De afspraak om in het dorp Oranje honderden asielzoekers te plaatsen in recreatiewoningen |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Is het waar dat u met ondernemer Hennie van der Most bent overeengekomen om in het dorp Oranje honderden asielzoekers onder te brengen, waarmee het recreatiepark van genoemde ondernemer financieel uit de brand is geholpen?1 Zo ja, welk bedrag is hiermee gemoeid?
Het is waar dat het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) met (de heer) Van der Most is overeengekomen dat het COA asielzoekers mag opvangen op het recreatieterrein waarvan hij eigenaar is in het dorp Oranje. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan mijn brede oproep om vastgoed beschikbaar te stellen voor de opvang van asielzoekers.
Gelet op het bedrijfsbelang van de betrokken ondernemer en het COA geef ik geen specifieke informatie over zakelijke transacties die het COA met individuele ondernemers aangaat.
Is het waar dat deze zeer ingrijpende afspraak in strijd is met het bestemmingsplan en bovendien niet is geaccordeerd door de gemeenteraad?2
Het recreatiepark (het terrein) waar de asielzoekers verblijven, heeft de bestemming «recreatie». Daar is bij het tijdelijk verblijf van asielzoekers geen sprake van; de opvang van asielzoekers wordt niet gezien als verblijfsrecreatie.
Het College is op humanitaire gronden en vanuit maatschappelijk oogpunt bereid een substantiële bijdrage te leveren aan de noodopvang van vluchtelingen en heeft daarom besloten opvang op het recreatieterrein toe te staan. Het College onderkent dat er een acuut tekort is ontstaan aan opvangplekken voor vluchtelingen. Het College heeft de Raad op 25 september 2014 in beslotenheid geïnformeerd over de plannen van het COA. Het College heeft op maandag 3 november 2014 met de gemeenteraad van de gemeente Midden-Drenthe gesproken over de opvang van asielzoekers in Oranjedorp. Onder meer is gesproken over het aantal asielzoekers dat in het recreatiepark zal verblijven.
Is het waar dat u al jarenlang contacten met genoemde ondernemer onderhoudt omdat hij VVD- gemeenteraadslid is en u samen borrels, golfpartijtjes en dergelijke bezoekt?3
Nee.
Heeft u naast de partijband en bovenstaande ontspannende activiteiten ook andere contacten met genoemde ondernemer onderhouden, bijvoorbeeld in de sfeer van fondsenwerving of sponsoring?
Nee.
Vindt u – in het licht van bovenstaande – dat u met het maken van de afspraak met genoemde ondernemer om in Oranje honderden asielzoekers te plaatsen de schijn van belangenverstrengeling heeft vermeden? Kunt u uw antwoord uitleggen?
Ja. Er is geen sprake van belangenverstrengeling.
Bent u bereid om deze vragen voor de behandeling van de begroting Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
De gevolgen van het besluitmoratorium voor vluchtelingen uit Irak |
|
Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich het afgekondigde besluit- en vertrekmoratorium voor Irak?
Ja.
Heeft het besluitmoratorium mede tot gevolg dat kwetsbare minderheidsgroepen, zoals Yezidi’s, christenen en alleenstaande vrouwen en andere groepen genoemd in paragraaf C7/13.3 en C7/13.4.3 van de Vreemdelingen circulaire 2000 uit Irak anderhalf jaar moeten wachten op een besluit over hun verblijfsstatus? Hoe gaat u om met deze situaties, in het licht van het feit dat zij op individuele gronden doorgaans recht hebben op een verblijfsvergunning?
In de Kamerbrief van 7 oktober 2014 (Kamerstuk 19 637 ,nr. 1900) heb ik toegelicht waarom voor asielaanvragen van Irakezen afkomstig uit de provincies Bagdad, Anbar, Ninewa, Salaheddin, Ta’mim, Diyala en Babil een besluitmoratorium is ingesteld. De situatie in deze delen van Irak is volatiel en onoverzichtelijk. Onder deze omstandigheden is het voor de IND veelal niet mogelijk om bij een asielverzoek te beoordelen of de betrokken asielzoeker het risico loopt op vluchtelingrechtelijke vervolging of een risico zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook is het niet mogelijk op zorgvuldige en op feiten gebaseerde wijze vast te stellen of in deze delen van Irak, voor een bestendige periode, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de EU-Kwalificatierichtlijn (2011/95). In andere woorden, of de mate van willekeurig geweld in die provincies voor een bestendige periode dusdanig is dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige bedreiging van zijn leven. Onder deze omstandigheden is het instellen van een besluitmoratorium een passende beleidsmaatregel. Kern van het besluitmoratorium is dat de wettelijke beslistermijn in individuele asielzaken met maximaal 1 jaar wordt verlengd. Deze verlenging geschiedt in de hoop dat na ommekomst van die periode beter kan worden geoordeeld of een asielvergunning kan worden verleend of niet.
Het instellen van het besluitmoratorium geeft de IND dus de mogelijkheid om beslissingen op asielzaken aan te houden. Hieruit volgt echter geen verplichting voort. In zaken waarin, zonder nader onderzoek en ongeacht de recente ontwikkelingen vanwege de opkomst van IS, duidelijk is dat de betrokken asielzoeker het individuele risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM, kan de IND een vergunning verstrekken. Om die reden heb ik de IND gevraagd om zaken van LHBT’s en leden van groepen die in het landenbeleid zijn aangemerkt als een kwetsbare minderheid (waaronder de in uw vraag genoemde Yeziden, christenen en alleenstaande vrouwen) op hun merites te beoordelen.
In zaken van vreemdelingen die geloofwaardig hebben gemaakt dat zij tot een dergelijke groep behoren en hun individuele vrees voldoende hebben onderbouwd, kan door de IND een positieve beslissing worden genomen.
Volledigheidshalve merk ik nog wel op dat de verhoogde asielinstroom kan betekenen dat deze zaken later worden behandeld dan normaal.
Welke gevolgen heeft het besluitmoratorium voor de bovengenoemde groep op het gezinsherenigingsbeleid en voor gezinsleden van vluchtelingen die willen nareizen? Zijn er mogelijkheden c.q. bent u bereid af te wijken van het besluitmoratorium, indien dat schrijnende situaties oplevert?
In mijn antwoord op vraag 2 heb ik toegelicht dat een asielvergunning kan worden verstrekt aan leden van de in het landenbeleid aangemerkte groepen. Het instellen van het besluitmoratorium heeft voor deze groep dan ook niet noodzakelijkerwijs gevolgen voor het nareisbeleid. Wel kan, als gezegd, meer algemeen de verhoogde instroom betekenis hebben voor de doorlooptijden.
Hoe lang verwacht u dat het besluit- en vertrekmoratorium in werking zal blijven? Welke mogelijkheden heeft de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) om in zaken, waarbij evident vaststaat dat een asielzoeker uit Irak op individuele gronden asielbescherming behoeft (of juist niet), een beslissing te nemen?
Het besluitmoratorium is ingesteld voor de duur van zes maanden. Na afloop van deze termijn zal ik bezien of er aanleiding is het moratorium eenmalig met zes maanden te verlengen.
Voor het tweede deel van deze vraag, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Langdurige vreemdelingenbewaring zonder bijstand van een advocaat |
|
Attje Kuiken (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een bewaringszaak waarbij een vreemdeling 182 dagen in vreemdelingenbewaring verbleef zonder in contact te kunnen komen met een advocaat?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht, zonder in detail in te gaan op de individuele casus?
Ik deel uw mening dat een vreemdeling wiens vrijheid is ontnomen altijd rechtsbijstand moet krijgen van een advocaat. Een vreemdeling die in bewaring wordt gesteld krijgt binnen 24 uur een piketadvocaat toegewezen die door de Staat wordt betaald. De vreemdeling kan ook aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft. De advocaat stelt doorgaans kort daarna beroep tegen de maatregel in en brengt de zaak voor de rechter. Ook als de advocaat van de vreemdeling geen beroep tegen de inbewaringstelling instelt, wordt van overheidswege binnen 28 dagen na aanvang van de bewaring de zaak voorgelegd aan de rechter, en – indien zijn advocaat geen vervolgberoep instelt – opnieuw na zes maanden. Dit is conform de Europese Terugkeerrichtlijn vastgelegd in de Vreemdelingenwet.
Uit de uitspraak van de raad van discipline waaraan wordt gerefereerd, leid ik het volgende af.2 De raad beschrijft kort dat de vreemdeling na de inbewaringstelling met de advocaat contact heeft gehad over zijn zaak en vervolgens gedurende bijna zes maanden geen enkel contact meer heeft gehad. Uit de mij bekende gegevens volgt dat de advocaat de zitting over de eerste inbewaringstelling heeft gedaan en dat een andere advocaat de zitting na zes maanden heeft gedaan.
De raad van discipline heeft geoordeeld dat de stilte van de advocaat onaanvaardbaar lang is.
Overigens kan uit de uitspraak van de raad van discipline niet worden opgemaakt wat de reden was dat er gedurende bijna een half jaar geen contact was.
Het is van belang dat een advocaat de belangen van zijn cliënt behartigt. Daar hoort ook bij dat hij de cliënt op de hoogte stelt van de voortgang van een zaak. Binnen welke termijn contact met de cliënt moet worden opgenomen hangt af van de omstandigheden van het geval. Het is aan de tuchtrechter om te bepalen welke handelwijze acceptabel is. In de onderhavige zaak heeft de raad geoordeeld dat de feiten aanleiding gaven tot een berisping van de advocaat. Ik verwijs ook naar het antwoord op de vragen 7 en 8.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een vreemdeling een half jaar in vreemdelingenbewaring verblijft zonder dat hij juridische bijstand krijgt?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze worden advocaten aangepakt die in deze ernstige mate hun cliënt in de steek laten?
Een advocaat die zijn beroep niet goed uitoefent, kan tuchtrechtelijk worden aangepakt. Dat is in het onderhavige geval ook gebeurd. Er is een klacht ingediend die de deken heeft onderzocht. Van zijn kant heeft de deken een dekenbezwaar bij de raad van discipline ingesteld. De raad van discipline heeft de maatregel berisping aan de advocaat opgelegd.
Welke signalen heeft u dat vreemdelingen die in bewaring zitten vaker problemen hebben juridische bijstand van een advocaat te krijgen en dat er meerdere advocaten zijn die de belangen van hun cliënt op deze wijze niet behartigen?
Bij mij zijn dergelijke signalen over vreemdelingenbewaring niet bekend. De Immigratie en Naturalisatie Dienst heeft met de Orde van Advocaten een convenant gesloten met als doel signalen over niet goed functionerende advocaten uit te wisselen met het oog op het kunnen uitoefenen van toezicht. Op het terrein van de vreemdelingenbewaring zijn in 2014 geen signalen binnengekomen. Ten gevolge van dit convenant kunnen sneller dan voorheen niet goed functionerende advocaten door de deken worden aangesproken.
Op welke wijze kan het nieuwe tuchtrechtregime voor de advocatuur bijdragen aan verbeteringen van de aanpak van slechte juridische bijstand voor vreemdelingen die in bewaring zitten en waardoor ernstige inbreuken op hun vrijheid kunnen ontstaan?
Op 1 januari a.s. wordt het toezicht op de advocatuur versterkt. De lokale deken wordt toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Hij krijgt daarmee ook de bevoegdheden die daarbij horen zoals daar zijn het recht om gegevens te vorderen. De deken mag in het kader van de uitoefening van zijn toezichthoudende taak in bepaalde gevallen ook bestuursrechtelijk handhaven door bijvoorbeeld een boete op te leggen. De werking van het toezicht door de deken wordt gecontroleerd door het College van toezicht. Daarnaast blijft het tuchtrecht bestaan met dien verstande dat het mogelijk wordt om als sanctie ook een geldboete op te leggen.
Op welke wijze kan een vreemdeling in de bewaringslocatie of via uw diensten aankaarten dat hij geen juridische bijstand krijgt en ondersteuning zoeken? Op welke wijze kan hij door uw diensten of door hulporganisaties in zo’n situatie proactief worden geholpen om tijdig een nieuwe advocaat te vinden?
Bij de inbewaringstelling wordt de vreemdeling gevraagd of hij een voorkeursadvocaat heeft of dat hij een piketadvocaat wil.
De advocaat van de vreemdeling wordt geïnformeerd over de bewaring.
Daarnaast wordt bij de intake van de vreemdeling in de instelling voor bewaring gevraagd of hij een advocaat heeft en of er reeds contact is geweest. De vreemdeling wordt uitgelegd dat altijd een gesprek aangevraagd kan worden met een medewerker van het juridisch loket. In iedere locatie voor vreemdelingenbewaring is het juridisch loket actief. Zij houden in beginsel wekelijks spreekuur.
