De toenemende armoede onder mensen met schulden |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bewindvoerders: mensen met schulden worden steeds armer»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen zeker moet kunnen zijn van een fatsoenlijk bestaan? Wat vindt u ervan dat de meest kwetsbare mensen in de samenleving steeds minder geld overhouden voor boodschappen, een nieuwe jas of een schoolreisje voor hun kinderen, terwijl de economie groeit?
Ik realiseer me dat het voor veel mensen een uitdaging is om de eindjes aan elkaar te knopen. Wanneer mensen kampen met problematische schulden heeft dit grote impact op iemands leven en welzijn. Het is mijn prioriteit om alles op alles te zetten om schuldenproblematiek zoveel mogelijk te voorkomen, om mensen met financiële problemen te ontzorgen en in te zetten op een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Het kabinet heeft zich hieraan verbonden in de Brede schuldenaanpak.
Er is de afgelopen jaren veel gedaan om de koopkracht van kwetsbare groepen te ondersteunen. Zo is er extra geld gegaan naar de toeslagen voor huur- en zorgkosten. Deze toeslagen stijgen bovendien mee op het moment dat de prijzen stijgen, juist om de laagste inkomens te ondersteunen in de vaste lasten. Daarnaast is er een aantal andere maatregelen getroffen, bijvoorbeeld de verlaging van de inkomstenbelasting door middel van de verhoging van de heffingskortingen. Hier profiteren lage en middeninkomens van en bovendien zorgt dit voor een netto hogere AOW- en bijstandsuitkering. Dat is ook terug te zien in de berekeningen van het netwerk van maatschappelijke bewindvoerders «Zelf». Zo is het budget na de vaste lasten gestegen met 14,15%.
Is het waar dat voor mensen met problematische schulden de kosten van noodzakelijke uitgaven, waaronder boodschappen, de kapper en treinkaartjes, harder zijn gestegen dan het netto inkomen? Zo nee, op welke informatie baseert u uw conclusie?
Het voorkomen en tegengaan van schulden heeft prioriteit voor dit kabinet. We werken hierin samen met een brede vertegenwoordiging van organisaties binnen en buiten het Rijk die betrokken zijn bij schuldenproblematiek. Ook de bewindvoerders zijn hierbij aangesloten als belangrijke ketenpartner in het voorkomen en tegengaan van financiële problematiek.
De conclusie die in het krantenbericht wordt getrokken over de stijging van noodzakelijke uitgaven ten opzichte van het netto-inkomen volgt mijns inziens niet uit het onderzoek dat is uitgevoerd door netwerkorganisatie «Zelf». Over de steekproef geeft «Zelf» aan dat het mensen betreft die voornamelijk op grond van een chronische fysieke of mentale beperking onder bewind staan, niet vanwege problematische schulden.
Dit neemt niet weg dat deze mensen financieel kwetsbaar zijn en risico lopen op het ontstaan van financiële problemen. Wanneer sprake is van problematische schuldsituaties is het de vraag wat gezien kan worden als het netto-inkomen. Zo kan een hoger netto-inkomen (bijvoorbeeld door een verlaging van de inkomstenbelasting of dankzij een hoger salaris) direct naar de schuldeisers terugvloeien. De bestedingsruimte van iemand neemt dan niet toe, maar zijn schuldenlast neemt hierdoor wel sneller af.
Een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso moet voorkomen dat mensen met (problematische) schulden verder in de problemen raken als zij te maken krijgen met invordering door publieke en private schuldeisers.
Het kabinet bevordert conform de Rijksincassovisie van 20162 dat overheidsinstanties met elkaar samenwerken. Zo kan beter rekening worden gehouden met de situatie van mensen met schulden, onnodige ophoging van schulden worden voorkomen en het bestaansminimum beter worden beschermd.
Bij het innen van schulden spelen ook incassobureaus een belangrijke rol. Misstanden binnen deze sector kunnen tot onnodige verscherping van de bestaande schuldenproblematiek leiden. Het kabinet pakt daarom misstanden in de incassomarkt aan3.
Wat vindt u ervan dat gezinnen nooit met hun kinderen op vakantie kunnen? Hoe staat het met uw toezegging om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa in gesprek te treden om gemeenten te helpen met het maken van beleid zodat alle kinderen kunnen meedoen?2
Ik vind dat elk kind zich optimaal moet kunnen ontwikkelen, ongeacht de financiële thuissituatie. Sinds 2017 ontvangen gemeenten dan ook elk jaar € 85 miljoen extra voor de participatie van kinderen in armoede.
De VNG en Divosa werken voortvarend aan een ondersteuningstraject gericht op het (kinder)armoedebeleid binnen gemeenten. Hierover zal ik u in de brief «Stand van zaken uitwerking ambities kinderarmoede» nader informeren. Ik zal deze brief voor het AO armoede en schulden van 10 oktober aanstaande aan u verzenden.
Is het waar dat voor mensen onder beschermingsbewind het percentage van het inkomen dat wordt uitgegeven aan vaste lasten sinds 2009 is gestegen van 72 procent naar 74 procent?
Op basis van het onderzoek dat «Zelf» heeft uitgevoerd onder de onderbewindgestelden kan een dergelijke algemene uitspraak niet gedaan worden. Bij deze groep speelt namelijk de persoonlijke situatie een grote rol en het gebruik van gemeentelijke regelingen als de bijzondere bijstand of de kwijtschelding van gemeentelijke lasten.
Om juist de laagste inkomens te ondersteunen in de vaste lasten zijn er toeslagen voor huur en zorgkosten. Deze toeslagen stijgen mee op het moment dat de prijzen stijgen. Een hogere zorgpremie vertaalt zich dus direct door in een hogere zorgtoeslag. Bovenop deze reguliere indexatie is er de afgelopen jaren ook extra geld gegaan naar de toeslagen.
Maakt u zich ook zorgen over de financieel kwetsbare positie van deze mensen, zeker in het licht van de waarschuwing van het Nibud dat huishoudens die meer dan 60 procent van hun inkomen aan vaste lasten besteden een verhoogd risico op financiële problemen lopen? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht er belang aan dat we mensen in een financieel kwetsbare positie zo goed en tijdig mogelijk ondersteunen om te voorkomen dat zij in de financiële problemen raken. Een belangrijke maatregel die ik in het kader van de Brede schuldenaanpak neem, is dan ook om de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aan te passen zodat gegevensuitwisseling ten behoeve van vroegsignalering wettelijk wordt mogelijk gemaakt. Gemeenten worden hiermee in staat gesteld om signalen van betalingsachterstanden van huur, zorgverzekering, energie en drinkwater te gebruiken om vroegtijdig mensen te bereiken en een ondersteuningsaanbod te doen.
Ik ben het eens met het Nibud dat voor alle huishoudens geldt dat zij goed moeten letten op de inkomsten en uitgaven. Zeker als een huishouden veel geld kwijt is aan de vaste lasten, is het goed om de uitgaven kritisch te bezien.
Bent u bereid verder onderzoek te doen naar de invloed van problematische schulden op de koopkracht van mensen? Zo nee, waarom acht u inzicht hierin niet nodig?
Op dit moment voert het CBS in opdracht van het Ministerie van SZW een onderzoek uit naar de landelijke omvang en de achtergronden van de schuldenproblematiek in Nederland. Verwachting is dat dit onderzoek wordt afgerond in het voorjaar van 2020.
Acht u een bedrag van 386,50 euro per maand voldoende voor de kosten van levensonderhoud? Zo nee, hoe verklaart u dat sommige mensen zo weinig geld overhouden in een welvarend land als Nederland?
Op basis van het onderzoek dat «Zelf» heeft uitgevoerd kan naar mijn mening een dergelijke algemene uitspraak over de inkomenspositie van betrokken cliënten niet gedaan worden. Mensen met een inkomen op bijstandsniveau hebben het niet breed, maar moeten met dit inkomen in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het kan zo zijn dat dit in individuele gevallen niet zo is, bijvoorbeeld als er sprake is van extra en bijzondere kosten. De gemeente kan op basis van individuele omstandigheden en iemands financiële situatie beslissen om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Daarnaast hebben gemeenten verschillende andere mogelijkheden om mensen met een laag inkomen te helpen, bijvoorbeeld door kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en collectieve ziektekostenverzekeringen.
Wat vindt u ervan dat niet iedereen die dat nodig heeft aanspraak kan maken op de bijzondere bijstand? Brengt u in kaart hoe groot de verschillen in toegankelijkheid zijn tussen gemeenten? Vindt u dat de overheid een taak heeft om een bepaalde minimale toegankelijkheid te waarborgen?
De bijzondere bijstand en de voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen zijn onderdeel van de Participatiewet. Gemeenten bepalen of iemand hier recht op heeft en kijken hierbij naar individuele omstandigheden en iemands financiële situatie.
Bent u bereid maatregelen te treffen zodat iedereen er zeker van kan zijn dat ze de boodschappen, nieuwe kleding, of de kapper kunnen betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over Armoede- en schuldenbeleid van 10 oktober 2019?
Ja.
Het bericht ‘Gemeentepolis minima staat onder druk’. |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gemeentepolis minima staat onder druk»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de genoemde publicatie van het Centraal Planbureau (CPB), getiteld «Verbeteropties gemeentepolis»?2
Ja.
Bent u het eens met de voordelen van de gemeentepolis voor mensen met een laag inkomen zoals het CPB die schetst (het tegengaan van zorgmijding, bieden van inkomensondersteuning, voorkomen van schulden en wanbetaling), als ook met de door het CPB getrokken conclusie dat de gemeentepolis een «waardevol instrument kan zijn voor een integrale aanpak van armoede, gezondheid en schulden bij mensen met een laag inkomen»?
De gemeentelijke collectiviteiten zijn vaak een nuttig instrument in de samenwerking tussen gemeenten en verzekeraars. Ze kunnen ook een waardevol instrument zijn voor mensen met een laag inkomen. Dat hangt sterk af van de wijze waarop de gemeenten en verzekeraars de polis vormgeven.
Het CPB schrijft dat de overheveling van de CER en Wtcg3 voor gemeenten aanleiding was om een uitgebreide variant van de polis te richten op mensen met een laag inkomen en een hoge zorgvraag. De polis wordt steeds meer gericht op mensen die veel zorg gebruiken en is daarmee duur dan wel duurder geworden, zeker voor mensen met een laag inkomen die relatief weinig zorg gebruiken.
Indien wordt gekozen voor het aanbieden van meerdere aanvullende polissen, het terugbetalen van het eigen risico als dit niet is gebruikt en een bijdrage in de premie, kan de polis burgers helpen bij hun uitgaven. Bij een andere invulling van de polis kunnen burgers minder geholpen zijn, bijvoorbeeld als de aanvullende verzekering uitgebreid (en daarmee duur) is, de gemeente een relatief lage bijdrage verstrekt en het afsluiten van een gemeentelijke collectiviteit als voorliggende voorziening wordt geëist voordat aanspraak gemaakt kan worden op bijzondere bijstand. Met name relatief gezonde mensen met een laag inkomen zijn dan niet beter af. Hierop wijst ook het CPB.
Diverse gemeenten hebben gekeken of hun inwoners geholpen zijn met een gemeentelijke collectiviteit. Zij hebben de ondersteuning aan hun burgers anders ingericht. Zo bieden gemeenten regelmatig ook keuzehulpen aan. Ook zijn ruim 30 regio’s gestart met de voorzieningenwijzer, die mensen helpt met het vinden van de beste polis, gegeven hun situatie (en ook bij het benutten van andere voorzieningen zoals de zorgtoeslag en de bijstand). De eerste ervaringen met de voorzieningenwijzer laten zien dat de gemeentepolis in een substantieel aantal gevallen niet de beste oplossing is voor mensen met een laag inkomen4.
Ook kiezen gemeenten voor andere oplossingen zoals een tegemoetkoming voor het eigen risico. Gemeenten kunnen kijken met welke instrumenten zij hun inwoners met een laag inkomen het beste ondersteunen; dat kan een gemeentelijke collectiviteit zijn, maar ook een ander instrument. Het Ministerie van VWS heeft hierover eerder een aantal conferenties in de regio georganiseerd.
Deelt u de mening dat bovenstaande ook meer dan voldoende reden is om te kijken of, en zo ja op welke wijze, gemeentepolissen door zorgverzekeraars aangeboden (kunnen) blijven worden?
Gemeenten kunnen een collectiviteit voor minima inzetten als manier om mensen te steunen bij zorggerelateerde uitgaven, bijvoorbeeld in aanvulling op de individuele bijzondere bijstand. Het is geen doel op zich. Gemeenten en verzekeraars zijn vrij om wel of geen collectiviteiten af te sluiten. Zo kunnen verzekeraars ook niet worden gedwongen om een collectiviteit voor een bepaalde werkgever of patiëntenorganisatie af te sluiten. Gemeenten zijn op hun beurt vrij om hun eigen minimabeleid vorm te geven.
Bent u in het kader daarvan bereid de door het CPB in de publicatie genoemde verbeteropties (aanpassen compensatie voor zorgverzekeraars als die niet adequaat is, aanbieden keuzehulp en verschillende polissen, vervangen eigen risico door een no-claim) in overleg met bijvoorbeeld zorgverzekeraars en gemeenten serieus te bezien en daar ook echt werk van te maken, zodat de gemeentepolis èn de voordelen ervan voor mensen met een laag inkomen behouden kunnen blijven?
Ten aanzien van de compensatie van verzekeraars via de risicoverevening zijn en worden veel stappen gezet. De afgelopen jaren is de risicoverevening al verbeterd voor mensen met een zeer laag inkomen en mensen die langdurig arbeidsongeschikt zijn. Ook de compensatie voor GGZ-patiënten – veel voorkomend in de gemeentepolis – is aanzienlijk verfijnd en verbeterd. Komend jaar (2020) worden wederom aanpassingen gedaan die de compensatie voor de specifieke groep verzekerden die gebruik maakt van de gemeentepolis verder verbeterd. Het gaat hierbij onder andere om zeer dure GGZ-gebruikers, zeer dure medicijnen en om de groep 65–69-jarigen met laag inkomen. Daarnaast besteed ik het komend jaar ten aanzien van de risicoverevening verdere aandacht aan de mogelijke ondercompensatie bij chronisch zieken. Als deze – ondanks eerdere aanpassingen – structureel nog steeds het geval blijkt en via de risicoverevening aangepast kan worden, zal ik dat niet nalaten. Dit kan bijdragen aan een verdere verbetering van de compensatie voor verzekerden met een gemeentepolis. Het is echter geen doel van de risicoverevening om de groep verzekerden in een gemeentepolis volledig te compenseren, maar om in brede zin te compenseren voor gezondheidskenmerken van verzekerden. De vormgeving van de polis en andere zaken zoals zorgconsumptiegeneigdheid en inefficiëntie bij aanbieders of verzekeraars, willen we niet via de verevening compenseren.
Voorts geeft het CPB aan dat mensen ook zouden moeten kunnen kiezen voor een minder uitgebreide aanvullende verzekering. Te uitgebreide en daarmee dure verzekeringen werken juist averechts voor mensen met een laag inkomen. Zij krijgen daardoor een te duur product gegeven hun behoeften. Ik sta dan ook heel positief tegenover de ondersteuning die gemeenten bieden voor hun inwoners bij het kiezen van een zorgverzekering. Soms gaan deze diensten verder en beslaat deze ook het energiecontract en toeslagen, zoals met de voorzieningenwijzer het geval is. Dit kan voor mensen op jaarbasis forse besparingen opleveren.
Tot slot stelt het CPB voor om het eigen risico te vervangen door een no-claim bij de gemeentepolis. Bij een no-claim betalen verzekerden de 385 euro aan verplicht eigen risico in maandelijkse termijnen aan hun zorgverzekeraar. Het teveel betaalde eigen risico krijgen zij aan het eind van het jaar teruggestort. Dit komt overeen met de optie die zorgverzekeraars al (actief) bieden, ook buiten gemeentelijke collectiviteiten, om het verplicht eigen risico vooraf in termijnen te betalen. Het vooraf en gespreid betalen van het eigen risico kan immers ongewenste zorgmijding verminderen. In 2017 maakten zo’n 800 duizend verzekerden gebruik van deze mogelijkheid. Dit aantal impliceert dat ook mensen zonder de gemeentelijke collectiviteiten gebruik maken van deze optie.
Bent u bereid hiermee tempo te maken, ook gelet op de door het CPB geconstateerde en als probleem ervaren (zorgelijke) signalen dat de gemeentepolis in toenemende mate onder druk komt te staan (zie ook eerdere Kamervragen van 18 juli jongstleden)?3
De stappen die in de verevening zijn en worden gezet om chronische zieken en kwetsbare mensen beter te compenseren zullen verzekeraars steeds meer terugzien in hun cijfers. Over de jaren heen worden chronische zieken en kwetsbare mensen aanzienlijk beter gecompenseerd dan voorheen het geval was.
Ten aanzien van de keuzehulp zijn primair gemeenten aan zet om voor hun inwoners meerdere aanvullende pakketten af te spreken en vormen van keuzehulp aan te bieden.
Tot slot is gespreid en vooraf betalen van het eigen risico ook nu al mogelijk bij de meeste reguliere basisverzekeringen. Gemeenten en verzekeraars kunnen afspraken maken om deze optie standaard op te nemen in de gemeentelijke collectiviteiten, zodat verzekerden zelf geen extra actie hoeven te ondernemen.
Het bericht ‘Nieuwe probleemgroep: meer jonge mannen kunnen of willen niet werken’ |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe probleemgroep: meer jonge mannen kunnen of willen niet werken»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het artikel vermeldt dat het percentage mannen tussen de 25 en 45 jaar dat thuis zit in 10 jaar bijna verdubbeld is. Er wordt verwezen naar een artikel van het CBS waarin aangetoond wordt dat het percentage mannen dat niet wil werken of niet kan werken van 2009 tot 2019 is gestegen van 4,9% tot 8,1%.
Het is inderdaad zo dat vergeleken met tien jaar geleden een toenemend aandeel mannen tussen de 25 en 45 niet meer wil of kan werken (zie figuur2. Wel is het zo dat dit aandeel in vergelijking met andere groepen zoals vrouwen met dezelfde leeftijd en oudere mannen nog steeds relatief laag is en een relatief groot deel van deze groep werk heeft3. Daarnaast heeft een flink deel van de stijging, net als voor andere groepen, plaatsgevonden tijdens de crisis. Dat laat onverlet dat het herstel dat sinds 2017 is ingezet het afgelopen jaar wat lijkt te stokken. Of dit een trend wordt, of dat het herstel de komende tijd weer voort zal zetten is nog niet te zeggen. We houden de arbeidsparticipatie van deze groep (net als voor andere groepen) dan ook nauwlettend in de gaten om te bezien of extra actie nodig is.
Figuur 1: Percentage mannen tusesn de 25 en 45 jaar dat niet kan of wil werken
Bron: CBS Statline, geraadpleegd op 05-09-2019
Figuur 2 toont de ontwikkeling van de netto arbeidsparticipatie van deze groep. Waar figuur 1 het aandeel mannen toont dat niet kan of niet wil werken, toont figuur 2 het aandeel dat kan en wil werken én ook daadwerkelijk een baan heeft4. Van 2008 (94,2%) tot 2013 (87,1%) daalde de netto arbeidsparticipatie en daarna is hij gestegen tot het huidige niveau (89,5%). De netto arbeidsparticipatie trekt dus aan na de crisis.
Figuur 2: Netto arbeidsparticipatie van mannen tussen de 25 en 45 jaar
Bron: CBS Statline, geraadpleegd op 05-09-2019
Sinds 2018 is de netto arbeidsparticipatie van mannen tussen de 25 en 35 jaar sinds 2018 echter gedaald met 0,6%. Dit geldt niet voor de groep van mannen tussen de 35 en 45 jaar. De arbeidsparticipatie van deze groep is met 0,9% gestegen. Het is nog onduidelijk of de daling in de arbeidsparticipatie van de groep mannen tussen de 25 en 35 jaar doorzet. De groep 25-jarige tot 35-jarige mannen is dus een groep om extra in de gaten te houden.
Omdat we in een krappe arbeidsmarkt iedereen goed kunnen gebruiken zet het kabinet zich al in om iedereen bij de arbeidsmarkt te betrekken, zoals vermeld in de «tweede voortgangsbrief aanpak krapte op de arbeidsmarkt» die voor de zomer naar uw Kamer is verzonden. We zetten in op het verbeteren van de begeleiding van werkzoekenden. Ook wordt er gewerkt aan het verbeteren van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt en stimuleert het kabinet mensen om zich tijdens hun werkende leven te blijven ontwikkelen en regie te nemen over hun loopbaan.
Hoeveel personen van deze groep ontvangen een uitkering, dat wil zeggen maken gebruik van een sociale voorziening of sociale verzekering?
Figuur 3 geeft de ontwikkeling van het percentage mannen in de beroepsbevolking tussen de 25 en 45 jaar met een werkloosheids-, bijstands- en arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de hand van CBS-cijfers. CBS verstaat onder arbeidsongeschiktheidsuitkeringen uitkeringen vanuit de WAO, WAZ, Wajong en de WIA. In 2017 ontvingen ongeveer 242.000 (12,6%) mannen in deze leeftijdscategorie een uitkering. 52.000 mannen uit deze groep (2,7%) had een WW-uitkering, 92.000 (4,8%) een bijstandsuitkering en 98.000 (5,1%) een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Data omtrent arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn niet beschikbaar voor 2018 en data omtrent WW-uitkeringen en bijstandsuitkeringen zijn niet beschikbaar voor 2019.
Figuur 3: De ontwikkeling van het percentage mannen tussen de 25 en 45 jaar met een uitkering
Bron: CBS Statline, geraadpleegd op 23-08-2019
Is er ook sprake van een groei van het aantal jonge mannen tussen de 25 en 45 jaar dat een ziektewetwetuitkering ontvangt? Zo ja, met hoeveel personen/procent is deze groep toegenomen?
Uit UWV-cijfers blijkt dat het aantal mannen uit deze groep dat een ZW-uitkering heeft van 2017 op 2018 is gestegen met 20,3%. In 2017 waren er ongeveer 45.800 mannen tussen de 25 en 45 jaar met een ZW-uitkering. In 2018 was dit aantal ongeveer 55.100. In dezelfde periode is het aantal vrouwen met een ZW-uitkering van 104.700 tot 111.800 gestegen. Dit is een procentuele stijging van 6,8%. Vrouwen maken dus relatief vaker gebruik van een ZW-uitkering, maar het aantal mannen met een ZW-uitkering is van 2017 op 2018 relatief sterker toegenomen dan het aantal vrouwen met een ZW-uitkering.
Op dit moment zijn de gegevens over meerjarig ZW-gebruik van jonge mannen tussen de 25 en 45 jaar niet beschikbaar. Overigens is de meerjarige ontwikkeling van de ZW-uitkeringen niet erg informatief. Het gebruik van de ZW is conjunctuurgevoelig. Verder zijn er de afgelopen tien jaren ook verschillende beleidswijzigingen geweest die invloed hebben op ZW-gebruik.
Gaat het bij de betreffende groep jonge mannen tussen de 25 en 45 jaar die niet werken om vergelijkbare personen die eerder als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid onder de Wajong- of andere (zorg)regelingen vielen en in welk geval er een verschuiving lijkt van een bepaalde groep met een afstand tot de arbeidsmarkt, of betreft dit een andere groep? Indien het eerste het geval is, om hoeveel personen en welke regelingen gaat het?
Dit is op basis van de beschikbare gegevens niet te zeggen.
In hoeverre speelt bij deze groep, naast ziekte en arbeidsongeschiktheid, een mismatch tussen onderwijs en arbeidsvraag een rol bij het niet hebben van werk? Zo ja, waar op de arbeidsmarkt doet deze mismatch zich voor?
Verschillende factoren kunnen een rol spelen bij de licht afnemende arbeidsdeelname van jonge mannen. Conjuncturele factoren kunnen van belang zijn. In de crisis zijn bijvoorbeeld relatief veel banen verdwenen in sectoren waarin mannen naar verhouding vaak werkzaam zijn, zoals de industrie, bouw, vervoer en de zakelijke dienstverlening. Ook structurele factoren kunnen een rol spelen. Zo is de participatie met name onder laagopgeleide mannen en onder jonge mannen die alleenstaand zijn en die nog bij hun ouders wonen gedaald. Volgens het CPB is dit mogelijk het gevolg van een dalende vraag naar de vaardigheden van lager opgeleide mannen of van een toename in de waardering van vrije tijd. Verder speelt volgens het CPB ook een rol dat de scholingsdeelname gestegen is. Hierdoor participeren jonge mannen minder op de arbeidsmarkt. Daarnaast is er een toename van het aantal mannen dat aangeeft niet te kunnen werken in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid. Dit zijn enkele voorbeelden van factoren die invloed kunnen hebben op de arbeidsdeelname van jonge mannen.
Zijn de mensen uit deze groep voldoende bekend of in beeld bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om hen effectief te kunnen helpen?
De mensen die een uitkering van UWV ontvangen, ontvangen ook de bijbehorende dienstverlening van UWV om zo mogelijk weer aan het werk te komen. Dit kabinet zet op diverse manieren in op verbetering van deze dienstverlening: met extra middelen kunnen mensen beter in beeld worden gehouden en wordt onderzoek gedaan naar de meest passende interventies.
Van hoeveel mensen uit deze groep verwacht u dat deze met de juiste hulp en begeleiding weer succesvol beschikbaar kunnen komen voor de arbeidsmarkt?
De kans op werkhervatting van werkzoekenden hangt van legio factoren af. Daarom is een inschatting zowel op individueel niveau als op groepsniveau niet te geven. Persoonlijke omstandigheden, de gezondheidssituatie, het opleidingsniveau, maar ook conjuncturele factoren spelen een rol.
Welke maatregelen neemt u en/of gaat u nemen om dit voor elkaar te krijgen, en specifiek deze groep niet-werkenden te bereiken, en de groei van deze groep te stoppen?
Zoals eerder vermeld zal het kabinet de doelgroep van mannen tussen de 25 en 45 jaar op de arbeidsmarkt goed volgen. Daarnaast zet het kabinet in op het betrekken van zoveel mogelijk mensen bij de arbeidsmarkt, zoals aangegeven in de (voortgangs)brieven «Aanpak krapte op de arbeidsmarkt», onder meer door werken aantrekkelijker te maken met lagere lasten op arbeid, het stimuleren van een leven lang ontwikkelen zodat mensen beter toegerust zijn op een veranderende arbeidsmarkt en door te investeren in het verbeteren van de begeleiding van werkzoekenden. Specifiek laten de cijfers van CBS zien dat de arbeidsdeelname onder hoogopgeleide mannen aanzienlijk hoger ligt dan onder laagopgeleide mannen. Het verder verhogen van het opleidingsniveau onder deze groep is daarom van belang.
Deelt u de mening dat hier sprake is van een ernstig probleem, mede gelet op het feit dat deze groep in omvang bijna is verdubbeld terwijl er juist nu sprake is van arbeidsmarktkrapte (en de groei van deze groep in die zin dus niet zou zijn te verwachten) én de arbeidskansen afnemen naarmate mensen ouder worden?
Zie antwoord vraag 2.
