Het afwijzen van een maximale uitkeringsduur in de bijstand |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bereid om de plannen van de gemeente Amsterdam om een onderzoek te starten naar een maximale uitkeringsduur in de bijstand af te wijzen? Zo nee, waarom niet?1
Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) is het niet toegestaan vooraf een maximale uitkeringsduur aan het recht op bijstand te verbinden. Uit navraag volgt dat het college van de gemeente Amsterdam voornemens was te onderzoeken of het mogelijk is de uitkeringsduur te maximeren en te koppelen aan de verwachte termijn voor uitstroom van de uitkeringsgerechtigde. Inmiddels heeft het college dit onderzocht en geconcludeerd dat dit zich slecht verhoudt met de wet.
Deelt u de mening dat het principieel onjuist is om een uitkeringsduur te verbinden aan het laatste sociale vangnet dat we in Nederland hebben? Kunt u dat uitgebreid toelichten?
In de artikel 20, derde lid, van de Grondwet is bepaald dat Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, een bij wet te regelen recht op bijstand hebben van overheidswege. Bedoeld recht op bijstand, dat nader is ingevuld in artikel 11 van de WWB, impliceert de plicht van het college in voorkomende gevallen bijstand te verlenen. Een wettelijke beperking van de uitkeringsduur van het recht op bijstand zou hiermee in strijd zijn. In hoeverre de belanghebbende niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan is ter beoordeling aan het college. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Op welke wijze zouden bijstandsgerechtigden in hun inkomen moeten voorzien op het moment dat de maximale uitkeringsduur is verstreken?
De in de vraag beschreven situatie is, gelet op het antwoord op vraag 2 en 4, niet aan de orde.
Kunt u uiteenzetten hoe deze plannen van de gemeente Amsterdam zich verhouden tot de Grondwet waarin is opgenomen dat Nederlanders die niet in hun bestaan kunnen voorzien een bij de wet te regelen recht op bijstand hebben van overheidswege? Kunt u dat toelichten?2
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht “Pensioenbeheer veel duurder” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Pensioenbeheer veel duurder»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze kostenstijging (voornamelijk) veroorzaakt wordt door hogere prestatievergoedingen aan vermogensbeheerders?
Vindt u het niet de kerntaak van vermogensbeheerders om te streven naar het best mogelijke rendement, ongeacht of zij hier wel of geen bonus voor ontvangen?
Ja, althans binnen de grenzen van het door het fonds vastgestelde risicoprofiel. Prestatiebeloningen zijn echter niet ongebruikelijk in contracten tussen financiële instellingen, zoals pensioenfondsen, en externe vermogensbeheerders.
Hoe beoordeelt u het feit dat ondanks dat pensioendeelnemers geraakt worden door kortingen, het uitblijven van indexatie van pensioenen en hogere pensioenpremies, hogere bonussen zijn uitgekeerd?
In reacties op het rapport wijzen woordvoerders van grote pensioenfondsen als verklaring voor de hogere prestatievergoedingen naar het feit dat de rendementen over 2012 hoger waren dan de benchmark. Een hoog rendement over het belegde vermogen is in het belang van deelnemers en gepensioneerden. Dit leidt immers tot herstel van de dekkingsgraden en tot een vermindering van de noodzaak om pensioenen nominaal te verlagen. In april 2013 hebben minder pensioenfondsen dan verwacht de pensioenen nominaal verlaagd. De verlagingen die wel zijn doorgevoerd, waren gemiddeld lager dan verwacht. De meevallende ontwikkeling is voor een deel te verklaren door een hoger beleggingsrendement.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat de hogere kosten voor vermogensbeheer worden afgewenteld op de pensioendeelnemers?
Zowel de kosten als de opbrengsten van het vermogensbeheer zijn van invloed op het jaarresultaat van het pensioenfonds en – via dat resultaat – op zijn vermogen. Het lijkt niet goed voorstelbaar om de opbrengsten van het vermogensbeheer wel en de kosten niet voor rekening van het pensioenfonds te laten komen. Een pensioenfonds is één collectief geheel, dus van afwenteling is geen sprake.
Bent u bereid afspraken te maken met de sector dat bonussen op z’n minst gekoppeld worden aan meerjarige beleggingsrendementen?
Desgevraagd heeft de pensioensector mij bericht dat prestatieafhankelijke vergoedingen op dit moment al in overgrote mate op meerjarig rendement worden gebaseerd. Contracten waarbij een prestatievergoeding wordt verleend op basis van een rendement per jaar, zonder rekening te houden met voorgaande jaren, worden steeds schaarser. Sectorbrede afspraken over prestatieafhankelijke vergoedingen zijn in dit licht overbodig.
Bent u bereid te streven, naast volledige transparantie, naar kostenbeheersing door de sector? Op welke wijze geeft u hier concreet invulling aan? Welke alternatieven voor kostenbeheersing liggen op tafel?
Kostenbeheersing is primair van belang voor deelnemers, pensioengerechtigden, werkgevers en de overige belanghebbenden van het pensioenfonds. De beste manier om tot kostenbeheersing te komen is een goed ingerichte governance. Als een fondsbestuur onvoldoende oog heeft voor het belang van kostenbeheersing, zal het daarop worden aangesproken door het medezeggenschapsorgaan (thans de deelnemersraad, vanaf juli 2014 het verantwoordingsorgaan) en door het interne toezicht. Hiervoor is vanzelfsprekend van belang dat de pensioenfondsen zelf goed inzicht hebben in hun kosten en daarover transparant zijn. Het rapport van LCP wijst uit dat de fondsen hiermee op de goede weg zijn.
Bent u bereid de mogelijkheid van een benchmark-systematiek om tot kostenbeheersing te komen, te onderzoeken?
Met mijn brief van 1 maart jl. heb ik u geïnformeerd over de resultaten van een wereldwijd benchmarkonderzoek naar uitvoeringkosten van pensioenfondsen2.
Pensioenfondsen maken al veelvuldig gebruik van benchmarks voor een vergelijking van de eigen uitvoeringskosten met die van andere fondsen.
Aan benchmarking zijn vanzelfsprekend kosten verbonden. Pensioenfondsen die zijn aangesloten bij de Pensioenfederatie, kunnen hun beheerskosten relatief goedkoop laten vergelijken met een benchmark door het bedrijf CEM, een Canadees bedrijf dat is gespecialiseerd in benchmarkonderzoek en wereldwijze analyses verricht voor pensioenfondsen.
Bent u bereid bindende afspraken met de pensioensector te maken, zodat in de toekomst alle pensioenfondsen gaan rapporteren over zowel de vermogensbeheerskosten als de uitvoeringskosten?
Uit het rapport van LCP blijkt dat een grote meerderheid van de pensioenfondsen, waaronder alle grote fondsen, op vrijwillige basis in het jaarverslag inzicht biedt in de uitvoeringskosten en de kosten voor vermogensbeheer. Ten opzichte van 2011 hebben de fondsen hierbij een grote slag gemaakt. Ik ga ervan uit dat in de jaarverslagen over 2013 weer meer fondsen hun kosten inzichtelijk zullen maken.
Daarnaast is de pensioensector op dit moment in overleg met de Autoriteit Financiële Markten over de vormgeving van Pensioen 1-2-3. In deze nieuwe vorm van deelnemercommunicatie zullen ook de uitvoeringskosten een plaats krijgen.
Ik volg deze ontwikkelingen met belangstelling, maar zie vooralsnog geen aanleiding voor aanvullende maatregelen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Pensioenonderwerpen op 6 november 2013?
Ja.
Het bericht ‘Kosten pensioenbeheer fors gestegen’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kosten pensioenbeheer fors gestegen»?1
Ja.
Wat is er volgens u de oorzaak van dat er vorig jaar 1,5 miljard euro meer kosten voor vermogensbeheer zijn gemaakt door de pensioenfondsen dan in 2011?
Het rapport van LCP, waarop het bericht van de Telegraaf is gebaseerd, geeft geen verklaring voor de toename van de kosten voor het vermogensbeheer. In een toelichting stelt LCP dat de toename vooral wordt veroorzaakt door hogere prestatieafhankelijke vergoedingen. Pensioenfondsen besteden het beheer van het pensioenvermogen geheel of grotendeels uit aan externe vermogensbeheerders. Het is niet ongebruikelijk dat in de contracten wordt afgesproken dat de vermogensbeheerder een prestatievergoeding ontvangt als hij voor het fonds een hoger rendement behaalt dan een afgesproken benchmark. Hoge prestatieafhankelijke vergoedingen gaan dus samen met een hoog rendement. Woordvoerders van grote pensioenuitvoerders bevestigen deze verklaring.
Ik beschik niet over informatie waarmee ik de toegenomen kosten van het vermogensbeheer kan verklaren. Vóór het verslagjaar 2012 werden de kosten voor het vermogensbeheer niet apart aan DNB gerapporteerd.
Deelt u de mening dat de kostenstijging voor het vermogensbeheer niet te verkopen is aan deelnemers en pensioengerechtigden van fondsen die hebben gekort?
Hogere kosten voor vermogensbeheer zijn te billijken voor zover die stijging samenhangt met hogere beleggingsrendementen en daarmee in evenwicht is. Waar dat niet het geval is, hebben de pensioenfondsen wat uit te leggen aan hun pensioengerechtigden en deelnemers, ook als zij de pensioenen niet hebben verlaagd.
Wanneer gaat u inzage in de kosten die pensioenfondsen maken, waaronder het beloningsbeleid, eindelijk verplichten zodat iedere deelnemer en pensioengerechtigde inzicht heeft in de uitvoeringsfondsen van zijn of haar pensioenfonds?
Uit het rapport van LCP blijkt dat een grote meerderheid van de pensioenfondsen, waaronder alle grote fondsen, op vrijwillige basis in het jaarverslag inzicht biedt in de uitvoeringskosten en de kosten voor vermogensbeheer. Ten opzichte van 2011 hebben de fondsen hierbij een grote slag gemaakt. Ik ga ervan uit dat in de jaarverslagen over 2013 weer meer fondsen hun kosten inzichtelijk zullen maken.
Daarnaast is de pensioensector op dit moment in overleg met de Autoriteit Financiële Markten over de vormgeving van Pensioen 1-2-3. In deze nieuwe vorm van deelnemercommunicatie zullen ook de uitvoeringskosten een plaats krijgen.
Ik volg deze ontwikkelingen met belangstelling, maar zie vooralsnog geen aanleiding voor een verplichting.
Wat gaat u ondernemen om de enorme beheerskostenstijging in de pensioensector tegen te gaan?
Kostenbeheersing is primair een zaak van de pensioenfondsen en hun belanghebbenden. Een fondsbestuur dat onvoldoende oog heeft voor het belang van kostenbeheersing, zal daarvoor ter verantwoording worden geroepen door de deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan, alsmede door het interne toezicht. De ontwikkeling van beheerskosten moet ook aan de betrokken werkgever(s) en werknemers verantwoord kunnen worden. Hogere uitvoeringskosten kunnen immers leiden tot hogere pensioenpremies.
In de aanbiedingsbrief heb ik al gewezen op het feit dat pensioenfondsen keuzes met betrekking tot hun beleggingsbeleid en de uitvoering op dit moment opnieuw tegen het licht houden, juist met het oog op kostenbeheersing.
Het bericht ‘Pensioenbeheer veel duurder’ |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «pensioenbeheer veel duurder»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat bij het ABP, een fonds dat heeft moeten korten wegens de slechte financiële positie van het fonds, € 650 mln aan prestatievergoedingen is betaald omdat er zelfs meer rendement is behaald dan vooraf was afgesproken? Hoe verhoudt zich dit tot elkaar?
Het ABP heeft in april 2013 de pensioenen en opgebouwde aanspraken met 0,5% verlaagd. Op basis van de stand van zaken per 31 december 2012 was deze verlaging nodig om uiterlijk bij de afloop van de hersteltermijn van het ABP, 31 december 2013, op de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,2% te komen.
De prestatieafhankelijke vergoedingen die het ABP in 2012 aan externe vermogensbeheerders heeft betaald, hangen inderdaad samen met de relatief hoge rendementen die zij voor het ABP hebben behaald. Deze rendementen overstegen de afgesproken benchmarks. Het extra rendement heeft het vermogen van het ABP doen toenemen, maar niet in die mate dat de nominale verlaging kon worden voorkomen.
Zijn er onder de pensioenfondsen waarvan volgens het artikel de kosten van vermogensbeheer zijn gestegen meer fondsen die in het kader van een herstelplan hebben moeten korten?
Het Financieele Dagblad bericht alleen over de kostenontwikkeling bij het ABP. Het rapport van LCP noemt geen namen van fondsen, maar spreekt in de paragraaf over vermogensbeheerskosten en transactiekosten over «de twee grootste pensioenfondsen van Nederland». Het op één na grootste fonds, PfZW, heeft de pensioenen niet gekort.
Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van alle fondsen die thans (in ieder geval in de periode 2011–2013) in het kader van een herstelplan hun financiën op orde moeten krijgen en kunt u van de betreffende fondsen aangeven of zij ook onderdeel uitmaken van de fondsen waarvan de kosten van vermogensbeheer zijn gestegen? Kunt u ten slotte per fonds aangeven uit welke kosten deze kostenstijging bestaat?
De Pensioenwet verbiedt een ieder om bekendheid te geven aan toezichtgegevens die herleidbaar zijn naar individuele pensioenfondsen. Ik kan en mag u daarom geen overzicht doen toekomen van pensioenfondsen die een herstelplan hebben ingediend in verband met een reservetekort of een dekkingstekort. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 al aangaf, bevat het rapport van LCP geen namen van pensioenfondsen.
Uitgaande van het feit dat, ook indien pensioenfondsen transparant zouden zijn over hun uitvoeringskosten, het deelnemers niet vrij staat over te stappen naar een ander pensioenfonds, deelt u de mening dat pensioenfondsen hierdoor de laatst overgebleven monopolisten in Nederland zijn?
Pensioenfondsen geven uitvoering aan pensioenovereenkomsten van werkgevers en werknemers. Het overgrote deel van de pensioenovereenkomsten berust op collectieve pensioenregelingen die – op ondernemings- of bedrijfstakniveau – via een CAO worden afgesproken. De keuze voor de pensioenuitvoerder ligt op collectief niveau. Als de pensioenovereenkomsten worden uitgevoerd door een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds, is deelname aan dat fonds verplicht. In andere gevallen kunnen sociale partners kiezen voor uitvoering door een pensioenverzekeraar, een ondernemingpensioenfonds of – in geval van premieovereenkomsten – door een PPI.
