikkeling is dat de stad steeds minder autochtonen telt? Zo nee, waarom niet?
De concentratie van achterstanden in sommige buurten en wijken in Nederland vindt het kabinet een zorgelijke ontwikkeling. Er bestaat onder wetenschappers echter geen consensus over de verklaringen voor de oververtegenwoording van niet-westerse allochtonen op genoemde terreinen. Wel is men het erover eens dat omgevingsfactoren zoals sociaal-economische positie, woonomgeving, scholing, leeftijd, discriminatie en achterstelling een belangrijke rol spelen. Er is geen indicatie dat afkomst van doorslaggevende betekenis is. De geschetste visie deel ik derhalve niet.
Welke steden tellen nu al of in de komende twintig jaar, net als Amsterdam, meer allochtonen dat autochtonen?
De groep allochtonen waarover wordt gerapporteerd omvat zowel allochtonen van westerse als niet-westerse herkomst tot in de tweede generatie. Ook kinderen uit gemengde huwelijken worden tot deze groep gerekend. Omdat het percentage allochtonen in Nederland de komende jaren zal groeien door geboorten en immigratie, valt te verwachten dat meer steden in de toekomst op een percentage allochtonen van 50% of meer zullen uitkomen. Welke steden dat zijn is afhankelijk van verschillende factoren zoals bevolkingsgroei en vertrek van autochtonen uit de stad. In Den Haag en Rotterdam zijn nu respectievelijk 49% en 48% van de inwoners van allochtone afkomst. Het ligt in de rede dat in deze steden de komende jaren het aandeel autochtone bewoners onder de 50% zal zijn.
Totale bevolking
Autochtonen
Allochtonen totaal
Niet-westerse allochtonen
Westerse allochtonen
Amsterdam
779 800
387 900
319 900
272 800 (= 35% van totale bevolking)
119 100 (= 15% van totale bevolking)
Den Haag
495 000
254 000
241 100
167 900 (= 34%)
73 200 (= 15%)
Rotterdam
610 400
319 300
291 100
223 800 (= 37%)
67 300 (= 11%)
Utrecht
311 400
212 000
99 300
66 600 (= 21%)
32 700 (= 11%)
Bron: CBS Statline 2011
In hoeverre deelt u de mening dat de massa-immigratie Nederland niet alleen miljarden per jaar kost maar ook, gezien de oververtegenwoordiging van allochtonen op het gebied van uitkeringsafhankelijkheid, schooluitval en criminaliteit, de leefbaarheid van de samenleving op een negatieve manier beïnvloedt?
Ik deel de mening dat een grote instroom van migranten met geen of weinig perspectief op een zelfstandig bestaan veel druk legt op de samenleving. Het kabinetsbeleid is er daarom op gericht de instroom van deze groep mensen te beperken . De groei van het aantal allochtonen in Amsterdam is echter slechts deels het gevolg van nieuwe immigratie. Voor een groter deel vloeit het voort uit het relatief hoge geboortecijfer onder allochtonen, de vestiging van westerse allochtonen in de hoofdstad en het vertrek van autochtonen uit de stad.
Deelt u de visie van de minister-president, dat de multiculturele samenleving is mislukt? Zo nee, waarom niet?
Op 16 juni heeft uw Kamer een brief ontvangen met de visie die dit kabinet ten aanzien van integratie, binding en burgerschap heeft gevormd.
De positie van kinderen in de Vrijheidsbeperkende Locatie in Ter Apel |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Tijdschrift voor de Rechten van het Kind «Right» over de angsten van kinderen in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel (VBL)?1
Ja.
Klopt het dat er tweewekelijks door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) gesprekken plaatsvinden met de gezinnen met kinderen die moeten werken aan terugkeer? Klopt het dat de gezinnen in die gesprekken door de DT&V worden geconfronteerd met de dreiging dat zij op straat belanden? Klopt het dat in die gesprekken tevens wordt gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan, zoals een tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen maatregel van de Kinderbescherming? Deelt u de mening dat de kinderen daardoor geïntimideerd kunnen raken en angstig kunnen worden?
Nee, de DT&V voert niet tweewekelijks vertrekgesprekken. In de eerste drie weken na het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL), worden in beginsel twee gesprekken gepland met een vreemdeling. Vervolgens is de frequentie van de vertrekgesprekken variabel en afhankelijk van de mogelijkheden en beperkingen die zich in het vertrektraject voordoen.
Tijdens het vertrekgesprek wordt de vreemdeling gewezen op de plicht om Nederland zelfstandig te verlaten. Zoals uw Kamer bekend is, vindt beëindiging van de maatregel van plaatsing in de VBL voor gezinnen met kinderen thans enkel plaats als betrokkenen Nederland verlaten of indien bewaring wordt opgelegd. Het informeren van de vreemdeling over de eventuele gevolgen van het al dan niet verlenen van medewerking aan zijn of haar vertrek, vindt op een respectvolle en humane manier plaats. Hierbij worden geen dreigementen geuit.
Mogelijke uithuisplaatsing van de kinderen is geen gespreksonderwerp bij de vertrekgesprekken. Overigens wordt ook in het aangehaalde artikel al aangegeven dat een en ander niet meer aan de orde komt tijdens vertrekgesprekken.
Ik kan niet uitsluiten dat het vertrekproces door betrokkenen die niet willen terugkeren en hun kinderen als onaangenaam wordt ervaren. Voor wat betreft de positie van de kinderen zij nog het volgende vermeld. In principe worden alleen de ouders uitgenodigd voor een vertrekgesprek. De keuze voor het al dan niet aanwezig laten zijn van de kinderen is aan de ouders. Vertrekgesprekken worden veelal gehouden gedurende schooltijd, waardoor het zelden voorkomt dat schoolgaande kinderen bij een vertrekgesprek aanwezig zijn.
Hoe verhouden de dreigingen uit vraag 2 zich tot de huidige situatie waarbij gezinnen met kinderen naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag van 11 januari 2011, niet op straat worden gezet? Kunt u deze antwoorden toelichten? Deelt u de mening dat kinderen niet bij confronterende vertrekgesprekken aanwezig moeten zijn?
Zoals in antwoord 2 aangegeven, worden er geen dreigementen geuit bij de vertrekgesprekken. Als gevolg van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag, kan de overheid geen onderdak in de VBL in Ter Apel meer beëindigen van gezinnen met minderjarige kinderen. Dit is in het aangehaalde artikel ook vermeld. Daarentegen kan opvang in een azc wel worden beëindigd, maar alleen als daarbij een vrijheidsbeperkende maatregel in de VBL in Ter Apel wordt opgelegd. Wat betreft de aanwezigheid van kinderen bij vertrekgesprekken, verwijs ik u ook naar antwoord 2. Zoals u reeds bekend is ben ik tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag in cassatie gegaan.
Kunt u aangeven hoe groot de woningen zijn waarin de gezinnen in de VBL moeten verblijven? Kunt u aangeven hoe groot de woon- en slaapruimte zijn die de gezinnen ter beschikking hebben? Klopt het dat dit totaal minder is dan in een gemiddelde gevangeniscel? Deelt u de mening dat deze beperkte ruimten onvoldoende geschikt zijn voor een langer verblijf van kinderen? Wat zijn de overige faciliteiten voor kinderen op de VBL? Hoe lang verblijven gezinnen met kinderen gemiddeld in de VBL? Kunt u deze antwoorden toelichten? Bent u bereid de lengte van het verblijf van gezinnen met kinderen in de VBL zoveel mogelijk te beperken? Bent u bereid de faciliteiten en woonruimte voor gezinnen met kinderen in de VBL uit te breiden? Kunt u deze antwoorden toelichten?
De grootte van de woningen en de oppervlakte van de woon- en slaapruimte waarin gezinnen op de VBL verblijven, wijkt niet af van de grootte van de woningen op een regulier azc. Op de VBL gaat het om acht-persoonswoningen met vier slaapkamers, keuken, douche en toilet. Daarnaast verblijven er ook gezinnen in caravans met dezelfde faciliteiten. De woningen voldoen aan het Programma van Eisen van het COA. In dit programma is ook alle relevante wet- en regelgeving opgenomen.