De informatie die de regering gaf over de CAF-11 zaak aan de Nationale ombudsman |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Renske Leijten |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat de Nationale ombudsman bezwaar over het niet heropenen van het onderzoek naar CAF-11 (kinderopvangtoeslag) afwees met de volgende redenering: «De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) heeft in zijn brief van 14 mei 2018 vermeld dat in 2014 in totaal 235 vraagouders kinderopvang afnamen via gastouderbureau Dadim te Eindhoven. U spreekt dit tegen: volgens u leverde dit gastouderbureau in 2014 slechts aan 157 vraagouders kinderopvang. U zegt hiervoor sterk bewijs te hebben. Wij hebben dit punt voorgelegd aan Toeslagen en gevraagd of zij zeker zijn van het aantal van 235. Toeslagen heeft ons verzekerd dat de genoemde 235 vraagouders in 2014 allen cliënten waren van gastouderbureau Dadim»?1
Ja.
Klopt het dat Toeslagen de Nationale ombudsman meegedeeld heeft dat de genoemde 235 ouders allen cliënten waren van gastouderbureau Dadim in het jaar 2014?
In de brief aan de Nationale ombudsman (hierna: NO) van 14 mei 2018 is het volgende medegedeeld:
«Het aantal ouders dat in 2014 gebruik maakte van opvang door een gastouder die bemiddeld werd door het betrokken gastouderbureau bedroeg 235. De lopende toeslagen van deze 235 ouders zijn in 2014 gestopt.»2
Herinnert u zich dat u op 28 juni jl. de Kamer het volgende warrige antwoord stuurde, waaruit volstrekt helder is dat in 2014 niet alle 235 vraagouders bij Dadim waren aangesloten: «[Vraag] In de evaluatie CAF Hawaii wordt melding gemaakt van 317 betrokken BSN’s, waarvan bij 248 de toeslag is stopgezet. Hoe verklaart u het verschil tussen de 302 ouders en de 235 stopzettingen die u noemt in uw brief van 11 juni? [Antwoord] In de loop van de behandeling zijn de aantallen vraagouders en stopzettingen steeds beter in beeld gebracht. Uiteindelijk zijn 302 vraagouders in de populatie betrokken, waarvan 235 ouders in 2014 kinderopvangtoeslag hadden. De andere 67 ouders hadden op dat moment geen kinderopvangtoeslag, maar wel in de jaren 2012 en/of 2013. Zoals eerder is aangegeven is de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd om alle individuele dossiers van vraagouders voor te bereiden voor een nadere beoordeling. [Vraag] Wilt u alsnog de vragen 17, 18, 19 en 20 van de commissie Financiën beantwoorden die zijn gesteld over de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2019 over zijn toezeggingen en op 11 juni 2019 zijn beantwoord? Meer precies: kunt u aangeven welke vraagouder aan welke gastouder en welk gastouderbureau waren gekoppeld, zodat duidelijk wordt hoe per bureau de bezwaar- en beroepsprocedures zij verlopen? [Antwoord] De onderzoekspopulatie bestaat uit 302 vraagouders. Daarvan was een groot deel aangesloten bij het betrokken gastouderbureau in 2012 en/of 2013 en/of 2014. Een andere groep bij dit gastouderbureau aangesloten vraagouders was eerder aangesloten bij een ander gastouderbureau. De overige ouders zijn niet overgegaan naar het betrokken gastouderbureau of hadden opvang op dezelfde locatie als het betrokken gastouderbureau. De bezwaar- en beroepsprocedures hebben betrekking op de vraagouders, niet op de gastouders of het gastouderbureau. Zoals eerder is aangegeven is de adviescommissie gevraagd om alle individuele dossiers van vraagouders voor te bereiden voor een nadere beoordeling»?2
Ja, ik herinner mij deze antwoorden.
Hoeveel van de 235 vraagouders bij wie de kinderopvangtoeslag is stopgezet in 2014, hadden in 2014 kinderopvang via het bureau Dadim?
Op 28 juni heb ik aangegeven dat de aantallen vraagouders en stopzettingen steeds beter in beeld gebracht worden.4 Ik heb toen geschreven dat uiteindelijk 302 vraagouders in de populatie zijn betrokken, waarvan een groot deel was aangesloten bij het betrokken gastouderbureau in 2012 en/of 2013 en/of 2014. Ook heb ik aangegeven dat 235 vraagouders uit de populatie in 2014 kinderopvangtoeslag ontvingen. Van deze ouders zijn de voorschotten kinderopvangtoeslag stopgezet. Over deze nuancering is overigens contact geweest met de NO. Die gaf aan dat precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van zijn onderzoek (zie ook vraag 5).
Toeslagen heeft mij desgevraagd laten weten dat circa 200 van deze 235 vraagouders waren aangesloten bij het betrokken gastouderbureau.
Klopt het dat de ombudsman op basis van foutieve informatie van de Belastingdienst/Toeslagen dit onderzoek gesloten heeft?
Nee, dat klopt niet. De Nationale ombudsman concludeert in de brief aan het advocatencollectief dat het precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van zijn onderzoek («Ik ben van mening dat het precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van mijn onderzoek») of de conclusies van het onderzoek («Voor de conclusies van het onderzoek is het niet van essentieel belang of er 157 of 235 vraagouders (of een aantal daar tussenin) zijn getroffen.»).
Op welke wijze heeft u de ombudsman verteld dat u hem onjuiste informatie verschaft heeft?
Mijn medewerkers en ik proberen de NO altijd zo zorgvuldig mogelijk te informeren. Er is in de samenstelling van deze groep afgelopen jaar steeds meer inzicht gekomen. Hierover is uw Kamer bijvoorbeeld geïnformeerd bij brief van 28 juni jl.5 In die tijd is ook bovenstaande nuancering aan de NO toegelicht. De NO heeft daarbij aangeven dat dit voor de conclusie van zijn onderzoek geen verschil maakt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Uw vragen zijn één voor één en tezamen met andere Kamervragen over CAF-zaken beantwoord.
De Augustusraming van het CPB |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Léonie Sazias (50PLUS), Gerrit-Jan van Otterloo (50PLUS), Henk Krol (50PLUS) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de publicatie van de Augustusraming van het Centraal Planbureau (CPB) en bent u ook bekend met het Centraal Economisch Plan (CEP) van maart jl., de raming voor 2019 en 20201 2?
Ja.
Erkent u dat de voorspelde koopkrachtverbetering van gepensioneerden voor 2019 met bijna 40% naar beneden is bijgesteld en voor 2020 met 33% ten opzichte van de raming in maart van dit jaar?
Het CPB publiceert periodiek een actualisatie van haar koopkrachtraming. Hierin worden de op dat moment meest recent beschikbare verwachtingen omtrent de ontwikkeling van bijvoorbeeld de contractlonen, de inflatie en de indexatie van pensioenuitkeringen meegenomen. Bij de Augustusraming zijn inzichten tot medio juli in de ramingen verwerkt. In de CEP-publicatie raamde het CPB de mediane3 koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden voor 2019 op 1,6%. Bij de cMEV-raming in augustus is deze raming bijgesteld tot 1,0%. Tussen het CEP en de cMEV is de raming van de inflatie (van 2,3% naar 2,6%) naar boven bijgesteld, wat de koopkrachtontwikkeling voor alle huishoudgroepen beperkt. Daarnaast heeft de dalende rentestand een sterker drukkend effect op de geraamde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden, omdat deze groep meer vermogen heeft dan de groep niet-gepensioneerden.
Voor 2020 is de raming van de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden bijgesteld van 0,9% bij CEP naar 0,6% bij cMEV. Ook hier wordt het verschil deels verklaard door de dalende rentestand. Daarnaast heeft het CPB in de cMEV technische aannames verwerkt om het lastenkader te sluiten, in voorbereiding op definitieve besluitvorming door het kabinet bij de augustusbesluitvorming. In zowel 2019 als 2020 worden de aanvullende pensioenen naar verwachting nauwelijks geïndexeerd.
Wat is de reden dat de voorspelde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden in 2019 en 2020 zo fors naar beneden wordt bijgesteld, óók in verhouding tot werkenden en uitkeringsgerechtigden?
Zie antwoord vraag 2.
Is er in deze cijfers al rekening gehouden met (onaanvaardbare) pensioenkortingen in 2019 en/of 2020?
In de Augustusraming van het CPB zijn inzichten tot en met medio juli 2019 verwerkt. Hierbij is ook verwerkt of pensioenfondsen, op basis van de dekkingsgraden medio juli, de pensioenuitkeringen zouden kunnen indexeren of zouden moeten afstempelen. Voor het al dan niet indexeren van of afstempelen op pensioenuitkeringen in 2020 is de dekkingsgraad ultimo 2019 doorslaggevend.
Waarom is in de Augustusraming het percentage van de populatie dat erop vooruitgaat niet meer opgenomen in de tabel van de koopkrachtontwikkeling, terwijl dit bij het CEP in maart jl. nog wel zichtbaar was?
Vanaf de cMEV-raming en de SZW-begroting 2020 is de koopkrachtpresentatie gewijzigd. In een toelichting bij de cMEV geeft het CPB aan4 dat gekozen is voor een nieuwe presentatie ter vermijding van misverstanden. Het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling is geschrapt uit de boxplot. De koopkrachtwaarden van het 25e en 75e percentiel worden nu met een expliciet cijfer in de boxplot weergegeven, ter illustratie van de spreiding rond de mediane koopkrachtontwikkeling. Hiermee wordt meer nuance bij het mediane koopkrachtbeeld beoogd. Het aandeel huishoudens met een positieve en negatieve koopkrachtontwikkeling kon ten onrechte gezien worden als een voorspelling van hoeveel mensen er het komende jaar op voor- of achteruitgaan, terwijl deze cijfers hier onvoldoende voor geschikt zijn. Er wordt immers gerekend met gemiddelden omtrent de ontwikkeling van de lonen, pensioen en de inflatie, terwijl in de praktijk het ene huishouden bijvoorbeeld een lagere loonontwikkeling heeft dan het gemiddelde, en het andere een hogere. Daarnaast is bij de precieze hoogte van de koopkrachtontwikkeling sprake van onzekerheid die onlosmakelijk verbonden is aan het maken van een raming. Ten slotte wordt in de boxplot een raming van de statische koopkrachtontwikkeling weergegeven, waarbij geen rekening wordt gehouden met de effecten van wijzigingen in persoonlijke omstandigheden, zoals trouwen, kinderen krijgen, baanverlies of het maken van promotie. De koopkrachtplaatjes zijn dan ook bedoeld om de effecten van beleid in beeld te brengen, maar zijn niet geschikt om de ontwikkeling van het geld in de eigen portemonnee mee te voorspellen.
Om de gewijzigde koopkrachtpresentatie te illustreren heeft het CPB bij de Augustusraming de koopkrachtraming voor 2019 ook in de stijl van het CEP gepubliceerd.5
Bent u bereid om het Centraal Planbureau vandaag nog te vragen om in een addendum op de Augustusraming de gevraagde percentages alsnog toe te voegen aan de tabel van de koopkrachtontwikkeling?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe groot is de meevaller op de rente-uitgaven van de overheid sinds het opstellen van de Miljoenennota 2019 en hoeveel sinds het opstellen van de Miljoenennota 2018?
Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn de rente-uitgaven aan staatsschuld onder het deelplafond Rijksbegroting geplaatst. Hierdoor leveren meevallers op deze rente-uitgaven ruimte op onder het deelplafond Rijksbegroting, die kunnen worden aangewend voor tegenvallers onder dit plafond. Voor het begrotingsjaar 2018 gaat dit om een bedrag van 170 miljoen euro sinds Startnota (zie ook FJR 20186). In de meest recente Voorjaarsnota wordt een meevaller van 170 miljoen euro op de plafondrelevante rente-uitgaven voorzien voor het lopende begrotingsjaar 2019. Het effect van de augustusraming van het CPB wordt momenteel doorgerekend en gepubliceerd op Prinsjesdag. De meevallers op de plafondrelevante rente zorgen voor budgettaire ruimte die deel uitmaakt van de integrale besluitvorming.
Bent u bereid om de meevaller op de rentelasten van de Staat zo snel mogelijk door te geven aan de grootste groep slachtoffers van rentedaling, namelijk de gepensioneerden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het schrappen van zware jeugdzorg voordat alternatieve, dan wel ambulante jeugdzorg beschikbaar is |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht over een bezuiniging van 10 miljoen euro door het schrappen van zware jeugdzorg?1
Ja.
Deelt u de zorg van de jeugdzorgaanbieders dat het voornemen van de wethouders jeugd van zestien samenwerkende gemeenten om in 2020 al bedden te schrappen voor jongeren die zware zorg nodig hebben (terwijl er nog onvoldoende alternatieve opvang, zoals zorg thuis met intensieve ambulante begeleiding en bij grotere problemen opvang in een gezinshuis, is geregeld), leidt tot een gebrek aan continuïteit van zorg voor jeugdigen?
Gemeenten zijn hebben een wettelijk vastgelegde jeugdhulpplicht. Zij dienen ervoor te zorgen dat jeugdigen de jeugdhulp krijgen die zij nodig hebben. Wanneer gemeenten veranderingen doorvoeren, moeten zij zorgdragen voor de continuïteit van de jeugdhulp bij jeugdigen die al jeugdhulp ontvangen. Ik ga ervan uit dat de betreffende gemeenten in deze situatie daarvoor zorg dragen.
Hoeveel plekken in de zware jeugdzorg dreigen hiermee in de genoemde regio te verdwijnen? Houdt de opbouw van de ambulante zorg hiermee gelijke tred? Zo nee, welke acties gaat u voor 1 januari ondernemen om de continuïteit van de zorg te garanderen?
Op dit moment valt deze vraag nog niet te beantwoorden. Gemeenten en aanbieders zijn nog in overleg met elkaar.
Bent u het ermee eens dat jongeren nooit de dupe mogen worden van tekorten en transities in de jeugdzorg? Hoe denkt u de continuïteit van zorg te garanderen als gemeenten zonder overeenstemming met de aanbieders miljoenen euro’s korten op specialistische jeugdzorg?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 meld ik nog dat ik in mijn rol als stelselverantwoordelijke toezie op de borging van de continuïteit van jeugdhulp. Op dit moment beziet het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd wat zij kunnen doen om overeenstemming te bereiken tussen aanbieders en gemeenten.
Erkent u dat de gesignaleerde tekorten in de jeugdzorg – bijvoorbeeld in de centrumgemeente Den Bosch een structureel tekort van 4,5 miljoen euro (14 procent op een budget van 32 miljoen euro) – ertoe leiden dat gemeenten nu tot dit soort overhaaste beslissingen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om het korten op zware jeugdzorg, zonder dat er alternatieven beschikbaar zijn, te voorkomen?
Voor de duiding van de gesignaleerde tekorten verwijs ik naar mijn brief van 27 mei 2019.2 Daarin heb ik u gemeld dat bij het merendeel van de gemeenten het beroep op jeugdhulp veel harder is gestegen dan verwacht. Gemeenten ontvangen de komende jaren extra middelen om de vraag naar jeugdhulp en de stijging van uitgaven op te vangen. Ik zie nu nog geen aanleiding stappen te ondernemen.
Bent u bereid met de getroffen jeugdzorgaanbieders en de verantwoordelijke wethouders in gesprek te gaan over de situatie die nu gaat ontstaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Kamer informeren over de resultaten van dit gesprek?
Zoals hierboven aangegeven zie ik vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke toe op de borging van de continuïteit van jeugdhulp. Ik zal niet aarzelen in overleg te treden. Op dit moment beziet het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd wat zij kunnen doen om overeenstemming te bereiken tussen aanbieders en gemeenten.
Welke gemeenten en regio’s staan ook op het punt te bezuinigen op zware jeugdzorg zonder dat goede alternatieven voor handen zijn? Om hoeveel bedden gaat het in totaal?
Ik heb geen signalen dat dit gebeurt.
De gezondheidssituatie van veel Groningers in het aardbevingsgebied |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kent u het rapport van Gronings Perspectief over de directe gevolgen van de beving in Westerwijtwerd op 22 mei jl? Wat is uw reactie hierop?1
Ik ben bekend met het rapport. Het rapport beschrijft de impact van de recente aardbeving in Westerwijtwerd en de behoeften van bewoners na een aardbeving. De aanbevelingen richten zich primair op heldere communicatie en inspectie van schade en veiligheid na een beving. Na een beving communiceert de TCMG transparant en uitgebreid op haar website over de effecten van de aardbeving. Deze informatie is voor een ieder beschikbaar. De eigenaar van een pand (de verhuurder) kan vervolgens een aanvraag om vergoeding van schade in dienen bij de TCMG en zijn huurders informeren over het herstel van de schade aan de door hen gehuurde woning.
Als gedupeerden het gevoel hebben dat de woning na een beving onveilig is, dan bestaat bij de TCMG de procedure omtrent Acuut Onveilige Situaties (AOS). Een melding van een AOS wordt altijd binnen 48 uur opgevolgd. Een kleinere groep bewoners geeft aan behoefte te hebben aan een goed gesprek na een beving. Ik kan deze behoefte goed begrijpen en moedig gemeenten en andere instanties dan ook aan om dit mogelijk te maken.
Erkent u de menselijke en de maatschappelijke impact van de bevingen, zeker van de zwaardere? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De aardbevingen en de lange procedures bij versterking en schadeafhandeling zorgen voor onzekerheid, maatschappelijke onrust en gezondheidsklachten bij bewoners. Dat is niet alleen de belangrijkste reden waarom het kabinet besloten heeft de gaswinning zo snel mogelijk volledig te beëindigen, maar ook waarom ik vanaf dit jaar het criterium «maatschappelijke ontwrichting als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningenveld» gebruik als één van de afwegingscriteria bij mijn jaarlijkse vaststellingsbesluit (Mijnbouwwet art 52d, onder 2e). Het kabinet zet zich onverminderd in om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel als mogelijk naar nul te brengen, de schade te vergoeden en de huizen te versterken.
Kent u de adviezen van de professoren van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) van de afgelopen jaren? Welke aanbevelingen van deze professoren heeft u overgenomen? Wat heeft u met die aanbevelingen gedaan? Wat hebben mensen daar tot nu toe van gemerkt?
De onderzoeken van de RuG in het kader van Gronings Perspectief en GGD Groningen laten de problemen zien in de regio. Ik hecht eraan dat gezondheidsklachten worden opgelost. Regio en Rijk hebben besloten om prioriteit te geven aan het organiseren van sociale en emotionele ondersteuning. De aardbevingsgemeenten krijgen middelen om de komende twee jaar extra capaciteit in te zetten voor de sociale en emotionele ondersteuning van inwoners. De kosten (5,4 miljoen euro voor een periode van twee jaar) worden 50/50 verdeeld tussen het Nationaal Programma Groningen en het Rijk. Daarnaast is voor enkele gemeenten er bijvoorbeeld een aardbevingscoach aangesteld die vinger aan de pols houdt.
Daarnaast is mijn inzet erop gericht om de oorzaken van de gezondheidsproblemen weg te nemen. Dit doe ik door:
De onderzoekers constateren dat de inwoners van Groningen nog weinig merken van de besluiten die zijn genomen. Het komt nu aan op de uitvoering waarbij zorgvuldigheid en snelheid van belang zijn.
Welke van de aanbevelingen uit het rapport over Westerwijtwerd van Gronings Perspectief gaat u overnemen? Hoe en op welke termijn gaat u dat doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u doen met de behoefte aan informatie die veel mensen hebben direct na een beving? Wat gaat u doen voor huurders die betere informatie wensen van de woningcorporatie waarvan zij hun woning huren?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u doen aan de wens van mensen die willen dat er een snelle schadeafhandeling is? Bent u bereid een voorziening te treffen om de veiligheid van woningen direct na een beving te inspecteren, zoals men aanbeveelt?
De TCMG is continu bezig met het versnellen van de schadeafhandelingsprocedure. Recentelijk hebben de TCMG en ik besloten tot de stuwmeerregeling. Deze onorthodoxe maatregel levert een significante bijdrage aan het versnellen van de schadeafhandeling. Als gedupeerden het gevoel hebben dat de woning na een beving onveilig is, dan kunnen zij bij TCMG melden dat zij vrezen dat er sprake is van een Acuut Onveilige Situaties (AOS). Een melding van een AOS wordt altijd binnen 48 uur opgevolgd.
Wat gaat u doen voor mensen die behoefte hebben aan concrete bijstand en hulp? En welke maatregelen gaat u treffen voor gedupeerden die door gezondheidsproblemen hogere zorgkosten hebben gekregen, omdat ze hun eigen risico moesten betalen of bepaalde delen van de zorg niet betaald werd?
De aardbevingsgemeenten krijgen middelen om de komende twee jaar extra capaciteit in te zetten voor de sociale en emotionele ondersteuning van inwoners.
Extra zorgkosten die een gedupeerde moet maken ten gevolge van de gaswinning zijn daarnaast ook een vorm van schade waar vergoeding voor aangevraagd kan worden. Om mogelijk te maken dat een aanvraag om vergoeding van deze vorm van schade ook door de overheid kan worden afgehandeld stel ik in het wetsvoorstel Tijdelijke Wet Groningen, dat ik onlangs aan uw Kamer heb aangeboden, voor om de afhandeling van alle vormen van schade bij een op te richten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) neer te leggen.
Bent u bereid de problematiek minder technocratisch te benaderen, maar juist meer met menselijke en maatschappelijke maat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder andere met de hierboven geschetste stappen ten behoeve van sociale en emotionele ondersteuning van bewoners sta ik een menselijke aanpak voor. Zoals aangegeven, heb ik dit in goed overleg met de regio gedaan. Tegelijkertijd benadruk ik het belang van versnelling van versterking en schadeafhandeling. Trage procedures en onzekerheid zijn voor veel bewoners een bron van stress-gerelateerde klachten. De maatregelen die ik daarvoor geïnitieerd heb staan in mijn brief aan uw Kamer van 3 juni 2019 beschreven.
Bent u bereid om de afhandeling van de schademeldingen en de versterkingsoperatie in het Groningse aardbevingsgebied, die zoals u het in een artikel van het Financieele Dagblad beschrijft is verzand in een bureaucratisch moeras, uit dat moeras te halen en de regie bij de Groningser inwoners en bestuurders neer te leggen?2
Ik heb aangegeven dat wat de Groningers de afgelopen tientallen jaren is aangedaan, iets is dat ik nooit meer goed kan maken. En dat noopt tot een enorme bescheidenheid. 55 jaar gaswinning in Groningen repareer ik niet in anderhalf jaar. We hebben deze kabinetsperiode wel grotere stappen gezet dan in de afgelopen vijftig jaar bij elkaar. Mijn inzet is erop gericht om de gaswinning zo snel mogelijk volledig te beëindigen.
Bij de versterkingsaanpak heeft de regio (de gemeenten) de regie door middel van het opdrachtgeverschap van de uitvoeringsorganisatie. Daarnaast beleg ik de afhandeling van schade en de uitvoering van de versterkingsoperatie bij de overheid, dus zonder betrokkenheid van de NAM, waarbij zowel het versnellen van zowel schadeafhandeling en de uitvoering van de versterkingsoperatie als de begeleiding van de schademelders mijn bijzondere aandacht heeft. Daarbij werk ik nauw samen met de betrokken regionale en maatschappelijke partijen.
Bent u het ermee eens dat u juist wel goed kan maken wat er in Groningen de afgelopen tientallen jaren is aangedaan en dat u werkelijk de held van Groningen kan worden door het uit de juridische en technische sfeer te halen en het op menselijke wijze aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Erkent u dat de strijd die veel Groningers al jaren voeren, gezondheidsklachten voor 10.000 Groningers tot gevolg heeft? Kunt u zich voorstellen dat wanneer mensen in het verleden al wat meer ellende hebben meegemaakt, dit het risico op gezondheidsklachten verhoogt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderzoek vanuit onder meer de Rijksuniversiteit Groningen (Gronings Perspectief) geeft niet alleen een beeld van de symptomen en de mogelijke gevolgen, maar ook van de oorzaken en biedt daarmee een aanknopingspunt voor acties om dit specifieke negatieve effect te verminderen. Het onderzoek laat zien dat er 10.000 inwoners lijden aan de problematiek veroorzaakt door de gaswinning, met negatieve gevolgen voor gezondheid en welzijn.
Ik heb steeds aangegeven dat financiële overwegingen niet leidend zijn bij het oplossen van de brede aardbevingsproblematiek. Ik zie dat de aardbevingen, de bijbehorende schadeafhandeling en de veelheid aan instanties soms in combinatie met financiële problematiek voor individuele bewoners, grote impact kan hebben op de (mentale) gezondheid. Tegelijkertijd weten we dat de veerkracht van mensen en de mate waarin personen gezondheidsklachten ontwikkelen van veel verschillende factoren afhankelijk is. Daarom kan ik geen conclusies trekken over de verschillende risico’s op gezondheidsproblemen in Groningen ten opzichte van de rest van Nederland.
Ik zie, ook in mijn werkbezoeken, dat er bijzondere individuele situaties zijn waarbij de gaswinning een rol speelt. Deze bewoners moeten geholpen worden. Het gaat dan om een stapeling van problemen (medische, psychische en/of sociale problemen, soms ook economische problemen), waardoor de schade- of versterkingsproblemen van het huis de druppel worden die de emmer doet overlopen. Hiervoor bestaat de Commissie Bijzondere Situaties (CBS). In overleg met de gedupeerde wordt door de CBS gezocht naar een oplossing die in die specifieke situatie het meest constructief is. Dat kan zijn in de vorm van bijvoorbeeld hulp bij de verkoop van de woning, het regelen van vervangende woonruimte of het inschakelen van een financieel coach. Deze CBS biedt een antwoord voor de beschreven problematiek, waarbij de kosten voor de gekozen oplossing voor de CBS geen doorslaggevende rol spelen. Alle kosten worden gedragen door NAM.
Erkent u dat mensen uit Groningen met veel verdriet in het verleden een hoger risico op gezondheidsproblemen hebben dan mensen uit de rest van Nederland met veel verdriet in het verleden? Of mensen die al een andere lichamelijke ziekte of aandoening hebben, en dat daarmee de gezondheidsveiligheid, naast de fysieke veiligheid, van Groningers ook minder is dan die in de rest van Nederland? Wat is daarop uw reactie?
Zie antwoord vraag 11.
Kent u het artikel over Henk en Alison uit Trouw? Wat is daarop uw reactie?3
Ik ben bekend met het schrijnende verhaal van Henk en Alison. Het onderstreept het belang en de urgentie van mijn inzet op dit dossier zoals ik die geformuleerd heb in antwoord op vraag 3. In het wetsvoorstel Tijdelijke Wet Groningen, dat ik onlangs aan uw Kamer heb aangeboden, stel ik voor om de publiekrechtelijke afhandeling van alle vormen van schade bij een op te richten IMG neer te leggen. Ook de vermogensschade die is ontstaan ten gevolge van de gaswinning is een schadesoort waarvoor gedupeerden bij het IMG terecht kunnen. Afhankelijk van de snelheid van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel, kan het IMG in 2020 haar deuren openen en kunnen gedupeerden zich hier melden. Zolang dit niet is geregeld, is een verzoek aan NAM of een procedure bij de burgerlijke rechter de enige weg om vergoeding te ontvangen.
Er is professionele hulp geregeld voor mensen met complexe problematiek, te denken valt aan de TCMG en de Onafhankelijk Raadsman. Bovendien is er speciaal voor schrijnende gevallen de Commissie Bijzondere Situaties. De bevingsgemeenten zijn daarnaast bezig om hulp te regelen. Zo is voor enkele gemeenten bijvoorbeeld een aardbevingscoach aangesteld die vinger aan de pols houdt. Ik bezoek regelmatig bewoners in het gebied. De mensen die worden bezocht worden doorgaans aangedragen door TCMG, NCG, gemeenten of zij melden zichzelf. Ook ambtelijk is er uiteraard constant veel contact met gemeenten, de professionals uit de praktijk van de uitvoeringsorganisaties en met bewoners.