De herkeuringen van jonggehandicapten |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bereid om de ramingen zelf van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) omtrent de herkeuringen van jonggehandicapten zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het algemeen overleg over de Participatiewet op 10 oktober a.s., door te zenden naar de Kamer?
Ik heb de ramingen waarnaar u vraagt aan de Kamer gezonden in antwoord op vragen van het lid Karabulut (Tweede Kamer, Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nummer 3011), in de antwoorden op de schriftelijke vragen van de Kamer in reactie op de brief over de veranderingen op de Participatiewet en quotum als gevolg van het sociaal akkoord (Kamerstuk 29 817, nr. 60, onder meer antwoord 55 en antwoord 92) en in mijn reactie op het verzoek van de vaste commissie van sociale zaken en werkgelegenheid (Kamerstuk 29 817, nr. 127). Mijn ministerie heeft deze ramingen gemaakt op basis van microdata van het UWV.
Kunt u in deze ramingen een overzicht geven van het aantal jonggehandicapten per arbeidsongeschiktheidspercentage vóór en ná keuring?
Bij de beoordeling op arbeidsvermogen zal UWV alleen beoordelen of iemand arbeidsvermogen heeft. Wanneer iemand geen arbeidsvermogen heeft, behoudt hij zijn Wajong-uitkering. Wanneer iemand wel arbeidsvermogen heeft, kan hij een beroep doen op ondersteuning en eventueel een uitkering bij de gemeente. Het gaat dus om de vraag of er wel of geen arbeidsvermogen is. Bij deze beoordeling wordt niet een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld.
Wat zijn de precieze criteria voor de herkeuringen voor jonggehandicapten? Wanneer worden jonggehandicapten hierover geïnformeerd en op welke wijze?
Het criterium voor wel of geen overdracht aan gemeenten is het al dan niet hebben van arbeidsvermogen. De precieze vormgeving van dit criterium wordt thans nader uitgewerkt. Voorts ben ik in overleg met UWV en de VNG over de wijze van overdracht van Wajongers met arbeidsvermogen naar gemeenten. Zodra dit nader is uitgewerkt zullen Wajongers nader geïnformeerd worden.
Kunt u een schematisch overzicht verstrekken van de 60.000 werkende jonggehandicapten (uitgesplitst in aantal uren, inkomen, regulier of beschut werk, vast of tijdelijk dienstverband)?
Het aantal van 60 duizend werkende Wajongers is het aantal dat er naar verwachting werkt in de periode waarin het zittend bestand van de Wajong beoordeeld wordt op arbeidsvermogen. Het aantal werkende Wajongers per eind december 2011 bedraagt 54 duizend. Wajongers die werken krijgen vaak nog een aanvullende uitkering, omdat ze niet het WML verdienen. Eind 2011 verdiende 72% van de Wajongers werkzaam bij een reguliere werkgever minder dan het WML. Het niet verdienen van het WML kan twee redenen hebben. De eerste is dat een Wajonger met loondispensatie werkt. De tweede is dat een Wajonger wel per uur minimaal het WML krijgt betaald, maar dat hij of zij een beperkt aantal uren werkt, waardoor hij of zij per maand niet het WML verdient. Beide redenen komen ongeveer even vaak voor. Onderstaande tabel geeft aan hoeveel procent van het WML Wajongers verdienden (december 2011) bij een reguliere werkgever. Daarnaast ontvangen zij, in de meeste gevallen, een aanvullende uitkering (zie ook antwoord op vraag 6).
<= 20% van WML
15%
>= 21% – 50% van WML
27%
>= 50% – 75% van WML
19%
>= 75% – 100% van WML
11%
>= 100%
28%
100%
Per eind december 2011 werkten er voor het eerst meer Wajongers bij een reguliere werkgever (13,2%, 29 duizend) dan in of via de Sociale Werkvoorziening (11,7%, 25 duizend), zie tabel. Deze trend past bij het beleid om Wajongers zoveel mogelijk naar werk bij een reguliere werkgever te begeleiden.
Precieze cijfers over het aantal tijdelijke en vaste dienstverbanden zijn er niet. Wel is er over te zeggen dat het overgrote deel van de Wajongers die in 2010 in of via de SW werkten een vast contract had. Van de Wajongers die bij een reguliere werkgever werkten, was dat ruim de helft.1
Kunt u de effecten van het lage werkbehoud van jonggehandicapten – slechts 52% van de jonggehandicapten is na het aanvaarden van een baan een jaar later nog of weer aan het werk – hierin meenemen? Zo nee, waarom niet?1
In de ramingen is rekening gehouden met reguliere in- en uitstroom van werk. De raming van 60 duizend is het aantal Wajongers dat naar verwachting werkzaam is ten tijde van de beoordeling op arbeidsvermogen.
Hoeveel werkende jonggehandicapten moeten ondanks dat zij loon ontvangen een beroep doen op de sociale dienst, omdat zij onvoldoende verdienen en onder de armoedegrens terechtkomen? Kunt u dit uitsplitsen in groepen van vóór en ná herkeuring?
De huidige werkende Wajongers die minder dan WML verdienen, ontvangen een aanvulling tot minimaal 75% WML. In veel gevallen is dit, afhankelijk van de individuele situatie, hoger. Bij de uitwerking van de overgang naar de Participatiewet zal specifiek worden gekeken hoe met deze werkende Wajongers om te gaan. Daarbij staat baanbehoud voorop.
Mensen die na de inwerkingtreding van de Participatiewet aan het werk gaan en daarbij niet het WML kunnen verdienen, kunnen in aanmerking komen voor loonkostensubsidie, waarmee het inkomen op 100% WML kan uitkomen.
Het bericht dat sociale diensten en de vakbond de regels voor de tegenprestatie in de bijstand te onduidelijk vinden |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Wat gaat u doen nu ook sociale diensten – naar aanleiding van nieuw onderzoek van de FNV – de regels voor de tegenprestatie onduidelijk vinden en proefprocessen willen starten om die grenzen scherper te krijgen?1
De wetgever heeft in de Wet werk en bijstand het principe en de bevoegdheid opgenomen dat gemeenten aan mensen die een bijstandsuitkering ontvangen een tegenprestatie kunnen opleggen. De wetgever heeft er daarbij doelbewust voor gekozen om gemeenten bij toepassing van de tegenprestatie veel ruimte te bieden. De wettelijke kaders zijn duidelijk. Ten aanzien van de (voorbereiding op de) daadwerkelijke toepassing door gemeenten verwijs ik naar mijn brief van 12 november «Onderzoek uitvoering van de tegenprestatie naar vermogen».
De tegenprestatie is zoals hiervoor al opgemerkt, op dit moment vrijwillig voor gemeenten. Het kabinet streeft ernaar de tegenprestatie voor alle gemeenten te verplichten per 1 juli 2014. Daartoe is het wetsvoorstel WWB-maatregelen aangeboden aan uw Kamer.
Het Ministerie van SZW zal Divosa ondersteunen bij het opstellen van een werkwijzer, waarin voor gemeenten handvaten worden opgenomen die helpen bij de uitvoering van de tegenprestatie. Een opsomming van geschikte werkzaamheden voor de tegenprestatie zal niet kunnen worden opgesteld, omdat alleen lokaal kan worden beoordeeld of deze wel of niet aan de gestelde randvoorwaarden voldoen.
Wat mij aanspreekt is als bijstandgerechtigden zelf ideeën aandragen, of dat gemeenten keuzemogelijkheden aanbieden voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie voor de uitkering. Als de betrokkene geen ideeën aandraagt, dan is de gemeente aan zet.
Wat is uw reactie op het onderzoek van de FNV «Beter zicht op werken in de bijstand»? Acht u het wenselijk dat – ondanks de aandacht van de afgelopen maanden voor de tegenprestatie in de bijstand – er nauwelijks verbeteringen in de werktrajecten van gemeenten voor bijstandsgerechtigden zijn gepresenteerd? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per aanbeveling van het onderzoek van de FNV aangeven of u de aanbeveling over gaat nemen en waarom wel/niet?3
De uitvoering van de WWB en daarmee de tegenprestatie is een zelfstandige verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit betekent dat de tegenprestatie op lokaal niveau wordt toegepast en gecontroleerd. Aangezien de aanbevelingen van de FNV primair betrekking hebben op de toepassing en uitvoering op lokaal niveau, ligt het niet in de rede dat ik hierover uitspraken doe.
Acht u het wenselijk dat de trajecten die aan bijstandsgerechtigden worden aangeboden nauwelijks gericht zijn op uitstroom uit de bijstand, er vaak sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt en er nauwelijks maatwerk aan te pas komt? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat re-integratietrajecten die worden aangeboden bereiken waarvoor ze zijn bedoeld: duurzame uitstroom uit de uitkering?
De tegenprestatie is niet primair gericht op re-integratie. Ik ga er daarom vanuit dat in vraag 4 re-integratietrajecten worden bedoeld. Het uitgangspunt bij re-integratie is maatwerk en trajecten die direct zijn gericht op het vinden van regulier werk. Om de dienstverlening verder te verbeteren wordt gewerkt aan professionalisering van klantmanagers. Er worden meer dan voorheen kortdurende trajecten aangeboden, zoals sollicitatietraining, bemiddeling bij een potentiële baan en korte beroepscursussen. Deze trajecten zijn goedkoper en effectiever en deze trajecten zijn direct gericht op uitstroom naar werk. Voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vergt het meer tijd om deze afstand te overbruggen en leiden de inspanningen niet direct tot het vinden van een baan, maar wel tot verbetering van hun arbeidspositie. Ook tijdelijke banen kunnen een goede opstap zijn en de duurzame inschakeling in het arbeidsproces bevorderen.
Wat zijn de oorzaken van het feit dat tweederde van de bijstandsgerechtigden geen begeleiding krijgt vanuit de gemeente bij de zoektocht naar werk? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat alle bijstandsgerechtigden voldoende ondersteuning, scholing en begeleiding ontvangen bij de zoektocht naar werk en niet gedwongen in een werktraject worden geduwd?
Het is niet doelmatig om mensen met recente werkervaring meteen een re-integratietraject aan te bieden. Een groot deel van de werklozen komt namelijk op eigen kracht aan een baan. In een brief van 24 juni 2013 (Kamerstuk II 30 545, nr. 128) over de vierweken zoektermijn voor jongeren is de Kamer inzicht verschaft in het instroombeperkend effect van deze maatregel in de WWB; een derde van de bijstandsaanvragen wordt ingetrokken4. Uit cijfermatige gegevens uit de G-4 gemeenten blijkt dat de vierweken zoektermijn voor jongeren een fors instroombeperkend effect heeft5. Ook trajecten zoals Work First leiden ertoe dat mensen afzien van een uitkering, maar liefst zelf enige tijd op zoek gaan naar een baan. Het is effectiever de bijstandsgerechtigden eerst zelf naar werk te laten zoeken. Lukt dit niet dan zullen betrokkenen een uitkering aanvragen en is het belangrijk een traject te starten.
Wat is uw reactie op het SP-onderzoek «de bijstandsgerechtigde aan het woord»? Kunt u per conclusie een reactie geven en per aanbeveling aangeven of u deze gaat overnemen?4
Ik ben verheugd dat de mensen het liefst een betaalde baan willen en zich willen inzetten om dit te bereiken. De overheid kan geen baan garanderen, maar kan mensen wel ondersteunen bij het vinden van een reguliere baan. De aanbevelingen uit het rapport hebben veelal betrekking op de uitvoering. Omdat de verantwoordelijkheid van de WWB is gedecentraliseerd aan de gemeenten, betreft het een lokale aangelegenheid. De gemeente heeft hier beleidsvrijheid binnen de gestelde randvoorwaarden. Het heeft mijn voorkeur dat de bijstandsgerechtigde zelf een voorstel kan doen om de tegenprestatie in te vullen. Lukt het de bijstandgerechtigde niet om een goede invulling te vinden, dan is de gemeente aan zet.
Wat is uw reactie op het feit dat sociale diensten de toestroom naar de bijstand niet meer aan kunnen en mensen die een bijstandsuitkering aanvragen langer dan een maand moeten wachten op uitsluitsel?5
De economische crisis en hoge werkloosheid heeft effecten op het beroep op bijstand. Ik ben me er zeer van bewust dat sommige gemeenten een grote toename hebben van het aantal bijstandsaanvragen. Het bedrag dat in 2013 aan gemeenten beschikbaar wordt gesteld voor de bekostiging van bijstandsuitkeringen is ruim € 700 miljoen hoger dan in 2012. Over het recht op bijstand dient op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te bestaan. De gemeente dient in beginsel binnen uiterlijk acht weken nadat een bijstandsaanvraag is ingediend hierover een schriftelijke beslissing te nemen. In sommige situaties heeft de gemeente langer dan 8 weken de tijd, bijvoorbeeld als de belanghebbende niet tijdig informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is voor een beslissing over de uitkeringsaanvraag. Uit het artikel van Divosa van 19 september 2013 waar het lid Siderius (SP) op doelt volgt dat slechts een enkele gemeente de termijn van 8 weken zou overschrijden.
De gemeente verleent in de periode dat de belanghebbende wacht op een beslissing op de bijstandsaanvraag, behoudens wettelijke uitzonderingen, een voorschot. Dit voorschot wordt binnen vier weken na de aanvraag uitbetaald en daarna iedere vier weken. Het voorschot bedraagt minimaal 90% van de hoogte van de algemene bijstand. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de belanghebbende in ieder geval over voldoende inkomen beschikt.
Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen van gemeenten die de wettelijke termijn van 56 dagen voor de aanvraag van een bijstandsuitkering overschrijden? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de doorlooptijd van aanvragen voor de bijstandsuitkering daalt in plaats van stijgt?
Het College van B&W en de gemeenteraad dienen de wettelijke termijnen te bewaken. Het ontbreekt mij aan informatie over gemeenten die de wettelijke termijn voor de aanvraag van een bijstandsuitkering overschrijden. Gemeenten zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de WWB, omdat deze taak is gedecentraliseerd. Het voornoemde artikel van Divosa geeft mij onder verwijzing naar antwoord 7 niet direct aanleiding tot aanvullende maatregelen. Op basis van het artikel krijg ik de indruk dat gemeenten alles op alles zetten om het groeiende beroep op bijstand te ondervangen. Hier spreek ik mijn waardering voor uit.
De bekendheid en toepassing van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ) voor ZZP’ers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De zelfstandige sappelt liever zonder steun«?1
Ja.