De vreemdeling kan als hij niet tevreden is over zijn advocaat of meer informatie wil daar via het juridisch loket aan komen. Het juridisch loket is een extra hulp mogelijkheid voor de vreemdeling.
Uiteraard kan de vreemdeling ook aan zijn regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek kenbaar maken dat hij ontevreden is over zijn advocaat. Ervaring leert dat dit echter niet gebruikelijk is.
Deelt u de mening dat het vreemdelingensysteem een zekere bescherming voor asielzoekers en andere vreemdelingen moet bieden tegen niet/slecht functionerende advocaten, nu de gevolgen daarvan voor bijvoorbeeld toelating of bewaring zeer ingrijpend of toekomstbepalend voor het betreffende individu kunnen zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn er?
Onderdeel van het rechtssysteem is dat de vreemdeling een advocaat heeft die op de hoogte is van de procedures en in zijn belang kan optreden. Nederland kenmerkt zich internationaal gezien door goed geïnformeerde advocaten die vreemdelingen bijstaan.
Advocaten die vreemdelingen bijstaan bij bewaring zijn gehouden om jaarlijks bijscholing te doorlopen en op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen.
Advocaten die niet naar behoren functioneren kunnen tuchtrechtelijk worden aangepakt. De tuchtrechter kan zo nodig passende maatregelen treffen.
Zoals hierboven aangegeven zijn er bij vreemdelingenbewaring extra waarborgen ingebouwd waarbij de rechter de inbewaringstelling op verzoek van de overheid toetst. Dat gebeurt uiterlijk binnen 28 dagen na de inbewaringstelling en bij voortduring van de bewaring na zes maanden.
Het bericht ‘Man Ingabire in oorlog met justitie’ en soortgelijke berichten |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Michiel van Nispen |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de berichten1 dat de Rwandese overheid, ondanks enige tekenen van verbetering, nog altijd oneerlijke processen voert en beschuldigingen van oorlogsmisdaden gebruikt als manier om tegenstanders van het regime uit te schakelen en dat nu zelfs de familie van leden van de oppositie wordt gebruikt teneinde hen het zwijgen op te leggen?2
Volgens het Rwandese strafrecht is het strafbaar om haat te zaaien en de genocide te ontkennen of te minimaliseren. De Nederlandse regering respecteert deze wetgeving, maar vindt het belangrijk dat er geen misbruik van wordt gemaakt om oppositie de mond te snoeren. Waar een vermoeden bestaat van een oneerlijk proces spreekt Nederland de Rwandese regering daarop aan.
Is door Nederland onderzocht of deze berichten kloppen? Zo ja, op welke informatie baseert u uw standpunt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw standpunt ten aanzien van de inspanningen van de Rwandese overheid in het algemeen ten aanzien van het hervormen van het justitieel apparaat? Deelt u de mening van Human Rights Watch dat hiermee doorgegaan moet worden en dat dit werk nog niet is voltooid?3
Het justitiële apparaat in Rwanda moest opnieuw worden opgebouwd na de genocide in 1994. Mede met steun van Nederland is hierbij al veel bereikt. Er zijn zeker nog verbeteringen mogelijk in het Rwandese juridische stelsel en verdere versterking is wenselijk; daarom zal Nederland ook doorgaan met verdere ondersteuning. Ook blijft Nederland de Rwandese overheid aanspreken op het garanderen van eerlijke procesgang. Meest recent heeft Minister Ploumen dit besproken met de Rwandese Minister van Justitie tijdens haar bezoek aan Rwanda op 13 november 2014.
Kunt u garanderen dat Rwandezen die worden uitgezet naar of uitgeleverd aan Rwanda geen gevaar lopen op een oneerlijk proces of onterechte straf? Zo ja, hoe kunt u dat garanderen nu de hervormingen van het justitieel apparaat blijkens het standpunt van Human Rights Watch nog niet zijn voltooid? Zo nee, waarom worden er dan toch mensen uitgezet naar en uitgeleverd aan Rwanda?
Nederland kent een zorgvuldige uitleveringsprocedure, waarbij zorgen over schending van mensenrechten aan de orde kunnen worden gesteld en worden beoordeeld: allereerst door de rechtbank en door de Hoge Raad, en tenslotte door de Minister van Veiligheid en Justitie. In elke individuele zaak zal door de Minister, in overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, worden bekeken of er een concreet risico is dat mensenrechten, die aan de uitlevering in de weg staan, zullen worden geschonden.
Voor zover er in een individueel geval ten aanzien van bepaalde aspecten nog twijfel bestaat, is het mogelijk om hier met Rwanda afspraken over te maken door garanties te vragen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan garanties ten aanzien van artikel 5 EVRM: detentieomstandigheden. Zo heeft Rwanda aangegeven dat door Nederland uit te leveren personen gedetineerd zullen worden in een penitentiaire inrichting die voldoet aan de internationale maatstaven. De beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie om uitlevering toe te staan kan bovendien worden voorgelegd aan de voorzieningenrechter.
Opgemerkt wordt dat uitlevering (strafrecht) los staat van uitzetting (vreemdelingenrecht). Niettemin, net als bij uitlevering is in het geval van uitzetting ook sprake van stevige waarborgen: als bij terugkeer naar het land van herkomst sprake is van een risico op een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM zal de persoon in kwestie niet worden uitgezet. Dit staat eveneens ter toetsing van de Nederlandse rechter.
De omstandigheid dat hervormingen in het justitieel apparaat in Rwanda nog niet volledig zouden zijn voltooid, brengt niet met zich mee dat er niet per individueel geval bezien kan worden of uitlevering dan wel uitzetting mogelijk is.
Zijn er geverifieerde argumenten op basis waarvan u de Nederlandse nationaliteit van betrokkene in meent te moeten trekken? Zo ja, kunt u de Kamer hierover, desgewenst vertrouwelijk, informeren?
Zoals uw Kamer bekend is, ga ik niet in op individuele zaken. De Wet bescherming persoonsgegevens verbiedt de Nederlandse staat om in gevallen als deze gegevens openbaar te maken. Dat klemt in gevallen als deze des te meer omdat deze informatie door openbaarmaking ook onbedoeld ter kennis van de autoriteiten van herkomstlanden zou kunnen komen met eventuele risico’s voor betrokkene van dien. De Nederlandse overheid heeft zich daar in dit geval dan ook verre van gehouden en alle verwijzingen in de media naar de inhoud van de procedure van betrokkene zijn dan ook terug te voeren op betrokkene zelf. Dit heb ik tevens bericht aan de gemachtigde van betrokkene, in antwoord op zijn schrijven.4 Niettemin kan ik uw vragen ook beantwoorden door een weergave van de algemene gang van zaken. Daartoe acht ik het in deze specifieke situatie tevens nuttig om enige achtergrond te schetsen.
Zoals uw Kamer bekend zet Nederland zich in voor het tegengaan van straffeloosheid van plegers van internationale misdrijven en is de Nederlandse inzet erop gericht om te voorkomen dat Nederland voor hen een toevluchtsoord wordt. Met enige regelmaat spreek ik uw Kamer hierover.
In 1994 heeft in Rwanda een genocide plaatsgevonden: na het neerschieten van het vliegtuig met daarin de Rwandese en Burundese presidenten, waarbij zij beide om het leven kwamen, zijn in een tijdbestek van 100 dagen naar schatting 500.000 tot 800.000 Tutsi’s (na die dagen was ongeveer 75% van de als Tutsi geregistreerde bevolking vermoord) en gematigde Hutu’s vermoord. Op grote schaal vonden gruwelijkheden plaats, openlijk aangemoedigd door de autoriteiten via o.a. haatpropaganda van radio RTLM. In de maanden voor de genocide werden Hutu’s hiertoe al opgeruid.
Veel Rwandezen zijn rond die tijd gevlucht en een aantal van hen is ook in Nederland terecht gekomen. Na verloop van tijd kwam steeds meer informatie beschikbaar waaruit blijkt dat sommige van de Rwandezen in Nederland destijds mogelijk niet naar waarheid hebben verklaard over hun rol en betrokkenheid bij de genocide. Indachtig het Nederlandse uitgangspunt van geen vluchthaven te willen zijn voor plegers van internationale misdrijven en het tegengaan straffeloosheid is de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) daarom in 2008 een project gestart om hier onderzoek naar te doen.5 Als informatie in een individueel geval daar aanleiding toe geeft, wordt actie ondernomen door het starten van een procedure, zoals bijvoorbeeld het intrekken van een verblijfsvergunning of Nederlanderschap op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens wegens de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Deze procedures worden nu gevoerd en staan uiteindelijk ter toetsing van de Nederlandse rechter. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot uw vragen loopt ook een dergelijke procedure.
Het artikel 1F-onderzoek en de besluiten van IND zijn doorgaans gebaseerd op meerdere bronnen: verklaringen van betrokkene, openbare informatie van NGO’s, jurisprudentie en informatie van internationale tribunalen etc.
Voor zover een individueel ambtsbericht (IAB) mede ten grondslag ligt aan het besluit van de IND, geldt het volgende.
IAB’s worden op verzoek van de IND door het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgesteld. In het IAB wordt, voor zover mogelijk, antwoord gegeven op specifieke onderzoeksvragen van de IND in een individuele asielzaak. Een IAB kan zowel belastende als ontlastende informatie bevatten.
Aan IAB’s ligt onderzoek in het land van herkomst van de asielzoeker ten grondslag. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door een vertrouwenspersoon die op basis van zijn of haar kennis, netwerk en toegang door de ambassade is geworven. Integriteit en zorgvuldigheid zijn belangrijke vereisten voor een vertrouwenspersoon om het onderzoekswerk te kunnen doen, dat vaak in moeilijke en complexe omstandigheden wordt uitgevoerd.
Vertrouwenspersonen werken op basis van een werkinstructie met richtlijnen voor het verrichten van onderzoek. Zo worden er eisen gesteld aan te gebruiken bronnen en onderzoeksmethoden en dient de vertrouwenspersoon hierover te rapporteren in zijn verslag. Op deze manier wordt inzichtelijk gemaakt hoe de informatie van de vertrouwenspersoon is verkregen en hoe de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen kan worden beoordeeld. Bij onderzoek is het essentieel dat de veiligheid van de asielzoeker, diens familie of de onderzoeker niet in gevaar wordt gebracht en de band met Nederland dan wel de asielprocedure niet bekend wordt. De autoriteiten in het land van herkomst zijn op geen enkele wijze betrokken bij of geïnformeerd over deze onderzoeken. Het onderzoek van een vertrouwenspersoon wordt door zowel ambassade als het Ministerie van Buitenlandse Zaken kritisch getoetst op het gebruik van bronnen, betrouwbaarheid van informatie en onderzoeksmethoden.
Vervolgens vergewist de IND zich ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming ervan dat het IAB zorgvuldig tot stand is gekomen, inhoudelijk inzichtelijk is en voldoende wordt onderbouwd door de onderliggende stukken: de zogenoemde REK-check. Als een IAB de REK-check niet doorstaat, wordt het niet gebruikt in de besluitvorming. Doorstaat een IAB wel de REK-check en wordt het gebruikt in een besluit dan heeft betrokkene vervolgens de mogelijkheid om de rechter over het IAB te laten oordelen, inclusief de onderliggende bronnen die voor een rechter volledig inzichtelijk zijn.
We hebben in Nederland een zorgvuldige procedure. Met procedures als het intrekken van Nederlanderschap en/of toepassen van artikel 1F wordt terughoudend omgegaan en deze besluiten worden niet zomaar genomen. De gronden moeten goed worden onderbouwd en zorgvuldig (kenbaar) gemotiveerd in het besluit. De Nederlandse procedure is zo ingericht dat betrokkene uitgebreid in de gelegenheid is om zijn argumentatie naar voren te brengen, en uiteindelijk is het oordeel aan de rechter.
De stand van zaken en informatie die op een bepaald moment bekend is, maakt dat er al dan niet wordt overgegaan tot het nemen van een artikel 1F besluit. Wanneer nieuwe informatie of inzichten ertoe leiden dat het gekozen standpunt onjuist is, dan voorziet de procedure erin dat het (voorgenomen) besluit hersteld kan worden. De procedure bevat voldoende waarborgen om te concluderen dat een besluit, wanneer het is geaccordeerd door de rechtbank, zorgvuldig is genomen.
Een asielzoekerscentrum in Winschoten of Scheemda |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Winschoten en Scheemda in beeld voor azc»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het beleid van het constant toelaten van nieuwe groepen asielzoekers ingeruild zou moeten worden voor een beleid van opvang in de regio? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet is voorstander van opvang in de regio en het beleid is hierop gericht. Asielzoekers die zich uit eigen beweging in Nederland melden doorlopen een zorgvuldige asielprocedure.
