Het bericht ‘Geen enkel alleenstaand kind uit kamp Moria is in Nederland aangekomen’ |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht ««Geen enkel» alleenstaand kind uit kamp Moria is in Nederland aangekomen»? Wat is uw reactie op dit bericht?1
Ik heb kennisgenomen van genoemd bericht. Op 19 januari jl. heb ik uw Kamer, in het kader van de periodieke informatieverschaffing over de voortgang van het Grieks-Nederlandse samenwerkingsverband, geïnformeerd2 over de invulling van het Nederlandse herplaatsingsaanbod, inclusief de uitdagingen die daarbij zijn ondervonden en de afwegingen die terzake zijn gemaakt.
Over individuele gevallen doe ik geen uitspraken. Wel kan ik u melden dat in januari twee alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) vanuit Griekenland in Nederland zijn aangekomen.
Klopt het dat tot nu toe nog geen enkel alleenstaand kind in Nederland is gearriveerd? Zo ja, erkent u hiermee dat er bij lange na niet is voldaan aan de gemaakte beloftes onder de Moria-deal?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat van de 49 mensen die voor kerst arriveerden het niet bekend is hoeveel van hen tijdens de brand in kamp Moria verbleven? Zo nee, hoeveel mensen van deze groep verbleven op het moment van de brand wel in Moria? Zo ja, erkent u dat dit niet in lijn is met de deal die specifiek betrekking had op het opvangen van honderd mensen die slachtoffer werden van de verwoestende brand?
Van de door Nederland geselecteerd kwetsbare personen verbleven 9 kwetsbare gezinnen met minderjarige kinderen, in totaal 45 personen, op enig moment op Lesbos. Zoals eerder toegelicht, is het feit dat deze kwetsbare personen uiteindelijk van verschillende plekken in Griekenland afkomstig zijn te herleiden tot het verzoek van de Griekse autoriteiten en de Europese Commissie om het selectiecriterium niet te beperken tot verblijf in Moria. Het belangrijkste criterium voor selectie is immers de kwetsbaarheid van de vluchtelingen. Ook bestonden er zorgen bij de Griekse autoriteiten voor mogelijke precedentwerking en meer brandstichting met alle humanitaire gevolgen van dien. Voor een nadere toelichting met betrekking tot de selectie alsook ten aanzien van de voorwaarde van het verblijf in Moria verwijs ik u kortheidshalve naar mijn brieven van 24 november jl. en 19 januari jl.3
Klopt het dat komende week slechts één Syrisch jongetje in Nederland arriveert? Bent u van plan om alsnog aan de Moria-deal te voldoen door op de kortst mogelijke termijn tenminste vijftig alleenstaande kinderen op te vangen in Nederland? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat toekijken hoe de humanitaire ramp die zich op de Griekse eilanden en met name in Moria 2.0 ontwikkelt niet langer tot de mogelijkheden behoort? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het met u eens dat de omstandigheden van opvang op de Griekse eilanden nog altijd zorgelijk zijn. Dat geldt in het bijzonder voor Samos en Chios, maar ook op Lesbos zijn verdere verbeteringen noodzakelijk. In diverse Kamerbrieven bent u geïnformeerd over de inspanningen die terzake worden verricht, laatstelijk in mijn brief van 19 januari jl.
Tegelijkertijd doet het kenmerken van het nieuwe tijdelijke opvangkamp Mavrovouni als «Moria 2.0» geen recht aan de realiteit, noch aan de geleverde inspanningen van de Griekse autoriteiten, de Europese Commissie en (internationale) organisaties. De opvangomstandigheden in Mavrovouni zijn in bijna alle opzichten beter dan in het zwaar overbevolkte Moria, zoals opgemerkt in mijn hogergenoemde brief. Mij is dit zeer onlangs nog bevestigd door de Nederlandse ambassadeur in Griekenland, naar aanleiding van haar werkbezoek aan Mavrovouni op 28 januari jl. Deze observaties worden bovendien onderschreven door commissaris Johansson en andere gesprekspartners van de Europese Commissie alsmede de UNHCR.
Griekenland heeft in de periode na de branden in Moria ook geen nieuwe hulpverzoeken meer gedaan. Ook op andere Griekse eilanden zijn de problemen in omvang afgenomen, geholpen door de significante afname van het aantal migranten en vluchtelingen dat op de eilanden verblijft: van 42.000 naar 17.000 in de tijdspanne van een jaar. Bovendien wordt gewerkt aan nieuwe, permanente en structureel verbeterde faciliteiten, zogenaamde Multi Purpose Registration Identification Centers (MPRICs), op alle eilanden. Op Leros en Kos zijn deze reeds in gebruik.
In lijn met de motie Voordewind c.s. heeft het kabinet zich maximaal ingespannen om invulling te geven aan het herplaatsingsaanbod n.a.v. de humanitaire noodsituatie als gevolg van de branden in Moria. Het kabinet is niet voornemens om een additioneel herplaatsingsaanbod te doen. Bovendien ligt er ook geen Grieks verzoek daartoe.
Naar aanleiding van het Griekse herplaatsingsverzoek uit september 2019 hebben dertien lidstaten en drie geassocieerde Europese landen op verschillende momenten toezeggingen gedaan om in totaal circa 5.200 personen, waarvan 1.600 amv, vanuit Griekenland te herplaatsen. IOM, samen met EASO, UNHCR en UNICEF, ondersteunt in opdracht van de Europese Commissie de Griekse autoriteiten bij deze operatie. De organisatie meldt dat op peildatum 22 januari 2021 elf lidstaten in totaal 2.269 asielzoekers en statushouders hadden herplaatst, waarvan 586 amv.
Bent u bereid om naast het voldoen aan de werkelijke voorwaarden van de Moria-deal en gezien de onmenselijke omstandigheden op de Griekse eilanden een groter aantal kwetsbare mensen op te nemen in Nederland? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Lange rijen bij registratie in Ter Apel' |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere Kamervragen over het bericht «Lange rijen bij registratie in Ter Apel»?1
Ja.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan uw opvatting dat het «van groot belang is dat asielzoekers op een humane manier worden opgevangen»? Hoeven asielzoekers die aankomen in Ter Apel inmiddels niet meer op een stoel of op de grond te overnachten als zij na sluitingstijd aankomen?
In de beantwoording van de Kamervragen van de leden Groothuizen (D66) en Van Toorenburg (CDA) over het bericht «Lange rijen bij registratie in Ter Apel»2, heb ik uiteengezet op welke wijze asielzoekers nu tijdens de COVID-19 pandemie worden opgevangen in het aanmeldproces in Ter Apel. Daarbij heb ik aangegeven dat asielzoekers die zich overdag binnen de reguliere openingstijden (dat wil zeggen tussen 08.00 en 17.00 uur) melden in Ter Apel om een asielaanvraag in te dienen, diezelfde dag door de IND worden geregistreerd. Alle inzet is erop gericht dat iedereen vervolgens diezelfde dag nog het Identificatie- en Registratieproces (I&R-proces) bij AVIM doorloopt, waarna men opgevangen wordt in de reguliere opvang van de Centrale Ontvangstlocatie (COL). Hier ontvangen asielzoekers opvang en begeleiding van COA. Dat wil zeggen dat zij naast een bed onder andere maaltijden en verzorgingsproducten ontvangen. Dit lukt doorgaans goed. Echter wanneer het I&R-proces, dat enige tijd in beslag neemt, niet meer op diezelfde dag kan plaatsvinden, zal de asielzoeker de nacht doorbrengen in een van de nieuw in gebruik genomen paviljoens. Er zijn vier paviljoens beschikbaar voor asielzoekers die al wel door GezondsheidsZorg Asielzoekers (GZA) zijn gecontroleerd op verschijnselen van COVID-19 en door de IND zijn geregistreerd. Deze paviljoens zijn verwarmd en er zijn bedden beschikbaar. In principe doorloopt een asielzoeker de volgende dag dan alsnog het I&R-proces.
Asielzoekers die buiten de reguliere openingstijden aankomen – en niet zijn gecontroleerd op verschijnselen van COVID-19 – gaan ongeregistreerd naar een apart, daartoe aangewezen, paviljoen van het COA. Deze vernieuwde «wachtkamer» is verwarmd alwaar men kan plaatsnemen op een stoel, zoals ook voor de COVID-19 pandemie het geval was. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor gezinnen en kwetsbare asielzoekers (zoals alleenstaande minderjarige vluchtelingen), zij krijgen wel een bed toegewezen in de paviljoens. In de praktijk kan het gebeuren dat ook anderen, bijvoorbeeld vanwege bijzondere omstandigheden, toch een bed krijgen aangeboden in de paviljoens.
Klopt het dat een van de knelpunten in Ter Apel wordt gevormd door de openingstijden van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM)? Zo nee, hoe zit het wel? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
AVIM voert als onderdeel van het aanmeldproces het I&R-proces uit. Het gehele aanmeldproces kent verschillende stappen die door verschillende ketenorganisaties worden uitgevoerd. Langere openingstijden van het identificatie- en registratieproces vraagt daarom naast verlengde inzet van AVIM ook verlengde inzet van andere ketenpartners die bij het aanmeldproces betrokken zijn. Om helemaal te voorkomen dat asielzoekers een nacht in een paviljoen moeten doorbrengen, zou het aanmeldproces 24 uur per dag zeven dagen per week moeten draaien, aangezien asielzoekers dag en nacht aankomen in Ter Apel. Dit vraagt echter een dusdanig grote inzet van AVIM en andere ketenpartners dat ervoor is gekozen om asielzoekers die gedurende de dag niet het (gehele) aanmeldproces hebben kunnen doorlopen op te vangen in bedden in paviljoens, zoals in het antwoord op vraag 2 is beschreven.
Daarnaast lukt het AVIM over het algemeen om het I&R-proces binnen 24 uur na aankomst van een asielzoeker te starten zoals is afgesproken. AVIM kan op dit moment in Ter Apel en Budel gemiddeld zestig asielzoekers per dag identificeren en registreren. De asielinstroom is echter niet elke dag constant. Hierdoor kan bij een hogere instroom dan gemiddeld zestig een achterstand ontstaan in het I&R-proces, die wordt weggewerkt als de instroom lager is. Gemiddeld genomen is de AVIM-inzet genoeg om de asielinstroom bij te houden. Mocht de AVIM-inzet in de toekomst door een hogere asielinstroom structureel onvoldoende zijn, dan kan de inzet worden verhoogd.
Bovendien doorlopen niet alle asielzoekers die in Ter Apel binnenkomen het I&R-proces. Een deel hoeft dit proces niet te doorlopen, omdat deze asielzoekers een herhaalde aanvraag doen en dus al bekend zijn in Nederland.
Zou het een mogelijkheid zijn om afspraken te maken met de AVIM dat de openingstijden in ieder geval verruimd worden tijdens periodes van verhoogde instroom? Indien het helemaal niet mogelijk blijkt de openingstijden te verruimen, bent u dan bereid ervoor te zorgen dat asielzoekers die buiten openingstijden aankomen in de «wachtkamer» de nacht op een matras met een deken kunnen doorbrengen? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het bieden van een matras een logisch onderdeel is van «humane opvang bieden»?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer is sprake van een onverwachte piek in het aantal aanmeldingen? Deelt u de mening dat het streven naar een meer robuuste asielketen die beter bestand is tegen schommelingen in de instroom begint in Ter Apel? Welke concrete stappen zijn gezet naar aanleiding van het programma Flexibele Asielketen om het proces in Ter Apel rondom de eerste aanmelding beter bestand te laten zijn tegen onverwachte pieken, met name het afgelopen jaar tijdens de COVID-19 crisis?2
De situatie van het afgelopen jaar rondom de COVID-19 pandemie en het tijdelijk opschorten van het asielproces in het voorjaar was ongekend en was onvoorzien. De pandemie heeft ervoor gezorgd dat het reguliere aanmeldproces moest worden aangepast en dat asielzoekers die nog niet zijn geïdentificeerd en geregistreerd in afzonderlijke paviljoens worden opgevangen. Deze onvoorziene situatie maakte geen deel uit van de opdracht van het programma Flexibilisering Asielketen. Wel heeft dit programma een vernieuwd I&R-proces opgesteld dat ertoe leidt dat er sneller een duidelijker beeld van de asielzoeker ontstaat en resulteert in kwalitatief betere dossiers bij de start van het asielproces. Voor meer informatie over de resultaten van het Programma Flexibilisering Asielketen verwijs ik u naar de voortgangsbrief die ik op 17 december jl. aan uw Kamer heb gestuurd.4
Is de ketenregisseur die aangesteld zou worden om het aanmeldproces te optimaliseren al aangesteld? Zo nee, per wanneer begint deze ketenregisseur? Hoe verhoudt deze ketenregisseur zich tot het programma Flexibele Asielketen?
Op 1 november jl. is een ketenregisseur in Ter Apel van start gegaan. Het aandachtsgebied van de ketenregisseur is de structurele verbetering van de samenwerkingsrelatie in Ter Apel door knelpunten vast te stellen, deze met betrokken ketenpartners op te lossen en verbetervoorstellen te doen voor een beter lopend operationeel ketenproces. Het gaat hierbij met name om het verbeteren van de ketensamenwerking binnen het aanmeldproces.
Het programma Flexibilisering Asielketen is afgelopen zomer afgerond. De verschillende onderdelen die nog verder moeten worden uitgewerkt en geïmplementeerd zijn overgedragen aan verschillende betrokken ketenorganisaties. Het gaat hierbij onder meer om de invoering van een regietafel, een voorportaal en een frontoffice als onderdelen van een vernieuwd I&R proces. De organisaties zijn momenteel bezig om de verschillende onderdelen gefaseerd te implementeren en hebben hiervoor projectleiders aangesteld. De ketenregisseur zal hier vanuit zijn rol uiteraard ook bij betrokken zijn.
Deelt u de mening dat juist in tijden van lage of verminderde instroomde (uitvoerings-)organisaties in de asielketen zich moeten voorbereiden op momenten dat de instroom weer toeneemt? Welke voorbereidende stappen worden er op dit moment gezet om te voorkomen dat er bij hoge pieken in de instroom geen asielzoekers meer zijn die op een stoel of op de grond moeten overnachten?
De hoogte van de asielinstroom is afhankelijk van veel externe factoren en is lastig om te voorspellen. Desalniettemin wordt in de migratieketen ten minste twee keer per jaar ten behoeve van de begrotingscyclus een prognose opgesteld, zodat ketenpartners een gemeenschappelijke verwachting hebben van de toekomst. Dit geeft ketenorganisaties de mogelijkheid om zich, in overleg met mijn departement, voor te bereiden op groei of krimp.
Het uiterste groeiscenario zou grote hoeveelheden reservecapaciteit vragen bij alle betrokken organisaties in het asielproces waarvoor nu geen middelen beschikbaar zijn. Dit neemt niet weg dat ik van ketenorganisaties vraag dat zij proactief en flexibel omgaan met een verhoogde instroom.
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 hebben aangegeven hoeven nu enkel asielzoekers die buiten de reguliere openingstijden aankomen in Ter Apel, met uitzondering van kwetsbare groepen, de nacht op een stoel door te brengen in een verwarmde wachtkamer. Wat betreft eventuele pieken in de aanmeldprocedure verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van de leden Groothuizen (D66) en Van Toorenburg (CDA) over het bericht «Lange rijen bij registratie in Ter Apel»5, waarin ik heb aangegeven dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat is dat asielzoekers twee nachten doorbrengen op een stoel in de «wachtkamer». Echter bij een onverwacht grote piek in het aantal aanmeldingen, waarbij kwetsbare asielzoekers voorrang krijgen, is dat niet altijd te voorkomen.
Overlastgevende asielzoekers in de omgeving van AZC Budel |
|
Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Asielzoekers trekken broek omlaag en zorgen voor overlast op oprit in Maarheeze»?1
Ik heb kennisgenomen van het door u aangehaalde, zorgelijke bericht. Asielzoekers dienen zich, net als ieder ander, te gedragen en zich aan de regels te houden. Het overgrote deel van de asielzoekers gedraagt zich goed. Doordat een kleine groep zich misdraagt, ondervinden omwonenden, winkeliers, vervoerders, medewerkers in de migratieketen en medebewoners overlast. Bovendien wordt het draagvlak voor de opvang van diegenen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging aangetast. Dit is volstrekt onacceptabel.
Klopt het dat de politie niet kwam opdagen na een melding van 112 omdat de dienstdoende eenheid het te druk had?2
Nee. Een surveillance-eenheid had de opdracht ontvangen om ter plaatse te gaan voor de desbetreffende melding. De eenheid kreeg kort daarop een zogenaamde prio-1-melding, waarbij directe inzet van de politie noodzakelijk is. Daarmee kreeg de prio-1-melding voorrang op het genoemde incident. De politie heeft kort daarna contact opgenomen met de meldster om te vragen of het incident nog actueel was. De betreffende personen waren inmiddels vertrokken en vervolgens is dezelfde avond geen eenheid meer ter plaatse gestuurd.
Deelt u de mening dat het tekort aan politie-inzet onaanvaardbaar is? Bent u bereid de politiecapaciteit in dit gebied fors uit te breiden dan wel te verdubbelen?