De oppervlakte van de woonruimte bedraagt 13 m2. De oppervlakte van de slaapruimtes varieert tussen de 9 en 13 m2 in een woning voor 8 personen. In een caravan bedraagt de woonruimte 16 m2, inclusief de keuken. De slaapkamers hebben een oppervlakte van ca. 5 m2. De vloeroppervlakte van een gevangeniscel of verblijfsruimte van de Dienst Justitiële Inrichtingen bedraagt 10 m2 voor 2 personen. De oppervlakte van de woonruimte op de VBL of een azc is dus groter. Derhalve deel ik niet uw mening dat de ruimten ongeschikt zouden zijn voor langer verblijf van gezinnen met kinderen.
Op de VBL zijn diverse speelterreinen voor kinderen met speelvoorzieningen. Ook is er een voetbalveld en worden er regelmatig activiteiten georganiseerd voor kinderen. Verder geldt ook voor de VBL dat, binnen het project Kind in de Opvang, uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport «Kind in het azc». Dit voor zover deze het COA aangaan.
De gemiddelde verblijfsduur van gezinnen op de VBL bedraagt ongeveer 5 maanden.
Mijn ambitie is om het verblijf van vreemdelingen in de VBL zo kort mogelijk te houden. Dit geldt ook voor gezinnen met kinderen. In de VBL worden activiteiten verricht ter effectuering van het vertrek. Om die reden wordt de duur van het verblijf in de VBL sterk bepaald door deze activiteiten en door de medewerking van de vreemdelingen aan dit vertrek. Het moment van vertrek bepaalt uiteindelijk de verblijfsduur in de VBL.
Zoals hiervoor al gemeld is ook de VBL opgenomen binnen het project Kind in de Opvang.
Deelt u de mening dat de terugkeer van gezinnen met kinderen met name vanuit het asielzoekerscentrum gerealiseerd dient te worden, zodat zij niet meer naar de VBL overgeplaatst hoeven te worden? Zijn er mogelijkheden om gezinnen met kinderen hooguit pas in de laatste fase van de terugkeer over te plaatsen naar de VBL, zodat de lengte van het verblijf automatisch veel korter wordt? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Ja, deze mening deel ik. Gedurende de vertrektermijn van 28 dagen kunnen vreemdelingen vanuit de opvanglocatie hun vertrek uit Nederland voorbereiden. Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 56 van de Vw 2000 in de VBL is dus niet nodig en kan tevens door de afgewezen vreemdelingen worden voorkomen, als zij binnen de wettelijke vertrektermijn Nederland hebben verlaten.
Er zijn geen mogelijkheden om gezinnen met kinderen pas in de laatste fase van hun terugkeer over te plaatsen naar de VBL, omdat het effectueren van het al dan niet gedwongen vertrek een gecompliceerd proces is, waarbij vele factoren een rol spelen, zoals de bereidheid van de vreemdeling om mee te werken aan het vertrek en de mogelijkheid van landen van herkomst om al dan niet tijdig een (vervangend) reisdocument af te geven. De onmiddellijke beschikbaarheid van de vreemdelingen voor de Dienst Terugkeer en Vertrek in de VBL in Ter Apel is daarbij van groot belang.
Homoseksuele asielzoekers uit Oeganda |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
![]() |
Kunt u aangeven wat een mogelijke anti-homoseksualiteitwet in Oeganda betekent voor asielaanvragen van homoseksuele asielzoekers in Nederland?
Het feit dat in Oeganda een wetsvoorstel voorligt om de doodstraf op homoseksualiteit te zetten is – zelfs nu het voorstel nog niet in stemming is gebracht – een buitengewoon zorgelijke ontwikkeling die veelzeggend is voor de maatschappelijke positie waar homoseksuelen in Oeganda zich in bevinden. De Nederlandse regering veroordeelt, mede op grond van internationale mensenrechtenverdragen, het standpunt dat homoseksuelen de doodstraf verdienen. Personen die vervolgd worden op grond van hun seksuele voorkeur hebben in beginsel recht op bescherming in Nederland. Zoals u door mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken in de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Pechtold over de mogelijke anti-homoseksualiteitswet in Oeganda is meegedeeld, is er nog geen duidelijkheid over de verdere behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel. De Oegandese regering heeft reeds aangegeven dat zij niet achter dit wetsvoorstel staat.
Wat de betekenis van anti-homoseksualiteitwetgeving in landen van herkomst is voor de uitkomst van asielverzoeken in Nederland, is echter niet in zijn algemeenheid te zeggen. Naast de wetgeving in landen van herkomst is hiervoor ook, en vaak nog meer, van belang wat de praktijk in de desbetreffende landen is. Zelfs wanneer er geen sprake is van anti-homoseksualiteitwetgeving, maar iemand in de praktijk wel vrees voor vervolging heeft op grond van zijn seksuele geaardheid, kan dat in individuele gevallen tot vergunningverlening leiden. Daartoe is vanzelfsprekend ook het individuele asielrelaas van groot belang. Dit is voor asielverzoeken van homoseksuelen uit Oeganda niet anders.
Bent u voornemens een ambtsbericht dan wel thematisch ambtsbericht te laten opstellen waarin de risico’s voor deze asielzoekers worden beschreven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Algemene ambtsberichten kan ik aanvragen voor de belangrijkste herkomstlanden van asielzoekers teneinde landgebonden asielbeleid te kunnen bepalen. Oeganda behoort daar niet toe. Voor veel landen van herkomst is geen (thematisch) ambtsbericht beschikbaar. Dat is in veel gevallen ook niet nodig omdat informatie uit andere openbare bronnen (zoals Human Rights Watch, Amnesty International en de UNHCR) veelal voldoende is om zorgvuldig op asielverzoeken te kunnen beslissen. Eerst wanneer specifieke asielvraagstukken niet kunnen worden beantwoord omdat de desbetreffende informatie onvoldoende of tegenstrijdig is, bestaat aanleiding een (thematisch) ambtsbericht te vragen. Het actueel houden van landgebonden asielbeleid is eveneens een reden om een algemeen ambtsbericht aan te vragen. Daarnaast is zoals ik hierboven heb vermeld, het desbetreffende wetsvoorstel niet aangenomen en is reeds om die reden een ambtsbericht gericht op die wetgeving thans niet opportuun. Overigens bestaat ook de mogelijkheid om in een individuele zaak, als op basis van beschikbare bronnen geen beslissing kan worden genomen en nader onderzoek in het herkomstland nodig is, een individueel ambtsbericht aan te vragen.
Bent u, gezien de mogelijke anti homoseksualiteitwet en de reële risico’s voor LHBTI (lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele geaardheid) in Oeganda, voornemens LHBTI asielzoekers uit dit land aan te merken als een risicogroep vergelijkbaar met LHBTI’s uit bijvoorbeeld Iran? Zo nee, waarom niet? Kunt aangeven hoeveel homoseksuele uitgeprocedeerde asielzoekers uit Oeganda zich op dit moment in Nederland bevinden? Bent u bereid de uitzetting van deze LHBTI asielzoekers op te schorten totdat er duidelijkheid is over de anti-homoseksualiteitswet en risico’s in Oeganda?
Voor Oeganda bestaat op dit moment geen apart landgebonden asielbeleid. Hiertoe is ook geen noodzaak omdat op basis van de beschikbare informatie uit openbare bronnen en de beleidsregels zoals neergelegd in het algemene deel van de Vreemdelingencirculaire 2000 er zorgvuldig kan worden beslist op asielverzoeken van Oegandese vreemdelingen. Homoseksuelen uit Oeganda waartegen vluchtelingrechtelijke vervolging is ingesteld of die vanwege hun homoseksualiteit risico lopen op onmenselijke behandeling kunnen aanspraak maken op bescherming in Nederland. Daarvoor is het vooralsnog niet nodig om deze groep apart aan te merken als risicogroep.
