Onderwijs in asielzoekerscentra |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Bram van Ojik (GL), Paul van Meenen (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «Jongeren in azc's verstoken van onlineonderwijs door slechte wifi: «soms doen ze 's nachts hun huiswerk»»?1
Ja.
Is het u bekend dat vanwege slechtwerkende wifi honderden jongeren in asielzoekerscentra (azc’s) geen onlineonderwijs kunnen volgen? Zo ja, wat is de aard en de omvang van deze problemen? Zo nee, kunt u zich dan op de hoogte stellen van deze problemen?
Zoals ik in mijn brief van 17 april jl met uw Kamer heb gedeeld, bleek al vrij snel na de invoering van de coronamaatregelen dat de netwerkcapaciteit op een aantal COA-locaties niet was ingericht op het intensieve gebruik waar toen behoefte aan ontstond, waaronder voor thuisonderwijs aan studenten en kinderen. Dit was reden voor het COA om, in samenwerking met de provider, waar mogelijk zowel de bandbreedte als de WiFi-capaciteit uit te breiden. De verwachting was dat dit in april gereed zou komen, maar deze planning bleek te ambitieus. Inmiddels kan evenwel gemeld worden, dat de voorgenomen uitbreiding op alle locaties gerealiseerd is.
Het onderzoek van de werkgroep Kind in AZC onder scholen vond plaats op een moment dat de uitbreiding van de bandbreedte en de WiFI-capaciteit op de diverse COA-locaties nog gaande was. Inmiddels is deze afgerond, waarbij ik aanteken dat dit niet betekent dat overal volledige dekking zal zijn van goedwerkende WiFi. Net als voor alle locaties in Nederland geldt namelijk dat dekking op COA-locaties van meerdere factoren afhankelijk is, te weten de lokaal beschikbare bandbreedte, gebouwtype, afstanden binnen de locatie, gebruikte materialen in het gebouw, verstoringen door andere randapparatuur etc.
In het kader van de uitbreiding die is gerealiseerd, zijn op de COA-locaties de bandbreedtes verhoogd en daarnaast zijn twee nieuwe netwerken uitgerold: één voor scholieren en één voor bewoners. Het netwerk «Student» biedt op schooldagen tussen 08.00 en 18.00 uur een hogere prioriteit dan het netwerk «bewoners», waardoor voor scholieren beter (video)contact met school mogelijk is en er goed gewerkt kan worden aan schoolopdrachten. Dit kan tenminste in de centrale ruimtes en de computerruimtes, zowel met eigen (school)apparatuur door middel van WiFi als met de computers die zich in de computerruimtes bevinden. Uiteraard worden in deze ruimtes de RIVM-richtlijnen in acht genomen.
Sinds de uitbreiding monitort het COA dagelijks het gebruik van de bandbreedte en het gebruik van de WiFi via het netwerk »Student». Daaruit is tot nu toe gebleken dat anders dan daarvoor met de opwaardering op alle COA-locaties voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar is gekomen om aan de vraag te voldoen. Verder heeft het COA tijdelijk een separate helpvoorziening ingericht ten behoeve van de promotie van deze voorzieningen, het beantwoorden van vragen en het oplossen van problemen.
Is het waar dat er azc’s zijn waar onvoldoende laptops of tablets zijn om schoolgaande kinderen online onderwijs te laten krijgen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Uit de signalen die zijn ontvangen, blijkt inderdaad dat er COA-locaties waren waar niet alle kinderen beschikking hadden over apparatuur om online onderwijs te volgen. De Minister van Basis-, Voortgezet Onderwijs en Media acht het van groot belang dat alle leerlingen in deze bijzondere tijd onderwijs op afstand kunnen volgen. Daarom heeft hij in totaal EUR 6,3 mln. vrijgemaakt voor de aanschaf van laptops en tablets voor leerlingen die daar niet over kunnen beschikken. Schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen zijn in dit kader aangemerkt als kwetsbare groep.
SIVON, een coöperatie van schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs, heeft geïnventariseerd wat de behoefte is aan laptops en tablets en waar schoolbesturen zelf of in samenwerking met lokale initiatieven niet in konden voorzien. Dertig schoolbesturen hebben aangegeven behoefte te hebben aan bijna 1.100 apparaten voor schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen. Deze aanvragen zijn met voorrang behandeld en de benodigde apparatuur wordt in bruikleen verstrekt. Er is voldoende budget om in de behoefte voor deze leerlingen te voorzien, zodat deze leerlingen onderwijs op afstand kunnen volgen.
Deelt u de mening dat kinderen in azc’s die vanwege corona geen regulier onderwijs kunnen krijgen dan tenminste online onderwijs moeten kunnen krijgen? Zo ja, in hoeverre wordt dit belemmerd door slechte internetverbindingen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover schoolgaande kinderen op COA-locaties of in internationale schakelklassen inderdaad geen regulier onderwijs kunnen volgen, geldt (net als voor andere kinderen) dat van scholen wordt gevraagd dat zij onderwijs op afstand aanbieden. Dat kan online onderwijs zijn, maar dit kan bijvoorbeeld ook met papieren lespakketten. Het is aan de scholen om te bepalen hoe dit precies wordt vormgegeven. Het is onwenselijk dat online onderwijs niet mogelijk is door beperkingen in netwerkverbindingen of de beschikbaarheid van tablets, laptops of computers. Zoals aangegeven in de antwoorden onder vragen 2 en 3, is de afgelopen periode fors ingezet op uitbreiding van de brandbreedte en de WiFi-capaciteit op COA-locaties respectievelijk de beschikbaarheid van voldoende apparatuur.
Overigens kunnen de kinderen in het primair onderwijs waar het hier om gaat sinds 11 mei weer volledig naar school. Dit geldt voor het primair onderwijs aan kinderen die verbonden zijn aan een COA-locatie en op schoollocaties die uitsluitend onderwijs geven aan nieuwkomers, zolang het onderwijs hier plaatsvindt in relatief kleine groepen van ongeveer 15 kinderen. Nieuwkomers op andere scholen in het primair onderwijs kunnen sinds 11 mei weer deels naar school. Het primair onderwijs is sinds 8 juni weer volledig open. Leerlingen in het voortgezet onderwijs, waaronder kinderen op een COA-locatie die deelnemen aan een internationale schakelklas, gaan per 2 juni weer (deels) naar school.
Welke rol hebben de Onderwijsinspectie en de leerplichtambtenaren bij het toezicht op onderwijs aan vluchtelingkinderen?
Als leerlingen niet op school komen, maakt de school hiervan melding via het verzuimregister bij de gemeente. De leerplichtambtenaar stelt dan een onderzoek in naar de reden van het verzuim en gaat in de meeste gevallen eerst het gesprek aan met de ouders en/of leerling. Op basis hiervan wordt besloten of er vervolgacties nodig zijn. In de periode van de sluiting van de scholen waren scholen niet verplicht verzuim te melden. Des te meer is het van belang dat scholen het gesprek met leerlingen aangaan als de (online) lessen niet worden gevolgd. De leerplichtambtenaar kan hierbij behulpzaam zijn. De functie van de leerplichtambtenaar is in het bijzonder in deze tijd gericht op gedeelde maatschappelijke zorg, waarbij het contact met de ouders en/of leerling centraal staat.
De Onderwijsinspectie (hierna: inspectie) houdt toezicht op de eerste opvang anderstaligen (hierna: EOA). De inspectie neemt dit onderwijs mee in haar reguliere toezicht. Dat betekent dat de inspectie elk jaar een prestatieanalyse uitvoert voor zogeheten nieuwkomersvoorzieningen en dat zij deze voorzieningen meeneemt in de vierjaarlijkse onderzoeken bij besturen en hun scholen. De inspectie gebruikt hierbij haar reguliere onderzoekskader, zij het in een iets aangepaste vorm; de inspectie kan de resultaten van de nieuwkomers immers niet beoordelen, omdat de nieuwkomers maximaal twee jaar onderwijs krijgen op een EOA.
Wat gaat u op korte termijn doen om ervoor te zorgen dat kinderen in azc’s wel over voldoende laptops of tablets beschikken en er wel goede internetverbindingen komen?
Het bericht ‘Geef kennismigranten en internationaal talent meer zekerheid tijdens de coronacrisis’ |
|
Jan Paternotte (D66), Maarten Groothuizen (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Geef kennismigranten en internationaal talent meer zekerheid tijdens de coronacrisis»1 en «Buitenlandse afgestudeerden willen verlenging verblijfsvergunning»?2
Ja.
Deelt u de mening dat ook kennismigranten, internationale aankomende en oud-studenten en andere internationale talenten die zich momenteel in Nederland bevinden zekerheid verdienen tijdens de coronacrisis? Hoe pakken andere lidstaten van de Europese Unie (EU) dit aan?
Het kabinet wil meer zekerheid bieden aan de kennismigranten die werken en door de coronacrisis vanwege werktijdverkorting tijdelijk onder het vereiste salariscriterium zakken. Ik verwijs u naar het hierna gegeven antwoord op vraag 6.
Het wetsvoorstel Tweede Verzamelwet COVID-19 is onlangs aangenomen door de beide Kamers. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat
internationale bachelorstudenten die hun master in Nederland willen volgen, de master in Nederland kunnen starten wanneer zij hun bachelor vanwege de coronacrisis nog niet volledig hebben afgerond.
Wanneer het gaat om derdelanders die hun werk hebben verloren c.q. geen werk hebben gevonden, blijven de huidige regels gehandhaafd. Verder verwijs ik u hiervoor naar het antwoord op vraag 4.
Wat betreft de andere lidstaten hebben 11 lidstaten gereageerd op de vraag hoe zij omgaan met het al dan niet intrekken van een verblijfsvergunning van een kennismigrant/EU Blauwe Kaarthouder wanneer het salaris onder het vereiste minimum valt vanwege de coronacrisis, van een niet-EU student vanwege onvoldoende studievoortgang en of zij de zoektermijn voor afgestudeerden verlengen. Ongeveer de helft trekt geen verblijfsvergunning van kennismigranten/EU Blauwe kaarthouders en studenten in wanneer zij vanwege de coronacrisis niet aan de voorwaarden kunnen voldoen. Geen enkele lidstaat verlengt de zoektermijn voor afgestudeerden.
Bent u bereid de studievoortgangsnorm voor internationale studenten te versoepelen zodat internationale studenten die door de coronacrisis studievertraging oplopen niet meteen hun verblijfsvergunning verliezen?
Wanneer onvoldoende studievoortgang is veroorzaakt door de coronacrisis, kunnen instellingen dit aanmerken als een verschoonbare reden voor de studievertraging en heeft dit geen gevolgen voor de verblijfsvergunning van de student, die is toegelaten tot een Associated Degree, Bachelor of Masteropleiding.
Bent u bereid de termijn waarbinnen kennismigranten en internationale oud-studenten normaal gesproken een baan dienen te vinden, te bevriezen gedurende de duur van ondersteunende maatregelen voor de economie? Zo nee, waarom niet?
Juist voor kennismigranten, buitenlandse afgestudeerden, onderzoekers en promovendi is het huidige beleid nu al coulant. Bij de vroegtijdige beëindiging van het arbeidscontract wacht de IND nog 3 maanden met het intrekken van de verblijfsvergunning van de kennismigrant (volgens artikelen 89a en 3.91a Vb). Dit is primair bedoeld om de kennismigrant in staat te stellen een nieuwe baan te vinden. In de huidige situatie is de kans op het vinden van een nieuwe baan weliswaar kleiner, maar deze drie extra maanden verblijfsrecht helpt in het voorkomen van illegaal verblijf zolang de reisbewegingen nog niet op gang zijn gekomen en terugkeer naar land van herkomst nog niet mogelijk is. In het kader van de aanbevelingen uit het WODC-rapport «Aantrekkelijkheid van Nederland voor kennismigranten» wordt op dit moment verkend of het mogelijk en wenselijk is om de zoekperiode te verlengen. Hierover wordt uw Kamer nog nader geïnformeerd.
Buitenlandse afgestudeerden, onderzoekers en promovendi aan Nederlandse universiteiten (alsmede afgestudeerden aan een Top-200 universiteit wereldwijd) kunnen tot 3 jaar na hun afstuderen in aanmerking komen voor een Zoekjaar verblijfsvergunning. Houders van een Zoekjaar verblijfsvergunning kunnen gedurende dit jaar in Nederland zoeken naar een baan als kennismigrant op basis van het verlaagde salariscriterium. Ze kunnen ervoor kiezen om het zoekjaar pas aan te vragen wanneer de arbeidsmarkt in Nederland weer verbetert, tot uiterlijk 3 jaar na afstuderen.
Het kost aanzienlijke tijd om regelgeving aan te passen voor degene die al in het Zoekjaar zitten, deze groep is daarmee niet op korte termijn geholpen. Ook verslechtert de situatie op de arbeidsmarkt en stijgt de werkloosheid in Nederland vanwege de coronacrisis, en is het onzeker of de omstandigheden om een baan te vinden als kennismigrant snel weer zullen verbeteren.
Om deze groep enigszins tegemoet te komen wordt de mogelijkheid voor ruimere interpretatie van bestaande regelgeving in het Vreemdelingenbesluit verkend. In dat geval moet een afgestudeerde student na het Zoekjaar wel terug naar het land van herkomst, maar heeft hij of zij nog wel langer de kans om daar vandaan naar een baan als kennismigrant in Nederland te zoeken op basis van het verlaagd salariscriterium. Op deze manier blijft internationaal talent toch een kans houden op het vinden van een baan in Nederland, indien de vraag naar dit talent terugkeert.
Daarnaast zal de komende periode de voorlichting richting huidige internationale studenten en houders van een zoekjaar verblijfsvergunning worden geïntensiveerd. Via de IND zal meer informatie over hun (toekomstige) verblijfsrechtelijke situatie worden gegeven.
Bent u bereid kennismigranten ook gedurende de coronacrisis te ondersteunen bij arbeidsmiddeling? Zo nee, waarom niet?
Het UWV heeft tot taak het registreren van werkzoekenden en van vacatures van werkgevers en het voordragen van geschikte vacatures aan werkzoekenden en het voordragen van geschikte werkzoekenden voor vacatures. Vreemdelingen die zonder beperkingen mogen werken in Nederland – zij beschikken over de arbeidsmarktaantekening dat arbeid vrij is toegestaan – kunnen zich inschrijven als werkzoekende bij UWV. Vreemdelingen die alleen met Tewerkstellingsvergunning mogen werken en onvrijwillig werkloos worden kunnen zich ook inschrijven als werkzoekende bij het UWV. Werkloos geworden kennismigranten kunnen gebruik maken van de reguliere dienstverlening van UWV. Bij de bemiddeling zal de werkgever worden geadviseerd na te gaan of er een werkvergunning nodig is. Voor hoogopgeleiden in hun zoekjaar ligt dit overigens anders. Zij zijn vrij op de arbeidsmarkt, hebben geen TWV nodig, kunnen zich inschrijven bij het UWV en zolang hun verblijfsvergunning geldig is, is geen werkvergunning nodig.
Ook werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in samenwerking met een aantal regio’s en nationale partners (Talent Coalition) aan verbeterde informatievoorziening voor buitenlandse kenniswerkers en recent afgestudeerde internationale studenten.
Bent u bereid geen consequenties te verbinden aan het verblijfsrecht van kennismigranten wanneer zij tijdens de coronacrisis niet voldoen aan de inkomensnorm (ook achteraf)? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief van 22 april jl. (kenmerk 2020-0000057033) van de Minister van SZW is aangegeven dat in gevallen waar sprake is van een loondaling in verband met de Werktijdverkortingsregeling (Wtv) mogelijk de situatie ontstaat dat de werkgever niet voldoet of kan voldoen aan het salariscriterium en hierdoor de uitzondering op de tewerkstellingsvergunningverplichting niet meer van toepassing is. Gelet op de bijzondere omstandigheden en het gegeven dat deze groep een beperkt aantal gevallen betreft, is echter besloten dat in de situatie dat een werkgever in verband met de Wtv tijdelijk een kennismigrant een salaris betaalt dat lager is dan het wettelijke salariscriterium, tijdelijk niet-wetsconforme uitvoering wordt toegestaan. In deze gevallen zijn ook geen consequenties voor het verblijfsrecht van de kennismigrant. Bij de nieuwe regeling Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) die is geïntroduceerd na stopzetting van de Wtv, speelt dit probleem niet, omdat daarbij geen sprake is van een loondaling.
Kunt u aangeven wat de deadline voor internationale studenten is die door maatregelen rondom het coronavirus problemen ervaren bij het verzamelen van de benodigde documenten voor aanmelding voor de opleiding en verblijfsvergunning?
Voor internationale studenten geldt net als voor Nederlandse studenten dat de datum waarop zij zich uiterlijk kunnen aanmelden voor een studie is verschoven van 1 mei naar 1 juni. Vervolgens wordt in overleg met de betreffende instelling beoordeeld welke documenten en bewijsstukken er nodig zijn van de student en wordt bij de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning gedaan. Instellingen worden verzocht om aanvragen voor verblijfsvergunningen onverwijld in te dienen bij de IND om deze tijdig in behandeling te laten nemen. Er wordt t.a.v. de eis dat internationale studenten een taaltoets Engels afleggen, tijdelijk de mogelijkheid geboden om de online varianten van bestaande toetsen (die genoemd worden in de Gedragscode internationale studenten in het hoger onderwijs) af te leggen. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan het feit dat veel talencentra gesloten zijn en het dus moeilijk is voor internationale studenten om hier op tijd aan te voldoen.
Met het wetsvoorstel Tweede Verzamelwet COVID-19, wordt het voor internationale studenten, net als voor Nederlandse studenten, die willen instromen in een masteropleiding, mogelijk om voorwaardelijk te worden ingeschreven. Het is net als op grond van de huidige wet ook in het wetsvoorstel aan instellingen om te beoordelen of deze studenten toelaatbaar zijn. Het uitgangspunt is dat de student die voorwaardelijk wordt ingeschreven, maximaal een jaar de tijd krijgt om alsnog te voldoen aan de toelatingseisen. Internationale studenten die vanwege de uitbraak van COVID-19 hun buitenlandse diploma niet hebben behaald, kunnen niet instromen in een bacheloropleiding in Nederland. Vanwege de onvergelijkbaarheid van het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs in het buitenland, is het extra moeilijk voor instellingen om bij het ontbreken van een diploma, de geschiktheid van de student voor het kunnen volgen van de bacheloropleiding in Nederland te beoordelen.
Kunt u zich inspannen om de deadline voor internationale studenten om hun dossier voor de aanmelding voor de opleiding en verblijfsvergunning compleet te maken te verruimen in de richting van 1 oktober 2020?
Met de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19, waarin onder meer de voorwaardelijke inschrijving wordt geregeld van studenten die vanwege COVID-19 niet aan de instroomeisen van de bachelor- of masteropleiding voldoen, wordt zoals hierboven beschreven onder meer mogelijk gemaakt dat internationale studenten die nog niet aan de toelatingseisen voor de master voldoen, door de instelling voorwaardelijk kunnen worden ingeschreven voor een masteropleiding. Het gaat hier om die studenten die al van plan waren naar Nederland te komen, maar door de coronacrisis in de knel zijn gekomen. Instellingen kunnen deze studenten alsnog de gelegenheid geven om hun voorgenomen studie te starten per 1 september 2020 (in voorkomende gevallen via online onderwijs), mits zij vóór 1 september 2020 een mvv c.q. verblijfsvergunning voor de betreffende studenten hebben aangevraagd.
Deze periode geeft de instellingen en de aspirant-student voldoende tijd om het dossier compleet te maken.
Het rapport van de Europese Rekenkamer ‘Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten’ |
|
Joël Voordewind (CU), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het rapport van de Europese Rekenkamer «Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten»? Zijn er door u lessen getrokken uit dit rapport? Zo ja, welke?
Ja. Dit rapport geeft een nuttig overzicht van de implementatie van de EU-ondersteuningsmaatregelen in Griekenland en Italië. Volgens de Europese Rekenkamer waren de getroffen maatregelen in Griekenland en Italië relevant, maar hebben deze niet het volledige potentieel bereikt. Hierdoor ontstaat een ongelijkheid tussen de doelen en resultaten.