Hoeveel ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) zijn de afgelopen 12 maanden in financiële problemen gekomen en welk deel heeft een beroep gedaan op het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ)?
Het ontbreekt aan gegevens over hoeveel zzp» ers de afgelopen 12 maanden in financiële problemen zijn gekomen. Gemiddeld deden in 2012 iets meer dan 3.600 personen een beroep op de Bbz-regeling. In grofweg de helft van de gevallen is sprake van een gevestigde ondernemer.
Heeft u gegevens over het percentage ZZP’ers dat bekend is met de BBZ-regeling? Zo nee, bent u bereid dat te laten onderzoeken?
Onderzoek onder het zzp-panel2 in 2010 liet zien dat ongeveer een kwart van de zzp’ers met onvoldoende financiële middelen (destijds 14% van het totaal) heeft overwogen om enige vorm van extra inkomensondersteuning te vragen. Zo'n 16% van degenen die inkomensondersteuning heeft overwogen, was bekend met inkomensondersteuning door gemeenten. Bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het onderzoek van enige tijd geleden dateert en dat de percentages betrekking hebben op zeer kleine aantallen en dus als indicatief moeten worden beschouwd.
Ik onderschrijf het achterliggende belang van deze vraag, namelijk voldoende bekendheid met het Bbz onder de beoogde doelgroep. Hiermee kunnen mogelijk faillissementen worden voorkomen van zzp’ers die in de knel zitten. In de antwoorden op de vragen 5 en 6 wordt aangegeven welke activiteiten zijn ondernomen of inmiddels gepland staan om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Deelt u de mening dat aanzienlijke maatschappelijke kosten, door onnodige faillissementen en bedrijfsopheffingen, én persoonlijk leed (deels) voorkomen kunnen worden als ZZP’ers eerder en beter bekend zijn met de BBZ-regeling? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ik deel niet onverkort deze mening. Genoemde negatieve effecten hadden zich ook kunnen voordoen als bedoelde zzp’ers wel op de hoogte waren geweest van de Bbz-regeling. Bekend zijn met een regeling staat niet gelijk aan het gebruik (willen) maken van de regeling. Ondersteuning van zzp’ers onder gebruikmaking van het Bbz is bovendien slechts mogelijk als sprake is van een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep. Wel deel ik uiteraard de mening dat een grotere bekendheid met het Bbz kan bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld faillissementen en daarmee samenhangend persoonlijk leed.
Deelt u de mening dat extra voorlichting, zowel gericht op de ZZP’ers als op gemeenten, geïntensiveerd moet worden? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Ik ben met u van mening dat goede voorlichting van belang is. Recent zijn al verschillende maatregelen genomen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Voorbeelden hiervan volgen uit de brief die de toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 januari 2012 heeft verzonden naar de Eerste Kamer3. In bedoelde brief is aangegeven dat de teksten over het Bbz op websites als www.antwoordvoorbedrijven.nl en www.rijksoverheid.nl zijn verbeterd. Verder zijn gesprekken gevoerd met organisaties voor zelfstandigen om het Bbz bij hen onder de aandacht te brengen. Naar aanleiding hiervan heeft het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) zijn serie infobladen uitgebreid met een infoblad over het Bbz en een infoblad over de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Daarnaast is informatie over het Bbz onder genoemde organisaties verspreid, aan de hand waarvan zij zelfstandigen kunnen wijzen op de mogelijkheden van het Bbz.
Met de publicatie «Haal meer uit het Bbz; meer rendement voor gemeenten bij de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 », waarover de Tweede Kamer bij brief van 3 juli 2012 is geïnformeerd4, gaven VNG en SZW de aanzet tot het stimuleren van ondernemerschap en het vergroten van het rendement dat gemeenten uit het Bbz kunnen halen. In het door het Ministerie van SZW gesubsidieerde programma Vakmanschap van Divosa en VNG wordt hier op praktische wijze nadere invulling aan gegeven. In het kader van dit programma is een serie werkwijzers verschenen over de uitvoering van het Bbz die Divosa in 2012 en 2013 heeft gepubliceerd. Deze werkwijzers zijn onder meer te vinden op de websites van Divosa, VNG en het Gemeenteloket van het Ministerie van SZW.
Via het Ondernemersklankbord (OKB) worden jaarlijks ruim 3.000 ondernemers begeleid die zich melden met een hulpvraag. In 2012 was daarbij in 1.100 gevallen sprake van een faillissementspreventietraject. In 2013 zal dat aantal naar verwachting oplopen tot 1.200 ondernemers. Voor deze begeleiding wordt door het Ministerie van EZ subsidie verstrekt aan het OKB. Van de faillissementspreventies, die veelal ondernemingen betreffen die feitelijk al insolvent zijn, wordt ruim de helft met succes afgerond.
In het antwoord op vraag 6 volgt informatie over de geplande maatregelen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Bent u bereid met de gemeenten in overleg te treden om de (doelstelling van de) BBZ-regeling extra onder de aandacht te brengen en uitwisseling van best practices te stimuleren?
Ik ben vanuit dit departement voornemens subsidie te verlenen aan Divosa en VNG om in het najaar van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 diverse activiteiten te organiseren die meer bekendheid aan het Bbz zullen geven.
Er zullen regiobijeenkomsten worden georganiseerd door Divosa en gemeenten voor de uitvoerders van de Bbz-regeling bij gemeenten en hun leidinggevenden. Het thema is verdere professionalisering en vakmanschap bij het uitvoeren van de Bbz-regeling. Kennisdeling is het primaire doel van de bijeenkomsten.
In dezelfde periode zal de VNG bijeenkomsten voor bestuurders houden waarbij de bredere maatschappelijke voordelen van de Bbz-regeling naar voren worden gebracht. Het gaat daarbij om het stimuleren van actief gebruik en inzet van het Bbz door gemeenten, mede aan de hand van inzicht in maatschappelijke opbrengsten zoals behoud en stimulans van lokale en regionale werkgelegenheid. De focus zal daarbij ook liggen op samenwerking tussen gemeenten en andere partijen en het verbinden van het sociale en economische terrein om ondernemerschap in bredere zin te bevorderen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 10 oktober 2013?
Mijn streven is gericht geweest op een zo spoedige mogelijke beantwoording.
Het bericht van FNV en Voor Werkende Ouders: ‘Uitval kinderopvang niet door crisis’ |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van FNV en de belangenorganisatie «Voor Werkende Ouders»: «Uitval kinderopvang niet door crisis»?1
De webenquête van FNV en Voor Werkende Ouders laat zien dat ouders met jonge kinderen zich zorgen maken over de kosten van kinderopvang. Door de bezuinigingen zijn de kosten voor ouders de afgelopen jaren gestegen. Tevens hebben ook ouders met jonge kinderen te maken met de gevolgen van de economische situatie. Een logisch gevolg is dat ouders opnieuw naar de combinatie van arbeid en zorg gaan kijken en mogelijk voor een andere invulling kiezen. Ik vind het belangrijk dat de kinderopvang toegankelijk is en blijft. In het beeld dat in het bericht wordt geschetst, kan ik mij niet zonder meer vinden.
Deelt u de mening dat het zeer pijnlijk is dat jonge ouders van de arbeidsmarkt worden gejaagd als gevolg van uw beleid? Zo nee, wat is dan uw oordeel over deze conclusie van FNV en Voor Werkende Ouders?
Uit de webenquête van FNV en Voor Werkende Ouders komt naar voren dat een kwart van de respondenten minder is gaan werken of is gestopt met werken. Gezien de representativiteit en betrouwbaarheid van de realisatiecijfers van het CBS baseer ik mij op die cijfers bij mijn beleidsvorming.
De CBS cijfers over de arbeidsparticipatie van vaders en moeders met jonge kinderen ondersteunen dit beeld van de FNV niet. In 2012 is de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen min of meer stabiel gebleven. De cijfers over 2013 laten tot nu toe wel een lichte daling zien in de arbeidsparticipatie vergeleken met 2012, maar lang niet in de mate die uit de FNV-enquête naar voren komt. De ontwikkeling in de CBS cijfers komt bovendien overeen met de ontwikkeling van de arbeidsparticipatiecijfers in de algemene bevolking.
Ziet u de noodzaak van het bijstellen van uw beleid, nu uit de enquête van FNV en «Voor Werkende Ouders» onomstotelijk blijkt dat de oorzaak van de dalende arbeidsparticipatie niet de crisis maar juist het kabinetsbeleid is? Zo ja, wanneer kan de Kamer de bijgestelde plannen verwachten? Zo nee, waarom accepteert u deze groeiende werkloosheid als gevolg van kabinetsbeleid?
Volgens de cijfers van het CBS is de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen licht gedaald in de eerste twee kwartalen van 2013. Deze daling komt ook overeen met de ontwikkeling in de algemene bevolking. Ik vind de conclusie van het FNV en Voor Werkende Ouders dan ook te verstrekkend en kan me niet vinden in het uitgangspunt van de vragen 3 en 4. Verschillende factoren zijn van invloed op de keuzes die ouders maken in de combinatie van arbeid en zorg. Ouders kiezen bijvoorbeeld voor een andere invulling van hun werktijden of maken minder gebruik van formele opvang. Natuurlijk is het onvermijdelijk dat de bezuinigingen in de kinderopvang van de afgelopen jaren invloed hebben gehad op deze keuzes die ouders maken, maar ook de economische situatie speelt daarbij een belangrijke rol.
Vindt u de dalende arbeidsparticipatie als gevolg van het kabinetsbeleid verenigbaar met het op Prinsjesdag uitgesproken belang van een participatiesamenleving? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, welke stappen gaat u zetten om uw beleid en uw voornemen wel met elkaar te verenigen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u de noodzaak om uw beeld over de impact van de bezuinigingen op kinderopvang bij te stellen? Zo ja, bent u vervolgens ook bereid de financiële meevallers door eerdere bezuinigingen opnieuw te investeren in kinderopvang? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 en 4 ben ik al ingegaan op de eerste vraag.
Bij de voorjaarsnota is een meerjarige meevaller van circa 300 miljoen gemeld als gevolg van een daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag in 2012.
Deze middelen zijn toen ingezet om tegenvallers op o.a. de WW en het kindgebonden budget op te vangen en zo de begroting sluitend te krijgen. Dit bedrag is ingeboekt en daarom niet meer beschikbaar. In 2013 is de daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag groter dan geraamd. Dit levert een bijstelling op van 150 miljoen. Hiervan is 50 miljoen ingezet om de maximum uurprijzen in de kinderopvang toch te indexeren. Daarnaast is, in het kader van de brede hervorming kindregeling, besloten om structureel 100 miljoen in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag conform de motie van Ojik-Samsom. Op 4 oktober jl. (Kamerstuk II 31 322, nr. 220) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inzet van deze middelen in de brief «Intensivering kinderopvangtoeslag 2014».
Wat is uw reactie op de oproep van de FNV en de belangenorganisatie «Voor Werkende Ouders» om «nu te stoppen met bezuinigen en weer in de kinderopvang te investeren»?
Net zoals veel andere partijen, vragen de FNV en Voor Werkende Ouders om in de kinderopvang te investeren. Ik begrijp deze oproep. Tegelijkertijd zijn er beperkte financiële middelen beschikbaar. Ik heb de maximum uurprijzen voor 2014 geïndexeerd. Het niet indexeren van de maximum uurprijzen was de facto een bezuiniging geweest. Daarnaast wordt structureel een impuls gegeven door 100 miljoen in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag. Hiervan wordt 50 miljoen euro ingezet om de toeslagpercentages in de eerste kindtabel voor inkomens tussen circa 50.000 en 105.000 euro te verhogen en zo de marginale druk te verlagen. Tevens wordt 50 miljoen euro ingezet om een vaste voet te herintroduceren in de eerste kindtabel. Deze zal 18% bedragen vanaf een inkomen van circa 105.000 euro.
Heeft u inmiddels onderzoek gedaan naar de achtergrond van de ouders die zijn gestopt met werken en naar de manier waarop zij de combinatie arbeid en zorg vervolgens vormgeven? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u dit wel onderzoeken? Zo ja, bent u bereid de informatie en uitkomsten met de Kamer te delen?2
Het SCP voert, in opdracht van het Ministerie van SZW, een onderzoek uit waarin naar de instroom- en de uitstroomredenen van ouders in de kinderopvang wordt gekeken en tegelijkertijd wordt gevraagd hoe deze ouders vervolgens de combinatie arbeid en zorg hebben vormgegeven. Ik zal de Kamer over de uitkomsten informeren.
Klopt het dat u 100 miljoen gaat reserveren om te investeren in de kinderopvang? Zo ja, welke afspraken zijn hierover gemaakt? Klopt het dat u in ruil hiervoor steun verwacht voor uw bezuinigingen op de kindregelingen?3
In het kader van de brede hervorming kindregelingen, is besloten om structureel 100 miljoen euro conform de motie van Ojik-Samsom in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag. Op 4 oktober jl. heb ik uw Kamer daarover geïnformeerd in de brief «Intensivering kinderopvangtoeslag 2014».
Vindt u het wenselijk dat het informele circuit van kinderopvang groeit?
Ik wil voorop stellen dat ik het belangrijk vind dat professionele kinderopvang toegankelijk blijft voor ouders. Het is echter een vrije keuze van ouders hoe zij de combinatie van arbeid en zorg vorm geven. Ik zie dat ouders door de gestegen kosten van kinderopvang opnieuw een afweging maken. Sommige ouders kiezen ervoor om de opvang anders te regelen dan voorheen.
Onderzoek naar de diensten, vormen en de kwaliteit van informele opvang is geen overheidstaak. Het gebruik van informele opvang valt onder de keuzevrijheid van ouders. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen en over de wijze waarop zij hun kinderen willen laten opvangen. Daarbij kijken zij naar opvang die aansluit bij hun omstandigheden en ideeën. Vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid zullen zij de kwaliteit van de opvang, de veiligheid en het welbevinden van hun kinderen in ogenschouw nemen. Het is niet aan de overheid om hierin te treden, noch een overheidstaak om hierop toe te zien. Tenzij het dreigt mis te gaan, dan komt Jeugdzorg in beeld.