Zijn de inwoners van zowel Winschoten als Scheemda gevraagd of zij zitten te wachten op de komst van een asielzoekerscentrum in hun omgeving?
De gemeente beslist of er een asielzoekerscentrum in de gemeente komt.
Zoals ik in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer heb laten weten, leidt de komst van een asielzoekerscentrum doorgaans tot verschillende reacties en houdt het COA altijd omwonendenbijeenkomsten.2 Het is aan de gemeenten om te bepalen of en zo ja, in welke gevallen en onder welke voorwaarden, een bevolkingsraadpleging plaatsvindt over onderwerpen die tot de gemeentelijke autonomie behoren.
Bent u bereid de inwoners van gemeenten die geconfronteerd worden met de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum, zoals nu in Oldambt, te vragen om altijd een bevolkingsraadpleging te houden zodat de bewoners zich kunnen uitspreken voor of tegen de komst van een asielzoekerscentrum? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u dat velen in Oost-Groningen niet zitten te wachten op meer asielzoekers, gezien de negatieve ervaringen in het verleden? Hoe komt u deze mensen tegemoet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de instroom van asielzoekers naar Nederland te verminderen?
Hierover heb ik u in mijn brief van 19 mei jl. uitgebreid geïnformeerd.3 De maatregelen zijn nog steeds van kracht. Hierbij geldt dat een veelheid van factoren migratiestromen bepalen, zoals de aanwezigheid van land- of streekgenoten, de rol van eventuele mensensmokkelaars en het gevoerde asielbeleid. Dit maakt dat migratiestromen niet geheel te sturen zijn.
Het bericht dat de rechters bij de Raad van State zelden de kant van de vluchteling kiezen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rechters bij de Raad van State kiezen« zelden de kant van de vluchteling»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht en op het onderzoek van hoogleraar migratierecht Spijkerboer over de vreemdelingenrechtspraak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS)?
Het door prof. mr. Spijkerboer geschetste beeld van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) herken ik niet. Het komt niet overeen met mijn ervaringen.
Wat zijn uw eigen bevindingen over het beeld en de oordelen die er in het brede werkveld van de vreemdelingenrechtspraak (rechters, advocaten, partijen, maatschappelijke organisaties) bestaan over de AbRvS?
Ik ken deze bezwaren, maar deel ze niet. De bezwaren zijn niet nieuw. Prof. mr. Spijkerboer heeft ze eerder geuit in 2002 in zijn oratie en in een artikel in het Nederlands Juristenblad van 23 november 2002. Naar aanleiding hiervan zijn destijds Kamervragen gesteld en beantwoord (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2002–2013, nrs. 586 en 766). De kritiek is ook daarna geregeld aan de orde geweest, onder meer in het kader van de evaluatie van de Vreemdelingenwet 2000 en de kabinetsreactie daarop (Kamerstuk 30 846).
Wat de vermeende neiging het bestuur in het gelijk te stellen betreft, geldt in de eerste plaats dat het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat de betrokkene de benodigde gegevens aandraagt en het bestuur naar aanleiding daarvan een beslissing neemt. Indien de feiten en het recht daartoe aanleiding geven wordt na de indiening van een aanvraag direct – en dus zonder tussenkomst van de rechter – een verblijfsvergunning verleend. In hoger beroep is dus sprake van een zeer specifieke voorselectie van zaken. Het gaat hier immers voor het overgrote deel om aanvragen die in eerste instantie door het bestuur niet gegrond worden bevonden en waar de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om het besluit te vernietigen. Het zou pas zorgwekkend zijn wanneer in hoger beroep een heel groot deel van de oordelen van het bestuur en de toetsing hiervan door de rechtbank onvoldoende zou worden geacht.
De marginale toetsing brengt de verschillende verantwoordelijkheden van bestuur en rechtspraak tot uitdrukking. Het vreemdelingenrecht is, als onderdeel van het bestuursrecht, niet afwijkend voor wat betreft het in voorkomende gevallen terughoudend toetsen van onderdelen van een besluit. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader in op het zonder zitting en zonder motivering afdoen van zaken door de Afdeling.
Ik heb geen enkele aanwijzing dat de bezwaren tegen de bestaande vreemdelingenrechtspraak van de Afdeling die er, gegeven de verschillende maatschappelijke opvattingen over de gewenste richting, onherroepelijk zijn, dermate breed gedeeld worden dat dit zorgelijk zou zijn voor het draagvlak van de vreemdelingenrechtspraak.
Kent u de bezwaren jegens de vreemdelingenrechtspraak van de AbRvS omtrent a) de vermeende neiging het bestuursorgaan in het gelijk stellen, b) de marginale toetsing van delen van het besluit van het bestuursorgaan en c) de vele zaken die zonder zitting en zonder motivering worden afgedaan? Zo ja, hoe kijkt u daar tegenaan, en in hoeverre acht u het zorgelijk voor het draagvlak voor de vreemdelingenrechtspraak van de AbRvS dat die bezwaren (breed) bestaan?
Zie antwoord vraag 3.
Welke delen van besluiten over de toelating, opvang en vreemdelingenbewaring van vreemdelingen (formeel: de uitspraken van rechtbanken daarover) worden door de AbRvS niet vol, maar met een zekere mate van marginaliteit getoetst? Is die wijze van toetsing wettelijk bepaald of is dit een keuze van de rechter? Hoe verhoudt die zich tot de wijze van toetsen van andere hoogste bestuursrechters zoals de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven? In welke mate komt de wijze van toetsen door de AbRvS voort uit de specifieke kenmerken van het vreemdelingenrecht? In welke mate is de terughoudende toetsing houdbaar gezien de vollere toetsing zoals door Europese rechters wordt uitgevoerd?
Uit de jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat grote onderdelen van asielbeschikkingen vol dienen te worden getoetst. Als het gaat om de algehele veiligheidssituatie in een bepaald land, de te verwachten problemen bij terugkeer op basis van de geloofwaardig geachte feiten, de zwaarwegendheid van die feiten en de mogelijkheid om bescherming te vragen, toetst de Afdeling vol. Enkel de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas wordt terughoudend getoetst.
In reguliere zaken wordt bijvoorbeeld bij een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vol getoetst of er sprake is van familie- en gezinsleven en wordt vervolgens de door mij gemaakte belangenafweging terughoudend getoetst. Dit is in lijn met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit volgt dat de lidstaten in dergelijke gevallen een «margin of appreciation» toekomt.
Ook bij bewaringzaken geldt dat, indien een belangenafweging gemaakt moet worden, deze terughoudend getoetst wordt. Zo wordt bijvoorbeeld de vraag of een lichter middel toegepast moet worden met enige terughoudendheid getoetst. Waar het gaat om de voorwaarden van bewaring of van de daaromheen verrichte handelingen is er geen ruimte voor een terughoudende toets. Met name of sprake is van een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf, of er zicht is op uitzetting, of de aan de maatregel ten grondslag liggende gronden dragend zijn, of er voortvarend wordt gehandeld door de Dienst Terugkeer en Vertrek en of er een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt derhalve vol getoetst.
Ook in het Nederlandse algemene bestuursrecht oordeelt de rechter niet altijd op dezelfde wijze waarop het bestuur dat heeft gedaan. Als de wetgever op bepaalde punten beleids- of beoordelingsvrijheid toekent aan het bestuursorgaan, zal de rechter zich terughoudend dienen op te stellen. Dit betekent niet dat het oordeel van het bestuur dan niet aan rechterlijke toetsing is onderworpen. Een besluit moet zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. De rechter toetst dat en vernietigt een besluit dat niet aan die normen voldoet. Ook in andere delen van het bestuursrecht dan het vreemdelingenrecht komt het voor dat aan het bestuur beleids- of beoordelingsvrijheid toekomt en ook door andere bestuursrechters dan de Afdeling worden sommige (delen van) besluiten daarom terughoudend getoetst. Hieraan voeg ik toe dat de rechter minder mogelijkheden dan het bestuur heeft om een voorgelegde zaak te vergelijken met alle andere zaken waarin het bestuur heeft beslist, waaronder ook inwilligingen. Voor het asielrecht komt daarbij dat de asielzoeker veelal niet in staat is zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven en dat dat redelijkerwijs ook niet van hem verwacht kan worden. Het bestuur kan, anders dan de rechter, de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas vergelijkenderwijs en dus geobjectiveerd verrichten en doet dat ook.
Het EHRM laat ruimte voor een rechterlijke toetsing waarbij de rechter niet zijn eigen oordeel over alle onderdelen van een besluit zonder meer voor het oordeel van het bestuur in de plaats kan stellen. In dit kader wijs ik op mijn antwoord op de Kamervragen van het lid Schouw over de vraag waarom rechters geen grondig feitenonderzoek zouden mogen plegen in asielzaken (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012- 2013, nr. 2803). Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM moeten de lidstaten er ingevolge artikel 13 van het EVRM zorg voor dragen dat het ter beschikking staande rechtsmiddel effectief is, maar wordt deze staten een «margin of appreciation» gelaten ten aanzien van de wijze waarop de rechterlijke toetsing van bestuursbesluiten wordt ingericht en uitgevoerd. Uit de beantwoording blijkt ook dat het in andere EU-lidstaten voorkomt dat de rechter niet zelf onderzoek naar de feiten mag doen of een terughoudende toetsing verricht. Overigens geeft ook prof. mr. Spijkerboer in zijn onderzoek aan dat de intensiteit van de toetsing door het EHRM verschilt (blz. 371–372).
Hoeveel vreemdelingenzaken worden door de AbRvS zonder zitting en zonder inhoudelijke motivering afgedaan? Wanneer is volgens de AbRvS sprake van zaken als bedoeld in artikel 91, tweede lid van de Vreemdelingenwet? Komt dat erop neer dat uitspraken in vreemdelingenzaken alleen worden uitgeschreven als er een nieuwe of aangepaste jurisprudentielijn wordt ingezet? Was bij de totstandkoming van artikel 91, tweede lid, door de wetgever bedoeld om vrijwel alle hoger beroepen vreemdelingenzaken verkort af te doen? Deelt u de mening dat het voor vreemdelingen onbevredigend kan zijn als hun hoger beroep zonder motivering worden afgehandeld? Zo ja, welke noodzaak ziet u dat het aantal door de AbRvS ongemotiveerd afgedane hoger beroepen wordt verminderd?
In de laatste jaren zijn de wettelijke middelen afdoen buiten zitting en verkorte motivering (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000) tegelijk in een bodemzaak ingezet in zeker 85% van alle afdoeningen. Ik hecht er aan hierbij op te merken dat dit niet betekent dat er geen of slechts een beperkte inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Dit blijkt reeds uit de tekst van de wet dat eerst tot verkorte afdoening kan worden gekomen indien is geoordeeld dat de grieven niet tot vernietiging leiden.
Artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geeft de Afdeling de bevoegdheid uitspraken verkort af te doen indien de aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden. Toepassing van de bevoegdheid pleegt de Afdeling achterwege te laten wanneer de grief noopt tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming. Een inhoudelijke afdoening past in deze bij de taak van de Afdeling als bewaker van rechtseenheid.
Het komt regelmatig voor, dat in een reeks van zaken telkens in wezen dezelfde grief wordt aangevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot de situatie in een bepaald land. Indien eenmaal vaste jurisprudentie is gevormd dat die grief ongegrond is, kan die grief voortaan verkort worden afgedaan. Ook kan worden gedacht aan zaken waarin, na een zorgvuldige beoordeling van de grieven, wordt vastgesteld dat deze niet slagen en dat, bijvoorbeeld vanwege het casuïstische karakter ervan, geen van de hierboven genoemde belangen noopt tot een gemotiveerde afdoening.
Uitspraken in vreemdelingenzaken worden niet alleen uitgeschreven als er een nieuwe of aangepaste jurisprudentielijn wordt ingezet. De Afdeling kan, zoals eerder vermeld, van de bevoegdheid tot verkorte afdoening slechts gebruikmaken indien de grieven niet tot vernietiging leiden. De appelrechter kan de aangevallen uitspraak derhalve niet ongemotiveerd vernietigen. Hij kan haar alleen ongemotiveerd bevestigen. Omdat artikel 91, tweede lid, een kan-bepaling is, hoeft de Afdeling dat niet te doen door middel van een verkorte uitspraak. Verder is deze bepaling zo geformuleerd dat zij betrekking heeft op afzonderlijke grieven. Het is dus ook mogelijk dat in een zaak waarin verschillende grieven zijn aangevoerd, in dezelfde uitspraak bijvoorbeeld één grief «gewoon» en de andere «verkort» worden afgedaan. De «verkorte afdoening» – per grief dan wel integraal – is ook na zitting mogelijk.
Bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 is uitgangspunt geweest dat de werklast en doorlooptijden beheersbaar moeten blijven. In de geschiedenis van de totstandkoming, meer in het bijzonder van de artikelen 85 en 91 (Kamerstuk 26 732, nr. 3, blz. 11) is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op zeer snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen. Dit zorgt er voor dat de werklast van de Afdeling en de duur van de procedure binnen aanvaardbare proporties kunnen worden gehouden. In dit verband wijs ik ook op de volgende passage (Kamerstuk 26 732, nr. 7, blz. 223): «Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een verkorte uitspraak slechts bij uitzondering wordt gedaan; dat zou de waarde van de verkorte uitspraak als instrument tot bekorting van de procedure grotendeels teniet doen.»
Te uwer informatie vermeld ik nog dat artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 blijkens de parlementaire geschiedenis is geïnspireerd door het toenmalige artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie (thans artikel 81). Dat artikel geeft de Hoge Raad de bevoegdheid om verkorte uitspraken te doen, indien de aangevoerde cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden en evenmin nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad maakt van deze bevoegdheid veelvuldig gebruik en heeft er goede ervaringen mee opgedaan, aldus Kamerstuk 26 732, nr. 3, blz. 85.
Ik begrijp heel goed dat het voor een vreemdeling onbevredigend kan zijn als zijn hoger beroep zonder motivering wordt afgehandeld. Er moet echter niet uit het oog worden verloren dat op het moment dat hij in hoger beroep gaat al drie keer is gemotiveerd dat en waarom geen aanspraak bestaat op een vergunning. Tweemaal in de bestuurlijke fase (voor asielzaken in het voornemen en de beslissing in eerste aanleg; voor reguliere zaken in de beslissingen in eerste aanleg en in bezwaar) en eenmaal door de rechtbank. Indien hetgeen in hoger beroep wordt aangevoerd niet wezenlijk afwijkt van wat eerder is aangevoerd, of van wat de Afdeling al eerder (in andere zaken) heeft geoordeeld, voegt een uitgebreide motivering mijns inziens niets toe. Indien de Afdeling voorts zaken waarin geen sprake is van een grief die tot vernietiging kan leiden en geen zaaksoverstijgend element kan worden onderkend, gemotiveerd zou moeten afdoen, zou er te weinig capaciteit overblijven voor het naar behoren en tijdig afdoen van zaken waarin dat wel het geval is. Indien de Afdeling in dit soort zaken de uitspraak van de rechtbank vaker gemotiveerd zou bevestigen, zou dit bovendien het zicht op zaken waarin wel over zaaksoverstijgende vragen wordt beslist kunnen vertroebelen.
Gelet hierop ben ik van mening dat de Afdeling op de juiste wijze omgaat met de in artikel 91, tweede lid, gegeven bevoegdheid. Hierbij wijs ik er voorts op dat bij de evaluatie van de Vreemdelingenwet 2000 is gebleken dat de Afdeling haar uitspraken in de loop van de tijd steeds uitgebreider is gaan motiveren (Kamerstuk 30 846, nr. 1, blz. 23). Ook prof. mr. Spijkerboer stelt in zijn boek (blz. 8) vast dat de Afdeling in de loop der jaren uitgebreider is gaan motiveren. Ten slotte vermeld ik dat de mogelijkheid van verkorte afdoening van een hoger beroep krachtens artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 op zichzelf niet in strijd is met artikel 13 van het EVRM, aldus het EHRM in het arrest van 3 november 2011, Arvelo Aponte tegen Nederland (nr. 28770/05).
In welke mate houdt de AbRvS als hoogste vreemdelingenrechter bij de oordeelsvorming in zaken rekening met de beleidsmatige bedoelingen van de wetgever, of met de gevolgen van een uitspraak voor de houdbaarheid van aspecten van het vreemdelingenbeleid? Zijn er aanwijzingen dat de AbRvS hierin afwijkt vergeleken met andere hoogste bestuursrechters? Zo ja, welke?
Voor mijn antwoord verwijs ik naar hetgeen in het antwoord op vraag 2 van de eerdergenoemde Kamervragen is vermeld over methoden van rechtsvinding (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2002–2003, nr. 586). Zoals eerder vermeld toetsen ook andere bestuursrechters dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sommige (delen van) besluiten terughoudend omdat het bestuursorgaan beleids- of beoordelingsvrijheid heeft. Het geschetste beeld dat de Afdeling rekening zou houden met beleidsmatige doelstellingen van de wetgever of met de gevolgen van een uitspraak voor de houdbaarheid van aspecten van het vreemdelingenbeleid, herken ik niet. Ik heb voorts geen aanwijzingen dat de Afdeling hierin afwijkt van andere hoogste bestuursrechters.
Welke voornemens heeft u teneinde wijzigingen in de onder vraag 4 genoemde gerelateerde punten door te voeren vanwege, in het kader van het Gemeenschappelijk Europees Asielbeleid, gewijzigde Europese richtlijnen?
Artikel 46 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de internationale bescherming (PbEU 180/60 d.d. 29 juni 2013; de Procedurerichtlijn), bepaalt dat de EU-lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat. Een daadwerkelijk rechtsmiddel omvat volgens dit artikel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), zulks ten minste in beroepsprocedures in eerste aanleg. De wijze waarop ik uitvoering ga geven aan dit artikel maakt deel uit van het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de Procedurerichtlijn en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) dat op korte termijn bij uw Kamer zal worden ingediend.
Een illegale Marokkaan die een terreuraanslag wilde plegen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM: «Illegale Marokkaan wilde aanslag plegen»»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de betreffende persoon alleen handelde en of de betrokken familie eveneens wordt doorgelicht op voorbereidingen c.q. wordt aangemerkt als verdachte?
Daarover kunnen op dit moment in het belang van het onderzoek geen verdere mededelingen worden gedaan.
Wat wordt er specifiek bedoeld met «voorbereidingen van terroristische misdrijven tegen politiemensen»?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen teneinde te voorkomen dat de terreurverdachte binnen 14 dagen weer op vrije voeten is?
Het is aan het Openbaar Ministerie en aan de rechter te bepalen of aanleiding bestaat de voorlopige hechtenis van verdachten al dan niet te verlengen. In de afwegingen die leiden tot dergelijke beslissingen in een lopend strafrechtelijk onderzoek, treed ik niet.
Kunt u garanderen dat de illegale Marrokaan per definitie wordt uitgezet (indien schuldig uiteraard na een zo zwaar mogelijke straf) en tot persona non grata wordt verklaard?
Ten aanzien van criminele vreemdelingen geldt dat zij na een onherroepelijke veroordeling het verblijfsrecht kunnen verliezen, een inreisverbod of een ongewenstverklaring opgelegd krijgen en na het uitzitten van een gevangenisstraf of maatregel Nederland direct moeten verlaten. Als zij dat nalaten worden zij zo mogelijk uitgezet.
Op welke wijze zijn de enorme hoeveelheid illegalen die ons land telt in beeld bij de veiligheidsdiensten in het kader van contraterrorisme?
De AIVD doet onderzoek naar personen en organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Illegaal verblijf in Nederland op zich is onvoldoende aanleiding voor onderzoek door de AIVD.
De opvang van Nederlandse kinderen in gezinsopvanglocaties |
|
Gerard Schouw (D66), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Staat moet hoge vergoeding betalen aan asielkinderen»?1
Ja.
Waarom zijn twee Nederlandse kinderen samen met hun Guinese moeder twintig maanden opgevangen in een vrijheidsbeperkende gezinsopvanglocatie (GOL) terwijl dat onrechtmatig is?
Op gezinslocaties wordt onderdak geboden aan gezinnen met minderjarige kinderen zonder recht op opvang, die anders in een humanitaire noodsituatie zouden geraken. Deze gezinslocaties zijn in beginsel niet bedoeld om onderdak te bieden aan personen met een verblijfsvergunning, EU-burgers of personen met de Nederlandse nationaliteit. Deze personen kunnen immers veelal aanspraak maken op andere regelingen en voorzieningen, zoals de Wet werk en bijstand, de Wet op de Jeugdzorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. In bijzondere individuele situaties kan er echter aanleiding bestaan om kinderen met de Nederlandse nationaliteit onderdak te bieden in een gezinslocatie. Dit kan voorkomen wanneer een deel van het gezin niet-rechtmatig in Nederland verblijft. Of Nederlandse kinderen onderdak krijgen op een gezinslocatie betreft echter een keuze van de ouders zelf.
Vanzelfsprekend wordt aan de leden van het gezin met de Nederlandse nationaliteit die onderdak krijgen in de gezinslocatie, geen vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze maatregel uit de Vreemdelingenwet 2000 kan immers enkel aan vreemdelingen worden opgelegd. In de casus waarover het bericht van vraag 1 gaat, heeft de rechter bepaald dat deze maatregel derhalve ten onrechte aan de twee kinderen is opgelegd.
Op welke wijze waren uw diensten bij de in beperkingstelling bekend met het Nederlanderschap van de kinderen en is dit aspect, inclusief de onrechtmatigheid, vooraf meegewogen in de beslissing?
Op het moment dat de Nederlandse nationaliteit van de kinderen bekend werd bij de diensten in de vreemdelingenketen, is onvoldoende onderkend dat de opgelegde maatregel beëindigd had moeten worden. Naar aanleiding van deze casus is dit expliciet onder de aandacht gebracht van de medewerkers in de vreemdelingenketen die werken op de gezinslocaties.
Bent u in meer zaken dan deze door de rechtbank veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding vanwege het onrechtmatig beperken van de vrijheid van Nederlandse kinderen in een GOL?2 Zo ja, in hoeveel zaken?
Voor zover mij bekend is dit de eerste keer dat schadevergoeding op deze grond is toegekend.
Zijn er op dit moment meer kinderen met de Nederlandse nationaliteit die in een vrijheidsbeperkende GOL verblijven? Zo ja, hoeveel?
Er verblijven op dit moment circa tien kinderen in de acht gezinslocaties die de Nederlandse nationaliteit hebben. Voor deze kinderen geldt geen vrijheidsbeperkende maatregel ex. art. 56 Vw. Zij ontvangen in het kader van het bieden van maatwerk onderdak op de gezinslocatie. Er wordt in deze zaken gezocht naar een oplossing waarbij deze kinderen elders onderdak kan worden verleend. Hierbij is de medewerking van de Nederlandse ouder, indien in beeld, van belang, evenals de medewerking van de ouder die geen rechtmatig verblijf heeft.
Deelt u de mening dat het uw verantwoordelijkheid is geen kinderen onrechtmatig in vrijheidsbeperking te plaatsen en dat kinderen met de Nederlandse nationaliteit daarom nooit in GOL’s mogen worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat een vrijheidsbeperkende maatregel enkel wordt opgelegd als dit rechtmatig is. Dat betekent echter niet dat nimmer aan kinderen met de Nederlandse nationaliteit onderdak kan worden geboden op een gezinslocatie. Zoals aangegeven kan daartoe in bijzondere individuele situaties aanleiding bestaan indien er sprake is van een humanitaire noodsituatie. Het bieden van onderdak aan deze kinderen geschiedt in die situaties echter enkel op basis van vrijwilligheid.
De situatie in de IJsselhallen in Zwolle |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Zwolle importeert de spanningen van de burgeroorlog in Syrië»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe lang het verblijf van een vluchteling in de IJsselhallen momenteel maximaal duurt?
De opvang die geboden wordt in de IJsselhallen is een tijdelijke noodmaatregel en wijkt daarmee af van de opvang die normaal gesproken geboden wordt. De aanhoudend hoge asielinstroom maakt dat het COA op dit moment in sommige gevallen niet anders kan dan asielzoekers opvangen in locaties die onder normale omstandigheden niet gebruikt zouden worden voor de opvang van asielzoekers. Gelet op de omstandigheden kan ik niet uitsluiten dat het COA de komende tijd wederom gebruik moet maken van dit soort noodmaatregelen. Asielzoekers op straat laten staan is immers geen optie. Het afgelopen half jaar heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de verhoogde asielinstroom en de moeite die het COA moet doen om tijdig voldoende opvang te bieden. Zoals u weet blijft de realisatie van uitplaatsing van statushouders naar gemeenten achter bij de toenemende instroom. Ondanks dat hieraan door alle betrokken partijen hard wordt gewerkt verbleven op 1 oktober jl. circa 8.500 vergunninghouders in de opvang.
