Het overzicht Financiële stabiliteit van DNB en de antwoorden van de minister van 18 november 2011 |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het overzicht Financiële stabiliteit van De Nederlandsche Bank (DNB) van november 2011?
Ja.
Kent u de conclusie van DNB dat er circa 200 miljard nodig is voor een voldoende vereiste dekkingsgraad van de pensioenfondsen, zijnde een kwart van de 800 miljard aan pensioengelden? Wat zijn de gevolgen als de rente op 31 december even hoog is als eind september? Is er aanleiding voor aanvullend beleid of denkt dit gat nog op te vangen binnen de bestaande wettelijke kaders met behulp van herstelplannen? Hoe groot zouden de effecten van die herstelplannen zijn voor gepensioneerden en voor de opbouw van pensioenen van werknemers?
In het Overzicht Financiële Stabiliteit van november stelt DNB dat de financiële positie van de pensioenfondsen met naar schatting € 200 miljard moet verbeteren om op het vereiste eigen vermogen te komen. Bij een dekkingsgraad op (of boven) het vereiste eigen vermogen, beschikt een pensioenfonds over voldoende buffers. Als de dekkingsgraad onder het vereiste eigen vermogen daalt, moet het fonds bij DNB een langetermijnherstelplan indienen. Voor het bereiken van het vereiste eigen vermogen geldt een hersteltermijn van vijftien jaar.
Uit het overzicht van DNB blijkt eveneens dat de financiële positie van de pensioenfondsen met € 90 miljard moet verbeteren om op de minimaal vereiste dekkingsgraad (circa 105%) te komen. Bij een dekkingsgraad onder dit niveau, is sprake van een dekkingstekort. Het fonds moet in dat geval bij DNB een kortetermijnherstelplan indienen. De meeste lopende kortetermijnherstelplannen zijn op 1 januari 2009 van start gegaan en hebben een looptijd van vijf jaar. De fondsen moeten dus uiterlijk op 31 december 2013 het minimaal vereiste eigen vermogen bereiken.
Als de rente op 31 december a.s. even hoog is als eind september, en de waarde van de bezittingen van de pensioenfondsen niet toe- of afneemt, dan zal de dekkingsgraad bij benadering op hetzelfde niveau uitkomen. Deze dekkingsgraad vormt de basis voor de evaluatie van de herstelplannen. Hierbij wordt bezien of het fonds binnen de hersteltermijn naar verwachting nog in staat is om op het minimaal vereiste eigen vermogen uit te komen. Met mijn antwoorden van 18 november jl. op eerdere Kamervragen heb ik u geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de evaluatie per 31 december a.s. voor de deelnemers.
De pensioenfondsen moeten hun financiële problemen binnen het wettelijke kader oplossen. Om een goede overgang naar een nieuw financieel toetsingskader mogelijk te maken zal het kabinet rond de zomer van 2012 in overleg treden met de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie. Mede op basis van dit overleg en advisering door DNB, zal het kabinet bezien of en op welke wijze het beoogde nieuwe toetsingskader kan worden betrokken bij de vaststelling van de premiestelling voor 2013 en de eventueel in dat jaar door te voeren kortingen.
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen van 18 november 2011 waarin u aangeeft dat de huidige problematiek van de pensioenfondsen is ontstaan als gevolg van een combinatie van voortgaande daling van de rente, stagnerende beurskoersen en een stijging van de levensverwachting en niet het gevolg is van de afroming van pensioenvermogens aan het eind van vorige eeuw? Welk deel van de daling van de dekkingsgraden kan worden verklaard uit de daling van de rente, de stagnerende beurskoersen en/of de stijging van de levensverwachting?
Pensioenfondsen verschillen onderling in de wijze waarop zij beleggen, de mate waarin zij het renterisico en andere risico’s afdekken en de levensverwachting van hun deelnemers. De bijdrage van bovengenoemde factoren aan de daling van de dekkingsgraad loopt eveneens per fonds uiteen. Het Centraal Planbureau heeft begin dit jaar voor de pensioensector als geheel in beeld gebracht welke factoren de daling van de gemiddelde dekkingsgraad in de jaren 2008 tot en met 2010 verklaren1. De gemiddelde dekkingsgraad is in deze periode met 40%-punt gedaald.
De daling van de rente heeft geleid tot een forse toename van het bedrag dat nodig is voor de financiering van de pensioenverplichtingen. Daar staat tegenover dat de waarde van de vastrentende beleggingen door de rentedaling is toegenomen. Per saldo verklaart de verlaging van de rente in de jaren 2008–2010 ongeveer de helft (20%-punt) van de daling van de dekkingsgraad. De negatieve ontwikkeling van de aandelenbeurzen verklaart een kleine 40% (15%-punt) van de daling. Ruim 10% (5%-punt) wordt verklaard door de toename van de levensverwachting.
Bent ervan op de hoogte dat de heer Frijns tijdens het gesprek met de Kamer op 31 maart 2011 over pensioenfondsen heeft aangegeven dat er vier tienpunters waren, die zorgden voor een lagere dekkingsgraad van in totaal 40%, waarvan de eerste was dat er te lage premies waren betaald (met name in de jaren 90) weet u dat de heer Frijns dit effect op ongeveer 10% inschatte? Betekent het antwoord op eerdere Kamervragen d.d. 18 november 2011 dat u het oneens bent met de heer Frijns? Zo ja, op basis van welke argumenten?
Tijdens zijn gesprek met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 31 maart jl. verklaarde de heer Frijns de (toenmalige) stand van de dekkingsgraad mede vanuit de «actieve underfunding» in – met name – de jaren ’90. Hij gaf daarbij overigens aan dat het voor hem onmogelijk was om de grootte van het effect hiervan vast te stellen.
Dat er destijds te weinig pensioenpremie is betaald, staat niet ter discussie. Pensioenfondsen hebben in die periode hun vermogens bewust afgeroomd, mede onder dreiging van een wetsvoorstel dat tot doel had om vermogensoverschotten te belasten. Voorts heeft de wetgever in de periode van 1982 tot 1994 de pensioenpremies voor overheidswerknemers stelselmatig te laag vastgesteld. Ik heb u daarover geïnformeerd ten behoeve van het verslag van een schriftelijk overleg over het onderwerp Toekomst pensioenstelsel2.
Iets anders is of de huidige financiële pensioenproblematiek kan worden toegeschreven aan gebeurtenissen in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw. De pensioenfondsen behielden destijds in het algemeen voldoende reserves. Na 2002 zijn de fondsen relatief snel hersteld van de daling van de dekkingsgraden aan het begin van deze eeuw. Eind 2007 lag de gemiddelde dekkingsgraad weer ruim boven het vereiste eigen vermogen. De actuele pensioenproblematiek is na 2007 ontstaan als gevolg van de ontwikkelingen die ik heb genoemd in mijn antwoorden van 18 november jl. en die hierboven zijn uitgesplitst in het antwoord op vraag 3.
Hoeveel hoger zouden de huidige dekkingsgraden zijn geweest als er in de jaren 80 en 90 kostendekkende premies zouden zijn betaald?
De wettelijke verplichting voor pensioenfondsen om kostendekkende premies vast te stellen, dateert van 2007. Het is niet mogelijk om nu nog vast te stellen welke premies enkele decennia geleden kostendekkend zouden zijn geweest.
Bent u bekend met het feit dat bij mensen die werken naast hun WWB-uitkering de inkomsten uit het werk door de gemeente verrekend wordt met hun uitkering?1 Bent u bekend met het feit dat dit lokaal vaak misgaat doordat de gemeente te laat of niet verrekent?
Ja, verrekening van inkomsten is in de Wet werk en bijstand vastgelegd. Hierbij geldt het transactiebeginsel. Dit houdt in dat de gemeenten inkomsten moeten toerekenen aan de periode waarop deze betrekking hebben. Daarbij kan het zijn dat inkomsten achteraf worden verrekend omdat die nog niet bekend en/of ontvangen waren op het moment dat de uitkering wordt uitbetaald. Dit is van belang voor de vangnetfunctie van de bijstand, waarbij aanvulling tot sociaal minimum plaatsvindt. Het transactiebeginsel voor de verrekening zorgt ervoor dat de bijstand op maandbasis niet boven het sociaal minimum uitkomt.
Wanneer de verrekening van inkomsten met de bijstandsuitkering binnen het jaar plaatsvindt zal dit niet leiden tot een belastingaanslag. Verrekening over de jaargrens heen kan wel tot een belastingaanslag leiden wanneer hierdoor te veel aan heffingskorting in aanmerking is genomen.
De mogelijkheid van latere verrekening is inherent aan de systematiek en is derhalve onderdeel van het reguliere proces. Dat is iets anders dan dat er iets mis gaat. Daarvan zijn mij geen signalen bekend.
Bent u ermee bekend dat dit vaak tot problemen leidt bij de Belastingdienst doordat de aangepaste jaaropgaven niet geaccepteerd worden en dat deze mensen daardoor navorderingen van de Belastingdienst krijgen?
Ook op dit punt zijn er geen signalen dat mensen vaak navorderingen krijgen doordat de Belastingdienst aangepaste jaaropgaven niet accepteert. De regel is dat het moment van verrekening bepalend is voor het jaar waaraan de uitkering fiscaal wordt toegerekend en dus op de jaaropgave komt. Als de verrekening in het nieuwe jaar plaatsvindt komt deze tot uitdrukking op de jaaropgaaf over het nieuwe jaar.
Deelt u de mening dat deze mensen hierdoor in grotere (financiële) problemen komen en dat dit niet gewenst is?
Een te betalen aanslag heeft financiële gevolgen voor deze mensen. Overigens niet in die zin dat ze er per saldo slechter van worden, maar dat er sprake is van verschuiving in de tijd. Deze gevolgen zijn onderkend en hier zijn voorzieningen voor getroffen. Tijdige verrekening van inkomsten en goede voorlichting dragen bij aan het voorkomen van (financiële) problemen en discussie met de Belastingdienst. Daarom heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Klijnsma, het initiatief genomen gemeenten in 2010 een handreiking ter beschikking te stellen ter verbetering van de uitvoeringspraktijk. Zij heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd bij brief d.d. 15 februari 2010 (nummer 2010Z03032).
Deelt u de mening dat het ook voor de Belastingdienst inefficiënt is omdat mensen veel moeite moeten doen om hun gelijk te halen? Deelt u de mening dat het juist positief is als mensen naast hun WWB-uitkering aan het werk gaan en dat bovengenoemd probleem een drempel kan zijn voor mensen om aan het werk te blijven?
Zoals bij vraag 1 is aangegeven, is de mogelijkheid van het later verrekenen onderdeel van het reguliere proces bij gemeenten en Belastingdienst. Wij delen met u de mening dat het positief is dat mensen naast hun WWB-uitkering aan het werk gaan of zijn. Mensen stimuleren om naar vermogen te werken is een speerpunt van dit kabinet. Het is uiteraard niet de bedoeling dat burgers die naar vermogen werken hier problemen mee krijgen. Gelet op het antwoord op voorgaande vragen is daar ook geen sprake van.
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst aangepaste jaaropgaven niet kan accepteren en hoe vaak navorderingen zich voordoen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er snel actie ondernomen moet worden om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst beter omgaat met de genoemde gevallen? Zo ja, wat gaat u doen om deze problemen tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
‘Te veel jongeren in de Wajong’ |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de nieuwsuitzending «Te veel jongeren in de Wajong»?1
Ja.
Zo ja, wat vindt u van de berichtgeving dat de afgelopen jaren gemeenten jongeren in een Wet investeren in jongeren (WIJ) of Wet werk en bijstand (WWB) uitkering hebben doorgesluisd naar de Wajong om financieel voordeliger uit te komen?
Dat er sprake is geweest van substitutie van de WWB naar de Wajong is niet nieuw. Dit effect komt ook naar voren in het CPB-rapport over doorstroom van de WWB naar de Wajong. Het vloeit voort uit het gegeven dat er twee regimes zijn voor jongeren met arbeidsmogelijkheden.
Ik vind het ongewenst dat niet de kortste weg naar werk, maar de vraag welke regeling voor betrokkene en/of uitvoeringsinstantie het meest gunstig is, centraal zou staan. Daarom ben ik voornemens het huidige stelsel aan te passen met de Wet Werken naar Vermogen (WWNV). Het CPB-rapport vormt daarmee ondersteuning voor de koers die het kabinet heeft gekozen met het voorgenomen wetsvoorstel Werken naar Vermogen.
Kunt u aangeven hoe dit mogelijk is geweest? Deelt u de mening dat de toegang tot de Wajong te vrijblijvend lijkt, omdat de instroom al jaren explosief is en ook in 2010 volgens het CPB circa 17 000 jongeren bedroeg?
