De ontslagen bij sociale werkplaatsen Emco en Wedeka |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het ontslag van tientallen werknemers van de sociale werkplaatsen Emco en Wedeka, vanwege de verminderde rijksbijdrage?1
Het gaat bij beide bedrijven om het niet verlengen van tijdelijke contracten. Het niet verlengen van tijdelijke contracten bij Emco en Wedeka betreft een beleidskeuze van de gemeenten. Een Wsw-dienstbetrekking is een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Een gemeente is niet verplicht om personen met een Wsw-indicatie een vaste dienstbetrekking aan te bieden of tijdelijke contracten om te zetten in een vast dienstverband.
Gemeenten zijn bij het aanbieden van tijdelijke contracten gehouden aan het respecteren van «de ketenbepaling». Indien oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de ketenbepaling, kan een Wsw-werknemer zich richten tot de rechter. Deze zal in een individueel geval uitspraak doen of de ketenbepaling juist is toegepast.
De Wsw is een gedecentraliseerde regeling, waarbij het Rijk middelen verstrekt voor het realiseren van een taakstellend aantal Wsw-plekken. Uit navraag blijkt dat de taakstelling door de betrokken gemeenten wordt gerealiseerd. Gemeenten worden uiteindelijk afgerekend op het realiseren van de taakstelling. Gemeenten kunnen zelf besluiten om meer plekken te realiseren dan de taakstelling. In de Tweede Kamer is ondermeer hierover informatie uitgewisseld, zoals in een dertig leden debat op 3 oktober 2012.
Sw-bedrijven streven ernaar budgetten zo goed mogelijk te besteden. Tijdelijke contracten worden gehanteerd om fluctuaties in het werkaanbod op te vangen en de taakstelling te realiseren. Net als in het bedrijfsleven wordt gewerkt met vaste en tijdelijke contracten.
Het is niet ongebruikelijk dat tijdelijke contracten niet worden verlengd. Uit de Wsw-statistiek blijkt dat in de afgelopen jaren circa 20% van de mensen uitstromen uit de Wsw, dit doen in verband met het niet verlengen van tijdelijke contracten. Als een tijdelijk contract niet wordt verlengd, keert de betrokkene terug op de wachtlijst. Op het moment dat een Wsw-plek vrijkomt wordt deze beschikbaar gesteld aan degene bovenaan de wachtlijst.
Acht u het wenselijk dat werknemers van sociale werkplaatsen worden ontslagen, omdat er na drie jaar een contract voor onbepaalde tijd moet worden verstrekt, maar sociale werkplaatsen tegelijkertijd alleen nog werknemers op tijdelijke basis willen aannemen? Waarom acht u dat wel of niet wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het wenselijk dat in Nederland de wachtlijst voor de sociale werkplaats wordt misbruikt als draaideur voor personen met een beperking om hen geen vast contract te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw mening over de situatie waarin werknemers met een beperking vanwege het regeringsbeleid geen enkele zekerheid krijgen op een vaste baan en een vast inkomen?
Voor mensen die nu al met een Wsw-indicatie werkzaam zijn in de Sw-sector verandert er als gevolg van het regeerakkoord niets. Zij houden dezelfde rechten en plichten. Als de Participatiewet van kracht wordt, dan wordt de Wsw afgesloten voor nieuwe werknemers. Het kabinet geeft gemeenten binnen de wettelijke kaders de ruimte om zelf beschut werk als een voorziening te organiseren voor mensen die enkel onder beschutte omstandigheden kunnen werken.
Het kabinet wil bevorderen dat mensen zoveel mogelijk in reguliere banen bij reguliere werkgevers aan de slag gaan. Reguliere werkgevers moeten hun deuren wijder open zetten voor mensen met een beperking. Daarom komt dit kabinet met een quotum. Gemeenten beschikken over een breed scala aan instrumenten om werkgevers en mensen met een arbeidsbeperking te ondersteunen.
Voor de antwoorden op deze vragen verwijs ik u tevens naar de inhoud van de contourenbrief inzake de Participatiewet, die ik op 21 december 2012 aan de Kamer heb gezonden.
Welke maatregelen gaat u nemen om ook personen met een beperking zekerheid op een vast inkomen en werk te geven?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is er terecht gekomen van de belofte van PvdA-leider Diederik Samsom op het Malieveld op 22 maart 2012 dat hij «in ieder geval ging zorgen dat jullie (werknemers sociale werkplaatsen) je werk houden»?2
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er meer sociale werkplaatsen in Nederland, die van plan zijn om vanwege het ontbreken of verminderen van rijkssubsidie contracten van SW-geïndiceerden op korte termijn te beëindigen en deze mensen naar huis te sturen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, kunt u dit uitsluiten?
Het kan niet worden uitgesloten dat tijdelijke contracten door gemeenten of sociale werkplaatsen niet worden verlengd.
Deelt u de mening dat vanwege de forse bezuinigingen van bijna 2 miljard euro op de sociale werkplaatsen, de bijstand en de jonggehandicapten, het aantal ontslagen in de sociale werkplaatsen en de wachtlijsten zullen groeien en deze bezuinigingen per direct van tafel moeten? Zo nee, vindt u het sociaal om te bezuinigen op personen met een beperking, die toch al geen of weinig perspectief hebben op een reguliere baan?
De regelingen aan de onderkant zijn niet afgestemd, werken tegen elkaar in en leiden te vaak tot inactiviteit in plaats van participatie. Eén regeling is beter en goedkoper. Het niet doorvoeren van de verbeteringen en de besparingen die mogelijk zijn, is een luxe die we ons niet kunnen en niet moeten willen veroorloven. Omdat de solidariteit met de meest kwetsbaren vereist dat we onze sociale zekerheid richten op hen die het meest ondersteuning nodig hebben. En omdat ons land zijn huishoudboekje op orde moet krijgen om straks sterker uit de crisis te komen.
Het kabinet maakt daarbij rechtvaardige keuzes. Voor de vereiste banen wordt een quotum uitgewerkt. Ten opzichte van de Wet werken naar vermogen is in de Participatiewet sprake van een duidelijke verzachting van de efficiencykorting. Deze wordt verspreid over zes jaar (in plaats van over drie jaar) en gaat een jaar later in. Gemeenten en sw-bedrijven krijgen daarmee aanzienlijk meer tijd voor de hervorming van de uitvoering van de Wsw.
Zie ook het antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Kunt u de ontslagen werknemers bij Emco en Wedeka aan een baan helpen?
Dit betreft een verantwoordelijkheid van de gemeenten, die daarvoor de instrumenten hebben.
Bent u op de hoogte van het feit dat in Oost-Groningen bijna vier keer zoveel personen werkzaam zijn in de sociale werkplaatsen dan in andere provincies? Zo ja, kunt u bevestigen dat het voorgestelde quotum zoals voorgesteld in het regeerakkoord in Oost-Groningen ook bijna vier keer zoveel werkplekken in het vrije bedrijf zal gaan opleveren? Zo nee, waarom niet?3 4
Ik ben op de hoogte van de afwijkende situatie in Oost-Groningen. Het voorgestelde quotum, waarvan de uitwerking nog plaatsvindt, is afhankelijk van de grootte van de werkgevers en zal dus niet per definitie bijna 4 keer zoveel werkplekken in het vrije bedrijf opleveren. Overigens maak ik u erop attent dat er in Oost-Groningen meer dan het landelijk gemiddelde aan Wsw’ers werken bij reguliere werkgevers.
Het spreekverbod bij SW-bedrijf Pantar |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het bericht «Directie verbiedt contacten met politici. Medewerkers Pantar mogen niet praten»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat alle medewerkers van Pantar is verboden met gemeenteraadsleden te praten?
Nee. Van Pantar heb ik over deze zaak de volgende informatie ontvangen. Aanleiding voor het bericht is een brief van de directeur van Pantar aan de medewerkers over het spreken met gemeenteraadsleden door leden van de Centrale Ondernemingsraad (COR), over een aanstaande reorganisatie. Over deze brief is het misverstand ontstaan dat de directeur een spreekverbod zou hebben opgelegd.
Pantar heeft laten weten dat de rechten van de leden van de COR niet ter discussie staan en dat iedere medewerker het recht heeft om op persoonlijke titel te spreken. Daarbij heeft de directeur gevraagd de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen, met name waar het gaat over stukken die nog niet zijn vastgesteld en het spreken namens de organisatie Pantar. Tenslotte heeft de directeur gezegd dat spreken door de COR namens Pantar niet is toegestaan. De COR heeft laten weten deze lijn te onderschrijven.
Vindt u een spreekverbod voor alle werknemers een gepaste reactie op het vermeend verstrekken van documenten door leden van de ondernemingsraad aan raadsleden? Zo ja, waarom?
Zoals ik hierboven uiteen heb gezet blijkt er geen sprake te zijn van een spreekverbod.
Deelt u de mening dat hier niet alleen rechten van werknemers, maar ook die van raadsleden onrechtvaardig worden ingeperkt? Zo nee, waarom niet?
Uit bovenstaande blijkt dat het aantasten van rechten van werknemers of raadsleden niet aan de orde is.
Deelt u de mening dat de aangekondigde reorganisatie bij Pantar tot onzekerheid en onrust kan leiden, en zij hier vrijelijk met iedereen over zouden moeten kunnen praten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat een reorganisatie tot onzekerheid en onrust bij betrokkenen kan leiden. Op persoonlijke titel kan elke medewerker hierover spreken. Het is aan Pantar om te bepalen hoe wordt omgegaan met communicatie namens de organisatie en de zorgvuldigheid daarbij.
Het spreekverbod met politici voor werknemers van Pantar |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de oproep van de algemeen directeur van sociale werkplaats Pantar aan zijn werknemers om «geen informatie over Pantar te geven aan derden, waaronder vertegenwoordigers van de eerdergenoemde raadsfractie»?1 2
Van Pantar heb ik over deze zaak de volgende informatie ontvangen. Aanleiding voor het bericht is een brief van de directeur van Pantar aan de medewerkers over het spreken met gemeenteraadsleden door leden van de Centrale Ondernemingsraad (COR), over een aanstaande reorganisatie. Over deze brief is het misverstand ontstaan dat de directeur een spreekverbod zou hebben opgelegd.
Pantar heeft laten weten dat de rechten van de leden van de COR niet ter discussie staan en dat iedere medewerker het recht heeft om op persoonlijke titel te spreken. Daarbij heeft de directeur gevraagd de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen, met name waar het gaat over stukken die nog niet zijn vastgesteld. Tenslotte heeft de directeur gezegd dat spreken door de COR namens Pantar niet is toegestaan. De COR heeft laten weten deze lijn te onderschrijven.
Acht u het wenselijk dat werknemers van een sociale werkplaats een spreekverbod met politici opgelegd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om aan deze situatie bij Pantar een einde te maken?
Ik ben van mening dat werknemers van sociale werkplaatsen met iedereen moeten kunnen spreken. Zoals ik hierboven heb aangegeven is er geen sprake van een spreekverbod, maar om een verzoek aan medewerkers om de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen waar het gaat om het spreken namens Pantar, en de omgang met niet vastgestelde stukken.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat werknemers van sociale werkplaatsen vrijuit met leden van gemeenteraden of de Tweede Kamer kunnen spreken en niet worden gehinderd door directieleden? Kunt u dit toelichten?
Gelet op bovenstaande vind ik dat maatregelen van mijn kant niet nodig zijn.
De introductie van een overlijdensrisicoverzekering op basis van postcode |
|
Arnold Merkies |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Independer introduceert overlijdensrisicoverzekering op basis van postcode»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht.
Acht u het wenselijk dat de premie voor een verzekering wordt gebaseerd op de postcode van de verzekeringnemer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik acht het onwenselijk als de verzekeringspremie uitsluitend wordt gebaseerd op de postcode van de verzekerde of de verzekeringsnemer. Ik ben van mening dat solidariteit een belangrijk grondbeginsel van het verzekeringsbedrijf is, en dat iedereen toegang moet kunnen hebben tot de belangrijke verzekeringsproducten. Verzekeraars hebben de maatschappelijke taak om individuele risico’s te spreiden over een grotere groep mensen.
Het is echter wel de taak van de verzekeraars om de verschillen in risico’s te verdisconteren in de verzekeringspremie. Bij een aantal verzekeringen kan het gebied waarin men woont aanleiding zijn om te bepalen of er sprake is van een hoger risico dat zich een bepaald voorval voordoet dan in een ander gebied. Het is primair aan de verzekeraar om te bepalen of dit verschil in risico wordt doorberekend in de premie. Bij onder meer opstal- inboedel en autoverzekeringen wordt al langer onderscheid gemaakt op basis van het postcodegebied.
In het door u aangevoerde voorbeeld gaat het om een overlijdensrisicoverzekering. De hoogte van de premie van een overlijdensrisicoverzekering wordt voor een groot deel gebaseerd op de levensverwachting van de verzekerde. Dit wordt doorgaans bepaald aan de hand van de leeftijd, het rookgedrag en andere gezondheidsaspecten. In de door u genoemde verzekering wordt de levensverwachting nader ingeschat op basis van het postcodegebied. Daarbij wordt uitgegaan van de statistieken van het CBS, dat mensen uit een gemiddeld meer welvarend postcodegebied een hogere levensverwachting hebben. Dit risico wordt doorberekend in een hogere dan wel lagere premie.
Is het toegestaan om de premie van een verzekering te laten afhangen van de postcode die de verzekeringnemer heeft?