Het COA heeft mij laten weten zich niet te herkennen in het beeld dat er sprake is van verhoogde spanningen op de locatie. De voorzieningen in de IJsselhallen zijn niet optimaal op het gebied van privacy. Er is voldoende toegang tot de zorg. Het COA heeft goede afspraken gemaakt met de zorgverleners van GC A en GGD. De afspraak is gemaakt dat, indien er zich medische situaties voordoen waardoor de opvang in de IJsselhal niet geschikt is, betrokkene wordt overgeplaatst naar een andere locatie van het COA.
Voor aanvulling van het aantal opvangplaatsen kijkt het COA in eerste instantie naar leegstaand Rijksvastgoed en of dit in overeenstemming te brengen is met het programma van eisen ten aanzien van de opvang van asielzoekers. Het kost enige tijd om nieuwe locaties te vinden en deze vervolgens in te richten voor de opvang. Hierbij spelen elementen als medewerking van de gemeente, maar ook regelgeving, zoals bestemmingsplan en omgevingsvergunningen, een belangrijke rol. In de komende maanden komen er locaties beschikbaar die beter geschikt zijn voor de opvang van asielzoekers dan de IJsselhallen.
Tussen 1 januari 2014 en 1 oktober 2014 is de bezetting in de opvang gegroeid met meer dan 8.000 personen. Het COA heeft die tot op heden alle weten te huisvesten. De IJsselhallen zijn als noodoplossing voor de opvang van mannen ingericht, waarin zij verblijven voorafgaande aan de start van de asielprocedure. Het verblijf van de asielzoeker in de IJsselhallen is zo kort mogelijk. Het moment van de start van de asielprocedure is onder meer afhankelijk van de capaciteit van de IND en andere ketenpartners, die betrokken zijn bij de asielprocedure. Gezinnen en kinderen worden niet in de IJsselhallen opgevangen. Het huurcontract met de IJsselhallen eindigt in december 2014.
Begin dit jaar werd nog uitgegaan van 17.000 1e en herhaalde aanvragen. Inmiddels is dit bijgesteld naar ruim 21.000. Voor volgend jaar ga ik uit van minimaal dezelfde aantallen. Het COA bereidt zich daar op voor en zoekt locaties die meerdere jaren beschikbaar zijn.
Wat is uw reactie op de oplopende aantallen zieken onder deze vluchtelingen en de onvoldoende toegang tot medische hulp?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de hoeveelheid privacy die deze mensen geboden wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Vluchtelingenwerk Nederland dat opvang op deze manier niet veel langer verantwoord is?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe lang blijft deze opvang in de IJsselhallen nog doorgaan?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het mogelijk dat er nog vaker dergelijke grootschalige noodlocaties komen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn uw plannen om het tekort aan opvangplaatsen voor vluchtelingen structureel op te lossen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het transformeren van leegstaande panden onder het beheer van de Rijksgebouwendienst prioriteit dient te krijgen in het kader van de structurele opvang van vluchtelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid voorzien op 29 oktober a.s.?
Ja.
De gevolgen van de toename in de uitstroom van erkende asielzoekers uit de reguliere opvangcentra op het aanbod van beschikbare woningen |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving door Nieuwsuur1 en het persbericht van de VNG2 over de forse toename van asielzoekers uit de opvangcentra die op zoek zijn naar een reguliere sociale huurwoning?
Ja.
Wat doen gemeenten, corporaties en het Rijk aan het verbeteren van de doorstroom en hoe zorgen zij ervoor dat mensen die bescherming in Nederland hebben gezocht en gekregen, ook een woning kunnen krijgen?
De sociale huurwoningvoorraad is bestemd voor mensen met een laag inkomen en voor specifieke doelgroepen, waaronder de vergunninghouders. De voorraad is in principe groot genoeg om huurders met lage inkomens en andere doelgroepen te huisvesten. Veel sociale huurwoningen worden echter gehuurd door mensen met een hoger inkomen, die niet tot doelgroep behoren. Om dit zogenaamd scheefwonen tegen te gaan is er beleid ontwikkeld die de doorstroming uit de sociale woningbouw moet stimuleren en de beschikbare voorraad bij voorrang voor de doelgroep van beleid beschikbaar moet houden. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de inkomensafhankelijke huurverhoging, de passendheidstoets en de 90% norm, op basis waarvan maar 10% van de woningvoorraad aan inkomens boven de € 34.678 mag worden toegewezen. Ook stimuleert het kabinet de bouw van meer middeldure huurwoningen waar hogere inkomens naar kunnen doorstromen.
Daarnaast is het aan gemeenten en corporaties om te bekijken wat de lokale behoefte is. Onlangs is het «Platform versnelling uitplaatsing van vergunninghouders» in het leven geroepen waarin met gemeenten wordt gezocht naar creatieve oplossingen ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders.
Deelt u het oordeel van de VNG dat deze toename niet is op te vangen binnen de reguliere sociale woningvoorraad?
Op basis van de gegevens van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zal het benodigde aantal woningen in 2014 voor de huisvesting van vergunninghouders 6630 bedragen. U bent hierover reeds eerder dit jaar geïnformeerd (Kamerstuk 32 271, nr. 31). Op 30 september 2014 is de landelijke taakstelling voor het huisvesten van vergunninghouders voor de eerste helft van 2015 gepubliceerd in de Staatscourant. Samen met de prognose voor de tweede helft voor 2015 resulteert dit in een taakstelling van 28.900 te huisvesten vergunninghouders voor 2015. Omdat volgens berekeningen van het COA voor elke vergunninghouder ongeveer 0,51 woning nodig is (zie bovengenoemd kamerstuk), resulteert dit, indien ook de prognose voor de tweede helft van 2015 uiteindelijk juist blijkt te zijn, voor 2015 in ongeveer 14.450 benodigde aantal woningen. In 2013 betrof de mutatiegraad van corporatie-woningen 218.091 (Verantwoordingsinformatie op basis van Besluit beheer sociale-huursector). Derhalve is het aannemelijk dat het genoemde aantal woningen dat beschikbaar moet komen voor de huisvesting van vergunning-houders in 2015 ongeveer 6% betreft van het totaal aan mutaties. In deze cijfers zijn de particuliere verhuurders niet meegenomen. Daarnaast stonden er in heel Nederland in 2013 volgens het CBS in totaal 391.660 woningen leeg. Voorts wijs ik er op dat veel oplossingen binnen het huidige huisvestingsstelsel nog onvoldoende door gemeenten worden benut, zoals het herverdelen van de taakstelling tussen gemeenten onderling en de mogelijkheid om meer (jongere) vergunninghouders per woning (onzelfstandig) te huisvesten. Ik deel de mening van de VNG derhalve niet.
Op welke wijze wordt deze toestroom vormgegeven zodat ook recht wordt gedaan aan mensen die reeds lange tijd op een wachtlijst staan voor een sociale huurwoning?
Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan de verdeling van woonruimte aan doelgroepen. Uiteraard is het van belang om mensen die al lang staan ingeschreven voor een sociale huurwoning te kunnen huisvesten. Echter, vergunninghouders dienen conform de taakstelling, genoemd in de Huisvestingswet, met voorrang te worden gehuisvest. Het huisvesten van vergunninghouders is een plicht die voortvloeit uit internationale verdragen. Het is voor de vergunninghouders ook van groot belang zo snel mogelijk te kunnen beginnen met het leren van de Nederlandse taal, alsmede een opleiding of werk. Dat komt de spoedige participatie van de vergunninghouder in de maatschappij sterk ten goede.
Op welke wijze denkt u deze opvang zo vorm te geven dat niet alleen de huurders van sociale huurwoningen, maar ook bewoners van koopwoningen, eigenwoningbezitters en de Rijksgebouwendienst een bijdrage kunnen leveren aan de opvang van de toenemende uitstroom?
De hoogte van de instroom van asielzoekers vraagt om onorthodoxe oplossingen. De gemeenten zijn in de eerste plaats zelf aan zet om daar invulling aan te geven. Echter ook van de zijde van de rijksoverheid moet een bijdrage geleverd worden. Ik wijs hierbij op de participatie in het «Platform versnelling uitplaatsing van vergunninghouders» (zie antwoord op vraag 6).
Bent u reeds in overleg met alle betrokken partijen waaronder de VNG om tot een oplossing te komen?
Recent is, zoals gezegd, een «Platform versnelling uitplaatsing van vergunninghouders» in het leven geroepen, waarin bestuurders van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Veiligheid en Justitie en Sociale Zaken en Werkgelegenheid deelnemen en waarvoor ook Interprovinciaal Overleg wordt gevraagd te participeren. Het platform heeft als doel de uitstroom van vergunninghouders aanzienlijk te verbeteren, zowel qua aantal als qua snelheid. In dit overleg worden ook de dilemma’s besproken die spelen bij het uitplaatsen van vergunninghouders en worden oplossingen aangedragen hoe het grote aantal vergunninghouders te huisvesten binnen de gemeenten. Vanuit het Platform bestaat het voornemen om op korte termijn een conferentie te organiseren met betrokkenen uit het veld om problematiek én oplossingen met elkaar te delen.
Overweegt u om de toewijzing per gemeente te wijzigen als dit niet vrijwillig plaatsvindt wanneer extra opvang in sommige gemeenten wel mogelijk zou blijken te zijn?
Binnen het huidige huisvestingsstelsel wordt het herverdelen van de taakstelling tussen gemeenten onderling nog onvoldoende door gemeenten benut. Dit is een instrument uit de Huisvestingswet waar twee of meer gemeenten zelfstandig voor kunnen kiezen. Tot 1 januari 2015 is hier nog toestemming voor nodig van de provincie als toezichthouder op de huisvesting van vergunninghouders. Na die datum, met het inwerking treden van de Huisvestingswet 2014, is die toestemming niet meer nodig. Wel dient de provincie (ook na 1 januari 2015) als toezichthouder er op toe te zien dat gemeenten hun wettelijk opgedragen taakstelling uitvoeren. In geval van taakverwaarlozing hebben zij de mogelijkheid om in te grijpen en in het uiterste geval de vergunninghouders op kosten van de gemeente elders te huisvesten.
Ik ben niet voornemens om de herverdeling van de taakstelling tussen gemeenten onderling van bovenaf op te leggen. Enerzijds kunnen gemeenten, gezien hun huisvestingsstelsels, onderling beter overzien hoe vergunninghouders het best kunnen worden gehuisvest en anderzijds heeft een dergelijk ingrijpen veel weg van het aanpassen van de verdeelsleutel (genoemd in artikel 60a en verder van de Huisvestingswet), die ten grondslag ligt aan de taakstelling. Wijziging van deze verdeelsleutel die is gebaseerd op inwonertal van de gemeente, gemeenten met veel inwoners krijgen een hogere taakstelling dan gemeenten met minder inwoners, acht ik niet opportuun. Er is in het verleden enige malen, samen met gemeenten en provincies, onderzoek gedaan naar alternatieven, maar tot op heden is de huidige verdeelsleutel gehandhaafd. Het is moeilijk om een andere (eerlijker en logischer) verdeelsleutel te bedenken die niet op weerstand zal stuiten. Bovendien is deze wijze van verdeling eenvoudig en transparant en is het benodigde cijfermateriaal onomstreden.
Het onderwijs aan asielkinderen |
|
Marit Maij (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Asielkind overrompelt scholen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen van scholen die de toestroom van leerplichtige asielkinderen niet aankunnen?
Ik heb geen signalen van scholen ontvangen die aangeven dat ze het niet mogelijk achten het onderwijs voor asielzoekerskinderen te verzorgen. Wel zijn er vragen van scholen over onder andere de bekostiging van het onderwijs en de inrichting van het onderwijs.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het onderwijs binnen de procesopvanglocaties tekortschiet?
Ook daarover hebben mij geen signalen bereikt. De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2012 het onderwijs binnen de procesopvanglocaties beoordeeld, waarbij op één locatie een tekort werd gesignaleerd. Deze locatie heeft zich binnen een jaar verbeterd.
Deelt u de mening dat het onderwijs aan asielkinderen onvoldoende is? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het onderwijs aan asielkinderen verbeterd wordt? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Deze mening deel ik niet. Voor de eerste opvang van asielzoekerskinderen wordt door veel scholen aangepast onderwijs verzorgd. De inspectie beoordeelt tweejaarlijks de onderwijskwaliteit hiervan. Uit de rapportages van de inspectie blijkt dat de kwaliteit van het onderwijs aan asielzoekerskinderen wel kwetsbaar is. Van de 27 scholen zijn er vier op dit moment zwak.
In hoeverre zijn er mogelijkheden om scholen te ondersteunen die een grote toestroom hebben van asielkinderen en die geheel nieuwe locaties moeten oprichten? Wat gaat u ondernemen als blijkt dat de huidige mogelijkheden tekortschieten, waarbij de asielkinderen niet het onderwijs kunnen volgen waar ze recht op hebben?