In de huidige situatie verschillen de voorwaarden met de andere regelingen en ligt de uitvoering niet in één hand. Gemeenten voeren de WWB/WIJ en Wsw uit, terwijl UWV de wet Wajong uitvoert. Dit leidt ertoe dat nog te veel mensen met een arbeidsbeperking niet werken terwijl zij daar (deels) wel toe in staat zijn. Het kabinet heeft als doel om met de Wet werken naar vermogen meer eenheid en meer duidelijkheid aan te brengen in de manier waarop we mensen die nu in de WWB/WIJ, Wsw en Wajong zitten (waar het kan) aan de slag helpen en beschermen (waar het noodzakelijk is). In de toekomst kan iedereen met arbeidsvermogen een beroep doen op één regeling, de WWNV, waarvan de uitvoering in één hand komt te liggen, bij de gemeenten. Mensen met een arbeidsbeperking zullen in eerste instantie beoordeeld worden op hun mogelijkheden om (deels) te werken en de aanpak die erbij past om dat ook te realiseren. Voor jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn – en die dus niet kunnen werken – blijft de wet Wajong bestaan.
Welke rol heeft het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) gehad om deze jongeren ook toe te laten tot de Wajong? Kunt u aangeven welk percentage van de Wajong-aanvragen daadwerkelijk wordt ingewilligd?
De rol van het UWV is om, als uitvoerder van de claimbeoordelingen Wajong, te toetsen aan de voorwaarden en criteria voor de Wajong. Als de jongere als jonggehandicapte kan worden beschouwd en volgens de regels en criteria (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt bevonden is toelating tot de Wajong terecht. Het percentage nieuwe Wajongaanvragen dat wordt ingewilligd bedroeg in 2010 60%; in de afgelopen drie jaren bedroeg dat voor de oude Wajong 67%.
Heeft u ook zicht op het aantal jongeren dat door de gemeenten is doorgeleid naar de Wajong? Zijn er ook specifieke gemeenten die daarbij opvallen?
In onderstaande tabel worden de cijfers over de jaren 2004 tot en met 2009 gegeven (bron: eerste Wajongmonitor van het UWV, Kamerstukken II 29 817, nr. 57). Sinds invoering van de WWB is de doorstroom van WWB naar de Wajong toegenomen. Sinds 2008 is er een dalende tendens. Er is geen informatie bekend over de verdeling over de gemeenten.
Jaar
Aantal (absoluut)
percentage van de instroom in Wajong in dat jaar
2004
800
9%
2005
1 070
10%
2006
1 950
14%
2007
3 050
20%
2008
2 800
17%
2009
2 200
12%
Kunt u het beeld bevestigen dat gemeenten actief op zoek gaan naar redenen om jongeren uit de WIJ/WWB over te hevelen naar de Wajong? Deelt u de mening dat door de overheveling door gemeenten vanuit financiële beweegredenen er nu jongeren in de Wajong kunnen zitten die daar eigenlijk niet thuis horen? Zo nee, waarom niet?
De Wajong kent een claimbeoordeling door het UWV. Personen die nu in de Wajong zitten zijn volgens de huidige regels en criteria (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bevonden en daarmee toegelaten tot de Wajong. Ik ben echter van oordeel dat de huidige systematiek met twee regimes voor jongeren met arbeidsmogelijkheden niet voldoende effectief is. Het kabinet heeft het voornemen om met de Wet Werken naar Vermogen te komen tot één regeling voor mensen met een beperking die wel arbeidsvermogen hebben maar een afstand tot de arbeidsmarkt (zie de hoofdlijnennotitie Werken naar vermogen, Kamerstukken II 2010/11, 29 544 nr. 297). Ik ben van oordeel dat de opgetreden doorstroom van WWB naar de Wajong van de laatste jaren de voornemens ten aanzien van de Wet Werken naar Vermogen ondersteunt. Hiermee wordt een regeling gecreëerd waarbij de taak om deze jongeren aan het werk te helpen eenduidig bij gemeenten wordt belegd. De nieuwe instroom in de Wajong wordt dan beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben.
Deelt u de mening dat jongeren die in staat zijn om te werken hiermee verder van de arbeidsmarkt zijn geraakt door het stigma «arbeidsongeschikt» dat de Wajong met zich meebrengt, de hogere uitkering en de omstandigheid dat de regeling geen sollicitatieverplichting bevat? Hoe zorgt u ervoor dat jongeren die thans in de Wajong zitten, die in staat zijn om te werken ook daadwerkelijk gaan werken? Ook als zij geen sollicitatieverplichting kennen?
Inderdaad is het van belang dat jongeren die thans in de Wajong instromen en in staat zijn om te werken ook daadwerkelijk gaan werken. De eerste stap is daarvoor gezet in 2010 met de verbetering van de Wajong. Hierdoor wordt onderscheid gemaakt tussen Wajongers met en zonder arbeidsvermogen. Het vinden en behouden van werk en de ondersteuning daarbij staan centraal en niet de uitkering. Conform de afspraken in het regeer- en gedoogakkoord zal UWV gaan bekijken wie van de huidige Wajongers over arbeidsvermogen beschikt en wie niet. Voor Wajongers zonder arbeidsvermogen blijft de uitkering gebaseerd op 75% van het wettelijk minimumloon; Wajongers met arbeidsvermogen krijgen per 1 januari 2014 een lagere uitkering ter hoogte van 70% van het wettelijk minimumloon; de gebruikelijke norm bij sociale verzekeringen. Voor jongeren met arbeidsvermogen die vóór 1 januari 2012 in de Wajong zijn ingestroomd blijven de overige rechten en plichten ongewijzigd. Ik verwacht dat deze maatregel zal bevorderen dat ook huidige Wajongers meer zullen gaan werken.
Omdat met de komst van de Wet werken naar vermogen een einde zal komen aan deze praktijk van gemeenten, bent u bereid om in ieder geval erop toe te zien dat in de nieuwe situatie geen andere prikkels of mogelijkheden ontstaan om mensen door te sluizen naar andere uitkeringsregelingen welke gefinancierd worden door het Rijk, dan wel erop toe te zien dat deze kosten worden verhaald?
Ik zal dit aspect betrekken bij de nadere uitwerking van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen.
Het bericht 'pensioenfondsen rekenen zich rijk' |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «pensioenfondsen rekenen zich rijk»?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de afspraak in het Pensioenakkoord dat pensioenfondsen straks mogen gaan rekenen met het verwachte rendement? Deelt u de angst dat de druk hierdoor te groot wordt voor pensioenfondsen om pensioenen ook te indexeren als dit eigenlijk niet verantwoord is, waardoor er te weinig overblijft voor de pensioenen van de werknemers van nu.
In het memo «Waarborgen voor een «generatieproof» nieuw pensioencontract», dat ik als bijlage bij mijn brief van 14 september 2011 over het pensioenakkoord aan uw Kamer heb verzonden, heb ik aangegeven dat voorkomen moet worden dat pensioenfondsen risico’s teveel naar de toekomst doorschuiven als gevolg van een te hoge disconteringsvoet, te hoge beleggingsrisico’s en een te lange spreidingsperiode, waardoor zij op korte termijn teveel zouden kunnen uitgeven ten laste van jongere en toekomstige generaties.Tevens heb ik steeds benadrukt dat bij de verdere uitwerking van het pensioenakkoord het kabinet zal toetsen of de lasten evenwichtig over de verschillende generaties worden verdeeld. In dat kader spelen de onderzoeken naar de mogelijkheden om bestaande pensioenrechten onder te brengen in een nieuw pensioencontract een belangrijke rol.
Wat is uw reactie op het onderzoek onder ruim 200 pensioenexperts dat 61% van deze experts ook vreest dat pensioenfondsen zich rijk zullen rekenen?2 Hoe strookt dit met uw eerdere beweringen in de Tweede Kamer dat het rekenen met rendementen niet ten koste gaat van toekomstige generaties en dat we pensioenfondsen wel kunnen vertrouwen?
Het uitgangspunt van het pensioenakkoord is dat lusten en lasten evenwichtig over generaties worden verdeeld en dat voorkomen moet worden dat pensioenfondsen zich rijk kunnen rekenen.
Geeft dit onderzoek u aanleiding om het rekenen met verwachte rendementen in heroverweging te nemen? Zo ja, kunt u daarbij dan de alternatieven betrekken die door de hoogleraren Bovenberg, Wijnbergen, Nijman en Kocken zijn aangedragen?
Van heroverweging is geen sprake, want zoals ik al heb aangegeven in antwoord 3 is het uitgangspunt van het pensioenakkoord dat lusten en lasten evenwichtig over generaties worden verdeeld. Dat uitgangspunt is nader uitgewerkt in het eerdergenoemde memo «Waarborgen voor een «generatieproof» nieuw pensioencontract», waarin ik onder andere ben ingegaan op de te hanteren disconteringsvoet in het nieuwe pensioencontract. In mijn antwoorden op eerdere vragen van uw kant over het pensioenakkoord, verzonden op 31 oktober 2011, heb ik al aangegeven dat alle suggesties van externe deskundigen in ogenschouw zullen worden genomen.
Zo nee, bent u wel bereid om het rekenen met verwachte rendementen in heroverweging te nemen als ook uit het onderzoek van het Centraal Plan Bureau (CPB) blijkt dat rekenen met verwachte rendementen niet generatieneutraal is?
De uitkomsten van het onderzoek van het CPB zullen een belangrijk rol spelen bij de vaststelling van een juiste disconteringsvoet voor het nieuwe pensioencontract.
Payrollen bij een ROC |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel over payrollen bij een Regionaal opleidingscentrum (ROC)?1
Ja.
Deelt u de opvatting, dat het zeer ongewenst is om een pay roll constructie in te zetten opdat de inlenende werkgever (het ROC Eindhoven) het eigenrisicodragerschap van de Werkloosheidswet (WW) kan ontlopen?
Sinds de introductie van het eigenrisicodragerschap WW in 2001 is het uitgangspunt dat de overheidswerkgever zelf het risico draagt t.a.v. de werkloosheidslasten voor overheidswerknemers. Het is ongewenst dat het WW-risico voor overheidswerknemers wordt afgewenteld op WW-fondsen in de marktsector, zoals eerder aangegeven in de beantwoording van Kamervragen over Pay-Rollbedrijven uit 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel, nr. 438).
Het staat instellingen als ROC’s echter vrij om marktpartijen (zoals payrollondernemingen) in te schakelen om met een flexibel aanbod onderwijs aan te kunnen bieden aan partijen die daar om vragen. Zeker als het gaat om werkzaamheden met een element van marktwerking waarvoor een ROC een marktconform werkloosheidsrisico loopt. Uit het aangehaalde artikel blijkt dat het geval te zijn bij het ROC Eindhoven. Payrollwerknemers zijn geen werknemers van de overheid, maar van de payrollonderneming. Het gevolg van de inhuur van payrollmedewerkers is dat de financiële gevolgen van het risico van werkloosheid voor de payrollmedewerkers worden gefinancierd via een marktconforme premie.
Deelt u de mening dat de kosten van de WW op deze wijze worden afgewenteld op het collectief?
De keuze voor inhuur van medewerkers van een payrollonderneming betekent dat de eventuele werkloosheidslasten van die medewerkers worden gedragen door sociale fondsen waar overwegend marktwerkgevers aan bijdragen. De payrollonderneming betaalt premies aan het sectorfonds en het Algemeen werkloosheidsfonds ter dekking van het risico van werkloosheid van de payrollwerknemers. De overheidsinstelling draagt in zo’n situatie niet direct de lasten van de eventuele WW-uitkeringen. De prijs van het risico op WW is echter verdisconteerd in de prijs die de payrollonderneming aan de overheidsinstelling rekent voor haar diensten. In die zin is dus geen sprake van uitkeringen die zonder eigen bijdrage van die overheidsinstelling worden afgewenteld op het collectief.
Zo ja, welke acties gaat u ondernemen zodat deze praktijk wordt gestopt?
Het kabinet heeft de Stichting van de Arbeid om advies gevraagd over payrolling. De Stichting brengt naar verwachting in december advies uit. Daarna zal het kabinet met een reactie komen waarbij tevens zal worden ingegaan op het beleid ten aanzien van inhuur van payrollmedewerkers bij de rijksoverheid.
Het verkrijgen van de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (KOB) in Duitsland |
|
Sadet Karabulut |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u ermee bekend dat AOW-gerechtigden in Duitsland, die een aanvraag willen indienen voor de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, een aanvraagformulier, verstrekt door de SVB, moeten invullen en laten ondertekenen door de Duitse belastingdienst?1
Inwoners van Duitsland die in aanmerking willen komen voor de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen moeten voldoen aan de voorwaarde dat 90% of meer van hun wereldinkomen onderworpen is aan Nederlandse belastingheffing. Als uit gegevens van de Belastingdienst niet al bekend is dat zij voldoen aan dit 90%-criterium, dan kan met een door de belastingautoriteiten van het woonland ondertekende verklaring worden aangegeven welk inkomen zij genieten in hun woonland. Deze verklaring is ook geldig voor volgende jaren als er geen wijziging optreedt in de samenstelling van het inkomen van de belastingplichtige.