Er zijn geen wettelijke bepalingen die het verbieden dat de premie van een verzekering afhankelijk is van het postcodegebied. Dit neemt niet weg dat de verzekeraar zich zal moeten houden aan de geldende regelgeving voor gelijke behandeling.
Wat zijn volgens u de gevolgen voor de verzekeringnemer in een woonomgeving waar de levensverwachting lager dan wel hoger zou zijn?
Bij veruit de meeste overlijdensrisicoverzekeringen zal dit geen gevolgen hebben omdat er geen onderscheid wordt gemaakt op basis van het postcodegebied. In het geval er wel onderscheid wordt gemaakt op basis van het postcodegebied verwacht ik dat de premie van de verzekering hoger is naarmate de levensverwachting in het postcodegebied lager is.
Deelt u de mening dat selectie op basis van postcode kan worden gezien als een vorm van discriminatie? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling, of het selecteren op postcodegebied een niet toegestane vorm van discriminatie is, acht ik een taak van het College voor de rechten van de mens, die tot taak heeft klachten over discriminatie te beoordelen. Ook de rechter en het Europees hof van Justitie kan hierover uitspraken doen.
Volgens het College voor de rechten van de mens kan differentiëren op postcode verschillende specifieke groepen raken, zoals lager opgeleiden of mensen met een lager inkomen, ouderen, allochtonen, etc. Het is de vraag of het differentiëren in premie aan de hand van de postcode van de verzekerde indirect onderscheid op een wettelijk beschermde grond oplevert, zoals ras, nationaliteit of godsdienst. Statistische of demografische gegevens over de bewoners in een bepaald postcodegebied zouden hierover meer duidelijkheid kunnen verschaffen. Als het zo is dat bepaalde door de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) beschermde groepen bijzonder geraakt worden door deze vorm van premietoedeling dan is de vervolgvraag of er een objectieve rechtvaardiging aan ten grondslag ligt. Als het doel van de maatregel zou zijn om de inschatting van het risico te optimaliseren dan zouden er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de passendheid of noodzakelijkheid van de maatregel. Het zou over-inclusive kunnen zijn, d.w.z. een te brede groep mensen kunnen raken of dat juist de verkeerde groep geraakt wordt. Het zou ook kunnen dat het beoogde resultaat via andere, minder onderscheidmakende, wijzen bereikt kan worden. Dit zou de subsidiariteit van de maatregel kunnen raken. Of dit in concreto het geval is bij de voorgestelde maatregel kan alleen worden beoordeeld na onderzoek naar de samenstelling van de geraakte groepen en de objectieve rechtvaardiging voor eventueel indirect onderscheid. Ik heb het College dan ook verzocht om een nader onderzoek in te stellen.
De rechtsvoorganger van dit college, het College voor gelijke behandeling heeft in 2006 advies uitgebracht over het afwijzen van hypotheken op basis van het postcodegebied2. Daarbij heeft het Cgb geconstateerd dat het afwijzen van een hypotheekaanvraag op basis van het postcodegebied een vorm van discriminatie is die door de sector zou moeten worden vermeden op basis van zelfregulering. Het voorliggend geval is echter niet goed vergelijkbaar met het advies van destijds omdat het niet gaat om het afwijzen van de verzekering, maar het verdisconteren van een risicoselectie op basis van het postcodegebied in de hoogte van de premie.
Bent u bekend met andere verzekeraars die selecteren op postcode? Zo ja, kunt u in een overzicht weergeven bij welke vormen van verzekeringen dit het geval is?
Voor zover bekend zijn er geen andere overlijdensrisicoverzekeringen waarbij risicoselectie plaatsvindt op basis van het postcodegebied. Voor bepaalde schadeverzekeringen zoals opstal- inboedel, en autoverzekeringen is de premie mede gebaseerd op het gebied waar de opstal of inboedel is gelegen of waar de verzekeringnemer woonachtig is.
Bent u bereid te onderzoeken in welke mate de postcode van de verzekeringnemer bij verschillende verzekeringen een rol speelt?
Ik heb het College voor de Rechten van de Mens verzocht een onderzoek in te stellen naar de samenstelling van de geraakte groepen en de objectieve rechtvaardiging voor eventueel indirect onderscheid door het hanteren van het postcodegebied bij de bepaling van de premie van een overlijdensrisicoverzekering.
Gaat u tegen het sluiten van overlijdensrisicoverzekeringen, dan wel andere vormen van verzekeringen die op basis van postcode worden afgesloten, maatregelen nemen? Zo ja, wat zijn die maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het vooraf betalen van het eigen risico in de bijstand |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de situatie dat half november 2012 heel veel bijstandsgerechtigden in Amersfoort het bericht hebben gekregen dat zorgverzekeraar Agis in 2013 het eigen risico maandelijks vooraf gaat incasseren?
Het gaat in dit geval om een collectieve zorgverzekering voor bijstandsgerechtigden. Veel gemeenten maken specifieke afspraken met zorgverzekeraars over een dergelijke collectieve zorgverzekering voor de groep bijstandsgerechtigden. Gemeenten hebben deze bevoegdheid, maar zijn hier niet toe verplicht. Het is in dat opzicht te zien als een extra service van de gemeente aan inwonende bijstandsgerechtigden. Dit aangeboden pakket is niet verplicht voor bijstandsgerechtigden. Zij zijn vrij om naar een andere zorgverzekeraar te gaan. Deelname is dus op vrijwillige basis.
Ik vind het goed dat gemeenten en zorgverzekeraars, binnen wettelijke kaders, de vrijheid hebben om onderling afspraken te maken over het aangeboden pakket. Zo kunnen zij maatwerk bieden aan de bijstandsgerechtigden in hun gemeente.
Amersfoort biedt sinds 2005, een Collectieve Zorgverzekering voor Minima (CZM) aan haar burgers met een inkomen tot 110% van het bijstandsniveau. In contracten tussen zorgverzekeraars en gemeenten wordt op diverse manieren in toegang tot goede zorg voor bijstandsgerechtigden voorzien. Deelname aan deze collectiviteit betekent automatisch ook deelname aan de op maat gemaakte aanvullende pakketten. Of de mensen hieraan willen deelnemen is, zoals eerder gezegd, aan hen zelf. Bij de CZM is er sprake van een korting op de basisverzekering. Daarnaast draagt de gemeente bij aan de premie door middel van een maandelijkse bijdrage op de aanvullende verzekering.
Het verplicht eigen risico bedraagt in 2013 350 euro. Net als iedereen moeten bijstandsgerechtigden veelal ineens het hele bedrag aan verplicht eigen risico betalen. Dit kan, voor de verzekerde, ongewenste betalingsproblemen voor het verplicht eigen risico tot gevolg hebben. Om dit te voorkomen heeft de gemeente Amersfoort Achmea (Agis) nadrukkelijk verzocht om te voorzien in de mogelijkheid tot spreiding van de betaling van het eigen risico.
Achmea heeft een regeling ontworpen die haalbaar en uitvoerbaar is en voorziet in de behoefte tot spreiding van betaling van het verplicht eigen risico. Zo loopt deze gespreide betaling gelijk met de zorgtoeslag waarmee ook deels voor het verplicht eigen risico wordt gecompenseerd.
In nauw overleg met de Cliëntenraad Sociale Zekerheid heeft de gemeente Amersfoort besloten tot deze regeling. Hiertoe is mede besloten gezien het feit dat in de afgelopen jaren gemiddeld bijna 80% van de gebruikers het verplicht eigen risico geheel en 14% gedeeltelijk opgebruikte. De Cliëntenraad is van mening dat deze regeling een goede oplossing biedt voor de problemen die veel deelnemers hebben bij het betalen van het eigen risico.
Ik realiseer mij dat bijstandsgerechtigden die vooraf inschatten het verplicht eigen risico niet vol te maken, de regeling vervelend kunnen vinden. Voor hen is het echter altijd mogelijk om een andere zorgverzekeraar te kiezen. Het gaat hier om een relatief kleine groep en gezien het feit dat deze regeling in financieel opzicht wel positief uitpakt voor de overige deelnemers aan CZM, het merendeel van de verzekerden het eigen risico volmaakt en goede afstemming heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en de Cliëntenraad, ben ik niet van mening dat hier sprake is van een onwenselijke situatie.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke situatie is, omdat dit niet op vrijwillige basis gebeurt en mensen geen gebruik hebben gemaakt van zorg? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid met Agis en de gemeente Amersfoort in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat dit plan in deze vorm geen doorgang kan vinden, mits de bijstandsgerechtigde hier expliciet toestemming voor geeft? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vragen is contact opgenomen met de gemeente Amersfoort en Achmea. Zoals ik bij de beantwoording van vraag 1 en 2 heb aangegeven, hebben verzekeraars en gemeenten de vrijheid om onderling afspraken te maken. Inmiddels zijn ook alle verzekerden over de nieuwe polis voor 2013 geïnformeerd. Indien zij zich niet kunnen vinden in het pakket met bijbehorende betalingsregeling dat de gemeente en de zorgverzekeraar overeen zijn gekomen, staat het hen vrij om een andere verzekering af te sluiten.
Ik zie verder geen reden tot nader overleg met de gemeente Amersfoort of Achmea. Indien beide partijen dit willen kunnen de gemeente Amersfoort en Achmea in onderling overleg kijken of zij voor een alternatief kunnen zorgen, waarbij geen gebruik gemaakt hoeft te worden van het gespreid betalen van het verplicht eigen risico.
Hoe beoordeelt u de situatie dat, als iemand geen of niet geheel gebruik maakt van het eigen risico, het restant pas in de tweede helft van 2014 wordt terugbetaald?
In december 2013 kunnen verzekerden nog zorg gebruiken waarvoor het verplichte eigen risico geldt. Een behandeling gestart in 2013 kan in 2014 nog doorlopen en een behandeling wordt uiterlijk 365 dagen na opening (aanvang behandeling) afgesloten en pas daarna gefactureerd. Pas eind 2014 is duidelijk of er zorgkosten zijn gemaakt over 2013. Dat is de reden waarom voor eind 2014 is gekozen als terugstortdatum.
Hier tegenover staat dat, zoals gemeld in antwoord 1, het merendeel van de verzekerden (vanwege chronische ziekte/medicijngebruik of eenmalige zorgvraag) zijn eigen risico reeds begin 2013 verschuldigd zal zijn, terwijl ze gespreid over het jaar hiervoor betalen. Achmea schiet hier in principe het eigen risico bedrag gedeeltelijk voor. Hierover betalen de verzekerden geen rente. Ik zie dan ook geen reden om zorgverzekeraars te verplichten het bedrag inclusief wettelijke rente eerder terug te laten storten.
Deelt u de mening dat, als een bijstandsgerechtigde toestemming heeft gegeven voor het vooraf afschrijven van het eigen risico, het terug te betalen bedrag sneller teruggestort moet worden, en dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat Agis het eigen risico ook in Amsterdam en Utrecht vooraf int? Zo ja, gebeurt dit met of zonder toestemming van de bijstandsgerechtigden? Zijn er bij u nog meer gemeenten bekend waar dit gebeurt?
De bedoelde regeling van Achmea geldt voor de gemeenten Amsterdam, Almere en Amersfoort, niet voor de gemeente Utrecht.
Gemeenten hebben hun eigen besluitvormingstraject gehad. Het aanbod en de werkwijze zijn in de drie gemeenten identiek. Ook hier kan de verzekerde zelf beslissen of zij voor deze verzekeraar kiezen of een andere verzekeraar.
Bent u bereid met Zorgverzekeraars Nederland en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) in gesprek te gaan, om ervoor te zorgen dat mensen alleen op vrijwillige basis het eigen risico vooraf gespreid kunnen betalen?
Ik zie geen reden tot nader overleg met ZN en de VNG, omdat de regeling op vrijwillige basis is. Verzekerden kunnen altijd voor een andere verzekeraar kiezen.
Zorgverzekeraars en gemeenten zijn vrij om voor specifieke groepen, zoals bijstandsgerechtigden, collectieve contracten af te sluiten. De afspraken die gemeente en zorgverzekeraar maken kunnen voor de verzekerde rechten en verplichtingen bevatten. Het is vervolgens aan de verzekerde om zelf een afweging te maken of hij wil deelnemen aan de collectiviteit of niet. Voor veel verzekerden zal deelname financieel juist erg aantrekkelijk zijn. Voor verzekerden die niet het eigen risico gespreid willen betalen, zijn er voldoende andere mogelijkheden om zich te verzekeren.
Kunt u deze vragen vóór 1 januari 2013 beantwoorden, zodat bijstandsgerechtigden in Amersfoort op tijd weten welke rechten en plichten zij hebben?
Ja, ik kan deze vragen voor 1 januari 2013 beantwoorden.
De introductie van een overlijdensrisicoverzekering op basis van postcode |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht ««Land- en tuinbouw goed voor 10 pct van economie en werkgelegenheid», NRCnext checkt»1, waarbij de nrc.next deze uitspraak het oordeel «grotendeels onwaar» geeft?
Ja.
Kunt u aangeven waarom op de website van de Rijksoverheid2 nog steeds staat aangegeven dat de Nederlandse landbouw en tuinbouw goed zijn voor 10% van de Nederlandse economie en werkgelegenheid, terwijl vorig jaar al in de schriftelijke antwoorden3 bij de begrotingsbehandeling van het onderdeel Landbouw en Natuur door de staatssecretaris van Economische zaken, Landbouw & Innovatie werd toegegeven dat de land- en tuinbouw niet een aandeel van 10% maar slechts van 1,2% van het Nederlandse Bruto Nationaal Product uitmaakt?