Ik ben in gesprek met de landelijke werkgroep onderwijsondersteuning asielzoekers en nieuwkomers (Lowan) die ondersteuning levert aan scholen om het onderwijs op de nieuwe locaties mogelijk te maken, en met de PO-raad om te bezien op welke manier de ondersteuning kan worden geïntensiveerd.
Wat kan er volgens u op dit gebied in alle redelijkheid van de scholen verlangd worden als de toestroom van asielkinderen zo fluctueert?
Scholen bieden al jarenlang onderwijs aan asielzoekerskinderen. Als de kinderen net in Nederland zijn, zal de school rekening houden met de situatie en mogelijkheden van de leerlingen. Het mag duidelijk zijn dat dit vaak een aangepaste manier van onderwijs is, waarbij rekening wordt gehouden met een grote variatie in achtergronden van de leerlingen. Ook de aantallen leerlingen kunnen sterk fluctueren. De inspectie houdt in het toezicht rekening met deze omstandigheden.
Het ontbreken van een geboortedatum op verblijfsdocumenten en in de Basisregistratie Personen |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Michiel van Nispen , Ronald van Raak |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over mensen van wie bij verschillende instanties verschillende (fictieve) geboortedata zijn geregistreerd?1
Ja.
Is u bekend dat er nog steeds problemen zijn als gevolg van het feit dat mensen bij verschillende instanties verschillende (fictieve of geschatte) geboortedata krijgen zoals 1 januari, 1 juli, maar ook «00-00» of «XX-XX»?2
Dit is mij bekend. Het hebben van een (gedeeltelijk) onbekende geboortedatum doet zich in feite alleen voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren. De in de vraag bedoelde problemen spelen in de praktijk vrijwel uitsluitend bij personen die in Nederland als vreemdeling zijn toegelaten en als ingezetene in de basisregistratie personen (BRP) zijn geregistreerd. Het gaat hierbij om personen die voornamelijk afkomstig zijn uit landen buiten Europa waar (in het verleden) documenten zijn uitgegeven waarin een onvolledige geboortedatum is vermeld. Deze problematiek zal op termijn echter tot het verleden moeten gaan behoren, omdat in de Wet Basisregistratie personen (Wet BRP), die op 6 januari jl. in werking is getreden, een voorziening is getroffen waarbij in de gevallen waarin op het moment van inschrijving van een vreemdeling als ingezetene in de BRP geen geboortedatum kan worden vastgesteld, wordt uitgegaan van de (al dan niet fictieve) geboortedatum die in het kader van de toelating van betrokkene tot Nederland door de Minister van Veiligheid en Justitie is vastgesteld.
Hoe kan het dat een instantie als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een verblijfsvergunning uitreikt met de geboortedatum «00-00», die door andere overheden en instanties niet wordt erkend en derhalve tot praktische problemen leidt? Hoe gaat dit opgelost worden?
De IND baseert zich bij het uitreiken van een verblijfsvergunning primair op de gegevens die over de betrokken persoon in de BRP zijn opgenomen. Indien dit een persoon betreft die voor de inwerkingtreding van de Wet BRP al in de GBA (de voorganger van de BRP) was ingeschreven, is het mogelijk dat deze met een gedeeltelijke geboortedatum («00–00») staat geregistreerd. Er is nagegaan of het voor deze gevallen mogelijk was om achteraf alsnog een volledige (al dan niet fictieve) geboortedatum op te nemen. Gezien het feit dat instanties binnen en buiten de overheid in hun eigen registraties zelf al geboortedata hebben opgenomen van deze personen – die soms al tientallen jaren in Nederland woonachtig zijn- is het alsnog toekennen van een (al dan niet fictieve) geboortedatum echter problematisch. De gevolgen daarvan zowel voor de betrokken instanties als voor de burger zelf zijn niet goed in te schatten en kunnen ingrijpend zijn, bijvoorbeeld waar het gaat om opgebouwde rechten. Er is daarom bij de totstandkoming van artikel 2.17 Wet BRP besloten af te zien van het treffen van een dergelijke regeling voor deze bestaande gevallen.
Wat is er terechtgekomen van de toezegging in de eerdere antwoorden op vragen om uit te gaan van een fictieve geboortedatum voor de basisregistratie? Wat heeft het onderzoek naar de uitvoeringsconsequenties opgeleverd?
Zoals uit de hiervoor gegeven antwoorden blijkt, is in artikel 2.17 Wet BRP geregeld dat indien van een vreemdeling op het moment van inschrijving als ingezetene in de BRP geen volledige geboortedatum kan worden vastgesteld, de (al dan niet fictieve) geboortedatum dient te worden ontleend aan de mededeling daarover van de Minister van Veiligheid en Justitie. Met deze regeling is gevolg gegeven aan de eerdere antwoorden op de door u genoemde Kamervragen. Overigens is het niet noodzakelijk dat andere instanties door mij dringend hoeven te worden verzocht om van deze zelfde datum uit te gaan. In de Wet BRP is immers al geregeld dat de daarin opgenomen (al dan niet fictieve) geboortedatum, als zijnde één van de authentieke gegevens, in beginsel verplicht moet worden gebruikt door bestuursorganen indien zij deze informatie over een ingeschrevene nodig hebben voor de uitvoering van hun taak.
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010 nr. 164
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009- 2010 nr. 1048
Bent u bereid er voor te zorgen dat in de basisregistratie, in het geval de geboortedatum niet bekend is en niet achterhaald kan worden, gekozen wordt voor één bepaalde geboortedatum, niet zijnde «00-00» of «XX-XX»? Bent u tevens bereid andere instanties dringend te verzoeken, en voor zover mogelijk te verplichten, van deze zelfde datum uit te gaan?3
Zie antwoord vraag 4.
De financiële problemen van scholen in het basis- en voortgezet onderwijs die te maken hebben met een grote toestroom aan asielkinderen |
|
Paul van Meenen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Scholen overrompeld door toestroom asielkinderen»?1
Ja.
Erkent u dat er een probleem is met de financiering van scholen die een relatief grote instroom van asielkinderen kennen, en dat dit deels te wijten is aan het huidige systeem dat basisscholen en middelbare scholen respectievelijk slechts één, resp. twee meetmomenten per jaar kennen voor leerlingaantallen?
De faciliteiten die beschikbaar zijn voor scholen ten behoeve van het onderwijs aan asielzoekerskinderen zijn naar mijn mening voldoende. De betreffende regelingen houden rekening met de fluctuaties van de in- en uitstroom van het aantal asielzoekerskinderen. Er zijn naast de basisbekostiging van scholen, verschillende faciliteitenregelingen van toepassing. Voor het basisonderwijs zijn dit de faciliteiten genoemd in artikel 43, 44 en 45 van de regeling bekostiging personeel PO 2014–2015. De in artikel 43 (toename aantal asielzoekerskinderen) genoemde faciliteiten voor basisscholen zijn bij een tussentijdse instroom direct beschikbaar. In artikel 44 (eerste opvang vreemdelingen) zijn drie peildata maatgevend voor de bekostiging. Artikel 45 (opvang asielzoekerskinderen in procesopvanglocaties en gezinslocaties) heeft één peildatum, te weten 1 oktober. Om voor de laatstgenoemde regeling in aanmerking te komen, moesten scholen voor 1 juli 2014 een aanvraag indienen. Vanwege de verhoogde instroom van asielzoekers worden momenteel nieuwe procesopvanglocaties en gezinslocaties geopend. Om het voor scholen mogelijk te maken ook na 1 juli direct van deze faciliteiten gebruik te kunnen maken, zal ik deze regeling aanpassen, zodat scholen ook op een later moment een aanvraag kunnen indienen.
Er zijn signalen vanuit de PO-raad dat in bepaalde specifieke situaties er een knelpunt is in de bekostiging voor basisscholen. Ik onderzoek momenteel met de PO-raad of, en zo ja welke specifieke knelpunten zich voordoen en hoe we dit kunnen oplossen.
Ook voor het voortgezet onderwijs geldt een adequate regeling, namelijk de Regeling Leerplusarrangement VO, Nieuwkomers VO en eerste opvang Vreemdelingen. Voor de eerste opvang wordt eenmalig een aanvullende bekostiging eerste opvang toegekend. Deze bedraagt € 4.500,– op jaarbasis per vreemdeling. De aanvullende bekostiging eerste opvang heeft steeds betrekking op een periode van zes maanden, met als peildata 1 oktober (voor de periode juli direct voorafgaand aan deze peildatum tot en met december direct volgend op de peildatum) en 1 april (voor de periode januari direct voorafgaand aan deze peildatum tot en met juni direct volgend op de peildatum). Daarnaast wordt ten behoeve van nieuwkomers aanvullende bekostiging verstrekt. De op de peildatum van 1 oktober getelde nieuwkomers (de leerling die op de teldatum korter dan één jaar dan wel één tot twee jaar in Nederland verblijft) geven recht op een verhoging van de personele bekostiging. In geval van nieuwkomers die op de teldatum korter dan één jaar in Nederland zijn, wordt per 15 leerlingen één maal de gemiddelde personeelslast bekostigd. Voor nieuwkomers die op de teldatum één tot twee jaar in Nederland zijn, wordt per 25 leerlingen één maal de gemiddelde personeelslast bekostigd.
Kunt u uiteenzetten wat de schaal is van de toestroom waar scholen de afgelopen jaren mee te maken hebben gekregen en wat hier de financiële gevolgen van zijn voor de scholen?
Uit gegevens van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) blijkt dat de instroom van asielzoekers de afgelopen jaren – van 2001 tot 2013 – flink is afgenomen (van 83.000 per jaar naar 15.000 per jaar). 2014 laat weer een toename zien naar ruim 21.000 tot 1 september 2014.
De faciliteitenregelingen genoemd in het vorige antwoord, bieden in beginsel scholen voldoende financiële mogelijkheden om het onderwijs aan asielzoekerskinderen te kunnen verzorgen.
Kunt u ook aangeven wat de verwachting is over de omvang van de toestroom van asielkinderen waarmee scholen in de nabije toekomst te maken krijgen en wat dit voor effect zal hebben op de scholen, hun financiële situatie en de kwaliteit van het te bieden onderwijs?
De toestroom van het aantal asielzoekers is moeilijk in te schatten. In het voorjaar was er een verhoogde instroom van Somaliërs en Eritreërs. Op dit moment zijn het vooral asielzoekers uit Syrië en Irak. De aantallen kinderen die met de ouders meereizen en asiel aanvragen fluctueert sterk per land van herkomst. De verwachting is dat op basis van de instroom tot nu toe ca. 6.000 leerplichtige asielzoekerskinderen in 2014 zullen instromen in het onderwijs. Door de huidige manier van opvang en doorstroom in het onderwijs, verwacht ik geen grote problemen voor het onderwijs. Te meer omdat de aantallen asielzoekerskinderen in het verleden veel hoger zijn geweest.
Bent u van mening dat de huidige middelen van scholen voldoende zijn om de situatie nu en in de directe toekomst het hoofd te bieden? Zo nee, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de middelen wel toereikend zijn?
Ik ben van mening dat de middelen die po- en vo-scholen ontvangen voor de opvang van asielzoekerskinderen in het algemeen voldoende zijn. De vigerende faciliteitenregelingen bieden naar mijn mening scholen ruim voldoende mogelijkheden om het onderwijs aan asielzoekerskinderen te verzorgen. Zie verder het laatste deel van het antwoord op vraag 2.
Gaat u actie ondernemen in de richting van scholen in het basis- en voortgezet onderwijs om de huidige en potentiële toekomstige problemen aan te pakken op dit gebied? Zo ja, welke actie?
Met name basisscholen die voor het eerst worden geconfronteerd met asielzoekerskinderen hebben veel vragen op het gebied van onder andere de bekostiging en inrichting van het onderwijs. Ik ben in gesprek met de PO-raad en het Lowan over de wijze waarop de ondersteuning aan scholen kan worden geïntensiveerd.
Kunt u garanderen dat scholen degelijk onderwijs kunnen blijven bieden aan alle leerlingen op de korte en lange termijn en dat de kwaliteit van het onderwijs in Nederland kan worden gewaarborgd?
Scholen worden in staat gesteld om voor alle leerlingen kwalitatief goed onderwijs te verzorgen. Onderwijs aan asielzoekerskinderen vindt in eerste instantie vaak plaats in aparte locaties of in aparte groepen. Na enige tijd zal een deel van de kinderen instromen in het regulier onderwijs. Ook voor deze kinderen is de gewichtenregeling basisonderwijs van toepassing waardoor scholen over voldoende middelen kunnen beschikken, zodat op korte en lange termijn de onderwijskwaliteit kan worden gewaarborgd.