Klopt het dat in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is overeengekomen dat Nederland geen belastingvrijstelling geeft over het AOW-inkomen, waardoor ouderen geen belastingopgave hoeven te doen in Duitsland, maar in Nederland?2, 3
Op grond van artikel 12, tweede en derde lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van 16 juni 1956 heeft Nederland het recht tot belastingheffing over een AOW-uitkering van een inwoner van Duitsland. Volgens artikel 20, tweede lid, van het belastingverdrag wordt de AOW-uitkering niet in de grondslag van de Duitse belastingheffing opgenomen, maar telt dit inkomen wel mee voor de bepaling van het in Duitsland toe te passen tarief voor de belastingheffing over inkomsten die wel aan Duitsland ter belastingheffing zijn toegewezen.
Acht u het wenselijk dat de Duitse belastingdienst het aanvraagformulier koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen niet kan ondertekenen, omdat een deel van deze ouderen onbekend zijn bij de Duitse belastingdienst met als gevolg dat deze ouderen de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen mislopen? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen, zodat AOW-gerechtigden in Duitsland aanspraak kunnen maken op de koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen? Zo ja, waarom?
Uit informatie van de belastingautoriteiten in Nordrhein-Westfalen blijkt dat medewerkers van de belastingdienst van deze deelstaat door middel van een instructie zijn geïnformeerd over de wijze waarop het aanvraagformulier moet worden ondertekend. De procedure voor de ondertekening van het formulier is als volgt. De Duitse belastingdienst ondertekent het formulier als de gegevens die op dit formulier zijn vermeld, overeenstemmen met de gegevens die in Duitsland bekend zijn. Als iemand geen aangifte hoeft te doen voor de Duitse belastingheffing, omdat bijvoorbeeld het enige inkomen bestaat uit de AOW-uitkering, kan de Duitse belastingdienst het formulier op basis van deze instructie ondertekenen. Immers een verklaring van de Duitse belastingdienst dat er geen andere inkomensgegevens van de belastingplichtige bekend zijn, maakt het de Sociale Verzekeringsbank mogelijk om te toetsen of is voldaan aan de 90%-voorwaarde. Het Duitse ministerie van Financiën is bij de invoering van de mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen geïnformeerd over de te volgen procedure voor ondertekening van een inkomensverklaring. Ik heb daarom geen reden om aan te nemen dat de procedure in andere Duitse deelstaten anders zou zijn. Duitsland is overigens bekend met een dergelijke procedure, omdat Duitsland voor niet-inwoners die over 90% of meer van hun inkomen in Duitsland belastingplichtig zijn, al sinds lange tijd als bewijs verzoekt om een verklaring van de belastingautoriteiten van het woonland. Dit is de «Bescheinigung EU/EWR».
Het bericht “Helft pensioenfondsen onvoldoende gedekt, ‘drastische’ stappen nodig” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Helft pensioenfondsen onvoldoende gedekt, «drastische» stappen nodig»?1
Ja.
Klopt de bewering in het bericht dat ruim 200 pensioenfondsen een te lage dekkingsgraad hebben?
Ja. Uit een statistisch nieuwsbericht van 22 september jl. op de website van DNB blijkt dat ultimo augustus ruim 200 pensioenfondsen een dekkingstekort hadden.
Klopt de bewering in het bericht dat ruim 150 pensioenfondsen een zo lage dekkingsgraad hebben dat de pensioenfondsen in het voorjaar van 2012 moeten beslissen of ze gaan korten op de pensioenuitkering of de pensioenpremie fors gaan verhogen?
Het bericht is gebaseerd op de ontwikkeling in het derde kwartaal van 2011. De noodzaak van aanvullende maatregelen, waaronder het korten op pensioenen, wordt jaarlijks bezien aan de hand van de stand van zaken per 31 december.
Eind oktober berichtte de Pensioenfederatie over de gevolgen van de economische crisis voor de financiële positie van pensioenfondsen. Hieruit blijkt dat ruim 100 pensioenfondsen, waaronder meerdere grote, mogelijk niet binnen de looptijd van hun herstelplan (2009 t/m 2013) zullen herstellen. Als hun financiële positie vóór 31 december niet verbetert, moeten deze fondsen aanvullende maatregelen treffen. Een groot aantal fondsen zal in dat geval vermoedelijk per april 2013 een korting op de pensioenen en pensioenaanspraken inplannen. De financiële situatie van het fonds op 31 december 2012 bepaalt of deze korting wordt geëffectueerd en welke omvang deze krijgt.
Hoe beoordeelt u de relatie tussen de daling van de dekkingsgraad, de lage rente en het uitblijven van een oplossing voor de eurocrisis?
De rekenrente waartegen de pensioenfondsen hun verplichtingen moeten waarderen, de rentetermijnstructuur (RTS), is in het derde kwartaal met ruim 1%-punt gedaald. Bij een daling van de rekenrente met 1%-punt daalt de dekkingsgraad van een gemiddeld fonds met circa 15%. Het effect van rentedaling op de dekkingsgraden kan door renteafdekking worden beperkt.
De lage rente is deels een weerspiegeling van de lage marktverwachtingen voor de economische groei en bijbehorende marktverwachting van langdurig lage beleidsrentes.De eurocrisis heeft hoofdzakelijk betrekking op de toenemende zorg over de kredietwaardigheid van een aantal landen binnen de eurozone, de zogeheten GIIPS-landen (Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje). Als gevolg van de afnemende kredietwaardigheid van staatsobligaties van deze landen investeren beleggers in toenemende mate in staatsobligaties van Duitsland en Nederland. Dit heeft tot gevolg dat de rentes van Duitse en Nederlandse staatsleningen de afgelopen tijd aanzienlijk zijn gedaald. De rente waartegen de verplichtingen van pensioenfondsen worden verdisconteerd, de rentetermijnstructuur (RTS), wordt niet rechtstreeks afgeleid van de ontwikkeling van de rentes van landen binnen de eurozone die het minst risicovol zijn, wel is sprake van een indirect verband. In de dagelijkse praktijk komt het erop neer dat de RTS de ontwikkeling van de rentes op staatsleningen van landen met een hoge kredietwaardigheid volgt.
De lage rente moet echter niet alleen in perspectief van de eurocrisis worden gezien. Al geruime tijd is sprake van een dalende rente. Op dit moment ligt de rente nog weer lager dan eind 2010. Gegeven de onzekerheden op financiële markten en de ontwikkelingen van de wereldeconomie, is niet duidelijk of, en in welk tempo, de rente weer zal oplopen.
Overigens heeft de lage rente niet alleen negatieve gevolgen voor pensioenfondsen. De lage rente raakt pensioenfondsen in termen van hogere verplichtingen, maar heeft waarschijnlijk ook bijgedragen aan de stijging van de beleggingsrendementen in de periode voorjaar 2009 tot en met voorjaar 2011.
Kunt u een vergelijking maken tussen de afweging die nu in het voorjaar van 2012 voorligt bij deze pensioenfondsen en de afweging die voor zou liggen na de implementatie van het pensioenakkoord? Beoordeelt u dit als een verbetering?
Het pensioenakkoord bevat concrete aanbevelingen voor hervorming van de pensioencontracten. Een belangrijk onderdeel daarvan is het inbouwen van aanpassingsmechanismen waarmee de pensioencontracten beter bestand worden tegen ontwikkelingen in de levensverwachting en schokken op de financiële markten. In de pensioencontracten wordt geregeld op welke wijze de pensioenen en pensioenaanspraken worden gekort als de reële dekkingsgraad door een financiële schok onder de 100% uitkomt. Op dit moment kunnen pensioenuitkeringen en -aanspraken alleen worden gekort op basis van herstelplannen.
Onder de nieuwe contracten zullen financiële schokken eveneens tot gevolg hebben dat de pensioenen en de pensioenaanspraken niet of onvolledig worden geïndexeerd. Bij ernstige schokken, zoals zich recent kort achter elkaar hebben voorgedaan, kunnen de pensioenrechten ook nominaal worden gekort.
Het belangrijkste verschil met de huidige situatie is dat de spelregels voor het aanpassen van pensioenen (indexeren en korten) contractueel worden vastgelegd. Deze spelregels en de toepassing daarvan door de pensioenfondsen worden daarmee inzichtelijk en controleerbaar. Ik beschouw dit als een verbetering.
Is er een correlatie tussen het tekort van 250 miljard door de premieholidays in de jaren ’80 en ’90 en de mogelijke korting op de pensioenen nu?
De dekkingsgraden van de pensioenfondsen zijn in de jaren ’80 en ’90 op peil gebleven. Berekend op basis van de huidige regels schommelde de gemiddelde dekkingsgraad eind vorige eeuw tussen de 140 en 150%. De economische crisis van begin deze eeuw leidde tot dalende dekkingsgraden, maar niet in die omvang zoals nu het geval is. Het gezamenlijke tekort bij de fondsen met onderdekking bedroeg eind 2002 circa € 3 miljard. Door hogere pensioenpremies en betere economische omstandigheden herstelden de dekkingsgraden na 2002.
Eind 2007 bedroeg de gemiddelde dekkingsgraad weer 144%.
De huidige problematiek van de pensioenfondsen is ontstaan als gevolg van een combinatie van voortgaande daling van de rente, stagnerende beurskoersen en een stijging van de levensverwachting. De ontwikkeling van de dekkingsgraden in de laatste decennia wijst uit dat de huidige problemen niet kunnen worden herleid tot de afroming van pensioenvermogens aan het eind van vorige eeuw.
Deze afroming was overigens mede het gevolg van politieke besluitvorming. In de periode 1984 tot 1992 is de pensioenpremie voor overheidswerknemers bij wet verlaagd tot onder het kostendekkend niveau. Daarnaast stimuleerde het wetsvoorstel dat beoogde «bovenmatige» pensioenvermogens weg te belasten, pensioenfondsen om hun dekkingsgraden te beperken.
Het bericht over het bepalen van de marktwaarde van pensioenen door de hoogleraren Lans Bovenberg, Sweder van Wijnbergen, Theo Nijman en Theo Kocken |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bepaal marktwaarde pensioen»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de kritiek van de hoogleraren dat individuele eigendomsrechten goed gedefinieerd en beschermd moeten worden en dat het pensioenakkoord op dit punt nog onvoldoende is uitgewerkt? Deelt u deze mening, bent u van plan om dit probleem op te pakken? Zo ja, hoe en wanneer?
Eén van de centrale uitgangspunten van het pensioenakkoord is het behoud van collectiviteit en solidariteit. Dankzij deze kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel kunnen bijvoorbeeld risico’s worden gedeeld en zijn de uitvoeringskosten van pensioenregelingen relatief laag.
In een pensioensysteem dat gebaseerd blijft op collectiviteit en solidariteit is een volledige toedeling van individuele eigendomsrechten niet mogelijk. Als met bescherming van individuele eigendomsrechten echter wordt bedoeld dat het collectieve pensioenvermogen op een evenwichtige en eerlijke wijze over de verschillende generaties moet worden verdeeld, ben ik dat met de hoogleraren eens. Het kabinet heeft in de bijlage bij de brief aan uw Kamer over het overleg van het kabinet met de Stichting van de Arbeid van 10 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 30 413, nr. 157) dan ook het belang van een evenwichtige verdeling van lusten en lasten over de verschillende generaties onderstreept. Dit aspect zal bij de nadere uitwerking van het pensioenakkoord worden meegewogen.
Wat vindt u van de door de hoogleraren aangedragen oplossing om te voorkomen dat de mogelijkheid om met rendement te gaan rekenen leidt tot een prikkel om meer risico te gaan nemen om zo meer indexatie te kunnen uitkeren aan ouderen, ten koste van mensen tot 55 jaar? Bent u bereid deze oplossing over te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de kamer de uitwerking hiervan tegemoet zien?
Voorkomen moet worden dat pensioenfondsen meer beleggingsrisico’s gaan nemen om op die manier via een hogere discontovoet kunstmatig hun dekkingsgraden te verhogen, wat ten koste kan gaan van het pensioen van jongere generaties.
Om te bereiken dat lusten en lasten evenwichtig over generaties worden verdeeld, is in het pensioenakkoord reeds een aantal randvoorwaarden gesteld ten aanzien van het beleggingsbeleid en de wijze waarop de verplichtingen in een nieuw pensioencontract moeten worden gewaardeerd. Die randvoorwaarden zijn nader uitgewerkt in het memo «Waarborgen voor een «generatieproof» pensioen-contract», dat ik op 14 september 2011 als bijlage bij een brief over het pensioenakkoord naar uw Kamer heb verzonden (Kamerstukken II 2010/11, 32 043, nr. 66).
