Het bericht dat het pensioenfonds ABP uit fossiel stapt. |
|
Bart Smals (VVD) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het voornemen van het pensioenfonds Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) om niet meer in fossiele ondernemingen te beleggen?
Ja.
Welke waarborgen zijn er dat de invloed van deelnemers, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaam beleggen, evenwichtig is verankerd in het beleggingsbeleid van een pensioenfonds? En zijn die waarborgen in onderhavige zaak voldoende toegepast?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Deelnemers zijn vertegenwoordigd in het bestuur van het fonds en het bestuur stelt het strategisch beleggingsbeleid vast. Dat is wettelijk geregeld. Bij alle paritaire bestuursmodellen worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur. Daarnaast worden de vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden in het verantwoordingsorgaan verkozen. Via deze vertegenwoordiging wordt de inspraak van deelnemers (werknemers en pensioengerechtigden) vormgegeven. Verder is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het uitgevoerde beleid en de beleidskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag.
Bent u, als werkgever, en daarmee medeverantwoordelijk voor het ABP, geraadpleegd over het voornemen van het ABP om niet meer te beleggen in fossiel?
Van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik vernomen dat de strategie van het ABP, over duurzaam en verantwoord beleggen, onderwerp van gesprek is geweest in regulier overleg de afgelopen tijd tussen het ABP en de sociale partners. Samen met de sociale partners is de rijksoverheid, als werkgever, medeverantwoordelijk voor de inhoud van de pensioenregeling die door het ABP wordt uitgevoerd. Tegelijk schrijft de Pensioenwet voor dat een pensioenfonds een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft voor de wijze waarop de uitvoering van de pensioenregeling plaatsvindt. Onder deze eigenstandige verantwoordelijkheid valt ook de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds voor het beleggingsbeleid, waar het nieuwsbericht over gaat, en de verantwoordelijkheid dat het beleggingsbeleid past bij de risicohouding en de beleidsuitgangspunten en -doelstellingen.
Verwacht u dat de stap van het ABP bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen? Kunt u dat toelichten?
De overheid werkt productief samen met de pensioensector in het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB) convenant om het proces van gepaste zorgvuldigheid, conform OESO-richtlijnen, opgenomen te krijgen in het beleggingsbeleid en geïmplementeerd te laten worden in de beleggingspraktijk van de pensioenfondsen. De in het IMVB-convenant opgenomen OESO-richtlijnen schrijven onder andere voor dat een pensioenfonds in eerste instantie zijn invloed aan moet wenden om risico’s voor mens en milieu te voorkomen en aan te pakken. Het ABP heeft zich ook gecommitteerd aan het convenant. Dat schept bepaalde verwachtingen, bijvoorbeeld dat het besluit van ABP om niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Uitspraken van de bestuursvoorzitter in de media wijzen daar ook op. Tegelijk is het niet zeker dat deze stap van het ABP bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Het is immers goed mogelijk dat er andere investeerders zijn die wel in deze ondernemingen willen investeren. Het besluit van ABP om niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, verlaagt wel het aan klimaat gerelateerde risico van de eigen portefeuille en dat kan, gegeven dat doel, een stap in de goede richting zijn.
Ziet u andere mogelijkheden waarmee Nederlandse pensioenfondsen kunnen bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen?
Zie antwoord vraag 4.
Past het duurzame beleggingsbeleid van het ABP binnen de richting die De Nederlandsche Bank (DNB) beschrijft in zijn laatste sectorbrief inzake Duurzaam beleggen pensioenfondsen d.d. 27 augustus 2018?1
Als Staatssecretaris kan ik niet ingaan op de vraag of een individueel pensioenfonds wel of niet binnen wettelijke kaders of toezichtverwachtingen blijft, ook niet als het ABP betreft. Wel kan ik opmerken dat DNB in haar sectorbrief onder meer aangeeft aan dat er geen eenduidige, kant en klare oplossing is om duurzaamheidsoverwegingen een plaats te geven in het beleggingsproces. DNB ziet dat duurzaam beleggen voor een belangrijk deel een kwestie is van «learning by doing»; door aan de slag te gaan kan de eigen organisatie van het pensioenfonds, maar ook de markt als geheel, vooruitgang boeken.
De Pensioenwet geeft ruimte om een duurzaam beleggingsbeleid te voeren. Het is aan het pensioenfondsbestuur om een beleggingsbeleid in te richten dat aansluit bij de beleidsuitgangspunten, doelstellingen en risicohouding van het pensioenfonds zoals deze in overleg met de fondsorganen is vastgelegd. DNB bepaalt niet welke keuzes pensioenfondsbesturen hierin maken.
De pensioenwet schrijft voor dat, in het kader van risicobeheer, een fonds ingaat op de risico’s van milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen met betrekking tot de beleggingen en het beheer daarvan. In welke mate pensioenfondsen risico’s lopen is per pensioenfonds verschillend en afhankelijk van de beleggingsportefeuille. Het is niet onlogisch dat pensioenfondsen de energietransitie en de risico’s die daarmee samenhangen een plek geven in hun risicobeheer en beleggingsbeleid.Afbouw van fossiele exposure kan daar het gevolg van zijn, en het is toe te juichen toe dat deze afwegingen steeds meer bewust en proactief worden meegenomen.
DNB adviseert in de sectorbrief om voor het duurzaam beleggingsbeleid in overleg te gaan met de verschillende fondsorganen en te zorgen voor draagvlak en commitment, op welke manier gaat DNB toetsen of pensioenfondsen dit overleg in voldoende mate voeren en daarmee hun beleid aanpassen aan de wensen van de deelnemers?
Het strategisch beleggingsbeleid van een pensioenfonds moet aansluiten op de risicohouding, beleidsuitgangspunten en doelstellingen van een pensioenfonds. Deze risicohouding, beleidsuitgangspunten en doelstellingen worden door het pensioenfonds vastgelegd in overleg met de fondsorganen (artikel 102a Pensioenwet). De sectorbrief van DNB is een advies over hoe pensioenfondsen richting kúnnen geven aan het betrekken van duurzaamheid in hun beleid. Het is geen wettelijke verplichting waar DNB op toe kan zien. Hoe individuele fondsen invulling geven aan het advies om voor draagvlak en commitment te zorgen is naar eigen verantwoordelijkheid.
DNB adviseert in de sectorbrief aan pensioenfondsen om samen te werken op het gebied van actieve engagement bij hun beleggingen, in hoeverre komen deze samenwerkingsverbanden van de grond om duurzaamheidsdoelstellingen te behalen?
Pensioenfondsen werken op verschillende terreinen samen op het gebied van actieve engagement. Binnen het IMVB-convenant is er een zogenoemd Diepe Spoor ingericht waarin pensioenfondsen onderling en met de overheid, vakbonden en ngo’s gezamenlijk in verschillende gevallen, of cases, samenwerken. Ook buiten het convenant wordt steeds meer samengewerkt door uitvoerders uit de Nederlandse pensioensector. Zo hebben enkele pensioenfondsen het Dutch Engagement Network opgericht en werken Nederlandse pensioenfondsen samen onder het Global Real Estate Engagement Network (GREEN). Ook internationaal bundelen grote institutionele partijen, waaronder Nederlandse pensioenfondsen, hun krachten, zoals bij Climate Action 100+. Veel pensioenfondsen besteden engagement uit aan externe engagementproviders. Deze externe partijen bundelen vaak de krachten van hun klanten, waardoor deze ook indirect samen optrekken.
Hoe waardeert u het feit dat DNB bij het beleggingsbeleid actief engagement adviseert, terwijl ABP zich juist terugtrekt uit bepaalde beleggingscategorieën?
Uit het bericht dat ABP besloten heeft niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, valt niet op te maken wat er gebeurt met actief engagement die ABP pleegt in andere beleggingscategorieën.
Tot in welke mate vindt u het wenselijk dat pensioenfondsen zich in hun beleggingsbeleid laten leiden door maatschappelijke thema’s, terwijl hun primaire doel een zo hoog mogelijk pensioen voor hun deelnemers is?
Een duurzaam beleggingsbeleid moet voldoen aan de uitgangspunten van het prudent person beginsel. Dit betekent onder meer dat belegd wordt in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden (conform artikel 135, lid 1a, Pensioenwet). Daarbij moet de beheersing van de beleggingen op orde zijn (artikel 143, Pensioenwet). Meer algemeen geldt dat een pensioenfonds in het kader van een beheerste en integere bedrijfsvoering moet beschikken over adequaat risicobeheer. Dat ziet ook op eventuele risico’s uit hoofde van milieu, sociale en governancefactoren. De toelichting op het FTK (2018) geeft dat ook aan: een pensioenfonds heeft als langetermijnbelegger direct te maken met de consequenties van niet-duurzame ecologische, economische of maatschappelijke ontwikkelingen op de toekomstige waarde van de beleggingen.
Het ABP geeft in haar persbericht van 26 oktober 2021 aan dat het besluit om niet langer te beleggen in producenten van fossiele brandstoffen voldoet aan haar criteria voor rendement, risico, kosten en duurzaamheid. De Pensioenfederatie laat weten dat deelnemers in toenemende mate worden geraadpleegd. Daarbij blijkt dat veel deelnemers maatschappelijk verantwoord beleggen belangrijk vinden. Het pensioenfonds heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen voor draagvlak onder belanghebbenden voor de keuzes over verantwoord beleggen (Code Pensioenfondsen, norm 7).
Het bericht dat de kosten van valincidenten zullen verdubbelen naar 2,4 miljard euro |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Kosten van valincidenten «verdubbelen naar 2,4 miljard euro»»?1
Ja, wij zijn hiermee bekend.
Wat vindt u van het feit dat het kenniscentrum Letselpreventie VeiligheidNL stelt dat binnen tien jaar, vijftig procent meer ouderen op de spoedeisende hulp zal belanden na een val als er nu geen maatregelen worden genomen en dat de kosten daardoor verdubbelen tot 2,4 miljard euro per jaar?
Ik vind dit een zorgelijk vooruitzicht. Er is al veel bekend over de stijging van valongelukken bij ouderen en de oorzaken hiervan. Een oorzaak van de stijging van de cijfers is de vergrijzing, maar een andere oorzaak is ook dat ouderen langer leven met één of vaak meerdere ziekten tegelijk, met het daarmee gepaard gaande medicatiegebruik, wat invloed heeft op het risico om te vallen. Een valongeluk met opname op de spoedeisende hulp brengt veel leed mee voor de betrokkene en kan het begin zijn van een cascade aan andere ellende. Het is daarom belangrijk dat er ingezet wordt op het voorkomen van valongelukken met een effectieve valpreventieve aanpak.
Worden er volgens u genoeg maatregelen genomen om de ambitie in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid 2020–2024, namelijk dat het risico op spoedeisende hulp na een val in 2024 is afgenomen, te realiseren? Zijn er al effecten te zien van de genomen maatregelen?
De Landelijke Nota Gezondheidsbeleid is onder meer bedoeld om richting te geven aan het lokale gezondheidsbeleid. Gemeenten gebruiken dit bij het opstellen van hun lokale nota’s gezondheidsbeleid. Zij maken hierin hun eigen lokale keuzes en het Rijk kan daarbij ondersteunen en faciliteren. Omdat wij ook vinden dat er meer gedaan kan worden, zijn hiertoe verschillende acties opgestart (zie ook het antwoord op vraag 5). Via het LetselInformatieSysteem van VeiligheidNL wordt jaarlijks bijgehouden hoeveel valongelukken plaatsvinden in Nederland. In de meest recente cijfers (peiljaar 2020) is vooralsnog geen afname te zien van het aantal valongelukken (gecorrigeerd voor toename van het aantal ouderen). Het is echter nog te vroeg om eventuele effecten te kunnen waarnemen.
Wanneer in het najaar (2021) wordt het rapport van Zorginstituut Nederland naar de Kamer gestuurd waarin geduid wordt of valpreventie voor ouderen onderdeel kan zijn van het basispakket in de Zorgverzekeringswet (Zvw)?
Een effectieve valpreventieve aanpak bestaat uit verschillende componenten. Op dit moment is onduidelijk of, en zo ja voor welke componenten, de zorgverzekeraar financieel verantwoordelijk is. Een duiding van het Zorginstituut (ZiNL) maakt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en zorgverzekeraars duidelijk en is daarom een belangrijke stap om de gezamenlijke inzet op valpreventie goed van de grond te krijgen.
De planning van ZiNL was om de duiding eind dit jaar gereed te hebben. Dit hebben wij ook zo met de Kamer gedeeld. Helaas kost het meer tijd om de duiding af te ronden en wij verwachten de duiding nu begin 2022.
Wat kunt u, vooruitlopend op een mogelijk positieve duiding van het Zorginstituut, nu al doen om valpreventie breed in Nederland beschikbaar te stellen zonder/ of met een kleinere financiële drempel?
In de laatste voortgangsrapportage van het programma Preventie in het Zorgstelsel en het programma Langer Thuis2 bent u geïnformeerd over de activiteiten die, vooruitlopend op de duiding van het Zorginstituut, ondernomen worden. Zo wordt VeiligheidNL gesubsidieerd voor het op peil houden en verspreiden van kennis over effectieve aanpakken en voor het ondersteunen van de implementatie hiervan. Verder ondersteunen het RIVM en VeiligheidNL – gesubsidieerd door VWS – twee gemeenten die aan de slag willen met preventieve zorg voor ouderen in een leer- en ontwikkeltraject. Ook wordt bijvoorbeeld de regio Noord Limburg financieel ondersteund door VWS bij het tot stand brengen van een Health Impact Bond op valpreventie. Daarnaast zijn via ZonMw-programma’s lokale netwerken ouderenzorg gefinancierd, ook rondom valpreventie.
Het is niet eenvoudig om op grootschalig niveau effectieve valpreventie te implementeren. Voor een effectieve uitvoering moeten er afspraken gemaakt worden tussen het zorg-, gezondheid- en welzijnsdomein. Naast een beweegprogramma is het namelijk belangrijk om ook te kijken naar andere factoren die de kans op vallen vergroten. Is de medicatie goed ingesteld, zijn er visusproblemen of moet de woning misschien aangepast worden? Ook moeten mensen worden opgespoord, gescreend en goed worden doorverwezen
Met stakeholders gaan wij daarom vooruitlopend op de duiding alvast in gesprek over de verschillende stappen die nodig zijn om te komen tot effectieve valpreventie en wie wat kan oppakken. Aan bod komen: het opsporen / bereiken van ouderen met verhoogd valrisico, valrisico beoordeling, uitvoering, doorstroom naar regulier beweegaanbod en coördinatie.
Binnen het programma Preventie in het Zorgstelsel kijkt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar het bredere vraagstuk voor het beter organiseren van preventie op het grensvlak van de verschillende domeinen, inclusief valpreventie. Dit sluit ook aan bij de structurele samenwerking op lokaal en regionaal niveau met betrekking tot preventie die de Staatssecretaris van VWS beoogt en heeft toegelicht in zijn brief «Bouwstenen voor een fundament onder toekomstig preventiebeleid» van 7 juli jl. (Kamerstukken 2021–2022, 32 793, nr. 558). Verdere besluitvorming over extra inzet voor valpreventie is een beleids- en budgettaire keuze van het volgende kabinet.
Wat weerhoudt u ervan om, vooruitlopend op een mogelijk positieve duiding van het Zorginstituut, nu al maatregelen te nemen, gezien het feit dat door Zorgkeuzes in Kaart al is doorgerekend dat valpreventie kosteneffectief is?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten (kosten)effectieve vormen van interventies aanbieden op het gebied van valpreventie?
Het is niet bekend hoeveel gemeenten (kosten)effectieve vormen van interventies aanbieden op het gebied van valpreventie. We zijn betrokken bij een aantal gemeenten die hier actief mee bezig zijn. Dit zijn bijvoorbeeld de preventiecoalities in de regio Amstelland en Noord-Limburg. Een ander goed voorbeeld is de aanpak «vallen voorkomen» in de Utrechtse wijk Oog in Al. Hier wordt ingezet op de samenwerking tussen professionals uit alle disciplines en maakt het aanbod in de wijk zichtbaar. VeiligheidNL is in meerdere regio’s betrokken bij de opstart en uitvoering van effectieve valpreventie aanpakken, zoals Amsterdam, Rotterdam, Noord-Limburg (7 gemeenten), Amstelland, Baarn, leerregio’s Fryske Marren en Rucphen, Drachten, Zoetermeer, Lelystad, Zwolle en Almelo. Voor verschillende erkende interventies is wel overzichtelijk beschikbaar wie de aanbieders zijn:
Op een landkaart op www.veiligheid.nl/valpreventie is voor 3 erkende interventies (Valanalyse, In Balans en Otago) te zien waar gecertificeerde aanbieders zijn in welke gemeenten.
Voor Vallen Verleden Tijd is dat hier te zien: Vind fysiotherapeut of oefentherapeut (npi.nl).
Voor Zicht op Evenwicht is dat hier te zien: Trimbos.nl | Zicht op Evenwicht: verminder valangst bij ouderen.
Is in de gemeentes waar interventies worden aangeboden voldoende aanbod voor alle ouderen?
Dit wordt op dit moment (nog) niet centraal gemonitord. Dit is m.i. wel een logische stap als een volgend kabinet ervoor kiest de beleidsinzet op valpreventie verder kracht bij te zetten.
Is er voldoende aandacht voor communicatie naar ouderen toe over de mogelijkheden rondom valpreventie?
Goede communicatie over valpreventie is belangrijk. Niet alleen om ouderen bewust te maken van het nut van valpreventie, maar ook om de juiste verwachtingen te scheppen over wat valpreventie is. Van nature onderschatten ouderen hun eigen valrisico en associëren ze vallen met pech en hoort het bij ouder worden. Misvattingen hierover weerhouden ouderen om deel te nemen aan dergelijk aanbod.
Of er voldoende wordt gecommuniceerd over valpreventie is vooral afhankelijk van of in een bepaalde regio of gemeente aanbod is. Landelijk publiceert kenniscentrum VeiligheidNL de recente inzichten en informatie over dit thema en zijn voorlichtingsmaterialen voor zowel professionals als ouderen beschikbaar.3
Kunt u aangeven hoeveel ouderen gebruik maken van interventies gericht op valpreventie? Zo niet, bent u bereid dat te onderzoeken?
Nee, er is op dit moment geen structurele monitor die bijhoudt hoeveel ouderen deelnemen aan effectieve valpreventie interventies. Uit eerder onderzoek van Erasmus MC, Vilans en VeiligheidNL (maatschappelijke kosten baten analyse, 2015) bleek dat 1,5% van de ouderen bereikt wordt met effectieve valpreventie. Aanvullend heeft VeiligheidNL in 2019/2020 in kaart gebracht hoeveel ouderen hebben deelgenomen aan een valpreventieve beweeginterventie, een onderdeel van een valpreventieve aanpak4. Ook weten we bijvoorbeeld uit onderzoeken naar netwerken integrale ouderenzorg5 of uit de evaluatie van het programma Preventie in het zorgstelsel6 dat de aandacht voor vallen en mobiliteit geregeld onderdeel uitmaakt van netwerkinitiatieven en samenwerkingsverbanden.
Ook duiden signalen die wij van Veiligheid NL ontvangen erop dat op steeds meer plekken processen worden opgestart om de aanpak vorm te geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een toename van de vraag voor ondersteuning in verschillende regio’s en gemeenten, evenals het toegenomen aantal trainers.
Of en hoe de monitoring van deelname aan valpreventieve interventies structureel vormgegeven zou moeten worden, zou meegenomen moeten worden bij besluitvorming door een volgend kabinet.
Kunt u aangeven wanneer er concrete acties worden genomen naar aanleiding van de stakeholdersbijeenkomst in september 2020 waar knelpunten rondom valpreventie zijn geïnventariseerd?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe kijkt u naar uw eigen rol in de structurele implementatie van valpreventie in heel Nederland?
In het plan veilige mobiliteit ouderen – «Langer veilig mobiel» 2021–2025», dat in mei jongstleden door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) naar de Tweede Kamer is gestuurd, staan enkele acties – in aanvulling op de activiteiten van het Ministerie van VWS – gericht op het voorkomen van verkeersgerelateerde valongevallen zoals het programma Doortrappen. Het programma Doortrappen heeft als doel fietsende ouderen bewust te maken van de mogelijkheden die zij hebben om hun eigen fietsveiligheid te verbeteren. Ook wordt een handreiking ontwikkeld om beleidsmakers te inspireren om aan de slag te gaan met een beweegvriendelijke en (verkeers)veilige omgeving voor voetgangers. Daarnaast is IenW gestart met de voorbereiding van het onderzoek naar eenzijdige voetgangersongevallen en verkeersongevallen. De resultaten hiervan worden in 2023 opgeleverd.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is bij de activiteiten rondom het voorkomen van vekeersgerelateerde valongevallen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat?
De gebrekkige transparantie van pensioenfondsen |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Meer aandacht nodig voor verantwoording van kosten door pensioenfondsen' van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk en ongewenst is dat een aanzienlijk aantal pensioenfondsen beperkt transparant is over kosten, en in veel gevallen gemaakte kosten incorrect weergeeft of zelfs geheel achterwege laat, terwijl de wet op deze punten gedetailleerde rapportagevereisten voorschrijft? Vindt u dat dit het vertrouwen in het (oude en nieuwe) pensioenstelsel kan schaden?
Vooropgesteld, transparantie van kosten bij pensioenfondsen is belangrijk. Want alleen op basis van informatie over kosten kan een discussie ontstaan over de gewenste verhouding tussen rendement, risico en kosten. Zonder rendement tenslotte geen of minder pensioen, en zonder risico en kosten geen rendement. Transparantie is ook een voorwaarde voor vertrouwen onder deelnemers en pensioengerechtigden in de uitvoering van hun pensioenregeling. De «Aanbevelingen uitvoeringskosten» van de Pensioenfederatie (gepubliceerd in 2011, geactualiseerd in 2016) geven aan hoe pensioenuitvoerders de wettelijke verplichte informatie kunnen weergeven in hun bestuursverslag over pensioenbeheer-, vermogensbeheer- en transactiekosten.2
De AFM heeft dit jaar 166 jaarverslagen van pensioenfondsen over het jaar 2019 getoetst aan de wettelijke verplichting en de sectoreigen aanbevelingen. Haar bevindingen laten duidelijk zien dat nog steeds niet alle jaarverslagen alle informatie geven over kosten.
Enerzijds is het een goede zaak dat pensioenfondsen de verantwoordelijkheid hebben genomen om zichzelf inhoudelijke normen aan te bevelen voor kostentransparantie. Anderzijds is het duidelijk geworden dat lang niet alle pensioenfondsen de eigen aanbevelingen volledig blijken op te volgen, 10 jaar nadat die zijn gepubliceerd.
Erkent u dat op basis van het AFM-onderzoek geconcludeerd kan worden dat een aanzienlijk aantal pensioenfondsen de verplichtingen voortkomend uit de Pensioenwet ten aanzien van kostentransparantie onvoldoende naleeft? Waarom wel/niet?
De AFM heeft onderzocht in hoeverre pensioenfondsen in hun jaarverslagen de wettelijk verplichte cijfers hadden opgenomen over de hoogte van de kosten en in welke mate zij deze van een toelichting hebben voorzien. Het blijkt dat in 54% van de onderzochte jaarverslagen een verplicht bedrag of ratio niet, of niet correct, is opgenomen. In 20% van de onderzochte jaarverslagen blijkt verder minimaal één van de wettelijk verplichte cijfers over de hoogte van de kosten te ontbreken. In nog eens 34% van de onderzochte jaarverslagen zijn de verplichte cijfers wel aanwezig, maar is minimaal één van de verplichte cijfers niet op een juiste wijze opgenomen. In slechts 23% van de jaarverslagen verantwoorden pensioenfondsen hun pensioenbeheerkosten door een link te leggen met het geboden niveau van dienstverlening, het complexiteitsniveau en/of de aard van het fonds. In slechts 31% van de jaarverslagen verantwoorden pensioenfondsen hun vermogensbeheerkosten door een link te leggen met de beleggingsmix. Deze bevindingen van de AFM komen erop neer dat nog veel pensioenfondsen werk te doen hebben.
Wat is wat u betreft de relatie tussen de Environmental, Social & Governance (ESG-)vereisten vanuit de Pensioenwet en Institutions for Occupational Retirement Provision Directive II (IORP II), en de gebrekkige kostentransparantie van pensioenfondsen? Deelt u de mening dat gebrekkige kostentransparantie ook ongewenst is vanuit ESG-perspectief, omdat ESG ook toeziet op governance-aspecten? Is daarmee de gebrekkige kostentransparantie wat u betreft ook een vraagstuk dat onderdeel is van het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant dat het kabinet samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties gesloten heeft?
De tweede pensioenrichtlijn (IORP-II), omgezet in de pensioenwet- en -regelgeving, schrijft de verstrekking voor van basisinformatie aan toetredende deelnemers. Deze informatie moet onder andere ingaan op de vraag of en, zo ja, de wijze waarop, het pensioenfonds rekening houdt met milieu, klimaat, samenleving en sociale verhoudingen bij hun investeringsbeleid.