De migratiecrisis van 2015–2016 heeft aangetoond dat implementatie van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) door lidstaten sterk verschilt. Het kabinet acht het van groot belang dat implementatie van het asiel- en migratie acquis sterk wordt verbeterd. Dit is ook onderdeel van de inzet van het kabinet zoals verwoord in de beleidsnota «A Renewed Agenda on Migration».1 Dit draagt bij aan het beperken van zowel primaire als secundaire migratie en het verbeteren van terugkeer. Om de situatie in Italië en Griekenland te veranderen is het belangrijk om structurele verbeteringen door te voeren. Om deze daadwerkelijk duurzaam te laten zijn, dienen de nationale autoriteiten te zorgen voor capaciteitsopbouw en draagvlak.
De EU, haar agentschappen en de Europese lidstaten kunnen helpen om structurele verbeteringen door te voeren. Naast het ter beschikking stellen van noodhulp en financiële middelen, is het ook van belang dat deze middelen efficiënt en volledig worden benut door de lidstaten die worden ondersteund. Beter toezicht op en een overzicht van de uitgaven door lidstaten kan hierbij een weg voorwaarts zijn. Daarnaast is er een integrale en structurele Europese aanpak nodig in de vorm van een hervormd gemeenschappelijk asielbeleid. Het kabinet neemt dan ook goede nota van de betreffende analyses in het rapport, en sluit zich in beginsel aan bij de aanbevelingen. Naar eigen zeggen komt de Europese Commissie nog rond de zomer met een Mededeling over een nieuw Pact voor migratie en asiel, waarin haar voorstellen voor de periode 2020–2024 staan weergeven. De Nederlandse prioriteiten voor het toekomstig asiel- en migratiebeleid zijn te vinden in «A Renewed Agenda on Migration»2 en betreffen onder meer de aspecten die in de aanbevelingen zijn benoemd.
Hoeveel van het geld dat de Europese Unie (EU) heeft uitgegeven om Griekenland en Italië te ondersteunen bij het opvangen van de stroom migranten was specifiek bedoeld voor de «hot spots»? Hoeveel daarvan is daar ook ten goede aan gekomen naar aanleiding van onder meer punt 55 en 69? Waaraan is het overige geld besteed?
Sinds 2015 heeft de EU EUR 2,57 miljard beschikbaar gesteld om de Griekse autoriteiten te ondersteunen om de migratiesituatie aldaar te verbeteren. Daar is recentelijk EUR 700 miljoen bijgekomen in het kader van het laatste EU Actieplan ten behoeve van Griekenland. De Italiaanse autoriteiten zijn ondersteund met ruim EUR 1 miljard ten behoeve van asiel en migratie.
Op de website van de Europese Commissie is een overzicht van alle projecten, waaronder de AMIF en ISF projecten in Griekenland en Italië, en de betrokken partijen, te vinden.4, 5
In Griekenland vindt de ondersteuning met name plaats via internationale organisaties en ngo’s. Een deel van deze steun is ingezet om de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden en het Griekse vasteland te verbeteren. Er zijn specifieke projecten voor de eilanden, maar veel van deze projecten zijn regio-overstijgend. Het is daarom moeilijk te zeggen hoeveel geld precies voor de hotspots bestemd is. Bovendien stammen de cijfers uit het rapport over het Griekse Nationaal Programma AMIF uit 2018. Inmiddels is er in juni 2020 € 190 miljoen gedeclareerd onder het fonds. Er is dus, uiteindelijk, geen sprake van substantiële onderuitputting bij het Griekse Nationaal Programma AMIF.
Het kabinet deelt de mening dat van belang is dat de financiering van projecten voldoende wordt gemonitord. Dit is de taak van de Europese Commissie en de Verantwoordelijke Autoriteit van Griekenland. Bij de toekenning van de aanvullende EU steun in het kader van het EU Actieplan heeft het kabinet dan ook gemeld, dat het van belang is dat de additionele middelen effectief en tijdig kunnen worden gealloceerd, mede met het oog op humanitaire noden.6
Daarnaast benadrukt het kabinet in verschillende fora het belang van voldoende absorptiecapaciteit. Mede daarom heeft Nederland een fondsenexpert ingezet die via EASO meermaals is gedetacheerd bij de Verantwoordelijke Autoriteit in Griekenland en de Griekse autoriteiten ondersteunt bij de uitputting van fondsen.
Met betrekking tot de fondsen in het AMIF Nationaal Programma voor Italië geldt eveneens dat het van belang is dat de fondsen adequaat worden benut. Echter, het kabinet heeft op dit moment geen zicht op de daadwerkelijke besteding van deze fondsen. De Italiaanse autoriteiten gaan over de besteding van middelen uit het Nationaal Programma. Wel kan het zo zijn dat er sprake is van lange termijn projecten, waarbij geld al wel gecommitteerd is, maar nog niet daadwerkelijk is besteed.
Zoals bekend zet Nederland zich sinds de migratiecrisis van 2015/2016 voortdurend in voor het ondersteunen van de lidstaten van eerste aankomst, onder andere door het leveren van experts via EASO. Na Duitsland en Frankrijk heeft Nederland doorlopend het grootste contingent experts geleverd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de behoefte aan capaciteit in de nationale asielketen en de noden in landen van eerste aankomst. De Nederlandse doelstelling om het irreguliere doorreizen van migranten vanuit landen van eerste aankomst – de zgn. secondaire migratie – tegen te gaan wordt hierbij tevens meegewogen.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is als niet voldoende gecontroleerd kan worden of Europese financiële steun voor de juiste doeleinde wordt ingezet (zie punt 6)? Deelt u tevens de zorgen dat blijkbaar middelen überhaupt niet worden ingezet (zie punt 73), beoogde doelen niet worden behaald (zie punt 74) en informatie ontbreekt waardoor controle niet mogelijk is? In hoeverre is deze problematiek iets wat u met uw Europese collega’s bespreekt? Welke lessen zijn hieruit getrokken voor de toekenning van de 700 miljoen euro extra aan Griekenland maart 2020?1
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat de situatie zoals die zich ontwikkeld heeft op de Griekse eilanden een gevolg is van de afspraken in de EU-Turkijeverklaring? Volgt daar volgens u ook uit dat die situatie een verantwoordelijkheid is van de hele EU?
De EU en Turkije zijn gezamenlijk verantwoordelijkheid voor de effectieve uitvoering van de EU-Turkije Verklaring. De Verklaring levert al meer dan drie jaar een significante bijdrage aan het beheersen van het aantal irreguliere aankomsten op de Griekse eilanden. Door de intensievere aanpak van mensensmokkelaars, is het aantal personen dat de levensgevaarlijke oversteek waagt fors afgenomen en is het aantal verdrinkingen in de Egeïsche zee drastisch gedaald. Een ander belangrijk aspect van de Verklaring is de terugkeer van migranten vanaf de Griekse eilanden naar Turkije. Deze is nooit goed op gang gekomen. Het kabinet acht dit van groot belang om het criminele businessmodel van de mensensmokkelaars te breken en de druk op de Griekse eilanden blijvend te ontlasten. Zoals steeds benadrukt is het primair de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten om adequate stappen te zetten om de situatie op de eilanden te verbeteren. Wel verdient Griekenland steun om de noodzakelijke verbeteringen door te voeren. Hierin wordt Griekenland substantieel en doorlopend ondersteunt door de EU, de agentschappen en ook de Europese lidstaten, waaronder Nederland.
Worden vingerafdrukken alleen in de «hot spots» genomen (zie punt 32)?
Het afnemen van vingerafdrukken is onderdeel van de zogenaamde hotspotbenadering waarbij Italië en Griekenland worden ondersteund in de procedures door de EU en haar lidstaten. Onderdeel van het registratieproces is het nemen van vingerafdrukken door Frontex. In Griekenland worden migranten en vluchtelingen na aankomst naar een van de zes «registratie- en identificatie centra» gebracht, op Lesbos, Samos, Kos, Leros, Chios of Fylakio.
Waarom is het aantal van 98256 herplaatsingen waartoe de EU-lidstaten zich wettelijk verbonden hebben niet volledig uitgevoerd (zie punt 36)? Wat was het aandeel van Nederland hierin en hoeveel daarvan is niet herplaatst?
Over de uitvoering van de herplaatsingsbesluiten is uw Kamer meermaals geïnformeerd.7 Op 14 en 22 september 2015 zijn de Raadsbesluiten aangenomen waarin is opgenomen dat asielzoekers worden herplaatst vanuit Griekenland en Italië.8 De Raadsbesluiten liepen eind 2017 af. In artikel 3 van deze besluiten zijn de vereisten opgenomen om in aanmerking te komen voor herplaatsing: een asielzoeker moet een asielaanvraag hebben ingediend in Italië of Griekenland, Italië of Griekenland moeten op basis van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de asielaanvraag zijn, en het moet een nationaliteit betreffen waarvan het inwilligingspercentage in de EU gemiddeld 75% of hoger was.9 Niet alle asielzoekers die in Griekenland en Italië op het moment van aanname van de Raadsbesluiten of daarna aanwezig waren, voldeden aan deze vereisten. Zo veranderde de samenstelling van de toestroom gedurende de termijn dat de Raadsbesluiten werden uitgevoerd. Met name in Italië nam het aantal Syriërs absoluut en relatief af. In Griekenland was dit eveneens het geval, doch in mindere mate. Op een gegeven moment betrof de instroom met name asielzoekers met nationaliteiten waarvan het inwilligingspercentage in de EU lager dan 75% was. De praktijk van secundaire migratie speelde tevens een rol: asielzoekers die mogelijk in aanmerking kwamen voor herplaatsing bleken niet meer aanwezig in Italië en Griekenland maar zelfstandig te zijn doorgetrokken.
Met betrekking tot vraag 9 stelt het kabinet dat de EU-Turkije Verklaring van 20 maart 2016 de herplaatsingsbesluiten in een andere context heeft geplaatst. De EU-Turkije Verklaring voorziet immers per 20 maart 2016 in de terugkeer van alle irreguliere migranten en asielzoekers die vanuit Turkije op de Griekse eilanden aankwamen en waarvan de asielaanvraag onontvankelijk of ongegrond is verklaard.
Het aantal migranten en vluchtelingen dat daadwerkelijk in aanmerking kon worden gebracht voor herplaatsing bleek lager dan het aantal herplaatsingen dat in september 2015 was geïndiceerd. Dit betekent echter niet dat de herplaatsing onsuccesvol was. De Europese Commissie concludeert dat de herplaatsing van asielzoekers die daarvoor in aanmerking kwamen zeer succesvol is gebleken en dat 96% van de herplaatsingsverzoeken die in het kader van de noodregelingen zijn verzonden naar de ontvangende lidstaten en geassocieerde landen, tot daadwerkelijke herplaatsing leidde10, 11. Hiervan heeft Nederland zijn fair share (2.724 personen) herplaatst, waarvan 969 uit Italië en 1.755 uit Griekenland.12
Voor nadere informaties hieromtrent verwijs ik uw Kamer naar de verschillende communicaties van de Europese Commissie over de voortgang van de uitvoering van de herplaatsingsbesluiten, zoals de 15 voortgangsrapportages en de factsheets.13
Welk gevolg kan en moet de recente uitspraak van het Europese Hof inzake de weigering van Hongarije, Polen en Tsjechië4 volgens u hebben (zie punt 38 en noot 15)?
Op 2 april jl. heeft het Europese Hof inzake de inbreukprocedure tegen Polen, Hongarije en Tsjechië een uitspraak gedaan. Het EU-Hof heeft in navolging op het advies van de Advocaat-Generaal de Europese Commissie gelijk gegeven dat Polen, Tsjechië en Hongarije – die geen van allen asielzoekers hebben herplaatst – hun verplichtingen t.a.v. het tijdelijk herplaatsingsmechanisme (ingesteld in 2015 door middel van een Raadsbesluit op basis van artikel 78(3) EU-Werkingsverdrag) niet waren nagekomen. Momenteel is het aan de Hongaarse, Poolse en Tsjechische autoriteiten om opvolging te geven aan de uitspraak. Omdat het herplaatsingsmechanisme niet meer actief is, kunnen de lidstaten niet alsnog voldoen aan het aan hun opgelegde quotum voor herplaatsing. De uitspraak is desondanks van belang omdat het onderschrijft dat lidstaten zich niet met een beroep op nationale belangen aan hun verplichtingen inzake de herverdeling van vluchtelingen binnen de EU kunnen onttrekken.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Europese Rekenkamer dat het aantal herplaatste asielzoekers ontoereikend was om de druk op de asielstelsels in Griekenland en Italië te verlichten? Welke lessen trekt u hieruit, ook voor de situatie nu in Griekenland (zie punt 41)?
Het kabinet sluit zich hieromtrent aan bij de constatering van de Europese Commissie dat de herplaatsing van de migranten die in aanmerking kwamen voor herplaatsing een succes was en tijdelijk de druk op de lidstaten heeft verlicht.15 Volgens de Commissie was het doel van het tijdelijke herplaatsingsmechanisme gericht op de tijdelijke verlichting van de druk op de asielstelsels van Griekenland en Italië. Om deze druk ook op de lange termijn te verlichten zijn duurzame verbeteringen nodig, onder andere wat betreft het versnellen van de asielprocedures en het bevorderen van terugkeer. De verantwoordelijkheid voor het doorvoeren van deze verbeteringen ligt in principe bij Italië en Griekenland zelf. Zoals bekend, zet het kabinet zich doorlopend in om deze lidstaten hierbij te ondersteunen in zowel bilateraal als EU-verband. Over deze Nederlandse inzet is uw Kamer meermaals geïnformeerd.
Hoe verklaart u het verschil tussen de besluiten inzake herplaatsing die van toepassing waren op migranten die tussen 24 maart 2015 en 26 september 2017 in Griekenland of Italië waren aangekomen (voor Syriërs en Eritreeërs en tot 15 juni 2016 voor wat betreft Irakezen) en het feit dat de ontvangende EU-lidstaten slechts kandidaten uit Griekenland voor herplaatsing accepteerden die voor maart 2016 in het land waren aangekomen (zie punt 42 en 43)?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is volgens u de reden van het lage aantal registraties van kandidaten die mogelijk in aanmerking kwamen (zie punt 44)?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat er meer dan 200 miljoen euro dat bedoeld was voor Griekenland uit het nationale programma van het Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF) niet gebruikt is (zie punt 73 en bijlage I)? Wat is er met dat overgebleven geld gebeurd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat ook 200 miljoen van het beschikbare geld in het AMIF-NP voor Italië niet gebruikt is? Hoe komt dat? Wat is er met dat geld gebeurd van de EU-lidstaten en voor de korte duur van hun detachering (zie punt 89)? Bent u in staat en bereid voldoende mensen te sturen voor een periode van voldoende lengte? In hoeverre verhinderen de achterstanden waar de Immigratie en NaturalisatieDienst (IND) in Nederland zelf mee te maken heeft, een dergelijke ondersteuning?
Zie antwoord vraag 2.
Is er nog steeds sprake van verschillende beoordelingen van kwetsbaarheid door het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en de Griekse Asieldienst? Zo ja, waaraan ligt dit en wat zijn de gevolgen hiervan? Acht u het terecht dat de Griekse Asieldienst, Turkije niet als veilig derde land beschouwt (zie blz. 42, tekstvak 7)?
In januari 2020 heeft de Griekse regering de nieuwe asielwet aangenomen. Op 8 mei jl. zijn amendementen op de asielwet door het Griekse parlement aangenomen. De asielwet wordt momenteel geïmplementeerd door de Griekse autoriteiten. Doel van de nieuwe Griekse asielwet is om de asielprocedures te versnellen.
Het is de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten om, in lijn met de geldende Europese en internationale wet- en regelgeving, de asielwet adequaat te implementeren. De Europese Commissie monitort de implementatie van de aanpassingen van de nieuwe asielwet. Dit geldt ook met betrekking tot de toepassing van het veilig derde landen-beleid van Griekenland.
Sinds 1 juli 2019 ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordelingen van kwetsbaarheid weer volledig bij de Griekse Asieldienst. EASO heeft de verplichting om de beoordeling van asielaanvragen van mogelijk kwetsbare migranten door te verwijzen naar de Griekse Asieldienst.
Met betrekking tot de vraag over de achterstand in de behandeling van de asielprocedures wordt in het rapport (punt 49 en16 vermeld, dat er in 2018 sprake was van een toename in asielaanvragen en er mede daardoor weer grotere capaciteitstekorten zijn ontstaan. Wat betreft de gegevens in 2019 kan het kabinet melden, dat er sprake was van 77.275 eerste asielaanvragen, waarvan 32.700 behandeld zijn. In totaal werden in 2019 12.315 definitieve beslissingen genomen. Volgens de Griekse Minister van migratie, Mitarakis, zijn de resultaten van de nieuwe asielwet al merkbaar en zijn de eerste aanvragen in 2020 sneller afgedaan dan in vergelijkbare periodes in 2019. Zo zijn in de afgelopen maanden beslissingen op de eerste asielaanvragen gemiddeld binnen 24 dagen afgegeven in plaats van 185 dagen. Het betrof 7.000 beslissingen in maart en 15.000 in april jl. ten opzichte van 4.000 gemiddeld per maand onder de vorige wet. Zoals benadrukt, ligt de verantwoordelijkheid voor het versnellen van de asielprocedure om de achterstanden weg te werken primair bij de Griekse autoriteiten, maar staan de EU en de lidstaten klaar om Griekenland hierbij te ondersteunen waar nodig. Op technisch niveau vindt hierover met regelmaat – bilateraal en in EU verband, zowel via EASO als de Commissie – overleg plaats.
Hoe beoordeelt u het feit dat Marokko en Algerije kennelijk de voorkeur geven aan bilaterale overeenkomsten boven overnameovereenkomsten met de EU? Deelt u de mening dat bilaterale overeenkomsten, overnameovereenkomsten met de EU ondermijnen? Heeft u hierover overleg gehad met uw Europese collega’s? Wat zijn de belemmeringen om hierover eensgezindheid te krijgen (zie punt 100)?
Van primair belang is dat het doel van de overeenkomst – betere migratiesamenwerking, inclusief terugkeer en overname – wordt behaald. Dit kan zowel op bilateraal als Europees niveau worden bereikt. Wel kan het zijn dat bepaalde Europese lidstaten, bijvoorbeeld kleinere lidstaten, een voorkeur geven aan EU overeenkomsten in plaats van bilaterale overeenkomsten. Anderzijds geven verschillende derde landen de voorkeur aan bilaterale overeenkomsten met specifieke EU-lidstaten boven een EU overeenkomst. Bestaande historische dan wel anderzijds hechte en/of intensieve betrekkingen zijn hierbij vaak bepalend. Ook voor betreffende EU-lidstaten kan dit reden zijn om in dergelijke overeenkomsten te bewilligen. In voorkomend geval, zo leert de ervaring, komen de bijzondere banden van deze zogenaamde EU «lead countries» met een specifiek land mede ten goede van de migratiebelangen van de Unie als geheel. Overigens kunnen bilaterale overeenkomsten niet in de plaats komen van bestaande of voorgenomen EU overeenkomsten. Het kabinet deelt dan ook niet de mening dat bilaterale overeenkomsten EU overnameovereenkomsten ondermijnen. Over EU overeenkomsten wordt in Europees verband gesproken, zowel op politiek als technisch niveau. Hierbij komen ook de belemmeringen, bijvoorbeeld zoals genoemd in punt 100, aan bod.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de achterstand in de behandeling van asielprocedures nog steeds oploopt ondanks de toename van de verwerkingscapaciteit (zie punten 104–106)? Hoe kan de EU (de Europese Commissie dan wel de EU-lidstaten) Griekenland hierin volgens u bijstaan?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de verwerkingstijden voor asielaanvragen voor alle asielprocedures in Griekenland in 2018 toenamen (zie punt 109)? Zijn er wat dit betreft ook gegevens over 2019?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven waarom eind 2018 slechts 1806 van de 8928 migranten die in aanmerking kwamen voor terugkeer daadwerkelijk teruggestuurd zijn naar Turkije in het kader van de EU-Turkije Verklaring (zie punt 54, tekstvak 10 en punt 131)?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. Met betrekking tot de effectieve uitvoering van de EU-Turkije Verklaring en met name de terugkeer vanuit Griekenland naar Turkije moeten, zoals terecht is geconstateerd door het rapport, verbeteringen worden doorgevoerd. De duur van de asielprocedure, de uitwisseling van informatie tussen de asiel- en terugkeerautoriteiten en het «MOB (met onbekende bestemming) gaan» van migranten die geen recht hebben om te blijven, zijn belangrijkste oorzaken voor de lage terugkeercijfers. De primaire verantwoordelijkheid voor het doorvoeren van deze verbeteren ligt bij de Griekse autoriteiten. Hierin onderneemt de Griekse regering stappen. Zo zijn in 2020 de aantallen op het gebied van terugkeer gestegen ten opzichte van de vorige jaren. In totaal zijn in 2020 (tot en met eind maart) circa 140 migranten teruggekeerd ten opzichte van circa 190 migranten in geheel 2019. Momenteel is, met het oog op COVID-19, de terugkeer van migranten vanuit Griekenland naar Turkije, helaas, tijdelijk opgeschort.