Daarnaast spelen de onderzoeken naar de mogelijkheden om de bestaande pensioenrechten te integreren in een nieuw pensioencontract een belangrijke rol bij het waarborgen van een «generatieproof» pensioencontract. In deze onderzoeken is één van de centrale vragen hoe de waarde van de bestaande pensioenaanspraken van verschillende groepen deelnemers wordt beïnvloed door het onderbrengen van deze aanspraken in een nieuw pensioencontract. De hoogte van de discontovoet in het nieuwe pensioencontract heeft een grote invloed op de verdeling van deze waarde tussen verschillende generaties.
Mede op basis van de uitkomst van deze onderzoeken kan worden vastgesteld welke discontovoet leidt tot een evenwichtige verdeling van lusten en lasten tussen jong en oud. Zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer van 10 juni 2011 over het overleg van het kabinet met de Stichting van de Arbeid is mijn streven om de onderzoeken eind februari 2012 te hebben afgerond. Daarna zal in een hoofdlijnennotitie het financieel toetsingskader voor het nieuwe pensioencontract nader worden ingevuld, waarbij alle suggesties van externe deskundigen in ogenschouw zullen worden genomen.
Wat vindt u van de door hoogleraren aangedragen oplossingen om marktconform te werken en zodoende te voorkomen dat de uitsmeerperiode van 10 jaar bij onverwachte schokken ertoe leidt dat er te weinig geld overblijft voor jongeren? Bent u bereid één van deze oplossingen over te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke oplossing en wanneer kan de kamer de uitwerking tegemoet zien?
Ook het spreidingsmechanisme voor de verwerking van financiële schokken moet als onderdeel van het financieel toetsingskader voor het nieuwe pensioencontract zodanig worden ingericht dat wordt voorkomen dat er voor jongeren te weinig geld overblijft.
Naast de hoogte van de discontovoet en de inrichting van het spreidings-mechanisme zijn er echter nog meer factoren die van invloed zijn op de verdeling van de financiële middelen tussen generaties, bijvoorbeeld de hoogte van eventuele buffers en de mate van vergrijzing van een pensioenfonds. Al die factoren zullen bij de nadere invulling van het financieel toetsingskader voor het nieuwe pensioencontract in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien.
Zoals ik hierboven al heb aangegeven, zal ik uw Kamer na afronding van de in de brief van 10 juni 2011 genoemde onderzoeken, een hoofdlijnennotitie doen toekomen over de nadere invulling van het financieel toetsingskader.
Bent u bereid deze vragen voor 1 november te beantwoorden?
Ja.
Gratis fietsen voor werklozen in Rotterdam |
|
Léon de Jong (PVV), Ino van den Besselaar (PVV) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gratis fiets werklozen Rotterdam»?1
Ja.
Bent u van mening dat van de uitkering te weinig prikkel uitgaat voor werklozen om scholing te volgen of aan de slag te gaan? Zo nee, kunt u uitleggen waarom in Rotterdam werklozen extra worden «beloond» en nog wel vooraf?
Het kabinet heeft maatregelen genomen om de prikkelwerking die uitgaat van het verschil tussen uitkering en salaris te versterken, onder meer door de wetsvoorstellen tot aanpassingen in de WWB en het voorkomen dat de bijstand hoger wordt dan het minimumloon (afbouwen dubbele heffingskorting).
Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden en te houden. Als dat om welke reden dan ook niet lukt en iemand een uitkering ontvangt, dan gelden de daarmee verbonden plichten.
Ik vind dat gemeenten de bijstandsuitkering moeten intrekken als mensen niet voluit meewerken om weer aan de slag te komen. Bijvoorbeeld als ze aangeboden werk weigeren, niet actief zoeken naar werk of zich niet inspannen om belemmeringen voor het vinden van werk weg te nemen. De WWB biedt gemeenten de ruimte om sancties op te leggen indien de verplichtingen niet of onvoldoende worden nageleefd.
De wethouder Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Rotterdam heeft de leden van de commissie voor Maatschappelijke Ondersteuning, Volksgezondheid, Sociale Zaken en Participatie van de gemeente Rotterdam op 5 december 2011 schriftelijk geïnformeerd betreffende de «gratis fiets voor werkloze Rotterdammers». Dit naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf over het re-integratiebedrijf Challenge Sports. Dit bedrijf heeft aanvullend op de afspraken met de gemeente Rotterdam zoals vastgelegd in een lopend contract gemeend degenen die uit het traject doorstroomden naar werk te moeten belonen met een fiets ter waarde van 400 euro. In de brief van 5 december geeft de wethouder nadere informatie over de samenwerking tussen de gemeente en het re-integratiebedrijf. De wethouder van Rotterdam geeft daarin aan dat de fiets, in tegenstelling tot wat in het artikel in de Telegraaf wordt gesteld, alleen verstrekt wordt aan klanten die een baan hebben aanvaard. Ook stelt dat wethouder vast dat hij dit soort aanvullende beloningen in principe niet wenselijk acht. Het is immers de verantwoordelijkheid van iedere burger om zo snel mogelijk, waar nodig met ondersteuning van de gemeente, zelfstandig in het dagelijks onderhoud te kunnen voorzien. Dat spreekt vanzelf en behoeft dus geen beloning. De wethouder meldt verder dat hij afspraken heeft gemaakt met het betreffende bedrijf om voortaan vooraf over dit soort initiatieven af te stemmen.
Hoe wordt voorkomen dat de fiets, ter waarde van 400,– direct wordt doorverkocht, waardoor de werkloze extra inkomsten heeft?
Zoals de wethouder aan de gemeenteraad van Rotterdam heeft laten weten, heeft het betreffende re-integratiebedrijf alleen een fiets verstrekt aan mensen die een baan hebben aanvaard. Omdat de betrokkene dan geen uitkering meer heeft, is doorverkoop van de fiets niet een voor de uitkering relevant feit.
Wie controleert of de uitgifte van gratis fietsen leidt tot minder uitkeringen? Hoever gaan we met het verspillen van gemeenschapsgeld? Nu gaat het om het uitdelen van een gratis fiets, straks een bromfiets en daarna wellicht een auto?
De wethouder heeft in zijn brief gemeld dat het verstrekken van fietsen door het bedrijf uit eigen middelen is betaald aan mensen die een baan hebben aanvaard, en dus niet uit het participatiebudget. Controle of dit leidt tot minder uitkeringen of het zich houden aan afspraken is derhalve niet aan de orde.
Kunt u aangeven of werklozen de fiets weer in moeten leveren zodra men zich niet aan de afspraak houdt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven uit welk budget dit bekostigd zal worden? Gaat dit ten koste van het re-integratiebudget? Hoe legt u dit uit aan de hardwerkende Nederlanders die niets kado krijgen? Onderschrijft u dat het op deze manier besteden van re-integratiemiddelen direct moet stoppen en weer moet worden ingezet waarvoor het echt bedoeld is namelijk het begeleiden van mensen richting een baan? Zo nee, waarom niet?
Uit de brief van de wethouder blijkt dat de fietsen worden verstrekt uit eigen middelen van het bedrijf en dus niet uit het participatiebudget.
De onterechte korting op de bijzondere bijstand van chronisch zieken en gehandicapten |
|
Renske Leijten , Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechter dat de gemeente Amsterdam ten onrechte de bijzondere bijstandsuitkeringen van chronisch zieken en gehandicapten heeft gekort?1
De verlening van de bijzondere bijstand is beleidsmatig en financieel gedecentraliseerd aan de gemeenten. In dit kader is het aan de onafhankelijke rechter om een oordeel te geven over de besluiten die de gemeente Amsterdam in individuele gevallen heeft genomen en of er daarbij al dan niet sprake is van een onterechte korting op de bijzondere bijstand. Ik treed niet in individuele gevallen en de besluitvorming daaromtrent.
In hoeveel gemeenten is ten onrechte gekort op de bijzondere bijstanduitkering na de invoering van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten? Om hoeveel personen en/of huishoudens gaat het? Mocht u niet over cijfers beschikken. bent u dan bereid hier onderzoek naar te doen?
Ik beschik niet over informatie van het aantal gemeenten waar de rechter gemeentelijke besluiten inzake de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten, wegens strijdigheid met de WWB heeft vernietigd. Zoals in antwoord 1 is aangegeven treed ik niet in individuele gevallen en de besluitvorming daaromtrent. Ik zie dan ook geen aanleiding om een onderzoek te doen naar de mate waarin gemeentelijke besluiten ten aanzien van de verlening van bijzondere bijstand door rechterlijke uitspraken worden vernietigd.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van deze onterechte korting op de bijzondere bijstand?
Het is mijn ministerie bekend, dat reeds in de zomer van 2010 de Rechtbank Amsterdam een aantal besluiten van de gemeente Amsterdam inzake de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten, wegens strijdigheid met de WWB heeft vernietigd.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeenste Amsterdam de brief van voormalig staatssecretaris Klijnsma in 2009 heeft genegeerd en twintig mensen in onnodige onzekerheid heeft geplaatst? Kunt u dit toelichten?
In verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) heeft de toenmalige staatssecretaris van SZW in de verzamelbrief van februari 2009 de gemeenten erop gewezen dat de invoering van de Wtcg in beginsel geen consequenties heeft voor het recht op algemene en bijzondere bijstand. In dit verband wijs ik er op dat het op lokaal niveau aan de gemeenten is om te beoordelen of en zo ja in welke mate er in individuele gevallen recht op bijzondere bijstand bestaat. Zoals in antwoorden 1 en 2 is aangegeven treed ik daar niet in.
Welke maatregelen gaat u treffen om de mensen die onterecht gekort zijn op hun bijzondere bijstanduitkering financieel te compenseren? Wilt u uw antwoord toelichten?
Daar waar de gemeenten op lokaal niveau te maken hebben met rechterlijke uitspraken over de door hen verleende (categoriale) bijzondere bijstand, is het niet aan het rijk maar aan de betreffende gemeenten om daar uitvoering aan te geven.
Bent u bereid gemeenten te verplichten voor chronisch zieken en gehandicapten automatisch categorale bijzondere bijstand te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik zie geen aanleiding om gemeenten te verplichten gebruik te maken van de in de WWB opgenomen mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verlenen aan chronisch zieken en gehandicapten. Individueel maatwerk is immers hét belangrijkste uitgangspunt van de verlening van bijzondere bijstand, en bij uitstek het instrument voor het gericht verstrekken van inkomensondersteuning aan chronisch zieken en gehandicapten.
De rem op arbeidsparticipatie door bezuinigingen kinderopvang |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Ouders werken korter om kinderopvang»?1
Het bericht «Ouders werken korter om kinderopvang?», is gebaseerd op de ING budgetbarometer september 2011. Tijdens het ordedebat van 29 september 2011 heeft uw Kamer mij om een reactie gevraagd op de resultaten aangaande kinderopvang van deze budgetbarometer. U heeft mijn reactie ontvangen op 13 oktober jl. (Kamerstukken II, 2010/11, 31 322, nr. 145).
Hoe beoordeeld u de onderzoeksuitkomst dat tweederde van de mensen met kinderen minder gaan werken? Van hoeveel procent van de mensen met kinderen bij de kinderopvang verwacht u dat ze minder gaan werken?
De onderzoeksuitkomst die u aanhaalt in uw vraag heb ik niet aangetroffen in het onderzoek van de ING. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 13 oktober, blijkt uit dit onderzoek dat van de huishoudens die gebruik maken van kinderopvang (19%), één vijfde voornemens is om de werktijden te veranderen vanwege de bezuinigingen. Het gaat in totaal dus om minder dan 4% van de ondervraagde huishoudens. Binnen deze beperkte groep is de meest genoemde aanpassing het veranderen van de eigen werktijden, zonder korter te gaan werken. Daarnaast zijn er huishoudens die aangeven minder uren te gaan werken. Ten slotte is er een groep huishoudens die meer willen gaan werken om de effecten van de bezuinigingen te compenseren. Afhankelijk van de gezinssituatie zijn er verschillende combinaties mogelijk tussen de werkende partners. Dat een gering aantal huishoudens overweegt om de werktijden aan te passen, betekent niet automatisch dat er minder uren gewerkt wordt. Ik verwacht, op basis van CPB publicaties, dat door de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag het arbeidsaanbod in personen met 0,1% zal dalen.
Hoe verhoudt dit zich tot uw eerdere bewering dat de effecten van de bezuinigingen op de arbeidsparticipatie mee zullen vallen?