Wat gaat u doen om ondernemers die hun bedrijf door de gevolgen van de gaswinning kwijt zijn, zoals de gezinnen in het genoemde artikel, financieel te compenseren?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid deze en andere mensen met vergelijkbare problematiek, wanneer wij u namen aanleveren, te bezoeken om te kijken wat uw beleid doet met deze mensen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Waarom laat u mensen in schrijnende gevallen toch nog vechten voor het geld waar ze recht op hebben? Waarom wordt dat niet gewoon uitgekeerd zodat zij verder kunnen met hun leven?
Het doel van de TCMG nu en het IMG straks is om burgers te ontzorgen bij het afhandelen van aardbevingsschade. Daarmee wil ik het zo eenvoudig mogelijk maken voor burgers om geld te ontvangen voor schade waar ze recht op hebben.
Hoe komt het dat de uitkoopregeling op ongelijke wijze wordt toegepast? Vindt u het terecht dat verschillende hypotheekvormen ook verschillende bedragen tot gevolg hebben? Bent u bereid de uitkoopregeling zo toe te laten passen dat het voor iedereen gelijk en ruimhartig wordt?
De huidige regeling is beschikbaar voor iedere eigenaar-bewoner (of erfenis) in het aardbevingsgebied die de woning tenminste twaalf maanden openbaar te koop heeft staan. Na selectie voor het Koopinstrument wordt de woning door twee onafhankelijke taxateurs op marktwaarde getaxeerd. De aanbieding die de bewoner vervolgens ontvangt bedraagt 95% van de getaxeerde marktwaarde. De voorwaarden zijn voor iedereen gelijk en worden ook zo toegepast.
In overleg met de regio bekijk ik of en zo ja op welke wijze het Koopinstrument voor de komende jaren moet worden aangepast. Ik heb daarvoor 20 miljoen euro beschikbaar gesteld.
Wat betekenen uw woorden «Geld speelt geen rol» direct voor inwoners in een schrijnende situatie? Wat is uw definitie van ruimhartig?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid mensen voor wie de gevolgen dusdanig groot zijn dat ze suïcidaal zijn, of onder behandeling zijn van een arts vanwege lichamelijke gevolgen door stress, volledig te ontzorgen en ze dat te geven wat nodig is om te gaan herstellen en weer te kunnen leven?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid meer ruchtbaarheid te geven aan uw meldpunt voor mensen die ondanks een uitspraak van de arbiter nog in gevecht zijn met de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM)? Kan het oproepje, geplaatst in de papieren versie van het Dagblad van het Noorden (DvhN), editie Groningen, uitgebreid worden met lokale kranten en andere edities van het DvhN? Zou een spotje van u en de commissaris van de Koning van de provincie Groningen, de heer Paas, op RTV Noord tot de mogelijkheden behoren? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het meldpunt is uitgebreid belicht in verschillende media. Niet alleen via de krant, maar ook via andere kanalen zoals sociale media is het bericht verspreid. Ik zie op dit moment geen noodzaak om nogmaals een oproep te doen. Er zal serieus naar alle gevallen gekeken worden die zich bij de commissaris van de Koning of mij melden naar aanleiding van de advertentie.
Tot nu toe hebben de commissaris van de Koning de heer Paas en ik 28 reacties ontvangen. Acht reacties betreffen de arbiterprocedure.
Bent u bereid om dit meldpunt langer te laten bestaan en niet alleen in de vakantieperiode?
Zie antwoord vraag 20.
Bent u bereid om het meldpunt uit te breiden voor mensen met schrijnende situaties, zoals hierboven genoemd?
Zie antwoord vraag 20.
Wilt u de vragen separaat beantwoorden voor 5 september 2019?
Vanwege interdepartementale afstemming en de samenhang met de vragen van het lid Beckerman over de Verenigde Naties is de deadline van vijf september niet haalbaar gebleken.
Het artikel in de Volkskrant ‘Vijf jaarsalarissen als nabestaandenpensioen’ |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Kent u dit artikel uit de Volkskrant?1
Ja.
Klopt de inhoud van dit artikel dat een van de varianten die werkgevers en vakbonden uitwerken, bestaat uit een nabestaandenpensioen, dat vijf jaarsalarissen omvat die uitgekeerd worden na overlijden van de deelnemer voor de partner?
Naar aanleiding van mijn adviesaanvraag omtrent de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler heb ik begrepen dat de Stichting van de Arbeid samen met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars aan de slag is gegaan met de adviesaanvraag. Er worden verschillende varianten uitgewerkt en op zijn merites beoordeeld. Op dit moment liggen er nog geen concrete voorstellen. De verwachting is dat het advies in het vroege najaar gereed zal zijn.
Is dit inclusief of exclusief uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw)?
Zie antwoord op vraag 2.
Van wie van de deelnemende partijen, werkgevers, vakbonden of het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kwam dit voorstel?
De Stichting van de Arbeid werkt samen met de sector, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars aan een advies omtrent de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler. Het is van groot belang dat deze partijen hier gezamenlijk naar kijken, omdat pensioen een arbeidsvoorwaarde is waarbij de vormgeving van het nabestaandenpensioen ook grote gevolgen heeft voor de uitvoering.
Op welke gegevens is de stelling in het artikel gebaseerd dat bij overlijden van de gepensioneerde deelnemer, de echtgenote van 75 jaar doorgaans levenslang 70% van het pensioen ontvangt?
Mij is niet bekend op welke gegevens de betreffende stelling is gebaseerd.
Hoeveel van de 75-jarige echtgenoten van gepensioneerde deelnemers hebben in 2018 70% van het pensioen ontvangen met daarbij de garantie dat dit levenslang zal zijn? Hoeveel hebben minder dan 70% ontvangen en hoeveel meer?
De gegevens die gevraagd worden zijn bij mij of mijn ministerie niet bekend. Ik heb navraag gedaan bij DNB, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. De betreffende partijen hebben aangegeven eveneens niet over deze gegevens te beschikken.
Bij hoeveel pensioenregelingen (liefst als percentage) kan een werknemer kiezen voor een Anw-hiaatverzekering?
Zie antwoord vraag 6.
Bij hoeveel pensioenregelingen (liefst als percentage) maakt een Anw-hiaatverzekering automatisch deel uit van de nabestaandenregeling?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel pensioenregelingen hebben de laatste 10 jaar afscheid genomen van de Anw-hiaatverzekering als onderdeel van de nabestaandenpensioenregeling?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer we 2017 en 2018 nemen, hoeveel jaarsalarissen zouden de partners ontvangen aan nabestaandenpensioen, als ervan uitgegaan wordt dat de weduwen en weduwnaars komen te overlijden op een gemiddelde leeftijd voor een man of vrouw?
Zie antwoord vraag 6.
Is bovenstaande som meer of minder dan het voorstel van vijf jaarsalarissen dat nu door sociale partners wordt uitgewerkt?
Zie antwoord op vraag 10.
Klopt het dat een ander voorstel is om het nabestaandenpensioen te beperken tot een maximum van een jaarsalaris?
Zie antwoord op vraag 2
Vindt u het logisch dat er twee varianten worden uitgewerkt die een versobering van het nabestaandenpensioen inhouden, terwijl de voorbeelden in het artikel laten zien dat er groepen zijn die juist te maken krijgen met een enorme inkomensterugval door het overlijden van de partner?
Ik denk dat het verstandig is om eerst het advies van de Stichting van de Arbeid samen met de Pensioenfederatie en het Verbond af te wachten. Het advies wordt in de vroege najaar verwacht. Ik zal het advies bestuderen en voorzien van een kabinetsreactie.
Wilt u indachtig de motie-Slootweg (34 996, nr.10) en het regeerakkoord, zoals ook door u is benadrukt in het notaoverleg van 27 mei jl., ervoor zorgen dat er een adequate regeling voor nabestaandenpensioen komt in plaats van een nog verder versoberde regeling?
De Stichting van de Arbeid werkt samen met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars constructief en intensief aan een advies omtrent de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler. Ik heb er vertrouwen in en verwacht dan ook een gedegen advies in het vroege najaar. De periode daarna zal ik gebruiken om het advies te bestuderen en te voorzien van een kabinetsreactie.
De kinderopvangtoeslag-affaire en alle aspecten daarvan |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat u oordeel Kamer gaf op twee moties, die constateerden dat dat deze moties met algemene stemmen zijn aangenomen en dat dus nu vaststaat dat de Belastingdienst onrechtmatig gehandeld heeft?
Ik ben op de hoogte van de moties. Ik heb deze moties oordeel Kamer gegeven voor wat betreft de in de moties opgenomen verzoeken aan de regering. De Raad van State heeft geoordeeld dat het stopzetten van kinderopvangtoeslag voordat het onderzoek naar het recht op toeslag was afgerond, niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. In het debat met uw Kamer van 4 juli jl. is aan de orde gekomen dat deze wijze van stopzetten van lopende toeslagvoorschotten in de CAF 11-zaak onrechtmatig is.
Eerder heb ik aangegeven dat de beslistermijnen ernstig overschreden zijn en dat door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) incomplete dossiers zijn aangeleverd. Dit vind ik onzorgvuldig en niet behoorlijk. De Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: de Adviescommissie) en de ADR heb ik gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken.
Klopt het dat het onrechtmatig handelen van de Belastingdienst ten minste geduurd heeft van 2013/2014 tot en met 2016 en dat dit gebeurd is op een groot aantal Combiteam Aanpak Facilitators (CAF)-dossiers? Zo nee, van wanneer tot wanneer heeft het onrechtmatig handelen geduurd en op welke dossiers heeft dit plaatsgevonden?
In 2016 is de werkwijze van Toeslagen gewijzigd. Vanaf dat moment zijn voorschotten kinderopvangtoeslag niet meer op vergelijkbare wijze stopgezet als in de CAF 11-zaak.
Zoals bekend, onderzoekt de ADR in welke andere toeslaggerelateerde CAF-zaken sprake is geweest van vergelijkbaar handelen als in de CAF 11-zaak. Ik wil niet op de uitkomsten van dit onderzoek vooruitlopen.
Heeft het CAF-team zelf besloten tot deze onrechtmatige handelingen? Is het managementteam van de Belastingdienst waar CAF onder viel betrokken bij deze illegale beslissing? Wanneer is de Directeur-Generaal (DG) Belastingdienst hierover geïnformeerd of bij betrokken? Is de politieke leiding (vooraf) geïnformeerd over deze onrechtmatige aanpak? Wanneer, hoe? Zo nee, waarom niet? Wilt u de onderliggende nota’s openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht eraan uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven. Zoals ik ook heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet beantwoorden.
Wanneer, op welk moment, werd u persoonlijk duidelijk dat hier niet alleen sprake was van onbehoorlijk en onzorgvuldig bestuur, maar van onrechtmatig overheidshandelen? Welke consequenties heeft u daar wanneer aan verbonden? Wilt u dit een precieze tijdlijn beschrijven? Welke actie is door u wanneer ondernomen tegen deze onrechtmatigheid?
Na de uitspraak van de Raad van State in maart 2017 werd duidelijk dat het stopzetten van het voorschot kinderopvangtoeslag voordat het onderzoek naar het recht op toeslag was afgerond, niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. In november van dat jaar heb ik ook gereageerd op het rapport van de Nationale ombudsman («geen powerplay, maar fair play»), waarin ik onder meer heb aangegeven dat de nadruk teveel heeft gelegen op het tegengaan van misbruik en dat daarbij onvoldoende oog is geweest voor burgerperspectief. Ook zijn toen alle lopende beroepszaken nogmaals beoordeeld en getoetst aan de uitspraak van de Raad van State. Daarnaast heb ik toen excuses gemaakt aan ouders die overlast hebben ondervonden van de handelwijze van de Belastingdienst.
In mijn brief van 11 oktober 2018 heb ik maatregelen aangekondigd naar aanleiding van het CAF 11-dossier.3 Ook heb ik in die brief aangegeven dat de behandeling van de bezwaren te lang heeft geduurd en dat ouders niet goed geïnformeerd zijn over het aanleveren van bewijsstukken. Zoals ik eerder heb aangegeven, heb ik de consequenties van deze handelwijze van de Belastingdienst lange tijd onvoldoende onderkend. Eerder heb ik dat een tunnelvisie genoemd. Op 11 juni 2019 heb ik gesproken met diverse getroffen ouders. Ik heb toen onder meer aangekondigd de invordering in de CAF 11-zaak met onmiddellijke ingang op te schorten. Ook heb ik aangekondigd een passende oplossing te zoeken voor alle getroffen ouders. Daarvoor heb ik zoals bekend de Adviescommissie om advies gevraagd.
In het debat met uw Kamer van 4 juli jl. is aan de orde gekomen dat deze wijze van stopzetten van lopende toeslagvoorschotten in de CAF 11-zaak onrechtmatig is. De Adviescommissie en de ADR heb ik gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken.
Acht u het acceptabel dat de Belastingdienst onrechtmatig handelt en dat jarenlang?
Ik vind het van belang dat de Belastingdienst handelt volgens geldende wet- en regelgeving.
Indien een rijksdienst jarenlang onrechtmatig handelt jegens waarschijnlijk duizenden burgers, laat u dan onderzoek doen, wie daartoe opdracht gegeven heeft en hoe het foutieve beleid tot stand gekomen is?
Ik heb de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Nadat de onderzoeken gereed zijn, zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Wat vindt u van het feit dat de Belastingdienst (en de DG van de Belastingdienst) het wel nodig vond om een grondig onderzoek te doen naar de klokkenluider, die illegaal handelen van de Belastingdienst blootlegde en geen onderzoek te doen naar het jarenlang illegaal handelen van de Belastingdienst, waardoor vele burgers zwaar in de problemen gekomen zijn?
Ik heb de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Verder doe ik geen uitspraken over individuen of individuele casussen.
Vanaf welk moment tot welk moment was er beleid en waren er werkinstructies om de kinderopvangtoeslag stop te zetten? Kunt u dat beleid en die werkinstructies openbaar maken?
In 2016 heeft Toeslagen de werkwijze aangepast. In 2017 heeft de Raad van State geoordeeld dat het stopzetten van kinderopvangtoeslag voordat het onderzoek naar het recht op toeslag was afgerond, niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.4 In het debat met uw Kamer van 4 juli jl. is aan de orde gekomen dat deze wijze van stopzetten van lopende toeslagvoorschotten in de CAF 11-zaak onrechtmatig is. Zoals bekend onderzoeken de ADR en de Adviescommissie het handelen van Toeslagen. In deze onderzoeken zal ook worden gekeken naar beleid en werkinstructies die betrekking hebben op die stopzetting. Nadat de onderzoeken gereed zijn, zal ik de uitkomsten ervan met uw Kamer delen.
Op hoeveel mensen zijn die werkinstructies en dat beleid – dat illegaal was – bij benadering toegepast?
Zoals bekend, onderzoekt de ADR in welke toeslaggerelateerde CAF-zaken sprake is geweest van vergelijkbaar handelen als in de CAF 11-zaak. Nadat het onderzoek gereed is zal ik dit met uw Kamer delen.
Herinnert u zich uw antwoorden van 11 september 20183 waarin u sprak van collegiale handreikingen en een conceptleidraad voor afhandeling van april 2016 en juni 2016? Zijn er vóór die data ook handreikingen en leidraden? Welke? Kunt u die aan de Kamer doen toekomen?
Dat herinner ik mij. Ik heb ook aangegeven dat dit interne communicatie op operationeel niveau is. Ik hecht eraan uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven. Zoals ik ook heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet beantwoorden.
Kunt u aangeven wat de status is van een conceptleidraad? Is dat een leidraad die gevolgd wordt bij behandelingen maar die door de concept-status niet bij Wob-procedures en andere uitvragen boven tafel komt?
De conceptstatus wordt in de regel gevolgd door een definitieve leidraad. De conceptstatus is niet bedoeld om te voorkomen dat de leidraad bij Wob-verzoeken en andere uitvragen boven tafel komt. Het bevestigt voor mij vooral dat de informatiehuishouding bij Toeslagen onvoldoende op orde was.
Welke versies van het «Handboek Toeslagen» bestonden er in 2013, 2014, 2015 en 2016? Welke instructies werden hierin opgenomen? Staan hier regels in omtrent het stopzetten van toeslagen?
In 2013 en 2014 zijn de wijzigingen in het Handboek Toeslagen niet via versiebeheer bijgehouden. Over 2015 bestaat één versie van het Handboek Toeslagen, over het jaar 2016 zijn dit er zes. In het Handboek Toeslagen staat een uitleg van de voor Toeslagen relevante wet- en regelgeving, jurisprudentie en processen. In het handboek staan regels omtrent het herzien, niet-continueren en opschorten van toeslagen.
Hoeveel van de CAF-projecten waren aan de kinderopvangtoeslag gerelateerd? Hoeveel gastouderbureaus, vraagouders en gastouders hebben te maken gekregen met maatregelen?
In totaal gaat het om circa 170 toeslaggerelateerde CAF-zaken. Daarbij gaat het niet uitsluitend om kinderopvangtoeslag. Alle relevante informatie over de zaken wordt op dit moment geïnventariseerd ten behoeve van de onderzoeken van de Adviescommissie en de ADR. Nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Hoeveel gastouderbureaus, vraagouders en hoeveel gastouders zijn in de CAF-zaken uiteindelijk veroordeeld voor fraude door de rechter? Kunt u aangeven om wat voor een soort straffen het hier gaat?
Alle relevante informatie over de zaken wordt op dit moment geïnventariseerd ten behoeve van de onderzoeken van de Adviescommissie en de ADR. Nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Zijn alleen in de CAF 11-zaak stukken proactief aan dossiers toegevoegd, nadat de Hoge Raad en de Kamer daarom hadden gevraagd? Of heeft u ook opdracht gegeven om in andere CAF-zaken dossier compleet te maken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en bij hoeveel dossiers zijn extra stukken ingebracht?
In procedures van vraagouders worden de stukken ingebracht volgens de regels die daarvoor gelden. Alle zaken met lopende (hoger) beroep procedures waarin nog geen zitting was geweest zijn ruimhartig doorgenomen op het waar nodig inbrengen van aanvullende stukken. In de zomer 2018 is dit proces in gang gezet. Het is niet vastgelegd bij hoeveel dossiers er extra stukken zijn ingebracht.
Hoeveel dossiers waren incompleet door toedoen van de Belastingdienst?
Er is niet vastgelegd bij hoeveel dossiers er extra stukken zijn ingebracht.
Hoe wordt recht gedaan aan een burger, wiens dossier incompleet was in de bezwaar-en beroepsfase – omdat de Belastingdienst stukken weg hield uit het dossier – en wiens bezwaar en/of beroep is afgewezen?
De vraag suggereert het opzettelijk weghouden van stukken uit dossiers van klanten die bezwaar of beroep hebben aangetekend. Ik heb geen aanwijzingen dat dit is gebeurd. De Adviescommissie onderzoekt dossiers in de CAF 11-zaak en aanverwante zaken en de praktische rechtsbescherming van toeslaggerechtigden in zijn algemeen. Ik wil niet op de uitkomsten van dit onderzoek vooruitlopen.
Bent u bekend met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat de uitkomsten van ondeugdelijk onderzoek kan worden aangemerkt als «verboden vrucht», waarmee de juridische basis van handelen van de staat tegen burgers kan komen te vervallen?
Ik ben bekend met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake bewijsuitsluiting («verboden vruchten»).6
Welke onderzoeken of disciplinaire maatregelen zijn gevolgd tegen degenen die verantwoordelijk waren voor de onrechtmatige stopzettingen en voor de reeks onrechtmatige en onzorgvuldige handelingen daarna, waaronder burgers niet informeren over hun rechten, hen in bezwaarfases niet informeren over wat van hen werd verlangd, het achterhouden van stukken tegenover rechters et cetera?
Ik hecht eraan uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven. Zoals ik ook heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet beantwoorden.
Indien u geen onderzoek kunt noemen, hoe kijkt u dan aan dat u wel bereid was in te gaan op het onderzoek tegen de klokkenluider?
Ik verwijs u naar wat hierover is gewisseld in het debat van 4 juli jl. Ik doe verder geen uitspraken over individuen of individuele casussen.
Zijn er naar uw opvatting ambtsdelicten of ambtsovertredingen begaan?
Ik hecht eraan uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven. Zoals ik ook heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet beantwoorden.
Heeft u onderzocht of er ambtsdelicten of ambtsovertredingen begaan zijn? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, wat was de uitkomst van het onderzoek?
Ik hecht eraan uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven. Zoals ik ook heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet beantwoorden.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Rotterdam, die een paar dagen na het laatste debat in een CAF-zaak oordeelde dat: «het besluit van de Belastingdienst om de toeslag van de vrouw stop te zetten onrechtmatig is. De Belastingdienst moet niet alleen toeslagen alsnog uitbetalen maar ook schade aan de vrouw vergoeden. Daar het mislopen van de toeslagen zijn bij de vrouw schulden ontstaan en heeft zij langer over haar studie gedaan. De rechtbank heeft bepaald dat de Belastingdienst alvast een voorschot op de schadevergoeding moet betalen. Het exacte schadebedrag moet nog worden vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de vrouw en haar advocaat inzage krijgen in het dossier van de Belastingdienst dat betrekking heeft op het onderzoek naar het door de vrouw ingeschakelde gastouderbureau. De vrouw hoopt hiermee meer duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken.»?4
Ik heb kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 jul 2019 in een kinderopvangtoeslagprocedure.8
Bent u bereid dit vonnis gewoon uit te voeren of gaat de Belastingdienst weer in hoger beroep in een poging om documenten geheim te houden?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 23 augustus 2019 aan uw Kamer over de uitspraak van rechtbank Rotterdam inzake kinderopvangtoeslag.9
Kunt u de documenten van deze zaak niet alleen aan de vrouw en de advocaat ter inzage geven maar deze ook openbaar maken en aan de Kamer doen toekomen?
Ik doe geen uitspraken over individuele gevallen. Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures. Om die reden kan ik uw Kamer de documenten uit een individuele zaak niet doen toekomen.
Kunt u op basis van deze uitspraak onmiddellijk beginnen met het verlenen van een voorschot in deze zaak voor geleden schade en hetzelfde doen in andere zaken, conform de aangenomen motie5 die echt niet vraagt om tot oktober of het advies van de commissie-Donner te wachten?
Toeslagen stelt in deze zaak geen hoger beroep in op het punt van de toegekende vergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn en het voorschot op de vergoeding van nog nader te bepalen schade. Verder acht ik het niet zorgvuldig vooruit te lopen op de Adviescommissie.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Fiscus frustreert informatieverzoeken van gedupeerden in toeslagaffaire»?6
Ja.
Bent u bereid, nu de Belastingdienst onrechtmatig gehandeld heeft bij elk van de stopzettingen, bij de gigantische termijnoverschrijdingen en bij het onrechtmatig aanleveren van incomplete dossiers in de bezwaar-en beroepsfase, om het complete onderzoeksdossier van de Belastingdienst en alle achterliggende stukken aan de ouders, de instelling en de Kamer te sturen?
In procedures met vraagouders worden de stukken ingebracht volgens de regels die daarvoor gelden. Alle CAF 11-zaken met lopende (hoger) beroep procedures waarin nog geen zitting was geweest zijn alsnog ruimhartig doorgenomen op het aanvullen van het dossier. Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures en de stukken geven geen extra inzicht in de gang van zaken «in den brede» binnen het CAF 11-project.
Indien het antwoord op de vorige vraag nee is, welke voor de Belastingdienst onwelgevallige informatie probeert u dan nog steeds achter te houden?
Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures en de stukken geven geen extra inzicht in de gang van zaken «in den brede» binnen het CAF 11-project. Daarom stuur ik uw Kamer het onderzoeksdossier niet toe.
Herinnert u zich dat u (en uw ambtsvoorganger) eerdere vragen in algemene termen beantwoord hebben zonder voldoende onderzoek te doen en zonder de gevraagde documenten aan de Kamer te doen toekomen en dat dit een bepaald onvolledig beeld van de zaak gaf, bijvoorbeeld in de antwoorden:
Ik herinner mij de antwoorden van mijn ambtsvoorganger en mijzelf.
Kunt u de volgende documenten – waar eerder om verzocht is – aan de Kamer doen toekomen:
In uw vraag verzoekt u om een omvangrijk aantal specifieke documenten. Een deel van de relevante informatie uit de aangeduide documenten is reeds opgenomen in mijn eerdere brieven over dit onderwerp en in de beantwoording van de vragen die uw Kamer daarover heeft gesteld. Voor de vervolgopdracht aan de EDP-auditors van 2 oktober geldt dat deze onderdeel uit maakte van een Wob-verzoek waar op 13 september 2019 op besloten is en welke ik op dezelfde dag met uw kamer heb gedeeld.
De Adviescommissie en de ADR betrekken deze stukken bij hun onderzoek. Daarnaast maak ik u er op attent dat mijn departement parallel met deze vragen en onderzoeken een omvangrijk Wob-verzoek heeft ontvangen dat ziet op een groot deel van de gevraagde documenten. Met het verzamelen en het beoordelen van die documenten is men reeds begonnen. Omdat dit de nodige inspanningen vergt, zal het vermoedelijk nog enige tijd vergen voordat ik de documenten aan uw Kamer kan verstrekken.
Herinnert u zich dat de regering aan de Kamer verklaarde: «De notitie onderscheidt dit soort gevallen van de situatie waarin een bewindspersoon in eerste instantie een document niet verstrekt, zonder daarbij een uitdrukkelijke weigering uit te spreken, of zich te beroepen op het belang van de staat. De Kamer kan in dit niet-verstrekken (eventueel na overleg) berusten. Maar als de Kamer volhardt in haar verzoek, zal de bewindspersoon het document alsnog moeten verstrekken, of definitief moeten weigeren met een beroep op het belang van de staat.»?9
Ja.
Wilt u deze vragen zien als een volharding van mijn eerdere verzoeken en dus per document een van beide handelingen verrichten
Er zijn door mij geen inlichtingen aan uw Kamer geweigerd met een beroep op het belang van de staat. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 31.
Wilt u voor de zaken waarop u een belang doet op het belang van de staat, dit belang toetsen met uw collega’s in het kabinet en aangeven of zij – per document – het beroep op het belang van de staat kunnen dragen? Kunt u aangeven in welke kabinetsvergadering u dit aan de orde gesteld heeft en met welke documenten het kabinet instemt dat het in het belang van de staat is dat zij niet openbaar worden?
Ik verwijs u naar het antwoord bij vraag 33.
Herinnert u zich uw toezegging uit het algemeen overleg van 4 juli 2019, waarin u beloofde de Kamer te zullen informeren over alle documenten waar de landsadvocaat de beschikking over had bij het opstellen van de Conclusie van Antwoord van juni 2018? Kunt u precies, per document aangeven, over welk stuk de landsadvocaat wel beschikte, welke documenten (nadien) zijn aangetroffen door de EDP-auditoren of bij het nader onderzoek van Toeslagen, en welke documenten de Kamer onthouden zijn?
In het Algemeen Overleg van 4 juli 2019 is onder andere de toezegging gedaan dat ik de Kamer zal informeren over het mogelijke verschil tussen het aantal stukken waar de Landsadvocaat over beschikte en het aantal stukken dat deel uitmaakte van de WOB-procedure in juni 2018. Hierbij doe ik deze toezegging gestand.