Ik begrijp dat omwonenden overlast willen aanpakken, tegelijkertijd is de inzet van knokploegen onaanvaardbaar. Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. De regioburgemeester en de regionale politiechef gaan over de lokale politiecapaciteit. Daar ligt de bevoegdheid om de politiecapaciteit in Cranendonck eventueel uit te breiden.
Deelt u de mening dat de inzet van knokploegen onaanvaardbaar is, maar dat u dan wel moet zorgen voor voldoende politiecapaciteit?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat sprake is van een onhoudbare situatie in de dorpen Maarheeze en Budel? Wat onderneemt u tegen het feit dat mensen niet meer de straat op durven te gaan?
Ik hecht eraan te benadrukken dat ieder incident er een teveel is. Dit kan leiden tot een gevoel van onveiligheid en een vermindering van draagvlak voor de opvang van personen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging. Ik zet in op een stevige aanpak van overlast om dit te voorkomen. Het gevoel van onveiligheid in Cranendonck is zorgelijk. Desondanks ben ik ervan overtuigd dat de inspanningen die worden verricht om het gevoel van onveiligheid weg te nemen en de overlast in de gemeente Cranendonck aan te pakken ervoor zorgen dat de situatie niet onhoudbaar is. Een van de maatregelen die ik specifiek heb getroffen om de overlast in de gemeente Cranendonck te bestrijden is de inzet van ketenmariniers. De ketenmariniers sturen aan op de samenwerking tussen verschillende betrokken partijen in de aanpak van overlast. Een van de vier ketenmariniers houdt iedere vrijdag kantoor in het centrum van Maarheeze en Budel. Inwoners en ondernemers kunnen bij de ketenmarinier terecht met hun vragen en zorgen met betrekking tot overlast van bewoners van het azc. Daarnaast heb ik de gemeente gefaciliteerd om lokale maatregelen tegen overlastgevende asielzoekers te nemen, zoals het inzetten van extra toezicht. Met de gemeente is een goede samenwerking met betrekking tot de verschillende mogelijkheden om deze overlastgevers aan te pakken. Het COA organiseert periodiek een overleg voor omwonenden waar allerhande zaken aan de orde komen en is er regelmatig contact met de ondernemers.
Het COA heeft een breed palet aan maatregelen beschikbaar om overlastgevende asielzoekers stevig aan te pakken. Hierbij valt te denken aan overplaatsing door het COA naar de Handhaving- en Toezichtlocatie (htl), waar een streng regime heerst en een gebiedsbeperking wordt opgelegd. Door middel van de zogenaamde landelijke Top-X lijst wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid maandelijks in kaart gebracht wie de meest hardnekkige overlastgevende en criminele asielzoekers zijn. Zij kunnen rekenen op een individuele aanpak en staan onder verscherpt toezicht van betrokken partijen, waardoor asielaanvragen bijvoorbeeld versneld worden afgedaan. Binnen de privacymogelijkheden verken ik hoe gegevens gedeeld mogen worden met het lokaal bestuur, het Openbaar Ministerie en vervoerders, zodat de integrale samenwerking tussen alle betrokken partijen in het kader van de aanpak van deze overlastgevers en criminelen kan worden geoptimaliseerd. Al deze maatregelen zijn gebundeld in een toolbox. Deze heb ik samen met mijn brief van 10 november 2020 met uw Kamer gedeeld3 . Wanneer aangifte wordt gedaan van crimineel gedrag, leggen de politie en het OM ook strafrechtelijke maatregelen op.
De opvanglocatie Budel-Cranendonck heeft, evenals de opvanglocatie Ter Apel, sinds september 2020 een speciale versoberde opvangmodaliteit voor personen met een kansarme asielaanvraag wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2. Dit betreft onder meer personen uit een veilig land van herkomst, die relatief vaak met overlastgevend gedrag in verband worden gebracht. De versoberde opvang moet deze groep ontmoedigen om een kansarme asielaanvraag in te dienen in Nederland.
Welke sancties worden getroffen tegen de overlastgevers?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de uitbreidingsplannen van het asielzoekerscentrum opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden? Zo nee, hoe voorkomt u dat de weerstand steeds groter wordt?
De herontwikkeling van de COA-opvanglocatie is geen uitbreiding, maar een renovatie. Het aantal opvangplekken blijft gelijk. Voor de uitvoering van het regeerakkoord uit 2014 is besloten een aantal Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocaties (GVL) te ontwikkelen om het asielproces effectief uit te voeren. In de samenwerkingsovereenkomst met de gemeente is aangegeven dat de migratieketen de intentie heeft om zich langdurig te vestigen op het opvangcentrum, ten einde invulling te geven aan het regeerakkoord en op deze GVL gezamenlijk het asielproces effectief en zorgvuldig uit te voeren. Vanwege deze langdurige vestiging is het COA, namens de migratieketen, voornemens de locatie duurzaam te herontwikkelen. De gemeenteraad van Cranendonck volgt het proces zeer kritisch en nauwgezet, waardoor aanvullende vragen zijn gesteld.
Deze opvanglocatie levert – naast investeringen in duurzame ontwikkeling van het terrein – veel directe en indirecte arbeidsplaatsen op, die ook lokaal ingevuld worden. Tevens is er -naast de reguliere vergoedingen aan gemeente en inkoop van het COA bij lokale ondernemers- sprake van bestedingen door asielzoekers bij de lokale middenstand. Ik vertrouw erop dat de gemeente en het COA met elkaar op een constructieve manier het gesprek vervolgen.
Bent u bereid met de inwoners van Cranendonk in gesprek te gaan over oplossingen? Zo nee, waarom laat u deze mensen in de steek?
Tussen het departement, het COA en de gemeente is regelmatig contact over de aanpak van de overlastproblematiek. Hierbij is de ketenmarinier het eerste aanspreekpunt voor omwonenden, maar kan men ook direct terecht bij het COA terecht voor een gesprek, bijvoorbeeld op een van de bijeenkomsten voor omwonenden.
De Kamerbrieven 'Voortgang afdoen vertraagde zaken IND' 'Gevolgen van de COVID-19-pandemie voor het migratiebeleid' |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is de voorraad nog te beoordelen asielzaken, exclusief de door de Taskforce te beoordelen zaken, op 31 december 2020? Hoe verhoudt deze stand zich tot de eerder gecommuniceerde prognose1 dat er per 1 januari 2021 10.060 zaken open zouden staan? Met hoeveel zaken is deze voorraad sinds 1 april 2020 toe- of afgenomen? Kunt u het maandelijks verloop van de voorraadvorming over 2020 in tabelvorm inzichtelijk maken?
De voorraad nog te beoordelen asielzaken (exclusief de Taskforce zaken) was op 31 december 2020 8.320. Het gaat hier om 5.180 eerste asielaanvragen, 1.100 herhaalde asielaanvragen en 2.040 zij-instroom zaken.
Is het gegeven juist dat over de laatste negen maanden van 2020, 10370 eerste en herhaalde asielvragen zijn ingediend, waarvan 45% is beoordeeld, leidt tot de conclusie dat de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) gemiddeld maandelijks 518 zaken afdoet, los van de zaken van de taskforce? Zo nee, hoe zit het wel?
De medewerkers van de IND hebben het afgelopen jaar een serieuze bijdrage geleverd aan de afhandeling van Taskforce zaken. Ook zijn in 2020 veel zaken afgedaan van voor 1 april 2020 die niet onder de opdracht van de Taskforce vielen, denk hierbij aan herhaalde asielaanvragen en zaken uit spoor 1 en 2. Het daadwerkelijke aantal afgehandelde zaken per maand ligt dan ook structureel hoger dan de genoemde 518 zaken.
Klopt de inschatting dat bij een reguliere instroom van 20 000 tot 22 000 zaken, de IND jaarlijks een achterstand opbouwt van minstens 14.000 asielzaken? Zo nee, hoe zit het wel? Kunt u uw antwoord cijfermatig onderbouwen? Wat is de prognose van het aantal zaken dat nog afgedaan zal moeten op 1 juli 2021 (exclusief de zaken van voor 1 april 2021)?
De beschrijving in de vraag is juist. Wel is het van belang om daarbij in gedachten te houden dat een deel van het IND-personeel in het afgelopen jaar en op dit moment is ingezet bij de Taskforce. Daarnaast is in deze inschatting niet de behandeling van oude herhaalde asielaanvragen, behandeling van zij-instroom zaken en hervestigingsaanvragen meegenomen.
Bent u bereid voortaan maandelijks de voorraadvorming inzichtelijk te maken, in aanvulling op de uitvoering van de motie Moorlag/Van Dijk?2 Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 4 januari jl. over de voortgang van de vertraagde zaken bij de IND heb ik uw Kamer toegezegd, in lijn met de door uw Kamer aangenomen motie van de leden Moorlag en van Dijk3, maandelijks informeren over de voortgang van het wegwerken van de achterstanden op eerste asielaanvragen van voor 1 april 2020 bij de IND. De eerste maandelijkse publicatie is heden op de website van de IND gepresenteerd. De IND zal de komende tijd deze cijfers maandelijks rond de 10de van de maand publiceren, tot het moment dat de Taskforce klaar is met het wegwerken van de achterstand op eerste asielaanvragen van voor 1 april 2020.
Indien de voorraad als bedoeld in vraag 1 is toegenomen, hoe verklaart u dit, gelet op het gegeven dat de instroom over in ieder geval een deel van het jaar 2020 lager was dan gebruikelijk? Welke conclusies trekt u uit een eventuele toegenomen voorraad?
Deze tijdelijke toename kan worden verklaard doordat personeel dat normaliter wordt ingezet op zaken van de directie Asiel en Bescherming, in 2020 is ingezet bij de afhandeling van de voorraad zaken van de Taskforce. Het streven is om alle zaken van de Taskforce voor medio 2021 afgehandeld te hebben. Medewerkers kunnen vanaf dat moment weer op hun reguliere taken worden ingezet om zo dit tijdelijk toegenomen aantal zaken af te handelen.
Indien de voorraad toeneemt, deelt u dan de inschatting dat nieuwe achterstanden bij de IND in de maak zijn? Zo nee, waarom niet? Indien u deze inschatting wel deelt, kunt u dan aangeven hoeveel mensen de IND extra nodig heeft om het opbouwen van achterstanden te voorkomen? Kunt u ook aangeven welke stappen u neemt om ervoor te zorgen dat deze extra mensen beschikbaar komen?
Ik deel deze inschatting niet. De extra inzet vanuit de IND om de TF voorraad weg te werken is tijdelijk (voorzien tot medio 2021). Medewerkers kunnen daarna weer op structurele basis op hun reguliere taken worden ingezet om zo de tijdelijke toename aan zaken af te handelen en de instroom bij te houden en binnen de wettelijke termijnen te behandelen.
Wat is uw inschatting over het aantal nareizigers dat als gevolg van het beoordelen van achterstanden door de Taskforce en de IND in de komende tijd naar Nederland zal komen? Hoe verhoudt zich dit tot het totaal aantal aanvragen nareis dat op dit moment door de IND wordt behandeld? In hoeverre is in de planning van de IND rekening gehouden met de aanvraag van deze mensen? Wordt hiertoe extra personeel aangezocht?
In 2021 verwacht de IND ca. 13.200 nareis-aanvragen te zullen ontvangen. Dit aantal is opgebouwd uit ca. 9.200 MVV nareis aanvragen en 4.000 aanvragen voor gezinshereniging op grond van artikel 8EVRM.
Hoe kijkt u terug op de invoering van het aangepaste financieringsmodel van de IND? Over welke onderdelen bent u tevreden? Over welke onderdelen bent u niet tevreden? Welke aanpassingen zijn mogelijk om zo adequaat mogelijk in spelen op een, zowel kwalitatief als kwantitatief veranderende instroom?
Het ingevoerde financieringsmodel voor de IND past beter bij de dynamiek en de ontwikkelingen van de afgelopen jaren waarmee de IND te maken heeft. De ontwikkeling van de instroom laat zien dat een hogere structurele begroting gerechtvaardigd is. Wel past een kanttekening. De stabiele financiering maakt het, binnen een bepaalde bandbreedte, voor de IND mogelijk om te anticiperen op fluctuaties in de asielinstroom. Het zo adequaat mogelijk inspelen op een veranderende instroom is niet hoofdzakelijke geld gedreven. Het absorptievermogen van de IND en de precisie van de ramingen spelen hier ook een voorname rol. Bij het ontwikkelen van het financieringsmodel is uitgegaan van een IND zonder (grote) achterstanden en een IND die de instroom kan bijhouden. Op dit moment is de IND nog niet in de positie dat de bedoelde werking van het model in de praktijk getest is. De werking van het model kan daardoor nog niet beoordeeld worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg van 21 januari 2021?
Het algemeen overleg van 21 januari 2021 is komen te vervallen. Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland’ |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van deskundigen dat door de jaren heen zeker tientallen handlangers van het Syrische regime van dictator Assad in Nederland verbleven?2
Nederland mag geen vluchthaven zijn voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige internationale misdrijven. Het 1F-beleid beoogt plegers van deze misdrijven te identificeren en aan deze personen asielbescherming in Nederland te onthouden. De asiel- en de strafrechtketen zijn erop gericht om plegers van internationale misdrijven die zich in Nederland bevinden, uit te sluiten van asielbescherming en deze personen uit te zetten, uit te leveren of in Nederland te vervolgen. Er is intensieve samenwerking tussen de asiel- en de strafrechtketen om, waar mogelijk, personen met een 1F-status strafrechtelijk te vervolgen. Hierover wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd met de Rapportagebrief Internationale Misdrijven.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan zeker drie handlangers van het Assad-regime verblijf heeft verleend? Zo nee, aan hoeveel handlangers is er wel verblijf verleend?
Ik kan niet in gaan op individuele gevallen. Bij iedere persoon die in Nederland asiel aanvraagt, wordt bezien of er indicaties zijn dat diegene internationale misdrijven heeft gepleegd. In die gevallen vindt altijd een individuele beoordeling plaats. Op basis van uitgebreid onderzoek van het individuele relaas, documentatie en context kan de IND concluderen dat er ernstige vermoedens bestaan van persoonlijke betrokkenheid bij het plegen en/of faciliteren van internationale misdrijven. De IND baseert de 1F-status dan ook niet op één eigenschap, melding, of foto. Het doen van een zorgvuldig en gedegen onderzoek geldt uiteraard ook in zaken waarin reeds een verblijfsvergunning is verleend en waarin de IND meldingen of indicaties krijgt dat de persoon mogelijk in verband moet worden gebracht met internationale misdrijven.
Verder verwijs ik naar de Kamerbrief van 30 juni 2020 waarin de resultaten van de herbeoordeling van Syrische asielzaken op 1F-indicaties zijn toegelicht. In 1 zaak is aan de vreemdeling een voornemen tot een 1F-tegenwerping uitgebracht. Ter vergelijking kan worden gemeld dat de IND in dezelfde periode waarop de herbeoordeling van asielzaken ziet (januari 2011-januari 2016) in zeven zaken van mannen tussen de 17 en de 35 jaar van Syrische nationaliteit, reeds bij de asielaanvraag een 1F-tegenwerping heeft gedaan. De herbeoordeling van Syrische asielzaken heeft plaatsgevonden bovenop de asielzaken waarin reeds aan personen 1F is tegengeworpen, waaronder ook Syriërs. Omdat deze herbeoordeling recent heeft plaatsgevonden, zie ik geen aanleiding voor extra maatregelen naast het bestaande 1F-beleid.
Klopt het dat de afdeling 1F van de IND slechts bij één Syriër genoeg aanwijzingen heeft gevonden om de verblijfsvergunning in te trekken? Welke extra maatregelen gaat u nemen om het verblijf te onthouden van mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat handlangers van Assad die in Nederland verblijven hier moeten worden berecht voor de oorlogsmisdrijven die zij hebben begaan? Waarom is dit Nederland in tegenstelling tot Duitsland nog niet gelukt? Wat gaat u alsnog doen om ervoor te zorgen dat deze oorlogsmisdaders worden berecht?
Nederland maakt zich er hard voor dat straffeloosheid van internationale misdrijven wordt voorkomen. Het opsporen en vervolgen van deze misdrijven is complex en vergt uitgebreid onderzoek. Zowel bewijsvoering als bewijsvergaring voor deze misdrijven is lastiger dan voor commune delicten. Zo wordt bewijsvergaring bijvoorbeeld bemoeilijkt doordat dit veelal moet plaatsvinden in een conflictgebied of op het grondgebied van een partij waarmee niet kan worden samengewerkt. Niet elke aanwijzing is voldoende om te kunnen spreken van een strafrechtelijke verdenking die de start van een strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigt. Zo is een 1F tegenwerping op zichzelf onvoldoende aanleiding om een strafrechtelijk onderzoek te starten.
Zowel het OM als de politie beschikken over gespecialiseerde teams die zich bezighouden met de opsporing en vervolging van internationale misdrijven. Zij zullen strafrechtelijk onderzoek instellen op basis van de Wet Internationale Misdrijven in geval de vermoedelijke dader zich in Nederland bevindt, er een concrete verdenking bestaat dat diegene zich schuldig heeft gemaakt aan internationale misdrijven en er perspectief op succesvolle opsporing en vervolging bestaat. Om deze ingewikkelde taak het hoofd te bieden is de vaste formatie van het Team Internationale Misdrijven van de politie onlangs uitgebreid van 32 naar 43 FTE.3 Hiermee wordt structureel voorzien in de benodigde specialistische- en opsporingsbevoegde capaciteit.