Het bericht dat scholen de toestroom van asielkinderen nauwelijks aan kunnen |
|
Sietse Fritsma (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «Asielkind overrompelt scholen» en «Arabisch briefje wijst de weg»?1 2
Ja.
Als Den Helder voor dit moment al ongeveer 60 extra leerlingen in het basisonderwijs verwacht, wat een extra financiële belasting betekent van ruim 500.000 euro voor de komende twee schooljaren, met hoeveel extra asielkinderen moet Den Helder bij benadering tot en met mei 2017 rekening houden en met hoeveel extra kosten gaat dat gepaard?
De gezinslocatie Den Helder krijgt een maximale capaciteit van circa 600 asielzoekers. Hiervan zal naar schatting 10 procent de basisschoolleeftijd hebben. Indien deze capaciteit eind 2014 geheel bezet is, is er daarna geen toename meer mogelijk. Wel zullen er leerlingen in- en uitstromen. De totale kosten voor dit aantal leerlingen tot en met mei 2017 zullen op basis van deze aannames circa € 630.000 zijn.
Ervan uitgaand dat de grenzen voor asielzoekers niet dichtgaan onder het huidige VVD/PvdA-beleid, hoeveel verwacht u dan voor het gehele landelijke onderwijs extra uit te moeten geven voor het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs tot en met mei 2017, het tijdstip van de verkiezingen? Hoe gaat u dat financieren?
Op basis van de extra instroom in 2014 en de aanname dat deze instroom ook de komende jaren van deze omvang is, zijn de extra kosten voor de schooljaren 2014/2015, 2015/2016 en 2016/2017 geraamd op respectievelijk € 22, € 38 en € 41 miljoen euro. Voor het onderwijs zijn verschillende regelingen voor de eerste opvang. Vervolgens zal een deel van de asielzoekers in Nederland blijven en onder de reguliere bekostiging van het onderwijs vallen en daarmee onder de reguliere manier van financiering van het onderwijs via de leerlingaantallen.
Bent u het ermee eens dat de noodklok die nu door VOS/ABB en de PO-Raad wordt geluid erop duidt dat het opengrenzenbeleid van deze regering ontwrichtend werkt op het onderwijsbestel?3
Ik deel deze mening niet. Nederland neemt al sinds de jaren ’80 asielzoekers op. Daarmee zijn de afgelopen jaren ook veel kinderen het onderwijs ingestroomd. De scholen zijn goed in staat om het onderwijs aan deze kinderen te verzorgen. Een aantal scholen in de omgeving van de asielzoekerscentra heeft zich gespecialiseerd in het onderwijs aan asielzoekerskinderen. De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2012 het onderwijs op deze scholen geëvalueerd. De kwaliteit van het onderwijs op deze scholen en andere scholen die de eerste opvang van nieuwkomers verzorgen bleek nog kwetsbaar. Van deze scholen hadden 27 een basisarrangement en waren er zes zwak. Voor deze laatste scholen loopt een aangepast toezichtarrangement. Het aantal zwakke scholen loopt wel terug, momenteel zijn het er nog vier.
Deelt u de mening dat het sluiten van de grenzen positief zou bijdragen aan het handhaven en de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsbestel?
Ik ben het daarmee niet eens. Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht dat meer uitgeprocedeerde asielzoekers een pardonvergunning krijgen |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Waarom strooit u wederom met verblijfsvergunningen terwijl Nederland op dit moment overspoeld wordt door duizenden asielzoekers en Nederland deze massa-immigratie al lang niet meer aan kunnen?1 Realiseert u zich dat door de vele toegelaten asielzoekers op veel plaatsen al geen huurwoningen meer beschikbaar zijn voor gewone woningzoekenden en er veel te veel extra geld gaat naar opvang, uitkeringen etc.?
De regeling langdurig verblijvende kinderen is op 1 februari 2013 in werking getreden. Ik heb uw Kamer sinds de invoering van de regeling meerdere malen geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de overgangsregeling.
In mijn brief van 24 september 2014 (Kamerstuk 19 637, nr. 1893) ben ik uitgebreid ingegaan op de afdoening van de zogenaamde «buiten beeldzaken», waarop het aangehaalde item van RTL Nieuws betrekking heeft.
Wanneer asielzoekers een verblijfsvergunning krijgen, gaan zij deel uitmaken van de Nederlandse maatschappij. Het is van groot belang voor zowel integratie als participatie dat deze «vergunninghouders» zo snel mogelijk woonruimte betrekken. Om die reden is in artikel 60a e.v., van de Huisvestingswet, de taak voor gemeenten neergelegd om in de huisvesting van vergunninghouders te voorzien. Hoewel ik mij realiseer dat het huisvesten van deze groep op de woningmarkt drukt, is dit een verplichting die tijdig en volledig uitgevoerd dient te worden.
Waarom beloont u het door uitgeprocedeerde asielzoekers negeren van de vertrekplicht / illegaal verblijven in Nederland? Beseft u dat u andere uitgeprocedeerde asielzoekersgezinnen bevestigt in hun idee dat het loont na een afwijzing toch in ons land te blijven?
Zoals ik onder andere in mijn brief van 13 september 2013 over de toezeggingen op Rapporten en adviezen vreemdelingenbeleid (Kamerstuk 19 637, nr. 1721), onderdeel D, uiteen heb gezet, is het uitgangspunt van het vreemdelingenbeleid dat vreemdelingen die niet in Nederland mogen blijven, dienen terug te keren. Over het algemeen is terugkeer ook mogelijk. Aan dit uitgangspunt houd ik vast De maatregelen in het kader van de regeling langdurig verblijvende kinderen zijn geenszins bedoeld als een wijziging van dit uitgangspunt.
Hebt u afspraken gemaakt met de PvdA en / of andere politieke partijen teneinde uitgeprocedeerde asielzoekersgezinnen alsnog te legaliseren? Zo ja, wat is de aard van deze afspraken? Zo nee, waarom ondermijnt u uw eigen terugkeerbeleid door uitgeprocedeerde gezinnen te legaliseren die wel terug konden keren naar hun land van herkomst maar dit simpelweg niet wilden?
Zie antwoord vraag 2.
Een oplossing voor de massale toestroom van asielzoekers |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Teeven zoekt dringend en overal opvangplekken»?1
Ja.
In hoeverre erkent u inmiddels dat het Nederlandse asielsysteem niet toereikend is voor de aanhoudende massale instroom van asielzoekers en drastisch moet worden herzien?
Hoewel duidelijk is dat de huidige hoge asielinstroom de betrokken organisaties en partijen in en bij de vreemdelingenketen voor belangrijke uitdagingen stelt, deel ik niet het oordeel dat het Nederlandse asielsysteem niet toereikend is.
Dat neemt niet weg dat, zeker in Europees verband, verbeteringen mogelijk en nodig zijn.
Er wordt in Europees verband samengewerkt om te zorgen dat asielzoekers in alle landen dezelfde kansen en voorzieningen hebben, zodat sommige landen, zoals Nederland, niet disproportioneel belast worden. Ook is er nadrukkelijk aandacht voor de versterking van bescherming en opvang in de regio.
Het kabinet is alert op tekenen van fraude, misbruik en mensensmokkel. De maatregelen die zijn ingezet toen de Eritrese instroom piekte, worden, waar toepasbaar op andere nationaliteiten, opnieuw toegepast. Het Kabinet staat er evenwel voor dat personen die bescherming nodig hebben, deze bescherming ook daadwerkelijk krijgen.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden u ziet teneinde asielzoekers die in Nederland aan de deur kloppen, op te vangen in andere landen, zoals andere landen ook bijvoorbeeld hun gevangenen in Nederland onderbrengen?
Asielzoekers, waarvoor Nederland verantwoordelijkheid draagt, opvangen in andere landen is in acute noodsituaties voorstelbaar. Dat zou aan de orde kunnen zijn wanneer het voor een korte periode niet mogelijk is om voldoende verantwoorde opvangplekken binnen Nederland te vinden. Als algemeen uitgangspunt acht ik het opvangen in andere landen echter niet opportuun of wenselijk. Het feitelijk vormgeven van de asielprocedure terwijl de asielzoeker zich buiten Nederland bevindt, zal logistiek lastiger zijn. Ook het garanderen van de benodigde basisvoorzieningen, waaronder medische zorg, inclusief de bijbehorende informatie-uitwisseling, zou in die situatie een grote inspanning vergen, waarbij ook heldere afspraken nodig zijn over ieders verantwoordelijkheid.
Wat is de reden dat u weigert in EU-verband met de vuist op tafel te slaan teneinde een Nederlandse opt-out af te dwingen op het gebied van immigratie en asiel?
Deze vraag is recent al door dezelfde vraagstellers gesteld. Het antwoord op die vraag is ongewijzigd2. Nog los van de feitelijke mogelijkheden daartoe en de overige consequenties daarvan, zie ik daartoe op grond van de inhoud van het migratiedossier geen aanleiding. Het migratiedossier, en ook het terugkeerdossier daarbinnen, is bij uitstek een dossier dat niet goed binnen de eigen landsgrenzen kan worden opgelost of vormgegeven. Juist een gezamenlijke Europese inzet is essentieel om tot (deel) oplossingen te komen.
De gevolgen van de stroomlijning van de toelatingsprocedures |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat sinds 1 april 2014 bij een aanvraag voor asiel of voor een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ongevraagd en op eigen initiatief alle mogelijke humanitaire gronden meetoetst, ook al waren die (nog) niet aan de orde en zijn die niet door de aanvrager genoemd?
Klopt het dat als de vreemdeling later alsnog een verblijfsvergunning vraagt met een verblijfsdoel dat eerder ongevraagd is getoetst, de latere aanvraag altijd wordt aangemerkt als een opvolgende aanvraag?
Klopt het dat dit ook het geval is als ten tijde van de eerste aanvraag de reden voor het latere verblijf nog niet bestond, zoals in geval van een ziekte die is ontstaan of ontdekt na de eerste procedure, waarvoor medische behandeling noodzakelijk was, of een situatie van uitbuiting of mensenhandel die pas heeft plaatsgevonden na de eerste procedure?
Klopt het dat volgens de nieuwe normen van gefinancierde rechtsbijstand, de opvolgende aanvraag in een geval als genoemd in vraag 3, de vergoeding van rechtsbijstand bij een afwijzing is beperkt tot 2 punten (circa 210 euro)? Zo ja, erkent u dat dit een grote drempel kan opwerpen voor de vreemdeling om een advocaat te vinden?
Bij afwijzing van een vervolgaanvraag asiel is de vergoeding inderdaad beperkt tot 2 punten. De bedoeling van deze maatregel is om het stapelen van nodeloze procedures tegen te gaan. Indien de aanvraag zinloos is, zal de advocaat de cliënt adviseren geen aanvraag in te dienen. Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ontvangt de advocaat de volledige vergoeding als de vreemdeling in het gelijk wordt gesteld. In geval van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ontvangt de rechtsbijstandverlener al geruime tijd op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria geen toevoeging.
Aangezien in asielzaken de coördinatie door de raad voor rechtsbijstand wordt gedaan, komt het in de praktijk niet voor dat een asielzoeker geen advocaat zal kunnen vinden.
Op welke wijze heeft u onderzocht of er voldoende gekwalificeerde advocaten zullen zijn die in deze procedures rechtsbijstand zullen kunnen verlenen? Heeft u daarbij onderzocht hoeveel uren advocaten gemiddeld besteden aan de bezwaar- en beroepsprocedure?
De maatregel is voordat hij in werking trad getoetst in een zogenaamde «ex ante uitvoeringstoets». Noch uit deze ex ante uitvoeringstoets, noch uit contacten met de raad voor rechtsbijstand is gebleken dat er onvoldoende gekwalificeerde advocaten zijn om rechtsbijstand te verlenen aan vreemdelingen, ook als zij een tweede of volgende aanvraagprocedure starten. Meer in het algemeen is het aantal rechtsbijstandverleners dat op toevoegbasis werkt wederom gestegen in 2013.1 Ook in 2014 is door de raad voor rechtsbijstand geen daling waargenomen van het aantal advocaten dat deelneemt aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.
De gemiddelde uurbesteding van de advocaat is in het kader van dit programma niet nader onderzocht, maar is gebaseerd op het huidige puntensysteem in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Doel van het programma was immers het stapelen van procedures tegen te gaan, hetgeen een lagere vergoeding rechtvaardigt. Aan de rechtsbijstandverlener wordt in beginsel voor de behandeling van een tweede of volgende asielaanvraag een vergoeding toegekend gebaseerd op 7 punten. Voor de behandeling in beroep ontvangt de advocaat 8 punten en in hoger beroep 5 punten.