In maart 2018 heeft de advocaat van het gastouderbureau in het kader van de civiele schadevergoedingsprocedure tegen Toeslagen (de Staat) onder meer verzocht om informatie over CAF-11. Daarbij heeft de advocaat opgemerkt dat dit verzoek te beschouwen was als een Wob-verzoek. Door Toeslagen is nagegaan welke documenten betrekking hadden op het verzoek. Dit heeft toen geleid tot zes documenten, zoals vermeld in de inventarislijst van het primaire Wob-besluit van 12 juni 2018. De advocaat van het gastouderbureau beschikte al over het document «Rapport Vpb bij het GOB», daarom is dat document niet meegenomen in de primaire Wob-beslissing. Tijdens de bezwaarfase naar aanleiding van het Wob-besluit van 12 juni 2018 zijn ook tien documenten aan de Tweede Kamer ter vertrouwelijke inzage verstrekt; bij de beslissing op bezwaar zijn in de inventarislijst deze documenten ook opgenomen. Onder deze documenten bevond zich ook het document «Rapport Vpb bij het GOB».
Voor het overige verwijs ik naar mijn beantwoording van de vragen 19 tot en met 22 van de vaste commissie voor Financiën van 28 juni jl.15
Herinnert u zich uw toezegging dat documenten «ruimhartig» zouden worden ingebracht in procedures en dat de landsadvocaat aan de zijde van burgers zou gaan staan? Kunt u in dit licht (per document) toelichten waarom de 14 door u genoemde documenten in de brief van 20 november niet zijn ingebracht in individuele procedures?
In mijn antwoord van 28 juni op vraag 24 van de vaste commissie voor Financiën heb ik het volgende geantwoord: «Aan de Landsadvocaat is een aantal door de EDP-auditors gevonden stukken verstrekt die mogelijk relevant zouden kunnen zijn voor een lopende beroepsprocedure. Het gaat daarbij om stukken die steeds betrekking hebben op een specifieke procedure. Aan de Landsadvocaat is gevraagd om ook deze stukken tegen de achtergrond van de betreffende lopende procedure te beoordelen. Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures en de stukken geven geen extra inzicht in de gang van zaken «in den brede» binnen het CAF 11-project. Om die reden doe ik uw Kamer de afschriften van de aan de Landsadvocaat verstrekte stukken niet toekomen.»
In aanvulling daarop merk ik in algemene zin op dat de Landsadvocaat de veertien stukken in oktober 2018 heeft beoordeeld en dat de uitkomst daarvan was dat de stukken niet aan de betreffende dossiers toegevoegd behoefde te worden omdat ze ofwel reeds deel uitmaakten van het dossier dat was overgelegd of omdat ze op dat moment niet als op de zaak betrekking hebbende stukken kwalificeerden omdat de stukken niet relevant waren in het licht van de geschilpunten zoals die op dat moment bestonden.
Worden de documenten die de grondslag vormden voor de onrechtmatige stopzetting van toeslagen in CAF-11 door de landsadvocaat proactief ingebracht in alle procedures van vraagouders, gastouders en gastouderbureau, zodat zij hiertegen verweer kunnen voeren? Zo nee, waarom niet? Wilt u de landsadvocaat hiertoe alsnog opdracht geven?
In de procedures van vraagouders worden in elke individuele procedure de op die zaak betrekking de hebbende stukken ingebracht. In de zaak van het gastouderbureau zijn conform de regels van het civiele recht de benodigde producties ingediend. Procedures van gastouders zijn mij niet bekend.
Bent u bereid om te bewerkstelligen dat ook in de overige 170 CAF-zaken de onderliggende onderzoekinformatie en bijbehorende documenten op grond van art 8:42 Algemene wet bestuursrecht (Awb) actief worden overlegd? Zo nee, waarom overtreedt u dan artikel 8:42 van de Awb?
In alle procedures worden de stukken ingebracht volgens de regels die daarvoor gelden. Alle zaken met lopende (hoger) beroep procedures waarin nog geen zitting is geweest worden door Toeslagen ruimhartig doorgenomen op het waar nodig aanvullen van het dossier.
Krijgen de commissie-Donner en de Auditdienst Rijk (ADR) de beschikking over deze onderliggende documenten en alle documenten over CAF-zaken die bij de Belastingdienst, FIOD, Belastingdienst/Toeslagen en landsadvocaat beschikbaar zijn over CAF-zaken?
Zowel de Adviescommissie als de ADR krijgen de beschikking over alle documenten die zij relevant achten voor hun onderzoeken.
Kunt u deze vragen zeer zorgvuldig en nauwkeuring, een voor een (zonder verwijzingen naar vorige vragen) en binnen vijf weken beantwoorden?
Uw vragen zijn zorgvuldig, één voor één en tezamen met andere Kamervragen over CAF-zaken beantwoord.
De verbijsterende CAF affaire met de kinderopvangtoeslag |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de nieuwe berichtgeving over de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF)-affaire inzake de kinderopvangtoeslag?1
Ja.
Waarom heeft u op 4 juli 2019, tijdens het algemeen overleg over stopzetten kinderopvangtoeslag, de CAF 16-zaak in Rotterdam verzwegen, terwijl Kamerleden u daar wel naar gevraagd hebben?
In het AO Stopzetten kinderopvangtoeslag van 4 juli 2019 heb ik onder meer aangegeven dat ik niet kan uitsluiten dat er meer toeslaggerelateerde CAF-zaken zijn buiten het CAF 11-dossier waar hetzelfde is gebeurd. Daarom heb ik de Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: de Adviescommissie) en de ADR gevraagd het handelen van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) te onderzoeken.
Klopt het dat in de rechtbank Rotterdam op 8 juli 2019 is gebleken dat ook daar kinderopvangtoeslagen onrechtmatig zijn stopgezet en teruggevorderd?
Naar aanleiding van de situatie rondom het CAF 11-dossier is deze zaak voorafgaand aan de behandeling op zitting door Toeslagen nogmaals bestudeerd. Hierbij is ruimhartig gekeken naar het dossier. Ook is tijdens de zitting van de zijde van de Belastingdienst, in navolging van een uitspraak van de Raad van State, inderdaad gemeld dat in deze zaak het besluit tot stopzetting van het voorschot onrechtmatig is geweest. Mede om deze reden heeft Toeslagen de vrijdag voorafgaand aan de zitting een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Neemt u de Kamer nog wel serieus, nu u de Kamer opnieuw onvolledig en onjuist hebt geïnformeerd?
Ik informeer de Kamer altijd naar eer en geweten en zo juist en volledig mogelijk.
Bent u op hoogte van het grondwettelijke recht van de Kamer (art. 68 Grondwet) om alle inlichtingen te ontvangen? Waarom leeft u de wet niet na?
Ik informeer de Kamer altijd naar eer en geweten en zo juist en volledig mogelijk.
Heeft u de Belastingdienst nog wel onder controle? Hoe reageert u op de berichtgeving dat het kerndepartement en de Belastingdienst elkaar niet meer vertrouwen? Hoe reageert u op de berichtgeving dat de Belastingdienst, en met name de afdeling Toeslagen, zijn eigen gang gaat, en een staat in de staat vormt, die denkt aan niemand verantwoording schuldig te zijn?
Ik laat de kwalificaties voor rekening van de vragensteller. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 2 juli jl.2, sta ik een open en veilig klimaat voor, waar medewerkers in hun kracht gezet worden, zich veilig voelen en fouten kunnen maken. Dilemma’s moeten worden besproken en van fouten moet worden geleerd. Alleen zo kan ruimte ontstaan voor de menselijke maat. Daarom is cultuur de vierde pijler van beheerst vernieuwen. De kern van de pijler cultuur heeft een deels gedifferentieerd programma dat gericht is op alle medewerkers van de Belastingdienst. Het programma is niet vrijblijvend en maakt gebruik van kennis en expertise van buiten de Belastingdienst. De pijler cultuur is heeft tot doel het gedrag en handelen van medewerkers echt te veranderen.
Kunt u toezeggen dat de algemeen directeur Toeslagen bij de Belastingdienst als gevolg van de CAF-affaire strafontslag zal krijgen, de leidinggevenden binnen Toeslagen voorwaardelijk strafontslag, en alle andere medeplichtige ambtenaren van de Belastingdienst een waarschuwing of berisping?
Ik doe geen uitspraken over individuen en individuele casussen.
Vindt u het niet schokkend dat ambtenaren willens en wetens de wet hebben overtreden? Welke sancties heeft u ter beschikking? Welke sancties gaat u opleggen?
De Adviescommissie en de ADR heb ik gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken. Als de onderzoeken zijn afgerond, zal ik met een reactie komen. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 6 en vraag 7.
Klopt het dat het niet om incidenten ging, maar dat het om staand beleid ging, en de top van Toeslagen op de hoogte was? Waren ook de secretaris-generaal en de toenmalige staatssecretarissen en ministers van Financiën op de hoogte? Kunt u dit uitsluiten?
Ik heb de Adviescommissie en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken.
Waarom zijn de interne signalen in 2015 genegeerd? Klopt het dat hier intern overleg over is gevoerd? Klopt het dat er instructies zijn uitgewisseld en welke waren dat?
In mijn brief van 2 juli 2019 ben ik hierop ingegaan. In september 2015 is een overdrachtsdocument gewisseld tussen behandelaars van bezwaarschriften bij Toeslagen. Ik heb geen aanwijzingen dat dit document binnen de Belastingdienst is besproken.
Vindt u ook dat, net als de Nationale ombudsman, de overheid een meewerkende overheid moet zijn, die het volk dient? Hoe kwalificeert u het hysterische optreden van de Afdeling Toeslagen in dit licht?
Ik deel de stelling dat de overheid zijn burgers moet faciliteren.
Is de klokkenluider inmiddels weer aan het werk? Kunt u deze klokkenluider voordragen voor promotie en salarisopslag, en daarnaast voordragen voor een lintje, nu deze persoon een heldenrol heeft vervuld? Zo nee, waarom niet?
Ik doe geen uitspraken over individuen of individuele casussen.
Bent u nog wel de juiste persoon om de CAF-affaire op te lossen? Of groeit deze affaire u boven het hoofd? Bent u bereid op te stappen, als deze zaak niet uiterlijk op 1 januari 2020 volledig opgelost zal zijn, inclusief het uitbetaald hebben van alle schadevergoedingen, met de volledige genoegdoening van alle slachtoffers?
Ik ben vastberaden deze zaak goed en zorgvuldig op te lossen.
Klopt het dat er in de nasleep van de Bulgarenfraude in de jacht op fraude zorgvuldig onderzoek en bewijsvoering zijn overgeslagen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik eerder heb aangegeven, heeft, ingegeven door de tijdgeest gericht op het voorkomen en aanpakken van fraude, de focus gelegen op de bestrijding van fraude en is de menselijke maat uit het oog verloren.3 Dit heeft in voorkomende gevallen vervelende consequenties gehad voor goedwillende ouders van wie de toeslag is stopgezet, terwijl later bleek dat zij er wel recht op hadden.
Wat is de achtergrond van het nieuwe onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) dat u op 9 juli jl. heeft gelast? Bent u ervan op de hoogte dat de Kamer op 9 juli nieuwe vragen heeft gesteld, die in grote lijnen overeenkomen met het gelaste ADR-onderzoek?
Zoals ik tijdens het plenaire debat van 21 maart jl. heb aangegeven, laat ik de ADR onderzoeken of de problemen in het CAF 11-dossier ook in andere zaken hebben gespeeld. De Auditdienst Rijk (ADR) kijkt naar het handelen van Toeslagen in toeslaggerelateerde CAF-zaken. In het debat over dit onderwerp op 4 juli jl. heb ik aangegeven de onderzoeksopdracht aan de ADR zo snel als mogelijk aan uw Kamer te doen toekomen. De vragen van uw Kamer voor het ADR onderzoek van 9 juli jl. heb ik mee laten nemen in de onderzoeksopdracht. Op diezelfde datum heb ik u over de opdracht geïnformeerd. Naar aanleiding van een verzoek van de leden Lodders en Omtzigt en de Adviescommissie is het ADR onderzoek uitgebreid en nader gespecificeerd, hierover heb ik u 5 september jl. een brief gezonden.4
Wanneer denkt u het bredere CAF-onderzoek van de ADR te hebben afgerond? Is dat voor het einde van de week? Of is het bredere CAF-onderzoek van de ADR een nieuw rookgordijn dat u opwerpt?
Het onderzoek van de ADR is naar verwachting eind 2019 afgerond, zoals ook gemeld in mijn Kamerbrief van 11 juni jl.5
Kunt u ervoor zorgdragen, dat er een volledig overzicht komt van alle (170) CAF-zaken, met daarin een overzicht van de hoeveelheid stopzettingen, de hoeveelheid terugvorderingen, de hoeveelheid gastouders, de hoeveelheid gastouderbureaus (en een lijst hiervan) en de totale bedragen die hiermee gemoeid zijn? Bent u in deze bereid om art. 68 van de Grondwet na te leven?
Alle relevante informatie over de zaken wordt op dit moment geïnventariseerd ten behoeve van de Adviescommissie en de ADR. Nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
In hoeveel zaken wordt er nog geprocedeerd? In hoeveel zaken hebben burgers gelijk gekregen en in hoeveel zaken heeft Toeslagen gelijk gekregen?
Alle relevante informatie over de zaken wordt op dit moment geïnventariseerd ten behoeve van de Adviescommissie en de ADR. Nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Hoeveel hebben de lopende rechtszaken inmiddels gekost aan griffie- en advocaatkosten? Hoeveel heeft de Staat inmiddels aan kosten gemaakt bij de Landsadvocaat?
Tot medio augustus 2019 is er in CAF 11 zaken circa € 4.600 griffierecht vergoed. De kosten van de Landsadvocaat tot en met de maand juni 2019 bedragen € 405.000. Het gaat om het totaal van inzet van de Landsadvocaat bij de verschillende afgesloten en nog lopende bestuursrechtelijke procedures, de lopende procedure inzake de civiele schadeclaims en algemene advisering in het kader van CAF 11. Dit bedrag is afgerond op duizenden euro’s en omvatten honoraria, kantoorkosten, verschotten en BTW.
Bent u bereid niet alleen de kinderopvangtoeslagenzaken vanaf 2013, maar vanaf 2010 opnieuw te beoordelen? Kunt u de juridische verantwoordelijkheid hierin onderzoeken?
Omdat het CAF-team in 2013 is opgericht, is dat het startmoment van het onderzoek. In de CAF 11-zaak is van een groot aantal ouders de kinderopvangtoeslag stopgezet terwijl onderzoek naar het recht hierop nog niet was afgerond. Een dergelijke stopzetting is niet in overeenstemming met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Ik kan niet uitsluiten dat deze handelwijze ook in andere toeslaggerelateerde CAF-zaken bij een groot aantal personen tegelijk is toegepast. Mede daarom laat ik de ADR toeslaggerelateerde CAF-zaken onderzoeken.
Hoeveel ouders zijn door het ingrijpen van Toeslagen in de bijstand of een andere uitkering terechtgekomen?
Dit wordt niet bijgehouden. Er zijn mij dan ook geen cijfers bekend over ouders die door het ingrijpen van Toeslagen in de bijstand of een andere uitkering zijn terechtgekomen.
Bent u het eens met de uitspraak van de Minister van Financiën, op 9 juli 2019 in het programma Jinek, dat het stilleggen van alle rechtszaken niet ver genoeg gaat? Om hoeveel van deze rechtszaken gaat het?
Ik heb de Minister horen zeggen dat hij hetzelfde vindt als ik. Op het moment van verzenden van deze antwoorden gaat het om 10 procedures in het kader van CAF 11 en om 20 rechtszaken die betrekking hebben op de overige CAF-zaken.
Klopt het dat al in 2012 gebleken was dat de signalen van de GGD uit 2011 niet klopten?
Nee, dat klopt niet. In de brief van 11 juni jl. ben ik uitvoerig ingegaan op deze materie.
Waarom heeft Toeslagen hier niets mee gedaan? Deelt u de mening dat de overheid niet in zichzelf gekeerd moet zijn, maar ontlastende signalen serieus moet nemen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 23.
Hoe reageert u op de uitspraken van de Algemene Rekenkamer, in Nieuwsuur van 10 juli jl.?2
Francine Giskes van de Algemene Rekenkamer constateert in de uitzending van Nieuwsuur van 10 juli onder meer dat op het toeslagendossier sprake is van grote politieke druk. Bij de invoering van het toeslagensysteem werd van de Belastingdienst gevraagd «snel de voorschotten te betalen en pas later te controleren», waardoor veel terugvorderingen ontstonden. Daarna is de Belastingdienst juist gevraagd om «heel goed te controleren alvorens uit te keren.»
Francine Giskes stelt in genoemde uitzending verder dat «het beter moet met de interne coördinatie binnen de Belastingdienst, maar ook in de regelgeving.» Deze conclusies onderschrijf ik grotendeels. Daarom kondigde ik in oktober vorig jaar als maatregel aan dat de vaktechnische inbedding van Toeslagen verbeterd wordt. Dit moet de interne coördinatie verbeteren. Daarnaast is mijn beeld dat ook de wetgeving op onderdelen rigide is en soms te weinig mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan het maatschappelijk rechtvaardigheidsgevoel in deze zaken. Dit kan soms disproportionele gevolgen hebben en tot schrijnende situaties leiden. Ik ben daarom met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader aan het onderzoeken of in dergelijke situaties tot een meer proportionele benadering kan worden gekomen. Daarnaast wordt op dit moment een IBO Toeslagen uitgevoerd, waarbij onder meer verdergaande opties van het stelsel van toeslagen worden bezien. De uitkomsten van dit IBO worden aan het eind van 2019 verwacht.
Deelt u de mening dat de toeslagenwetgeving te complex is, maar ook de inrichting van de Belastingdienst chaotisch is, en dat deze dienst in zichzelf gekeerd is? Wat gaat u hieraan doet?
Zoals ik in mijn brief van 11 juni jl. heb aangegeven, is het mijn beeld dat de wetgeving op onderdelen rigide is. In mijn brief van 3 juli jl. ben ik ingegaan op mijn aanpak «beheerst vernieuwen» om de Belastingdienst te vernieuwen en toekomstbestendig te maken.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat er al vele onderzoeken van de Algemene Rekenkamer geweest zijn, en bijvoorbeeld ook de commissie-Joustra/Borstlap, maar dat er heel weinig met deze onderzoeken wordt gedaan?
Ik deel het beeld dat in de vraag geschetst wordt niet. Met de aanbevelingen van de Commissie Joustra/Borstlap is de Belastingdienst bijvoorbeeld voortvarend aan de slag gegaan. Ik verwijs uw Kamer naar de voortgangsrapportage van 5 december 2017, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de dertien aanbevelingen van de Commissie.
Is de stelling gerechtvaardigd te stellen dat de Belastingdienst een onbestuurbare en onverbeterlijke organisatie is en vergelijkbaar met een stuurloze en zinkende olietanker, die niet meer is bij te sturen?
Nee.
Is de stelling gerechtvaardigd dat we eigenlijk rechtstreeks op een parlementaire enquête afstevenen, waarin alle verantwoordelijken in de loop der jaren op het matje zullen moeten komen?
Het instellen van een parlementaire enquête is een recht van uw Kamer.
Bent u bereid om alle beschikbare documenten zeker te stellen, om een dergelijke parlementaire enquête effectief te laten verlopen? Welke rol kunnen de politie en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) hierin spelen?
Indien de Kamer besluit tot het instellen van een parlementaire enquête verleen ik vanzelfsprekend alle medewerking.
Deelt u de mening dat het structureel kwakkelen van de Belastingdienst niet alleen begonnen is in 2006, met de invoering van de Toeslagen, maar dat de neergang van de dienst eigenlijk al begonnen is bij de brede belastingherziening in 2001?
Nee, die mening deel ik niet.
Klopt het dat in 2001 begonnen is met het veel meer gebruik maken van steekproeven, in plaats van 100%-controle?
Volledige controle was en is niet mogelijk. De Belastingdienst moet daarom risicogericht werken. Ook voor 2001 was dit al het geval. Het toepassen van steekproeven en deelwaarnemingen is een gebruikelijke werkwijze.
Klopt het dat veel mensen en bedrijven gebruik maken van de grote mazen in de wet, die door deze steekproefcontroles zijn ontstaan?
Eventuele mazen in het wettelijke kader staan los van de wijze waarop toezicht en handhaving is ingericht en dienen door aanpassing van dit kader te worden opgelost.
Klopt het bijvoorbeeld dat een gemiddelde controle bij een mkb'er gemiddeld 31.000 euro aan te weinig betaalde belasting oplevert? Dit kan toch niet? Wanneer gaat u hier eindelijk eens wat aan doen?
De Belastingdienst controleert grotendeels risicogericht. Een gemiddelde opbrengst van een controle bij een MKB-bedrijf zegt daarom niets over de mate waarin deze sector wet- en regelgeving naleeft.
Klopt het dat er zwarte lijsten bestaan, waarop toeslaggerechtigden staan, die in beginsel afgewezen worden voor de kinderopvangtoeslag, of die voor stopzetting of terugvordering in aanmerking komen? Kunt u uitsluiten dat deze zwarte lijsten bestaan?
Zoals ik in het debat van 21 maart 2019 heb aangegeven, bestaan er geen zwarte lijsten binnen Toeslagen. Wel bestaan er lijsten voor handmatige beoordeling. Toeslaggerechtigden die op een dergelijke lijst staan worden handmatig gecontroleerd. Plaatsing op deze lijst heeft geen gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag.
Op basis van welke criteria zijn deze zwarte lijsten samengesteld? Wie nam hierin beslissingen? Zijn dit besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waar bezwaar en beroep tegen mogelijk is? Waarom is niemand hierover geïnformeerd? Kunt u dit alsnog doen?
Er bestaan binnen Toeslagen geen zwarte lijsten. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 35.
Hoe kan iemand van een zwarte lijst afkomen? Welke procedure gaat u hiervoor inrichten?
Er bestaan binnen Toeslagen geen zwarte lijsten. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 35.
Hoeveel van de benadeelde ouders in de CAF 11-zaak hebben een dubbele nationaliteit?
Bij de start van het CAF 11-onderzoek hadden 196 vraagouders een dubbele nationaliteit.
Hoeveel van de benadeelde ouders in de andere CAF-zaken hebben een dubbele nationaliteit? Kunt u per CAF-zaak aangeven welk percentage van de ouders een dubbele nationaliteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment worden toeslaggerelateerde CAF-zaken geïnventariseerd en verstrekt aan de Adviescommissie en de ADR. Nadat de onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer nader informeren.
Kunt u uitsluiten dat er bij het samenstellen het criterium van etniciteit is gehanteerd? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hieraan doen?
In mijn brief van 11 juni jl. ben ik uitgebreid ingegaan op het verwerken van nationaliteit in de CAF-zaken:
«Vanaf de startperiode van het CAF maakte Toeslagen na het ontvangen van een signaal een uitdraai uit de systemen. Hiervoor werd vanaf 2013 door een medewerker een uitgebreid queryverzoek gedaan om gegevens uit de systemen te kunnen combineren. In dit queryverzoek werd gevraagd om specifieke gegevens over vraagouders. Naast naam, adres, en woonplaats, werden bijvoorbeeld ook gegevens over (eerste en tweede) nationaliteit, de startdatum van de toeslag en een eventuele immigratiedatum opgevraagd. In de opgeleverde gegevensset zijn alle gevraagde gegevens opgenomen.
Wanneer de analyse van een query aanwijzingen geeft van mogelijk georganiseerd misbruik, worden bezoeken aan gastouders en/of een gastouderbureau uitgevoerd. Bezoeken worden in het geval van CAF-zaken afgerond met een intern verslag van bevindingen.
Vanaf 2014 worden de analyses van de queries vastgelegd in een intern document om een overzichtelijk beeld te geven van de situatie. Dit interne document bevat een samenvattend overzicht van het aantal vraagouders, het soort toeslag, de woonplaatsen van de vraagouders, en de totale financiële omvang. Ook de nationaliteit van aanvragers was opgenomen in dit interne document. Sinds 2016 wordt specifiek op basis van dit document besloten of verder onderzoek nodig is, bijvoorbeeld in de vorm van een actualiteitsbezoek. Informatie over de (tweede) nationaliteit is geen selectiecriterium geweest bij de starten van CAF-zaken, dat waren immers steeds signalen van buitenaf. Recent is besloten dat nationaliteit ook geen onderdeel meer is van het queryverzoek.»
Ik keur etnisch profileren ten strengste af. De Autoriteit Persoonsgegevens doet onderzoek bij Toeslagen naar de verwerking van persoonsgegevens en bekijkt of sprake is geweest van etnisch profileren. De uitkomsten van dit onderzoek wacht ik af.
Deelt u de mening dat de Discriminerende Overheid heel ver af staat van de Dienstbare Overheid, die ons voor ogen zou moeten staan?
Zoals ik eerder heb aangegeven in mijn brief van 11 juni jl., keur ik etnisch profileren ten strengste af.
Bent u bereid om, naast het al lopende onderzoek, een diepgaand onderzoek te gelasten naar het gebruik van etniciteit als criterium, oftewel het discrimineren op etniciteit?
De Autoriteit Persoonsgegevens doet reeds onderzoek bij Toeslagen naar de verwerking van persoonsgegevens en bekijkt of sprake is geweest van etnisch profileren. De ADR is tevens gevraagd te onderzoeken of nationaliteit een bepalende rol heeft gespeeld in de CAF-onderzoeken. Ook heeft op 7 juni jl. de Nationale ombudsman een onderzoek aangekondigd om een indruk te krijgen van de aard van de klachten bij de overheid als het gaat om etnisch profileren en hoe overheden daar vervolgens mee omgaan. Daarnaast heb ik de Adviescommissie gevraagd hoe het in algemene zin met de praktische rechtsbescherming van de toeslaggerechtigden is gesteld, en welke verbeteringen zijn hier wenselijk zijn. Bij het advies wordt ook betrokken de aanwezigheid van bijzondere categorieën persoonsgegevens – meer in het bijzonder [tweede] nationaliteit – bij Toeslagen. Ik wacht de uitkomsten van deze onderzoeken af.
Bent u bereid om, indien discrimineren op etniciteit inderdaad het geval blijkt te zijn geweest, strafrechtelijke aangifte te doen van discriminatie?
Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die in het antwoord op vraag 42 zijn genoemd.
Wanneer verwacht u dat het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens naar o.a. etnisch profileren afgerond zal zijn? Wanneer zal de Kamer hierover geïnformeerd worden?
Ik kan daar geen uitspraak over doen omdat de Autoriteit Persoonsgegevens zelf haar agenda vaststelt.
Kunt u nader ingaan op de zelfmoord, die in de media wordt genoemd (1), en die gerelateerd zou zijn aan het terugvorderen van kinderopvangtoeslag?
Zelfdoding is een bijzonder trieste gebeurtenis, in het bijzonder voor alle betrokkenen. Dat behoeft geen enkele nadere toelichting. Bij de Belastingdienst komen incidenteel meldingen binnen, waarbij nabestaanden aangeven dat sprake is van zelfdoding. De Belastingdienst heeft mij desgevraagd laten weten dat een melding over de zelfdoding van een vraagouder in Rotterdam niet in de organisatie geregistreerd staat.
Kunt u een causaal verband uitsluiten tussen de zelfmoord en het terugvorderen van kinderopvangtoeslag door Toeslagen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hier mee doen?
Zie antwoord vraag 45.
Wat doet dit met u? Deelt u de mening dat dit verbijsterend is?
Zie antwoord vraag 45.
Op welke manier kunt u de 2-jarige wees royaal compenseren, indien blijkt dat het leven van dit kind door toedoen van de Belastingdienst verwoest is?
Zie antwoord vraag 45.