De ING verwacht dat de duurdere kinderopvang per saldo slecht nieuws is voor de arbeidsdeelname, maar geeft geen inschatting van de omvang van het effect. Ik verwacht een beperkt effect op de arbeidsparticipatie. De ramingen van de gedragseffecten naar aanleiding van de bezuiniging op de kinderopvanguitgaven in 2012 gaan echter met onzekerheid gepaard. Harde garanties over de omvang van effecten zijn dan ook niet te geven.
De bezuiniging voor 2012 en 2013 is zodanig vormgegeven dat het verlies aan arbeidsparticipatie zoveel mogelijk wordt beperkt. Ouders met lage inkomens en ouders met grote banen worden ontzien. Zo wordt de bezuiniging vooral ingevuld door de ouderbijdrage proportioneel te verhogen. Ouders dragen op deze manier naar rato van hun huidige ouderbijdrage bij aan de kostenstijging. Hierdoor worden lage inkomens relatief ontzien. Daarnaast komt er in 2013 een vaste eigen bijdrage per maand, waardoor de marginale kosten van een uur extra opvang minder snel stijgen en grote banen worden ontzien. Deze maatregel is vooral gunstig voor alleenstaande ouders, omdat zij veel uren opvang afnemen. Ten slotte zal de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan de gewerkte uren van de minst werkende partner geen participatieverlies opleveren.
Daarnaast kunnen we nu al zien hoe er gereageerd is op de bezuinigingen in 2011. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 13 oktober laten de uitvoeringscijfers van de Belastingdienst voor 2011 in vergelijking met 2010 nog altijd een groei zien in het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag. Hierbij merk ik wel op dat deze informatie de komende maanden nog kan veranderen omdat ouders op elk moment hun gegevens bij de Belastingdienst (bijvoorbeeld de einddatum van het gebruik van kinderopvang) met terugwerkende kracht kunnen wijzigen. Ook het aantal kinderopvanglocaties is ten opzichte van 2010 gestegen.
Wat is uw reactie op het artikel «Bezuiniging kinderopvang is gebaseerd op onevenwichtige kosten-batenanalyse»?2
In het artikel «Bezuiniging kinderopvang is gebaseerd op onevenwichtige kosten-batenanalyse» van prof. dr. J.J. Schippers en prof. dr. E.M. Sent (Eerste Kamerlid namens de PvdA), staat dat de bezuinigingen op de kinderopvang vooral vrouwen met een lage opleiding en een laag inkomen ontmoedigen om te participeren op de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn de auteurs van mening dat de berekeningen van het CPB een onvolledig beeld van de baten van kinderopvang geven.
Zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 3 is de bezuiniging vormgegeven op een manier om het verlies aan arbeidsparticipatie zoveel mogelijk te beperken.
Het CPB heeft alleen het participatie-effect van de bezuinigingen in de kinderopvang berekend. Het CPB is niet gevraagd een integrale kosten-baten analyse van kinderopvang te maken, waarbij ook baten zoals het effect van kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen wordt meegenomen.
Klopt het dat het model van het Centraal Planbureau (CPB) geen rekening houdt met verschillende elasticiteiten voor laag- en hoogopgeleiden met betrekking tot arbeidsparticipatie? In hoeverre wijken de uitkomsten van het CPB hierdoor af van de werkelijkheid?
Het klopt dat het model van het CPB niet expliciet rekening houdt met een verschillende arbeidsaanbodelasticiteit van lager en hoger opgeleiden. Het model van het CPB houdt wel expliciet rekening met de verschillen in de wijzigingen van de ouderbijdrage voor verschillende inkomenscategorieën. Daarnaast houdt het model rekening met een aparte prijsgevoeligheid voor alleenstaande ouders, tweedeverdieners als lid van een ouderpaar en kostwinners als lid van een ouderpaar. Het gedrag van deze groepen in het model is gebaseerd op schattingen met Nederlandse data en bevindingen in de internationale vakliteratuur. Het model van het CPB is het beste model dat op dit moment voor de berekening van de effecten op de arbeidsparticipatie van bezuinigingen op de kinderopvang beschikbaar is. Dat laat onverlet dat de effecten zich moeilijk laten voorspellen. Zo zijn conjuncturele ontwikkelingen, sociaal culturele opvattingen over kinderopvang en de nabijheid van opvang van voldoende kwaliteit, minstens zo belangrijk voor de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang en het effect op de arbeidsparticipatie, als de prijs die ouders voor kinderopvang moeten betalen.
Bent u bereid om de effecten van het totaalpakket aan bezuinigingen op de kinderopvang door te laten rekenen door het CPB?
Op basis van CPB publicaties is een inschatting gemaakt van het effect van de bezuinigingen op de kinderopvang op de arbeidsparticipatie. Deze inschatting wordt door het CPB bevestigd. De modelberekening die ten grondslag ligt aan deze inschatting van het participatie effect is het beste wat momenteel beschikbaar is. Een nieuwe doorrekening door het CPB zal momenteel niet leiden tot nieuwe inzichten. Wel heb ik in het kader van de evaluatie van de wet Kinderopvang het CPB gevraagd een micro-econometrische ex-post analyse te doen van de effecten van de wijzigingen in de subsidies voor kinderopvang. In deze analyse worden de effecten van de kinderopvangtoeslag op de participatie voor verschillende groepen in kaart gebracht. Onder andere verschillen in opleidingsniveau van ouders worden in de analyse betrokken. Dit zal de kennis van de werking van de kinderopvangtoeslag vergroten en de empirische basis van analyses van toekomstige wijzigingen in de toeslag verder versterken. Het CPB zal deze analyse eind 2011 afronden.
Het kindgebonden budget |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Herkent u de situatie van een gezin met acht inwonende kinderen, waarvan er zes onder de 18 jaar zijn?1
Ik ben op de hoogte van de situatie van het gezin met acht inwonende kinderen, waarvan er zes onder de 18 jaar zijn.
Deelt u de mening dat deze kinderen, inclusief degenen die VMBO volgen of willen gaan volgen en vanwege hun leeftijd niet in aanmerking komen voor studiefinanciering, volledig ten laste komen van de ouders? Zo neen, waarom niet?
Wanneer ouders een kind krijgen, dan is het uitgangspunt dat ze hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat neemt niet weg dat in Nederland de overheid op verschillende manieren gedeeltelijk bijdraagt aan de kosten van kinderen. Voor kinderen onder de 18 jaar bestaat er recht op kinderbijslag en recht op kindgebonden budget. Daarnaast draagt de overheid op vele andere manieren bij aan de kosten van kinderen.
Deelt u de mening dat het kindgebonden budget voor dit gezin, met een looninkomen van € 26 600 per jaar, van wezenlijk belang is om de touwtjes aan elkaar te kunnen knopen?
Het kindgebonden budget heeft als doel een tegemoetkoming te geven in de kosten van kinderen voor gezinnen met lage en midden inkomens. Kostendekkendheid van de uitgaven aan kinderen is niet het doel. Ouders blijven te allen tijde financieel verantwoordelijk voor hun kinderen.
Kunt u zich voorstellen dat de ouders van dit gezin ten einde raad zijn door de berichten over de forse verlaging van het kindgebonden budget?
Op 23 en 26 september jl. heb ik twee nota’s van wijziging naar de Kamer gestuurd waarmee bewerkstelligd wordt dat er minder op het kindgebonden budget wordt bezuinigd en het kindgebonden budget niet beperkt wordt tot twee kinderen.
Na deze wijzigingen geeft de overheid in 2015 nog ca. € 790 mln uit aan ondersteuning van lage en middeninkomens via het kindgebonden budget.
Ziet u, voor dit gezin en andere gezinnen in vergelijkbare situaties, een andere uitweg uit de financiële nood dan door de kinderen vervroegd aan het werk te sturen in plaats van een opleiding te laten volgen? Zo ja, welke uitweg ziet u dan?
Het kabinet herkent het beeld niet dat ouders uit financiële nood kinderen vervroegd aan het werk moeten sturen. De overheid draagt op vele manieren bij aan de kosten voor kinderen, ook op het terrein van onderwijs. Wel kiest het kabinet ervoor de verhouding in bijdragen tussen ouder en overheid in de kosten van kinderen aan te passen en daarmee de verantwoordelijkheid meer bij de ouders te leggen.
De roep van gemeenten om bestandskoppeling tegen fraude |
|
Hans Spekman (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten: bestanden koppelen tegen fraude»1 waarin gemeenten pleiten voor de koppeling van bestanden om fraude met uitkeringen beter aan te kunnen pakken?
Ja.
Deelt u de mening dat er grote stappen gemaakt kunnen worden met de fraudebestrijding door bepaalde beschikbare gegevensbestanden aan elkaar te koppelen?
Het kabinet geeft hoge prioriteit aan preventie en opsporing van fraude en gebruikt daarbij ook de mogelijkheden om met bestandskoppeling en gegevensuitwisseling fraude met uitkeringen tegen te gaan. In het Handhavingsprogramma 2011–2014 heb ik aangekondigd te onderzoeken op welke wijze de bepalingen voor gegevensuitwisseling tussen de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) en Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden geharmoniseerd2. Uiteraard moet gegevensuitwisseling zorgvuldig gebeuren en moet de Wet bescherming persoonsgegevens daarbij in acht worden genomen.
De afgelopen jaren is er veel gedaan op het gebied van gegevensuitwisseling. Zo kunnen medewerkers van gemeentelijke sociale diensten, het UWV en de SVB in het kader van de uitkeringsintake zien of iemand andere inkomsten of bepaalde vormen van eigen vermogen heeft. Het Inlichtingenbureau ondersteunt gemeenten bij de rechtmatigheidscontroles door bestandskoppelingen tussen verschillende bestanden uit te voeren, bijvoorbeeld de polisadministratie, de Belastingdienst en detentiegegevens. In combinatie met de informatie over de uitkering van cliënten leidt de bestandskoppeling soms tot nader onderzoek door de gemeente.
Aanvullend hierop ben ik gestart met een inventarisatie van de mogelijkheden van een bredere inzet van bestandskoppeling en gegevensuitwisseling om fraude te voorkomen en te bestrijden. Ik betrek hierbij ook de voorbeelden die wethouder Den Besten van de gemeente Utrecht mij, namens een aantal collega’s, heeft aangereikt en ik kijk ook naar de mogelijkheden voor het UWV en de SVB. Aan de hand van deze inventarisatie zal ik bezien of en in hoeverre aanpassing van regelgeving en ICT systemen nodig is en wat de kosten en de baten van de maatregelen zijn. Mijn beeld is dat er ook nog veel onbekendheid is bij gemeenten over de mogelijkheden inzake bestandskoppelingen en ik zal gemeenten informeren over deze mogelijkheden.
Herkent u het geschetste beeld van bijstandsfraude waarin mensen (met een uitkering) gaan samenwonen, de vrijgekomen woning onderverhuren en daarmee zowel frauderen met de uitkering als het systeem voor huurwoningen frustreren? Komt dit vaak voor?
Ik ben bekend met dit voorbeeld. Ik heb geen informatie of dit vaak voorkomt. Dat betekent niet dat gemeenten in voorkomende gevallen met lege handen staan. Op grond van de WWB moeten verhuurders van woningen of kamers gegevens verstrekken aan de gemeenten indien wordt getwijfeld aan de rechtmatigheid van een uitkering. Gemeenten kunnen hierover afspraken maken met verhuurders. Tevens is de nieuwe bewoner van de onderverhuurde woning verplicht zich in te schrijven bij de gemeentelijke basisadministratie. Deze inschrijving geeft gemeenten een signaal voor nader onderzoek. Het bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel huisbezoeken geeft gemeenten meer mogelijkheden om zich via huisbezoek te vergewissen van samenwonen, woonsituatie of inwoning als dit noodzakelijk is om de bijstandsuitkering zorgvuldig vast te stellen3.
Het wetsvoorstel dat de minister van OCW bij uw Kamer heeft ingediend om het misbruik met een uitwonendenbeurs beter aan te kunnen pakken, stelt als voorwaarde voor een uitwonendenbeurs dat de studerende woonachtig is op het GBA-adres en dat dit GBA-adres een ander adres moet zijn dan het GBA-adres van de ouder(-s)4. De verwachting is dat studerenden zich hierdoor correct inschrijven in de GBA en dat fraude met uitkeringen hierdoor afneemt. Bij illegale onderhuur mag de onderhuurder zich vaak niet inschrijven op het woonadres. Hierdoor kan deze studerende geen uitwonendenbeurs aanvragen. Hierdoor wordt het een stuk onaantrekkelijker om illegaal onder te huren. De beoogde inwerkingtreding van bovengenoemd wetsvoorstel is 1 januari 2012. Het wetsvoorstel zal binnenkort in de Tweede Kamer besproken worden.
Herkent u het geschetste beeld waarin studenten zich onterecht voordoen als uitwonend om daarmee een hogere studiefinanciering te ontvangen?