Binnen de kinderopvang ligt een scheiding tussen het domein waarvoor ouders zelf zorgen en het domein waar de overheid verantwoordelijkheid neemt en kosten maakt. Daar waar ouders hun kinderen toevertrouwen aan een door de overheid gereguleerd en gefinancierd stelsel van kinderopvang, moeten ouders ervan op aan kunnen dat de overheid de kwaliteit daarvan zoveel mogelijk waarborgt. De zorg voor kwaliteit van de professionele opvang voor jonge kinderen is een belangrijke overheidstaak. Hiervoor zijn wettelijk dan ook kwaliteitseisen vastgelegd waaraan aanbieders van professionele kinderopvang moeten voldoen.
Bent u in het belang van de ontwikkeling van kinderen bereid te onderzoeken welke diensten en vormen van opvang reeds worden aangeboden in het informele circuit van kinderopvang en in welke mate daar gebruik van wordt gemaakt? Zo ja, wanneer denkt u hierover de Kamer te kunnen inlichten? Zo nee, hoe denkt u dan een goed beeld te krijgen van de informele kinderopvang in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het van belang is om te weten wat de kwaliteit is van kinderopvang in het groeiende informele circuit? Zo ja, bent u bereid onderzoek naar de kwaliteit te doen? Zo nee, deelt u de mening dat een gebrek aan zicht en controle op kinderopvang in het informele circuit risico’s met zich meebrengt? Zo ja, welke risico’s ziet u en bent u van plan deze risico’s te minimaliseren?
Zie antwoord vraag 9.
Wat raadt u de vele ouders aan die zich zorgen maken over de kwaliteit van de reguliere kinderopvang door grotere groepen, grootschalige ontslagen en veelvuldige wisseling van personeel? Deelt u hun zorgen? Welke gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen ziet u?
De aanbieders van reguliere kinderopvang moeten voldoen aan de wettelijke criteria, waaronder kwaliteitseisen. Deze eisen gelden ook nu in tijden van economisch minder gunstige omstandigheden. Ik kan mij voorstellen dat ouders zich zorgen maken als het niet goed gaat met het kinderdagverblijf waar hun kinderen een plaats hebben. Ik kan deze zorgen niet wegnemen. Dit kan alleen door gericht het gesprek aan te gaan op individueel niveau. Ouders die zich zorgen maken over hun reguliere kinderopvang kunnen zich richten tot de kinderopvangorganisatie waar zij een contract mee hebben.
Uiteraard heeft de kwaliteit van de professionele opvang mijn volle aandacht. Het rapport van het NCKO (kamerstukken II, 2013–2014, 31 322, nr. 16) laat zien dat de sector belangrijke stappen heeft gemaakt om de kwaliteit van de professionele kinderopvang te verbeteren en waar ruimte voor verdere verbetering ligt.
Hoeveel werknemers zijn in heel 2012 en in de eerste helft van 2013 hun baan in de kinderopvang verloren? Is u bekend hoeveel mensen inmiddels een nieuwe baan hebben gevonden en hoeveel mensen werkloos thuis zitten? Wat zijn de kosten voor het uitbetalen van werkloosheidsuitkeringen aan deze groep? Wat gaat u ondernemen om verdere ontslagen te voorkomen?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdt zelf geen cijfers bij over de werkgelegenheid in de kinderopvang. FCB Kinderopvang, bestuurd door de sociale partners, houdt op eigen initiatief bij hoe de arbeidsmarkt in de kinderopvangsector zich beweegt. FCB rapporteert op 1 januari 2013 89.000 werknemers en meldt dat dit er 8.000 minder zijn dan in 2012. Dit is een daling van 10%, dat is fors. Een daling in de werkgelegenheid is echter onvermijdelijk als het gebruik van kinderopvang daalt. Ondernemers moeten andere keuzes maken in de bedrijfsvoering en dat kan gevolgen hebben voor de werknemers.
Hoe lang moeten ouders nog wachten op uw uitgebreide visie op kinderopvang en op uw plannen voor wat betreft een basisrecht op kinderopvang?
Dit najaar ontvangt uw Kamer een brief met mijn visie op kwaliteit, toezicht en handhaving in de kinderopvang, met daarin een aantal concrete maatregelen om deze zaken te verbeteren. Daarnaast ben ik met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in gesprek over samenhang tussen verschillende voorschoolse voorzieningen en het basisonderwijs. Daarover zal ik uw Kamer ook dit najaar informeren.
Kunt u garanderen dat bij economisch herstel en een stijgende vraag er sprake zal zijn van voldoende aanbod van kinderopvang en er niet opnieuw wachtlijsten zullen ontstaan? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, wat vindt u van dit onzekere toekomstperspectief?
De vraag naar en het aanbod van kinderopvang is primair een zaak tussen instellingen en ouders. Ik informeer u ieder kwartaal over het aantal kinderopvang- en gastouderlocaties in een brief met cijfers over kinderopvang. Uit deze informatie blijkt dat het aantal locaties in de dagopvang en buitenschoolse opvang redelijk constant is gebleven in 2012 en het eerste half jaar van 2013. Alleen het aantal gastouders laat over 2012 en de eerste half jaar van 2013 een dalende trend ziet. Deze cijfers geven natuurlijk nergens garanties op. Voor de dagopvang en buitenschoolse opvang geven ze wel een indicatie dat het aanbod redelijk in stand is gebleven ondanks de daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor aanvang van het algemeen overleg over kinderopvang dat gepland staat op 2 oktober aanstaande?
Dat is niet gelukt. Ik beantwoord daarom de vragen binnen de gestelde termijn daarvoor.
Pensioenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel Nederlanders (woonachtig in Nederland) hebben recht op een pensioen van de Griekse staat?
Het is mij niet bekend hoeveel personen die woonachtig zijn in Nederland recht hebben op een pensioen van de Griekse staat. Op het moment dat iemand in Nederland een AOW-pensioen aanvraagt speelt de SVB een rol bij het bevorderen van de aanvraag van een Grieks staatspensioen van personen die in het verleden in Griekenland verzekerd zijn geweest. De SVB beschikt niet over cijfers van het totaal aantal personen in Nederland met een Grieks pensioen omdat er niet altijd sprake is van samenloop met een AOW-pensioen. Een Grieks pensioen kan ingegaan zijn voor de AOW-gerechtigde leeftijd of iemand kan, met behoud van het Griekse pensioen, naar Nederland zijn gekomen zonder dat er recht is op een AOW-pensioen.
Hoeveel Nederlanders (woonachtig in Nederland) ontvangen ook daadwerkelijk dat pensioen van de Griekse staat?
Dat is mij niet bekend. De SVB heeft hier geen zicht op omdat de betaling van deze pensioenen niet via de SVB plaatsvindt maar rechtstreeks aan de pensioengerechtigde wordt gedaan.
Hoeveel mensen hebben zich in de afgelopen vijf jaar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (of een andere overheidsinstantie) gemeld om hulp te vragen om een Grieks pensioen te innen?
Navraag bij de SVB leert dat er enkele signalen zijn binnengekomen van pensioengerechtigden in verband met hun Griekse staatspensioenen. Een van de signalen betrof een mededeling van de Griekse ambassade in Nederland waarin gemeld wordt dat tengevolge van een wijziging in de nationale Griekse wetgeving met ingang van 1 januari 2013 niet langer een kerstbonus, paasbonus en vakantietoeslag wordt uitbetaald op een Grieks staatspensioen.
Hoeveel verzoeken heeft de SVB aan Griekenland gedaan (bijvoorbeeld aan IKA, de Griekse SVB) om die pensioenen te innen?
Geen. De SVB is niet verantwoordelijk voor het innen van de pensioenen. De Griekse pensioen worden rechtstreeks betaalbaar gesteld aan de pensioengerechtigde.
In hoeveel gevallen wordt het Griekse pensioen nu uitbetaald en hoeveel mensen hebben zich tevergeefs tot de SVB gewend voor hulp?
Het is de SVB onbekend hoeveel Griekse pensioenen worden uitbetaald. Een enkeling heeft zich tot de SVB gewend voor hulp. In deze enkele gevallen heeft de SVB contact opgenomen met haar verbindingsorgaan in Griekenland en om opheldering gevraagd. Een reactie is nog uitgebleven.
Heeft u contact met andere landen, waar mensen wonen die recht hebben op pensioenen uit Griekenland en die ook problemen ondervinden om die pensioenen te innen zoals Groot Brittannië, Duitsland en België?
Nee. Ik heb tot nu toe geen signalen ontvangen die aanleiding geven tot dergelijke stappen.
Werkt u samen met andere landen om dit probleem op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u dit probleem al eens besproken met de Griekse regering?
Zie antwoord vraag 6.
Tot wie kunnen mensen zich in Nederland wenden als zij er niet in slagen het Griekse pensioen waar zij recht op hebben, te innen?
Het innen van het ouderdomspensioen behoort tot de verantwoordelijkheid van de pensioengerechtigde zelf. Indien er op grote schaal problemen zijn, zou gekeken kunnen worden of de SVB of SZW hierin kan bemiddelen. Op dit moment zijn mij geen signalen bekend die daar aanleiding toe geven.
De definitie van samenwonen in de AOW |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Getrouwde vrouw vecht AOW-verlaging aan?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel.
Op basis van welke richtlijnen wordt in deze en andere casussen overgegaan tot het toekennen van de AOW voor gehuwden/samenwonenden? Kunt u deze richtlijnen aan de Kamer doen toekomen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen gehuwden/geregistreerd partners en ongehuwd samenwonenden die een gezamenlijke huishouding voeren. In de AOW is wettelijk vastgelegd dat gehuwden en geregistreerd partners een AOW-pensioen ontvangen van 50% van het wettelijke minimumloon (WML) per persoon. Het is daarbij niet relevant of deze personen wel of niet in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. Alleen als gehuwden gescheiden zijn van tafel en bed of als gehuwden en geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven, worden zij als alleenstaanden aangemerkt. In dat geval bestaat recht op een AOW-pensioen van 70% WML per persoon.
In de AOW is voorts vastgelegd dat twee ongehuwd samenwonenden gelijkgesteld worden met gehuwden als zij met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Van een gezamenlijke huishouding is volgens de wet sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) én blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (verzorgingscriterium). De uitvoeringsinstantie stelt op basis van objectieve feitelijke omstandigheden in het individuele geval vast of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De op dit punt gevormde jurisprudentie biedt daarvoor handvatten. Kern van de jurisprudentie is dat het uiteindelijke oordeel het resultaat is van een afweging van alle factoren, die uitsluitend in het individuele geval kan plaatsvinden.
Herinnert u zich nog dat u in het debat van 30 mei 2013 de Kamer toegezegd heeft voor 1 september nadere informatie verstrekken over de aanpak van het criterium «samenwonen» in de AOW? 2
Ja.
Kunt u de Kamer hierover per ommegaande informeren?
Ik heb naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verkenning opgesteld van alternatieven voor de huidige invulling van het criterium samenwonen in de AOW. Deze verkenning zend ik tegelijkertijd met de antwoorden op uw Kamervragen naar de Tweede Kamer.
Misbruik van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) |
|
Farshad Bashir , Paul Ulenbelt , Jasper van Dijk |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «De Poolse weg: de nepcursus als melkkoe»?1
Er is nog een aantal mbo-instellingen dat zich niet aan de wet- en regelgeving houdt dan wel waarvan opleidingen niet de noodzakelijke kwaliteit hebben. Dit betreft zowel niet- bekostigde als bekostigde mbo-instellingen en daarbij gaat het met name om mbo-bbl opleidingen.
Ik heb hierover regelmatig contact met de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie), aangezien opleidingen van onvoldoende kwaliteit onder haar geïntensiveerd toezicht staan.
Met de inrichting van de subsidieregeling praktijkleren, die ik u op 16 september jl. heb gestuurd, worden maatregelen genomen, die misbruik, zoals in het betreffende bericht, zoveel mogelijk moeten tegengaan.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat bedrijven misbruik maken van de WVA door werknemers naar opleidingen te sturen die weinig tot niets bijdragen aan hun werkzaamheden, maar wel een belastingvoordeel voor het bedrijf opleveren? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. De afdrachtvermindering onderwijs (AV onderwijs) was bedoeld om werkgevers te stimuleren leerwerkplekken aan te bieden, zodat zij over de gehele linie van de arbeidsmarkt kunnen beschikken over beter opgeleid personeel. Werknemers kunnen hierdoor de beroepspraktijkvorming krijgen die hen in staat stelt een duurzame plek op de Nederlandse arbeidsmarkt te verwerven om daarmee bij te dragen aan de Nederlandse (kennis)economie.
Het is niet de bedoeling een opleiding minimaal in te richten om vervolgens AV onderwijs te claimen. Het verkrijgen van een belastingvoordeel mag niet het doel op zich zijn, maar slechts een middel om de achterliggende doelstellingen te kunnen bereiken.
Kunt u aangeven van welke onderwijsinstellingen vaststaat dat zij hebben meegewerkt aan misbruik maken van de WVA door expres opleidingen te verkopen aan onder andere uitzendbureaus waarbij de opleiding minder kostte dan de belastingaftrek opleverde? Kunt u ook aangeven bij hoeveel onderwijsinstellingen het onderzoek naar misbruik van de WVA nog loopt? Kunt u verder aangeven of er nu nog steeds door samenwerking van bedrijven en onderwijsinstellingen misbruik wordt gemaakt van de WVA? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie heeft bij een aantal onderwijsinstellingen tekortkomingen aangetroffen op het punt van de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van de wettelijke eisen.
Daarbij gaat het om de volgende instellingen: ROC/AOC West Brabant, ROC Landstede en ROC De Leijgraaf. Ook bij SVO (een vakinstelling) zijn tekortkomingen aangetroffen. Voorts gaat het om de volgende niet-bekostigde instellingen: P3 Transfer, SBK, Global Academy, Vak & Werkschool en VOC. Op dit moment lopen bij twee instellingen nog onderzoeken. Of er nog steeds bij de samenwerking van bedrijven en instellingen misbruik wordt gemaakt van de AV onderwijs is niet met zekerheid te zeggen. Indien signalen hierover de Inspectie bereiken, zal een onderzoek worden ingesteld.
In hoeverre door instellingen met opzet opleidingen zijn ontwikkeld uitsluitend met het doel werkgevers AV onderwijs te laten claimen is bij de onderzoeken niet komen vast te staan.
In het evaluatierapport van het in 2012 door Regioplan uitgevoerde evaluatieonderzoek van de AV onderwijs2 is wel door de onderzoekers aangegeven dat er een wildgroei aan gebruik van de regeling is ontstaan: adviesbureaus «verkopen» de AV onderwijs actief. Daarbij gaat het volgens de onderzoekers vooral om financieel gewin en niet om de onderwijskundige inhoud van trajecten.