Informatie over de kosten van administratie en vermogensbeheer gaat in op de verhouding tussen risico, rendement en kosten van beleggen of tussen baten en lasten. Deze informatie heeft een meer kwantitatief karakter en heeft tot doel een discussie mogelijk te maken over «hoeveel waar krijg je voor je geld».
Informatie over de vraag of het beleggingsbeleid recht doet aan de standaarden voor milieu, klimaat en sociale verhoudingen gaat daarentegen in op de vraag in welke mate de beleggingen zelf bijdragen aan die doelstellingen. Deze informatie heeft een meer kwalitatief karakter en heeft tot doel een discussie mogelijk te maken over hoe verantwoord de beleggingen zelf zijn.
Het is van belang om bij elk van de verschillende informatieverplichtingen de betreffende doelstelling voor ogen te houden. Transparantie is in alle gevallen belangrijk, maar wel vanuit een verschillend doel en perspectief.
Wat is uw verantwoordelijkheid als convenantpartner in het IMVB-convenant om met de pensioensector in gesprek te gaan over de gebrekkige kostentransparantie? Welke stappen heeft u hier sinds het verschijnen van het AFM-onderzoek reeds ondernomen?
Mijn primaire verantwoordelijk inzake kostentransparantie is die van medewetgever, Indien pensioenfondsen de eisen niet dan wel onvoldoende blijken na te leven, is het aan de wettelijk toezichthouder om passend te interveniëren bij de betreffende pensioenfondsen. Tenzij de wettelijke eisen zelf onduidelijk zouden zijn. Nadat de onderzoeksbevindingen openbaar zijn geworden is mij echter niet gebleken dat de betreffende wettelijke eisen onduidelijk zijn. Om die reden en vanuit die invalshoek heb ik mij dan ook nog niet rechtstreeks gewend tot de pensioenfondsen. Indien wel spraken zou zijn van ontoereikende wettelijke eisen, verandert de situatie uiteraard en zo nodig of nuttig ook mijn houding.
Wat is uw verantwoordelijkheid als convenantpartner IMVB om met de pensioensector in gesprek te gaan over de prestaties op andere ESG-terreinen dan kostentransparantie, zoals de mate waarin een fonds de impact van het beleggingsbeleid op duurzaamheidsfactoren meeweegt?
Mijn primaire verantwoordelijk inzake maatschappelijk verantwoord beleggen van pensioenpremies en pensioenvermogen is die van systeemverantwoordelijke. In die rol heb ik het convenant medegetekend. Met als doel om het belang te onderstrepen van de bijdrage die het Nederlandse pensioenvermogen kan en moet leveren aan een duurzame en rechtvaardige wereld. Het toezicht op de naleving van het Convenant IMVB Pensioenfondsen is belegd bij de Monitoringscommissie, die hiertoe is opgericht.
Het is wat mij betreft primair aan de pensioensector zelf om aan de slag te gaan met de invoering van de afspraken uit het Convenant. Naar de voortgang van de invoering van die normen door pensioenfondsen doet eerst en vooral de Monitoringcommissie onderzoek, zoals dat is afgesproken. Mij is echter tot nu toe niet gebleken dat de normen uit het Convenant niet duidelijk genoeg zouden zijn. Om die reden en vanuit die invalshoek heb ik mij in deze dan ook nog niet rechtstreeks gewend tot de pensioenfondsen. Indien toch zou blijken dat het Convenant zelf aanscherping behoeft, verandert ook voor mij de situatie en als moet of gewenst is ook mijn houding.
Wat kunnen in algemene zin de gevolgen voor pensioenfondsen zijn als zij verplichtingen voortkomend uit de Pensioenwet of IORP II niet naleven? Wat zijn hierbij de escalatieniveaus die de toezichthouder kan inzetten? En op basis van welke indicatoren wordt door de toezichthouder besloten een tekortkoming richting een bepaald niveau te escaleren?
Indien sprake is van een overtreding van de kostentransparantieregels door een pensioenfonds oordeelt en besluit de AFM als zelfstandig bestuursorgaan over een passende maatregel. Een wettelijk toezichthouder besluit, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, of zij van een van haar formele, reparatoire en/of sanctionerende bevoegdheden gebruik maakt en, zo ja, van welke in welke omstandigheden. Voor een ieder kenbaar is het zogeheten Handhavingsbeleid van de AFM.3 Dat beleid is voor de AFM leidend, voor informele en formele maatregelen.
Welke verantwoordelijkheid hebben accountants om te voorkomen dat cijfers in jaarverslagen, gemeten aan de wettelijke vereisten, incorrect worden weergegeven, zoals bij 90 van de 166 onderzochte pensioenfondsen het geval is? Volgt uit de bevinding van de AFM dat de meerderheid van de pensioenfondsen gegevens incorrect weergeeft, dat accountants op dit punt tekortschieten? Waarom wel/niet?
Het is de taak van de externe accountant van een accountantsorganisatie, met een vergunning van de AFM voor het verrichten van wettelijke controles, om te controleren of de cijfers in de jaarrekening geen materiële onjuistheden bevatten. Ook controleert de accountant of de gegevens die een pensioenfonds elektronisch aan DNB verstrekt – waaronder de uitvoeringskosten – overeenkomen met de gegevens waarover de controleverklaring gaat.
Ten aanzien van het bestuursverslag, waarin de informatie rondom kostentransparantie grotendeels is opgenomen, geldt dat de accountant moet bezien of a) het bestuursverslag overeenkomstig Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is opgesteld, b) het bestuursverslag met de jaarrekening verenigbaar is, c) dat het bestuursverslag niet materieel onjuist is, gebaseerd op de tijdens de controle van de jaarrekening verkregen kennis en begrip van de entiteit en haar omgeving, en d) dat het bestuursverslag de gegevens zoals voorgeschreven in artikel 2:392, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van het Burgerlijk Wetboek in het bevat.
Gegeven deze rol van de externe accountant kan op grond van de bevindingen van de AFM niet de conclusie worden getrokken dat accountants op dit punt tekortschieten. De bevindingen van de AFM over de kostentransparantie betekenen namelijk niet dat de bestuursverslagen niet voldoen aan de eisen uit Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of dat het bestuursverslag niet in overeenstemming is met de inhoud van de jaarrekening of de kennis van de accountant. Voor de bevindingen van de AFM gelden de eisen inzake kostentransparantie als grondslag uit de pensioenwet- en regelgeving, niet zijnde het Burgerlijk Wetboek/jaarrekeningrecht.
Wat is uw reactie op de bevinding van de AFM dat, hoewel de wettelijke vereisten hier minder direct zijn, nog geen kwart van de fondsen in het jaarverslag een relatie legt tussen het kostenniveau enerzijds en de baten, bijvoorbeeld in termen van service, anderzijds? En dat minder dan een derde van de pensioenfondsen rapporteert hoe hogere vermogensbeheerkosten samenhangen met de genomen risico’s en behaalde rendementen?
Zoals ik in het antwoord op vragen twee en drie heb aangegeven hecht ik veel waarde aan transparantie over kosten. Ik vind dat pensioenfondsen nog veel werk te doen hebben. De wettelijke normen voor kostentransparantie bevatten immers informatie-eisen als middel voor een doel, namelijk dat belanghebbenden zich een mening kunnen vormen over de verhouding tussen rendement, risico en kosten. Of over de verhouding tussen kosten en baten.
Deelt u de mening dat het door gebrekkige transparantie van fondsen over kosten en de kosten-batenverhouding, voor pensioendeelnemers moeilijker wordt om aan te geven hoe pensioenfondsen in lijn met hun wensen zouden moeten handelen, zoals de Pensioenwet voorschrijft?
Ja, die deel ik. Omdat belanghebbenden hun pensioenfonds moeten kunnen vragen om verantwoording af te leggen over de onderliggende keuzes in het pensioen- en vermogensbeheer. En tot het vragen om tekst en uitleg zijn belanghebbenden alleen in staat in geval van beschikbaarheid van de nodige informatie over die keuzes.
Kunt u een beeld schetsen van de mate waarin pensioenfondsen in hun jaarverslagen over 2020 de wettelijke regels aangaande kostentransparantie goed volgen? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om dit inzichtelijk te krijgen, om zo een scherpe blik te behouden op het niveau van kostentransparantie in de pensioensector?
Op dit moment heb ik geen beeld van de mate waarin de jaarverslagen 2020 van pensioenfondsen de transparantie-eisen in acht nemen. In Nederland is het aan de toezichthouder, in dit geval de AFM, om risicogebaseerd toezicht te houden op de naleving van normen inzake kostentransparantie. De AFM besluit over inzet en prioritering van haar onderzoeksmiddelen. En kan dat ook het beste omdat alleen de AFM de reacties kent van elk pensioenfonds afzonderlijk op individuele bevindingen.
Bent u het met de AFM eens dat het belang van transparantie in het nieuwe pensioenstelsel extra groot is, omdat de gemaakte kosten dan nog directer van invloed zullen zijn op de hoogte van het pensioen dat mensen ontvangen? Op welke manier gaat ervoor gezorgd worden dat het transparantieniveau over kosten voor de ingang van het nieuwe pensioenstelsel op orde is, mede gegeven het feit dat de huidige voorschriften en aanbevelingen nog niet resulteren in voldoende compliance?
Er is een verschil in zichtbaarheid van het effect van kosten; bij premieovereenkomsten is dat effect directer en zichtbaarder dan bij uitkeringsovereenkomsten. Het belang van transparantie over kosten is wat mij betreft echter groot zowel in het huidige stelsel en als in het nieuwe. Want kosten drukken altijd op het brutorendement van pensioenfondsen. En dat rendement is nodig om van de premies zo veel mogelijk pensioenvermogen te genereren, om de hoogte van premies acceptabel te kunnen houden dan wel om pensioenen te kunnen verhogen. Waarbij, zoals ik eerder aangaf, geldt dat rendementen alleen te behalen zijn door kosten te maken en dienstverlening ook geld kost en mag kosten. Het is primair aan de pensioenuitvoerders om die normen na te leven, ten behoeve van alle belanghebbenden. De AFM houdt toezicht hierop.
Kunt u aangeven wat de meest recente tijdlijn is van de herziening van de IORP II-richtlijn? Biedt het AFM-onderzoek wat u betreft aanleiding om de IORP II-vereisten op bepaalde punten aan te scherpen? Waarom wel/niet? En zo ja, op welke manier gaat u zich hiervoor in Europese Unie (EU)-verband richting de herziening van IORP II inzetten?
De evaluatie van de IORP-II is voorzien voor 2023. Op dit moment heb ik in mijn hoedanigheid van medewetgever geen signalen die mij aanleiding geven aanpassing te overwegen van de normen voor kostentransparantie.
Kunt u aangeven of pensioenfondsen en/of pensioenuitvoeringsorganisaties vallen onder de reikwijdte van de door de Europese Commissie gepresenteerde Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR)? Wat wordt volgens het huidige SFDR-voorstel van deze organisaties verwacht op het gebied van kostentransparantie? En steunt Nederland de uit de SFDR voortkomende vereisten ten aanzien van de pensioensector op dit specifieke punt?
Sinds 10 maart 2021 is de Verordening met betrekking tot informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector (SFDR) van kracht. Deze verordening is van toepassing op, voor zover hier van belang, pensioenfondsen, premiepensioeninstellingen en verzekeraars die pensioenproducten aanbieden. De SFDR verplicht hen met name de volgende informatie te geven over de duurzaamheid van hun beleggingen:
Deze informatieverplichtingen zien wel op de beleggingen zelf, maar gaan weer niet over de kosten. In deze eerste fase, nog zonder de nodige technische uitwerking van standaarden, is het al wel de bedoeling dat pensioenfondsen, voorgeschreven verzekeraars en vermogensbeheerders zich houden aan de hoofdlijnen van de verordening. Ik onderschrijf deze verplichte informatie-eisen van harte.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is, kunt u dan tevens aangeven wat de extra verwachtingen zijn vanuit de SFDR richting de pensioensector als het gaat om transparantie over ESG-aspecten en duurzaamheidsrisico’s, in vergelijking tot wat daar op dit moment vanuit de Pensioenwet en IORP II reeds gevraagd wordt?
De informatieverplichtingen uit de SFDR-verordening staan naast de informatieverplichting uit de IORP-II richtlijn, omgezet in de pensioenwet- en regelgeving. Er zijn, voor de goede orde, echter vooral raakvlakken tussen de verplichtingen uit de SFDR-verordening en die uit het IMVB-convenant. Met name deze raakvlakken luisteren zo nauw dat de AFM in haar brief aan pensioenuitvoerders aandacht heeft gevraagd voor die samenloop.4
Pensioenuitvoerders moeten onder de SFDR-verordening specifieke informatie beschikbaar stellen over de duurzaamheid van hun beleggingen, te weten:
De IORP-II richtlijn, omgezet in pensioenwet- en -regelgeving, stelt andere eisen dan de SFDR-Verordening. Aan deelnemers, die toetreden tot de pensioenregeling, moeten pensioenuitvoerders basisinformatie geven over de wijze waarop pensioenuitvoerder in zijn beleggingsbeleid rekening houdt met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. Deze verplichting, uit de in wetgeving omgezette IORP-II richtlijn, is meer open geformuleerd en heeft daarmee een meer algemene strekking dan de SFDR-verordening.
De aanhoudende onvrede, acties en voorgenomen rechtszaken tegen ambtenaren- en lerarenpensioenfonds ABP |
|
Christine Teunissen (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 11 september 2021 over de aanhoudende onvrede, acties en voorgenomen rechtszaken tegen pensioenfonds Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP)?1
Ja
Hoe duidt u de maatschappelijke betekenis van de acties en voorgenomen rechtszaken tegen de vervuilende investeringen van ABP door o.a. Extinction Rebellion, FossielvrijNL en groepen van ambtenaren, en de aangekondigde rechtszaken tegen ABP en de staat door FossielvrijNL en Van der Wees en Van Meerten en aandacht hiervoor in de media?
De door u benoemde acties laten volgens mij zien dat de maatschappelijke betrokkenheid bij de klimaatproblematiek steeds verder toeneemt. En dat ook financiële partijen, zoals het ABP, daar kritisch op worden bevraagd. Ik denk dat deze toename van betrokkenheid voortkomt uit oprechte zorgen over de uitdagingen waarvoor de klimaatproblematiek ons stelt.
Het ABP-bestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Dit bestuur heeft een eigenstandige taak om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Hierbij richten zij zich op de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken partijen en zorgen ervoor dat zij zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Het is van belang dat een goede dialoog wordt gevoerd tussen het ABP-bestuur en haar stakeholders. De bestaande governance-structuur van het pensioenfonds en in het bijzonder de positie van het verantwoordingsorgaan hierin, biedt hiervoor passende kanalen. In het verantwoordingsorgaan zijn de belangen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd. Zij kunnen het bestuur bevragen op de keuzes in het beleggingsbeleid en het bestuur legt verantwoording af over het gevoerde beleggingsbeleid. Ook is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het gevoerde beleggingsbeleid en adviezen te geven over de bestuurlijke keuzes voor de toekomst. Het bestuur is verantwoordelijk voor de besluitvorming.
Wat vindt u ervan dat het pensioenfonds van ambtenaren en leraren alles behalve voorop loopt in de zorg voor een duurzaam en (dieren)leedvrij pensioen? Snapt u ambtenaren en onderwijzers die niet langer kunnen uitleggen dat zij dagelijks werken aan een betere wereld, maar hun werk deels teniet gedaan zien worden door hun pensioenfonds?
In algemene zin is het wenselijk dat pensioenuitvoerders met de ingelegde pensioenpremies op verantwoorde en duurzame wijze rendement maken, zodat een goed pensioen kan worden bereikt. Voor sommige werknemers zal gelden dat zij willen dat hun pensioenuitvoerder vooroploopt in het duurzaam en verantwoord beleggen, dat begrijp ik heel goed. Ik constateer ook dat er zich een maatschappelijke tendens voltrekt die ervoor zorgt dat deze groep werknemers aan het toenemen is. Het belang van een goede dialoog tussen pensioenfonds en haar stakeholders over duurzaam en verantwoord beleggen zal dus ook toenemen. Daarnaast kunnen de deelnemers bij ABP, zoals bij het antwoord op vraag 2 reeds aangegeven, via het verantwoordingsorgaan invloed uit oefenen op het beleggingsbeleid door kritische vragen te stellen aan het bestuur.
Erkent u dat duurzaamheid en vrijheid van (dieren)leed geen gevolgen hoeft te hebben voor het rendement, zoals ook blijkt uit wetenschappelijk onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen (RUG)2?
Nederlandse pensioenfondsen hebben de wettelijke plicht om een beleggingsbeleid te voeren in het belang van hun deelnemers en gepensioneerden. In de afgelopen decennia is er veel onderzoek gedaan naar het effect van duurzaam beleggen op het rendement. Zo heeft Finance Ideas, in samenwerking met Tilburg University, een literatuurstudie uitgevoerd. De uitkomst van deze studie heeft het ABP ondersteund bij het vormen van haar overtuiging dat ABP verantwoord kan beleggen en de beleggingsportefeuille kan verduurzamen zonder dat dit negatieve effecten heeft op het rendement/risicoprofiel.3Uit deze studie blijkt namelijk dat een maatschappelijk verantwoorde beleggingsportefeuille geen negatieve invloed hoeft te hebben op het rendement/risicoprofiel.
Wat gaat u er als medewetgever en sectorwerkgever aan doen om ABP te bewegen aan de hoogste duurzaamheidseisen te voldoen?
Het ABP-bestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. In het ABP-bestuur zijn leden benoemd op voordracht van sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties) en op voordracht van pensioengerechtigden. Dit bestuur heeft een eigenstandige taak om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Hierbij richten zij zich op de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken partijen en zorgen ervoor dat zij zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Het beleggingsbeleid van het ABP past binnen (inter)nationale wet- en regelgeving. Verder is ABP er van overtuigd dat door aandelen te houden in bedrijven, er normoverdragende gesprekken kunnen worden aangegaan (engagement) met het management van deze bedrijven over thema’s zoals mensenrechten, klimaatverandering, arbeidsveiligheid en omkoping en corruptie. ABP zet (via uitvoerder APG) ook al langere tijd actief in op engagement. ABP publiceert jaarlijks de resultaten van dit beleid. Ten aanzien van de beleggingen in producenten van fossiele brandstoffen heeft het ABP geconstateerd dat het onvoldoende kans ziet om als aandeelhouder invloed uit te oefenen. De door ABP gewenste versnelling bij de overstap naar duurzame energie kon men op deze wijze niet realiseren. Daarom heeft het ABP recent besloten deze beleggingen te verkopen.
Ik vind het belangrijk dat ABP verantwoord en duurzaam belegt. Het kabinet verwacht dat pensioenfondsen de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) naleven. Het ABP heeft in dat kader in 2018 het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Pensioenfondsen (IMVO-convenant pensioensector) ondertekend.
Als één van de sectorwerkgevers bij het ABP vind ik het van belang dat de ABP-regeling aansluit bij de wensen en behoeften van de werknemers in de sectoren overheid en onderwijs. Het ABP-pensioen is voor hen immers een belangrijke arbeidsvoorwaarde. Met inachtneming van de eigenstandige bestuurstaak van het ABP, heb ik, net als andere werkgevers en stakeholders, dan ook aandacht gevraagd voor het belang van een gedragen beleid op het terrein van duurzaam en verantwoord beleggen.
Het ABP heeft eerder aangekondigd in 2022 met nieuwe klimaatdoelen te komen om in lijn te blijven met het Nederlandse klimaatakkoord en internationale afspraken. In juni van dit jaar maakte ABP bekend zijn ambities in het licht van de recente klimaatrapporten te gaan aanscherpen. Het ABP heeft in dat kader recent besloten zich terug te trekken uit beleggingen in producenten van fossiele brandstoffen. Het ABP verkoopt de beleggingen stap voor stap, waarbij het merendeel naar verwachting in het eerste kwartaal van 2023 verkocht zal zijn.
In reactie op het tweede deel van uw vraag kan ik kort zijn: Ik heb er vertrouwen in dat ABP met deze aanscherpingen en keuzes het draagvlak onder de deelnemers voor het duurzaam en verantwoord beleggingsbeleid verder zal verstevigen.
Bent u bereid om, als werkgever, op korte termijn en krachtig stelling te nemen tegen ABP om haar portefeuille op korte termijn duurzaam en (dieren)leed vrij te maken en andere ABP-sectorwerkgevers aan te moedigen hetzelfde te doen? Bent u zo nodig bereid om uit ABP te stappen en aan te sluiten bij een pensioenfonds dat uitsluitend duurzaam belegt? Zo nee, waarom niet en kunt u dit grondig motiveren?
Zie antwoord vraag 5.
Moet sectorpensioen door een overheidswerkgever worden aanbesteed? Zo ja, wanneer vindt de volgende aanbesteding plaats en kunnen duurzaamheid en vrijheid van (dieren)leed meegenomen worden als gunningscriteria? Zo nee, waarom is dit niet aanbestedingsplichtig en kunt u dit grondig motiveren, mede in het licht van o.a. Commissie vs. Duitsland (C-271/08) en hetUnis Group Technische Services (UNIS-)arrest (C-25/14)?
De uitvoering van de pensioenregeling voor onderwijs- en overheidswerknemers door het ABP geschiedt niet op basis van een overheidsopdracht die valt onder de werking van de Aanbestedingswet 2012 (en de daarmee geïmplementeerde Europese aanbestedingsrichtlijn 2014/24/EU). In dit kader is met name van belang dat in het Nederlandse stelsel is gekozen voor een wettelijke verplichtstelling van het ABP in de Wet privatisering ABP. Dit systeem onderscheidt zich daardoor van de Duitse situatie die door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) is beoordeeld in de zaak C-271/08. In het Nederlandse stelsel kan de verhouding tussen de Staat en het ABP niet worden gezien als een opdrachtgever-opdrachtnemer-relatie. Er is geen sprake van een zogenaamde «overeenkomst onder bezwarende titel» die leidt tot een verplichting tot aanbesteding op grond van de Aanbestedingswet 2012. Ook het arrest van het Hof van Justitie inzake C-25/14 leidt voor het Nederlandse stelsel niet tot de conclusie dat er zou moeten worden aanbesteed. Nog afgezien van het feit dat het Hof van Justitie zich inhoudelijk heeft uitgelaten over een specifieke Franse situatie waarin op het niveau van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst het beheer van een stelsel van sociale voorzieningen aan een orgaan werd toevertrouwd, heeft het Hof van Justitie aangegeven dat de werking van het arrest zich niet uitstrekt tot al bestaande situaties van op deze wijze aangewezen organen die belast zijn met een dergelijk beheer.
Erkent u dat deelnemers ernstige bezwaren kunnen hebben tegen de beleggingsportefeuille van een fonds? Erkent u dat zulke bezwaren wezenlijk anders zijn dan gewetensbezwaren tegen verzekeren in het algemeen en dat omzetting van verzekeren naar sparen bij hetzelfde pensioenfonds dus geen uitkomst is voor inhoudelijk gewetensbezwaarden?
Ik deel de observatie dat deelnemers ernstige bezwaren kunnen hebben tegen de samenstelling van de beleggingsportefeuille van een pensioenfonds. De bezwaren van deze deelnemers zijn wezenlijk anders van aard dan die van mensen die gewetensbezwaren tegen verzekeren in het algemeen hebben. Of sparen bij hetzelfde pensioenfonds een uitkomst zou bieden voor de deelnemer met ernstige bezwaren tegen de samenstelling van de beleggingsportefeuille, is op voorhand niet te stellen. Dat hangt af van de wijze waarop de betreffende deelnemer hiernaar kijkt. Echter, ongeacht of sparen voor deze deelnemer een uitkomst zou bieden, is het binnen het pensioenstelsel niet mogelijk om als individu te kiezen tussen sparen of beleggen wanneer je inhoudelijke gewetensbezwaren hebt tegen de samenstelling van de beleggingsportefeuille (zie ook antwoord op vraag 10). Het pensioenstelsel wordt immers gekenmerkt door solidariteit en collectiviteit.
Zo is de verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenregeling van werknemers in de private sector geregeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). Het huidige stelsel van verplichtstellingen op grond van de Wet Bpf 2000 kent geen mogelijkheid om als individuele deelnemer over te stappen naar een andere pensioenuitvoerder. Hier zijn meerdere redenen voor.
In de eerste plaats geldt dat het hier een arbeidsvoorwaarde betreft, die wordt aangeboden door de werkgever. De werkgever kan, mits aan voorwaarden wordt voldaan, vrijstelling verkrijgen van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds.4 Zo wordt werkgever vrijstelling verleend als hij ten minste zes maanden voordat de verplichtstelling op hem van kracht was, zelf al een pensioenregeling had getroffen. Ook wordt de werkgever vrijstelling verleend in verband met groepsvorming, in verband met een eigen cao of omdat het bedrijfstakpensioenfonds onvoldoende beleggingsrendement heeft gehaald. Daarnaast kan een bedrijfstakpensioenfonds besluiten om een werkgever vrijstelling te verlenen wegens andere redenen. De vrijstellingen worden telkens onder voorwaarden verleend. De belangrijksten hiervan zijn dat de werkgever een pensioenregeling moet aanbieden aan zijn werknemers bij een andere pensioenuitvoerder en dat deze minimaal actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan de regeling die het bedrijfstakpensioenfonds uitvoert.