Ja, ik herken dit beeld. Dit is de reden dat de minister van OCW een Actieplan misbruik uitwonendenbeurs5 heeft opgesteld, dat bij brief van 9 november 2009 naar de Tweede Kamer is gezonden. Sinds 2010 worden er pilots uitgevoerd, waarbij fysieke adrescontroles plaatsvinden. Tot slot verwijs ik naar het onder antwoord 3 beschreven wetsvoorstel van de minister van OCW.
Waarom is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) (en DUO) niet aangesloten bij de landelijke stuurgroep over fraudeaanpak? Worden er stappen gezet om OCW daar wél bij te betrekken om zo fraude met Studiefinanciering beter aan te kunnen pakken?
De Landelijke Stuurgroep Interventieteams en DUO zijn met elkaar in gesprek over aansluiting van DUO bij deze stuurgroep. Hierbij wordt ook gesproken over deelname van DUO aan interventieprojecten op lokaal niveau. De partijen onderzoeken hoe de samenwerking het beste kan worden vorm gegeven.
Wat zijn de redenen dat bijvoorbeeld de bijstandsbestanden, woningadministratie en de gemeentelijke basisadministratie niet aan elkaar gekoppeld zijn? Overweegt u dergelijke stappen tot bestandskoppeling te zetten om de fraudeaanpak verder te verbeteren?
De WWB maakt gebruik van het GBA-adres en de bestanden zijn daarmee voor dat doel gekoppeld. De woningadministratie bestaat niet, zoals de bijstandsadministratie en de gemeentelijke basisadministratie, uit één enkele administratie. Veelal voeren woningbouwverenigingen hun eigen administratie en daarnaast worden woningen of kamers ook door privépersonen verhuurd. Op grond van de WWB moeten verhuurders van woningen of kamers gegevens verstrekken aan de gemeenten indien wordt getwijfeld aan de rechtmatigheid van een uitkering. Op deze wijze is uitwisseling van gegevens mogelijk tussen de WWB en de verschillende administraties van (particuliere) woningverhuurders.
Deelt u de mening van de gemeenten dat een systeem waar alleen de verdachte adressen «uit rollen» de problemen omtrent privacy zou kunnen ondervangen?
Op diverse plaatsen wordt gebruik gemaakt van een dergelijk systeem. Zo gebruiken de interventieteams het Systeem Anonieme Risico Indicatie (SARI). Hiermee worden verschillende bestanden anoniem gekoppeld op basis van door SIOD aangeleverde risicoprofielen. Dit leidt tot een lijst met mogelijke fraudeurs en moet de pakkans verhogen.
Voorts werkt DUO thans in het kader van de aanpak misbruik uitwonendenbeurs reeds met een risicoprofiel. Op hiervan selecteert DUO studerenden met een uitwonendenbeurs bij wie het risico bestaat van onjuistheid van het woonadres. DUO zal vervolgens de gemeenten verzoeken een adrescontrole uit te voeren en zal daartoe persoonsgegevens met de gemeenten uitwisselen. Het gaat om een minimale set van persoonsgegevens. Nadat het onderzoek is uitgevoerd, zullen de resultaten van de adrescontroles worden teruggekoppeld aan DUO.
De berichten ‘Familie fraudeert met uitkeringen en koopt dure auto’s’ en ‘Jaarlijks 8 miljoen euro uitkeringsfraude’ |
|
Léon de Jong (PVV) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Familie fraudeert met uitkeringen en koopt dure auto’s»1 en «Jaarlijks 8 miljoen euro uitkeringsfraude»?2
Ja.
Deelt u de mening dat bijstandsfraude, ter bescherming van ons sociaal vangnet, keihard moet worden aangepakt en nimmer mag lonen?
Ja.
Deelt u de mening dat bij bijstandsfraude de uitkering voor het leven moet worden stopgezet en ten alle tijden beslag moet worden gelegd op bezittingen van de fraudeur in binnen en buitenland? Zo nee, waarom niet?
Voor een antwoord op het eerste deel van deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 5 april 2011 (Tweede Kamer, 2010–2011, 17 050, nr. 407). In deze brief ben ik ingegaan op de motie van het lid De Jong (Tweede Kamer, 2010/2011, 17 050 nr. 404) waarin de Regering wordt verzocht te bewerkstelligen dat ingeval van bijstandsfraude, de uitkering van de fraudeur voor het leven wordt stopgezet.
Naar aanleiding van deze motie heb ik aangegeven dat we in ons rechtsstelsel bij het opleggen van sancties te maken hebben met de eisen van proportionaliteit.
Een algemeen rechtsbeginsel bij het opleggen van sancties is dat de strafmaat in overeenstemming moet zijn met de ernst van gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Daarnaast is van belang dat in artikel 20 van de Grondwet het recht op bijstand is opgenomen. Gelet op de eisen van proportionaliteit en het gegeven dat bijstand het laatste, in de Grondwet verankerde, vangnet is, ben ik van oordeel dat stopzetting van de bijstandsuitkering gedurende drie maanden de ultieme sancties is die opgelegd kan worden. Overigens is ook van belang dat bij ernstige fraude met een bijstandsuitkering in de praktijk veelal sprake zal zijn van volledige beëindiging van de uitkering omdat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op uitkering. Gelet op het bovenstaande heb ik deze motie ontraden. Dit oordeel is door de Kamer overgenomen, zodat de motie is verworpen.
Voor een antwoord op het tweede deel van deze vraag verwijs ik u eveneens naar mijn brief van 5 april 2011. In deze brief ben ik tevens ingegaan op de motie van de leden De Jong en Azmani (Tweede Kamer, 2010/2011, 17 050, nr. 406) waarin de Regering wordt verzocht ingeval van bijstandsfraude en overtreding van de vermogenstoets altijd beslag te laten leggen op bezittingen van de bijstandsfraudeur in binnen- en buitenland en de kosten hiervan te verhalen.
Naar aanleiding van deze motie heb ik aangegeven dat het in de huidige situatie al zo is dat wanneer een gemeente een vermogensonderzoek laat verrichten en er verzwegen vermogen wordt aangetroffen, de gemeente over het algemeen inzet op beslaglegging. In de praktijk blijkt dit in het buitenland niet altijd eenvoudig omdat dit afhankelijk is van het recht dat in het betreffende land van toepassing is. Bovendien is de procedure vaak van lange duur. Blijkens de ons bekende Turkse zaken, slaagt de beslaglegging uiteindelijk wel. Voor invordering in Nederland is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voor beslaglegging en invordering in het buitenland is het buitenlands recht van toepassing. De kosten van deze Nederlandse vordering in het buitenland komen op grond van de Awb ten laste van de schuldenaar in Nederland. In deze zin opgevat heb ik de motie beschouwd als ondersteuning van mijn beleid.
Deelt u de mening dat bij bijstandsfraude het fraudebedrag plus boete tot aan de laatste cent moet worden teruggevorderd, inclusief wettelijke rente? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik eveneens naar mijn brief van 5 april 2011. In deze brief ben ik ook ingegaan op de motie van de leden De Jong en Azmani (Tweede Kamer, 2010/2011, 17 050, nr. 405) waarin de Regering wordt verzocht in geval van bijstandsfraude het fraudebedrag plus boete tot aan de laatste cent terug te vorderen inclusief wettelijke rente.
Naar aanleiding van deze motie heb ik aangegeven dat ingeval van uitkeringsfraude de teveel betaalde uitkeringen geheel teruggevorderd gaan worden en dat er daarnaast een sanctie wordt opgelegd van maximaal het fraudebedrag. In gevolge de artikelen 4:98, 4:119 en 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht brengen uitvoeringsorganen, waaronder gemeenten, wettelijke rente in rekening en komen alle kosten van invordering bij dwangbevel ten laste van degene tegen wie het is uitgevaardigd. Het UWV en de SVB brengen in de praktijk naast de invordering van teveel betaalde uitkeringen ook wettelijke rente in rekening. Ook gemeenten kunnen dit bij de uitvoering van de WWB doen.
In deze zin opgevat heb ik de motie dan ook als ondersteuning van mijn beleid aangemerkt.
Het bericht dat Spijkenisse de grenzen sluit voor kansloze uitkeringsgerechtigden uit Rotterdam |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat wethouder Mourik (VVD) van de gemeente Spijkenisse een onzichtbaar hek om de gemeente wil plaatsen en kansloze uitkeringsgerechtigden uit Rotterdam wil weigeren? Kan dit en hoe verhoudt deze uitspraak zich tot nationale en internationale wetten en regels?1 2
Een evenwichtige bevolkingssamenstelling is een doel dat terecht door de meeste colleges wordt nagestreefd. Wat betreft woonruimteverdeling is de gemeente Spijkenisse gebonden aan de Huisvestingsverordening van de stadsregio Rotterdam. Hierin is vooralsnog niet de mogelijkheid opgenomen om bindingseisen te kunnen stellen. Indien de gemeente Spijkenisse beoogt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (ook wel Rotterdamwet genoemd) toe te passen, dient zij daartoe een verzoek bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in te dienen, conform de voorschriften die in deze wet zijn opgenomen. Deze wet biedt niet de mogelijkheid om «een hek om de gemeente» te plaatsen, maar kan worden toegepast voor enkele specifiek te benoemen wijken.
Deelt u de mening van wethouder Mourik uit Spijkenisse dat bijstandsgerechtigden «niet-willers» en «profiteurs» zijn die de gemeente Spijkenisse op torenhoge kosten jagen? Zo ja, kunt u deze stelling onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Het behoort tot mijn verantwoordelijkheid als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om toezicht te houden op de rechtmatige uitvoering van de Wet werk en bijstand door het college en niet om te reageren op uitspraken van een wethouder.
De bijstand is bedoeld als een laatste vangnet voor mensen die niet kunnen. De bijstand is niet bedoeld voor mensen die niet willen. Het is dan ook terecht als een college, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, bezorgd is over een beroep op de bijstand door mensen die niet willen. De Wet werk en bijstand biedt colleges de mogelijkheid tot het aanpakken van bijstandsontvangers die niet-willen en van aanvragers die naar een gemeente verhuizen zonder eerst voldoende aantoonbare inspanningen te hebben gedaan om in die gemeente geen beroep op de bijstand te hoeven doen.
Deelt u de mening van wethouder Mourik dat de problemen die zij ervaart het gevolg zijn van de Rotterdamwet?
Op 15 april 2010 is de aanvraag van de gemeente Rotterdam voor de toepassing van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek goedgekeurd voor de wijken: Tarwewijk, Hillesluis, Carnisse, Oud-Charlois en Bloemhof. Voor alle andere wijken in Rotterdam gelden de instroom beperkende maatregelen dus niet. De gemeente Rotterdam evalueert de effecten van de toepassing van de wet. In hoeverre een deel van de voor genoemde wijken geweigerde mensen zonder inkomen uit werk in Spijkenisse terecht komt, zou kunnen blijken uit deze evaluatie.
De chaos bij het UWV |
|
Paul Ulenbelt |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «totale chaos bij het UWV»?1
Ik heb kennisgenomen van het genoemde artikel. Het artikel is opgesteld op grond van een rapport over het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat de Nationale ombudsman (No) op 19 augustus 2011 heeft gepubliceerd. In dit rapport stelt de No vast dat UWV in het geval van één individuele uitkeringsgerechtigde, er niet in is geslaagd betrokkene voldoende duidelijkheid te verschaffen over de zeer complexe uitkeringspositie. De No stelt dat de oorzaak hiervan ligt in het feit dat de ICT-systemen van de verschillende UWV-kantoren niet matchen. De No concludeert dat de informatievoorziening vanuit UWV ontoereikend is.
UWV heeft in deze zaak niet goed gecommuniceerd. De complexiteit van de zaak ten spijt mag het niet gebeuren dat er wijzigingen worden doorgevoerd in de hoogte of uitbetaling van een uitkering zonder dat UWV daar de klanten over informeert. Ook had UWV de gevraagde uitleg aan betrokkene moeten geven. In zoverre worden de conclusies van de No door UWV en mij onderschreven.