Het Nederlandse agrocomplex is verantwoordelijk voor circa 10% van de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Hierbij gaat het vooral om (de handel in) land- en tuinbouwproducten. Voor een correct beeld is de website van de Rijksoverheid aangepast in die zin dat het Nederlandse agrocomplex goed is voor circa 10% van de Nederlandse economie en werkgelegenheid.
Bent u bereid om de website van de Rijksoverheid aan te passen aan de werkelijke feiten rond het aandeel van de land- en tuinbouwsector van de Nederlandse economie? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om in het vervolg een helder onderscheid te maken in uw communicatie tussen de primaire sector en de verwerkende en toeleverende sectoren? Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse agrocomplex dient als één geheel gezien te worden waar de primaire sector het onderdeel van is. Zonder de primaire sector zal het agrocomplex een minder prominente positie qua aandeel van de Nederlandse economie en werkgelegenheid vervullen.
In toekomstige correspondentie met uw Kamer zal ik met betrekking tot de werkgelegenheid, aandeel in de Nederlandse economie en handelsoverschot in relatie tot land- en tuinbouwproducten communiceren over het agrocomplex. Dus niet enkel over de primaire sector, maar ook over de verwerkende en toeleverende sectoren.
Het geen doorgang vinden van het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS) |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Deelt u de teleurstelling dat een Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS) niet ingevoerd lijkt te gaan worden nu de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) zich lijkt terug te trekken uit het project?1
Ik betreur de beslissing van de NVB om haar medewerking aan de ontwikkeling van het systeem Vroegsignalering index probleemschulden (ViP) te beëindigen. De betrokken partijen hebben zich de afgelopen jaren enorm ingespannen om dit (private) initiatief tot een succes te maken.
Kunt u aangeven welke stappen er sinds de brief van uw voorganger d.d. 5 juli 2012 (Kamerstuknummer 24 515–239) over de voortgang van het LIS zijn gezet door het samenwerkingsverband LIS gefaciliteerd door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Kunt u hierbij ook ingaan op de proef die door het College Bescherming Persoonsgegevens zou zijn goedgekeurd?
In augustus 2012 hebben de partijen betrokken bij het LIS in principe besloten tot inrichting van een pilot om het voorgenomen systeem van schuldenregistratie te beproeven. De intentie van partijen was om op basis van de resultaten van deze pilot te onderbouwen in hoeverre de te registreren schulden indicatief zijn voor het ontstaan van de problematische schulden. Daarmee werd invulling gegeven aan de door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) geschetste mogelijkheid om in een pilot de indicatieve waarde van de registratiecriteria te beproeven. Hiervoor is geen toestemming van het CBP nodig. Het CBP is door de LIS-partijen geïnformeerd over hun besluit om tot inrichting van een pilot over te gaan. Ten behoeve van deze pilot zijn zij gestart met het opstellen en uitwerken van een business- en verdienmodel.
Betekent het terugtrekken van de NVB uit het samenwerkingsverband LIS dat een landelijke schuldregistratie als initiatief van de baan is? Zo ja, bent u bereid met het samenwerkingsverband LIS, inclusief de NVB, in gesprek te gaan om te bekijken of er een oplossing gevonden kan worden voor de gerezen bezwaren en de mogelijkheden voor een doorstart te onderzoeken? Zo nee, is er alleen sprake van geen doorgang vinden van het onderzochte systeem van Vroegsignalering index probleemschulden (ViP)?
Conform mijn toezegging tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2013 heeft SZW op 14 januari 2013 gesproken met de LIS-partijen, waaronder ook de NVB, over de gerezen bezwaren en de ontstane situatie. Ook is gesproken over welke mogelijkheden de verschillende partijen vanuit hun (maatschappelijke) verantwoordelijkheid nog zien. De LIS-partijen hebben in dit gesprek gemeld dat zij hun initiatief om te komen tot een systeem voor vroegsignalering beëindigen. Ik kan me bij deze opstelling best iets voorstellen, omdat de verschillende partijen al jaren inzet plegen om het systeem van vroegsignalering vorm te geven, maar steeds op blokkades stuiten. Ik heb begrepen dat zij uw Kamer bij brief van 18 januari jl. over de beëindiging hebben geïnformeerd. Ik ben voornemens om met betrokken partijen in gesprek te gaan om te verkennen of er andere mogelijkheden zijn om tot een systeem van vroegsignalering te komen. Ik zal u van de resultaten van dit gesprek op de hoogte stellen.
Deelt u de mening van de NVB dat het LIS te traag en ingewikkeld zou zijn, als aan alle Nederlandse en internationale privacywetgeving zou worden voldaan? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om, met respect voor de Nederlandse en internationale privacywetgeving, alsnog doorgang van een LIS mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De aandacht van scholen voor het omgaan met geld door jongeren |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Deelt u de vrees van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) dat jongeren qua financiële zelfredzaamheid van de Pepsi-generatie zijn, «live life to the max, het kan niet op. Geld is fun.»?1
Nee, die vrees deel ik niet.
Deelt u de mening dat er niet jong genoeg kan worden begonnen met het aanleren van verantwoord omgaan met geld? Zo ja, op welke manieren wordt daar nu vanuit de overheid aandacht aan besteed? Zo nee, waarom niet?
Ouders hebben de belangrijkste rol in de opvoeding en vorming van hun kinderen. Op welke leeftijd en op welke wijze kinderen het beste verantwoord kunnen leren omgaan met geld, laat ik graag over aan het oordeel van ouders en scholen. De overheid heeft voor het primair onderwijs in de kerndoelen vastgelegd dat «leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument» (kerndoel 35 primair onderwijs). Kerndoel 42 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs heeft een vergelijkbare strekking: «de leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.» Deze kerndoelen hangen samen met een belangrijke functie van het onderwijs, namelijk dat het onderwijs eraan bijdraagt leerlingen toe te rusten voor participatie in de samenleving. Het verantwoord leren omgaan met geld is een belangrijke voorwaarde om zich redzaam te kunnen gedragen als consument. Op deze wijze is geborgd dat er in het primair en voortgezet onderwijs aandacht is voor de thematiek; de wijze waarop dit wordt vormgegeven wordt op schoolniveau bepaald.
Deelt u de mening dat ouders de eerstverantwoordelijken zijn bij de financiële opvoeding van hun kinderen, maar dat ook scholen een bijdrage aan financieel bewustzijn kunnen leveren? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om het omgaan met geld onder de aandacht te brengen bij leerlingen op school, de conclusies en aanbevelingen van het rapport van de commissie Dijsselbloem uiteraard in gedachten houdende en met draagvlak in het onderwijs- en jeugdveld? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Op welke manieren kunnen scholen gestimuleerd worden om lespakketten van het Nibud, gericht op verantwoord omgaan met geld, te gebruiken?
Het is niet aan de overheid scholen te stimuleren bepaalde lespakketten te gebruiken. Scholen hebben de vrijheid hun eigen leermiddelen te kiezen bij het realiseren van de kerndoelen.
Het bericht ‘Pensioen onzekerder voor werknemers in de zorg’ |
|
Norbert Klein (50PLUS) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de artikelen over het feit dat pensioenen voor werknemers in de zorg onzekerder worden en wat is hierop uw reactie?1
Ja. Het artikel van RTL Nieuws schetst een eenzijdig beeld van de gevolgen van de beoogde overstap op een nieuwe pensioenregeling door Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Onder de huidige pensioenregeling is de koopkracht van gepensioneerden in de zorg geenszins gegarandeerd. Door een achterblijvende indexatie hebben zij inmiddels bijna 10% van hun koopkracht verloren.
De voorgestelde nieuwe pensioenregeling ken ik niet, maar uit informatie van het fonds concludeer ik dat deze op hoofdlijnen overeenstemt met het pensioencontract dat is beoogd met het Pensioenakkoord van 10 juni 20112.
Bij een dergelijke regeling worden de gevolgen van financiële schokken en van stijgingen van de levensverwachting zonder wachttijd, maar gespreid over (maximaal) 10 jaar in de pensioenen en de opgebouwde aanspraken verwerkt.
De pensioenen staan daarmee bloot aan risico’s, maar dat geldt evenzeer voor de huidige pensioencontracten. Uit de notitie Generatie-effecten Pensioenakkoord van het Centraal Planbureau3 blijkt dat een nieuw, reëel pensioencontract voor een gemiddeld fonds per saldo stabieler is dan het huidige contract. Kortingen komen onder het nieuwe contract wel vaker voor, maar zijn beperkter van omvang. Bovendien worden de gevolgen van financiële schokken in het nieuwe contract eerlijker tussen en binnen generaties verdeeld.
Het bericht van de NRC schetst een genuanceerder beeld van de voor- en nadelen van de overstap op de beoogde pensioenregeling. Overigens heb ik van PFZW begrepen dat met de nieuwe pensioenregeling niet is beoogd om meer beleggingsrisico’s te nemen dan nu het geval is. PFZW wil na de overgang naar de nieuwe pensioenregeling het huidige beleggingsbeleid voortzetten.
Heeft u in uw toespraak van 21 november jl. tijdens het jaarcongres van de Pensioenfederatie gesteld: «We willen dat u eerder opgebouwde rechten zonder veel juridische complicaties kunt onderbrengen in een nieuw contract, u beter bekend als het «invaren». Dat kost natuurlijk tijd. Daarom ga ik er nu vanuit dat we een nieuw financieel toetsingskader niet in 2014 invoeren, maar per 1 januari 2015. Gedegen en gauw gaan zelden samen»? Hoe gaat u de reeds opgebouwde rechten van werknemers in de zorg waarborgen bij een overgang naar nieuwe pensioencontracten van het pensioenfonds Zorg en Welzijn?
Ja, dat heb ik gezegd.
Begin volgend jaar start een invaarexperiment waarin wordt onderzocht met welke vragen een pensioenfonds wordt geconfronteerd als het een nieuwe pensioenregeling wil toepassen op reeds opgebouwde rechten. PFZW is bij dit experiment betrokken. Het experiment levert informatie op over de wijze waarop een zorgvuldige besluitvorming over invaren en een zorgvuldige invaarprocedure kan worden geborgd. Een zorgvuldige besluitvorming en procedure bij het invaren van opgebouwde rechten moeten voorkomen dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden. De zorgvuldigheidswaarborgen worden opgenomen in het voorstel tot wijziging van de Pensioenwet, waarmee het invaren van opgebouwde rechten mogelijk wordt gemaakt. Dit voorstel wordt eind 2013 ingediend.
Het pensioenfonds Zorg en Welzijn maakt in het artikel in het NRC melding van het feit dat het bestuur van het fonds een voorstel ter instemming aan werkgevers en werknemers heeft voorgelegd; bent u bekend met dit voorstel?
Nee.
Bent u zich bewust van de maatschappelijke onrust die dergelijke berichten teweeg brengen bij de mensen die hun pensioen bij het pensioenfonds Zorg en Welzijn hebben ondergebracht? Hoe wilt u deze onrust wegnemen?
De onrust bij de deelnemers van PFZW blijkt mee te vallen. Het fonds heeft zijn deelnemers en gepensioneerden begin dit jaar al gepolst over hun voorkeuren met betrekking de nieuwe pensioenregeling. De uitkomsten daarvan zijn breed gecommuniceerd. Bij de meeste belanghebbenden waren de contouren van de beoogde pensioenregeling dus al eerder bekend.
Voor zover de berichtgeving over de voorgenomen wijziging van de pensioenregeling nu nog onrust veroorzaakt, is dat mogelijk het gevolg van de toonzetting en de eenzijdigheid van sommige berichten. Het is mij een lief ding waard als er iets zorgvuldiger en meer feitelijk zou worden bericht over de oudedagsvoorziening in Nederland.
De premieovereenkomst voor pensioenen (DC-regeling) |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Is het u bekend dat veel werkgevers onder andere vanuit kostenoverwegingen overstappen van een uitkeringsovereenkomst (DB) naar een premieovereenkomst (DC)?1
Een grote meerderheid van werknemers neemt momenteel deel in een pensioen waarbij een uitkering is toegezegd (defined benefit-regeling (DB-regeling)), met name in de vorm van een middelloontoezegging. Het gaat hierbij in totaal om bijna 6 miljoen werknemers (2012). Een verhoudingsgewijs bescheiden groep werknemers neemt deel in een premieregeling waarbij sprake is van een toegezegde premie (defined contribution-regeling (DC-regeling)). Dit aantal is de laatste jaren toegenomen van circa 600 duizend in 2009 naar bijna 750 duizend in 2011. Dat is een stijging van 9 naar 11%, uitgedrukt ten opzichte van het totaal aantal werknemers die in een pensioenregeling deelnemen.
Of en in welke mate werkgevers uit kostenoverwegingen overstappen van een uitkeringsovereenkomst naar een premieovereenkomst is mij niet bekend. De kosten van een DC-regeling zijn niet per definitie lager dan de kosten van een DB-regeling. Wel is het zo dat DC-regelingen voor een werkgever beter voorspelbare en stabielere financiële risico’s met zich meebrengen dan een uitkeringsovereenkomst. Dat kan een reden zijn om over te stappen. Ook de internationale boekhoudregels spelen een rol bij de beslissing tot het maken van een overstap.
Denkt u dat de deelnemers met een premieovereenkomst een adequaat pensioen kunnen opbouwen?
Ja, dat is mogelijk binnen het wettelijke kader.