Voor een nadere gedetailleerde uiteenzetting van de stappen die de Nederlandse overheid neemt om plegers van internationale misdrijven te vervolgen, verwijs ik u naar de meest recente Rapportagebrief internationale misdrijven.4
Klopt het dat het Team Internationale Misdrijven te weinig gebruik maakt van informatie en getuigenverklaringen van de Syrische gemeenschap in Nederland? Hoe verklaart u dat sommige berichten van deze gemeenschap onbeantwoord bleven? Wat gaat u doen om te zorgen dat er zorgvuldiger met deze informatie wordt omgegaan?
Het Team Internationale Misdrijven heeft de afgelopen jaren veelvuldig gesprekken gevoerd met, en getuigenverklaringen opgenomen van, slachtoffers en getuigen uit Syrië. Daarnaast zijn diverse meldingen bij het team binnengekomen van (internationale) misdrijven gepleegd in Syrië. In al deze gevallen is of wordt onderzocht of het mogelijk is om een onderzoek in te stellen. Getuigenverklaringen en meldingen spelen een essentiële rol in de afweging om een strafvorderlijk onderzoek in te stellen. Berichten die bij het Team Internationale Misdrijven binnenkomen, worden volgens een zorgvuldige procedure onderzocht en beantwoord. Naar aanleiding van het bericht in de NRC van 5 december 2020 is gezocht in het berichtenbestand van het Team Internationale Misdrijven waarbij één bericht is gevonden dat inderdaad onbeantwoord is gebleven. De melding die in dit bericht werd gedaan is destijds wel direct onderzocht maar er is per abuis geen reactie gestuurd. Dit had uiteraard wel gemoeten.
Om te bevorderen dat de Syrische gemeenschap het Team Internationale Misdrijven weet te vinden, heeft het team de afgelopen jaren haar bekendheid vergroot bij publieke instellingen die betrokken zijn bij Syrische asielzoekers, evenals bij niet-gouvernementele (slachtoffer)organisaties. Het team zal dit ook blijven doen.
Wat vindt u ervan dat sommige handlangers van Assad nog banden onderhouden met het Assad-regime en die gebruiken om andere Syriërs in Nederland te bedreigen en af te persen?
Een van de pijlers van het Nederlandse 1F-beleid is dat slachtoffers van vervolging die in Nederland bescherming hebben gekregen, niet opnieuw met de daders geconfronteerd worden. Straffeloosheid van daders van internationale misdrijven moet te allen tijde voorkomen worden. Zoals ik hiervoor heb toegelicht, is de strafrechtketen er dan ook op gericht dat bedreiging en afpersing wordt voorkomen en waar nodig bestraft.
Wat gaat u doen om deze intimatie tegen te gaan en de veiligheid van slachtoffers en getuigen van deze praktijken te beschermen, inclusief die van de mensen die vanwege hun eigen veiligheid of die van hun geliefden in Syrië geen aangifte durven te doen?
Het is van groot belang dat iedereen die kennis draagt van ernstige strafbare feiten, of die hier zelf getuige of slachtoffer van is, zich bij de politie meldt. Wanneer dit leidt tot ernstige dreiging of risico’s, kunnen beveiligingsmaatregelen worden getroffen door de overheid. De politie en het OM hebben hiertoe middelen tot hun beschikking.
Het bericht ‘Vluchtelingen die in Nederland aankwamen, waren al statushouders in Griekenland’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vluchtelingen die in Nederland aankwamen, waren al statushouders in Griekenland»?1
Ja.
Klopt het dat tot op heden pas 50 in plaats van het beloofde aantal van 100 kinderen en kwetsbare mensen vanuit Griekenland in Nederland zijn gearriveerd? Zo nee, wat is het aantal dat vorige week in Nederland is gearriveerd?
Over de uitvoering van het herplaatsingsaanbod heb ik uw Kamer per brief d.d. 19 januari jl. geïnformeerd. In lijn met de motie Voordewind c.s. heeft het kabinet zich maximaal ingespannen om invulling te geven aan het herplaatsingsaanbod naar aanleiding van de humanitaire noodsituatie als gevolg van de branden in Moria. Het kabinet is niet voornemens om een additioneel herplaatsingsaanbod te doen.
Naar aanleiding van het Griekse herplaatsingsverzoek uit september 2019 hebben dertien lidstaten en drie geassocieerde Europese landen op verschillende momenten toezeggingen gedaan om in totaal circa 5.200 personen, waarvan 1.600 alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv), vanuit Griekenland te herplaatsen. IOM, samen met EASO, UNHCR en UNICEF, ondersteunt in opdracht van de Europese Commissie de Griekse autoriteiten bij deze operatie. De organisatie meldt dat op peildatum 22 januari 2021 elf lidstaten in totaal 2.269 asielzoekers en statushouders hadden herplaatst, waarvan 586 amv.
Klopt het dat de meeste mensen die vorige week in Nederland aankwamen, in Griekenland al een verblijfsvergunning hadden en op het moment van de brand in opvangkamp Moria, niet in het kamp verbleven? Zo nee, hoeveel mensen van deze groep verbleven op het moment van de brand wel in Moria? Zo ja, erkent u dat dit niet in lijn is met de Moria-deal die specifiek betrekking had op het opvangen van honderd mensen die slachtoffer werden van de verwoestende brand en hiermee niet is voldaan aan de gemaakte beloftes?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan alsnog aan de Moria-deal te voldoen door naast de mensen die vorige week aankwamen in Nederland op de kortst mogelijke termijn honderd kwetsbare mensen en kinderen op te vangen die wel slachtoffer waren van de brand? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat vluchtelingen die dit jaar via Griekenland naar Nederland zijn gereisd, ondanks het gebrek aan adequate en fatsoenlijke opvang in Griekenland, worden teruggestuurd?2 Bent u bereid dit besluit terug te draaien en ervoor te zorgen dat hetzelfde niet gebeurt met de mensen die vorige week in Nederland zijn aangekomen?
Het is juist dat in Nederland ingediende asielverzoeken niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de betreffende personen al asielbescherming genieten in Griekenland. Deze statushouders dienen terug te keren naar Griekenland. Dit is conform de Europese en nationale asielregels. In de individuele zaken heeft de IND, en eventueel de rechter in beroep, geoordeeld dat een terugkeer van statushouders naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Hierbij zij opgemerkt dat de Griekse asieldienst sinds het aantreden van de nieuwe Griekse regering in 2019 een grote inhaalslag met de behandeling van asielaanvragen heeft gemaakt. Hierdoor komt het de laatste tijd ook vaker voor dat vreemdelingen na hun (onrechtmatige) vertrek uit Griekenland door de Griekse asieldienst in het bezit worden gesteld van een asielvergunning.
Zoals eerder gemeld zijn de naar Nederland herplaatste personen statushouders. Daarmee wordt voorkomen dat de herplaatsten later zouden moeten worden uitgezet indien zou blijken dat zij geen recht op asiel hadden. De toegekende status in Griekenland wordt door Nederland overgenomen.
Wat is uw reactie op het afschuwelijke bericht dat baby’s in het nieuwe opvangkamp op Lesbos worden gebeten door ratten?3
Het kabinet is het met u eens dat de omstandigheden van opvang op de Griekse eilanden zorgelijk zijn en verbetering behoeven. Specifiek met betrekking tot de situatie op Lesbos kan ik u melden, onder verwijzing naar mijn brief van 19 januari jl., dat de opvangomstandigheden in het nieuwe tijdelijke opvangkamp Mavrovouni in bijna alle opzichten beter zijn dan in het zwaar overbevolkte Moria. Mij is dit zeer onlangs nog bevestigd door de Nederlandse ambassadeur in Griekenland, naar aanleiding van haar werkbezoek aan Mavrovouni op 28 januari jl. Deze observaties worden bovendien onderschreven door commissaris Johansson en andere gesprekspartners van de Europese Commissie alsmede de UNHCR. Sinds de verschrikkelijke branden in Moria zijn circa 6.000 kwetsbare migranten en vluchtelingen vanaf Lesbos overgebracht naar het vasteland. De overige migranten en vluchtelingen zijn elders op het eiland in het nieuwe tijdelijke opvangkamp Mavrovouni ondergebracht. Waar zich destijds in en rond Moria ongeveer 13.000 bewoners bevonden, is dit aantal in het nieuwe kamp teruggebracht tot 7.200, een reductie van 45%.
De Griekse autoriteiten hebben zich, samen met de Europese Commissie, de VN en diverse NGO’s, ingespannen om het nieuwe opvangkamp Mavrovouni op Lesbos beter en ruimer op te zetten dan destijds Moria. Het is er zes keer zo groot en iedereen heeft een dak – weliswaar een tent – boven zijn hoofd. Ook de hygiënische situatie is beter dan op Moria: de Europese Commissie en de UNHCR melden dat het kamp over meer wc’s, douches en waterpunten beschikt, de afwatering – na aanvankelijke problemen – naar behoren functioneert en ook het afvalmanagement op orde is. De medische voorzieningen zijn eveneens verbeterd. Er is een medical area ingericht, waar een mobiele kliniek staat en de Nederlandse hospitainer weer zal worden opgebouwd. Hier wordt ook een apotheek ingericht. Sinds december zijn er geen nieuwe COVID-19 gevallen onder migranten en vluchtelingen. Nieuw gearriveerden worden preventief in isolatie geplaatst.
Volgens de Griekse autoriteiten zijn de recente beweringen over kinderen die door ratten zijn gebeten ongegrond. De Griekse Minister van Migratie en Asiel heeft op 21 december 2020 een persbericht uitgegeven waarin deze aantijgingen worden ontkend. Tot dusver is er volgens Griekse autoriteiten geen melding gemaakt van een dergelijk geval aan de gezondheidsdiensten, noch door het management, noch door enige arts. Overigens zijn op Samos en Chios wel gevallen bekend.
Daarnaast kan ik u melden dat het onderzoek van de Griekse autoriteiten naar de aanwezigheid van loodvervuiling in het opvangkamp Mavrovouni uitwijst dat het loodgehalte in de woonzones binnen de aanvaardbare limieten valt.4 Zoals bekend is het opvangkamp gebouwd op militair terrein en is een deel hiervan (21.000 van de in totaal 341.000 vierkante meter) in het verleden door het Griekse leger gebruikt voor schietoefeningen. Een monster dat is genomen buiten de woonzone had een loodgehalte dat de wettelijke limiet overschreed. Naar aanleiding van de bevindingen worden momenteel op relevante plekken extra voorzorgsmaatregelen genomen, zoals ophoging met schone grond en het leggen van cementbases voor openbare ruimtes.
Hogergenoemde verbeteringen nemen niet weg dat de omstandigheden in de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden, waaronder in het nieuwe opvangkamp, niet aan alle standaarden voldoen en verdere, structurele verbeteringen nodig zijn. De Taskforce Griekenland van de Europese Commissie ondersteunt de Griekse autoriteiten hierbij. Momenteel is de Taskforce bezig om de locatie van een nieuw «Multi Purpose Reception and Identification Centre»(MPRIC) op Lesbos te bepalen. Naar verwachting komt hier eind januari uitsluitsel over. De oplevering is voorzien in september 2021. Ook op de overige eilanden waar eerder hotspots zijn gevestigd wordt gewerkt aan de structurele verbetering van de opvang- en asielvoorzieningen door middel van de bouw van deze MPRICs. De centra op Kos en Leros zijn gereed en al in gebruik genomen. Daarnaast is het nieuwe centrum op Samos, met een capaciteit van 1.000 personen, nagenoeg gereed voor gebruik. De oplevering van de MPRIC voor Chios is voorzien in december 2021. Daarnaast ondersteunt de Taskforce de Griekse autoriteiten bij het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van o.a. asiel- en terugkeerprocedures, opvang en integratie.
In het licht van het bovenstaande doet het kenmerken van Mavrovouni als «Moria 2.0» geen recht aan de realiteit, noch aan de geleverde inspanningen van de Griekse autoriteiten, de Europese Commissie en (internationale) organisaties.
Over de inzet en bijdragen van het kabinet in Griekenland is de Kamer meermaals geïnformeerd.5In verschillende contacten met de Griekse autoriteiten en de Europese Commissie dringt het kabinet aan op verdere verbeteringen. Nederland heeft diverse experts aan hogergenoemde Taskforce verbonden om hieraan bij te dragen.
Deelt u de mening dat toekijken hoe de humanitaire ramp die zich op de Griekse eilanden en met name in Moria 2.0 ontwikkelt, niet langer tot de mogelijkheden behoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gaat u op korte termijn doen om de omstandigheden in de Griekse opvangkampen te verbeteren? Bent u specifiek bereid samen met de Griekse autoriteiten en de Europese Commissie zich in te zetten om de onverdraagzame situatie van kwetsbare mensen en kinderen zo snel mogelijk te verbeteren?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid naast het voldoen aan de werkelijke voorwaarden van de Moria-deal en gezien de onmenselijke omstandigheden op de Griekse eilanden een groter aantal kwetsbare mensen op te nemen in Nederland? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘veroordeelde oorlogsmisdadigers kunnen mogelijk asiel krijgen’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «veroordeelde oorlogsmisdadigers kunnen mogelijk asiel krijgen»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe de wet- en regelgeving rondom het recht op asiel voor 1F-ers werd uitgelegd tot aan de uitspraak van de Raad van State van 201907281/1/v2?
Anders dan het bericht in de Telegraaf suggereert, heeft de uitspraak van de Raad van State van 16 december 2020 niet tot gevolg dat een vreemdeling met de 1F-status een asielstatus kan verkrijgen. Ook heeft de uitspraak niet tot gevolg dat iemand met de 1F-status gemakkelijker dan voorheen voor een andere vorm van verblijf in aanmerking komt. De uitspraak van de Raad van State brengt geen verandering in (de uitleg van) bestaande wet- en regelgeving, ook niet in het 1F-beleid.
Het 1F-beleid heeft als uitgangspunt dat Nederland geen vluchthaven mag zijn voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogs- en andere ernstige internationale misdrijven. Als de IND de 1F-status op een vreemdeling van toepassing acht, is diegene uitgesloten van het verkrijgen van een asielvergunning en komt hij slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden in aanmerking voor een verblijfsvergunning op andere gronden. Hiervoor geldt een hoge drempel. Zie hiervoor ook de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2019 van 13 mei 2020, waarin wordt omschreven hoe Nederland artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag toepast.
De uitspraak van de Raad van State gaat niet over de uitsluiting van een persoon met de 1F-status van de asielstatus, maar over de wijze waarop de IND moet handelen bij het opleggen van een zwaar inreisverbod van tien jaar of meer (evenals bij een verzoek tot opheffing van dat inreisverbod) aan een vreemdeling met de 1F-status.
De IND legt aan een vreemdeling met de 1F-status doorgaans een zwaar inreisverbod op. Voor het opleggen van een zwaar inreisverbod geldt dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging moet zijn voor een fundamenteel belang van de samenleving. Reeds in een uitspraak van 22 november 20192 heeft de Raad van State op basis van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie3 geoordeeld dat de 1F-status niet automatisch betekent dat diegene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden. De uitspraak van 16 december 2020 is slechts een toepassing van die eerdere jurisprudentie, waarin de Raad van State een verdere uitleg geeft over de wijze waarop de IND de individuele beoordeling moet maken. De Raad van State heeft onder meer overwogen dat geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de omstandigheid dat betrokkene niet strafrechtelijk is veroordeeld voor het plegen van de 1F-daden. Wel komt bijzondere betekenis toe aan het gedrag en de houding van betrokkene. Ook volgt uit de uitspraak dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij niet langer een actuele bedreiging vormt. De Raad van State concludeert dat de IND in de voorliggende zaak voldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene nog steeds een actueel gevaar vormt en dat het inreisverbod dus gehandhaafd moet worden.
Kunt u uiteenzetten wat de implicaties zijn van deze nieuwe uitspraak van de Raad van State?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat iemand die zware oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft nooit in Nederland asiel zou moeten kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juist dat de uitspraak niet gaat over het recht op asiel, maar ziet op het opleggen van een inreisverbod en de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde, en de uitspraak dus niet betekent dat 1F’ers makkelijker dan thans asiel zouden kunnen krijgen? Zo nee, bent u bereid via wetgeving alsnog te voorkomen dat 1F'ers hierdoor makkelijker asiel zouden kunnen krijgen?
Zoals bij de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 reeds toegelicht, is het juist dat de uitspraak niet gaat over het recht op asiel. De uitspraak heeft ook niet tot gevolg dat een persoon met de 1F-status een asielstatus krijgt, of gemakkelijker dan voorheen een andere vorm van rechtmatig verblijf kan verkrijgen. De uitspraak vormt dan ook geen aanleiding de huidige wet- en regelgeving aan te passen.