Het is op voorhand niet uit te sluiten dat dergelijke samenwerkingsverbanden zich nog voordoen. Zoals aangegeven, wordt hierop toegezien en wordt bij signalen hiertoe een onderzoek ingesteld, zowel door de Belastingdienst als door de Inspectie.
Kunt u aangeven hoeveel opleidingen zijn aangeboden door onderwijsinstellingen waarbij het hoofddoel niet was het goed opleiden van mensen, maar het aan bedrijven bieden van de mogelijkheid belastingkorting te ontvangen? Kunt u ook aangeven om welke opleidingen aan welke onderwijsinstellingen het gaat?
De Inspectie heeft bij een aantal instellingen tekorten geconstateerd in de onderwijskwaliteit en/of de naleving van de wettelijke bepalingen.
De opleidingen waarom het gaat, zijn vermeld in de rapporten van de genoemde instellingen in mijn antwoord op vraag 3. Deze zijn na vijf weken op de website van de Inspectie gepubliceerd. Er kan worden geconstateerd dat het met name gaat om de opleidingen tot contactcentermedewerker, arbeidsmarktgekwalificeerd assistent, chauffeur, procestechnicus, verzorgende en communicatie en logistiek medewerker en opleidingen binnen plantenteelt.
Kunt u aangeven hoeveel diploma’s en certificaten zijn uitgereikt aan werknemers van bedrijven die misbruik maakten van de WVA? Zo nee, waarom niet?
Nee, daarop kan ik geen antwoord geven en dat komt omdat niet alle deelnemers, die bedrijfsgerichte trajecten hebben gevolgd, het examen hebben afgelegd. Aangezien de examens geen onderdeel zijn geweest van het onderzoek, kan over de examinering dan ook geen oordeel worden gegeven.
Deelt u de mening dat de waarde van diploma’s en certificaten van de opleidingen, waar deze vorm van misbruik van de WVA plaats heeft gevonden, is gedaald? Deelt u de mening dat andere studenten, die niets te maken hadden met misbruik van de WVA, nu de dupe zijn doordat hun diploma of certificaat minder waard is? Zo nee, waarom niet?
Wij zijn ons er terdege van bewust dat door het aanbieden van opleidingen die niet aan de maat zijn de waarde van het diploma kan dalen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid op mijn beleidsterrein stel ik alles in het werk om dat te voorkomen. Onder meer door gericht onderzoek door de Inspectie te laten uitvoeren.
Studenten in (reguliere) opleidingen zijn niet de dupe van deze kwestie geworden, omdat zij een volwaardig traject hebben doorlopen dat voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en inrichtingsvoorschriften.
Kunt u bevestigen dat op (een deel van) de opleidingen waar misbruik van de WVA heeft plaatsgevonden les wordt gegeven door onbevoegde docenten zonder enige onderwijservaring? Deelt u de mening dat de onderwijskwaliteit daardoor in gevaar komt en dit dus in alle gevallen voorkomen dient te worden?
De Inspectie heeft in haar onderzoeken geconstateerd dat op verschillende plaatsen door onbevoegde docenten is lesgegeven. Dat komt de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. Er moet sprake zijn van docenten die benoembaar zijn, daaronder ook begrepen zij-instromers die gedurende een korte periode op basis van een geschiktheidsverklaring mogen lesgeven terwijl zij bezig zijn hun bevoegdheid te behalen.
Kunt u op korte termijn inzichtelijk maken hoeveel onbevoegde docenten op dit moment in het MBO (middelbaar beroepsonderwijs) werkzaam zijn? Zo nee, gaat u ervoor zorgen dat deze informatie, in het belang van de kwaliteit, zo snel mogelijk inzichtelijk wordt?
De Inspectie ziet tijdens haar regulier toezicht toe op de bevoegdheid van docenten, zodat hiervan een representatief beeld ontstaat.
Uw Kamer is met de brief van 2 juli 20123 en het onderzoek naar bevoegdheden van mbo-docenten door de Inspectie geïnformeerd over de meest actuele stand van zaken op dat punt.
Door de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is het toezicht op de kwaliteit van het leraarschap aangescherpt.
Bent u van mening dat bij «cursussen van enkele avonden» zoals vermeld in het artikel, gegeven door onbevoegde docenten, sprake kan zijn van onderwijs dat opleidt tot een erkende MBO-kwalificatie?
Het onderwijs in beroepsopleidingen bestaat uit begeleide onderwijstijd en beroepspraktijkvorming. Die combinatie van activiteiten (gericht en in omvang) moet voldoende zijn om de kwaliteit van het onderwijs en het diploma te garanderen. In de nieuwe wetgeving is voor de beroepsbegeleidende leerweg vastgelegd dat de instelling begeleid onderwijs aanbiedt voor minimaal 200 uur. Deze urennorm geldt vanaf 1 augustus 2013. Dit geeft de opleiding meer fundament voor het leveren van kwaliteit.
Deelt u de mening dat het misbruik mede mogelijk werd gemaakt door de commerciële activiteiten bij MBO-scholen (zoals P3transfer)? Zo nee, waarom niet?
Ook opleidingen die als commerciële activiteit in de markt worden gezet dienen aan de wettelijke eisen te voldoen.
Het College van Bestuur en de Raad van Toezicht dienen daarvoor te zorgen. Zie verder ook het antwoord op vraag 11.
Deelt u de mening dat commerciële activiteiten niet thuishoren in publiek bekostigde instellingen? Zo ja, wat gaat u ondernemen om dit tegen te gaan? Zo nee, hoe voorkomt u nieuwe onregelmatigheden?
Ik wil het komende halfjaar met het middelbaar beroepsonderwijsveld en betrokken partners (zoals bedrijven en andere partners in de arbeidsmarktregio’s) in gesprek gaan over de vraag of met de agenda «Focus op Vakmanschap» en de aanscherpingen in het regeerakkoord het beroepsonderwijs voldoende is toegerust voor de uitdagingen van de toekomst. Ik betrek daarbij ook de positie van commerciële activiteiten in het onderwijsbestel.
Ik streef ernaar uw Kamer begin 2014 te informeren over de uitkomst hiervan.
Kunt u aangeven welke uitzendbureaus, sociale werkplaatsen en transportbedrijven hebben meegewerkt aan deze vorm van fraude? Zo nee, waarom niet? Naar hoeveel uitzendbureaus, sociale werkplaatsen en transportbedrijven loopt er nog een onderzoek?
Nee, uw vraag kan ik niet beantwoorden. Op grond van de geheimhoudingsplicht worden wat betreft fiscale aangelegenheden nimmer uitspraken gedaan over individuele belastingplichtigen.
Kunt u een inschatting geven hoeveel belastingkorting te veel is ontvangen door bedrijven die hun werknemers een opleiding lieten doen met als hoofddoel het ontvangen van belastingkorting en zo dus misbruik maakten van de WVA? Zo nee, waarom niet?
In het evaluatierapport van het in 2012 door Regioplan uitgevoerde evaluatieonderzoek naar de AV onderwijs is een aantal vormen van onbedoeld gebruik benoemd. Een deel daarvan heeft betrekking op het gebruik van de AV onderwijs voor leertrajecten die alleen op papier mbo-opleidingen zijn, maar in de praktijk weinig onderwijskundige kwaliteit hebben. Verder wordt in de evaluatie het gedrag van subsidieadviesbureaus genoemd die zich gespecialiseerd hebben in het (soms achteraf) administratief in orde maken van claims rondom de AV onderwijs. Zoals in het evaluatierapport is aangegeven, is geen gefundeerde schatting te geven van wat in kwantitatieve zin teveel aan belastingkorting is ontvangen, omdat gegevens daarover niet beschikbaar zijn.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijken uit de onderwijsinstellingen en bedrijven die hebben meegewerkt aan misbruik van de WVA gestraft worden voor de daden die zij hebben begaan? Bent u bereid deze mensen te onderwerpen aan een strafrechtelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Wanneer bij controle door de Belastingdienst blijkt dat ten onrechte AV onderwijs is geclaimd, kan een naheffingsaanslag, al dan niet met boete, worden opgelegd of – afhankelijk van de aard van het oneigenlijk gebruik – strafvervolging worden ingesteld.
Voor de onderwijsinstelling geldt, dat bij controle door de Inspectie volgens de wet gelegenheid wordt gegeven om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Als daarvan blijkens de hercontrole geen sprake is, kunnen aan die opleiding de rechten worden ontnomen, waardoor de instelling geen diploma meer kan afgeven en er geen bekostiging kan worden verkregen voor die betreffende opleiding. Als daarnaast blijkt dat sprake is geweest van onterechte bekostiging, wordt deze van de instelling teruggevorderd. Ook voor onderwijsinstellingen geldt dat indien er een redelijk vermoeden is van strafbare feiten er strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie kan worden ingesteld.
Wat gaat u op korte termijn doen om verdere schade voor het aanzien van het MBO-onderwijs en MBO-diploma’s te voorkomen?
In het regeerakkoord is vastgelegd dat de AV onderwijs per 1 januari 2014 wordt afgeschaft en een subsidieregeling praktijkleren wordt ingericht.
Een subsidieregeling op de begroting van OCW kan doelgerichter worden ingericht waardoor onbedoeld gebruik van de regeling effectiever kan worden tegengegaan. De nieuwe subsidieregeling praktijkleren is op 16 september jl. naar uw Kamer gestuurd.
Kunt u garanderen dat de onderste steen boven komt in dit verhaal van grootschalige misbruik van de WVA? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet? Kunt u toezeggen dat er genoeg capaciteit is bij de FIOD (Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst) en andere inspecties om te zorgen dat deze vorm van misbruik uitgebreid wordt onderzocht? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Indien op het tripartite overleg tussen de Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie wordt besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, stelt de FIOD hiervoor capaciteit beschikbaar.
Binnen de Belastingdienst is sprake van specifieke aandacht voor de toepassing van de AV onderwijs, zowel in de klantbehandeling als in de controle. Hierbij moet opgemerkt worden dat een onderzoek naar de toepassing van de AV onderwijs in de meeste gevallen arbeidsintensief is en een flinke doorlooptijd kent.
Het bericht ‘Weduwe buitenland houdt pensioen’ |
|
Barry Madlener (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Weduwe buitenland houdt pensioen»?1
Ja.
Gaat het kabinet in beroep tegen deze uitspraak van de rechter? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Sociale Verzekeringsbank zal hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 22 augustus jl., waarin de Rechtbank heeft geoordeeld dat de verlaging per 1 januari 2013 van reeds lopende nabestaanden-uitkeringen door toepassing van het woonlandbeginsel in strijd is met verschillende internationale regelingen.
Bent u nog steeds van mening dat de nabestaandenuitkeringen van weduwen die naar het buitenland vertrekken moeten worden aangepast (verlaagd) naar het niveau van het woonland? Zo nee, waarom niet?
Ja, conform de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid wordt de hoogte van een uitkering in het kader van de Algemene nabestaandenwet (Anw) in landen buiten de EU, EER en Zwitserland afgestemd op het kostenniveau van het land waar de belanghebbende woont.
Bent u bereid op de kortst mogelijke termijn reparatiewetgeving voor te leggen aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Nee, de Sociale Verzekeringsbank zal hoger beroep instellen tegen de uitspraak. Reparatiewetgeving is niet aan de orde.
Hoeveel zou deze rechterlijke uitspraak de Nederlandse belastingbetaler per jaar extra kunnen kosten?
Voor verlaging van de nabestaandenuitkeringen door toepassing van het woonlandbeginsel is vanaf 2013 in totaal circa € 8 mln. ingeboekt. Dit bedrag loopt – in verband met de afnemende groep van mensen geboren voor 1950 in de Algemene nabestaandenwet – de komende jaren af.
Deelt u de mening dat het gekkenwerk is dat horden Marokkaanse en Turkse vrouwen hun Nederlandse uitkering houden in Marokko en Turkije?
De Sociale Verzekeringsbank voert de door het parlement aangenomen sociale zekerheidswetgeving uit.
Armoede en de toenemende vraag naar schuldhulpverlening |
|
Paul Ulenbelt |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de thema-uitzending van EenVandaag over armoede?1
Zoals ik in de uitzending al heb aangegeven is effectief armoede- en schuldenbeleid – zeker in deze moeilijke economische tijd – van groot belang. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor dit beleid en het kabinet helpt hen hierbij. Dit doet het kabinet door extra middelen ter beschikking te stellen, maar bijvoorbeeld ook door kennisuitwisseling te faciliteren.
Wat is uw reactie op de zorgen die Joke de Kock, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), uit in de uitzending over de groeiende groep mensen in de schuldhulpverlening met inkomen uit arbeid? Welke specifieke maatregelen gaat u nemen om deze problemen op te lossen?
Het klopt dat tegenwoordig steeds meer mensen met een inkomen uit arbeid een beroep moeten doen op de schuldhulpverlening. Een «life event», zoals een scheiding en/of het niet kunnen verkopen van een huis, kan er toe leiden dat het water bij mensen aan de lippen staat. Het is dan ook erg belangrijk dat iedereen zijn huishoudboekje op orde heeft en bij een financiële tegenslag zijn uitgavenpatroon snel aanpast.
Zoals ik de Tweede Kamer op 3 juli jl. (TK 2012–2013, 24 515, nr. 265) heb laten weten, zet ik stevig in op preventie en vroegsignalering van (problematisch) schulden. Voor de groep mensen met een inkomen uit arbeid is de werkgever iemand die in een vroeg stadium kan signaleren dat iemand financieel in zwaar weer verkeert. Een werkgever heeft bijvoorbeeld weet van een loonbeslag, krijgt een verzoek om een voorschot, een lening of om meer uren te mogen werken of krijgt te maken met meer ziekteverzuim. Er vinden momenteel gesprekken plaats tussen mijn ministerie, Divosa, Nibud en Wijzer in Geldzaken, en afzonderlijk met enkele werkgevers, over mogelijke acties waarmee werkgevers ondersteund kunnen worden hun signalerende functie in deze maximaal in te zetten.
Wat is uw reactie op de zorgen die Joke de Kock uit in de uitzending over de staat van de schuldhulpverlening? Hoe ziet u deze zorgen in het licht van het bericht «Amsterdamse daklozen lijden onder trage schuldhulp»?2
Ik deel de mening van Joke de Kock dat het erg belangrijk is dat de schuldhulpverlening goed is verankerd. Het bericht «Amsterdamse daklozen lijden onder trage schuldhulp» onderschrijft dit. Dit kabinet versterkt de (gemeentelijke) schuldhulpverlening onder andere door het ontwikkelen van business cases integrale aanpak schuldhulpverlening en door het beschikbaar stellen van extra middelen. Verder ga ik in oktober gedurende een week het land in om goede voorbeelden op het vlak van armoede- en schuldenbeleid op te halen en deze te verspreiden. Bij het verzamelen van deze goede voorbeelden doe ik een beroep op gemeenten, maatschappelijke organisaties en vrijwilligers.