Beschikt u over voorbeeldberekeningen van een pensioenopbouw onder de fiscaal toegestane staffel, die renderen tegen het de voorbeeldrente? Zo ja kunt u die met de Kamer delen?
De premiestaffels die door de staatssecretaris van Financiën worden gepubliceerd bieden de gevraagde voorbeeldberekening. Deze staffels veronderstellen een lange termijn rendement van 4%. Als het daadwerkelijke rendement hoger is dan 4% dan kan het pensioen hoger uitvallen.
Hoeveel pensioen bouwt een voorbeeld-werknemer op (standaard-carrièrepad), wanneer zijn werkgever elk jaar het fiscale maximum stort en het jaarlijkse rendement 2,4% is?
Als wordt uitgegaan van een rendement van 2,4% gedurende de gehele opbouwperiode, wordt over de gehele opbouwperiode in feite 1,6% minder rendement behaald dan wettelijk aangenomen. Een dergelijk rendement zou uiteindelijk leiden tot een 35% lager pensioenresultaat dan het fiscale maximum voor uitkeringsovereenkomsten.
Is het u bekend dat voor de in 2013 te verstrekken Universele Pensioen Overzichten (UPO’s) voor DC-regelingen een voorbeeldrekenrente van 2,4% gebruikt wordt?
Ja. Voor de duidelijkheid merk ik op dat het hier gaat om een voorbeeldrekenrente die wordt gehanteerd voor de inkoop van uitkeringen op pensioendatum. Het rentepercentage heeft dus geen betrekking op het feitelijke rendement dat gedurende de gehele opbouwfase daadwerkelijk wordt bereikt.
Kunt u aangeven waarom de fiscale staffels voor de DC-regeling nog gebaseerd zijn op een rente van 4% (of 3%, zie hierna) terwijl de marktrente al vele jaren onder de 4% ligt?
DC-regelingen hebben naar hun aard alleen betrekking op het opbouwen van kapitaal en bevatten geen toezegging over een pensioenuitkering. Om die reden is voor de vaststelling van de fiscale premiestaffels vooral het te verwachten langetermijnrendement voor de opbouw van kapitaal van belang, en dus niet de marktrente. Over het geheel genomen is 4% een redelijke basis voor de premiestaffel, mede gelet op rendementen die in de afgelopen decennia konden worden behaald.
Kunt u aangeven waarom bij een beschikbare premiestaffel op basis van 3% rekenrente sprake is van een verplichte jaarlijkse toetsing van de pensioenopbouw?
Bij DC-regelingen is het onder voorwaarden toegestaan uit te gaan van een rekenrente van 3%, mits de pensioenopbouw niet uitgaat boven een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964. De aanwijzing van deze premieovereenkomsten op grond van artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt voor de (ex ante) jaarlijkse pensioenopbouw. Anders dan in de vraagstelling wordt verondersteld, hoeft de toetsing aan de fiscale maxima overigens niet jaarlijks plaats te vinden. Deze kan beperkt blijven tot een toetsing op bepaalde momenten. Dat beleid is recentelijk ook beschreven in het premiestaffelbesluit2 van de staatssecretaris van Financiën; dat beleid wordt in de praktijk reeds toegepast door de Belastingdienst. De fiscale toetsing vindt hier enkel plaats op fiscaal relevante momenten als waardeoverdracht of onderlinge ruil van pensioen. Uit het feit dat de 3%-staffel in de praktijk regelmatig wordt toegepast, leid ik af dat er kennelijk geen belemmeringen bestaan om voor de 3%-staffel te kiezen.
Leidt de verplichte jaarlijkse toetsing ertoe dat uitvoerders en werkgevers om uitvoeringstechnische redenen niet kiezen voor een beschikbare premiestaffel op basis van 3%?
Zie antwoord vraag 7.
Ervan uitgaande dat pensioenfondsen hun verplichtingen moeten baseren op de meest recente overlevingstafel (veelal zal dit vanaf ultimo 2012 de AG-prognosetafel 2012–2062 zijn) en beschikbare premiestaffels echter nog gebaseerd zijn op de overlevingstafel GBM/GBV 2000–2005, kunt u aangeven wanneer de staffel aangepast zal worden?
Zoals hiervoor aangegeven (zie antwoord 7 en 8, en voetnoot 2) is ultimo 2012 een nieuw premiestaffelbesluit uitgevaardigd. In dat besluit wordt rekening gehouden met de meest recente overlevingstafels. Het premiestaffelbesluit is geen algemeen verbindend voorschrift. Publicatie van dit besluit is bedoeld als tegemoetkoming aan de praktijk om uitvoeringskosten te beperken. Ingeval wordt voldaan aan het premiestaffelbesluit en de daarin opgenomen voorwaarden is duidelijk dat binnen de fiscale kaders wordt gebleven. De staffels zijn bedoeld voor uniforme toepassing, waarbij de leeftijdsopbouw van het deelnemersbestand geen rol speelt. Het staat partijen echter steeds vrij op andere wijze te bewijzen dat binnen de fiscale kaders wordt gebleven.
Ervan uitgaande dat pensioenfondsen bij het bepalen van hun verplichtingen rekening moeten houden met de specifieke sterftekansen voor hun populatie, hoe gaat u bij de vaststelling van de beschikbare premiestaffel hiervoor ruimte geven?
Zie antwoord vraag 9.
Is het u bekend dat in het verleden in een DC regeling bij 4% rente en de overlevingtafels GBM/GBV2005–2010 al een rendement van meer dan 6% nodig was om een pensioen te bereiken dat gelijk was aan het pensioen uit een uitkeringsovereenkomst van hetzelfde pensioenfonds (geïndexeerd middelloon met opbouwpercentage van 2,25% en minimale franchise)?
Ja. Om hetzelfde pensioenresultaat te behalen als bij een onvoorwaardelijk met 2% geïndexeerd middelloonpensioen is inderdaad een langetermijn rendement nodig van iets meer dan 6%. Hierbij wordt opgemerkt dat middelloonregelingen doorgaans een voorwaardelijke indexatietoezegging kennen. Dat betekent dat het pensioen bij dergelijke regelingen alleen wordt geïndexeerd als de vermogenspositie van het pensioenfonds dat toelaat.
Is het u bekend dat veel pensioenfondsen hun inkooptabellen voor een levenslang ouderdomspensioen hebben aangepast op de huidige rente en overlevingstafels en dat daardoor met eenzelfde kapitaal nu veel minder pensioen kan worden ingekocht? (Zie ook bijlage1)
Het is bekend dat pensioenuitvoerders hun inkooptabellen hebben aangepast aan de huidige rente en de meest recente overlevingstafels. Indien het op te bouwen kapitaal op pensioeningangsdatum is bepaald op basis van bijvoorbeeld een lagere levensverwachting, kan met het kapitaal een lagere levenslange uitkering aangekocht worden. Bij een meer dan verwachte stijging van de levensverwachting betekent dit dat de jaarlijkse pensioenuitkeringen dan logischerwijs lager zijn doordat een langere pensioenuitkeringsperiode moet worden aangenomen. In waardetermen is het nieuw in te kopen pensioen natuurlijk wel gelijkwaardig. Er wordt slechts rekening gehouden met gewijzigde omstandigheden. Ook gewijzigde rentestanden betekenen risico’s die een rol spelen bij de aankoop van pensioen; een hogere rente zorgt voor hogere uitkeringsniveaus en omgekeerd bij een lagere rente. Overigens kunnen (uitgestelde) pensioenuitkeringen ook tijdens de opbouwfase worden aangekocht. Tot slot wordt opgemerkt dat bij DC regelingen slechts een bepaalde premie-inleg is overeengekomen en niet een bepaalde uitkering.
Waarom is het bij een premieovereenkomst verplicht om het opgebouwde kapitaal bij pensionering direct om te zetten in een levenslang pensioen terwijl het bij lijfrentes mogelijk is om de inkoop van pensioen te spreiden door meerdere aankopen van kortlopende uitkeringen?
Een tweede pijlerpensioen moet altijd voorzien in een levenslange uitkering. Meerdere kortlopende uitkeringen waarbij geen langlevenrisico verzekerd is, zijn daarom niet mogelijk. Wel biedt de Pensioenwet deelnemers met een beschikbare premieregeling (of een kapitaalovereenkomst) de mogelijkheid hun pensioen gesplitst aan te kopen (zgn. pensioenknip). De duur van de in eerste instantie in te kopen, tijdelijke uitkering is maximaal 5 jaar. Vóór het eind van de tijdelijke uitkering moet de levenslange uitkering worden ingekocht. Dit is echter niet noodzakelijk, omdat ook tijdens de opbouwfase (uitgestelde) pensioenuitkeringen desgewenst kunnen worden ingekocht. Bij lijfrenten is het in principe net als bij tweede pijlerpensioen niet mogelijk tijdelijke uitkeringen aan te kopen. Ook daar geldt het vereiste dat een levenslange uitkering moet worden aangekocht. Enige uitzondering daarop is de zogenoemde tijdelijke oudedagslijfrente (derde pijler). Die lijfrentevorm heeft als achtergrond dat daarmee in de eerste jaren na pensionering een hogere uitkering mogelijk is. Deze mogelijkheid biedt een vergelijkbaar resultaat als de in de tweede pijler geboden mogelijkheid van een pensioenknip.
Waarom is de premie-inleg bij een premieovereenkomst waarbij de deelnemer individueel veel risico loopt lager dan de premie bij een collectieve uitkeringsovereenkomst waarbij de werkgever het meeste risico loopt? Bijlage 1 - tabel DC kapitaal naar Levenslang Ouderdoms Pensioen (LOP) De onderstaande tabel toont de tabellen van een ondernemingspensioenfonds voor inkoop van een levenslang ouderdomspensioen op 65 jaar uit een kapitaal opgebouwd met een premieovereenkomst. De tabel in 2007 was gebaseerd op een rekenrente van 4% en de sterftetafels gehele bevolking mannen (GBM)/gehele bevolking vrouwen (GBV) 2005–2010 en de tabel in 2013 is gebaseerd op een rekenrente van 2,432% en de Actuarieel Genootschap (AG) prognose tabellen 2012–2062 met een correctie van 2 jaar op 65 jarige leeftijd. De rente van 2,432% is afgeleid van de rentetermijnstructuur (RTS) zoals die wordt gebruikt bij waardeoverdrachten en de berekening van het uitzicht kapitaal op een UPO 2013 voor een premieovereenkomst. Inkoop LOP per € 1 000,- DC kapitaal DC >DB 2007 2013 Leeftijd Rente 4% Rente 2,432% 20 € 487,47 € 153,19 25 € 399,68 € 136,33 30 € 327,67 € 121,51 35 € 268,51 € 108,49 40 € 219,82 € 97,00 45 € 179,55 € 86,82 50 € 146,02 € 77,69 55 € 117,94 € 69,38 60 € 94,25 € 61,68 65 € 74,02 € 54,38
Het is onjuist om in zijn algemeenheid te stellen dat de premie-inleg bij een op DC-regeling lager is dan de premie bij een DB-regeling. Binnen het fiscale kader kunnen de premies voor DC-regelingen – afhankelijk van de leeftijd en ongeacht de feitelijke marktrente – oplopen tot boven de 30% van de pensioengrondslag. Het hangt af van de individuele pensioenregeling of die ruimte ook daadwerkelijk wordt benut. Daarnaast is van belang dat de fiscale ruimte voor DC-regelingen ook niet wordt beperkt door uitvoeringskosten, omdat wordt uitgegaan van «netto-staffels». Het pensioenresultaat dat wordt behaald met de ingelegde premies kan bij DC-regelingen hoger of lager uitvallen dan DB-regelingen. Over het geheel genomen is de fiscale ruimte voor DB- en DC-regelingen echter gelijk.
Het te laag vaststellen van de beslagvrije voet door deurwaarders en overheidsinstanties |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Deurwaarder te streng bij beslaglegging»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusies van de Nationale ombudsman dat de beslagvrije voet onder andere door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vaak te laag wordt vastgesteld en dat burgers hierdoor onnodig dieper in de financiële problemen komen? Zo nee, waarom niet?
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (V en J) en ik vinden dat mensen in hun levensonderhoud moeten kunnen voorzien. Daarom achten wij het van belang dat de inkomenswaarborg in de vorm van de beslagvrije voet wordt gehandhaafd.
Schuldeisers, waaronder ook het UWV en de SVB begrepen, moeten op het moment dat zij overgaan tot beslaglegging of andere invorderingsmaatregelen treffen de geldende wet- en regelgeving in acht nemen. Het UWV en de SVB hebben mij laten weten zich niet te herkennen in de uitspraak uit het bericht «Deurwaarder te streng bij beslaglegging» dat zij de beslagvrije voet vaak te laag vaststellen. Overigens geldt dat de beslagleggende partij verantwoordelijk is voor het berekenen van de beslagvrije voet. Dit geldt ook als door een andere partij wordt beslag gelegd op een uitkering die door het UWV of de SVB wordt verstrekt.
Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman en het onderzoek «Paritas Passé, debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden» blijkt dat de handhaving van de beslagvrije voet in de uitvoeringspraktijk complex en weerbarstig is. De staatssecretaris van V en J en ik verwachten begin 2013 met de door de Tweede Kamer gevraagde kabinetsreactie op het onderzoek Paritas Passé te komen.
Kunt u een inschatting maken bij hoeveel mensen de beslagvrije voet te laag wordt vastgesteld? Heeft u er zicht op hoeveel mensen hier bezwaar tegen maken en hoeveel mensen door een te laag vastgestelde beslagvrije voet in de problemen komen?