Ik kan niet aangeven hoeveel uitgeprocedeerde homoseksuele asielzoekers uit Oeganda zich momenteel in Nederland bevinden. Hoewel er tijdens de asielprocedure natuurlijk oog is voor het aspect homoseksualiteit, wordt niet geregistreerd in hoeveel asieldossiers dit aspect een rol speelt. Het registreren van seksuele geaardheid wordt in beginsel door de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) immers verboden. Hierdoor is het niet mogelijk cijfers te geven van het aantal homoseksuele uitgeprocedeerde asielzoekers uit Oeganda in Nederland.
Er is thans voor mij geen aanleiding om eventuele uitzettingen op te schorten, omdat bij elk asielverzoek individueel getoetst wordt of er aanleiding is om bescherming te bieden of niet. Daarbij wordt ook het aspect vervolging vanwege seksuele geaardheid zorgvuldig meegewogen. Zoals aangegeven is op dit moment nog onduidelijk of de desbetreffende wetgeving wordt aangenomen aangezien de Oegandese regering heeft aangegeven dat zij niet achter het wetsvoorstel staat en is het bestaan van anti-homoseksualiteitwetgeving op zichzelf niet doorslaggevend voor de beoordeling van asielverzoeken.
Zoals de minister van Buitenlandse Zaken in de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Pechtold heeft aangegeven1, zal Nederland dit onderwerp uiteraard met grote aandacht blijven volgen.
Roemenen met Hongaarse achtergrond die hier legaal zouden werken |
|
Paul Ulenbelt |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een uitzendbureau in Etten-Leur Roemenen met een Hongaarse achtergrond in Nederland te werk stelt?1
Wij hebben kennis genomen van dit bericht. Sinds het Verdrag van Trianon (1920), toen Hongarije tweederde van zijn grondgebied verloor, woont in de buurlanden van Hongarije een aanzienlijk aantal etnische Hongaren. Vanaf 1 januari 2011 hebben deze etnische Hongaren het recht om naast de nationaliteit van het land waarin zij wonen, ook het Hongaars staatsburgerschap aan te vragen. Hiervoor is het onder meer noodzakelijk dat men de Hongaarse taal machtig is en Hongaarse ouders heeft. Tot op heden hebben naar schatting (de Hongaarse overheid geeft geen officiële statistieken) enkele tienduizenden leden van de Hongaarse minderheid in Roemenië een paspoortaanvraag ingediend. De meeste aanvragen (meer dan 90%) zijn nog in behandeling.
Het gevolg van het toekennen van de Hongaarse nationaliteit aan deze personen is dat zij toegang krijgen tot het vrije verkeer van werknemers binnen de EU. Het behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een soevereine staat te bepalen aan wie een paspoort wordt verstrekt. Nederland ziet derhalve geen grond om de Hongaarse regering hierop aan te spreken.
Wat is het beleid van de Hongaarse regering om paspoorten te verstrekken aan Roemeense staatsburgers? Is er de laatste tijd een toename te zien? Hoeveel Roemenen hebben een Hongaars paspoort?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van plan de Hongaarse regering aan te spreken op deze omzeiling van het Nederlandse beleid met betrekking tot tewerkstellingsvergunningen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat stateloze Roma met kinderen naar Ter Apel worden gestuurd zonder dat zij kunnen worden uitgezet |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Hoe geeft u bij stateloze romakinderen invulling aan de verplichting uit artikel 7 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) om kinderen te helpen bij het verwerven van een nationaliteit?1
Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) kent het recht toe aan kinderen om een nationaliteit te verwerven. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 IVRK dient de verwezenlijking van dit recht gewaarborgd te worden in overeenstemming met het nationale recht en internationale verplichtingen. De verwerving van het Nederlanderschap is uitgewerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarbij staatlozen een gunstiger positie hebben dan andere vreemdelingen. Voor staatlozen geldt dat zij een optierecht kunnen uitoefenen na drie jaar toelating en hoofdverblijf op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), mits zij in het Koninkrijk als staatloze zijn geboren. Indien zij niet in het Koninkrijk zijn geboren als staatloze, dan kunnen zij, in afwijking van de gebruikelijke termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, reeds na drie jaar toelating en hoofdverblijf naturaliseren op grond van artikel 8, vierde lid RWN. Het recht om een nationaliteit te verwerven is hiermee voor zowel staatloze binnen het Koninkrijk geboren vreemdelingen, als voor staatloze immigranten voldoende gewaarborgd.
Op welke wijze heeft u zich ingezet te voldoen aan de oproep van de Raad van Europa om de stateloosheid onder Roma te verminderen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken of aan stateloze Roma binnen de EU een vorm van EU burgerschap verleend kan worden als zij er niet in geslaagd zijn om binnen vijf jaar verblijf in een EU-lidstaat een nationaliteit te verwerven? Zo nee, waarom niet?
Het nationaliteitsrecht is een bevoegdheid van de nationale staat. De bevoegdheid wordt uitgeoefend met inachtneming van ter zake geldende volkenrechtelijke en internationale verplichtingen, alsmede de algemene en nationaliteitsrechtelijke rechtsbeginselen. Bezit van een nationaliteit van een EU-lidstaat betekent tevens EU-burgerschap. Het Europese recht kent geen grondslag een binnen de EU geboren staatloze een EU-burgerschap te laten verkrijgen.
Waarom vindt u het nodig stateloze romakinderen naar Ter Apel te sturen?
Indien een vreemdeling geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland, kan een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Ook in het geval van Roma kinderen en hun ouder(s) kan het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de VBL geïndiceerd zijn.
Met het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel in combinatie met een meldplicht in de VBL wordt beoogd om de betreffende vreemdeling in het zicht van de overheid te houden, om zodoende langer door middel van individueel casemanagement aan de terugkeer te kunnen werken en meer tijd te hebben voor het verkrijgen van vervangende reisdocumenten.
Het komt voor dat in de VBL vreemdelingen verblijven die stellen dat zij staatloos zijn. Ten aanzien van deze vreemdelingen wordt ingezet op de vaststelling van de nationaliteit, aangezien dit een voorwaarde is om de desbetreffende vreemdelingen te laten terugkeren of te kunnen uitzetten naar het land van herkomst, dan wel een land waar de toegang van de vreemdeling is gewaarborgd. In de praktijk blijkt dat ook vreemdelingen van Roma-afkomst kunnen terugkeren naar een herkomstland.
Welke meerwaarde heeft het verblijf daar voor de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in situaties waarin de voorziene voorbereidingstijd voor vertrek de gebruikelijke twaalf weken overschrijdt, af te zien van het verplaatsen van kinderen naar Ter Apel?
Nee. Het realiseren van het (gedwongen) vertrek van vreemdelingen is een gecompliceerd proces waarbij vele factoren een rol spelen. Sommige van deze factoren kunnen maar in beperkte mate door de Nederlandse overheid beïnvloed worden, zoals de bereidheid van de vreemdeling om mee te werken aan het vertrek en de mogelijkheid van landen van herkomst om (tijdig) een (vervangend) reisdocument af te geven. Gedurende de twaalf weken in de VBL wordt de uitvoering van het vertrektraject geïntensiveerd. Afhankelijk van de mogelijkheden en beperkingen die zich in dit complexe traject voordoen, zal blijken of de termijn van twaalf weken in de VBL al dan niet voldoende is om het vertrek te realiseren. Ik ben van mening dat de inschatting of de voorbereidingstijd voor vertrek de gebruikelijke twaalf weken zal overschrijden, derhalve niet op voorhand kan worden gemaakt.
Het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake El Dridi |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen het opleggen van een gevangenisstraf bij illegaal verblijf?1
Ja.
Welke gevolgen heeft deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor uw voornemen om illegaal verblijf in Nederland strafbaar te stellen?