Hoe hoog zullen de schadevergoedingen zijn? Deelt u de mening dat dit hoger zal moeten zijn dan de 15.000 euro, die de Q-koorts patiënten hebben gekregen? Wat vindt u van een schadevergoeding van 15.000 euro per verpest jaar?
Ik heb de Adviescommissie gevraagd te adviseren over een passende oplossing. Ik wil niet op dit advies en de uitwerking daarvan vooruitlopen.
Waarom bent u eerder met de schaamteloze fooi gekomen van 500 euro per half jaar? Dit kan toch niet?
Het bestuursrecht kent op basis van jurisprudentie kort gezegd een vergoeding van € 500,– voor ieder (deel van een) half jaar dat de behandeling van het bezwaarschrift en beroep langer heeft geduurd dan twee jaar. Ik heb Toeslagen de opdracht gegeven deze vergoeding in CAF 11-zaken proactief en ruimhartig toe te kennen.7 Deze vergoeding ziet uitsluitend op de overschreden termijn. Om een passende oplossing te vinden voor gedupeerde ouders, heb ik de Adviescommissie om advies gevraagd.
Hoe breed is de CAF-affaire inmiddels? Klopt het dat er 170 CAF-zaken zijn? Kunt u uitsluiten dat, gezien de 302 gevallen in CAF 11, het hier wel eens om ca. 50.000 (302*170) toeslaggedupeerden zou kunnen gaan? Hoe gaat u deze mensen compenseren?
In totaal zijn er inderdaad circa 170 toeslaggerelateerde CAF-zaken. Op dit moment worden deze zaken geïnventariseerd en verstrekt aan de Adviescommissie en de ADR. Nadat de werkzaamheden van de commissie en de ADR zijn afgerond zal, ik uw Kamer nader informeren.
Deelt u de mening dat het hele toeslagensysteem op de schop moet?
Op dit moment wordt een IBO Toeslagen uitgevoerd, waarbij onder meer verdergaande opties van het stelsel van toeslagen worden bezien. De uitkomsten van dit IBO worden aan het eind van 2019 verwacht. Daarnaast is, zoals ik in mijn brief van 11 juni jl. heb aangegeven, mijn beeld dat de wetgeving op onderdelen rigide is en soms te weinig mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan het maatschappelijk rechtvaardigheidsgevoel in deze zaken. Dit kan soms disproportionele gevolgen hebben en tot schrijnende situaties leiden. Ik ben daarom met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader aan het onderzoeken of in dergelijke situaties tot een meer proportionele benadering kan worden gekomen.
Kunt u beleidsopties uitwerken waarbij toeslagen alleen nog maar toegekend worden op basis van vaststaande feiten, waardoor er later geen terugvordering meer nodig is?
Terugvorderingen zijn inherent aan de huidige systematiek. Op dit moment wordt een IBO Toeslagen uitgevoerd, waarbij onder meer verdergaande opties van het stelstel van toeslagen worden bezien. De uitkomsten van dit IBO worden aan het eind van 2019 verwacht. Ik wil niet vooruitlopen op de resultaten van dit onderzoek.
Klopt het dat er aan de terugvordering op basis van nieuwe inkomensgegevens geen eindtermijn zit (op basis van art. 20 en 21 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)? Klopt het dat dit erg afwijkt van de hoofdregel, waarin de eventuele vorderingen van de Belastingdienst verjaren na vijf jaar?
Ook voor de toeslagen geldt in principe een verjaringstermijn van 5 jaar. Binnen deze termijn kan een reeds vastgestelde toeslag naderhand in bepaalde gevallen nog in het voordeel of in het nadeel van de belanghebbende worden herzien. De mogelijkheid tot herziening van een vastgestelde toeslag in verband met een wijziging van het inkomensgegeven op grond van artikel 20 Awir heeft echter geen verjaringstermijn, maar is gekoppeld aan het moment waarop het nieuwe inkomensgegeven is vastgesteld. Dat heeft als reden dat de Belastingdienst/Toeslagen voor wat betreft dit inkomensgegeven afhankelijk is van de inspecteur van de Belastingdienst en het bij langlopende procedures in de sfeer van de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld in geval van navordering door de inspecteur, langer dan 5 jaar kan duren voordat het inkomensgegeven definitief vaststaat. Mede daarom schrijft artikel 20 Awir voor dat de Toeslagen, als dat inkomensgegeven eenmaal wijzigt, binnen 8 weken tot een herziening moet overgaan.
Waarom is voor deze afwijkende regel gekozen? Kunt u overwegen om de uiterste terugvorderingstermijn voor de Afdeling Toeslagen eveneens op vijf jaar te zetten? Kunt u een voorstel hiertoe opnemen in het Belastingplan 2020? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 54. Ik ben niet voornemens om nu een voorstel in het Belastingplan 2020 op te nemen waarin een verjaringstermijn aan artikel 20 van de Awir wordt verbonden.
Klopt het dat de afdeling van de Belastingdienst die de Inkomstenbelasting uitvoert de inkomensgegevens van bijna iedereen heeft?
De Belastingdienst is houder van de Basisregistratie inkomen (art. 21 Algemene wet inzake rijksbelastingen). In dit register wordt het inkomen vastgelegd van alle burgers. Daarnaast krijgt de Belastingdienst bijvoorbeeld actuele inkomensgegevens van het UWV. Dat betekent echter niet dat van iedereen de actuele inkomensgegevens beschikbaar zijn. Het komt bijvoorbeeld voor dat personen om uiteenlopende redenen uitstel vragen en krijgen voor de aangifte inkomstenbelasting of dat er wordt nagevorderd, waardoor definitieve inkomensgegevens pas later bekend zijn.
Klopt het dat deze inkomensgegevens vaak pas na vele jaren bij de Afdeling Toeslagen terechtkomen, die dan vervolgens tot terugvordering overgaat, tot grote ergernis van de toeslaggerechtigden?
Nee, dat klopt niet. Toeslagen verkrijgt gedurende het jaar doorlopend inkomensgegevens. Op basis van deze gegevens kan Toeslagen voor een aantal toeslaggerechtigden bijvoorbeeld al gedurende het toeslagjaar het voorschot aanpassen. Daarnaast kan belanghebbende zelf de inkomensgegevens aanpassen, zodat het voorschot op het actuele inkomen gebaseerd is. Zo kunnen (hoge) terugvorderingen worden voorkomen. Het komt echter voor dat inkomensgegevens pas later bekend zijn. Hierbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 56. Voor de volledigheid wijs ik erop dat ook andere factoren een rol kunnen spelen bij terugvorderingen. Zo kan het (wisselend) aantal opvanguren bij de kinderopvangtoeslag ook een belangrijke rol spelen.
Hoe kunt u bewerkstelligen dat deze inkomensgegevens veel sneller tussen de beide delen van de Belastingdienst worden gedeeld? Het is toch bizar dat de ene hand van de Belastingdienst niet weet wat de andere hand doet?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vraag 56 en 57.
Is de Belastingdienst inmiddels de slechtst functionerende overheidsdienst van Nederland?
Deze appreciatie laat ik aan de vragensteller.
Kunt u een vergelijking maken met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de Defensie Materieel Organisatie?
Nee, dat kan ik niet. Bovendien vallen de genoemde diensten niet onder mijn verantwoordelijkheid.
Kosten gerelateerd aan de sociale zekerheid van allochtonen |
|
Emiel van Dijk (PVV), Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger1 op de schriftelijke vragen van het lid Fritsma van 10 jaar geleden – 17 juli 2009- over de kosten die voortvloeien uit de aanwezigheid van (niet-westerse) allochtonen in Nederland? Bent u bereid deze vragen nu wel van een gedegen inhoudelijk en financieel antwoord te voorzien?
Ja, de eerder gestelde vragen zijn mij bekend. Als altijd stuur ik u een zorgvuldige beantwoording.
Kunt u aangeven welk deel van alle voorzieningen (zoals bijstand en remigratie uitkeringen), volksverzekeringen en werknemersverzekeringen aangewend wordt voor (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking, de oververtegenwoordiging van deze groep in bijvoorbeeld de bijstand, de gezinssamenstelling en leeftijdsopbouw van deze groep (die van invloed is op bijvoorbeeld de kinderbijslag)?
Het CBS stelt jaarlijks cijfers beschikbaar over het gebruik van socialezekerheidsregelingen naar herkomst. Het meest recente complete beeld van het gebruik van uitkeringen betreft september 2017.
In onderstaande analyse van het gebruik van uitkeringen worden twee leeftijdsgroepen onderscheiden: van 15 jaar tot de AOW-leeftijd (in 2017: 65 jaar en 9 maanden) en boven de AOW-leeftijd.
De Nederlandse bevolking van 15 jaar tot AOW-leeftijd wordt gecategoriseerd naar hun arbeidsmarktstatus: Werk, Uitkering en Geen werk of uitkering.
Onder de categorie «werk» vallen personen die op de laatste vrijdag van september van het verslagjaar 2017 wonen in Nederland, en een inkomensbron hebben uit arbeid als werknemer, arbeid als zelfstandige of als overig-arbeider. Onder de categorie «uitkering» vallen personen die inkomen hebben uit een bijstandsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziektewet, dan wel een werkloosheidsuitkering. Onder de subcategorie «sociale voorzieningen overig» worden personen gerekend die inkomen hebben uit de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz); de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen jonggehandicapten (Wajong); Oorlogs- en verzetspensioenen alsmede niet nader te bepalen overige uitkeringen. Onder de categorie «geen werk of uitkering» vallen personen waarvan geen inkomen uit werk of uitkering bekend is.
In 2017 hadden 413 duizend personen zowel werk als een uitkering. Van deze groep had 75,8 procent geen migratieachtergrond (313 duizend personen), 9,6 procent een westerse migratieachtergrond (40 duizend personen) en 14,6 procent een niet-westerse migratieachtergrond (60 duizend personen).
Onderstaande CBS-tabellen geven het algemene beeld van de Nederlandse bevolking van 15 jaar tot AOW-leeftijd, verdeeld naar belangrijkste inkomensbron en naar migratieachtergrond over 2017, in absolute aantallen en percentages.
Personen zonder migratieachtergrond
Personen met een westerse migratieachtergrond
Personen met een niet-westerse migratieachtergrond
Totaal
6.623
816
894
8.333
882
137
381
1.400
w.v.
AO en ziektewet
381
51
91
523
Bijstand
179
44
234
456
WW
153
25
27
205
Sociale voorzieningen overig
197
21
38
256
1.012
241
341
1.594
8.516
1.194
1.616
1.1326
Bron: CBS
Personen zonder migratieachtergrond
Personen met een westerse migratieachtergrond
Personen met een niet-westerse migratieachtergrond
Totaal
77,8%
68,4%
55,3%
73,6%
10,4%
11,5%
23,6%
12,4%
w.v.
AO en ziektewet
4,5%
4,3%
5,6%
4,6%
Bijstand
2,1%
3,7%
14,5%
4,0%
WW
1,8%
2,1%
1,7%
1,8%
Sociale voorzieningen overig
2,3%
1,8%
2,3%
2,3%
11,9%
20,2%
21,1%
14,1%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
Bron: CBS
In 2017 ontvingen 381.000 personen met een niet-westerse migratieachtergrond een uitkering. Dit is 23,6 procent van alle personen met een niet-westerse migratieachtergrond in deze leeftijdsgroep. Bij de personen zonder migratieachtergrond ging het om 882.000 personen (10,4%) en bij personen met een westerse migratieachtergrond waren het 137.000 personen (11,5%) die een uitkering ontvingen.
Tabel 3 geeft de verdeling van de verschillende uitkeringspopulaties weer.
Personen zonder migratieachtergrond
Personen met een westerse migratieachtergrond
Personen met een niet-westerse migratieachtergrond
Totaal
65,3%
9,7%
24,9%
100,0%
w.v.
AO en ziektewet
74,1%
9,6%
16,3%
100,0%
Bijstand
39,8%
9,6%
50,5%
100,0%
WW
75,1%
12,0%
12,9%
100,0%
Sociale voorzieningen overig
78,2%
8,0%
13,7%
100,0%
Bron: CBS
In de gehele bevolking van 15 jaar tot AOW-leeftijd heeft 75,2% geen migratieachtergrond, 14,3% een niet-westerse migratieachtergrond en 10,5% een westerse migratieachtergrond. De verdeling per type uitkering wijkt hier het meest van af bij bijstandsuitkeringen. Van de totale bijstandspopulatie in 2017 bestond 50,5% uit personen met een niet-westerse migratieachtergrond, 39,8% waren personen zonder migratieachtergrond en 9,6% personen met een westerse migratieachtergrond.
Bij de cijfers moet, net zoals in 2009, worden opgemerkt dat personen met een (niet-westerse) migratieachtergrond een zeer gemêleerde groep vormen, zowel naar migratiemotief, herkomstland, persoonskenmerken (leeftijd, opleidingsniveau en taalbeheersing), als verblijfsduur.
Personen zonder migratieachtergrond
Personen met een westerse migratieachtergrond
Personen met een niet-westerse migratieachtergrond
Totaal
2.650
294
112
3.056
127
85
106
318
w.v.
Aanvullend bijstand
4
8
34
46
Bron: CBS
Personen zonder migratieachtergrond
Personen met een westerse migratieachtergrond
Personen met een niet-westerse migratieachtergrond
Totaal
86,7%
9,6%
3,7%
100,0%
39,9%
26,8%
33,3%
100,0%
w.v.
Aanvullend bijstand
8,4%
16,7%
74,9%
100,0%
Bron: CBS
Van de 3.056.000 in Nederland wonende AOW-gerechtigden die in 2017 AOW ontvingen, waren er circa 112.000 ouderen met een niet-westerse migratieachtergrond (3,7% van het totaal), circa 294.000 ouderen met een westerse migratieachtergrond (9,6% van het totaal) en circa 2.650.000 ouderen zonder migratieachtergrond (86,7% van het totaal).
Als iemand buiten Nederland gewoond of gewerkt heeft, dan is de persoon mogelijk niet verzekerd geweest en kan het AOW-pensioen lager uitvallen. Voor elk jaar dat een persoon niet verzekerd is, wordt 2% gekort op het AOW-pensioen. In 2017 werden circa 106.000 personen met een niet-westerse migratieachtergrond gekort op hun AOW (33,3% van het totaal). Bij de ouderen met een westerse migratieachtergrond ging het om circa 85.000 personen (26,8% van het totaal) en bij ouderen zonder migratieachtergrond ging het om circa 127.000 personen (39,9% van het totaal).
Een groep van circa 46.000 in Nederland wonende AOW-ers met een gekorte AOW, ontvangt aanvullend een AIO-uitkering (bijstand voor ouderen). Hiervan valt 74,9% (34.000 personen) onder de categorie personen met een niet-westerse migratieachtergrond, 16,7% (8.000 personen) onder de categorie personen met een westerse migratieachtergrond en 8,4% (4.000 personen) onder de categorie personen zonder migratieachtergrond.
Het percentage van de geëxporteerde AOW-uitkering dat naar ouderen met een (westerse of niet-westerse) migratieachtergrond gaat, is net zoals in 2009 onbekend.
Artikel 13 (x € 1 mln.)
2014
2015
2016
2017
2018
Facilitering remigratiewet
39
45
44
43
42
Het doel van de Remigratiewet is om personen, die niet zelf hun remigratie kunnen bekostigen en waarvoor het Rijk een bijzondere verantwoordelijkheid2 heeft, onder strikte voorwaarden tegemoet te komen door hen een voorziening te bieden om vrijwillig terug te gaan naar hun land van herkomst. Er is een uitfasering van toepassing voor deze wet: vanaf 2025 zijn nieuwe aanvragen voor een remigratie uitkering niet meer mogelijk.
De kosten hebben betrekking op een maandelijkse remigratie uitkering en tegemoetkoming ziektekosten. Op dit moment maken 14.000 personen, inclusief personen met een nihil uitkering, gebruik van deze regeling.
Kunt u aangeven wat de weerslag hiervan is op de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet westerse) allochtonen worden gemaakt, inclusief uitvoeringskosten van bijvoorbeeld UWV?
De totale kosten van de sociale zekerheid in Nederland bedragen in 2019 ruim € 81 miljard. Van die € 81 miljard, betreft iets minder dan de helft (€ 39 miljard) de AOW, ruim € 13 miljard de arbeidsongeschiktheidsregelingen, bijna € 10 miljard werkloosheidsregelingen en bijstand, € 9 miljard de kind- en kinderopvangregelingen en ca. € 3 miljard overige uitkeringen (o.m. Anw, ZW, Wazo). Uitvoering van de sociale zekerheid en re-integratie kosten elk ca. € 2 miljard. Andere SZW-gerelateerde uitgaven betreffen onder meer uitgaven aan de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl). Het CBS heeft geen gegevens over de kosten van het gebruik van de sociale zekerheid uitgesplitst naar personen met en zonder (niet-westerse) migratieachtergrond.
De aandelen personen met een migratieachtergrond in de populaties van de verschillende socialezekerheidsregelingen (zie ook de beantwoording vraag 2) kunnen niet één-op-één worden doorvertaald in kosten. Immers, de hoogte van WAO-, WIA en WW-uitkeringen is afhankelijk van het oude loon. Aangezien personen met een migratieachtergrond een gemiddeld lager loon verdienen dan personen zonder migratieachtergrond, zijn hun WAO-, WIA- en WW-uitkeringen lager dan gemiddeld. Een soortgelijke redenatie geldt voor de hoogte van de AOW-uitkering die afhankelijk is van het aantal jaren dat iemand in de 50 jaar voorafgaande aan de AOW-leeftijd in Nederland heeft gewoond. De gemiddelde AOW-uitkering van personen met een migratieachtergrond is daardoor lager dan die van personen zonder migratieachtergrond.
Voor het antwoord op de vraag naar de opbrengsten van personen met een (niet-westerse) migratieachtergrond wordt verwezen naar de begeleidende brief. (Kamerstuk 30 573, nr. 176)
Wat is het totaal van de overige SZW-gerelateerde kosten die, gelet op eerdergenoemde factoren, voor (niet westerse) allochtonen worden gemaakt?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van SZW?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van niet- westerse allochtonen in de bevolking, de oververtegenwoordiging van deze groep in bijvoorbeeld de bijstand, de gezinssamenstelling en leeftijdsopbouw van deze groep?
Voor de beantwoording van de Kamervragen zijn de cijfers van het CBS3 geraadpleegd en de Rijksbegroting.
Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?
Zie het antwoord op vragen 3,4 en 5
Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen, wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het toenemend aantal economisch daklozen in Nederland |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Aantal Nederlanders met baan maar zonder huis blijft groeien»?1
Ja.
Is het waar dat het aantal economisch daklozen toeneemt in Nederland? Zo ja, heeft u een beeld van de omvang van de groep en de problemen? Klopt de inschatting dat het over tienduizenden mensen gaat?
Het aantal economisch daklozen in Nederland wordt niet in kaart gebracht. Daarmee is onbekend in welke gemeente de problematiek het meest prangend is. Uit eerder CBS-onderzoek2 naar de achtergrond en voorgeschiedenis van daklozen, blijkt dat de voorgeschiedenis zich meestal kenmerkt door een langer durende kwetsbare sociaaleconomische positie. Volgens het CBS heeft het merendeel van de daklozen op de registraties in de maand van de registratie (januari van het desbetreffende jaar) een uitkering of helemaal geen inkomen volgens het inkomensregister. In 2009 is een tiende van de daklozen werkzaam en vanaf 2014 is dit afgenomen tot 4 a 5 procent.
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om aan alle ingezetenen van Nederland opvang te verlenen indien zij dat nodig hebben, ongeacht de specifieke problematiek. Zie hiervoor ook de antwoorden op de vragen van de leden Bergkamp en Diertens op 18 januari 2018 (kenmerk 2017Z18852).
Volgens de meest recente schatting die het CBS in augustus publiceerde, waren er in 2018 39,3 duizend mensen feitelijk dakloos. De Staatssecretaris van VWS heeft als coördinerend bewindspersoon het CBS gevraagd nader onderzoek te doen naar de toename van het aantal daklozen in de afgelopen jaren. Dit onderzoek is naar verwachting eind 2019 beschikbaar. Gezien de door het CBS geconstateerde stijging van het aantal dak- en thuislozen is naast de huidige inspanningen die we met betrokken partijen leveren extra inzet nodig om deze ontwikkeling te keren. Daarom komt het kabinet dit najaar samen met andere (lokale) partijen met een plan om het aantal dak- en thuislozen de komende jaren fors terug te dringen.
In welke gemeenten is deze problematiek het meest prangend?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat het bouwen van meer woningen noodzakelijk is maar slechts een oplossing biedt op de lange termijn, terwijl mensen nu soms onder erbarmelijke omstandigheden op campings bivakkeren, van kennis naar kennis hoppen of zelfs in de daklozenopvang terechtkomen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland passende woonruimte kan vinden. Een woonplek biedt immers een stevige basis voor een stabiel leven. De woningmarkt kent grote krapte. Het kabinet vindt het belangrijk dat er voor diverse groepen zoals starters, mensen met een laag of middeninkomen, ouderen en andere kwetsbare groepen, zoals dak- en thuislozen, voldoende geschikte en betaalbare woningen zijn, of dat nu huren of kopen is. Het kabinet neemt daarom een pakket aan maatregelen om de verschillende aspecten van de woningnood aan te pakken. Met een woningbouwprogramma van 2 miljard euro kunnen sneller en meer betaalbare woningen worden gebouwd in een goede leefomgeving. Ik tref een aantal maatregelen om de bouw van goedkope sociale woningen te bevorderen. Zo kunnen verhuurders vanaf 2020 een vermindering van de verhuurderheffing van € 25.000 per woning krijgen indien ze nieuwe goedkope huurwoningen bouwen en om ook op de kortere termijn de bouw van woningen te stimuleren, kunnen nieuwe tijdelijke woningen vrijgesteld worden van de verhuurderheffing. Beide maatregelen zijn deel van het Belastingplan. Dit voorjaar stuurde ik uw Kamer de Stimuleringsaanpak Flexwonen. Met deze inzet wil ik ook de bouw van tijdelijke woonruimte voor spoedzoekers stimuleren.
Samen met gemeenten, ontwikkelaars, woningcorporaties, bouwers, investeerders en alle andere betrokken partijen zijn we aan de slag om de bouw van woningen in aantal te vergroten en te versnellen. Die samenwerking wordt opgepakt daar waar die het meest effectief is: regionaal, sectoraal en thematisch. Het gaat daarbij om maatregelen en afspraken die zich richten op het bouwen van meer woningen, maar zeker ook maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid van woningen.
Met een aantal regio’s sloot ik eerder dit jaar woondeals, zodat de nodige actie wordt ondernomen om te voorzien in voldoende passende woonruimte.
U vraagt tevens de bereidheid van het kabinet om excessief stijgende huren te reguleren, beleggers fiscaal te ontmoedigen en huisjesmelkers aan te pakken. Naast de plannen die reeds in uitvoering zijn om tot meer woningen te komen, kijk ik naar aanvullende maatregelen die mogelijk nodig zijn op de woningmarkt. Zo stuurde ik uw Kamer op 4 juli jl.3 een uitwerking van de noodknop, met daarbij de aankondiging in het najaar te komen met een definitief maatregelenpakket. In de aanpak van malafide verhuurders is uw Kamer geïnformeerd4 over de voortgang van de aanpak Goed Verhuurderschap. Vanuit die aanpak zijn begin dit jaar ook vijf pilots gestart die ieder naar een ander aspect kijken van de aanpak van malafide verhuurders.
Daarnaast vindt het kabinet een goede balans tussen starters en beleggers essentieel voor een goed functionerende woningmarkt. In dat kader verken ik samen met de Staatssecretaris van Financiën in hoeverre een differentiatie van de overdrachtsbelasting voor starters en beleggers uitvoerbaar, effectief en proportioneel is. Ook werk ik samen met verschillende gemeenten uit in hoeverre een zelfbewoningsplicht voor bestaande koopwoningen een passende maatregel is om de bestaande koopvoorraad te beschermen met het oog op het eigendomsrecht, het recht op vrijheid van vestiging en vrije verkeer van kapitaal. Uw Kamer wordt eind dit jaar geïnformeerd over een uitwerking van een zelfbewoningsplicht in de bestaande bouw.
Wat gaat u eraan doen om deze groeiende groep economisch daklozen zo snel mogelijk te helpen? Bent u bereid verdergaande maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er meer betaalbare huurwoningen komen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de excessief stijgende huren te reguleren, beleggers fiscaal te ontmoedigen, huisjesmelkers aan te pakken en woningcorporaties financieel te steunen, om meer betaalbare huurwoningen te realiseren? Zo nee, waarom niet? Is de woningnood nu nog niet groot genoeg om eindelijk actie te ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe waarborgt u als Minister van Binnenlandse Zaken het grondrecht van mensen op een woning? Schiet u daarin op dit moment niet schromelijk tekort?
De verplichting om te zorgen voor voldoende woongelegenheid is een inspanningsverplichting voor de overheid die als sociaal grondrecht in de Grondwet is opgenomen. De zorgplicht van artikel 22, tweede lid van de Grondwet, is uitgewerkt in tal van andere wetten. De zorgplicht betreft zowel het aantal woningen, alsook de kwaliteit, veiligheid, gezondheid, betaalbaarheid, toegankelijkheid en passendheid van woonruimte.
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik de systeemverantwoordelijkheid om maatregelen te nemen waardoor voorzien wordt in voldoende huisvesting. Huurders van een niet-geliberaliseerde woning die over onvoldoende inkomen beschikken, kunnen op basis van de Wet op de huurtoeslag aanspraak maken op huurtoeslag. Daarmee wordt de betaalbaarheid van de woning voor deze doelgroep verzekerd. Op basis van Huisvestingswet 2014 kunnen gemeenten bij schaarste aan woonruimte die leidt tot onevenwichtige en onrechtvaardige effecten maatregelen inzake woonruimteverdeling en woonruimtevoorraadbeheer.
Omdat de markt onvoldoende voorziet in goedkope huurwoningen is op basis van Woningwet deze taak als een dienst van algemeen economisch belang opgedragen aan de woningcorporaties. Hoe lokaal invulling gegeven wordt aan deze taak kan de gemeente in haar woonbeleid vastleggen door middel van een woon(zorg)visie. Woningcorporaties zijn verplicht daar naar redelijkheid aan bij te dragen. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties kunnen in kwantitatieve en kwalitatieve prestatieafspraken vastleggen hoe het best kan worden voorzien in de lokale (zorg)behoefte van bijvoorbeeld dak- en thuislozen.