Er is geen registratie waarin ten laste van een schuldenaar gelegde beslagen en/of daarmee vergelijkbare invorderingsmaatregelen worden geadministreerd. Het is voor mij dan ook niet mogelijk om een inschatting te maken bij hoeveel mensen de beslagvrije voet te laag wordt vastgesteld.
Deelt u de mening dat overheidsinstanties zoals het UWV en de SVB op de juiste wijze met de berekening van de beslagvrije voet moeten omgaan? Wilt u afspraken maken met het UWV en de SVB om zo min mogelijk uit te gaan van vaste percentages voor het berekenen van de beslagvrije voet en in plaats daarvan een individuele berekening te maken? Bent u bereid om het UWV en de SVB bij beslagleggingen in hun communicatie naar burgers toe duidelijker te laten aangeven wat de regels over de beslagvrije voet zijn, hoe de beslagvrije voet in de individuele situatie is berekend en dat burgers bezwaar tegen de vastgestelde beslagvrije voet kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, moeten alle beslagleggende partijen, waaronder ook het UWV en de SVB, de beslagvrije voet berekenen conform de daarvoor geldende wettelijke normen. Anders dan door de vraagsteller wordt verondersteld, gaan het UWV en de SVB niet uit van vaste percentages maar maken zij een individuele berekening. Daartoe wordt informatie uitgevraagd bij de schuldenaar. Als de gevraagde informatie niet, niet juist of niet volledig wordt verstrekt, dan kan het gevolg zijn dat de beslagvrije voet niet juist wordt berekend of als gevolg van het ontbreken van gegevens op nihil wordt gezet.
Het UWV en de SVB verstrekken op gepaste momenten informatie aan hun cliënten over het toepassen van de beslagvrije voet en geven daarbij ook aan wat de schuldenaar moet doen als hij het niet eens is met de toegepaste beslagvrije voet. Het UWV en de SVB hebben aangegeven het invorderingstraject op het punt van behoorlijke voorlichting te bezien en aan te passen waar nodig. Daaronder valt ook de communicatie over de beslagvrije voet.
Ziet u tevens een rol weggelegd voor de gemeenten om de informatievoorziening aan burgers over de beslagvrije voet te verbeteren, aangezien gemeenten met de Wet gemeentelijk schuldhulpverlening de lokale verantwoordelijkheid hebben gekregen voor de schuldhulpverlening? Bent u bereid om de problemen van het te laag vaststellen van de beslagvrije voet bij de gemeenten onder de aandacht te brengen, zodat zij hun cliënten er op kunnen wijzen? Zo nee, waarom niet?
Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening op 1 juli 2012, is integrale schuldhulpverlening een wettelijke taak van gemeenten. Het voorkomen van problematische schulden (preventie) maakt daar onderdeel van uit. Voorlichting over de beslagvrije voet kan helpen om mensen bewust te maken van het minimumbedrag waarop zij recht hebben, waardoor het risico op (nieuwe) financiële problemen wordt verkleind. Ik zal dit onder de aandacht brengen van gemeenten via de verzamelbrief.
Kunt u zich vinden in de reactie van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) dat de centrale regie ontbreekt omdat zonder afstemming zorgverzekeraars beslag kunnen leggen op de zorgtoeslag en verhuurders op de huurtoeslag? Bent u bereid om de regie over de invorderingen weer op één centrale plek te leggen? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u dan zorgen dat de regie wordt gewaarborgd?
In de praktijk kan het voorkomen dat gelijktijdig meerdere beslagen worden gelegd op dezelfde of verschillende inkomensbronnen zonder dat de beslagleggende partijen dit van elkaar weten. Deze problematiek wordt ook aan de orde gesteld in het hiervoor genoemde onderzoek Paritas Passé. Het antwoord op deze vraag zal worden betrokken bij de kabinetsreactie op dit onderzoek.
Deelt u de conclusie van de KBvG dat de regelgeving over de berekening van de beslagvrije voet te ingewikkeld is? Overweegt u om de regelgeving over de berekening van de beslagvrije voet te vereenvoudigen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het genoemde onderzoek signaleert diverse uitvoeringsproblemen in de praktijk van de berekening en handhaving van de beslagvrije voet. Ook de KBvG heeft aandacht gevraagd voor de berekening van de beslagvrije voet en de mogelijke vereenvoudiging daarvan, bijvoorbeeld door de regie op een centrale plek neer te leggen en daar de berekening te laten plaatsvinden. Het antwoord op deze vraag hangt sterk samen met de vorige vraag en zal ook worden betrokken bij de kabinetsreactie op dit onderzoek.
Het feit dat mannelijke Wajongeren vaker een baan vinden dan vrouwelijke |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Wajong én vrouw zijn is dubbele pech»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de inhoud van het rapport «Wat werkt bij Wajongers» van onderzoeker Anja Holwerda van het Universitair Medisch Centrum Groningen in samenwerking met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de medische diagnose veel minder zwaar meetelt voor het vinden van een baan, maar dat de ouders en de eigen motivatie van de Wajongeren de doorslag geven?
Naar mijn oordeel is het niet zo dat de medische diagnose «veel minder zwaar» meetelt voor het vinden van een baan. De hoofdconclusie van het onderzoek is wel dat naast de ziekte-gebonden factoren zowel persoonsgebonden als contextuele factoren van belang zijn als voorspeller van participatie van Wajongers. Deze conclusie is niet nieuw. Uit bijvoorbeeld de tweede Wajongmonitor van het UWV2 blijkt ook dat Wajongers die aan het werk zijn vaak begeleiding nodig hebben.
Deelt u de mening dat het voor alle Wajongeren die kunnen werken, het ook wenselijk is om aan het werk te komen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat voor alle Wajongers die kunnen werken het wenselijk is om aan het werk te komen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de omgeving van een Wajongeren hen stimuleert aan het werk te gaan, voor zover de gezondheid dat toelaat? Zo ja, op welke manier kan dit verbeterd worden? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het wenselijk dat de omgeving Wajongeren stimuleert aan het werk te gaan. Hierbij merk ik op dat de huidige wetgeving daarop gericht is. In de nieuwe Wajong die sinds 2010 van kracht is en waarin de oriëntatie op werk centraal staat, is bepaald dat het UWV eerst vaststelt of sprake is van het recht op arbeidsondersteuning en een Wajonguitkering. Dit gebeurt op basis van een zorgvuldige beoordeling van de mogelijkheden en beperkingen door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan meervoudige problematiek en het zelfbeeld van de jongere en zo nodig informatie van derden, zoals de behandelend arts of de school, betrokken. Wanneer de jongere arbeidsmogelijkheden heeft stelt het UWV een individueel participatieplan op. Dit gebeurt in overleg met de jongere. De jongere is hierbij direct partij, omdat sprake is van een zelfstandig recht op ondersteuning. De uitvoering van het plan wordt periodiek geëvalueerd door het UWV in overleg met de jongere. De jongere kan in het hele traject worden ondersteund door zijn omgeving, bijvoorbeeld door zijn ouders of school. Dit is dus nu al mogelijk.
Volgens informatie van het UWV spelen ouders en scholen in het aanvraagtraject van Wajongers en de vervolgstappen vaak een duidelijke, ondersteunende rol.
Op welke manier besteedt het UWV aandacht aan «het zelfbeeld» van Wajongeren op het terrein van arbeidsmarktkansen?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier betrekt het UWV de ouders en de school van de Wajongeren bij de begeleiding naar de arbeidsmarkt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol kan het UWV spelen bij vergroting van het aantal vrouwelijke Wajongeren op de arbeidsmarkt?
Ik ben van mening dat mannen en vrouwen in vergelijkbare omstandigheden gelijke kansen op werk en op begeleiding naar werk moeten hebben. Onze wetgeving is daarop ingericht.
Een conclusie uit het onderzoeksrapport is weliswaar dat mannelijke Wajongers relatief vaker werken en kans hebben op duurzaam werk dan vrouwelijke Wajongers, maar daarbij gelden kanttekeningen. Zo is het aantal mannelijke Wajongers in de oude Wajong (van voor 2010) landelijk gezien ook groter dan het aantal vrouwelijke Wajongers (nl. 107.000 versus 85.000, eind 2011).
Ik heb voorts geen aanwijzingen dat de begeleiding van vrouwelijke en mannelijke Wajongers door het UWV verschilt. Het UWV heeft de wettelijk taak mensen met een Wajong-uitkering te ondersteunen naar werk en kan daarbij allerlei instrumenten inzetten. Het UWV maakt hierbij geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Voor Wajongers die onder de nieuwe Wajongregeling van 2010 vallen geldt dat de begeleiding doorgaans een intensief karakter heeft. De beoordeling en ondersteuning vindt plaats op basis van de mogelijkheden en beperkingen van de betrokkene. De wijze waarop deze ondersteuning plaatsvindt is een kwestie van maatwerk door professionals.
Bent u bereid met het UWV in overleg te treden over intensivering van het begeleiden van met name vrouwelijke Wajongeren naar de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat pensioenfondsen weigeren premies te verlagen |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Pensioenfondsen weigeren premies te verlagen»?1
In het krantenbericht wordt gesteld dat pensioenfondsen de premies niet willen verlagen en de vrijvallende premieruimte willen gebruiken om hun financiële positie te verbeteren en kortingen voor de huidige gepensioneerden te voorkomen.
De Pensioenwet verplicht pensioenfondsen een feitelijke premie vast te stellen die tenminste kostendekkend is. Op het moment dat de fiscaal maximaal toegestane opbouwpercentages wettelijk worden verlaagd, daalt de kostendekkende premie van de (verlaagde) opbouw. De vaststelling van de feitelijke premie is echter niet alleen afhankelijk van de maximum opbouwpercentages. Sociale partners kunnen (binnen de grenzen van het Witteveenkader) de vrijval van premieruimte aanwenden voor een verbetering van de regeling op andere onderdelen. Ook de pensioenwetregelgeving kan invloed hebben op de premiestelling. Zo dient een pensioenfonds bij een dekkingstekort in beginsel een premie vast te stellen die bijdraagt aan herstel. Voor zover een fonds een deel van de vrijval wil gebruiken voor het verbeteren van de financiële positie van het fonds, is een pensioenfondsbestuur verplicht zich daarbij te richten naar de belangen van alle bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever(s). Op grond van deze wettelijke eis tot evenwichtige belangenbehartiging moet het pensioenfondsbestuur ervoor zorgen dat genoemde groepen zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. De evenwichtige belangenbehartiging is essentieel voor het draagvlak en vertrouwen in ons pensioenstelsel en het behoud van de collectiviteit en solidariteit waarop pensioenfondsen zijn gebaseerd.
Deelt u de mening dat wanneer werkenden minder pensioen mogen opbouwen, dit tot uiting moet komen in lagere premies?
Als de opbouw lager wordt, is het logisch dat de premie (uiteindelijk) ook daalt. Deze gedachtegang ligt ook ten grondslag aan de geraamde budgettaire opbrengst. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Vindt u het ook onwenselijk als een lagere pensioenopbouw niet leidt tot lagere premies maar wordt gebruikt om de rekening van de tekorten van pensioenfondsen eenzijdig bij werkenden te leggen?
Het kabinet verwacht dat de rekening van tekorten niet eenzijdig bij werkenden wordt gelegd. Dat zou immers strijdigheid impliceren met het uitgangspunt van evenwichtige belangenbehartiging. Het is primair de verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen om in concrete situaties een oordeel te vellen over de evenwichtige belangenbehartiging. DNB houdt daar toezicht op. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Wat is het effect van de voorgestelde inperking naar 1,75% per jaar op de uiteindelijke pensioenopbouw van jongeren? Kunt u ingaan op de bewering van MHP dat dit leidt tot een kwart minder pensioen?2
De voorgenomen verlaging van de maximum opbouwpercentages per 2015 heeft tot gevolg dat ten opzichte van het in 2014 geldende fiscale kader – per dienstjaar circa 18½% minder pensioen via de omkeerregel kan worden opgebouwd.3 Deze verlaging zal voor alle werknemers op gelijke wijze gelden en impliceert dat iemand die vanaf 2015 begint met pensioensparen door langer te werken eenzelfde pensioenvermogen in de tweede pijler kan bereiken als iemand die al enige jaren pensioen spaart. Deze toename in opbouwjaren past ook bij de toegenomen levensverwachting en de noodzaak om langer door te werken.
In dit verband kan worden gewezen op de ontwikkeling in het wettelijk systeem rond pensioensparen via aanpassingen in de Pensioenwet en de Wet op de loonbelasting 1964 in de afgelopen jaren. Eerder gold het uitgangspunt dat met 35 opbouwjaren een pensioen van 70% eindloon bereikt kon worden. De wettelijke opbouwperiode is vervolgens vergroot. Allereerst door de toetredingsleeftijd voor deelname aan een pensioenregeling in de Pensioenwet te verlagen van 25 naar 21 jaar. Ook is de fiscale pensioenrichtleeftijd sinds 1999 stapsgewijs verhoogd van 60 naar 67 jaar (in 2014) en deze leeftijd zal verder oplopen met de ontwikkeling van de levensverwachting. Hoewel de wettelijke opbouwperiode de afgelopen jaren aldus is verlengd, heeft dit nooit geleid tot een verhoging van het aantal benodigde opbouwjaren voor een adequaat pensioen. Met de voorgenomen verlaging van de maximum opbouwpercentages gebeurt dit wel.