Is het juist dat de huidige praktijk, ook voor de uitspraak al, zo is dat in specifieke gevallen een 1-F’er die ongewenst is verklaard, via een loophole alsnog in Nederland asiel zou kunnen aanvragen door als familielid van een EU-burger rechtmatig verblijf te krijgen in een andere EU-lidstaat om op die manier toegang te krijgen tot Nederland? Zo ja, welk effect heeft de uitspraak van de Raad van State hierop? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Een vreemdeling aan wie 1F is tegengeworpen, is blijvend uitgesloten van asielbescherming, ongeacht of diegene rechtmatig verblijf heeft in een andere EU-lidstaat. De uitspraak van de Raad van State brengt hierin geen verandering.
Een vreemdeling aan wie 1F is tegengeworpen, kan een aanvraag doen voor verblijf op grond van afgeleid EU-recht (richtlijn 2004/38). De IND zal bezien of die persoon nog altijd een actuele bedreiging vormt. In dat kader is de uitspraak van de Raad van State relevant, omdat daarin nadere uitleg is gegeven over de wijze waarop de IND die beoordeling moet maken. De drempel voor een persoon met de 1F-status om aannemelijk te maken dat hij niet langer een actueel gevaar vormt, is hoog. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt diegene op grond van afgeleid EU-recht verblijf in Nederland toegestaan.
Ziet u mogelijkheden om in Nederlandse wet- en regelgeving «dicht te schroeien» dat 1F’ers via rechtmatig verblijf in een andere lidstaat alsnog in Nederland asiel zouden kunnen krijgen?
Ik zie geen reden de huidige wet- en regelgeving aan te passen. De uitspraak van de Raad van State brengt geen verandering in het beleid dat een persoon met de 1F-status blijvend de asielstatus wordt onthouden. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt verblijf op grond van EU-recht verkregen. Het gaat dan niet om nationale wet- en regelgeving.
Bent u bereid deze eventuele loophole ook binnen de EU aan te kaarten en ervoor te zorgen dat asielzoekers die in Nederland een 1F-status, inreisverbod of ongewenstverklaring hebben gekregen, niet alsnog in een andere lidstaat rechtmatig kunnen verblijven, door goede handhaving van het Slachtoffer Informatie Systeem registratie en doordat andere EU-lidstaten geen verblijfskaart familielid Unieburger verlenen?
Ik zie daarvoor, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht, geen aanleiding.
Het beëindigen van de coulance-regeling |
|
Joël Voordewind (CU), Madeleine van Toorenburg (CDA), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich het debat van afgelopen dinsdag, 16 december 2020, over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Waarom werd er gedurende de eerste lockdown in het voorjaar wel overgegaan tot een coulanceregeling voor het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en nu niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Toen dit voorjaar de eerste coronamaatregelen van kracht werden, heb ik besloten tot het invoeren van een coulanceregeling voor onder andere afgewezen asielzoekers. De regeling hield in dat de opvang bij het COA werd gecontinueerd voor asielzoekers die een negatieve beslissing op hun asielaanvraag hadden gekregen, onderdeel uitmaakten van de caseload van de DT&V en waarvan de vertrektermijn van 28 dagen, om zelfstandig te vertrekken, was verstreken. De afbouw van de coulanceregeling hield gelijke tred met de afbouw van de coronamaatregelen in het algemeen en de hervatting van processen in de asielketen in het bijzonder.
Het voornaamste verschil nu ten opzichte van het voorjaar is dat de processen in de asielketen als vitaal zijn bestempeld. Werkzaamheden van bijvoorbeeld het COA en de DT&V vinden, voor zover nodig in aangepaste vorm, doorgang. Uitgangspunt is dat asielzoekers, zoals gebruikelijk, recht op opvang hebben gedurende hun asielprocedure en gedurende de beroepsfase. Verder hebben Dublinclaimanten tot aan hun overdracht in beginsel recht op opvang. Voor afgewezen asielzoekers geldt dat zij kunnen doorstromen naar onderdaklocaties van het COA, te weten de vrijheidsbeperkende locatie (vbl) en de gezinslocaties. Zelfstandig vertrek naar alle landen is in beginsel mogelijk.
Vreemdelingen waarvan de 28-dagen vertrektermijn is verstreken en die moeten terugkeren, kunnen onder voorwaarden in de vbl worden geplaatst. Indien er tijdelijk vertrekbeletselen zijn, zoals beperkt vliegverkeer of het vereiste van een negatieve COVID-test, wordt hier rekening mee gehouden. Voor uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen geldt dat zij onderdak kunnen krijgen in een gezinslocatie. Aangezien er onderdakvoorzieningen zijn voor afgewezen asielzoekers en de processen in de asielketen operationeel blijven, heb ik besloten de coulanceregeling niet opnieuw in te voeren. Wel betracht het COA de kerstcoulance voor kwetsbare groepen en, indien noodzakelijk, de gebruikelijke vorstcoulance.
Klopt het dat mensen die een beroepsprocedure hebben lopen pas in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) terecht kunnen als zij die procedure intrekken? Waar kunnen deze mensen terecht als zij dat niet doen?
Deze gang van zaken herken ik niet. Vreemdelingen waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die tegen een negatieve beslissing een beroepsprocedure hebben lopen, mogen hun beroep in beginsel altijd in Nederland afwachten. Zij hebben hangende de beroepsfase recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Indien de rechtbank bekrachtigt dat deze vreemdelingen Nederland moeten verlaten, vangt opnieuw de 28-dagen vertrektermijn aan waarin eveneens recht op opvang bestaat. Pas na het verstrijken van deze termijn is onderdak in de vbl mogelijk aan de orde.
Klopt het dat er ook mensen uit Syrië, Jemen en Eritrea door het COA op straat worden gezet, terwijl zij niet terecht kunnen in gezinslocaties of de VBL en ook niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst? Zo nee, hoe zit het volgens u wel?
Voor vreemdelingen afkomstig uit deze landen is de beantwoording op eerdere vragen gelijkelijk van toepassing. Daar kan ik aan toevoegen dat zij grote kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en, indien dat het geval is, tot aan het moment van uitplaatsing naar een gemeente bij het COA kunnen verblijven. Het is mogelijk dat de asielaanvragen van deze vreemdelingen niet door Nederland ingewilligd worden, omdat een andere lidstaat krachtens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dublinclaimanten hebben tot aan hun overdracht in beginsel recht op opvang. Plaatsing in de vbl of gezinslocaties is derhalve niet aan de orde.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om gedurende de huidige lockdown asielzoekers, ook als zij geen verblijfsrecht meer hebben, zo maar op straat te zetten? Zo nee, waarom niet?
De vermeende handelingswijze dat vreemdelingen waarvan de asielaanvraag is afgewezen ¨zo maar op straat¨ worden gezet, herken ik geenszins. Een van de redenen dat processen in de asielketen als vitaal zijn bestempeld, is juist omdat het in het kader van de bestrijding van het virus van het grootste belang is dat reguliere werkzaamheden, uiteraard met inachtneming van de RIVM-richtlijnen, zoveel mogelijk doorgang vinden. Om te voorkomen dat ik in herhaling val, verwijs ik wat betreft de mogelijkheid van opvang en onderdak bij het COA graag naar de beantwoording op eerdere vragen. Betreffende vreemdelingen hoeven zich dus niet te beroepen op gemeentelijke opvangvoorzieningen, zoals de indieners lijken te veronderstellen.
Deelt u de mening dat deze handelwijze niet in lijn is met de overheidsrichtlijnen «blijf zoveel mogelijk thuis» om het coronavirus te bestrijden?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat deze handelwijze gemeentes opzadelt met de opvang van op straat gezette mensen en er risico’s ontstaan met het oog op de verspreiding van het coronavirus? Heeft u hierover overleg gepleegd met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe realistisch het is dat mensen uit Nederland kunnen vertrekken onder de huidige omstandigheden?
Dat is realistisch, aangezien alle DT&V-processen operationeel zijn en zelfstandig vertrek naar alle landen in beginsel mogelijk is. Dit is gelukkig ook zichtbaar in de praktijk; hoewel er tijdelijk vertrekbeletselen kunnen zijn, zoals beperkt vliegverkeer of het vereiste van een negatieve COVID-test, is doorlopend sprake van vertrek. Sinds juli van dit jaar vertrekken wekelijks gemiddeld 80 vreemdelingen zelfstandig dan wel gedwongen. De coronamaatregelen d.d. 14 december jl. hebben naar verwachting beperkte invloed op de mogelijkheden om te vertrekken. Voor zover nodig betracht de DT&V maximale welwillendheid als het gaat om het bieden van vertrek- en herintegratieondersteuning.
Bent u bereid om alsnog gedurende de huidige lockdown een coulanceregeling in te stellen voor het COA, net zoals werd ingesteld tijdens de eerste lockdown in het voorjaar, om te voorkomen dat asielzoekers op straat worden gezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de COA’s hier zo snel mogelijk over informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De uitspraak van de Hoge Raad inzake het inreisverbod |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 over de gevolgen van het inreisverbod wanneer een illegaal persoon na uitvaardiging daarvan nog niet was uitgereisd?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de prejudiciële vraag van de Hoge Raad eerder gehad voor de inzet van artikel 197 Strafrecht (Sr) (strafbaarstelling bij negeren inreisverbod) voor personen die in weerwil van het inreisverbod nog in Nederland verbleven?2
De Hoge Raad heeft haar prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg gesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de Nederlandse bepaling in het strafrecht wel is toegestaan, tegen de achtergrond van de bepalingen van het Europese recht. De meeste strafrechters hebben, in afwachting van het oordeel van de Europese rechter, zaken die door het Openbaar Ministerie (OM) zijn aangebracht aangehouden totdat duidelijkheid bestond over de toepasbaarheid van de bepaling. Het aantal daadwerkelijke veroordelingen ter zake artikel 197 Sr is sterk teruggelopen, zoals ook aangegeven in de brief aan van 16 december 2020.3
Hoeveel illegalen met een inreisverbod verblijven, in weerwil van hun inreisverbod, nu nog in Nederland? Tegen hoeveel van hen is het openbaar ministerie (OM) reeds tot vervolging overgegaan op basis van artikel 197 Sr? Hoeveel van hen zitten op dit moment op basis van artikel 197 Sr in detentie?
Het is niet mogelijk een precies beeld te geven van hoeveel vreemdelingen onrechtmatig in Nederland verblijven en dus ook niet hoeveel van hen een inreisverbod hebben. Wel kan ik u wijzen op de illegalenschatting, waarover uw Kamer bij brief van 16 december 2020 is bericht. Artikel 197 Sr stelt zowel het verblijf in weerwil van een inreisverbod, als verblijf in weerwil van een ongewenstverklaring strafbaar. Een ongewenstverklaring wordt in sommige gevallen opgelegd aan een derdelander of aan een EU-burger die om redenen van openbare orde uit Nederland wordt geweerd. Ik kan op basis van de gegevens niet vaststellen hoeveel van de veroordelingen tot de ene of de andere categorie behoren. Wel is sprake van een zeer sterke daling van het aantal veroordelingen ter zake van artikel 197 Sr. Op peildatum 5 januari 2021 zitten volgens de gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) ongeveer 10 personen op een strafrechtelijke titel vast ter zake van artikel 197 Sr. Het gaat daarbij zowel om personen die in afwachting zijn van het oordeel van de strafrechter als personen die een straf uitzitten. Voor een deel van deze groep geldt dat naast artikel 197 Sr ook (verdenking van) andere delicten ten grondslag liggen aan de detentie.
Hoeveel tijd krijgen illegaal in Nederland aanwezige personen gemiddeld om, na uitvaardiging van een terugkeerbesluit, vrijwillig terug te keren? Hoe vaak wordt deze termijn verlengd wanneer deze persoon niet is teruggekeerd? Hoe vaak wordt na overschrijding van deze termijn een inreisverbod uitgevaardigd? Welk beleid ligt ten grondslag aan de keuze voor verlenging, dan wel de keuze voor het uitvaardigen van een inreisverbod?
Een vreemdeling krijgt krachtens de Vreemdelingenwet 2000 als hoofdregel 28 dagen om uit eigen beweging te vertrekken. Deze termijn kan worden onthouden als er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, als een verblijfsaanvraag als frauduleus of kennelijk ongegrond is afgewezen, of indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Een verlenging van de vertrektermijn heeft als doel de terugkeer daadwerkelijk mogelijk te maken en wordt daarom krachtens artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 alleen toegepast in gevallen waarin duidelijk is dat de vreemdeling ook daadwerkelijk zal kunnen vertrekken in die termijn. Dit kan worden aangenomen als de reisbescheiden daadwerkelijk voorhanden zijn, of duidelijk is dat deze op korte termijn voorhanden zullen zijn. In de praktijk is dit slechts zelden aan de orde.
Echter ook als de termijn voor vrijwillig vertrek is verstreken, of deze wordt onthouden, kan gewerkt worden aan zelfstandig vertrek. De vreemdeling kan daarbij ook worden ondersteund, inclusief onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie in afwachting van zijn terugkeer. Voorwaarde voor de ondersteuning is dat de vreemdeling daadwerkelijk wil meewerken aan zijn terugkeer. Als er een risico is dat de vreemdeling zich aan het toezicht kan onttrekken, kan vreemdelingenbewaring worden overwogen om zeker te stellen dat de vreemdeling beschikbaar blijft voor de terugkeer. Uitgangspunt is zelfstandige – en waar nodig ondersteunde – terugkeer waar dat kan, maar gedwongen verwijdering en vreemdelingenbewaring waar dat noodzakelijk is.
Als de terugkeer door toedoen van de vreemdeling niet mogelijk is en een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 of een ongewenstverklaring is opgelegd, is als laatste middel ook strafrechtelijke vervolging ingevolge het verblijf in Nederland mogelijk. Over de omstandigheden waaronder dit mogelijk is en de ontwikkelingen daaromtrent in de afgelopen jaren heb ik uw Kamer bij brief van 16 december 2020 geïnformeerd.
Hoeveel illegalen verblijven, in weerwil van hun inreisverbod, in de landelijke vreemdelingenvoorziening of gemeentelijke opvang? Is het mogelijk hen te vervolgen op basis van artikel 197 Sr? Is het OM naar uw weten ook voornemens dit te doen? Is hen het recht op opvang inmiddels ontzegd?
Op 1 november 2020 verbleven er 771 vreemdelingen in de pilot-LVV’s. Gezien de aard van de doelgroep, namelijk vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang, hebben deze vreemdelingen vrijwel allemaal een licht inreisverbod, dat wil zeggen een inreisverbod met een duur tot en met 2 jaar, conform het beleid van de IND neergelegd in VC A4/2.3. Een licht inreisverbod wordt immers in de regel opgelegd aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen die onmiddellijk uit Nederland moeten vertrekken of waarvan de eerder opgelegde vertrektermijn is verstreken. Gezien het doel van de LVV, het vinden van een bestendige oplossing voor het illegale verblijf, vind ik het ook niet opportuun aan wie een licht inreisverbod is opgelegd, de opvang in de LVV te ontzeggen. De opvang en begeleiding kunnen namelijk bijdragen aan het bereiken van een bestendige oplossing, waaronder terugkeer.
Een zwaar inreisverbod is bedoeld voor personen die onrechtmatig in Nederland verblijven en een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid. Een dergelijk zwaar inreisverbod, dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft een duur van 10 jaar of langer. Vreemdelingen met een dergelijk inreisverbod van 10 jaar of langer, komen in principe niet in aanmerking voor opvang in de LVV. Volgens de convenanten kan er in uitzonderlijke gevallen besloten worden om een vreemdeling die niet voldoet aan de doelgroep toch toe te laten. De opvang en begeleiding kunnen namelijk bijdragen aan het bereiken van een bestendige oplossing, waaronder terugkeer. Eind 2020 verbleef een gering aantal – minder dan 10 – vreemdelingen in de LVV’s aan wie een zwaar inreisverbod is opgelegd.
Buiten de pilot-LVV’s is er vanuit het Rijk geen eenduidig cijfer te geven over het aantal illegalen in de gehele gemeentelijke opvang.
Met betrekking tot de vraag of het mogelijk is deze vreemdelingen te vervolgen op basis van artikel 197 Sr, kan ik het volgende opmerken. Vervolging van de vreemdeling die weet of behoort te weten dat aan hem een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd, is mogelijk op grond van artikel 197 Sr. Echter, zoals hiervoor uiteengezet, zitten deze personen in de regel niet in de LVV. Vervolging zal steeds een individuele afweging van de politie en het OM zijn.
Hoe verhoudt het inreisverbod zich tot de ongewenstverklaring? In welke situatie is het uitvaardigen van een inreisverbod mogelijk en wanneer het uitvaardigen van een ongewenstverklaring?
Het is juist dat het een nationale keuze is geweest om de strafbaarstelling van de ongewenstverklaring opgenomen in artikel 197 Sr ook te verbinden aan het inreisverbod, en opleggen van een ongewenstverklaring uit te sluiten als de terugkeerrichtlijn van toepassing is. Dit onderwerp, en de samenhang tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod en een korte appreciatie van de situatie in andere EU-lidstaten is één van de onderwerpen waarover ik uw Kamer heb geïnformeerd bij brief van 16 december 2020. De jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie laat er geen twijfel over bestaan dat een nationale strafrechtelijke sanctie is toegestaan, in die gevallen waarin gedwongen verwijdering niet kan worden gerealiseerd door toedoen van de vreemdeling. Ik zou voor een verdere uiteenzetting kortheidshalve willen verwijzen naar genoemde brief van 16 december jl.