Zouden de beroepscommissies volgens u ondersteund kunnen of moeten worden vanuit de EU? Zo nee, waarom niet (zie punt 117)?
Het kabinet sluit zich in beginsel aan bij deze aanbeveling. De EU heeft recentelijk in het kader van het EU Actieplan aanvullende steun aan Griekenland beschikbaar gesteld met het oog op het verbeteren van de migratiesituatie aldaar, onder andere door de financiering van een aanvullende EUR 700 miljoen. Deze financiering komt onder andere ten goede aan het versterken van de Griekse asieldienst en EASO. Ook is extra capaciteit voor de EU agentschappen beschikbaar gesteld. Dit betreft 150 experts voor EASO ter ondersteuning van de Griekse autoriteiten bij het verbeteren en versnellen van de asielprocedure. Hiermee wordt op de korte termijn opvolging gegeven aan de aanbeveling.
Met betrekking tot de ondersteuning van de beroepsautoriteiten in Griekenland en Italië verwijst het kabinet naar de reactie van EASO op het rapport.17 Hierin meldt EASO dat het Italië zal ondersteunen in de verlaging van de achterstand met betrekking tot asielaanvragen in tweede instantie, zoals overeengekomen in het Operationele Plan van EASO in Italië voor 2020.18 Ook in Griekenland zal EASO juridische rapporteurs beschikbaar (blijven) stellen voor de ondersteuning van de beroepscommissies en zo mogelijk op aanvullende verzoeken ingaan. Het kabinet is positief over deze steun aan de beroepsautoriteiten.
Klopt het dat de wettelijke bepaling uit de Overeenkomst van Cotonou die stelt dat deze landen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een EU-lidstaat aanwezig zijn zonder verdere formaliteiten weer moet toelaten, in de praktijk niet wordt nageleefd (zie punt 139 en punt 79, aanbeveling 6)? Gaat u er met uw Europese collega’s bij de betrokken landen die de overeenkomst niet naleven op aandringen dat deze bepaling nageleefd gaat worden? Ziet u belemmeringen hierbij? Zo ja, welke?
De Cotonou overeenkomst bevat een bepaling waarin het beginsel is vastgelegd dat de aangesloten staten de eigen onderdanen terugnemen op verzoek van de andere partij. Hetzelfde artikel bepaalt dat landen met dat doel bilaterale overeenkomsten kunnen sluiten. Het klopt dat dat de naleving van dit artikel voor verbetering vatbaar is. Een van de belemmeringen voor de naleving van het beginsel omtrent terugkeer is dat het aangezochte land meent de identiteit en dus de nationaliteit niet te kunnen vaststellen, soms doordat de vreemdeling zelf onduidelijke of tegenstrijdige informatie verstrekt.
Het kabinet streeft naar verbeterde naleving van migratie-afspraken, waaronder op het gebied van terugkeer. Hiertoe wordt binnen de EU ingezet op het ontwikkelen van partnerschappen met landen van oorsprong en transit. Mede op aandringen van Nederland is in het EU-onderhandelingsmandaat voor het Post-Cotonou verdrag opgenomen dat de toekomstige overeenkomst een herbevestiging moet bevatten van de plicht van partijen om hun eigen onderdanen, die zich irregulier bevinden op het grondgebied van een andere partij, terug te nemen zonder voorwaarden. In lijn met de Europese Raadsconclusies over migratie geeft het EU-onderhandelingsmandaat aan dat alle relevante beleidsterreinen en instrumenten ingezet kunnen worden om migratiesamenwerking te bevorderen. Toepassing hiervan zal maatwerk zijn. Indien landen afspraken consequent niet nakomen kan de EU hier consequenties aan verbinden. Zo heeft Nederland de mogelijkheid van koppeling van visa en terugkeer op EU-niveau onder de nieuwe Europese Visumcode actief bepleit. Dit moet ervoor zorgen dat er in Europees verband maatregelen kunnen worden genomen ten aanzien van landen die voor de EU van belang zijn op het gebied van terugkeer.
Wat is de reden van het feit dat steun voor re-integratie van vrijwillige terugkeerders voor slechts 26% van de aanvragers beschikbaar is? Wat is de reden van het feit dat Griekenland geen gebruik heeft gemaakt van het actieprogramma ERIN, waarmee steun voor re-integratie van terugkeerders aangevuld had kunnen worden?
Ik kan en wil niet speculeren over de beweegredenen van de Griekse regering om niet vaker gebruik te maken van ERRIN. Hoewel ik geen volledig inzicht in de Griekse procedures heb, ligt het voor de hand dat het Griekse systeem voorwaarden stelt die verband houden met onder meer het land waarnaar wordt teruggekeerd. Ook in Nederland zijn vreemdelingen uit veilige landen van herkomst vaak uitgesloten. Tot slot is het ook aan de terugkeerders zelf om te beslissen of ze al dan niet na hun terugkeer gebruik willen maken van geboden mogelijkheden voor re-integratie.
Wat is er gebeurd met de eerdere aanbeveling van de Europese rekenkamer aan de Europese Commissie om de huisvestingsvoorzieningen op de eilanden waar de hot spots zijn gevestigd, op te waarderen? Bent u het met de Rekenkamer eens dat er nog steeds meer steun nodig is, aangezien de situatie ter plaatse nog steeds problematisch is (zie punt 147 en bijlage III, 1.1)? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens de reactie van de Commissie op het rapport wordt deze aanbeveling momenteel uitgevoerd. Zoals bekend, deelt het kabinet de zorgen van uw Kamer over de situatie in de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden. Om de opvangomstandigheden te verbeteren, ontvangt Griekenland steun vanuit de EU en ook in bilateraal verband, waaronder van Nederland. Hiervoor is recentelijk in het kader van het EU Actieplan een deel van de EUR 700 mln beschikbaar gesteld, waaronder EUR 220 mln voor de realisatie van de bouw van vijf nieuwe opvang- en identificatiecentra op de Griekse eilanden.
Bent u het eens met de conclusie van de Europese Rekenkamer dat de streefdoelen van de noodregelingen voor herplaatsing niet behaald zijn, waardoor de druk op de Griekse en Italiaanse asielstelsels niet doeltreffend werd verlicht (zie punt 150–151)? Welke consequentie trekt u hieruit voor het Nederlandse beleid?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe denkt u over het voorstel van de Europese Commissie om noodhulp voor crisisondersteuning in het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) op te nemen (zie punt 153)?
Op 27 mei jl. presenteerde de Europese Commissie in twee Mededelingen haar strategie voor het herstel van de Europese Unie in reactie op de crisis die door de COVID-19 uitbraak is ontstaan. Met deze strategie komt de Europese Commissie tegemoet aan het verzoek dat de leden van de Europese Raad op 23 april jl. deden. Het kabinet heeft uw Kamer met een separate brief geïnformeerd over de nieuwe Commissievoorstellen voor het MFK en de herstelstrategie met betrekking tot de COVID-19 uitbraak.19
Bent u het eens met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer dat de Europese Commissie en het EASO in samenwerking met de nationale autoriteiten hun steun voor de Griekse Asieldienst verder moeten opvoeren en de overbelaste beroepsautoriteiten in Griekenland en Italië moeten ondersteunen (zie punt 78 aanbeveling 5)? Gaat deze aanbeveling opgevolgd worden?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u het eens met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer om een gecoördineerde benadering in de EU voor steun voor re-integratie in de derde landen van terugkeer te bevorderen? Gaat deze aanbeveling opgevolgd worden?
Het kabinet deelt de mening dat de lidstaten de ervaringen met re-integratie programma’s die zij in hun nationale regelgeving hebben neergelegd, moeten delen en uitwisselen om oneigenlijk gebruik van herintegratieondersteuning tegen te gaan. Een dergelijke uitwisseling vindt al plaats in overleggen tussen experts uit de lidstaten. Verder ondersteunt de Commissie lidstaten met de Return and Reintegration Assistance Inventory. De lidstaten zijn gevraagd de herintegratieprogramma’s en -projecten die zij in 2019 geïmplementeerd hebben, hierin weer te geven. Op Europees niveau worden daarmee verdere stappen gezet om oneigenlijk gebruik tegen te gaan zonder dat sprake is van nieuwe regelgeving.
Bent u van mening dat de eerdere aanbeveling van de Europese Rekenkamer waarin gesteld werd dat de Europese Commissie samen met de betrokken agentschappen en internationale organisaties de autoriteiten in zowel Griekenland als Italië moet helpen om alle mogelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat onbegeleide minderjarigen die als migrant aankomen, worden behandeld in overeenstemming met de internationale normen, ook wat betreft passend onderdak, bescherming, toegang tot en voorrang bij asielprocedures en het in aanmerking nemen voor mogelijke herplaatsing, is uitgevoerd (zie bijlage III, 2.1)? Zo ja, waarom? Zo nee, wat moet er nu gebeuren en hoe gaat u daaraan bijdragen?
Het kabinet sluit zich aan bij de eerdere aanbeveling van de Europese Rekenkamer omtrent het verbeteren van de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Griekenland en Italië. De Commissie heeft aanzienlijke middelen verstrekt, en blijft deze verstrekken, om de capaciteit van de Griekse hotspots uit te breiden en de levensomstandigheden van minderjarigen en kwetsbare verzoekers te verbeteren, bijvoorbeeld door veilige zones in te richten en uit te breiden, voor huisvesting op het vasteland te zorgen, opvang- en identificatiecentra te onderhouden en moderniseren, en alle nodige hulpgoederen te verstrekken. De dialoog tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten en de inspanningen om de situatie te verbeteren, worden voortgezet. Het kabinet heeft recentelijk aangekondigd de Griekse autoriteiten te ondersteunen in het doorvoeren van structurele verbeteringen om de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers te verbeteren. Een Kamerbrief met betrekking tot dit samenwerkingsverband is uw Kamer recentelijk toegegaan.20 Over de voortgang van de samenwerking zal uw Kamer tevens met regelmaat worden geïnformeerd.
Met betrekking tot de vragen van de fractieleden over de verbeteringen die zijn doorgevoerd sinds de aanbeveling en de resultaten van het project in Samos verwijst het kabinet tevens naar de reactie van de Commissie op het rapport.21 Het EASO project was gericht op steun aan de Griekse Opvang en Identificatiedienst (RIS) bij de opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Het COA leverde in 2019 vier experts aan dit project. Het project heeft geleid tot het ontwikkelen van standaard operationale procedures (SOPs) voor de opvang en begeleiding van amv. Begin 2020 eindigde het project met de overdracht door EASO aan RIS van de ontwikkelde procedures en methodieken. Mede op basis van deze ervaringen heeft EASO de Griekse overheid geholpen met het ontwerpen van de nieuwe opvanglocatie in Samos.
Wat is er sinds bovenstaande aanbeveling concreet gedaan aan nieuwe infrastructuurprojecten om de situatie van onbegeleide minderjarigen te verbeteren (zie bijlage III, 2.1)?
Zie antwoord vraag 26.
Wat is het resultaat geweest van het EASO-project op Samos om de dringende situatie daar aan te pakken (bijlage III, 2.1)?
Zie antwoord vraag 26.
Bent u het met de Europese Rekenkamer eens dat er nog steeds meer steun nodig is in Griekenland, aangezien de situatie ter plaatse nog steeds problematisch is (zie bijlage III, 2.1)? Zo ja, hoe gaat u daaraan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet sluit zich in beginsel aan bij de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en zal hier waar mogelijk en nodig opvolging aan geven. In het algemeen zet Nederland in op het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van asiel, opvang en terugkeer in Griekenland. Griekenland is en blijft primair verantwoordelijk om de migratiesituatie in het land te verbeteren. Hierbij verdient het alle steun van de EU, Europese lidstaten, waaronder Nederland, en internationale organisaties. Over de Nederlandse bijdrage is uw Kamer recentelijk bij verschillende gelegenheden geïnformeerd. Voor de aanvullende bijdrage van het kabinet met betrekking tot het verbeteren van de situatie voor alleenstaande minderjarige asielzoekers verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 26 en de Kamerbrief hierover die uw Kamer recentelijk is toegezonden.
Een gevaarlijke situatie in asielzoekerscentra door tekort aan hulpmiddelen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Gevaarlijke situatie» in asielzoekerscentra door tekort aan hulpmiddelen»?1
Ja.
Is het waar dat er in ruim de helft van de Nederlandse asielzoekerscentra onvoldoende beschermingsmiddelen voorhanden zijn «in de vorm van mondkapjes, handschoenen en desinfectiemiddelen die het personeel moeten beschermen tegen het coronavirus» en dat er te weinig mogelijkheden tot quarantaine zijn? Zo ja, hoe komt dat en wat betekent dat voor het gevaar dat medewerkers en asielzoekers lopen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Medewerkers van het COA leven bij het uitoefenen van hun werkzaamheden nauwgezet de richtlijnen van het RIVM na. Onder de COA bewoners is het bewustzijn van de Corona maatregelen hoog. Daardoor wordt de kans op besmetting voor zowel bewoners als medewerkers zo veel mogelijk beperkt. Alleen in uitzonderlijke gevallen is het gebruik van beschermingsmiddelen nodig. bijvoorbeeld omdat een bewoner in quarantaine is geplaatst en voorzieningen verstrekt moeten worden.
Beschikbaarheid van voldoende beschermingsmiddelen is in Nederland in meer algemene zin een knelpunt geweest in de achterliggende periode. Het COA heeft alles in het werk gesteld om toch voldoende beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen aan medewerkers voor het geval zich omstandigheden voordoen waarbij dit noodzakelijk is. Het COA is erin geslaagd om een bestelling mondkapjes te plaatsen. Deze zijn eind april ontvangen en aan alle locaties geleverd.
Wat betreft de mogelijkheden voor quarantaine verwijs ik naar mijn brief van 17 april jl.2 Elke COA-locatie heeft een lokaal draaiboek gemaakt met daarin aandacht voor het inrichten van quarantaineplekken op de locaties. Op een aantal locaties is het mogelijk om (een beperkt aantal) quarantaineplekken in te richten. Er zijn echter ook locaties waar geen, of slechts één quarantaineplek beschikbaar kan worden gemaakt. De verschillen tussen locaties worden bepaald door lokale omstandigheden, waaronder de bebouwing, de bezetting op locatie en in mindere mate de samenstelling van de bewonerspopulatie.
Als verblijf op de huidige locatie niet mogelijk is, wordt in overleg met GGD en de veiligheidsregio gezocht naar een alternatief. Een treffend voorbeeld van dergelijke samenwerking betreft de oplossing die recent is gevonden voor de met corona besmette bewoners van AZC Sneek en hun huisgenoten. Zij zijn vanaf 13 mei overgebracht naar de Willem Lodewijk van Nassaukazerne in Zoutkamp. Deze circa 60 personen verbleven op deze locatie in quarantaine tot 25 mei jl. Inmiddels zijn de bewoners gelukkig hersteld en teruggekeerd naar AZC Sneek.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat er bij gebrek aan voldoende beschermingsmiddelen en quarantaine mogelijkheden gevaarlijke situaties in asielzoekerscentra voor medewerkers en asielzoekers ontstaan? Zo ja, wat heeft u gedaan en wat gaat u doen om te voorkomen dat asielzoekerscentra brandhaarden voor het coronavirus worden? Zo nee, waarom niet?
Naast het naleven van de richtlijnen van het RIVM heeft het COA, samen met GZA en GGD, protocollen opgesteld over hoe moet worden omgegaan met een (vermoeden van) besmetting. Het COA stelt alles in het werk om besmetting en verspreiding van het COVID-19 virus te voorkomen. Zoals hierboven al aangegeven hebben COA-locaties inmiddels mondkapjes ontvangen voor gebruik in uitzonderlijke gevallen. Ik volg de situatie op de COA-locaties nauwgezet en heb er alle vertrouwen in dat de getroffen maatregelen op dit moment adequaat zijn.
Kunt u de samenvatting van het genoemde onderzoek onder bijna 50 locatiemanagers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers voorzien van uw reactie naar de Kamer sturen?
Het onderzoek waar u op doelt betreft een intern monitoringsinstrument dat is bedoeld om goed zicht te houden op hetgeen op COA-locaties speelt. Het COA heeft alle locaties gevraagd om een enquête in te vullen. Uit de eerste enquête bleek dat de sfeer voor de bewoners gemiddeld een 7,1 werd gegeven. De sfeer voor medewerkers werd iets hoger beoordeeld en was gemiddeld 7,5. De drie grootste knelpunten die uit het onderzoek naar voren kwamen, betreffen het tekort aan beschermingsmiddelen, het tekort aan quarantaineplekken en de zwakke wifi-verbinding.
Ik verwijs naar de beantwoording op vragen 2 en 3 wat betreft mijn reactie op de eerste twee knelpunten. Specifiek ten aanzien van het derde knelpunt laat ik weten dat het COA, in samenwerking met de provider, waar mogelijk zowel de bandbreedte als de wifi-capaciteit heeft uitgebreid. Daarbij merk ik op dat voor COA-locaties, net als voor alle locaties in Nederland, geldt dat dekking van meerdere factoren afhankelijk is, te weten de lokaal beschikbare bandbreedte, gebouwtype, afstanden binnen de locatie, gebruikte materialen in het gebouw, verstoringen door andere randapparatuur etc.
Wanneer werd de uitkomst van dit onderzoek bekend en wat heeft u sindsdien concreet gedaan om het tekort aan beschermingsmiddelen op te lossen en om te zorgen voor betere quarantaine mogelijkheden?
Ik verwijs naar de beantwoording op vragen 2 t/m 4 wat betreft het onderzoek en getroffen maatregelen.
Hoeveel asielzoekers bevinden zich op dit moment in quarantaine en bij hoeveel is besmetting met het corona- virus vastgesteld?
Het COA vangt ongeveer 27.000 personen op. Per 15 juni waren in totaal 41 personen positief getest op het Corona virus (waarvan 28 bewoners van de locatie Sneek).
Hoeveel medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) vertonen symptomen van corona of is een besmetting vastgesteld?
Het COA heeft geen centrale registratie van medewerkers met symptomen van besmetting met het COVID-19 virus dan wel met vastgestelde besmettingen. Ik kan u echter wel melden dat er op dit moment geen sprake is van bovengemiddeld ziekteverzuim onder medewerkers van het COA.
Het voornemen de aangenomen motie over Afghaanse misbruikslachtoffers niet uit te voeren |
|
Bram van Ojik (GL), Niels van den Berge (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u van mening dat u aangenomen moties van de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet hoeft uit te voeren, enkel vanwege het feit dat u daar zelf geen aanleiding toe ziet, zoals u schrijft in uw brief van 8 april 20201 inzake de uitvoering van de motie Van den Berge/Van Ojik2?
Het naar de letter uitvoeren van de betreffende motie zou inhouden dat in alle gevallen waar deze problematiek speelt een verblijfsvergunning zou moeten worden verstrekt, daarmee ook in zaken waarin geen beschermingsnoodzaak aan de orde is. Dit verhoudt zich niet met het doel en de opzet van de Europese Kwalificatierichtlijn waarbij enkel internationale bescherming wordt verleend indien er sprake is van vrees voor vervolging of ernstige schade. Dat is de reden dat ik geen ruimte aanwezig acht voor het naar de letter overnemen van de motie. Dat neemt niet weg dat ik begrijp dat er door de leden van uw Kamer aandacht wordt gevraagd voor de bescherming van slachtoffers van bacha-bazi misbruik en dat ik het daarom van groot belang heb geacht toe te lichten dat de wijze waarop momenteel de asielaanvragen worden afgehandeld van personen die aangeven slachtoffer te zijn geweest van bacha-bazi misbruik reeds voldoende waarborgen en bescherming biedt aan deze personen. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u motiveren waarom een door de Tweede Kamer aangenomen motie in uw ogen niet in zichzelf voldoende aanleiding voor u vormt om uw beleid te wijzigen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft het u bijna vier maanden gekost om tot de conclusie te komen dat u geen aanleiding ziet de motie Van den Berge/Van Ojik uit te voeren?