In de tweede plaats zou het invoeren van een vrijstelling op het niveau van een individuele werknemer ertoe kunnen leiden dat de juridische houdbaarheid van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds onder druk komt te staan. Door het invoeren van vrijstellingen op het niveau van een individuele werknemer loopt men het risico dat de zogeheten «goede risico’s» het verplichte bedrijfstakpensioenfonds verlaten, waardoor de pensioenregeling voor de bedrijfstak als geheel niet meer tegen economisch aanvaardbare kosten uitgevoerd kan worden.5 Hierdoor zou het betreffende bedrijfstakpensioenfonds niet als zogeheten «dienst van algemeen economisch belang» kunnen functioneren, hetgeen een belangrijke pijler is onder de juridische onderbouwing van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds. Maatschappelijk gezien vind ik dit geen wenselijk scenario.
Aangezien deelnemers niet zelf kunnen kiezen bij welk pensioenfonds zij hun pensioen opbouwen, vind ik het belangrijk dat deelnemers inspraak hebben in het collectieve beleggingsbeleid van hun pensioenfonds. Uit overleg met de Pensioenfederatie hierover blijkt dat in zijn algemeenheid pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de inrichting van het collectieve beleggingsbeleid. Dit doen zij onder meer door het uitzetten van enquêtes naar beleggingsvoorkeuren.
Deelt u de mening dat inhoudelijke gewetensbezwaren een grond zouden moeten zijn om over te kunnen stappen naar een ander pensioenfonds? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken? Zo nee, wat rechtvaardigt de verplichte deelname bij een pensioenfonds niet omdat je tegen verplichte aanvullende pensioenopbouw in het algemeen bent maar omdat je gewetenbezwaren hebt?
Zie antwoord vraag 8.
Waarom zijn de geringe vrijstellingsgronden die voor andere pensioenfondsen gelden niet op ABP van toepassing? Wat rechtvaardigt dit onderscheid? Kunt u dit grondig motiveren?
De verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenregeling van werknemers in de private sector is geregeld in de Wet Bpf. De bijbehorende wettelijke vrijstellingsgronden zijn nader uitgewerkt in het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. De Wet Bpf 2000 gaat uit van de organisatie en de inrichting van het arbeidsvoorwaardenoverleg in de marktsector. Eén van de kenmerken van de Wet Bpf 2000 is dat sociale partners de vrijheid hebben om zich te verenigen en «van onder af» kunnen verzoeken om verplichte deelneming voor alle deelnemers in een bedrijfstak te realiseren, te wijzigen of in te trekken, mits sprake is van voldoende representativiteit. Bij deze vrijheid van sociale partners om te verzoeken om een verplichtstelling, en daarmee een niet bij de collectieve afspraken betrokken werkgever te verplichten zijn medewerkers de bedrijfstakpensioenregeling aan te bieden, passen als tegenwicht, ter versteviging van de positie van genoemde werkgever, de vrijstellingsgronden zoals die in de Wet Bpf 2000 zijn opgenomen.
De verplichte deelname aan de ABP-regeling van werknemers in de publieke sector is geregeld in de Wet privatisering ABP (WPA). De WPA gaat uit van de overlegverhoudingen in de publieke sector. Bij de WPA wordt dus niet van onder op maar van boven af wettelijk bepaald wie de partijen zijn die bevoegd zijn om pensioenafspraken te maken. Een vrijstelling zoals in de Wet Bpf is opgenomen, past dan ook niet bij een wettelijke aanwijzing.
De Wet BPF is gedeeltelijk op de WPA van toepassing verklaard. Zo is de in dit kader relevante mogelijkheid voor individuele deelnemers tot vrijstelling wegens gewetensbezwaren uit de Wet Bpf 2000 van overeenkomstige toepassing op de WPA verklaard. Het betreft personen die gemoedsbezwaren hebben tegen iedere vorm van verzekering. In de «Regeling gemoedsbezwaarden Bpf 2000» is bepaald dat degene die overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering en mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd een ondertekende verklaring daartoe indient. Op een deelnemer die bezwaar heeft tegen de samenstelling van de beleggingsportefeuille is deze regeling niet van toepassing. Hij kan dan ook geen beroep doen op deze uitzonderingsgrond van verplichte deelname, en neemt dan ook verplicht deel aan de betreffende pensioenregeling. Daarnaast kent de WPA de mogelijkheid een sectorwerkgever of overheidswerkgever vrijstelling te verlenen van de nettopensioenregeling van het ABP.
Zoals bij het antwoord op vraag 9 beargumenteerd uiteengezet, is er dus geen sprake van een onderscheid tussen beide wetten op dit onderdeel. Beide wetten kennen geen mogelijkheid voor een individuele deelnemer om over te stappen naar een andere pensioenuitvoerder.
Het bericht dat er gekort gaat worden bij Reiswerk Pensioenen na de overgang naar pensioenfonds PGB |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat vindt u ervan dat deelnemers tot bijna 20% gekort kunnen worden na het overzetten van ruim 30.000 werknemers, oud-werknemers en gepensioneerden uit de reisbranche van Reiswerk Pensioenen naar Pensioenfonds PGB?1
Ik heb kennis genomen van de berichten over de kortingen op de pensioenen bij de collectieve waardeoverdracht van Reiswerk Pensioenen naar Pensioenfonds PGB. Ik begrijp de teleurstelling bij de deelnemers. Maar ik ben niet in de positie om een oordeel te geven over een specifieke situatie zoals de overgang van Reiswerk Pensioenen naar Pensioenfonds PGB.
Deelt u de mening dat de kortingen op de pensioenaanspraken bij Reiswerk Pensioenen het gevolg zijn van de onlogische rekenregels die met huidige lage rentestand leiden tot onredelijke kortingen?
Die mening dat de regels onlogisch zouden zijn, deel ik niet. Bij het waarderen van de verplichtingen schrijft de Pensioenwet de risicovrije rente voor. Rekenen met een hogere rekenrente voor het waarderen van de verplichtingen betekent geld uitgeven dat nog niet is verdiend.
Op basis van de financiële situatie van Reiswerk Pensioenen en de kleine omvang van het fonds moest het pensioenfondsbestuur zich al beraden op de toekomst. Het bestuur besloot, na een evenwichtige afweging van de belangen van de bij het pensioenfonds betrokkenen, dat overdracht van de pensioenen naar Pensioenfonds PGB de beste vooruitzichten voor de deelnemers bood. Daarvoor was de korting op de pensioenen bij Reiswerk Pensioenen wel eerst nodig vanwege het verschil in dekkingsgraad tussen beide pensioenfondsen. Zonder korting zou het tekort mede door de overige deelnemers bij PGB worden gedragen.
Deelt u de mening dat deze stap en bijbehorende kortingen niet hadden mogen gebeuren zonder de toestemming van de deelnemers?
De verplichte deelname aan een pensioenregeling voor (oud-)werknemers in de reisbranche wordt vanaf 1 januari 2021 uitgevoerd door het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds PGB. Reiswerk Pensioenen is vanaf die datum in liquidatie.
Ik begrijp dat het voor individuele deelnemers vervelend kan zijn als de pensioenen worden overgedragen naar een andere pensioenuitvoerder zonder dat een individuele deelnemer hierover kan meebeslissen. Het is evenwel wettelijk toegestaan als een pensioenfonds liquideert en de waarde overdraagt aan een andere pensioenuitvoerder. Een eventueel individueel bezwaarrecht zou de liquidatie van het pensioenfonds verhinderen en zou bovenal niet in het belang van de deelnemersgroep in geheel zijn. Deze mogelijk verschillende belangen dienen te worden gewogen door het fondsbestuur in samenspraak met de betrokken fondsorganen waarin deelnemers zijn vertegenwoordigd. Voor de volledigheid merk ik op dat de liquidatiewaardeoverdracht moet worden gemeld bij De Nederlandsche Bank (DNB) waarbij DNB een verbod kan opleggen. In dit geval heeft DNB geen verbod opgelegd.
Vindt u dat hier sprake is van buitenproportionele inmenging in eigendomsrechten? Wanneer vindt u het gepast om dit recht opzij te schuiven?
Het is niet aan mij om een uitspraak te doen over een specifieke casus. In het algemeen kan ik zeggen dat pensioen een eigendomsrecht is dat beschermt wordt door onder meer het Europese recht. Uit de Europese jurisprudentie blijkt evenwel dat het eigendomsrecht niet absoluut is. Onder voorwaarden verzet het eigendomsrecht zich niet tegen een beperking of vermindering van het pensioen. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de Nederlandse pensioenwetgeving niet voldoet aan het EU-recht.
Uiteindelijk is het aan de rechter om te oordelen of er in dit specifieke geval sprake is van een ongerechtvaardigde beperking.
Hoeveel kleinere pensioenfondsen verwacht u dat overgenomen gaan worden in de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, onder andere vanwege de complexiteit, inefficiëntie en onbetaalbaarheid van dit nieuwe stelsel?
Er zijn op dit moment pensioenfondsen die om verschillende redenen liquideren of overwegen te liquideren. Deze redenen zijn gelegen in beperkingen die het pensioenfonds nu ondervindt, zoals een verminderd draagvlak, te geringe omvang of omdat de uitvoering van de pensioenregeling is beëindigd. Redenen die hun oorsprong vinden in het huidige pensioenstelsel. Uw kwalificaties dat het nieuwe stelsel vermeend onbetaalbaar, complexer en inefficiënt zou zijn, deel ik overigens niet.
Bij hoeveel van die gevallen verwacht u op basis van de huidige rekenregels en huidige stand van de dekkingsgraden kortingen op de pensioenaanspraken van de overgenomen fondsen?
Zoals ik hiervoor bij vraag 5 aangaf baseren pensioenfondsen die thans in liquidatie gaan of zijn, hun besluit op de huidige wetgeving. Bij een waardeoverdracht wegens liquidatie van een pensioenfonds kan een korting aan de orde zijn. Dat is echter afhankelijk van de financiële situatie van het pensioenfonds.
Welke gevolgen kan het oordeel van de rechter in deze rechtszaak rondom Reiswerk Pensioenen hebben op de overgang naar een nieuw pensioencontract?
Ik kan niet vooruitlopen op het oordeel van de rechter in de rechtszaak rondom Reiswerk Pensioenen. Bovendien is hier sprake van een wezenlijk andere casus dan de overgang naar een nieuw pensioencontract. Een pensioenfonds dat niet langer zelfstandig kan voortbestaan dient op zoek te gaan naar alternatieven voor de toekomst.
Ziet u nu ook in dat de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel niet alleen onwenselijk is voor gepensioneerden en werkenden, maar dat deze bovendien in praktische en juridische zin onwerkbaar is?
Zoals ik in het antwoord op vraag 7 aangaf, houdt de rechtszaak rondom Reiswerk Pensioenen geen verband met de overgang naar een nieuw pensioencontract. De transitie naar het nieuwe pensioencontract wordt zorgvuldig vormgegeven en met vele waarborgen omkleed. Hierdoor wordt een evenwichtige transitie voor gepensioneerden en werkenden mogelijk.
Bent u op de hoogte van het feit dat veel ouderen, na een leven hard werken, nu al tien jaar geen pensioenindexering hebben ontvangen terwijl de prijzen van producten en kosten van woninghuur wel sterk zijn gestegen? Wat vindt u van de armoede waar nog zoveel gepensioneerden in moeten leven?
Laat ik voorop stellen dat armoede, in het algemeen en onder gepensioneerden specifiek, onwenselijk is. Ons sociale zekerheidsstelsel tracht te voorkomen dat ouderen in echte armoede moeten leven. Zo volgen de AOW-uitkeringen de loonontwikkeling. De koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden zonder, of met een laag aanvullend pensioen is daardoor licht positief. Pensioenindexering van het tweede pijler pensioen heeft dan maar een beperkt effect op hun inkomen. Deze gepensioneerden hebben meer profijt van de verhoging van de AOW. De AOW-bedragen worden tweemaal per jaar geïndexeerd.
Deelt u de mening dat het huidige pensioenakkoord van tafel moet en de voorgestelde onrechtvaardige en onwerkbare Wet toekomst pensioenen geen doorgang dient te vinden?
Die mening deel ik niet. Het Pensioenakkoord en het daarop gebaseerde conceptwetsvoorstel toekomst pensioenen zijn door sociale partners en het kabinet in nauwe samenspraak met sectorpartijen tot stand gebracht. Dat is een prestatie van formaat waar ik enorm trots op ben. Dit nieuwe pensioenstelsel verbetert onderdelen van de huidige pensioenwetgeving, maar houdt ook veel belangrijke onderdelen intact zoals de solidariteit en collectiviteit binnen pensioenfondsen. Zoals eerder gemeld ben ik voornemens het wetsvoorstel begin 2022 naar uw Kamer te zenden voor behandeling.
Het bericht dat de dementiestrategie nog niet leidt tot zinvolle dagbesteding |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
Heeft u al kennis kunnen nemen van het onderzoek van Movisie en de artikelen in de media hierover1?
Het door Movisie uitgevoerde onderzoek is in opdracht van mij uitgevoerd. Dit onderzoek is bedoeld om meer inzicht te krijgen in het huidige aanbod van gemeenten aan thuiswonende mensen dementie, om zo gerichter uitvoering te kunnen geven aan de Nationale Dementiestrategie.
Het onderzoek geeft inzicht:
Ik ben bekend met de berichtgeving en wil benadrukken dat ik, onder andere op basis van het onderzoek van Movisie, de komende jaren samen met gemeenten en andere betrokken partijen ga werken aan de verdere versterking van het aanbod voor thuiswonende mensen met dementie. Tevens constateer ik dat dit onderwerp lokaal al bij veel gemeenten op de agenda staat.
Op welke wijze kunt u gemeenten aansporen daadwerkelijk werk te maken van voldoende ontmoetingsmogelijkheden en zinvolle dagactiviteiten?
Ik ben met de VNG in gesprek over passende manieren om gemeenten hierin te faciliteren. Dit jaar geef ik dit vorm door een inspiratiewijzer te laten ontwikkelen die inzicht geeft in effectieve interventies en goede voorbeelden, onderlinge kennisuitwisseling tussen gemeenten te faciliteren en aan meer dan 30 gemeenten een incidenteel budget beschikbaar te stellen om lokaal aan de slag te gaan met de versterking van aanbod voor thuiswonende mensen met dementie. Voor 2022 ben ik met ZonMw in gesprek over het opzetten van een regeling om initiatieven gericht op het versterken van aanbod voor thuiswonende mensen met dementie financieel te ondersteunen. De voorwaarden en invulling hiervan worden dit jaar verder uitgewerkt.
Gemeenten geven aan te weinig budget te hebben, is dat volgens u ook een doorslaggevende reden of zijn er ook andere redenen aan te wijzen?
Ik wil graag samen met gemeenten verkennen hoe binnen de bestaande financiële kaders invulling kan worden gegeven aan de opgave te komen tot aanbod van zinvolle activiteiten voor thuiswonende mensen met dementie. Dit zal ik onder andere ondersteunen door kennis beschikbaar te stellen middels een inspiratiewijzer en onderlinge kennisuitwisseling tussen gemeenten te faciliteren.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen die daadwerkelijk te weinig budget hebben?
Ik stel dit jaar aan meer dan 30 gemeenten incidentele middelen beschikbaar om aanbod voor thuiswonende mensen te versterken. Deze middelen zijn bedoeld om lokaal beleid (door) te ontwikkelen en lokale samenwerking aan te jagen. Het betreft hier nadrukkelijk incidentele middelen waarmee geen aanbod op de langere termijn kan worden gefinancierd.
Op welke wijze kunt u ingrijpen als gemeenten deze taak blijvend onvoldoende op zich nemen?
Gemeenten zijn op grond van de Wmo2015 verantwoordelijk voor aanbieden van maatschappelijke ondersteuning voor mensen die niet zelfstandig kunnen participeren en/of een psychosociale stoornis hebben. Het bieden van zinvolle dagactiviteiten aan thuiswonende mensen met dementie is hier onderdeel van. Gemeenten hebben beleidsruimte in hoe ze hier invulling aan geven, bijvoorbeeld door het stellen van kwaliteitseisen aan voorzieningen. De gemeenteraad en/of de Wmo-toezichthouder houdt vervolgens toezicht op de wijze waarop het college van B&W uitvoering geeft aan het beleid.
Heeft u zicht op het aantal Odensehuizen dat financieel onder druk staat, aangezien de Odensehuizen onder druk staan qua financiering terwijl zij een belangrijke rol hebben in de wijk als ontmoetingsplek? Zo niet, bent u bereid om hier onderzoek naar te laten verrichten?
Ik herken dat Odensehuizen een belangrijke rol kunnen spelen en ben enthousiast over de wijze waarop veel vrijwilligers zich hiervoor inzetten. Ik spreek regelmatig met het Landelijk Platform Odensehuizen en ken het signaal dat er Odensehuizen zijn die financieel onder druk staan. De afwegingen wat betreft financiering van Odensehuizen wordt lokaal gemaakt. Ik ben dan ook niet voornemens hier een landelijk onderzoek naar te laten doen.
Kunt u de Odensehuizen ondersteunen in hun werkzaamheden? Zo ja, hoe pakt u dat op? Zo nee, wat is hier de reden voor?
De afwegingen wat betreft financiering van Odensehuizen wordt lokaal gemaakt. In de financiële ondersteuning van Odensehuizen zie ik geen rol voor het Ministerie van VWS. Ik zal samen met het Landelijk Platform van Odensehuizen kijken hoe Odensehuizen een goede plek kunnen krijgen in de inspiratiewijzer.
Kunt u aangeven hoe u de 80%-norm in de Nationale Dementiestrategie denkt te realiseren in de komende periode? Op welke wijze betrekt u hierbij ook de mensen met dementie zelf en hun mantelzorgers?
Samen met gemeenten zoek ik naar manieren hoe het aanbod voor thuiswonende mensen met dementie verder kan worden versterkt. Het is in eerste instantie belangrijk dat gemeenten lokaal het gesprek voeren met inwoners om te komen tot aanbod wat aansluit bij de lokale behoefte. Daarnaast stel ik in het kader van de Nationale Dementiestrategie een Klankbordgroep in, waarin mensen met dementie en hun naasten een belangrijke plaats krijgen. Met deze klankbordgroep zal ook over dit onderwerp nadrukkelijk gesproken worden.
Kunt u aangeven hoe het met het realiseren van de andere doelstellingen van de Nationale Dementiestrategie staat?
In de eerste voortgangsrapportage van de Nationale Dementiestrategie welke gepland staat voor het voorjaar van 2022 ga ik uitgebreid in op de voortgang van de verschillende doelstellingen uit de Nationale Dementiestrategie.
Het bericht ‘Grijs goud: Europese ouderenzorg is goudmijn voor internationale investeerders’ |
|
Maarten Hijink , Lilian Marijnissen |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Grijs goud: Europese ouderenzorg is goudmijn voor internationale investeerders»?1
In de beantwoording van onderstaande vragen geef ik u mijn reactie op het artikel.
Wat vindt u van de trend dat ouderenzorg steeds meer als verdienmodel wordt gezien?
Hoeveel winst wordt er in de ouderenzorg gemaakt? Kunt u dit toelichten?
Hoeveel publiek geld bestemd voor ouderenzorg verdwijnt in de zakken van commerciële zorgaanbieders?
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat publiek geld bestemd voor ouderenzorg in de zakken van commerciële zorgcowboys verdwijnt?
Wat doet de commerciële ouderenzorg met de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de ouderenzorg in Nederland?
Streeft u nog steeds naar minder marktwerking in de zorg? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de «verpleeghuismarkt» wordt teruggedrongen?
De huidige keuzemogelijkheden tussen aanbieders van verpleeghuiszorg kunnen van belang zijn voor patiënten en de doelmatigheid bevorderen. De uitdagingen die de komende jaren op de ouderenzorg afkomen vergen echter betere en intensievere samenwerking, die individuele belangen ontstijgt. Concurrentie mag die benodigde samenwerking niet in de weg staan. Met het oog op de organiseerbaarheid en toekomstbestendigheid van zorg en ondersteuning kan daarom op onderdelen een aanscherping van publieke randvoorwaarden noodzakelijk zijn. Zie hierover ook mijn brief van 10 juli 2019 (Kamerstuk 31 765, nr. 428)2 en de Dialoognota Ouder Worden. Gezien de demissionaire status van het kabinet kan ik op dit moment geen voorkeur uitspreken voor specifieke beleidsopties.
Wat vindt u van de tweedeling die ontstaat doordat rijke ouderen de huur van een private commerciële zorginstelling kunnen opbrengen en een grote groep ouderen dit niet kan opbrengen?
Iedereen heeft vanuit de Zvw en Wlz hetzelfde recht op zorg. Voor de kwaliteit van zorg geldt dat deze in alle instellingen moet voldoen aan de kwaliteitskaders. De IGJ toetst daarop. Op het gebied van de zorgverlening is er daarbij naar mijn idee geen sprake van een tweedeling. Om te zorgen dat de zorg ook in de toekomst voor iedereen die dat nodig heeft toegankelijk en van goede kwaliteit blijft, kunnen op onderdelen aanscherpingen van de publieke randvoorwaarden noodzakelijk zijn (zie het antwoord op vraag 7). Wel kan het zo zijn (maar dat is ook in de rest van de samenleving het geval) dat cliënten met een beter gevulde portemonnee meer kunnen besteden aan woon- en servicekosten.
Wat gaat u doen om deze tweedeling tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is uw oordeel over het feit dat grote commerciële ouderenzorgorganisaties, zoals Orpea, ook in Nederland steeds meer instellingen beheren, terwijl deze organisatie in andere Europese landen wantoestanden binnen ouderenzorginstellingen hebben veroorzaakt?
Alle zorgaanbieders die in Nederland zorg leveren (zowel grote als kleine organisaties) moeten voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat geldt onder andere voor de eisen rond kwaliteit van zorg en de besturing van zorginstellingen zoals wettelijk vastgelegd in de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en per 1 januari 2022 ook de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). De IGJ ziet hierop toe. Hierbij geldt geen onderscheid op grond van de nationaliteit van de entiteit die het eigenaarschap van een zorginstelling heeft. Dit zou zich bovendien slecht verhouden met het Europees Unie-recht, dat onderscheid op basis van nationaliteit verbiedt.
Hoe kijkt u naar de toekomst van de Nederlandse ouderenzorg, gezien de toenemende aanwezigheid van deze commerciële aanbieders in ons land?
Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven, ben ik van mening dat commerciële aanbieders kunnen zorgen voor een uitbreiding van een divers aanbod en daarmee een bijdrage kunnen leveren aan de toegankelijkheid van zorg.
Wat vindt u ervan dat veel commerciële zorginstellingen in Nederland het verbod op winstuitkering omzeilen, door binnen de instellingen appartementen te verhuren waar ze «zorg aan huis» leveren?
De zorg is geen plaats voor excessieve winsten of winstuitkeringen. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 t/m 5 valt de zorg die op deze manier wordt verleend niet onder het huidige winstverbod, omdat deze zorg kort gezegd niet geldt als intramurale, maar als extramurale zorg. In het antwoord op vraag 2 t/m 5 heb ik tevens aangegeven dat VWS momenteel het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) voorbereidt, waarin onder meer de mogelijkheid wordt geïntroduceerd om aanvullende voorwaarden te stellen aan winstuitkering voor sectoren waar nu geen verbod op winstuitkering geldt. De aard van de voorwaarden en het tijdstip van inwerking treden kan variëren per deelsector en wordt gekoppeld aan eventuele excessen die zich voordoen.
Wat wordt er momenteel gedaan om deze constructie tegen te gaan? Bent u bereid om deze constructie harder aan te pakken, zodat het winstuitkeringsverbod niet langer te omzeilen is?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u het ermee eens dat geld voor zorg naar de zorg moet gaan en dus niet als winst mag worden uitgekeerd?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe vaak komt het voor dat commerciële ouderenzorginstellingen bewoners laten bijbetalen voor catering, terwijl via de zorgbudgetten in principe ook voor eten en drinken is betaald?
Mij is niet bekend hoe vaak bewoners moeten bijbetalen voor eten en drinken. Het klopt dat in de tarieven die zorgaanbieders ontvangen voor het VPT ook een (ongeoormerkte) vergoeding is opgenomen voor het leveren van eten en drinken (in MPT en PGB overigens niet). Indien cliënten bereid zijn om voor extra kwaliteit bij te betalen, dan is dat mogelijk. Bewoners moeten de kwaliteit en prijs van zowel de woning als de servicekosten afwegen tegen de kwaliteit en prijs zoals deze elders geleverd wordt. Ook de bewoners (of de vertegenwoordigers daarvan) hebben hierin een verantwoordelijkheid.
Hoeveel ouderenzorginstellingen zijn in Nederland in handen van private equity-partijen?