De uitspraak van het Europese Hof van Justitie betreft een beoordeling van de Italiaanse wet- en regelgeving. Ten aanzien van de uitwerking van het kabinetsvoornemen om te komen tot een strafbaarstelling van illegaal verblijf is op dit moment een wetsvoorstel tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 in voorbereiding, waarbij vanzelfsprekend rekening wordt gehouden met de uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Dat wetsvoorstel zal, na voorafgaande consultatie van de meest betrokken partijen, aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden. Daarna zal het wetsvoorstel bij Uw Kamer worden ingediend. Ik wil op die behandeling echter thans niet vooruitlopen.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de afspraken in het regeer- en gedoogakkoord? Deelt u de mening dat de in het vooruitzicht gestelde maatregelen ter strafrechtelijke bestrijding van illegaliteit met grote waarschijnlijkheid niet zullen voldoen aan de toets der kritiek van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof van de Rechten voor de Mens ontwikkelde criteria?
Nee. In het regeerakkoord is expliciet opgenomen dat het kabinet de door Nederland ondertekende verdragen, waaronder het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal respecteren. Daarnaast spreekt het voor zich dat toekomstige regelgeving niet in strijd mag zijn met de Europese richtlijnen waaraan Nederland is gebonden.
Bent u bereid om af te zien van het sanctioneren van illegaal verblijf? Zo nee, waarom niet? Bent u dan bereid om het Hof van Justitie een prejudicieel oordeel te vragen over de haalbaarheid van een dergelijk verbod?
Nee. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is een wetsvoorstel om tot strafbaarstelling van illegaliteit te komen in voorbereiding. Het lijkt mij niet opportuun nu reeds op de behandeling van dit wetsvoorstel vooruit te lopen. Het stellen van prejudiciële vragen is verder niet aan mij. Dat is aan de rechter, indien deze dat van belang acht in een juridische procedure om een vraag over de juiste toepassing van het Europese recht te beantwoorden.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de verenigbaarheid van strafbaarstelling van illegaliteit met de, tevens in Nederland te implementeren, Terugkeerrichtlijn?1
Ja.
Op welke wijze zult u gevolg geven aan deze uitspraak?
De uitspraak van het Europese Hof van Justitie betreft een beoordeling van de Italiaanse wet- en regelgeving en geeft geen rechtstreeks oordeel over het Nederlandse voornemen om illegaal verblijf strafbaar te stellen. Vanzelfsprekend zal ik deze uitspraak wel betrekken bij de totstandkoming van voorgenomen wet- en regelgeving.
Is het gevolg van deze uitspraak dat de strafbaarstelling van illegaliteit, die u voornemens bent in te voeren, strijdig is met de Terugkeerrichtlijn? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak van het Europese Hof van Justitie betreft een beoordeling van de Italiaanse wet- en regelgeving. Ten aanzien van de uitwerking van het kabinetsvoornemen om te komen tot een strafbaarstelling van illegaal verblijf is op dit moment een wetsvoorstel tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 in voorbereiding. Dat wetsvoorstel zal, na voorafgaande consultatie van de meest betrokken partijen, aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden. Daarna zal het wetsvoorstel bij Uw Kamer worden ingediend. Het lijkt mij niet opportuun nu reeds op de behandeling van dit wetsvoorstel vooruit te lopen.
Is het gevolg van deze uitspraak dat de door u voorgestelde strafbaarstelling van de overtreding van het inreisverbod (zoals bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn is voorzien, en welk voorstel nu ter voorlichting bij de Raad van State ligt) strijdig is met de Terugkeerrichtlijn? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn heeft de Afdeling advisering van de Raad van State op dit moment een aantal door uw Kamer gestelde voorlichtingsvragen2 onder beraad over juist dit onderwerp. Gelet op de gevolgde procedure lijkt het mij verstandig niet op de uitkomsten van dit advies vooruit te lopen.
Deelt u de mening dat uit de uitspraak volgt dat, indien de terugkeer van een uitgeprocedeerde vreemdeling niet binnen de gegeven vertrektermijn is gerealiseerd, dit geen reden mag zijn om de vreemdeling, enkel vanwege zijn illegaal verblijf in Nederland, een gevangenisstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 3. Ik wil niet op het lopende wetgevingsproces vooruitlopen. Uiteraard zal staande en toekomstige wet- en regelgeving zodanig moeten zijn, dat deze niet in strijd is met Europees recht. Daarmee houd ik terdege rekening.
Deelt u de mening dat derhalve uit de uitspraak volgt dat het opleggen van een gevangenisstraf, enkel op grond van het niet tijdig verlaten van Nederland door een uitgeprocedeerde vreemdeling, strijdig is met Europees recht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat uit de uitspraak ondubbelzinnig volgt dat de Terugkeerrichtlijn slechts tot doel dient om in Europees verband gezamenlijke normen te bepalen voor de terugkeer van vreemdelingen, en dat het opleggen van strafrechtelijke sancties om terugkeer af te dwingen niet in overeenstemming is met dat doel? Volgt daaruit dat Nederland voornemens is de Terugkeerrichtlijn op zo’n wijze te implementeren dat deze strijdig is met Europees recht? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u dat voorafgaand aan deze uitspraak verscheidene deskundigen op het terrein van Europees recht, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) en, meer in algemene zin, Europees Commissaris Malmström reeds hebben verklaard dat het strafbaar stellen van de overtreding van het inreisverbod (strafbaar stellen van illegaal verblijf) in het kader van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn, niet strookt met die richtlijn? Waarom bent u desondanks blijven volharden in het indienen van een wetsvoorstel dat strijdig is met een Europese richtlijn? Bent u bereid gezaghebbende instanties in dit kader voortaan serieuzer te nemen?
Vanzelfsprekend ben ik bereid gezaghebbende instanties serieus te nemen. Wat uw vraag over het advies van de ACVZ betreft, verwijs ik graag naar de nadere nota naar aanleiding van het verslag waarin ik hierop reeds ben ingegaan. Verder deel ik niet uw mening dat de Europese Commissie zich tegen de strafbaarstelling van het inreisverbod zou hebben uitgesproken. In haar reactie op parlementaire vragen heeft de Europese Commissie, in lijn met hetgeen nu ook door het Hof is geoordeeld, zich uitgesproken tegen strafrechtelijke sancties die de uitvoering van de terugkeerrichtlijn belemmeren, zoals de gevangenisstraf die in de door u genoemde uitspraak aan de orde was.
Hoe beoordeelt u dat de staat al meerdere malen door Europese rechters op de vingers is getikt over nationale vreemdelingrechtelijke regels en voorstellen, mede in het licht van het gedoogakkoord, dat meerdere voorstellen bevat die mogelijk strijdig zijn met bestaande Europese richtlijnen en verdragen? Deelt u de mening dat steeds meer moet worden geconcludeerd dat die voorstellen niet haalbaar zullen blijken te zijn? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet acht zich vanzelfsprekend gebonden aan de Europese regelgeving. Uit het regeer- en gedoogakkoord blijkt echter tevens de ambitie om in te zetten op de aanpassing van die Europese regelgeving. In het position paper Nederlandse inzet EU-migratiebeleid heb ik uiteen gezet welke voorstellen met welk verwacht effect ik daartoe zal doen.
Deelt u de mening dat het vanwege de uitspraak van het Europees Hof van Justitie noodzakelijk is om de tweede Nota van Wijziging bij het wetsvoorstel ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn in te trekken? Bent u daartoe bereid? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Nee. Daarbij verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 5, 6 en 7.
Het bericht dat de illegale vreemdeling die de moorden in het Groningse Baflo heeft gepleegd meerdere uitzetpogingen achter de rug heeft |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
![]() |
Is het waar dat de vreemdeling die in Baflo twee mensen om het leven heeft gebracht illegaal in Nederland verbleef en al meerdere mislukte uitzetpogingen achter de rug heeft?1
Betrokken vreemdeling, die wordt verdacht van de dubbele moord in Baflo, heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Hij beschikt niet over reis- of identiteitspapieren. Op basis van het herkomstonderzoek in de asielprocedure is geconcludeerd dat hij de Beninse nationaliteit heeft. Bij gebrek aan aanknopingspunten om de nationaliteit van betrokkene vast te stellen, heeft de diplomatieke vertegenwoordiging van Benin geweigerd een vervangend reisdocument af te geven.