Het klopt dat de reactie op de motie lang op zich heeft laten wachten. Dit had juist te maken met het feit dat ik het van belang vond een zorgvuldig proces te hanteren om te bezien of er binnen het beleid ruimte gevonden kon worden indachtig de aangenomen motie. Dat proces vroeg brede afstemming en tijd.
Zou het alsnog uitvoeren van de motie Van den Berge/Van Ojik leiden tot significante problemen in uw beleid, dan wel de uitvoeringspraktijk hiervan? Zo ja, kunt u dit beargumenteren?
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 8 april jl. moet er om in aanmerking te komen voor een asielvergunning sprake zijn van een noodzaak tot het verlenen van internationale bescherming. Bij de vraag of iemand in aanmerking komt voor internationale bescherming staat de vraag centraal of iemand bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. De beschermingsvraag wordt in de asielprocedure door de IND zorgvuldig onderzocht.
Daarbij wordt het gehele asielrelaas betrokken, waaronder dus ook het feit dat een persoon heeft verklaard slachtoffer te zijn geweest van bacha-bazi misbruik.
De motie is echter dusdanig ruim geformuleerd dat dit zou betekenen dat iedereen die in de asielprocedure aannemelijk maakt ooit in zijn leven slachtoffer te zijn geweest van bacha-bazi misbruik niet zou mogen worden teruggestuurd en derhalve een verblijfsvergunning zou moeten krijgen. Dit zou ook gelden wanneer dat vele jaren geleden is gebeurd, de persoon vele jaren zonder verdere problemen in Afghanistan heeft kunnen wonen en dit niet de reden is geweest om het land te verlaten of er geen gevaar meer is om (opnieuw) slachtoffer te worden van bacha-bazi misbruik of andere zwaarwegende problemen. Wanneer de IND op grond van het asielrelaas concludeert dat het slachtoffer zijn geweest van bacha-bazi misbruik geen grond voor bescherming oplevert en zich geen andere redenen voor internationale bescherming voordoen, dan moet de IND de asielaanvraag afwijzen.
Het naar de letter uitvoeren van de motie zou inhouden dat een verblijfsvergunning asiel zou moeten worden verstrekt zonder dat er sprake is van gegronde vrees op vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Dit verhoudt zich niet met het doel en de opzet van de Europese Kwalificatierichtlijn waarbij enkel internationale bescherming wordt verleend indien er sprake is van vrees voor vervolging of ernstige schade3. Deze constatering betekent dat er geen juridische ruimte bestaat voor de uitvoering naar de letter van de motie. Zoals uiteengezet meen ik dat het geldende beleid en de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven wel tegemoet komt aan de geest van de motie, zoals ik deze begrijp.
Bent u zich ervan bewust dat slachtoffers van Bacha Bazi vaak door hun familie en vrienden worden verstoten in Afghanistan? Hoe heeft u dit meegewogen in uw voornemen de motie Van den Berge/Van Ojik niet uit te voeren?
Ja, hiervan ben ik mij bewust en dit wordt bij de besluitvorming in individuele zaken betrokken. Zoals aangegeven in antwoord 4 wordt door de IND het totale asielrelaas getoetst. Wanneer betrokkene heeft verklaard slachtoffer te zijn geweest van bacha-bazi misbruik dan worden alle aspecten die daarop betrekking hebben meegewogen in de besluitvorming ten aanzien van de beschermingsvraag. Daar waar aannemelijk is dat betrokkene slachtoffer zal worden van vervolging in de vluchtelingrechtelijke zin of risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wordt deze bescherming geboden. Discriminatie of sociale uitsluiting kunnen relevant zijn om te concluderen dat sprake is van vervolging of onmenselijke behandeling en kunnen dus tot vergunningverlening leiden.
Acht u het een acceptabel gevolg van uw beleid dat minderjarige (of voormalige minderjarige) slachtoffers van Bacha Bazi-misbruik terug worden gestuurd naar Afghanistan, en aldaar in een sociaal isolement terecht komen en geen beroep kunnen doen op bescherming van de overheid?
Zoals hiervoor aangegeven, is afwijzing van een asielverzoek niet aan de orde wanneer er bij terugkeer sprake is van dan wel een voorzienbaar dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij wordt ook gekeken naar de situatie bij terugkeer in verband met het misbruik in het verleden en of de omstandigheden waaronder iemand komt te verkeren voldoende zwaarwegend zijn om voor verblijf in aanmerking te komen. Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die niet voor asielbescherming in aanmerking komen geldt daarnaast ook dat enkel sprake zal zijn van terugkeer als sprake is van adequate opvang4.
Vindt u het een voorwaarde voor veilige terugkeer naar een land van herkomst dat slachtoffers van misbruik aldaar aangifte kunnen doen, en in formele en materiele zin ondersteund en beschermd worden door de overheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de voorgaande vragen, moet er om in aanmerking te komen voor een asielvergunning sprake zijn van een noodzaak tot het verlenen van internationale bescherming vanwege gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. Indien dit risico niet bestaat dan wordt de asielaanvraag afgewezen en wordt van de vreemdeling verwacht dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Het kunnen doen van aangifte is geen omstandigheid die van doorslaggevend belang is bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bescherming. Van belang is – zoals eerder opgemerkt – of er een risico bestaat om wederom het slachtoffer te worden van vervolging of ernstige schade. De (on)mogelijkheid om aangifte te doen kan daarbij wel relevant zijn, maar vormt geen zelfstandige asielgrond binnen het (EU-)asielrecht.
Bent u bereid de motie Van den Berge/Van Ojik alsnog uit te voeren, of op zijn minst gedeeltelijk uit te voeren, bijvoorbeeld door het opnemen van Afghaanse Bacha Bazi-slachtoffers als risicogroep in de Vreemdelingencirculaire C7? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in voorgaande antwoorden ben ik van mening dat het huidige beschermingsbeleid en de uitvoering daarvan voldoende waarborgen biedt om slachtoffers van bacha-bazi misbruik daar waar nodig bescherming te bieden. In voorkomende gevallen kan het traumatabeleid, dat in de Vreemdelingencirculaire (Vc) is geschaard onder de gronden voor subsidiaire bescherming van toepassing zijn; zie C2/3.3 Vc onder Eerdere confrontatie met wandaden (voorwaarden: daders zijn autoriteiten of personen waartegen de autoriteiten geen bescherming willen of kunnen geven, er is sprake van verkrachting, het was de aanleiding voor het vertrek en dat vertrek vond plaats binnen zes maanden na de verkrachting).
Hoewel er geen noodzaak is om in aanvulling daarop de slachtoffers van bacha-bazi misbruik aan te merken als risicogroep, ben ik daartoe wel bereid. Redengevend is voor mij daarvoor het gevoelen van uw Kamer, zoals dit blijkt uit eerdergenoemde motie, tezamen met de constatering dat er geen hogere rechtsnorm aan deze aanwijzing als risicogroep in de weg staat. De Vreemdelingencirculaire zal hier spoedig op worden aangepast. Aangezien een passende bescherming waar nodig reeds was gewaarborgd, verwacht ik dat het aanmerken van slachtoffers van Bacha-bazi misbruik een beperkt effect zal hebben. Voor zaken waarin gesteld bacha-bazi-slachtofferschap eerder niet-geloofwaardig is geacht, heeft deze aanwijzing als risicogroep geen betekenis.
Kunt u alle vragen individueel beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb enkel vragen tezamen beantwoord waar ik meende dat dat de helderheid van de beantwoording ten goede kwam. Het merendeel van de vragen heb ik separaat beantwoord.
Bent u bereid geen onomkeerbare stappen te zetten in zaken van Bacha Bazi-slachtoffers totdat de Kamer hierover met u heeft kunnen debatteren en een eventuele Kameruitspraak heeft kunnen doen? Zo nee, waarom niet?
Op 3 juni as. staat een nota-overleg met uw Kamer gepland waar mijn reactie op de motie Van den Berge en Van Ojik over slachtoffers van bacha-bazi misbruik ook is geagendeerd. Op dit moment staat er geen terugkeer naar Afghanistan van bacha-bazi slachtoffers gepland waarmee feitelijk invulling wordt gegeven aan dit verzoek.
Arbeidsmigranten onvoldoende beschermd tegen Coronavirus |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de EenVandaag uitzending «Arbeidsmigranten worden niet beschermd tegen het coronavirus: «Deze groep heeft geen prioriteit»»,van 20 maart 2020?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat in enkele vitale sectoren, zoals de voedings- en distributiesector, veel werknemers, veelal arbeidsmigranten, op minder dan 1,5 meter afstand van elkaar moeten werken, in kleine busjes worden vervoerd en op een hele kleine oppervlakte en met veel personen wonen en slapen, waardoor de kans op besmetting met het coronavirus zeer groot is?
Ik deel de zorgen over de werknemers in deze vitale sectoren, onder wie veel arbeidsmigranten. Het is in ieders belang dat iedereen zo gezond en veilig mogelijk kan wonen, werken en reizen. Werkgevers, huisvesters en uitzendbureaus hebben een gedeelde verantwoordelijkheid om ook voor werknemers in de vitale sectoren, zoals arbeidsmigranten, de maatregelen van het RIVM zo goed mogelijk te implementeren om besmettingsgevaar te voorkomen. Het is voor iedereen een grote uitdaging om de maatregelen zo goed mogelijk door te voeren en tegelijkertijd de vitale processen draaiende te houden.
Vreest u ook dat hierdoor een risico ontstaat dat in deze vitale sectoren veel besmettingen kunnen plaatsvinden, waardoor veel mensen ziek worden en deze vitale processen stil komen te vallen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het daarbovenop ook een risico dat deze arbeidsmigranten zich minder snel ziek zullen melden omdat hun huisvesting afhankelijk is van het feit of zij werken en daarnaast dat eventuele gemaakte kosten van de gezondheidszorg worden doorberekend in hun loon?
Ik onderken de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van hun werkgever voor wat betreft hun huisvesting. Het kabinet roept werkgevers op om geen werknemers te ontslaan. Werkgevers die wel afscheid nemen van arbeidsmigranten, dienen hier ook verantwoordelijkheid voor te nemen; zeker als de arbeidsmigranten voor hun huisvesting afhankelijk zijn van hun werkgever, worden werkgevers opgeroepen te zorgen voor een alternatief.
Het is niet wenselijk dat mensen in deze tijd op straat komen te staan. Samen met verhuurders heeft het kabinet afspraken gemaakt over het voorkomen van huisuitzettingen als gevolg van de coronacrisis. Ook zal de Minister van Milieu & Wonen het met een spoedwet mogelijk maken om tijdelijke contracten te verlengen. Op korte termijn zal uw Kamer worden geïnformeerd over verdere maatregelen.
Met de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) is er een verbod op inhoudingen op het minimumloon ingesteld, met uitzondering van huisvestingskosten en de zorgverzekering onder bepaalde voorwaarden. De werkgever mag om die reden geen gemaakte kosten voor de gezondheidszorg inhouden op het minimumloon.
Bent u bereid om deze situatie van arbeidsmigranten zo snel mogelijk te verbeteren om zo besmettingshaarden tegen te gaan en op die manier te voorkomen dat deze vitale sectoren stil komen te vallen?
Ja. Er wordt samengewerkt met werkgeversorganisaties, vakbonden, gemeenten en ambassades om de problemen die nu ontstaan voor arbeidsmigranten en werkgevers, zo goed mogelijk aan te pakken en waar mogelijk te handhaven. Het kabinet monitort de ontwikkelingen en beziet of er extra stappen nodig zijn. Ieder speelt hierin een eigen rol. Zo kunnen uitzendbureaus samen met de gemeente bekijken of de huisvesting van arbeidsmigranten kan worden aangepast, zodat deze beter voldoet aan de richtlijnen van het RIVM. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de norm van 1,5 meter afstand.
Om arbeidsmigranten beter te bereiken op wat zij zelf kunnen doen om het risico op besmetting tijdens wonen en werken zo klein mogelijk te maken, wordt ingezet op extra communicatie over de RIVM-richtlijnen voor werknemers in de talen van arbeidsmigranten, zie hiervoor het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om met deze sectoren, waaronder ook de uitzendbureaus, te bespreken hoe zij beter (ook in andere talen) over de instructies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gaan communiceren en er tevens voor te zorgen dat er voorzorgsmaatregelen voor deze werknemers worden genomen?
De voorzorgsmaatregelen die gelden vanuit de rijksoverheid zijn in de vorm van posters en flyers beschikbaar in diverse talen, waaronder in het Engels, Pools, Spaans, Turks, Arabisch en Papiamento.2 Deze informatie wordt middels sociale mediacampagnes verspreid onder diverse doelgroepen. Het kabinet zet daarnaast in op extra voorlichting over de RIVM-richtlijnen voor werknemers in de verschillende talen van arbeidsmigranten.
Daarnaast verspreidt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de antwoorden op veel gestelde vragen over de situatie van arbeidsmigranten in relatie tot het de (maatregelen omtrent) het coronavirus, in overeenstemming met de informatie die te vinden is op rijksoverheid.nl en in afstemming met het RIVM. Deze informatie wordt gedeeld met sociale partners, de uitzendbranche en gemeenten. De informatie wordt tevens vertaald en onder ambassades verspreid van de thuislanden van veel arbeidsmigranten.
Welke maatregelen gaat u verder nemen om te voorkomen dat er geen besmettingshaarden kunnen ontstaan onder arbeidsmigranten en om te voorkomen dat zij ziek aan het werk gaan?
Zie de antwoorden op vragen 4, 5 en 6.
Bent u bereid om de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid in deze sectoren te laten handhaven op de door de RIVM gestelde instructies om zo mogelijke besmetting van het coronavirus te voorkomen?
Het is van algemeen belang dat de voorgeschreven maatregelen van het RIVM worden genomen om verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Op grond van de Arbowet is de werkgever verantwoordelijk om de risico’s bij arbeid te voorkomen of te beperken en in te grijpen wanneer nodig. Als de werkgever niet de nodige voorzorgsmaatregelen treft, kan de werknemer, ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of vakbond een melding doen bij de Inspectie SZW. Indien de Inspectie SZW meldingen ontvangt, zal per geval worden bekeken wat met de melding kan worden gedaan. Zo kan de Inspectie zelf actie ondernemen, bijvoorbeeld door de werkgever aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid. Indien nodig kunnen meldingen ook worden doorgeleid naar andere instanties, zoals de gemeente.
De risico’s voor en van nieuwe asielzoekers |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Herinnert zich de brief van u en uw medebewindspersonen van Justitie en Veiligheid over maatregelen tegen corona1 en kent u het bericht «Geen opvang meer voor nieuwe asielzoekers»2?
Ja.
Is het waar dat asielzoekers die nu naar ons land komen daadwerkelijk op geen enkele manier nog door de Immigratie en Naturalisatiedienst(IND) of het Centrum Opvang Asielzoekers (COA) worden geholpen? Zo ja, wat gebeurt er dan wel met deze mensen? En zo ja, waarom kan deze groep niet ten minste de meest elementaire vorm van humanitaire hulp ontvangen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De asielprocedure zoals wij die kennen is een procedure die gepaard gaat met een groot aantal contactmomenten met veel personen van verschillende organisaties en ook nog eens met een behoorlijk aantal verplaatsingen van personen door het hele land, waar de asielzoekerscentra gelegen zijn. Dit, afgezet tegen de absolute noodzaak om de verspreiding van het virus maximaal te controleren, maakte het onmogelijk het asielproces na afgelopen zondag in stand te houden. Het besluit dat is genomen is dat voor asielzoekers die zich nieuw aanmelden de asielprocedure wordt opgeschort. Gezien het contact-intensieve karakter van het asielproces is een andere keuze niet verantwoord geacht. Er zal nog wel registratie plaatsvinden van personen die zich melden voor asiel, maar die beperkt zich tot het noodzakelijke, zoals het afnemen van vingerafdrukken en op basis daarvan doorzoeken van de Nederlandse en Europese systemen, fouilleren, doorzoeken van bagage en innemen van documenten. We doen wat nodig is in het kader van de openbare orde en de volksgezondheid, maar starten niet de stappen van de asielprocedure.
Tegelijk wordt gewerkt aan de inrichting van een noodonderdaklocatie waar mensen, die nu niet kunnen instromen in het asielproces, onderdak en basale voorzieningen kunnen vinden. Tot die noodonderdaklocatie gereed is wordt deze personen op andere wijze sober onderdak geboden. Opvang in de opvangcentra van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voor nieuwe asielzoekers echter niet aan de orde tot 6 april. Evenmin zal tot 6 april opvang worden beëindigd van personen die reeds bij het COA worden opgevangen.
Acht u het mogelijk of zelfs waarschijnlijk dat er onder deze groep mensen zijn die vanwege erbarmelijke of gevaarlijke omstandigheden hun eigen land hebben moeten ontvluchten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik acht dat mogelijk.
Acht u het mogelijk dat door deze groep op straat te laten rondzwerven zij het risico van besmetting op corona kunnen verspreiden? Zo ja, is het dan niet ook vanuit gezondheidsoogpunt beter om deze groep op enige manier in kaart te brengen en te begeleiden? Zo nee, waarom niet en hoe is de afweging van de gezondheidsrisico’s precies gemaakt?
Het genoemde risico en het genoemde belang van hulp aan kwetsbaren vormt de aanleiding om het hiervoor beschreven onderdak te realiseren.
Deelt u de mening dat ook of juist in deze tijd waarin het bestrijden van corona van groot belang is, er toch hulp aan ten minste de meest kwetsbaren onder de asielzoekers moet worden geboden? Zo ja, hoe gaat u hier alsnog voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen voor het debat van aanstaande woensdagmiddag 18 maart beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat asielzoekers niet welkom zijn in Ter Apel vanwege het Coronavirus |
|
Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Is het juist dat nieuwe asielzoekers niet welkom zijn in Ter Apel vanwege het Coronavirus?1
De asielprocedure zoals wij die kennen is een procedure die gepaard gaat met een groot aantal contactmomenten met veel personen van verschillende organisaties en ook nog eens met een behoorlijk aantal verplaatsingen van personen door het hele land, waar de asielzoekerscentra gelegen zijn. Dit, afgezet tegen de absolute noodzaak om de verspreiding van het virus maximaal te controleren, maakte het onmogelijk het asielproces na afgelopen zondag in stand te houden. Het besluit dat is genomen is dat voor asielzoekers die zich nieuw aanmelden de asielprocedure wordt opgeschort. Gezien het contact-intensieve karakter van de asielproces is een andere keuze niet verantwoord geacht. Tegelijk wordt gewerkt aan de inrichting van een noodonderdaklocatie waar mensen, die nu niet kunnen instromen in de asielproces, onderdak en basale voorzieningen kunnen vinden. Opvang in de opvangcentra van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voor nieuwe asielzoekers echter niet aan de orde tot 6 april.
Klopt het dat nieuwe asielzoekers in een noodopvang worden ondergebracht? Is al bekend waar deze opvang zich bevindt en hoeveel capaciteit deze opvang heeft?2
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre kan een tweede aanmeldcentrum een oplossing zijn, zoals geopperd door de burgemeester van Westerwolde?
Zoals hiervoor aangegeven is het noodzakelijk alle stappen van de asielproces op te schorten. Voor het openen van een tweede aanmeldcentrum bestaat dan ook geen aanleiding.
Is het juist dat de terugkeergesprekken met asielzoekers zijn geschrapt? In hoeverre worden ook andere gesprekken, data en termijnen voor vluchtelingen aangepast dan wel stopgezet?
Alle activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor de openbare orde en de volksgezondheid en waar menselijk contact voor nodig is, worden zoveel als mogelijk opgeschort. Terugkeergesprekken kunnen enkel in bijzondere situaties doorgang vinden. Dat wordt op individueel niveau van dag tot dag bekeken. Gedacht kan worden aan een terugkeergesprek met een vreemdeling die na een strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring is gesteld.