Klopt het dat bij de implementatie van de terugkeerrichtlijn de strafbaarstelling gekoppeld is aan het (zwaar)inreisverbod en niet langer aan de ongewenstverklaring? Waarom is hier toen voor gekozen? Welke effecten heeft dit op de inzet van artikel 197 Sr voor de aanpak van overlastgevende illegalen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe hebben andere EU-lidstaten het niet terugkeren, na afronding van het terugkeertraject, gesanctioneerd? Hoe verhoudt dit zich tot Europese jurisprudentie?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat overlastgevende en criminele asielzoekers moeten worden aangepakt? Zo ja, welke ruimte ziet u om hiervoor artikel 197 Sr effectiever in te zetten?
Ja. Overlastgevend en crimineel gedrag is volstrekt onacceptabel. Zoals aangegeven in mijn brief van 10 november 2020, heb ik een breed palet aan maatregelen beschikbaar gesteld om de overlastproblematiek samen met betrokken partijen stevig aan te pakken. Bij criminele gedragingen is het in de eerste plaats aan de rechter om strafrechtelijke maatregelen op te leggen.
Ik ben van mening dat de ongewenstverklaring en daaropvolgend de strafvervolging als instrument tot de mogelijkheden zou moeten behoren om op lokaal niveau de meest problematische casuïstiek aan te pakken. Op de beperkingen en mogelijkheden ben ik ingegaan in mijn brief van 16 december 2020.4
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid op 21 januari 2021?
Ja.
Problemen met naturalisatie |
|
Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Herinnert u zich uw antwoord op mijn Kamervragen op 11 juli 2020: «Naturalisatie onmogelijk ondanks ruim 13 jaar legaal verblijf»?1
Ja.
Wat bedoelde u met «gegronde redenen» waardoor een vreemdeling met een reguliere verblijfsvergunning toch genaturaliseerd kan worden terwijl geen identiteits- of nationaliteitsdocument getoond kan worden? Kunt u voorbeelden noemen?
Onder «gegronde redenen» worden redenen verstaan die zijn genoemd en aangetoond door de vreemdeling of objectief zijn komen vast te staan. In het individuele geval leiden deze redenen tot het oordeel dat van het overleggen van een buitenlands geboortebewijsstuk of van een geldig buitenlands paspoort dan wel van beide documenten kan worden afgezien. In het algemeen is denkbaar dat bijvoorbeeld door oorlog, natuurgeweld of brand een ooit bijgehouden register is vernietigd en er geen dubbel register bestaat van hetgeen verloren is gegaan. Voor concrete voorbeelden verwijs ik naar www.ind.nl/Nederlanderschap/ik heb geen paspoort/geboorteakte (bewijsnood).
Is de weigering van het verstrekken van deze gegevens door een ambassade van het herkomstland voldoende reden om de documenteis te laten vervallen?
Ambassades zijn in de regel wel bevoegd om een nationaal paspoort af te geven. Het bezit door de paspoorthouder van de nationaliteit van het land dat het paspoort heeft verstrekt, wordt daarmee gewoonlijk aangenomen. Bij de meeste landen zijn ambassades niet de bevoegde instantie waar gegevens uit het brondocument omtrent de geboorte (het oorspronkelijke bewijsstuk omtrent geboorte, persoonsgegevens en afstamming) kan worden verkregen. Van elke vreemdeling met een regulier verblijfsrecht wordt verwacht dat hij of een door hem gemachtigde derde zich ten minste heeft gewend tot een tot verstrekken van het bewuste bewijsstuk van geboorte (bijvoorbeeld een uittreksel van een geboorteakte) bevoegde instantie. Bovendien is noodzakelijk om een toelichting te hebben waarom een tot verstrekken bevoegde instantie aan betrokkene niet het gevraagde document verstrekt. Wat in een concrete situatie geldt als voldoende inspanning is afhankelijk van de wijze waarop in het desbetreffende land de procedures zijn ingericht om een geboorteakte (of ander geboortebewijs) en een geldig nationaal paspoort te krijgen. Als handreiking daarvoor staat op de IND-website informatie over identiteits- en nationaliteitsdocumenten uit Afghanistan, Azerbeidzjan, China, Eritrea, Irak, Iran, Rusland, Rwanda, Sierra Leone, Somalië, Syrië en van door Nederland niet-erkende staten.
U schreef tevens dat er «van jongvolwassenen een inspanning wordt verwacht om aan documenten te komen», wat verstaat u onder deze inspanning? Is het aanvragen van de documenten bij de ambassade van het herkomstland voldoende inspanning om in aanmerking te komen voor naturalisatie? Zo nee, wat is wel voldoende inspanning?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is er tijdens het verstrekken van het generaal pardon voor gekozen vreemdelingen aan te wijzen als reguliere migrant in plaats van als asielmigrant?
Aanwijzing van vreemdelingen als reguliere migrant dan wel als asielmigrant is binnen de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet (Ranov- of Generaal Pardonregeling) uit 2007 niet aan de orde. De verblijfsvergunning die op grond van de Regeling werd verleend, was een reguliere verblijfsvergunning en geen verblijfsvergunning asiel. De reden daarvoor was dat de grond voor de vergunning niet gelegen was in de vaststelling dat de betrokken vreemdeling asielbescherming nodig had, maar – onder andere voorwaarden – in het langdurig verblijf in Nederland.
Is tijdens het aanscherpen van de bewijsnood in 2009 rekening gehouden met de mensen die in aanmerking kwamen voor het generaal pardon?
Ja, bij de hier bedoelde aanpassing van het naturalisatiebeleid, die mede zag op het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit als voorwaarde voor naturalisatie, is de situatie meegewogen van alle vreemdelingen met een regulier verblijfsrecht die voor het verkrijgen en behouden van het verblijfsrecht ontheffing hadden van de voorwaarde om een geldig buitenlands paspoort te bezitten.
Bent u nog altijd van mening dat naar uw mening geen enkele groep wordt uitgesloten van naturalisatie door de documenteis? Hoe rijmt u dat met de mensen voor wie dit evident niet opgaat?2
In een individueel geval kan bij een vreemdeling, die in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, aanleiding bestaan om de voorwaarden voor het overleggen van identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten niet te handhaven. Daartoe overgaan is mogelijk na het hebben vernomen en hebben gewogen van de reden(en) waarom betrokkene niet in het bezit is van het gevraagde document. Het is aan betrokkene om deze reden(en) naar voren te brengen. In de naturalisatieprocedure zijn asielgerechtigden ontheven van de documenteneis. Naar mijn mening sluit het beleid voor identiteits- en nationaliteitsdocumenten geen groepen vergunninghouders uit van naturalisatie. Enkel een verwijzing door een Ranov-vergunninghouder naar zijn vlucht uit het herkomstland en/of het verder niet gespecificeerd stellen van «verschillende redenen om zich niet te hoeven wenden tot de autoriteiten van het herkomstland», zoals plaatsvindt in de meegestuurde noodkreet, wordt niet aangemerkt als gegronde reden om af te zien van identiteits- en nationaliteitsdocumenten. Er is immers toentertijd geen asielvergunning verleend noch wordt iets gezegd over wat de verschillende redenen dan inhouden.
Begrijpt u dat het ondraaglijk is voor altijd staatloos door het leven te gaan? Wat onderneemt u opdat de mensen uit de generaal pardonregeling, ondanks een gebrek aan documenten, alsnog aanspraak kunnen maken op naturalisatie?
Over het algemeen zijn Ranov-vergunninghouders niet staatloos, maar bezitten zij een vreemde nationaliteit. Een aanpassing van het beleid wordt niet overwogen. Het beleid borgt dat in de naturalisatieprocedure zo goed als mogelijk de persoonsgegevens en het actueel bezit van de vreemde nationaliteit vaststaan van vreemdelingen met een regulier verblijfrecht. Als gevolg hiervan kan, indien nodig, aan de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit worden voldaan en bestaat zekerheid over de persoonsgegevens die op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie worden opgenomen.
Het bericht ‘27.000 statushouders moeten volgend jaar huis krijgen’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «27.000 statushouders moeten volgend jaar huis krijgen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de taakstelling om 27.000 statushouders te huisvesten heel ingewikkeld is voor veel gemeenten?
Ja, die zorg deel ik. Met name omdat de taakstelling voor 2021 substantieel hoger is dan de taakstelling van 13.000 van afgelopen jaar. Deze hoge taakstelling stelt gemeenten voor een enorme huisvestingsopgave in een moeilijke tijd vanwege bestaande woningtekorten. Aan de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie (LRT) van 28 oktober jongstleden heb ik daarom samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal overleg (IPO) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) besproken hoe gemeenten geholpen kunnen worden om deze piek zo goed mogelijk op te vangen. In een brief van de LRT van 3 november jongstleden, zijn ondersteuningsmaatregelen aangekondigd die gemeenten moeten helpen bij het halen van deze forse taakstelling.
Wat is het effect op de wachtlijsten voor sociale huurwoningen als (een groot deel van) die 27.000 statushouders worden gehuisvest in sociale huurwoningen? Hoe waarschijnlijk is dit zonder extra maatregelen?
Wat precies het effect is van de komende taakstelling op de wachtlijsten voor de sociale huurwoningen is mij niet bekend, maar duidelijk is dat bij een gelijkblijvend aanbod en een toenemende vraag, de druk toeneemt. Nog belangrijker dan de toewijzing van woningen is daarom de beschikbaarheid van voldoende woningen. Door veel partijen wordt daarom gezamenlijk hard gewerkt om het aanbod te vergroten. Daarbij is het van belang te zorgen voor meer flexibiliteit op de woningmarkt en betere aansluiting met de asielopvang te creëren. Het kabinet heeft daarom al eerder 3 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een tiental pilots waarbij wordt geëxperimenteerd met flexibele opvang- en/of huisvestingsoplossingen. Te denken valt aan het tijdelijk en gemixt huisvesten van verschillende doelgroepen alsook het aanbieden van opvangoplossingen in de buurt van de gemeente van uitplaatsing. De eerste pilots zijn gestart (zie ook het antwoord op vraag 5).
Eveneens wijs ik op het beschikbaar stellen van 50 miljoen euro voor 2020 als stimulans voor de bouw van (flexibele) huisvesting voor kwetsbare groepen. Deze woningen kunnen doorgaans snel geplaatst worden, doordat een impuls wordt gegeven aan concrete projecten die snel te realiseren zijn. Een deel van deze projecten voorziet ook in de huisvesting van statushouders. In 2021 zal het Kabinet nogmaals 50 miljoen euro vrijmaken voor de huisvesting van kwetsbare groepen.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat tijdige huisvesting niet alleen in het belang van statushouders is, maar ook in het belang van de Nederlandse samenleving. Dan kunnen zij tenslotte sneller participeren in en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Bovendien zorgt een snelle doorstroom naar huisvesting ervoor dat de maatschappelijke impact en financiële kosten die gepaard gaan met de opvang van asielzoekers beperkt worden gehouden.
Deelt u de mening dat gemeenten ook aan hun taakstelling voldoen als (een groot deel van) die 27.000 statushouders worden gehuisvest in sobere tijdelijke huisvesting?
Gemeenten zoeken veelal in samenwerking met corporaties naar passende woonruimte voor verschillende doelgroepen in de gemeente, ook voor asielzoekers waarvan is bepaald dat zij verblijfsrecht in Nederland hebben. Dat kunnen sociale huurwoningen zijn, maar gemeenten kunnen er ook voor kiezen om bepaalde doelgroepen op een andere wijze te huisvesten, zoals in verbouwde kantoren of zorgvastgoed, in verplaatsbare woningen of in een gemengd wonen project. Als statushouders op deze manieren worden gehuisvest, telt dat gewoon mee in het behalen van de taakstelling.
Hoe lopen de pilots tijdelijke huisvesting statushouders in Rotterdam, Haarlemmermeer en Castricum?
De projecten bevinden zich in verschillende stadia van planvorming en voorbereiding. De belangrijkste knelpunten, die naar voren komen in de pilots zijn de rendabiliteit van de business case en het vormgeven van burgerparticipatie op een efficiënte, maar gedegen wijze.
Bent u bereid om meer pilots in gemeenten te starten, om te voorkomen dat volgend jaar (grote) problemen ontstaan bij het huisvesten van statushouders?
Ja. Ik zal voor volgend jaar binnen de extra middelen voor de huisvesting van kwetsbare groepen € 3 miljoen beschikbaar stellen voor voorbeeldprojecten die voorzien in de flexibele huisvesting van vergunninghouders en andere doelgroepen. Vereisten daarbij zijn dat gemeenten deze projecten snel realiseren en dat ze grotendeels bestemd zijn voor statushouders. Hiermee bouwen we verder op de bestaande pilots, maar sluiten we ook aan bij de vraagstukken en mogelijkheden van gemeenten en bij de ervaringen die reeds in de praktijk zijn opgedaan.
Hoe lang duurt het gemiddeld tot tijdelijke woningen of flexwoningen kunnen worden geplaatst?
Hoe lang het duurt voordat met de bouw/plaatsing van flexwoningen kan worden gestart, is mede afhankelijk van de vraag of het project voldoet aan het geldende bestemmingsplan. Indien dat het geval is, kan een vergunning sowieso binnen 8 weken worden verleend en in werking treden. Als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, duurt de procedure om tot vergunningverlening te komen in principe zes maanden. De fase voorafgaand aan de indiening, de planontwikkeling, van een aanvraag neemt vaak de meeste tijd in beslag, blijkt uit het onderzoek De bouw van tijdelijke woningenvan het Expertisecentrum Flexwonen2, onder meer vanwege ambtelijke voorbereiding en afstemming, onderzoek en participatie. Veruit de meeste projecten voor tijdelijke en flexibele woningbouw worden ondanks een soms lange planvormingsfase nog steeds sneller gerealiseerd dan reguliere woningbouw.
Welke maatregelen ziet u om procedures voor het plaatsen van tijdelijke woningen of flexwoningen te versnellen?
Via zogeheten Versnellingskamers Flexwonen bied ik gemeenten actief ondersteuning aan bij het verkorten van de planfase. Gemeenten doen hier ook steeds vaker een beroep op.
Daarnaast is het op grond van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (de zo wel genoemde kruimellijst) al mogelijk gemaakt om voor transformaties van bijvoorbeeld kantoren naar wonen, vergunningen voor de afwijking van het bestemmingsplan met de reguliere procedure (binnen acht weken) te verlenen. Dat geldt ook voor tijdelijke nieuwbouw in afwijking van het bestemmingsplan met een duur van maximaal tien jaar.
Een beperking in die mogelijkheid geldt echter voor projecten waarvoor beoordeeld moet worden of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een zogenoemd stedelijk ontwikkelingsproject. Ook als is geoordeeld dat voor zo’n project geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, geldt toch dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure (zes maanden) moet worden toegepast.
Via de Crisis- en herstelwet is al een experiment mogelijk gemaakt om aanvullend de reguliere procedure toe te passen. Maar ook daar is er de beperking dat alleen projecten voor aanwijzing in aanmerking kunnen komen, als van te voren al duidelijk is dat daarvoor geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Om de aanwijzing van projecten verder te kunnen verruimen, zal ik de regeling van dit experiment zo aanpassen dat voor aangewezen projecten alleen de uitgebreide procedure hoeft te worden toegepast als wordt vastgesteld dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Omdat na deze wijziging uit het experiment zelf voortvloeit dat de uitgebreide procedure moet worden toegepast als een milieueffectrapport opgesteld moet worden, ontstaat er een veel ruimere mogelijkheid projecten hiervoor aan te wijzen. En omdat voor het merendeel van de projecten geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, zal de reguliere procedure daardoor ook veel vaker van toepassing kunnen zijn. Ik zal hiertoe op korte termijn een wijziging meenemen in de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, opdat deze mogelijkheid ook optimaal benut kan worden voor de bouw van (tijdelijke of flexibele) woningen.
Bent u bereid om voor het einde van het jaar met spoedwetgeving te komen, bijvoorbeeld onder de Crisis-en herstelwet, om tijdelijke woningen of flexwoningen bijvoorbeeld binnen 6 maanden te kunnen plaatsen en om te voorkomen dat volgend jaar (grote) problemen ontstaan bij het huisvesten van statushouders?
Met de hierboven beschreven wijziging in de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, is er geen aparte spoedwetgeving nodig om tijdelijke woningen of flexwoningen binnen 6 maanden te kunnen plaatsen en geef ik eveneens invulling aan de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Terpstra3, ingediend tijdens het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte van 9 november jl.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte?
Gegeven de beperkte tijdspanne is dat niet gelukt.
De voortgang van de evacuatie van asielzoekers van het Griekse eiland Lesbos |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat het nieuwe tentenkamp Kara Tepe dat door de Griekse autoriteiten is ingericht, qua leefomstandigheden nog verschrikkelijker is dan het afgebrande kamp Moria?1
Ja.
Klopt het dat mensen zich moeten wassen in de zee bij gebrek aan sanitair? Zo ja, wat betekent dit voor de gezondheid van deze mensen?
Klopt het dat er geen medische zorg beschikbaar is voor de mensen die in het nieuwe tentenkamp verblijven? Zo ja, wat betekent dit voor de gezondheid van deze mensen?