Vervolgens is aan twee andere landen gevraagd een laissez-passer af te geven; ook deze pogingen bleven zonder resultaat.
Zo ja, wat is de nationaliteit van betrokkene en om welke redenen zijn de uitzetpogingen mislukt? In hoeverre hangt dit samen met onwil van het land van herkomst of van betrokkene zelf om terugkeer naar het land van herkomst te doen slagen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak heeft de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gezeten en hoe vaak is deze bewaring opgeheven met als gevolg dat hij ondanks zijn illegale status weer vrij in de samenleving rond kon lopen?
Betrokken vreemdeling heeft nimmer in vreemdelingenbewaring gezeten. In 2009 werd hem eenmaal voor korte tijd een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56, eerste lid van de Vreemdelingenwet opgelegd. Deze werd op last van de rechter na twee weken opgeheven. Begin 2010 heeft betrokkene van de vreemdelingenpolitie een aanzegging gekregen om Nederland te verlaten.
Hoeveel criminele vreemdelingen zijn er die ondanks illegaliteit vrij in de samenleving rond kunnen lopen, al of niet na (herhaalde) uitzetpogingen?
Ja. Ook het kabinet huldigt daarbij het principe «uitzetten of vastzetten». De aanpak van vreemdelingen en illegalen die zich tevens schuldig maken aan criminaliteit of vormen van overlast is absolute prioriteit. Dit betekent dat alle inspanningen er primair op gericht zijn om criminele vreemdelingen uit te zetten. Als dit nog niet mogelijk is, zijn de inspanningen erop gericht criminele illegalen zo lang als mogelijk ten behoeve van de uitzetting of in het kader van het strafrecht vast te zetten. Het aantal criminele vreemdelingen, dat vrij in de samenleving rond kan lopen, al of niet na (herhaalde) uitzetpogingen wordt niet cijfermatig bijgehouden.
Deelt u de mening dat op deze vreemdelingen het principe van «uitzetten of vastzetten» van toepassing moet zijn zodat onze samenleving niet met hun wangedrag wordt opgezadeld (wanneer uitzetting mislukt)? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Psychische problemen onder asielzoekers en de vergoeding van antidepressiva |
|
Khadija Arib (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel over de psychische problemen van asielzoekers?1
Ja.
Kunt u aangeven in welke mate er psychische problemen bestaan bij asielzoekers? In welke mate is er sprake van dat psychische problemen relatief vaker voorkomen bij asielzoekers?
Onderzoek naar de mate van psychische problemen bij asielzoekers in vergelijking met andere groepen is recentelijk niet uitgevoerd. Het laatste onderzoek heeft plaatsgevonden in 2006 waarbij op basis van interviews onder asielzoekers in Nederland afkomstig uit Afghanistan, Iran en Somalië werd gevonden dat twee derde van de asielzoekers symptomen had van depressie en/of angst (68%) en meer dan één op de vier van posttraumatische stress-stoornis (PTSS) (28%).2 Wel is er in 2009 een overzichtsstudie3 uitgevoerd in westerse landen met de conclusie dat circa één op de tien volwassen asielzoekers in westerse landen aan PTSS lijdt, circa één op de twintig aan een zware depressie en circa één op de vijfentwintig een gegeneraliseerde angststoornis heeft.
Hoeveel asielzoekers krijgen jaarlijks professionele hulp en/of medicatie vanwege psychische problemen? Welke kosten zijn hiermee gemoeid? Klopt het dat het gebruik van antidepressiva onder asielzoekers vele malen hoger is dan onder de gemiddelde Nederlandse bevolking?
In 2009 zijn circa 3 800 asielzoekers, die verblijven in de opvang van het COA, contact hebben gehad met de geestelijke gezondheidszorg. In zijn totaliteit zijn in 2009 35 500 personen woonachtig geweest bij het COA, dit zou neerkomen op 10%.
Zowel in 2009 als in 2010 is op jaarbasis circa € 18 miljoen uitgegeven aan de gehele geestelijke gezondheidszorg voor asielzoekers. De prognose voor 2011 op basis van de eerste vier maanden laat hier geen afwijkend beeld in zien. Het gebruik van antidepressiva onder asielzoekers is niet vele malen hoger dan dat onder de Nederlandse bevolking. In 2009 lag het gebruik van antidepressiva onder volwassen asielzoekers circa 10% boven dat van de volwassenen in Nederland onder de zorgverzekering.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel ex-asielzoekers de afgelopen tien jaar om het leven zijn gekomen door suïcide en andere vormen van niet-natuurlijke dood? Hoeveel asielzoekers hebben een serieuze poging tot suïcide ondernomen? In hoeveel van deze gevallen is een onderzoek ingesteld en aan wie is daarover gerapporteerd? In hoeveel van deze gevallen is nagegaan of tijdens of na het behandelen van het asielverzoek bij de betrokken instanties bekend was dat er een mogelijk risico op suïcide bestond?
Vanaf 2002 bestaat een registratie door GGD Nederland van het aantal asielzoekers die zijn overleden hetzij door suïcide of andere niet-natuurlijke doodsoorzaken. In de periode 2002 tot en met 2008 zijn er 105 overlijdensgevallen van asielzoekers met een niet-natuurlijke oorzaak bekend. Hiervan betreffen 37 gevallen overlijden door suïcide. In de periode 2009 tot en met 2010 zijn drie asielzoekers overleden door suïcide. Bovenstaande cijfers betreffen alleen asielzoekers die op het moment van overlijden ingeschreven stonden bij het COA.
Wat betreft het aantal pogingen tot suïcide die worden geregistreerd door GGD Nederland, zijn in de periode van 2002 tot en met 2010 per jaar gemiddeld 40 pogingen bekend. Over 2011 zijn tot nu toe 11 gevallen bekend.
GGD Nederland en Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) onderzoeken iedere melding van een suïcidepoging door een asielzoeker. Dit onderzoek is gericht op het vergaren van gegevens ten behoeve van de zorgverlening. Partijen die uitvoering geven aan de asielprocedure zelf vormen geen onderdeel van het onderzoek.
De uitkomsten van dit onderzoek worden opgenomen in het medisch dossier en worden ter beschikking gesteld via het Huisartsen Informatie Systeem (HIS). De huisarts van de betreffende asielzoeker heeft hiermee toegang tot de uitkomsten. Het GCA informeert andere betrokken (zoals de opvanglocatie van het COA) voor zover mogelijk over het resultaat van het onderzoek.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment genomen om er voor te zorgen dat asielzoekers voldoende en tijdige zorg krijgen bij psychische problemen?
Asielzoekers hebben in de rust- en voorbereidingstermijn van de nieuwe asielprocedure de mogelijkheid om deel te nemen aan een medisch onderzoek. Dit onderzoek heeft onder andere tot doel om de asielzoekers die dat nodig hebben de weg naar de zorg te wijzen. Asielzoekers zullen klachten als depressies, angst of andere psychische klachten doorgaans melden bij de huisarts. Om de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor asielzoekers te versterken, wordt de huisarts sinds 2010 bijgestaan door een eerstelijnsconsulent van de GGZ in de eerste lijn. Dit vereenvoudigt en versnelt de toegang tot de geestelijke gezondheidszorg voor de asielzoeker. Hierbij is het principe van «stepped care» (stapsgewijze zorg) van toepassing: onnodige zorg zoveel mogelijk voorkomen door eerst naar lichtere behandelmethoden te zoeken. Indien geïndiceerd, volgt gerichte doorverwijzing van de asielzoeker. Tijdigheid van de zorg wordt ondersteund door de zorgbemiddeling door zorgverzekeraar Menzis.