Uit de informatiekaart concentraties in de zorg 2020 van de NZa blijkt dat de NZa in de periode januari 2018 t/m juni 2019 (anderhalf jaar) 12 gevallen van concentraties in de langdurige zorg heeft beoordeeld waarbij een private equity party was betrokken. In de periode juli 2019 t/m december 2020 (eveneens anderhalf jaar) bedroeg dat aantal 9 gevallen. De NZa blijft de ontwikkelingen op het gebied van private equity in de zorg volgen en zal indien nodig nader onderzoek doen.
Wat vindt u ervan dat commerciële ouderenzorginstellingen een groter beroep doen op andere zorgaanbieders, zoals huisartsen, om hun eigen personeelskosten te drukken?
In de Wlz is er een onderscheid tussen ZZP en VPT-tarieven met en zonder behandeling. Bij de tarieven inclusief behandeling levert de instelling zelf de behandeling (en wordt deze daarvoor ook bekostigd). Bij de tarieven exclusief behandeling wordt de behandeling vanuit de Zvw geleverd en krijgt de instelling deze niet bekostigd. De reductie van kosten betekent dus ook een vermindering van inkomsten. Er is dus geen sprake van het afwentelen van zorgkosten op de publieke zorg.
Welke maatregelen kunnen er worden genomen om te voorkomen dat commerciële partijen zorgkosten afwentelen op de publieke zorg, om zo hun eigen winsten te verhogen?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u het ermee eens dat verdere groei van de commerciële ouderenzorg in Nederland onwenselijk is? Kunt u dit toelichten?
Zoals ik ook in de beantwoording van Kamervragen van de Kamerleden Hijink (SP) en Marijnissen (SP) over het bericht «Lucratief beleggen in ouderen met dementie» (2020Z14422)3 heb vermeld, vind ik een diversiteit aan aanbieders van verpleeghuizen op zichzelf geen slechte ontwikkeling. Dit stelt mensen in staat om woon- en zorgvormen te kiezen die aansluiten bij hun wensen en behoeften. Bovendien zal door de vergrijzing een steeds grotere behoefte zijn aan deze zorg. De diversiteit heeft vooral betrekking op de woning en de servicekosten. Voor de zorg geldt dat deze onder het toezicht valt van de IGJ en moet voldoen aan de eisen uit het kwaliteitskader.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat grote commerciële partijen een groter aandeel in de Nederlandse ouderenzorg verwerven?
Zie antwoord vraag 19.
Het bericht dat er jaarlijks tientallen meldingen binnenkomen over financiële uitbuiting van ouderen. |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen meldingen zijn «topje van de ijsberg»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Zijn er al resultaten bekend van de uitvraag die u samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bij verschillende gemeenten heeft gedaan over wat zij nodig denken te hebben voor het versterken van de aanpak ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik? Zo ja, heeft u al concrete stappen genomen naar aanleiding van de resultaten? Zo niet, wanneer verwacht u de resultaten en wanneer verwacht u dan concrete stappen te kunnen nemen naar aanleiding van die resultaten?
De uitvraag bij gemeenten is inmiddels afgerond. Uit deze uitvraag blijkt dat gemeenten behoefte hebben aan praktische ondersteuning op maat met concrete uitkomsten tot gevolg. Daarom werk ik momenteel samen met de VNG aan een plan van aanpak om een expertpool op het gebied van ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik, in te stellen. Het doel is dat regio’s en (centrum)gemeenten op maat expertise kunnen inhuren om hen te ondersteunen bij het (door)ontwikkelen van een aanpak ouderenmishandeling, met een inhoudelijke focus die bij de lokale context past. Kennisdeling en uitwisseling zullen onderdeel worden van dit traject, zowel tussen beleidsmakers als betrokken professionals en organisaties in de signalering en aanpak van ouderenmishandeling. Naar verwachting is de expertpool begin oktober beschikbaar.
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten nog geen concrete aanpak hebben om financiële uitbuiting van ouderen te voorkomen en te signaleren? Zo niet, bent u bereid dat uit te zoeken? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn onder de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Het is aan gemeenteraden om hun college op de gekozen aanpak te bevragen en aan te spreken. Ik heb niet precies in beeld hoeveel gemeenten wel of geen aanpak hebben op het gebied van ouderenmishandeling, en specifiek financieel misbruik. Dit najaar voert het programmateam Geweld Hoort Nergens Thuis gesprekken met regionaal projectleiders en ambtenaren van de 28 regio’s. Hierin worden de vragen voorgelegd of de regio’s een aanpak ouderenmishandeling hebben, en welke stappen er worden gezet om de aanpak verder vorm te geven. De resultaten zal ik aan uw Kamer rapporteren in de voortgangsrapportage eind dit jaar.
Bent u samen met de VNG al in gesprek geweest met de welzijnsorganisaties over wat de inzet van hun netwerk van vrijwilligers zou kunnen betekenen voor lokale allianties? Wanneer wordt de Kamer over de resultaten van deze gesprekken geïnformeerd?
Het gesprek met de ouderenbonden en welzijnsorganisaties, met als doel om te kijken wat hun netwerk van vrijwilligers zouden kunnen betekenen voor lokale allianties, heeft nog niet plaatsgevonden. Ik ben voornemens dit onderwerp komende maanden bij verschillende overlegtafels (zoals met de KBO-PCOB, Anbo en andere organisaties) te agenderen, en zal uw Kamer in de volgende voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis hierover informeren.
In hoeverre heeft u zicht op de werkwijze, resultaten en best practices van de lokale allianties?
De vorm en uitwerking van de lokale allianties en de betrokken partners daarbij, zijn voor elke lokale alliantie verschillend en afhankelijk van de lokale context. De kracht van lokale allianties is dat zij «bottom-up» ontstaan, met betrokken mensen en organisaties die intrinsiek gemotiveerd zijn en zich op lokaal niveau willen inzetten voor de bescherming van ouderen. Er is dan ook geen landelijke sturing op de werkwijze en resultaten van de lokale allianties. Wel zijn er verschillende initiatieven geweest op landelijk niveau, zoals het aanstellen van een «aanjaagteam» in de opstartfase en het delen van contactinformatie van lokale allianties op de website www.aanpak-ouderenmishandeling.nl. Daarnaast heeft Regioplan in 2018 in opdracht van het Ministerie van VWS onderzoek gedaan naar de opzet en het functioneren van de lokale allianties.2
Hoe is de financiering geregeld van lokale allianties?
Lokale allianties zijn een unieke samenwerking tussen publieke en private partijen, met organisaties die elkaar niet vanzelfsprekend tegenkomen, zoals ouderenbonden, banken, notarissen en de lokale verpleeghuizen. De financiering van lokale allianties is afhankelijk van de lokale context, bijvoorbeeld met een subsidie van de gemeente.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat er eisen gesteld worden aan gemeenten over de invulling van de verplichting vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden en daarbij specifieke vormen, zoals (financiële) ouderenmishandeling, te betrekken?
Nee, die mening deel ik niet. De Wmo2015 bevat geen gedetailleerde eisen over hoe deze verplichting moet worden ingevuld voor specifieke vormen van geweld, waaronder ouderenmishandeling. Het beleggen van deze verantwoordelijkheid bij gemeenten heeft als doel dat zij beleid kunnen inrichten naar lokale omstandigheden en met lokale samenwerkingspartners.
Ouderen zijn kwetsbaar, en vanwege hun hoge mate van afhankelijkheid van hun directe omgeving lopen zij risico op ouderenmishandeling, waaronder financieel misbruik. Gemeenten zetten zich daarom binnen hun wettelijke taak in om deze groep te beschermen. Om die reden is bijvoorbeeld bij elke Veilig Thuis-organisatie een aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling actief, door middel van financiering vanuit de gemeenten. Deze aandachtsfunctionarissen wisselen ook onderling kennis en ervaringen uit, en hebben bijvoorbeeld contacten met banken om financieel misbruik aan te pakken.
Hoe staat het met de bewustwordingscampagne die ten tijde van het project «ouderen in veilige handen» liep? Wat heeft dit opgeleverd aan bewustwording? Is er een verschil in het aantal meldingen dat binnenkomt bij Veilig Thuis nu de bewustwordingscampagne is gestopt?
Tot en met 2018 was de kwaliteit van de data van Veilig Thuis nog niet voldoende op niveau om de gegevens onderling te kunnen vergelijken of bij elkaar op te kunnen tellen. Het aantal meldingen van de periode voor het «ouderen in veilige handen» project is daarom niet goed te vergelijken met nu. Wat echter onveranderd is gebleven, is het feit dat er nog steeds weinig meldingen zijn van ouderenmishandeling (ter illustratie: 2.580 meldingen in 2020 en 2.420 in 2019).3 Het blijft daarom onverminderd belangrijk om in te zetten op bewustwording en doorbreken van de taboesfeer waar het gaat om het herkennen en bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Daarom is ook nu weer ouderenmishandeling meegenomen in de publiekscampagne tegen huiselijk geweld die is gestart op 5 juli.
Welke uitdagingen ziet u, in samenspraak met de Minister van Justitie & Veiligheid, voor de komende jaren op het gebied van financieel misbruik van ouderen?
Vanwege de vergrijzing wordt de groep ouderen in Nederland steeds groter, en blijven zij langer zelfstandig wonen. Ouderen worden hiermee sterker afhankelijk van hun omgeving, en er zijn helaas mensen die hier misbruik van maken, zoals familie, buren of derden. Het risico op financieel misbruik van ouderen neemt hiermee toe. Naarmate digitalisering toeneemt, zoals internetbankieren en het online regelen van (financiële) zaken, lopen ouderen ook steeds meer risico om slachtoffer te worden van cybercriminaliteit, en praktijken zoals phishing en hulpvraagfraude.
Het is met betrekking tot al deze risico’s van belang om in te zetten op de weerbaarheid van ouderen waar het gaat om het veilig regelen van hun geldzaken, en hen te behoeden voor risico’s die gepaard gaan met internetbankieren en het online regelen van zaken. Een van de acties die hierop zijn gericht, is het beschikbaar stellen van de informatiebox Financieel Veilig Ouder Worden. Deze box is samengesteld met banken, notarissen, Veilig Thuis, ouderenbonden, mentorschap en vrijwilligersorganisaties. Het heeft als doel om ouderen te helpen bij het veilig regelen van hun financiële zaken en geeft bijvoorbeeld advies over bescherming tegen babbeltrucs. De informatiebox wordt regelmatig in grote hoeveelheden besteld. Daarnaast vraagt het Ministerie van Justitie en Veiligheid met de campagne «senioren en veiligheid» aandacht voor verschillende vormen van criminaliteit waar ouderen regelmatig slachtoffer van worden. In dit kader is bij de afgelopen seniorenmaand ook een (ook digitale) brochure uitgebracht die eenvoudig te raadplegen is via de website maakhetzeniettemakkelijk.nl.
Ernstig dementerenden die gedwongen moeten vertrekken uit een kleinschalige woonvorm |
|
Maarten Hijink , Peter Kwint |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat een groep ernstig dementerende mensen gedwongen moet verhuizen uit zijn kleinschalige woonvorm omdat de bestuurder uit bedrijfseconomische redenen geen zorg meer wil bieden?1, 2
Sluiting van een zorgvoorziening is altijd pijnlijk. Pijnlijk voor de huidige cliënten (en hun naasten) want die moeten een ingrijpende verhuizing ondergaan, pijnlijk voor toekomstige cliënten die gerekend hadden op een plaats, pijnlijk voor het personeel dat elders moet gaan werken. Toch kunnen er omstandigheden zijn die sluiting rechtvaardigen. Dat neemt de pijn echter niet weg.
Bij een (dreigende) sluiting van een locatie voor verpleeghuiszorg, zoals Het Kristal in Apeldoorn, is een aantal zaken relevant om in ogenschouw te nemen. Dat zijn de (achterliggende) oorzaken van de sluiting, of er een goede opvang is voor de huidige cliënten en de vraag of er in de nabijheid voldoende resterende capaciteit is. Het zijn de zorgaanbieder en het zorgkantoor die daarvoor primair verantwoordelijk zijn. Het is van belang dat ze die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk oppakken. Van de bestuurder van KleinGeluk (aanbieder van Het Kristal) heb ik begrepen dat het gaat om een locatie voor verpleeghuiszorg met 4 groepen van 6 bewoners binnen een groter multifunctioneel gebouw (eigendom van een woningcorporatie). Deze voorziening bestaat bijna 10 jaar en is in al die jaren verlieslatend gebleken. Volgens de bestuurder heeft dat te maken met de groepsgrootte: kwalitatief goede zorg bieden aan een groep van 6 cliënten vraagt een personele inzet die niet volledig gedekt kan worden door de opbrengsten. Deze personele inzet is tot nu toe wel geleverd, maar dus verlieslatend. Volgens de bestuurder kan dat niet langer voortgezet worden, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van zorg aan cliënten in deze groepen of die elders bij KleinGeluk verblijven. De bestuurder heeft aangegeven dat naar verschillende andere oplossingen is gekeken, maar zonder succes. Het is bijvoorbeeld niet gelukt om met de woningcorporatie afspraken te maken over een verbouwing naar 3 groepen van 8 cliënten.
Op dit moment is KleinGeluk met een andere zorgaanbieder (geen verpleeghuiszorg) vergaand in gesprek over het overnemen van de langlopende huurverplichtingen en is dit het moment voor de zorgbestuurder om naar buiten te treden over de voorgenomen sluiting van Het Kristal. De sluiting is nog niet definitief en wordt binnenkort voorgelegd aan de cliëntenraad, de ondernemingsraad en de raad van toezicht van KleinGeluk. De voorgenomen sluiting is gepland op 31 december 2021. Volgens de bestuurder is daarmee voldoende ruimte gecreëerd om tot voor de huidige bewoners aanvaardbare oplossingen te komen, als de sluiting definitief wordt. Uitgangspunt daarbij is dat de eerste voorkeur van cliënten zoveel mogelijk gewaarborgd wordt, elders bij KleinGeluk dan wel bij een andere zorgaanbieder. Met zorgaanbieders in de regio is daar al contact over en ook het zorgkantoor kan hierbij bemiddelen. De besprekingen met de cliënten en hun naasten zijn onlangs door de bestuurder opgestart.
De bestuurder heeft verder aangegeven dat al het personeel van Het Kristal onder dezelfde arbeidsvoorwaarden bij KleinGeluk in dienst kan blijven. Op dit moment wordt met het personeel gesproken over hun wensen daarbij.
Gegeven bovenstaande situatie heeft zorgkantoor Zilveren Kruis begrip voor het sluiten van Het Kristal en de procedures die daarbij in acht worden genomen. Ook omdat KleinGeluk haar totale capaciteit voor verpleeghuiszorg de afgelopen jaren heeft uitgebreid en dat ook de komende jaren blijft doen. Het is dus niet zo dat de sluiting leidt tot een lagere capaciteit aan verpleeghuiszorg in (de regio) Apeldoorn.
Op basis van bovenstaande informatie kan ik me voorstellen dat de betrokken partijen tot de conclusie zijn gekomen dat de (voorgenomen) sluiting, met name vanuit het oogpunt van (toekomstige) kwaliteit, gerechtvaardigd is. Wel hecht ik er veel belang aan dat de verplaatsing van de huidige bewoners zorgvuldig gebeurt, in goed overleg met betrokkenen.
Vindt u het acceptabel dat mensen met ernstige dementie op hoge leeftijd gedwongen worden te verhuizen omdat ze niet winstgevend genoeg zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u contact met de bestuurder van deze zorgaanbieder over deze beslissing? Zo ja, sinds wanneer? Zo neen, bent u bereid contact met de zorgaanbieder op te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is zowel met de bestuurder van KleinGeluk als het zorgkantoor contact opgenomen over de achtergronden van deze voorgenomen sluiting en de daarbij gevolgde en te volgen procedures. Zoals bij het antwoord op de vragen 1 en 2 aangegeven is het de primaire verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder en het zorgkantoor om in het belang van de cliënten acceptabele oplossingen te vinden. Mijn stellige indruk is dat beide partijen hier zorgvuldig mee omgaan.
Wilt u uitzoeken waarom deze beslissing precies genomen wordt en of er andere mogelijkheden zijn onderzocht om deze bewoners zorg te kunnen blijven bieden in deze kleinschalige woonvorm? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) betrokken bij deze zorgaanbieder? Zo ja, wat is het oordeel van de IGJ? Zo neen, waarom niet?
De inspectie heeft geen signalen dat de kwaliteit en veiligheid van de door Stichting KleinGeluk verleende zorg als gevolg van de voorgenomen sluiting onder druk staat. Bij een voorgenomen locatiesluiting verwacht de inspectie dat het bestuur hierover tijdig in gesprek gaat met alle betrokkenen. In de eerste plaats zijn dat de bewoners, hun naasten en het personeel, maar ook externe stakeholders zoals ketenpartners en inkopende partijen. Verder is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor een goede overdracht van bewoners, zonder dat daarbij risico’s ontstaan voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Het laatste bezoek van de inspectie aan de locatie Het Kristal was in het najaar van 2019. Het rapport van dit bezoek en de bijbehorende afsluitbrief met het oordeel van de inspectie zijn gepubliceerd op de website van de IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd – Het Kristal Apeldoorn november 2019 (igj.nl) & Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd – Stichting KleinGeluk, Sainte Marie en Het Kristal Apeldoorn mei 2020 (igj.nl)). De kwaliteit van de zorg was grotendeels op orde en de inspectie oordeelde in het voorjaar van 2020 vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de organisatie om de verbeterpunten zelfstandig op te pakken.
Bent u bereid zich in te zetten om te voorkomen dat deze bewoners gedwongen verhuisd moeten worden? Zo ja, wilt u de Kamer hiervan op de hoogte houden? Zo neen, waarom laat u deze bewoners aan hun lot over?
Het is op dit moment aan de zorgaanbieder en het zorgkantoor om tot acceptabele oplossingen voor de cliënten te komen. Ik heb het zorgkantoor gevraagd om daar nauw betrokken bij te blijven en mij op de hoogte te blijven stellen van de verdere ontwikkelingen. Ik zal de wijze waarop de eventuele overplaatsing van de huidige bewoners naar andere locaties plaatsvindt, blijven volgen en betrokken partijen indien nodig aanspreken op hun verantwoordelijkheid daarin.
Wilt u de Kamer tijdig op de hoogte houden over de ontwikkelingen omtrent deze situatie?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zegt deze situatie over de wens van de Kamer om versneld kleinschalige zorginstellingen te laten bouwen? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Kleinschalige zorgverlening is binnen de Wlz mogelijk, maar zowel financieel als ook uit het oogpunt van kwaliteit en veiligheid (zowel voor de cliënt als zijn omgeving) kunnen er grenzen zijn aan de wijze waarop dit georganiseerd kan worden. De situatie op de locatie van Het Kristal is blijkbaar zodanig dat daar groepen van 6 cliënten financieel niet te realiseren zijn. Bij kleinschalige woonvormen in de verpleeghuiszorg wordt veelal uitgegaan van groepen van 8 cliënten. Dat biedt een betere basis om kwalitatief goede zorg te bieden, zonder dat er sprake is van een financiële problematiek.
Het bericht waaruit blijkt dat gepensioneerden grote schade hebben door nabetaling van hun pensioen |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Duizenden euro’s schade bij gepensioneerden door nabetaling pensioen»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel mensen door nabetaling van het pensioen financiële schade ondervinden?
Het is het mij niet bekend hoeveel mensen door een nabetaling van ABP financiële schade ondervinden. De nabetaling van pensioen is een afspraak tussen de uitkeerder en de pensioengerechtigde. Het is natuurlijk bijzonder vervelend als mensen financiële schade ondervinden als gevolg van nabetaling van het pensioen.
Zijn de mensen vooraf voldoende op de hoogte gesteld van de financiële consequenties van een nabetaling in één keer?
Ik vind het belangrijk dat pensioenfondsen hun deelnemers vooraf goed informeren over de mogelijke gevolgen van bepaalde uitkeringen (incl. de fiscale gevolgen) en daar – waar mogelijk natuurlijk – al rekening mee houden bij het uitkeren. Ik begrijp dat ABP deelnemers in deze zin informeert als er grote bedragen worden uitgekeerd en de mogelijkheden die deelnemers hebben om de financiële gevolgen te beperken, actief onder de aandacht brengt.
Een nabetaling zoals in dit geval komt op grond van de wettelijke regels die daarvoor gelden bovenop de reguliere betalingen. Op een dergelijke nabetaling is op grond van wettelijke regelingen voor de loonheffing de zogeheten tabel bijzondere beloning van toepassing. Om toepassing van deze tabel hoeft niet te worden verzocht; deze wordt toegepast door de inhoudingsplichtige, in dit geval ABP. De nabetaling is een brutobedrag waarover ABP loonheffing op basis van tarief voor bijzondere beloningen inhoudt (dit is een voorheffing). Vervolgens wordt dit brutobedrag meegenomen bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting, waarbij rekening wordt gehouden met het reeds ingehouden bedrag uit de voorheffing. Voor een rol in de afspraken tussen ABP en de pensioengerechtigden zie ik geen plaats voor mijzelf of de Belastingdienst.
Op een bijzondere bate kan de zogeheten middelingsregeling in de inkomstenbelasting van toepassing zijn. Via deze regeling wordt, kort gezegd, de belasting herrekend over de inkomens over drie zelf gekozen aaneengesloten jaren waarvan de aanslag onherroepelijk vaststaat, bijvoorbeeld 2018-2019-2020. Er bestaat recht op teruggave als deze herrekening leidt tot een teruggave die hoger is dan € 545. Mede omdat de keuze voor het tijdvak van drie jaren van invloed is op de uitkomst, kan de Belastingdienst hierover niet actief informeren. Wel is er vanzelfsprekend algemene informatie over middeling te vinden op de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl).
Van afspraken met de bestuursvoorzitter is mij niets bekend.
Welke tijdsduur vindt u redelijk voor het pensioenfonds ABP om deze mensen te compenseren? Hoe ziet u uw rol hierin? Bent u bereid aan te dringen op een spoedige afhandeling?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat mensen niet actief worden geïnformeerd over maatregelen die zij zelf moeten nemen om de financiële gevolgen te beperken, zoals het laten aanmerken van de nabetaling als bijzonder inkomen bij de Belastingdienst, of het laten middelen van het inkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u op de hoogte van het feit dat in 2019 al afspraken waren met de bestuursvoorzitter van ABP over deze zaak? Hoe kan het dat dit in de uitvoering zo is misgegaan? Had de Belastingdienst hier niet proactief in moeten optreden vanuit de gedachte voorkomen is beter dan genezen?
Zie antwoord vraag 3.
Past de Belastingdienst inzake de wachttijd van enkele weken of zelfs maanden bij het vergoeden van schade door ABP dan ook coulance toe bij terugbetalingen?
ABP heeft op de nabetaling loonheffing ingehouden volgens de tabel voor bijzondere beloningen, om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de juiste belastingheffing. De hoogte van de inhouding is afhankelijk van het jaarinkomen, hierop is het percentage voor bijzondere beloningen gebaseerd. Bij een klein pensioen is dit een laag jaarinkomen en daarom geldt een laag percentage voor deze bijzondere beloning. Dit kan zelfs 0% zijn. De percentages lopen op van 0%, 19,2% en 37,1% naar 49,5%. Dat de toepassing van het tarief voor bijzondere beloningen in een aantal situaties toch tot nabetalingen leidt is helaas inherent aan de wettelijke regeling en het feit dat de uitkerende instantie enkel over de eigen uitkeringen gaat en geen weet heeft van de overige persoonlijke inkomsten en omstandigheden.
Mochten burgers als gevolg van de nabetaling een terugvordering van toeslagen hebben ontvangen, dan kunnen zij voor deze terugvordering gebruikmaken van de standaardbetalingsregeling van 24 maanden. Mocht dat deze burgers desondanks in financiële problemen brengen, dan kunnen zij een betalingsregeling op maat aanvragen waarbij rekening wordt gehouden met hun betalingscapaciteit. In de toeslagenbeschikking en aanslag inkomstenbelasting wordt de gepensioneerde gewezen op de mogelijkheid om een betalingsregeling aan te vragen.
Wat kunnen mensen die door deze nabetaling van het ABP in de financiële problemen zijn gekomen in de tussentijd doen? Worden mensen hierover actief geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 7.
Kan de Belastingdienst niet naar een generieke oplossing voor alle gedupeerden kijken in plaats van dat mensen proactief bij de Belastingdienst moeten vragen om een oplossing?
Een nabetaling van, in dit geval pensioenen, kan leiden tot een piek in het inkomen. Deze heeft gevolgen voor de te betalen belasting en mogelijk voor het recht op inkomensafhankelijke regelingen en toeslagen. Het is daarom goed dat de ontvanger van de nabetaling over deze gevolgen wordt geïnformeerd. Dat is met name een taak voor de uitkerende partij.
Tot slot merk ik op dat ABP via zijn website compensatie aanbiedt in gevallen van nabetaling waarin na toepassing van de fiscale middelingsregeling nog sprake is van restschade.