Klopt het dat de tenten bij regenbuien onder water komen te staan? Zo ja, wat betekent dit voor de gezondheid van deze mensen?
Klopt het dat mensen op Lesbos verblijven op met lood vergiftigde grond? Zo ja, wat betekent dit voor de gezondheid van deze mensen?
Zijn de Griekse autoriteiten al begonnen met het afbouwproces van Kara Tepe en Pikpa, dat volgens uw brief van 26 oktober voor eind 2020 gebeurd moet zijn?2
De Griekse autoriteiten zijn momenteel bezig met het overplaatsen van kwetsbare vluchtelingen en migranten vanuit Lesbos naar het vasteland. Dit betreft ook kwetsbare vluchtelingen en migranten die in Pikpa en Kara Tepe verblijven. Pikpa is inmiddels leeg. Op 30 oktober jl. werden de laatste 74 inwoners overgebracht naar Kara Tepe. Momenteel verblijven nog circa 900 mensen in Kara Tepe. Griekse autoriteiten zijn voornemens om ook Kara Tepe voor het einde van het jaar te sluiten.
Wat voor opvang is Griekenland voornemens in te richten voor de «niet-kwetsbare personen» die Griekenland niet naar het vasteland wil evacueren? Zal deze opvang voldoen aan Europese normen en waarden?
De Griekse autoriteiten en de Europese Commissie zijn bezig met de wederopbouw en verbetering van opvang-, asiel- en terugkeerfaciliteiten op Lesbos. Hier zullen de vluchtelingen en migranten die nu nog op Lesbos aanwezig zijn, worden ondergebracht. Voor deze nieuwe faciliteiten worden de geldende internationale en Europese standaarden gehanteerd. Alle betrokkenen zijn vastberaden om deze standaarden te handhaven. In dit kader voorziet de Europese Commissie ook een Europese rol in het management van de faciliteiten.
Is de door de Europese Commissie aangekondigde taskforce voor het verbeteren van de opvang op de Griekse eilanden inmiddels ingesteld en operationeel? Zo nee, op welke termijn gaat dit gebeuren? Zo ja, welke vorderingen zijn inmiddels door de taskforce geboekt?
Zie antwoord vraag 2 t/m 5.
Hoeveel kinderen zijn inmiddels vanaf Lesbos geëvacueerd en in Nederland opgevangen?
Het Nederlandse aanbod betreft 100 personen, waarvan 50 amv en 50 personen in gezinsverband met minderjarigen. Momenteel zijn bijna alle alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv) die verbleven in de hotspots op de Griekse eilanden, waaronder circa 400 amv vanuit Moria, overgebracht naar het Griekse vasteland. Er zijn nog geen amv of gezinnen met minderjarigen vanuit Griekenland naar Nederland overgebracht.
Momenteel zijn de voorbereidingen voor de herplaatsing vanuit Griekenland naar een tiental bereidwillige lidstaten, waaronder Nederland, gaande onder coördinatie van de Europese Commissie. Dit vergt tijd, mede met het oog op zorgvuldigheid en vertragende omstandigheden zoals COVID-19. Alle betrokken partijen werken eraan om de herplaatsing zo snel mogelijk en zo zorgvuldig mogelijk te realiseren.
Ik heb uw Kamer reeds toegezegd hier nader over te informeren.3 Dat zal ik voor de begrotingsbehandeling doen.
Op welke termijn verwacht u alle honderd kinderen die Nederland heeft aangegeven te willen opnemen, in Nederland te hebben opgevangen?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft Nederland ondersteuning en/of middelen aangeboden aan Griekenland voor het evacueren van kinderen vanaf Lesbos? Zo nee, bent u daartoe alsnog bereid?
Ik heb naar aanleiding van de branden in Moria meermaals contact gehad met mijn Griekse counterpart en aangeboden Griekenland te ondersteunen waar nodig. Daarbij heb ik aangeboden om 100 kwetsbare personen te herplaatsen naar Nederland. Tevens heb ik gemeld dat de amv die zijn overgeplaatst naar het vasteland intrek konden nemen in de opvang die in het kader van het Grieks-Nederlandse samenwerkingsverband is gerealiseerd.
De overplaatsing vanaf Lesbos ligt primair bij de Griekse autoriteiten. Hierbij worden zij ondersteund door de Europese Commissie en internationale organisaties, zoals IOM. Zo heeft de Europese Commissie Griekenland ondersteund met het overplaatsen van circa 400 amv vanuit Lesbos naar het Griekse vasteland. Dit is direct na de branden in Moria binnen 1,5 dag gerealiseerd. Naar opgave van de Griekse autoriteiten zijn hiermee nagenoeg alle amv op Lesbos overgebracht. De Europese lidstaten, waaronder Nederland, hebben geen verzoek gehad van Griekenland om hierbij ondersteuning te bieden.
Bent u bereid om, gelet op de nu voortdurende humanitaire noodsituatie op Lesbos, meer kinderen inclusief hun ouders in Nederland op te vangen en de mogelijkheid te geven hun asielverzoek te laten behandelen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen reden om het aanbod voor de herplaatsing van 100 personen, dat namens het kabinet bij uitzondering is gedaan, te verhogen. Bovendien biedt herplaatsing geen structurele oplossing. Het is zaak dat mensen ter plekke zo snel mogelijk worden voorzien in hun noden en Griekenland zorgt voor de benodigde structurele verbeteringen. Nederland biedt Griekenland hierbij de nodige ondersteuning.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het AO van 11 november a.s. inzake de aanstaande JBZ-raad?
Het is mijn streven om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Spanje scheidt migrantenkinderen van hun ouders' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Spanje scheidt migrantenkinderen van hun ouders»?1 Wat is uw reactie op het bericht?
Ik heb kennisgenomen van deze berichtgeving. De beschreven situatie doet zich voor tijdens het identificatieproces, bij het vermoeden van kindersmokkel of identiteitsfraude. In de asielprocedure zelf worden kinderen niet gescheiden van de ouders.
Uit onder meer het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de Opvangrichtlijn volgt, dat het in beginsel niet in het belang van het kind is om te worden gescheiden van zijn ouders. Het is belangrijk dat deze rechten worden geborgd. Het scheiden van (een van) de ouders van hun kinderen mag dan ook slechts in uitzonderlijke situaties gebeuren en met name indien er concrete aanwijzingen zijn dat dit in het belang is van het kind, bijvoorbeeld indien het kind het slachtoffer is of dreigt te worden van misbruik of verwaarlozing. Het zonder goede reden scheiden van de ouder(s) van de kinderen betekent inderdaad een schending van internationaal erkende kinderrechten.
Tegelijkertijd moet, gezien de omvangrijke irreguliere migratie met smokkelschepen vanuit Noord- en West-Afrika, ook het risico op kindersmokkel- en handel worden onderkend. Het Spaanse Openbaar Ministerie heeft in dit kader een protocol geformuleerd waarin wordt gesteld dat, indien migranten bij aankomst niet kunnen aantonen familie te zijn, betrokkenen worden gescheiden totdat dit middels DNA-onderzoek alsnog is aangetoond. Het streven is om uiterlijk na 14 dagen de resultaten van dergelijk onderzoek binnen te hebben. In geheel Spanje zouden in 2020 ca. 650 DNA-onderzoeken zijn uitgevoerd, waarbij voor zover nu bekend alleen bij twaalf zaken op de Canarische Eilanden daadwerkelijk is overgegaan tot het toepassen van het protocol (d.w.z. scheiding van volwassenen en kind). Dit vond plaats tegen de achtergrond van een sterke toename van het aantal irreguliere aankomsten op de Canarische Eilanden die de capaciteit van de voorzieningen aldaar te boven ging.
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Spaanse Staatssecretaris van migratie per direct twee opvanglocaties op de Canarische Eilanden beschikbaar gesteld voor gezinnen die in afwachting zijn van de DNA-resultaten, zodat er in het vervolg geen kinderen meer van de ouders gescheiden worden. Ook heeft de Spaanse Nationale ombudsman een onderzoek gelast naar de gang van zaken.
Deelt u de mening dat de scheiding van minderjarige migranten van hun ouders een grove schending is van internationaal erkende kinderrechten? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat zo snel mogelijk een einde moet komen aan het scheiden van kinderen van hun ouders en dat reeds gescheiden kinderen en ouders op korte termijn moeten worden herenigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u contact met uw Spaanse ambtsgenoot opgenomen om uw afkeur van deze praktijken kenbaar te maken? Zo ja, welk resultaat heeft dit opgeleverd of verwacht u? Zo nee, waarom niet en gaat u alsnog contact opnemen?
Zoals eerder genoemd heeft de Spaanse Staatssecretaris voor migratie direct actie ondernomen naar aanleiding van de berichtgeving en heeft de Spaanse Nationale ombudsman een onderzoek ingesteld.
Voor zover mij bekend geldt in alle EU-lidstaten het uitgangspunt dat kinderen niet worden gescheiden van hun ouders gedurende de asielprocedure en doet dit zich in de andere lidstaten ook in de praktijk niet voor.
In de voorstellen op het gebied van asiel en migratie, die de Europese Commissie op 23 september jl. presenteerde, vraagt de Commissie expliciet aandacht voor de situatie en behandeling van kwetsbaren2. Zo stelt de Commissie dat het Europese netwerk voor voogdijschap moet worden versterkt, er adequate alternatieven moeten zijn voor detentie en dat snelle gezinshereniging moet worden bevorderd. Ook moet de opvang geschikt zijn voor kinderen en moeten kinderen toegang hebben tot juridische bijstand, onderwijs en integratiediensten. De Commissie benoemt daarbij ook het belang van het tijdig identificeren van mogelijke slachtoffers van mensensmokkel als een belangrijk uitgangspunt.
Gelet op de ondernomen acties van de Spaanse autoriteiten, het lopende onderzoek van de Spaanse Ombudsman en de (concrete) ambities van de Commissie ten aanzien van de positie van (alleenstaande) minderjarige migranten, acht ik het niet nodig om hier apart aandacht voor te vragen.
Bent u op de hoogte van het scheiden van kinderen van hun ouders als onderdeel van asielprocedures in andere Europese lidstaten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in Europees verband deze praktijken door Spanje af te keuren en op te roepen dat overal in Europa kinderen en hun ouders uitsluitsel over hun asielprocedures in gezamenlijkheid moeten kunnen afwachten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat gemeenten subsidie krijgen om overlastgevende asielzoekers bezig te houden |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat overlastgevende asielzoekers niet moeten worden gepamperd met allerlei projectjes en overheidssubsidies en het behoud van hun eigen buslijn, maar juist Nederland moeten worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?1
Nederland biedt bescherming aan mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging. Er is draagvlak voor de opvang van asielzoekers in Nederland, maar dit wordt ondermijnd door een kleine groep asielzoekers die zorgt voor overlast en criminaliteit. Deze overlastgevers zijn een zware belasting voor onder meer omwonenden, winkeliers, openbaar vervoerders, medewerkers van de migratieketen en medebewoners van opvanglocaties. Dit is onaanvaardbaar en de aanpak van deze groep overlastgevende en criminele asielzoekers heeft mijn absolute prioriteit. Ik zet dan ook in op een harde, integrale aanpak van overlast in samenwerking met organisaties in de migratieketen (COA, DT&V, IND), gemeenten, politie en het OM. Bij crimineel gedrag wordt aangifte gedaan, zodat de strafrechtketen strafrechtelijke maatregelen kan treffen.
Ik heb uw Kamer bij brief van heden geïnformeerd over de maatregelen die ik tref in de aanpak van overlastgevende asielzoekers. Bij die aanpak ben ik gebonden aan (inter)nationale wet- en regelgeving, maar daarbinnen zoek ik de grenzen op om de overlast terug te dringen. Gezien het feit dat iedereen recht heeft op een eerlijke asielprocedure, is het niet mogelijk asielzoekers in afwachting van hun asielprocedure Nederland uit te zetten op grond van het veroorzaken van overlast. Bij overlastgevers die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben wordt altijd gekeken of gedwongen vertrek mogelijk is.
Samen met alle betrokken partijen zoek ik voortdurend naar mogelijkheden om de bestaande maatregelen uit te breiden of aan te scherpen.
Deelt u de mening dat de ongein met al die gelukszoekers die u Nederland heeft binnen gelaten wel lang genoeg geduurd heeft en het tijd wordt voor echte oplossingen in plaats van pappen en nathouden ten koste van de Nederlanders en hun zuurverdiende belastingcenten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom wringt u zich in allerlei bochten, bedenkt u allemaal projectjes en smijt u met belastinggeld om overlastgevende asielzoekers vooral in Nederland te blijven opvangen, terwijl het toch echt véél goedkoper is (en rechtvaardiger) om ze de grens over te zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Ja.
Het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Armenië en Azerbeidzjan |
|
Jasper van Dijk , Joël Voordewind (CU), Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Burgers zoeken een veilig heenkomen terwijl het geweld escaleert in Nagorno-Karabach»?1
Ja.
Klopt het dat inmiddels niet alleen de regio Nagorno-Karabach te kampen heeft met escalerend geweld, maar ook andere grensgebieden tussen Armenië en Azerbeidzjan?
Ten tijde van het stellen van uw vragen was dat inderdaad het geval. Op 10 november jl. werd bekend dat Rusland, Armenië en Azerbeidzjan een overeenkomst hebben gesloten om het gewapende conflict te beëindigen. Inmiddels is een Russische vredesmacht aangekomen in de regio Nagorno-Karabach, die gaat toezien op de naleving van de overeenkomst. Ik zal de situatie uiteraard nauwlettend blijven volgen.
Is het escalerende geweld voor u aanleiding om het landgebonden beleid ten aanzien van Armenië en/of Azerbeidzjan te herzien? Zo nee, waarom niet?
Ik heb uw Kamer vandaag per separate brief geïnformeerd over de wijzigingen van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan. Deze wijzigingen zijn gebaseerd op de situatie gedurende de verslagperiode waarover in het algemeen ambtsbericht van 2 juli 2020 wordt gerapporteerd. Na de publicatie van dit ambtsbericht laaide het conflict om Nagorno-Karabach op. Ik zag tot nog toe geen aanleiding om het asielbeleid van Azerbeidzjan op basis hiervan verder aan te passen.
Nu inmiddels bekend is geworden dat Rusland, Armenië en Azerbeidzjan een overeenkomst hebben gesloten om het gewapende conflict te beëindigen, blijf ik de situatie nauwlettend volgen. Afhankelijk van de ontwikkelingen kan een nieuw (thematisch) ambtsbericht worden opgevraagd, waarbij dan wordt ingegaan op de veiligheidssituatie in Azerbeidzjan.
Bij brief van 27 maart 2020 liet ik uw Kamer weten te hebben besloten Armenië toe te voegen aan de nationale lijst van veilige landen van herkomst. Ik handhaaf de aanwijzing van Armenië als veilig land van herkomst. Ook voor Armenië geldt dat ik de situatie nauwlettend blijf volgen en tot beleidswijzigingen kan komen wanneer de situatie daar in de toekomst onverhoopt aanleiding toe geeft.
De asielaanvragen van asielzoekers uit Armenië blijven in spoor 2 worden behandeld. Aanvragen van deze vreemdelingen kunnen nog steeds worden afgewezen, waarna zij dienen terug te keren naar het land van herkomst.
Voor zowel Armeense als Azerbeidzjaanse asielzoekers geldt dat hun asielverzoek op de individuele omstandigheden wordt beoordeeld. Bij de beoordeling neemt de IND onder andere mee of deze persoon zich elders kan vestigen en zich daarmee aan een eventuele dreiging kan onttrekken. Personen met de Armeense etniciteit uit Nagorno-Karabach kunnen zich doorgaans in Armenië vestigen.
Acht u het momenteel verantwoord mensen uit te zetten naar Armenië en/of Azerbeidzjan, of is een besluit- en vertrekmoratorium op zijn plaats?
Ja, ik acht vertrek naar Armenië en Azerbeidzjan na afwijzing van een asielaanvraag verantwoord. In beginsel geldt voor beide landen dat terugkeer plaatsvindt naar de internationale luchthavens in de hoofdsteden.
Voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, geldt dat in het kader van hun asielaanvraag is beoordeeld of zij bij terugkeer een reëel risico in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) lopen. Indien er geen sprake is van vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer, is terugkeer is aan de orde. Bij de beoordeling wordt ook rekening gehouden met de actuele veiligheidssituatie in het land van herkomst.
Indien u geen besluit- en vertrekmoratorium overweegt voor Armenië en/of Azerbeidzjan, hoe verhoudt zich dat tot het negatieve reisadvies dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor Armenië en Azerbeidzjan heeft afgegeven?
De reisadviezen worden opgesteld om de Nederlandse burger die op reis gaat naar het betreffende land te helpen met de voorbereiding en indien nodig te waarschuwen voor eventuele veiligheidsrisico’s voor Nederlanders. De adviezen bedienen nadrukkelijk de Nederlandse reiziger en houden geen verband met het asielbeleid.
Is het escalerende geweld voor u reden om uw beleid te herzien ten aanzien van het opvoeren van Armenië als vestigingsalternatief voor Syriërs met een Armeens paspoort? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Het bericht 'IND ontdekt fraude met asielzoekers' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «IND ontdekt fraude met asielzoekers»?1
Ja.