Artikel 13 van het Europeees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden vereist toegang tot een effectief rechtsmiddel; bent u van mening dat in dit soort zaken bijstand door een advocaat in de bezwaar- en beroepsfase noodzakelijk is om van een effectief rechtsmiddel te kunnen spreken?
De toegang tot een effectief rechtsmiddel dient onder het EVRM gewaarborgd te zijn. Het EHRM overweegt in zijn jurisprudentie dat het recht op een effectief rechtsmiddel niet inhoudt dat artikel 13 van het EVRM een recht op gratis rechtsbijstand garandeert. De ingevoerde gedifferentieerde vergoedingensystematiek voor de rechtsbijstandverlener biedt nog steeds gratis rechtsbijstand aan vreemdelingen die opvolgende (asiel)procedures starten.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat niet meer ambtshalve allerlei reguliere verblijfsgronden worden meegetoetst als daarop geen beroep is gedaan of als de situatie van de vreemdeling daartoe geen aanleiding geeft? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Het ambtshalve meetoetsen van humanitair- reguliere aanvragen vormt de kern van het Programma Stroomlijning Toelatingsprocedures (PST) waar uw Kamer in meerdere brieven en debatten over is geïnformeerd2 en waarmee uw Kamer heeft ingestemd. PST is gefaseerd ingevoerd, waarbij de laatste maatregelen op 1 april 2014 in werking zijn getreden. De centrale doelstelling van PST was om vreemdelingen snel duidelijkheid te geven en het stapelen van procedures tegen te gaan. Dit wordt bewerkstelligd door snelle en volledige dossieropbouw in de eerste procedure, waardoor bij eventuele tweede en volgende procedures zeer snel beslist kan worden. Het ambtshalve meetoetsen van humanitair-reguliere gronden vormt hier een essentieel onderdeel van.
Italiaanse illegalen-taxi's |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielzoekers zijn lucratieve handel voor Italiaanse taxi-chauffeurs»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel illegalen via Italiaanse taxi-chauffeurs ons land zijn binnengekomen en hoeveel chauffeurs er zijn aangehouden?
Zoals ik onder meer in mijn brief van 19 mei 2014 (TK 19 637, nr. 1820) heb gemeld, komen vele illegale migranten via Italië het Schengengebied binnen. Uit de thans beschikbare informatie blijkt dat deze migranten vervolgens verschillende vervoersmiddelen (auto, bus, trein of vliegtuig) gebruiken om door te reizen naar andere lidstaten, waaronder Nederland. Het is niet bekend hoeveel illegale migranten door Italiaanse taxichauffeurs zijn vervoerd. In de aanpak van mensensmokkel zijn in 2014 ruim 150 personen aangehouden. Geen van deze verdachte personen heeft de Italiaanse nationaliteit.
Op welke wijze wordt de Italiaanse regering bewogen in te grijpen tegen deze illegalen-taxi's?
De problematiek van secundaire illegale migratiestromen vanuit de zuidelijke lidstaten, onder andere Italië, naar andere landen in het Schengengebied en de aanpak hiervan is al enige tijd onderwerp van gesprek in de JBZ-Raad. Op Europees niveau worden maatregelen getroffen om georganiseerde illegale migratie te bestrijden. Zo richt het European Multidisciplinary Platform Against Crime Threat (EMPACT)-project illegale immigratie zich specifiek op de bestrijding van georganiseerde illegale migratie naar het Schengengebied. Daarnaast worden binnen dit project verschillende operationele acties door de lidstaten uitgevoerd om ook secundaire illegale migratie in het Schengengebied aan te pakken. Italië is nauw betrokken bij dit EMPACT-project.
Erkent u inmiddels dat het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie en de onstuitbare immigrantenstromen die dit met zich meebrengt, een ontwrichtende werking heeft op de Nederlandse samenleving?
Het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie ziet op verschillende aspecten: personen kunnen zonder persoonscontrole binnen het Schengengebied reizen, zich onder bepaalde voorwaarden vestigen en arbeid verrichten. Het recht op vrij verkeer van personen is een van de belangrijkste verworvenheden van de EU. Het kabinet steunt dit principe volledig. Daarbij dient er wel aandacht te zijn voor de negatieve effecten van dit vrij verkeer.
Welke maatregelen heeft u genomen om deze vorm van illegalenhandel tegen te gaan ten einde te voorkomen dat Nederland nog meer asielzoekers krijgt te verwerken?
Met mijn brief van 19 mei jl. heb ik uw kamer geïnformeerd over de maatregelen om de illegale migratiestroom en mensensmokkel naar Nederland tegen te gaan. Enkele voorbeelden daarvan zijn de plaatsing van een liaison van het Openbaar Ministerie in Rome en het verscherpt toezicht door de Koninklijke Marechaussee en de politie. Verder wordt in EU-verband samengewerkt aan de maatregelen uit de Taskforce voor het Middellandse Zeegebied. Deze maatregelen zien op de problematiek binnen het Schengengebied, de bewaking van de Europese buitengrenzen, en het versterken van de samenwerking met herkomst- en transitlanden om de oorzaken van de migratiestromen aan te pakken. Hierbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat de voorgaande maatregelen er niet toe leiden dat vreemdelingen die de Nederlandse grens bereiken en asiel aanvragen niet meer in de asielprocedure terecht komen.
De zelfmoord van een 17-jarige Afghaanse jongen op de campus voor alleenstaande minderjarigen in Oude Pekela |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (GL), Bram van Ojik (GL), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de zelfmoord van een 17-jarige Afghaanse jongen op de campus voor alleenstaande minderjarigen in Oude Pekela?
Ja.
Kreeg deze jongen psychische hulp of andere begeleiding?
Klopt het dat deze jongen al geruime tijd in het bezit was van een verblijfsvergunning? Zo ja, kunt u toelichten waarom deze jongen nog op de campus verbleef?
Klopt het dat een aantal dagen heeft geduurd voor dat deze jongen werd gevonden? Zo ja, hoelang heeft dit geduurd? Wat zegt dit over het toezicht en de begeleiding op de campus?
Hoe wordt er door de instanties aan de betrokken, zoals familie en medebewoners, gecommuniceerd over deze gebeurtenis?
Zijn de andere bewoners van deze woonunit inmiddels ergens anders gehuisvest als zij dit hebben aangevraagd?
Welke maatregelen worden er getroffen naar aanleiding van deze gebeurtenis om dit in de toekomst te voorkomen?
Suïcides hebben altijd grote impact op de omgeving; naasten, nabestaanden, en ook op professionals. Dat is deze keer niet anders. Door de bewoners, de medewerkers van het Centraal Opvang Asielzoekers (COA), maar ook door mijzelf wordt de zelfdoding van betrokkene ervaren als een zeer tragische gebeurtenis.
Binnen de vreemdelingenketen is er bijzondere aandacht voor suïcidedreiging. Ondanks een adequate organisatie en toegang tot medische zorg en alle zorg en aandacht van medewerkers binnen de vreemdelingenketen, is suïcide niet in alle gevallen te voorkomen.
Zal er een onderzoek door de Inspectie Jeugdzorg worden ingesteld?
Van de Inspectie heb ik het volgende begrepen. Er is melding gedaan van de gebeurtenis bij de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie heeft nadere informatie gevraagd van Nidos en COA over de omstandigheden van betrokkene en de handelwijze van COA en Nidos. De Inspectie heeft op grond van deze informatie geconcludeerd geen aanleiding te zien om een nader onderzoek in te stellen.
De berichten ‘Hulpdiensten mochten niet in vluchtgebouw’ en ‘Van der Laan wil opvang voor vluchtelingen’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Hulpdiensten mochten niet in vluchtgebouw» en «Van der Laan wil opvang voor vluchtelingen»?1 2
Ja.
Klopt het dat medebewoners van het vluchtgebouw in Amsterdam een ernstig gewonde asielzoeker naar buiten moesten dragen omdat het ambulancepersoneel niet naar binnen mocht? Klopt het eveneens dat ook bij de vluchtgarage het een uur duurde voordat de hulpdiensten naar binnen mochten? Waardoor werd deze vertraging veroorzaakt?
De betrokken partijen in Amsterdam hebben mij laten weten dat het klopt dat het slachtoffer door derden/medebewoners naar buiten is verplaatst. Het ambulanceteam kreeg bij de ritopdracht de vermelding mee dat hulpverleners het gebouw niet zomaar mochten betreden vanwege de aanwezigheid van asbest. Na overleg tussen de hulpdiensten heeft de politie onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om veilig het pand te betreden. In de tussentijd hebben medebewoners zelf besloten om de gewonde man naar buiten te brengen en over te dragen aan het ambulanceteam. Dit gebeurde globaal 5–7 minuten na aankomst van de ambulance.
De betrokken partijen laten weten dat het niet klopt dat bij de vluchtgarage een uur moest worden gewacht voordat het sein veilig gegeven werd. Om veiligheidsredenen is, volgens protocol, eerst de politie ter plaatse gegaan om te onderzoeken of het veilig was. Na het sein veilig is het ambulanceteam onder politiebegeleiding het pand ingegaan. Het ambulanceteam heeft 10 tot 15 minuten moeten wachten alvorens het slachtoffer bereikt kon worden.
Wordt medische zorg standaard geweigerd wanneer er mogelijk asbest aanwezig is? Zo nee, wat is dan het protocol? Bent u van mening dat de medische zorg in deze casus afdoende is gewaarborgd?
Nee, medische zorg wordt niet standaard geweigerd, maar de veiligheid van de hulpverleners staat voorop. Ambulancezorg wordt pas verleend als de omstandigheden om een slachtoffer te bereiken veilig zijn. Er zijn veiligheidsvoorschriften die in acht moeten worden genomen indien besmettingsgevaar aanwezig is. Deze zijn vastgelegd in de Landelijke Protocollen Ambulancezorg (LPA). Protocol 5.20 «Veiligheid» is van toepassing in deze situatie. Uitgangspunt bij dit protocol is dat de politie en/of brandweer een veiligverklaring afgeven. Zonder veiligverklaring wordt het gebied/pand niet betreden en dienen ambulancezorgverleners zich op veilige afstand te houden.
De aanwezigheid van asbest werpt een barrière op voor adequate zorgverlening omdat navolging van de veiligheidsvoorschriften vereist wordt. Overigens heeft het ambulanceteam aangegeven dat de gang van zaken geen ernstige gevolgen heeft gehad voor de medische zorg aan het slachtoffer.
Wanneer waren de hulpdiensten op de hoogte van het mogelijke asbestgevaar? Was de gemeente ook op de hoogte van dit risico? Waarom is er niet voor gekozen het vluchtgebouw onmiddellijk te ontruimen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid toen bekend werd dat er asielzoekers in dit pand verbleven?
De betrokken partijen hebben mij laten weten dat de hulpdiensten op de hoogte waren van het asbestgevaar vanaf 24 augustus. Een wijkagent heeft op die datum een bezoek gebracht aan het vluchtgebouw en heeft de aanwezigheid van asbest in bepaalde ruimtes geconstateerd. Zij heeft hiervan melding gedaan. Op maandag 25 augustus is door deskundigen het pand geïnspecteerd. Zij kwamen tot de conclusie dat asbest aanwezig was in bepaalde ruimtes. Zolang deze afgesloten ruimtes niet betreden zouden worden, bestond er geen gevaar voor de gezondheid van de bewoners.
Hoe verklaart u het feit dat het ambulancepersoneel geen toestemming kreeg het pand te betreden terwijl hetzelfde pand niet onmiddellijk werd ontruimd in afwachting van het onderzoek? Bent u van mening dat hiermee in het belang van de bewoners is gehandeld?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2, 3 en 4. De gemeente Amsterdam heeft mij laten weten dat er in geval van kraak, waarbij er mogelijk sprake is van een evident gevaarlijke situatie, eerst door deskundigen wordt onderzocht of er daadwerkelijk sprake is van een dergelijke gevaarlijke situatie. Alleen indien de deskundigen oordelen dat er een acuut gevaar is, een gevaar dat niet door het treffen van maatregelen voorkomen kan worden, is er reden voor een spoedontruiming.
Bent u bereid – in het belang van de volksgezondheid en de openbare orde – in te gaan op de oproep van de burgemeester van Amsterdam om de bed-, bad- en broodregeling zo snel mogelijk landelijk in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op de Kamervragen van de leden Van Ojik (GroenLinks), Voordewind (ChristenUnie), Schouw (D66) en Gesthuizen (SP) aan over het bericht «Discussie illegalen op scherp» van 9 september jl.3