Ik hecht er aan te melden dat de door de No beoordeelde casus geen representatief beeld geeft van de gang van zaken bij UWV. Per jaar behandelt UWV vele honderdduizenden uitkeringen in verband met de werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Daarin neemt UWV jaarlijks ruim één miljoen beslissingen. In een klein deel hiervan gaat het om beslissingen over samenloop van meerdere uitkeringsrechten. Het handelt hier vaak om complexe beoordelingen. Het voert te ver op basis van één concrete zaak te spreken van «totale chaos». Ik constateer dat deze kwalificering niet wordt gebruikt door de No. De No nuanceert het in de media geschetste beeld ook getuige een interview op 29 augustus 2011 in het radio 1 programma «Goedemorgen Nederland».2
Is het waar dat cliënten soms met verschillende kantoren te maken hebben waarvan de administratiesystemen niet met elkaar kunnen communiceren? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Klanten van UWV hebben soms te maken met verschillende UWV-kantoren, die voor verschillende uitkeringen aparte uitkeringssystemen hanteren. Alle kantoren maken gebruik van hetzelfde ZW-systeem en hetzelfde systeem voor de WW. Met betrekking tot arbeidsongeschiktheid gebruiken UWV- kantoren nu nog één van twee beschikbare uitkeringssystemen. Deze systemen zijn niet met elkaar verbonden. Als gevolg hiervan gebeurt het onderkennen van samenloop van verschillende uitkeringsrechten handmatig door UWV-medewerkers. Hiervoor maken zij gebruik van de polisadministratie, waarin alle uitkeringsrechten, ongeacht het systeem waarin ze worden beheerd, kunnen worden geraadpleegd.
Vanaf 1 januari 2012 worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen beheerd in één uitkeringssysteem dat op alle kantoren zal worden gehanteerd. Het onderkennen van situaties waarin meerdere van deze uitkeringsrechten naast elkaar bestaan, wordt hiermee eenvoudiger. Tevens wordt het hiermee eenvoudiger te onderkennen of er op meerdere kantoren uitkeringen worden uitbetaald.
Met ingang van 1 januari 2012 komt er ook een eind aan de werkwijze waarbij betalingen van verschillende soorten uitkeringen (bijvoorbeeld WW en WAO) bij elkaar worden gevoegd. Wanneer één klant verschillende uitkeringen van UWV ontvangt, worden deze bijeengevoegd en tegelijk uitbetaald. Doordat uitkeringen een eigen betalingsfrequentie hebben, vindt een deel van de betalingen op voorschotbasis plaats.3 Deze systematiek maakt latere afrekening noodzakelijk. Vanaf 1 januari 2012 worden bij de samenloop de uitkeringen apart uitbetaald conform de betalingsfrequentie van de betreffende uitkering, elk vanuit het eigen uitkeringssysteem. Dit komt de overzichtelijkheid voor de klant ten goede.
Wat is uw reactie op het oordeel van de Nationale Ombudsman2 dat, als het UWV-kantoor in Heerlen betrokken is bij het verstrekken van een uitkering, de problemen bijna niet meer te overzien zijn?
De No stelt dat de oorzaak van de ontoereikende informatievoorziening ligt in het feit dat de ICT-systemen van de verschillende UWV-kantoren niet matchen. Dit geldt in het bijzonder voor kantoor Heerlen. Dit kantoor, dat de uitkeringen van overheids- en onderwijspersoneel verzorgt, werkt met andere systemen en aanvullende regelingen die niet matchen met de systemen van de overige UWV kantoren, aldus de No. Kantoor Heerlen maakt nu nog gebruik van een door het voormalig USZO ontwikkeld systeem voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Doordat UWV, zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb verwoord, met ingang van 1 januari 2012 overgaat op één landelijk uitkeringsysteem voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen doet het probleem dat het uitkeringssysteem van kantoor Heerlen niet communiceert met andere UWV kantoren zich niet meer voor.
Kunt u uitgebreid reageren op de het rapport van de Nationale Ombudsman van 19 augustus 2011 en hierbij uw oordeel geven over de wijze van actieve informatieverstrekking door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)?2
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze bent u voornemens om de problemen, die in het rapport naar voren komen, in de toekomst uit te sluiten?
In mijn antwoord op vraag 2 ben ik al ingegaan op verbeteringen met betrekking tot de ICT-systemen. Een belangrijk deel van de problemen in de casus van de ombudsman is evenwel ontstaan door een menselijke fout. Ten onrechte is samenloop van verschillende uitkeringen niet onderkend, waardoor het helaas voor betrokkene is misgelopen en de situatie is ontstaan zoals in het rapport van de No is beschreven.
De No adviseert om bij complexe samenloopgevallen klanten snel in contact te brengen met ter zake kundige medewerkers. Op dit moment zijn er al speciale teams ingericht op elk kantoor waar mensen terechtkunnen als er sprake is van meerdere gelijktijdige uitkeringen. In deze zogenaamde «samenloopteams» worden de uitkeringen beheerd. Er is kennis aanwezig van alle uitkeringen van de betrokkene. In 2011 heeft UWV daarnaast, naar voorbeeld van de Stella-teams bij de Belastingdienst, een werkwijze geïmplementeerd waarbij complexe en schrijnende situaties vroegtijdig gesignaleerd worden. Voor de oplossing van dergelijke cases worden speciale opgeleide multidisciplinaire teams ingezet die, in samenwerking met Belastingdienst en gemeenten, snel een passende interventie uit kunnen voeren.
UWV werkt actief aan de verbetering van de dienstverlening en communicatie. Aan de hand van de acht meest voorkomende interventies van de No bij UWV onderzoekt UWV samen met de No de verbetermogelijkheden. UWV en No onderschrijven dat de hierbij sprake is van een constructieve samenwerking.5
Een exorbitante fee van €450 miljoen betaald door een pensioenfonds uit pensioengelden |
|
Roos Vermeij (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA), Marianne Thieme (PvdD), Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Elbert Dijkgraaf (SGP), Ino van den Besselaar (PVV), Jesse Klaver (GL), Wouter Koolmees (D66), Carola Schouten (CU), Paul Ulenbelt |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de volgende passage in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam in het kort geding van het pensioenfonds van de metaalelektro (PME) tegen de Nederlandse Bank (DNB): «Zo blijkt dat PME samen met een ander pensioenfonds € 450 miljoen aan kosten van vermogensbeheer aan Mn Services heeft voldaan, een bedrag dat DNB als exorbitant hoog aanmerkt, dat sterk afwijkt van de basisfee van ongeveer € 12 miljoen en dat grotendeels niet kan worden verantwoord door Mn Services?»1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze passage in de uitspraak. Ik wil hierbij aantekenen dat volgens informatie van PME, bevestigd door DNB, deze passage een essentiële typefout kent. In plaats van: «een bedrag dat DNB als exorbitant hoog aanmerkt» had hier moeten staan: «een bedrag dat DB als exorbitant hoog aanmerkt». DB is hier het Dagelijks Bestuur van PME. De betreffende opmerking is terug te vinden in de notulen van de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 16 november 2008.
Welk oordeel heeft u over twee pensioenfondsen die zo’n bedrag uitgeven aan vermogensbeheer (wat overigens gezien de rest van de uitspraak als totaal weggegooid geld beschouwd moet worden: er moest immers extra worden afgeschreven op de portefeuille)?
Het is voor mij als minister niet mogelijk om een oordeel te vormen over deze kwestie. In de Pensioenwet is bepaald dat alleen de toezichthouders, DNB en AFM, de bevoegdheid hebben om informatie op te vragen bij pensioenfondsen. Op basis van die informatie kunnen zij zich een oordeel vormen over de situatie bij een pensioenfonds. Het is vervolgens aan de toezichthouder om de nodige maatregelen richting een pensioenfonds te treffen. De toezichthouders hebben bij de uitoefening van hun toezicht een geheimhoudingsplicht. Dat betekent dat zij de vertrouwelijke gegevens die ze hebben verkregen bij de uitoefening van hun taken niet naar buiten mogen brengen. Dat betekent dat noch ik noch DNB of AFM in het openbaar een uitspraak mag doen over de situatie bij een individueel fonds.
Daarnaast merk ik op dat het bestuur van PME beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Ook al gelet daarop is terughoudendheid van alle betrokken partijen van belang.
Welke middelen en mogelijkheden hebben actieven en gepensioneerden van het pensioenfonds PME, wanneer zij de uitspraak lezen en zich realiseren dat dit hun pensioengeld is?
Individuele deelnemers hebben zelf geen directe bevoegdheden indien zij een vermoeden van onzorgvuldig of onjuist handelen hebben door het bestuur van het fonds. Wel kunnen zij dit bij het verantwoordingsorgaan aankaarten. Alle pensioenfondsen zijn verplicht om een verantwoordingsorgaan in te stellen. In het verantwoordingsorgaan zijn de werkgevers, de werknemers en de pensioengerechtigden vertegenwoordigd.
Indien het verantwoordingsorgaan signalen krijgt over onjuist handelen van het bestuur kan zij hierover in overleg treden met het bestuur. Als ultimum remedium kan het verantwoordingsorgaan als het van oordeel is dat het bestuur niet naar behoren functioneert en het bestuur geen maatregelen hieromtrent neemt, zich wenden tot de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
Herinnert u zich dat u op 20 april 20112 aan de Kamer schreef: «Ik ben er voorstander van dat fondsen over deze kosten (van vermogensbeheer) rapporteren, bijvoorbeeld in het jaarverslag, op hun website etc»?
Ja.
Herinnert u zich dat bij herhaling bijna Kamerbreed is aangedrongen op grotere kostentransparantie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om op korte termijn aan de pensioenfederatie te vragen hoe ver zij is met standaard rapporteren over de kosten van vermogensbeheer, zoals toegezegd in april/mei van dit jaar, de stand van zaken terug te rapporteren aan de Kamer en aan te geven of de pensioenfondsen in uw ogen voldoende actie ondernemen?
De pensioenfederatie heeft mij laten weten dat onder leiding van een stuurgroep uitvoeringskosten wordt gewerkt aan een handreiking uitvoeringskosten over het boekjaar 2011. Eind september wordt deze intern gerapporteerd, waarbij in de huidige planning de handreiking medio november openbaar wordt. Op dat moment zal ik bezien of eventuele aanvullende maatregelen nodig zijn.
Een verblijfsstatus en het recht op kinderbijslag |
|
Raymond Knops (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin wordt aangegeven dat ouders zonder geldige verblijfsstatus die al langere tijd in Nederland verblijven toch recht kunnen hebben op kinderbijslag?1
Ja.
Welke consequenties heeft deze uitspraak voor het tot nu toe gevoerde beleid ten aanzien van het uitkeren van kinderbijslag? Op grond van welke criteria meent de rechter nu dat er aanspraak kan worden gemaakt op kinderbijslag door ouders zonder verblijfstitel? Zijn er meer ouders die, ondanks het feit dat zij geen geldige verblijfstitel hebben, op grond van deze uitspraak toch aanspraak kunnen maken op kinderbijslag? Hoe groot is deze groep ouders?
De Centrale Raad van Beroep heeft op 15 juli jl. uitspraak gedaan in een aantal kinderbijslagzaken. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat artikel 6 lid 2 van de Algemene Kinderbijslagwet in strijd is met de discriminatiebepaling van artikel 14 van het EVRM, voor zover dit artikel 6 wordt toegepast ten aanzien van vreemdelingen die, hoewel ze niet over een verblijfvergunning beschikken, al «langere tijd» in Nederland verblijven. Het betreft m.n. vreemdelingen die in Nederland een of meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning hebben ingediend en die in afwachting van die procedures rechtmatig in Nederland verbleven, in de zin van art 8, onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 en die bovendien op het moment van de procedure nog rechtmatig verblijf hadden.
De Sociale Verzekeringsbank heeft cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Pas nadat de Hoge Raad zijn licht heeft laten schijnen over de zaak wordt duidelijk wat de exacte gevolgen zijn van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor de sociale zekerheid. Zodra ik daar meer duidelijkheid over heb, zal ik uw Kamer nader informeren. Hierbij zal ik tevens nader ingaan op de vragen die uw Kamerleden hebben gesteld.
Bent u inmiddels tegen deze uitspraak in cassatie gegaan of voornemens dit te doen inzake het verkeerd toepassen van het begrip kring van verzekerden? Wat is uw oordeel in dit verband over het evenwicht dat dient te bestaan tussen rechten en plichten van burgers?
Zie antwoord vraag 2.
Is het aannemelijk dat door deze uitspraak ook andere voorzieningen in het kader van de sociale zekerheid in het bereik komen van mensen zonder verblijfsvergunning?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat mensen zonder verblijfsvergunning zó lang in Nederland verblijven dat zij, ingevolge deze uitspraak, recht krijgen op kinderbijslag?
Graag wil ik benadrukken dat in een groot deel van deze situaties geen onduidelijkheid bestaat over de vraag of deze gezinnen recht op verblijf hebben in Nederland. Zij hebben vaak meerdere procedures doorlopen met een negatieve uitkomst. Met de maatregelen die worden genomen in het programma «Stroomlijning Toelatingsprocedures» zal dit kabinet vreemdelingen nog sneller duidelijkheid bieden over de vraag of zij in Nederland kunnen blijven. Prikkels die aanzetten tot het verlengen van het verblijf in Nederland door het stapelen van procedures zullen worden weggenomen. Het herziene stelsel geeft een krachtig signaal, waarbij terugkeer wordt bevorderd. Bovendien heeft terugkeer van gezinnen met kinderen prioriteit in het beleid.