In hoeverre vindt op dit moment registratie plaats bij de IND van verzoeken om medisch advies met als achtergrond «dreigende suïcide»? Bestaat er een bijzondere instructie bij de IND voor asielzoekers met psychische problemen, c.q. dreigende suïcide? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid te registreren in welke mate asielzoekers geconfronteerd worden met psychische problemen, leidend tot (dreigende) suïcide? Zo nee, waarom niet?
De adviseurs van Bureau Medisch Advies (BMA) registreren bij elk uitgebracht advies een diagnose. In 2010 was 56% van de aandoeningen van psychiatrische aard. Specifieke diagnoses bij psychiatrische aandoeningen zijn onder andere PTSS, depressie en aanpassingsstoornis. Dreigende suïcide komt niet in het overzicht voor, omdat suïciderisico geen diagnose is. Suïcidale gedachten en gedragingen, en daarmee het risico op een suïcide(poging), gaan vaak gepaard met een psychische stoornis.
Voor IND hoor- en beslismedewerkers bestaat een training omgaan met traumatisering en andere medische beperkingen bij asielzoekers. Tevens is er een openbare werkinstructie (2010/13), waarin wordt een aangegeven hoe om te gaan met asielzoekers met medische problematiek, waaronder het voorkomen van psychische problemen. In de cursus en werkinstructie wordt aandacht besteed aan de wijze van communiceren met de asielzoeker met medische problemen om tot een zorgvuldig gehoor te komen. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het beslissen op zaken van asielzoekers met medische problematiek.
In hoeveel gevallen is op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 uitzetting tijdelijk achterwege gelaten vanwege dreigende suïcide? Hoe is verder gehandeld met deze asielzoekers?
Aangezien er geen registratie plaatsvindt op dreigende suïcide zijn er geen aantallen te noemen.
Wanneer uitzetting achterwege dient te blijven op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is dit voor de duur van maximaal 1 jaar. Na afloop van deze periode kan de vreemdeling, indien nog steeds sprake is van medische problematiek waarvoor hij onder behandeling staat, opnieuw een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 of een reguliere aanvraag medisch indienen.
In welke mate betekent de wijziging per 1 januari 2011 voor vergoeding van antidepressiva en de nieuwe voorwaarde in Bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering dat antidepressiva voor asielzoekers in de praktijk niet meer worden vergoed?
Ook voor asielzoekers geldt dat de medicijnen worden vergoed die zijn opgenomen in Bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering. In de Regeling Zorg Asielzoekers wordt voor de vergoeding van medicijnen verwezen naar genoemde bijlage. De vergoeding van medicijnen voor asielzoekers is gelijk aan die van Nederlandse ingezetenen. De minister van VWS heeft tijdens het VAO Medische Zorg Asielzoekers d.d. 19 april jl. aangeven dat antidepressiva onderdeel uitmaken van het reguliere zorgverzekeringspakket en derhalve ook voor asielzoekers worden vergoed als daar een medische indicatie voor is.
Vanaf 1 januari 2011 is de vergoeding van antidepressiva uit het basispakket licht ingeperkt. Aangezien goede medische richtlijnen bestaan waarin beschreven staat wanneer antidepressiva ingezet kunnen worden, is besloten de vergoeding aan te laten sluiten bij deze richtlijnen. Deze richtlijnen waren dus al opgezet door de beroepsgroep zelf. De regeling voor de vergoeding van ziektekosten van asielzoekers sluit hier onverkort op aan.
In de eerste maanden van 2011 is er geen afname waarneembaar in het gebruik van antidepressiva door asielzoekers die in de opvang van het COA verblijven.
Ondersteunt u het initiatief van de Nederlandse Vereniging van Asieladvocaten om een werkgroep op te richten om de psychische nood onder asielzoekers terug te dringen? Bent u bereid daar een bijdrage aan te leveren, en zo ja, welke?
Reeds aan het begin van de asielprocedure kan door een asielzoeker medisch advies worden gevraagd, waarbij psychische klachten aan de orde kunnen worden gesteld. Zoals ik in antwoord op vraag 5 heb aangegeven bestaat een volledige toegang tot de zorg inzake psychisch-sociale klachten. Daarnaast kan een beroep gedaan worden op artikel 64 van de Vreemdelingenwet. Gezien het vorenstaande zie ik geen aanleiding om een bijdrage hieraan te leveren.
Het invoeren van grenscontroles door Duitsland en Frankrijk voor immigranten uit Italië |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Duitsland houdt grenscontroles voor Italië-immigranten?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit goede voorbeeld van Duitsland en Frankrijk gevolgd dient te worden door onmiddellijke invoering van grenscontroles aan de Nederlandse grens, om de tienduizenden Noord-Afrikaanse immigranten te weren die in Italië een Schengen-visum hebben gekregen?
Nederland maakt zich net als andere lidstaten zorgen over de mogelijke doorstroom van Noord-Afrikaanse migranten die eerder Italië illegaal zijn ingereisd. In geval van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid kunnen grenscontroles door middel van het gebruik van slagbomen en instellen van paspoortcontrole aan de binnengrenzen tijdelijk worden heringevoerd. De situatie is echter niet zodanig dat Nederland dergelijke grenscontrole zal herinvoeren. Dit zou niet proportioneel zijn en ook economische schade ten gevolge hebben. Daarnaast zal herinvoeren van binnengrenscontrole niet de meest geëigende maatregel zijn, want degenen die aan de voorwaarden voldoen (in bezit van een paspoort of ander reisdocument, beschikken over voldoende middelen van bestaan en geen criminele antecedenten), hebben immers circulatierecht en kunnen dus niet zomaar worden gestopt. Overigens zijn Duitsland en Frankrijk ook niet overgegaan tot de grenscontroles zoals hiervoor beschreven. Net als Nederland beperken zij zich tot politiecontroles in de grensregio.
Ik heb gekozen voor de volgende maatregelen. Verscherpt toezicht door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en de Vreemdelingenpolitie op de luchthavens, in de grenszone met Duitsland en Belgie en in het binnenland.
Daarnaast heb ik zoals ik uw Kamer reeds heb gemeld een brief opgesteld gericht aan de Europese Commissaris Malmström en mijn Italiaanse collega waarin aandacht is gevraagd voor de registratie en het bewaren van de gegevens in EURODAC van vreemdelingen die Europa illegaal zijn ingereisd. Verder zijn in de brief zorgen geuit en is opheldering gevraagd over het Italiaans initiatief om tijdelijke vergunningen af te geven.
Met het voorafgaande is een adequate reactie gegeven op de ontstane situatie.
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De afwijzing van een homoseksuele Iraanse asielzoeker op grond van de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel over de 27-jarige homoseksuele asielzoeker uit Iran?1
Ja.
Klopt het dat de aanvraag van de man voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen omdat zijn verklaringen, waaronder die over zijn homoseksualiteit, door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet worden geloofd?
Zoals u bekend acht ik het in beginsel onwenselijk informatie te verstrekken over individuele gevallen. Daarbij geldt in dit geval dat de vreemdeling aan wie gerefereerd wordt in beroep is gegaan tegen de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag, wat mij noodzaakt tot terughoudendheid bij het verstrekken van informatie. Gelet op het feit dat over deze zaak in de media is bericht en niet is gebleken dat de betrokken vreemdeling zich tegen deze publiciteit heeft verzet, acht ik het voor een juist beeld van het functioneren van de IND passend u te melden dat het geheel aan verklaringen van de betrokken vreemdeling door de IND niet geloofwaardig is bevonden.
Hoe verhoudt deze afwijzing zich tot uw beleid (dat u in antwoorden op mijn Kamervragen van 18 november jl. heeft verwoord) om homoseksuelen die in een individuele casus hun seksuele geaardheid moeilijk kunnen bewijzen, het voordeel van de twijfel te kunnen geven?
Zoals aangegeven, acht ik het onwenselijk informatie te verstrekken over individuele gevallen. Zeker wanneer een zaak onder de rechter is.