Het feit dat in de tweede pijler jaarlijks minder pensioen zal worden opgebouwd, betekent overigens niet dat de vermogenspositie voor toekomstige generaties automatisch navenant minder wordt. Bij minder pensioenopbouw in de tweede pijler ontstaat immers financiële ruimte voor bijvoorbeeld aflossing van eigenwoningschuld. Ook vermogensopbouw met netto-inkomen behoort tot de mogelijkheden.
De MHP gaat uit van een werknemer die 40 jaar blijft werken en betrekt in zijn berekeningen ook het effect van de inperking van het fiscale kader van het vorige kabinet (in het lente-akkoord is het opbouwpercentage verlaagd van 2,25% naar 2,15%). De verlaging van het opbouwpercentage van 2,25% naar 1,75% voor middelloonregelingen resulteert bij een gelijkblijvende arbeidsduur in een daling van de vervangingsratio (inclusief de AOW) van 90% middelloon naar 70% middelloon. Dat impliceert een daling van circa 22% vanaf een niveau dat vanuit een internationaal perspectief als hoog kan worden aangemerkt.
Wat is uw reactie op de opmerkingen van het Centraal Planbureau (CPB) over de inperking van het Witteveenkader bij de doorrekening van het Regeerakkoord? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de veronderstelling van het CPB dat de inperking leidt tot lagere premies? Wat zijn de budgettaire consequenties als blijkt dat deze veronderstelling niet klopt? Wat zijn in dat geval de generationele effecten binnen pensioenfondsen? Kunt u ook specifiek ingaan op de constatering van het CPB dat het fiscale kader niet waterdicht is?
De voorgenomen verlaging van de maximale jaarlijkse opbouw van 2,15 naar 1,75% bij middelloonregelingen komt overeen met een versobering van de pensioenopbouw met circa 18½%. In de raming is verondersteld dat de versobering van het fiscale kader grotendeels doorwerkt in lagere premies en slechts in beperkte mate tot verbetering van de regeling. Daarnaast is verondersteld dat de maatregel met enige vertraging doorwerkt in de overheidsinkomsten, doordat de pensioenpremies mogelijk niet direct volledig worden aangepast aan de versobering van de opbouw (bijvoorbeeld om de dekkingsgraad te verbeteren) en doordat de daling van de werkgeverspremies mogelijk niet direct gecompenseerd wordt door hogere bruto lonen (en een navenant hogere opbrengst van de loonheffing).
Afhankelijk van de vormgeving van de pensioenovereenkomst en de premieafspraken die door sociale partners respectievelijk pensioenfondsbesturen worden gemaakt, kunnen de premies meer of minder (en sneller of langzamer) dalen dan het CPB heeft verondersteld. In geval de premies meer (en/of sneller) dalen, ontstaat een budgettaire meevaller voor de overheid, in geval de premies minder (en/of langzamer) dalen ontstaat een budgettaire tegenvaller.
De generatie-effecten van een minder sterke premiedaling zijn niet op voorhand te bepalen, deze zijn afhankelijk van de wijze waarop de vrijvallende premie door sociale partners en fondsbesturen wordt ingezet. Bijvoorbeeld een verbetering van het nabestaandenpensioen heeft andere generatie-effecten dan een verbetering van de indexatiekwaliteit.
Het fiscale kader is waterdicht in die zin dat er nooit meer pensioen per dienstjaar kan worden uitgekeerd dan de fiscale maximum opbouwpercentages toestaan. De constatering van het CPB dat het fiscale kader niet waterdicht is, moet zo worden opgevat dat een verlaging van de maximum opbouwpercentages niet direct en zonder meer tot een evenredige daling van de premies hoeft te leiden. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om bij het beoogde wetsvoorstel waarin het opbouwpercentage wordt verlaagd naar 1,75% (de aanpassing van het Witteveenkader) tegelijkertijd juridisch te verankeren dat de lagere pensioenopbouw ook daadwerkelijk leidt tot lagere premies?
Pensioenfondsbesturen moeten – vanwege de wettelijke eis van evenwichtige belangenbehartiging – zorgvuldig omgaan met de te hanteren premiestelling. Het kabinet is voornemens de door pensioenfondsen gehanteerde premies nauwlettend te monitoren.
Bent u bereid om over dit punt in gesprek te gaan met de pensioensector en de Kamer te informeren over de uitkomsten?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over pensioenonderwerpen op 6 december a.s.?
Gezien het uitstel van het algemeen overleg is het streven erop gericht om de vragen binnen de gebruikelijke drie weken termijn te beantwoorden.
De islamitische mishandeling van een bejaarde man |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Knock-out om een broodje varkensvlees»?1 Is de inhoud van de berichtgeving waar?
Ik heb van het bericht kennis genomen. Van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heb ik vernomen dat de zaak bij het Openbaar Ministerie ligt en dat er op dit moment geen verdere mededelingen over kunnen worden gedaan.
Deelt u de afschuw over de islamitische intimidatie, bespuging en mishandeling van een bejaarde man omdat hij een broodje varkensvlees at?
Ik keur elke vorm van intimidatie en mishandeling sterk af, ongeacht de geloofsovertuiging van de dader.
Deelt u de mening dat de islamitische intimidatie en agressie in Nederland een direct gevolg is van de massa-immigratie?
Iedereen die in Nederland woont, moet zich aan de regels houden, ongeacht de geloofs- of levensovertuiging die iemand heeft. Het kabinet ziet migratie als een fenomeen van alle tijden dat van grote invloed op de maatschappij kan zijn. Een stabiele, diverse samenleving vraagt een inspanning van alle inwonenden om de wet en elkaar te respecteren.
Bent u bereid de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) te bewegen om de licentie van de club Kocatepe in te trekken?
De KNVB is een autonome organisatie en het is aan haar om binnen de kaders van de wet en waar zij dat terecht acht licenties te verstrekken en in te trekken. Desgevraagd heeft de KNVB aangegeven dat deze zaak momenteel in onderzoek is bij de tuchtcommissie van KNVB, district West II. Over de inhoud van dit onderzoek kunnen in dit stadium door de KNVB nog geen mededelingen worden gedaan. Wel is inmiddels bekend dat vereniging Kocatepe de dader direct als lid heeft geroyeerd, aangegeven bij de tuchtcommissie en hem geadviseerd heeft om zich bij de politie te melden. Kocatepe handelt hiermee in lijn met het nieuwe strafbeleid van de KNVB waarin door de tuchtorganen wordt gekeken naar de mate waarin verenigingen hun eigen verantwoordelijkheid nemen en meewerken aan onderzoek in kwesties als deze. De KNVB overweegt pas na herhaaldelijke schuld aan excessieve overtredingen om de licentie van een vereniging in te trekken. Daar is in geval van Kocatepe geen sprake van.
Welke stappen gaat u zetten om te bewerkstelligen dat de daders van deze laffe daad zo snel mogelijk worden opgepakt, gestraft, en indien mogelijk, worden gedenaturaliseerd en ons land worden uitgezet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1.
Het bericht ‘Eenzaamheid onder ouderen neemt toe’ |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel over de toename van eenzaamheid onder ouderen?1
Ja.
Bent u bekend met het aloude en veelonderzochte gegeven dat eenzaamheid negatieve invloed heeft op geestelijke en lichamelijke gezondheid? Welke mening heeft u over dit gegeven?2
Mijn ambtsvoorganger heeft op 30 oktober 2012 een brief aan uw Kamer gestuurd waarin zij is ingegaan op verschillende aspecten van eenzaamheid waaronder de relatie met gezondheid. Ik citeer instemmend uit deze brief:
«Eenzame mensen zijn ongezonder, zij hebben een grotere kans op depressie, suïcide en hartaandoeningen. Onderzoek toont ook aan de eenzaamheid de kans op vroegtijdig overlijden vergroot. Mensen die eenzaam zijn, doen vaker een beroep op de gezondheidszorg». (pagina twee van de genoemde brief)
Het voorkómen van eenzaamheid heeft naast het verbeteren van de kwaliteit van leven inderdaad ook een positief effect op de gezondheid.
Organisaties zoals het Oranjefonds proberen initiatieven te ontwikkelen en te stimuleren om ouderen uit de eenzaamheid te halen; op welke manier voert het kabinet beleid om zulke initiatieven, zoals diverse maaltijdprojecten, te ondersteunen?
Bestrijding van eenzaamheid is primair een lokale aangelegenheid. Hoofdstuk 3 van de genoemde brief benoemt veel lokale voorbeelden. Onder deze voorbeelden staan ook activiteiten zoals door het Oranjefonds worden gestimuleerd.
De rol van de rijksoverheid is vooral stimuleren, faciliteren en agenderen. Voor de komende periode wil ik de aanpak -zoals verwoord in eerdergenoemde brief- uitvoeren. Ten eerste wordt de Coalitie Erbij3 door VWS gesubsidieerd om bij te dragen aan het doorbreken van het taboe rond eenzaamheid, het ontwikkelen van kennis over eenzaamheid en de effectiviteit van interventies en om op lokaal niveau samenwerking tussen de deelnemende organisaties te versterken.
Daarnaast worden instrumenten voor gemeenten en de welzijns- en zorgbranche ontwikkeld en interventies en goede voorbeelden uit het land verzameld. Verder wordt – samen met maatschappelijke organisaties, wetenschappers, vrijwilligers, kennisinstituten (waaronder Zon/MW, Movisie en Vilans die op het terrein van VWS werkzaam zijn), gemeenten en zorgverleners – voor de zomer 2013 een landelijk debat georganiseerd. Dit debat moet leiden tot intensievere samenwerking tussen alle betrokken actoren. Kernvraag van het debat is hoe kunnen we eenzame mensen in staat stellen meer uit het leven te halen (meer welbevinden of levensgeluk). Hiermee wordt uitgegaan van de mogelijkheden (in plaats van de problemen) van mensen.
Welke rol ziet u voor de rijksoverheid bij het verminderen van eenzaamheid onder ouderen? Welke rol ziet u voor de regionale en lokale overheden?
Zie antwoord vraag 3.
Door het gebruik van internet voelen ouderen zich mogelijk minder eenzaam; ziet u mogelijkheden om het deelnemen aan internet door ouderen verder te stimuleren?
In het eerdergenoemde debat zal ook aandacht zijn voor nieuwe mogelijkheden voor het gebruik van technologie. De uitkomsten van het debat zullen worden verspreid.
Dagelijks komen er nieuwe initiatieven bij. Recent kwam mij ter ore dat in Almere gestart zal worden met een project waarbij ouderen die moeilijk uit huis kunnen komen via een beeld- en geluidverbinding over het internet met elkaar in contact kunnen komen. Zowel voor een praatje als voor het melden van onraad.
Komt het tegengaan van eenzaamheid onder ouderen door alle voorgenomen wijzigingen en bezuinigingen in de knel?
De maatregelen in het regeerakkoord zullen in overleg met onder meer zorgaanbieders, cliëntorganisaties en gemeenten verder worden uitgewerkt.Daarbij teken ik aan dat de achterliggene gedachte van de decentralisatie is om juist gemeenten op het sociale domein meer ruimte te bieden om burgers te ondersteunen. Het is natuurlijk allereerst de verantwoordelijkheid van burgerss om een netwerk te organiseren en in stand te houden. Gemeenten kunnen daarin ondersteunen.
De toegang tot de schuldhulpverlening en de schuldsanering |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Selectie schuldsanering is strenger» op de webpagina van de NOS?1
Ja.
Is het aantal mensen met problematische schulden dat niet in aanmerking komt voor schuldsaneringen/of schuldhulpverlening toegenomen? Kunt u dit onderbouwen met cijfers? Bent u van mening dat dit probleem in de toekomst groter zal worden?
Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) sinds 1 juli 2012 verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Door het Rijk worden geen gegevens bijgehouden over het aantal mensen met problematische schulden dat niet in aanmerking komt voor schuldhulpverlening. Ten aanzien van schuldsanering stijgt het aantal aanvragen aanzienlijk en het aantal afwijzingen licht (zie tevens antwoord op vraag2. Ik kan daarom niet bevestigen dat er sprake is van een dalende instroom.
Wat vindt u van de criteria die de gemeenten stellen om in aanmerking te kunnen komen voor de schuldhulpverlening? Verschillen deze sterk per gemeente? Is er naar uw mening sprake van rechtsongelijkheid? Zo ja, bent u bereid om hier iets aan te doen?
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) geeft gemeenten het wettelijk kader waarbinnen de schuldhulpverlening moet plaatsvinden. Het is aan gemeenten om invulling te geven aan de (integrale) schuldhulpverlening waarbij zij rekening kunnen houden met de plaatselijke of regionale situatie. Hierdoor is het mogelijk dat er tussen gemeenten verschillen ontstaan, ook voor wat betreft de toegang tot de schuldhulpverlening. Dit is inherent aan de decentrale verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening. Ik wijs in dit verband op de verkennende studie Stand van zaken uitvoeringspraktijk schuldhulpverlening 2010/2011 van de Inspectie Werk en Inkomen (nu: Inspectie SZW), waaruit is gebleken dat in de uitvoeringspraktijk van schuldhulpverlening nog veel verbetering mogelijk was. Ik verwacht dat de Wgs gemeenten een impuls geeft om de kwaliteit en effectiviteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Om gemeenten daarbij te ondersteunen is het ondersteuningsprogramma «Op weg naar effectieve schuldhulp» ingericht.