Kunt u de Kamer inzicht geven in de aard en de omvang van de fraude en op welk moment dit binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bekend is geworden en welk moment dit met u is gedeeld?
In 2018 heeft de IND de eerste signalen ontvangen die erop wezen dat er mogelijk sprake was van fraude binnen deze doelgroep. Om dit nader te onderzoeken heeft de IND een interdisciplinaire werkgroep opgezet. In februari 2020 heeft de werkgroep haar onderzoek afgerond en de maanden daarna is gewerkt aan de analyse van de resultaten. In de zomer ben ik schriftelijk geïnformeerd door de IND over de bevindingen.
De aard en omvang van de fraude is omschreven in mijn brief aan uw Kamer die gelijktijdig met deze beantwoording wordt verzonden en het onderzoeksrapport van de IND dat als bijlage aan de brief is toegevoegd.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat honderden asielzoekers ten onrechte verblijfspapieren lijken te hebben gekregen door te liegen over hun seksuele geaardheid en dat dit niet mag worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat asielzoekers geen verblijfstitels zouden mogen verkrijgen door te liegen over hun seksuele geaardheid en dat dit niet zou mogen worden beloond. Daar waar mogelijk, zal de verleende verblijfsvergunning ook worden ingetrokken.
Binnen het asielrecht geldt dat indien een asielzoeker bij diens aanvraag een beroep doet op asielbescherming vanwege vervolging in het land van herkomst als gevolg van diens geaardheid of religie, de asielzoeker in principe de bewijslast draagt. Hij moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor asielbescherming. Dit is overigens niet anders dan bij andere asielmotieven. Dit volgt uit EU-recht en is ook vastgelegd in het nationale recht.
Wat de beoordeling van een asielaanvraag vanwege seksuele geaardheid anders maakt dan bij veel andere asielmotieven, is dat dit asielmotief veelal enkel door middel van verklaringen over een in de kern innerlijk proces aannemelijk kan worden gemaakt. Indien de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie en indien vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zal veelal aan de vreemdeling het voordeel van de twijfel moeten worden gegund met betrekking tot de geloofwaardigheid.
Hierbij is het van belang te benoemen dat mede naar aanleiding van (Europese) jurisprudentie en de uitkomst van meerdere debatten tussen uw Kamer en het kabinet de eisen die aan de besluitvorming van de IND worden gesteld in de afgelopen jaren steeds hoger zijn geworden. Afwijzen van aanvragen van asielzoekers die twijfelachtige verklaringen afleggen over hun seksuele geaardheid is daarmee voor de IND niet eenvoudig. Daarbij komt dat door het, op goede gronden, openbaar maken van verschillende werkinstructies, de vreemdeling zich beter kunnen voorbereiden op hetgeen aan hen tijdens de gehoren wordt gevraagd.
Als onderdeel van het onderzoek naar de Oegandese asielzoekers heeft de IND onderzocht welke mogelijkheden er bestaan om tot intrekking van de verleende vergunningen over te gaan wanneer er sprake is van signalen van een oneigenlijk beroep op lhbti-gerichtheid als asielmotief. Om tot een intrekking over te kunnen gaan dient de IND aan te tonen dat er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast rust dus op de IND om aan te tonen dat onjuiste of valse gegevens zijn verstrekt, het gevoerde asielrelaas niet geloofwaardig is en de vreemdeling geen risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade in het land van herkomst. De IND zal moeten bewijzen dat er zowel nu als destijds geen sprake is geweest van een terecht beroep op asielbescherming. Het toetsingskader ten behoeve van een intrekking is daarmee complex en de enkele omstandigheid dat er sterke twijfels zijn aan de geloofwaardigheid van de verklaringen, is in het licht van de op de IND rustende bewijslast onvoldoende om te concluderen dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt en daarmee een grond bestaat voor intrekking van de vergunning.
Klopt het signaal dat het merendeel van de aan deze groep verstrekte verblijfsvergunningen niet kan worden ingetrokken omdat de IND moet aantonen dat het verhaal verzonnen is en de asielzoeker zelf niet hoeft te bewijzen dat hij of zij de feiten waarheidsgetrouw heeft weergegeven?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe is de bewijslastverdeling geregeld binnen het asielrecht met betrekking tot het aantonen van de geaardheid of religie als grond voor asiel in verband met risico op vervolging in het land van herkomst? Volgt deze bewijslastverdeling uit EU-recht of is de vaststelling van de bewijslastverdeling een nationale bevoegdheid?
Zie antwoord vraag 3.
Is het juist dat uit de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU) volgt dat intrekking van de verblijfsstatus mogelijk is wanneer de verkeerde voorstelling van feiten essentieel is geweest voor het verkrijgen van de verblijfsvergunning?
Het klopt dat dit volgt uit de Kwalificatierichtlijn, te weten artikel 14, tweede lid. Zoals ik echter ook bij het voorgaande antwoord heb uiteengezet is het vermoeden dat er onheus gebruik is gemaakt van een beroep op een bepaald asielmotief onvoldoende om over te gaan tot intrekking. Om tot intrekking over te kunnen gaan dient er concreet bewijs te zijn dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt in de procedure die van doorslaggevend belang zijn geweest bij het toekennen van een vergunning.
Om deze reden ben ik, zoals ik ook heb aangegeven in het nota-overleg voor de JBZ-raad d.d. 6 oktober jl., voornemens dit vraagstuk nader te laten onderzoeken.
Bent u bereid om bij alle Oegandese asielzoekers – die de laatste jaren een verblijfsvergunning hebben gekregen in verband met risico op vervolging in verband met de geaardheid – te onderzoeken of zij de waarheid hebben gesproken over hun geaardheid?
In het onderzoek naar Oegandese asielzoekers, dat ik ook bij mijn brief van vandaag aan uw Kamer heb gevoegd, is reeds onderzocht in hoeveel zaken dit mogelijk is. Uit het onderzoek is gebleken dat in 36 van de 253 zaken een mogelijk voldoende grondslag bestaat om tot intrekking over te gaan. Momenteel heeft dit tot één intrekking geleid, de overige 35 zaken zijn nog in behandeling.
Bent u bereid de verblijfstatus te ontnemen als blijkt dat de feiten verkeerd zijn weergegeven die doorslaggevend zijn geweest voor de verlening van de verblijfsstatus? In hoeveel gevallen is dat mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Uit welke andere herkomstlanden komen aanzienlijke aantallen asielzoekers die aangeven te vluchten uit vrees slachtoffer te worden in verband met hun geaardheid? Bestaat daarbij een vergelijkbaar risico op het liegen over de geaardheid? Zo ja, hoe gaat de IND om met dit risico om te voorkomen dat dit loont?
De IND registreert niet wat de geaardheid van asielzoekers is. Er kan dus niet aangegeven worden uit welke andere landen grote aantallen asielzoekers afkomstig zijn die een beroep doen op bescherming vanwege hun geaardheid. Wel kan gesteld worden dat de IND momenteel geen concrete signalen heeft ontvangen dat er op grote schaal misbruik wordt gemaakt van deze asielgrond en daarbij, zoals bij de Oegandese asielzoekers, gefaciliteerd worden door een actief netwerk. Wel is een herbeoordelingstraject opgestart naar misbruik van het bekeringsmotief door een groep Iraanse asielzoekers die ervan worden verdacht een bekeringsverhaal te hebben gekocht. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn beantwoording op Kamervragen over dit onderwerp.2
Naar aanleiding van de opgedane kennis over Oegandese asielzoekers worden sinds 2018 Oegandese LHBTI-zaken zoveel mogelijk door ervaren IND-medewerkers behandeld met extra oog voor eventuele signalen dat er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het LHBTI-motief. Dit heeft reeds geleid tot een toename van afwijzingen van asielaanvragen van Oegandese asielzoekers met een LHBTI-motief in eerste aanleg.
Deelt u de mening dat het bewust verkeerd weergeven van de feiten in de asielprocedure nooit mag lonen, ook niet als dit niet van doorslaggevend belang kan zijn voor het verlenen van de verblijfsstatus? Zo ja, is het mogelijk liegen in de asielprocedure te sanctioneren met bijvoorbeeld een boete en bent u bereid dit ook te doen?
Ik ben het met de vraagsteller eens dat asielzoekers gedurende de gehele asielprocedure eerlijkheid moeten betrachten. Zoals aangegeven in het notaoverleg voor de JBZ-raad van 6 oktober jl., ben ik voornemens dit vraagstuk nader te onderzoeken. Bij dat onderzoek zal ik ook de vraag betrekken naar het doen van aangifte bij geconstateerd onjuist verklaren.
Het bericht 'Lange rijen bij registratie in Ter Apel' |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Hoe kan het dat in antwoorden op Kamervragen1 wordt gezegd dat «de opvanglocatie voor asielzoekers die nog niet geregistreerd zijn [is] aangepast, zodat degenen die gedurende de dag niet meer kunnen worden geregistreerd in een bed kunnen slapen», terwijl uit berichtgeving in de Volkskrant2 van diezelfde dag blijkt dat dit in de praktijk niet het geval is?
Waarom is er nog steeds niet voor elke aangekomen asielzoeker een matras beschikbaar, terwijl verwacht kon worden dat met het heropenen van verschillende grenzen binnen de Europese Unie de afgelopen periode de instroom weer zou toenemen?
Hoe komt het dat de asielketen tijdens (licht) verhoogde instroom altijd achter de feiten aan lijkt te lopen? Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat de asielketen voortaan wel adequaat kan anticiperen op (licht) verhoogde instroom?
Wilt u ervoor zorgen dat er vanaf nu gewoon altijd een matras beschikbaar is bij het aanmeldcentrum in Ter Apel als er nieuwe asielzoekers arriveren? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'COA zoekt honderden extra plekken voor asielzoekers in Oost-Nederland' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zoekt honderden extra plekken voor asielzoekers in Oost-Nederland»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat zoveel extra plekken nodig zijn voor de opvang van asielzoekers, doordat de asielketen is vastgelopen en ook doordat veel veilige landers een beroep doen op onze asielprocedures terwijl ze helemaal geen recht hebben op asiel? Zo ja, wat doet u aan de fundamentele oorzaken?
Ik ben van mening dat de huidige situatie rondom het opvangtekort zeer onwenselijk is. Het klopt dat het COA meer opvangplekken nodig heeft omdat niet alle asielaanvragen binnen de vastgestelde termijnen worden afgehandeld. Hierdoor verblijven asielzoekers in afwachting van een besluit langer in de opvang. Op 3 maart jl. heb ik een Taskforce in het leven geroepen om de achterstanden bij de IND weg te werken.
Volledigheidshalve vermeld ik dat op dit moment 7.000 vergunninghouders in de opvang verblijven. Medio 2020 hadden gemeenten een achterstand van 2.205 plaatsingen op de taakstelling. De aanwezigheid van vergunninghouders drukt logischerwijs op de capaciteitsbehoefte bij het COA en is bovendien niet bevorderlijk voor hun integratie en participatie.
Veilige landers dienen veelal kansarme asielaanvragen in. Ook veilige landers hebben recht op een eerlijke asielprocedure en tijdens deze procedure hebben zij recht op opvang. Dit vormt een zware belasting voor de asielketen. Recent heb ik de opvangomstandigheden voor de groep wiens asielaanvraag in spoor 2 wordt afgedaan versoberd, teneinde het indienen van een asielaanvraag in Nederland te ontmoedigen. Bij brief van 14 september jl. heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.2
Hoeveel opvangplekken heeft het COA op dit moment en hoe verhoudt zich dit tot het benodigd aantal plekken voor alle asielzoekers en statushouders die op een COA-locatie moeten verblijven? Kunt u een prognose geven van het benodigd aantal plekken voor de komende drie jaar en om welk type asielzoekers het dan gaat (hoeveel veilige landers/dublin/spoor 4)?
Op peildatum 28 oktober 2020 verbleven circa 27.500 bewoners bij COA, waarvan 7.000 vergunninghouders. Daarmee zit het COA vrijwel op de maximaal verantwoorde bezetting (ruim 95 procent). Voor iedere opvanglocatie geldt dat het COA niet de maximale bezetting (100 procent) kan benutten. Hier liggen overwegingen die verband houden met de leefbaarheid, veiligheid en beheersbaarheid aan ten grondslag, ook voor de omgeving van de locaties. Daarnaast wordt het COA ook geacht om voldoende quarantaineplekken op locaties te reserveren in geval van een besmetting met COVID-19.
Mijn ministerie maakt samen met de organisaties uit de vreemdelingenketen prognoses. Het COA vertaalt die prognose vervolgens naar een verwachte bezetting en de daaruit volgende capaciteitsbehoefte. Deze capaciteitsbehoefte is continue in beweging. Dit heeft, naast onzekerheid van de in-, door- en uitstroom, te maken met bijvoorbeeld het verloop van bestuursovereenkomsten en onderhoud aan locaties. De onzekerheid rondom COVID-19 maakt het extra lastig om de capaciteitsbehoefte in te schatten. Ik kan dus geen prognose geven voor de komende drie jaar, net zomin als een uitsplitsing naar type asielzoekers.
Hoe verlopen de gesprekken tussen het COA en gemeenten over het creëren van nieuwe opvanglocaties tot op heden en welke rol speelt de Provinciale regietafel hierbij met welke instrumenten?
Ik heb van het COA begrepen dat de organisatie met maximale welwillendheid het gesprek met gemeenten aangaat over het openen van nieuwe opvanglocaties en onder welke voorwaarden. De organisatie is daarbij wel gebonden aan wettelijke en financiële kaders. De gesprekken over het realiseren van nieuwe locaties worden in beginsel bilateraal en in beslotenheid gevoerd, dus tussen het COA en een gemeente. Met de revitalisering van de provinciale regietafels eind 2019 is gepoogd deze inspanningen kracht bij te zetten. Mede hierdoor is een klein aantal extra opvangplekken gerealiseerd en zijn bestuursovereenkomsten verlengd. Het is aan de individuele tafels om naar eigen inzicht de tot hun beschikking staande instrumenten aan te wenden.
Welke veel genoemde knelpunten zien gemeenten waardoor zij geen opvanglocatie willen of kunnen bieden? Heeft u, ook begrip voor de aarzeling bij sommige gemeenten om meer asielopvang te gaan bieden en ook voor hun oproep dat dan in elk geval iets moet worden gedaan aan de negatieve kanten- o.a. via goede ondersteuning bij overlastgevende asielzoekers?
Laat ik vooropstellen dat ik begrijp dat de komst en opvang van asielzoekers veel gevolgen heeft voor een gemeente. De knelpunten die gemeenten zien, zijn divers van aard en verschillen aanzienlijk naar gelang de lokale situatie. Over de knelpunten is het COA in gesprek met betreffende gemeenten, al dan niet aan de provinciale regietafel. Bovendien is er ook aandacht voor aan de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie (hierna: LRT).
Specifiek ten aanzien van overlastgevende asielzoekers blijf ik onverminderd inzetten op een harde, integrale aanpak. Zo kunnen overlastgevers worden overgeplaatst naar de speciale Handhaving- en Toezichtlocatie. Daarnaast wordt gewerkt met een Top X-aanpak waarmee de meest hardnekkige overlastgevers in kaart zijn gebracht en individueel worden aangepakt. Ook zetten de vier ketenmariniers alles op alles om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, maatwerk te leveren in de aanpak van overlastgevers. Tot slot heb ik een miljoen euro beschikbaar gesteld waarmee gemeenten lokale maatregelen kunnen treffen om overlast tegen te gaan.
Het is in dit verband belangrijk om te benoemen dat het COA de wettelijke taak heeft om asielzoekers op te vangen en te begeleiden, ongeacht aantallen en type asielzoekers. Deze taak kan worden teruggevoerd op de juridische verplichting die Nederland ingevolge de Opvangrichtlijn heeft om asielzoekers met recht op opvang ook daadwerkelijk een opvangplek te bieden. Dit is een absolute ondergrens die in Europees verband niet ter discussie lijkt te staan.
Tot slot merk ik op dat er binnen mijn ministerie na de verhoogde asielinstroom in 2015 en 2016 veel aandacht is uitgegaan naar de vraag hoe draagvlak voor de opvang van asielzoekers te behouden en onbehagen te beperken. Een belangrijk gegeven daarbij is dat de vestiging van een locatie het draagvlak niet a priorionder druk hoeft te zetten. Sterker nog, door de komst van een opvanglocatie gaat, zo blijkt uit onderzoek, men in de regel positiever denken over asielzoekers, bijvoorbeeld omdat het lokale werkgelegenheid en inkoop stimuleert en scholen meer aanwas krijgen. Via de LRT stellen we aanwezige kennis en expertise graag beschikbaar teneinde gemeenten te helpen bij het creëren van lokaal draagvlak.
Is het juist dat veel gemeenten best opvang zouden willen bieden als zij daaraan bepaalde voorwaarden zouden mogen verbinden, bijvoorbeeld ten aanzien van aantallen of het type asielzoeker, bijvoorbeeld geen veilige landers, maar dat het COA deze mogelijkheden maar beperkt biedt?
Zie antwoord vraag 5.
Is het juist dat u een pilot overweegt om een aantal gemeenten de mogelijkheid te bieden locaties te openen voor een kleiner aantal asielzoekers? Hoeveel gemeenten doen hier aan mee en op welke termijn moet de pilot zijn afgerond?