Een wetsvoorstel inzake het toezicht op vermogensbeheer van minderjarigen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat reeds in 2014 de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft toegezegd dat de positie van de minderjarige in het erfrecht, de bescherming van het geërfde vermogen en het toezicht hierop onderzocht zouden worden en is dit onderzoek in 2017 voltooid? Klopt het voorts dat de in 2018 toegezegde wetswijziging naar aanleiding van dat onderzoek nog steeds niet aan de Kamer is gestuurd?1 2 3
De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in antwoord op door u gestelde vragen medegedeeld dat onderzoek zal worden gedaan naar de positie van de minderjarige in het erfrecht en dat uw vragen – t.a.v. de positie van de minderjarige in het erfrecht, de bescherming van het geërfde vermogen en het toezicht hierop – in het onderzoek aan de orde komen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1980). Het onderzoek «Toezicht op het bewind van ouders en voogden over het vermogen van minderjarigen» is in 2016 afgerond en op 1 februari 2017 aan uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 34 550 VI, nr. 99). In het AO personen- en familierecht d.d. 15 juni 2018 heb ik gezegd in overleg te zijn met de Raad voor de rechtspraak en de KNB en het streven uitgesproken om in 2018 een wetsvoorstel in consultatie te brengen waarmee de belangrijkste aanbevelingen van de onderzoekers worden uitgevoerd (Kamerstuk 33 836, nr. 26, p. 33). Het overleg met de Raad voor de rechtspraak en de KNB heeft inmiddels plaatsgevonden. In de uitwerking heeft het wetsvoorstel vertraging opgelopen. Dat komt onder meer doordat er verschillende actuele trajecten lopen in het personen- en familierecht (o.m. huwelijkse gevangenschap, draagmoederschap en deelgezag, wijziging transgenderwet), waaraan ik – mede op verzoek van uw Kamer – voorrang geef. Ik ben voornemens om het wetsvoorstel inzake toezicht op bewind bij minderjarigen in de loop van 2020 in consultatie te brengen. Mede afhankelijk van de reacties en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State zou het wetsvoorstel in de tweede helft van 2020 bij uw Kamer kunnen worden ingediend.
Klopt het dat het de bedoeling was dat u met de Raad voor de rechtspraak en Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zou overleggen, waarna het idee was om nog in 2018 een wetsvoorstel in consultatie te brengen? Hebben deze gesprekken reeds plaatsgevonden en is het wetsvoorstel in consultatie gegaan? Zo nee, bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer denkt u het toegezegde wetsvoorstel aan de Kamer te kunnen sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven waarom het, na de gedane toezegging tijdens het plenaire debat van 21 maart 2019 over het evaluatierapport over het onterecht terugvorderen van kinderopvangtoeslagen, in de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) 11-zaak bijna vier maanden geduurd heeft voordat de opdracht naar andere CAF-onderzoeken is verstrekt aan de Auditdienst Rijk (ADR)?1 2
Na het plenaire debat van 21 maart hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden met de Auditdienst Rijk (ADR) over de doelstelling en reikwijdte van de opdracht, de onderzoeksvragen en operationalisering daarvan. Om te bezien of voor de beantwoording van de (vervolg)vragen van de ADR de juiste informatie voorhanden was, is de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) direct na deze gesprekken gestart om in aanloop naar het onderzoek de inhoud van de beschikbare informatie van de betreffende toeslaggerelateerde CAF-zaken in beeld te brengen. Dit is van belang om vergelijkbare gevallen als in de CAF 11-zaak te achterhalen. Vanwege de benodigde zorgvuldigheid, heeft dit enige tijd in beslag genomen. De ADR opdracht is op 9 juli jl. aan uw Kamer verzonden.3 Naar aanleiding van een verzoek van de leden Lodders en Omtzigt en de Adviescommissie uitvoering toeslagen is het ADR onderzoek uitgebreid en nader gespecificeerd, hierover heb ik u 5 september jl. een brief gezonden.4
Begrijpt u dat de indruk bestaat dat de berichtgeving van Trouw en RTLNieuws over opnieuw rechtszaken met betrekking tot onterecht stopgezette kinderopvangtoeslag op 9 juli 2019 het verlenen tot de onderzoeksopdracht heeft versneld? Kunt u uw antwoord toelichten?3 4
Ik heb in het debat over dit onderwerp op 4 juli jl. aangegeven de onderzoeksopdracht aan de ADR zo snel als mogelijk aan uw Kamer te doen toekomen. De vragen van uw Kamer van 9 juli over het ADR onderzoek heb ik mee laten nemen in de onderzoeksopdracht, op diezelfde datum heb ik u over de opdracht geïnformeerd. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, zijn direct na het plenaire debat van 21 maart de gesprekken met de ADR gestart.
Waarom is het onderzoek van de ADR begrensd in tijd? Welke redenen zijn er om aan te nemen dat voor 2013 geen onrechtmatige stopzettingen van kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden?
Omdat het CAF-team in 2013 is opgericht, is dat het startmoment van het onderzoek. In de CAF 11-zaak is van een groot aantal ouders de kinderopvangtoeslag stopgezet terwijl onderzoek naar het recht hierop nog niet was afgerond. Een dergelijke stopzetting is niet in overeenstemming met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Ik kan niet uitsluiten dat deze handelwijze ook in andere toeslaggerelateerde CAF-zaken bij een groot aantal personen tegelijk is toegepast. Mede daarom laat ik de ADR toeslaggerelateerde CAF-zaken onderzoeken.
Welke voorlopers heeft de CAF gekend en wat was daarvan de opzet en werkwijze?
De CAF-aanpak was nieuw in 2013 en was een rechtstreeks gevolg van de Bulgarenfraude die dat jaar speelde. Nieuw aan de aanpak was de samenwerking tussen verschillende disciplines binnen de Belastingdienst met als doel fraude van facilitators aan te pakken.
Kunt u aangeven waarom de ADR niet zelf onderzoek doet naar alle dossiers, maar dat dit wordt voorbereid door de Belastingdienst/Toeslagen? Kunt u garanderen dat de ADR alle relevante informatie krijgt?
Toeslagen doet het voorbereidend werk zodat het ADR kan beschikken over alle beschikbare informatie als het onderzoek start. De ADR voert het onderzoek naar de dossiers zelf uit en krijgt daarbij toegang tot alle relevante informatie.
Krijgt de ADR wel de beschikking over alle Electronic Data Processing (EDP)-rapportages en bevindingen, alsmede tot de systemen van Blauw en van de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst)?
De ADR krijgt de beschikking over alle documenten en informatie die hij relevant acht voor zijn onderzoek.
Wat wordt bedoeld met de zinsnede in de onderzoeksopdracht: «Het overzicht van de overige toeslaggerelateerde CAF-zaken wordt op dezelfde manier in beeld gebracht zoals het overzicht in de CAF 11-zaak wordt opgesteld en dat voldoet aan de criteria van de Adviescommissie Uitvoering.»?5 Welke werkwijze en criteria worden hier bedoeld?
Relevante informatie en documenten over de CAF 11-populatie zijn in verschillende systemen opgeslagen. Daarom is op verzoek van de adviescommissie uitvoering toeslagen een overzicht gemaakt. Deze werkwijze wordt ook op de overige CAF-zaken toegepast om tot een vergelijkbare beoordeling te komen.
Kunt u het overzicht over de CAF 11-zaak met de Kamer delen? Is het mogelijk dat in dit overzicht nadere relevante informatie aan het licht is gekomen?
Het overzicht bevat informatie over individuele toeslaggerechtigden, daarom kan ik dit niet met uw Kamer delen. Het overzicht wordt verstrekt aan de adviescommissie uitvoering toeslagen en de ADR. Nadat de onderzoeken zijn afgerond zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Wat bedoelt u met de deelvraag over «partiële waarneming»? Moet hieruit worden afgeleid dat (ook) bij onvoldoende informatie in 170 zaken toch toeslagen werden stopgezet?
Partiële waarneming is een gebruikelijke toezichtmethodiek om een beeld te vormen over mogelijke onvolkomenheden in een grotere populatie. In eerste instantie vindt de controle plaats via deelwaarnemingen. Wanneer de uitkomsten van de deelwaarnemingen daartoe aanleiding geven, vindt nader onderzoek plaats.
In het CAF 11-onderzoek is deze werkwijze ook toegepast. Eerst zijn 16 gastouders bezocht en bij het gastouderbureau zijn acht dossiers van vraagouders onderzocht. Daarbij zijn onvolkomenheden geconstateerd, waarvan het waarschijnlijk werd geacht dat deze vaker voorkwamen. Op basis van de deelwaarneming is vervolgens van een groot aantal ouders de kinderopvangtoeslag stopgezet terwijl onderzoek naar het recht hierop nog niet was afgerond. Een dergelijke stopzetting is niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Ook in andere CAF-zaken is gebruik gemaakt van partiële waarneming met mogelijk een vergelijkbare wijze van stopzetting. Mede daarom heb ik de commissie uitvoering toeslagen en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken.
Kunt u toelichten waarom het bestuderen van het meewegen van een tweede nationaliteit ingeperkt is tot de vraag of sprake was van een «bepalende rol»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 11 juni jl. is informatie over de (tweede) nationaliteit geen selectiecriterium geweest bij het starten van CAF-zaken. 8 Het starten van CAF-zaken is steeds gebaseerd op signalen van buitenaf, zoals bijvoorbeeld van de GGD en gemeenten of van constateringen door andere onderdelen van de Belastingdienst. Vanaf de startperiode van CAF maakte Toeslagen na het ontvangen van een signaal een uitdraai uit de systemen. Hiervoor werd vanaf 2013 door een medewerker een uitgebreid queryverzoek gedaan om gegevens uit de systemen te kunnen combineren. In dit queryverzoek werd gevraagd om specifieke gegevens over vraagouders. Naast naam, adres en woonplaats, werden bijvoorbeeld ook gegevens over (eerste en tweede) nationaliteit, de startdatum van de toeslag en een eventuele immigratiedatum opgevraagd. In de opgeleverde gegevensset zijn alle gevraagde gegevens opgenomen. Vanuit deze vervolganalyse was de tweede nationaliteit zichtbaar. Om uit te sluiten dat tweede nationaliteit een bepalende rol heeft gespeeld, wordt dit onderzocht door de ADR.
Ik keur etnisch profileren ten strengste af. De Autoriteit Persoonsgegevens doet onderzoek bij Toeslagen naar de verwerking van persoonsgegevens en bekijkt of sprake is geweest van etnisch profileren. De uitkomsten van dit onderzoek wacht ik af.
Klopt het dat bij de queries tweede nationaliteit standaard in beeld werd gebracht, zowel van vraagouders, als gastouders, als de (houders van) gastouderbureaus? Als de tweede nationaliteit geen rol speelde, waarom is die dan verwerkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de queries is de nationaliteit van gastouders of (de houders van) gastouderbureaus niet in beeld gebracht. In mijn brief van 11 juni jl. ben ik ten aanzien van vraagouders uitgebreid ingegaan op het verwerken van nationaliteit in de CAF-zaken:
«Vanaf de startperiode van het CAF maakte Toeslagen na het ontvangen van een signaal een uitdraai uit de systemen. Hiervoor werd vanaf 2013 door een medewerker een uitgebreid queryverzoek gedaan om gegevens uit de systemen te kunnen combineren. In dit queryverzoek werd gevraagd om specifieke gegevens over vraagouders. Naast naam, adres, en woonplaats, werden bijvoorbeeld ook gegevens over (eerste en tweede) nationaliteit, de startdatum van de toeslag en een eventuele immigratiedatum opgevraagd. In de opgeleverde gegevensset zijn alle gevraagde gegevens opgenomen.
Wanneer de analyse van een query aanwijzingen geeft van mogelijk georganiseerd misbruik, worden bezoeken aan gastouders en/of een gastouderbureau uitgevoerd. Bezoeken worden in het geval van CAF-zaken afgerond met een intern verslag van bevindingen.
Vanaf 2014 worden de analyses van de queries vastgelegd in een intern document om een overzichtelijk beeld te geven van de situatie. Dit interne document bevat een samenvattend overzicht van het aantal vraagouders, het soort toeslag, de woonplaatsen van de vraagouders, en de totale financiële omvang. Ook de nationaliteit van aanvragers was opgenomen in dit interne document. Sinds 2016 wordt specifiek op basis van dit document besloten of verder onderzoek nodig is, bijvoorbeeld in de vorm van een actualiteitsbezoek. Informatie over de (tweede) nationaliteit is geen selectiecriterium geweest bij de starten van CAF-zaken, dat waren immers steeds signalen van buitenaf. Recent is besloten dat nationaliteit ook geen onderdeel meer is van het queryverzoek.»
Overigens wijs ik erop dat de ADR onderzoekt of tweede nationaliteit een bepalende rol heeft gespeeld. Daarvoor verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 10.
Is al bekend welke onderdelen van de Belastingdienst/Toeslagen exact betrokken zijn of waren bij de CAF-projecten? Klopt het dat het naast Toeslagen ging om Blauw en de FIOD? Worden al deze dossiers onderzocht?
In de CAF-onderzoeken werkte verschillende disciplines, waaronder Toeslagen, Belastingen en FIOD, van de Belastingdienst samen met als doel fraude van facilitators aan te pakken. De ADR is gevraagd toeslaggerelateerde CAF-zaken te onderzoeken.
Wat doet de ADR met signalen over misstanden tijdens het onderzoek? Mag hij enkel en alleen naar een vergelijkbare situatie als CAF 11- onderzoeken kijken of mag hij ook andere situaties meenemen in het onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ADR is gevraagd het handelen van Toeslagen in toeslaggerelateerde CAF-zaken in de periode 2013 tot heden te onderzoeken met als doel vast te stellen of er sprake is geweest van vergelijkbare behandeling als met de aanpak die bij CAF 11 is gehanteerd. Mocht de ADR andere relevante zaken opmerken, dan zal hij dat op gebruikelijke wijze rapporteren.
Kunt u verklaren waarom u in het algemeen overleg Stopzetten kinderopvangtoeslag d.d. 4 juli jl. expliciet zei geen weet te hebben van andere lopende rechtszaken?6
In het AO Stopzetten kinderopvangtoeslag van 4 juli 2019 heb ik onder meer aangegeven dat ik niet kan uitsluiten dat er meer zaken zijn buiten het CAF 11-dossier waar hetzelfde is gebeurd. Dat is ook precies de reden dat ik de ADR en de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd heb het handelen van Toeslagen te onderzoeken.
Erkent u dat u met deze uitspraak wederom de Kamer verkeerd geïnformeerd heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik informeer de Kamer altijd naar eer en geweten en zo juist en volledig mogelijk. In het AO Stopzetten kinderopvangtoeslag van 4 juli 2019 heb ik onder meer aangegeven dat ik niet kan uitsluiten dat er meer zaken zijn buiten het CAF 11-dossier waar zich vergelijkbare problemen hebben voorgedaan. Dat is ook precies de reden dat ik de ADR en de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken.
Klopt het dat tijdens de behandeling van een CAF 16-zaak in Rotterdam van de zijde van de Belastingdienst is vermeld dat er onrechtmatig gehandeld is met de stopzetting van kinderopvangtoeslag? Kunt u de pleitnota naar de Kamer sturen?
In de CAF-zaak waarin rechtbank Rotterdam op 12 juli 2019 uitspraak10 heeft gedaan, is tijdens de zitting van de zijde van de Belastingdienst, in navolging van een uitspraak van de Raad van State11, inderdaad gemeld dat in deze zaak het besluit tot stopzetting van het voorschot niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. In het debat met uw Kamer van 4 juli jl. is aan de orde gekomen dat deze wijze van stopzetten van lopende toeslagvoorschotten onrechtmatig is. Er is aangesloten bij de uitspraak van de RvS en geen gebruik gemaakt van een pleitnota.
Welke analyse of reconstructie van de Belastingdienst ligt aan het pleidooi in de rechtbank ten grondslag waaruit blijkt dat het stopzetten bij CAF 16 onrechtmatig is geweest? Kunt deze analyse of reconstructie naar de Kamer sturen?
Naar aanleiding van de situatie rondom het CAF 11-dossier is deze zaak voorafgaand aan de behandeling op zitting door Toeslagen nogmaals bestudeerd. Hierbij is ruimhartig gekeken naar het dossier. Ook is geconcludeerd dat de toeslag van betrokkene op dezelfde manier is stopgezet als in het CAF 11-dossier. Zoals bekend is een dergelijke stopzetting volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State niet in overeenstemming met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en is in het debat met uw Kamer van 4 juli jl. aan de orde gekomen dat deze wijze van stopzetten van lopende toeslagvoorschotten in de CAF 11-zaak onrechtmatig is. Mede om deze redenen heeft Toeslagen op 5 juli 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Wilt u garanderen dat de Belastingdienst niet in beroep gaat tegen het vonnis in deze zaak, waarbij de Belastingdienst het gehele dossier over de CAF 16 openbaar moet maken?7
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 23 augustus 2019 aan uw Kamer over de uitspraak van rechtbank Rotterdam inzake kinderopvangtoeslag.13
Erkent u dat het bevel het dossier CAF 16 openbaar te maken pijnlijk duidelijk maakt dat Kamerleden of journalisten die informatie vragen via Kamervragen (op grond van artikel 68 van de Grondwet) of via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur bij een weigerachtig ministerie of overheidsdienst dus via juridische strijd pas documenten kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik informeer de Kamer altijd naar eer en geweten en zo juist en volledig mogelijk. Hierbij heb ik in lijn gehandeld met de brieven van de Minister van BZK van 21 januari 2002 en 25 april 2016 over artikel 68 van de Grondwet, waarin is uiteengezet welke factoren eraan in de weg staan alle documenten met feitelijke informatie die bij een ministerie binnenkomen of gegenereerd worden, integraal aan de Kamer te verstrekken. Ook verzoeken op grond van de Wob beantwoord ik zo volledig mogelijk binnen de grenzen van de Wob. Het oordeel van de rechter in de CAF 16-zaak ziet op een wezenlijk andere vraag. Namelijk of bepaalde stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd en dus niet of deze stukken openbaar moeten worden gemaakt.
Erkent u dat met het toegeven van het onrechtmatig handelen in de rechtbank stappen moeten worden gezet tegen degene die opdracht gaf of gaven tot dit onrechtmatig handelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de commissie uitvoering toeslagen en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet volledig beantwoorden. Verder doe ik geen uitspraken over individuen of individuele casussen.
Is sprake van meineed of valsheid in geschrifte bij de zaken waarin de Belastingdienst onvolledige dossiers over vermeende fraudesituaties in andere rechtszaken gebruikte? Kunt u uw antwoord toelichten?
Meineed of valsheid in geschrifte betreft het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie. Ik heb geen aanwijzingen dat medewerkers van Toeslagen zich hieraan schuldig hebben gemaakt.
Is de landsadvocaat betrokken geweest bij het samenstellen van de dossiers in de rechtszaken waarin sprake was van onvolledige dossiers?
Nee. De landsadvocaat is pas later ingeschakeld. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 11 oktober 2018, heb ik de Landsadvocaat hangende de lopende CAF-11 procedures van een aantal aanvullende stukken voorzien.14 Ten aanzien van deze stukken heb ik de Landsadvocaat gevraagd voor elke individuele zaak ruimhartig te beoordelen of dit op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en zo ja, deze stukken alsnog in te dienen. Daarnaast heb ik de landsadvocaat verzocht om zorg te dragen voor de procesvertegenwoordiging in deze zaken totdat de maatregel uit het beleidsbesluit Bestuursrecht Toeslagen op het vlak van procesvertegenwoordiging van Toeslagen is geëffectueerd.
Is in 2016, toen de werkwijze in de CAF-zaken werd gewijzigd, vastgesteld dat sprake was van onrechtmatig handelen? Zo neen, wat was dan de reden de werkwijze te wijzigen? Zo ja, is er intern gemeld dat sprake was van onrechtmatigheid?
In 2016 is de werkwijze in de CAF-zaken gewijzigd zonder dat de aanleiding daarvoor is vastgelegd. Vanaf dat moment is het voorschot kinderopvangtoeslag niet meer op vergelijkbare wijze stopgezet als in de CAF 11-zaak. In maart 2017 oordeelde de Raad van State dat de stopzetting van het voorschot kinderopvangtoeslag door Toeslagen niet in overeenstemming is met de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen omdat Toeslagen bij de stopzetting van het voorschot in strijd met de voor opschorting geldende regels heeft gehandeld.15
Beseft u dat het noodzakelijk is dat bekend wordt waarom besloten is tot contra legem handelen door de Belastingdienst en wie van dit besluit geweten heeft? Kunt u eindelijk antwoord geven op de vraag wie opdracht gaf tot het onrechtmatig stopzetten in de CAF 11-zaak en zeer waarschijnlijk bij andere zaken?
Zoals ik heb aangegeven in de begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik de commissie uitvoering toeslagen en de ADR gevraagd het handelen van Toeslagen te onderzoeken. Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens een onderzoek gestart en is een Wob-verzoek ingediend over een zeer groot aantal documenten. De analyse van alle documenten en informatie is een enorme klus, die noodzakelijk is voor een volledig en juist beeld, zodat ook overgegaan kan worden tot oordeelsvorming. Omdat deze werkzaamheden nog niet zijn afgerond, kan ik uw vraag op dit moment nog niet volledig beantwoorden. Daarnaast doe ik geen uitspraken over individuen of individuele casussen.
Waarom is in de afgelopen jaren, tot maar zeer recent, volhard in het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag? Door wie is die beslissing genomen en wie is over die beslissing geïnformeerd?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 11 juni 2019 heeft de wens te voldoen aan de maatschappelijke roep tot fraudebestrijding in combinatie met strikte regelgeving naar mijn opvatting geleid tot het ontstaan van een «tunnelvisie». In het spanningsveld tussen fraudebestrijding en dienstverlening heeft de eerste de overhand gekregen. Deze «tunnelvisie» werd gestaafd door de uitkomsten van rechtszaken waarin de (juridische) interpretatie van wetgeving merendeels onderschreven werd.
Kunt u tevens inzicht geven waarom en wanneer is besloten dat, ondanks het rapport van de Nationale ombudsman en de uitspraken van de Raad van State, de rechtszaken en de terugvorderingen moesten worden gecontinueerd?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 25.
Klopt het dat de ouders die met stopzetting te maken kregen «opzet/grove schuld» werd verweten, waardoor zij minder rechten hadden op de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen of op een terugbetalingsregeling?8
In situaties waarin ouders met stopzetting van toeslagen te maken kregen is niet zonder meer sprake van opzet en/of grove schuld. Dat sprake is van opzet en/of grove schuld moet door Toeslagen worden bewezen. Op grond van het beleid kan m.b.t. een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende (of diens partner) de Toeslagen op verzoek van de belanghebbende een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan indien belanghebbende niet langer over het ten onrechte genoten bedrag beschikt én de regeling binnen 24 maanden tot volledige betaling leidt. Lukt terugbetaling niet binnen 24 maanden dan wordt het reguliere invorderingsproces toegepast. Tegen elke beschikking kan bezwaar worden aangetekend zodat ook indien sprake is van opzet en/of grove schuld daartegen opgekomen kan worden.
Zijn de ouders die het oordeel «opzet/grove schuld» kregen via het zogenaamde barrièremiddel tegemoet getreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mij is niet bekend wat bedoeld wordt met barrièremiddel. Voor wat betreft de rechten van ouders die «opzet/grove schuld» wordt verweten verwijs ik naar het antwoord op vraag 27.
Hoeveel ouders zitten nog met terugbetalingen van onterecht stopgezette kinderopvangtoeslag? Kunt u garanderen dat in zaken van onrechtmatig handelen van de Belastingdienst geen verjaring op mag treden waardoor ouders hun geld kwijt zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bekend adviseert de commissie uitvoering toeslagen over een passende oplossing voor gedupeerde ouders in de CAF 11-zaak en aanverwante zaken. Daarnaast onderzoekt de ADR in welke CAF-zaken sprake is geweest van vergelijkbaar handelen als in de CAF 11-zaak. Nadat de onderzoeken gereed zijn, zal ik deze met uw Kamer delen. Ik wil niet op de uitkomsten van de onderzoeken vooruitlopen.
Kunt u aangeven waarom ouders, die gedupeerd zijn omdat het gastouderbureau wél fraudeerde, aangeslagen zijn voor het volledig terugbetalen van de kinderopvangtoeslag?
Volgens de wet zijn de vraagouders verantwoordelijk voor de juistheid van hun aanvraag en het aanleveren van de juiste gegevens. Dat zij dit eventueel uitbesteden aan een derde, zoals een gastouderbureau, ontslaat hen niet van deze verantwoordelijkheid. Fraude van een gastouderbureau staat er daarom niet aan in de weg om de juistheid van de individuele aanvragen van vraagouders te controleren. Blijkt bij de controle dat de vraagouder aan alle voorwaarden voldoet, dan wordt gewoon kinderopvangtoeslag toegekend. Indien bij controle blijkt dat niet aan alle voorwaarden voor het recht op kinderopvangtoeslag wordt voldaan, brengt het wettelijke systeem met zich mee dat deze (gedeeltelijk) wordt teruggevorderd bij de vraagouder.
Mijn beeld is dat de wetgeving op onderdelen rigide is en soms te weinig mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan het maatschappelijk rechtvaardigheidsgevoel in deze zaken. Dit kan soms disproportionele gevolgen hebben en tot schrijnende situaties leiden. Ik ben daarom met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader aan het onderzoeken of in dergelijke situaties tot een meer proportionele benadering kan worden gekomen.
Is het standaard dat bij het instellen van bezwaar dit per aangetekende post moet plaatsvinden omdat anders de gedupeerde geen enkel bewijs heeft van het instellen van bezwaar?
Het instellen van bezwaar hoeft niet per aangetekende post.
Klopt het dat het aanmelden van een derde kind of een tweeling voor de kinderopvangtoeslag standaard materiële controle oplevert?
Nee.
Klopt het dat de Belastingdienst geïnformeerd is over de zelfdoding van een vraagouder in Rotterdam? Wat is met deze melding gedaan? Bent u bereid dit zo snel mogelijk uit te zoeken?
Zelfdoding is een bijzonder trieste gebeurtenis, in het bijzonder voor alle betrokkenen. Dat behoeft geen enkele nadere toelichting. Bij de Belastingdienst komen incidenteel meldingen binnen, waarbij nabestaanden aangeven dat sprake is van zelfdoding. De Belastingdienst heeft mij desgevraagd laten weten dat een melding over de zelfdoding van een vraagouder in Rotterdam niet in de organisatie geregistreerd staat.
Hoe vaak krijgt de Belastingdienst meldingen van zelfdodingen door financiële claims van de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 33.
Erkent u dat de bodem van medemenselijkheid bereikt is als beleid en optreden van de Belastingdienst mensen in zulke extensionele nood brengt dat ze geen andere uitweg meer zien dan de dood? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 33.
Kunt u aangeven hoe u uw toezegging dat de bij onrechtmatigheden betrokken ambtenaren met betrekking tot de CAF 11-zaak niet betrokken mogen zijn bij de afhandeling, heeft uitgevoerd?
Ik heb de Belastingdienst opgedragen medewerkers die betrokken waren bij de CAF 11-zaak niet in te zetten bij het onderzoek van de ADR, bij de herbeoordeling die met behulp van de adviescommissie uitvoering toeslagen wordt voorbereid of bij de lopende behandeling van bezwaar- of beroepsprocedures in CAF 11 of andere toeslaggerelateerde CAF-zaken.
Wel wordt een medewerker met historische kennis en betrokkenheid bij het CAF 11 dossier ingezet bij de beantwoording van de Kamervragen. Ook wordt een data-expert die vanaf 2017 bij CAF zaken betrokken is geweest ingezet voor data-analyse vraagstukken. Er is ingeregeld dat deze werkzaamheden door andere medewerkers worden getoetst.
Kunt u garanderen dat niet wederom betrokken ambtenaren worden ingezet bij het onderzoek van de ADR over andere onrechtmatigheden in CAF-onderzoeken? Zo neen, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 36.
De grenseffecten van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Henk Krol (50PLUS) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() |
Kunt u een schatting geven van het aantal ambtenaren dat een sociale-zekerheid-switch maakt als gevolg van de invoering Wnra?