Arbeidsongeschikt melden voor enkele procenten |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juli 2011, waarin de rechtbank bepaald heeft dat een werknemer volledig hersteld verklaard dient te worden bij werkhervatting en niet voor één of enkele procenten ziek gemeld kan worden om zo de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) termijnen door te laten lopen (in het laatste geval loopt de wachttijd voor de WIA door)?1
Ja.
Deelt u de mening dat een werknemer die zijn werk volledig hervat heeft en niet voor één of enkele procenten ziek gemeld mag worden en zeker niet voor maanden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening in die zin dat een werknemer die na een ziekteperiode de bedongen arbeid volledig heeft hervat, niet administratief voor één of meer procenten arbeidsongeschikt kan worden gelaten. De op schrift gestelde situatie is dan immers niet in overeenstemming met de werkelijke situatie.
Hoeveel werknemers en (semi-)ambtenaren zijn op dit moment «voor 1 of enkele procenten» (maximaal 5 procent) arbeidsongeschikt gemeld bij de arbodiensten?
Er wordt geen landelijke registratie bijgehouden over het ziekteverzuim. Wel vindt door het CBS en TNO jaarlijks een onderzoek plaats naar de arbeidsomstandigheden van werknemers in Nederland. In deze Nationale enquête arbeidsomstandigheden (NEA) wordt aan werknemers wel gevraagd of, en zo ja, hoe vaak zij in het afgelopen jaar hebben verzuimd en om hoeveel werkdagen het naar schatting ging, maar niet de mate waarin men per dag heeft verzuimd. De dagen waarop men gedeeltelijk heeft verzuimd vanwege ziekte, tellen volledig mee als verzuimdagen.
Op welke wijze zult u er zorg voor dragen dat de praktijk dat werknemers die hun eigen werk volledig hervat hebben, niet ziek gemeld blijven?
In de casus waarover de rechtbank Zwolle-Lelystad een beslissing nam, bestond er tussen de werkgever en werknemer verschil van mening over de vraag of, en zo ja, vanaf welke dag de werknemer de bedongen arbeid weer volledig kon verrichten en of dat herstel een duurzaam karakter had. Omdat de arboarts dat laatste betwijfelde stelde hij aan de werkgever voor om de werknemer voor 1 of enkele procenten arbeidsongeschikt te laten om zo te onderzoeken of de werknemer inderdaad probleemloos zijn werk kan verrichten. Dat laatste werd door de werkgever aldus uitgelegd dat de arboarts feitelijk aangaf dat de werknemer nog niet (volledig) arbeidsgeschikt was. De werknemer was het daar niet mee eens. Er was dus sprake van een inhoudelijk verschil van mening tussen werkgever en werknemer. Dat valt met regelgeving niet te voorkomen. Wel is nodig dat meningsverschillen kunnen worden beslecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. In dit geval bestaat daarvoor een speciale, laagdrempelige voorziening doordat het UWV om een second-opinion kan worden verzocht (zie ook antwoord 7).
Kunt u per sector (wellicht op basis van informatie van de arbodiensten) in Nederland aangeven welk percentage werknemers voor een percentage van 1% tot 10% is ziek gemeld bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV)?
De werkgever dient een werknemer uiterlijk na 42 weken ziek te melden bij het UWV. De Ziektewet (ZW) kent, evenals het Burgerlijk Wetboek (BW), niet het onderscheid tussen gedeeltelijke en volledige arbeidsongeschiktheid. Een werknemer is wel of niet arbeidsongeschikt. Als een werknemer zijn arbeid niet volledig kan verrichten, dan wordt hij voor de ZW en het BW als arbeidsongeschikt aangemerkt. Een werkgever behoeft daarom aan het UWV enkel te melden dat een werknemer arbeidsongeschikt is, en dus niet of er sprake is van gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid. Er bestaan dan ook geen cijfers over het aantal werknemers dat gedeeltelijk arbeidsongeschikt is gemeld bij het UWV.
Neemt u in overweging om werkgevers te verplichten om hun werknemers ten minste één maal per drie maanden schriftelijk te informeren over hun door de arbo-arts vastgestelde (mate van) geschiktheid voor eigen werk? Zo nee, neemt u dan in overweging te bevorderen dat werknemers beter en vaker schriftelijk geïnformeerd worden over hun (al dan niet volledige) geschiktheid voor eigen werk? Zo ja, op welke wijze?
Op grond van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar dient de werkgever in overleg met de werknemer een plan van aanpak op te stellen. In dit plan van aanpak dient onder meer te worden opgenomen welke activiteiten door de werkgever en werknemer zullen worden ondernomen gericht op inschakeling in de arbeid, de daarmee te bereiken doelstellingen en de termijnen waarbinnen die doelstellingen naar verwachting worden bereikt. Dit plan van aanpak dient periodiek te worden geëvalueerd. De werkgever dient dit plan van aanpak op schrift te stellen en onverwijld een afschrift aan de werknemer te geven. Naar mijn mening wordt de werknemer zodoende voldoende geïnformeerd over de wijze waarop zijn terugkeer in het arbeidsproces wordt bevorderd, meer in het bijzonder of, en zo ja, wanneer de werknemer naar verwachting weer de bedongen arbeid volledig kan verrichten.
Is er een wijziging van wet- en/of regelgeving gewenst naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juli jongstleden?
Naar mijn mening vormt de betreffende casus geen aanleiding om de bestaande wet- en regelgeving aan te passen. Zoals gezegd was in die casus sprake van een verschil van mening tussen werkgever en werknemer over de vraag of, en zo ja, vanaf welke dag de werknemer de bedongen arbeid weer volledig kon verrichten en of dat herstel een duurzaam karakter had. Voor dit soort meningsverschillen is de mogelijkheid van een second-opinion bij het UWV gecreëerd. Uit de casus blijkt dat de werknemer van die voorziening gebruik heeft gemaakt. De second-opinion leidt er in veel gevallen toe dat de werknemer het verschil van mening niet aan de rechter behoeft voor te leggen, omdat de werkgever het deskundigenoordeel van het UWV volgt. Dat de werkgever dat in deze casus niet heeft gedaan, is geen reden om het huidige systeem van rechtsbescherming te wijzigen.
De gesloten jeugdzorg voorziening Transferium |
|
Nine Kooiman , Manja Smits |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Nog geen geld Transferium»?1
De situatie rond het Transferium Heerhugowaard is reeds eerder door de gemeente Heerhugowaard bij ons onder de aandacht gebracht. Het artikel voegt daar niets aan toe. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. In het artikel wordt onterecht de indruk gewekt dat gemeenten daartoe vanuit het Rijk een geoormerkte vergoeding ontvangen om onderwijshuisvesting te bekostigen. Dat is echter niet het geval. Voor onderwijshuisvesting is het aantal leerlingen speciaal onderwijs op 1 oktober slechts één van de elementen die de omvang van de uitkering uit het Gemeentefonds bepaalt. De bekostiging via het Gemeentefonds levert geen geoormerkte budgetten op. Gemeenten zijn autonoom in de besteding ervan en dienen de onderwijshuisvesting uit het geheel van algemene middelen te bekostigen.
Hoeveel leerlingen zijn nu ingeschreven bij het onderwijs dat door de school De Spinaker wordt gegeven in de gesloten instelling voor jongeren met gedragsproblemen Transferium in Heerhugowaard?
Volgens opgave van het schoolbestuur aan DUO waren er op 20 augustus 2011 80 leerlingen.
Waarom is er vanuit de landelijke overheid voor het schooljaar 2010–2011 geen vergoeding gekomen voor de huisvesting van de school binnen de gesloten jeugdzorgvoorziening in Heerhugowaard, omdat op de teldatum geen leerlingen ingeschreven stonden bij de school aangezien de school op die teldatum nog niet was geopend, maar kort daarna wel veel leerlingen binnen had?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wie is volgens u verantwoordelijk voor de huurkosten van het onderwijs binnen de gesloten jeugdzorgvoorziening Transferium in de periode van november 2010 tot oktober 2011? Wie is daarna verantwoordelijk?
De gemeente is voor de gehele periode verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting.
Bent u ervan op de hoogte dat het aantal jongeren dat les krijgt in het Transferium fluctueert en dat de school hier geen invloed op heeft, aangezien leerlingen doorgaans een korte periode geplaatst worden in gesloten jeugdzorg voorziening Trasferium aangezien er voor beperkte periode een machtiging gesloten jeugdzorg wordt toegewezen door een rechter?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de school een vaste huurprijs moet betalen ongeacht het aantal leerlingen dat is ingeschreven? Zo ja, waarom werkt u dan toch met een bekostiging op basis van een leerlingenaantal?
Ja. Echter, de verdeling van het Gemeentefonds is niet op basis van gemaakte kosten, maar is globaal. Elke school kan te maken hebben met enige onder- of overcapaciteit in het gebouw door fluctuaties in het leerlingenaantal.
Deelt u de mening dat er vanuit de landelijke overheid dubbelzinnig beleid wordt gevoerd, aangezien de gemeente Heerhugowaard (die verantwoordelijk is voor de huisvesting van de school) vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) geen geld voor huisvesting krijgt, terwijl vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wel geld beschikbaar is voor docenten en er vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wel geld is voor de behandeling van de vastzittende jongeren waar het onderwijs onderdeel van is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Nee. De ministeries van OCW en VWS (niet SZW) zijn elk verantwoordelijk voor een adequate vergoeding voor de personele en materiële uitgaven van respectievelijk de schoolbesturen en de instellingen. De gemeente is verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting en kan hiervoor putten uit de algemene uitkering van het Gemeentefonds. De systematiek van de algemene uitkering van het Gemeentefonds is per definitie ongeschikt om tegemoet te komen aan een specifiek geval in een enkele gemeente. De middelen zijn globaal verdeeld, maar vrij besteedbaar, zodat afwijkingen wegvallen of zelf door de gemeente gecompenseerd kunnen worden.
Deelt u de mening dat het niet logisch is om de financiering van de huisvesting van een school waarvan het leerlingenaantal sterk fluctueert, omdat zij voor leerlingen afhankelijk is van de duur van de machtiging gesloten jeugdzorg die de kinderrechter afgeeft en een vaste huurprijs moet betalen, te baseren op het leerlingenaantal? Zo nee, hoe voorkomt u dat de school de huur niet meer kan betalen vanwege een gering aantal leerlingen op de teldatum waardoor de financiering vanuit de Rijksoverheid stokt?
Nee. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat is uw reactie op de uitspraak van onderwijskoepel Ronduit dat zij op termijn de school zal sluiten wanneer de financiering voor huisvesting vanuit het ministerie van BZK achter blijft bij de werkelijke kosten? Wat gaat u doen om sluiting van de school te voorkomen?
De gemeente is verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. Het schoolbestuur zal zich daarom tot de gemeente moeten wenden.
Bent u van mening dat het mogelijk is een gesloten jeugdzorg voorziening draaiende te houden zonder onderwijsvoorziening? Zo nee, hoe voorkomt u dat de school zich uit de inrichting terugtrekt vanwege financiële problemen? Zo ja, hoe?
Nee. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid alsnog een eenmalige vergoeding te betalen, zodat de huurschuld van het afgelopen jaar van ruim 130 000 euro afgelost kan worden bij de woningcorporatie waarvan de onderwijsruimte wordt gehuurd? Zo nee, waarom niet?
Nee, de gemeente is verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting.
Bent u bereid te werken met een kostplaatsfinanciering voor de huur van onderwijsruimte voor het Transferium in Heerhugowaard zodat de onderwijskoepel Ronduit de vaste huurprijs kan blijven betalen, zodat de gesloten inrichting voor jeugdzorg Transferium kan blijven bestaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, kostplaatsfinanciering zou de prikkel op overcapaciteit van onderwijshuisvesting betekenen. Bovendien past geoormerkte financiering niet bij de uitgangspunten van het Gemeentefonds. Overigens moet ook zonder kostplaatsfinanciering de gemeente voldoende middelen beschikbaar stellen.
Bent u bereid met de drie gezamenlijk betrokken ministeries in overleg te gaan met gemeente en inrichting en alles op alles te zetten om tot een oplossing te komen?
De verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting is duidelijk belegd, namelijk bij de gemeente. Het is daarom niet zinvol om hierover in overleg te gaan.
Zijn er andere onderwijsinstellingen die tegen dezelfde problemen aanlopen omdat de onderwijsinstelling onderdeel uitmaakt van een gesloten jeugdzorgvoorziening of een Justitiële Jeugdinrichting? Zo ja, welke voorzieningen zijn dit? Bent u bereid hiervoor een structurele oplossing te vinden en de Kamer hierover te informeren?
Het is bij ons niet bekend dat andere instellingen jeugdzorgplus of justitiële jeugdinrichtingen met vergelijkbare problemen te maken hebben.