In hoeverre onderzoekt u de mogelijkheden om asielzoekers te ondervragen zonder risico op besmetting?
Zie antwoord vraag 4.
Wat doet u nog meer om personeel van de Immigratie en Naturalisatie dienst (IND) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) alsmede bewoners van Asielzoekers Centra (AZC) te beschermen tegen besmetting met het Coronavirus?
Binnen de gehele migratieketen wordt het advies zoals het RIVM dit heeft afgegeven gecommuniceerd en opgevolgd.
Het COA heeft medewerkers en bewoners geïnformeerd over de noodzaak om verspreiding van het virus te voorkomen, waaronder contacten te beperken tot alleen de noodzakelijke contacten. In het Protocol Infectieziekten staat informatie over hoe je moet handelen bij (een vermoeden van) besmetting en welke preventieve richtlijnen er zijn om je te beschermen. Op opvanglocaties in het land werkt het COA nauw samen met de GGD. Bewoners met gezondheidsklachten worden verwezen naar Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Informatie is in meerdere talen beschikbaar. Voor gevallen waarin sprake is van besmetting zijn scenario’s opgesteld. In die gevallen zal altijd lokaal worden samengewerkt en afgestemd met de GGD. Wat de scenario’s inhouden kan per locatie verschillen, maar zal tevens in de loop van de tijd verschillen.
Het opvangen en begeleiden van asielzoekers door het COA wordt beschouwd als een vitale functie. Andere medewerkers worden verzocht zoveel als mogelijk thuis te werken.
De kabinetsbrief Vervolgmaatregelen aanpak coronavirus |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() ![]() |
Betekenen deze maatregelen dat de mogelijkheid om asiel in Nederland aan te vragen tot 6 april is opgeschort?1 Zo nee, wat betekenen de maatregelen dan concreet voor de mogelijkheid om asiel aan te vragen in Nederland?
De asielprocedure zoals wij die kennen is een procedure die gepaard gaat met een groot aantal contactmomenten met veel personen van verschillende organisaties en ook nog eens met een behoorlijk aantal verplaatsingen van personen door het hele land, waar de asielzoekerscentra gelegen zijn. Dit, afgezet tegen de absolute noodzaak om de verspreiding van het virus maximaal te controleren, maakte het onmogelijk het asielproces na afgelopen zondag in stand te houden. Het besluit dat is genomen is dat voor asielzoekers die zich nieuw aanmelden de asielprocedure wordt opgeschort». Gezien het contact-intensieve karakter van het asielproces is een andere keuze niet verantwoord geacht. Er zal nog wel registratie plaatsvinden van personen die zich melden voor asiel, maar die beperkt zich tot het noodzakelijke, zoals het afnemen van vingerafdrukken en op basis daarvan doorzoeken van de Nederlandse en Europese systemen, fouilleren, doorzoeken van bagage en innemen van documenten. We doen wat nodig is in het kader van de openbare orde en de volksgezondheid, maar starten niet de stappen van de asielprocedure.
Tegelijk wordt gewerkt aan de inrichting van een noodonderdaklocatie waar mensen, die nu niet kunnen instromen in het asielproces, onderdak en basale voorzieningen kunnen vinden. Tot die noodonderdaklocatie gereed is wordt deze personen op andere wijze sober onderdak geboden. Opvang in de opvangcentra van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voor nieuwe asielzoekers echter niet aan de orde tot 6 april. Evenmin zal tot 6 april opvang worden beëindigd van personen die reeds bij het COA worden opgevangen.
Klopt het dat als gestopt wordt met identificatie en registratie, wat dus leidt tot het niet kunnen doen van een asielaanvraag, het recht op opvang vervalt? Zo ja, deelt u de mening dat dit niet het geval mag zijn en dat ook deze mensen recht op opvang moeten houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Waar zullen vreemdelingen die na 15 maart 2020 in Nederland aankomen, en dus niet tot het COA worden toegelaten, verblijven? Deelt u de mening dat ook voor deze mensen een gepaste alternatieve opvang gevonden moet worden, zeker in het geval van kwetsbare mensen, zoals kinderen, gezinnen en ouderen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten wat wordt bedoeld met de zinsnede dat «in beginsel» terugkeergesprekken geen doorgang zullen vinden? Wanneer vinden terugkeergesprekken wel doorgang?
Daarmee wordt bedoeld dat enkel in bijzondere situaties terugkeergesprekken doorgaan. Dat wordt op individueel niveau van dag tot dag bekeken. Gedacht kan worden aan een terugkeergesprek met een vreemdeling die na een strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring is gesteld.
Wat valt er concreet onder spoedzaken?
In de genoemde brief aan uw Kamer is aangegeven dat de loketfunctie van de IND wordt beperkt tot spoedzaken. Hierbij gaat het om zaken die redelijkerwijs geen uitstel kunnen dulden en die niet evident een risico vormen op het verdere verspreiding van het virus. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan niet uitstelbare verblijfskwesties ten behoeve van personen die juist kunnen helpen bij de beheersing van het virus of medisch personeel.
Welke zaken en onderdelen van het proces vinden nog wel doorgang als het gaat om de asielprocedure? In hoeverre is het mogelijk om bijvoorbeeld een deel van de gesprekken via Skype of een ander online communicatiemiddel te laten verlopen?
De inrichting van het asielproces middels Skype of andere online communicatiemiddelen is niet goed mogelijk. De asielzoeker zal daarbij immers altijd begeleid moeten worden. Van personen die de Nederlandse taal en samenleving niet kennen, kan niet worden verwacht dat zij dit zelf organiseren. Juist die begeleiding zal altijd een menselijk contact vergen en is op dit moment niet gewenst.
Wat is het verwachte effect van de genomen maatregelen op de wacht- en doorlooptijden bij de Immigratie en Naturalisatie dienst (IND)?
Daarover is op dit moment nog weinig te zeggen. Zeker zullen de nu noodzakelijke maatregelen een negatief effect hebben op de doorlooptijden van de personen die nu in procedure zijn. Hoe het verloop van de verdere noodzakelijke maatregelen voor de aanpak van het coronavirus zal zijn is nu nog niet te zeggen. Evenmin kan daarvoor een tijdpad gegeven worden.
Wat wordt in de Asielzoekerscentra (AZC) gedaan om een (mogelijke) uitbraak en verspreiding van het Coronavirus in te dammen? Hoe worden de bewoners, in het bijzonder kwetsbare bewoners zoals ouderen, beschermd tegen een Corona-uitbraak? Zijn er voldoende testen beschikbaar om op het Coronavirus te testen? Ligt er een plan klaar indien het Coronavirus uitbreekt in één van de AZC’s? Zo ja, wat houdt dit noodplan in? Zo nee, acht u het niet verstandig een dergelijk plan op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het COA heeft medewerkers en bewoners geïnformeerd over de noodzaak om verspreiding van het virus te voorkomen, waaronder contacten te beperken tot alleen de noodzakelijke contacten In het Protocol Infectieziekten staat informatie over hoe je moet handelen bij (een vermoeden van) besmetting en welke preventieve richtlijnen er zijn om je te beschermen. Op opvanglocaties in het land werkt het COA nauw samen met de GGD. Bewoners met gezondheidsklachten worden verwezen naar Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Informatie is in meerdere talen beschikbaar. Voor gevallen waarin sprake is van besmetting zijn scenario’s opgesteld. In die gevallen zal altijd lokaal worden samengewerkt en afgestemd met de GGD. Wat de scenario’s inhouden kan per locatie verschillen, maar zal tevens in de loop van de tijd verschillen.
Worden bewoners van de ACZ’s proactief geïnformeerd over het Coronavirus en hoe zij zichzelf hiertegen kunnen beschermen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Corona en de vele andere levensbedreigende risico’s in vluchtelingenkampen op Griekse eilanden |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Kind komt om bij brand in vluchtelingenkamp op Griekse eiland Lesbos»1 en «Stampvol vluchtelingenkamp Lesbos kansloos bij besmetting coronavirus»?2
Ja.
Deelt u de mening van de in het tweede artikel genoemde tropenarts dat «als wij die mensen niet snel fatsoenlijke leef- en woonomstandigheden bieden, het mis [gaat]» omdat anders corona en andere virussen in de omstandigheden waarin mensen zich bevinden, zich snel verspreiden? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen over de mogelijke gevolgen van de verspreiding van het coronavirus in de opvangkampen op de Griekse eilanden. Griekenland is, net als andere Europese lidstaten, bezig om passende maatregelen te treffen in de strijd tegen het coronavirus. Hierbij zijn de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden een aandachtspunt. De Griekse autoriteiten hebben specifieke maatregelen getroffen om een uitbraak daar te voorkomen. Zo worden nieuwe aankomsten niet toegelaten tot de hotspots; zijn asielprocedures, registratie en beroep tijdelijk opgeschort; is er actieve bewustwording en informatievoorziening aan migranten en vluchtelingen; zijn gezamenlijke ruimtes gesloten en worden activiteiten tijdelijk gestaakt; is er een avondklok ingesteld en zijn er speciale «medical units» opgezet. Niettemin is de situatie kwetsbaar, in het bijzonder vanwege het gebrek aan gezondheidszorg en ondermaatse sanitaire voorzieningen en hygiëne in de overvolle opvanglocaties. De Europese Commissie, UNHCR, IOM en hulporganisaties ondersteunen waar mogelijk om de gezondheidszorg te versterken en preventie te bevorderen onder vluchtelingen en migranten. Indien een migrant in één van de opvangfaciliteiten positief wordt gestest, wordt de patiënt overgeplaatst naar het lokale ziekenhuis, en wordt haar of zijn directe omgeving in quarantaine geplaatst. De capaciteit van de ziekenhuizen op de eilanden is een punt van zorg.
De Europese Commissie en de Griekse autoriteiten werken samen aan een noodplan om de risico’s op een COVID-19 uitbraak zo ver mogelijk te verkleinen in de opvanglocaties op de Griekse eilanden.
De Europese Commissie heeft op 4 maart jl. een actieplan voor Griekenland aangekondigd. Dit actieplan bestaat uit een door Frontex gecoördineerd terugkeerprogramma, twee ondersteunende grensbewakingsoperaties aan de zee- en landgrens en additionele financiële steun van EUR 700 miljoen. De eerste EUR 350 miljoen heeft de Commissie direct beschikbaar gesteld om grens- en migratiemanagement aan te pakken. Provisioneel wordt voor de direct beschikbare EUR 350 miljoen gekeken naar het vergroten van opvangcapaciteit, vrijwillige terugkeer en de infrastructuur die nodig is voor «screening procedures» voor gezondheid en veiligheid. Daarnaast zal het bedrag worden aangewend om het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO) en Frontex te ondersteunen, om (vrijwillige) terugkeer te bevorderen en lopende activiteiten te continueren. De Commissie heeft op 27 maart een voorstel gedaan voor de additionele EUR 350 miljoen.3 Hier wordt uw Kamer separaat nader over geïnformeerd. Het kabinet acht het van belang dat hierbij voldoende financiële absorptiecapaciteit van Griekenland en een effectieve en efficiënte besteding van de middelen wordt gewaarborgd. Nederland draagt tevens bij aan de steunvraag van Griekenland aan Frontex, de zgn. Rapid Border Intervention voor de landgrens.
Daarnaast helpt Nederland om de meest acute humanitaire noden te verlichten, bijvoorbeeld door humanitaire organisaties in staat te stellen snel en flexibel te reageren in noodsituaties. Nederland verleent bijvoorbeeld ongeoormerkte steun aan diverse organisaties – zoals UNHCR – die een belangrijke rol spelen in de huidige humanitaire respons in Griekenland.
Ook stelt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking via het Nederlandse Rode Kruis (NRK) EUR 500.000 beschikbaar om het regionale appeal van de Internationale Federatie van Rode Kruis en Rode Halve Maan-bewegingen (IFRC) te ondersteunen. Een deel van dit IFRC-plan betreft humanitaire activiteiten in Griekenland, waaronder in en rondom de opvangfaciliteiten op de eilanden. Dit zal onder meer ingezet worden om de acute noden op het gebied van water- en sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en bescherming te lenigen.
Tenslotte kan Griekenland, net als andere lidstaten, gebruik maken van crisis-mechanismen om acute in-kindassistentie te vragen in geval van een noodsituatie. Dat geldt ook voor extra medische hulp. Momenteel is daar nog geen sprake van. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Deelt u de mening dat de situatie in het genoemde vluchtelingenkamp, voor zover dat al niet sowieso het geval was, nu helemaal totaal onhoudbaar is geworden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u nog steeds van mening dat het geen «structurele oplossing» 3) is om extra migrantenkinderen van de Griekse eilanden op te nemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals vaker met uw Kamer gewisseld, is het kabinet voorstander van het doorvoeren van structurele verbeteringen, zoals het versnellen van de asielprocedures, het verbeteren van de opvangomstandigheden en het bevorderen van terugkeer. Nederland ondersteunt de Griekse autoriteiten zowel bilateraal als via de EU om deze verbeteringen door te voeren. In dat licht verwelkomt het kabinet het Actieplan van de Europese Commissie om Griekenland hierbij te ondersteunen. Het kabinet vindt dat een substantieel deel van de additionele EUR 350 mln besteed moet worden aan het verbeteren van de omstandigheden van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s). Daar heb ik ook recentelijk op aangedrongen tijdens de JBZ-Raad op 13 maart jl., conform de motie- Voordewind c.s.5 Daarnaast heeft Nederland de Europese Commissie verzocht om AMV´s te ondersteunen waar mogelijk.
Het ad hoc opnemen van AMV’s vindt het kabinet geen structurele oplossing. Ad hoc relocatie gaat in tegen de essentie van de EU-Turkije Verklaring, die ziet op het breken van het businessmodel van mensensmokkelaars. Herplaatsing naar Europa werkt contraproductief en houdt mensensmokkel in stand. Dat geldt ook voor de herplaatsing van AMV’s. Terugkeer van mensen die geen recht hebben op asiel in Griekenland, is volgens het kabinet de enige manier om de eilanden structureel te ontlasten. Wel erkent het kabinet dat de situatie voor deze kwetsbare groep verbeterd dient te worden.
Meent u werkelijk dat het «leveren [van] experts, juridische bijstand en dekens» enig alternatief is voor het daadwerkelijke redden van kinderen die in grote nood verkeren? Zo ja, dat kunt u toch niet echt menen? En zo ja, waarom meent u dat? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daaraan?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het van geen enkel belang is of een oplossing voor deze kinderen al dan niet «structureel» is aangezien ze nu in acuut gevaar en mensonterende omstandigheden verkeren waar zij uit moeten worden gehaald? Zo ja, gaat u dan ervoor zorgen dat een deel van die kinderen, net zoals andere EU-landen doen, een veiliger plek krijgen in Nederland, desnoods na checks op corona en een isolatieperiode? Zo nee, waarom zegt u dan «het grijpt ook mij aan»3 en hoe oprecht is dat dan nog langer?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de overheid al jaren weet van vermissingen van Vietnamese kinderen |
|
Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Overheid weet al jaren van vermissingen Vietnamese kinderen»?1
Het fenomeen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen die met onbekende bestemming vertrekken is al langere tijd bekend binnen de migratieketen. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) vormen een kwetsbare groep en het is onwenselijk dat zij met onbekende bestemming vertrekken uit de opvanglocaties. Daarom zijn in het verleden reeds afspraken gemaakt over, bijvoorbeeld, de plaatsing van Vietnamese minderjarigen in de beschermde opvang. Deze afspraken zijn gemaakt om deze minderjarigen te beschermen tegen mensenhandel. Om een beter beeld te krijgen van de problematiek heeft mijn voorganger in april 2019 opdracht gegeven om twee onderzoeken te laten doen naar het vertrek met onbekende bestemming van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Deze onderzoeken zijn afgerond en ik heb uw Kamer per brief d.d. 23 maart jl. geïnformeerd over de resultaten van deze onderzoeken.3
Klopt het dat medewerkers van de beschermde opvanglocaties al in 2015 signalen afgaven die wijzen op kinderhandel en dat de rapportage van de opvang stelt dat er sprake is van een «trend»?
In de kwartaalrapportage van de Jade Zorggroep van 2015 is de opvallende instroom van Vietnamese jongens en meisjes benoemd, alsmede dat al deze jongeren met onbekende bestemming zijn vertrokken uit de opvang. Het COA ving deze jongeren op in de beschermde opvang. De beschermde opvang is geen gesloten opvang, waarmee de kans blijft bestaan dat jongeren uit deze opvang vertrekken. In de kwartaalrapportage van Jade is aangegeven dat de groep van Vietnamese kinderen zeer moeilijk te «deprogrammeren» viel in een korte tijd in de beschermde opvang. Vanzelfsprekend heeft de beschermde opvang geprobeerd, binnen de mogelijkheden die er zijn, de jongeren zo lang als mogelijk in de opvang te houden. Hierover is uw Kamer ook geïnformeerd in mijn brief d.d. 23 maart jl. 4 Daarnaast rapporteert het COA deze signalen aan het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM).
Waarom is de Kamer daar niet onmiddellijk over geïnformeerd?
In 2015 heeft de Inspectie Jeugdzorg in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de beschermde opvang. Over dit onderzoek is uw Kamer per brief van 7 maart 2016 geïnformeerd.5 In deze brief is expliciet genoemd hoeveel Vietnamese amv’s er met onbekende bestemming uit de beschermde opvang zijn vertrokken in 2015. Ook staat in de brief dat de Vietnamese amv’s in vier groepen uit de beschermde opvang zijn vertrokken en welke maatregelen medewerkers treffen om het vertrek van amv’s tegen te gaan. In de Kamerbrief over de hertoets van de kwaliteit van de beschermde opvang d.d. 6 september 2017 is uw Kamer wederom geïnformeerd over de hoeveelheid Vietnamese amv’s die met onbekende bestemming zijn vertrokken in 2016 en de eerste maanden van 2017.6 In de beantwoording op verschillende Kamervragen is uw Kamer hier de afgelopen jaren ook over geïnformeerd.7
Waarom is dit evenmin gebeurd in antwoord op de verschillende vragen die de afgelopen jaren vanuit de Kamer zijn gesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom verklaarde toenmalig Staatssecretaris Harbers in antwoord op Kamervragen geen informatie te hebben «dat een smokkelnetwerk betrokken is bij de verdwijning van minderjarige Aziatische migranten»?2
Mijn voorganger heeft verklaard dat er bij de uitvoeringsorganisaties geen informatie bekend is dat een smokkelnetwerk betrokken zou zijn bij de vermissing van minderjarige Vietnamese migranten. Dit was toentertijd ook het geval.
Wel zijn er altijd sterke vermoedens geweest van mensensmokkel. Om deze reden zijn er afspraken gemaakt om Vietnamese amv’s standaard in de beschermde opvang te plaatsen.
De indicaties van mensensmokkel die worden genoemd in de artikelen van nos.nl en Argos, die waren reeds bekend bij de uitvoeringsorganisaties, onder andere bij het COA. Op grond hiervan is in het verleden meermaals strafrechtelijk onderzoek gedaan naar zowel mensenhandel als mensensmokkel. Echter op grond van enkel deze indicaties kon nog niet gesteld worden dat er sprake is van een concreet mensensmokkelnetwerk. Wel hebben inmiddels een aantal onderzoeken geleid tot losstaande veroordelingen op grond van mensensmokkel. Voor meer informatie hierover verwijs ik u naar het EMM-onderzoek over Vietnamese amv’s en mijn brief aan uw Kamer, d.d. 23 maart jl., over dit onderzoek.
Erkent u dat de Kamer niet of tenminste onvolledig is geïnformeerd?
De verklaring van mijn voorganger dat er geen indicaties waren van een mensensmokkelnetwerk was correct. Tot op heden is er geen bewijs dat er sprake is van een georganiseerd mensensmokkelnetwerk. De vermoedens en signalen van mensensmokkel zijn er echter al langere tijd. De opmerkingen in de kwartaalrapportages van Jade en Xonar zijn op zichzelf echter niet voldoende om te spreken van een strafbaar feit. Daar is eerst een strafrechtelijk onderzoek voor vereist en het is uiteindelijk aan de rechter om te beslissen of er sprake is geweest van een strafbaar feit. Inmiddels zijn er een aantal losstaande veroordelingen geweest op grond van mensensmokkel.