Het verkrijgen of verliezen van de ambtenarenstatus kan gevolgen hebben voor de socialezekerheidspositie van een grensoverschrijdende werknemer. Voor ambtenaren geldt dat zij op basis van Verordening (EG) 883/2004 (hierna: Verordening) onder de socialezekerheidswetgeving vallen van de lidstaat waarvoor zij als ambtenaar werkzaam zijn. Voor werknemers die geen ambtenaar zijn, wordt de sociale zekerheidspositie bepaald op basis van de reguliere aanwijsregels van Titel II van de Verordening. Personen die de ambtenarenstatus verliezen, zijn niet langer «automatisch» in Nederland sociaal verzekerd. Op basis van Titel II kan een voormalig ambtenaar bijvoorbeeld sociaal verzekerd zijn in zijn woonland of het land waar hij feitelijk werkt. Dit zal niet altijd Nederland zijn. Het merendeel van de voormalig ambtenaren zal ook na 1 januari 2020 onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel blijven vallen.
Hierbij merk ik op dat de grootste groep ambtenaren die vanaf 1 januari 2020 de ambtenarenstatus verliest, deze status verliest op grond van het wetsvoorstel Wnra onderwijs1, zoals aangenomen door uw Kamer op 18 juni 2019 en vervolgens ingediend bij de Eerste Kamer. De intentie van dit wetsvoorstel is om de rechtspositie van het personeel van openbare universiteiten en openbare universitair medische centra gelijk te trekken met het personeel van bijzondere universiteiten en bijzondere universitair medische centra.
Het personeel van bijzondere universiteiten en bijzondere universitair medische centra heeft ook nu al niet de ambtenarenstatus. Voor het personeel aan deze bijzondere instellingen wordt de socialezekerheidspositie daarom reeds op basis van de reguliere aanwijsregels bepaald. De socialezekerheidsswitch doet zich daarom niet voor bij deze universiteiten en deze universitair medische centra.
De openbare universiteiten en universitair medische centra bereiden zich momenteel (in onderlinge samenwerking) voor op de invoering van het wetsvoorstel Wnra onderwijs. In dat kader zijn zij bezig met de inventarisatie van het personeelsbestand en de uitbreiding van de benodigde kennis om te beoordelen in welke gevallen er van een socialezekerheidsswitch sprake kan zijn. Op basis van een globale inschatting van VSNU en NFU wonen er in totaal 3.000 tot 3.500 medewerkers van openbare instellingen (universiteiten en UMC’s) in het buitenland. Zij schatten in dat hiervan ongeveer 450 tot 550 medewerkers te maken kunnen krijgen met een socialezekerheidsswitch. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is in contact met de werkgeversorganisaties en zal de ontwikkelingen volgen.
Werknemers die de ambtenarenstatus per 1 januari 2020 verkrijgen, zijn vanaf deze datum «automatisch» in Nederland sociaal verzekerd. Dit zijn hoofdzakelijk werknemers van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en privaatrechtelijke zelfstandige bestuursorganen die als kerntaak het uitoefenen van openbaar gezag hebben, zoals de werknemers van het UWV, de SVB en de AFM. Voor het merendeel van deze werknemers geldt dat het verkrijgen van de ambtenarenstatus geen gevolgen zal hebben voor de socialezekerheidspositie, omdat zij al in Nederland sociaal verzekerd zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre deze switch voordelig dan wel nadelig is voor de voormalige ambtenaar en zijn Nederlandse werkgever? Kunt u tevens aangeven in hoeverre dit de relatie tussen werkgever en werknemer onder druk kan zetten?
Of deze wijziging in de toepasselijke socialezekerheidswetgeving nadelig of voordelig is voor de voormalig (of toekomstig) ambtenaar, hangt af van vele factoren, zoals het inkomen, het vermogen, de leefsituatie en de werksituatie. De financiële gevolgen en de waardering daarvan zullen hierdoor per individu verschillen. De gevolgen van een overgang van het Nederlandse naar een buitenlands socialezekerheidsstelsel dienen daarbij te worden bezien in zijn geheel. Hierbij dient niet alleen te worden gekeken naar de te betalen premies maar ook naar het recht op uitkeringen en de overige rechten op basis van dit buitenlandse stelsel.
Voor de Nederlandse werkgever kan een socialezekerheidsswitch van zijn werknemers tot een lastenverzwaring leiden. Zo kan de Nederlandse werkgever geconfronteerd worden met aanvullende administratieve lasten aangezien hij met verschillende socialezekerheidsstelsels rekening moet houden. Ook kunnen de socialezekerheidspremies in andere lidstaten hoger liggen dan in Nederland. Of en in hoeverre dit voor de werkgever tot een nadeel zal leiden, en daarmee mogelijk van invloed kan zijn op de relatie tussen werkgever en werknemer, zal per werkgever en per geval verschillen.
Is de Nederlandse overheid als werkgever, wanneer hij zijn werknemer in bijv. België en Duitsland moet verzekeren, verplicht de Nederlandse Wet loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz) c.q. de aanvullende CAO toe te passen, of de Duitse respectievelijk Belgische regels inzake loondoorbetaling bij ziekte (incl. ziektegelduitkering)? Welke nationale, respectievelijk EU-rechtsgrondslag, ligt hieraan ten grondslag? Mogen de buitenlandse ziektewetuitkeringen in mindering gebracht worden op de Nederlandse loondoorbetaling bij ziekte?
Met betrekking tot de socialezekerheidsbescherming bepaalt de Verordening onder welke socialeverzekeringswetgeving een werknemer valt. Op basis van vaste rechtspraak van het Europees Hof valt een verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte ook onder de reikwijdte van de Verordening.2 Indien een werknemer op grond van de Verordening onder de Belgische of Duitse socialezekerheidswetgeving valt, betekent dit dat de werkgever geen loondoorbetalingsverplichting heeft op basis van de Nederlandse Wet loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz). Het wettelijke recht op loondoorbetaling bij ziekte zal in dat geval bepaald moeten worden op basis van het Belgisch of Duits recht, afhankelijk van het socialezekerheidsstelsel waar de werknemer onder valt.
De Verordening ziet op wettelijke regelingen van publiekrechtelijke organen. Daar vallen contractuele bepalingen (zoals cao’s) in beginsel niet onder. De cao-afspraken kunnen daardoor van toepassing blijven.
Verwacht u dat een groot aantal ambtenaren op grond van artikel 16 van de Verordening 883/2004 zullen vragen om de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te continueren? Welk beleid zal de Socoale Verzekeringsbank (SVB) voeren inzake de Wrna?
Op grond van artikel 16, eerste lid van de Verordening kunnen twee of meer lidstaten in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groep personen een overeenkomst afsluiten. Via een dergelijke overeenkomst kan in afwijking van de reguliere aanwijsregels de wetgeving van een andere lidstaat worden aangewezen. In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat het op dit moment lastig in te schatten is wat de effecten zijn van een socialezekerheidsswitch, omdat dit afhankelijk is van vele factoren. Daardoor is het ook moeilijk om in te schatten hoeveel voormalig ambtenaren de Nederlandse SVB zullen benaderen voor een artikel 16 overeenkomst.
De SVB zal de verzoeken om een artikel 16-overeenkomst behandelen overeenkomstig het huidige beleid. Voor een overzicht van de criteria waaraan de SVB een verzoek voor het sluiten van een artikel 16-overeenkomst in het belang van individuele personen toetst, verwijs ik u naar de website van de SVB.3
Kunt u aangeven op welke wijze de bevoegde organen van België en Duitsland, om een correcte afgifte van een A1-verklaring te waarborgen, geïnformeerd worden over de gevolgen van de wetswijziging?
De buitenlandse ministeries, waaronder de Belgische en Duitse ministeries, zullen – zoals gebruikelijk – via de Administratieve Commissie geïnformeerd worden over de gevolgen van de wetswijzigingen. Daarnaast zullen de Nederlandse uitvoeringsorganisaties hun zusterorganisaties in België en Duitsland hier ook actief over informeren.
Beantwoording van het verzoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken om een reactie op de twee rondetafelgesprekken over woonfraude |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Deelt u, naar aanleiding van uw reactie op de twee rondetafelgesprekken over woonfraude, de mening dat onder andere een digitale inkomenstoets een goede manier is om fraude preventief aan te pakken?
Het digitaliseren van de inkomenstoets bij woningtoewijzing door woningcorporaties draagt bij aan verschillende doelstellingen. Allereerst wordt het voor de burger eenvoudiger om op een sociale huurwoning van een corporatie te reageren. Ook zal een digitale inkomenstoets tot lagere administratieve lasten leiden bij woningcorporaties en neemt de kans op fraude bij woningtoewijzing af.
Door het inkomen van een huishoudens bij woningtoewijzing digitaal te toetsen met gegevens die direct uit een gevalideerde bron afkomstig zijn, is het niet langer mogelijk om gemanipuleerde inkomensgegevens aan te leveren. Om dit te bewerkstelligen moet er eerst ervaring worden opgedaan met een pilot waarin een beperkt aantal corporaties huurders de mogelijkheid zal bieden om naast de reguliere wijze van inkomenstoetsing te kiezen voor een digitale inkomenstoets.
Vindt u dat een verhuurder voor het aangaan van een huurcontract ook zonder toestemming van de potentiële huurder een digitale toets moet kunnen uitvoeren? Zo nee, hoe denkt u dan dat verhuurders fraude preventief kunnen ontdekken en stoppen?
Nee, want het raadplegen van de inkomensgegevens (een verwerking onder de AVG) zonder toestemming van de potentiële huurder is in strijd met de AVG. De AVG biedt kaders zodat ieders recht op privacy is gewaarborgd. In de AVG zijn zes grondslagen benoemd waaronder verwerking van persoonsgegevens is toegestaan. Toestemming is de enige grondslag die het uitvoeren van een digitale inkomenstoets mogelijk maakt. Het zonder toestemming digitaal raadplegen van een inkomen door een verhuurder past niet binnen de kaders zoals opgenomen in de AVG.
Het digitaliseren van de inkomenstoets leidt ertoe dat er minder mogelijkheid is om te frauderen omdat de inkomensgegevens vanuit een gevalideerde bron komen. Een digitale inkomenstoets is voor burgers ook een makkelijkere manier om gegevens aan te leveren dan de huidige werkwijze. De verwachting is dan ook dat een groot deel van de burgers vrijwillig zal kiezen voor de digitale inkomenstoets. Corporaties kunnen dan meer aandacht besteden aan de papieren inkomenstoets en zodoende meer fraudegevallen via deze route opsporen. Een hogere «pakkans» via deze route kan ook een preventieve werking hebben.
Welke organisaties zijn aangesloten op de pilot met betrekking tot de digitale inkomenstoets?
Aan de pilot zullen de Belastingdienst, Aedes, enkele woningcorporaties, Logius en BZK deelnemen.
Worden naast de inkomensgegevens van de Belastingdienst ook de actuele inkomensgegevens van het UWV digitaal beschikbaar gesteld ten behoeve van de digitale inkomenstoets? Worden ook de persoonsgegevens uit de BRP beschikbaar gesteld?
In de pilot wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) van de Belastingdienst en uit de Basisregistratie Personen (BRP). Welke gegevens precies uit de BRI en BRP verstrekt zullen worden moet in de uitwerking van de pilot nader bepaald worden.
De inkomensgegevens van het UWV maken geen deel uit van de pilot. In het najaar wordt met het UWV gesproken om te bezien of dit een meerwaarde heeft ten opzichte van de gegevens uit de BRI en wat de mogelijkheden zijn van het gebruik van de inkomensgegevens die bij UWV beschikbaar zijn.
Indien de pilot succesvol is, wanneer wordt deze sectorbreed uitgerold?
Het is van belang dat de inrichting van de digitale inkomenstoets zorgvuldig gebeurt. Daarom wordt er stap-voor-stap bezien hoe het proces verder wordt ingericht. Primair ligt de focus nu op het voorbereiden van de pilot waarmee we ervaring op doen met het delen van gegevens. Of en in welk tempo er sectorbreed opgeschaald wordt is nog niet bekend. Dit is mede afhankelijk van de uitkomsten en ervaringen van de pilot. Verwacht wordt dat de pilot medio volgend jaar is afgerond. De kamer zal dan geïnformeerd worden over de uitkomsten van de pilot en de vervolgstappen.
Kunt u toezeggen dat de digitale gegevens voorzien worden van een digitale handtekening van MijnOverheid en dat de gegevens via een API-(application programming interface)koppeling beschikbaar gesteld worden aan de betreffende corporatie?
Met het huidige ontwerp van de oplossingsrichting wordt uitgegaan van een digitale ondertekening door de overheid. Of dit MijnOverheid of de houder van de basisregistratie wordt, dient nog te worden bezien. De gegevens worden verstrekt door middel van een API-koppeling.
Het bericht ‘Groot onderzoek naar Poolse WW-fraude in Helmond: ‘Voor zeker tonnen aan onterechte uitkeringen betaald’’ |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Groot onderzoek naar Poolse WW-fraude in Helmond: «Voor zeker tonnen aan onterechte uitkeringen betaald»»?1
Ja.
Wat was de specifieke aanleiding voor deze inval? En wat is aangetroffen in de woningen in Helmond?
Bij UWV zijn interne meldingen binnen gekomen over een vermoeden van fraude bij verschillende uitkeringsgerechtigden. Daarop is UWV een onderzoek gestart. Uit dit onderzoek is gebleken dat de betrokkenen gebruik maakten van dezelfde tussenpersoon. De desbetreffende tussenpersoon heeft geen binding met UWV, daarom heeft UWV in juli 2018 een melding gedaan bij het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC). Gelet op de omvang van de zaak heeft de Officier van Justitie van het Functioneel Parket besloten de directie Opsporing van de Inspectie SZW opdracht te geven een strafrechtelijk onderzoek te verrichten naar de werkzaamheden van deze tussenpersoon. Dat is begin dit jaar gestart. Over hetgeen tijdens doorzoekingen exact in de panden is aangetroffen, kan ik geen uitspraken doen aangezien het een lopend strafrechtelijk onderzoek betreft.
Gaat het lukken om de in Helmond onterecht uitgekeerde uitkeringen terug te vorderen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is de directie Opsporing van de Inspectie SZW bezig met het strafrechtelijk onderzoek. Nadat het strafrechtelijk onderzoek is afgerond kan UWV de adressen en de betreffende uitkeringsgerechtigden onderzoeken. UWV heeft de resultaten uit het strafrechtelijk onderzoek van de directie Opsporing van de Inspectie SZW nodig voor haar eigen onderzoek. Op het moment dat UWV constateert dat een onterechte uitkering is verstrekt, wordt deze teruggevorderd.
Is bekend waar deze arbeidsmigranten aan het werk waren en via welk uitzendbureau? Zijn deze werkgevers en uitzendbureaus ook deel van het onderzoek? Zo ja, hoe gaat u tegen ze optreden? Zo nee, waarom niet?
Het strafrechtelijk onderzoek naar de fraude is nog bezig. Daarom kan ik hierover momenteel geen uitspraken doen. Wel kan ik mededelen dat in deze fraudezaak meerdere personen worden verdacht van het plegen van strafbare feiten.
Indien uit meldingen van UWV of uit eigen onderzoek van de Inspectie SZW blijkt dat sprake is van verdenking van fraude en/of de feiten en omstandigheden geven hier aanleiding toe, dan kan de directie Opsporing van de Inspectie SZW onder gezag van het Functioneel Parket overgaan tot strafrechtelijk onderzoek. Of dit leidt tot huiszoekingen in concrete gevallen is op voorhand niet te zeggen.
Kunt u aangeven hoeveel casussen de Inspectie SZW in het kader van dit onderzoek op dit moment onderzoekt? Hoe groot is het fraudebedrag wat hierbij gemoeid is? Gaan er nog meer van dit soort invallen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 4.
Is aan te geven of de fraude zich in bepaalde regio’s – bijvoorbeeld waar veel land- en tuinbouw is – concentreert? Werkt de Inspectie SZW intensief samen met lokale partners – zoals gemeenten en woningbouwcorporaties – om de fraude in deze gebieden op te sporen en tegen te gaan?
Waar de fraude met tussenpersonen zich precies voordoet, is onbekend. UWV registreert sinds oktober 2018 voor de WW alle begeleiders die een WW-gerechtigde vertegenwoordigen of vergezellen naar een UWV-kantoor bij een papieren aanvraag. Op basis hiervan zal UWV de registratie van deze gegevens van tussenpersonen vergelijken (het vóórkomen van dezelfde tussenpersonen) en indien daartoe aanleiding bestaat, onderzoek doen. De directie Opsporing van de Inspectie SZW werkt bij de strafrechtelijke handhaving samen met diverse partners.
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie SZW en het Openbaar Ministerie om betrokkenen in het buitenland op te sporen? Hoe is daarbij de samenwerking met Poolse instanties?
Het Openbaar Ministerie kan door middel van een Europees onderzoeksbevel Polen verzoeken om rechtshulp. De Officier van Justitie of een rechter kan beslissen of een bepaalde onderzoeksmaatregel moet worden toegepast en in een ander land moet worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld monitoring van de bankrekeningen en financiële transactie van de verdachte of beschuldigde personen. Onderzoeksmaatregelen op grond van een Europees onderzoeksbevel worden in beginsel door buitenlandse autoriteiten erkend en uitgevoerd. Bij uitvoering van een Europees onderzoeksbevel is de nationale wet van de uitvoerende staat leidend. In dat verband wordt ook volgens de geldende regels samengewerkt met Polen. De directie Opsporing van de Inspectie SZW kan bij opsporing van grensoverschrijdende fraude samenwerken met opsporingsdiensten in het buitenland. Dit kan door internationale rechtshulpverzoeken en door contacten met Europol, het samenwerkingsverband van de Europese Politiediensten. Op deze manier kan een betrokkene in het buitenland worden opgespoord voor het opsporingsonderzoek en kan hij indien nodig internationaal worden gesignaleerd.
Waardeoverdracht van kleine pensioenen |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het DNB-nieuwsbericht «Waardeoverdracht kleine pensioenen»?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse van DNB dat pensioenuitvoerders die een klein pensioen overdragen met een andere ontstaansoorzaak dan een baanwissel in strijd met de wet handelen? Kunt u dit antwoord nader toelichten?
Artikel 70a van de Pensioenwet (Pw) geeft de pensioenuitvoerder na beëindiging van de deelneming het recht op automatische waardeoverdracht, maar onder voorwaarden.2 Er moet sprake zijn van (i) opgebouwd pensioen van een gewezen deelnemer (ii) onder de afkoopgrens, en (iii) toetreding tot een pensioenregeling van een nieuwe werkgever. In de memorie van toelichting van de Pensioenwet3 is verduidelijkt dat van die beëindiging geen sprake is indien een werkgever een andere pensioenuitvoerder kiest maar de arbeidsverhouding met de betreffende werknemer in stand blijft. In die gevallen bestaat er ook geen recht op individuele waardeoverdracht.
DNB heeft willen verduidelijken onder welke voorwaarden automatische waardeoverdracht mag plaatsvinden. Dat heeft DNB tijdig en terecht gedaan. Tijdig, want de eerste automatische waardeoverdrachten hebben daadwerkelijk plaatsgevonden vanaf 1 augustus jl. En terecht omdat DNB zo bijdraagt aan de kenbaarheid van de normen uit de wet.
Hoe vaak is sinds de ingang van de «Wet waardeoverdracht klein pensioen» succesvol een klein pensioen overgedragen naar een andere pensioenuitvoerder?
Ik beschik nu niet over exacte cijfers, dit zal pas in de evaluatie van de wet aan de orde komen die is voorzien voor 2021. Ik heb begrepen dat het systeem al wel werkzaam is, en dat er vanaf 1 augustus jl. daadwerkelijk kleine pensioenen automatisch zijn overgedragen.
Hoe kan een pensioenuitvoerder vaststellen dat sprake is van een baanwissel? Klopt het beeld dat in de huidige praktijk een waardeoverdracht pas kan plaatsvinden wanneer is aangetoond dat er sprake is van een baanwissel als oorzaak?
Een pensioenuitvoerder mag, zoals ik al aangaf, alleen gebruik maken van zijn wettelijk recht op automatische waardeoverdracht van het opgebouwde pensioen van (i) een gewezen deelnemer indien sprake is van (ii) een pensioen onder de afkoopgrens, en (iii) toetreding tot een pensioenregeling van een nieuwe werkgever. Deze eisen betekenen dat de betreffende pensioenuitvoerder moet weten of de voormalige werknemer elders pensioen opbouwt.
Een pensioenuitvoerder kan vaststellen dat een werknemer niet langer deelneemt aan de pensioenregeling dan wel gewezen deelnemer is geworden. Indicaties van gewezen deelnemerschap of baanwisseling kunnen zijn dat de werkgever de werknemer heeft afgemeld wegens uitdiensttreding maar de werkgever nog is aangesloten bij de pensioenuitvoerder. Of dat de pensioenuitvoerder structureel geen premie meer ontvangt voor de pensioenopbouw van die gewezen deelnemer terwijl, ook hier weer, de werkgever nog is aangesloten. Een check bij het pensioenregister kan informatie opleveren of een gewezen deelnemer deelnemer is bij een andere pensioenuitvoerder.
Wat gebeurt er met aanspraken die niet overgedragen kunnen worden omdat onduidelijk is of een baanwissel de oorzaak is?
De pensioenuitvoerder kan dan geen gebruik maken van zijn wettelijk recht op automatische waardeoverdracht. Dat geen automatische waardeoverdracht plaatsvindt heeft geen gevolgen voor het behoud van de pensioenbestemming van die kleine pensioenen; die bestemming blijft namelijk behouden. De betreffende pensioenuitvoerder moet de niet overgedragen kleine pensioenen blijven uitvoeren zoals overeengekomen met de werkgever. Voor de goede orde noem ik dat de nodige premie is betaald voor die uitvoering tot in lengte van jaren. De gewezen deelnemer is uiteraard zelf wel op de hoogte van een eventuele baanwisseling, en kan in dat geval zelf waardeoverdracht aanvragen.
Wat gebeurt er met kleine aanspraken van mensen bij een pensioenuitvoerder als hun werkgever overstapt op een andere pensioenuitvoerder?
Een werkgever, die besluit over te stappen op een andere pensioenregeling bij een andere pensioenuitvoerder, heeft twee keuzes. Hij kan besluiten, in overleg met de werknemers, om geen collectieve waardeoverdracht aan te vragen. De werkgever kiest er dan voor om alle opgebouwde pensioenen, dus al of niet onder de afkoopgrens, achter te laten bij de oude pensioenuitvoerder. Verdere opbouw van pensioen vindt dan plaats bij een nieuwe pensioenuitvoerder van een andere pensioenregeling. In deze situatie heeft een individuele deelnemer geen recht op waardeoverdracht, en ook de pensioenuitvoerder heeft geen recht op automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen. De deelnemer is immers nog in dienst bij de werkgever. De deelnemer loopt in beginsel ook geen risico op afkoop en dus op verlies van pensioenbestemming.
Die werkgever kan ook besluiten, in overleg met de werknemers, wel collectieve waardeoverdracht aan te vragen. In dat geval gaan in beginsel alle opgebouwde pensioenen op in de nieuwe pensioenregeling van de nieuwe pensioenuitvoerder. De betreffende werknemers hebben dan nog alleen te maken met de nieuwe pensioenregeling.
Het kan zijn dat een werknemer bezwaar maakt tegen collectieve waardeoverdracht van zijn of haar pensioen. Het gevolg van dat bezwaar is dat de opgebouwde pensioenen van deze werknemer achterblijven in de pensioenregeling bij de oude pensioenuitvoerder, die verantwoordelijk blijft voor de uitvoering daarvan.
Klopt het dat alleen al in de sectoren horeca, schoonmaak, landbouw, detailhandel, levensmiddelen en de uitzendbranche ruim 2,5 miljoen zogenaamde «slapers» een pensioenaanspraak hebben die onder de wettelijke afkoopgrens ligt? Wat kunnen mensen die zo’n kleine aanspraak hebben nu doen als zij een waardeoverdracht willen?
Ja, dat klopt.4 Indien deelnemers na baanwisseling zijn toegetreden tot een andere pensioenregeling, kunnen zij vragen om individuele waardeoverdracht. Zij kunnen ook besluiten hun opgebouwde pensioenen achter te laten. Specifiek voor achtergelaten kleine pensioenen hebben pensioenuitvoerders het recht gekregen deze automatisch over te dragen indien de betreffende gewezen deelnemer elders pensioen opbouwt.
De betreffende pensioenuitvoerders hebben geen recht meer op tussentijdse afkoop, tenzij er na vijf pogingen van automatische waardeoverdracht geen nieuwe uitvoerder blijkt te zijn. Pensioenfondsen in deze sectoren schatten de kans niet heel groot in dat sprake is van kleine pensioenen als gevolg van collectieve beëindiging. Het zou maar sporadisch voorkomen dat wisseling van bedrijfsactiviteiten leidt tot opbouw bij een andere pensioenuitvoerder, tot collectieve beëindiging en het ontstaan van kleine pensioenen. Dit zou betekenen dat pensioenfondsen wel vanaf 1 januari a.s. kunnen beginnen met het maken van voorbereidingsplannen voor automatische waardeoverdrachten van de vele bestaande, kleine pensioenen. Ik kan mij voorstellen dat dit anders ligt voor verzekeraars. In de mate waarin collectieve beëindigingen vooral bij hen voorkomen kan het zo zijn dat deze pensioenuitvoerders nog niet kunnen beginnen aan het opstellen van plannen voor automatische waardeoverdracht van bestaande kleine pensioenen.
Herinnert u zich dat de intentie van de «Wet waardeoverdracht klein pensioen» is om ervoor te zorgen dat kleine pensioenen hun pensioenbestemming behouden? Deelt u de mening dat deze intentie in de huidige praktijk onvoldoende wordt waargemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat herinner ik mij. De «Wet waardeoverdracht klein pensioen» kent meerdere doelen. Inderdaad is het primaire doel om verlies te voorkomen van pensioenbestemming van kleine pensioenen. Daartoe is het recht op afkoop vervangen door het recht op automatische waardeoverdracht. Dat is gedaan voor die gevallen waarin de deelnemer, die wel heeft gekozen voor een andere werkgever met een andere pensioenregeling bij een andere pensioenuitvoerder, echter niet heeft gevraagd om individuele waardeoverdracht. Om de kosten van uitvoering van de daardoor ontstane kleine pensioenen te verlagen is in die context het recht op automatische waardeoverdracht ingevoerd.
Bij collectieve beëindiging speelt echter niet de situatie dat de werknemer heeft gekozen voor een andere werkgever met een andere pensioenregeling en een andere pensioenuitvoerder. Integendeel, de werkgever en diens werknemers hebben ervoor gekozen om de opgebouwde kleine (en grote) pensioenen achter te laten. Het passeren van die keuze door uitbreiding van de wet is daarmee van een andere orde dan nu is geregeld. Daarbij is het voor nu nog een vraag of de problematiek van het niet kunnen onderscheiden van kleine pensioenen ontstaan door baanwisseling van die ontstaan door collectieve beëindiging aanzienlijk minder speelt bij pensioenfondsen met verreweg de meeste kleine pensioenen. Mijn beeld is dat de intentie vooralsnog niet in gevaar lijkt te komen.
Deelt u de mening dat een aanpassing van artikel 70a Pensioenwet (recht op waardeoverdracht) nodig is als de huidige praktijk tot problemen leidt voor mensen met kleine aanspraken? Bent u bereid hiervoor voorbereidingen te treffen?
Het hoofddoel van de Wet waardeoverdracht klein pensioen zag op het behouden van de pensioenbestemming van kleine pensioenen. De mogelijkheid van tussentijdse afkoop is zeer ingeperkt. Dat is in het belang van de deelnemers. Om pensioenadministraties niet al te veel te belasten met kleine pensioenen, is het systeem van automatische waardeoverdracht tussen pensioenuitvoerders ingericht. Bij de vormgeving van dit systeem is het uitgangspunt geweest dit zo simpel en efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden.