Bent u van plan om de extra middelen van 20 miljoen euro voor armoedebestrijding in te zetten voor specifieke doelgroepen? Welke harde doelstelling (in cijfers) heeft u in het kader van armoedebestrijding?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 3 juli jl. gaat het leeuwendeel van de middelen naar de gemeenten. Ik zal deze middelen niet oormerken. Hierdoor worden gemeenten in staat gesteld integraal maatwerk te bieden. Ook zal ik geen kwantitatieve doelstelling hanteren. Wel vraag ik gemeenten in het najaar 2014 inzicht te geven in de versterking van het armoede- en schuldenbeleid sinds juli 2013, met specifieke aandacht voor hun ondersteuning van kinderen die opgroeien in armoede.
Kunt u aangeven hoe groot het bestaande budget voor armoedebestrijding is? Kunt u ook aangeven hoe groot het bestaande budget voor schuldhulpverlening is? Zo nee, waarom niet?
In totaal wordt circa € 6,2 miljard (SZW-begroting 2014) door gemeenten aan bijstandsuitkeringen besteed. Daarbovenop bestrijden gemeenten armoede- en schuldenproblematiek onder ander door het aanbieden van een stadspas, het kwijtschelden van gemeentelijke belastingen en het verstrekken van bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. De middelen die hiervoor worden ingezet zijn integraal onderdeel van het Gemeentefonds en dus niet als zodanig geoormerkt. Via de Bijstandsuitkeringenstatistiek wordt door de gemeenten aangegeven welk bedrag zij direct besteden aan mensen die een beroep doen op bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. In 2012 was dit € 279 miljoen (SZW-jaarverslag 2012; pagina 60)).
Kunt u aangeven of er de komende jaren verandering in deze budgetten komt? Hoeveel geld komt er extra beschikbaar voor de bestrijding van armoede en hoeveel geld komt er extra beschikbaar voor de schuldhulpverlening?
Het kabinet heeft in 2013 een bedrag van € 20 miljoen extra beschikbaar gesteld voor armoede- en schuldenbeleid. De komende jaren gaat het kabinet het armoede- en schuldenbeleid verder intensiveren en stelt daartoe in 2014 € 80 miljoen euro en voor 2015 en latere jaren € 100 miljoen euro extra ter beschikking. Een groot deel van deze middelen zal beschikbaar gesteld worden aan gemeenten, die primair verantwoordelijk zijn voor het armoede- en schuldenbeleid.
Wat is uw reactie op het bericht «Grootste koopkrachtdaling sinds 1985»?3
De koopkrachtdaling hangt samen met de economische recessie waar Nederland zich in bevindt. De werkloosheid is toegenomen, lonen blijven achter bij de inflatie, pensioenen worden verlaagd en veel zelfstandig ondernemers hebben moeite om opdrachtgevers te vinden. Daarnaast drukken de bezuinigingsmaatregelen die nodig zijn om de overheidsbegroting op orde te brengen ook de koopkracht. De recessie is helaas nog niet voorbij. Daarom zullen in 2013 en 2014 veel mensen merken dat hun koopkracht afneemt.
Vindt u het acceptabel dat juist de bijstandsgerechtigden en gepensioneerden veel koopkracht inleveren? Zo nee, wat gaat u eraan doen om de koopkracht van deze mensen te repareren?
Wanneer de overheid moet bezuinigen is het helaas onvermijdelijk dat mensen die veel van overheidsregelingen gebruik maken, zoals bijstandsgerechtigden en gepensioneerden, daar mee te maken krijgen. Bovendien zien veel gepensioneerden met aanvullend pensioen hun koopkracht afnemen doordat pensioenfondsen vanwege hun financiële positie pensioenen niet kunnen indexeren of moeten verlagen. Het kabinet vindt het van belang dat er bij het invullen van de bezuinigingen voor gezorgd wordt dat er niet teveel van deze groepen wordt gevraagd. Daarom is afgelopen augustus met het oog op een evenwichtig koopkrachtbeeld voor 2014 besloten tot het naar voren halen van de verhoging en afbouw van de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting wordt daardoor in 2014 in de tweede en derde schijf van de inkomstenbelasting met 2% afgebouwd. Hierdoor kan de algemene heffingskorting met circa € 90 worden verhoogd. Daarnaast komt er in 2014 een eenmalige extra uitkering voor minima.
Kunt u aangeven welke maatregelen van dit kabinet de inkomenspositie van de lagere inkomens nog verder raken? Kunt u ook aangeven in welke mate de inkomensposities van de lagere inkomens worden geraakt? Zo nee, waarom niet?
Het koopkrachtbeeld voor 2014 en de maatregelen die de koopkracht beïnvloeden worden in de inkomensbijlage in de SZW-begroting uitgebreid toegelicht.
Het huren van kantoren door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van bedrijven die niet in Nederland gevestigd zijn |
|
Paul Ulenbelt |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Kunt u bevestigen dat drie gebouwen die gehuurd worden door het UWV eigendom zijn van de Amerikaanse belegger Fortress?1
UWV heeft huurovereenkomsten gesloten met verhuurders die in Nederland en Duitsland zijn gevestigd. Zij stonden in mei 2013 in het Kadaster geregistreerd als (juridisch) eigenaar van de betreffende panden. In situaties waarbij sprake is van onderhuur (veelal van gemeenten), is de eigendomssituatie niet onderzocht.
Kunt u aangeven of nog meer kantoren die gehuurd worden door het UWV geen eigendom zijn van Nederlandse of Duitse bedrijven, maar van bedrijven uit andere landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u nog steeds van mening dat bij het aangaan van huurovereenkomsten de taak van het UWV zich beperkt tot het sluiten van een rechtmatige overeenkomst met een verhuurder?2 Ook als dit kan betekenen dat belasting- en premiegeld terechtkomt bij dubieuze investeerders? Zo ja, waarom?
Zoals u reeds gemeld, ben ik van mening dat de taak van UWV zich beperkt tot het sluiten van een rechtmatige overeenkomst met de verhuurder van het pand. De organisatie- en financieringsstructuur blijft daarmee de verantwoordelijkheid van de verhuurder, al mag deze structuur niet worden misbruikt voor criminele activiteiten of frauduleus handelen door een verhuurder. Het is echter aan de politie en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst om op te sporen en het Openbaar Ministerie om te vervolgen.
Vanaf 1 juli 2013 heeft UWV ingevolge de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) de mogelijkheid gekregen om de integriteit van een verhuurder te beoordelen. UWV stelt hiervoor momenteel een Bibob-beleidslijn op en zal deze beleidslijn toepassen bij de huur van panden. Indien bij het onderzoek naar de rechtstreekse verhuurder signalen naar voren komen die wijzen op een (mogelijk) probleem met de integriteit van een verhuurder, kan UWV -afhankelijk van het signaal- een integriteitsonderzoek starten. Daarbij geldt dat een onderzoek naar de integriteit van een verhuurder een ingrijpend karakter heeft en gericht en weloverwogen moet worden ingezet. UWV heeft tevens de bevoegdheid om het Landelijk Bureau Bibob om aanvullend advies te vragen.
Wordt er bij het afstoten van overheidsvastgoed onderzoek gedaan naar de potentiële kopers, zodat de overheid niet ongewild criminele activiteiten mogelijk maakt? Zo nee, waarom niet?
Er vindt in het huidige systeem geen onderzoek plaats naar potentiële kopers. Het afstoten van overheidsvastgoed vindt plaats op basis van openbaarheid waarbij op voorhand niet vaststaat welke belangstellende partij een onroerende zaak daadwerkelijk zal verwerven. Echter, mede naar aanleiding van de aanpassingen van de Wet Bibob wordt thans beleid geformuleerd waarbij toetsing kan leiden tot opschorting of ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling.
Bent u bereid om voor alle gebouwen die gehuurd worden door het UWV het Bureau Bibob (Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) om een integriteitsbeoordeling van de verhuurder te vragen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het sluiten van sociale werkplaatsen |
|
Paul Ulenbelt |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op uitspraken van de directeuren van sociale werkplaatsen dat het sluiten van de sociale werkplaatsen zal leiden tot meer werkloosheid en een stijging van het aantal uitkeringsgerechtigden?1 2
Met mijn brief van 27 juni 2013 heb ik u geïnformeerd over de hoofdlijnen van de Participatiewet na de totstandkoming van het sociaal akkoord. Met de Participatiewet wordt de instroom van de Wsw met ingang van 1 januari 2015 afgesloten. Het Rijk sluit daarbij geen sw-bedrijven. De rechten en plichten van de mensen die op dat moment aan de slag zijn in het sw-bedrijf veranderen niet. Het aantal mensen met een Wsw-dienstbetrekking neemt vervolgens af op basis van natuurlijk verloop. Gemeenten blijven middelen ontvangen om deze dienstbetrekkingen te laten voortduren.
Gelijktijdig met het afsluiten van de Wsw krijgen gemeenten de beschikking over een nieuw instrumentarium (loonkostensubsidie en voorziening beschut werk) met bijbehorende middelen om mensen met een arbeidshandicap aan het werk te helpen. Daarnaast zijn afspraken met de sociale partners gemaakt over het beschikbaar stellen van 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking bij reguliere werkgevers en 25.000 in het publieke sector. Als werkgevers onvoldoende banen realiseren, treedt na overleg met sociale partners en gemeenten een wettelijke quotumregeling in werking.
Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en hebben het voortouw in het samen met de sociale partners invullen van de Werkbedrijven in de Werkkamer. Gemeenten kunnen daarbij gebruik maken van de expertise van de sw-bedrijven. Daarom wordt bij de implementatie van de Participatiewet de koepel van de sw-bedrijven Cedris expliciet betrokken.
Kunt een overzicht geven van het aantal plaatsen (beschutte werkplekken) in de sociale werkplaatsen voor de komende vijf jaar (t/m 2018) per provincie? Zo nee, waarom niet?
Inzicht in het aantal Wsw-plekken per provincie in 2014 komt met het vaststellen van de individuele taakstelling per gemeente uiterlijk 1 oktober 2013 beschikbaar. De verdeling van de taakstelling over de gemeenten wordt na vaststelling ook gepubliceerd op het gemeenteloket.
Het verkrijgen van inzicht in de afbouw vergt een actuarieel onderzoek. Voor de verdeling van de Wsw-middelen na de afsluiting van de Wsw in 2015 wordt, met ingang van 2.014 jaarlijks op basis van actuarieel onderzoek het geschatte natuurlijk verloop van het aantal Wsw-dienstbetrekkingen per gemeente bepaald.
Kunt u een overzicht geven van het aantal toegezegde reguliere arbeidsplaatsen door werkgevers voor mensen met een beperking voor de komende vijf jaar (t/m 2018) per provincie? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb geen zicht op de regionale spreiding van toegezegde arbeidsplaatsen. In het sociaal akkoord van april 2013 hebben werkgevers in de private sector 100.000 extra banen en werkgevers in de publieke sector 25.000 extra banen toegezegd voor mensen met een arbeidsbeperking, opbouwend naar 2026. Dit is een macroafspraak zonder een regionale onderverdeling. Zie de kabinetsbrief van 11 april 2013 over de resultaten van het sociaal overleg.
Welke gevolgen heeft het sluiten van de sociale werkplaatsen voor de werkloosheidscijfers, het aantal mensen dat in armoede moet leven, en de arbeidsparticipatie voor de komende vijf jaar (t/m 2018)?
Zoals ik met mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven sluit het kabinet geen sw-bedrijven. Het is aan gemeenten om een keuze te maken welke rol sw-bedrijven krijgen in de uitvoering van de Participatiewet.
Hoe verklaart u de forse daling van meer dan 25% van de wachtlijst voor de sociale werkplaats in 2012, en de forse daling van het aantal eerste indicaties voor de sociale werkplaats? Zijn deze 5423 personen allemaal bij een reguliere werkgever in dienst genomen? Zo nee, waar zijn deze personen dan wel terecht gekomen?3
Er wordt geen onderzoek gedaan naar de achterliggende oorzaken van de lengte of de verblijfsduur van de wachtlijst Wsw. De belangrijkste verklarende factor voor de daling is dat er veel minder 1e indicaties zijn afgegeven. Uit signalen uit de praktijk kan afgeleid worden dat dit komt doordat verwijzers en werkzoekenden anticiperen op de voorgenomen wijzigingen in de Wsw (strengere indicatiestelling van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen en het afsluiten van nieuwe instroom onder de nieuwe Participatiewet).
Mensen die geen Wsw-indicatie aanvragen blijven als uitkeringsgerechtigde of nugger onder de reguliere re-integratieverantwoordelijkheid van gemeenten en UWV vallen. Ik heb geen zicht op de mate waarin mensen die voor een Wsw-indicatie in aanmerking komen, via de reguliere kanalen aan de slag zijn gegaan bij een reguliere werkgever.
Hoe verklaart u het feit dat, ondanks dat er maximaal op is ingezet, het aantal werknemers met een indicatie voor de sociale werkplaats dat bij een reguliere werkgever is gaan werken (begeleid werken) voor ongeveer 90% ook weer is «uitgevallen», waardoor het aantal mensen dat begeleid werkt bij een reguliere werkgever nauwelijks is gestegen in 2012?
Ik herken mij niet in de conclusie dat 90% van de begeleid werken dienstbetrekkingen hetzelfde jaar mislukt. In de Wsw-statistiek wordt in tabel 5.4 een overzicht gegeven van het aantal mensen dat in 2012 met een begeleid werken dienstbetrekking is gestart (1.402) en het aantal mensen van wie in 2012 de begeleid werken dienstbetrekking is beëindigd (1.288). Dit betreft niet noodzakelijkerwijs dezelfde mensen, want veel meer mensen werken begeleid dan alleen de instroom en de uitstroom. Eind 2012 werkten er bijvoorbeeld in totaal 6.325 mensen via begeleid werken bij een reguliere werkgever.
Tabel 5.15 geeft inzicht in de reden van beëindiging. Dienstbetrekkingen worden beëindigd in verband met onvoldoende medewerking (2%), vervallen van de indicatie (1%), ontslag op eigen verzoek (7%), niet verlengen na proeftijd (3%), niet verlengen na tijdelijk aanstelling (44%), overlijden, pensioen of 2 jaar ziek (10%), overige redenen (31%).