Waar blijft het onderzoek naar de verdwijning van Vietnamese kinderen dat afgelopen najaar gereed zou zijn?3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel eens dat het belangrijk is dat de bestaande signalen van georganiseerde mensenhandel bij vermiste Vietnamese kinderen serieus genomen moeten worden omdat deze kinderen moeten kunnen rekenen op actieve bescherming door de overheid en dat de daders moeten worden gestopt? Zo ja, welk gevolg gaat u daaraan geven?4
Ik ben het eens met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel dat wanneer zich signalen van georganiseerde mensenhandel voordoen, deze zeer serieus genomen moeten worden. Dit geldt des te meer voor signalen die betrekking hebben op kwetsbare groepen, zoals bijvoorbeeld gestelde alleenstaande minderjarige vreemdelingen. In mijn brief aan uw Kamer omtrent de twee onderzoeken naar vertrek met onbekende bestemming van amv’s d.d. 23 maart jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen ik in dit kader tref. In deze brief ga ik ook specifiek in op Vietnamese amv’s.
Het artikel 'Hossam wil graag Nederlands leren, maar voor blinde nieuwkomers is er bijna geen les' |
|
Niels van den Berge (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Hossam wil graag Nederlands leren, maar voor blinde nieuwkomers is er bijna geen les», waarin uiteengezet wordt hoe inburgeraars met een beperking tegen problemen aanlopen in het inburgeringsproces en het leren van de Nederlandse taal?1
Ja/
Deelt u de mening dat het leren van de Nederlandse taal essentieel is voor de inburgering van elke nieuwe Nederlander en dat het daarom onacceptabel is dat inburgeraars met een fysieke of mentale beperking niet dezelfde kansen krijgen als inburgeraars zonder beperking?
Het leren van de Nederlandse taal is essentieel voor nieuwkomers en de wet inburgering biedt het kader voor degenen die inburgeringsplichtig zijn. Het is mogelijk om aangepaste examens te doen, voor sommige mensen met een beperking biedt dat uitkomst. Daarnaast is er een mogelijkheid om op medische grond te worden ontheven van de inburgeringsplicht. De huidige wettelijke kaders geven niet meer ruimte. Met de nieuwe wet inburgering wil ik meer mogelijkheden creëren die gericht zijn op wat mensen met een beperking wel kunnen.
Kunt u een overzicht geven van het aantal inburgeraars dat wegens een beperking tegen problemen aanloopt in het inburgeringsproces? Krijgt deze groep enige vorm van speciale aandacht ten opzichte van inburgeraars zonder beperkingen?
Mensen met een beperking kunnen op basis van medisch advies worden ontheven van de inburgeringsplicht. Dit wordt uitgevoerd door een door DUO gecontracteerd bureau (Argonaut). In 2019 zijn er 668 aanvragen ingediend en zijn er 499 mensen op medische gronden ontheven. De aard van beperkingen loopt sterk uiteen (fysiek, psychisch of verstandelijk). Er worden geen overzichten bijgehouden van het type beperking vanwege privacywetgeving. De consequentie van een ontheffing is dat mensen niet meer inburgeringsplichtig zijn en dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de lening.
Op basis van medisch onderzoek en advies van Argonaut is het ook mogelijk om de examens te doen onder aangepaste examenomstandigheden. Een overzicht van aanpassingen voor de inburgeringsexamens (KNM en A2 niveau) is opgenomen in de Regeling Inburgering2. Vanwege de mogelijkheid tot ontheffing wordt hiervan weinig gebruik gemaakt. Voor de Staatsexamens Nt2 (B1/B2 niveau) zijn er ook aangepaste examens mogelijk en zijn er bijvoorbeeld ook braille examens beschikbaar. Dit is relevant voor mensen die willen studeren waarvoor een diploma Staatsexamen Nt2 nodig is (B1 of B2) en die al over vaardigheden beschikken om dit te kunnen leren.
Klopt het dat inburgeraars met een beperking geregeld aangeraden wordt ontheffing aan te vragen voor het inburgeringsexamen? Kunt u een indicatie geven van hoe vaak dit gebeurt?
Het is belangrijk dat mensen met een beperking gewezen worden op de mogelijkheden waaronder ook ontheffing op medische gronden. Sommige mensen met een beperking zijn niet in staat om te voldoen aan de eisen die de wet inburgering stelt. Inburgeraars die volledig doof en/of blind zijn, kunnen nu geen aangepaste examens afleggen op A2 niveau. Bij vragen zal DUO daarom doorverwijzen naar Argonaut. Omdat er op B1/B2 niveau wel braille examens beschikbaar zijn, is het van belang dat hierop wordt gewezen zodat een inburgeraar een goede afweging kan maken passend bij wat binnen de mogelijkheden ligt. Argonaut schat dat gemiddeld enkele tientallen visueel beperkten (blind of zeer slecht ziend) per jaar in aanmerking komen voor ontheffing. Mensen met een beperkt zicht kunnen gebruik maken van aangepaste examenomstandigheden.
Deelt u de mening dat dit geen oplossing is omdat de inburgeraar hiermee zijn/ haar recht op een lening van DUO voor taallessen verliest en dit juist de kloof tussen deze inburgeraars en de Nederlandse samenleving vergroot? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor het kabinetsbeleid?
In de nieuwe wet inburgering wil ik voor mensen met een beperking gedeeltelijke ontheffing mogelijk maken. Ontheffing kan dan gelden voor bepaalde examenonderdelen. Bij blinden zou de uitkomst kunnen zijn dat zij wel de onderdelen Spreken en Luisteren doen en niet de onderdelen Lezen en Schrijven omdat dat niet kan zonder beheersing van braille en het leren van braille in combinatie met het leren van de Nederlandse taal niet voor iedereen haalbaar is. Deze doelgroep kan dan wel inburgeringslessen volgen en de andere examenonderdelen afleggen en daarmee ook voldoen aan de inburgeringsplicht.
Hoe verlopen de gesprekken met Visio over het pilottraject inburgering voor mensen met een visuele beperking? Deelt u de mening dat het van belang is dat inburgeraars met een beperking, vooral degenen die al enige tijd wachtende zijn op ondersteuning, zo snel mogelijk kunnen beginnen met de inburgering? Wanneer verwacht u dat dit traject van start zal gaan?
Visio heeft eind 2018 contact gezocht over inburgering het Ministerie van SZW en ook vanuit de Tweede Kamer is vorig jaar aandacht voor dit onderwerp gevraagd. VISIO heeft eind 2019 een pilotvoorstel ingediend over de ontwikkeling en uitvoering van een Nt2-programma gericht op inburgeringsplichtigen met een visuele beperking ter voorbereiding op het nieuwe inburgeringsstelsel. Dit voorstel is begin dit jaar goedgekeurd en het traject is in april 2020 gestart, de looptijd van deze pilot is een jaar.
Kunt u een overzicht geven van het aantal inburgeraars dat kampt met mentale stoornissen, zoals posttraumatische stressstoornis of depressie? Krijgen deze inburgeraars momenteel speciale begeleiding tijdens hun inburgeringsproces? Zo nee, waarom niet?
Als er sprake is van een medisch probleem dan is medische zorg belangrijk. Wanneer medische problemen de inburgering dusdanig belemmeren, kan er een medisch advies worden aangevraagd en kan ontheffing op medische gronden worden verleend. In geval van psychische problematiek is het ook mogelijk de inburgeringstermijn met de duur van de behandeling (maximaal 2 jaar) te verlengen, dit heeft uiteraard de voorkeur boven het op voorhand ontheffen omdat het de mensen de kans geeft alsnog in te burgeren als ze eraan toe zijn. Een aanvraag voor verlenging op medische gronden wordt beoordeeld door Argonaut op basis van een verklaring van de behandelend arts. Daar zijn geen kosten aan verbonden. Er worden geen overzichten bijgehouden van het type beperking waarvoor ontheffing of verlenging wordt verleend. In overleg met SZW wordt gekeken welke informatie, gezien de privacywetgeving, hierover in de toekomst wel geregistreerd en gedeeld kan worden.
Worden soortgelijke pilottrajecten op korte termijn ook opgezet voor inburgeraars met andere beperkingen? Zo nee, waarom niet? Kunt u in uw antwoord ingaan op de verschillende (veel voorkomende) beperkingen waar inburgeraars mee kampen, waaronder geestelijke beperkingen en mentale stoornissen?
De introductie van een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht in de nieuwe wet, biedt voor een deel van de nieuwkomers met een beperking meer mogelijkheden om deel te nemen aan de inburgering. Dit is een belangrijke stap die we met de nieuwe wet inburgering zetten.
VISIO is in april gestart met een pilottraject inburgeren met een visuele beperking. En er is meer aandacht voor dit onderwerp want onderwijsinstelling Kentalis doet onderzoek naar auditief beperkte nieuwkomers en gemeenten hebben vragen over mensen met een beperking in het nieuwe stelsel. Les aan anderstaligen (Nt2) met een beperking wordt met name gegeven op onderwijsinstellingen voor leerplichtige kinderen. Het is belangrijk dat de kennis wordt gebundeld want de doelgroep vanuit inburgering is klein en verspreid over Nederland. Er volgen gesprekken met experts, overheden, organisaties en gemeenten. Ik ben hierover ook in gesprek met het Kenniscentrum Integratie en Samenleving (KIS). Wat er nodig is, ligt op het snijvlak van inburgering, onderwijs en zorg. Op deze manier komt er meer kennis beschikbaar en ontstaat zicht op de doelgroep, de behoeften en mogelijkheden. De pilot met VISIO is daarin een belangrijke eerste stap.
Zal er in de nieuwe Inburgeringswet ruimte komen voor inburgeraars met een beperking? Zo ja, op welke manier en bouwt dit voort op de resultaten van de pilots? Zo nee, waarom?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Nederland op slot voor vluchteling per vliegtuig’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland op slot voor vluchteling per vliegtuig»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Adviescommissie Vreemdelingenzaken (ACVZ) dat het voor asielzoekers praktisch onmogelijk is geworden om per vliegtuig de Europese Unie te bereiken?
Naar mijn mening is het een misvatting dat vreemdelingen gefaciliteerd dienen te worden in een reis naar Nederland, of een ander Europees land naar keuze, zonder dat aan de voorwaarden is voldaan die door de Europese regelgeving aan de toegang zijn gesteld. Overigens arriveren nog altijd vreemdelingen op Schiphol die vervolgens om bescherming vragen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de cijfers van de Rapportage Vreemdelingenketen die ik periodiek met u deel.
Het vluchtelingenrecht zoals dat internationaal wordt geaccepteerd gaat uit van bescherming tegen een gevaar voor vervolging van personen die zich in de rechtsmacht van de Nederlandse overheid bevinden, niet van een verplichting om doormigratie mogelijk te maken. Het gaat te ver om Nederland verantwoordelijk te houden voor bescherming tegen eventuele mensenrechtenschendingen begaan in landen van herkomst of een ander land, in de situatie dat de betrokken vreemdeling niet in Nederland verblijft en hier te lande geen aanvraag om internationale bescherming heeft ingediend. Een dergelijke uitleg zou de scope van de beschermingsaanvragen bovendien dusdanig uitbreiden dat het systeem onwerkbaar zou worden.
Dat volgt evenmin uit het Europese recht, zoals het Europese gerechtshof in haar uitspraak van 21 april 2017 (C-638/16 PPU) ten aanzien van het visumbeleid ook heeft verduidelijkt. Met het beleid zoals dat door de ACVZ is aangehaald, is slechts beoogd luchtvaartmaatschappijen een ingang te geven om in bijzondere situaties overleg te voeren omtrent hun verantwoordelijkheid voor het vervoeren van personen die niet voldoen aan de voorwaarden. In andere gevallen is er het instrument van de hervestiging. Daarbuiten is er geen aanleiding om doormigratie naar Nederland te faciliteren.
Hoe verhoudt zich dit, volgens u, tot zowel het voornemen van zowel de Europese Unie (EU) als van Nederland om zich in te spannen voor het verminderen van irreguliere migratieroutes en het bevorderen van legale migratieroutes?
Vervoerders zoals luchtvaartmaatschappijen zijn conform internationale en EU wetgeving verplicht er voor te zorgen dat zij goed gedocumenteerde reizigers vervoeren naar het Schengengebied (vervoerdersverplichting). Wanneer zij niet of onvolledig gedocumenteerde passagiers vervoeren (bijvoorbeeld zonder visum), kan dit consequenties hebben, zoals het opleggen van een boete door het OM en de verplichting de vreemdeling terug te vervoeren. De kosten van vervoer en verblijf kunnen daarnaast op vervoerders verhaald worden.
Klopt het dat niet wordt geregistreerd hoeveel passagiers jaarlijks worden geweigerd en op grond waarvan? Zo nee, hoeveel mensen zijn er de afgelopen jaren geweigerd op vluchten naar Nederland zonder (duidelijke) opgaaf van reden? Zo ja, lijkt u het een goed idee om dit te gaan registeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een luchtvaartmaatschappij kan een passagier vanwege uiteenlopende redenen weigeren. Als vervoerder neemt een luchtvaartmaatschappij hier zelf een besluit over. Het klopt dat niet wordt bijgehouden hoeveel passagiers jaarlijks worden geweigerd op vluchten naar Nederland door de luchtvaartmaatschappijen. In de rapportage Vreemdelingenketen (RVK) die de Kamer periodiek informeert is wel een overzicht van het aantal personen opgenomen dat aan de grens wordt geweigerd.
Klopt het dat nauwelijks van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt om de immigratie- en naturalisatiedienst (IND) te consulteren over een zaak, indien een reiziger aangeeft gevaar te lopen? Zo ja, kunt u dit verklaren? Hoe beoordeelt u dit?
De IND is niet bekend met consultatie op omvangrijke schaal in dit soort gevallen. Overigens zullen passagiers die asiel willen aanvragen in een herkomstland, doorgaans naar UNHCR verwezen worden.
Wat vindt u van het idee om luchtvaartmaatschappijen te verplichten een zaak aan de IND voor te leggen, indien een reiziger aangeeft gevaar te lopen?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2.
Welke rol spelen luchtvaartmaatschappijen bij de beslissing om een vreemdeling naar een bepaald (derde of herkomst) land wel of niet uit te zetten? Heeft u de indruk dat luchtvaartmaatschappijen op dit vlak ook terughoudend opereren gelet op de mogelijke consequenties? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Acht u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
In zijn algemeenheid is er een goede samenwerking met de luchtvaartmaatschappijen waarmee vreemdelingen gedwongen terugkeren. Uitgangspunt is dat luchtvaartmaatschappijen medewerking verlenen aan terugkeer, ook als het gaat om vreemdelingen die niet door de betreffende luchtvaartmaatschappij naar Nederland zijn vervoerd. Daarin wordt in zijn algemeenheid geen terughoudendheid ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide reactie te geven op het rapport van de ACVZ, en hierbij ook in te gaan op de werkwijze van luchtvaartmaatschappijen bij uitzettingen vanuit Nederland naar derde landen en herkomstlanden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u die reactie aan de kamer zenden?
Een beleidsreactie zal worden gegeven nadat alle deelrapporten van de ACVZ zijn afgerond.
Het bericht 'Zwangere Afrikaanse asielzoeksters verdwijnen uit opvang' |
|
Jan de Graaf (CDA), Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zwangere Afrikaanse asielzoeksters verdwijnen uit opvang»?1
Ja.
Bent u bereid de memo, waarover in het artikel gesproken wordt, op korte termijn naar de Kamer te sturen?
Er wordt in het artikel waar u aan refereert niet gesproken over een memo. Mocht u daarentegen refereren aan het algemene waarschuwingsbericht dat het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (hierna: EMM) naar relevante betrokkenen heeft gestuurd om hen proactief te vragen waakzaam te zijn en verdachte situaties rondom deze specifieke doelgroep aan de lokale politie te melden, dan kunt u deze terugvinden in een online publicatie van CoMensha.2
Deelt u de grote zorgen over het lot van deze vrouwen en hun kinderen? Deelt u tevens de zorgen dat de huidige situatie meer en meer doet denken aan de ernstige en grootschalige Koolvis-zaak?
Mensenhandel is een zeer ernstig delict met vaak traumatische gevolgen voor de slachtoffers. Het is daarom ook goed dat in het artikel aandacht gevraagd wordt voor verdwijningen van deze kwetsbare doelgroep, waarbij mogelijke misstanden zoals mensenhandel en illegale adoptie op de loer kunnen liggen. Het is juist vanwege de zorg over het lot van deze vrouwen en hun kinderen dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) signalen heeft afgegeven aan de politie, en zij op haar beurt het EMM benaderd heeft.
Naar aanleiding van deze situatie heeft het EMM de achtergronden van deze vermissingen verkend. Het EMM, maar ook de politie en het Openbaar Ministerie zijn voortdurend alert op dergelijke signalen van mensenhandel en mensensmokkel. Dat er in deze situatie sprake zou zijn van mensenhandel en/mensensmokkel is nog niet aangetoond. Daarom wil ik enigszins terughoudend zijn in mijn uitspraken en acht ik een vergelijking met operatie Koolvis in dit stadium voorbarig.
Klopt het dat in november en december 2019 alleen al, 25 zwangere vrouwen van Afrikaanse komaf zijn verdwenen uit asielzoekerscentra in Nederland? Klopt het tevens dat ook de afgelopen weken vrouwen uit deze groep zijn verdwenen? Kunt u een volledig overzicht geven van het aantal verdwijningen de afgelopen maanden, en wilt u ook de Kamer de komende maanden hier blijvend over rapporteren? Kunt u hierbij ook aangeven in welke regio de verdwijning plaatsvond?
Tijdens het vragenuur van 9 juni jl. heb ik de informatie van het COA met u gedeeld waaruit blijkt dat in totaal 961 personen van Nigeriaanse komaf met onbekende bestemming zijn vertrokken in 2019. Het gaat hier evenwel niet uitsluitend om zwangere vrouwen, maar ook om andere groepen. Het gaat in ieder geval om 754 mannen.
Wat betreft de overige vragen verwijs ik naar het fenomeenonderzoek dat ik tijdens dat vragenuur heb toegezegd. Op dit moment onderzoek ik hoe hier het beste uitvoering aan gegeven kan worden. Dit onderzoek zal in ieder geval zien op de signalen van mensenhandel en -smokkel in relatie tot vertrek uit de asielopvang. Ik zal uw Kamer na het zomerreces informeren over de precieze invulling.
Is inzichtelijk of dit een enkel Nederlandse ontwikkeling betreft, of dat ook in andere Europese landen dergelijke verdwijningen recentelijk hebben plaatsgevonden?
Europol heeft gedeeld dat er indicaties zijn dat dit mogelijk in meerdere lidstaten speelt. Via onder andere het EMPACT mensenhandel project wordt gewerkt aan het krijgen van meer zicht op deze ontwikkeling. Ik zal de uitkomst betrekken bij het hierboven genoemde fenomeenonderzoek.
Deelt u de constatering van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel dat het niet logisch is dat deze vrouwen verdwijnen, gegeven het feit dat er sprake is van legaal verblijf, een verblijfadres en toegang tot benodigde medische zorg en kraamzorg? Welke conclusie trekt u hier uit?
Zwangere vrouwen in de opvang hebben inderdaad een verblijfplaats, recht op de benodigde medische zorg en kraamzorg. Vanwege het aanbod van voorzieningen en (medische) zorg lijkt er voor deze vrouwen dan ook geen aanleiding om met onbekende bestemming te vertrekken uit een COA-locatie. Daarentegen zijn de locaties open centra en kunnen mensen hun eigen keuzes maken, met andere woorden, het staat hun vrij om te vertrekken. Hieraan kunnen meerdere argumenten ten grondslag liggen, die niet (altijd) door de betrokkenen gedeeld worden.
Zoals beschreven in beantwoording op vraag 3 vinden preventieve acties plaats bij verdachte signalen.
Is er enig zicht op, of enige indicatie waar deze vrouwen en hun kinderen heen zijn gegaan? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om hier zicht op te krijgen?