Eerder heb ik u in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen over de positie van homoseksuele asielzoekers2, waaraan u refereert, gemeld dat:»(...) Als de vreemdeling niet in staat is en ook van hem redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat hij zijn verklaringen met bewijsmateriaal ondersteunt, kunnen onder omstandigheden de verklaringen toch geloofwaardig worden geacht en kan derhalve het voordeel van de twijfel worden gegeven». Dit ziet op gevallen waarin de vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker is doorslaggevend voor de vraag of hij of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
In zijn algemeenheid geldt dat het in hoofdstuk C24 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) neergelegde beleid ten aanzien van homoseksuele asielzoekers uit Iran slechts relevant is, indien de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat hij homoseksueel is.
Hoe verhoudt deze afwijzing zich tot uw beleid om homoseksuele asielzoekers uit Iran een verblijfsvergunning te verlenen, tenzij er contra-indicaties zijn? Is het standpunt van de IND, dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, zo’n contra-indicatie? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze contra-indicaties beperkt zouden moeten blijven tot aspecten van openbare orde en veiligheid en fraude? Kunt u bij dit antwoord in aanmerking nemen dat de situatie voor homoseksuelen in Iran verschrikkelijk is, en dat zij die daar openlijk voor uit komen, voor hun leven hebben te vrezen?
Zie antwoord vraag 3.
Is de IND ten aanzien van deze asielzoeker uit Iran overtuigd dat hij zijn homoseksualiteit heeft verzonnen? Klopt het dat zijn homoseksualiteit voornamelijk niet is geloofd omdat er een aantal andere aspecten van zijn asielrelaas niet wordt geloofd? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn in z’n algemeenheid het beleid en de methode van de IND om de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een asielzoeker te beoordelen? Kunt u dit gedetailleerd uiteen zetten?
Het beleid betreffende de beoordeling van een asielaanvraag is laatstelijk gewijzigd per 1 juli 2010. De aanleiding voor deze wijziging was een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2010 waarin een oordeel werd gegeven over het tot dan toe gehanteerde toetsingskader voor de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van een asielrelaas.
Genoemd beleid is neergelegd in hoofdstuk 14 van de Vc. In paragraaf C14/2 en 3 Vc worden achtereenvolgens de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen en de zwaarwegendheid van hetgeen aannemelijk is bevonden, beschreven.
Zoals blijkt uit paragraaf C14/2.3 Vc spelen onder meer de volgende elementen een rol bij de beoordeling van de geloofwaardigheid:
Daarnaast is een werkinstructie (nr. 2010/14 (AUB) opgesteld getiteld Beslissystematiek: Beoordeling geloofwaardigheid en zwaarwegendheid 3. In deze werkinstructie, die op 20 december 2010 is verschenen, wordt gedetailleerd uiteengezet binnen welke kaders de geloofwaardigheid van een asielrelaas van een asielzoeker dient te worden beoordeeld. Het doel van deze werkinstructie is het beleid rondom de beslissystematiek nader toe te lichten en een duidelijke werkwijze te geven.
Het uitgangspunt is en blijft steeds dat elke asielaanvraag op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Om deze reden zijn er geen instructies voor de beslismedewerkers van de IND, waarin precies staat aangegeven wanneer tot ongeloofwaardigheid moet worden geconcludeerd.
Het is niet mogelijk om cijfers (en percentages) te leveren met betrekking tot het aantal keren dat een asielrelaas door de IND als ongeloofwaardig is beoordeeld. Deze gegevens worden niet apart geregistreerd. Hierdoor is het evenmin mogelijk om na te gaan of er sprake is van een toe- of afname van het aantal asielrelazen dat door de IND als ongeloofwaardig is bestempeld of om na te gaan of op deze wijze meer aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen.
Hoeveel procent van de asielrelazen wordt door de IND als ongeloofwaardig bestempeld? Is er het laatste jaar een toename van het aantal asielrelazen dat volgens de IND ongeloofwaardig is?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er instructies voor de beslismedewerkers van de IND, waarin precies staat wanneer tot ongeloofwaardigheid moet worden geconcludeerd, en wanneer niet? Wanneer zijn die instructies voor het laatst aangepast?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat deze instructies de laatste acht maanden zijn aangescherpt? Zo ja, kunnen asielrelazen als gevolg van deze aanscherping sneller als ongeloofwaardig worden bestempeld? Worden op die wijze meer aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de rechtbank het standpunt van de IND over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker slechts marginaal mag toetsen? Deelt u de mening dat, gezien de doorslaggevende betekenis die dat standpunt van de IND heeft voor het toewijzen van de asielaanvraag, rechters dat standpunt voller (uitgebreider) zouden moeten kunnen toetsen? Kunt u dit toelichten?
Ja, dat klopt. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State houdt in dat de vaststelling door de IND van de feiten door de rechtbank marginaal dient te worden getoetst. De kwalificatie van die feiten in het licht van het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt daarentegen door de rechtbank vol getoetst. De rechter toetst derhalve de geloofwaardigheid van het asielrelaas weliswaar terughoudend, maar speelt wel een belangrijke rol bij de beoordeling van de zorgvuldigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling en van de rechtmatigheid van het besluit. Of er een grond voor toelating is, wordt door de rechter – uitgaande van de geloofwaardig geachte feiten – namelijk zonder beperking getoetst. Deze toetsing heeft betrekking op de kernvraag, namelijk of het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd. De toetsing aan dat beginsel is op deze wijze gewaarborgd. Ik benadruk hierbij dat anders dan voorheen – zoals bij vraag 7 is geantwoord naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 20104 – de rechter nu ook de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst staat te wachten vol kan toetsen. Gelet op het voorgaande is er geen noodzaak voor een uitgebreidere rechterlijke toetsing.
Deelt u de mening dat het huidige beleid over de beoordeling van de geloofwaardigheid van asielrelazen en de beperkte toets van die beoordeling door de rechter, tot gevolg heeft dat op basis van onvoldoende argumenten geconcludeerd kan worden dat bijvoorbeeld deze Iraanse asielzoeker niet homoseksueel is, en dat hij vrijwel geen kans heeft dit bij de rechter inhoudelijk aan te vechten? Zo nee, wat zou deze man dan nog kunnen doen om voor de IND en/of de rechter aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk homoseksueel is?
Nee, die mening deel ik niet. De rechter beoordeelt immers of de conclusie met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas gedragen wordt door de door de IND aangedragen overwegingen.
Wat betreft het laatste deel van de vraag, benadruk ik dat ik het onwenselijk acht informatie te verstrekken over individuele gevallen, waarbij in dit geval nog relevant is dat de zaak onder de rechter is.
Het door Italië verlenen van visa aan Tunesiërs |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
![]() |
Is het waar dat Italië aan tienduizenden Noord Afrikanen, die recentelijk naar Italië zijn gekomen, een «humanitair visum» zal verstrekken?1 Zo ja, bent u bereid om Italië te kennen te geven niet akkoord te gaan met geldigheid voor Nederland van dergelijke visa? Zo neen, waarom niet?
Italië verstrekt aan vreemdelingen uit Noord-Afrika die tussen 1 januari 2011 en 5 april 2011 Italië zijn binnengekomen een tijdelijke verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van zes maanden.
Ik betreur de unilaterale beslissing van Italië om verblijfsvergunningen te verschaffen aan illegale Tunesische immigranten, met name omdat het de geleverde en nog te leveren Europese inspanningen in dezen doorkruist. Een overzicht hiervan treft u onder meer in de brief van Commissaris Malmström van 5 april 2011 die tijdens het Algemeen Overleg van 26 april 2011 met uw Kamer is besproken, en in de Mededeling van de Europese Commissie inzake Migratie van 4 mei 2011.