Armoede onder huurders |
|
Paul Ulenbelt |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Woonbond dat steeds meer huurders in armoede leven?1
Met de Nederlandse Woonbond ben ik van mening dat het belangrijk is dat de woonlasten voor huurders betaalbaar zijn. Het kabinet houdt bij het vergroten van de mogelijkheden tot huurverhoging in de gereguleerde sector dan ook rekening met de positie van huishoudens met lagere inkomens. Niettemin neemt het kabinet het signaal van de Woonbond over de gevolgen van een stijgende woonquote voor huurders uiterst serieus.
In deze moeilijke economische tijd hebben veel mensen het niet gemakkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Onder hen ook veel mensen die een woning huren. Daarom versterkt het kabinet de komende jaren het armoede- en schuldenbeleid. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor dit beleid en zij hebben de taak om er voor te zorgen dat mensen met een laag inkomen of problematische schulden toch mee kunnen blijven doen. Het kabinet stelt gemeenten hiertoe in staat door kennisuitwisseling te stimuleren en door extra middelen beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft in 2013 een bedrag van € 20 miljoen extra beschikbaar gesteld voor armoede- en schuldenbeleid. De komende jaren gaat het kabinet het armoede- en schuldenbeleid verder intensiveren en stelt daartoe in 2014 € 80 miljoen euro en voor 2015 en latere jaren € 100 miljoen euro extra ter beschikking. Een groot deel van deze middelen zal beschikbaar gesteld worden aan gemeenten.
Vindt u het acceptabel dat 28% van de huurders van gereguleerde huurwoningen na aftrek van de woonlasten niet genoeg geld overhoudt voor onvermijdbare uitgaven en sociale participatie? Zo ja, vindt u het ook acceptabel dat dit percentage in 2017 zal oplopen tot 35%? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat de verhuurdersheffing ervoor zorgt dat mensen met een laag inkomen nog minder te besteden krijgen en daardoor verder in de problemen raken? Zo nee, waarom niet?
De verhuurderheffing richt zich op verhuurders van huurwoningen in de gereguleerde sector en wordt geheven bij de verhuurder, zoals een woningcorporatie. Verhuurders kunnen deze heffing financieren door het benutten van de ruimere mogelijkheden tot huurverhoging. Het is echter niet noodzakelijk dat de heffing (volledig) uit deze huurverhogingen wordt gefinancierd; verhuurders hebben ook andere mogelijkheden om de heffing in te vullen, zoals efficiencyverbetering en verkoop van woningen. Er is dus geen directe relatie tussen de verhuurderheffing en de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen. Bovendien worden de effecten van eventuele huurverhogingen voor de laagste inkomensgroepen beperkt door de werking van de huurtoeslag. Hiervoor is in het Regeerakkoord ook een bedrag oplopend tot € 420 miljoen in 2017 opgenomen. In de brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst aan de Tweede Kamer d.d. 28 februari 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193) is ingegaan op de inkomenseffecten van de mogelijke huurverhogingen, waarbij is aangegeven dat 90% van de huurtoeslagontvangers te maken zal krijgen met een inkomenseffect dat kleiner is dan – 0,1% op jaarbasis.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat dit kabinet ervoor zorgt dat armoede onder huurders toeneemt? Zo nee, waarom niet? Kunt u garanderen dat het beroep dat huurders op de schuldhulpverlening moeten doen vanwege de gevolgen van de verhuurdersheffing niet verder oploopt?
Zoals gezegd heeft dit kabinet verschillende maatregelen getroffen die met name gericht zijn op mensen met een laag inkomen. Ik deel de analyse dat het kabinet ervoor zorgt dat armoede onder huurders toeneemt dus niet. Huurders die als het gevolg van het gedifferentieerde huurbeleid een inkomensafhankelijke huurverhoging hebben gekregen, hebben overigens op het moment dat hun inkomen daalt recht op huurverlaging. De voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn beschreven door de minister voor Wonen en Rijksdienst in zijn integrale visie op de woningmarkt, zoals verstuurd per brief naar beide Kamers der Staten Generaal d.d. 28 februari 2013 (Kamerstukken 2012/13, 32 847). Niettemin is het in deze economisch moeilijk tijden niet uit te sluiten dat meer mensen het moeilijk hebben om hun huishoudboekje sluitend te krijgen en in het uiterste geval een beroep moeten doen op de schuldhulpverlening.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de huurders een beroep heeft gedaan op de schuldhulpverlening in 2010, 2011, 2012 en 2013? Kunt u tevens aangeven wat de prognoses voor 2014 zijn?
Die gegevens heb ik niet tot mijn beschikking. De NVVK, vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, brengt wel het percentage aanvragen bij NVVK-leden in beeld van klanten met (problematische) schulden en een eigen woning. Dit percentage bedroeg in 2011 en 2012 respectievelijk 12% en 16%. Hieruit is niet direct af te leiden hoeveel mensen een woning huren. Mensen zonder eigen woning kunnen bijvoorbeeld ook bij familie of vrienden inwonen of in een opvanginstelling verblijven.
Bent u bereid op zoek te gaan naar mogelijkheden om de huurtoeslag te verbeteren en gematigd huurbeleid te voeren? Zo nee, bent u bereid op een andere manier het koopkrachtverlies van huurders te repareren?
Het kabinet houdt de koopkracht van verschillende groepen altijd nauwgezet in de gaten en heeft verschillende maatregelen getroffen om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld. U bent hierover op Prinsjesdag geïnformeerd.
Het bericht dat het UWV te traag is met het uitbetalen van loon bij faillissementen in Noord-Holland |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «UWV te traag met uitbetalen»?1
Ik heb kennis genomen van het NOS-bericht. Een sterke stijging van het aantal faillissementen in de regio Noord Holland Noord heeft er helaas voor gezorgd dat UWV in totaal 500 faillissementsuitkeringen niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen uitkeren. UWV is daarom overgegaan tot het betalen van voorschotten op de faillissementsuitkeringen. Voorschotten worden vastgesteld op de te verwachten hoogte van de uitkeringen.
Kunt u bevestigen dat dit probleem alleen in Noord-Holland speelt en dat er in andere provincies dus geen sprake is van te traag uitbetalen door het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen)?
Dit probleem speelde eenmalig en alleen in Noord-Holland. Helaas is het aantal faillissementen de afgelopen jaren flink gestegen. Daar heeft UWV op geanticipeerd door extra personeel in te zetten op de afdelingen die de faillissementen afhandelen. In de regio Noord Holland Noord was echter sprake van een sterke stijging van het aantal aanvragen in een korte periode.
Kunt u bevestigen dat het in Noord-Holland zo’n 500 medewerkers betreft die te laat uitbetaald zullen worden?
Ja, het gaat om ongeveer 500 personen. Aan ongeveer de helft hiervan is uiterlijk vrijdag 16 augustus een voorschot uitgekeerd. De andere helft heeft in de week van 19 augustus een voorschot ontvangen.
Kunt u bevestigen dat deze 500 medewerkers op vrijdag 16 augustus de achterstallige betalingen zullen ontvangen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waardoor de achterstand bij het uitbetalen veroorzaakt is? Kunt u aangeven hoe ervoor wordt gezorgd dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
De achterstand bij het uitbetalen is ontstaan vanwege een onverwacht sterk stijgend aantal faillissementen in een korte periode. UWV zal in het vervolg nog beter aandacht besteden aan het signaleren van dergelijke grote stijgingen zodat vroegtijdig het benodigde extra personeel kan worden ingezet. Gezien de vervelende situatie die ontstaat voor betrokkenen die te laat een faillissementuitkering ontvangen, wordt op deze wijze gepoogd dit te voorkomen.
Hoe ziet u de problemen met te traag uitbetalen in het licht van de bezuinigingen op het UWV? Deelt u de mening dat door het inkrimpen van het personeelsbestand van het UWV van 18.500 arbeidsplaatsen in 2010 naar 14.500 arbeidsplaatsen in 2018, terwijl de werkloosheid blijft oplopen en het aantal faillissementen heel hoog is, zal zorgen voor onderbezetting en zal leiden tot nog meer problemen met uitbetalingen? Zo nee, waarom niet?
UWV staat voor een grote opgave, gezien de oplopende werkloosheid en de forse bezuinigingen. Bij de vaststelling van het meerjarige budget voor de uitvoeringskosten wordt echter rekening gehouden met de verwachte volumeontwikkelingen. Voor oplopende volumes krijgt UWV extra budget toegekend. De reguliere bezetting is van voldoende niveau om het werk aan te kunnen. Uitschieters worden opgevangen door over vestigingen heen het personeel uit te wisselen om regionale piekbelasting aan te kunnen.
Het achterhalen van vaders van niet-erkende kinderen |
|
Magda Berndsen (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Verwekker moet betalen» en «Aangeslagen voor andermans kind»?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichten?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 1 van het lid De Wit (ingezonden 13 augustus 2013).
Hoe stelt de gemeente vast of iemand de biologische vader is van een niet-erkend kind en of op hem een alimentatieplicht rust? Kunt u de procedures en de rechtsmiddelen van de betrokkenen uiteenzetten?
De wijze waarop het college zijn onderzoeken met betrekking tot bijstandsverhaal inricht is aan het college overgelaten. Over de uitvoeringspraktijk in algemene zin heeft de gemeente Rotterdam het volgende toegelicht.
In eerste aanleg wordt de moeder gevraagd of zij bekend is met de identiteit van de verwekker van haar kind en, zo ja, of zij bereid is om medewerking te verlenen aan de vaststelling van het vaderschap. Bij positieve beantwoording wordt betrokkene, van wie de moeder stelt dat hij de verwekker zou zijn, aangeschreven. Hij krijgt daarbij hij de gelegenheid om zijn zienswijze kenbaar te maken over het vermeende verwekkerschap.
Bij betwisting van het verwekkerschap wordt de moeder met de ontkennende verklaring geconfronteerd. Als de moeder desondanks bij haar verklaring blijft wordt het verhaalsonderzoek vervolgd, gericht op de vaststelling van een eventuele verhaalsbijdrage. Daarbij wordt tevens onderzoek gedaan naar de draagkracht van degene op wie verhaal wordt gezocht. Hij wordt aangeschreven en krijgt de gelegenheid om alle informatie die van invloed zou kunnen zijn op een eventuele verhaalsbijdrage te verstrekken.
Het college kan de moeder hierbij ook wijzen op de mogelijkheid van een juridische procedure. Op grond van de artikelen 406a en 394 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de persoon die het gezag heeft over het kind – meestal de moeder – bij de rechtbank een verzoek indienen om alimentatie. Hierbij dient de moeder het verwekkerschap aan te tonen. De rechter beoordeelt of bij een dergelijk verzoek of DNA-onderzoek noodzakelijk is. Deze procedure kan niet door de gemeente worden geëntameerd.
Wanneer iedere informatie van de vermeende biologische vader, ondanks herhaald verzoek, uitblijft stelt het college de verhaalsbijdrage ambtshalve vast en maakt deze met een besluit op grond van artikel 62g WWB aan hem bekend. Op grond van artikel 62g, tweede lid, WWB kan het college overgaan tot verhaal in rechte, als hij niet uit eigen beweging bereid is de bijdrage te betalen. De vermeende vader wordt door de rechtbank bij aangetekende brief geïnformeerd over een door het college ingediend verzoekschrift, waarbij hem de gelegenheid wordt geboden verweer te voeren.
Wanneer de vermeende vader in het geheel geen verweer voert of niet bereid is om medewerking aan onderzoek te verlenen, leidt dat er toe dat de rechtbank het verhaalsbedrag conform het verzoek van het college toewijst. Hij kan tegen die uitspraak in hoger beroep bij het gerechtshof.
Hoe verhoudt het beleid van de gemeenten zich tot het recht op privacy van de betrokkenen?
Voor degenen die werkzaamheden verrichten in het kader van de uitvoering van de WWB geldt een geheimhoudingsplicht (artikel 65 WWB) waarmee de privacy van de betrokkenen bij gemeentelijk bijstandsverhaal afdoende is gewaarborgd.
Is de moeder verplicht mee te werken aan het achterhalen van de biologische vader?
In de WWB staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger centraal als het gaat om het voorzien in het eigen bestaan. Als dat echt niet lukt, bestaat er pas recht op bijstand van overheidswege. Tegenover dit recht staan ook verplichtingen waaraan moet worden voldaan. De gemeente heeft de mogelijkheid verplichtingen op te leggen die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Zo kan de gemeente van de moeder verlangen dat zij, voor zover bekend, inlichtingen verstrekt over de identiteit van de biologische vader. Ook kan de gemeente verlangen dat zij zich, voor zover nodig, bereid verklaart tot medewerking aan een onderzoek ter vaststelling van het vaderschap. Een onderhoudsbijdrage van de verwekker heeft namelijk invloed op de hoogte van en het recht op uitkering van de moeder. Als de verwekker de onderhoudsverplichtingen jegens zijn kind niet of niet behoorlijk nakomt, kan de gemeente de kosten van bijstand op hem verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Hiermee wordt voorkomen dat private lasten op publieke middelen worden afgewenteld.
Wat zijn de consequenties voor de uitkeringsgerechtigheid van de moeder indien zij weigert mee te werken aan het achterhalen en eventueel gerechtelijk vaststellen van de biologische vader van het niet-erkende kind?
Als de moeder weigert de vraag te beantwoorden of zij bekend is met de identiteit van de verwekker van het niet-erkende kind of, als zij wel bekend is met die identiteit, geen medewerking verleent aan het onderzoek ter vaststelling van zijn vaderschap, kan het recht op bijstand op grond van artikel 54, eerste lid, WWB gedurende een periode van 8 weken worden opgeschort. Het college is daarbij verplicht om de moeder in het opschortingsbesluit uit te nodigen het verzuim binnen een nader door het college te bepalen termijn te herstellen. Als de moeder het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Op welke wijze wordt er rekening gehouden met het belang van het kind en de moeder indien bijvoorbeeld contact met de vader ongewenst is?
De gemeente stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende (artikel 18 WWB). Het college dient bij haar besluitvorming acht te slaan op door belanghebbenden naar voren gebrachte bezwaren voor zover deze met zich zouden kunnen meebrengen dat het college redelijkerwijs geen gebruik kan maken van de haar toekomende bevoegdheden met betrekking tot de opschorting, de intrekking of het verhaal van bijstand.