Het COA heeft na de signalen gesproken met bewoners die verwant zijn aan de doelgroep of tot dezelfde doelgroep behoren. Deze gesprekken hebben nauwelijks inzicht gegeven in de nieuwe verblijfplaatsen van diegenen die vertrokken zijn. In het kader van het fenomeenonderzoek dat ik op 9 juni jl. heb toegezegd zal de vraagstelling rondom deze doelgroep ook worden meegenomen.
Welke mogelijkheden ziet u om vrouwen uit deze groep, die momenteel nog in asielzoekerscentra verblijven, te beschermen? Op welke wijze kunnen medewerkers in asielzoekerscentra (AZC)»s worden geholpen om signalen van mensenhandel (nog) beter te herkennen?
Asielzoekers zijn over het algemeen personen in een kwetsbare positie. Toen er signalen kwamen dat meerdere zwangere vrouwen van Afrikaanse komaf uit de opvang waren verdwenen, is bij de COA-medewerkers extra aandacht gevraagd voor deze doelgroep.
Het COA biedt aan al haar medewerkers basistrainingen aan in het herkennen van signalen van mensenhandel en mensensmokkel. Op iedere COA-locatie is minstens één contactpersoon mensenhandel aanwezig die hierin extra is getraind. Bovendien vinden jaarlijks vakdagen plaats om de inhoudelijke expertise van de contactpersonen te vergroten. Ook is er een toolkit ontwikkeld door het Rode Kruis, in samenwerking met onder andere het COA en Comensha, om mensenhandel door professionals die in de migratieketen werkzaam zijn bespreekbaar te maken met asielzoekers.
De begeleiding van het COA valt of staat echter met het in beeld zijn en blijven van bewoners. Als bewoners besluiten om een opvanglocatie te verlaten, is dat hun eigen keuze en verantwoordelijkheid. Hierbij ben ik me bewust van de druk die mogelijk door derden opgelegd wordt om deze keuze te maken. Juist daarom zijn medewerkers van de migratieketen alert op signalen van mensenhandel en worden zorgwekkende signalen met de politie gedeeld. Dat er in deze situatie sprake zou zijn van mensenhandel is nog niet aangetoond. De signalen van het COA zullen worden betrokken bij het door mij toegezegde fenomeenonderzoek.
Valt uit te sluiten dat er een relatie is tussen deze verdwijningen en het besluit van afgelopen zomer de B8-regeling aan te scherpen?
Wat de reden is voor de verdwijningen is onbekend. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 6 staat het de mensen die op de opvanglocaties verblijven vrij om te vertrekken en kunnen hieraan meerdere argumenten ten grondslag liggen, die niet altijd gedeeld worden.
Volledigheidshalve hecht ik eraan op te merken dat ook na de beleidswijzing personen die onder de Dublinverordening vallen aangifte kunnen doen van mensenhandel en in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op de grond van de B8-regeling. Voor personen die niet onder de Dublinverordening vallen, is de verblijfsregeling niet gewijzigd.
Op welke termijn verwacht u dat het door de kamer in de motie Segers/Buitenweg (28 638, nr. 172) gevraagde fenomeenonderzoek naar de toename van asielzoekers die een beroep doen op de B8-regeling zal worden afgerond? Bent u het met ons eens dat dit onderzoek met spoed moet worden opgepakt en dat hierbij nadrukkelijk moet worden onderzocht of er sprake is van een mensenhandelnetwerk?
Ik verwijs u voor beantwoording van deze vraag naar de brief met betrekking tot een aantal moties en toezeggingen op het gebied van mensenhandel, die ik gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer doe toekomen, waarin nader wordt ingegaan op Motie 28 638, nr. 1723.
Kunt u helder en gedetailleerd uitleggen op welke wijze, in lijn met de motie Segers/Buitenweg, bij een Dublinoverdracht van mogelijke slachtoffers van mensenhandel extra zorg wordt gedragen voor een overdracht van opsporingsindicaties en waar nodig medische en/of zorgindicaties? Welke maatregelen heeft u genomen naar aanleiding van de motie Segers/Buitenweg in aanvulling op de reeds bestaande procedures? Heeft u de indruk dat daadwerkelijk sprake is van een zorgvuldige overdracht en ontvangst in het aankomstland, in veel gevallen Italië?
De Dublinverordening bepaalt welke EU-lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van de vreemdeling. Als een vreemdeling aangifte van mensenhandel in Nederland doet, betekent dat niet dat de Dublinclaim per definitie vervalt. Lidstaten mogen er ingevolge het interstatelijk vertrouwensbeginsel onderling vanuit gaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn verplichtingen richting de vreemdeling nakomt. De Dublinclaimant kan in de andere lidstaat aangifte van mensenhandel doen. In goed overleg met de vreemdeling brengt de regievoerder van de DT&V ook de medische bijzonderheden in kaart en laat de regievoerder zo nodig een medische toestemmingsverklaring ondertekenen. Vervolgens worden de aspecten tijdig gedeeld met de lidstaat waarnaar wordt overgedragen zodat ook de medische overdracht zorgvuldig is gewaarborgd.
Net als Nederland zijn ook alle andere lidstaten gehouden aan de bepalingen in de Europese Mensenhandelrichtlijnen. Dat betekent dat vreemdelingen zich ook in Italië op deze richtlijnen kunnen beroepen. Politie en OM streven er evenwel naar om bij een aangifte mensenhandel die door een Dublinclaimant in Nederland wordt gedaan met een vreemdeling in gesprek te gaan voordat de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat plaatsvindt. Dit betekent echter niet dat de aangifte aan een overdracht in de weg staat.
Tot slot, wanneer een aangifte opsporingsindicaties voor een ander EU land bevat, dan wordt deze aangifte door de politie via Europol gedeeld met de aangesloten lidstaten en specifiek het land waar de opsporingsindicaties betrekking op hebben.
Is het tevens juist dat er ook Eritrese meisjes los van elkaar zijn verdwenen tijdens de treinreis naar Ter Apel en dat vanwege zorgen hierover door het centrum opvang asielzoekers (COA) een aparte melding is gedaan?
Het COA heeft inderdaad melding gemaakt bij het EMM van enkele Eritrese meisjes die los van elkaar verdwenen terwijl zij onderweg waren naar Ter Apel. Allen verdwenen terwijl zij in gezinsverband onderweg waren. Omdat in een korte periode meerdere soortgelijke situaties voorkwamen, is hier door het COA melding van gemaakt.
Welke mogelijkheden ziet u om minderjarige meisjes van Eritrese komaf te beschermen tijdens de reis en het verblijf in de asielopvang?
De Eritrese meisjes lijken te zijn verdwenen voordat zij Ter Apel bereikt hebben. Zoals gezegd, maakten zij deze reis in gezinsverband waartoe het initiatief bij de ouders lag. Uiteraard ligt er een signaalfunctie bij COA-medewerkers ten aanzien van bewoners die op een opvanglocatie verblijven. Echter, niet verwacht kan worden dat die verantwoordelijkheid ook op de reis betrekking heeft. Die verantwoordelijkheid ligt primair bij de ouders. Voor wat betreft het verblijf bij het COA verwijs ik graag naar de beantwoording op vraag 8.
Bent u bereid deze vragen op korte termijn en uiterlijk 31 maart te beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden. Het uitblijven van een reactie betekent geenszins dat het onderwerp geen urgentie heeft. De materie waar het hier om gaat, behoeft samenwerking tussen een veelheid aan organisaties, waaronder het COA, het EMM, de politie, het OM et cetera. Het helpt bovendien niet dat de personen waar het hier om gaat niet meer in beeld zijn. Ik hoop dat het fenomeenonderzoek dat ik heb toegezegd meer duidelijkheid zal verschaffen.
Het bericht dat zwangere Afrikaanse vrouwen uit asielopvang verdwenen zijn |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Tientallen zwangere Afrikaanse vrouwen verdwenen uit asielopvang»?1
Ja.
Is het waar dat in november en december 2019 zeker 25 zwangere asielzoekers uit Afrika uit hun opvang in Nederland zijn verdwenen? Zo nee, hoeveel zijn er dan wel verdwenen?
Tijdens het vragenuur van 9 juni jl. heb ik de informatie van het COA met u gedeeld waaruit blijkt dat in totaal 961 personen van Nigeriaanse komaf met onbekende bestemming zijn vertrokken in 2019. Het gaat hier evenwel niet uitsluitend om zwangere vrouwen, maar ook om andere groepen. Het gaat in ieder geval om 754 mannen.
Wat betreft de specifieke vraag naar het aantal zwangere vrouwen uit Afrika dat met onbekende bestemming is vertrokken, verwijs ik naar het fenomeenonderzoek dat ik tijdens dat vragenuur heb toegezegd. Op dit moment onderzoek ik hoe hier het beste uitvoering aan gegeven kan worden. Dit onderzoek zal in ieder geval zien op de signalen van mensenhandel en -smokkel in relatie tot vertrek uit de asielopvang. Ik zal uw Kamer na het zomerreces informeren over de precieze invulling.
Wanneer kreeg u voor het eerst signalen dat zwangere asielzoekers uit de opvang verdwenen?
Vanuit de migratieketen zijn begin 2019 de eerste signalen van mogelijke mensenhandel en mensensmokkel bij de politie gemeld met betrekking tot Nigeriaanse asielzoekers. Het COA heeft in november 2019 signalen afgegeven over zwangere vrouwen van Afrikaanse komaf die met onbekende bestemming vertrekken.
Verdwijnen er nog steeds zwangere vrouwen uit de opvang? Zo ja, om hoeveel vrouwen gaat het? Zo nee, hoe weet u dat?
Inmiddels is duidelijk geworden dat er inderdaad nog steeds personen met onbekende bestemming vertrekken, waaronder zich ook zwangere vrouwen van Afrikaanse komaf bevinden. Dit is de reden dat ik een fenomeenonderzoek laat doen waarin ook de gevraagde informatie wordt meegenomen.
Schrikt ook u van de veronderstelling van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) dat het niet ondenkbaar is «dat zowel de vrouwen als de pasgeboren kinderen slachtoffer zijn of worden van mensenhandelaren, illegale adoptie of voodoorituelen»? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Mensenhandel is een zeer ernstig delict met vaak traumatische gevolgen voor de slachtoffers. Het is daarom ook goed dat in het artikel aandacht gevraagd wordt voor verdwijningen van deze kwetsbare doelgroep, waarbij mogelijke misstanden zoals mensenhandel en illegale adoptie op de loer kunnen liggen. Het is juist vanwege de zorg over het lot van deze vrouwen en hun kinderen dat het COA signalen heeft afgegeven aan de politie en zij op haar beurt het EMM benaderd heeft. Dat er in deze situatie sprake zou zijn van de door u aangehaalde praktijken is nog niet aangetoond. Daarom wil ik enigszins terughoudend zijn in mijn uitspraken tot de uitkomsten van het door mij toegezegde fenomeenonderzoek.
Deelt u de conclusie van het EMM dat het onlogisch is dat de vrouwen uit zichzelf uit de opvanglocaties zouden zijn vertrokken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zwangere vrouwen in de opvang hebben inderdaad een verblijfplaats, recht op de benodigde medische zorg en kraamzorg. Vanwege het aanbod van voorzieningen en (medische) zorg lijkt er voor deze vrouwen dan ook geen aanleiding te zijn om met onbekende bestemming te vertrekken uit een COA-locatie. Daarentegen zijn de locaties open centra en kunnen mensen hun eigen keuzes maken. Met andere woorden, het staat hun vrij om te vertrekken. Hieraan kunnen meerdere argumenten ten grondslag liggen, die niet (altijd) gedeeld worden.
Deelt u de mening dat deze vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn en ten prooi kunnen vallen aan mensenhandelaren? Zo ja, wat heeft u gedaan of gaat u doen om deze groep beter te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Asielzoekers zijn over het algemeen personen in een kwetsbare positie. Toen er signalen kwamen dat meerdere zwangere vrouwen van Afrikaanse komaf uit de opvang waren verdwenen, is bij de COA-medewerkers extra aandacht gevraagd voor deze doelgroep.
Het COA biedt aan alle medewerkers basistrainingen aan in het herkennen van signalen van mensenhandel en mensensmokkel. Op iedere COA-locatie is minstens één contactpersoon mensenhandel aanwezig die hierin extra is getraind. Bovendien vinden jaarlijks vakdagen plaats om de inhoudelijke expertise van de contactpersonen te vergroten. Ook is er een toolkit ontwikkeld door het Rode Kruis, in samenwerking met onder andere het COA en Comensha, om mensenhandel door professionals die in de migratieketen werkzaam zijn bespreekbaar te maken met asielzoekers.
De begeleiding van het COA valt of staat echter met het in beeld zijn en blijven van bewoners. Als bewoners besluiten om een opvanglocatie te verlaten, is dat hun eigen keuze en daarmee verantwoordelijkheid. Hierbij ben ik me bewust van de druk die mogelijk door derden opgelegd wordt om deze keuze te maken. Juist daarom zijn medewerkers van de migratieketen alert op signalen van mensenhandel en worden zorgwekkende signalen met de politie gedeeld. Dat er in deze situatie sprake zou zijn van mensenhandel is nog niet aangetoond. De signalen van het COA zullen worden betrokken bij het door mij toegezegde fenomeenonderzoek.
Het bericht dat een aantal gemeenten grenzen stelt aan de komst van arbeidsmigranten |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Aantal gemeenten stelt grenzen aan de komst van arbeidsmigranten»?1
Arbeidsmigranten leveren enerzijds een belangrijke bijdrage aan de economie van gemeenten en Nederland in het algemeen.
Ik begrijp anderzijds de zorgen van de gemeenten die in het nieuwsbericht worden genoemd dat een grote aanwas van arbeidsmigranten gepaard kan gaan met leefbaarheidsproblematiek. Dat gemeenten beleid ontwikkelen om problematische situaties aan te pakken is goed, maar dit beleid moet dan wel binnen de juridische kaders en mogelijkheden passen.
Om misstanden met arbeidsmigratie beter aan te pakken, heeft het kabinet een integrale agenda opgesteld welke in december 2019 naar uw Kamer is verstuurd. Een belangrijk onderdeel van deze agenda is goede samenwerking tussen verschillende partijen, waaronder sociale partners, provincies én gemeenten. De misstanden kunnen immers alleen gezamenlijk aangepakt worden.
Kunt u zich voorstellen dat gemeenten in het kader van de leefbaarheid maatregelen nemen tegen de komst van hoge aantallen arbeidsmigranten? Zo nee, waarom niet?
Om de druk op reguliere woonwijken en leefbaarheid behapbaar te houden, heeft de gemeente instrumentarium tot haar beschikking om ongewenste situaties tegen te gaan. Daarbij kan gedacht worden aan het instellen van een splitsingsvergunning of een omzettingsvergunning bij kamergewijze bewoning of door bij onwenselijke situaties in te zetten op handhaving. Tevens kunnen gemeenten contact opnemen met de Stichting Normering Flexwonen om te kijken of de kwaliteit van de huisvesting op orde is.
Quota aan aantallen arbeidsmigranten vind ik niet de weg. Ik wil dat er regionale afspraken komen wat betreft huisvesting van arbeidsmigranten om zo ook de leefbaarheidsproblematiek mede aan te pakken, want alleen regio’s tezamen kunnen dit oppakken.
Erkent u dat het verstandig is dat de gemeenteraad van Zaltbommel negatieve effecten op de leefomgeving, waaronder de sociale cohesie, de parkeerdruk en het aanwezige voorzieningenniveau, wilt voorkomen door een maximum van 2.000 plekken aan het aantal arbeidsmigranten te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met het gemeentebestuur van Kerkrade eens dat grote aantallen arbeidsmigranten druk leggen op de woonvoorzieningen en op termijn de samenhang in de buurt kan ontwrichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de vrees van het gemeentebestuur van Barneveld voor verdringing van de lokale beroepsbevolking?
Zowel uit een onderzoek van SEO Economisch Onderzoek uit 2014 als uit het onderzoek van het CPB en SCP uit 2018 naar verdringing door arbeidsmigratie volgt dat er gemiddeld geen effecten worden gevonden. Voor sommige groepen kan er echter wel een negatief effect zijn. Het gaat dan om de groepen die direct concurreren met immigranten. Vaak zijn migranten lager opgeleid dan gemiddeld, en concurreren ze dus met laagopgeleiden. De negatieve effecten voor laagopgeleiden spelen vooral op de korte termijn. Een flexibele arbeidsmarkt kan zich makkelijker aanpassen aan de instroom van een nieuwe groep. De cijfers voor Nederland suggereren volgens CPB en SCP, in combinatie met de literatuur, dat hier weinig verdringing door migratie te verwachten is.
Ziet u net als de gemeente Stichtse Vecht dat werk bij voorkeur wordt uitgevoerd door inwoners die kunnen en willen werken, maar die nu nog aan de kant staan?
In het genoemde onderzoek van SEO wordt geconcludeerd dat werknemers in bedrijfstakken die veel gebruikmaken van arbeidsmigranten niet massaal zijn uitgestroomd naar werkloosheid of inactiviteit. Nieuwe instromers en werkzoekenden hebben ook geen last gehad van concurrentie bij het vinden van een nieuwe baan. Dit vanwege de dynamiek van de arbeidsmarkt. Dit neemt niet weg dat voor groepen die direct met arbeidsmigranten concurreren er dus wel op korte termijn negatieve effecten kunnen zijn.
Erkent u dat een hoog aanbod van arbeidsmigranten niet helpt om mensen zonder werk aan de slag te krijgen? Hoe voorkomt u verdringing?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat werkgevers op geen enkele wijze geprikkeld worden om te investeren in de circa een miljoen mensen die aan de kant staan, zolang zij ongebreideld goedkope arbeidskrachten uit het buitenland kunnen aantrekken?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe vaak is door werkgevers voorgesteld om de lonen te verhogen in plaats van over te gaan tot het werven van arbeidsmigranten?
Dit is een proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. In Nederland maken sociale partners afspraken over onder meer de loonontwikkeling in de verschillende cao’s. Ik treed hier niet in.
Deelt u de mening dat niet alleen gemeenten, maar ook u moet overgaan tot regulering van arbeidsmigratie, conform de Initiatiefnota van de leden Segers en Marijnissen over een Actieplan arbeidsmigratie?2
Ik zal op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken zo spoedig mogelijk op dit actieplan reageren.
Deelt u de mening dat het recente plan van D66 om arbeidsmigranten uit Afrika te halen buitengewoon ondoordacht is, onder andere omdat het tot een braindrain in het land van herkomst leidt alsmede tot verdringing en loondump in Nederland?3
Zoals de Staatssecretaris van JenV heeft aangegeven tijdens het AO Vreemdelingen- en asielbeleid van 13 februari jl. komt het kabinet nog met een reactie op het plan van D66 en zal dit worden meegenomen in de kabinetsvisie op de demografische ontwikkelingen naar aanleiding van de motie-Dijkhoff c.s.4
Het bericht 'Kabinet gebruikt drukmiddelen niet om asielzoekers terug te sturen' |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «overbelast COA zoekt gymzalen en evenementenhallen voor asielzoekers»1 en «Kabinet gebruikt drukmiddelen niet om asielzoekers terug te sturen»?2
Ja.
Herkent u zich in de inschattingen dat de uitzetting van afgewezen asielzoekers moeizaam verloopt en dat het gebruik van drukmiddelen om terugkeersamenwerking te bevorderen belemmert wordt door een prioritering voor de bescherming van handels- en diplomatieke belangen?
Nederland doet het in vergelijking met andere EU-lidstaten redelijk goed wanneer het aankomt op de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers.3 Dit neemt niet weg dat er noodzaak is tot verbetering.
Het vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers is afhankelijk van veel factoren, waar de samenwerking met het land van herkomst er één van is. Nederland is actief in gesprek met relevante landen van herkomst over terugkeer en bekijkt per land op welke wijze we effectief onze terugkeersamenwerking kunnen verbeteren. Als het kabinet bepaalde instrumenten niet heeft ingezet, dan is dat omdat op dat moment zo’n maatregel voor dat specifieke land niet effectief dan wel gewenst werd geacht.
Kunt u aangeven welk afwegingskader u hanteert bij het al dan niet inzetten van drukmiddelen in het kader van «more for more, less for less» ter bevordering van de terugkeersamenwerking met derde landen?
Het kabinet bekijkt per relevant land van herkomst op welke wijze we effectief onze terugkeersamenwerking kunnen verbeteren. Op deze problematiek wordt meer in detail ingegaan in de kamerbrief d.d. 10 juli 2020 naar aanleiding van de motie Becker c.s.4.