De enorme schuld die de SVB een 80-jarige man heeft laten opbouwen |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Henk (80) uit Deventer wilde mensen helpen, nam hen in huis en zit nu diep in de schulden: «Je wordt gewoon genaaid»?1
Een onderzoek naar de leefsituatie van mensen duurt onder normale omstandigheden gemiddeld enkele weken. Overvallen door de coronasituatie heeft de SVB besloten om vanaf 11 maart 2020 bij het onderzoek naar de leefsituatie de huisbezoeken stop te zetten. Dit met oog op gezondheidsrisico’s voor burgers en medewerkers. De verwachting was dat dit voor korte duur zou zijn. Toen bleek dat de huisbezoeken niet op korte termijn konden worden hervat, is een voorlopig oordeel over de situatie afgegeven. Met de bedoeling op een later moment alsnog een huisbezoek af te leggen om de leefsituatie te beoordelen.
Op deze manier heeft de SVB getracht burgers zoveel mogelijk duidelijkheid te geven. Daartoe is de werkinstructie in april 2020 in verband met corona tijdelijk aangepast. In de nieuwe werkinstructie is opgenomen dat als bij een later huisbezoek blijkt dat er te veel uitkering is toegekend, het besluit om de uitkering niet per terugwerkende kracht in gaat, maar per eerstvolgende gelegenheid. Dit om terugvorderingen, die kunnen zijn opgelopen door de vertraging in de onderzoeken door corona, te voorkomen.
Omdat de SVB nog steeds geen huisbezoeken aflegt, voert de SVB sinds november 2020 de onderzoeken telefonisch uit. Hiermee wordt voorkomen dat onderzoeken nog langer duren en klanten in onzekerheid blijven. In de casus zoals beschreven in de Stentor is de beoordeling abusievelijk niet conform de nieuwe werkinstructies verlopen. De SVB heeft in de bezwaarfase geconcludeerd dat de AOW-gerechtigde redelijkerwijs niet had kunnen weten dat hij een gezamenlijke huishouding voerde. Hierbij is meegewogen dat er geen sprake was van schending van de mededelingsverplichting, en meneer te goeder trouw heeft gehandeld. De SVB heeft daarom conform de tijdelijke werkinstructie besloten dat de AOW niet met terugwerkende kracht wordt herzien, maar per eerste gelegenheid zodat de terugvordering is komen te vervallen.
De coronacrisis heeft ertoe geleid dat de SVB geen huisbezoeken meer kan afleggen bij de onderzoeken naar de leefsituatie. Het is goed dat de SVB de werkprocessen en instructies in maart en april al snel had aangepast. Ik heb begrip voor het feit dat het enige tijd duurde om de nieuwe processen en werkinstructies bij iedereen te laten landen in de organisatie. Tegelijk mogen burgers hier niet slachtoffer van zijn. Ik vind het correct dat de SVB onderzoek heeft gedaan naar vergelijkbare gevallen en dat deze gevallen opnieuw worden beoordeeld.
Is het waar dat «de heer Venema bijna 5.000 euro moest terugbetalen omdat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een jaar lang heeft gedaan over een onderzoek naar een veranderde woonsituatie, terwijl daar normaal enkele weken voor staat»?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is om zoveel geld in rekening te brengen terwijl de SVB nalatig is geweest?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel mensen verkeren in een vergelijkbare situatie als de heer Venema? Hoeveel terugvorderingen zijn hoger uitgevallen doordat het onderzoek langer duurde dan gebruikelijk?
Zoals hierboven toegelicht is in de casus uit de Stentor de terugvordering komen te vervallen. De SVB heeft nader onderzoek gedaan naar dossiers die vergelijkbaar zijn met deze situatie. Sinds de SVB is gestopt met de huisbezoeken zijn 441 onderzoeken uitgevoerd die hebben geleid tot een terugvordering. Er zijn 14 zaken naar voren gekomen die vergelijkbaar zijn met de casus uit de Stentor. Het gaat hierbij om terugvorderingen die zijn opgelopen doordat het onderzoek langer heeft geduurd. De SVB bekijkt deze zaken individueel conform de tijdelijke werkinstructie. Bij de beoordeling worden alle feiten en omstandigheden meegewogen. Op basis van deze beoordeling wordt bezien of het passend is om de terugvordering te laten vervallen. Het besluit gaat dan niet in met terugwerkende kracht, maar gaat in per eerstvolgende mogelijkheid.
Klopt het dat de schuld van de heer Venema is kwijtgescholden? Waarom is dat gedaan? Gebeurt dit ook bij vergelijkbare gevallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u voorkomen dat er nieuwe gevallen ontstaan van mensen die hoge bedragen moeten betalen omdat onderzoek veel te lang op zich laat wachten?
Sinds november 2020 voert de SVB telefonische onderzoeken uit, als alternatief voor een huisbezoek. Hiermee is de doorlooptijd van het onderzoek ingeperkt tot de reguliere afhandeltijd en kan deze situatie zich niet meer voordoen.
Het artikel ‘Pensioenfonds Levensmiddelen wil af van dreigende korting’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Pensioenfonds Levensmiddelen wil af van dreigende korting»?1
Ja, met het artikel ben ik bekend.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat de winsten bij de supermarkten door het dak gaan, dat de supermarktbazen miljoenen aan bonussen incasseren, maar de pensioenen van de supermarktmedewerkers ondertussen worden gekort?
Ik kan mij voorstellen dat het door de vraagsteller geschetste beeld ontstaat. Beide onderwerpen moeten echter worden gescheiden. Het beloningsbeleid is een zaak van het bestuur van de supermarkten, in overleg met de raad van commissarissen. De pensioenregeling voor supermarktmedewerkers wordt uitgevoerd door het bedrijfstakpensioenfonds voor de Levensmiddelen (hierna: pensioenfonds Levensmiddelen) of door een eigen ondernemingspensioenfonds, zoals bijvoorbeeld voor de medewerkers van Albert Heijn het geval is. De dekkingsgraad van het pensioenfonds Levensmiddelen is al langer op een laag niveau. Uit de informatie die mij bekend is, heeft het pensioenfonds vorig jaar aangegeven per 1 januari 2021 de pensioenopbouw te zullen verlagen en de pensioenpremie te verhogen. Uit berichtgeving van het pensioenfonds blijkt dat ook werkgevers bijdragen aan het herstel bij dit pensioenfonds. Door de verhoging van de pensioenpremie – die voor 70% door de werkgever wordt betaald- en het bevriezen van de franchise zijn de pensioenkosten voor de werkgever ook toegenomen. Uiteindelijk is het aan werkgevers en werknemers om met elkaar een premie en opbouw af te spreken en daarbij de financiële situatie van het pensioenfonds in aanmerking te nemen.
Deelt u de mening dat het aan deze gepensioneerde supermarktmedewerkers niet uit te leggen is dat er fors op hun pensioen gekort gaat worden, terwijl er miljarden euro’s naar bedrijven gaan om banen te behouden?
De steun voor bedrijven is gericht op het behoud van banen, zodat mensen aan het werk kunnen blijven en in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Dat is een ander vraagstuk dan een pensioenverlaging, die ook een impact kan hebben op een individuele gepensioneerde, maar niet het verschil betekent tussen het wel of niet hebben van een baan en inkomen. Het doel van een verlaging is om ervoor te zorgen dat het vermogen in het pensioenfonds evenwichtig verdeeld is over alle deelnemers.
Kunt u aangeven hoeveel euro netto per maand gepensioneerde supermarktmedewerkers erop achteruit zullen gaan als er daadwerkelijk wordt gekort op hun pensioen?
Uit informatie van het pensioenfonds Levensmiddelen blijkt dat de korting per jaar uitkomt op ongeveer 0,85%.2 Ongeveer driekwart van de pensioenuitkeringen bij dit pensioenfonds is lager dan 250 euro per maand. Het fonds geeft aan te verwachten dat de meeste gepensioneerden er daarom ongeveer 2 euro per maand of minder op achteruit gaan. Ongeveer 95% van de pensioenuitkeringen bij het pensioenfonds is lager dan 850 euro per maand. Voor 95% van de gepensioneerden bedraagt de maandelijkse verlaging dan maximaal 10 euro.
Vindt u het ook exemplarisch voor het failliet van het huidig pensioenstelsel dat de dekkingsgraad van het pensioenfonds Levensmiddelen ondertussen al weer vijf procentpunten hoger ligt en dat op basis van deze dekkingsgraad een pensioenkorting niet nodig is?
Financiële markten kunnen veranderlijk zijn, waardoor de dekkingsgraad van een pensioenfonds maandelijks kan schommelen. In het huidige financiële toetsingskader voor pensioenfondsen gelden regels op basis waarvan tekorten en overschotten niet onmiddellijk maar gespreid worden verwerkt, om zo het effect van die schommelingen op de pensioenen te dempen. Maar daarvoor is nog steeds een meetmoment nodig. Dekkingsgraden kunnen na het meetmoment stijgen of dalen. Daar is op voorhand geen uitspraak over te doen en op voorhand is dus niet te zeggen of dat meetmoment tot een onnodige korting of onnodige indexatie leidt.
Hoewel pensioenen altijd afhankelijk zullen blijven van ontwikkelingen op financiële markten, onderstreept de vraagsteller inderdaad terecht de noodzaak tot vernieuwing van het pensioenstelsel. Een voordeel van het nieuwe pensioenstelsel is dat het beter mogelijk is om beleggingsrisico’s die deelnemers en gepensioneerden lopen af te stemmen op de risico’s die zij willen en kunnen dragen. Dit biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om gepensioneerden minder bloot te stellen aan deze risico’s dan nu het geval is.
Bent u van mening dat deze uitzonderlijke tijden om uitzonderlijke maatregelen vragen en dat aanvullende maatregelen nodig zijn om deze onnodige pensioenkorting bij het pensioenfonds levensmiddelen te voorkomen?
Ik heb met de vrijstellingsregeling onderkend dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Met die regeling heb ik onder voorwaarden ontheffing verleend van het voldoen aan de eisen die aan het (minimaal) vereist eigen vermogen worden gesteld. Een van die voorwaarden is dat een pensioenfonds een dekkingsgraad van minimaal 90% moet hebben. Het Bedrijfstakpensioenfonds Levensmiddelen heeft hieraan niet voldaan en moet ondanks de vrijstellingsregeling de pensioenen verlagen. Desondanks is de verlaging aanzienlijk kleiner dan die zonder vrijstellingsregeling geweest zou zijn. Immers moet nu gekort worden tot de 90% en niet tot een hogere dekkingsgraad. De grens van 90% vind ik een uiterste grens waaronder ik het onwenselijk vind dat pensioenfondsen zakken. Met een bodem van 90% wordt een balans gevonden tussen het voorkomen van enerzijds potentieel grote pensioenverlagingen die zouden moeten worden doorgevoerd bij het aanhouden van de reguliere grens van circa 104% en anderzijds het verder laten wegzakken van herstel bij pensioenfondsen.
Bent u van mening dat een pensioenfondsen met veel actieve deelnemers meer tijd en mogelijkheden hebben om mogelijke tekorten in te lopen en dat meer maatwerk tussen pensioenfondsen mogelijk moet worden om aan de vereiste dekkingsgraad te voldoen?
Het financieel toetsingskader is een generiek kader dat voor alle pensioenfondsen van toepassing is, maar het houdt ook rekening met de specifieke kenmerken van een pensioenfonds. Dus hoewel alle pensioenfondsen dezelfde hersteltermijnen hanteren, is daaronder sprake van verschillende herstelkracht op basis van fondsspecifieke kenmerken. Het toetsingskader biedt daarnaast ruime hersteltermijnen met mogelijkheid tot het gespreid doorvoeren van pensioenverlagingen. Binnen de begrenzingen van het ftk hebben sociale partners en pensioenfondsbesturen ruimte om evenwichtig beleid te bepalen.
Bent u daarom bereid om, in overleg met de De Nederlandsche Bank, te kijken hoe deze onnodige pensioenkorting bij het pensioenfonds Levensmiddelen kan worden voorkomen?
Ik vind het onwenselijk de vrijstellingsregeling die ik eind vorig jaar heb gepubliceerd aan te passen. Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 6 aangaf, vind ik een dekkingsgraad van 90% een uiterste grens. De Pensioenwet biedt naast de generieke vrijstellingsgrond (artikel 142) waarop de vrijstellingsregeling is gebaseerd, een fondsspecifieke uitzondering (artikel 141) als een fonds kan aantonen dat redelijkerwijs niet aan de bij wet gestelde vereisten kan worden voldaan en de doeleinden van de vereisten op een andere manier worden bereikt. Een fonds zal dit aannemelijk moeten maken en DNB zal het verzoek toetsen aan de gestelde vereisten. Op voorhand is er geen aanleiding te veronderstellen dat het pensioenfonds Levensmiddelen aan deze wettelijke voorwaarden voldoet.
De uitzending van Zembla inzake financiële ouderenmishandeling |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Zembla van donderdag 25 februari jl. over financiële ouderenmishandeling?1
Ja.
Klopt het dat de beleidsmatige aanpak van financiële ouderenmishandeling volgens de wet een verantwoordelijkheid is van lokale overheden (gemeenten)?
Ja, dat klopt. Gemeenten zijn onder de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Deze wet bevat geen eisen over de invulling van deze verplichting voor specifieke vormen van huiselijk geweld, waaronder ouderenmishandeling.
Klopt het dat «de overheid uitgaat van minstens 30.000 gevallen van financiële ouderenmishandeling» per jaar? Deelt u de analyse dat dit slechts «het topje van de ijsberg» is?
Uit het prevalentieonderzoek van Regioplan, uitgevoerd in 20182 blijkt dat naar schatting 1 op de 20 thuiswonende ouderen (5,5%) ooit te maken heeft gehad met ouderenmishandeling en dat jaarlijks 1 op de 50 ouderen slachtoffer (2,0%) wordt.3 De meest gerapporteerde vorm van ouderenmishandeling is financieel misbruik, dat bij ongeveer 3% van de ouderen voorkomt.
Ik deel de analyse dat dit slechts de bekende gevallen zijn. Ouderenmishandeling ligt veelal in de taboesfeer, ouderen durven niks te zeggen uit schaamte, of er liggen bijvoorbeeld ingewikkelde familierelaties aan ten grondslag. De onderzoekers gaven in het prevalentieonderzoek aan dat, gezien de beperkingen van het onderzoek, er helaas goede grond is aan te nemen dat de prevalentiecijfers van 5,5% sinds het 65e levensjaar en 2,0% in 2017 een ondergrens betreft en dat mogelijk een groter deel van de 65-plussers in Nederland te maken krijgt met ouderenmishandeling, waaronder financieel misbruik.
Zijn er signalen bekend dat financiële ouderenmishandeling het afgelopen jaar is toegenomen als gevolg van de (maatregelen omtrent) de coronacrisis?
Op landelijk niveau zijn deze signalen niet bekend. Het aantal adviesvragen en meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis is niet toegenomen ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. Tegelijkertijd kunnen we er wel vanuit gaan dat het risico op financieel misbruik toeneemt tijdens de coronacrisis, door de grotere mate van afhankelijkheid van ouderen van hun omgeving en beperkte sociale contacten.
Hoe vaak komt het voor dat het financieel uitbuiten van ouderen leidt tot strafrechtelijke vervolging?
Vormen van financiële uitbuiting zoals diefstal, verduistering, valsheid in geschrifte of oplichting vallen onder de vermogensdelicten en zijn strafbaar op grond van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 225 e.v., 311, 312, 321 e.v., en 326). Van strafbare feiten kan aangifte worden gedaan bij de politie en daarmee kan de strafrechtketen worden ingezet. Het OM heeft vervolgens de beslissingsbevoegdheid om te vervolgen. Het OM houdt niet bij in hoeveel zaken vervolging wordt ingesteld naar aanleiding van aangiftes van financieel misbruik tegen ouderen.
Deelt u de mening dat vriendschappelijke en/of familiaire banden kunnen bijdragen aan het ontbreken van een gerede pakkans voor de criminelen die ouderen financieel uitbuiten? Deelt u de mening dat de pakkans veel te laag is?
Ouderenmishandeling is een vorm van geweld in afhankelijkheidsrelaties, waarbij ingewikkelde familierelaties, een hoge mate van afhankelijkheid van de oudere, en schaamte voor het feit dat hen dit overkomt een rol spelen. Dit maakt het voor het slachtoffer moeilijk om het probleem bespreekbaar te maken en hulp te zoeken, waardoor meldingen bij Veilig Thuis en de politie uitblijven. Het is onacceptabel dat mensen in de zogenaamde vertrouwde omgeving van de oudere misbruik maken van hun kwetsbare positie.
Ik heb van de politie echter geen signalen ontvangen dat, wanneer melding of aangifte is gedaan, de pakkans lager is (of dat de bewijsvoering moeilijker is) in gevallen waarbij sprake is van familiaire of vriendschappelijke banden tussen slachtoffer en verdachte. De politie neemt signalen van financiële uitbuiting zoals diefstal, verduistering, valsheid in geschrifte of oplichting gericht tegen kwetsbaren zoals ouderen, serieus en pakt aangiften zo adequaat en vlot mogelijk op. Indien er een signaal is dat de oorsprong van de financiële uitbuiting in de vriendschappelijke en/of familiare kring van de betrokkene ligt, wordt Veilig Thuis geïnformeerd om in overleg met partners de juiste hulp en inzet te bepalen.
In hoeveel Nederlandse gemeenten is een goed geëquipeerde «lokale alliantie» actief ter bestrijding van financiële ouderenmishandeling? Beschouwt u dit aantal als een mislukking van het beleid? Indien nee, waarom niet?
Ik heb op landelijk niveau geen exact overzicht beschikbaar van alle actieve lokale allianties. Het bereik van de lokale alliantie verschilt: sommige lokale allianties zijn in één gemeente actief, andere allianties werken op regionaal niveau.
Naar schatting zijn ruim 60 lokale allianties actief of in de fase van oprichting. Dit beschouw ik als een redelijk resultaat van het beleid in de afgelopen jaren. Gezien de rol van lokale allianties is het van belang dat de allianties worden versterkt waar nodig (bijvoorbeeld op het gebied van continuering) en dat zij in verbinding zijn met de gemeenten. Het beleid van gemeenten rond ouderenmishandeling is continu in ontwikkeling. In de projectenpool 2020–2021 van het programma Geweld hoort nergens thuis hebben bijvoorbeeld regio Kennemerland en West-Veluwe Vallei projecten gehonoreerd gekregen om specifiek aandacht te geven aan financieel misbruik.
Eind vorig jaar is een handreiking ouderenmishandeling gepubliceerd voor gemeenten, ontwikkeld in samenwerking tussen VWS, Movisie en regionale projectleiders van Geweld hoort nergens thuis, waarin ook de lokale allianties een plek hebben. Gemeenten hebben hiermee concrete handvatten om aan de slag te gaan met het versterken van de aanpak van financieel misbruik. Een lokale alliantie kan daarin een belangrijk onderdeel zijn.
Is het juist dat er geen landelijke aansturing plaatsvindt om ervoor te zorgen dat er in alle gemeenten een actieve en goed geëquipeerde «lokale alliantie» wordt opgericht, ter bestrijding van de verfoeilijke praktijken van individuen die ouderen financieel uitbuiten?
Zoals ook beantwoord in vragen 5 en 6 van het lid Bergkamp over dit onderwerp: gemeenten zijn onder de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld.5 Deze wet bevat geen gedetailleerde eisen over hoe deze verplichting moet worden ingevuld voor specifieke vormen van geweld, waaronder ouderenmishandeling. Het beleggen van deze verantwoordelijkheid bij gemeenten heeft als doel dat zij beleid kunnen inrichten naar lokale omstandigheden en met lokale samenwerkingspartners.
Gemeenten hebben de vrijheid om hun beleid op andere wijze en met andere instrumenten vorm te geven. Ik ben dan ook niet voornemens om specifieke acties in te zetten gericht op het realiseren van allianties in alle gemeenten, of om acties op te zetten als onderdeel van landelijke aansturing van de aanpak.
Dat neemt niet weg dat ik van mening ben dat lokale allianties toegevoegde waarde hebben en als goed voorbeeld onder de aandacht gebracht dienen te worden van gemeenten die zo’n alliantie niet hebben. Ik wil gemeenten ook aanmoedigen om bestaande lokale allianties te versterken. Daarbij is het belangrijk om de lokale allianties te zien binnen de bredere lokale aanpak van ouderenmishandeling en de kracht van de «bottom-up» strategie te behouden. Het kan daarin een belangrijk instrument zijn bij de preventie en aanpak van financieel misbruik, waar gemeenten een ondersteunende rol in kunnen spelen, of zoals in sommige gevallen, een voortrekkersrol. De vorm en uitwerking hangt af van de lokale context.
Samen met de VNG doe ik een uitvraag bij verschillende gemeenten over wat zij nodig denken te hebben voor het versterken van de aanpak ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik. Op basis van deze uitvraag zal ik samen met de VNG bezien hoe gemeenten hierin het beste ondersteund kunnen worden.
Deelt u de mening dat goed geëquipeerde «lokale allianties» in staat zijn om gevallen van financiële ouderenmishandeling te signaleren en te stoppen?
Ja, ik deel die mening. Onderzoek van Regioplan uit 20194 bevestigt dat lokale allianties een belangrijke rol kunnen spelen in het voorkomen van financieel misbruik. Het rapport geeft aan dat de meerwaarde van een lokale alliantie is dat zij specifieke expertise kan inbrengen vanuit met name de private partijen en die kan combineren met kennis vanuit publieke partijen. Door de inbreng van specifieke kennis via de lokale alliantie kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden. Daarnaast geeft het rapport aan dat lokale allianties hierbij een ondersteunende rol kunnen hebben voor Veilig Thuis in die regio.
In ditzelfde rapport komt naar voren dat meerdere allianties nauw samenwerken met de gemeenten en in een enkel geval is de gemeente een van de organisaties die het voortouw nemen binnen de lokale alliantie.
Deelt u de mening dat in elke Nederlandse gemeente een goed geëquipeerde lokale alliantie ter bestrijding van financiële ouderenmishandeling actief moet zijn? Bent u bereid om maatregelen te nemen waarmee dit doel binnen een jaar wordt bereikt? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om de landelijke «aansturing» van het beleid ten aanzien van financiële ouderenmishandeling zodanig op te voeren, dat er in alle Nederlandse gemeenten een actieve «lokale alliantie» totstandkomt? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat een relatief klein subsidiebedrag voor «lokale allianties» ter bestrijding van financiële ouderenmishandeling, een enorm positief effect kan hebben op het aantal actieve «lokale allianties» en op de effectiviteit van het beleid?
Met een relatief klein budget kunnen lokale allianties inderdaad een positief effect hebben op het leven van ouderen. Niet alleen in het signaleren van gevallen waar het mis is gegaan, maar zeker ook in de preventieve en voorlichtingsrol. Lokale professionals, bijvoorbeeld de wijkagent en de notaris, weten elkaar, wanneer zij onderdeel zijn van een lokale alliantie, te vinden als er een vermoeden is van financieel misbruik.
Kunt u toelichten waarom «lokale allianties» geen gebruik maken van de netwerken van ouderenbonden?
Het is per lokale alliantie verschillend welke partijen deelnemen en een bijdrage leveren aan de aanpak op lokaal niveau. De ouderenbonden KBO-PCOB, Nationaal Ouderenfonds, NOOM en Anbo zijn betrokken bij een aantal lokale allianties en zijn op landelijk niveau vertegenwoordigd in de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden. Dit is een samenwerkingsverband tussen banken, maatschappelijke partijen, ouderenbonden, notarissen, Veilig Thuis en andere betrokken partijen in de aanpak. Ik ben bereid samen met de VNG in gesprek te gaan met deze ouderenbonden om te bespreken wat de ouderenbonden en hun netwerk van vrijwilligers zouden kunnen betekenen voor lokale allianties.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met ouderenbonden die een lokaal vrijwilligersnetwerk hebben en ervoor te zorgen dat die betrokken worden bij bestaande «lokale allianties» en bij het opzetten van nieuwe allianties?
Zie antwoord vraag 13.
Zijn er succesvolle «lokale allianties»? Zo ja, wie heeft daar de regie gehad en worden die best practices gedeeld met andere gemeenten?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 van het lid Bergkamp, zijn vanuit het programma Geweld hoort nergens thuis verschillende acties ondernomen voor uitwisseling tussen gemeenten. Zo is op 18 februari jl. een webinar georganiseerd voor regionale projectleiders en gemeenteambtenaren om goede voorbeelden uit te wisselen, waaronder over financieel misbruik en de samenwerking met lokale allianties. Tijdens deze bijeenkomst werden een aantal lokale allianties die al lange tijd succesvol samenwerken uitgelicht, waaronder de lokale alliantie in Meppel. In deze alliantie heeft een aantal partijen het voortouw genomen, waaronder de gemeente Meppel, de Rabobank, lokale notarissen, advocaten en bewindvoerders en een lokale zorggroep en welzijnsorganisatie (Noorderboog en Welzijn MensenWerk).
Wat zijn de (overhead)kosten en de beleidsmatige kosten van het «aanjaagteam» precies geweest sinds de start? Welke productie is precies geleverd door het «aanjaagteam»?