Klopt het dat ook spermadonoren verplicht kunnen worden om alimentatie te betalen? Kan de biologische vader van een kind dat geadopteerd is ook alimentatieplichtig zijn?2
Spermadonoren zijn op grond van de wet niet verplicht tot het voldoen van levensonderhoud. Dit is slechts anders als deze donor als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met de daad die bevruchting van het kind tot gevolg kan hebben gehad.
Theoretisch is denkbaar dat een biologische vader alimentatieplichtig is na een éénouderadoptie. De kans dat deze situatie zich in werkelijkheid voor zal doen, acht ik verwaarloosbaar.
Het verhalen van bijstand door gemeenten op vermeende verwekkers van kinderen |
|
Jan de Wit |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de berichten over het verhalen van kosten van uitkeringen op mannen die volgens de moeder de verwekker van hun kind zijn? Kloppen de feiten in dit bericht in het algemeen, en in de zaak van de heer Van Deurzen in het bijzonder?1
Van genoemde berichten heb ik kennis genomen. In algemene zin geldt dat gemeenten op grond van artikel 62 van de Wet werk en bijstand (WWB) de bevoegdheid hebben kosten van bijstand te verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op deze wijze wordt voorkomen dat private lasten op publieke middelen worden afgewenteld. De WWB wordt decentraal uitgevoerd door de gemeenten. In de beoordeling van de feiten van een individuele zaak kunnen noch de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, noch ik, treden.
Hoe kan het dat een gemeente een man in rechte kan betrekken voor bijstandsverhaal zonder dat het vaderschap in juridische zin is vastgesteld? Vindt u het een wenselijke ontwikkeling dat steeds meer gemeenten hiertoe overgaan? Wat is de achterliggende oorzaak hiervan?
In artikel 1: 394 van het BW is geregeld dat verwekker of een «instemmende levensgezel» verplicht is tot het voorzien in levensonderhoud van een kind, dat alleen een moeder heeft. De verwekker is de man die het kind samen met de moeder op natuurlijke wijze heeft doen ontstaan. Hij is weliswaar de biologische vader van het kind, maar géén ouder in juridische zin. Een «instemmende levensgezel» is hij die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. De verwekker en de «instemmende levensgezel» zijn verantwoordelijk voor het bestaan van het kind en kunnen om die reden worden aangesproken op het voorzien in het levensonderhoud van het kind.
Het is mogelijk dat de moeder vanwege onvoldoende bestaansmiddelen bij de gemeente een bijstandsuitkering aanvraagt, zonder dat het juridisch vaderschap van haar kind(eren) is geregeld. In dat geval staat het de gemeente vrij om verleende bijstand te verhalen op de verwekker of «instemmende levensgezel» op grond van artikel 62 WWB. In het antwoord op vraag 3 van de leden Berndsen-Jansen en Van Weyenberg (ingezonden 15 augustus 2013), wordt de procedure die de gemeente Rotterdam in algemene zin volgt uiteengezet. Het is niet aan het kabinet om te treden in de gemeentelijke autonomie betreffende het verhaal van bijstand.
Wat is uw reactie op de opmerking van hoogleraren Vlaardingerbroek en Nuytinck dat in zulke zaken eerst in een vaderschapsactie juridisch moet zijn vastgesteld dat de betreffende man de verwekker is en dat die procedure alleen door moeder of kind kan worden gevoerd?
Gemeenten kunnen gebruik maken van de hen in het kader van de WWB toegekende bevoegdheid tot het verhaal van de kosten van bijstand. Deze procedure tot bijstandsverhaal, waarin de vaststelling van het verwekkerschap aan de orde kan komen voor het vaststellen van eventuele onderhoudsverplichtingen jegens een kind, is met voldoende rechtswaarborgen omkleed (zie ook het antwoord op vraag 3 van de leden Berndsen-Jansen en Van Weyenberg, ingezonden op 15 augustus 2013).
Hoe kan het dat voor een gemeente de verklaring van de moeder voldoende is om een man aansprakelijk te stellen voor de kosten, zonder dat zekerheid bestaat dat de betreffende man de verwekker van het kind is?
Voor de gemeente is een verklaring van de moeder niet zonder meer voldoende om een man aansprakelijk te houden voor de kosten, ingeval onzeker is of de betreffende man de verwekker is van het kind. De man krijgt in een gemeentelijk verhaalsonderzoek de gelegenheid om zijn zienswijze kenbaar te maken over het vermeende verwekkerschap en om alle informatie te verstrekken die van invloed zou kunnen zijn op een eventuele verhaalsbijdrage. Wanneer een man geen of onvoldoende medewerking verleent aan het verhaalsonderzoek kan de gemeente over gaan tot het ambtshalve vaststellen van een verhaalsbijdrage.
Hoe beoordeelt u de zorgvuldigheid van het «onderzoek» van de gemeente Rotterdam in deze zaak2, die Van Deurzen eerst beschouwt als de vader van de drie kinderen van mevrouw P. om vervolgens na een nieuwe verklaring van mevrouw P. de heer Van Deurzen nog slechts als de vader van één van de kinderen te zien?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is het verhaal van bijstand een bevoegdheid van de gemeenten en treedt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet in de beoordeling van de feiten van individuele gevallen.
Welke mogelijkheden ziet u om, met behoud van de verantwoordelijkheden van de verwekkers van kinderen, te voorkomen dat mannen die niet de vader van het kind zijn in rechte worden betrokken en zo op kosten worden gejaagd, omdat zij bijvoorbeeld een advocaat moeten nemen?
Bij een beroep op bijstand van de moeder dient de gemeente bij verhaal op de vermeende verwekker op een zorgvuldige wijze na te gaan in hoeverre sprake is van onderhoudsverplichtingen van deze verwekker jegens kinderen met wie hij niet in een familierechtelijke betrekking staat. Daartoe kan de vermeende verwekker door de gemeente in een verhaalsonderzoek worden verplicht hiervoor noodzakelijke gegevens te overleggen. Mannen die stellen niet de verwekker van het kind te zijn, terwijl zij door de moeder wel als zodanig zijn aangewezen, kunnen voorkomen dat zij in rechte worden betrokken door voldoende informatie te verstrekken en mee te werken aan het onderzoek van de gemeente. Daarvoor hoeven zij geen advocaat in te schakelen.
Ziet u mogelijkheden om te voorkomen dat meer gemeentes hiertoe over zullen gaan?
Nee. Het is aan gemeenten om te bepalen of en in hoeverre zij gebruik maken van de aan hen in het kader van de WWB toegekende bevoegdheid tot verhaal van bijstand.
De storing op de website van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van de berichten «Storing bij UWV-site Werk.nl»? «Werk.nl werkt nog steeds traag»? en «UWV gaf 3 miljard uit aan ict»?1 2 3
Ja.
Wat is uw reactie op de aanhoudende problemen met de bereikbaarheid van de website werk.nl van het UWV (die ook vandaag, 7 augustus 2013) wederom niet bereikbaar is?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Kooiman (2013Z15653).
Klopt de berichtgeving dat er vanaf 2002 ongeveer 3 miljard euro door het UWV is uitgegeven aan ICT? Zo nee, hoe groot is dit bedrag dan wel?
Het is juist dat in de periode 2002 t/m 2012 door UWV een bedrag van ongeveer € 3,1 miljard is uitgegeven aan ICT. De ICT-kosten van UWV laten over de jaren heen een dalende tendens zien.
Hoe verhoudt de 200 miljoen euro die volgens de jaarverslagen jaarlijks wordt uitgegeven aan automatisering zich tot de resultaten daarvan? In hoeverre is deze investering te vergelijken met de kosten die vergelijkbare overheidsinstanties en private instanties maken? Hoe wordt de prijs-/kwaliteitsverhouding van investeringen in ICT daar ervaren vergeleken met het UWV?
ICT is voor een grootschalige administratieve dienstverlener als UWV een vitaal productiemiddel. Zonder ICT zou UWV zijn brede takenpakket onmogelijk kunnen uitvoeren binnen de beschikbare financiële kaders. Efficiency operaties om taakstellingen te kunnen behalen, zijn de voornaamste aanleiding van vergaande digitalisering, maar ook aanpassingen in wet- en regelgeving, de wens van de burger om digitale diensten af te nemen via één ingang en het behouden van het niveau van dienstverlening, leiden hiertoe. UWV is nu bijvoorbeeld in staat om meer dan 20.000 WW-aanvragen per week te verwerken en tijdig betaalbaar te stellen. Zonder digitalisering van processen zou dit niet lukken.
De automatiseringskosten van UWV bedroegen in 2012 € 235 miljoen. Daarbij gaat het zowel om exploitatielasten als ontwikkelkosten. De ontwikkelkosten hangen in belangrijke mate samen met noodzakelijke wijzigingen in wet- en regelgeving.
De ICT-uitgaven zijn ook nodig om substantiële besparingen (op de uitvoeringskosten) te realiseren. Ten opzichte van het jaar 2002 dalen de jaarlijkse uitvoeringskosten van UWV in de periode tot 2017 met ruim € 1 miljard. UWV heeft in 2009 benchmarkonderzoek laten doen naar de verhouding tussen ICT-kosten en de totale operationele kosten van vergelijkbare organisaties. De automatiseringskosten bedroegen toen € 324 miljoen. Vergeleken werd met publieke organisaties met aanzienlijke financiële activiteiten en een vergelijkbaar complexiteitsniveau in Noordwest Europa. Het benchmarkrapport signaleerde dat het aandeel operationele kosten 9% hoger lag dan van organisaties waarmee vergeleken is. De domeinen met relatief hogere kosten waren: rekencentrum, kantoorautomatisering en netwerken, en applicatiebeheer en onderhoud. Aan regie en service-integratie gaf UWV relatief weinig uit. Op basis van de benchmark heeft UWV nader onderzoek laten doen naar concrete besparingsmogelijkheden. Dit heeft geleid tot een ICT- besparingsprogramma met een doelstelling van € 133 miljoen (ten opzichte van het kostenniveau in 2010). Hiervan zal eind 2013 al ca. € 100 miljoen zijn gerealiseerd.
Kunt u aangeven hoeveel mensen er door het UWV telefonisch geholpen zijn en welke extra kosten dit met zich meebrengt?
Tijdens de periode van instabiliteit zijn 14.000 calls beantwoord. De kosten bedragen € 75.000.
Kunt u ook uiteenzetten hoe er wordt om gegaan met de boetes die uitkeringsgerechtigden opgelegd krijgen wegens het niet of te laat aanleveren van informatie in deze periode van storing? Hoe worden de uitkeringsgerechtigden hiervan op de hoogte gebracht?
Klanten zullen geen benadeling ondervinden als gevolg van de instabiliteit van Werk.nl. Er worden geen maatregelen opgelegd bij het niet kunnen voldoen aan verplichtingen door de instabiliteit. Op zaterdag 3 augustus hebben de werkmapgebruikers een e-mail ontvangen waarin is benoemd dat UWV rekening houdt met het feit dat het voor klanten niet altijd mogelijk is geweest om tijdig verantwoording af te leggen over hun taken. Ook is in deze e-mail aangegeven dat (verlopen) taken zo snel mogelijk worden verlengd, zodat de klant deze alsnog op tijd kan doorgeven en dat geen maatregel of boete opgelegd wordt als gevolg van het niet tijdig hebben kunnen afleggen van verantwoording.
Dinsdag 13 augustus is aan alle werkmapgebruikers een e-mail verzonden. Hierin is aangegeven dat vanaf 13 augustus de problemen met betrekking tot de bereikbaarheid van Werk.nl waren opgelost, waardoor de klant weer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Ook is benoemd dat UWV in dezelfde week de einddata voor taken en sollicitatieactiviteiten zal verlengen, zodat de klant voldoende tijd heeft om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Overigens geldt dat vanaf 8 augustus de website weer volledig in de lucht was. Voor 8 augustus was het voor veel werkmapgebruikers, ondanks de instabiliteit waarvan overdag vaak sprake was, toch nog mogelijk om aanvragen WW-uitkering digitaal te blijven doen en sollicitatieactiviteiten te melden. In deze periode is 8% van de WW-aanvragen schriftelijk gedaan.
Hoe gaat u problemen met de website www.werk.nl in de toekomst structureel voorkomen en oplossen? Bent u bereid alternatieven voor deze website te overwegen? Bent u bereid hier de Kamer over te informeren?
De regering heeft in 2011 gekozen voor een beperking van het budget voor UWV Werkbedrijf. De taakstelling voor UWV Werkbedrijf wordt onverkort uitgevoerd. De keuze voor digitale dienstverlening is een beleidsmatige keuze waar de regering nog steeds achter staat. Dat neemt niet weg dat verbetering van digitale dienstverlening de hoogste prioriteit heeft.
Voor de periode tot 2015 zijn door de regering extra middelen ter beschikking gesteld aan UWV. Hiermee wordt UWV in staat gesteld alle WW-gerechtigden na drie maanden op te roepen voor een persoonlijk gesprek en worden op de vestigingen inloopmiddagen gerealiseerd om werkzoekenden persoonlijk te ondersteunen bij het werken met de digitale dienstverlening. Daarnaast heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor de dienstverlening aan 55-plussers en jongeren waarmee ook meer persoonlijke dienstverlening kan worden aangeboden.
Er is, anders dan tegen zeer hoge kosten, geen alternatief voor het verder ontwikkelen van digitale dienstverlening.
De Raad van Bestuur van UWV heeft besloten het ICT-platform waarop Werk.nl draait, te moderniseren. Dat zal ertoe leiden dat in 2015 een vernieuwd platform beschikbaar is voor de dienstverlening via internet. Door modernisering zal onder andere de capaciteit sterk worden vergroot en aangepast aan het steeds toenemende gebruik. De stabiliteit zal daardoor toenemen.
De zekerheid dat deze problemen in de toekomst niet meer voorkomen, is niet te geven. Wel wordt uiteraard al het mogelijke gedaan om problemen of hinder die dat kan opleveren, te voorkomen. Daarom zorgt UWV ervoor dat in geval van storingen alternatieve dienstverlening beschikbaar is vanuit het klantcontactcentrum en de werkpleinvestigingen. Klanten van UWV kunnen dan hun uitkeringsaanvraag op papier doen en wijzigingen schriftelijk melden. De termijnen van uitvoering van taken worden opgeschort. Klanten ondervinden er geen financieel nadeel van als zij als gevolg van de instabiliteit hun verplichtingen niet tijdig kunnen nakomen.