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Algerije, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Eritrea, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Ethiopië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Marokko, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Irak, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Iran, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Moldavië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Nigeria, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Pakistan, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Somalië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Turkije, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u de bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Minderjarige asielzoekers die slecht Nederlands leren door hun vele verhuizingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
![]() ![]() |
Deelt u de conclusies van de werkgroep Kind in AZC, bestaande uit Unicef, Defence for Children, Vluchtelingenwerk, Warchild, stichting de Vrolijkheid en Safe the Children, dat onderwijs aan minderjarige asielzoekers in het gedrang komt door de vele verhuizingen die hen worden opgelegd waardoor zij slecht Nederlands leren en ook scholen het door al die gebroken schoolperiodes moeilijk krijgen om het juiste passende onderwijs te bieden? Zo ja, wilt u in overleg treden met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de wijze waarop de vele verhuizingen kunnen worden teruggebracht tot het absolute minimum? Zo nee, wat heeft u dan op die conclusies af te dingen?1
Ik herken het signaal dat veel verhuizingen een negatief effect hebben op de doorlopende leerlijn van minderjarige asielzoekers, waardoor zij minder optimaal Nederlands leren dan bij een ononderbroken schoolloopbaan het geval zou zijn. De conclusie dat veel verhuizingen onwenselijk zijn, wordt zonder meer gedeeld. Gelet op de huidige problematiek van de te lange doorlooptijden van de IND en de gevolgen daarvan voor de opvangcapaciteit bij het COA is een verdere beperking van het aantal verhuisbewegingen op korte termijn een hele complexe opgave. Daarom wordt vooral ingezet op middellange termijn maatregelen.
Tegen deze achtergrond worden verschillende maatregelen getroffen om, indien verhuizingen onvermijdelijk zijn, vanwege de inrichting van het asielproces, de effecten ervan te verzachten. Zo hanteert het COA een verhuischecklist kinderen, opgesteld in samenwerking met de werkgroep Kind in AZC, waarmee bij een verhuizing de belangen van het gezin zo goed mogelijk in beeld worden gebracht en geborgd. Daarnaast laat het COA verhuizingen als gevolg van sluiting van een locatie zo veel mogelijk plaatsvinden in de zomer(vakantie)periode om het effect op het schoolgaan te beperken.
Binnen het programma Flexibilisering Asielketen wordt gewerkt aan middellange termijnmaatregelen die gericht zijn op de flexibiliteit en de effectiviteit van de asielketen. Daarmee wordt primair beoogd om beter in te kunnen spelen op de fluctuaties van de asielinstroom waarmee de asielketen te maken krijgt. Naar verwachting dragen deze maatregelen, waarvan implementatie voorzien is in de periode 2020–2024, bij aan het verminderen van het aantal verhuisbewegingen in het algemeen, zo ook die van minderjarige asielzoekers.
Klopt het dat de passage in het regeerakkoord dat «het aantal verhuisbewegingen wordt door deze integrale opzet tot een minimum beperkt, zeker waar het schoolgaande kinderen betreft, van hen wordt in principe niet verlangd elders binnen Nederland te verhuizen» tot dusverre niet is waargemaakt en er pas in 2024 voor de betrokken kinderen minder verhuizingen te verwachten zijn?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid geeft aan dat in de Rapportage Vreemdelingenketen de verhuisbewegingen worden weergegeven van minderjarige asielzoekers die onderdeel zijn van een gezin. Omdat op dit moment een herijking van de wijze van rapporteren plaatsvindt, is het nog niet mogelijk om concludente uitspraken te doen over de toe- of afname van het aantal verhuisbewegingen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zal voor het zomerreces uw Kamer nader informeren middels een aparte Kamerbrief.
Wat is het effect van het aantal verhuizingen van kinderen op scholen? Klopt het signaal dat wij ontvangen dat kinderen soms niet worden toegelaten op een school? Kan de teldatum voor de bekostiging een reden zijn om een kind te weigeren?
De verhuizingen van minderjarige asielzoekers brengen extra uitdagingen met zich mee voor de betrokken scholen. Bij iedere verhuizing heeft een school opnieuw de tijd nodig om de individuele situatie en ontwikkeling van het kind goed in kaart te brengen, zodat de school het kind het beste onderwijs kan bieden. Daarnaast onderbreekt iedere verhuizing de leerlijn van het kind. Deze leerlijn moet door de nieuwe school weer opnieuw opgepakt worden. Dit vraagt extra inzet van een school. Een warme overdracht is hierin essentieel. Deze overdracht is helaas vaak nog een punt van aandacht, doordat men niet altijd van tevoren weet waar het kind naartoe verhuist of waar het kind vandaan komt. Overigens probeert het COA zo goed als mogelijk te faciliteren in een warme overdracht in de situatie dat verhuizingen noodgedwongen plaatsvinden. Een warme overdracht is een onderwerp waar we bij betrokken partijen aandacht voor blijven vragen.
Het signaal dat kinderen soms niet worden toegelaten herken ik niet. Ik krijg vanuit scholen het signaal dat zij, ondanks de extra uitdagingen die de verhuizingen met zich mee brengen, desalniettemin bereid zijn om deze leerlingen het best mogelijke onderwijs aan te bieden.
Ook het signaal dat de teldatum voor de bekostiging een reden kan zijn om een minderjarige asielzoeker te weigeren herken ik niet. Binnen het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs wordt de bijzondere bekostiging per kwartaal uitbetaald, zodat scholen ook bekostigd worden voor minderjarige asielzoekers die maar een korte tijd op de school verblijven. Hiermee wordt getracht goed onderwijs aan minderjarige asielzoekers te bieden, waarbij de financiële drempels zo laag mogelijk zijn gemaakt. Toegankelijk, goed en betaalbaar onderwijs moet voor iedereen mogelijk zijn.
Deelt u de zorg van de werkgroep dat de twee jaar financiering voor onderwijs waar ieder kind recht op heeft, dat in Nederland komt en in afwachting is van de beslissing om hier te mogen blijven, al op is tegen de tijd dat kinderen eindelijk ergens wat langer mogen blijven? Welke mogelijkheden ziet u om hier wat aan te doen?
OCW biedt bijzondere bekostiging aan scholen voor minderjarige asielzoekers tijdens de eerste twee jaar dat de kinderen in Nederland zijn. Deze bekostiging is gebaseerd op de aanvullende ondersteuning die nodig is voor het leren van de Nederlandse taal en is onafhankelijk van de duur van de asielprocedure. Daarnaast verhuist het budget, door de kwartaalbekostiging, met het kind mee. Tevens komen basisscholen voor deze kinderen in aanmerking voor de onderwijsachterstandsmiddelen. Zoals ik in de kamerbrief «Aanpak onderwijsachterstanden» heb aangeven komen alle scholen met minderjarige asielzoekers in aanmerking voor deze onderwijsachterstandsmiddelen.
Overheidssteun aan de Grijze Wolven |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het rapport: «De hand van de overheid voedt nog altijd de Grijze Wolven», waarbij 22 gemeenten zijn onderzocht op hun banden met de Grijze Wolven?1
Ik ben bekend met de inhoud van het rapport. In algemene zin geldt dat gemeenten een subsidie ter beschikking kunnen stellen als onderdeel van hun beleid. Ter beoordeling van deze aanvragen hanteren zij subsidiekaders. Organisaties waarvan volgens de gemeenten de aanvraag aan de gestelde criteria voldoet, ontvangen subsidies.
Ik ben me ervan bewust dat de Turkse Federatie Nederland (TFN) bekend staat om haar (nationalistische) gedachtegoed2.
In de Nederlandse samenleving is ruimte voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben hun eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. De overheid staat voor deze verworvenheden van onze democratische rechtsstaat. Onze vrijheden zijn echter geen vrijbrief voor antidemocratisch en onverdraagzaam gedrag. Indien dit laatste aantoonbaar het geval is, wordt daar tegen opgetreden.
Deelt u de conclusie dat er tien gemeenten zijn die direct of indirect steun verlenen aan de Grijze Wolven?
Navraag bij deze tien gemeenten leert ons dat bij de gemeenten die voor het versturen van de beantwoording hebben gereageerd, er sprake is (geweest) van een directe of indirecte subsidierelaties tussen gemeenten en de TFN. Deze subsidies zijn verstrekt volgens de daarvoor geldende subsidiekaders, vaak ten behoeve van sociale cohesie of integratiebeleid.
Binnen organisaties valt niet uit te sluiten dat er leden zijn met ideologieën die in strijd zijn met de rechtstaat. De gemeenten die hebben gereageerd, geven aan dat zij de ontwikkelingen met betrekking tot antidemocratisch of onverdraagzaam gedrag, extremisme en radicalisering nauwlettend volgen. Indien blijkt dat leden van de TFN zich hieraan schuldig maken, is dat een zeer kwalijke zaak en zal daar tegen worden opgetreden.
Vindt u het aanvaardbaar dat een extreemrechtse organisatie subsidie en/of andere diensten ontvangt van gemeenten? Zo nee, hoe gaat u deze steunverlening stopzetten?
Het is aan gemeenten om subsidies beschikbaar te stellen en deze toe te kennen aan de subsidieaanvrager.
Het stimuleren van onverdraagzaamheid, haat zaaien en het belemmeren van de integratie en participatie van bevolkingsgroepen door extremistische groeperingen tast de grondrechten van anderen aan. Door dergelijke, mogelijk verhulde, boodschappen en/of gedragingen ontstaat op de lange termijn het risico dat de Nederlandse sociale en politieke stabiliteit wordt aangetast. Dit ziet het Kabinet als ronduit onwenselijk.
Wanneer het Kabinet constateert dat er grenzen overschreden worden op dit gebied, zal het via de daartoe geëigende kanalen actie ondernemen. Vanzelfsprekend wensen Nederlandse gemeenten hieraan niet bij te dragen middels subsidieverlening. Indien er sprake is van verstoring van openbare orde dan zal de burgemeester daar tegen optreden. De politie is alert op strafbare feiten in woord of gedragingen en treedt in deze gevallen op. De beoordeling hiervan ligt bij het Openbaar Ministerie.
Mijn ministerie zet bovendien in op proactieve signalering, trendanalyse en de inzet van kennis en expertise richting gemeenten en gemeenschappen, om ervoor te zorgen dat beginnende maatschappelijke onrust niet escaleert en op de korte termijn (crisis) en lange termijn in goede banen wordt geleid. Zo wil mijn ministerie bijdragen aan handelingsvaardigheid bij de omgang met polarisatie, radicalisering, discriminatie en problematisch gedrag.
Deelt u de conclusie van het rapport dat: «gemeenten Turkse Federatie Nederland lidorganisaties niet langer moeten beschouwen als onschuldige clubjes, maar hen moet herkennen als ultranationalisten en de ondersteuningskraan onmiddellijk moet dichtdraaien»?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de steun van overheden aan de Grijze Wolven verder te onderzoeken en zo nodig maatregelen te nemen?
Subsidieverstrekking is een eigenstandige bevoegdheid van gemeenten. Hierin mengt het kabinet zich in principe niet. Echter wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van gedragingen die de kaders van de democratische rechtsorde overschrijden, dan zal via de daartoe geëigende kanalen actie worden ondernomen.
Tientallen illegale slaapplekken voor arbeidsmigranten |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Pandbrigade ontdekt 44 armetierige illegale slaapplekken in theresiakerk»?1
Arbeidsmigranten zijn een belangrijk onderdeel van onze economie en maatschappij. Het is daarom belangrijk dat zij op een goede manier gehuisvest en behandeld worden. Slechte woonomstandigheden voor arbeidsmigranten vind ik dan ook zeer onwenselijk. Van de gemeente Den Haag heb ik vernomen dat het na telling om 48 slaapplekken gaat en dat het gaat om de kerk en de bijbehorende parochiewoning waar arbeidsmigranten gehuisvest waren.
Klopt het dat er sprake was van een levensgevaarlijke situatie, omdat tientallen arbeidsmigranten waren gehuisvest in provisorische kamertjes met groot risico op brandgevaar?
Uit informatie van de Haagse Pandbrigade van de gemeente Den Haag die onderzoek heeft verricht, blijkt dat er inderdaad sprake was van een gevaarlijke situatie. De brandveiligheid en de vluchtwegen waren onvoldoende. Daar kwam bij dat de elektrische installatie werd overbelast door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid elektrische kachels en andere elektrische apparaten.
Hoe lang heeft deze situatie kunnen voortduren?
De kerk en bijbehorende pastoriewoning zijn op dezelfde dag dat de melding is binnengekomen, volgens informatie van de gemeente Den Haag gecontroleerd door de Haagse Pandbrigade en de politie. Vooralsnog lijkt het er volgens de gemeente Den Haag op dat de situatie pas na de laatste jaarwisseling is uitgegroeid tot de omvang zoals die op de dag van de controle werd geconstateerd.
Is het waar dat er al brandjes waren ontstaan?2
In één van de kamertjes waren volgens de gemeente Den Haag sporen van een kleine beginnende brand te zien. Het is echter onbekend wanneer deze sporen precies zijn ontstaan.
Is het waar dat ook minderjarigen in het pand verbleven?
Ja, volgens informatie van de gemeente Den Haag verbleef in de parochiewoning van de Theresiakerk een gezin waarvan één van de twee kinderen minderjarig was. Verder zijn er bij het onderzoek geen minderjarigen aangetroffen.
Klopt het dat mensen 100 euro per bed per week moesten betalen om in deze tikkende tijdbom te verblijven?
Ja, volgens de gemeente Den Haag klopt dit.
Wie is verantwoordelijk voor deze onaanvaardbare situatie?
Op de dag van de melding hebben politie, Inspectie SZW en de gemeente Den Haag onderzoek verricht. Onder de huurders waren geen illegaal in Nederland verblijvende personen aanwezig en er waren geen aanwijzingen dat er sprake was van arbeidsuitbuiting. Het zwaartepunt van de handhaving ligt nu bij de gemeente Den Haag. De gemeente heeft laten weten de rol en de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen te onderzoeken. De huidige stand van zaken van dit onderzoek is dat er vooral sancties aan de overtreders zullen worden opgelegd die zijn gericht op het herstel van de rechtmatige situatie.
Bent u bereid betrokkenheid en aansprakelijkheid te onderzoeken van de pandeigenaar, de leegstandbeheerder, de werkgevers en het uitzendbureau? Zo nee, blijven de verantwoordelijken volledig ongestraft?
Zie antwoord vraag 7.
Welke sanctie treft u tegen het uitzendbureau? Deelt u de mening dat een vergunningstelsel nuttig was geweest, aangezien u de vergunning per ommegaande had kunnen intrekken?
Zoals ook in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden is toegelicht, ben ik vooralsnog geen voorstander van een vergunningstelsel. Wel wil ik samen met sociale partners verkennen welke aanvullende eisen te stellen aan uitzendbureaus. Los daarvan loopt nog het onderzoek door de gemeente Den Haag wie verantwoordelijk is voor de woonsituatie van de arbeidsmigranten. Uit het onderzoek is in ieder geval al gebleken dat verschillende huurders inderdaad bij een aantal uitzendbureaus werkzaam waren, maar dat deze uitzendbureaus geen directe rol speelden bij de huisvesting.
Waar worden de tientallen arbeidsmigranten nu gehuisvest? Voldoet deze huisvesting aan de wettelijke eisen? Wat onderneemt u om dat te achterhalen?
De gemeente Den Haag heeft laten weten dat onbekend is waar en onder welke omstandigheden de huurders nu verblijven. Arbeidsmigranten staan over het algemeen niet met een binnenlands adres ingeschreven in de BRP vanwege het ontbreken van de verplichting daartoe als zij niet voornemens zijn om langer dan 4 maanden (uit 6 maanden) in Nederland te verblijven. Arbeidsmigranten schrijven zich ook als zij voornemens zijn langer dan 4 maanden (uit 6 maanden) te blijven toch vaak niet in als ingezetene in het BRP. Niet duidelijk is dan waar ze verblijven. Dit is een knelpunt voor zowel gemeenten, UWV als de Inspectie SZW. Ik heb met de Minister van Milieu en Wonen en sociale partners zoals aangegeven in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden, afspraken gemaakt om in te zetten op acties om ervoor te zorgen dat meer arbeidsmigranten zich ook daadwerkelijk laten inschrijven als ingezetene in het BRP als dit aan de orde is.
Wat is er gedaan om met deze arbeidsmigranten in contact te treden? Hebben zij een verklaring kunnen afleggen aan de gemeente en politie?
Ja, volgens de gemeente Den Haag zijn de aanwezige arbeidsmigranten in samenwerking door de Inspectie SZW, gemeente en de politie gehoord over de situatie.
Erkent u dat het enkel aan een oplettende buurman te danken is dat deze mensen aan een afschuwelijk drama zijn ontsnapt?
De situatie is volgens informatie van de gemeente Den Haag inderdaad mede naar aanleiding van een melding van een buurman ontdekt.
Erkent u dat deze toestand wederom aantoont in wat voor een enorm kwetsbare positie arbeidsmigranten zich bevinden?
Zoals in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden aangegeven zijn veel arbeidsmigranten kwetsbaar en komen misstanden met onder meer huisvesting, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor. Deze knelpunten wil ik ook samen met sociale partners, gemeenten en provincies aanpakken.
Bent u het eens met wethouder Martijn Balster dat uitzendbureaus en werkgevers die hier verantwoordelijk voor zijn, stevig moeten worden aangepakt? Zo ja, wat gaat u ondernemen?
Daar ben ik het mee eens. Zoals eerder aangegeven hebben de uitzendbureaus waar sommige arbeidsmigranten werkten geen rol bij de huisvesting. In de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden arbeidsmigranten ga ik ook in op het opwerpen van drempels om kwaadwillende uitzendbureaus zoveel mogelijk te weren van de markt. De uitwerking wordt samen met sociale partners nu opgepakt.
Waarom krijgen uitzendbureaus en werkgevers de gelegenheid om arbeidsmigranten in dienst te nemen terwijl er helemaal geen huisvesting beschikbaar is?
Door de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen. Tegelijkertijd is er krapte op de woningmarkt, waardoor het lastig is om geschikte woonruimte te vinden. Gemeenten, werkgevers en huisvesters moeten samen zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Situaties zoals in het artikel geschetst moeten worden voorkomen. Voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor arbeidsmigranten is ook één van de actiepunten uit de brief van 20 december 2019, waarover de Minister van Milieu en Wonen en ik in gesprek gaan met sociale partners, gemeenten, provincies en huisvesters.
Erkent u dat dit soort problemen al voorzien waren door de Commissie Koopmans in 2011 en dat het dus hoog tijd wordt voor maatregelen?3
De commissie Koopmans heeft inderdaad ook op het terrein van de huisvesting van arbeidsmigranten knelpunten gesignaleerd. Er zijn in navolging van de commissie LURA ook zeker stappen gezet. Om de «sense of urgency» bij betrokken partijen te vergroten, heeft de toenmalige Minister van BZK het initiatief genomen om met vertegenwoordigers van alle betrokken partijen, waaronder sociale partners, gemeenten en huisvesters, te komen tot een «Nationale Verklaring (tijdelijke) huisvesting arbeidsmigranten». Hierin zijn afspraken gemaakt over te realiseren huisvesting en over de ontwikkeling van een kwaliteitskeurmerk. Deze huisvesting is grotendeels gerealiseerd en het kwaliteitskeurmerk SNF is ontwikkeld. Met de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen, terwijl er tegelijkertijd krapte is op de woningmarkt. Dit leidt ook tot tekorten aan voldoende kwalitatieve huisvesting voor arbeidsmigranten en in een aantal gevallen tot misstanden. Dit moet worden aangepakt.
Deelt u de mening dat het Actieplan Arbeidsmigratie van de SP en ChristenUnie een oplossing biedt voor genoemde problemen?4
Ik zal op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken zo spoedig mogelijk, naar verwachting begin maart, op dit actieplan reageren.
Bent u het eens dat de aanpak van misstanden en uitbuiting van arbeidsmigranten prioriteit moet krijgen? Wanneer komt u met een reactie op het Actieplan Arbeidsmigratie, zodat er aan de slag gegaan kan worden met maatregelen?
Zie antwoord vraag 17.