Tijdens de JBZ-Raad van 11 en 12 april jl. heb ik mijn ongenoegen overdeze maatregelen van Italië reeds kenbaar gemaakt.Zoals ik u heb gemeld,2 heb ik in een brief, die mede is ondertekend door de verantwoordelijke bewindspersonen van België, Luxemburg en Duitsland, mijn zorgen geuit bij de Europese Commissie en heb ik onder meer om opheldering gevraagd over de plannen van Italië op het moment dat de geldigheidsduur van de afgegeven verblijfsvergunningen is verstreken. Deze brief is op 4 mei jl. overhandigd aan de Commissie en diezelfde dag in Rome overhandigd aan de Italiaanse autoriteiten.
Daarnaast heb ik tijdens de JBZ-Raad van 12 mei jl. mijn Europese collega’s opgeroepen geen verdere unilaterale beslissingen te nemen die ook gevolgen kunnen hebben voor andere lidstaten maar eerst overleg te plegen in EU-verband.
De situatie van Libische asielzoekers |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank ‘s Gravenhage van 4 maart jl., gepubliceerd op 31 maart jl., over de vreemdelingenbewaring van een Libische uitgeprocedeerde asielzoeker?1
Ja.
Is het waar dat de bewaring van de betreffende vreemdeling is opgeheven, omdat het vanwege de onzekere en slechte veiligheidssituatie in Libië niet verantwoord is vreemdelingen naar Libië uit te zetten, en er derhalve voor alle Libische vreemdelingen die moeten terugkeren naar hun land van herkomst op dit moment geen zicht op uitzetting is? Kunt u dit toelichten?
Op 4 maart 2011 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage geoordeeld dat de bewaring van de desbetreffende vreemdeling niet langer rechtmatig is. Hierop is de maatregel van bewaring direct opgeheven. De rechtbank kwam tot dit oordeel door de vele onzekerheden en de onduidelijkheid over de verdere ontwikkelingen ten aanzien van het overheidsgezag in Libië en het tijdsbeslag dat nodig is voor een stabilisering van de situatie aldaar. De rechtbank stelde derhalve vast dat geen reëel zicht meer bestaat op uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn.
Onlangs is een besluit- en vertrekmoratorium aangekondigd voor Libische vreemdelingen (Kamerstukken II 2010/11, 19 637, nr. 1412). Het vertrekmoratorium heeft tot gevolg dat het vertrek naar Libië van deze Libische vreemdelingen tijdelijk wordt opgeschort en er ontstaat een recht op opvang met uitzondering van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, die moeten terugkeren naar een ander land dan Libië en Libische vreemdelingen op wie een Dublinclaim van toepassing is.
Betekent het voorgaande dat de vreemdelingenbewaring van alle Libische vreemdelingen die momenteel in de cel zitten, moet worden opgeheven? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel Libische vreemdelingen op dit moment in vreemdelingenbewaring zitten?
Thans zit één vreemdeling met de Libische nationaliteit in vreemdelingenbewaring. De reden dat de bewaring van deze vreemdeling niet is opgeheven is gelegen in het feit dat deze vreemdeling in uitvoering van de Dublin-verordening kan worden overgedragen aan een andere lidstaat.
Kunt u aangeven hoeveel Libische asielzoekers er op dit moment in Nederland verblijven? Hoeveel van hen bevinden zich in een lopende asielprocedure?
Uit het systeem (INDIS) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt dat er zich op de peildatum 1 mei 2011 circa 135 Libiërs in Nederland bevinden met een lopende asielprocedure. Dit betreft ook Libiërs die reeds voor het uitbreken van de conflicten in Libië een asielprocedure hadden lopen. Zoals ik reeds aan uw Kamer heb aangegeven, kunnen geen betrouwbare kwantitatieve gegevens worden gegeven over personen die in de illegaliteit buiten het zicht van de overheid verblijven. Hoeveel Libische ex-asielzoekers er naast de hierboven genoemde circa 135 in Nederland verblijven is daarom niet bekend.
Deelt u de mening dat het, vanwege de onveilige situatie in Libië die momenteel veel kenmerken heeft van een burgeroorlog, aangewezen is om ten aanzien van Libische asielzoekers een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen? Kunt u dit toelichten? Zijn andere Europese lidstaten tot zo’n moratorium overgegaan?
Zoals ik heb geantwoord bij vraag 2 en 3, heb ik een besluit- en vertrekmoratorium aangekondigd ten aanzien van asielzoekers met de Libische nationaliteit. Een besluit- en vertrekmoratorium is een juridisch instrument, eigen aan de Nederlandse vreemdelingenwetgeving. Andere lidstaten kennen dit juridisch instrument veelal niet. Mij is bekend dat in elk geval Noorwegen, Zweden, België en Denemarken geen Libische vreemdelingen uitzetten.
Is reeds sprake van een verhoogde asielinstroom in Nederland van Libische asielzoekers sinds de onrusten in Libië zijn begonnen? Is Nederland, net als Duitsland, bereid om Libische vluchtelingen op te nemen? Kunt u dit toelichten?
Vergeleken met de instroom in dezelfde periode in 2010 is er geen verhoogde instroom waar te nemen.
Zoals ik uw Kamer heb gemeld tijdens het algemeen overleg van 7 april 2011 heeft de UNHCR Nederland verzocht om steun op het terrein van hervestiging. Nederland heeft al geruime tijd geleden toestemming gegeven voor de hervestiging van enkele tientallen Eritrese vluchtelingen. Het gaat hierbij om vluchtelingen die in Libië gehuisvest waren en opgevangen werden. Daarnaast kan Nederland een beperkt aantal plaatsen binnen het bestaande quotum aanbieden aan de UNHCR.
In hoeverre zet u in op een Europese oplossing die zorgt voor een gelijkwaardige verdeling van de opname van extra Libische asielzoekers, waarbij ook de Oost-Europese landen hun verantwoordelijkheid nemen? Deelt u de mening dat de toestroom van Libische vluchtelingen spoedig een Europese aanpak vergt? Welke vorderingen zijn daaromtrent geboekt? Kunt u deze antwoorden toelichten?
De migratiestromen uit Noord-Afrika richting de Europese Unie kennen een gemengde samenstelling waarvan migranten met economische motieven een aanzienlijk deel uitmaken. Deze vaststelling is van belang voor de keuze van de te treffen maatregelen. Tijdens de JBZ-raad van 11 april jl. is door de Europese Commissie en de Raad bijvoorbeeld geoordeeld dat een activering van de richtlijn 2001/55 EG inzake tijdelijke bescherming van ontheemden niet aan de orde is (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 317, nr. 47). In haar Mededeling inzake migratie van 4 mei jl. heeft de Europese Commissie dit standpunt nogmaals bevestigd maar de Europese Commissie blijft, net als Nederland, de situatie in de Noord-Afrikaanse regio nauwlettend opvolgen.
Nederland zet in op een integrale Europese aanpak van de migratiestromen waarbij primair ingezet wordt op praktische ondersteuning van lidstaten wanneer er sprake is van een onevenredig hoge migratiedruk. Deze praktische ondersteuning moet vorm krijgen met gebruikmaking van het bestaande Europees instrumentarium zoals het EU-grensbewakingsagentschap Frontex en het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO). Daarnaast staan ook de migratiegerelateerde fondsen van de Europese Unie zoals onder meer het Europees Vluchtelingenfonds en het Buitengrenzenfonds ter beschikking van de lidstaten.
Inzet van de bestaande Europese instrumenten vindt nu al plaats. Een algemeen overzicht hiervan treft u onder meer in de brief van Commissaris Malmström van 5 april 2011 die tijdens het Algemeen Overleg van 26 april 2011 met uw Kamer is besproken en in de bovengenoemde Mededeling inzake Migratie.
Tijdens een extra bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 12 mei jl. is deze Mededeling over migratie besproken. Ik verwijs in dit verband ook naar mijn antwoorden van 11 mei jl. op de schriftelijke vragen over vorengenoemde bijeenkomst. De aanpak van de migratiestromen zal ook verder worden besproken tijdens de JBZ-raad van 9 en 10 juni as. Ook de Europese Raad van 24 juni a.s. zal uitgebreid stilstaan bij de migratiegevolgen van de situatie in Noord-Afrika.