In hoeverre is de terugloop van het aantal schuldsaneringen toe te schrijven aan de strengere criteria die gemeenten stellen aan de schuldhulpverlening? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Wat betreft schuldsanering verwijs ik naar de achtste meting (over het jaar 2011) van de Monitor Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), die ik uw Kamer onlangs toezond.3 Daaruit blijkt dat er geen sprake is van een terugloop, maar van een stijging van het aantal aanvragen schuldsaneringen. Uit de monitor blijkt dat er tussen 2010 en 2011 sprake is van een aanzienlijke stijging van het aantal Wsnp-aanvragen: van 16 643 aanvragen in 2010 naar 21 114 aanvragen in 2011. Het percentage afgewezen Wsnp-verzoeken is iets hoger dan in 2010: 16% in 2010 tegenover 17,1% in 2011. Een Wnsp-verzoek wordt afgewezen als de verzoeker niet voldoet aan alle toelatingscriteria uit artikel 288 van de Faillissementswet. Uit deze cijfers blijkt niet dat de criteria enorm zijn aangescherpt.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de schuldhulpverlening van de verschillende gemeenten? Bestaan er grote verschillen tussen gemeenten? Zo ja, welke gemeenten doen het goed en welke minder? Wat zijn de oorzaken van deze verschillen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden heeft iemand die niet in aanmerking komt voor de schuldhulpverlening en/of schuldsanering nog om uit de schuldproblemen te geraken?
In het algemeen geldt dat mensen zelf moeten proberen hun schulden op te lossen. Het is daarbij niet zo dat iemand die geen schuldsanering of schuldhulpverlening (meer) krijgt ook niet in aanmerking kan komen voor adviesgesprekken of voorlichting dan wel andere vormen van hulpverlening om onderliggende problemen aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de risico’s op gezondheidsproblemen, juridische problemen, crimineel gedrag enz. voor mensen die langdurig in de schulden zitten? Wat gaat u hieraan doen?
Het hebben van langdurige schulden kan bepaalde risico’s met zich meebrengen. Daarom is het belangrijk dat de gemeentelijke schuldhulpverlening een integraal karakter heeft. Dat betekent dat er bij de schuldhulpverlening niet alleen aandacht moet zijn voor het oplossen van de financiële problemen van de schuldenaar maar ook voor andere omstandigheden die in verband staan met de financiële problemen van een cliënt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om psychosociale factoren, relatieproblemen, de woonsituatie, de gezondheid, verslaving of gezinssituatie. Oplossingen of eventuele maatregelen moeten dan ook maatwerk zijn. Daarom ligt het voortouw dan ook bij gemeenten.
Wegen de kosten van de schuldhulpverlening op tegen de baten? Zo ja, zou een investering in de schuldhulpverlening geld kunnen opleveren?
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat schuldhulpverlening gemiddeld meer oplevert dan dat het kost4. De inzet van schuldhulpverlening kan (hoge) kosten op andere terreinen voorkomen. Met name worden kosten voorkomen bij de verstrekking van uitkeringen (WWB en WW) en op het terrein van wonen.
Het bericht dat moskee-internaten vaak niet veilig zijn en toezicht van de overheid ontbreekt |
|
Sadet Karabulut |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw eerste reactie op het bericht dat honderden kinderen in Nederland in moskee-internaten wonen waarbij toezicht van de overheid ontbreekt en de gebouwen vaak onveilig zijn?1
Het is zorgelijk dat er kinderen in religieuze internaten verblijven die hun integratie in de Nederlandse samenleving niet bevorderen, zeker niet als die kinderen tot een achterstandsgroep horen en een zekere afstand tot de samenleving ervaren. Voor het goed functioneren van burgers in ons land is integratie en participatie van groot belang. Het gaat daarbij om actieve deelname aan het arbeidsproces en het onderwijs, maar ook aan andere vormen van het maatschappelijk verkeer. Met het oog op dit laatste, acht het kabinet het onwenselijk wanneer personen of groepen zich afkeren van de bredere samenleving en als er op internaten les wordt gegeven waarbij ideeën naar voren worden gebracht die de integratie belemmeren. Sociale dwang – temeer wanneer er kinderen bij betrokken zijn – acht het kabinet onwenselijk.
Het staat ouders vrij om hun kinderen onder te brengen in internaten of logies. Deze instellingen dienen zich evenwel in alle opzichten aan de wet te houden en waar dit niet het geval is dient passend en adequaat te worden opgetreden. Het aantal kinderen dat specifiek in moskee-internaten verblijft wordt niet geregistreerd. Ik beschik dan ook niet over deze informatie. Het is aan de lokale overheid om bouw- en bestemmingsvergunningen te verlenen en handhavend op te treden waar dat nodig is. Ook is het een lokale verantwoordelijkheid om met de betrokken instellingen de dialoog aan te gaan over zaken als pedagogisch klimaat en welzijn van de kinderen.
In het licht hiervan juich ik de voorgestelde initiatieven van het college van B&W van de gemeente Rotterdam toe. Het college stelt in de raadsbrief de volgende stappen voor. Ten eerste is er het voorstel tot het creëren van een toetsingskader voor het pedagogisch klimaat van instellingen. Ten tweede wil de gemeente in samenwerking met stadsontwikkeling en de GGD al in een vroeg stadium de dialoog met initiatiefnemers van mogelijke nieuwe initiatieven tot het oprichten van internaten aan gaan. Ten derde is Rotterdam van plan ouders allereerst op hun verantwoordelijkheden te wijzen, maar hen wel informatie en ondersteuning bieden bij hun taken als zorgdragende.
Ik ben voornemens overleg te starten met een aantal betrokken gemeenten om te bezien of het beschikbare instrumentarium toereikend is om de veiligheid en het welzijn van kinderen te waarborgen. Ik zal uw Kamer over de uitkomst van dit overleg te zijner tijd informeren.
Is het waar dat bij een moskee in Rotterdam-Zuid al jaren, vijftig meisjes illegaal op zolder wonen waarbij de situatie vorig jaar nog altijd gevaarlijk te noemen was? Zo ja, deelt u de mening dat aan deze illegale situatie per direct een einde moet worden gemaakt en de ouders van de kinderen hierover moeten worden geïnformeerd?
Volgens opgave en onderzoek van de GGD verblijven 46 meisjes in de Fatih Moskee in Rotterdam Zuid. Over dit internaat zegt de B&W van de gemeente Rotterdam in haar brief aan de gemeenteraad van 15 november 2012 (zie bijlage) *) het volgende: «Deze locatie is, en was de afgelopen jaren, brandveilig en voldeed aan alle bouwkundige eisen die gesteld worden op grond van het Bouw- en gebruiksbesluit. In 1998 is een gebruiksvergunning voor een internaat verleend en hierop is regelmatig gecontroleerd. Het gebruik van het pand als internaat verloopt aldus conform de brandveiligheidsvoorschriften. Op enkele geconstateerde gebreken is handhavend opgetreden. In 2007 is een vergunning aangevraagd om het pand als internaat te mogen gebruiken conform bestemmingsplan. Deze vergunning zou kunnen worden verleend op grond van het Bouwbesluit, aangezien het pand aan alle eisen voldoet. Dit is om formele redenen niet mogelijk, omdat het bestemmingsplan hiervoor moet worden gewijzigd. In afwachting hiervan is een legalisatietraject gestart, waardoor het gebruik kan worden voortgezet. Overigens is dit een gebruikelijke procedure.»
Het is niet duidelijk of alle internaten in Rotterdam zich aan de geldende regelgeving hebben gehouden en dit geeft reden tot ongerustheid. Navraag bij gemeente Rotterdam leert dat men op dit moment bezig is om uit te zoeken hoe een en ander is verlopen rondom internaten.
Is het waar dat weer een ander internaat in Rotterdam-Zuid niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften? Zo ja, welke internaat is dit?
Klopt het bericht dat zowel de gemeente Rotterdam als de deelgemeente Rotterdam-Zuid al jaren weten van boven genoemde illegale en onveilige situatie maar deze gedogen? Zo ja, deelt u de mening dat dit onacceptabel is en hieraan per direct een einde moet worden gemaakt? Hoe gaat u dat bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het bericht dat de GGD eerder aan de gemeente haar zorgen heeft geuit over de mogelijkheid dat lijfstraffen worden uitgedeeld op internaten in Rotterdam? Zo ja, bent u bereid dit nader te onderzoeken? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Ten aanzien van de veiligheid en het welzijn van kinderen heeft de gemeente Rotterdam bij de betrokken instanties nagevraagd welke meldingen over mishandeling zijn binnengekomen de afgelopen jaren. In haar brief aan de raad meldt B&W van Rotterdam: «Voor zover bekend zijn drie meldingen bij het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) binnengekomen die betrekking hadden op een internaat. De meldingen dateren van 2011 en betroffen één internaat. Het AMK heeft daarop een onderzoek ingesteld en naar aanleiding daarvan gesprekken gevoerd met zowel de ouders als de leiding van het internaat. Het AMK zag geen aanleiding voor verdere acties en heeft de cases afgesloten.» Deze gegevens komen overeen met het rapport «Inventariserend onderzoek naar signalen van kindermishandeling in de sociale leefomgeving», dat door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met de GGD Nederland in mei 2012 is gepubliceerd.
Hoeveel kinderen verblijven in Nederland in internaten? Welk type internaten? Op welke wijze houdt de overheid toezicht op deze internaten?
Er zijn, afhankelijk van de definitie, veel soorten internaten in Nederland. Uiteenlopend van internaten die verbonden zijn aan een school tot bijvoorbeeld schippersinternaten. De zogenaamde schippersinternaten zijn instellingen die kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan huisvesting, verzorging en opvoeding bieden. Gezien het belang dat deze kinderen deel kunnen nemen van het onderwijs subsidieert de rijksoverheid deze internaten al sinds vele jaren. Aan de subsidie zijn kwaliteitseisen verbonden. De Inspectie Jeugdzorg houdt toezicht op de naleving van deze kwaliteitsvereisten.
Het is de verantwoordelijkheid van de lokale overheid om inzicht te hebben in de aanwezigheid van internaten binnen de gemeentegrens. Een landelijk overzicht van alle internaten met aantallen kinderen is mij niet bekend.
Op moskee-internaten is wat betreft de brandveiligheid sprake van toezicht door de lokale overheid op grond van de Wabo. Gemeenten dienen hiertoe een handhavingsbeleidsplan op te stellen, waarin wordt aangegeven op welke wijze het toezicht wordt uitgevoerd. Het gemeentelijk toezicht is onderworpen aan controle door de gemeenteraad en interbestuurlijk toezicht door de provincie. De eisen voor brandveiligheid waaraan een internaat moet voldoen staan in het Bouwbesluit 2012.
Het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs richt zich op onderwijsinstellingen in de zin van de Leerplichtwet en instellingen, waarop de in de onderwijswetgeving vastgelegde wet- en regelgeving van toepassing is. Dat is voor bedoelde instellingen niet het geval, want hier wordt geen formeel onderwijs gegeven. Dat volgen de kinderen op reguliere onderwijsinstellingen. Toezicht op bedoelde instellingen is geen onderdeel van de wettelijke taken van de Inspectie van het Onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs beschikt dan ook niet over inzicht in bedoelde internaten.
Toezicht door de inspectie jeugdzorg is niet aan de orde omdat het hier niet gaat om instellingen voor jeugdzorg dan wel instellingen waar de rijksoverheid subsidie aan geeft.
Hoeveel moskee-internaten bestaan in Nederland? Door wie wordt de zorg en het onderwijs op deze internaten georganiseerd? Waaruit bestaat deze zorg en onderwijs? Klopt het dat deze internaten hoofdzakelijk behoren tot de Suleymanci beweging? Wat voor soort beweging is dit eigenlijk? Welke banden heeft deze beweging met het land van herkomst? Bestaan er subsidiestromen vanuit de overheid en/of welke andere financieringsbronnen kent deze organisatie?
Zoals in antwoord op vraag zes aangegeven, is mij niet bekend hoeveel moskee-internaten er in Nederland zijn en of er onderwijs wordt georganiseerd.
De Süleymanci-beweging wordt beschouwd als een orthodoxe missioneringsbeweging met een mystieke inslag, ontstaan onder de volgelingen van de Süleyman Hilmi Tunahan (1888–1959). De voornaamste activiteiten van de beweging concentreren zich rondom religieus onderwijs en andere vormingsactiviteiten gericht op jongeren. Het is mij niet bekend of deze bewegingen banden heeft het land van herkomst. Voor zover mij nu bekend, zijn er geen directe financiële banden tussen de Rijksoverheid en organisaties gelieerd aan Süleymanci-beweging.
*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
Klopt het dat overheidstoezicht op moskee-internaten ontbreekt? Zo ja, bent u bereid zowel de Inspectie Jeugdzorg als de Inspectie Onderwijs toezicht te laten houden op deze internaten? Bent u ook bereid de Kamer, gemeenten en alle moskee-internaten te informeren aan welke regels zij dan moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u moskee-internaten waar hoofdzakelijk Nederlandse kinderen van Turkse afkomst verblijven met hele strenge regels, waarbij kinderen van twaalf zich moeten richten op de absolute overgave en kinderen soms tot laat in de nacht moeten bidden, bevorderlijk en wenselijk voor het welzijn van de desbetreffende kinderen en voor de integratie? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om het welzijn van de kinderen veilig te stellen, segregatie te doen stoppen en integratie, daadwerkelijk samen leven middels samen naar school, samen in de buurt en samen werken, te bevorderen?
Zie antwoord vraag 1.
De vele moskee-internaten in Nederland |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Onzichtbaar in het internaat van de moskee»?1
Ja
Hoeveel van deze moskee-internaten telt Nederland en waar bevinden deze kindergevangenissen zich?