Dat is juist. Naar aanleiding van signalen – ook in uw Kamer geuit – dat er bij gemeenten meer bereidwilligheid zou bestaan voor de vestiging van kleinschaliger locaties dan voor grotere locaties, heb ik gemeenten de mogelijkheid geboden om te experimenteren met kleinschaliger opvang op ongeveer tien locaties, met als uitgangspunt een omvang van minimaal 150 opvangplekken. Dit is de ondergrens om kwaliteit, doelmatigheid en efficiëntie van de opvang, zoals momenteel geboden door het COA, te kunnen blijven garanderen. De kaders voor dergelijke kleinschaliger locaties worden op dit moment gefinaliseerd. Gemeenten zijn welkom om zich bij het COA te melden; veel interesse is echter niet getoond en van concrete realisatie is vooralsnog geen sprake.
Deelt u de mening dat draagvlak en veiligheid in de omgeving essentieel is voor alle omwonenden van asielzoekerscentra? Zo ja, bent u bereid alle gemeenten meer keuze te gaan geven in aantallen en type asielzoekers en de omstandigheden waaronder zij dit doen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u bij uw antwoord ook inzicht geven in het minimumaantal opvangplekken dat een opvanglocatie momenteel van het COA moet bieden? In hoeverre is sprake van financiële schaalvoordelen bij het creëren van grotere opvanglocaties? In hoeverre kan dit eventuele voordeel worden ingezet om nadelen van grotere locaties voor omwonenden te compenseren?
Een opvanglocatie van het COA heeft in de regel tussen de 450 en 500 opvangplekken. Met een dergelijke omvang kan het COA de door wet- en regelgeving gevraagde voorzieningen realiseren binnen de financiële kaders. Naarmate de omvang groter is, kan het COA meer voorzieningen aanbieden en realiseren. De voorzieningen omvatten de begeleiding van bewoners, taalonderwijs, publieke gezondheidszorg, curatieve particuliere gezondheidszorg en het verzorgen van (brand)veiligheid op locatie.
Teneinde gemeenten tegemoet te komen in de wens tot kleinschaliger locaties, zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, heb ik het COA gevraagd te experimenteren met kleinschaliger opvang op ongeveer tien locaties. Het COA heeft aangegeven dat dienstverlening van minimaal 150 opvangplekken operationeel ingevuld kan worden zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen zoals neergelegd in de Opvangrichtlijn, mits de voorzieningen (bijvoorbeeld scholen of medische zorg) op of in de nabijheid van de locatie beschikbaar zijn.
De aanname dat er nadelen van grotere locaties voor omwonenden zouden uitgaan, volg ik niet. De schaalgrootte van een locatie staat in principe los van het plaatsvinden van overlast of andere onwelgevalligheden. Van bepalend belang is in de eerste plaats de wijze waarop het COA de dienstverlening heeft ingericht. Ik heb er vertrouwen in dat het COA kwalitatief goede opvang en begeleiding biedt die ook doelmatig en kostenefficiënt is.
Het bericht 'Achterstand bij de IND wegwerken was het idee; het werd netflixen' |
|
Maarten Groothuizen (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Achterstand bij de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) wegwerken was het idee; het werd netflixen»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat nieuw aangenomen beslismedewerkers het advies hebben gekregen documentaires te kijken op Netflix, om kennis op te doen van de herkomstlanden van asielzoekers? Zo ja, wat vindt u daarvan? Vindt u het kijken van documentaires op Netflix een goede manier om kennis op te doen van de herkomstlanden, zijn daar geen andere, betere mogelijkheden voor?
Voor het opleiden van taskforce medewerkers is een opleidingsprogramma ontwikkeld om medewerkers die gaan horen en beslissen zo breed mogelijk op te leiden. Dit programma bevat veel schriftelijke informatie en daarnaast worden een aantal kijk- en luistertips voor programma’s aangeboden met achtergrondinformatie over verschillende herkomstlanden van asielzoekers. Deze programma’s worden facultatief aangeboden buiten het verplichte reguliere opleidingsdeel; men kan er dus voor kiezen de programma’s te bekijken op het moment dat de werkomvang daar ruimte toe biedt.
Kunt u reageren op het statement uit het nieuwsbericht dat het een organisatorische chaos is bij de taskforce die opgericht is om de achterstanden bij de IND weg te werken? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, waarom is het zo’n chaos bij de taskforce? Ziet u dat ook zo?
De Taskforce is met veel urgentie ingericht en kende bij aanvang opstartproblemen, niet in de laatste plaats mede veroorzaakt door de gevolgen en beperkingen door COVID-19. De opstartproblemen lagen op het organisatorisch vlak, de werving en het opleiden van een groot aantal nieuwe medewerkers alsmede de dienstverlening. De opstartproblemen zijn en worden inmiddels aangepakt.
Klopt het dat in de zomer vooral beslismedewerkers zijn aangenomen bij de taskforce maar zoals thans blijkt, meer behoefte is aan hoormedewerkers? Hoe kan dat? Klopt het ook dat de nu net getrainde beslismedewerkers alweer worden omgeschoold naar hoormedewerkers? Klopt het ook dat dit zonder overleg met de betreffende medewerkers is gebeurd? Wat vindt u daarvan?
Er is behoefte aan zowel beslis- als hoormedewerkers. Deze zomer is begonnen met het werven van honderd hoormedewerkers en honderd beslismedewerkers. Het gaat hier om medewerkers die tijdelijk voor de IND gaan werken. De werving van hoormedewerkers verliep sneller dan de werving van beslismedewerkers. Daarnaast bleek in de eerste weken van het werkproces dat er onvoldoende ondersteuning aanwezig was om het besliswerk te begeleiden en ten slotte was er een minder dan verwacht aantal ervaren IND- medewerkers dat de voorbereide beslissingen kon controleren en ondertekenen.
In augustus heeft de Taskforce een (digitale) bijeenkomst georganiseerd, om alle taskforcemedewerkers te informeren dat zij voor diverse andere werkzaamheden zouden worden ingezet. Via een belangstellingsregistratie heeft nagenoeg iedereen het werk van zijn/haar voorkeur gekregen.
Inmiddels is de capaciteit van de Taskforce op volledige sterkte en kunnen zaken die beslisklaar zijn worden afgedaan.
Kunt u reageren op de berichtgeving waarin gesteld wordt dat medewerkers de indruk hebben dat kwantiteit boven kwaliteit gaat bij het beoordelen van dossiers door de IND? Herkent u zich daarin? Wat vindt u daarvan?
Ik kan niet genoeg benadrukken dat de uitvoering van de opdracht door de Taskforce op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan de kwaliteit van de besluiten. Verschillende maatregelen zijn ingevoerd om de kwaliteit en de dienstverlening te borgen. Voor een toelichting op de verschillende maatregelen verwijs ik u naar de brief van 7 september jl.2 over de voortgang van de Taskforce.
Per wanneer worden de aanvragen weer op volgorde van binnenkomst behandeld? Is het echt zo dat alle nieuwe» asielaanvragen die na 1 april 2020 zijn ingediend met voorrang worden afgehandeld door de IND? Zou dat geen aanzuigende werking kunnen hebben voor asielzoekers om in Nederland een aanvraag in te dienen, aangezien daar thans snel over beslist wordt? Hoe beoordeelt u het risico dat mensen zich bij aankomst in een ander EU-land niet meteen laten registreren, maar trachten door te reizen naar Nederland omdat wij hier een versnelde procedure kennen?
Gelet op de knip in de voorraad waarbij de Taskforce de «oude» voorraad in behandeling heeft genomen, behandelt de IND de asielaanvragen van na 1 april 2020 af binnen de wettelijke termijn. De Taskforce heeft opdracht de voorraad voor het einde van het jaar weg te werken. De Taskforce behandelt de zaken zo snel mogelijk. De datum van binnenkomst is daarbij niet leidend. Het kan dus voorkomen dat nieuwe zaken eerder behandeld worden dan oude. Zodra de taskforce klaar is met de oude voorraad zal de volgorde van binnenkomst weer mede leidend zijn voor de volgorde van behandeling.
Er is geen sprake van een versnelde procedure in Nederland. De IND zal op aanvragen vanaf 1 april 2020 binnen de wettelijke termijnen beslissen.
Klopt het dat vanwege de chaos bij de Taskforce niet alleen complexe zaken, maar juist ook evidente zaken van kansrijke asielzoekers worden doorverwezen naar de verlengde asielprocedure? Zo ja, deelt u de mening dat dit ingaat tegen uw eigen voornemen om kansrijke asielzoekers voorrang te geven en deze mensen bovendien langer dan nodig laat wachten? Bent u bereid de Taskforce de opdracht te geven om kansrijke asielzoekers in principe niet meer door te sturen naar de verlengde procedure als daar geen gegronde, inhoudelijke reden voor is? Zo nee, waarom niet?
Ja het klopt dat ook zaken van kansrijke asielzoekers worden doorverwezen naar de verlengde asielprocedure. Indien het niet mogelijk blijkt de zaak in de 8-daagse AA-procedure af te ronden, wordt de zaak in de verlengde asielprocedure behandeld. De Taskforce streeft ernaar ook de zaken die in de verlengde asielprocedure worden behandeld zo snel mogelijk af te doen. De opdracht van de Taskforce betreft de behandeling van alle asielaanvragen van vóór 1 april 2020. Het streven is erop gericht alle asielaanvragen zo snel mogelijk af te handelen om de problematiek bij de IND op te lossen en ervoor te zorgen dat de lange doorlooptijden tot het verleden behoren. Dit is uiteindelijk in het belang van alle asielzoekers.
Hoeveel zaken heeft de Taskforce, sinds de oprichting, inmiddels afgehandeld? Hoeveel zaken staan er bij de Taskforce nog open? Kunt u de voortgang duiden? Bent u tevreden over de voortgang van de Taskforce?
Op 1 september jl. zijn ca. 4.000 zaken afgehandeld. Dit betekent dat de voorraad momenteel nog ongeveer 11.000 zaken bedraagt. Met de ontwikkeling en inzet van een aantal aanvullende gerichte maatregelen, die ik in mijn brief van 7 september jl. nader heb toegelicht, is een versnelling van de afhandeling van aanvragen voorzien vanaf september. Inzet daarbij is onverkort het aanpakken van alle zaken van de Taskforce voor het einde van het jaar. Belangrijkste randvoorwaarde voor de versnelling is dat voldoende personeel beschikbaar is zodat alle werkzaamheden conform planning worden uitgevoerd. De medewerkers zijn inmiddels aangenomen en voor het overgrote deel opgeleid.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voor het algemeen overleg JBZ-raad (asiel- en vreemdelingenbeleid) 8–9 oktober 2020 dat gehouden wordt op 7 oktober 2020?
Ja.
De handreiking levensbeschouwing van het COA |
|
Roelof Bisschop (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Hoe definieert het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) het begrip religieuze neutraliteit?
Het COA is een politiek en religieus neutrale organisatie. Dit is reeds toegelicht in verschillende antwoorden op vragen uit uw Kamer.1 De beleving van religie en levensovertuiging is een persoonlijke aangelegenheid voor alle bewoners van COA-locaties en vindt plaats in de kleine setting van de privésfeer (zoals in gezinsverband). Vanuit die gedachte bevoordeelt het COA geen religie of levensovertuiging en onthouden COA-medewerkers zich van het uitdragen van een religie of geloofsovertuiging aan bewoners. Daarbij komt dat het COA zich niet bemoeit met de persoonlijke beleving van religie en levensovertuiging van bewoners, zolang deze geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van andere bewoners of de belangen van andere bewoners schaadt. Omdat bewoners van COA-locaties diverse politieke en (non-)religieuze voorkeuren hebben en mogelijk vanwege deze voorkeuren naar Nederland zijn gevlucht, kan confrontatie met de collectieve belijdenis van een religie of levensovertuiging een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van bewoners. Daarom zijn politieke en religieuze groepsbijeenkomsten, buiten de kleine setting van de privésfeer (zoals het gezinsverband) niet toegestaan binnen COA-locaties.
Deelt u de mening dat religieuze neutraliteit niet betekent dat het houden van bijbelstudies op verzoek van bewoners op hun kamer verboden zou moeten worden, maar dat COA juist de plicht heeft de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging voor alle bewoners van alle geloven en overtuigingen op de centra te bewaken?
Bewoners van een COA-locatie staat het vrij om in de kleine setting van de privésfeer (bijvoorbeeld in gezinsverband) een Bijbel- of Koranstudie te houden. Daarnaast is het ook mogelijk voor bewoners om individueel een religieus gesprek te houden met een bezoeker. Het COA heeft als politiek en religieus neutrale organisatie een taak om de persoonlijke levenssfeer van alle bewoners te bewaken en de leefbaarheid en veiligheid op de opvanglocaties te borgen. Inherent hieraan is dat politieke en religieuze activiteiten die mogelijk een inbreuk plegen op de persoonlijke levenssfeer van anderen niet zijn toegestaan. Daarom worden bewoners voor collectieve belijdenis van religie of levensbeschouwing, buiten de kleine privé setting (zoals het gezinsverband), verwezen naar (religieuze) instellingen in de omgeving.
Kunt u aangeven krachtens welke wet u meent politieke en religieuze groepsbijeenkomsten op de kamer van de bewoner thans te kunnen verbieden1, aangezien de Handreiking Levensbeschouwing van juni 2018 (in het vervolg de Handreiking), p. 4, de Grondwet en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de overheid ruimte bieden om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging alleen bij wet en in specifieke gevallen te beperken en aangezien het volgens de Handreiking, p. 6, niet wenselijk is het te weigeren of te controleren als een bewoner op zijn eigen kamer met andere bewoners samen wil bidden?
De Handreiking Levensbeschouwing omvat handvatten voor medewerkers hoe om te gaan met situaties waarin sprake is van de uiting van religie en levensbeschouwing door bewoners op een COA-locatie. Op dit moment vindt een evaluatie plaats van deze handreiking. Uitgangspunt voor de handreiking is de eerbiediging van artikel 6 van de Grondwet, tegen de achtergrond van het feit dat het COA tot taak heeft de leefbaarheid op iedere locatie en de veiligheid en persoonlijke levenssfeer van iedere bewoner, ongeacht diens religie of levensbeschouwing, te waarborgen.
Kunnen alle bewoners van asielzoekerscentra (azc’s) in de praktijk inderdaad terecht bij religieuze instellingen van hun keuze in de buurt om deel te nemen aan gebedsdiensten, Bijbelstudie of andere activiteiten in groepsverband? Welke normen ten aanzien van reismogelijkheden en reistijd houdt u daarbij aan?
Het COA ondersteunt bewoners wanneer zij buiten de locatie een religieuze bijeenkomst willen bijwonen of een religieuze instelling willen bezoeken. In het geval een bewoner onvoldoende aansluiting vindt bij een bestaande religieuze instelling, bijvoorbeeld vanwege de taal of omdat een religieuze instelling niet in de nabijheid aanwezig is, dan helpt het COA, wanneer een bewoner daarom verzoekt, met het zoeken naar een ruimte buiten de COA-locatie voor het organiseren van een religieuze bijeenkomst. Ik kan bevestigen dat bewoners in de praktijk daadwerkelijk gebruik maken van deze ondersteuningsmogelijkheden vanuit het COA.
Klopt het dat het COA actief mee kan helpen een ruimte buiten het azc te vinden, en worden bewoners ook op deze mogelijkheid gewezen? Gebeurt het ook in de praktijk dat bewoners geholpen worden met het vinden van een ruimte en zo ja, hoe?2
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met conceptversie 0.2 van de Handreiking van 14 december 2016 (verder het Concept) en de daarin gestelde kanttekeningen en rechtsvragen (geel gemarkeerd) aangaande de rechtmatigheid van de voorgestelde beleidslijn?3
Ja.
Kunt u reageren op de in het Concept op p. 4 gemaakte opmerking dat het voorgestelde COA-beleid op het eerste gezicht botst met de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, op de vraag in Concept, p. 5, hoe ver het COA mag gaan in de regulering om buitenproportioneel optreden door locatiemanagers te voorkomen, en op de opmerking bij het Concept, p. 7–8, dat er geen juridische basis lijkt te bestaan om religieuze bijeenkomsten en feesten te verbieden? Wat is er gedaan met deze vraag en opmerking en op welke wijze heeft dit doorgewerkt in de definitieve vaststelling van de Handreiking?
Het zou de definitieve Handreiking Levensbeschouwing van juni 2018 te kort doen om deze te beoordelen aan de hand van opmerkingen in een zeer vroege conceptversie. In deze conceptfase van het proces wordt er nog vrijuit van gedachten gewisseld over mogelijke denkrichtingen en dient er ruimte te zijn om alle kritische vragen te stellen en opmerkingen te maken die men noodzakelijk acht om tot een weloverwogen handreiking te komen. Gedurende het proces zijn alle relevante vragen en opmerkingen in overweging genomen en verwerkt, dit heeft geleid tot de definitieve Handreiking Levensbeschouwing van juni 2018. Zoals ik in mijn antwoord op vraag drie heb aangegeven, vindt momenteel een evaluatie plaats van de Handreiking Levensbeschouwing.