Indien een pensioenuitvoerder geen gebruik mag maken van het recht op automatische waardeoverdracht, omdat deze er in zijn administratie moeizaam onderscheid kan maken tussen de verschillende soorten kleine pensioenen, dan is dat niet direct nadelig voor deelnemers. De pensioenbestemming blijft immers behouden. Via mijnpensioenoverzicht.nl behoudt de werknemer het overzicht van alle pensioenen, waar ook uitgevoerd of in uitvoering. De betreffende deelnemer kan het wel aantrekkelijk vinden om alle pensioenpotjes bij elkaar te hebben.
Van de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars heb ik op 9 april jl. het verzoek gekregen tot uitbreiding van het recht op automatische waardeoverdracht met ook achtergelaten kleine pensioenen vanwege het niet collectief overdragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder. Er zijn pensioenuitvoerders die kennelijk moeite hebben met het onderscheiden van de verschillende soorten achtergelaten kleine pensioenen in hun administraties.
Ik heb de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars per brief laten weten dat ik in beginsel positief tegenover het verzoek sta, maar dat ik nadere informatie nodig heb om een gedegen afweging te kunnen maken.
Ik onderzoek onder meer wat de gevolgen voor werknemers en werkgevers kunnen zijn als ik het recht op automatische waardeoverdracht zou uitbreiden. Ik wil daarbij oog houden voor de belangen van de werknemers. Zij hebben er tenslotte samen met hun werkgever voor gekozen de opgebouwde pensioenen niet collectief over te dragen maar juist achter te laten. Een begrijpelijke reden voor die keuze kunnen bijvoorbeeld garanties zijn. Dit roept de vraag op of het mogelijk en wenselijk is om die kennelijke keuze van werknemers en werkgever te passeren. Waarbij speelt dat de benodigde premies zijn betaald en er in beginsel geen risico op afkoop bestaat. Voorts kan de werkgever te maken krijgen met bijbetaling en, zo ja, wat betekent dat dan? Natuurlijk heb ik bij deze afweging ook oog voor een zo efficiënt mogelijk proces van opschoning van de vele kleine pensioenen in de administraties.
Respecteert u het recht van een Kamerlid om informatie op te vragen? Zo ja, hoe verklaart u dan dat u geen informatie verstrekt over wie de vervolgopdracht gaf aan de EDP-auditors aangaande documenten over de CAF 11-zaak? Bent u bereid de opdracht alsnog aan de Kamer te sturen?1
In mijn brief van 21 juni jl. (Kamerstuk 31 066, nr. 497) heb ik u hierover geïnformeerd, het betreft de volgende passage: «De EDP-auditors hebben ook aangegeven dat zij in hun verslag van 2 oktober zelf een voorstel hebben gedaan voor het vervolg van de werkzaamheden die naar hun mening binnen redelijke tijd door henzelf was uit te voeren. Hun voorstel bestond uit twee varianten. In overleg met het Ministerie van Financiën is de meest uitgebreide variant gekozen. Er was daarbij volgens de auditors geen sprake van een beperking of belemmering. Dit komt overeen met de mail van 2 oktober waarin aan de EDP-auditors wordt bevestigd om de door hen voorgestelde zoekopdracht uit te voeren.»
Wilt u de Kamer eveneens het document doen toekomen waarnaar wordt verwezen in het «proces van beoordeling» over de bevindingen van de EDP-auditors, en waarin de verschillen tussen deze versies zijn toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Op 20 november jl. heb ik met uw Kamer de informatie uit deze documenten gedeeld.2 Ik heb de informatie hieruit in mijn brief van 21 juni toegelicht hoe de opdracht en de vervolgopdracht van de EDP-auditors tot stand is gekomen (Kamerstuk 31 066, nr. 497). Het is staand beleid van het kabinet om documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad geen onderwerp van politiek debat te maken.
Wanneer is besloten tot «dieper» en «nader» onderzoek? Wat was de aanleiding tot dit extra onderzoek?
In de Kamerbrief van 11 juni jl. (Kamerstuk 31 066, nr. 490) heb ik u gemeld dat ik mede in voorbereiding op de adviescommissie uitvoering toeslagen aan Toeslagen heb gevraagd om dieper onderzoek te doen naar de CAF 11-zaak.
Met name in de opstartfase van het CAF-team ontbrak het aan een gestructureerd werkproces en is door Toeslagen ook ongestructureerd gedocumenteerd over CAF-zaken. CAF 11 behoorde tot de eerste zaken van deze aanpak. Helaas was de CAF informatiehuishouding niet goed op orde. Dit maakt dat het destijds gevolgde proces omtrent CAF 11 lastig te achterhalen is.
Wat betekent de formulering dat u ná het onderzoek van de EDP-auditors «later mijn eigen diepgravende exercitie» bent begonnen? Wat behelsde die exercitie?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk voor de ouders is dat er op 28 juni 2019 gesteld wordt dat het over de hele linie fout is gegaan? Kunt u aangeven wat precies de doorslag gaf om zelf tot deze conclusie te komen?
Naar aanleiding van het diepgaande onderzoek dat voorafging aan de adviescommissie uitvoering toeslagen heb ik mij gerealiseerd dat ouders in de knel zijn gekomen en dat excuses alleen niet voldoende zijn. De gesprekken met de ouders hebben dit beeld versterkt. Er is te lang sprake geweest van een tunnelvisie, waarin verdenking van misbruik de overhand had. Daarnaast is mijn beeld dat de wetgeving op onderdelen rigide is en soms te weinig mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan het maatschappelijk rechtvaardigheidsgevoel in deze zaken. De «tunnelvisie» werd gestaafd door de uitkomsten van rechtszaken waarin de (juridische) interpretatie van wetgeving merendeels onderschreven werd. Ik realiseer me dat deze gezinnen door het optreden van de overheid tekort zijn gedaan en dat zij in problemen zijn geraakt. Dit raakt mij zeer en ik zal er dan ook alles aan doen om dat vertrouwen te herstellen.
Kunt u de opdracht van het stopzetten van de kinderopvangtoeslag in 2013 naar de Kamer sturen, alsmede de onderbouwing van de rechtmatigheid van het stopzetten?
Deze opdracht is in het najaar 2018 vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat uw uitspraak in het plenair debat over het evaluatierapport over het onterecht terugvorderen van kinderopvangtoeslagen (21 maart 2019) over een gastouderbureau dat rommelde met de verantwoordingsuren onjuist is? Zo ja, hoe gaat u de schade die deze ondernemer is aangedaan herstellen? Zo nee, waarom blijft u achter uw uitspraak staan?2 3
Ik heb de Handelingen van het debat van 21 maart jl. (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20182019-65-9.pdf) erop nageslagen. In deze bewoordingen heb ik me niet uitgelaten.
Kunt u aangeven welke disciplinaire maatregelen genomen zijn tegen een medewerker van de Belastingdienst? Kunt u ook aangeven welke verdenkingen daaraan ten grondslag liggen?
Ik kan geen uitspraken doen over individuen of individuele casussen.
Zijn de medewerkers van de Belastingdienst die betrokken waren bij het onderzoek naar de zogenaamde fraude en het stopzetten van de kinderopvangtoeslag nog steeds betrokken bij dit onderwerp?
Ik kan geen uitspraken doen over individuen of individuele casussen.
Hoe is het mogelijk dat de dossiers van gedupeerde ouders niet compleet zijn? Wanneer is dit vastgesteld en door wie?
Het dossier van de individuele vraagouder bevat informatie om het recht op kinderopvangtoeslag te kunnen vaststellen. Bij de initiële beoordeling door de behandelende medewerkers van Toeslagen in 2014 bleek dat de verstrekte informatie door de vraagouder veelal als incompleet werd beoordeeld. In circa de helft van de gevallen is na het indienen van bezwaar het dossier door de vraagouder voldoende aangevuld, waardoor het recht op kinderopvangtoeslag alsnog kon worden vastgesteld.
Dit staat los van de helaas ongestructureerde informatiehuishouding bij CAF/Toeslagen gedurende deze periode, waardoor het lastig is om ruim vijf jaar na het starten van CAF 11 alle informatie uit het CAF 11-dossier te achterhalen. Daar heb ik uw Kamer eerder over geïnformeerd. Tevens worden momenteel voor de herbeoordeling de dossiers van alle betrokken ouders gestructureerd voorbereid.
Op welke grond zou u vertrouwen houden in iemand die keer op keer moet toegeven dat eerder gegeven informatie toch niet klopt? Kunt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Ik streef ernaar uw Kamer juist, volledig en tijdig te informeren. Ik heb helaas moeten constateren dat de informatiehuishouding bij CAF-zaken van Toeslagen gebrekkig is gebleken. Die informatiehuishouding is onvoldoende op orde om gegevens van ongeveer vijf jaar geleden gestructureerd terug te kunnen vinden. Daardoor wordt er op verschillende momenten relevante informatie gevonden over deze zaak.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór woensdag 3 juli, 12.00 uur, in verband met het algemeen overleg «Stopzetten kinderopvangtoeslag» op donderdag 4 juli 2019?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
De CAF 11-zaak |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Herinnert u zich dat pas nadat de Kamer en u de echte documenten van de CAF 11-zaak onder ogen kregen, duidelijk werd hoe ongelooflijk de Belastingdienst ouders in deze zaak in de steek gelaten heeft?
Mede in voorbereiding op de adviescommissie uitvoering toeslagen heb ik Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) gevraagd dieper onderzoek te doen naar het stopzetten van de kinderopvangtoeslag van deze groep ouders. Uit dit diepere onderzoek is informatie naar voren gekomen, waardoor ik tot de overtuiging ben gekomen dat er een te grote focus lag op het bestrijden van misbruik, dat de wetgeving deels te rigide is, er op sommige punten sprake was van een trage en onzorgvuldige uitvoering door Toeslagen en er in het gehele proces te weinig oog was voor de menselijke maat. Hiervoor verwijs ik u ook naar mijn brief van 11 juni jl.1
Wanneer en naar aanleiding waarvan heeft u een eigen diepgravende analyse laten uitvoeren? Kunt u het resultaat hiervan aan de Kamer doen toekomen?1
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 1.
Herinnert u zich dat in de casusbeschrijving Hawaii versie 0.9 (waarop het hele onderzoek en de stopzetting later gebaseerd zouden worden) gesteld is dat de signalen uit 2013 kwamen, terwijl na heel lang doorvragen van de Kamer en journalisten duidelijk werd dat de signalen uit 2011 kwamen en in 2013 al helemaal opgelost waren?
Het is correct dat mede naar aanleiding van Kamervragen deze omissie aan het licht is gekomen. Ik heb echter in de brief van 28 juni jl. aangegeven dat er naast de GGD-documenten uit 2011 ook een GGD-signaal uit 2013 als relevant kwalificeert.3 Deze e-mail is, samen met het GGD-bevindingenverslag en de twee e-mails uit 2011, mede aanleiding geweest voor het starten van de CAF 11-zaak.
Kunt u aangeven van welke datum de twee interne versies 0.1 en 0.2 van de casusbeschrijving zijn? Wanneer zijn deze stukken aangemaakt?
Beide versies van de casusbeschrijving zijn aangemaakt op dezelfde dag, te weten 7 oktober 2013.
Staan in de twee interne versies de signalen uit 2011 benoemd? Zo ja, met welk jaartal?
In de interne versies staat een signaal uit 2011 benoemd. Het document bevat echter een aantal inconsistenties, waaronder dat er abusievelijk 2013 in plaats van 2011 wordt vermeld met betrekking tot een signaal uit 2011.
Kunt u de twee interne versies aan de Kamer doen toekomen?
Het is staand beleid van het kabinet om documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad geen onderwerp van politiek debat te maken.
Kunt u aangeven waarom de kinderopvangtoeslag van meer dan 300 gezinnen is stopgezet op basis van 16 actualiteitsbezoeken bij gastouders, terwijl u nu plompverloren toegeeft: «er is naar aanleiding van de actualiteitsbezoeken geen bewijs van fraude of misbruik vastgesteld bij een van de zestien bezochte gastouders»?2
Mijn ambtsvoorganger heeft in mei 2013 een reeks aan maatregelen aangekondigd om toeslagfraude te bestrijden.5 Een van de maatregelen betrof bijvoorbeeld de introductie van risicoprofielen, waarmee aanvragen met een mogelijk verhoogd frauderisico werden gedetecteerd en extra gecontroleerd. Dit leidde ertoe dat betrokken aanvragers langer op een voorschot (toeslag) moesten wachten en/of werden uitgenodigd bij de balies van de Belastingdienst. Als een aanvrager zich niet bij de balie meldde gold het adagium «no show, no money». In de Kamerbrief van mei 2013 werd al het spanningsveld benoemd «tussen dienstverlening enerzijds en fraudebestrijding anderzijds.»
De bezoeken bij de gastouders waren gericht op het verzamelen van actuele informatie over de kinderopvang. Van de bevindingen van de actualiteitsbezoeken bij de zestien gastouders is geen algemeen beeld te schetsen, omdat er bij diverse gastouders verschillende constateringen zijn gedaan. De constateringen betreffen bijvoorbeeld gebreken in de administratie, afwezigheid van opvangkinderen en hoge opvanguren. Deze constateringen waren aanleiding om vervolgonderzoek bij het gastouderbureau in te stellen, waarbij urenstaten van de betreffende gastouders zijn opgevraagd. Dit onderzoek gaf aanleiding om het recht op kinderopvangtoeslag van de vraagouders te beoordelen. Daartoe is de zaak overgedragen naar de reguliere toezichtsbehandeling bij Toeslagen. Vervolgens is de hele populatie van vraagouders gerelateerd aan het betreffende gastouderbureau gecontroleerd. Daarbij ontbrak het aan een gestructureerd werkproces. Uiteindelijk gaf het totaal van de constateringen onvoldoende aanleiding om een fraudeonderzoek te starten bij het gastouderbureau. Het recht op kinderopvangtoeslag van de vraagouders kon op basis van de beoordeling niet in alle gevallen worden vastgesteld.
Sinds wanneer weet u dat er bij de actualiteitsbezoeken geen bewijs van fraude en misbruik is vastgesteld bij een van de zestien bezochte gastouders?
De Belastingdienst heeft in 2015 vastgesteld dat er onvoldoende onderbouwing was voor een strafzaak tegen het betrokken gastouderbureau. Er is naar aanleiding van de actualiteitsbezoeken geen bewijs van fraude of misbruik vastgesteld bij een van de zestien bezochte gastouders. De bevindingen bij de zestien bezochte gastouders gaven wel aanleiding tot onderzoek naar het recht op kinderopvangtoeslag van de vraagouders.
Kunt u de volgende stukken aan de Kamer doen toekomen?
De voorbereidingen van Toeslagen ten behoeve van het onderzoek van de ADR zijn in gang gezet. De onderzoeksopdracht aan de Auditdienst Rijk (ADR) is nagenoeg afgerond. Deze opdracht zal zo spoedig mogelijk aan uw Kamer worden toegezonden. Het is staand beleid van het kabinet om interne documenten niet te verstrekken. Dat geldt dus ook voor de inventarisatielijsten. De stukken uit 2011 hebben geen rol gespeeld in de CAF 11-zaak. De informatie over de actualiteitsbezoeken is op 2 juli jl. in geobjectiveerde vorm met uw Kamer gedeeld.6
Indien het antwoord op de voorgaande vraag nee luidt, beseft u dan dat deze twee documenten (en andere in deze vragen gevraagde documenten) gewoon onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vallen en dat u ze dus aan elke burger beschikbaar dient te stellen indien gevraagd?
De Wet openbaarheid van bestuur bevat een reeks verplichte en facultatieve weigeringsgronden die bij verzoeken om openbaarmaking van documenten bepalen of en in hoeverre een document openbaar gemaakt wordt.
Beseft u dat het kabinet zelf van mening is dat het informatierecht van een Kamerlid (artikel 68 van de Grondwet) verder gaat dan de Wob, maar dat u in deze casus stelselmatig documenten niet aan de Kamer verschaft?
In de brief van 25 april 2016 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan uw Kamer is een beschouwing gegeven over de verschillen tussen het inlichtingenrecht van het parlement op grond van artikel 68 Grondwet en het regime van de Wet openbaarheid van bestuur, dat ziet op informatie die in documenten is neergelegd.7
Indien u ook maar een document in deze Kamervragen niet wilt verstrekken, wilt u die weigering dan aan het kabinet voorleggen, alwaar u alleen met een beroep op «het belang van de staat» een document kunt weigeren aan een Kamerlid? Kunt u vervolgens aan de Kamer mededelen voor welke documenten (en op welke datum) het kabinet besloten heeft om deze documenten niet aan de Kamer te verschaffen?
In de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 januari 2002 aan uw Kamer is uitgebreid ingegaan op de gang van zaken indien een beroep wordt gedaan op het belang van de staat om bepaalde inlichtingen niet aan het parlement te verstrekken.8 Zoals ik al eerder heb aangegeven, ben ik altijd bereid inlichtingen te verstrekken.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de dossiers in CAF 11 zo ongelooflijk incompleet zijn? Waren ze compleet genoeg voor het intrekken van de toeslagen?
Deze vraag ziet op twee verschillende typen dossiers.
Het dossier van de individuele vraagouder bevat informatie om het recht op kinderopvangtoeslag te kunnen vaststellen. Bij de initiële beoordeling in 2014 bleek dat de verstrekte informatie door de vraagouder veelal als incompleet werd beoordeeld. In circa de helft van de gevallen is na het indienen van bezwaar het dossier door de vraagouder voldoende aangevuld, waardoor het recht op kinderopvangtoeslag alsnog kon worden vastgesteld.
Dit staat los van de helaas ongestructureerde informatiehuishouding bij CAF/Toeslagen gedurende deze periode, waardoor het lastig is om ruim vijf jaar na het starten van CAF 11 alle informatie uit het CAF 11-dossier te achterhalen. Daar heb ik uw Kamer eerder over geïnformeerd. Tevens worden momenteel voor de herbeoordeling de dossiers van alle betrokken ouders gestructureerd voorbereid.
Zitten alle verslagen van de actualiteitsbezoeken in de individuele dossiers van de ouders?
De auditors hebben in hun onderzoek naar de documenten enkele verslagen van actualiteitsonderzoeken aangetroffen. Het gaat daarbij om op een individuele zaak betrekking hebbende documenten. Het vaststellen of alle verslagen van actualiteitsbezoeken zijn opgenomen in de individuele dossiers vergt meer tijd dan beschikbaar is voor de beantwoording van deze vraag.
Welke acties gaat u binnen twee weken nemen richting de getroffen ouders (gastouders en vraagouders)? Of bent u van plan weer een half jaar te wachten, terwijl u er zelf kennis van genomen heeft in de individuele gesprekken dat het handelen van de Belastingdienst geleid heeft tot echtscheidingen, baanverlies, schulden en veel meer?
In mijn brief van 11 juni jl. (Kamerstuk 31 066, nr. 490.) heb ik aangegeven welke maatregelen ik neem om de situatie voor de betrokken ouders recht te zetten. Ik heb de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd mij daarbij te helpen, en daarbij de gerechtvaardigde belangen van de toeslaggerechtigden voorop te stellen. Ook heb ik de adviescommissie gevraagd advies uit te brengen over de mogelijkheden voor Toeslagen om binnen de wettelijke kaders en de grenzen van de uitvoerbaarheid – waar nodig – maatwerk te bieden. Meer in het algemeen gaat de adviescommissie bezien hoe ouders anderszins tegemoet kunnen worden gekomen. Gelet op de maatschappelijke urgentie heb ik de adviescommissie gevraagd om zo snel mogelijk, rekening houdend met het zomerreces, met een deeladvies te komen over de vraag welke beleids- en beoordelingsruimte Toeslagen naar het oordeel van de adviescommissie heeft in de verdere afhandeling van de zogenoemde CAF 11-zaken en in aanverwante zaken. Het eindrapport van de adviescommissie wordt eind 2019 verwacht.
Om te voorkomen dat ouders in deze CAF 11-zaak (verder) in problemen zouden komen, heb ik de invordering (inclusief verrekening met lopende toeslagen) van de betreffende terugvorderingen kinderopvangtoeslag opgeschort. Dit in afwachting van de adviezen van de adviescommissie uitvoering toeslagen. Tot die tijd zal geen invorderingsrente in rekening worden gebracht. In aanvulling daarop heb ik met mijn brief van 28 juni jl. die opschorting uitgebreid tot andere toeslag- en/of belastingschulden van de betreffende ouders.
Mijn belangrijkste zorg ligt bij de vraagouders. Met dat perspectief zal de adviescommissie uitvoering toeslagen haar werkzaamheden uitvoeren.
Bent u bereid de klokkenluider onmiddellijk en volledig te rehabiliteren?
Ik doe geen uitspraken over individuen of individuele casussen. Wel ben ik bij de brief van 28 juni jl. ingegaan op de ruimte voor medewerkers van de Belastingdienst om misstanden aan de kaak te stellen. Het is cruciaal dat iedere ambtenaar dit kan doen zonder daarbij op enigerlei wijze te worden benadeeld. Uiteraard is daarbij wel van belang dat vertrouwelijke gegevens van burgers en bedrijven bij de dienst veilig zijn en er zorgvuldig wordt omgegaan met informatie. Mede met dit doel heeft iedere ambtenaar een geheimhoudingsplicht. Verder wil ik een ieder die vermoedens heeft van schendingen of misstanden bij de Belastingdienst oproepen zich te melden bij de daarvoor geëigende plekken binnen de Belastingdienst of bij de onafhankelijke en buiten de Belastingdienst gepositioneerde commissie integriteit via commissieintegriteitbelastingdienst@rijksoverheid.nl.
Ik vind sociale veiligheid in de Belastingdienst van groot belang: mijn ambitie is een open cultuur waarbinnen medewerkers vermoedens van integriteitschendingen en misstanden vrijelijk kunnen melden. Bij de behandeling van casuïstiek worden kaders in de regelgeving gerespecteerd en belangen zorgvuldig gewogen. Daarbij verwijs ik ook naar de eerste voortgangsrapportage over de Belastingdienst, waar ik een vierde pijler «cultuur» wil toevoegen aan het Beheerst Vernieuwen programma.
Heeft u signalen dat er bij andere CAF-projecten zaken zijn misgegaan, zoals het stopzetten (i.p.v. opschorten) van kinderopvangtoeslagen – wat wettelijk niet mag –, het niet op tijd behandelen van bezwaarschriften en het handelen op basis van onvolledige signalen? Zo ja, welke en hoeveel signalen heeft u en wat gaat u daarmee doen?
Tijdens het debat van 21 maart jl. heb ik aan uw Kamer een onderzoek toegezegd naar het handelen van Toeslagen in andere CAF-zaken door de Auditdienst Rijk (ADR). Op dit moment heb ik geen concrete aanwijzingen dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen bij andere CAF-zaken op de wijze zoals dat in CAF-11 is gebeurd. Naar verwachting komt de ADR eind 2019 met de bevindingen. Ik heb aan de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd naar een oordeel in meer algemene zin over het handelen van Toeslagen in andere zaken waarin vermoedens van georganiseerde fraude aan de orde zijn en of de positie van de toeslaggerechtigden hierbij voldoende is gewaarborgd.
Bent u bereid de opdracht aan de commissie-Donner zodanig te veranderen dat de hele periode vanaf 2013 onderzocht wordt? Kunt u de nieuwe onderzoeksopdracht aan de Kamer doen toekomen?
Voor mij staan de betrokken ouders voorop. Ik ben vastberaden dit zo snel als mogelijk recht te zetten en heb de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd mij daarbij te helpen. Daarin staat de commissie niets in de weg.
Bent u van mening dat burgers die door de Belastingdienst benadeeld zijn via een normale weg hun recht konden halen?
Bezwaar en beroep bij een onafhankelijke rechter stond voor iedereen open. De burgers konden dus via de normale weg hun recht halen. Wel is er, zoals ik eerder heb gemeld, in het proces veel misgegaan: termijnen zijn overschreden, niet alle stukken zijn in lopende procedures ingebracht en de vaktechnische lijn met juridische waarborgen ontbrak. Dat wil ik recht te zetten. In algemene zin heb ik voor de toekomst de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd advies te geven of de praktische rechtsbescherming van burgers in toeslagzaken verbetering behoeft, naar aanleiding van de motie Omtzigt. Aanvullend zal de motie Leijten worden meegenomen in het traject «Maatwerk in Dienstverlening» zoals ook beschreven in de brief van 11 juni jl.
Is er een ook maar een Belastingdienstmedewerker op de vingers getikt (of meer) voor het feit dat burgers bewust niet te horen kregen welke bewijsstukken ze moesten insturen?
Ik kan geen uitspraken doen over individuen of eventuele individuele casussen. Tijdens het Algemeen Overleg Belastingdienst van 19 juni jongstleden heb ik aangekondigd uw Kamer in de nieuwe voortgangsrapportage over de Belastingdienst te informeren over de opvolging van de aanbevelingen van de commissie onderzoek Belastingdienst – commissie Joustra-Borstlap – over met name de cultuur bij de Belastingdienst. Deze brief heeft uw Kamer op 2 juli jl. ontvangen. In deze brief heb ik aangegeven dat ik bij de invulling van de toezegging verder wil kijken dan de aanbevelingen van de commissie. Daarom kies ik voor een brede aanpak van de cultuur binnen de Belastingdienst. Ik laat dit traject uitvoeren door een extern onderzoeksbureau, dat gespecialiseerd moet zijn in cultuurvraagstukken en dat tevens ruime expertise heeft om de benodigde gedragsveranderingen te ondersteunen.
In het verlengde daarvan is het belangrijk dat de Belastingdienst leert van deze casus en zo snel mogelijk en binnen de gehele Belastingdienst zorgt voor een open en veilig werkklimaat. Deze casus laat zien dat de wens om te voldoen aan de maatschappelijke roep om fraudebestrijding samen met strikte regelgeving naar mijn opvatting heeft geleid tot het ontstaan van een «tunnelvisie». Het was een combinatie van beleid en uitvoering, waarbij in het spanningsveld tussen fraudebestrijding en dienstverlening de eerste de overhand heeft gekregen. In dit klimaat is het belangrijk dat fouten op het juiste niveau worden gemeld, nadrukkelijk van die fouten wordt geleerd, dilemma’s worden besproken en moreel leiderschap en rechtstatelijk handelen de mores zijn. En waarbij in de relatie met burgers en bedrijven oog is voor de menselijke maat.
Is er een ook maar een Belastingdienstmedewerker op de vingers getikt (of meer) voor het feit dat grote aantallen bezwaarschriften meer dan een jaar zijn blijven liggen?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 20.
Is er een ook maar een Belastingdienstmedewerker op de vingers getikt (of meer) voor het feit dat de datum van de aanleiding verkeerd is weergegeven in de documenten?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 20.
Is er een ook maar een Belastingdienstmedewerker op de vingers getikt (of meer) voor het feit dat de dossiers volstrekt onvolledig geweest zijn?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 20.
Is er een ook maar een Belastingdienstmedewerker op de vingers getikt (of meer) voor het feit dat stukken van burgers zijn achtergehouden tot en met de Hoge Raad?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 20.
Kunt u deze vragen een voor een en zeer zorgvuldig beantwoorden en wel vóór woensdag 3 juli, 12.00 uur, in verband met het algemeen overleg «Stopzetten kinderopvangtoeslag» op donderdag 4 juli 2019?​
Ik heb uw vragen zo zorgvuldig mogelijk beantwoord.