Een landelijk overzicht van internaten, met aantallen leerlingen is mij niet bekend. Het is de verantwoordelijkheid van de lokale overheid om inzicht te hebben in de aanwezigheid van internaten binnen de gemeentegrens.
Welke juridische stappen gaat u ondernemen tegen deze islamitische internaten met hun lijfstraffen en illegale winkels?
Ik ben voornemens overleg te starten met een aantal betrokken gemeenten om te bezien of het beschikbare instrumentarium toereikend is om de veiligheid en het welzijn van kinderen te waarborgen. Ik zal uw Kamer over de uitkomst van dit overleg ter zijnde tijd informeren.
Vooralsnog zie ik geen aanleiding juridische maatregelen te nemen. Uit de brief van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam aan de Gemeenteraad van 15 november 2012 blijkt dat het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) naar aanleiding van een drietal meldingen die betrekking hadden op een internaat, geen aanleiding heeft gezien verdere acties te ondernemen. Deze gegevens komen overeen met het rapport «Inventariserend onderzoek naar signalen van kindermishandeling in de sociale leefomgeving» dat door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met de GGD Nederland in mei 2012 is gepubliceerd.
Waar het gaat om winkels die niet de juiste vergunning hebben, is het aan de gemeente om toezicht te houden en waar nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat zowel de (deel)gemeente als jeugdwerk keihard aangepakt moeten worden voor het niet ingrijpen bij deze wantoestanden?
Aangezien de internaten geen instellingen voor jeugdzorg zijn, heeft de Inspectie jeugdzorg hierbij geen rol. Signalen of vermoedens van kindermishandeling kunnen bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK) worden gemeld. Deze worden vervolgens onderzocht en als daar aanleiding toe is doorgegeven aan de politie.
Het College van de gemeente Rotterdam heeft verder een aantal stappen aangekondigd om de pedagogische setting in dit soort internaten inzichtelijk te maken. Hiervoor verwijs ik de vragenstellers naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Karabulut (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 918) en het lid Bergkamp (D66) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 926).
Welke stappen bent u voornemens te treffen ten einde al deze moskee-internaten zo spoedig te sluiten en in de toekomst ook onmogelijk te maken?
Zoals hiervoor aangegeven zal ik in overleg gaan met een aantal betrokken gemeenten. Ik verwijs de vragenstellers ook naar mijn antwoorden op vragen 1 en 9 van het lid Karabulut (SP).
Sluiting van een rechtspersoon is overigens alleen mogelijk als dit voor openbare orde noodzakelijk is, onder de voorwaarden gesteld in artikel 2:20, eerste lid, BW. Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. De toetsing van de brand- en veiligheidsvoorschriften is de verantwoordelijkheid van de lokale overheid.
De inkomenspositie van zzp’ers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Meer ZZP’ers naar voedselbank«?1
Ja.
Welke gemeenten kampen met een (sterk) vergrote toestroom van zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) naar de voedselbanken?
Gegevens over het klantenbestand van voedselbanken worden door de overheid niet bijgehouden. Ook Voedselbanken Nederland heeft geen gekwantificeerd overzicht van het aantal zzp’ers dat klant is bij de voedselbank. Exacte cijfers per gemeente kan ik dus niet geven. De signalen vanuit de voedselbanken en kerkelijke organisaties zijn dat het aantal personen dat een beroep doet op de voedselbank toeneemt en dat ook het aandeel zzp’ers hierin stijgt.
Worden zzp’ers door de gemeenten gewezen op de mogelijkheden van de (bijzondere) bijstand?
De zelfstandige is degene die het meest zicht heeft op zijn/haar (financiële) situatie en wanneer en welke vorm van extra ondersteuning nodig kan zijn. Om de zelfstandige inzicht te bieden in de mogelijkheden die er zijn, is enige tijd geleden vanuit het rijk het initiatief genomen om op de website www.antwoordvoorbedrijven.nl een digitaal informatieloket voor zzp’ers op te zetten. Hierop worden alle regels en faciliteiten vanuit de overheid – waaronder ondersteuningsmogelijkheden – overzichtelijk gepresenteerd.
Het is aan gemeenten om hun burgers te informeren over de mogelijkheden die de WWB biedt (waaronder bijzondere bijstand en het Besluit bijstandverlening aan zelfstandigen). Ik heb geen signalen dat gemeenten deze verantwoordelijkheid onvoldoende zouden nemen.
In welke gemeenten kunnen zzp’ers met een laag inkomen in aanmerking komen voor kwijtschelding van lokale heffingen?
Per 1 april 2011 hebben gemeenten en waterschappen de mogelijkheid om aan kleine – vaak startende – ondernemers die een laag inkomen en weinig vermogen hebben, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding te verlenen van hun privé-belastingen. Bij het bepalen van het recht op kwijtschelding hanteren decentrale overheden momenteel een vermogensnorm van circa € 1 450 voor een alleenstaande en circa € 2000 voor een echtpaar. Omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen privé vermogen, en het zakelijk vermogen dat noodzakelijk is om de onderneming te kunnen laten voortbestaan, komen veel ondernemers met een laag inkomen niet voor kwijtschelding in aanmerking.
Het vorige kabinet heeft daarom toegezegd aan de Kamer (Tweede Kamer vergaderjaar 2011/12 Kamerstukken 320 315, nr. 10) dat de «Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en waterschapsbelastingen» worden gewijzigd om gemeenten en waterschappen de bevoegdheid te geven, het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen niet tot het voor de kwijtschelding te toetsen vermogen te rekenen. Nadat de zogenaamde nadere regels zijn gewijzigd, krijgen decentrale overheden een reële mogelijkheid tot kwijtschelding van lokale privébelastingen voor kleine ondernemers. Ik verwacht dat gemeenten en waterschappen deze mogelijkheid zullen benutten om ondernemers die het financieel moeilijk hebben een steuntje in de rug te geven.
Kunt u aangeven hoe de inkomenspositie van zzp’ers in de afgelopen 12 maanden is veranderd ten opzichte van de periode daarvoor en wat de oorza(a)k(en) daarvan is (zijn)?
In augustus van dit jaar heeft het CBS een webmagazine-artikel over de dynamische koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen in 2011 gepubliceerd. In de dynamische koopkrachtontwikkeling zijn ook veranderingen in de persoonlijke situatie zoals scheidingen, promoties en dergelijke meegenomen. Daaruit blijkt dat de koopkracht van zelfstandigen in 2011 is gedaald met circa 0,6 procent. Het CBS schrijft dat de koopkrachtverandering bij zelfstandigen traditioneel een grote spreiding kent: bij 10 procent van hen bedroeg de koopkrachtmutatie vorig jaar -34 procent of minder, terwijl bij een even grote groep de koopkracht met 29 procent of meer toenam. Ondanks de moeilijke economische situatie kon deze groep zelfstandigen hun inkomen fors verbeteren. De spreiding in de koopkrachtontwikkeling en de diversiteit van de groep zelfstandigen is dermate groot, dat het niet mogelijk is enkele oorzaken aan te geven die de mutatie van -0,6 procent adequaat duiden.
Bent u bereid nader onderzoek te doen naar de inkomenspositie van zelfstandigen, dan wel recent onderzoek op dit gebied (Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM), Centraal Bureau voor de Statistiek) te actualiseren? Kunt u daarbij verschillende categorieën zzp’ers onderscheiden?
In het zzp-panel dat SZW in samenwerking met EIM uitvoert, worden periodiek vragen gesteld over inkomens. Er wordt onderscheid gemaakt naar verschillende groepen zelfstandigen (onder meer sector, opleidingsniveau, leeftijd). Ook de CBS-gegevens worden periodiek geactualiseerd.
Uit de cijfers van zowel CBS als EIM blijkt dat de groep zzp’ers zeer divers is: er zijn zzp’ers met een hoog inkomen en helaas ook zzp’ers die zeker in deze tijden moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Door te wijzen op de mogelijkheid van bijzondere bijstand en het verruimen van de mogelijkheden om voor kwijtschelding van bijzondere belasting in aanmerking te komen worden deze zzp’ers ondersteund.
Tot slot heb ik, zoals ik naar aanleiding van mondelinge vragen van de heer Klaver (GroenLinks) d.d. 20 november jl. heb toegezegd, een brief naar de Kamer gestuurd waarbij ik kwalitatief ben ingegaan op het inkomensbeeld van zzp'ers.
De impact van voorgenomen bezuinigingen in het regeerakkoord voor de langdurige ouderenzorg in Nederland |
|
Mona Keijzer (CDA), Enneüs Heerma (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport van Gupta, waarin in een tweetal scenario’s wordt aangegeven wat de gevolgen voor de koopkracht zouden kunnen zijn als de voorgestelde bezuinigingen uit het regeerakkoord met betrekking tot de langdurige zorg doorgaan?1
Ja.
Deelt u de uitkomst van het onderzoek, waarbij een oplopend koopkrachtverlies wordt voorspeld van 18% tot maar liefst 63% bij een hoog zorggebruik? Zo nee, wilt u inhoudelijk weerleggen waarom niet?
Er is een aantal redenen om aan te nemen dat de inkomenseffecten anders zullen zijn dan in de twee scenario’s van Gupta. Als het aanbod efficiënter wordt georganiseerd, gemeenten beter maatwerk kunnen verlenen of mensen afzien van formele zorg en dit in eigen kring organiseren, zal er geen sprake zijn van inkomenseffecten. Wanneer een deel van de besparing niet via deze kanalen wordt opgevangen, dan zal men zelf zorg in moeten kopen.
Voor de groep die de huishoudelijke hulp niet zelf kan organiseren of zelf betalen behouden gemeenten 25% van het budget voor een maatwerkvoorziening.
Gupta doet geen uitspraak over het inkomenseffect van de maatregelen, maar schetst de keuzes waar het kabinet en gemeenten voor staan bij de invulling van de ombuigingen op de langdurige zorg. Gupta laat zien dat er keuzes zijn: als bepaalde zorg niet meer vergoed wordt, zal de keuze zijn tussen inschakelen van meer mantelzorg / informele zorg, of het zelf betalen voor zorg, of het verminderen van gebruik van zorg/huishoudelijke hulp. Gupta schetst scenario’s waarbij in het ene geval de lasten juist bij de hoge inkomens komen te liggen en in het andere geval juist bij de mensen die veel zorg gebruiken (vooral lage inkomens). Dit maakt veel uit voor de verdeling van de gevolgen.
De uiteindelijke inkomenseffecten zullen afhangen van het samenspel van de hierboven beschreven effecten. Het is dus op voorhand niet te zeggen wat de precieze effecten zullen zijn. Gupta roept de overheid op tot het aangaan van een maatschappelijk debat over de beoogde versobering. Het kabinet zal de voorstellen uitwerken met een open houding naar de samenleving en in overleg met de gemeenten en de doelgroep.
Worden hierdoor ouderen en mensen met een handicap met een midden- en hoger inkomen onevenredig hard in hun koopkracht getroffen? Zo nee, wilt u dit inhoudelijk onderbouwen?
Niets doen zal uiteindelijk grote gevolgen hebben voor de meest kwetsbaren in onze samenleving (zowel financieel als medisch) als gevolg van de kostenexplosie in de langdurige zorg. Nu ingrijpen geeft de gelegenheid om deugdelijke en houdbare regelingen te maken in het belang van de patiënten en cliënten.
Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft u met dit koopkrachtverlies, zoals in het rapport wordt geschetst, in uw brief d.d. 7 november 2012 aan de Kamer rekening gehouden? Zo ja, hoe verklaart u deze uitschieters in koopkrachtverlies?
In de brief van 7 november is ingegaan op de koopkrachtontwikkeling zoals deze volgt uit de doorrekening van het CPB. Op 8 november heeft het CPB een notitie gepubliceerd met een nadere toelichting op de koopkrachteffecten van het Regeerakkoord. Hierin is aangegeven dat maatregelen op het gebied van de langdurige zorg niet zijn meegenomen in de doorrekening.
Wijzigingen in het niveau van voorzieningen worden vaker niet verwerkt in de koopkracht. Zo is de stijging van de AWBZ-uitgaven in de periode 2008–2011 (3,4 miljard euro) ook niet zichtbaar geweest als positief koopkrachteffect.
Moeten in het licht van de voorgaande vraag de in uw brief geschetste koopkrachtcijfers als een gemiddelde worden beschouwd en is dit mogelijk een verklaring voor de uitschieters binnen het domein van de langdurige zorg?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wilt u garanderen dat ouderen en mensen met een midden- en hoger inkomen niet met deze uitschieters, zoals geschetst in het onderzoek, zullen worden geconfronteerd en kunt u garanderen dat ook hun koopkrachtverlies nooit boven een maximum van 4% uitkomt?
Het kabinet geeft nooit koopkrachtgaranties, dus kan dit in dit geval ook niet doen. Wel wil het kabinet met een open houding naar de samenleving en in overleg met gemeenten en de doelgroep de voorstellen uitwerken.
Indien u deze garantie niet kunt geven, hoe moet dan het door u geschetste koopkrachtbeeld in uw ogen worden beoordeeld?
Het kabinet zal de uitwerking van de maatregelen in de langdurige zorg beoordelen op de effecten, en voorstellen uitwerken met een open houding naar de samenleving en in overleg met de gemeenten en de doelgroep. Op dit moment valt nog niet te zeggen wat de precieze effecten zullen zijn.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de regeringsverklaring?
Ja.