Als onderdeel van het programma Ouderen in Veilige Handen, hebben twee «aanjaagteams» lokale allianties versterkt op landelijk niveau. Dit waren opdrachten verleend aan Seastarters in 2017 (totaalkosten: € 29.700 excl. btw) en in 2018 (totaalkosten: € 99.600 excl. btw).
De twee teams hebben het aantal lokale allianties vergroot en daarbij ook de verbinding met de gemeenten gezocht. Veel lokale allianties hadden praktische ondersteuning nodig bij het enthousiasmeren van het lokale veld, het organiseren van een startbijeenkomst en het informeren van betrokkenen. Ik ben tevreden over de beweging die het aanjaagteam teweeg heeft gebracht. Nu is het aan de gemeenten om de verbinding te maken met het lokale beleid rondom de ouderen en in te zetten op bestendiging en doorontwikkeling van het beleid op het gebied van ouderenmishandeling en financieel misbruik in het bijzonder. Samen met de VNG ben ik hierover in gesprek met gemeenten en neem ik ook de vraag mee of en zo ja in welke vorm zij daarbij ondersteuning kunnen gebruiken.
Bent u tevreden over de inzet en de aanpak van uw «aanjaagteam?»
Zie antwoord vraag 16.
Schadelijke beleggingen van pensioenfondsen. |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen artsen beleggen in wapens, drank, casino’s en cannabis»?1
Ja.
Bent u ook bekend met de resultaten van het donderdag op 25 februari 2021 gepubliceerde onderzoek van de Eerlijke Pensioenwijzer naar de financiering van schendingen van landrechten door pensioenfondsen?2
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat nota bene de pensioenfondsen van artsen op grootschalige wijze beleggen in drugs, alcohol en wapens? Deelt u de mening dat dit volstrekt onacceptabel is?
Pensioenfondsen bepalen zelf waarin zij beleggen, daar gaat het kabinet niet over. In het beleggingsbeleid houdt het pensioenfonds rekening met de voorkeuren van de deelnemers. Voor de manieren waarop pensioenfondsen dit doen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen verantwoord is en vindt daarbij de fondsen aan zijn zijde. Daarom heeft het kabinet samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant gesloten. Het IMVB-convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) in het beleid van pensioenfondsen en implementatie in de uitvoering. Binnen dit convenant prioriteert een pensioenfonds duurzaamheidsthema’s op basis van risico-inschatting, gepaste zorgvuldigheid (due diligence) en deelnemersraadpleging. Inmiddels hebben meer dan 80 pensioenfondsen het convenant medeondertekend.
Wat is uw reactie op het feit dat de tien grootste pensioenfondsen in Nederland (minimaal) 8,2 miljard euro beleggen in 46 bedrijven die betrokken zijn bij ernstige schendingen van landrechten? Deelt u de mening dat dit ontluisterende resultaten zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is volgens u de relatie tussen de zeer gebrekkige naleving van het Internationaal Verantwoord Maatschappeijk Beleggen (IMVB-) Convenant Pensioenfondsen, waarover ik recentelijk Kamervragen heb gesteld, en de in voorgaande vragen aan de orde gestelde problematische casussen?
In de beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen (Kamerstuk 2083, 22 maart jl.) over het eerste monitoringsrapport van het IMVB-convenant Pensioenfondsen is toegelicht waarom de voortgang van de pensioenfondsen in het eerste jaar van het convenant achterblijft bij de doelstellingen.
Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. Of de eerdergenoemde thema’s worden geselecteerd als meest prioritair is een afweging dat elk pensioenfonds afzonderlijk maakt met inachtneming van ernst en waarschijnlijkheid in lijn met de OESO-richtlijnen en van deelnemersvoorkeuren. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee binnen de hiervoor gestelde termijnen in het convenant hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen.
Op welke manier geven pensioenfondsen invulling aan de uit de Pensioenwet voortvloeiende verplichting dat het geld in lijn met de wens van deelnemers belegd moet worden? Vindt u dat bovenstaande casussen laten zien dat deze wettelijke verplichting niet voldoende nageleefd wordt? Zo nee, hoe kan het anders zijn dat artsen zelf zeer negatief reageren op de schadelijke investeringen die hun pensioenfondsen doen?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Bij een paritair bestuursmodel worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur. Daarnaast worden werkgevers benoemd in het verantwoordingsorgaan, en worden de vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden in dit orgaan verkozen. Via deze vertegenwoordiging worden de belangen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden behartigd en hun opvattingen meegewogen binnen de eigenstandige integrale bestuurstaak van het fonds, om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Verder is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het gevoerde beleggingsbeleid en de bestuurskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag.
Verder blijkt uit navraag bij de Pensioenfederatie, dat in zijn algemeenheid pensioenfondsen in toenemende mate de deelnemers actief betrekken bij de vormgeving van het beleggingsbeleid. Dit doen zij onder meer door het uitzetten van enquêtes of het inschakelen van onderzoeksbureaus en universiteiten.
Vindt u dat de bovengenoemde casussen laten zien dat de verplichtingen uit IORP II en de Pensioenwet, die pensioenfondsen voorschrijven dat zij rekening moeten houden met de langetermijneffecten van beleggingsbeslissingen op Environmental, Social en Governance (ESG-)factoren, dit moeten integreren in hun risicomanagement (beiden IORP II) en hierover moeten rapporteren in hun jaarverslag (Pensioenwet) en communicatie met deelnemers (IORP II), onvoldoende nageleefd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid hier met de toezichthouder over in gesprek te gaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarin de richtlijn IORP II is geïmplementeerd, verplicht pensioenfondsen expliciet in het kader van een beheerste bedrijfsvoering en in de eigenrisicobeoordeling dat zij de risico’s beheersen die zich voordoen op terrein van milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen (ESG).
De vraag in hoeverre een pensioenfonds eventuele negatieve impact van het beleggingsbeleid op ESG-factoren of duurzaamheidsfactoren meeweegt, is bij uitstek een onderwerp dat zich leent voor het overleg van het fondsbestuur met de fondsorganen, om op dit gebied de doelstellingen en beleidsuitgangspunten vast te stellen. Pensioenuitvoerders moeten volgens de Verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector vermelden in hun jaarverslag op welke wijze zij in het beleggingsbeleid rekening houden met ESG-factoren. Als pensioenuitvoerders negatieve duurzaamheidsimpact meewegen, moeten zij in de verklaring op de website daarover verantwoording afleggen in de voorgeschreven terminologie. Dit zal een wezenlijke impact hebben op de rapportageplicht van pensioenuitvoerders. Op deze manier worden overwegingen rond duurzaamheid transparanter en beter vergelijkbaar voor deelnemers.
Het staat pensioenuitvoerders vrij om op hun website te vermelden dat zij geen rekening houden met negatieve duurzaamheidsimpact bij het doen van beleggingen (hierna: de negatieve verklaring). In dat geval behoeft het fonds geen inhoudelijke verantwoording af te leggen over haar due diligence beleid. Echter, de pensioenuitvoerder zal dan (wel) de negatieve verklaring op de website moeten voorzien van een motivering (comply-or-explain). Hierop is één uitzondering, namelijk: pensioenuitvoerders met 500 of meer werknemers, mogen niet kiezen voor een negatieve verklaring.
Beslissingen om te beleggen in investeringen moeten passen binnen de beleidsuitgangspunten en doelstellingen van het fonds. Dit geldt voor alle investeringen dus ook als die nadelige effecten zouden kunnen hebben op ESG-factoren. Daarover moet worden gerapporteerd in het bestuursverslag en moeten eventuele risico’s die daaruit voortvloeien worden beheerst. Het pensioenfonds is daarvoor als eerste zelf verantwoordelijk. De vraag of pensioenfondsen de Pensioenwet onvoldoende naleven kan op basis van de informatie uit de genoemde casussen niet zomaar beantwoord worden.
Vindt u dat bovengenoemde casussen aanleiding bieden om de vereisten ten aanzien van het integreren van ESG-factoren in het beleggingsbeleid en de verslaggeving hierover aan te scherpen, zowel in Europees verband als in Nederland (Pensioenwet)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het afgelopen jaar liep er in Europees verband een herziening van de Non-Financial Reporting Directive (NFRD). Deze eist van bepaalde bedrijven en instellingen dat zij rapporteren over niet-financiële informatie, zoals arbeid, mensenrechten, milieu en corruptie. Het kabinet heeft deelgenomen aan de publieke consultatie en onder andere aangegeven dat due diligence in lijn met de OESO-richtlijnen vereist zou moeten worden.3 Op 21 april jl. heeft de Europese Commissie het voorstel voor herziening gepresenteerd.4 Met dit voorstel zou de reikwijdte van de richtlijn (het aantal bedrijven en instellingen dat eraan moet voldoen) behoorlijk worden uitgebreid en worden er meer eisen gesteld over bekendmaking van de impact van het bedrijf op mens en milieu. In de pensioensector zullen mogelijk pensioenuitvoeringsorganisaties (PUO’s) onder de richtlijn vallen. Of dit ook voor de pensioenfondsen geldt, is op dit moment nog niet bekend.
Verder heeft het kabinet op 16 oktober 2020 de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige maar zeer zeker niet vrijblijvende instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Het kabinet heeft daarbij een sterke voorkeur voor een Europese brede due diligence verplichting uit oogpunt van een gelijk speelveld en een grotere effectiviteit van beleid. Het kabinet zal daarom maximaal inzetten op het beïnvloeden van de ontwikkelingen in Europa om een Europese brede due diligence verplichting te realiseren.
Bent u bereid om volledige transparantie te vereisen van de grootste tien Nederlandse pensioenfondsen over de maatregelen die zij genomen hebben om het financieren van landroof tegen te gaan en de concrete effecten die dit tussen nu en eind 2021 gehad heeft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat ze de OESO-richtlijnen en de UNGP’s naleven. Dit houdt in dat zij de vereiste, gepaste zorgvuldigheid (due diligence) toepassen. Een belangrijk onderdeel van gepaste zorgvuldigheid is het transparant rapporteren over de genomen beslissingen en de opvolging en voorkoming van misstanden in de waardeketen. Daarom zijn er ook expliciet afspraken opgenomen over rapportage en transparantie in hoofdstuk 6 van het pensioenconvenant en hebben pensioenfondsen zich gecommitteerd om te rapporteren over het beleid en de uitvoering van prioritaire thema’s. Het is aan de pensioenfondsen zelf wanneer zij dit doen en in welke vorm. Dit neemt niet weg dat ik hen oproep om zo transparant mogelijk te zijn en gebruik te maken van de aangeboden kennis en ontwikkelde producten binnen het pensioen- en verzekeringsconvenant, zoals het webinar over landrechten en het instrumentarium5.
Bent u bereid pensioenfondsen publiekelijk op te roepen zo spoedig mogelijk te stoppen met het financieren van activiteiten, waarbij sprake is van landroof, drugs, alcohol, tabak en wapens? Welke verdere stappen gaat u zetten om te waarborgen dat pensioenfondsen zich aan de OESO-richtlijnen gaan houden? Bent u bereid pensioenfondsen aan te zetten om zich bij de Nederlandse LANDdialoog aan te sluiten? Op welke manier gaat u zich hier hard voor maken?
Graag verwijs ik hiervoor ook naar de beantwoording van vraag 9, waarin ik aangeef dat het kabinet van pensioenfondsen die internationaal opereren verwacht dat zij de OESO-richtlijnen en de UNGP’s naleven. Dit betekent dat zij voor hun financieringskeuzes risico’s op misstanden voor mens en milieu in kaart brengen, hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen, te verminderen en/of aan te pakken, de aanpak hiervan monitoren en hier verantwoording over afleggen. Hoe individuele pensioenfondsen invulling geven aan de naleving van deze internationale richtlijnen en in welke bedrijven zij wel of niet investeren is de verantwoordelijkheid en keuze van de individuele pensioenfondsen. Dit geldt ook voor de beslissing om engagement te voeren met een bedrijf of juist over te gaan tot uitsluiting.
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 8 heeft het kabinet een nieuwe IMVO-nota opgesteld. Hierin wordt ingezet op een mix van verplichtende en vrijwillige maatregelen om de implementatie van gepaste zorgvuldigheid door bedrijven beter te waarborgen.
In het IMVB-convenant Pensioenfondsen zijn verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Om de richtlijnen hier nog beter in te borgen, zullen er dit jaar aanvullende webinars worden georganiseerd over de OESO-richtlijnen, waaronder over de verschillende stappen van gepaste zorgvuldigheid. Ook is er 22 april jl. een webinar georganiseerd over landrechten. In dit verband is de multi-stakeholder LANDdialoog6 onder de aandacht van pensioenfondsen gebracht.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour sturen?
Vraag 3 en 4 zijn tezamen beantwoord. Gezien het verkiezingsreces en nadere informatie-inwinning was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
Het uit zijn huurhuis zetten van een bejaarde man door sociale woningcorporatie Stek in Lisse |
|
Julius Terpstra (CDA), René Peters (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat een 76-jarige man uit zijn senioren(huur)woning in Lisse wordt gezet door woningcorporatie Stek omdat hij met zijn Sint Bernardhond overlast zou hebben veroorzaakt in 2019?1 2
Ja.
Herinnert u zich de afspraak die u in maart 2020 met verhuurdersorganisaties en brancheverenigingen hebt gemaakt dat zij tijdens de coronacrisis niet tot huisuitzettingen overgaan?
Ja, ik herinner mij deze afspraken. U verwijst naar de afspraken die ik in oktober 2020 met verhuurdersorganisaties (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) en de VNG maakte en in een gezamenlijk statement naar buiten bracht. Daarin hebben de partijen afgesproken dat zij huisuitzettingen voorlopig gedurende de corona-crisisperiode uitstellen, tenzij er evidente redenen zijn, zoals criminele activiteiten of (extreme) overlast. Deze afspraken over de inzet op het voorkomen van huisuitzettingen hebben partijen herijkt en verlengd (zie bijlage 1). De specifieke situatie waar u mij over bevraagt, valt daarmee buiten de reikwijdte van de afspraken in het statement. De inhoudelijke aanleiding voor ontbinding- en ontruiming is niet gerelateerd aan huurachterstanden. De rechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst mag worden ontbonden op basis van aanhoudende woonoverlast3.
Hoe verhoudt deze voorgenomen uitzetting zich tot de afspraak die u met de woningcorporaties en brancheorganisaties hebt gemaakt om tijdens de coronacrisis niemand uit zijn/haar huurwoning te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u er bij woningcorporatie Stek, in lijn met die gemaakte afspraken, op aandringen in deze casus niet daadwerkelijk tot huisuitzetting over te gaan, ondanks het vonnis van de kantonrechter waartegen appèl is ingediend? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hierboven reeds aangaf handelt de woningcorporatie niet in strijd met de gemaakte afspraken rondom het voorkomen van huisuitzettingen wegens betaalachterstanden door de gevolgen van de coronacrisis. Het gaat hier immers niet om een vonnis tot ontbinding en ontruiming wegens het niet-betalen van de huur, maar om een situatie van aanhoudende woonoverlast. Deze situatie valt daarmee buiten de reikwijdte van de gemaakte afspraken (zie ook het statement in bijlage 1). Het afdwingen van afspraken bij de woningcorporatie is daarmee ook niet aan de orde.
De kantonrechter heeft in deze casus het ontruimingsvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring is in een door de huurder aangespannen kort geding niet geschorst. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer in ogenschouw genomen dat Stek heeft verklaard dat haar sociale partners zich inspannen om te voorkomen dat de huurder die het betreft na ontruiming met zijn hond op straat staat. De woningcorporatie liet mij desgevraagd ook weten samen met sociale partners een alternatieve tijdelijke huisvestingsoplossing met begeleiding te hebben gevonden. Medewerking vanuit de huurder is hierbij noodzakelijk. Ondertussen liepen er nog diverse juridische procedures tegen het uitgesproken vonnis bij de rechter. De rechter heeft op een zitting op 22 maart jl. besloten dat de geplande ontruiming van 24 maart wordt opgeschort tot 5 april. De huurder moet op korte termijn laten weten of hij de aangeboden woonruimte accepteert.
Welke instrumenten heeft u om het nakomen van de afspraken bij woningcorporatie Stek in deze casus zo nodig af te dwingen en zult u deze inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat een sociale woningbouwcorporatie, i.c. Stek, ondanks een verzoek daartoe van de advocaat van de man, de uitspraak in appèl niet wil afwachten en deze 76-jarige man de huurwoning uiterlijk 24 maart 2021 dient te ontruimen?
Zie antwoord vraag 4.
Indien huisuitzetting in strijd met de daartoe gemaakte afspraken in deze casus toch plaats vindt, vindt u dat woningcorporatie Stek de uitgezette huurder alternatieve huisvesting moet aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kent u meerdere berichten uit gemeenten dat huurders door de verhuurders, ondanks de gemaakte afspraak, toch uit hun huurwoning (dreigen te) worden gezet? Zo ja, welke gemeenten en verhuurders betreft het?
Ja, via Kamervragen zijn mij diverse situaties bekend geworden waarbij werd verondersteld dat gemaakte afspraken over het voorkomen van huisuitzettingen werden geschonden. In alle gevallen bleek er bij navraag bij betrokken partijen meer, of iets anders, aan de hand te zijn dan een huurachterstand. Zie bijvoorbeeld de situaties die aan de orde zijn gesteld in Kamervragen van de leden Dik-Faber en Bruins (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1858)4, Kamervragen van het lid Beckerman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 514)5 en Kamervragen van het lid Koerhuis (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 979)6.
Wat is uw oordeel over het (mogelijk) schenden van de gemaakte afspraken door deze verhuurders?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u op welke termijn ondernemen om naleving van de gemaakte afspraken bij deze verhuurders af te dwingen?
Zie antwoord vraag 4.
De aanpak van financiële ouderenmishandeling |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de Zembla-uitzending «Azen op de erfenis»?1
Ja.
Wat is uw reactie op signalen uit deze uitzending dat ouderen nog te weinig beschermd worden tegen financiële mishandeling, ondanks de in het leven geroepen lokale allianties?
Het is zorgelijk dat er zo veel kwetsbare ouderen zijn die risico lopen slachtoffer te worden van ouderenmishandeling. Naar schatting heeft 1 op de 20 ouderen ooit te maken gehad met ouderenmishandeling en wordt jaarlijks 1 op de 50 ouderen slachtoffer.2 De meest gerapporteerde vorm van ouderenmishandeling is financieel misbruik. Vanwege de hoge prevalentie, de toename van het aantal ouderen in Nederland en de ernstige gevolgen, zijn in het programma Geweld hoort nergens thuis specifieke maatregelen genomen voor het eerder en beter in beeld brengen en structureel oplossen van geweld tegen ouderen, waaronder financieel misbruik. Zo is het onderwerp bijvoorbeeld onder de aandacht gebracht met publiekscampagnes en zijn vrijwilligers en professionals getraind in het herkennen van signalen. Het is de bedoeling dat lokale allianties een belangrijke rol spelen in zowel de preventie als signalering van financieel misbruik.
Kunt u reflecteren op de vraag of deze lokale allianties voldoende van de grond zijn gekomen?
De kracht van lokale allianties is dat zij «bottom-up» ontstaan, met betrokken mensen en organisaties die intrinsiek gemotiveerd zijn en zich willen inzetten voor de bescherming van ouderen. Daarnaast is het een unieke samenwerking tussen publieke en private partijen, met organisaties die elkaar niet vanzelfsprekend tegenkomen, zoals ouderenbonden, banken, notarissen en de lokale verpleeghuizen. Onderzoek van Regioplan uit 2019 bevestigt dat: de meerwaarde van een lokale alliantie is dat zij specifieke expertise kan inbrengen vanuit met name de private partijen en die kan combineren met kennis van publieke partijen. Door de inbreng van specifieke kennis via de lokale alliantie kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden.3
Inmiddels zijn ongeveer 65 lokale allianties actief of in de fase van oprichting. Dit is op zichzelf al een mooi resultaat. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 van de vragen van het lid Van Brenk, is het beleid continu in ontwikkeling en worden stappen gezet om gemeenten handvatten te geven bij de verdere ontwikkeling van de aanpak tegen ouderenmishandeling.4
Bent u van mening dat te veel senioren nog te kwetsbaar zijn, waardoor zij een te gemakkelijk doelwit worden van financieel misbruik?
Ik deel deze opvatting. Om deze reden heb ik informatieboxen Financieel Veilig Ouder Worden beschikbaar gesteld, om ouderen te helpen bij het veilig regelen van hun geldzaken. Deze box is samengesteld met banken, notarissen, Veilig Thuis, ouderenbonden, Mentorschap Nederland en verschillende vrijwilligersorganisaties. Zo kunnen ouderen zich voorbereiden op het financiële aspect van ouder worden, door bijvoorbeeld na te denken over een levenstestament en een boodschappenrekening voor de mantelzorger. Daarnaast heeft Movisie samen met het programma en regionale projectleiders van Geweld hoort nergens thuis (met financiering van VWS) een handreiking ontwikkeld, zodat gemeenten handvatten hebben om een effectieve aanpak te ontwikkelen.5 Hierin wordt ook specifiek aandacht besteed aan de rol van de gemeente in het aanpakken van financieel misbruik.
Zijn met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afspraken gemaakt over de duur van het opzetten van een lokale alliantie? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen? Zo ja, welke consequenties hangen aan het niet naleven van deze duur en zijn deze consequenties ook daadwerkelijk genomen in de gemeenten zonder alliantie?
Gemeenten zijn onder de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Deze wet bevat geen gedetailleerde eisen over de invulling van deze verplichting voor specifieke vormen van geweld, waaronder ouderenmishandeling. Het beleggen van deze verantwoordelijkheid bij gemeenten heeft als doel dat zij beleid kunnen inrichten naar lokale omstandigheden en met lokale samenwerkingspartners.
Ik ben dan ook niet voornemens om specifieke acties in te zetten, maar ik wil gemeenten wel aanmoedigen om lokale allianties te versterken, of als zij nog geen alliantie hebben, te verkennen of een lokale alliantie kan bijdragen aan de lokale aanpak van ouderenmishandeling. Ik ben hierover met de VNG in gesprek, en daarnaast doe ik op korte termijn samen met de VNG een uitvraag bij verschillende (centrum)gemeenten en regionale projectleiders van Geweld hoort nergens thuis over wat zij nodig hebben voor het versterken van de aanpak ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik. Op basis van deze uitvraag zal ik samen met de VNG bezien hoe gemeenten hierin het beste ondersteund kunnen worden.
Welke acties bent u voornemens te ondernemen tegen gemeenten die zich onvoldoende inzetten om een alliantie tot stand te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u ervan dat lokale allianties voor een groot gedeelte bestaan uit vrijwilligers? En denkt u dat dit een goede basis is om financiële ouderenmishandeling aan te pakken, aangezien de overheid per jaar van minimaal 30.000 gevallen van financieel misbruik uitgaat, terwijl deskundigen menen dat dit getal in werkelijkheid veel hoger ligt?
Het is mooi om te zien dat men zich op vrijwillige basis inzet voor het voorkomen van financiële uitbuiting. Tegelijkertijd is het voortbestaan van een alliantie zeker kwetsbaarder wanneer de inzet vrijblijvend is. Dit punt neem ik mee in de lopende gesprekken met VNG en gemeenten, met het oog op duurzaamheid en borging van lokale allianties. Er worden verschillende acties ingezet om ouderenmishandeling tegen te gaan, zoals het ontwikkelen van e-learnings voor vrijwilligers door Movisie, trainingen door ouderenmigrantenorganisatie NOOM, en aandacht voor het onderwerp door zorginstellingen.
In hoeverre werken gemeenten samen en wordt samenwerking tussen gemeenten gestimuleerd, zodat kennis met betrekking tot techniek, werkmethode en activiteiten met elkaar gedeeld kan worden om zo de effectiviteit van verschillende initiatieven te vergroten?
Vanuit het programma Geweld hoort nergens thuis worden verschillende acties hierop ingezet. Zo is op 18 februari jl. een webinar georganiseerd voor regionale projectleiders en gemeenteambtenaren om goede voorbeelden uit te wisselen, te leren over de verschillende vormen van ouderenmishandeling (specifiek ontspoorde mantelzorg en financieel misbruik) en het ontwikkelen van een lokale aanpak ouderenmishandeling. Ongeveer 75 deelnemers waren aanwezig, afkomstig van gemeenten door het hele land.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) om te kijken hoe preventie van financiële ouderenmishandeling beter voorkomen en aangepakt kan worden, nu blijkt dat banken vaak niet in staat zijn om financieel misbruik van ouderen te detecteren?
De NVB is sinds het begin van de oprichting lid van de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden. In 2018 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt op basis waarvan de NVB en VWS zich gezamenlijk inzetten op het voorkomen, signaleren, melden en stoppen van financieel misbruik van ouderen op lokaal, regionaal en landelijk niveau.
Banken zetten zich dan ook actief in om bijvoorbeeld bankmedewerkers aan de balie en telefoon alert te maken op signalen van financieel misbruik. Zo hebben de afzonderlijke grote banken e-learnings ontwikkeld en zijn de afgelopen jaren al duizenden medewerkers getraind op het herkennen van financieel misbruik en ouderenmishandeling. Ook voor Veilig Thuis hebben de banken afzonderlijk een contactpersoon aangewezen waarmee medewerkers van Veilig Thuis makkelijk kunnen sparren als ze financieel misbruik vermoeden.
De banken zetten zich dus volop in voor het tegengaan van financieel misbruik, binnen de mogelijkheden die zij hebben. Ik zal met de NVB in gesprek gaan over de vraag wat, naast alle reeds opgezette acties, eventueel aanvullend mogelijk is om financieel misbruik te signaleren.
Bent u voornemens om, naast het werk van lokale allianties, ook andere initiatieven te ondernemen om financiële ouderenmishandeling tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik blijf inzetten op het tegengaan van financieel misbruik onder ouderen. Zo laat ik in de tweede helft van 2021 een congres organiseren over financieel misbruik, met als doel het uitwisselen van succesvolle strategieën, en het onder de aandacht brengen van dit belangrijke onderwerp bij maatschappelijke partijen. Daarnaast breng ik dit onderwerp onder de aandacht in mijn gesprekken met onder meer de VNG, NVB, en de verschillende ouderenbonden. In deze gesprekken neem ik de vraag mee wat ik samen met de betrokken partners aanvullend kan doen om financieel misbruik onder ouderen tegen te gaan.
Experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u het risico dat een groeiende groep zelfstandigen niet verzekerd is bij overlijden en niet spaart voor de oude dag? Deelt u de mening dat hier een maatschappelijk probleem dreigt en dat het urgent is om dit probleem aan te pakken? Deelt u de mening dat het daarom van essentieel belang is dat niet opnieuw jaren verloren gaan, maar we nu doorpakken met een uitgebreide wettelijke experimenteerruimte, opdat passende structurele oplossingen dichterbij komen?
Zelfstandigen hebben diverse mogelijkheden om te sparen voor een inkomensvoorziening voor na hun pensioneren. De praktijk leert evenwel dat daarvan slechts beperkt gebruik wordt gemaakt. Hierdoor loopt een grote groep zelfstandigen het risico van een grote inkomensterugval als zij stoppen met werken.1 Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Het is belangrijk dat ook zelfstandigen voldoende sparen voor de oude dag. Het wordt daarom wenselijk geacht om te bezien hoe de pensioenopbouw onder zelfstandigen kan worden gestimuleerd. In de zoektocht naar een structurele oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen worden verschillende oplossingsrichtingen uitgewerkt.
Als eerste oplossingsrichting wordt in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen voorzien in het harmoniseren van de tweede en derde pijler. Deze voorgenomen maatregel vloeit voort uit de afspraken uit het Pensioenakkoord. Zoals bij vraag 13 beschreven wordt met deze maatregel onder meer de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler vergroot ten opzichte van de huidige situatie.
Een andere maatregel die bij kan dragen aan het stimuleren van pensioensparen en wordt uitgewerkt, is het experimenteren met het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen. Zelfstandigen hebben naar huidig recht slechts zeer beperkt toegang tot de tweede pijler. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen introduceert daarom een experimenteerbepaling die ruimte biedt om bij algemene maatregel van bestuur experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Door vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenregeling in de tweede pijler bij wijze van experiment mogelijk te maken, wordt zelfstandigen een aanvullende – en mogelijk goed passende – vorm van pensioensparen aangeboden. Met de experimenten wordt beoogd te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Deze inzichten zijn relevant in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. Dit wetsvoorstel heeft van december 2020 tot medio februari 2021 open gestaan voor openbare internetconsultatie. De reacties op de consultatie worden op dit moment nader bestudeerd.
Bent u bekend met signalen van verschillende aanbieders van pensioenregelingen over de beperkte experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen?1 Wat is uw reactie hierop?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen beoogt een experimenteerbepaling te introduceren die ruimte biedt om vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Het doel hiervan is te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Het streven is dat pensioenuitvoerders die interesse hebben in het uitvoeren van een experiment, gebruikmaken van de experimenteerruimte die geboden wordt. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt geregeld dat in het kader van de beoogde experimenten op een aantal onderdelen afgeweken mag worden van de Pensioenwet. Bij algemene maatregel van bestuur zal de experimenteerwetgeving verder worden ingevuld.
In het kader van de internetconsultatie van het wetsvoorstel toekomst pensioenen hebben een aantal pensioenuitvoerders, advies- en zelfstandigenorganisaties, FNV Zelfstandigen, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie gereageerd op de voorgestelde experimenteerbepaling. De inbreng op de internetconsultatie illustreert dat verschillend wordt gedacht over de gewenste en juridisch mogelijke ruimte voor vrijwillige aansluiting door zelfstandigen in de tweede pijler, waarbij in verschillende reacties wordt gewezen op de consequenties van experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler voor de taakafbakening en marktordening.
De reacties op de internetconsultatie worden op dit moment nader bestudeerd. De verdere uitwerking van de beoogde experimenteerwetgeving dient zorgvuldig te gebeuren, waarbij verschillende belangen dienen te worden afgewogen. Enerzijds het belang van de zelfstandige om toegang te hebben tot goede en passende pensioenvoorzieningen en anderzijds de houdbaarheid van de verplichtstelling door behoud van voldoende solidariteit en collectiviteit in de tweede pijler, het voorkomen van strijdigheid met (Europese) mededingings- en gelijke behandelingswetgeving en de uitvoerbaarheid van de experimenten voor pensioenuitvoerders en de Belastingdienst.
Ten behoeve van de nadere uitwerking van de experimenten ben ik in gesprek met pensioenuitvoerders, zelfstandigenorganisaties, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie.
Hoe gaat u voorkomen dat aanbieders van pensioenregelingen niet van de experimenteerruimte gebruik gaan maken omdat deze hen niet genoeg mogelijkheden biedt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Waarom heeft u ervoor gekozen de experimenten een maximale looptijd van vier jaar te geven, en niet een aantal jaren langer? Waarop is de verwachting gebaseerd dat deze vier jaar voldoende tijd geeft om de effecten in kaart te brengen?
Door het opnemen van een experimenteerbepaling in de Pensioenwet wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur op enkele onderdelen af te wijken van de Pensioenwet. Gelet op de uitzonderlijke omstandigheid dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van hogere regelgeving, dienen de experimenten conform de vaste uitgangspunten bij experimenteerwetgeving per definitie een tijdelijk karakter te hebben met een beperkte looptijd. Bij het vaststellen van de looptijd van de beoogde experimenten met pensioenopbouw door zelfstandigen is het evenwel ook van belang om te borgen dat er voldoende tijd beschikbaar is om conclusies te trekken over de effecten van de experimenten en de wenselijkheid van een eventuele bredere toepassing daarvan. Met het oog hierop wordt voorgesteld uit te gaan van een periode van ten hoogste vier jaar en met de voorwaarde dat een experiment dient te starten binnen een jaar na inwerkingtreding van de experimenteerbepaling. De verwachting is dat een looptijd van vier jaar een passende periode is om te kunnen experimenteren met de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler en de effecten hiervan te evalueren. De periode van vier jaar sluit aan bij de maximale experimenteerperiode die in andere experimenteerwetgeving wordt gehanteerd, vgl. bijvoorbeeld artikel 83 van de Participatiewet (drie jaar), artikel 130 van de Werkloosheidswet (vier jaar), artikel 3:65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (vier jaar) en artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (vijf jaar).
Is het een vereiste van de experimenten dat ze na afloop, mochten ze niet structureel voortgezet worden, een mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting aan zelfstandigen aanbiedt, of is dit slechts een mogelijkheid?
Met de experimenten wordt onderzocht of het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Als de experimenten inderdaad succesvol blijken te zijn, dient (onder meer) de Pensioenwet te worden aangepast om de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler op structurele basis mogelijk te maken. Mocht onverhoopt blijken dat dit instrument onvoldoende soelaas biedt, dan kan beslist worden de experimenten niet structureel voort te zetten. Als dit het geval is, kunnen pensioenuitvoerders die gedurende de looptijd van de experimenten pensioenopbouw voor zelfstandigen hebben gefaciliteerd, deze zelfstandigen de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw voor een bepaalde duur op vrijwillige basis voort te zetten.
Pensioenuitvoerders hebben op basis van de huidige wetgeving de bevoegdheid om zelf te bepalen of zij de optie van vrijwillige voortzetting willen aanbieden. Uit onderzoek over de vrijwillige voortzetting3 blijkt dat vrijwel alle bedrijfstakpensioenfondsen een regeling van vrijwillige voortzetting kennen. Ik wil aan het principe van de eigen bevoegdheid voor pensioenuitvoerders om vrijwillige voortzetting aan te bieden, vasthouden. De beoogde experimentwetgeving zal dan ook geen verplichting opleggen aan pensioenuitvoerders om de optie tot vrijwillige voortzetting aan te bieden. Het wel opnemen van een wettelijke eis hiertoe, kan mogelijk een belemmering opwerpen voor het uitvoeren van een experiment door pensioenuitvoerders. Bovendien zou hierdoor de complexiteit toe kunnen nemen, als de betreffende pensioenuitvoerder deze mogelijkheid nog niet aanbiedt voor de huidige deelnemers. Het introduceren van complexiteit op dit punt is vanuit het oogpunt van ruimte bieden om te experimenteren ongewenst. Ik ga er bovendien vanuit dat de pensioenuitvoerders die (gewezen) deelnemers nu reeds de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten, zelfstandigen die deelnamen aan een experiment ook deze mogelijkheid zullen bieden.
Wat is uw overweging geweest om met de experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen enkel experimenten mogelijk te maken met vrijwillige pensioenregelingen – de zogenaamde vrijwillige «opt in»? Hoe verhoudt dit zich tot de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), waarin de regering verzocht wordt de experimenten zo goed mogelijk te faciliteren?
Enkele partijen hebben de wens geuit om automatische aansluiting van zelfstandigen bij een pensioenregeling mogelijk te maken. De wens tot automatische aansluiting leeft met name bij enkele (verplichtgestelde) bedrijfstakpensioenfondsen. Het voorstel van de betreffende pensioenfondsen is dat het pensioenfonds gewezen deelnemers – die als zelfstandigen actief zijn in de betreffende sector – in principe aansluiten, maar tegelijkertijd de mogelijkheid bieden om niet mee te doen (opt-out).
Qua gedragseffecten is de verwachting dat automatische aansluiting een krachtig middel is. Op deze manier wordt de «default»-optie pensioensparen, waar deze voor zelfstandigen nu vaak niet-sparen is. Uit onderzoek blijkt dat als er een default voorhanden is, mensen geneigd zijn om daarvoor te kiezen c.q. geen actieve keuze maken waarmee wordt afgeweken van de default.
Toch verdient het faciliteren van automatische aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. De ruimte om te experimenteren wordt geboden in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen. Het is daarom van belang dat bij de vormgeving van de experimenten met verschillende randvoorwaarden rekening wordt gehouden. Zo dienen de experimenten te voorzien in een behoefte van zelfstandigen. Ook is het uitgangspunt dat door de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler de houdbaarheid van de verplichtstelling niet onder druk komt te staan. Kenmerken als collectiviteit en solidariteit dienen behouden te blijven als voorwaarden voor de verplichtstelling. Ook zal strijdigheid met het (Europees) mededingingsrecht en gelijke behandelingswetgeving moeten worden voorkomen. De aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler moet tevens uitvoerbaar zijn, zowel voor de pensioenuitvoerders als de Belastingdienst.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen die bepaalde partijen hebben geuit. Op dit moment wordt gewerkt aan een analyse van de mogelijkheid en wenselijkheid tot het faciliteren van de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen, mede in het licht van de hierboven genoemde randvoorwaarden. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Heeft u kennisgenomen van het wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat zelfstandigen meer pensioen gaan sparen bij een vrijwillige opt outin plaats van vrijwillige «opt in»?2 Bent u op de hoogte van het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten naar de drempels voor pensioensparen?3 Met welke drempels krijgen mensen allemaal te maken? Erkent u dat automatische deelname met een vrijwillige «opt out» een oplossing is om deze drempels weg te nemen? Kun u dit toelichten voor de verschillende drempels voor pensioensparen?
Ik heb kennisgenomen van de aangehaalde onderzoeken van Netspar en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Het voorstel zoals besproken in het onderzoek van Netspar behelst dat zelfstandigen, bij het invullen van hun belastingaangifte, geconfronteerd worden met een zogenoemde pensioenspaarmodule. Op het voorstel om een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte in te bouwen ga ik bij vraag 9 in. Verder laat het onderzoek van Netspar6 zien dat het aannemelijk is dat de beperkte pensioenopbouw door zelfstandigen onder andere veroorzaakt wordt door uitstelgedrag. De optimale route voor pensioensparen lijkt volgens dit onderzoek het stimuleren van sparen, zonder daarbij de keuzevrijheid te beperken. Het inrichten van een duidelijke keuzearchitectuur, zoals de pensioenspaarmodule, zou volgens het onderzoek een goede manier kunnen zijn om zelfstandigen meer pensioen te laten sparen.
Uit het onderzoek van de AFM7 blijkt dat veel Nederlanders een beperkt pensioenbewustzijn hebben. Dit wordt gezien als een van de redenen waarom zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de huidige mogelijkheden om voor de oude dag te sparen. Pensioenbewustzijn is de mate waarin men op de hoogte is van pensioeninkomen bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid, weet of dat in de eigen situatie voldoende is, weet (indien gewenst) welke oplossingen er zijn en daar een afweging in maakt.8 Het doel van het vergroten van het pensioenbewustzijn is het aanzetten tot actie. Het ontbreken van pensioenbewustzijn komt bij alle werkenden voor, zowel bij werknemers als zelfstandigen.
Automatische deelname met vrijwillige opt out draagt niet direct bij aan het vergroten van het pensioenbewustzijn als zodanig. Het besef wat een goed pensioen is en weten wat in de eigen situatie nodig is voor een goed pensioen wordt hiermee niet vergroot. Automatische deelname met vrijwillige opt out kan wel bijdragen aan het doel van het bereiken van een toereikend pensioen voor de oude dag. Met automatische deelname wordt namelijk pensioensparen de «default»-optie en is een actieve handeling vereist om niet te sparen. Op die manier kan uitstelgedrag voorkomen worden.
Automatische deelname met vrijwillige opt out kan een aanvullend middel zijn om bij te dragen aan het doel om pensioenopbouw door zelfstandigen te stimuleren. Toch verdient het faciliteren van automatische deelname van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. Zie in dit kader mijn antwoord op vraag 6.
Bent u gegeven het feit dat dit bij kan dragen aan meer pensioensparen door zelfstandigen, bereid de experimenteerruimte te verruimen om zo experimenten mogelijk te maken die uitgaan van deelname met een vrijwillige «opt out»?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of de presentatie van een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte van zelfstandigen er in de praktijk aan bijdraagt dat de deelname van zelfstandigen verhoogd wordt overeenkomstig met in wetenschappelijke onderzoek gedane suggesties?
De voorgestelde pensioenspaarmodule voor zelfstandigen komt er in het kort op neer dat er een aanvullende module wordt toegevoegd aan de belastingaangifte. De belastingadviseur van de zelfstandige wordt verplicht om deze module samen met de zelfstandige door te nemen. De zelfstandige wordt in de module gevraagd om de maximale jaarruimte te benutten en dit bedrag in leggen voor pensioen. Als een zelfstandige dit niet wil, zijn er mogelijkheden om voor een lager bedrag te kiezen. Er kan dan ook gekozen worden voor een spaarplan van vijf jaar. Naast een keuze voor een in te leggen bedrag dient ook een fondskeuze gemaakt te worden waarnaar de inleg wordt overgeboekt.
Een «pensioenspaarmodule» kan mogelijk bijdragen aan het vergroten van het pensioenbewustzijn onder zelfstandigen. De meerwaarde van het vergroten van het pensioenbewustzijn is groot. Tegelijkertijd is het de vraag of een verplicht in te vullen pensioenspaarmodule bij de belastingaangifte van zelfstandigen de juiste route hiervoor is. De voorgestelde pensioenspaarmodule als verplicht onderdeel van de belastingaangifte kent juridische en uitvoeringstechnische vragen. Op het juridische vlak gaat dit onder meer om de regels die gelden voor het adviseren over pensioenproducten. Een belastingadviseur kan alleen adviseren over de opbouw van een pensioen en een daarbij passend pensioenproduct indien hij een vergunning heeft op grond van de Wet op het financieel toezicht en aan bepaalde vakbekwaamheidseisen voldoet. Belastingadviseurs kunnen wel zonder vergunning zzp’ers erop wijzen dat het belangrijk is te sparen voor hun pensioen en wat de mogelijkheden zijn zonder een advies te geven over een specifiek pensioenproduct. Daarnaast heeft de belastingaangifte de wettelijke functie om opgave van gegevens te doen waarvan de kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan zijn. De aangifte kan op basis van de huidige wet- en regelgeving niet worden gebruikt om belastingplichtigen te verplichten een pensioenmodule in te vullen. Een dergelijke verplichting past ook niet in uitgangspunten van het huidige belastingstelsel.
Niet onbelangrijk zijn bovendien uitvoeringstechnische knelpunten. Het proces voor het doen van belastingaangifte laat zich moeilijk verhouden tot een koppeling met een verplicht pensioenadvies. Het toevoegen van een verplichte pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte verzwaart het proces rondom het doen van belastingaangifte en brengt de nodige uitvoeringstechnische consequenties met zich mee.
Het kabinet acht het dan ook niet opportuun om een onderzoek te starten naar het toevoegen van een pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte van zelfstandigen. Het kabinet zet wel in op maatregelen om pensioensparen door zelfstandigen te stimuleren. Enerzijds door experimenten in de tweede pijler te faciliteren en hierover richting zelfstandigen actief te communiceren en anderzijds door de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler te vergroten.
Bent u bereid het onder de experimenteerruimte mogelijk te maken dat zelfstandigen de mogelijkheid geboden krijgen om nog tijdens hun werkzame periode geld te onttrekken aan hun pensioenbesparingen, omdat dit met het oog op inkomensfluctuaties pensioensparen aantrekkelijker kan maken?
Het doel van de experimenten is zelfstandigen te stimuleren pensioen op te bouwen. Zelfstandigen kunnen vaker dan werknemers te maken hebben met fluctuaties in het inkomen, waardoor zelfstandigen over het algemeen meer behoefte hebben aan flexibiliteit in de premie-inleg dan werknemers. Hier heb ik oog voor bij het nader uitwerken van de beoogde experimenteerbepaling.
Flexibiliteit bij de premie-inleg bestaat in de praktijk reeds voor zelfstandigen die in het kader van de verplichtstelling of een vrijwillige voortzetting deelnemen aan een pensioenregeling. De flexibele premie-inleg is gerealiseerd doordat zelfstandigen een flexibel pensioenkeuzeloon kunnen opgeven (met een bepaald minimum en maximum). Op grond hiervan kunnen zelfstandigen periodiek zelf bepalen over hoeveel procent van het inkomen zij pensioen willen opbouwen. Over dat gedeelte van het inkomen wordt vervolgens de pensioenpremie berekend. Op het moment dat een zelfstandige een periode minder inkomsten vergaard kan er via het aanpassen van de pensioengrondslag minder premie worden ingelegd. De mogelijkheid om zelfstandigen in een pensioenregeling vrijheid te bieden bij het opgeven van het pensioenkeuzeloon is ook in het kader van de beoogde experimenten mogelijk.
De vraag kan opkomen of het aanvullend hierop nodig is de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg of pensioenvermogen te faciliteren voor de beoogde experimenten. Aan de vraag of het tussentijds onttrekken van premie-inleg of pensioenvermogen mogelijk moet worden gemaakt tijdens de experimentperiode liggen een aantal overwegingen ten grondslag. Allereerst kunnen er (financiële) nadelen aan kleven in het kader van solidariteit en collectiviteit, zeker als alleen zelfstandigen deze mogelijkheid hebben. Ook is het de vraag in hoeverre het een taak is die thuis hoort bij een pensioenuitvoerder en past bij de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de opbouw van pensioenvermogen in de tweede pijler en het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat opgebouwd pensioen de pensioenbestemming verliest.
In de reacties op de internetconsultatie is ook aandacht gevraagd voor het faciliteren van de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg. Dit onderwerp wordt op dit moment nader bezien, mede in het licht van de hierboven geschetst overwegingen.
Hoe gaat, indachtig de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), geborgd worden dat aanbieders van pensioenregelingen inkomensgegevens van zelfstandigen op een eenvoudige manier aangeleverd krijgen? Bent u bereid een wettelijke grondslag te creëren voor gegevensdeling tussen aanbieders van pensioenregelingen en bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel?
Naar huidig recht kunnen pensioenuitvoerders reeds gebruikmaken van zogeheten mutatie-overzichten van de Kamer van Koophandel (KvK). Deze mutatie-overzichten kunnen bijvoorbeeld inzicht bieden in de zelfstandigen die actief zijn in een bepaalde sector. De overzichten worden onder andere benut om zelfstandigen die onder de verplichtstelling vallen bij het pensioenfonds aan te sluiten. Hierbij is geen sprake van informatie-uitwisseling op basis van het burgerservicenummer (BSN). Voor de experimenten is een dergelijke bredere gegevensdeling tussen pensioenuitvoerder en de KvK gewenst bevonden door enkele pensioenuitvoerders.
Voor informatieverstrekking op basis van het BSN in het kader van de beoogde experimenten zal een wettelijke voorziening moeten worden getroffen. De Pensioenwet en de Handelsregisterwet bieden naar huidig recht namelijk geen grondslag voor verstrekking van het BSN door de KvK of inzage in het BSN in het Handelsregister door pensioenuitvoerders. Identificatienummers zoals het BSN kunnen de koppeling van verschillende bestanden aanzienlijk vergemakkelijken en daarmee een bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer vormen (frauderisico’s). Een terughoudende houding bij het toestaan van informatie-uitwisseling op basis van het BSN is hiermee evident. Het gebruik van het BSN en het toestaan van informatie-uitwisseling tussen verschillende organisaties op basis van het BSN dient in dat licht derhalve altijd dragend gemotiveerd te worden, waarbij duidelijk wordt gemaakt waarom de informatie-uitwisseling noodzakelijk is en voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. In mijn appreciatie bij de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) heb ik eveneens aangegeven dat bij de overweging om bredere informatie-uitwisseling in het kader van de beoogde experimenten mogelijk te maken ook de privacywetgeving betrokken dient te worden.
In diverse reacties op de internetconsultatie van de experimenteerbepaling wordt ook aandacht gevraagd voor de bredere mogelijkheid tot informatie-uitwisseling. Op dit moment wordt een nadere analyse gemaakt. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen voor zelfstandigen van invloed is op de mate waarin zij bereid zijn deel te nemen? Erkent u dat zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis nauwelijks voor hun pensioen kunnen sparen als het fiscale inkomensbegrip wordt gebaseerd op het verleden? Bent u daarom bereid als onderdeel van de experimenten een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen?
Ik deel de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen van invloed kan zijn op de mate waarin het voor zelfstandigen aantrekkelijk is om te sparen voor hun pensioen. Het kabinet is dan ook met partijen betrokken bij het pensioenakkoord overeengekomen om stappen te zetten naar een meer arbeidsvormneutraal pensioenkader waardoor zelfstandigen, net als werknemers, ruimere mogelijkheden krijgen voor pensioenopbouw.
Voor zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis en daardoor bepaalde jaren een laag inkomen hebben geldt inderdaad dat er een periode minder fiscale ruimte kan zijn om voor pensioen te sparen. Het pensioengevende inkomen voor pensioenopbouw door zelfstandigen in de tweede pijler wordt bepaald op het inkomen drie jaar voorafgaand aan het jaar van pensioenopbouw. Hiervoor is gekozen vanwege administratieve redenen ten gunste van zelfstandigen.9
Een bedrag forfaitair vrijstellen ligt echter niet voor de hand. Het doorkruist de huidige systematiek waarbij de fiscale ruimte afhankelijk is van het daadwerkelijk gerealiseerde inkomen en creëert daarmee ongelijke opbouwmogelijkheden ten opzichte van werknemers terwijl het streven juist is om mogelijkheden van pensioenopbouw voor werknemers en zelfstandigen te harmoniseren.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen.
Welke andere sporen bewandelt u, naast de experimenteerruimte, om te onderzoeken hoe het pensioensparen bij zelfstandigen bevorderd kan worden?
Het kabinet is voornemens om met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen onder andere het verschil in fiscale premieruimte tussen de tweede en de derde pijler weg te nemen ten aanzien van oudedagsvoorzieningen. Hierdoor wordt het percentage van het pensioengevend inkomen dat fiscaal gefaciliteerd kan worden ingelegd in de derde pijler verhoogd naar het niveau dat zal gelden in de tweede pijler. Het gelijktrekken van de premiegrens leidt er toe dat zelfstandigen meer kunnen sparen voor de oude dag in de derde pijler.
Tot slot heb ik de Stichting van de Arbeid in juni 2020 gevraagd onderzoek te doen naar de pensioenopbouw door zelfstandigen. Eind december 2020 heb ik de uitkomsten van het onderzoek van de Stichting van de Arbeid ontvangen. Het onderzoek brengt de bestaande mogelijkheden voor zelfstandigen om binnen de tweede en derde pijler pensioen op te bouwen in kaart. Ook gaat de Stichting op hoofdlijnen in op de knelpunten die pensioensparen door zelfstandigen in de weg staan. De Stichting constateert dat zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de mogelijkheden (zowel binnen de tweede als derde pijler) en dat zelfstandigen binnen de huidige wettelijke kaders beperkte toegang hebben tot de tweede pijler. De Stichting concludeert dat het vergroten van de toegankelijkheid van de tweede pijler voor zelfstandigen voordelen met zich meebrengt. Tegelijkertijd ziet de Stichting dat het binnen dezelfde kring brengen van werknemers en zelfstandigen niet eenvoudig is en een aantal risico’s kent. De Stichting heeft aangegeven voornemens te zijn een vervolg te geven aan het onderzoek. Zij wil een inventarisatie maken van aanvullende mogelijkheden om zelfstandigen meer toegang te verlenen tot de tweede pijler en vooral hoe die aanvullende mogelijkheden vormgegeven zouden kunnen worden in het nieuwe pensioenstelsel. Ik heb de Stichting laten weten graag bereid zijn om daaraan mee te werken.
Kunt u voorgaande vragen één voor één binnen drie weken te beantwoorden?
Ik heb uw Kamer 12 februari jl. geïnformeerd dat het binnen drie weken beantwoorden van de Kamervragen van het lid Smeulders (GroenLinks) over «experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen» helaas niet haalbaar was. Hierbij ontvangt u de beantwoording op de gestelde Kamervragen.
Het bericht 'Pensioenfondsen vrezen verlaging van pensioenen in de komende jaren' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen vrezen verlaging van pensioenen in de komende jaren»?1
Ja.
Deelt u de vrees van de grote pensioenfondsen, voor verlaging van pensioenen na 2021? Zo nee, waarom niet?
Mijn belangrijkste uitgangspunt bij het transitie-ftk is de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit betekent dat geen maatregelen genomen hoeven te worden als dat vanuit de overstap naar het nieuwe stelsel niet nodig is. Daartoe is mijn voornemen bijvoorbeeld om de huidige eisen aan het (minimaal) vereist eigen vermogen voor pensioenfondsen buiten werking te stellen. Heel concreet betekent dit bijvoorbeeld dat niet gekort hoeft te worden om een dekkingsgraad van 104% te realiseren.
Ik wil ook voorkomen dat het nieuwe stelsel belast wordt met een erfenis uit het huidige stelsel, waardoor het bijvoorbeeld lastiger kan worden het gewenste indexatieperspectief te realiseren. Als het voor de overstap naar het nieuwe stelsel nodig is maatregelen te nemen, moeten die daarom ook genomen worden. De financiële positie van veel pensioenfondsen is dusdanig dat niet uit te sluiten valt dat in de transitieperiode pensioenverlagingen nodig zijn om fit aan de start van het nieuwe stelsel te verschijnen.
Zoals ik in mijn brief van 16 december jl. aangaf, heb ik met de Pensioenakkoordpartijen afgesproken de gevolgen van het transitie-ftk op premie, opbouw en uitkeringen nader te bekijken in het licht van dit uitgangspunt en daarbij de inbreng uit de wetsconsultatie te betrekken.2
Is een scenario waarbij de pensioenen tot en met de invoering van het beoogde nieuwe pensioenstelsel elk jaar worden bevroren of verlaagd, een reëel scenario? Is het mogelijk dat dit gebeurt terwijl het totale pensioenkapitaal blijft toenemen, zoals in de periode 2010 – 2020? Is een dergelijk scenario voor het kabinet acceptabel?
Een dergelijke uitspraak kan in zijn algemeenheid niet worden gedaan. Net zoals de afgelopen jaren blijft de financieel-economische ontwikkeling en de financiële positie van pensioenfondsen leidend voor de vraag of pensioenen verlaagd moeten of verhoogd kunnen worden. Daarbij bestaan forse verschillen tussen pensioenfondsen. Ik kan wel bevestigen dat het verlichtende regime van het transitie-ftk ten opzichte van het reguliere ftk forse kortingen kan voorkomen en het indexatieperspectief de komende jaren al vergroot. Gelet op de verschillende uitgangsposities, fondsspecifieke keuzes en kenmerken zal dit per fonds verschillen. Voor de pensioenfondsen díe moeten korten, zullen de kortingen naar verwachting kleiner zijn. Het transitie-ftk biedt daarnaast een ruimere mogelijkheid om de pensioenen te verhogen. Door het transitie-ftk kan het pensioenfonds een evenwichtiger, uitlegbaarder en verantwoorder overstap uitvoeren.
Welke voorbeelden kunt u noemen van geïndustrialiseerde landen die een lagere rekenrente hanteren dan in Nederland het geval is?
De laatst beschikbare vergelijking is te vinden in het EIOPA Stress Test rapport uit 2019.3 Uit de vergelijking in figuur 2.3 op pagina 18 blijkt dat Denemarken een lagere rekenrente hanteert dan Nederland.
Welke voorbeelden kunt u noemen van geïndustrialiseerde landen met een groter collectief gespaard pensioenvermogen dan Nederland, uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (BBP)?
Er zijn mij geen landen bekend met een groter collectief gespaard pensioenvermogen dan Nederland.
Klopt het dat monetaire autoriteiten streven naar een hogere prijsinflatie dan thans het geval is? Erkent u dat de Nederlandse rekenregels voor pensioenfondsen dit streven rechtstreeks ondermijnen?
De ECB stelt haar monetaire beleid in onafhankelijkheid vast. Het klopt dat de Europese Centrale Bank (ECB) naar een hogere prijsinflatie streeft dan thans het geval is. Het Nederlandse toezichtkader voor pensioenfondsen is er niet op gericht het streven van de ECB naar een bepaalde prijsinflatie te ondersteunen.
Erkent u dat het gevoerde monetaire beleid de marktrente omlaag drukt terwijl de rendementen op het pensioenvermogen daar juist fors van profiteren?
Ik erken dat.
Waarom wordt het zuur van de gemanipuleerde rentestand wel volledig met gepensioneerden gedeeld maar het zoet van het extra rendement op het kapitaal totaal niet?
De financiële positie van veel pensioenfondsen is niet zodanig dat zij behaalde rendementen direct kunnen vertalen in pensioenverhogingen. Als die financiële positie wel zodanig was, zouden deelnemers en gepensioneerden ook directer profiteren van behaalde rendementen. Met het transitie-ftk heb ik met het zicht op en indachtig het nieuwe stelsel naar ruimte binnen het huidige ftk gezocht om de indexatiemogelijkheden te vergroten. Het transitie-ftk biedt daarom een ruimere mogelijkheid om de pensioenen te verhogen.
Waarom beschouwt u het structureel hanteren van een veel hogere rekenrente voor het vaststellen van de premies als noodzaak terwijl u tegelijkertijd een hogere rekenrente voor het vaststellen van de verplichtingen blijft afwijzen?
Het is aan decentrale sociale partners om te bepalen of zij de premie bij een fonds willen dempen met een wettelijk gemaximeerd rendement. Het is dus niet zo dat de wetgever dit als een noodzakelijke methode voor de premievaststelling voorschrijft. Er zijn ook fondsen waarbij de premie niet wordt gedempt en wordt vastgesteld op basis van de risicovrije rente. Een gedempte premie leidt op het moment van inkoop van nieuwe pensioenaanspraken tot een vergroting van een dekkingstekort. Een belangrijk verschil met een hogere rekenrente voor de vaststelling van de verplichtingen is echter dat die premie nog jarenlang belegd blijft worden binnen het fonds en daar in verwachting nog een rendement op gemaakt kan worden. Een hogere rekenrente voor de vaststelling van de verplichtingen, leidt er echter direct toe dat er meer geld het fonds uitstroomt. Over dat extra uitgekeerde geld kan geen beleggingsrendement meer worden gemaakt, waardoor een eventueel tekort voor de actieve deelnemers en slapers in het fonds met zekerheid verder wordt vergroot.
Erkent u dat zelfs de gedempte premiesystematiek eigenlijk al niet meer voldoet om de premies beperkt te houden? Zo ja, waarom beschouwt u dit dan niet als het failliet van de rekenrente systematiek volgens het geldende Financieel Toetsingskader (FTK)?
De lage rente betekent dat sparen voor later duur is. Zo blijkt ook uit het onderzoek van het CPB waarover ik u op 22 september jl. heb geïnformeerd.4 Dat zie je terug op diverse plekken in het pensioenstelsel, waaronder bij het vaststellen van de premie. Om de impact op de loonkosten te beperken, mag de premie gedempt worden. Sociale partners en pensioenfondsbesturen kozen hier de afgelopen jaren in toenemende mate voor. Een andere premiedempingssystematiek verandert niet dat bij de huidige premies een pensioenuitkering onder de «kostprijs» wordt toegezegd. In het nieuwe stelsel zijn premies per definitie kostendekkend, omdat geen aanspraken worden toegezegd.
Deelt u de mening dat gepensioneerden in Nederland een waardevolle economische motor kunnen zijn in moeilijke tijden, juist dankzij ons wereldwijd ongeëvenaarde pensioenkapitaal? Waarom gebruikt het kabinet de unieke kracht van ons pensioenstelsel niet om het consumentenvertrouwen en de economie te helpen stabiliseren? Beseft u dat u in feite het tegenovergestelde doet?
Gepensioneerden, maar ook andere huishoudens, zijn in Nederland een belangrijke motor voor de ontwikkeling van de economie. Te doen zoals de vraagsteller suggereert, betekent dat vermogen dat is gereserveerd voor een langetermijntoezegging op korte termijn wordt uitgekeerd. Het toezichtkader is er juist voor om te zorgen voor een adequaat pensioen voor alle generaties. Bij de huidige precaire financiële posities van de pensioenfondsen vind ik een dergelijke aanpassing extra kwetsbaar en juist ondermijnend voor het vertrouwen in het pensioenstelsel.
Klopt het dat het algehele rendement van pensioenfondsen in 2020 volgens de rekenregels van het beoogde nieuwe pensioenstelsel juist zou leiden tot een (gespreide) verhoging van de pensioenen?
Per saldo valt niet vast te stellen of de pensioenen in het nieuwe contract hoger of lager zouden zijn geweest dan in het huidige contract. Dat zal per fonds en per gekozen invulling van de toedelingsregels en rente-afdekkingsbeleid verschillend zijn. In algemene zin geldt dat in het nieuwe contract positieve overrendementen sneller aan de deelnemers en gepensioneerden ten goede komen, omdat geen buffers meer opgebouwd hoeven te worden. Hierdoor zullen pensioenen ook sneller naar beneden bijgesteld moeten worden bij tegenvallers. Datzelfde geldt voor fondsen waarbij sprake is van een tekortsituatie. Naar verwachting zal er vaker een positief overrendement worden behaald waarmee de pensioenen kunnen worden verhoogd.
Het bericht 'Pensioenen AVH toch naar PGB, ondanks tweede rechtszaak' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Pensioenen AVH toch naar PGB, ondanks tweede rechtszaak»?1
Ja, dat ben ik.
Wat is in het algemeen uw oordeel over de wijze waarop er is omgegaan met de rechten van de deelnemers bij de voorgenomen collectieve waardeoverdracht van pensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel (AVH) aan Pensioenfonds PGB?
In algemene zin vind ik het als medewetgever van belang dat bij zo’n belangrijk besluit als collectieve waardeoverdracht (CWO), in verband met de voorgenomen liquidatie, zowel de overdragende als de ontvangende pensioenuitvoerder de geldende wettelijke waarborgen in acht nemen. Die waarborgen zijn er immers niet voor niets; zij hebben tot doel de belangen van alle groepen betrokkenen te beschermen. Tot die waarborgen behoren tenminste de wettelijke eisen uit de Pensioenwet inzake medezeggenschap door een verantwoordingsorgaan (VO) en zorgvuldige besluitvorming. Ik begrijp dat de Ondernemingskamer in het geval van AVH op 23 december 2020 heeft geoordeeld dat het bestuur in redelijkheid heeft besloten tot de CWO, ondanks het negatieve advies van het VO.2
Deelt u de mening dat de medezeggenschap in deze kwestie zeer gebrekkig is verlopen en dat hierdoor het vertrouwen van deelnemers ernstig wordt beschadigd? Indien nee, waarop niet?
Ik vind het jammer dat er een geschil is ontstaan tussen het bestuur en het VO van AVH over de naleving van de regels voor medezeggenschap inzake deze CWO. En dat het VO zich genoodzaakt zag dit geschil aan de rechter voor te leggen. Liever had ik gezien dat de gang naar de rechter niet nodig was geweest. Maar geschillen kunnen ontstaan en daarvoor is de route naar de rechter beschikbaar.
Klopt het dat de Ondernemingskamer in november nog heeft geoordeeld dat het pensioenfonds AVH de overeenkomst met PGB voor een collectieve waardeoverdracht moest «intrekken en ontbinden»?
Ja, althans de Ondernemingskamer sprak op 5 november 2020 uit dat het pensioenfonds AVH niet in redelijkheid heeft besloten tot het aangaan van de overeenkomst van CWO met PGB.3 En dat het bestuur van AVH haar besluit daarom diende in te trekken en de gevolgen ongedaan diende te maken.
Vindt u het acceptabel dat het oordeel «intrekken en ontbinden» er in de praktijk toe heeft geleid dat er «onder stoom en kokend water» een nieuwe overeenkomst is afgesloten welke direct per 1 januari van dit jaar ingaat?
Het bestuur van elk pensioenfonds heeft de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor evenwichtige besluitvorming over de pensioenaanspraken en -rechten van alle groepen deelnemers en pensioengerechtigden. Een belangrijke in acht te nemen wettelijk eis is dat het bestuur van een pensioenfonds in geval van een voorgenomen CWO het advies van het VO op een zodanig tijdstip aanvraagt dat het advies van het VO nog van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit tot CWO. De rechter toetst of het bestuur in redelijkheid heeft besloten. Ondanks het negatieve advies van het VO zag de rechter in de tweede zaak kennelijk geen aanleiding de CWO te verbieden.
Deelt u de mening dat inspraak en medezeggenschap volkomen tandeloos zijn als een afwijzing van een overeenkomst, gesteund door een snoeihard oordeel van de Ondernemingskamer, niet eens leidt tot enige vertraging van het proces? Indien nee, waarom niet?
Inspraak en medezeggenschap kunnen niet functioneren als een bestuur van een pensioenfonds nalaat om überhaupt het VO zoals wettelijk voorgeschreven om advies te vragen, als het bestuur het advies zo laat aanvraagt dat het van geen wezenlijke invloed meer kan zijn op het te nemen besluit of als het bestuur een negatief advies ongemotiveerd terzijde legt. In tweede instantie bleek dit niet het geval. Het bestuur van een pensioenfonds mag afwijken van een negatief advies van een VO, zoals in dit geval ook is gebeurd. Het bestuur mag daarbij voortvarend optreden en moet uiteraard wel motiveren waarom het afwijkt. Op grond van artikel 217 van de Pensioenwet heeft een VO altijd nog het recht om beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer tegen dit besluit, zoals in dit geval ook is gebeurd.
Deelt u de mening dat deze collectieve waardeoverdracht, na afwijzing door het verantwoordingsorgaan «er toch nog in een noodvaart doorheen is gejast»? Indien nee, waarom niet?
Als medewetgever ben ik systeemverantwoordelijk. Ik vind het daarom belangrijk dat de wettelijke waarborgen belangen beschermen. Deelnemers met aanspraken op een uitkering, uit hoofde van een uitkeringsregeling met een indexatie-ambitie, zoals hier het geval is, hebben per definitie te beschermen belangen. Als een pensioenfonds die aanspraken collectief meent te moeten overdragen aan een andere pensioenuitvoerder, moet die overdracht plaatsvinden met inachtneming van de spelregels die van toepassing zijn. Aan die wettelijke spelregels moet een overdragende pensioenuitvoerder zich uiteraard houden. Vindt een VO dat de medezeggenschap geen recht is gedaan, staat de gang open naar de Ondernemingskamer, die de besluitvorming toetst op redelijkheid. Dit systeem van wettelijke waarborgen, aangevuld met rechterlijke toetsing, moet afdoende bescherming kunnen bieden aan deelnemers en pensioengerechtigden met te beschermen belangen. In dit geval hebben de wettelijke waarborgen gefunctioneerd en heeft de rechter tot tweemaal aan toe de werking van deze waarborgen getoetst.
In welke situaties is het toegestaan dat het bestuur van een pensioenfonds de advocaat van het verantwoordingsorgaan ontslaat? Deelt u de mening dat er in deze zaak geen enkele rechtsgrond was voor het bestuur om de advocaat van het verantwoordingsorgaan te ontslaan?
In de Pensioenwet is geregeld dat kosten voor het voeren van rechtszaken door het VO ten laste komen van het pensioenfonds indien deze kosten noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van het VO en het pensioenfonds vooraf op de hoogte is gesteld van de te maken kosten. Ik constateer dat er een geschil is ontstaan tussen het bestuur en het VO over de inschakeling van juridische bijstand door een advocaat. Een dergelijk geschil kan zich voordoen en kan aan de rechter worden voorgelegd. In de procedure die het pensioenfonds voerde tegen de advocaat van het VO oordeelde de rechter dat het bestuur zeer terughoudend dient te zijn met het weigeren van die bijstand en de daaraan verbonden kosten. Het VO moet aanzienlijke financiële ruimte krijgen om te kunnen adviseren over bijvoorbeeld een CWO in verband met een liquidatie, mede op basis van bijstand van deskundigen.4
Deelt u de conclusie dat de medezeggenschap bij deze collectieve waardeoverdracht naar de geest van de wet inzake medezeggenschap, niet goed verdedigbaar meer is? Indien nee, waarom niet?
Het systeem van beschermende normen en toetsing door de rechter heeft wat mij betreft gewerkt. Er was een meningsverschil tussen het VO en het bestuur van AVH. De rechter heeft twee keer getoetst of het bestuur correct, dat wil zeggen met inachtneming van de wettelijke waarborgen, heeft besloten over de CWO. Het VO van AVH mocht negatief adviseren evenzeer als het bestuur mocht besluiten tot CWO, zelfs in afwijking van de negatieve adviezen mits gemotiveerd.
Kunnen deze vragen uiterlijk een dag voorafgaand aan het algemeen overleg pensioenonderwerpen (van 21 januari) worden beantwoord?
Mijn antwoorden zijn zo snel mogelijk gegeven.
Het bericht ‘Voor deze ouderen geen plek meer’. |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat de uitbraak van het coronavirus het probleem van «verkeerde bedden» versterkt, omdat ouderen na een ziekenhuisbehandeling niet altijd terecht kunnen in een verpleeghuis of naar huis kunnen met wijkverpleging?1
De GGD GHOR doet elke week verslag van de zorgcapaciteit buiten de ziekenhuizen. Na een daling in deze capaciteit vanaf 18 november jl. is de afgelopen twee weken weer een stijging van capaciteit. Op dit moment zijn 1.250 bedden beschikbaar waarvan 729 bedden bezet zijn (cijfers 21 januari jl.). Ten opzichte van vorige week is dit een stijging in het aantal beschikbare bedden (-7) en een daling in het aantal bezette bedden (-101). Vanwege privacyoverwegingen zijn cijfers op basis van leeftijd niet beschikbaar.
De prognose is dat er de komende twee weken een daling in bedbezetting zal plaatsvinden. Wat er na deze twee weken gebeurt hangt af van de Britse COVID-variant.
De directeuren publieke gezondheid (DPG-en) zijn verantwoordelijk voor de borging van voldoende capaciteit. Begin januari is binnen de COVID-19-programmaorganisatie van GGD GHOR Nederland een expertiseteam ingericht. Dit team gaat de DPG-en actief ondersteunen bij hun coördinerende rol bij de zorgcontinuïteit binnen de regio’s.
De landelijke afspraken met betrekking tot de capaciteit buiten de ziekenhuizen staan verwoord in de brief die op 10 april 2020 is verstuurd aan de voorzitters van ZN, ActiZ, VGN, GGZ-NL, NZa en de DPG-en. Deze brief is opgevolgd door een verheldering die is verstuurd op 15 juli jl.
Uit de monitor Landelijke Uitvraag Niet-Ziekenhuiszorg van de GGD GHOR blijkt dat het beschikbare personeel een groot knelpunt is. Vooral in de verpleeg- en verzorgingshuizen is dit in alle veiligheidsregio’s een punt van aandacht. Zeven van de 25 veiligheidsregio’s kunnen nu niet direct opschalen vanwege personeelstekorten. Er is minder personeel beschikbaar door bijvoorbeeld een besmetting met het coronavirus of door een verdenking hiervan waardoor personeel in quarantaine moet. Dit heeft direct gevolgen voor het rooster en daarmee het aantal beschikbare bedden.
Alle stappen die moeten worden doorlopen bij de aanvraag van personeel van andere instanties en de aanvraag van personeel van Defensie staan beschreven in de brief die op 5 januari jl. naar de Kamer is verstuurd.2 Uitgangspunt is dat eerst regionaal wordt gezocht naar samenwerking tussen zorgaanbieders wat betreft inzet van personeel. Tevens wordt gekeken naar tijdelijke inzet van mensen zonder zorgachtergrond ter ontlasting van zorgpersoneel, inzet van extra zorgpersoneel door afschaling van reguliere zorg en andere zorgorganisatie (bijvoorbeeld inzet ondersteunende instrumenten thuis onder regie van huisartsen ter voorkoming van opnames). Pas wanneer er geen mogelijkheden meer zijn voor een regionale oplossing, wordt gekeken naar personeel van andere instanties. Als eerste wordt gekeken of ondersteunend personeel vanuit het Rode Kruis en/of zorg- en ondersteunend personeel vanuit Extra Handen Voor de Zorg kan worden ingezet. Als laatste kan zorg- en ondersteunend personeel vanuit Defensie worden aangevraagd. Naast deze organisaties zijn er ook samenwerkingen met instanties zoals de Nederlandse patiëntenvereniging.
Naast deze mogelijkheden, worden in steeds meer regio’s initiatieven opgezet waarbij huisartsen samenwerken met ziekenhuizen. Hier wordt gekeken of COVID-patiënten met ondersteunende instrumenten onder regie van de huisarts, thuis kunnen herstellen. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) heeft daar randvoorwaarden voor opgesteld om huisartsen houvast te bieden in het vormgeven van hun samenwerking met het ziekenhuis.
Kunt u – in cijfers – aangeven in hoeverre het niet kunnen plaatsen van ouderen na een ziekenhuisopname verergert is sinds de uitbraak van de coronacrisis? Zo neen, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 1.
Welke noodmaatregelen kunt u op korte termijn treffen om te zorgen dat ouderen nu zo snel mogelijk een geschikte zorgplek krijgen, nu de ziekenhuizen te maken hebben met stijgende ziekenhuisopnames in verband met het coronavirus? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de noodzaak voor het bouwen van extra verpleeghuisplekken met tijdelijke bedden extra urgentie heeft gekregen nu het probleem van «verkeerde bedden» toeneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?2
De noodzaak tot het uitbreiden van capaciteit in de verpleeghuiszorg was en is groot, los van verkeerde beddenproblematiek. Ik heb u daarover onder meer in mijn voortgangsrapportages capaciteit en wachtlijsten verpleeghuizen (laatstelijk 24 december 2020) geïnformeerd. Met die noodzakelijke en deels al voorziene uitbreiding ontstaat tevens meer ruimte om verkeerde bed-problematiek op te lossen en doorstroom uit het ziekenhuis te verbeteren. Overigens hangt de oorzaak van de actuele toename van verkeerde bed-problematiek vooral samen met personele oorzaken door een oplopend ziekteverzuim. Volledigheidshalve verwijs ik u naar mijn brief van 5 januari jl. over dit onderwerp4.
Deelt u de mening dat de noodzaak van het bouwen van kleinschalige zorgwoningen, zoals Zorgbuurthuizen, versneld van de grond moet komen, omdat door het wegvallen van de verzorgingshuizen veel ouderen nu nergens terecht kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Met de actielijn Wonen in het programma Langer thuis zijn diverse acties in gang gezet om te komen tot meer huisvesting voor ouderen en een betere verbinding tussen wonen en zorg. De stimuleringsregeling wonen en zorg helpt ook bewonersinitiatieven en sociale ondernemers bij de financiering van kleinschalige woon(zorg)vormen.
Kunt u aangeven in hoeverre de bestemde gelden voor het stimuleren van woningen voor ouderen worden besteed? In hoeverre komen deze gelden specifiek ten goede van het oprichten van Zorgbuurthuizen?3
De Minister van BZK heeft voor 2021 en 2022 € 20 miljoen per jaar beschikbaar gesteld om de bouw van geclusterde woonvormen voor ouderen te ondersteunen. Deze middelen zijn bedoeld voor een financiële tegemoetkoming voor algemene voorzieningen zoals de ontmoetingsruimte. De Minister van BZK zal u voor 1 mei 2021 over de invulling van de regeling informeren.
Hoe gaat u invulling geven aan de aangenomen motie-Futselaar c.s. over 20 miljoen extra voor ontmoetingsruimten voor ouderen? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Zie antwoord vraag 6.